182

adviesorganen van de overheid en de Stichting van de Arbeid (StvdA) als nationaal platform voor cao-onderhandelingen, zijn in dit opzicht zeker niet uniek in Europa. 3 DE EU ALS DERDE PIJLER Maar hoe groot zijn de nationale marges voor probleemoplossend onderhandelen nog in de nasleep van de internationale kredietcrisis? Wat valt er nog uit te ruilen naar programmatisch beleid en politieke steun? De verheviging van de internationale concurrentie door de principes van marktwerking, de Europeanisering van economisch beleid, de toegenomen diversiteit aan arbeidspatronen, de verdere afname van organisatiegraad van de vakbeweging en de toegenomen politieke volatiliteit met de opkomst van het populisme, hebben de beleidsautonomie en politieke slagkracht van de nationale polderinstituties en actoren aangetast. Begin jaren’80, bij het Akkoord van Wassenaar, bestonden de hervormingsagenda’s van Lubbers en Kok uit minutieus uitgewerkte regeerakkoorden, die konden worden ondersteund door ruime meerderheden in de parlementaire pijler (Visser en Hemerijck, 1997). Stevige verticale discipline van koepelorganisaties opgelegd aan de lid-organisaties in de maatschappelijke pijler vergemakkelijkte hiernaast het ruilverkeer tussen sociale partners en regering. Sluipenderwijs is het democratisch mandaat van de regering in het parlement smaller geworden, hetgeen de stabiliteit van opeenvolgende coalities sinds de paarse kabinetten danig bemoeilijkt. Voor werkgevers die internationaal opereren, is de nationale schaal voor belangenuitruil in de maatschappelijke pijler te klein geworden en vanwege een dalend aantal lidmaatschappen is de vakbeweging in een diepe representativiteitscrisis terechtgekomen. Het dramatische verloop van het pensioenakkoord in 2009-2011 en de daarop volgende open leiderschapscrisis bij de FNV is hier de uiting van. Maar de meest ingrijpende inperking van de beleidsruimte voor onderhandelend bestuur en sociaal overleg is zonder meer de verregaande Europeanisering van macro-economisch beleid, met name sinds de eurocrisis. Achteraf moeten we constateren dat de Economische en Monetaire Unie (EMU) geheel nieuwe, en moeilijk te beïnvloeden, bestuurlijke verhoudingen in het leven heeft geroepen. In navolging van Stein Rokkan kunnen we met recht spreken van de toevoeging van een derde pijler van bestuur en beleid, de EUpijler (European tier), naast de bestaande two tiers van onderhandelend bestuur en sociaal overleg. Het zogeheten ‘Europees Semester’ (2010), samen met de afspraken over verscherpt begrotingstoezicht door de Europese Commissie in het kader van de Euro Plus Pact (2011), het Six-Pack (2011), 180 Niet twee maar drie pijlers van onderhandelend bestuur: het belang van Europa voor de Nederlandse arbeidsverhoudingen

183 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication