124

schoen dragen met een brede, naar boven gedraaide neus. Tot 1885 moesten zij een gescheurde kap dragen. Tot 1880 moesten zij strakke pantalon, zelf gekleurd, in plaats van normale lange broeken. Tot 1891 moesten alle Zoroastrianen in de dorpen en steden lopen, en zelfs in de woestijn moesten zij van hun lastdieren afkomen, als zij een Mussulman (Moslim) tegenkwamen of van vergelijkbare rank. Er waren vergelijkbare kledingrestricties die teveel en te triviaal zijn om op te noemen. En dan de huizen van de Parsi’s en de Joden, met de omringende muren, moesten zo laag worden gebouwd, dat de top ervan, dus het dak, zo laag was, dat een Mussulman (Moslim) het kon aanraken met uitgestrekte hand. Zij mochten echter wel onder de grond graven, zodat de woning onder straatniveau begint. … Tot 1860 mochten Parsi’s niet meedoen aan handel. Zij verstopten gewoonlijk dingen in kelderruimten, en verkochten deze in het geheim. Zij kunnen nu handelen in karavanen of herbergen, maar niet in bazaars, en zij mogen ook niet handelen in lakens en stoffen. Tot 1870 waren Parsi’s niet toegestaan om een school te hebben voor hun eigen kinderen. Het bedrag aan de Jaziya (Jizja belasting), of belasting op infidels (ongelovigen), verschilde overeenkomstig de welvaart van het Parsi individu in kwestie, maar het was nooit minder dan twee tomans (10 duizend dinars). Een Toman is nu evenveel waard als drie shilling en 8 pence, maar het was eerder veel meer waard. Zelfs nu, wanneer het geld minder waard is geworden, komt het overeen met een arbeidersloon van 10 dagen. Het geld moet terplekke worden betaald, wanneer de farrash (letterlijk een tapijtveger, een dienaar die op pad wordt gestuurd), zich als een belastingontvanger gedraagt, en de man ontmoet. De farrash had de vrijheid om te doen wat hem beliefde, wanneer hij de Jaziya (Jizja) in ontvangst nam. De Parsi man had zelfs niet de vrijheid om even naar huis te gaan, en het geld op te halen, maar werd zelfs meteen geslagen totdat het werd gegeven. Ongeveer in 1865 een farrash die zijn belasting in ontvangst nam, bond een man aan een hond, en gaf afwisselend een klap aan de man en aan de hond. Ongeveer in 1891 een mujtahid (religieuze clerk) betrapte een Zoroastriaanse koopman op het dragen van witte kousen op een openbaar toegankelijk plein in de stad. Hij verordonneerde de man om geslagen te worden en dat de kousen uitgetrokken moesten worden. Ongeveer in 1860 ging een man van 70 jaar naar de bazaar met een witte pantalon van ruw canvas. Zij sloegen hem flink, trokken zijn pantalon van hem af, en zond hem naar huis met de pantalon onder zijn arm. Soms moesten Parsi’s op een been staan in of voor het huis van een mujahid, totdat zij ermee instemden om een aanzienlijke som geld te betalen.2 Wat is het lange termijn effect van op zo’n manier te leven, zoals hierboven is beschreven? Het antwoord gaat over aantallen: Na ongeveer 1400 jaar leven als dhimmi’s en de ware natuur te ervaren van Islamitische tolerantie, maken Zoroastrianen vandaag de dag minder dan 2% van de bevolking van 2 Napier Malcolm, Five Years in a Persian Town, New York, E.P. Dutton, 1905, 45-50, Geciteerd in A.G. Bostom, The Islamization of Europe, FrontPageMagazine.com, 31 December 2004 124

125 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication