49

Duifeuilletil De appel valt nooit ver van de boom. Eertijds had ik duiven. Witte sierduiven. In hetzelfde hok achter ons huis wordt alweer een paar jaar gekoerd. Junior kreeg een viertal van zijn stageadres, van de Grote Kunstenaar uit Easterwierrum. Het stel woont bij de konijnen ‘op zolder’, wordt gekoesterd en dijt alsmaar uit. Ik vernuiver mij nog altoos kostelijk over de bewoners van onze duiventil. Aparte, eigenwijze vogels zijn het. Het allereerste paartje moest nog veel leren. Nesten maken leren ze wellicht nooit. Het is gauw klaar met drie takjes en een strootje… Vervolgens leggen ze twee eieren die heel geëmancipeerd bij toerbeurt door man en vrouw worden bebroed. De eerste eieren bleken onbevrucht en kwamen dus ook na de dubbele broedtijd maar niet uit. Daarna was er steeds wat. Ze zijn gedomesticeerd en daardoor is de leg niet seizoengebonden. En als de duivenmelker het toestaat, broeden ze dus ook het hele jaar door. Of het bleek te koud, dan weer verzorgden de ouders hun kroost domweg onvoldoende. Ineens ging het beter en kwamen er steeds meer duiven in de til. Het gaat het best als er maar één ei uitkomt. Dan hoeven de ouders namelijk niet te kiezen wie de kropmelk moet. Het is wel voorgekomen dat ze alleen de grootste schreeuwlelijk voeren en de kleinste gewoon verwaarlozen… Jonge duiven zijn wel zo ongeveer de lelijkste schepselen van moeder natuur. Ze hebben nog het meest weg van de al uitgestorven dodo. Het duurt weken eer er enige gratie zichtbaar wordt die duiven in het algemeen en sierduiven in het bijzonder zo eigen is. En tot die tijd zijn het hulpeloze creaturen die wederom door beide ouders gevoerd worden. Langzaam komt de metamorfose en dan vliegen ze ineens uit. Inteelt ligt op de loer, maar Mandeguod 47

50 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication