41

BINNENLANDS BESTUUR - WEEK 16 | 2020 ACHTERGROND 41 Voor benoemingen op het allerhoogste ambtelijke niveau zet het kabinet in op ‘een goede lobby’ tussen het rijk en de EU-instellingen. Dit bevordert de informatie-uitwisseling in alle fases van de EU-besluitvorming, wat essentieel is in de huidige Unie om de Nederlandse inzet te kunnen realiseren.’ Tevens vormen de Nederlandse EU-ambtenaren volgens Blok ‘een peilstok’ voor wat er op EU-niveau speelt en hebben zij vaak goed zicht op vrijkomende posities. ZWAAR EXAMEN Er zijn meerdere oorzaken voor de ondervertegenwoordiging van Nederland bij de EU. Het betreft onder meer het goede leefklimaat en de carrièremogelijkheden in Nederland, partnerproblematiek, het niet altijd positieve imago van de EU als werkgever en de werkcultuur binnen de EU, die op nogal wat punten afwijkt van die in Nederland. Daarnaast blijken ook de lange Europese selectieprocedures (EPSO), met een zwaar entree-examen – het zogeheten ‘concours’ – als toegangspoortje, een belangrijke horde voor Nederlanders. De selectieprocedures rusten op een andere, meer Franse bestuurscultuur en sluiten slecht aan op ons onderwijssysteem. Samen met lidstaten als Denemarken, Ierland en Zweden, die met soortgelijke problemen kampen, lobbyt Nederland bij de Europese Unie voor selectieprocedures die beter aansluiten op de praktijk in lidstaten. Toch geeft het kabinet prioriteit aan de vertegenwoordiging van Nederlandse ambtenaren in vaste dienst bij de Europese instellingen via een concours. Dat wordt als de beste manier gezien om een goede vertegenwoordiging van Nederlanders op de langere termijn en in de hogere functies te bevorderen. ‘Ambtenaren in vaste dienst hebben immers de meeste kans om door te stromen naar management- en andere topfuncties’, aldus Blok. Dat neemt niet weg dat het kabinet zich ook inzet voor manieren om Nederlanders te ondersteunen bij een tijdelijke positie bij de Europese instellingen. Zij zorgen ervoor dat Nederland op ambtelijk niveau is vertegenwoordigd. Bovendien blijkt dat deelnemers met eerdere EU-ervaring een hogere slagingskans hebben voor de EU-selectieprocedures. Ook wordt de drempel om te solliciteren bij de EU lager. Het kabinet meent dan ook dat werken bij de EU een normaal onderdeel moet zijn van een carrière binnen het Nederlandse openbare bestuur. ‘Naarmate meer Nederlandse ambtenaren een deel van hun carrière in het Europees werkveld doorbrengen, bouwt de rijksdienst als geheel expertise en ervaring met EU-besluitvorming op. Dit is essentieel gezien de invloed van de Europese Unie op vrijwel alle terreinen van het Nederlandse openbare bestuur.’ De ondersteuning die de overheid daarbij kan bieden, varieert van het begeleiden van Nederlanders die een vaste baan bij de EU ambiëren, het opdoen van EU-ervaring aan het begin van een carrière in het Nederlandse openbare bestuur tot het detacheren van Nederlandse ambtenaren vanuit de rijksoverheid – of een ander onderdeel van de Nederlandse overheid – en het bevorderen van benoemingen op hoog ambtelijk niveau. HERINTRODUCTIE BEURS Wat betreft het begeleiden van Nederlanders die een vaste baan bij de EU ambiëren, zal Werken bij de EU – een onderdeel van Buitenlandse Zaken – meer inzetten op kansrijke Nederlandse ambtenaren. Voor de beginnersfuncties wordt een promotiecampagne gericht op jonge ambtenaren. Voor de iets hogere functies gaat het ministerie gericht zoeken naar kansrijke kandidaten. Het kabinet onderzoekt verder hoe de rijksoverheid de ‘alumni’ van de EU-selectieprocedures kan begeleiden tot zij daadwerkelijk een EU-baan vinden. Intensievere begeleiding van die groep kan relatief eenvoudig en snel de instroom BEZETTINGSGRAAD De gewenste bezettingsgraad voor de Europese Commissie, het SecretariaatGeneraal van de Raad en het Comité van de Regio’s is 3,9 procent. In de berekening daarvoor worden het aandeel in de EU-bevolking, de leden van het Europees Parlement en stemmen in de Raad meegenomen. Volgens de Commissie zijn er de volgende aantallen Nederlandse ambtenaren (cijfers uit 2018): Europees Parlement: 63 (2,5 procent) Secretariaat-Generaal van de Raad: 32 (2,4 procent) EDEO: 32 (3,4 procent) Europees Economisch Sociaal Comité: 10 (3,1 procent) Comité van de Regio’s: 6 (2,1 procent).

42 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication