51

Hoofdstuk 27, het hoofdstuk voor het befaamde Ezechiël 28, vangt zo aan: Ezechiël 27 1 Het woord van de HEERE kwam tot mij: 2 En u, mensenkind, hef een klaaglied aan over Tyrus, 3 en zeg tegen Tyrus, dat zetelt bij de toegangen naar de zee, dat met de volken handeldrijft in veel kustlanden: Zo zegt de Heere HEERE: Tyrus, ú hebt gezegd: Ik ben volmaakt in schoonheid. [HSV] Tyrus had zélf gezegd: “ik ben volmaakt in schoonheid”. Het zijn de woorden die een hoofdstuk verder worden aangehaald over de koning van Tyrus: Ezechiël 28 11 Het woord van JAHWEH kwam tot mij, zeggend: 12 Mensenkind, hef een klaaglied aan over de koning van Tyrus en zeg tot hem: Zo zegt mijn Heer JAHWEH: U, zegel van volkomenheid, vol wijsheid en volmaakt van schoonheid … Zondeloos? Uit het bovenstaande wordt nogal makkelijk geconcludeerd dat het over satan zou gaan, die, voor hij satan werd, een ‘volmaakte engel’ zou zijn geweest, zondeloos. Dan zou altijd de vraag moeten zijn: hoe kan een zondeloos, volmaakt wezen dan in zonde vallen? Daarnaast zijn er nogal wat figuren in de Bijbel die ‘volmaakt’ of ‘onberispelijk’ worden genoemd, terwijl er moreel gezien toch wel wat op aan te merken valt. Noach (Genesis 6:9), Jakob (Genesis 25:27), Job (Job 1:1,8) en David (2 Samuël 22:24) waren volmaakt of onberispelijk, voor zover een mens dat kan zijn.

52 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication