0

Date Gorter Stichting Da-ath

Colofon Titel: Da-ath De uitgeroepen gemeente: lichaam én bruid? © 2021 Date Gorter, da-ath.nl Eerste druk: augustus 2021 Uitgever: Stichting Da-ath, Capelle aan den IJssel Alle rechten voorbehouden Samenstelling & vormgeving: Evangelie Om Niet, evangelieomniet.nl ISSN 2772-8803 NUR 707

INHOUD 1. Bijzonderheden over huwelijkssluiting in het (Midden-)Oosten en Israël 9 2. Over een relatie die als huwelijk voorgesteld wordt 15 3. De profeten van Tenach (Oude Testament) beschrijven dat 17 4. De woorden van Jahweh door Hosea 23 5. Ook de 2 stammen faalden 27 6. De Griekse Schrift 31 Noten 61

Bijbelteksten: werkvertaling gebaseerd op de Herziene Statenvertaling (HSV) en de Nederlandse Concordante Vertaling (NCV, bron: https://ncv-bijbelstudie.nl/).

1. Bijzonderheden over huwelijkssluiting in het (Midden-)Oosten en Israël Het kiezen van de bruid De geestelijke band tussen God en Zijn volk wordt in de Schrift weergegeven onder het beeld van een huwelijk. Allereerst is het goed om te kijken naar de Hebreeuwse manier waarop verloving en huwelijk plaatsvonden. Welke gewoontes horen daarbij? Als we dat weten kunnen we beter bepaalde aanduidingen in de Schrift begrijpen. Dat voorkomt dat wij daarbij onze westerse gedachten en gewoontes invullen. In het (nabije) Oosten bestaan andere gewoontes rondom het huwelijk dan die wij kennen. De keuze: wie wordt de bruid? Dat lag niet aan de toekomstige bruidegom, maar aan zijn (bloed)verwanten of aan een daarvoor uitgekozen vriend. Izaäk koos niet zelf zijn bruid, maar Eliëzer, de huismeester van Abraham. Dat geeft extra charme aan de prachtige geschiedenis van Genesis 24. Hagar kiest een vrouw voor Ismaël. Gen.21:21 Izaäk bepaalt voor Jakob de keuze. Gen.28:1 9

Juda kiest een vrouw voor Er. Gen.38:6 De zoon was hierin niet per se ongeïnteresseerd of zonder stem. Ouders stelden iets voor aan hun zoon en die kon kiezen. Dat zien we bij Sichem Gen.34:4,8 en Simson. Richt.14:1-10 Gewoonlijk kwam het voorstel van de familie of vertegenwoordiger van de aanstaande bruidegom. Maar bij verschil in afkomst kon de vader van de bruid haar voorstellen. Dat gebeurde bij Jetro ten opzichte van Mozes. Ex.2:21 Ook bij Kaleb voor Othniël Joz.15:17 en bij Saul voor David. 1Sam.18:27 De verloving Na het kiezen van de bruid was het tijd voor verloving. Die werd heel open voor allen gevierd, en lijkt enigszins op een huwelijksdag zoals wij die kennen (soms kun je iets van het oorspronkelijke terugvinden bij volkeren). Dit gebeurde door een vriend of een wettig vertegenwoordiger van de bruidegom en door de ouders van de bruid. De plechtigheid werd bevestigd met beloftes en werd vergezeld door cadeaus voor de bruid, terwijl beiden (bruid en bruidegom) niet aanwezig waren. Tussentijd Direct na de verloving verloor de bruid alle rechten op eigen bezit. Haar bezittingen werden overgedragen aan de echtgenoot. Kort gezegd: alle wettelijke verplichtingen die de bruid en de bruidegom hadden, werden overgenomen bij de verloving. Met onze westerse gewoontes in gedachten zouden wij dit als huwelijkssluiting 10

zien. Maar dat was volgens de Schrift niet het geval. En ontrouw van de kant van de bruid in de periode tussen verloving en consumeren van het huwelijk, was op dezelfde manier strafbaar als ontrouw ná het consumeren van het huwelijk. Deut.22:23-24 Tussen de verloving en de werkelijke huwelijkssluiting zat een periode van soms maar enkele dagen in de tijd van de aartsvaders, Gen.24:55 tot een vol jaar voor maagden en een maand voor weduwen in later tijden. Tijdens die periode konden bruid en bruidegom alleen contact met elkaar hebben via een vriend: de vriend van de bruidegom. Het tooien van de bruidegom en bruid Bij het huwelijk zelf werd geen godsdienstige ceremonie gehouden. Het bestond uit het ophalen van de bruid uit het huis van haar vader naar het huis van de bruidegom. Daarna waren zij man en vrouw en werden zij tot één vlees. Gen.2:24; Matt.19:5; 1Cor.6:16; Ef.5:31 De bruidegom kleedde zich feestelijk voor deze speciale gelegenheid en tooide zijn geparfumeerde hoofd Hoogl.3:6 met een tulband, Jes.61:10 en een kroon van goud, zilver, rozen, mirte of olijf, al naar gelang de omstandigheden. De bruid bereidde zich voor door ’s avonds te baden. Ruth 3:3; Ezech.23:40 Naast de gebruikelijke kleding droeg zij over alles heen een sluier, ook over haar gezicht. Gen.24:65 Zij droeg dan een gordel en op haar hoofd, een soort kroon. De bruidsmeisjes waren dan ook in het wit, vaak met gouddraad erin. Ps.45:14-15 De bruid is geparfumeerd, Ps.45:9 en getooid met juwelen. Jes.49:18; 61:10; Openb.21:2 11

Een vreugdevolle stoet Een bepaald avonduur werd vastgesteld. Dan ging de bruidegom naar ‘de zonen van de bruidskamer’, Matt.9:15 in het gezelschap van spelende en zingende musici, Gen.31:27; Jer.7:34; 16:9 en van anderen met lichtgevende lampen. Jer.25:10; Openb.18:23 De bruid wachtte gespannen, samen met de bruidsmeisjes. Als de bruidegom haar verblijfplaats bereikte, nam hij haar mee naar de woning die zij gingen betrekken. Op weg werd deze vreugdevolle stoet vergezeld door 10 maagden met brandende lampen. De mensen die dat zagen en hoorden kwamen hun huizen uit en keken met respect naar de optocht. Hoogl.3:11 Een feest van 7 dagen In het huis van de bruidegom werd een feestelijke maaltijd gehouden waarbij vrienden en buren uitgenodigd waren. Gen.29:22; Matt.22:1-12; Luc.14:8; Joh.2:2 Het feest duurde een week. Gen.29:27 Het binnengaan van het bruidsvertrek Pas wanneer de bruid in het voor haar bestemde huis was gekomen, was er directe communicatie tussen haar en de bruidegom. De vriend van de bruidegom kon nu met vreugde horen dat zij met elkaar spraken en kon huiswaarts gaan. Zijn werk als boodschapper tussen hen zat erop. De ceremonie van de bruiloft eindigde als de bruid het bruidsvertrek (Hebreeuws: cheder) binnenging. In dat bruidsvertrek was een bruidsbaldakijn (Hebreeuws: chuppah).Ps.19:5; Jes.4:5; Joël 2:16 12

Eén familielid van de bruid en één van de bruidegom werden gewoonlijk op de dag van de bruiloft geselecteerd om de bijzondere huwelijkszaken voor die gelegenheid te representeren. Bijvoorbeeld als iets zou spelen wat in Deuteronomium 22:15-21 staat. Zij werden gezien als shoshibenim (Hebreeuws) of paranimfen (Grieks). Dit waren enkele bijzonderheden over huwelijkssluiting in het (Midden-)Oosten en Israël. Een en ander vormt de basis voor de typologische en allegorische verwijzingen naar ‘het huwelijk’ in de Schrift. 13

14

2. Over een relatie die als huwelijk voorgesteld wordt Liefdesgeschiedenis Feit is, dat een koning in het Oosten werd -en wordt- gezien als ‘de echtgenoot’ van zijn volk. De troonsbestijging wordt dan gezien als ‘de verloving of huwelijksviering’. Deze gedachte bestond in Europa in de middeleeuwen nog. En sporen ervan vinden we nog in die landen waar een koning(in) is. Als je in een republiek woont zegt je dat niet zoveel. Maar het blijft een feit, dat echtgenoot van het volk zijn nog steeds figuurlijk gesproken de status van koning in Oosterse landen is. Dit was ook zo bij Israël. Jahweh had zo’n relatie met Zijn volk, waarvan Hij Koning was. De analogie (overeenkomst) wordt daardoor niet geblokkeerd; want een ware echtgenoot heeft zijn vrouw lief, hij eert haar, beschermt haar en zorgt voor haar in alle opzichten. Een waarachtig koning doet dit alles voor zijn volk. Voor hen die van liefdesgeschiedenis en romantiek houden: die van Jahweh met Zijn volk is er een die heel bijzonder is. 15

16

3. De profeten van Tenach (Oude Testament) beschrijven dat Verbond ‘De vriend van de bruidegom’ (zie: Tussentijd, blz.10-11; Het binnengaan van het bruidsvertrek, blz.12) was Mozes, als het gaat om de geestelijke verbintenis van God met Zijn volk Israël. Hij leidde het volk uit. Ex.19:7 Jahweh ontmoette als de Bruidegom Zijn verloofde bij de berg Sinaï, Ps.68:8-9 en werd daar met haar verbonden toen Hij de troon besteeg. Ezech.16:8 Dat gebeurde als eerste op de berg vol vuur en rook. Neh.9:13-15 Later was die wolkkolom tussen de cherubs in het heilige der heiligen van de tabernakel. 1Sam.4:4; Ps.5:8; 10:16; 47:8-9; 74:12; 89:19; Jes.6:5; 33:22; 43:15; Jer.10:10; 46:18 Het verbond dat geratificeerd werd bij die gebeurtenis (Sinaï) werd later beschreven als huwelijk: … niet zoals het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb op de dag dat Ik hun hand vastgreep om hen uit het land Egypte te leiden – Mijn verbond, dat zij verbroken hebben, en Ík regeerde over hen, een bevestiging van Jahweh. Jeremia 31:32 17

Formele verloving Het heiligen van het volk bij Sinaï was de formele verloving. En dat was de enige ceremonie die met een huwelijk in het Oosten verbonden was. Mozes was als de middenman of vriend van de bruidegom, die gezegd werd wat hij aan het volk door moest geven: Jahweh riep tot hem vanaf de berg: Zo moet jij tegen het huis van Jakob zeggen en de zonen van Israël verkondigen: Jullie hebben zelf gezien wat Ik met de Egyptenaren gedaan heb en dat Ik jullie op arendsvleugels gedragen en jullie bij Mij gebracht heb. Nu dan, als jullie nauwgezet Mijn stem gehoorzamen en Mijn verbond in acht nemen, dan zullen jullie uit alle volken Mijn persoonlijk eigendom zijn, want heel de aarde is van Mij. Jullie dan, jullie zullen voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden die jij tot de zonen van Israël moet spreken. Mozes kwam terug en riep de oudsten van het volk, en hield hun al deze woorden voor, die Jahweh hem geboden had. Toen antwoordde heel het volk gezamenlijk en zei: Al wat Jahweh gesproken heeft, zullen wij doen! En Mozes bracht de woorden van het volk terug aan Jahweh. Exodus 19:3-8 Ontrouw Maar de schoonheid van Israël als bruid werd verstoord door het lasteren van hun God en Koning. Terwijl Mozes op de berg bleef om de instructies van hun Heer te ontvangen, richtten zij een gouden 18

afbeelding van de Egyptische stiergod Apis op. Zij schreven de verlossing uit Egypte aan hem toe, in plaats van aan Jahweh. Ex.32:4 Israël was niet alleen ontrouw tijdens de verlovingsceremonieën, maar de tekenen van haar maagdelijkheid ontbraken. Zij was inmiddels een vrouw van hoererij toen Jahweh haar huwde. Dit werd later door Hosea geïllustreerd toen hij met Gomer moest trouwen. Hos.1:2 De uitgekozenen prikkelden Hem tot jaloersheid bij de Rode Zee. Ex.14:10-12; Ps.106:7 Toen zorgde Hij voor mist en verwarde de legers van Farao. Zo overwon Jahweh het kwaad met het goede. Ook de zee was geen probleem voor Hem. Hij zorgde voor een pad door de Rode Zee. De legers van farao kwamen om in het water en dat deed het stenen hart van het volk smelten: Toen geloofden zij Zijn woorden en het volk bezong Hem lofprijzend. Exodus 15; Psalm 106:12 De trieste geschiedenis van het verharde volk wordt samengevat in: Zij vergaten al snel Zijn werken; zij wachtten niet op Zijn raadsbesluit. Psalm 106:13 De kleine oprisping van vreugdevolle beantwoording van Zijn roepen en daden was steeds een zachte plek waar Hij op terugkeek en Hij keek ernaar uit in de navolgende eeuwen. Ik denk aan u, aan de genegenheid van uw jeugd, aan de liefde van uw bruidsdagen, toen u achter Mij aanging in de woestijn, in een 19

onbezaaid land. Jeremia 2:2 Die kleine liefde wordt de basis voor een profetie over Israëls grotere en blijvende lofprijzing, wanneer grotere wonderen dan die in Egypte zijn gedaan. … daar zal zij zingen als in de dagen van haar jeugd, als op de dag dat zij wegtrok uit het land Egypte. Hosea 2:14b Geestelijke verbintenis Ezechiël werd ook door de Heer gebruikt om een overzicht te geven van de geschiedenis van het volk Israël, als was het een huwelijk. Het zou in gedachten gehouden worden, dat deze relaties niet fysiek, maar geestelijk waren. Het huwelijk van Israël met Jahweh was een geestelijke verbintenis met Hem. Niet van individuele mensen, maar van het volk. De verbinding (verloving – huwelijkssluiting) kwam tot stand door de belofte van Israël, dat zij geen andere goden of voorwerpen van aanbidding erop na zouden houden. Als zij dat wel deden, dan zou dat verbreking van het huwelijk inhouden. Aan de andere kant zou Jahweh hen verzorgen, en bijzonder in hun behoeften voorzien, zoals dat een onvergelijkbare Koning past. Hij zou haar liefhebben, koesteren, beschermen met Zijn alomvattende kracht. 20

Zijn eigendomsrechten gingen met haar mee, zoals wij lezen: Verder mag het land niet voor altijd verkocht worden, want het land behoort Mij toe. Jullie zijn immers vreemdelingen en bijwoners bij Mij. Lev.25:23 Er vond wel een formele verlovingsceremonie plaats, maar van consumeren van het huwelijk was geen sprake. Er kwam geen nationale geestelijke verbinding met Jahweh tot stand. Er was geen sprake van een echt huwelijk tussen het volk en hun Echtgenoot-Koning. Maar Jahweh deed wel Zijn plicht. Hij nam hen mee naar Zijn woning, het land Kanaän, dat de gehuwde staat uitbeeldde. Zondige verbintenissen Het overzicht van Ezechiël 16 is zeer helder en doordringend duidelijk. Vers 13 geeft de sleutel tot de zeer metaforische taal van de bestraffing. Zo werd u getooid met goud en zilver. Uw kleding was fijn linnen en zijde, voorzien van kleurrijk borduurwerk. Meelbloem, honing en olie at u. U werd buitengewoon mooi, en geschikt voor het koningschap. Onderwerp: overzicht van het koninkrijk waarvan Jeruzalem het zichtbare hoofd was. Het volk groeide van kindje tot vrouw; wording, vermenigvuldiging van het volk gebeurde in Egypte. Door haar verloving, door middel van het verbond van Jahweh werd zij bedekt en versierd – de optuiging van de tabernakeldienst, de 21

religieuze verordeningen en wetten, die zijn weerga qua rechtvaardigheid bij andere volkeren niet kent. Deut.4:7-8 Haar ontrouw (hoererij), het ontbreken van vertrouwen in Jahweh, haar afval van Jahweh wordt beschreven. Dat werd allemaal duidelijk in het instellen van afgodendienst en aanbidding van andere goden met bijbehorende rituelen. Zij pleegde overspel met de Egyptenaren, Ezech.8:10,14; 20:7-8 en de Assyriërs. Ook gingen zij zondige verbintenissen aan met deze volkeren. Zij vermengden hun dienst aan Jahweh met afgodendienst. Haar geliefden kwamen tegen haar en lieten haar naakt achter, dat is het overgeven in de handen van de Egyptenaren, 2Kron.12:2-9 in die van de Assyriërs, 2Kon.18:9-16 en de Chaldeeën. 2Kron.36:17-21 Zij namen hun kostbaarheden weg en op het laatst werden zij in ballingschap weggevoerd. In Ezechiël 16 gaat het om het ontbreken van geestelijke eenheid tussen het volk en Jahweh. Hun harten waren ver van Hem. Dat werd zichtbaar in allerlei vormen van vreselijke afgoderij en bijbehorende rituelen. Het leidde tot ontrouw in onderlinge relaties van de leden van het volk. 22

4. De woorden van Jahweh door Hosea Een vrouw van hoererijen Meer dan 100 jaar voor Ezechiël was Juda in feite al gewaarschuwd door de woorden van Hosea tot de 10 stammen, die toen samen Israël genoemd werden. Die naam droeg het sinds de scheiding van de 2 en de 10 stammen. Onder het beeld van een vrouw bleek zij zich niet te houden aan de huwelijksbelofte en er kwamen kinderen die dat bedenkelijke voorbeeld volgden. De profeet moest iets doen dat dit krachtig uitbeeldde. Hosea moest Gomer huwen, zij was een vrouw van hoererijen. De namen van de kinderen van Hosea en Gomer zijn bijzonder van toepassing: 1) Jizreeël (betekenis: God zal verstrooien of zaaien): om Israël te herinneren aan hun eigen onbekeerlijkheid en aan de slechte daden in hun paleis te Jizreeël. En om te laten zien dat hun verstrooiing binnenkort een feit zal zijn. 1Kon.21:1; 2Kon.17:5-6 2) Lo-Ruchama (betekenis: geen ontferming of barmhartigheid, geen berouw): laat zien dat Jahwehs voorraad aan 23

barmhartigheid leeg is, Hos.1:6 hoewel Juda nog wel ontferming kreeg. 2Kon.19:34-35 3) Lo-Ammi (betekenis: niet Mijn volk): laat zien dat van toen af Israël niet langer Gods volk was, en dat Hij niet hun God meer was, Hos.1:9 maar de tedere belofte was dat op een dag een betere situatie zou overheersen en God zal vervullen wat Hij lang geleden zei over het aantal zonen van Israël. Hos.1:10 Verloven in gerechtigheid Daarna spoort hij het volk aan om te handelen als een volk dat door God barmhartigheid ontving. En dat om het gedrag van moeder Samaria af te wijzen, die ballingschap zou ondergaan wegens haar afval van Jahweh en toeschrijven van welvaart aan afgoden. Hos.2:1-5 Als verdere uitweiding van deze dreiging, noemt de profeet een serie verdrukkingen die zouden komen om haar gevoelig te maken voor het doen van haar plicht aan Jahweh. Hos.2:6-13 God bedoelt met haar om te gaan als tedere echtgenoot en niet als een harde meester: Daarom zal ik haar meelokken naar de woestijn en dan tot haar hart spreken. Daar zal ik haar wijngaarden aan haar teruggeven, het Achordal maak ik tot een poort van hoop. En zij zal mijn liefde beantwoorden als in de tijd van haar jeugd, als op de dag dat ze uit Egypte trok. Dan, op die dag zal het zijn, – spreekt Jahweh –, dat je zult zeggen: Jij bent Ishi (mijn Man), en je zult Mij niet meer noemen Baali (mijn Bezitter). De namen van de Baälim zul je niet meer in de 24

mond nemen, ze zullen niet langer worden herinnerd door hun naam. Hosea 2:16-19 Zo wil Jahweh Zijn volk voor Zich terugwinnen. Hij wilde dat zij weer net als bij en na de uittocht, verheugd zou zijn en zou zingen. En dan vervolgt Jahweh via Hosea: Op die dag sluit ik voor mijn kinderen een verbond met de dieren van het veld en met alles wat vliegt en kruipt. Ik maak een einde aan het geweld van boog en zwaard in hun land, zodat ze in rust en vrede kunnen leven. Ik zal je verloven met Mij voor de olam, Ik zal je verloven met Mij in gerechtigheid, en in gericht, en in goedgunstigheid en in barmhartigheid. En Ik zal je verloven met Mij in trouw, en je zult weten dat Ik Jahweh ben. Hosea 2:20-21 Dat zal in de toekomst een verandering van naam geven, zoals met de naam Lo-Ammi: Op die dag – spreekt Jahweh – zal ik antwoord geven. Dan antwoord Ik de hemelen en de hemelen antwoorden de aarde, en de aarde antwoordt het koren, olijfboom en wijnstok, en zij antwoorden Jizreël, want het land zaai ik in met mijn volk. Over Lo-Ruchama zal ik mij ontfermen, Lo-Ammi noem ik weer Mijn volk, en dan antwoordt hij: ‘Jahweh, mijn Alueim (Elohim) bent U. Hosea 2:23-25 25

Een scheidbrief Dan zouden ze eerst nog veel dagen in ballingschap zitten en gaan verlangen naar het land. Hos.3:1-5 Steeds opnieuw wordt deze droevige geschiedenis herhaald in Hosea. Efraïm, het hoofd van de 10 stammen - zoals Juda dat van de 2 stammen is - , lag ook onder het gericht om weggestuurd te worden. Jahweh kon eigenlijk niet loslaten, zoals we lezen: Hoe zou Ik jou prijsgeven, Efraïm, jou uitleveren, Israël? Hoe zou Ik jou prijsgeven als Adama, met jou doen als Zeboïm? Mijn hart keert zich in Mij om, al Mijn medelijden (nacham) is opgewekt. Hosea 11:8 Uiteindelijk moet er toch een ballingschap komen, Jahweh had iets onbehoorlijks aan haar gevonden, Deut.24:1 en daarom moest zij het huis (het land) uit, Hos.9:17 een scheidbrief! 26

5. Ook de 2 stammen faalden Verbonden met vreemde koningen Ezechiël laat de reden voor wegvoering in ballingschap in duidelijke woorden zien. Hij noemt de zusters Ohola (betekenis: haar tent), dat is Samaria en Oholibah (betekenis: Mijn tent is in haar), Jeruzalem. Beiden waren lang gewend aan de armen van vreemdelingen (Ezechiël 23:3,8 – Egypte). De sleutel tot de betekenis lezen we in Ezechiël 23:7: Zij richtte haar hoererijen op hen: op heel die keur van Assyriërs. Zij verontreinigde zich met allen op wie zij verliefd was geworden, met al hun stinkgoden. Juda brak de belofte – de eed met Jahweh – om alleen Hem lief te hebben, te dienen, te aanbidden en te gehoorzamen als haar enige Man. Dit deed zij door anderen lief te hebben, te dienen, te aanbidden en te gehoorzamen: afgoderij = overspel. Juda gaf liefde, dienst, aanbidding en gehoorzaamheid aan heersers van omringende landen in ruil voor loon, voor macht = hoererij. Dit wordt duidelijker als we beseffen dat de heidense koningen van die dagen altijd afstamming van de Baäl claimden, en aanbidding ontvingen als goden. Zij werden “zonen van de zon” genoemd. 27

Zo legde Juda verbindingen met afgoden door verbonden met vreemde koningen te sluiten. Men zegt: Als een man zijn vrouw wegstuurt, zij bij hem weggaat en de vrouw van een andere man wordt, mag hij nog naar haar terugkeren? Zou dat land niet ten zeerste ontheiligd worden? Jij echter, jij hebt hoererij bedreven met veel vrienden, en keert terug naar Mij – een bevestiging van Jahweh. Jeremia 3:1; Deuteronomium 24:1-4 Religie Zelfs na de verootmoedigende ballingschap in Babylon, geloofden slechts een klein aantal voldoende om terug te keren. Ezra 2:64 Nochtans was de les over de afgoden geleerd. Daarna heeft Israël niet langer de neiging gehad om andere goden dan hun eigen Jahweh te dienen. Maar wat was nu het gevaar, de dreiging? Het antwoord is: religie. Zij keerden niet meer terug in de armen van vreemden, maar religie is een negatieve eigenschap. God, als de Man/echtgenoot, verlangt ernaar in Israël niet slechts een serie verboden te zien, maar Hij wil bovenal een innig verlangen, een liefdevol antwoord horen. De Vader zoekt zulke aanbidders, die Hem aanbidden in geest en in waarheid. Johannes 4:24 Religie, als een ingesteld systeem tot aanbidding, is altijd de meest onverbiddelijke vijand van geestelijk leven geweest. 28

Filosofie, als ingesteld systematisch denken, is altijd de vijand van de waarheid geweest. De Joden groeiden uit tot de meest punctuele religieuze mensen op aarde; en de Grieken groeiden in dezelfde periode uit tot de meest filosofische. Zo was de boodschap van genade en goedgunstigheid door Zijn Zoon ‘voor de Joden een valstrik en voor de Grieken dwaasheid’. 1Cor.1:22-23 Uitzien Tussen de terugkeer van de Babylonische ballingschap en de eerste komst van de Heer, ontstonden diverse sekten en groepen mensen te midden van de Joden die elkaar de loef afstaken met ijver in de religie. Maar daar was ook individueel geestelijk leven. Mal.3:16 De meesten hadden echter een hard hart en gaven geen antwoord op Gods liefde. Zij herkenden dat niet eens! Mal.1:2 Het eindigt met een oproep van Jahweh om naar Hem terug te keren. Mal.3:7 De vervreemde vrouw werd gezegd uit te zien naar de ‘vriend’ die aandacht zou vestigen op de aanwezige Bruidegom: Zie, Ik zend jullie Elia, de profeet. Mal.4:5 29

30

6. De Griekse Schrift Mattheüs Mattheüs (3:2) begint met de roep: Keer je om, want het koninkrijk van de hemelen is nabij! Dat klonk toen anders in de oren van de Joden in het land dan nu voor ons. Daar bestond overheersing door een vreemde mogendheid. Zij werden teruggeroepen tot hun Man, die in de hemelen resideerde. Johannes moest roepen, en dat in verband met Daniël 7:27; de Joden behoorden tot dat volk. Zij werden opgeroepen hun nationale zonden te belijden (overspel met andere goden). De luisteraars waren vertrouwd met de komende verontwaardiging. Matt.3:7; Mal.4:1 De Joden waren de kinderen (zonen) van de bruidskamer, Matt.9:15 de Heer was de Bruidegom. Marc.2:19-20; Luc.5:34-35 Zijn bediening en die van de twaalf, sloot de natiën buiten. Matt.10:5-6; 15:24 Jodendom was een boos en overspelig geslacht. Matt.12:39; 16:4; Marc.8:38 Het draait daar om Israël, want zij waren gehuwd met Jahweh. Am.3:1-2 Christus’ gemeente van Mattheüs 16:8, was de Joodse, evenals de gemeente in de wildernis. Hand.7:3; Ps.22:22,25 Omkering (metanoia) en waterdoop, waren de sleutels tot het koninkrijk. De Heer had ze in Zijn hand, om ze te gebruiken tijdens 31

Zijn aardse bediening. Maar daarna gaf Hij die aan Petrus, die ze in Handelingen 2 (Jeruzalem), 3 (Judea), 8 (Samaria) en 10 (uiterste van het land – proseliet Cornelius) kon gebruiken. Het was in de wedergeboorte – niet in de nieuwe schepping – waar de apostelen waren, en zouden zitten om “de twaalf stammen van Israël te richten”. Matt.19:28 Dat is hun bestemming in het aardse koninkrijk van de Messias. De gelijkenis van het koninklijke bruiloftsmaal, Matt.22:1-14 leert hoe de belangrijkste mensen binnen Israël wel uitgenodigd waren, maar niet kwamen. Het gelovig overblijfsel was de bruid; onze Heer was de Bruidegom. De rest van de natie, te beginnen bij de farizeeën en schriftgeleerden, waren tot de bruiloft uitgenodigd, zoals verder uitgewerkt in de gelijkenis van de 10 maagden. Matt.25:1-13 Hierbij zijn noch de wijze noch de dwaze de bruid, en dat werden zij ook niet geacht te zijn. Zij waren slechts aanbidders die het voorrecht konden hebben om de bruidegom én de bruid te begeleiden naar het feest. De wijzen krijgen voorrecht, maar zij worden niet de bruid. Marcus Marcus zegt iets over de lijdende Dienaar van Jahweh. Mattheüs informeert over de Koning en het koninkrijk en dus hoeven we weinig tot niets te verwachten over het koninkrijk of over bruids- of huwelijksrelaties in dit verslag. En er is bijna niets te vinden. 32

Lucas Lucas schildert Hem als de Zoon van Adam. Het geslachtsregister gaat terug tot op Adam. Daarmee heeft Hij de rechten om over de aarde te regeren. Maar dat regeren zou samen met Israël gebeuren. Het aanbod van het koninkrijk – oftewel het hernieuwde winnen van het hart van Israël – is aanwezig, en als Man, als komende Echtgenoot, doet Hij dat in Lucas 12:22-31. Zíj zouden aan Hem denken. Híj zou voor hen zorgen als zij slechts zouden omkeren. We lezen oproepen tot bekering (na-denken) in Lucas 13:1-9, en dat met bijbehorende vrucht. Diep overtuigd van zonde en heel bewust, zouden zij hun verkeerde levenswandel moeten loslaten en zich moeten wenden tot Heer en Meester. Er was echter geen ommekeer merkbaar, zoals blijkt uit de woede van de overste van de synagoge. Luc.13:14 Hij dacht aan de ceremoniële wet ; de Heer aan liefde. Juist de oversten, farizeeën en schriftgeleerden bekeerden zich niet, daarom wendt de Heer zich tot de armen Luc.14:16-24 ; zij zullen aanliggen in het koninkrijk. Door dit alles heen blijft Israël Israël, en wordt nooit heidens. Want de roeping en de genadegaven van God zijn onberouwelijk! Rom.11:28-29 33

Johannes Johannes spreekt duidelijke taal. Jezus is de Zoon van God. Joh.20:31 Hij identificeert de koninklijke Man met Zijn voorafgaande hemelse heerlijkheid, en met Zijn vorige huwelijk met Israël in de naam van Jahweh. Wat ook in Israël werd gedaan, het was door Hem. Hij kwam tot Zijn bezittingen (Zijn troon als Davids erfgenaam; Zijn land als Abrahams erfgenaam; en Zijn aarde als de laatste Adam). Maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Joh.1:12 Er was wel een Nathanaël, die de dubbele belijdenis uitsprak: U bent de Zoon van God; U bent de Koning van Israël. Joh.1:49 Niet toevallig was het begin van de tekenen die Hij deed, op een bruiloftsfeest. Joh.2:1-11 Hij houdt het hele universum vast door Zijn krachtige uitspraak, Hij veranderde water in wijn. Dat was een kleine uitbeelding van het feest voor alle mensen in Zijn koninkrijk. Jes.25:6 Dat zal Zijn eigen bruiloftsfeest zijn. Johannes 3:29: 1) De bruid was er 2) Jezus, de Bruidegom, is aanwezig 3) Johannes, de vriend van de Bruidegom, hoort Zijn stem. De vraag is: Het gelovige overblijfsel uit de Joden hoorde toen bij de bruid. Maar horen wij, als gelovigen, van nu óók bij de bruid? 34

De bruid was toen Israël, net als de vrouw van Jahweh in Tenach . Komen de gelovigen die door Paulus geroepen worden als bruid in de plaats van Israël? Toen de Heer de Samaritaanse vrouw ontmoette, zei zij, “dat zij geen man heeft”. Dat illustreert de plaats van Israël in de afgelopen 2000 jaar. Zij (Israël) zal op het laatst schaamteloos verbonden zijn met het laatste wereldrijk van ‘het beest’. Dan.7; Openb.13 Aan het einde van deze boze eon (wereldtijdperk), zal Israël naar de Heer terugkeren. Het beeld van schapen en de Herder geeft (enigszins) een punt van overeenkomst met dat van Man en Vrouw als echtgenoten. De natie wordt geherderd of door de Man begeleid. Beide beelden lezen we regelmatig in Tenach en de Griekse Schrift – voor wat aan de Besnijdenis gericht is. Geen van beide beelden komen in de paulinische brieven voor. Het woord ‘schaap’ komen we alleen tegen in Romeinen 8:36, waar Jesaja geciteerd wordt als profetie van de Heer, die “als een schaap geslacht werd”. Dit geldt ook voor het begrip ‘herder’; het wordt alleen in Efeziërs 4:11 (meervoud: herders) genoemd in de zin van: pastoraal. In Johannes 10 lezen we over de herder en de schapen; dat was de Heer met Israël. In vers 9 lees je dat zij de deur moeten binnengaan. Dat is typisch voor Israël, zij moesten zich omkeren en hun nationale zonde: overspel daadwerkelijk en waarachtig loslaten. Dan zou Hij ze redden, anders waren ze aan onderdrukkers overgeleverd. Dit is iets anders dan de redding van alle mensen door Christus’ dood 35

– 1 Timotheüs 4:10; de redding is niet uit werken, maar door Gods genade – Efeziërs 2:8,9. In Johannes 10 en 17 lees je dat de Heer “welbehagen had in dat wat Vader Hem gaf”. Dus was de bruid groter in aantal: nog steeds uit Israël. De verslagen van het leven van de Heer gaan niet over ons, ze zijn wel voor ons in de zin van: tot lering, onderricht et cetera. De ethische instructies daarin gelden Israël. Dat geldt ook voor de bergrede, die de wetgeving vormt voor het komende, aardse Messiaanse koninkrijk. De gemeente die het lichaam van Christus is, Ef.1:23; 1Cor.12:11-12 komt niet voor in de evangeliën. De omgeving, degenen die optreden, de boodschap: alles is Israël. Zij nemen de draad op van het drama dat te lezen is in de profeten van Israël. Handelingen Wat lezen we? In de eerste hoofdstukken is het een pure, zuivere Joodse aangelegenheid. De Heer was naar Zijn eigen, met Hem getrouwde, volk gekomen als hun Echtgenoot-Koning. Zij hadden Zijn toeneiging in Zijn nederige staat (als Mens) veracht. Zij zagen niet hoe Hij voor hen wilde zorgen. Zij verwachtten iets anders. Zullen zij Hem ook verachten als Hij vanuit de hemel tot hen spreekt? Handelingen beantwoordt die vraag. Eerst merken we op, dat het boek Handelingen niet geschreven is als verslag van ‘het ontstaan van de christelijke kerk’ of het lichaam van Christus. Voor de inhoud raadplegen we Handelingen 1: 36

• onmiskenbare bewijzen van de opstanding van Jezus Christus uit de doden • instructies aangaande het koninkrijk van God Hier ging het over in de gesprekken van de Heer met Zijn discipelen. Sommige opdrachten worden vermeld, maar zeker niet alles. Zij moesten in Jeruzalem blijven om te wachten op de heilige geest. Zij zouden gedoopt worden (niet geboren worden uit) in heilige geest. Die werd aangeduid als kracht uit de hoge. Luc.24:49 Verder zouden zij getuigen zijn van de opstanding van de Heer in: 1. Jeruzalem 2. Rest van Judea 3. Samaria 4. Uiterste van het land Als het gaat om de apostelen tijdens de Handelingentijd, dan gaat het om het uiterste van het land. Gaat het om de toekomst, dan betreft het de uitersten van de aarde. Matt.28:18-20; 24:14 Ook moesten zij iemand zoeken als vervanger voor Judas Iskariot. ‘Maar’ – zou tegengeworpen kunnen worden – ‘moeten we dan Matthias zo zien, of Paulus?’ Het antwoord is, dat het niet aan ons is om dat te bepalen. Laten we de Schrift volgen en kijken naar wat al gedaan is. Dan is het overduidelijk dat Matthias gekozen was om de twaalf compleet te maken. Dit klinkt: wat gebonden en losgemaakt is op aarde, zal dat ook zijn in de hemelen. Matt.16:19; 18:1,18-19 Geen van deze beloften kunnen op ons van toepassing zijn; dat waren de dagen van wonderen en tekenen die 37

ook getuigden van het aanbrekende koninkrijk van de hemelen. Nu, in onze tijd van genade, gelden beide facetten niet. Als we gewoon Handelingen volgen – en niet Paulus inlezen waar hij niet genoemd wordt – dan zien we, dat Matthias bij de twaalf gerekend werd. En zij wierpen hun loten en het lot viel op Matthias; hij werd met instemming van allen aan de elf apostelen toegevoegd. Handelingen 1:26 Petrus stond op, met de elf … Handelingen 2:14 En de twaalf riepen de menigte van de discipelen bij zich … Handelingen 6:2 Hij werd gezien door de twaalf … nadat Hij gezien was door al de apostelen … En als laatste van allen werd Hij ook door mij gezien. 1 Corinthiërs 15:5-8 Duidelijke scheidslijn tussen Paulus en de twaalf. Hij was beslist niet één van de twaalf. Hij had de Heer niet gezien en meegemaakt tijdens Zijn aardse bediening. Zij waren bedoeld voor de twaalf stammen van Israël en –soms – proselieten. Als Petrus’ bediening afneemt, komt die van Paulus meer naar voren. De twaalf moesten wachten op de kracht uit de hoge. Ze waren met 120 bij elkaar en zij spraken vervuld met heilige geest. Hand.2:4 Dezelfde boodschap zoals die Jezus bracht, kwam naar voren (voor het koninkrijk op aarde): bekering, doop, en: Jezus is de Messias. Dat werd aangevuld met Zijn opstanding en verheerlijking aan Gods 38

rechter(hand). Dat laatste bewees Zijn gerechtigheid: een vlekkeloze wandel op aarde naast wat Hij gesproken had. De pinksterboodschap van Petrus, Hand.2:15 was gericht aan de mannen in Judea en allen die in Jeruzalem wonen. Hand.2:14 Passen we dit getuigenis op onszelf toe, dan halen wij het daar weg en verwarren de waarheid. Joël (2:28-32) komt naar voren, woorden die wijzen naar de tekenen en wonderen die de dag van Jahweh zouden inluiden. Wat in gedachten was, was het aardse koninkrijk. Dat klinkt duidelijk in de boodschap die gebracht werd. Het wijst naar het Davidisch verbond. Hand.2:30 Er bestaan onder meer drie onvoorwaardelijke verbonden, die alle drie nog niet vervuld zijn: 1. Davidisch verbond met een erfgenaam van hem op de troon – Jeremia 33:17-21 2. Abrahamitisch verbond inzake het land Kanaän – Genesis 17:8; 28:13 3. Adamitisch verbond ; het vervullen van (en het regeren over) al het leven op de aarde – Genesis 1:28 Deze drie worden vervuld in Christus. Hij is de Koning van Israël, Lotgenieter van het land en Hij is het, die over de werken van Gods hand gesteld is. Ps.8; Hebr.2:7-8 Maar hier draait het om Israël. Hand.2:30 39

Petrus spreekt over de Koning en het koninkrijk als één. De verwachting was zeer sterk geworden door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. 1Petr.1:3 Er was een klein groepje gelovigen dat erop vertrouwde dat Hij Israël zou verlossen. Luc.24:21 Toen hun Heer stierf, stierf ook hun hoop, maar door de opstanding was die weer aangewakkerd. Zou Hij op de dag van de eerstelingen hen redden als de eerstelingen van het volk, om daarmee het koninkrijk aan hen te herstellen en hen koninklijke kracht te verschaffen? Het antwoord hing af van het gedrag van het volk ten opzichte van hun Koning, dus de manier waarop de hooghartige gescheidene het hernieuwde huwelijksaanzoek zou accepteren. De apostelen en de andere discipelen werden bezocht met de krachten van de toekomende eon. Hebr.6:5 Dit is duidelijk te zien in de lamme die opspringt als een hert en in de dood (het omkomen) van Ananias en Saffira, zoals in Psalm 101:7-8 genoemd: Wie bedrog pleegt, zal binnen Mijn huis niet verblijven. Wie leugens spreekt, zal voor Mijn ogen niet standhouden. Elke morgen zal Ik alle goddelozen in het land ombrengen, Om allen die onrecht bedrijven, uit de stad van Jahweh uit te roeien. Waar gebeurt dit in deze tijd? Nergens is nog iets te zien van wat in die dagen gebeurde. Niet als het gaat om direct doodgaan (Ananias en Saffira) en evenmin als het gaat om genezingen (lammen gaan lopen). De uitkomst van de pinksterprediking was, dat 3000 Joden overtuigd werden dat Jezus de Messias is. Zij werden gedoopt, gingen verder in 40

het onderricht en de gemeenschap van de apostelen, het breken van het brood, de gebeden. Alle gelovigen keken uit naar de komst van het Messiaanse koninkrijk en zij hadden de gewoonte om te bidden in de tempel. Er was geen spoor te ontdekken van enig loslaten van Joodse gewoontes. Zij bleven Joden in hun gedrag. Zij verkochten extra bezittingen; datgene wat zij hadden verworven boven dat wat hun naar de Thora toekwam. Het was een bewijs dat zij hun God en Zijn gerechtigheid zochten. Alles zou in het jubeljaar vrijvallen en naar het toegelote deel verdeeld worden. En van wat zij extra verkochten, konden zij de opbrengst ten goede van allen gebruiken. En ook hier kunnen wij niet het lichaam van Christus inlezen, en deze principes zomaar toepassen op de gemeente die Zijn lichaam is. Bij de genezing van de lamme man door Petrus, verkondigde deze apostel confronterend hun schuld aan de dood van de Messias, hun Geliefde-verloofde, de Vorst van het leven. Hand.3:15 Zo zouden zij moeten erkennen dat zij ontrouw waren geweest Zo lezen we in Handelingen 3 en 4, dat Petrus spreekt uit Tenach (Mozes en de profeten) en hen aanspreekt. Wie? Het volk Israël, vooral de leiders. Zij verwierpen bevrijding van het Romeinse juk en wezen dit aanbod af. Dat leidde tot hun “op een zijspoor gezet zijn” tot op deze dag. En wat stond in de weg? Religie. Hun harten waren gevuld met goederen die voor hen aangenaam waren, maar er was geen plaats voor de Zoon 41

van God. Zij verboden de apostelen zelfs te spreken in de Naam van Degene Die hun Redder is! Zat er overspel in dit alles? Jazeker! Want de apostelen spraken uit Psalm 2, geleid door heilige geest. Daarin lees je, dat de natiën samenspannen met Israël, dat als volk meewerkte. Deze eenheid in bedoelen tussen heidense macht en Gods eerder gescheiden volk – maar dat nu opnieuw het hof gemaakt werd als bruid voor een nieuw huwelijk – was feitelijk een samenzwering tegen Degene aan Wie zij rechtens toebehoorde. Zij had meer oog voor de vreemde dan voor haar ware Geliefde. Heel wat geloofden; de rest was verschrikt en beangst. Het Sanhedrin hoorde minstens drie keer evangelie (Handelingen 4:9-12; 5:29-32; 6:12-7:60); twee keer voorafgegaan werd die door een aan het volk gerichte boodschap (Handelingen 2:14-36; 3:12-26). Het ergste wat zo ongeveer over deze gelovigen gezegd kon worden was, dat zij de neiging hadden hetgeen zij onderwezen kregen –de gewoontes die Mozes hen overleverde–, te veranderen. Hand.6:14 De Joden waren meer bezig met ‘kanaal-van-zegen-zijn’ dan met de Bron van de zegen. Meer betrokken bij instrumenten, dan bij de Werker. Mozes had over een grote Profeet gesproken. De Joden luisterden naar Mozes wanneer het voor hen zelf vleiend was, of wanneer het hen uitkwam. Liever dan hun gewoontes op te geven, stapelden zij moord op moord. Zij zeiden ook tegen de Heer dat Zijn discipelen, de 42

tradities van de ouden overtraden. Matt.15:2-6 Ze maalden er niet om dat zij door de tradities het woord van God krachteloos maakten. De tijd verstrijkt, Stefanus wordt gearresteerd. De heerlijkheid van God straalde van het gezicht van Stefanus af, net als dat van de Heer zelf, destijds. Matt.17:2; 2Cor.4:6 De richters van het Sanhedrin hadden een groter zelfbewustzijn dan Godsbewustzijn en veroordeelden Stefanus. In hoofdstuk 8 zien we de Ethiopische proseliet, een zoon van Cham, die de Messiaanse boodschap te horen krijgt. Zo ook in hoofdstuk 10 bij Cornelius. Dat is een zoon van Jafeth en hij wordt geconfronteerd met het evangelie van het koninkrijk. Hij was een toegewijd en God-vererend man; iemand die Jahweh vereerde. Hij had echter geen sociale status bij de Joden. Een Jood mocht niet het huis van een proseliet binnengaan, net zo min als bij een pure heiden. Cornelius was ondergeschikt aan de Joden. Die moesten bij hem komen om hem speciale zegen te brengen. Hij was gereinigd zoals bleek in het visioen aan Petrus. En dat hij door God aanvaard was, was op basis van goede werken en vrees, zoals ook in Mattheüs 25:34 staat. Wij zijn door God aanvaard zonder werken. Rom.11:6; Ef.2:8-9 Destijds namen vrees voor God en rechtvaardige werken, de plaats van de wet van Mozes in, als het gaat om de Godvrezende Joden en heidenen. De zegen voor Cornelius hing af van het vestigen van het koninkrijk van God op aarde. 43

Onze zegen komt tot ons ondanks en vanwege het tekortschieten en falen van Israël. Petrus moest naderhand op het matje komen in Jeruzalem. Hij trad als apostel van Jezus Christus, onafhankelijk op en was als zodanig niet ondergeschikt aan de broeders in Jeruzalem. Door hun houding bereidden zij zelf de weg voor de afvalligheid van Israël. Zelfs de gelovigen in Israël werden grotendeels afvallig. Zij noemden Jezus hun Heer, maar deden niet wat Hij zei. Zij waren niet gewillig om Gods zegen te ontvangen en zegenkanaal voor de natiën te worden, tenzij de natiën eerst Mozes gingen volgen en daarna Messias Jezus. Zij maakten het woord van God krachteloos door hun tradities; want er bestond geen verbod in de Thora voor Israël om met mensen uit de natiën om te gaan. In het vervolg van Handelingen zien we verder de afvalligheid van het volk Israël, en het naar voren komen van de apostel Paulus. Nadat Jakobus omgebracht werd, komt een andere Jakobus naar voren, die vleselijk bevoorrecht was, hij is de (half)broer van de Heer. We zien, dat de bruid naar de achtergrond gaat; ze wil niet, is afvallig en blijft bij de tradities van mensen. Als we kijken naar de brieven van de Besnijdenis, dan komen we sporen tegen van de relatie tussen het volk en Jahweh (de Heer zelf). Jakobus Niet alleen de aanhef is al voldoende te beseffen dat deze brief niet aan het lichaam van Christus gericht is, ook de inhoud is heel duidelijk aan Israël gericht. Je leest over “rechtvaardiging” gesproken, maar dan 44

met werken. Paulus spreekt over rechtvaardiging door geloof alléén. Het gaat dan ook om verschillende groepen: Israël en de gemeente. De toon van de brief is hetzelfde als in de evangeliën. Rijke mensen worden aangesproken en sociale partijdigheid veroordeeld. Maar in de synagoge, Jak.2:2 niet in de gemeente. Jakobus spreekt van de redding van de ziel (1:21; 5:20); evenals Petrus (1 Petrus 1:19) en Hebreeën (10:39). Alle zielse genietingen echter, hoezeer ook aan de Jood beloofd, kunnen voor ons alleen maar in de weg staan en onze geestelijke visie hinderen of blokkeren. Er bestaat geen harmonie tussen de Jakobus-brief en Paulus’ brieven. Er is geen harmonie, en evenmin sprake van tegenstrijdigheid. Jakobus spreekt tot Israël in de afval in de Handelingenperiode én in de periode van grote afvalligheid in het begin van de dag van Jahweh. Door de brief heen hangt een zwaar dreigend, onbarmhartig gericht in de lucht. Jak.2:13 Wíj ontvangen niet alleen barmhartigheid, maar ook genade. • Barmhartigheid is welwillendheid, daar waar terecht harde strengheid verwacht wordt. • Genade is begunstiging waar geen enkele rechtvaardige basis is om ook maar iets te verwachten. In Jakobus lezen we wel iets waar het beeld van bruids- en huwelijksaangelegenheden naar voren komen. Hij noemt Israël daar “overspelers en overspeelsters”, in de zin van vriendschap met de 45

wereld. De meesten van Israël zijn in maar ook van de wereld in deze dagen. Volharding is een voorwaarde tot redding in die moeilijke omstandigheden, Jak.5:11 en dat zal ook zo zijn bij het aanbreken van het koninkrijk. Matt.24:13 Als je het geheel van deze brief overziet kun je niet tot de conclusie komen, dat die aan de natiën geschreven werd. Petrus Hij schreef aan de lijdende, gelovige rest van Israël in de verstrooiing. 1Petr.1:1 Hij schrijft aan die groep die ongedeerd door de grote verdrukking gaat komen. De gelovige rest, uit iedere stam een aantal. Voor deze heiligen, die door de hitte van verdrukking moeten, zullen de troostende woorden van Petrus zeer welkom zijn. Zij zullen leren hoe diep Hij leed, Degene die zij niet gezien hebben zullen zij liefhebben. Volgens 1 Petrus 1:17 is het gericht op grond van werken. Dit is het gericht dat de gelovige rest zal rechtvaardigen, de ongelovige massa veroordelen, en de natiën straffen voor hun houding tegenover Zijn volk. Gericht op grond van werken is vaak te lezen in de brieven aan de Besnijdenis. Matt.5:16; 25:31-46; Joh.15:24; Openb.18:6; 20:12-13; 22:12 Maar in Efeziërs 2:9 wordt negatief over werken gesproken. De afvallige Jood valt buiten de genade van nu (ook: 2 Timotheüs 4:14). 46

Goede werken zijn altijd prima, maar het zou de vrucht van genade zijn; geen voorwaarde om die te ontvangen! Ef.2:10; Fil.2:12; 2Tim.2:21; 3:17; 4:5 Bij Petrus en anderen lezen we wedergeboorte. 1Petr.1:23; Joh.3:8; Matt.19:28 In 1 Petrus 2:5 lezen we over de voorrechten die oorspronkelijk Ex.19:6 bedoeld waren voor Israël als de bruid, en dat is nog steeds zo. Wij zijn geen ‘generatie’ of ‘koninklijk priesterschap’; geen ‘natie’ of ‘volk’ in welk opzicht dan ook. 1Petr.2:9 Wij zijn individuele gelovigen, hier en daar een aantal. Wij zijn een eenheid door dezelfde geest, en wij zijn allen verbonden met dat ene Hoofd: Christus Jezus. Maar de voorrechten van het priesterschap en koningschap over heel de aarde, worden gegeven aan een natie dat de vruchten ervan brengt. Matt.21:33-46; Ps.118:22-23 Petrus geeft aan dat in hen – hij spreekt daar tegen Joodse mensen die verstrooid werden en in Klein-Azië terechtkwamen – de profetie van Hosea 1:9-11 en 2:23 vervuld wordt. Dit volk Israël was eens vervreemd en gescheiden. Nu was de Heer tot hen gekomen en nodigde hen om terug te keren! Degenen die Hem aannamen ontvingen macht om kinderen van God te worden Joh.1:12 Zij waren niet Zijn volk, maar nú wel. Dit gaat niet over de natiën, 1 Petrus 2:1112 spreekt van Joodse gelovigen te midden van de natiën. In 1 Petrus worden de gelovigen opgeroepen “te volgen in de voetstappen van Jezus”; te wandelen zoals Hij toen Hij op aarde was. Wij zijn echter geroepen Christus na te volgen, 1Cor.11:1; 4:16; 1Thess.1:6; 2Thess.3:7,9 en om navolgers van God te worden. Ef.5:1 47

In 1 Petrus 5 komen we opnieuw het puur Israëlische beeld van ‘herder en kudde’ tegen. Dat geldt niet voor het lichaam van Christus. 2 Petrus 1:16 verwijst naar de verheerlijking op de berg. Met “eer en heerlijkheid”, iets dat in Tenach wordt gebruikt voor de hogepriester en zo vertaald is in de Septuaginta (LXX). Er waren daar 7: Petrus, Jakobus, Johannes, de Heer, Mozes, Elia en de Vader. 2 Petrus 3:2 … opdat u zich de woorden herinnert die door de heilige profeten tevoren gesproken zijn. Dit refereert aan de oudere onthullingen door de profeten en kunnen niet te maken hebben met het lichaam van Christus, want dat was toen onbekend. Kol.1:26 In 2 Petrus 3:4 zien we de belofte van Zijn aanwezigheid (Grieks: parousia). De aanwezigheid van de Heer is straks op aarde voor Israël. De enige keer dat we het bij Paulus lezen is daarvan uitgezonderd, want dan gaat het om Zijn aanwezigheid in de lucht, niet op aarde. Dat is de verwachting voor de gemeente. De verwachting voor Israël is de parousia op aarde, anders is nooit aan hen onthuld. We lezen dat onder meer in Psalm 9:1-4; 68:3; 97:5; 114:7; Jesaja 64:1-3; Jeremia 4:26 en Nahum 1:5. Johannes Johannes’ bediening is voor de Besnijdenis. Hij spreekt persoonlijk, over het aardse leven van de Heer; Zijn onderricht, bekering, doop en werken. Hij noemt de genade niet. Het gaat om vergeving van zonden. 1Joh.1:9 48

In 1 Johannes 2:2 gaat het over bescherming (niet: verzoening), voor heel de wereld, niet alleen Israël. Het is echter negatieve genoegdoening, het is nodig, maar een veel lager niveau dan de genade voor ons, die ons een hemels lotdeel schenkt. Een zalving wordt genoemd in 1 Johannes 2:20,27. Dat lezen wij niet in de latere brieven van Paulus, maar één keer in 2 Corinthiërs 1:21. We lezen in de brieven van Johannes over “de nieuwe geboorte”, net als in het evangelie. Johannes spreekt van “een dag van gericht”, 1Joh.4:17 waar wij niet in komen, wij zijn “in een dag van redding”! 2Cor.6:2 De tweede brief is een persoonlijke, hij spreekt niet zozeer als apostel, maar als oudste. De leer is een voorwaarde tot gemeenschap (vers 10), omdat de gaven van kennis en onderscheiding nog steeds bij hen waren. 1Joh.2:27; 4:1 Een andere mening betekende afwijking van het onderricht van de geest. Onderricht is in deze tijd geen toets voor gemeenschap, maar wel een juist motief. 2Tim.2:22 Drie Johannes: korte brief aan de gelovige Jood: niets nemend van de natiën (vers 7). Judas Judas, de broer van de Heer, spreekt net als 2 Petrus van “het komende gericht van God”. Hij was geen apostel (vers 17), maar hij had ‘de geest van profetie’ over zich. Dat mogen we wel aannemen. 49

Vers 5 zegt ons dat de oorspronkelijke bruid grotendeels het land destijds niet binnenging om haar ongeloof, er zal een rest het komende koninkrijk binnengaan. Kaïn is een voorbeeld voor alle religieus ingestelde mensen; hij werkte hard om Gods vroege gunst te verkrijgen. Hij was te trots om het als een geschenk te ontvangen. Deze zelfde geest was de oorzaak van de scheiding van Israël en zal in de eindtijd bepalend zijn wie het koninkrijk zal ingaan. Waardig zijn om bruid te zijn, houdt nog niet in dat die bruid ook waardig ís voor al wat door en in Christus gegeven wordt. Het ‘als bruid waardig kunnen zijn’ heeft alles te maken met een hart dat helemaal op de verloofde gericht is. Openbaring Opent met woorden aan het verstrooide volk (de 7 kandelaars in plaats van 1 kandelaar met 7 armen). Maar al is het volk verstrooid onder de natiën, de Heer heeft hen lief en wandelt te midden van hen. Hij waakt over hen en zorgt voor ze, hoewel zonder tempel en zonder ritueel. Direct in de opening wordt al duidelijk dat het om Israël gaat. Enkele punten zijn: koningen en priesters (Openbaring 1:6; Exodus 19:4-6); Hij komt op de wolken (Openbaring 1:7; Daniël 7:13; Mattheüs 16:27; 24:30); die Hem doorstoken hebben (Openbaring 1:7; Zacharia 12:10; Johannes 19:37), en de stammen van het land die weeklagen (Lucas 23:38); een scherp zwaard (Openbaring 1:16; Jesaja 49:2; Hebreeën 4:12); Hij die is, die was en die komt (Openbaring 1:4,8) – dat is de Griekse weergave van het Hebreeuwse Jahweh. 50

Het is God, in Zijn verbondsrelatie als Echtgenoot van Israël; we lezen over “de eerste liefde” (brief aan de Efeziërs), oftewel de liefde van verloofden (Hosea 1:11; Jeremia 2:2; Ezechiël 16:8-10). In de brief aan Smyrna staat “dat sommigen zeggen dat zij Joden zijn, maar het niet zijn”. Het zijn dus van origine heidenen die dat zeggen, maar er zijn er wel die tot de bruid behoren. En zij zullen door de tweede dood niet beschadigd worden. Dit zijn zij, die met Christus zullen regeren in de 1000 jaar, over wie de tweede dood geen volmacht heeft. Openb.20:6 De brief aan Pergamum verwijst naar het land. Het gehuwde land alwaar, door middel van de witte steen, het land opnieuw toegeloot wordt. Het is dat land waar de bruid naartoe geleid wordt, net als destijds in de woestijnperiode. De laatste 4 brieven verwijzen naar Israël in het land. De eerste twee aan Thyatira en Sardis: aan de 10 stammen. En de laatste twee aan Filadelfia en Laodicea: aan de twee stammen Juda en Benjamin. Izebel wordt genoemd bij Thyatira, zij stelt de goddeloze staatsreligie voor, waar in feite Theocratie moet zijn. De overwinnaars ontvangen regeringscapaciteit over de natiën, wat uitsluitend een belofte aan Israël is. Ps.2:8; Jer.51:20; Dan.2:44 Enkele van deze steden (in Openbaring 2 en 3) hadden nooit een groep gelovigen in zich. Maar ze hadden wel alle (ooit) een Joodse gemeenschap. 51

Bij Sardis is sprake van de boekrol van het leven. Dat is een groot boek in de tempel waarin de afkomst van elke Israëliet bijgehouden wordt. Deut.29:18-20 Er is zo’n boek en bijgehouden wordt wie niet gebogen heeft voor het beest. Dat speelt ook een rol bij het gericht voor de grote witte troon. Als je naam als Israëliet erin staat, kom je in het nieuwe Jeruzalem op de nieuwe aarde. Openb.21:1-8 Zoals eerder aangegeven: zowel Israël als Juda hadden afzonderlijk een scheidbrief ontvangen, maar de scheiding wordt in de loop van de tijd minder strikt. En wanneer de Heer komt om hun hart opnieuw te winnen, zijn alle 12 stammen geclusterd in Jeruzalem aanwezig, in aanbidding aldaar. Zoals zij die in Filadelfia woonden, zijn de 144.000. Openb.7:4 Zij worden toegelaten in de tempel door de sleutel van David, en worden ongedeerd bewaard in “het grote uur van verzoeking”. Verzegeld met de naam van hun God, worden zij wonderlijk bewaard. Alleen zij die het teken van het beest Openb.13:17-18 weigeren, zullen leven en met Christus regeren tijdens de 1000 jaar. Wij hebben niet zo’n belofte om met Hem te regeren over de natiën op aarde. Onze bestemming, activiteiten en regeren liggen allemaal in het (letterlijk: op-)hemelse gebied. Wij zijn weg van deze aarde wanneer het beest op het wereldtoneel de macht krijgt. Wanneer de oorlog tussen het Lam en het beest plaatsvindt, zal geen twijfel meer bestaan. Dan Laodicea! Dit is geen periode of uitgerekte tijd, maar een groep Israëlische gelovigen die tegelijkertijd met de andere 6 groepen zal bestaan. Hier valt niets te filosoferen of te raden. Hier is “de grote 52

afval van Israël” de achtergrond. Maar op de voorgrond is het zetelen van de bruid op de troon met Christus: priesters en koningen met Hem. Maar zou God dezelfde klasse met zonen/eerstgeborenen aan de ene kant aanduiden, en aan de andere kant als bruid? Het antwoord is dat we ons afvragen: wat heeft God gedaan? Hij doet hetzelfde in latere tijden, zoals eerst bij het oude verbond. Toen werd Israël als volk “zoon” genoemd, en individueel als “zonen”, maar als natie was zij de bruid, en als koninkrijk Zijn vrouw. Het nationale hoofdkwartier is Jeruzalem, voor koningen en priesters. En zo is de stad als een bruid, in het bijzonder in Openbaring. Dit punt wordt des te scherper in het contrast door de introductie van Babylon. Openb.17 De grote stad, als de trouweloze pseudokoningin, het valse consortium. Het werk en ontmoetingsplaats van alle afvallige Joden die de wereld trachten te beheersen, om zo de profetieën met betrekking tot de Messias te vervullen. Openbaring 4 gaat over het instellen van het koninkrijk van Christus, en Zijn heiligen over heel de aarde, zoals aangezegd in Daniël 7:14-18. Openbaring 5 laat ons de boekrol zien, de rol met de scheidbrief erin (hier wordt hetzelfde woord gebruikt als in Mattheüs 19:7 en Marcus 10:4), en de daad met betrekking tot het land, zoals gegeven aan Jeremia voor de val van Jeruzalem. Bewaard in een aarden pot als getuigenis van het plan van de Heer om het land en stad te herstellen. Jer.32,33 53

De gebeden van de heiligen – dezelfde heiligen die de wereld zullen richten, 1Cor.6:2 maar niet de ‘wij’ die de boodschappers (NBG: engelen) zullen richten 1Cor.6:3 – stijgen op als aangename geur, een gebed als Uw koninkrijk kome; van belang voor hen die koningen en priesters zullen zijn. Openb.5:10 Onze gebeden staan in Efeziërs 1:15-23 en 3:14-21. De 144.000 en de grote menigte hebben we al besproken. De grote verdrukking komt over Israël. Het zal een vreselijke antisemitische beweging zijn. Op het volk van David dus, terwijl David Jood was. Openbaring 17 toont ons de stad, de tegenhanger van Jeruzalem, als centrum van de afvallige Joden. Dit staat tegenover Openbaring 12. Babylon, de stad van de Chaldeeën, was en is de stad van het kleineren van God in Zijn eigen aarde. De grote stad zal vol zijn van de weelde van de natiën, die de rente zullen betalen op de kredieten die door de internationale Joodse financiers verstrekt zijn. Deze grote stad zal in zeer korte tijd verwoest worden om nooit meer herbouwd te zullen worden. “De stem van de bruid en de bruidegom zullen nooit meer in haar gehoord worden.” Openb.18:23 Dit geldt uiteraard niet voor de stem van de Heer als de Bruidegom voor Israël, maar voor gewone menselijke relaties (zie tegenstelling: Jeremia 33:11). Openbaring 19:7 geeft inzicht over de bruidsontwikkeling. Het gaat om de voorbereiding op een huwelijk. De bruid verafschuwt het gedrag van het oude Israël. Deze bruiloft Openb.19:7-8 wordt uit een andere hoek bekeken in Mattheüs 25:1-13. Er zijn anderen naast de bruid, die het koninkrijk binnengaan. Er zijn begeleidende maagden, waaraan het boek Mattheüs aandacht besteedt. 54

Ten slotte zien we het nieuwe Jeruzalem in Openbaring 21 en 22. Zij is versierd als een bruid voor haar man. Openb.21:2 In het twaalfde hoofdstuk zien we de bruid, oftewel de levende kern ervan, in het lijden tijdens de grote verdrukking. Paulus Laten we eerst kijken naar enkele teksten die gebruikt worden om te laten zien dat het lichaam van Christus op een bepaalde manier van de beloften van Israël zou erven. Romeinen 2:28,29 – Hier wordt gezegd dat een Jood pas echt een Jood is, als hij in het hart besneden is. Het kan niet betekenen dat als iemand uit de natiën in het hart besneden is, hij/zij daarom ineens Jood werd! Kolossenzen 2:11 – Hier wordt gesproken van “de besnijdenis van Christus”. Het gaat om een besnijdenis die zonder handen gebeurt; en zij worden zó, op die manier besneden. Maar dat maakt de natiën dan geen Joden of Israëlieten! Het gaat om het uittrekken van het lichaam van zonden van het vlees. Romeinen 9:6-8 – Dit wordt gezegd voordat het huidige beheer van het geheimenis begon. De tekst geeft aan dat een vleselijke nakomeling van Abraham niet zondermeer de belofte ontvangt en daarmee tot zegenkanaal voor de natiën wordt. Hij verkrijgt die slechts als hij een echte zoon van Abraham is. Iemand die Abrahams geloof in God en Zijn kracht heeft. Zo ook worden natiën die dezelfde geest als Abraham blijken te hebben, opgenomen in zijn tent. 55

Lichaam We lezen in de Schrift alleen bij Paulus over “het lichaam van Christus”. Het woord lichaam komt twee keer meer bij Paulus voor dan in de rest van de Schrift. Het begrip lichaam komt zowel in de vroegere als latere brieven van de apostel voor. In de vroege brieven wordt dit begrip toegepast op bijvoorbeeld lokale gemeentes, zoals in Corinthe. In dat lichaam waren ogen, oren, handen, voeten. Dit gold ook de gelovigen in Rome, waarvan sommigen Joden en sommigen uit de natiën waren. Zij wisten allen niets van het hemelse lichaam van Christus. Dit hemelse lichaam van Christus wordt 6 keer in Efeziërs en 4 keer in Kolossenzen genoemd: Efeziërs 1:23; 4:4, 12, 16; 5:23,30 en Kolossenzen 1:18,24; 2:19; 3:15 Er bestaat één groot lichaam, met een hemels Hoofd en dito zegeningen, bestemming en regeringsfunctie. De manier waarop ‘lichaam’ als begrip wordt gebruikt in Romeinen en Corinthiërs, was niet onbekend. Er staan heel wat uitdrukkingen in de Talmoed , verwant aan het eten van een gemeenschappelijk brood, dat onderlinge omgang met elkaar als één lichaam uitdrukte. In het bijzonder tijdens het feest van de ongezuurde broden. Deze verschillen zouden wij meenemen. De periode waarin Romeinen en Corinthiërs geschreven werden, was die van voorbereiding. Er 56

staan onmiskenbaar elementen in de brieven vóór de gevangenschap, die te maken hebben met de beelden lichaam en bruid. Daar was destijds een rest die de bruid enigszins voorstelde; want toen was nog sprake van een geestelijke eenheid tussen God en Zijn volk Israël. Dat bleek uit wondergaven die gelovige Joden bleken te hebben. In deze (onze) tijd heb je geen bruid, omdat de geestelijke eenheid tussen Jahweh en Zijn volk ontbreekt. Wanneer die eenheid opnieuw hersteld wordt, zullen de gaven ook weer aanwezig zijn. In 2 Corinthiërs 11 gebruikt de apostel wel het beeld van een verloofde, maar noemt in elk geval het woord bruid niet. De apostel stelt zich op als vriend van de bruidegom. Tegelijkertijd stelt hij zich naar de Corinthiërs op als vader en moeder! Paulus richt zich daar zeker niet tot alle gelovigen, en noemt zichzelf géén “verloofde”. Hij had ervoor gezorgd dat de Corinthiërs zich wendden tot Christus voor zorg en redding, zoals een verloofde dat naar haar aanstaande man doet. Het gevaar in Corinthe was een geest van verdeeldheid, het kijken naar anderen dan naar Christus. Het beeld van de vrouw in het huwelijk in Romeinen 7:1-6 kan alleen wijzen op Israël. Want alleen zij waren als het ware ‘gehuwd met de Wetgever’. Zij zouden huwen met de opgestane Heer, zoals zij dat met de wet waren. Efeziërs 5:22-33 vergelijkt de gemeente in een aantal aspecten met de gehuwde vrouw. Dit gedeelte wordt vooral gebruikt om iets te willen aantonen in de richting van: ‘de gemeente is de bruid’. Maar het gaat 57

hier niet om “de bruid van het Lam”, maar om een gehuwde vrouw. Je kunt met dit gedeelte niets bewijzen over de bruid en wie dat dan zijn. Zelfs in dit gedeelte is de nadruk op lichaam als een beeld. De gehuwde man en vrouw worden één vlees en worden zo één lichaam. 1Cor.6:16 Maar zij zijn nog steeds in staat om afzonderlijk dingen te doen en te regelen. Het beeld van lichaam roept een gelijkheid van bedoelen met het Hoofd op. Maar het beeld van bruid doet dat beslist niet. De bruid uit vroeger tijden stond niet op hetzelfde niveau als de Echtgenoot. De bruid in de 1000 jaren zal zeker niet in alle opzichten op hetzelfde niveau zijn, hoewel er een zo nauw mogelijke omgang zal zijn, net als in vroeger tijden. In Handelingen wordt het lichaam niet genoemd. Alleen dat van Dorcas in 9:40. Als Handelingen het begin van het lichaam van Christus zou weergeven, waarom wordt dat niet één keer genoemd? De gemeente in Handelingen die op pinksteren ontstaat, is de eerste aanzet tot de vrouw die in de 1000 jaar zal op aarde zal zijn. Handelingen biedt een eerste inkijk in wat in de 1000 jaar zal zijn; zie Jesaja 25:6. Enkele verdere punten vinden wij in Romeinen 2:5-10, in 9:25-28 (niet-Mijn-volk, Mijn-volk). Het gaat om de gescheidene die zal hertrouwen; de gelovige rest in Romeinen 9:27. Zo ook Romeinen 15:8,9. Dat moeten we niet laten buikspreken. De aardse bediening van de Heer, en van het Joodse deel van Zijn hemelse, is een bevestiging van de beloften van de vaderen. De natiën zullen God verheerlijken met Zijn volk. Rom.15:10; Deut.32:43 58

De ervaringen van het volk in de wildernis waren typisch voor de gelovigen in de Handelingentijd. De gaven lagen anders dan nu; vergelijk 1 Corinthiërs 12:28 met Efeziërs 4:11. Toen waren het alleen menselijke beproevingen, 1Cor.10:13 nu geestelijke strijd. Ef.6:12 Wij zouden staan en standhouden. 1 Corinthiërs 13:10 spreekt van de tijd van onmondigheid, later werd er gesproken over de volwassenheid. Kol.1:25 Daarna werd niet meer gesproken, het Woord van God was gecompleteerd. 59

Bron: Gorter, D. (2014). Bijbelstudie: Gemeente: Volk/Bruid/Lichaam? https://da-ath.nl/?page_id=25178 60

Noten Tenach (het Oude Testament). Een Hebreeuws acroniem dat is gevormd uit de eerste letters van de drie onderdelen waaruit het is opgebouwd: T van Thora (Onderwijs); N van nebe’im (Profeten); CH van chetoebim (Geschriften). Bron: Wikipedia Eon, Grieks: aiōn = een (wereld)tijdperk. De derde eon begint met de opkomst van Babel en eindigt met haar vernietiging. Het is kenmerkend dat dit derde tijdperk wordt omschreven in de Schrift als “de tegenwoordige boze eon”. Gal.1:4 Velen denken dat het om één evangelie met twee doelgroepen gaat. Kijken we naar de Galaten-brief, dan blijkt dat je twee evangeliën hebt, waarvan Paulus het apostelschap van de natiën had met “het evangelie van de voorhuid” en Petrus het apostelschap van de besnijdenis met “het evangelie van de besnijdenis”. Deze twee lijnen onderscheiden we en houden we vast. Het brengt duidelijkheid, Gods woord is helder en spreekt van twee instrumenten in Zijn plan! De Nederlandse Concordante Vertaling: “Maar integendeel, toen zij zagen dat mij het evangelie van de voorhuid toevertrouwd was, zoals aan Petrus dat van de besnijdenis (want Hij, Die in Petrus werkzaam is voor het apostelschap van de besnijdenis, is ook in mij werkzaam voor dat van de natiën) en toen zij de genade erkenden die mij gegeven is, gaven Jakobus en Kefas en Johannes, die geacht werden steunpilaren te zijn, mij en Barnabas de rechterhand van gemeenschap, opdat wij inderdaad voor de natiën, maar zij voor de besnijdenis zouden zijn – 61

alleen opdat wij de armen zouden gedenken, waarvoor ik mij ook inzet juist dit te doen. Gal.2:7-10 [NCV] Bron: NCV Bijbelstudie, https://ncv-bijbelstudie.nl/ Schematische weergave: ISRAËL Petrus geroepen in Israël (Matt. 4:18) Verkondigd onder Israëlieten (1 Petr.1:1; Jak.1:1) Redding vanwege Israël (Hand.10:30-32) Heiligen: bruid van het Lam (Joh.3:29) Aardse heerlijkheid (1Cor.15:40; Joh.3:12) Verschil Israël-volkeren (Matt.19:28, Openb.21:12) Gekend: vanaf de nederwerping (Openb.17:8) Eerst roeping dan uitkiezen (Matt.22:14) Zal de Thora houden (Micha 4:2) Waterdoop noodzakelijk (Hand.2:38) LICHAAM VAN CHRISTUS Paulus geroepen buiten het land (Hand.9:3) Verkondigd onder de natiën (Ef.3:8) Redding ondanks Israël (Rom.11:15) Heiligen: lichaam van Christus (Ef.5:30) Hemelse heerlijkheid (1Cor.15:40) Verschil valt weg (1Cor.12:13; Gal.3:28) Gekozen: voor de nederwerping (Ef.1:4) Eerst uitkiezen, dan roeping (Rom.8:30) Niet onder (de) Thora (Rom.6:14-15) Waterdoop niet nodig (1Cor.12:13) 62

Wedergeboorte nodig (Joh.3:3,7) Nieuwe schepping in Christus (2Cor.5:17) Kwijtschelden van schuld (vergeving, Luc.11:44) De goddelozen veroordeeld (2 Petr.2:5,6) Moeten werken, anders dood geloof (Jak.2:20) Moet overwinnaar zijn, anders 2e dood (Openb.2:11) Eerst anderen vergeven, dan geeft God het (Matt.6:15) Verwachten genade (1Petr.1:13) Nog niet geopenbaard wat zij zullen zijn (1Joh.3:2) Zijn openbaring is hun verandering (1Joh.3:2) Aansporing zorgen op Hem te werpen (1Petr.5:7) Aansporing om in Hem te blijven (1Joh.2:28) Men kan Paulus niet goed begrijpen (2Petr.3:16) Moeten waken (Luc.12:37; Hebr.9:28) Kan beschaamd staan in Zijn komst (1Joh.2:28) Geen schuld (gerechtvaardigd, Rom.5:1) Goddelozen gerechtvaardigd (Rom.4:5) Geen werken, alleen geloof (Rom.4:5) Gered van 2e dood, genade alleen (Ef.2:8,9) God schenkt genade, daarna wij (Ef.4:32) Staan in genade (Rom.5:2) Gods heerlijkheid weerspiegeld (2Cor.3:18) Zijn openbaring is die van henzelf (Kol.3:4) Aansporing om geen zorgen te maken (Fil.4:4-7) Met Hem gestorven, Hij kan zichzelf niet verloochenen (2Tim.2:11-13) Beide evangeliën te begrijpen (2Cor.12:11) Waken of slapen (1Thess.5:9,10) Veranderd bij Zijn komst (1Thess.4:17; 1Cor.15) 63

Gaan door de dag van toorn (Openb.7:1-17) Niet gesteld tot toorn (1Thess.1:10; 5:9-11) Christus op aarde ontmoeten (Zach.14:4; Hand.1:11,12) Geredden blijven, anderen weg (Matt.24:38-41) Koninklijk priesterschap over de natiën (Jes.61:6) Zal aarde vullen met kennis van Gods eer (Hab.2:14) Twaalf stammen van Israël richten (Matt.19:28) Toegang tot voorhoven Tempel (Openb.7:15) Ontmoeten Christus in de lucht (1Thess.4:17) Anderen blijven, geredden weg (1Thess.4:17) Lotdeel te midden van de hemelingen (Ef.2:6,7) Aan hemelsen Gods wijsheid bekendmaken (Ef.3:10) Boodschappers richten (1Cor.6:3) Toegang tot de Vader Zelf (Ef.2:18) Bron: https://www.da-ath.nl/wp-content/uploads/Evangelie-van-debesnijdenisEvangelie-van-de-onbesnedenen.pdf De grote verdrukking: “Want dan zal er een grote verdrukking zijn, zoals er niet geweest is vanaf het begin van de wereld, tot nu toe, en zoals er ook nooit meer zijn zal.” Matt.24:21 [HSV] “In die tijd zal Michaël opstaan, de grote vorst, hij die uw volksgenoten bijstaat. Het zal een benauwde tijd zijn, zoals er niet geweest is sinds er een volk is geweest tot op die tijd. In die tijd zal uw volk ontkomen: ieder die gevonden wordt, opgeschreven in het boek.” Dan.12:1 [HSV] “Wee! Want die dag is groot, er is er geen als hij. Het is een tijd van benauwdheid voor Jakob, toch zal hij daaruit verlost worden.” Jer.30:7 [HSV] 64

De Septuagint of Septuaginta, vaak afgekort tot LXX, het getal 70 in Romeinse cijfers, is de vertaling in het Koinè of Oudgrieks van de Tenach of Hebreeuwse Bijbel. Bron: Wikipedia, https://nl.wikipedia.org/wiki/Septuagint In Romeinen 3 wordt geen vergeving van zonden, maar rechtvaardiging om niet, in Zijn genade, door de vrijkoping in Christus Jezus, verkondigd. Geen werken van de mens vereist. Het evangelie van God draait om de dood en opstanding van onze Heer Jezus Christus uit de dood, en van tussen de doden uit. Dat is de boodschap, het goede nieuws, dat ook het evangelie van Christus of de genade van Christus (Galaten 1:6-9) genoemd wordt. Bron: Gorter, D. Woord Vandaag, 13 Augustus 2012 De Talmoed (Hebreeuws: דומלת) (= mondelinge leer) is na de Tenach (voor christenen het Oude Testament) het belangrijkste boek binnen het jodendom. Het bevat de commentaren van belangrijke rabbijnen en andere schriftgeleerden op de Tenach, veelal in de vorm van discussies tussen voor- en tegenstanders van een bepaald standpunt. Door deze aanvankelijk mondelinge traditie van uitlegging en verklaring van de Wet en profeten vanaf de tijd van Mozes, is er zo een zeer uitgebreide samenstelling van mogelijke uitleggingen, wetsprecedenten, anekdotes, legenden en mythen verzameld. Bron: Wikipedia, https://nl.wikipedia.org/wiki/Talmoed 65

Da-ath Opdat wij weten, wat God ons in genade schenkt! Gods Woord is leven. Getuigen van God en Zijn Woord. Da-ath is het Hebreeuwse woord voor ‘kennis’. Wat de Schrift in Kolossenzen 1:20 zegt, is dat God het al met Zich verzoent doordat Hij vrede maakte in het bloed van het kruis van Christus. da-ath.nl In samenwerking met: Stichting Evangelie Om Niet Het Evangelie spreekt van de ene God, Die OM NIET alle mensen redt, verzoent, levend maakt en rechtvaardigt! Gratis online boeken lezen, delen en downloaden (de publicaties zijn ook OM NIET als uitgave op papier verkrijgbaar) evangelieomniet.nl

1 Online Touch

Index

  1. 1
  2. 2
  3. 3
  4. 4
  5. 5
  6. 6
  7. 7
  8. 8
  9. 9
  10. 10
  11. 11
  12. 12
  13. 13
  14. 14
  15. 15
  16. 16
  17. 17
  18. 18
  19. 19
  20. 20
  21. 21
  22. 22
  23. 23
  24. 24
  25. 25
  26. 26
  27. 27
  28. 28
  29. 29
  30. 30
  31. 31
  32. 32
  33. 33
  34. 34
  35. 35
  36. 36
  37. 37
  38. 38
  39. 39
  40. 40
  41. 41
  42. 42
  43. 43
  44. 44
  45. 45
  46. 46
  47. 47
  48. 48
  49. 49
  50. 50
  51. 51
  52. 52
  53. 53
  54. 54
  55. 55
  56. 56
  57. 57
  58. 58
  59. 59
  60. 60
  61. 61
  62. 62
  63. 63
  64. 64
  65. 65
  66. 66
  67. 67
  68. 68
Home


You need flash player to view this online publication