41

blauwdrukken voor de bestuurlijke organisatie met voorstellen voor de vorming van districten, gewesten, miniprovincies of landsdelen en ook gedachten over een kleiner kernkabinet, zijn geen realiteit geworden. In dit hoofdstuk worden de hoofdlijnen van de opgetreden veranderingen geschetst. In vogelvlucht gaan we in op de situatie bij de verschillende bestuurslagen: Rijk, provincie en gemeenten. Het accent ligt daarbij op de wijzigingen die zich bij het rijk hebben voorgedaan. Aan het slot van het hoofdstuk worden enkele vragen opgeworpen over de toekomst. Ook gaan we na in hoeverre de rijksdienst een voorbeeld zou kunnen nemen aan de situatie bij de overige overheden, en welke ontwikkelingen bij het Rijk het meest van belang zijn voor de toekomstige organisatie van die overige overheden. 2 DE GEMEENTEN Met de totstandkoming van de Gemeentewet van 1851 kwam een eind aan de daarvoor bestaande structuur van stedelijk en plattelandsbestuur. Er bestaat sindsdien nog maar één soort gemeente met een raad en burgemeester en wethouders. Deze gemeentelijke structuur is tot op heden zo gebleven. Wel is het aantal gemeenten in de loop der jaren door een voortgezet beleid van gemeentelijke herindeling fors gedaald. Deze beweging van een geringer aantal grotere gemeenten zet nog steeds door. De forse afname van de gemeenten blijkt uit hun aantal in respectievelijk 1900 (1121), 1920 (1110) 1940 (1054), 1960 (994), 1980 (811), 2000 (537) en 2015 (393). Sommigen verdedigen de stelling dat grotere gemeenten beter in staat zijn hun taken te vervullen, omdat zij over een grotere bestuurskracht beschikken. Grotere gemeenten zijn daardoor beter in staat taken te vervullen die voor hun uitvoering om een grotere schaal vragen en zij kunnen ook beschikken over een hoogwaardiger ambtelijk apparaat. Voldoende bestuurskrachtige gemeenten zouden een noodzakelijke voorwaarde zijn voor het adequaat kunnen oppakken van een steeds groter wordend aantal maatschappelijke opgaven. De recente decentralisatie in het sociale domein heeft een forse uitbreiding van het gemeentelijk takenpakket opgeleverd. Omdat gemeenten niet alle nieuwe taken zelfstandig kunnen uitvoeren, zijn zij landsdekkende samenwerkingsverbanden aangegaan op deze nieuwe terreinen. Sinds 1900 zijn Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht de vier grootste steden van Nederland. Het aandeel van deze steden qua bevolking was in 1900 nog 22 procent. Dat liep terug naar 13 procent in 2004. Op dit moment nemen deze grote steden weer een toenemend aandeel van de bevolking voor hun rekening en wordt voor de toekomst met verdere groei van hun aandeel in de bevolking rekening gehouden. De gemeentelijke organisatie kent volgens Aardema en Korsten7 drie fasen van ontwikke7. Aardema, H. Korsten, A., gemeentelijke organisatiemodellen, opgenomen in: Bekke, A. e.a. (red.), Naar een collegial en samenhangend overheidsbestuur, uitgave Raad voor het openbaar bestuur, Den Haag, 2009. ORGANISEREN ALS PERMANENTE OPGAVE 39

42 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication