307

Voor ambtenaren geldt dit zeker ook. Vanuit arbeidsmarktoverwegingen, waarbij meer mensen langer doorwerken en duurzaam inzetbaar moeten blijven in wellicht plattere organisaties, is meer variatie in loopbaanpaden gewenst. Vanuit het uitwisselen en opdoen van ervaring kan het daarbij nuttig en gewenst zijn om een (tijdelijke) periode in de overheid van een andere lidstaat te gaan werken, of bij een van de Europese instellingen. Veel jongeren komen in Nederland studeren, maar weinigen stromen vervolgens in bij de overheid. En als dit gebeurt, dan vooral op gemeentelijk niveau. Omgekeerd verblijven Nederlandse studenten graag een tijdje in het buitenland, maar daar instromen bij de overheid is ook niet gebruikelijk. Voor mensen die al werken bij de overheid ligt dit kennelijk nog minder voor de hand, behalve voor de diplomaten en enkelen werkzaam op Europese dossiers. Hierbij spelen diverse belemmeringen een rol, waaronder taal, afstand, verstedelijking of niet, specificiteit van de sector en de mate van openheid van de grenzen. Voor de overheid komen daar dus ook de specifieke kenmerken zoals eerder beschreven bij. Een mogelijke overstap van een Nederlands ministerie naar een Duits of Belgisch ministerie of de Europese Commissie betekent van een vacaturegericht systeem willen overstappen naar een carrièregericht systeem met examens en interne opleidingen. Dat kan dus niet gemakkelijk zomaar ergens middenin de loopbaan, maar juist voor topmanagers gaan de systemen steeds meer op elkaar lijken. Bovendien hebben zowel Duitsland als België een federale overheid, waar slechts een beperkt aantal taken bij de centrale overheid ligt en veel meer bij de Länder of de Vlaamse en Waalse overheid. Taalproblemen zijn in deze landen wellicht nog te overkomen, maar worden ingewikkelder bij de Scandinavische landen, de Baltische staten en Polen of landen in Oost- en Zuid-Europa. Echter, menigeen blijkt bij nadere bevraging een ouder uit een ander land te hebben, elders te hebben gestudeerd of gewoond of uit interesse een andere taal te hebben geleerd. Verder kunnen relatieve verschillen in beloning een rol spelen. Maar die hangen deels ook weer samen met de arbeidsmarktsituatie in een land. Ook bij werkmobiliteit tussen lidstaten en met de EC is dus maatwerk nodig. De globalisering is alom, maar nog maar beperkt in de (tijdelijke) werkmobiliteit van ambtenaren tussen Europese lidstaten en de EU-instellingen. Daar kan en wil Nederland tijdens zijn voorzitterschap van EUPAN een bescheiden bijdrage aan leveren door ervaringen uit te wisselen, belemmeringen waar mogelijk te verhelpen, gezamenlijke activiteiten te stimuleren en op kleine schaal daadwerkelijk ambtenaren tijdelijk uit te wisselen. Topmanagers kunnen daarbij het goede voorbeeld geven. DE NEDERLANDSE AMBTE-NAAR IN VERGELIJKING TOT DE EU 28 305

308 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication