0

EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 1

2 | EÉN VOOR ALLEN

EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 3

©2014 Inge van Wijnen-van ’t Veer Uitgeverij Novapres, Hoenderloo Alle rechten voorbehouden Omslag HAS, Hoenderloo Zetwerk HAS, Hoenderloo Druk Wöhrmann, Zutphen ISBN 9789063186128 4 | EÉN VOOR ALLEN

Ik draag dit boek op aan mijn vader, Ruud van ’t Veer (7 oktober 1935 – 27 februari 2010) EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 5

GODS VERMOGEN Het duurde even voordat ik zag, dat rechtvaardiging verder ging dan vergeving, want met ‘bevrijding’ begon het pas. Het duurde even voordat ik zag, dat de weg die Gods Zoon ging en de waarheid die Hij sprak, vrij maakt, naast het bevrijd zijn van elke zondelast. Het duurde even voordat ik zag, wat ‘de vreugde van Zijn redding’ inhield, niet vanuit menselijke vermogens, maar door Hem die het leven bracht! 6 | EÉN VOOR ALLEN

INHOUD DANKWOORD INLEIDING HOOFDSTUK 1 HOOFDSTUK 2 HOOFDSTUK 3 HOOFDSTUK 4 HOOFDSTUK 5 HOOFDSTUK 6 HOOFDSTUK 7 HOOFDSTUK 8 HOOFDSTUK 9 HOOFDSTUK 10 HOOFDSTUK 11 HOOFDSTUK 12 HOOFDSTUK 13 HOOFDSTUK 14 SLOTWOORD NOTEN LITERATUUR LINKS VOORTDUREND BEGELEIDEN 9 TER OVERWEGING 13 GOD VERHOEDE HET! 17 NOG VOOR DE HAAN KRAAIT 27 GEPERFECTIONEERD IN DE LIEFDE 41 NIET DAT WIJ GOD LIEFHEBBEN 77 KOM VAN DAT KRUIS AF! 91 WIE DENKT U DAT U BENT? 121 WIE IN WIJSHEID WANDELT 155 NIET AAN DE MENS 175 HET KOMT ALLES VAN U 211 EÉN VOOR ALLEN 247 VOLGENS ZIJN VOORNEMEN 265 OF GEEFT GOD HET NIET? 303 GELIJK GIJ MIJ LIEFHEBT 331 HET WOORD VAN DE VERZOENING 375 PER SLOT VAN REKENING 415 417 420 421 EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 7

8 | EÉN VOOR ALLEN

DANKWOORD VOORTDUREND BEGELEIDEN ‘De HEER (IEUE, Jahweh) zal je voortdurend (bege)leiden (ook wel: gidsen…)’ – JESAJA 58 vers 11, De Nieuwe Bijbelvertaling Lieve pap, een aantal weken voordat je voor onderzoek in het ziekenhuis moest komen, had je een cadeautje gekocht voor vrienden die hun 40-jarig huwelijk vierden. Het was een kunstzinnig fotolijstje waar je hun trouwkaart in wilde doen. Samen zochten we een mooi vel papier uit zodat je er een passe-partout omheen kon maken. Omdat de trouwkaart niet helemaal in de lijst paste, had je er een klein randje van afgeknipt. Geruime tijd later nam je in het ziekenhuis plaats naast mamma op een van de vele stoelen in de overvolle wachtruimte. Je wist nog niet wat er met je aan de hand was en ‘kneep ’m toch wel even,’ vertelde je later. ‘Het zou nu toch niet zo zijn dat…?!’ Tijdens het wachten zocht je min of meer uit verveling nog even je zakken na en opeens voelde je iets zitten. Het was een klein opgerold papiertje. Heel voorzichtig rolde je het papiertje open… Er stond warempel een gedeelte van een tekst op. Verwonderd las je de woorden: ‘(…) de HERE zal u voortdurend leiden,’ uit Jesaja 58: vers 11 (NBG-vertaling). Door een verkeerde diagnose zou pas maanden later blijken dat je kanker had en daarom was het erg ontroerend dat jij en mamma uitgerekend deze tekst toch op dat moment al hadden meegekregen! Pappa, we hebben samen veel gesprekken gevoerd en ik heb van de gedachtewisselingen genoten, al was het lang niet altijd even gemakkelijk voor ons beiden. Ik wil God, de Vader, danken voor het feit dat Hij het mij EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 9

gegeven heeft deze hommage aan Zijn vermogen te kunnen schrijven, en mijn gezin wil ik bedanken voor de ruimte die ik hiervoor kreeg. Verder wil ik mijn dank betuigen aan allen die mij terzijde hebben gestaan bij het verwezenlijken van dit boek, met name de mensen die mij in de loop van mijn leven Bijbels onderricht hebben gegeven. Daarnaast veel dank aan Arjen Spanjer en de mensen van uitgeverij Novapres die het boek in samenspraak met mij hebben vormgegeven. Mam, je wilde zelf niet genoemd worden maar ik heb je eerlijke commentaar op dit werk zeer gewaardeerd. Mijn gedachten gaan uit naar mijn dierbare vader die mij op het pad van overweldigende genade is voorgegaan. De geestelijke liefde en wijsheid die hij van God had ontvangen, vormden een enorme inspiratiebron en hebben me gestimuleerd tot navolging. Niemand krijgt de eer voor dit werk, behalve onze hemelse Vader. Ik dank Hem in het bijzonder omdat Zijn voortdurende begeleiding dit mogelijk heeft gemaakt. 10 | EÉN VOOR ALLEN

Lieve pappa, wat jij van God ontving uit te dragen was een zekere verwachting. Je was er zeker van dat ‘het lijden van de tegenwoordige tijd niet op zou wegen tegen de heerlijkheid die over ons geopenbaard zal worden’ (Romeinen 8 vers 18). Een troostvol toekomstperspectief. Een gedachtegoed dat bovendien geen enkel schepsel uitsluit! Pappa, het was een voorrecht in jouw nabijheid te zijn tijdens je leven en een voorrecht dat we als gezin om je heen konden staan bij je sterven. Het was een grote zegening dat jij en mamma door het hele ziekteproces heen Gods begeleiding en vrede mochten ervaren, al was dat met vallen en opstaan. Dat dit allemaal niet ‘zomaar vanzelfsprekend’ was, daarvan zijn we ons maar al te goed bewust. Pappa, jij leefde hier op aarde vanuit de van God gegeven hartenkennis dat het echte leven nog beginnen moest en daarom: ‘Lechaijim!’ Op het leven! Op het leven dat achter je ligt en dat wij met je hebben mogen vieren en op het leven dat voor ons ligt, in Gods heerlijkheid. Lieve pap, je was een vader die ons omarmde door ons voor te leven vanuit Gods mildheid en genade. Een vader die Gods liefde in onze harten de ruimte liet. Ook dat was een groot voorrecht, pap… waar we onze hemelse Vader dankbaar voor zijn. Ik hou van je, pap… Slaap zacht… … tot de Heer jou op Zijn beurt zal omarmen met al Zijn heerlijkheid! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 11

12 | EÉN VOOR ALLEN

INLEIDING TER OVERWEGING ‘Schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in mijn binnenste een vaste (letterlijk: opgerichte, gevestigde) geest; verwerp mij niet van uw aangezicht, en neem uw heilige Geest niet van mij; hergeef mij de blijdschap over uw heil (hergeef mij de vreugde van Uw redding), en laat een gewillige geest mij schragen (steun, stut mij door een bereidwillige, inschikkelijke geest).’ – PSALM 51 vers 12-14, NBG-vertaling In Psalm 51 wordt beschreven dat David onderkende een wankele en onwillige geest te hebben, een onrein hart. Dat kan zo herkenbaar zijn. Wat kun je doen wanneer je tot de ontdekking komt dat je vanuit jezelf niets bent ten opzichte van de almachtige God? Wanneer je inziet dat je geen bereidwillige geest bezit en er aan je eerlijkheid en oprechtheid ook nog wel wat mankeert? Wanneer twijfel of angst grip krijgt op je innerlijk en je geen vreugde van de redding die God aan je heeft beloofd kunt ervaren? Mensen kunnen onzeker worden wanneer ze hun persoonlijk niet voldoen aan Gods norm in ogenschouw nemen. Ze kunnen, als David, gaan vrezen dat God hen van Zijn aangezicht verwerpen zal. Twijfel kan de kop opsteken en angst voor God kan de drijfveer achter een menselijk goed doen voor God worden. Met angst als beweegreden zijn mensen echter nog ver verwijderd van het leren kennen van Gods liefde. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 13

Het boek Eén voor allen gaat over de gave van ‘geestelijk positief denken’ waaraan een ontvangen vertrouwen in het vermogen van onze hemelse Vader ten grondslag ligt. De voltooiing van de opdracht is: liefde uit een rein hart, uit een goed geweten en een ongeveinsd geloof. ‘En het doel van (NBG: alle) vermaning is (letterlijk: Echter de voltooiing van de opdracht is) liefde (Grieks: agapè > Goddelijke liefde) uit een rein hart, uit een goed geweten en een ongeveinsd geloof.’ (1 Timoteüs 1 vers 5, NBG-vertaling) Voor God geldt echter dat alle mensen vanuit zichzelf dat reine hart, dat goede geweten en ongeveinsde geloof ontberen. Zijn werk wordt dan ook niet vanuit menselijke beweegredenen tot stand gebracht en voleindigd, maar vanuit Gods alles overstijgende liefde voor de ganse schepping. Een liefde zo groot dat Hij Zijn Zoon ervoor gaf! Een wel wat al te gemakkelijke weg om ‘nader tot God’ te komen? Wedervraag: Is ‘getrokken worden tot Gods Vaderhart’ dan vanuit enige menselijke verdienste? ‘Ja, ja… mooi gezegd, maar je kunt nu wel van alles roepen, alleen… waar staat dat in Bijbel?’ zou je kritisch kunnen denken. Kritisch denken is maar goed, vooral kritisch blijven denken. Ik heb niet de intentie je ook maar ergens van te overtuigen; dat laat ik liever aan Gods woorden van Geest en leven over. De Bijbelteksten in dit boek komen uit de Statenvertaling (Jongbloededitie), de NBG-vertaling en De Nieuwe Bijbelvertaling. Zij worden ondersteund door concordante vertalingen uit de Hebreeuwse en Griekse grondtekst; onder andere verkregen door middel van het ISA – het vrij toegankelijke Interlinear Scripture Analyzer-programma – en gemeente Eben-Haëzer te Rotterdam (www.ebenhaezer.nl). In enkele gevallen is gebruikgemaakt van www.schriftwoord.nl om tot een leesbaar geheel te kunnen komen. De Concordante Vertaling hanteert een consequente vertaalmethode van de drie oudste handschriften en komt zodoende het dichtst bij de oudste grondteksten die er bestaan. Dit wordt bij een aangehaalde tekst aangegeven met het woordje ‘letterlijk’. 14 | EÉN VOOR ALLEN

Het is aan te raden dit boek van voor af aan te lezen omdat er sprake is van een zekere opbouw. Omwille van het leesgemak is gekozen voor een herhaling van bepaalde Bijbelteksten en om de leesbaarheid te vergroten heb ik meestal de mannelijke vorm gehanteerd. Wat betreft namen van mensen: deze zijn gefingeerd en kloppen niet met de werkelijkheid; elke overeenkomst berust dan ook op toevalligheid. Verder staat in dit boek het begrip geestelijk niet voor ‘psychisch’, maar voor ‘wijsheid en waarheid van God ’. Omdat het niet aan de mens gegeven is vanuit zichzelf dé wijsheid of dé waarheid in pacht te hebben, is dit werk ter overweging en mogelijk – zo God het geven wil – tot bemoediging. Wanneer de inhoud van dit boek de menselijke denkzin ‘in de goede zin des Woords’ zal prikkelen – wanneer deze tot de verbeelding spreekt en verwonderen doet – dan ben ik een (nog) gelukkig(er) mens. Wanneer de inhoud van dit boek je niet alleen aan het denken zet, maar bovendien je hart laat overvloeien van overweldigende dankbaarheid vanwege de onmetelijke liefde die spreekt uit het geweldige plan dat de hemelse Vader met Zijn ganse schepping voor ogen staat, dan maakt mij dat de koning te rijk. De liefde van Christus dringt mij, omdat ik tot het inzicht gekomen ben dat Eén voor allen gestorven is! Wie... schept je een rein hart, en bewerkt een vernieuwing van je innerlijk? Wie… schenkt je een opgerichte, gevestigde geest, en wekt in jou de vreugde van Zijn redding op? Wie… steunt of stut je door een bereidwillige, inschikkelijke geest, en Wie komt de eer, glorie en dank voor alles toe? EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 15

16 | EÉN VOOR ALLEN

HOOFDSTUK 1 GOD VERHOEDE HET! ‘Petrus nam hem terzijde en begon hem fel terecht te wijzen: ‘God verhoede het, Heer! Dat zal u zeker niet gebeuren!’ Maar Jezus keerde hem de rug toe met de woorden: ‘Ga terug, achter Mij, Satan!’’ – MATTEÜS 16 vers 22 en 23, De Nieuwe Bijbelvertaling STORm Soms gaat de storm van onze menselijke gedachten behoorlijk tekeer, blijven we in een cirkeltje ronddraaien om zaken waar we maar niet uit lijken te komen. ‘Wat moeten we daar nou toch mee?’ vragen we ons dan vertwijfeld af. We zouden om te beginnen een trucje kunnen hanteren dat ons zou kunnen helpen. Ik hoorde bijvoorbeeld eens dat iemand ‘met zichzelf afsprak’ dat hij pas om 8 uur ’s avonds een kwartiertje de tijd kreeg om te piekeren. En zodoende kwam het er – omdat van uitstel meestal afstel komt – op neer dat de meeste zorgelijke gedachten tegen die tijd wel weer verzet waren. Handig! Met betrekking tot sommige zaken zijn onze gedachten echter soms zo hardnekkig dat een trucje maar niet lijkt te werken. Alle handige weetjes en trucjes daargelaten – wanneer we het over Gods Woord hebben, hebben we dan ontvangen dat ‘de vreugde van Zijn redding’ (zie inleiding) onze gedachten mag passeren, juist wanneer we piekeren? Hebben we onszelf weleens de vraag gesteld wat we praktisch gezien nu eigenlijk hebben aan dat reine hart, aan die vernieuwing van ons innerlijk en die opgerichte, gevestigde geest (zie inleiding) waarover Gods Woord spreekt? Ervaren we gestut of gesteund te worden door een bereidwillige, inschikkelijke geest (zie inleiding)? Of is het een zowel als het ander in de dagelijkse praktijk veel te abstract gebleken en lijken deze EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 17

zaken maar geen vorm te krijgen in ons leven? Misschien wel omdat we denken het allemaal zelf te moeten kunnen bolwerken tot Gods eer? Komt het sowieso weleens in onze gedachten op dat trucjes handig kunnen zijn, maar dat er wel meer is dan dat? maaR WaaROm?! God heeft de wil om te begrijpen in de mens gelegd. Van jongs af aan zit de ‘maar waarom-vraag’ er al in en niet zelden zien mensen er op volwassen leeftijd nog steeds naar uit om op alle vragen een voor hen bevredigend antwoord te krijgen. Van vragen wordt een mens over het algemeen niet dommer. Dat God de wil om te begrijpen in de mens heeft gelegd, wil echter nog niet zeggen dat God met Zijn schepselen op weg is naar een menselijk begrijpen, ordenen en plaatsen van tal van verdrietige zaken die hier op aarde plaatshebben. Geloven houdt dan ook niet in dat we alles begrijpen zullen; het tegenovergestelde is veel meer het geval. We begrijpen menselijkerwijs vaak helemaal niets van hetgeen waar God mee bezig is, tenzij ons hart daarvoor geopend wordt. Mogelijk ervaar je Gods liefde helemaal niet in je leven en zie je deze ook niet terug in het leven van anderen. Misschien wil je daarom ook maar liever niets te maken hebben met ‘zo’n God Die maar toestaat dat (vul maar in)…’ Het kan heel goed zijn dat je je schouders ophaalt wanneer iemand zegt kracht van God te hebben ontvangen, dat je jezelf er maar ongemakkelijk bij voelt wanneer mensen over Gods liefde voor al Zijn schepselen beginnen of dat je daar persoonlijk gewoon niet op zit te wachten. Dat kan allemaal. ~ Onderonsje ~ Zo werd mij eens gevraagd of ik de vervelende of moeilijke dingen die gebeurden dan van God begrijpen kon, want waarom liet God dat allemaal toe?! 18 | EÉN VOOR ALLEN

Ik dacht over deze vraag na en kwam tot het besef dat de meeste gelovigen bij een dergelijke uitspraak meteen in verweer zullen gaan met: ‘Ja, maar het is de mens die deze dingen veroorzaakt; door het handelen van de mens komt al die ellende in de wereld!’ Los van de vraag of de voorgaande stelling waar of niet waar is, kwam ik tot de conclusie dat mensen God nooit zullen kunnen begrijpen vanuit de menselijke gedachtegang. Alleen al vanwege het simpele feit dat God er eenvoudigweg niet op uit is dat wij Hem op een menselijke wijze vanuit onszelf zouden kunnen begrijpen. Dus antwoordde ik dat ik was gaan ervaren dat God mensen een andere vorm van ‘begrijpen’ wilde geven dan ‘een begrijpen naar menselijke maatstaven’. Het gaat Hem om een geestelijk begrijpen, wat helemaal niets te maken heeft met een menselijk begrijpen, ordenen en plaatsen van tal van verdrietige zaken die hier op aarde plaatshebben. Ik was in mijn leven gaan ervaren dat niet ‘een menselijk begrijpen van God’ mij verder bracht, maar een ontvangen geestelijk begrijpen… vanuit God! Geloof heeft voor mij te maken met de ontvangen erkenning, waarneming, ervaring en uitleving van de waarheid van Gods liefde, waardoor het vertrouwen in het vermogen van onze hemelse Vader groeien kan. Precies datgene wat mensen vanuit zichzelf nu juist ‘boven hun pet gaat’, door al die zaken die ze met hun menselijke ogen waarnemen. — HET kWaaD In het boek Genesis wordt gesproken over ‘de boom van kennis van goed en kwaad’. Mijn vader vertelde daarover eens dat daaruit temeer bleek dat er vanaf het begin dus ook al kwaad moest zijn geweest, voordat Adam en Eva gingen zondigen. Het is opmerkelijk dat er over ‘kennis van’, in dit geval goed en kwaad, gesproken wordt. Door te eten van deze boom kreeg de mens wetenschap van iets wat er al was. Wanneer we het echter over hartenkennis hebben, dan hebben we het over iets heel anders dan wetenschap. Om meer dan EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 19

wetenschap van goed en kwaad te krijgen moest de mensheid een veel diepere lijdensweg gaan dan die eerste ongehoorzaamheid aan God. Wij, mensen, zijn daarnaast niet de enigen die lijden of hebben geleden. We staan er over het algemeen niet zo bij stil wanneer we aan God denken, maar onze hemelse Vader lijdt Zelf meer om het lijden van Zijn schepping dan wij ooit zullen kunnen bevatten. Ook de lijdensweg die de Zoon moest gaan was allang bij God bekend voordat Hij aan Zijn allesomvattende plan begon. We zouden ons daarom kunnen afvragen waarom God niet meteen alles zo gemaakt had dat dergelijke zaken helemaal niet meer hoefden voor te komen, want dan had Zijn Zoon immers die lijdensweg ook niet hoeven gaan! Hebben we ons weleens afgevraagd hoe God Zijn schepping – waarin het kwaad, de verleiding tot het kwaad en de kennis ervan aanwezig waren – als ‘goed’ heeft kunnen beoordelen? Een schepping waarin de Zoon een onmenselijk lijden zou moeten ondergaan om Gods bedoeling met Zijn schepping te volvoeren? In de volgende tekst wordt melding gemaakt van de duivel: ‘Daarna werd Jezus door de Geest meegevoerd naar de woestijn (letterlijk: omhoog geleid in de wildernis) om door de duivel (Grieks: diabolou > de dooreenwerper) op de proef gesteld te worden. Nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, had Hij grote honger.’ (Matteüs 4 vers 1 en 2, De Nieuwe Bijbelvertaling) Vanuit de grondtekst wordt bij de satan of de duivel gesproken over ‘de tegenstander’ of ‘de dooreenwerper’, wat zijn manier van doen duidelijk weergeeft. De dooreenwerper grijpt alle middelen die er zijn aan om door elkaar te werpen. Het gaat in deze echter om een en dezelfde en om verwarring te voorkomen wordt in dit boek veelal het woord tegenstander gehanteerd. De tegenstander verdraait alles op zodanige wijze dat: • de waarheid, waarvan God zegt dat het de waarheid is, onwaarneembaar wordt; • Gods liefde, die uit deze waarheid spreekt, niet (of niet langer) als zodanig ervaren wordt en ‘kennis van goed en kwaad’ een ‘waarnemen overeenkomstig het kwaad’ wordt. 20 | EÉN VOOR ALLEN

‘Nu kwam de beproever naar hem toe en zei: ‘Als u de Zoon van God bent, beveel dan die stenen in broden te veranderen.’ Maar Jezus gaf hem ten antwoord: ‘Er staat geschreven: “De mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord dat klinkt uit de mond van God.” ’ (Matteüs 4 vers 3 en 4, De Nieuwe Bijbelvertaling) Als ‘vader van de leugen’ – zoals hij ook wel genoemd wordt in Johannes 8 vers 44 – was, en is, de tegenstander uit op verwoesten… en dat lukt hem het beste wanneer hij een loopje neemt met de waarheid. De werkwijze die de tegenstander daarvoor bij Jezus hanteerde was exact dezelfde als die in de hof van Eden werd aangewend. De honger van Jezus werd aangegrepen als middel ter verleiding om voet aan de grond te krijgen voor zijn dooreen-werpingen. De tegenstander was erop uit Jezus over te halen ‘leugen aan te nemen als zijnde waarheid’ door deze in de plaats te stellen van datgene wat God waarheid noemt. Het was opmerkelijk hoe Jezus met de verleidingen van de tegenstander omging. Jezus weerstond de verleiding tot het kwaad niet met Zijn persoonlijke kennis van het kwaad, maar met de enige kennis die er op dat moment toe deed. Jezus richtte Zich niet op Zichzelf of op Zijn persoonlijke omstandigheden – zoals Zijn grote honger, de woorden van de tegenstander of de kennis die Hij Zelf van het kwaad had – maar in plaats daarvan richtte Hij Zich op de woorden van Zijn Vader. Jezus weerstond de verleiding tot het kwaad met de hartenkennis van wat Zijn Vader gesproken had, en gaf dat te kennen aan de tegenstander. Hij gaf te kennen dat Hij de woorden van Zijn Vader prefereerde boven leugens. Hoe zit dat bij ons? Hebben we de genade ontvangen om ons in verzoekingen niet op onszelf of op onze persoonlijke omstandigheden te richten? Hebben we geleerd de verleiding tot het kwaad te weerstaan met de hartenkennis van datgene wat God gesproken heeft? Prefereren wij Gods waarheid boven leugens en geven we dat te kennen aan de tegenstander? DINGEN VaN mENSEN In Matteüs 16 komt naar voren dat de tegenstander ons ook door de mensen om ons heen kan proberen te verleiden, een principe dat eigenEEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 21

lijk schering en inslag is. Natuurlijk probeert de tegenstander mensen tegen elkaar uit te spelen, het liefst juist gelovigen! ‘Vanaf die tijd begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken dat hij naar Jeruzalem moest gaan en veel zou moeten lijden door toedoen van de oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden, en dat hij gedood zou worden, maar op de derde dag uit de dood zou worden opgewekt. Petrus nam hem terzijde en begon hem fel terecht te wijzen: ‘God verhoede het, Heer! Dat zal u zeker niet gebeuren!’ Maar Jezus keerde hem de rug toe met de woorden: ‘Ga terug, achter Mij, Satan!’’ (Matteüs 16 vers 21-23, De Nieuwe Bijbelvertaling) ‘Ga weg, achter Mij, satan; gij zijt Mij een aanstoot, want gij zijt niet bedacht op de dingen Gods, maar op die der mensen.’ (Matteüs 16 vers 23, NBG-vertaling) Petrus wilde pertinent niet dat Jezus zou lijden of gedood worden en in zijn uitroep sprak hij zijn zorg over Jezus uit. Je zou kunnen zeggen dat het een uitroep was waarin, naar menselijke maatstaven, zijn liefde voor Jezus tot uitdrukking kwam. Was deze reactie geestelijk? Jezus vond van niet. Hij begreep Petrus wel, maar sprak de tegenwerkende macht aan die achter deze menselijke uiting van liefde zat. Hieraan zie je maar weer dat wat God ziet als liefde en gerechtigheid, iets heel anders kan zijn dan wat je menselijkerwijs denkt, voelt, weet, vindt of begrijpen kunt. Het ‘bedacht zijn op dingen van mensen’ was een aanstoot voor Jezus. Jezus wilde bedacht zijn op de dingen van Zijn Vader en had direct in de gaten dat de tegenstander dingen van mensen aangreep om weer eens listig door elkaar te kunnen werpen. De Zoon van God had ogenblikkelijk door dat er op Zijn persoonlijk lijden werd ingespeeld, zodat Hij Zich niet op Gods waarheid zou richten, maar op ‘wat van de mensen is’. In dit geval door Petrus heen die – als naprater van de satan – aan het tegenwerken was. Hiervoor werd zelfs Gods Naam in het betoog niet geschuwd: ‘God verhoede het, Heer! Dat zal u zeker niet gebeuren!’ Jezus liet Zich echter niet van de wijs brengen en wist dat Hij opnieuw door de tegenstander werd verzocht. 22 | EÉN VOOR ALLEN

Hetzelfde kan ook ons overkomen wanneer we in deze tijd met verleidingen worden geconfronteerd. Deze verleidingen kunnen eveneens heel ‘onschuldig’ lijken; naar menselijke maatstaven een uitdrukking van liefde, genegenheid en zorg. De tegenstander speelt nog steeds handig in op onze honger naar de dingen van mensen in plaats van naar de dingen van God. Mensen spreken elkaar van nature eigenlijk voortdurend aan op dingen van mensen en denken daar ‘goed’ aan te doen. Hoeveel uitlatingen, bedacht op dingen van mensen, krijgen we dagelijks niet over ons heen en laten we ons welgevallen? Het streelt ons ego of speelt handig in op onze behoefte aan erkenning. We zijn niet bedacht op de dingen van God en denken al snel: ‘Maar daar steekt toch geen kwaad in…?!’ ‘Maar dat is toch heel normaal, want…?!’ ‘Je bent het waard!’ is wat de reclamewereld ons doet geloven. De waarheid was echter dat Petrus datgene wat de Heer tegen hem had gezegd over Zijn lijden en sterven niet kon aanvaarden uit Gods hand. Laat staan dat deze lijdensweg in zijn ogen door Gods liefde ingegeven zou kunnen zijn. Petrus kwam in opstand en sloeg ter verdediging van zijn geliefde Heer iemand een oor af. ‘Daarop trok Simon Petrus het zwaard dat hij bij zich had, haalde uit naar de slaaf van de hogepriester en sloeg hem zijn rechteroor af.’ (Johannes 18 vers 10, De Nieuwe Bijbelvertaling) Alles voor ‘de goede zaak’ van menselijke gerechtigheid! En zo zijn er vele manieren om tegen ongerechtigheid te strijden: regeringen die een vuist maken tegen onrecht, mogelijk omwille van het zeker stellen van de economische positie, winstbejag of politiek gewin. Mensen die zich ontfermen over anderen en daarvoor iets terug verlangen. Of mensen die belangeloos willen werken, maar denken uiteindelijk wel een plaatsje in de hemel te kunnen verdienen. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 23

Er zijn legio mensen die menen op een menselijke wijze te moeten strijden voor datgene waarvan zij aannemen dat het gerechtigheid zou moeten zijn – enkelen onder hen betitelen het gebruik van buitensporig geweld zelfs als handelen uit zelfbescherming. Mogelijk zie jij jezelf ook als een strijder voor menselijke gerechtigheid en wil je – koste wat kost – dat ‘God verhoeden zal’. Misschien ga je zelfs zo ver dat je God desnoods wel even een handje helpen zult. Nu is het natuurlijk buiten kijf dat het goed is om jezelf voor een nobele zaak in te zetten… Van belang daarbij is echter: wat is geestelijk gezien goed? Wanneer het op mensen aankomt dan kunnen deze elkaar immers nog bestrijden vanuit nobele beweegredenen! Wat ziet God als ‘nobel’? Wat ziet onze hemelse Vader als ‘gerechtigheid’? Wat ziet de Schepper van hemel en aarde als ‘goed’? Tegen onrecht strijden kan nobel zijn; Jezus deed het zelf ook. Hij streed alleen op een geestelijke wijze, die onze menselijke wijze van strijden ver te boven gaat. Jezus streed de strijd van gerechtigheid in nederigheid, een vorm van strijden – of moet ik zeggen: lijden? – die ons van nature juist behoorlijk tegenstaat. Nederigheid…?! God verhoede het! Bedacht zijn op de dingen van onze hemelse Vader is dan ook een genadegave. Waar de Zoon van God tot in het volmaakte bedacht was op de dingen van Zijn Vader, daar zullen wij nooit op een God welgevallige wijze kunnen voldoen. We lijken hierin te veel op Petrus, omdat we de dingen die op ons afkomen op een menselijke wijze willen bevechten. We zijn, vanuit onszelf, niet bedacht op de dingen van God. Jezus wilde daarentegen niet bezig zijn met dingen van mensen… en al helemaal niet met de menselijke strijd die daarmee gepaard zou gaan. De Zoon van God – de Levensvorst – ging zelfs zo ver dat Hij Zichzelf in liefde gewillig liet afslachten. 24 | EÉN VOOR ALLEN

Jezus deed niet aan bloedvergieten, maar vergoot Zijn Eigen bloed! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 25

26 | EÉN VOOR ALLEN

HOOFDSTUK 2 NOG VOOR DE HaaN kRaaIT ‘Maar Jezus zei: ‘Jij je leven voor mij geven? Waarachtig, ik verzeker je: nog voor de haan kraait zul jij mij driemaal verloochenen.’’ – JOHANNES 13 vers 38, De Nieuwe Bijbelvertaling RIjkDOm Het verschil tussen onszelf en de Zoon van God is gigantisch. De Zoon van God dacht in alles, tot in het volmaakte, geestelijk. Hij bezat, ondanks alle beproevingen, een onuitputtelijke schat aan geestelijke rijkdom. Dit doet me denken aan een televisieprogramma van de Evangelische Omroep dat ik eens zag: De programmamakers gingen met een kameel en een naald de straat op en vroegen aan willekeurige voorbijgangers te proberen de kameel door het oog van de naald te krijgen. Deze vraag had te maken met het Bijbelgedeelte in Marcus 10 vers 25, dat zegt dat het gemakkelijker is voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan dat het voor een rijke is het Koninkrijk van God binnen te gaan. Verschillende mensen waagden een poging ‘de kameel door het oog van de naald te krijgen’, maar hun pogingen mislukten jammerlijk. Tot besluit van het programma deelde de presentator in het wilde weg geld aan de inmiddels flink toegenomen menigte omstanders uit. De mensen begonnen elkaar te verdringen en de presentator riep hun toe: ‘Ach, wat zijn jullie toch arm… dat jullie, materieel rijken, zo naar geld moeten graaien!’ Geestelijke rijkdom is veel waardevoller dan alle schatten van heel de weEEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 27

reld bij elkaar. Juist om geestelijke rijkdom aan ons uit te delen kwam de Zoon van God naar de aarde en stierf Hij voor ons een onmenselijke dood. Verdringen wij elkaar dan net zo omwille van de rijkdom die Hij aan ons uitdeelt? Graaien wij dan net zo naar de liefde en de genade die Hij, namens Zijn Vader, aan ons betoont? Nee… we moeten eerlijk bekennen van niet! Vanuit zichzelf doet geen mens dat op een God welgevallige wijze. Romeinen 3 vers 10 tot en met 12 zegt: ‘Niemand is rechtvaardig, ook niet één, er is niemand, die verstandig is (letterlijk: er is niemand die begrijpt), niemand, die God ernstig zoekt; allen zijn afgeweken, tezamen zijn zij onnut (gelijktijdig onbruikbaar) geworden; er is niemand, die doet wat goed (mildheid) is, zelfs niet één.’ (NBG-vertaling) Mensen voldoen niet vanuit zichzelf aan Gods geestelijke norm van begrijpen, bruikbaarheid en mildheid, al denken we dat vanuit ons menselijk ego maar al te graag. Wanneer we dit geestelijke gegeven gaan verstaan met ons hart, kan deze ontdekking ons treurig stemmen, want wat stellen wij met ‘ons menselijk kunnen’ dan eigenlijk nog voor in Gods ogen…?! In Marcus 10 vers 26 kunnen we lezen dat ook de discipelen verslagen waren en tegen elkaar zeiden: ‘Maar wie kan dan wel behouden worden?’ Inderdaad! Wie komt er dan wél? Dat zouden wij ons nu ook kunnen afvragen! En misschien denken we er dan meteen wel somber achteraan: ‘Nou, ik dan waarschijnlijk niet… want als de discipelen dat zichzelf al afvroegen...?!’ Een en ander doet me denken aan een gesprek dat eens plaatshad tussen wijlen majoor Bosshardt – bekend lid van het Leger des Heils – en wijlen rocklegende en kunstschilder Herman Brood: Majoor Bosshardt sprak de hoop uit dat ‘zij toch eens bij God zou komen’, maar dat ze dat niet zeker wist. ‘Ze hoopte het.’ Herman Brood, die naast haar zat, barstte daarop in onbedaarlijk lachen uit. Hij vond het een enigszins komische gedachte dat de majoor, die praktisch haar hele leven in dienst van God had gesteld, nog twijfelde, en zei: ‘Maar Majoor, als ú daar nou al aan twijfelt… hoe erg moet het dan wel niet met míj gesteld zijn?!’ 28 | EÉN VOOR ALLEN

Op de verslagenheid van Zijn discipelen antwoordde Jezus het volgende: ‘Bij mensen is het onmogelijk, maar niet bij God; want alle dingen zijn mogelijk bij God.’ (Marcus 10 vers 27, NBG-vertaling) In het televisieprogramma met de kameel en de naald was er één vrouw die de naald oppakte, twintig meter bij de kameel vandaan liep en door het oog van de naald naar de kameel keek. Vervolgens riep ze triomfantelijk: ‘Kijk! Een kameel door het oog van de naald!’ Zou het bij God ook zo gaan…? Kijkt God naar jou en mij door Zijn Zoon heen? Gods Woord zegt van wel. Hij maakt hierin het menselijk onmogelijke mogelijk! Nu zullen wij nog moeten leren om door de Zoon heen naar onze hemelse Vader te gaan kijken om onszelf meer dan welkom te weten op de plaats waar Hij ons wil ontmoeten. aaNVEcHTINGEN WEERSTaaN Vandaag de dag worden we blootgesteld aan een veelheid van verleidingen om ‘de leugen te geloven en als waarheid aan te nemen’. In de brieven van Paulus wordt dan gesproken over ‘aanvechtingen’. Wij gaan daar heel anders mee om dan Jezus deed. Wij richten onze aandacht van nature op onze honger en op de vader van de leugen, en proberen vervolgens met onze persoonlijk verworven kennis van het kwaad het kwaad te lijf te gaan. ‘De mens heeft immers niet voor niets gegeten van de boom die ons deze kennis gebracht heeft…?!’ lijken we te denken. We gaan als het ware weer even terug naar het moment waarop Eva de vrucht aanzag en zag dat de boom begeerlijk was om er verstandig door te worden. Of we krabben ons bij deze gedachte nog maar eens op het hoofd en denken: ‘Zo verstandig was dat anders niet!’ Wij zouden dat natuurlijk heel anders gedaan hebben! Met alle respect voor de goede bedoelingen: we denken veelal zelf de aanvechtingen van de tegenstander te moeten kunnen weerstaan; hierin maken we echter een grote denkfout: EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 29

De mens staat vanuit zichzelf niet in de waarheid en zal daarom de leugen ook nooit als zodanig kunnen onderkennen zoals de Zoon dat kon en kan! In onze persoonlijke, op menselijke vermogens gefundeerde strijd tegen het kwaad zal blijken dat we het absoluut niet kunnen opnemen tegen de tegenstander. We zijn van onszelf eenvoudigweg niet sterker dan degene die alles door elkaar werpt. Wanneer we menen ons in onze eigen kracht tot hem te kunnen richten, dan blijft hij lachen… en hij lacht tegenover ons, mensen, altijd het laatst! Als we ons richten op de woorden van de tegenstander die, zoals dat bij Jezus dikwijls het geval was, mogelijk gewoon door onze naasten kunnen worden uitgesproken, gaan we ongemerkt steeds meer ‘waarnemen in overeenstemming met het kwaad’. Hij brengt ons gemakkelijk tot een ‘waarnemen door zijn ogen’, omdat hij ons zijn verduisterende bril kan voorzetten wanneer we niet op God gericht zijn. De menselijke manier van strijden tegen het kwaad verliezen we geheid omdat de bril van de tegenstander alles vervormt en verdraait; terwijl we menen scherp te zien is hij uit op onze vernietiging. Er is dan ook een geestelijke manier om aanvechtingen God welgevallig te kunnen weerstaan en dat is de manier waarop Jezus ons voorging. Allereerst moeten we daarvoor echter gaan onderkennen dat ‘geestelijk verstandig denken’ iets totaal anders is dan wat de menselijke denkzin ons ingeeft. De enige manier om aanvechtingen te weerstaan is door niet gericht te zijn op menselijke wetenschap, maar door in genade gericht te worden op geestelijke hartenkennis. Hartenkennis van wat God, onze Vader, ons als waarheid aanreikt in Zijn Woord. Om de aanvechtingen van de tegenstander te kunnen weerstaan zullen we de genadegave moeten ontvangen om in het leven van alledag te gaan zien op Gods waarheid, onze vermeende menselijke kennis van het kwaad laten voor wat deze is en ons tot de Vader wenden. Al is het maar met een: ‘Vader, ik weet het niet meer… Wat nu?’ ‘Kennis van goed en kwaad’ heeft niets te maken met onderscheiden naar wat voor ons, mensen, goed of kwaad is, of wat voor de vader van de leugen goed of kwaad is. ‘Kennis van goed en kwaad’ is de ontvangen hartenkennis om te kunnen onderscheiden wat voor God goed of kwaad is. 30 | EÉN VOOR ALLEN

HELDENDaDEN Wanneer je ervan overtuigd bent dat je vanuit jezelf heel goed in staat bent de aanvechtingen van de tegenstander te weerstaan, dan zul je dit boek misschien al snel verveeld terzijde leggen. Maar het kan ook zijn dat je iemand bent die neerkijkt op mensen die daartoe niet in staat zijn gebleken. God mag dan Zelf de tollenaars, verraders, huichelaars en lafaards van de toenmalige en tegenwoordige tijd liefhebben… maar ‘zulke mensen’ zijn verder niet aan jou besteed. Wij, mensen, zullen het vroeg of laat allemaal weleens moeilijk hebben met iemand. Mensen kijken elkaar nu eenmaal aan op een houding die getuigt van menselijke oprechtheid, een houding die getuigt van een oprecht menselijk geloof en ‘wee je gebeente’ als je daar niet aan voldoet! Wat mensen veelal eigenlijk alleen maar willen horen en zien van gelovigen is wat Simon Petrus zei: ‘Simon Petrus vroeg: Waar gaat u naartoe, Heer? Jezus antwoordde: ‘Ik ga ergens naartoe waar jij nog niet kunt komen, later zul je mij volgen. ‘Waarom kan ik u nu niet volgen, Heer? Ik wil mijn leven voor u geven!’ zei Petrus. (Johannes 13 vers 36 en 37, De Nieuwe Bijbelvertaling) Ik wil mijn leven voor u geven – mooier kan toch niet?! En het is zo herkenbaar, want zeggen veel gelovigen dat niet op eenzelfde wijze wanneer ze voor hun God willen gaan leven? Mensen willen menselijke heldendaden zien en zeker wanneer het om gelovige mensen gaat, want die zouden dan toch het verschil moeten maken?! Dingen die gelovigen doen of laten worden kritischer dan wanneer het niet-gelovigen betreft op ‘de weegschaal van de oprechtheid’ gelegd. Dat de realiteit anders leert kunnen we lezen in het vers dat hierop volgt: ‘Maar Jezus zei: ‘Jij je leven voor mij geven? Waarachtig, ik verzeker je: nog voor de haan kraait zul jij mij driemaal verloochenen.’’(Johannes 13 vers 38, De Nieuwe Bijbelvertaling) Wat kunnen we hier nu van leren, van dit vers? EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 31

Dat die Simon Petrus toch eigenlijk wel een enorme lafaard of huichelaar was? En dat wij zelf natuurlijk nooit zo zouden handelen wanneer we de kans hadden gehad om zo lang met Jezus op te trekken?! Jezus noemde Simon Petrus geen lafbek; daar ging het bij Jezus helemaal niet om. Nee, Jezus zette Simon Petrus op zijn plaats omdat hij de zaken als een tegenstander omdraaide. Dat is precies wat veel mensen vandaag de dag nog steeds doen. De rol van de Zoon van God is namelijk dat Hij Zijn leven voor ons inzet… en de rol van de mens is – hoe droevig dat ook klinken mag – verloochening van de Levensvorst. Hè, daar schrikken we toch van. Dat klinkt niet al te best voor ons! Het zal Petrus dan ook allerminst plezierig in de oren hebben geklonken. ‘Zijn Heer verloochenen? Kom nou even, zeg! En dan nog wel tot drie keer toe…?! Onmogelijk! Want als het erover ging dan was hij toch zeker wel een van Zijn trouwste dienaren!’ Geestelijk gezien kunnen we echter zeggen dat wij in zekere zin onze Heer allemaal verloochenen. Van nature zijn wij, als ‘zonen van de weerspannigheid’, allemaal geneigd de zaken om te draaien. In Efeziërs 2 vers 3 lezen we: ‘Net als zij lieten ook wij allen ons eens beheersen door onze wereldse begeerten, wij volgden alle zelfzuchtige verlangens en gedachten die in ons opkwamen en stonden van nature bloot aan Gods toorn, net als ieder ander.’ (De Nieuwe Bijbelvertaling) De Concordante Vertaling zegt hier: ‘(…) in overeenstemming met de vorst van het volmachtsgebied van de lucht, de geest die nu werkzaam is in de zonen van de weerspannigheid onder wie ook wíj allen ons eens gedroegen in de begeerten van ons vlees, de wil van het vlees en van de denkwijze uitvoerend, en wij waren van nature kinderen van toorn (letterlijk: verontwaardiging) zoals ook de overigen (…)’ Vanuit Gods heiligheid en Zijn volmaakte liefde gezien waren wij allemaal tegenstanders en gedroegen wij ons allemaal als kinderen van ver32 | EÉN VOOR ALLEN

ontwaardiging. Van nature zijn wij immers niet geestelijk en zó is het gesteld met de mensheid! En – hoe ontgoochelend dat voor mensen ook kan zijn – zo kan het blijkbaar dus nog steeds gesteld zijn met die christelijke buurman wanneer je naar de mens kijkt… Niemand is rechtvaardig. Er is niemand die begrijpt. Er is niemand die God ernstig zoekt. Allen zijn afgeweken en gelijktijdig onbruikbaar geworden. Er is niemand die mildheid doet, zelfs niet één! Iedereen is afhankelijk van Gods genade en Zijn genadegaven en we hoeven daarom niet te denken dat we van onszelf beter zijn dan Simon Petrus of die christelijke buurman. Niemand kan zichzelf op de borst kloppen. Naast de mensen die denken het allemaal zelf te kunnen bewerken zijn er mensen die in hun leven hebben ondervonden dat zij niet goed – of misschien wel helemaal niet – tegen de veelheid aan verleidingen bestand zijn. Mensen die – wanneer ze zien op hun eigen geloof en hun eigen vermogens – ervan doordrongen zijn geraakt dat ze (misschien wel zwaar) tekort zijn geschoten. Voor hen kan dit boek, zo God het geeft, een bemoediging zijn. Niet ‘wij, mensen’ kunnen ons leven voor onze Heer inzetten… Het is precies andersom: Jezus heeft Zijn leven voor ons ingezet! De gevolgen daarvan kunnen daarom alleen maar tot lof en eer van Gods heilige Naam zijn, in plaats van tot onze eer. Alleen de Vader Zelf kan – door wat de Zoon namens Hem heeft gedaan en doet – iets op een God welgevallige wijze in onze harten bewerken. ‘Hiervan toch ben ik ten volle overtuigd, dat Hij, die in u een goed werk is begonnen, dit ten einde toe zal voortzetten, tot de dag van Christus Jezus.’ (Filippenzen 1 vers 6, NBG-vertaling) ‘(…) hiervan overtuigd, dat Hij Die onder jullie een goed werk onderneemt, het voltooien zal tot aan de dag van Jezus Christus.’ (Concordante Vertaling) EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 33

BEGRIp Ooit weleens van ‘een christelijk jojo-effect’ gehoord? Voor één grote zonde kunnen mensen soms nog begrip opbrengen, maar voor een reeks van grote zonden is het begrip, menselijk gezien logischerwijs, veelal ver te zoeken. De realiteit leert echter dat mensen vaak weer in eenzelfde patroon terugvallen wanneer ze in de war, gefrustreerd of gedesillusioneerd zijn. Vanuit zichzelf vormt de gelovige daarop geen uitzondering. Wanneer mensen over de schreef zijn gegaan en vervolgens tot bezinning komen, doen ze daarna soms alle mogelijke moeite om een oud patroon te doorbreken. Misschien hebben ze wel ‘ikweetnietwat voor moeite’ gedaan alvorens ze – opnieuw – de mist in gingen. Het gevaar dreigt dat mensen, na een zoveelste menselijke poging tot verbetering, totaal op de hele zaak afknappen, om vervolgens, vanuit frustratie over hun persoonlijk falen, juist weer op dat punt uit te komen waar ze vandaan gekomen waren. Of erger… Dit is lang niet zo verwonderlijk als het lijkt. Als je maar lang genoeg doorgaat met het ontkennen van de problemen en in eigen kracht probeert je hoofd boven water te houden, dan bestaat het levensgrote risico dat het fragiele koord waarop je loopt op den duur een keer knappen zal… en dan val je hard! De tegenstander heeft een flinke voorsprong: hij kent je zwakke plekken beter dan je ze zelf kent en weet daar uiterst listig op in te spelen. Met mensen die ogenschijnlijk van het ene uiterste in het andere uiterste vervallen is vaak meer aan de hand dan wat leed net onder de oppervlakte. Er moeten soms zeer taaie ‘eeltlagen’ van iemands hart gestroopt worden voordat Gods liefde kan doordringen. Lagen die mogelijk zijn aangebracht uit zelfbehoud: om te kunnen overleven in een omgeving waar grote beschadigingen optraden. En zo zijn er ook legio mensen die vanuit angst en onzekerheid leven, vanuit een moeten… want anders…?! Op deze manier kun je proberen jezelf te conformeren aan een bepaalde groepering of leefwijze, maar het is geen draagkracht van liefde in je leven. Waar het in beginsel lijkt te werken, daar zal later blijken dat het zo nooit gewerkt heeft, en wat dan volgt is de ontgoocheling. 34 | EÉN VOOR ALLEN

Hoe kan iemand de bevrijdende liefde van God ervaren wanneer daar nog voorwaarden aan verbonden zijn? Voorwaarden waaraan je, als mens, nooit zult kunnen voldoen? Zonder de draagkracht van Gods liefde werkt het sowieso niet op een God welgevallige wijze in het leven van mensen! Zo heb ik zelf ook het een en ander ondervonden in mijn leven. Mijn wandel was, zoals de wandel van zovelen, gebaseerd op vermeende menselijke vermogens. Ik wilde vanuit plichtmatigheid iets volbrengen waar alleen Gods liefde de vaste grond had kunnen zijn waarop ik staande had kunnen blijven. Maar God bleek bij machte mij opnieuw aan Zijn Vaderhart te trekken en mij de vreugde van Zijn redding te hergeven. Al is het zeer begrijpelijk – en al zullen we er mogelijk nooit helemaal van loskomen – het heeft geestelijk gezien totaal geen zin om op menselijke draagkracht te blijven zien; niet op je eigen draagkracht en niet op de draagkracht van je naaste. Alleen de geestelijke draagkracht van Gods liefde kan ons, veilig en wel, door het leven loodsen. Het erkennen, waarnemen, ervaren en uitleven van de waarheid van Gods liefde moet mensen echter geschonken worden. En ook de geestelijke draagkracht, die uit deze liefde voortkomt, is een van Gods vele genadegaven aan de mens. In de Bijbel kunnen we lezen over een man die allerlei misstanden op zijn naam had staan en onzekerheid kende in zijn leven. Wanneer we de psalmen opslaan, zullen we bemerken dat vele van deze verzen een uitroep waren: een uitroep van David naar God om genade! David was bang en onzeker geworden… Herken je dat misschien? Ben je door de dingen die je hebt gedaan misschien ook bang voor God geworden? Of misschien ontloop je God maar liever door gewoon te doen alsof Hij er niet is? Wanneer we de geschiedenis van David en Batseba lezen begrijpen we al snel waarom David bang was geworden voor God. Laten we lezen waarom David vanuit de mens gezien alle reden had om te betwijfelen of God nog wel van hem hield en hem genade zou willen betonen. 2 Samuel 11 vers 1 tot en met 27 (De Nieuwe Bijbelvertaling): ‘Bij het aanbreken van het voorjaar, de tijd waarin koningen gewoonlijk ten strijde trekken, stuurde David opnieuw een leger eropuit, onder leiding van Joab en zijn aanvoerders, om de Ammonieten te verslaan en EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 35

Rabba te belegeren. Zelf bleef hij in Jeruzalem achter. Op een keer stond hij aan het eind van de middag op van zijn rustbed en liep wat heen en weer over het dak van het paleis. Beneden zag hij een vrouw die aan het baden was. Ze was heel mooi om te zien. Hij liet uitzoeken wie ze was, en men zei hem: ‘Dat is Batseba, de dochter van Eliam, de vrouw van de Hethiet Uria.’ David liet haar bij zich komen en sliep met haar. (De voorgeschreven periode van onthouding na haar onreinheid was juist verstreken.) Daarna ging ze terug naar huis. Enige tijd later merkte ze dat ze zwanger was. Ze liet dat aan David berichten, waarop David aan Joab opdracht gaf om Uria naar hem toe te sturen. Uria meldde zich op bevel van Joab bij David, die hem vroeg hoe Joab en het leger het maakten en hoe het er met de oorlog voorstond. Vervolgens zei hij: ‘Ga naar huis en ontspan u wat (letterlijk: was uw voeten).’ Toen Uria het paleis verliet, kreeg hij nog een geschenk (veel vlees) van de koning mee. Maar Uria ging niet naar huis; hij bleef slapen in het poortgebouw van het paleis, bij de knechten van zijn heer. Toen men David verteld had dat Uria niet naar huis was gegaan, zei hij tegen hem: ‘U hebt toch een lange reis achter de rug. Waarom bent u niet naar huis gegaan?’ Uria antwoordde: ‘De ark en het leger van Israël en Juda zijn ondergebracht in hutten, opperbevelhebber Joab en zijn manschappen bivakkeren in het open veld; zou ik dan naar huis gaan om te eten en te drinken, en te slapen met mijn vrouw? Zo waar u leeft, dat doe ik niet!’ David zei tegen Uria: ‘Blijf ook vandaag nog hier, dan laat ik u morgen teruggaan.’ Uria bleef die dag dus nog in Jeruzalem. De dag daarop nodigde David hem bij zich aan tafel en voerde hem dronken. Toch ging Uria ’s avonds niet naar huis, maar legde zich opnieuw te slapen bij de knechten van zijn heer. De volgende morgen schreef David Joab een brief, die hij aan Uria meegaf. In de brief stond: ‘Stel Uria op waar het hevigst wordt gevochten (Stel Uria in het voorfront van de hevigste strijd) en geef hem geen rugdekking (trek van hem terug), opdat hij wordt getroffen en sneuvelt.’ Joab onderzocht waar de verdediging het sterkst was (de plaats van de heldhaftigste, moedigste mannen), en stelde Uria juist daar op. De verdedigers van de stad deden een uitval naar Joab. Er vielen slachtoffers onder de soldaten van David, en ook Uria vond de dood. Joab liet aan David verslag uitbrengen van de strijd en beval de bode: ‘Als je de koning het hele verloop van 36 | EÉN VOOR ALLEN

de strijd hebt verteld, en als hij dan woedend tegen je uitvalt:“Waarom hebben jullie je zo dicht bij de stad gewaagd? Jullie konden toch weten dat ze vanaf de muur zouden schieten! Zijn jullie soms vergeten hoe Abimelech, de zoon van Jerubbeset, in Tebes aan zijn einde is gekomen? Een vrouw heeft toen vanaf de stadsmuur een maalsteen (een stuk van een molensteen) op zijn hoofd gegooid, zodat hij stierf. Waarom hebben jullie je dan zo dicht bij de muur gewaagd?” dan moet je zeggen: “Ook uw bevelhebber Uria is omgekomen.”’ De bode ging naar David en vertelde hem alles wat Joab hem had opgedragen. Hij zei tegen David: ‘Onze tegenstanders waren sterker dan wij en deden een uitval naar ons. We dreven ze terug tot voor de poort, maar toen namen de boogschutters ons vanaf de muur onder schot en sneuvelden er soldaten van de koning. Ook uw bevelhebber Uria is omgekomen.’ David droeg de bode op om tegen Joab te zeggen: ‘U moet er maar niet te slecht over oordelen (niet aan ergeren, irriteren, boos zijn over iets); de oorlog eist nu eenmaal zijn tol (want het zwaard verzwelgt dezen dan weer genen). Houd moed! Heropen de aanval op de stad en maak haar aan de grond gelijk.’ De vrouw van Uria kreeg bericht dat haar man was gesneuveld, en ze treurde om haar echtgenoot. Toen de rouwtijd voorbij was, nam David haar bij zich aan het hof. Zij werd zijn vrouw en baarde hem een zoon. Naar het oordeel van de HEER (IEUE, Jahweh) was het wel degelijk slecht wat David had gedaan.’ Wanneer dit in deze tijd zou gebeuren en we de handel en wandel van David zo eens in ogenschouw zouden nemen, dan zouden we hier weleens behoorlijk neerbuigend op kunnen reageren: ‘Maar met zo’n man wil ik in ieder geval niks te maken hebben! Gek, hè? Alleen: hoe zou dat nou toch komen…?!’ Dit valt vanuit menselijk oogpunt goed te begrijpen. David had niet alleen overspel gepleegd met de vrouw van een van zijn trouwste onderdanen, maar had vervolgens ook haar wettige echtgenoot moedwillig om het leven willen laten brengen. Zonde op zonde! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 37

‘Hoe is het toch mogelijk! David heeft zo veel van God ontvangen en nou doet hij dit! Dat is toch ook ondankbaar? En was dat nou dezelfde man die, als herder van een kudde schapen, zulke mooie lofliederen zong voor zijn God?! Wat een huichelaar, zeg!’ Wanneer we Psalm 23 naast Psalm 51 leggen, dan zouden we ons inderdaad weleens kunnen afvragen wat er nu zo veranderd was bij David. In Psalm 23 vers 1 tot en met 6 (NBG-vertaling) lezen we immers nog: ‘De HERE (IEUE, Jahweh) is mijn herder, mij ontbreekt niets (letterlijk: niets nodig hebben, niets vragen, niets wensen); Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij aan rustige wateren; Hij verkwikt (herstelt, vernieuwt) mijn ziel. Hij leidt mij in de rechte sporen (rechtvaardige, deugdzame paden) om zijns naams wil. Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis (al ga ik door de vallei van de schaduw des doods), ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij; uw stok (ook wel: heerschappij) en uw staf (ook wel: steun), die vertroosten (ook wel: bemoedigen) mij. Gij richt voor mij een dis aan (een tafel voorbereiden, gereedmaken) voor de ogen van wie mij benauwen (in aanwezigheid van mijn vijanden); Gij zalft mijn hoofd met olie, mijn beker vloeit over. Ja, heil (zekere goedheid) en goedertierenheid (genade) zullen mij volgen al de dagen van mijn leven; ik zal in het huis des HEREN verblijven (ook wel: wonen) tot in lengte van dagen.’ Wat was er nou toch gebeurd met David? Hoe had hij toch zo kunnen veranderen? Sommige mensen zouden daarover cynisch kunnen opmerken: ‘Wat maakt dat nog uit?! Het waren gewoon “allemaal mooie woorden” van David… Hij heeft er nooit veel van gemeend!’ 38 | EÉN VOOR ALLEN

David (betekenis: lieveling) – uit wiens geslacht de beloofde Messias zou voortkomen – had Batseba (betekenis: dochter van de eed, ofwel Goddelijke belofte), de vrouw van Uria (betekenis: mijn licht is Jahweh), tot zich genomen. Toen zij zwanger bleek te zijn zond David Uria snel naar huis zodat het overspel niet zou uitkomen. Om zijn thuiskomst te bespoedigen kreeg Uria een grote hoeveelheid (kostbaar) vlees mee dat aan bederf onderhevig was. Dit plan mislukte en daarop voerde David Uria dronken om hem zo naar huis te krijgen; een opzet die opnieuw faalde. Door de trouw van Uria zou het overspel niet verborgen blijven en David bedacht wederom een list. Hij beval dat Uria in het heetst van de strijd gesteld moest worden en dat de anderen zich daar van hem moesten afwenden zodat Uria zou sneuvelen. Dit bevel liet David nota bene door Uria zelf bezorgen bij diens gezagvoerder. Uria sneuvelde uiteindelijk, al was dat niet door toedoen van David, en nadat Batseba op gepaste wijze had gerouwd over haar echtgenoot werd zij David tot vrouw en baarde hem een zoon. En vervolgens roept David dan in Psalm 51 vers 3 tot en met 11 uit (vanuit de grondtekst): Wees mij genadig! Wis mijn overtredingen uit! Was mij volledig van mijn slechtheid! Reinig mij van mijn zonde! Ontzondig mij opdat ik rein zal worden! Was mij opdat ik witter dan sneeuw zal zijn! Laat mij blijdschap en vreugde horen! Laten de beenderen weer jubelen! Verberg Uw aangezicht voor mijn zonden! Wis al mijn slechtheden uit! David, die een man was naar Gods hart, was een persoon bij uitstek waar veel mensen met hun vinger naar hadden kunnen wijzen… en dat was nog te begrijpen geweest ook. ‘Nou, nou, die David… Die heeft nogal wat noten op zijn zang, zeg. Maar dat had hij dan maar eerder moeten bedenken, want dit gaat natuurlijk zomaar niet! Als je denkt zo buiten je boekje te kunnen gaan dan moet je ook maar voor de gevolgen opdraaien.’ EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 39

‘Wat een onverantwoordelijke koning!’ Had David ook al niet in Psalm 39 vers 8 en 9 (De Nieuwe Bijbelvertaling) uitgeroepen: ‘Wat heb ik dan te verwachten, Heer? Mijn hoop is alleen op u gevestigd. Bevrijd mij van al mijn zonden, bespaar mij de hoon van dwazen’? En in Psalm 38 vers 4 en 5 (NBG-vertaling) zegt David: ‘Niets is meer gezond aan mijn vlees vanwege uw gramschap (letterlijk: in het aangezicht van Uw verontwaardiging), niets is heel aan (geen vrede in) mijn gebeente vanwege (in het aangezicht van) mijn zonde; want mijn ongerechtigheden zijn over mijn hoofd gegaan, als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden.’ ‘Ach, dit is toch geen man waar we medelijden mee zouden moeten hebben? Zo werkt de genade toch niet? David had inmiddels toch allang ondervonden hoe de vork in de steel zat en gewoon beter moeten weten…?!’ ‘Inderdaad. Nou, niet bepaald iemand die betrouwbaar is, om over oprechtheid nog maar te zwijgen. Jammer hoor, maar: “Eigen schuld, dikke bult!”’ ‘Precies, en hij zoekt het verder zelf maar uit. Laat hem de Heer dan maar smeken of “Die hem niet verlaten wil en hem ter hulpe wil komen”… Mij niet gezien!’ De menselijke grens van begrip, logica, compassie of mededogen is bereikt en dat is eigenlijk ook heel logisch. David deed in zijn leven steeds opnieuw een beroep op Gods genade, Gods goedheid en vergevingsgezindheid en de mensen zouden daarom van zijn manier van doen kunnen zeggen: ‘Kijk nou, die doet maar! En als hij het dan opnieuw verprutst heeft klopt hij maar weer snel even bij God aan. Maar zo werkt het natuurlijk niet, want op zo’n manier maak je misbruik van Gods goedheid… Op zo’n manier maak je misbruik van Zijn genade.’ Volgens de wet was David veroordeeld… Laten we echter één ding vooral niet vergeten: volgens diezelfde wet zouden wij allemaal veroordeeld zijn. Niemand uitgezonderd! 40 | EÉN VOOR ALLEN

HOOFDSTUK 3 GEpERFEcTIONEERD IN DE LIEFDE ‘De liefde laat geen ruimte voor angst; volmaakte (letterlijk: perfecte) liefde sluit angst uit (giet angst buiten), want angst veronderstelt straf (ook wel: kastijding). In iemand die angst kent, is de liefde geen werkelijkheid geworden (Iemand die angst kent is niet geperfectioneerd in de liefde). Wij hebben lief omdat God ons het eerst heeft liefgehad.’ – 1 JOHANNES 4 vers 18 en 19, De Nieuwe Bijbelvertaling HET INNERLIjk We hebben nu gelezen over David die allerlei misstanden op zijn naam had staan en veel onzekerheid kende in zijn leven, maar dit kan evenzogoed voor onszelf opgaan. Ook wij kunnen onzeker worden wanneer we ons persoonlijk niet voldoen aan Gods norm in ogenschouw nemen. Twijfel of angst kan grip krijgen op je innerlijk en het ervaren van de vreugde van de redding die God aan je heeft beloofd kan een ‘ver-vanjouw-bedshow’ blijken te zijn. Angst voor God kan de drijfveer achter jouw menselijk goed doen voor God worden… Maar met angst als beweegreden ben je nog ver verwijderd van het leren kennen van Gods liefde. Nu kunnen onze belemmeringen zich op fysiek en/of mentaal vlak bevinden, maar laten we ons vooralsnog beperken tot het begrip ‘angst’. Angst is een grote troef in handen van de tegenstander en daar maakt hij dan ook dankbaar gebruik van. Voor zover God hem dat toestaat uiteraard en voor zover de tegenstander überhaupt nog ergens dankbaar voor zou kunnen zijn. Zo hoorde ik eens een preek waarin het ging over ‘wat angst kan doen met mensen’ en de spreker noemde: EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 41

Angst verarmt, rooft wat er gezaaid is. Angst werkt verlammend, maakt passief en isoleert. Angst is overweldigend, maakt onbruikbaar en verdelgt. Angst brengt niet tot ontplooiing of bloei; angst laat mensen terugvallen in een oud patroon. Het leven van een mens kan door vele verschillende soorten angst gekenmerkt worden. Uiteindelijk komen gelovigen, als het goed is, met deze nood bij God uit. Ze vragen Hem, soms vele malen onder tranen, de angst van hen weg te nemen. Maar wat doet God vervolgens met deze smeekbede? ‘Het lijkt warempel wel alsof Hij doof is… Want waarom neemt Hij de angst niet weg? Hij kan deze immers zo wegnemen als niets Hem te wonderlijk is?! Kijk dan, daar staat het toch, in Jeremia 32 vers 27? En ik heb er al zo vaak voor gebeden!’ ‘Zie, Ik, de HERE (Jahweh Elohim), ben de God van al wat leeft; zou voor Mij iets te wonderlijk zijn?’ (NBG-vertaling) Vanuit De Nieuwe Bijbelvertaling lezen we: ‘Ik ben de HEER, de God van al wat leeft. Is er ook maar iets dat voor Mij onmogelijk is?’ ‘Nee, het is voor mij één groot vraagteken en – nu ik er over nadenk – ook een veeg teken, want dit moet dan toch een koud kunstje voor Hem zijn…?!’ Nu is er in de Bijbel een prachtige tekst te vinden die expliciet over angst gaat zoals we aan het begin van dit hoofdstuk in 1 Johannes 4 vers 18 en 19 konden lezen: ‘De liefde laat geen ruimte voor angst; volmaakte (letterlijk: perfecte) liefde sluit angst uit (giet angst buiten), want angst veronderstelt straf (ook wel: kastijding). In iemand die angst kent, is de liefde geen werkelijkheid geworden (Iemand die angst kent is niet geperfectioneerd in de liefde). Wij hebben lief omdat God ons het eerst heeft liefgehad.’ (De Nieuwe Bijbelvertaling) 42 | EÉN VOOR ALLEN

Ik kan je echter wel vertellen dat er legio mensen – waaronder juist veel gelovige mensen – zijn die angst kennen in hun leven. Mensen die vervolgens met een dergelijke tekst om de oren worden geslagen omdat de liefde toch alle angst uitsluit?! Deze mensen komen er niet meer uit, want hoe moeten zij het nu met elkaar rijmen wanneer ze een dergelijke emotie ervaren terwijl ze toch wel degelijk gelovig zijn? Wat doen ze dan niet goed? Wat mankeert er dan aan hun geloof? Of… mankeert er dan misschien toch nog wat aan God omdat Hij hen zo aan hun lot overlaat terwijl ze er al zo vaak voor gebeden hebben?! Met deze tekst kun je uiteraard veel kanten op, maar ik zou de twee hoofdlijnen graag wat nader onder de loep willen nemen. Ofwel: je betrekt deze tekst op jezelf en je eigen liefde voor God, waaruit vervolgens dan jouw wandel voor God voortkomt. Wanneer er sprake is van angst, dan is dat het logische gevolg van jouw persoonlijk falen om op een perfecte wijze in de liefde te kunnen staan. Ofwel: je betrekt deze tekst op de perfecte liefde van God, Die jou in liefde als volmaakt aanziet in Zijn Zoon. Dan is het Zijn liefde die alle mogelijke angst ‘buiten giet’ en draait het niet langer om jouw persoonlijk falen omdat niemand perfect in de liefde kan zijn, met uitzondering van de Vader en de Zoon Zelf. Het is toch eigenlijk erg dat veel mensen nog steeds denken dat deze tekst met de eerste optie van doen heeft! Armoe troef… ‘De liefde (Grieks: agapè > Goddelijke liefde) laat geen ruimte voor angst; volmaakte (letterlijk: perfecte) liefde sluit angst uit (giet angst buiten).’ Perfecte liefde laat geen ruimte voor angst. Perfecte liefde giet angst buiten. ‘(…) en de hoop (letterlijk: verwachting) maakt niet beschaamd (maakt niet te schande), omdat de liefde Gods (agapè) in onze harten uitgestort is (is uitgegoten) door de heilige Geest, die ons gegeven is (…)’ (Romeinen 5 vers 5, NBG-vertaling) EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 43

Het gaat hier over agapè, over Goddelijke liefde. Deze liefde kan alleen in onze harten worden uitgegoten door Geest, de heilige. En gelukkig maar… want als het hier om onze menselijke vermogens tot liefhebben zou gaan, dan zou niemand vrij kunnen komen van angst of vrees met betrekking tot het naderen van God, waarover in de context van dit Bijbelgedeelte gesproken wordt. Voorafgaand aan dit tekstgedeelte lezen we vanuit de NBG-vertaling immers over ‘vrijmoedigheid hebben op de dag des oordeels’: ‘Hierin is de liefde (agapè) bij ons volmaakt geworden (letterlijk: geperfectioneerd), dat wij vrijmoedigheid hebben (ook wel: vrij, onbeschaamd zijn) op de dag des oordeels (…)’ (1 Johannes 4 vers 17) Kortom: als mensen zouden wij op z’n minst toch wel enige ‘schrik’ hebben en onszelf (hoogst) ongemakkelijk voelen ten overstaan van Gods overweldigende glorie, heiligheid en heerlijkheid… als we dit tenminste al overleven zouden. Deze tekst is ons ter lering gegeven. We kunnen immers eveneens schrik hebben voor God en ons (hoogst) ongemakkelijk voelen wanneer we ons tot Hem wenden in gebed en op die manier Zijn aangezicht zoeken. God is echter uit op een vertrouwensrelatie met Zijn schepselen en wil dat wij Hem niet alleen als onze Vader gaan erkennen, maar ook als onze Vader gaan ervaren. ‘Om die reden buig ik mijn knieën voor de Vader, naar wie alle geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt (…)’ (Efeziërs 3 vers 14 en 15, NBG-vertaling) Vanuit de Concordante Vertaling lezen we hier: ‘Ten behoeve hiervan buig ik mijn knieën voor de Vader van onze Heer Jezus Christus, naar Wie iedere vaderlijke verwantschap in de hemelen en op aarde genoemd wordt (…)’ God wil dat wij Hem niet alleen als onze Vader gaan erkennen, maar ook als onze Vader gaan ervaren. Naar Hem wordt immers iedere vaderlijke verwantschap in de hemelen en op aarde genoemd! 44 | EÉN VOOR ALLEN

Nu staat verwantschap voor: affiniteit (ook wel: binding), een familiebetrekking of samenhang. God drukt Zijn Vaderlijke verwantschap, Zijn affiniteit of binding met ons uit door de gave van Zijn Zoon. Om alle angst of vrees weg te nemen heeft God ons laten zien hoeveel Hij van ons houdt door Zijn Zoon als Redder naar ons uit te zenden en deze Redder vervolgens als Heer boven alles aan te stellen. Vervolgens lazen we in 1 Johannes 4 vers 18: ‘In iemand die angst kent, is de liefde geen werkelijkheid geworden (letterlijk: Iemand die angst kent is niet geperfectioneerd in de liefde).’ We kunnen daarom concluderen dat het hier in het geheel niet gaat over het ervaren van angstgevoelens in ons dagelijks leven, want er hoeft ons niets menselijks vreemd te zijn. Kijk per slot van rekening maar naar de Zoon Die Zelf eveneens heel wat afgeworsteld heeft met Zijn emoties. ‘Hij werd overvallen door doodsangst (letterlijk: Hij kwam in een meer serieuze strijd), maar bleef bidden; zijn zweet viel in grote druppels als bloed op de grond.’ (Lucas 22 vers 44, De Nieuwe Bijbelvertaling) Laten we wel wezen: als er Eén perfect was in de liefde dan was Hij dat! Het handelt in 1 Johannes 4 vers 18 en 19 dan ook niet over emoties of gevoelens die innerlijke strijd of benauwenis kunnen geven in ons dagelijks leven, maar het handelt over de angst om God te naderen, een angst die voor de mensheid al terug te voeren is tot Adam en Eva. Het is een alom vertegenwoordigde misvatting dat ‘geperfectioneerd zijn in de liefde’ zou inhouden dat we nooit meer bang zouden zijn of geen angst meer zouden kennen. Eigenlijk is het alleen maar erg wanneer we dat denken, want sommige mensen worden op deze wijze dubbel in de kou gezet in plaats van dat zij bemoedigd zouden worden. Mensen die psychisch al zwaar belast zijn krijgen er nog een extra belasting bovenop. Althans, wat moeten ze anders opmaken uit deze tekst die hun soms maar al te grif door hun geloofsgenoten wordt aangereikt? ‘In iemand die angst kent, is de liefde geen werkelijkheid geworden, dus… bij iemand die angstig is moet dan toch wel wat aan dat geloof mankeren?! Dat kan gewoon niet anders!’ EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 45

Nu zullen lang niet alle gelovigen een denigrerende houding aannemen – uiteraard zijn er genoeg gelovigen die het in alle oprechtheid zeer goed met een ander bedoelen – maar het feit ligt er nu eenmaal dat deze tekst belastend wordt gehanteerd en daarvoor is hij niet gegeven. Deze tekst is gegeven om te bemoedigen… om, waar nodig, te bevrijden. Dát is de doelstelling en daar wil ik dan ook met je naartoe. Het gaat er in dit Bijbelgedeelte over dat angst straf of kastijding veronderstelt en dat de volmaakte, perfecte liefde angst buiten giet omdat mensen hebben ontvangen te leven uit, door en van genade. Niet dat ons menselijkerwijs niets meer aangerekend zou kunnen worden, maar wij hoeven geen angst meer te kennen voor God en mogen Hem in alle vrijmoedigheid naderen. Wanneer we de tekst van 1 Johannes 4 vers 18 vanuit de grondtekst lezen, zien we: ‘Iemand die angst kent is niet geperfectioneerd in de liefde.’ Dat laat er tenminste geen onduidelijkheid over bestaan. Wanneer je geperfectioneerd bent in de liefde – wat al aangeeft dat je dat ontvangt omdat deze perfectionering in je innerlijk wordt bewerkstelligd – ben je jezelf de geestelijke (niet te verwarren met een menselijke) onbeschuldigbare status die God je in Zijn Zoon geschonken heeft gewaar geworden, en heb je ontvangen daaruit te leven tot Gods meerdere eer en verheerlijking. Je bent met je hart gaan verstaan wat het woord ‘verwantschap’ inhoudt voor jouw hemelse Vader, Degene naar Wie iedere vaderlijke verwantschap in de hemelen en op aarde genoemd wordt. Je bent jezelf niet alleen bewust geworden van het feit dat God door Zijn Zoon heen naar jou en naar Zijn ganse schepping kijkt, maar realiseert je ook dat Hij het mogelijk maakt dat jij – als klein, maar onmisbaar onderdeeltje van diezelfde schepping – door Zijn Zoon heen naar Hem leert kijken. De almachtige God wil niets liever dan je Vader zijn! Hoe geweldig is dat eigenlijk niet? En je mag Hem nadoen: kijk maar! Kijk maar door de Zoon heen… naar je hemelse Vader. Vervolgens zal Hij je leren door de Zoon heen te kijken naar jezelf en naar al die andere schepselen die Hij onvoorwaardelijk liefheeft met diezelfde grenzeloze liefde. 46 | EÉN VOOR ALLEN

Heb je jezelf eigenlijk weleens afgevraagd wat voor een Vader Hij, naar Wie iedere vaderlijke verwantschap in de hemelen en op aarde genoemd wordt, wil zijn? Vast niet Eén die je eerst een onbeschuldigbare status schenkt om je vervolgens van ‘van alles en nog wat’ te gaan beschuldigen. Nee, die onbeschuldigbare status van jou heeft Hem veel te veel gekost! Wanneer je geperfectioneerd bent in de liefde ben je jezelf bewust geworden van de onbeschuldigbare status die God je in Zijn Zoon geschonken heeft en heb je daaruit ontvangen te leven tot Gods meerdere eer en verheerlijking. Niet omdat je zelf volmaakt bent… juist niet. Maar omdat je ontvangen hebt je blik gericht te houden op Hem Die dat voor jou (geweest) is! Geestelijk gezien kunnen we concluderen dat geen mens van zichzelf rechtvaardig is. Er is niemand die begrijpt, niemand die God ernstig zoekt (Romeinen 3 vers 10 tot en met 12, Concordante Vertaling). Dat vergeten we echter zo gemakkelijk. In dat opzicht zijn de mensen die al ontdekt hebben dat ze het vanuit zichzelf niet kunnen dan ook rijk gezegend; die krijgen de kans gewoon niet om dit te vergeten. ‘Wij hebben Gods liefde, die in ons is, leren kennen en vertrouwen daarop (letterlijk: Wij hebben Gods liefde, die in ons is, leren kennen en geloven). God is liefde (agapè). Wie in de liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem. Zo is de liefde bij ons werkelijkheid geworden (geperfectioneerd…)’ (1 Johannes 4 vers 16 en 17, De Nieuwe Bijbelvertaling) ‘Wie in de liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem.’ Als we deze tekst lezen denken we meestal in eerste instantie aan de dingen wij zelf als mensen voor God zouden moeten doen of laten. In hetzelfde vers wordt echter genoemd: ‘Wij hebben Gods liefde die in ons is, leren kennen en geloven.’ Hier wordt niets vermeld over enig menselijk vermogen, maar handelt het over de van God ontvangen liefde – agapè – die in ons is. Deze liefde hebben wij leren kennen en geloven. Met andere woorden: God is liefde. Het draait allemaal om Gods liefde die in ons is, de enige liefde die perfect is. En daarom is ook de Enige Die deze liefde in ons hart kan leggen God Zelf, zoals Hij ook de Enige is Die kan maken dat we in deze liefde blijven zullen. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 47

Zo is de liefde bij ons werkelijkheid geworden! Op deze wijze is de liefde bij ons geperfectioneerd! We staan er in ons dagelijks leven mogelijk helemaal niet bij stil dat God, de Schepper van het al, verrukt kan zijn over iets wat Hij Zelf in ons innerlijk aanbrengt. ‘Zie, Gij wilt (letterlijk: Gij zijt verrukt over, Gij hebt een groot genoegen in) waarheid in het verborgene (waarheid in het innerlijk, dat wat weggestopt is), in het geheim (in het belemmerde, toegeslotene) maakt Gij mij wijsheid bekend.’ (Psalm 51 vers 8, NBG-vertaling) Onze hemelse Vader is verrukt over waarheid in ons innerlijk, in hetgeen aan het zicht onttrokken is. Hij schept er een groot genoegen in om een innerlijke vervulling van waarheid in ons tot stand te brengen; in het belemmerde, in het toegeslotene maakt Hij ons Zijn wijsheid bekend. Als gelovigen hoeft ons daarom niets menselijks vreemd te zijn, laat staan dat we al onze emoties en gevoelens om de een of andere reden zouden moeten bagatelliseren. We kunnen met onze belemmeringen bij God terecht omdat Hij ons juist in het toegeslotene Zijn wijsheid bekend wil maken. God wil juist op de punten waar wij zo belemmerd worden Zijn wijsheid aan ons hart bekendmaken, zodat ons innerlijk bekend wordt gemaakt met de waarheid van Zijn liefde. Zijn liefde maakt het mogelijk dat we niet langer gericht worden op menselijke (on)vermogens, maar op Zijn vermogen. Dat is wat Hij met David heeft gedaan en dat wil Hij ook met ons doen… Hij doet dat echter niet op het moment dat wij daarvoor geschikt achten, maar op de tijd die God daar Zelf geschikt voor acht. HERSTEL Het zal je wellicht niet verbazen dat het bekendmaken van Zijn wijsheid aan ons hart vervolgens ook weer alles te maken heeft met datgene wat onze hemelse Vader doet om ons verder te brengen… Hij is namelijk wel degelijk uit op herstel. De vraag is alleen: herkennen wij het herstel dat 48 | EÉN VOOR ALLEN

God geven wil ook als zodanig in ons leven? En: schatten wij het herstel dat God geven wil wel op juiste waarde? Om je een voorbeeld te geven vanuit de praktijk – en vergeef me dan even de vergelijking: Honden kunnen soms angstig gedrag vertonen – het instinct dat tot te grote voorzichtigheid maant. Bijvoorbeeld in een situatie waarin een puppy op straat een grote hond tegenkomt en prompt achter de benen van zijn baas wegschiet. Tijdens de puppycursus wordt een baas geleerd dat het zaak is zijn hond niet te bevestigen in dit gedrag. De reactie op zich mag er wel zijn – en is vanuit de puppy gezien ook te begrijpen – maar het is belangrijk om als baas verder vooruit te kijken en op het herstel van deze belemmerende reactie uit te zijn. Natuurlijk is de verleiding groot om de puppy even op te tillen en te zeggen: ‘Aaach, wat zielig… zo’n grote hond!’ Als de baas zich ook maar een beetje in zijn hond kan verplaatsen, begrijpt hij dat zo’n grote hond een puppy wel degelijk enig ontzag kan inboezemen. Hij zou eigenlijk niets liever willen dan het hondje optillen en aanhalen. Toch doet hij dat niet, want hij weet dat hij de puppy daarmee absoluut geen dienst bewijzen zal. Door dat te doen wordt angstig gedrag alleen maar bevestigd en versterkt, omdat het wordt beloond met (negatief stimulerende) aandacht. Feitelijk zou een baas hiermee zijn hond het herstel ontnemen en indirect ook de ruimte om contacten te leren leggen met soortgenoten. De puppy zou niet leren herstellen, maar zou leren aanstellen! Wanneer een baas aan een dergelijke impuls zou toegeven dan zou de puppy de eerstvolgende keer dat er aan het eind van de straat ‘een groot gevaar’ in het vizier komt met de staart tussen zijn poten naar zijn baas rennen en, uiteraard, weer opgetild willen worden. Al met al, niet bepaald bevorderlijk voor de socialisatie van zijn hond… Laten we de lijn nu doortrekken naar God: Het kan inderdaad ‘ten hemel schreiend’ zijn wanneer we onze hemelse Vader keer op keer onder tranen zoeken en Hem smeken de belemmeringen van ons weg te nemen. Waar we minder bij stilstaan is dat God ons niet wil bevestigen in dezen door hier als volgt op te reageren: ‘Aaach, wat EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 49

zielig! Nou, kom maar even bij Mij, hoor… Dan neem Ik alle “grote gevaren” wel even voor jou weg!’ Wanneer we op een dergelijke bevestiging uit zijn bij God dan kunnen we lang wachten, omdat Hij nu eenmaal verder vooruitkijkt. God is uit op geestelijk herstel (wellicht ten overvloede: in dit boek staat het begrip geestelijk niet voor ‘psychisch’, maar voor ‘wijsheid en waarheid van God’) van elke willekeurige belemmering en zal deze niet versterken door ons te belonen met negatief stimulerende aandacht. Hij zou ons daarmee het ware herstel dat Hem voor ogen staat immers juist ontnemen! Waarom is het nu zo belangrijk om dit te weten? Omdat het de vraag is of wij het herstel dat God geven wil kunnen herkennen als zodanig en dit herstel vervolgens ook op juiste waarde weten te schatten. We kijken nog even naar ons voorbeeld: Verder werkt de houding van een baas ook niet bepaald positief stimulerend wanneer hij angstig gedrag van de puppy gaat bagatelliseren of gaat dreigen: ‘Hé, doe nou eens niet zo idioot, zeg, stel je niet zo aan! Hup! En nu gauw lopen… want anders zal ik je!’ Een baas wordt geleerd helemaal geen aandacht aan eventueel angstig gedrag van zijn hond te schenken. Hier moet evenwel bij vermeld worden dat dit negeren absoluut niet vanuit desinteresse of onbewogenheid voortkomt, want in zijn hart zou hij deze leerschool het liefst van de puppy willen overnemen. Zo is het ook met God. Wanneer Hij helemaal geen aandacht lijkt te schenken aan onze (veelvuldige) smeekbeden, dan getuigt dit niet van desinteresse of onbewogenheid. In Zijn hart zou onze hemelse Vader deze leerschool het liefst van ons willen overnemen, ware het niet dat Hij ons daarmee geestelijk gezien absoluut geen dienst bewijzen zou. Wat doet de baas dan wel? De baas begrijpt dat de puppy bang is, maar kijkt – of raakt – hem niet aan wanneer deze achter zijn benen wegschiet voor ‘het grote gevaar’. Dit lijkt erg ongevoelig, maar dat is het allerminst. Ook waakt hij ervoor de puppy 50 | EÉN VOOR ALLEN

op een andere wijze aandacht te geven door te zeggen: ‘Toe nou maar… Er is toch niks aan de hand?!’ Samen met de puppy loopt de baas gewoon rustig door. De puppy, die achter zijn benen weggeschoten was, laat zich zachtjesaan meetronen aan de lijn. Hij probeert nog wel weg te komen door – zo ver als de lijn dat toestaat – met een zo groot mogelijke boog om de grote hond heen te dribbelen, maar het mag niet baten: de grote hond is met één pas bij het kleine hondje en snuffelt wat aan het diertje. De puppy staat wat wiebelig ineengedoken met het staartje tussen de pootjes (‘Aaach…!’) en vervolgens laat het zich vallen en gaat op de rug liggen, ten teken van onderdanigheid. De grote hond snuffelt nog wat, maar doet verder niets, want de puppy is onderdanig en de grote hond is niet vals. Enigszins beduusd krabbelt de puppy nu voorzichtig overeind en het staartje tussen zijn pootjes begint wat onzeker heen en weer te zwaaien. Hij wordt levendiger en draait zich nog eens om in de richting van de grote hond, die door zijn logge voorpoten zakt en eveneens met zijn staart kwispelt. Het baasje loopt rustig verder, geeft de puppy een flinke aai over zijn kop en zegt vol lof: ‘Goed zo, Bruno, braaf!’ En ‘opeens’ zijn het baasje en de puppy de grote hond voorbij! Een volgende ontmoeting met hetzelfde ‘grote gevaar’ loopt daarop gesmeerd. De grote hond en de puppy kennen elkaar al en de rangorde is bepaald. Nu begint de dartele puppy de grote hond warempel uit te dagen. ‘Hé, moet je dat nou zien… klein maar dapper!’ lachen de baasjes. De honden spelen even met elkaar en afwisselend piept de kleine en gromt de grote hond. Eenmaal thuisgekomen valt de puppy meteen als een blok in slaap. Hij heeft opnieuw een geweldige poging ondernomen om te socialiseren met een soortgenoot. ‘Ja, en waarom nu dit hele verhaal? Wat interesseren mij die honden nou?’ zou je kunnen denken. Dit hele verhaal wil ik je meegeven omdat het mensen soms ook op dergelijke wijze kan vergaan. We kunnen weleens de neiging vertonen andere mensen overmatig in bescherming te nemen door te proberen hen maar zoveel mogelijk uit te tillen boven een lastige situatie. Hiermee ontnemen we die ander – al hebben we dat zelf misschien helemaal niet in de gaten – meer dan ons eigenlijk lief is. Ook kunnen we doorslaan naar een ander EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 51

uiterste door emoties of gevoelens meteen te bagatelliseren (lees: elimineren) door te zeggen: ‘Er is toch niks aan de hand?!’ Of door een dreigement te uiten als: ‘En nu gauw ophouden daarmee… want anders…?!’ Wanneer we deze dingen op een psychologische manier bekijken dan is er met iemand in bescherming nemen of af en toe eens iets bagatelliseren op zichzelf niets mis, maar wanneer er sprake is van overmatige toepassing kan iemand daardoor sterk aan zichzelf gaan twijfelen. Een kind krijgt dan de boodschap mee dat het niet op zijn gevoelens kan of mag vertrouwen en dat doet afbreuk aan het nog op te bouwen zelfvertrouwen. (Overigens kunnen deze gevoelens ook een nuttig signaal zijn om, indien nodig, op je qui-vive te zijn.) Het wordt in dat geval veel moeilijker om op te groeien tot een evenwichtige volwassene. Wanneer we deze zaken nader onder de loep nemen, zien we dat: • • een over-beschermende houding onzekerheid veroorzaakt, doordat er negatieve aandacht uitgaat naar de uiterlijke omstandigheden: ‘de grote hond’ mag er niet zijn; een over-bagatelliserende houding onzekerheid veroorzaakt, doordat er negatieve aandacht uitgaat naar de innerlijke omstandigheden: ‘de emotie’ of ‘het gevoel’ mag er niet zijn. De leiding nemen is nog tot daaraan toe, maar om overtrokken reacties van kinderen tegen te gaan reageren ouders en/of begeleiders soms eveneens met een overtrokken reactie, en dan is er van enige begeleiding in het leerproces geen sprake meer. Er is in dat geval geen sprake van begrip ten aanzien van het kind: bepaalde situaties kunnen een kind wel degelijk enig ontzag inboezemen. Men is niet uit op herstel van een belemmerende reactie omdat er voor de reactie zelf al geen ruimte mag zijn. Men is huiverig voor de uitkomst van ‘het ruimte laten aan een belemmerende reactie’, want het kan toch niet de bedoeling zijn dat er bevestigende aandacht zou uitgaan naar een dergelijke innerlijke omstandigheid? Men stelt ‘ruimte geven aan’ gelijk aan ‘bevestigende aandacht’. Er kan, behalve van onkunde, sprake zijn van een zekere angst van de kant van de ouders of begeleiders zelf. Daardoor is men niet in staat het kind de veilige ruimte te bieden om diens weg hierin te leren vinden en, 52 | EÉN VOOR ALLEN

zodoende, diens eigen persoonlijkheid op een gezonde wijze te ontwikkelen. Nu we deze zaken op een psychologische manier hebben bekeken, wil ik graag weer een stapje verder gaan door deze opnieuw op een geestelijke manier te gaan bekijken: God staat een geestelijk doel voor ogen… maar omdat onze interesse voornamelijk bij ‘dingen van mensen’ ligt doet Hij in onze ogen heel veel fout. Onze hemelse Vader weet echter als geen Ander hoe Hij ons het beste begeleiden kan om Zijn doel met ons te verwezenlijken. Zijn begeleiding en bemoediging werken echter doorgaans op een andere manier dan ons menselijk gevoelsleven ons normaliter in eerste instantie ingeeft. Hij kan ons daarom, vanuit de menselijke optiek beschouwd, als onbewogen of ongeïnteresseerd overkomen… maar niets is minder waar! God kijkt alleen (ver) vooruit waar wij, met enige regelmaat, niet verder kijken dan onze neus lang is. God is als onze hemelse Vader op een andere vorm van herstel uit dan wij als mensen veelal voor onszelf of anderen in gedachten hebben. Zijn wijze van begeleiden hoeft dan ook helemaal niet te stroken met onze menselijke gedachten, emoties en gevoelens. Sterker nog: in de praktijk van het dagelijks leven zal eerder het tegenovergestelde het geval blijken en hier kunnen we behoorlijk van in de war raken. Vanuit de mens zijn wij er vaak op gefocust de zichtbare oorzaak van de problemen weg te nemen, maar zo werkt het bij God eenvoudigweg niet. Onze hemelse Vader is verrukt over waarheid in het innerlijk, dat wat weggestopt is; in het belemmerde, toegeslotene maakt Hij ons wijsheid bekend. God is er veel meer op gericht om ons op een geestelijke wijze weerbaar te maken, dwars door de omstandigheden heen. En daarmee creëert Hij prachtige – nu niet direct voor het oog zichtbare – innerlijke wonderen, terwijl Hij daarnaast tot het doen van uiterlijke, zichtbare, wonderen in staat is. Kortom: Gods begeleiding is geen begeleiding die ons in de slachtofferrol duwt omdat we ‘zo zielig’ zouden zijn. Het is, populair gezegd, geen ‘pampering’ wat God doet. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 53

We zouden niet leren herstellen… maar leren aanstellen! Uiteraard zal achteraf blijken dat God ons met liefde overal doorheen gedragen heeft… maar dat wil niet zeggen dat Hij alle zorgwekkende omstandigheden letterlijk van ons weg zal nemen, al is Hij daartoe wel bij machte. Waar collega-gelovigen dus nog weleens de neiging kunnen vertonen elkaar overmatig in bescherming te nemen of zaken (veelvuldig) te bagatelliseren, daar wil God Zijn geestelijke fundament in ons hart leggen, waardoor we kunnen opgroeien tot evenwichtige volwassenen in het geloof. Een over-beschermende houding: er gaat negatieve aandacht uit naar uiterlijke omstandigheden. Een over-bagatelliserende houding: er gaat negatieve aandacht uit naar innerlijke omstandigheden. Als onze hemelse Vader is God op geen van beide ontwrichtende methoden uit, omdat beide onzekerheid teweegbrengen in plaats van zekerheid. We lezen dan ook in Efeziërs 3 dat Hij ons zal wortelen en funderen in liefde en ons standvastig wil maken, door ons op een geestelijke wijze in balans te brengen. ‘(…) opdat Hij u geve, naar de rijkdom zijner heerlijkheid, met kracht gesterkt te worden door zijn Geest in de inwendige mens, opdat Christus door het geloof in uw harten woning make. Geworteld en gegrond in de liefde, zult gij dan, samen met alle heiligen, in staat zijn te vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is, en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot alle volheid Gods.’ (Efeziërs 3 vers 16-19, NBG-vertaling) Paulus boog zijn knieën voor God, de Vader, opdat (Concordante Vertaling): ‘Hij jullie zou geven in overeenstemming met de rijkdom van Zijn heerlijkheid in kracht standvastig gemaakt te worden door Zijn Geest in de innerlijke mens, en dat Christus door het geloof in jullie harten woont, opdat jullie in liefde geworteld en gefundeerd uitermate sterk zullen zijn om 54 | EÉN VOOR ALLEN

tezamen met al de heiligen te beseffen wat de breedte en lengte en diepte en hoogte is (en daarnaast te kennen de kennis overstijgende liefde van de Christus), opdat jullie compleet gemaakt zouden worden tot het volledige complement (ook wel: aanvulling) van God.’ Opdat Hij jullie zou geven in kracht standvastig gemaakt te worden door Zijn Geest in de innerlijke mens. Opdat jullie in liefde geworteld en gefundeerd uitermate sterk zullen zijn! God biedt ons op Zijn onnavolgbare geestelijke wijze de veilige ruimte in Zijn Zoon, om te leren de weg die Hem met ons voor ogen staat te vinden. Dit om op een gezonde wijze te kunnen ontwikkelen tot de persoonlijkheid die Hij wil dat wij worden zullen. ‘(…) dat Christus door het geloof in jullie harten woont (…)’ hebben we daarnaast wederom niet van onszelf, omdat het geloof bij uitstek een gave van God is! ‘Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke (…)’ (Johannes 6 vers 44, NBG-vertaling) ‘Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; niet uit werken, opdat niemand roeme.’ (Efeziërs 2 vers 8 en 9, NBG-vertaling) ‘Want in genade zijn jullie geredden, door geloof, en dit niet uit jullie zelf; het is Gods naderingsgave, niet uit werken, opdat niemand zich beroemen zal.’ (Concordante Vertaling) Willen wij op een geestelijke wijze opgroeien tot evenwichtige volwassen in het geloof – op een geestelijke wijze sterk worden – dan zal ons hart geopend moeten worden voor het waarnemen van de liefde waarin we geworteld en gefundeerd zijn. Temeer omdat we, wanneer we met onze menselijke ogen om ons heen kijken, tot een heel andere slotsom of conclusie zouden kunnen komen! Laten we vervolgens ook niet de vergissing maken te menen dat dit ‘geestelijk sterk zijn’ alle mogelijke menselijke EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 55

zwakte zou wegnemen… integendeel. Waar wij als mensen onder elkaar nog zo de mist in kunnen gaan door alle tekenen van mogelijke zwakte op een menselijke wijze uit te willen bannen, daar wil God met Zijn Woord van Geest en leven een gezonde, solide en uitgebalanceerde geestelijke verstandhouding met ons opbouwen, die in Goddelijke liefde geworteld en gefundeerd is. Een band van vertrouwen; een vertrouwensrelatie! En wanneer wij deze geestelijke band met onze hemelse Vader voor onszelf hebben leren kennen, dan kunnen wij ook vanuit deze basis gaan leren reageren op die ander. We kijken opnieuw naar ons voorbeeld: Bij een puppycurcus wordt hondenbezitters geleerd angstig gedrag van de hond te negeren en, door middel van het eigen gedrag, op een positief stimulerende wijze voor te doen wat de bedoeling is. Er wordt geleerd het goede voorbeeld te geven door bijvoorbeeld samen rustig langs een grote hond te lopen. Dit om herstel van een belemmerende reactie – in dit geval het instinct dat tot te grote voorzichtigheid maande – mogelijk te maken. De puppy kan hiervan leren omdat zijn baas de rol van ‘begeleider in het leerproces’ op zich neemt. Hier is het volgende gebeurd nadat de puppy een schuilplaats zocht achter de benen van zijn baas: De baas heeft het hondje begeleid naar herstel door het goede voorbeeld te geven. Hierbij heeft de puppy wel degelijk aandacht en bemoediging van zijn baas ontvangen, echter niet op de manier die de puppy zelf in eerste instantie had gezocht. Omdat de baas wist dat het belangrijk was om vooruit te kijken, gaf hij zijn aandacht en bemoediging op een wijze waarvan hij wist dat deze uiteindelijk positief stimulerend zou werken en dus ten bate van een goede ontwikkeling van de puppy zou zijn. Nu trekken we de lijn weer door naar God Die, als Vader, onze Begeleider is in hart en nieren: 56 | EÉN VOOR ALLEN

Laten we vooropstellen dat onze menselijke emoties of gevoelens bestaansrecht hebben. Onze hemelse Vader is vertrouwd met deze emoties en gevoelens die meestal het gevolg zijn van bepaalde omstandigheden waarin we verkeren. Hij zal daarom nooit aankomen met: ‘Doe nou eens niet zo idioot, zeg! Ben je daar nou nog niet overheen…?! Kom op, raap jezelf eens even bij elkaar!’ Wanneer we in het zicht van een groot gevaar bij wijze van spreken ‘achter de benen van onze Baas’ zouden willen wegschieten, dan begrijpt Hij dat volkomen. In Zijn hart zou God het graag van ons overnemen, maar toch neemt Hij lang niet alles wat ons tegenstaat op onze wensen van ons weg. Hij geeft ons Zijn liefde in plaats daarvan, zodat we ons geworteld en gefundeerd weten! God wil ons uit de belemmering optrekken en begeleiden op de weg van het herstel dat Hem voor ogen staat. Hij wil ons leren lopen aan Zijn zijde… dwars door alle omstandigheden heen, omdat Hij ons een goede geestelijke ontwikkeling gunt. Hij wil samen met ons vooruitkijken naar Zijn doel van innerlijke heling, waarbij Hij zeker ook bij machte is onze uiterlijke omstandigheden te veranderen als dat Zijn bedoeling is. Zo richt Gods begeleiding onze blik vooruit zonder het diepe verdriet of de pijn die er kan zijn te ontkennen of te bagatelliseren. Bij God is er geen sprake van onbegrip ten aanzien van het feit dat een bepaalde situatie ons wel degelijk enig ontzag kan inboezemen. God is niet huiverig voor de uitkomst van ‘het ruimte laten aan een dergelijke belemmerende reactie’, want Hij weet dat dit absoluut niet gelijkstaat aan bevestigende aandacht geven. God is in het geheel niet bang voor wat wij – samen met Hem – op een liefdevolle wijze tegemoet kunnen leren treden. Onze hemelse Vader is ‘totally in control’! Het loopt Hem, in tegenstelling tot ons, niet uit de hand. Het is Gods positief stimulerende begeleiding die het onvolkomen mensen mogelijk maakt juist door belemmerende innerlijke of uiterlijke omstandigheden heen te leren wandelen tot Zijn eer. Waarom? Omdat Zijn kracht dan zal kunnen blijken in onze innerlijke mens! ‘En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg, want de kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid (letterlijk: want Mijn kracht wordt in zwakheid voltooid, geperfectioneerd).’ (2 Korintiërs 12 vers 9, NBG-vertaling) EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 57

‘Maar wij hebben deze schat in aarden vaten (letterlijk: aardenwerken instrumenten), zodat (opdat) de (bovenmate van de) kracht, die alles te boven gaat, van God is en niet van (uit) ons (…)’ (2 Korintiërs 4 vers 7, NBG-vertaling) God is uit op herstel dat niet alleen ‘leert leven met’, maar dat ‘leert leven uit’. Herstel dat leert leven uit Zijn genade, dwars door alle innerlijke en uiterlijke omstandigheden heen. Natuurlijk kunnen we als mensen moeite blijven houden met van alles en nog wat in ons leven, maar wanneer we gaan ervaren geworteld en gefundeerd te worden door liefde, zullen we ook steeds meer het geestelijke vermogen krijgen ons niet langer uit te strekken naar een menselijk herstel van deze zaken, maar naar het herstel van Boven. Niet dat dit herstel van Boven ons zal doen vergeten; het verlegt onze aandacht doordat ons richt op iets geheel nieuws. Wat is hier gebeurd? Hoewel Hij daartoe bij machte is knipt God niet even met Zijn vingers om de situatie te veranderen; Hij begint ermee iets in ons innerlijk te bewerkstelligen. Het heeft te maken met een van God gegeven overtuiging van zekerheid vanuit de hartenkennis geworteld en gefundeerd te zijn in liefde. Onze hemelse Vader heeft ons door Zijn Zoon hét goede Voorbeeld gegeven; niet om ons te veroordelen, maar om ons op te richten! In de Zoon ontvangen mensen de veilige ruimte om ‘samen met God rustig door te lopen’, ondanks het gevaar dat ze op hun weg tegenkomen. ‘Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij (…)’ (Handelingen 17 vers 28, NBG-vertaling) Doordat God ons op Zijn Zoon richt worden we in de Zoon opgericht! 58 | EÉN VOOR ALLEN

VREDE Waar mensen het Licht soms helemaal niet meer kunnen zien, daar schept God ruimte voor hen om te leren aan Zijn voeten. Door Gods genade kunnen we worden bepaald bij onze nieuwe identiteit in Zijn Zoon. Deze identiteit betekent echter niet dat we voortaan ‘op roze wolken’ zullen lopen, al zijn we nog zo ‘in de wolken’ met dit goede bericht. Ook betekent het niet dat we geen emoties, zoals bijvoorbeeld angst, meer zullen kennen. Deze nieuwe identiteit maakt echter mogelijk dat dergelijke zaken steeds meer gaan wijken voor de vrede van God die al het denken te boven gaat. ‘Weest in geen ding bezorgd, maar laten bij alles uw wensen door gebed en smeking met dankzegging bekend worden bij God. En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus.’ (Filippenzen 4 vers 6 en 7, NBG-vertaling) ‘Weest in niets bezorgd, maar laat jullie verzoeken in alles, door gebed en door smeekbede, met dankzegging, bekendgemaakt worden bij God. En de vrede van God, die al het denken te boven gaat (letterlijk: die aan alle denkzin superieur is), zal jullie harten en jullie gedachten verzekerd bewaren in Christus Jezus.’ (Concordante Vertaling) Dit is nu typisch zo’n tekstgedeelte waarvan we menselijkerwijs zouden kunnen zeggen dat we ‘wanneer we het ene doen het andere zullen ontvangen’, als een soort ruilhandel. Als we ‘A’ doen – ons verzoek door gebed en smeekbede met dankzegging bij God brengen – dan zullen we (als ware dit onze eigen verdienste, waar God dan wat tegenover zal stellen) ‘B’ ontvangen: de vrede Gods die onze harten en gedachten verzekerd zal bewaren in Christus Jezus. Er is hier absoluut geen sprake van een bepaalde formule waardoor de mens een greep zou kunnen doen naar de vrede van God en dat blijkt ook wel wanneer we, hieraan voorafgaand, ‘Weest in niets bezorgd (…)’ (Concordante Vertaling) lezen. Als er immers iets is wat mensen niet kunnen dan is dat toch wel ‘in geen ding bezorgd’ zijn! We hebben hier met niets EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 59

menselijks van doen, maar enkel met een voortzetting van geestelijke gave, op gave, op gave. ‘Maar… wat kun je hier dan mee wanneer je angstig, bent?’ vraag je jezelf nu misschien wel af. Vanuit jezelf natuurlijk niets; we zijn als mensen al snel gericht op de aardse omstandigheden waarin we verkeren. Er bestaat, naast onze fysieke en mentale omstandigheden, echter ook een andere dimensie: onze geestelijke omstandigheid. De tekst in Filippenzen 4 vers 6 en 7 zet feitelijk haarscherp uiteen dat het bij onze verzoeken aan God – en dat kunnen er vele zijn – niet zozeer om een verandering van uiterlijke omstandigheden gaat, maar veel meer om een verandering van innerlijke omstandigheden… en daar kunnen we vanuit de mens soms helemaal niet zo blij of gelukkig mee zijn. Weest in niets bezorgd, maar laat je verzoeken in alles door gebed en door smeekbede, met dankzegging, bekendgemaakt worden bij God. En de vrede Gods, die aan alle denkzin superieur is, zal je hart en je gedachten verzekerd bewaren in Christus Jezus. Om een geestelijk verheugen omwille van de innerlijke verandering die God voor ogen staat te kunnen ervaren, zal ons hart de genadegave moeten ontvangen om het herstel dat God voor ogen staat op juiste waarde te schatten. Zodoende kunnen we in het leerproces stappen van het ‘in geen ding bezorgd zijn’, dwars door al het innerlijke en uiterlijke gevaar heen dat zich op onze weg bevinden kan. Niet omdat onze menselijke vermogens betrouwbaar moeten blijken, maar opdat Gods vermogen betrouwbaar zal blijken te zijn! Mijn genade is u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid voltooid, geperfectioneerd. Wij hebben deze schat in aardenwerken instrumenten, opdat de bovenmate van de kracht, die alles te boven gaat, van God is en niet uit ons. 60 | EÉN VOOR ALLEN

De vrede van God gaat al het denken te boven, ze is superieur aan alle denkzin. Deze vrede zal onze harten en onze gedachten verzekerd gaan bewaren in Christus Jezus… Is dat geen vertroostende en bemoedigende gedachte? Beter nog: is dat geen geweldige belofte? Weten wij het herstel dat God voor ogen staat op juiste waarde te schatten? Wanneer je gaat beseffen dat je geestelijk gezien nergens meer bang voor hoeft te zijn omdat je in de liefde van de Vader en de Zoon besloten bent, kun je ineens veel verder komen. En opeens zijn de Baas en Zijn ‘puppy’ de ‘grote hond’ voorbij! Het gegeven dat je in de liefde van de Vader en de Zoon besloten bent kan waarheid in je leven worden, waardoor je jezelf gewenst en geliefd weet… al ben je nog zo’n onvolkomen twijfelaar! Je kunt jezelf gewenst en geliefd voelen, ook wanneer je nu niet direct enige erkenning en waardering vanuit je directe leefomgeving ondervindt. Het lied ‘Ik vermag alle dingen in Hem die mij kracht geeft, ik vermag alle dingen in Hem’ kan een diepere betekenis in je leven krijgen. Alles is in Hem Die jou kracht geeft! Niets kan je scheiden van de grootste rijkdom die er is, of die er ook maar zou kunnen zijn: Gods onvoorwaardelijke liefde. Je mag jezelf geestelijk gezien totaal in Zijn Zoon geborgen weten. Ondanks onze persoonlijke onvolkomenheid wil God met ons een weg gaan die naar vrede leidt; een weg in Christus Jezus, waarin onze harten en gedachten verzekerd bewaard zullen worden. In de grondtekst staat bij ‘verzekerd bewaren’ een woord dat ‘barricaderen’ of ‘een vesting aanleggen’ betekent. God zet als het ware artillerie in; Hij maakt in Christus Jezus een verdedigingslinie om onze harten en gedachten, die Hij met zwaar geschut bewaken zal. Dit geestelijke gegeven betekent echter niet dat alle vlammende pijlen die door de tegenstander op ons worden afgevuurd aan ons voorbij zullen gaan. We zijn niet op een menselijke wijze onschendbaar geworden, maar op een geestelijke wijze: in Gods Zoon! Zo kunnen we in dit leven wel degelijk gruwelijk geschonden worden en als mens nergens meer blijven… en toch is de liefde bij machte ons door alles heen dragen. Gods liefde is bij machte te bemoedigen waar we, vanuit de mens, finaal aan de grond kunnen zitten. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 61

‘Maar hoe past God, onze hemelse Vader, dat “geestelijke socialisatieproces” dan op ons toe?’ zou je jezelf af kunnen vragen. Wanneer we willen leren op een geestelijke manier met andere schepselen om te gaan, dan is het nodig dat we eerst heel goed gaan beseffen wat deze omgangsvorm ons zelf gebracht heeft. Nu heb ik echter niet de illusie dat dit allemaal even in één hoofdstukje onder woorden te brengen zou zijn, maar laat ik toch een kleine poging wagen. Wat heeft deze geestelijke omgangsvorm ons gebracht? Dat zou voor ieder individu iets anders kunnen behelzen, maar er zijn wel enkele speerpunten te noemen. Binnen het geestelijke socialisatieproces staat het begrip verwantschap centraal. Affiniteit – ook wel: binding – de familiebetrekking of samenhang. ‘(…) alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; en Hij is vóór alles en alle dingen hebben hun bestaan in Hem (…)’ (Kolossenzen 1 vers 16 en 17, NBG-vertaling) De Concordante Vertaling zegt hier: ‘(…) het al is door Hem en tot (letterlijk: naar binnen in) Hem geschapen en Híj is voor alles en het al heeft zijn samenhang in Hem.’ Al hangen we dus als schepselen ‘als los zand aan elkaar’, in de Zoon is onze van God gegeven samenhang! Eerder hadden we het al over ‘herstel dat leert leven uit genade’ en daarvoor heeft de hemelse Vader ons Zijn goede Voorbeeld gegeven. Het is van belang dat we daar op gericht worden en niet op al dat stoffelijke zand dat tussen onze vingers door glipt omdat we zo krampachtig proberen het vast te houden. God weet als geen ander dat er in principe niets is om bang voor te zijn. Hij, de Schepper van het al, is immers liefde… en niets of niemand zal ons van het allerbelangrijkste – Zijn liefde – kunnen scheiden. Lees maar mee in Romeinen 8 vers 35 tot en met 39: 62 | EÉN VOOR ALLEN

‘Wat zal ons scheiden van de liefde van (letterlijk: God in) Christus (Jezus)? Tegenspoed (verdrukking, teistering, kwelling), ellende (benauwdheid, angst, nood) of vervolging, honger (ook wel: schaarste, gebrek) of armoede (naaktheid), gevaar of het zwaard? Er staat geschreven: ‘Om u worden wij dag na dag gedood en afgevoerd (gerekend) als schapen voor de slacht.’ Maar wij zegevieren in dit alles glansrijk (zijn meer dan overwinnaars) dankzij hem (door Hem) die ons heeft liefgehad (liefheeft). Ik ben ervan overtuigd dat dood noch leven, engelen (boodschappers) noch machten (soevereiniteiten) noch krachten, heden noch toekomst, noch hoogte noch diepte, of wat er ook maar in de schepping is (andersoortige schepping), ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die hij ons gegeven heeft in Christus Jezus, onze Heer.’ (De Nieuwe Bijbelvertaling) Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefheeft! Niets zal ons kunnen scheiden van de liefde van God, die is in Christus Jezus, onze Heer! Het mooie is dat deze tekst zo menselijk is; hij onderschrijft immers dat wij als gelovigen wel degelijk bekend kunnen zijn met benauwdheid. We kunnen wel degelijk bang zijn. Zeker wanneer we geconfronteerd zouden worden met zaken als verdrukking, vervolging, honger, naaktheid, gevaar of het zwaard. Van onszelf zijn we namelijk niet ‘die overwinnaars’… dat zijn we door Hem Die ons liefheeft! God kijkt helemaal niet op van onze benauwdheid, angst of innerlijke nood. Wat Hij doet is zaken die ogenschijnlijk een belemmering vormen niet zozeer wegnemen, hoewel Hij daartoe wel bij machte is, maar ontkrachten. Hij stelt er waarheid en geestelijke wijsheid voor in de plaats. Als onze Begeleider doorziet en begrijpt God onze menselijke gedachtegangen door en door en daarom heeft Hij Paulus als heraut laten afkondigen dat we desondanks overwinnaars zijn! Wanneer we eenmaal gaan ontdekken dat Gods genade genoeg is ondanks reële of irreële angsten, dan zal de valstrik van de dooreenwerper aan kracht moeten inboeten. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 63

Niets zal je kunnen scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jezus! Niets in de ganse schepping… ook jijzelf en jouw (mogelijk beangstigende) gedachtegangen niet! God vond het als onze hemelse Vader belangrijk dat we zouden gaan begrijpen dat werkelijk niets ons van Zijn liefde kan scheiden; zelfs al hebben we (nog) niet ontvangen dit te geloven. De ganse schepping is in liefde onlosmakelijk met de hemelse Vader verbonden. Het geestelijke socialisatieproces werkt als volgt: Vanuit de mens zijn we zwak en weten we ons soms bij lange na niet geworteld en gefundeerd in Gods liefde. Desondanks zal de kracht van deze grenzeloze liefde doorwerken tot in de verste, diepste en donkerste uithoeken van ons hart, zoals ze uiteindelijk ook zal doorwerken tot in de verste, diepste en donkerste uithoeken van Gods ganse schepping… om deze nieuw te maken. De liefde is niet te stoppen en zal op Gods tijd in alles haar weerklank vinden, omdat ze sterker is dan wat dan ook. Gods Vaderliefde sluit geen enkel schepsel uit en zal uiteindelijk ook geen enkel schepsel onbewogen laten! Wanneer God Zijn liefde aan ons hart onthult en wanneer we gaan beseffen wat God omwille van die liefde in Zijn ganse schepping zal gaan bewerken, dan kunnen we leren vanuit Zijn vermogen op een andere manier naar onze medeschepselen te gaan kijken. Hierdoor zal onze houding ten opzichte van al die – veelal andersdenkende – anderen uiteindelijk veranderen. WaaRDEOORDEEL Vanuit de mens gezien zullen we Gods handelen met Zijn schepping – en onze persoonlijke wereld als klein onderdeeltje daarvan – nooit kunnen doorgronden. Daarnaast kan er ook grote twijfel bestaan over Gods 64 | EÉN VOOR ALLEN

liefde voor Zijn schepping als we zo eens om ons heen kijken. We kunnen teleurgesteld worden in God, en verbittering kan de kop opsteken. ‘Waarom nou toch, als U dan toch liefde bent?!’ Wanneer je veel verlies of ander verdriet in je leven te verwerken hebt gekregen, dan kun je er mogelijk de rest van je leven over doen om daarvan psychisch te herstellen – en soms kan het leven zelfs te kort zijn voor herstel. Geestelijk herstel is echter iets heel anders dan psychisch herstel, dat van ‘menselijke vermogens tot verwerken’ uitgaat. Begrijp me goed: niets ten nadele van psychische begeleiding – dat kan goed en nodig zijn – maar in dit boek staat Gods vermogen centraal. Er wordt gedacht vanuit Zijn geestelijke begeleiding die het allemaal mogelijk maakt. Geestelijk herstel biedt, ook op psychisch gebied, nog uitkomst en perspectief waar we deze vanuit de mens helemaal niet meer kunnen bezitten. Het heeft met Gods vermogen tot herstel van ons innerlijk te maken. Ik wil de mogelijk zwakke lichamelijke conditie waarin we kunnen verkeren niet bagatelliseren, maar ik weet zeker dat deze geestelijke ondersteuning van God een effect zal hebben dat positief doorwerkt in ons algehele welzijn. Lichaam en psyche staan immers met elkaar in verbinding. Nu kunnen de omstandigheden waarin we ons bevinden door allerlei redenen belemmerend op ons werken. Onze hemelse Vader doorgrondt exact waarin dit alles zijn oorsprong heeft gevonden, weet precies wat er aan scheelt en kan ons dan ook uitermate efficiënt begeleiden. Zo kan er een diep innerlijk lijden, een groot verdriet en gemis in je leven zijn wanneer je in letterlijke of figuurlijke zin alleen door het leven gaat. Mogelijk omdat een dierbaar persoon je is ontvallen; om het even of je deze persoon aan de dood of aan het leven verloren bent. Misschien ben je niet zozeer alleen, maar wel eenzaam, mis je een waar samen-zijn in vreugde en verdriet met betrekking tot de grote en de kleine dingen van het leven. Mogelijk mis je een partner, iemand waarmee je van gedachten kunt wisselen op, bijvoorbeeld, geestelijk gebied, of zit je wat dat aangaat op een totaal andere golflengte dan degenen die je lief zijn. Wanneer we zo eens onze mijmeringen laten gaan over ‘wat mensen nodig hebben’, dan kunnen we een bepaald gedachtegoed destilleren vanuit de psychologische hoek: EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 65

‘Wat ieder mens nodig heeft is niet iemand die het met hem “eens” of “oneens” is, maar iemand die erkent wat hij ervaart.’1 ‘We zouden kunnen stellen dat het essentieel is dat ouders (of begeleiders) zichzelf kunnen verplaatsen in de gevoelens van (hun) kinderen. Gebleken is immers dat, wanneer we een bepaald gevoel bij een kind proberen weg te drukken, dit er alleen maar toe zal leiden dat het juist veel hardnekkiger vast gaat zitten. Hoe meer we de gevoelens van een kind echter accepteren, hoe gemakkelijker het voor kinderen wordt om deze los te leren laten.’2 ‘Kinderen hebben nodig dat diens ouders (of begeleiders) hun gevoelens serieus nemen. Niet dat ze het kind “altijd maar op diens wensen zouden moeten bedienen” en “overal maar toestemming voor zouden moeten geven” door het overal mee eens te zijn. Serieus nemen betekent: de gevoelens van het kind accepteren zonder er een waardeoordeel aan te hangen. Een kind gaat zich veel beter voelen wanneer iemand echt luistert, zijn gevoelens erkent en hem de kans geeft om te vertellen wat hem werkelijk dwarszit. We hoeven nog niet eens iets terug te zeggen, vaak is een meevoelend zwijgen het enige wat een kind nodig heeft.’3 Op eenzelfde wijze geeft God ons ook de ruimte om gevoelens te ervaren. Al kunnen we als mensen God niet begrijpen, Hij begrijpt onze belevingswereld – waarin allerlei emoties en gevoelens opspelen en om de voorrang strijden – door en door. Wanneer we dergelijke zaken leren uiten door ze in vrijmoedigheid voor God onder woorden te brengen, dan is dat het begin van onze innerlijke heling. Precies zoals ook kinderen zich getroost weten wanneer hun ouders of begeleiders echt luisteren en hen serieus nemen. God luistert… écht! Onze hemelse Vader neemt ons serieus. Dat betekent niet dat Hij ons altijd maar op onze wensen zou bedienen en het overal maar mee eens zou zijn. Serieus nemen betekent: emoties en gevoelens accepteren zonder er 66 | EÉN VOOR ALLEN

een waardeoordeel aan te hangen. We kunnen in God, onze hemelse Vader, Iemand ontmoeten Die erkent wat wij ervaren, zonder er een waardeoordeel aan te hangen. Hiervoor hoeft onze hemelse Vader nog niet eens iets terug te zeggen, want vaak is een meevoelend zwijgen het enige wat we nodig hebben. We mogen onszelf door God getroost weten vanuit de hartenkennis dat Hij onze diepste emoties en gevoelens een naam geeft en erkennen zal. Zijn Zoon is immers, mede om die reden, mens geworden. Hebreeën 4 vers 15 en 16 geeft ter lering aan: ‘Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medevoelen (letterlijk: sympathiseren, samen-emotiën) met onze zwakheden (ook wel: gebreken), maar een, die in alle dingen op gelijke wijze (NBG: als wij) is verzocht geweest (Een Die beproefd is in alles in gelijkheid), doch zonder te zondigen (los van zonde). Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan (dichterbij, naderbij komen) tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om (wenselijke) hulp te verkrijgen te gelegener tijd.’ (NBG-vertaling) De Zoon is op gelijke wijze – als wij – beproefd geweest in alle dingen; in alles in gelijkheid. Hij voelt met ons mee en sympathiseert met onze zwakheden. Deze hoeven dan ook totaal geen belemmering te vormen om God in vrijmoedigheid te kunnen naderen. Geestelijk herstel werkt vanuit een rust die alle denkzin te boven gaat en heeft daarom op een heel andere manier met ons innerlijk te maken dan we als mensen gewend zijn. Het heeft te maken met de genadegave die eerder al in Efeziërs 3 vers 16 ter sprake kwam: het ‘met kracht gesterkt te worden door Zijn geest in de inwendige mens’. Niet onze eigen kracht… maar Zijn kracht! ‘Hem nu, die blijkens de kracht, welke in ons werkt, bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij bidden of beseffen, Hem zij de heerlijkheid in de gemeente en in Christus Jezus tot in alle geslachten, van eeuwigheid tot eeuwigheid! Amen.’ (Efeziërs 3 vers 20 en 21, NBG-vertaling) ‘Hem nu Die oneindig veel meer kan doen boven alles wat wij verzoeken of bevatten in overeenstemming met de kracht die in ons werkzaam is, Hem EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 67

zij de heerlijkheid in de uitgeroepen gemeente en in Christus Jezus in alle generaties van de aion der aionen! Amen!’ (Concordante Vertaling) Wanneer we het over een ‘aion’ hebben, dan hebben we het over een tijdperk dat door God als zodanig is ingesteld. De volgende omschrijving geeft hierover een verhelderend beeld: ‘De oorspronkelijke Hebreeuwse en Griekse tekst van de Bijbel hebben een woord dat in veel Bijbelvertalingen met “eeuwig” of “eeuwigheid” vertaald is. Het Hebreeuwse woord is “oulm”. Dit komt van een woord, dat met “verbergen” te maken heeft. Het Griekse “aion” heeft dezelfde betekenis als het Hebreeuwse woord. Zoals een uur of een dag een bepaalde periode van tijd is, zo is in de Bijbel ook een “aion” een periode van tijd. Bij “aionen” gaat het om de langste periodes van tijd, die bekend zijn; niet om “de eeuwigheid”, zoals meestal gezegd wordt.’4 Het Griekse woord ‘aion’ wordt in onze vertalingen door van alles en nog wat vertaald, onder andere met de woorden ‘eeuwig’ en ‘eeuwigheid’. Alleen al aan Psalm 77 vers 8 kunnen we zien dat het bij het woord ‘eeuwigheid’ niet gaat om ‘voor altoos en immer’, maar om een tijdperk. Dit vanwege het simpele feit dat het er anders nooit in de meervoudsvorm zou kunnen staan: ‘in eeuwigheden verstoten’. ‘Zal dan de Heere (letterlijk: mijn Heer) in eeuwigheden (voor aionen) verstoten (ook wel: wegdoen, wegwerpen), en voortaan niet meer goedgunstig zijn (verder niet langer goedkeuren)? Houdt Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op (Is Zijn goedheid of vriendelijkheid blijvend begrensd of beperkt)? Heeft de toezegging een einde, van geslacht tot geslacht (Houdt Zijn spreken op van generatie tot generatie)? Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten (Vergat God genadevol te zijn of sloot Hij in verontwaardiging Zijn barmhartigheden af voor een bepaalde periode)?’ (Psalm 77 vers 8-10, Statenvertaling Jongbloed-editie) 68 | EÉN VOOR ALLEN

Een eeuwigheid kent wel degelijk een begin en een einde wanneer er meerdere eeuwigheden na elkaar kunnen bestaan. Het woord ‘aion’ betreft dan ook een tijdperk dat door God als zodanig is ingesteld, met een duidelijk afgebakend begin en – belangrijker nog – een duidelijk afgebakend einde. ‘Hem nu Die oneindig veel meer kan doen boven alles wat wij verzoeken of bevatten (…)’ lazen we in Efeziërs 3 vers 20 vanuit de Concordante Vertaling. Voor veel mensen is dit opnieuw zo’n onbegrijpelijke tekst, net zoals dat met Jeremia 32 vers 27 (NBG-vertaling) het geval was: ‘Zie, Ik, de HERE (Jahweh Elohim), ben de God van al wat leeft; zou voor Mij iets te wonderlijk zijn?’ Vanuit De Nieuwe Bijbelvertaling lazen we: ‘Ik ben de HEER, de God van al wat leeft. Is er ook maar iets dat voor Mij onmogelijk is?’ Men kan zich afvragen: ‘Als God nou inderdaad oneindig veel meer kan doen boven alles wat wij verzoeken of bevatten, waarom maakt Hij daar dan ogenschijnlijk praktisch geen gebruik van? Bovendien, hoe kan het dan zijn dat er nog mensen “voor eeuwig verloren gaan” als Hij zo veel van hen houdt?!’ ‘Weest in geen ding bezorgd, maar laten bij alles uw wensen door gebed en smeking met dankzegging bekend worden bij God.’ (Filippenzen 4 vers 6, NBG-vertaling) ‘Nou, fijn dat we dat nog even lezen, maar sorry hoor… Daar maak ik mij dan toch wel grote zorgen om; laat staan dat ik ook maar aan enige dankzegging daarvoor zou kunnen toekomen!’ Het voor eeuwig verwerpen van schepselen wekt nu eenmaal geen gerust gemoed bij mensen op en nodigt allerminst uit tot dankzegging. De vragen die in Psalm 77 vers 8 tot en met 10 worden gesteld gaan allereerst het volk Israël aan, maar zullen uiteindelijk ons allemaal aangaan: • Zal de Heer voor aionen verstoten of wegdoen, en verder niet langer goedkeuren? EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 69

• Is Zijn goedheid of vriendelijkheid blijvend begrensd of beperkt? • Vergeet God genadevol te zijn of is er mogelijk een pauze ingelast aangaande Zijn barmhartigheden? Nu kunnen we natuurlijk redeneren wat we willen, maar het staat als een paal boven water dat God kan, mag en uiteindelijk ook zál doen met Zijn schepselen wat Hij wil. Daarom is het van groot belang te achterhalen wat Zijn bedoeling dan is met de schepping, want dat is per slot van rekening het enige wat relevant is! Mensen die met angst behept zijn kunnen zichzelf na het lezen van Efeziers 3 vers 20 – ‘Hem nu Die oneindig veel meer kan doen boven alles wat wij verzoeken of bevatten’ – opnieuw gaan afvragen waarom God dan toestaat dat de tegenstander hen nog zo beproeven moet, ondanks hun herhaaldelijk smeken met dankzegging. Wanneer 1 Johannes 4 vers 18 – ‘De liefde laat geen ruimte voor angst; volmaakte liefde sluit angst uit (…)’ – genoemd is, speelt men nog een laatste troef uit in de vorm van 1 Korintiërs 10 vers 13: ‘U hebt geen beproevingen te doorstaan die niet voor mensen te dragen zijn. God is trouw en zal niet toestaan dat u boven uw krachten wordt beproefd: hij geeft u mét de beproeving ook de uitweg, zodat u haar kunt doorstaan.’ (De Nieuwe Bijbelvertaling) ‘Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking (letterlijk: aanvechting) te doorstaan. En God is getrouw (ook wel: trouw, betrouwbaar), die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt (Die je niet verlaten zal, om te worden aangevochten boven datgene waartoe je bekwaam bent), want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen (want Hij zal tezamen met de aanvechting ook voor de uitstijging, het uitstappen, zorgen), zodat gij ertegen bestand zijt (zodat je in staat bent het te ondergaan, doorstaan).’ (NBG-vertaling) Veel mensen beschouwen deze tekst op een menselijke manier en denken er vervolgens ‘het hunne’ van: ‘Hoe kan het nou dat God zegt dat we niet boven onze vermogens verzocht zullen worden als onze (hele) wereld in elkaar is gestort… met onszelf erbij?!’ 70 | EÉN VOOR ALLEN

De volgende conclusie kan dan soms al snel worden getrokken: ‘We worden toch wel degelijk boven menselijke vermogens verzocht en daarom blijkt God dus helemaal niet zo “trouw” of “betrouwbaar” te zijn als Hij Zelf aangeeft!’ Vervolgens weten we niet meer wat we met een tekst als deze aanmoeten want het lijkt gewoon niet te kloppen. Wil deze tekst ons er soms op attenderen dat we als mensen vanuit onze eigen vermogens in staat zouden moeten zijn om aanvechtingen op een God welgevallige wijze te doorstaan? Dat zouden we inderdaad kunnen denken wanneer we hem op een menselijke manier zouden beschouwen. Wanneer we deze tekst echter vanuit geestelijk oogpunt gaan bekijken, dan ontdekken we een heel ander principe. Laten we daarvoor beginnen te lezen bij het vers dat aan 1 Korintiërs 10 vers 13 voorafgaat: ‘Laat daarom iedereen die denkt dat hij stevig overeind staat oppassen dat hij niet valt.’ (1 Korintiërs 10 vers 12, De Nieuwe Bijbelvertaling) ‘Daarom, wie meent te staan, zie toe (letterlijk: kijk uit), dat hij niet valle.’ (NBG-vertaling) Waarom zou dat zo expliciet worden vermeld? Dat is niet voor niets! Dit vers wordt in de regel overgeslagen of eenvoudigweg vergeten, terwijl het nu juist zo’n cruciale bijdrage levert aan het geheel. ‘Daarom, wie meent te staan, zie toe (letterlijk: kijk uit), dat hij niet valle. Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking (aanvechting) te doorstaan. En God is getrouw (ook wel: trouw, betrouwbaar), die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt (Die je niet verlaten zal, om te worden aangevochten boven datgene waartoe je bekwaam bent…)’ (1 Korintiërs 10 vers 12 en 13, NBG-vertaling) Nu zijn er legio mensen die wel degelijk boven hun menselijke vermogens verzocht worden. Mankeert er dan iets aan hun geloof of is hier iets heel anders aan de hand? EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 71

Wanneer we naar de grondtekst kijken zien we dat hier in het geheel niet gesproken wordt over ‘Die niet zal gedogen, dat we boven vermogen verzocht worden’ of over ‘niet toestaan dat we boven onze krachten worden beproefd’. Er wordt gesproken over niet door God verlaten worden om te worden aangevochten boven datgene waartoe je bekwaam bent! Dit geeft temeer aan dat het hier juist niet over menselijke bekwaamheid gaat, zoals in 2 Korintiërs 3 vers 5 (NBG-vertaling) ook duidelijk naar voren komt: ‘Niet dat wij uit onszelf bekwaam zijn iets als óns werk in rekening te brengen, maar onze bekwaamheid is Gods werk (uit God…)’ Het kan dus niet anders dan dat het hier bekwaamheid betreft die God ons zal doen toekomen. Dat blijkt ook wel wanneer we het tweede gedeelte van 1 Korintiërs 10 vers 13 lezen: ‘(…) want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen (letterlijk: want Hij zal tezamen met de aanvechting ook voor de uitstijging, het uitstappen, zorgen), zodat gij ertegen bestand zijt (zodat je in staat bent het te ondergaan, doorstaan).’ (NBG-vertaling) En God is getrouw; God is trouw, betrouwbaar… want Hij zal tezamen met de aanvechting ook voor de uitstijging zorgen! Maar waar komt al deze verwarring dan vandaan? Ten eerste beschouwen wij een aanvechting meestal als iets wat gebeurt om ons menselijk geloof te beproeven, waaronder we, dientengevolge, zelf moeten proberen te blijven staan (zeker wanneer we er ook nog van uitgaan dat God ons hier belooft dat ons menselijk draagvermogen niet boven vermogen verzocht zal worden). Het gaat hier echter niet over menselijke bekwaamheid om overeind te blijven staan! Als mensen gaan we immers maar al te gemakkelijk onderuit… en dat is dan ook precies wat de tekst ons zeggen wil. Dit tekstgedeelte gaat over mensen die dénken in hun eigen kracht te kunnen staan. Deze mensen moeten oppassen, want zo stevig als ze denken te staan, zo wankel zijn ze in werkelijkheid vanuit geestelijk oogpunt. Op een God welgevallige wijze staande blijven hangt immers nauw samen met de aanwezigheid van God Die ons een 72 | EÉN VOOR ALLEN

innerlijke uitstijging verleent, dwars door alles heen. Als mensen zullen we juist vallen wanneer we denken in eigen kracht te kunnen staan. Maar wat gebeurt er nu wanneer we gaan inzien dat geloof een geestelijke hartenzaak is, die niet uit (enige keuze van) mensen voortkomt? Ik zal de teksten nogmaals aanhalen, omdat onze manier van denken zo doortrokken is van onze eigen vermogens om zelf voor het geloof te kiezen: ‘Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke (…)’ (Johannes 6 vers 44, NBG-vertaling) ‘Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; niet uit werken, opdat niemand roeme.’ (Efeziërs 2 vers 8 en 9, NBG-vertaling) ‘Want in genade zijn jullie geredden, door geloof, en dit niet uit jullie zelf; het is Gods naderingsgave, niet uit werken, opdat niemand zich beroemen zal.’ (Concordante Vertaling) Wat gebeurt er wanneer we gaan inzien dat, wanneer het geloof in ons aangevochten of beproefd wordt, er niets menselijks aangevochten of beproefd wordt, maar dat de tegenstander bezig is de Heer – Die bij Gods gratie in onze harten opstaat – te bevechten? Dat verandert de zaak immers volkomen. Onze bekwaamheid is Gods werk… onze bekwaamheid is uit God! Ten tweede gaan we meestal uit van datgene wat wij, mensen, onder ‘uitkomst’ of ‘uitredding’ verstaan. We betrekken deze uitstijging eveneens al snel op het menselijk vlak; het zou een menselijke uitredding betreffen die God geven zal. Met andere woorden: een wijziging van de soms penibele of pijnlijke omstandigheden waarin we kunnen verkeren. Daarom is de conclusie ‘dat God niet doet wat Hij belooft’ soms al snel gemaakt. Laten we, omwille van deze misvattingen, een gedeelte van de tekst nog eens onder de loep nemen: ‘(…) zodat gij ertegen bestand zijt (letterlijk: zodat je in staat bent het te ondergaan, doorstaan).’ EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 73

Zodat je ertegen bestand bent… Zodat je in staat bent het te ondergaan… Zodat je in staat bent het te doorstaan… Dit geeft aan dat God de aanvechting of verzoeking – die, al is deze niet bovenmenselijk, heel goed boven ons menselijke vermogen kan zijn – niet wegneemt, maar innerlijk draagvermogen schenkt waar ons menselijk draagvermogen juist zo overduidelijk tekortschiet. Willen wij op een geestelijke wijze sterk worden, dan zal ons hart geopend moeten worden voor het waarnemen van de liefde waarin we, ondanks ons persoonlijk onvermogen, geworteld en gefundeerd zijn. Vanuit de grondtekst kan bij ‘ondergaan’ of ‘doorstaan’ ook gesproken worden over ‘onder-dragen’. God stelt ons in staat tot ‘onder-dragen’ zodat we er op een geestelijke wijze onder kunnen blijven staan waar we als mens nergens blijven zouden. Hij zal tezamen met de aanvechting ook voor de uitstijging – het uitstappen – zorgen; dat is niet iets wat wij zouden moeten doen, maar iets wat Hij doet! Deze tekst maakt duidelijk dat het vanuit onze eigen vermogens niet zal werken op een God welgevallige wijze… maar alleen vanuit Zijn vermogen. En God is trouw, betrouwbaar, Die je niet verlaten zal om te worden aangevochten boven datgene waartoe je bekwaam bent. Hij zal voor de uitstijging zorgen; zodat je in staat bent het te ondergaan, zodat je het kunt doorstaan. God wil dat we er samen met Hem doorheen gaan. Niet om ‘ons geloof’ te beproeven, maar om het geloof dat Hij in onze harten legt te beproeven. Het dient tot beproeving van hetgeen Hij aan ons bewerkt heeft! Niet omdat hetgeen God bewerkt heeft nog discutabel zou zijn – alsof Hij dit Zelf nog zou moeten bezien of ontdekken – maar om te tonen hoe datgene wat Hij in ons tot stand heeft gebracht Zijn uitwerking vindt in de praktijk! Zodat zal blijken dat niet ‘wij’ eronder blijven staan, maar zodat Zijn kracht zal blijken in onze innerlijke mens. Opnieuw: ‘En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg, want de kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid (letterlijk: want Mijn kracht wordt in zwakheid voltooid, geperfectioneerd).’ (2 Korintiërs 12 vers 9, NBG-vertaling) 74 | EÉN VOOR ALLEN

‘Maar wij hebben deze schat in aarden vaten (letterlijk: aardenwerken instrumenten), zodat (opdat) de (bovenmate van de) kracht, die alles te boven gaat, van God is en niet van (uit) ons (…)’ (2 Korintiërs 4 vers 7, NBG-vertaling) Tot slot komen we nog even terug bij datgene waar we mee begonnen: Waar wij dus nog wel degelijk bang kunnen zijn wanneer we op de situatie (onze innerlijke of uiterlijke omstandigheid) kijken – en, laten we wel wezen: wie doet dat niet op zijn tijd? – daar neemt Gods liefde alle vrees of welke andersoortige belemmering ook, die vanuit de mens gezien nog ‘tussen Hem en ons’ in zou kunnen staan, weg! Het mooie daarvan is dat emoties zoals angst automatisch aan kracht zullen moeten inboeten wanneer God een groeiende bewustwording van de geestelijke veiligheid, die we – ondanks deze belemmerende gedachtegangen – in Zijn Zoon mogen bezitten, schenkt. Anders gezegd: hoe wezenlijker het verticale vlak – de geestelijke veiligheid en geborgenheid in Gods Zoon – voor ons wordt, hoe minder belang onze psyche zal kunnen blijven hechten aan belemmeringen op het horizontale vlak, die ons nog parten spelen. Angst brengt je niet in evenwicht; alleen Gods onvoorwaardelijke liefde brengt je in geestelijke stabiliteit! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 75

76 | EÉN VOOR ALLEN

HOOFDSTUK 4 NIET DaT WIj GOD LIEFHEBBEN ‘Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben (letterlijk: liefhebben), maar dat Hij ons heeft liefgehad (liefheeft) en zijn Zoon gezonden heeft als een verzoening voor onze zonden (ook wel: missers).’ – 1 JOHANNES 4 vers 10, NBG-vertaling aFHaNkELIjk Dat niemand van zichzelf in staat is zich aan Gods wet te houden is mensen soms wel duidelijk. Dat God geen onderscheid maakt tussen grote of kleine zonden kan al moeilijker worden. Maar dat mensen afhankelijk zouden zijn van innerlijke wijsheid en waarheid die ze van God Zelf toebedeeld krijgen? Tja, daar zeg je zo wat… Dat kan toch eigenlijk niet meer in onze hedendaagse maatschappij?! ‘Je reinste kolder!’ volgens velen. Afhankelijkheid is een van de grootste taboes van deze tijd geworden. In onze ‘self-made’ maatschappij staat afhankelijkheid vaak ten onrechte voor: dom, zielig, onontwikkeld, naïef en zo meer. Dat mensen afhankelijk zouden zijn van datgene wat ze van God toebedeeld krijgen, roept veel vragen op. Want zeg je daarmee dan eigenlijk niet meteen dat mensen er zelf niets aan kunnen doen dat ze zo zijn? En zeg je dan tegelijkertijd ook niet dat er geen verandering vanuit de mens mogelijk zou kunnen zijn? ‘Nou… ik weet het niet, hoor! Iedereen mag er natuurlijk het zijne van denken, maar dat klinkt mij toch allemaal niet zo “gelovig” in de oren.’ Of dat je nou ‘gelovig’ in de oren klinkt of niet… Gods Woord spreekt er wel degelijk over. Neem bijvoorbeeld Psalm 51 vers 12 tot en met 14: EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 77

Schep mij een rein hart. Vernieuw in mijn binnenste een opgerichte, gevestigde geest. Hergeef mij de vreugde van Uw redding. Steun, stut mij door een bereidwillige, inschikkelijke geest. Het zou te eenvoudig gesteld zijn om dit af te doen met de woorden dat ‘het alleen voor de persoon David zou gelden’, omwille van het simpele feit dat we er het Zijne niet van zouden willen denken. De woorden die David schreef getuigen er van dat een levenswandel die God welgevallig is alles van doen heeft met Gods scheppingskracht in het innerlijk van een mens. Het komt aan op verleende geestelijke wijsheid en waarheid in de harten van mensen, op wijsheid en waarheid die niets met menselijke wijsheid en waarheid van doen hebben. De innerlijke verandering die God voor ogen staat heeft niets te maken met menselijke vermogens tot veranderen, maar met de grootste kracht tot innerlijke verandering die er maar bestaat: innerlijke verandering door de alles overwinnende kracht van Zijn liefde. Aardse zegeningen konden niet voorkomen dat David zonde op zonde stapelde; je zou eerder het tegenovergestelde zeggen: ‘Als schaapherder deed hij het beter!’ naar de mens gesproken. Wanneer je echter hebt ontvangen vanuit Gods waarheid naar jezelf te kijken, dan kun je tot de conclusie komen dat je zelf helemaal niet anders bent dan David was. Misschien ontvang jij ook wel een grote schat aan aardse zegeningen, maar toch stapel je net zo goed zonde op zonde. Zo had een spreker het in zijn preek eens over het gedeelte uit de Bijbel dat ging over ‘de verloren zoon’ uit Lucas 15, waar Jezus zei: ‘Iemand had twee zonen. De jongste van hen zei tegen zijn vader: “Vader, geef mij het deel van uw bezit (letterlijk: landgoed) waarop ik recht heb.” De vader verdeelde zijn vermogen (levensonderhoud) onder hen. Na enkele dagen verzilverde de jongste zoon zijn bezit en reisde af naar een ver land, waar hij een losbandig leven leidde en zijn vermogen verkwistte.’ (Lucas 15 vers 11-13, De Nieuwe Bijbelvertaling) 78 | EÉN VOOR ALLEN

Toen ‘de verloren zoon’ uiteindelijk huiswaarts keerde, was zijn broer verbolgen over het feit dat hem een warm onthaal werd toebereid en reageerde: ‘Zie, zovele jaren ben ik al in uw dienst en nooit heb ik uw gebod overtreden, maar mij hebt gij nooit een geitebokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. Doch nu die zoon van u gekomen is, die uw bezit (letterlijk: levensonderhoud) heeft opgemaakt met slechte vrouwen (prostituees), hebt gij voor hem het gemeste kalf (vee) laten slachten (opofferen).’ (Lucas 15 vers 29 en 30, NBG-vertaling) ‘Eigenlijk,’ vertelde de spreker over deze gelijkenis, ‘zou je kunnen zeggen dat er twee “verloren zonen” waren.’ De ene zoon verspilde zijn vaders materiële bezit, ofwel gemeengoed, aan zaken die het daglicht niet konden verdragen… en de andere zoon verspilde zijn vaders geestelijke bezit, ofwel gedachtegoed, aan minachting, haat en afgunst. Beide zonen waren tijdelijk buitengesloten en moesten gevonden worden door de liefde van hun vader. Degene die veel meer verkeerd had gedaan naar menselijke maatstaven werd eerder door deze vaderliefde gevonden dan degene die zo overtuigd was van zijn vermeende eigen goede prestaties die het ogenschijnlijk zo goed deden. En zo kunnen we soms opkijken tegen mensen die het – op welk vlak dan ook – gemaakt hebben in het leven, maar wanneer we het geestelijk gaan bekijken ontdekken we dat een mens helemaal niets is van zichzelf. Een jonge evangelist drukte het eens zo mooi uit: ‘Ik ben er allang achter dat God geen dingen doet vanwege mij, maar ondanks mij. Hij heeft er een handje van om mensen te gebruiken die snappen dat ze het zelf niet kunnen… want dan kan Hij aan de slag!’ Nu kan God natuurlijk te allen tijde aan de slag, omdat Hij daarvoor niet afhankelijk is van de innerlijke gesteldheid van Zijn Eigen schepselen, maar wanneer is gebleken dat wij het zelf niet kunnen, dan kan Zijn kracht blijken in onze innerlijke mens! Al die aardse zaken doen er geestelijk gezien helemaal niet toe. Wat telt is of we al gevonden zijn door de liefde van onze hemelse Vader en of deze liefde ook de dragende kracht is geworden in ons leven. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 79

Weet jij jezelf al gevonden door de liefde van je hemelse Vader en is deze liefde de dragende kracht geworden in je leven? Als we het leven van David in ogenschouw nemen zouden we kunnen constateren dat hij, ondanks alles wat hij had gedaan, rijk werd gezegend. ‘Ja, hij was koning.’ zou je kunnen denken… maar deze zegening ging veel verder. David ontving in zijn leven de genade zichzelf geheel afhankelijk te gaan weten van God voor zowel wijsheid als waarheid in zijn innerlijk… En dat is iets wat wij, moderne mensen, toch veelal liever niet meer willen horen. ‘Jezelf geheel afhankelijk weten van God… een zegening?!’ Het klinkt ons eerder als een vloek in de oren! David ging zich geheel afhankelijk weten van Gods scheppingskracht juist met betrekking tot zijn innerlijk, juist met betrekking tot zijn hart. Dat was David natuurlijk altijd al, maar nu wíst hij het ook! De woorden die hij als herder had gezongen werden aan hem waargemaakt: Jahweh is mijn Herder. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden. Hij voert mij aan rustige wateren. Hij herstelt, vernieuwt mijn ziel. Hij leidt mij in rechtvaardige, deugdzame paden, om Zijns Naams wil. Zelfs al ga ik door de vallei van de schaduw des doods, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij; Uw stok (heerschappij) en Uw staf (steun) die vertroosten mij. Hoe hoog zijn aardse status als koning ook geworden was, David moest zijn persoonlijke afhankelijkheid van Jahweh gaan onderkennen. David wist zich uiteindelijk afhankelijk van God voor herstel, vernieuwing, rechtvaardiging, steun, bemoediging en redding. Hij wist zich gevonden door de liefde van Gods trouwe Vaderhart en leerde erkennen dat het allemaal was om Zijns Naams wil. David leerde niet langer op zichzelf en zijn eigen vermogens te vertrouwen, maar op God en Zijn vermogen. Vertrouwen op Gods vermogen kan ons door onze aardse maatstaven en alles wat we in dit leven hebben meegemaakt echter zo verschrikkelijk tegenstaan. Wij hebben van 80 | EÉN VOOR ALLEN

nature de menselijke vermogens liever hoog in het vaandel staan, want: waar blijven we als mens wanneer we in alles afhankelijk van God zouden zijn…?! En zo proberen we geestelijke zaken vaak op een menselijk logische manier te plaatsen en denken we er vervolgens het onze van: ‘Nou, dat is lekker! Had God al deze zaken niet even wat eerder bekend kunnen maken aan het hart van David…?! Dan had er immers ook geen man onnodig hoeven te sterven, om bijvoorbeeld maar even op die Uria terug te komen!’ (2 Samuël 11 vers 1 tot en met 27) Het bijzondere was dat het de wil van God, de Vader, was dat Uria (betekenis: mijn licht is Jahweh) – geheel tegen het bevel van koning David in – door zijn gezagvoerder Joab (wiens naam ‘Jahweh is vader’ betekent) tussen de dapperste strijders van het veld werd opgesteld. Van Uria heeft niemand zich hoeven afwenden in de strijd; tussen die strijders was Uria precies op zijn plaats en heeft hij ook het leven gelaten. David, die van dit alles geen weet had, moest daarentegen verder leven in het volle bewustzijn van hetgeen hij dacht dat hij Uria aangedaan had. ‘Jezelf geheel afhankelijk weten van God’ is veelal niet de genadegave waar wij als mensen op uit zijn bij onszelf of bij elkaar. Wij zien dit niet als een zegen, het stuit ons juist tegen de borst. Het klinkt ons zo slap in de oren. Bovendien moet het in ons leven liefst allemaal gaan op een manier die wij zelf ook begríjpen kunnen, anders zijn we er al gauw klaar mee. We willen graag dat alles volgens ons persoonlijke idee van wijsheid naar menselijke maatstaven verloopt. Wat nu als al deze vermeende menselijke wijsheid in het geheel niet strookt met datgene wat God met ons innerlijk en het innerlijk van onze naaste voor ogen staat? Dit kan een enorme belemmering in ons innerlijk vormen, die enkel door de onthulling van Gods liefde aan ons hart weggenomen kan worden. Want inderdaad… waar blijven we als mens wanneer we in alles afhankelijk van God zouden zijn? Dat is de vraag. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 81

De geschiedenis met David was een vooruitblik. Een vooruitblik naar de weg die God met Zijn Zoon, dé Uria – als hét Licht van de wereld – wilde gaan. Door de trouw van Gods Zoon zal de waarheid op zodanige wijze ‘aan het Licht worden gebracht’ dat uiteindelijk alle leugen ontmaskerd zal worden en zelfs de dood geen schijn van kans meer zal hebben. Gods Zoon werd daartoe in de frontlinie geplaatst en van Hem moest het volk zich daadwerkelijk afwenden in het heetst van de strijd. Hij moest getroffen worden en sneuvelen… en ging deze weg voor iedereen! pIEkEREN Misschien word je aangesproken door de levensgeschiedenis van David. Geeft God het je in je hart dat je Hem ook wilt gaan erkennen als je Schepper in de breedste zin des Woords? Of mogelijk botst dit nog te veel met de ideeën die je jezelf in de loop van je leven hebt eigen gemaakt. Het kan ook zijn dat je, figuurlijk gesproken, nog ergens in een donkere hoek verscholen zit. Misschien heb je de gedachte dat God geen deel meer kan uitmaken van jouw leven, zo denken immers veel mensen die zich diep van hun zonden bewust zijn. Is de redding die God je heeft geschonken je veel te hoog gegrepen? Heb je te veel verkeerd gedaan en ben je Zijn redding niet meer waard? Dan is er nieuws voor jou, een geestelijke verademing: Gods liefde geeft lucht om vrij te ademen: adem in, adem uit. De liefde ligt niet in het feit dat wij God liefhebben, maar in het feit dat Hij ons liefheeft! ‘Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben (letterlijk: liefhebben), maar dat Hij ons heeft liefgehad (liefheeft) en zijn Zoon gezonden heeft als een verzoening voor onze zonden (ook wel: missers).’ (1 Johannes 4 vers 10, NBG-vertaling) Hierin is de liefde: niet dat wij God liefhebben, maar dat Hij ons liefheeft, en zijn Zoon gezonden heeft, als een verzoening voor al onze missers. 82 | EÉN VOOR ALLEN

Geestelijk denken zet God, Die liefde is en liefde doet, in het middelpunt. Door Eén voor allen te geven heeft God Zelf ‘dé Daad bij Zijn Woord’ gevoegd! Geloven heeft te maken met de erkenning van Gods vermogen; het goede werk dat Hij begonnen is en ook voleindigen zal. Het is nodig dat je Gods liefde en genade, voor jou persoonlijk en daarnaast ook voor Zijn ganse schepping, gaat waarnemen met je hart. Wanneer je piekert over je eigen zonden of de zonden van anderen, komen dan de volgende genadegaven weleens in je gedachten op? Heb je het besef ontvangen dat ieder creatuur in de ganse schepping van Gods belofte van redding afhankelijk is? Is er ruimte gekomen in je hart voor de erkenning van het feit dat het God Zelf is Die mensen in rechtvaardige en deugdzame paden leiden zal, om Zijns Naams wil? David kwam daar pas achter nadat hij zonde op zonde had gestapeld… Hoe zit dat met jou? Denk jij dat je beter, of misschien wel slechter bent dan David? Je bent – zonder enige eigen verdienste – van Godswege voorbestemd tot de genade om voortaan vanuit de vreugde van Zijn redding te leven! ‘Oké,’ denk je mogelijk, ‘mooi gesproken… maar hoe komt deze zekerheid of verwachting dan tot stand in mijn leven?’ Hoe het ‘leven vanuit de vreugde van Zijn redding’ tot stand komt heeft ten dele te maken met het ontvangen geestelijke vermogen zonden de rug toe te keren. De tegenstander voert namelijk van alles en nog wat aan waarom we juist niet tot de genade van God zouden mogen ingaan. Hij is erop uit om mensen van de waarheid – de waarheid dat ze vanuit de vreugde van Zijn redding mogen leven omdat de Zoon van God hun Redder en Heer is – af te houden met allerlei drogredenen. Hij brengt ons van de wijs door ons onzeker te maken over onze van God gegeven bestemming en daartoe wijst hij ons, het liefst voortdurend, op alle missers die we ooit begaan hebben. ‘Zie je nou wel…?’ ‘Jij deugt toch nergens voor…?!’ Daarnaast gaat het niet alleen om onze eigen zonden, maar evenzogoed om al die missers van al die anderen waarop de tegenstander onze aandacht graag gevestigd wil houden. Hij weet immers maar al te goed dat al deze missers de rug toekeren overduidelijk iets is waar we vanuit onze EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 83

menselijke vermogens al helemaal niet aan hoeven te beginnen… nietwaar?! Daartoe zijn we van onszelf niet op een God welgevallige wijze in staat, laat staan dat het ‘gezond’ zou zijn als we dit vanuit onze persoonlijke vermogens zouden proberen. Wanneer we bovendien al onzeker zijn over onze eigen positie bij God, hoe zouden we dan ooit het geestelijke draagvermogen kunnen hebben om al die andere zondaren niet langer als zodanig aan te (willen) blijven zien? Waar het, naar Gods waarheid, op neerkomt is dat niemand van zichzelf voldoet. De een doet alleen meer in het oog springende zonden dan de ander. Niemand kan aan de maatstaf van Gods liefde voldoen; iedereen is afhankelijk van Zijn genade, goedheid en vergevingsgezindheid. God vraagt daarom ook niet het menselijk onmogelijke van ons innerlijk. Het is enkel Zijn liefde die ons ertoe kan bewegen om alle missers – zowel die van onszelf als die van een ander – op een geestelijke wijze de rug toe te keren. ‘Maar is het dan zo dat we alle misstanden hier op aarde zomaar van tafel moeten vegen?’ vraag je jezelf nu mogelijk af. Nee, in geen geval. Laten we deze misstanden niet door nieuwe misstanden gaan bedekken! Leven vanuit de vreugde van Zijn redding houdt in dat we leven vanuit de erkenning van de waarheid dat God Zijn ganse schepping vrijpleit. Dit houdt echter niet in dat we alles maar met ‘de mantel der liefde’ moeten bedekken. Sommige zaken zullen nu eenmaal aangepakt moeten worden, berecht en bestraft – mogelijk met terbeschikkingstelling met dwangverpleging. We hoeven daarom in het geheel onze ogen niet te sluiten voor goddeloze zaken, misstanden en wanpraktijken omwille van het gegeven dat we op een geestelijke wijze klaar zijn met de zonden en – zo God dat gegeven heeft – de zondaar in Gods genade hebben leren aanzien. Toen Jezus hier op aarde was en Zich als mens onder de mensen begaf, wist Hij precies wat er in ieders leven speelde en gespeeld had. Hij ontwaarde haarscherp wat de ontbering van de uiterlijke en, niet in de laatste plaats, innerlijke verwijdering van Gods heerlijkheid in ieder mens had teweeggebracht. Door het bloed van de Zoon zijn we echter voorbestemd tot de genade om voortaan vanuit de vreugde van Zijn redding te leven. Door het offer van de Zoon is Gods heerlijkheid nu dichterbij gekomen, 84 | EÉN VOOR ALLEN

en wel zo dichtbij dat deze door middel van Zijn Geest zelfs woning kan maken in ons hart. Ons uiterlijke bestaan is dan nog wel verstoken van Zijn heerlijkheid, maar ons innerlijke bestaan wordt erdoor gedragen. We mogen onze hemelse Vader de gepaste eer en de dank gaan geven voor Zijn vermogen dat ons leven waarlijk levend maakt! Door de onthulling van de waarheid aan ons hart worden we onszelf echter wel steeds dieper bewust van het feit dat we geestelijk, vanuit Degene Die volkomen liefde is gezien, niet voldoen en daar zouden we op vast kunnen lopen. Bovendien is een dergelijke liefde – die het al aanziet door het offer van de Zoon – voor ons, mensen, helemaal niet weggelegd. Wij kunnen er juist ontzettend veel moeite mee hebben dat God Zijn ganse schepping vrijpleit… Dat klinkt ons allerminst rechtvaardig in de oren! Wij kijken, in tegenstelling tot God, wel degelijk naar grote zonden en grote zondaren. ‘Het kan toch niet zo zijn dat God alles maar eenvoudigweg “vergeven en vergeten” zou…?’ Een gedachtegang die vanuit de mens gezien niet meer dan logisch te noemen valt en daarom zal dit gezichtspunt in een later hoofdstuk nog uitgebreid aan de orde komen. ELLENDIG mENS De tegenstander voert van alles en nog wat aan waarom wij juist niet tot de genade van God zouden mogen ingaan. Hij brengt ons van de wijs door ons onzeker te maken over onze van God gegeven bestemming en daartoe wijst hij ons, het liefst voortdurend, op alle missers die we ooit begaan hebben. Voordat je kunt gaan ervaren dat je vrij bent, zul je eerst bevrijd moeten worden van datgene wat je neer wil houden. Het is nodig dat je Gods liefde en genade, voor jou persoonlijk en daarnaast ook voor Zijn ganse schepping, gaat waarnemen met je hart. Een geestelijke oprichting waarvoor, zoals eerder opgemerkt, de taaie vereelting laag voor laag van je hart gestroopt zal moeten worden. Bovendien is Gods liefde als de draagkracht in je leven gaan erkennen één ding, maar daadwerkelijk gaan ervaren dat het zo is, daar kan met gemak een heel mensenleven overheen EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 85

gaan! Wanneer je gaat erkennen dat Zijn liefde de draagkracht in je leven is, zul je overigens niet ‘achterover kunnen leunen in je luie stoel’, want dan begint het eigenlijk pas. ‘Liefhebben is een werkwoord en dat kan van luieren niet gezegd worden!’ wordt er wel gezegd. Geloof wordt immers werkzaam door liefde! ‘Want in Christus Jezus vermag noch besnijdenis iets, noch onbesneden zijn, maar geloof, door liefde werkende.’ (Galaten 5 vers 6, NBG-vertaling) ‘Want in Christus Jezus is noch besnijdenis tot iets in staat, noch voorhuid, maar geloof, dat door liefde werkzaam is.’ (Concordante Vertaling) Daarom komt het neer op een erkennen, waarnemen, ervaren en uitleven van agapè; doordat God de waarheid aan ons hart brengt. Dus let op: opnieuw geen enkele menselijke verdienste. Het gaat om het uitleven van Goddelijke liefde die onze menselijke vermogens ver te boven gaat en ons enkel geschonken kan worden. ‘Al ware het, dat ik profetische gaven had, en alle geheimenissen en alles, wat te weten is, wist, en al het geloof had, zodat ik bergen verzette, maar ik had de liefde niet, ik ware niets.’ (1 Korintiërs 13 vers 2, NBG-vertaling) Concordante Vertaling: ‘En al zou ik een profetie hebben en alle geheimenissen weten en alle kennis hebben en al zou ik al het geloof hebben zó dat ik bergen kon verzetten maar ik zou geen liefde (Goddelijke liefde) hebben, niets ben ik.’ (Concordante Vertaling) De liefde uitleven is een gevolg van de onthulling van Gods liefde aan ons hart en in 1 Johannes 4 vers 19 lazen we dan ook (De Nieuwe Bijbelvertaling): ‘Wij hebben lief (Grieks: agapomen > liefhebben met Goddelijke liefde) omdat God ons het eerst heeft liefgehad.’ Wanneer je gaat ervaren dat agapè de dragende kracht in je leven is, dan begint het eigenlijk pas. Je gaat jezelf in de ring begeven, waar een totaal andere strijd gevoerd wordt dan je voorheen ooit gekend hebt. Als je ook maar iets van de waarheid van Gods liefde gaat beamen en daarvan gaat getuigen in woord en daad, dan zal de tegenstander proberen deze 86 | EÉN VOOR ALLEN

van God ontvangen zekerheid onderuit te halen… en dat is helemaal niet moeilijk voor hem. Hij hoeft je alleen maar te herinneren aan ‘je eigen falen’ door je met je neus boven op ‘je eigen hopeloosheid’ te drukken. Het komt hem veel beter uit als jij neergedrukt blijft in het stof waar je uit ontstaan bent! Ook Paulus werd aangevochten door de tegenstander en hij voelde er zich een ellendig mens door. In de dagelijkse gang van zaken kan een beetje kritisch tegengas heel gezond zijn, maar dit handelde over een zware geestelijke strijd waarin Paulus verzeild raakte. ‘Ik, ellendig mens! Wie (letterlijk: Wat) zal mij verlossen (bergen) uit het lichaam dezes doods? (Genade echter!) Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here (Heer)!’ (Romeinen 7 vers 24 en 25, NBG-vertaling) Zoals de tegenstander Paulus aanklaagde, klaagt hij ons vandaag de dag nog steeds aan. Dit is een vorm van lijden op een heel ander niveau dan je eerder ooit gekend hebt en het zal je daarom misschien bevreemden. Het is daarbij niet zo dat de tegenstander de Zoon van God overwinnen kan of zelfs ook maar iets kan uitrichten zonder Gods medeweten, maar hij kan je het vuur wel degelijk na aan de schenen leggen. In Openbaring 20 vers 1 tot en met 3 (NBG-vertaling) kunnen we overigens lezen dat de tegenstander helemaal niet zo veel te vertellen heeft als wij vaak denken. Hier wordt hij duizend jaar gebonden; alsof het niets is! ‘En ik zag een engel (letterlijk: boodschapper) nederdalen uit de hemel met de sleutel des afgronds en een grote keten in zijn hand; en hij greep de draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan (de dooreenwerper of tegenstander), en hij bond hem duizend jaren, en hij wierp hem in de afgrond en sloot en verzegelde die boven hem, opdat hij de volkeren (natiën) niet meer zou verleiden (misleiden), voordat de duizend jaren voleindigd waren; daarna moest hij voor een korte tijd worden losgelaten.’ De tegenstander heeft ten opzichte van mensen heel veel macht, maar ten opzichte van God heeft hij slechts de macht die God hem toekent en meer ook niet. Bovendien zegt de genade dat de grond waarop hij denkt te staan al onder zijn voeten is weggeslagen door het offer van de Zoon. GeEEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 87

nade is daarom hét antwoord op alle aanvechtingen van de tegenstander. Genade… om niet! Door Jezus Christus, onze Heer! Mensen kunnen je dan nog wel belagen met uitspraken als: ‘Ben jij nou die goede gelovige…?!’ Let wel: we hoeven niets te vergoelijken en zulke uitspraken kunnen vanuit de mens gezien dan ook meer dan terecht zijn – maar heb je in een dergelijke situatie al ontvangen te gaan zien wat hier achter steekt? Wie er dan feitelijk tegen je praat…?! Of wentelt je hart zich misschien om in gal en bitterheid? Heb je ontvangen te leven vanuit het besef dat de werkelijke strijd al gestreden is… tweeduizend jaar geleden, aan het vloekhout? Heb je ontvangen te leven vanuit het besef dat bittere of cynische uitspraken vanuit geestelijk oogpunt niet langer beantwoord hoeven te worden met nog meer bitterheid of cynisme, omdat ieder creatuur in Gods schepping afhankelijk is van Zijn genadegaven? Paulus – die overigens heel wat op zijn kerfstok had – ontving aanvechtingen als deze door genade de rug toe te keren. ‘Want gij hebt gehoord van mijn vroegere wandel in het Jodendom: ik heb de gemeente Gods bovenmate vervolgd en getracht haar uit te roeien (…)’ (Galaten 1 vers 13, NBG-vertaling) ‘Want jullie hoorden van mijn gedrag, ooit, in het judaïsme, dat ik de uitgeroepen gemeente van God bovenmatig vervolgde en haar verwoestte.’ (Concordante Vertaling) Paulus leefde vanuit een ontvangen geestelijk inzicht dat genade hem bergen zou; hij leerde danken voor het feit dat God deze genade tot stand had gebracht door Jezus Christus. Door de innerlijke verzekering dat Gods genade hem bergen zou, kreeg Paulus de kracht zich niet langer te richten op zijn persoonlijke missers, maar op Gods levendmakende Woord. Zodoende kon Paulus leren de tegenstander te weerstaan met Gods waarheid. Hij ontving in principe precies hetzelfde te doen als wat Jezus deed toen Hij geconfronteerd werd met verzoekingen, zogeheten ‘aanvechtingen’. 88 | EÉN VOOR ALLEN

Jezus weerstond de verleiding tot het kwaad met de hartenkennis van wat Zijn Vader gesproken had en gaf dat te kennen aan de tegenstander. Deze geestelijke wijsheid had Paulus niet van zichzelf, al had hij het naar de mens gesproken ‘best ver geschopt’ binnen Joodse kringen, maar deze was hem door Gods liefde aan het hart gebracht. ‘Genade bergt mij, tegenstander… wat je er ook van maakt! Dit zijn namelijk niet mijn woorden, maar de woorden van mijn hemelse Vader – je weet wel: de almachtige God. En wat wilde je ook alweer tegen Hem beginnen…?!’ Misschien worstel je er ook wel mee, net zoals Paulus toen hij aangevochten werd. Bedenk dan nog eens wat een zegen het is te mogen weten gered te zijn en niet langer te hoeven denken dat de tegenstander misschien toch nog aanspraak op je zou kunnen maken! Wat een zegen is het te mogen weten dat genade je bergen zal! De geestelijke strijd legde Paulus geen windeieren. Paulus mocht zich uiteindelijk geheel afhankelijk weten van Gods genadevolle redding. Een beter uitgangspunt kan iemand niet hebben in zijn leven! Ook wij kunnen leren alle aanvechtingen die wij vandaag de dag nog te verduren krijgen door genade de rug toe te keren. Wanneer we gaan ontdekken dat Gods genade genoeg is dan zal de valstrik van de dooreenwerper aan kracht moeten inboeten. Echter, dit is een proces in iemands innerlijk; er kan een heel leven aan voorafgaan voordat iemand dit kan uitleven, áls je in dit leven al ontvangt het uit te leven. Wij zijn absoluut niet volmaakt en zo heeft iedereen dan ook wel iemand die – vanuit de mens gezien terecht – met een vinger naar hem zou kunnen wijzen. Er zal altijd nog wel iets op iemand aan te merken blijven, want mensen zullen nooit kunnen voldoen zoals de Zoon Zelf voldeed aan wat God welgevallig is. We hoeven ons de tekst van Romeinen 3 vers 10 tot en met 12 nog maar even in herinnering te brengen en we weten het weer. Hebben we ontvangen te bedenken dat: • er bij God geen onderscheid in ‘grote’ en ‘kleine’ zonden is? EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 89

• niemand van zichzelf in staat is God welgevallig te wandelen? • mensen afhankelijk zijn van God voor wijsheid en waarheid in hun innerlijk? Dat we deze wijsheid en waarheid niet van onszelf hebben blijkt wel uit de veelvuldige onderlinge akkefietjes die we als mensen zo snel met elkaar kunnen hebben. Een opmerking of een bepaalde mening kan zo gemakkelijk worden opgevat als een aanval of beschuldiging, terwijl dit absoluut het geval niet hoeft te zijn. Ook vatten we een uitspraak soms op als een veroordeling en veroordelen dan op onze beurt diegene waarvan we denken dat die ons veroordeelt. Zelfs wanneer je er uiterst alert op bent kunnen dergelijke zaken ongemerkt je leven binnensluipen. In het belemmerde, in het toegeslotene, maakt God ons Zijn wijsheid bekend… Op het moment dat God met een ieder van ons afzonderlijk voorheeft, zullen we gaan onderkennen dat we vanuit onszelf de wijsheid waar Gods Woord over spreekt niet hebben en we, als gevolg daarvan, ook niet in de waarheid staan. We hoeven ons hier echter geen ellendig mens meer om te voelen… want Gods genade is genoeg. Meer dan genoeg! 90 | EÉN VOOR ALLEN

HOOFDSTUK 5 kOm VaN DaT kRUIS aF! ‘De voorbijgangers keken hoofdschuddend toe en dreven de spot met hem: ‘Jij was toch de man die de tempel kon afbreken en in drie dagen weer opbouwen? Als je de Zoon van God bent, red jezelf dan maar en kom van dat kruis (Grieks: staurou > paal of staander) af !’ Ook de hogepriesters, de schriftgeleerden en de oudsten maakten zulke spottende opmerkingen: ‘Anderen heeft hij gered, maar zichzelf redden kan hij niet. Hij is toch koning van Israël (letterlijk: Als Hij Israëls Koning is), laat hij dan nu van het kruis afkomen, dan zullen we in hem geloven. Hij heeft zijn vertrouwen in God gesteld, laat die hem nu dan redden, als hij hem tenminste goedgezind is. Hij heeft immers gezegd: “Ik ben de Zoon van God.”’ Precies zo beschimpten (ook wel: smaadden) hem de misdadigers (rovers) die samen met hem gekruisigd waren.’ – MATTEÜS 27 vers 39-44, De Nieuwe Bijbelvertaling LIEFDELOOS? In sommige opzichten komt het mensen erg goed uit wanneer gelovigen op hun Heer gaan lijken, in andere opzichten maar liever niet te veel! Wanneer we het erover hebben dat mensen onze bedoelingen verkeerd kunnen opvatten en als liefdeloos kunnen bestempelen, laten we dan nog eens teruggaan naar de reactie van Jezus tegenover Petrus in Matteüs 16 vers 21 tot en met 23. Deze reactie zal ook bij Petrus niet zo’n ‘goede binnenkomer’ zijn geweest. ‘Ga weg, achter Mij, satan!’ ‘Gij zijt Mij een aanstoot!’ Het zal je maar gezegd worden! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 91

‘Hoe kon Jezus nu zo reageren op mijn liefdevolle uitroep?’ zou Petrus gedacht kunnen hebben. En, laten we eerlijk zijn, wanneer iemand zoiets tegen ons zou zeggen zouden we daar ook niet zo van gecharmeerd zijn. ‘Ja, ja,’ denken we dan verontwaardigd, ‘deze of gene kan dan wel van alles te zeggen hebben… maar aan de liefde mankeert bij die persoon nog wel wat!’ Het is echter meer dan duidelijk – om nog maar even terug te komen op het moment waarop Jezus dit tegen Petrus zei – dat we absoluut niet aan de liefde van Gods Zoon hoeven te twijfelen. Niet dat dit nu een vrijbrief zou zijn om elkaar vervolgens maar te pas en te onpas als ‘satan’ te gaan bestempelen wanneer we door een ander met onze neus op dingen van mensen worden gedrukt. In dat geval zou er geen normaal menselijk gesprek meer mogelijk zijn, terwijl we toch wel degelijk ‘in de wereld’ staan, hoewel we niet ‘van de wereld’ zijn. Ook Paulus ging volgens menselijke begrippen niet altijd even liefdevol te werk. Zoals veel mensen niet ontvangen hadden de Zoon als zodanig te (h)erkennen, zo hadden veel mensen ook het inzicht niet ontvangen om te onderscheiden waartoe Paulus geroepen en uitgezonden was. Net als Jezus werd Paulus dikwijls veracht en door de gevestigde orde uitgespuwd om wat hij preekte. Hoe kon Paulus – die immers uit persoonlijke ondervinding wist welk een moeite zijn eigen volk zich getroostte zich aan Gods wet te houden – nu refereren aan de psalmen en zeggen: ‘Niemand is rechtvaardig. Er is niemand die begrijpt, niemand die God ernstig zoekt. Allen zijn afgeweken, gelijktijdig onbruikbaar geworden. Er is niemand die mildheid doet… zelfs niet één’? (Romeinen 3 vers 10-12, Concordante Vertaling) Dat hij deze woorden ten aanzien van de rest van de natiën zou uitspreken, oké… maar toch zeker niet ten aanzien van het uitverkoren volk, want waar waren ze dan al die tijd mee bezig geweest…?! In de ogen van de gevestigde orde was Paulus gewoon de zoveelste godslasteraar en natuurlijk kunnen ook onze bedoelingen verkeerd worden geïnterpreteerd. Zelfs de Zoon van God werd door Zijn eigen broeders verguisd, terwijl Hij zonder zonden was, laat staan dat wij, gewone mensen, daaraan ontkomen zouden. Naast dit alles kunnen we ook in deze tijd het idee hebben dat waarvan Paulus ontving te getuigen wel heel erg kras was. We vinden bijvoorbeeld 92 | EÉN VOOR ALLEN

van onszelf dat we God heel goed begrijpen en Hem ernstig zoeken. We zijn standvastig en volhardend in het geloof, bruikbaar voor God en de mildheid zelve. Nee… we voelen ons absoluut niet aangesproken en doen soms alle mogelijke moeite voor datgene waarvan wíj vinden dat het God welgevallig zou moeten zijn. Wanneer we zaken als ‘begrijpen’, ‘ernstig zoeken’ en ‘mildheid’ naar menselijke maatstaven blijven beschouwen, dan geven we er een waardeoordeel aan dat niet strookt met de waarde die God aan deze geestelijke zaken verbindt. Natuurlijk kunnen we best denken dat ‘de ene mens veel minder afwijkt van Gods Woord dan de andere’ omdat ‘de ene mens God ook veel beter begrijpt dan de andere’… en natuurlijk kunnen we best denken dat ‘de ene mens veel milder is dan de andere’ omdat ‘de ene mens God ook veel ernstiger zoekt dan de andere’. Deze manier van beoordelen komt echter nog voort uit een oud waarnemingsvermogen, totdat God ons innerlijk zal vernieuwen om het in overeenstemming te brengen met Zijn kijk op de dingen. ‘Want krachtens (letterlijk: door) de genade, die mij geschonken is, zeg ik een ieder onder u: koestert geen gedachten, hoger dan u voegen (wees niet hooggezind), maar gedachten tot bedachtzaamheid (gezind zijn naar binnen in verstandig zijn), naar de mate van het geloof, dat God elkeen in het bijzonder heeft toebedeeld (iedereen, zoals God de maatstaf van het geloof toebedeelt).’ (Romeinen 12 vers 3, NBG-vertaling) Het is logisch dat Degene van Wie wij het geloof als naderingsgave ontvangen hebben eveneens de maatstaf van datzelfde geloof in onze harten bepaalt. Geestelijk denken zet God, Die liefde is en liefde doet, altijd in het middelpunt. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 93

Geestelijk denken zet niet de mens, maar God in het middelpunt. Het gaat niet uit van het onderscheid dat de mens denkt te kunnen maken, maar van het onderscheid dat God maakt… met Zijn liefde. aLLES Op ZIjN ScHOUDERS Mensen hebben soms het idee dat het passief zou zijn wanneer je dingen aan God zou overlaten. Ze komen al snel op het woord afhankelijkheid uit en daar willen ze niet aan. Afhankelijkheid…? Dat stond toch voor: dom, zielig, onontwikkeld, naief, enzovoort?! Nee, dat past niet in ons menselijk zelfbewuste straatje! ~ Onderonsje ~ Ik sprak eens met iemand over deze zogeheten afhankelijkheid van God. De persoon in kwestie – we zullen hem Daan noemen – wist te vertellen dat zulke uitspraken hem deden denken aan een zeker wanhoopsgedrag; lekker makkelijk om God verantwoordelijk te stellen voor je leven wanneer je zelf vastgelopen bent. Ik vertelde Daan dat ‘de erkenning geheel afhankelijk te zijn van God’ veel dieper gaat dan ‘de overgave aan God’, waar het vaak mee geassocieerd wordt. Niet dat overgave aan God geestelijk gezien al niet geweldig zou zijn, maar bij een dergelijke overgave zou je nog kunnen denken: ‘Nou, het moet maar. Ik kan toch geen kant meer op, dus… dan geef ik mij maar over.’ Bij de erkenning van je persoonlijke afhankelijkheid van je Schepper moet je niet omdat de omstandigheden je daartoe aanzetten, maar wíl je. Een wezenlijk verschil! Natuurlijk kan er aan dit proces wel degelijk allerhande persoonlijke misère vooraf zijn gegaan, maar dat is absoluut geen ‘must’. De erkenning geheel afhankelijk te zijn van God gaat veel dieper omdat deze voortkomt uit de onthulling van de waarheid van Gods liefde aan je hart. Dit heeft niets te maken met een zeker wanhoopsgedrag, maar veeleer met een geestelijke zegening – of daar nu allerhande ellende aan vooraf is gegaan of niet. Het is 94 | EÉN VOOR ALLEN

een door God opgewekte bereidheid je te gaan onderschikken aan Zijn wil met jouw leven; een bereidheid die temeer tot uitdrukking komt wanneer je vanuit de mens gezien vele kanten op zou kunnen en (nog) helemaal niet vastgelopen bent! Waar ‘overgave uit wanhoop’ veelal over is wanneer de wanhoop geweken is, daar geeft ‘de erkenning van je persoonlijke afhankelijkheid van God’ een duurzame innerlijke vrede en rust die kunnen doorwerken in elke willekeurige gemoedstoestand of situatie. — Het mag duidelijk zijn dat de menselijke denkwijze over het begrip afhankelijkheid totaal anders is dan de geestelijke bewustwording van onze afhankelijkheid van God. Als mensen hebben we van nature veelal de instelling te willen vechten voor wat in onze ogen rechtvaardig is; we willen veranderingen van wezenlijk belang doorvoeren en ergens zelf iets aan kunnen doen. God ziet onze vermeende menselijke vermogens echter heel anders. Voor onze hemelse Vader geldt helemaal niet dat de strijd die Hij met Zijn kracht van liefde aangaat ‘passief’ zou zijn. Wat ons passief toeschijnt is geestelijk gezien de meest actieve en effectieve kracht die er bestaat. Wanneer we onze menselijke liefde in ogenschouw nemen en bemerken hoe deze een mens soms al ‘vleugels’ kan geven, hoe moet dat dan wel niet zijn met Goddelijke liefde? Een liefde die oneindig veel groter is dan alles wat wij kennen en die bovendien nooit zal uitdoven?! Laten we het dan maar niet meer over menselijke liefde hebben… ‘Alles bedekt zij (letterlijk: alles beschut zij), alles gelooft zij, alles hoopt (verwacht) zij, alles verdraagt zij (in alles volhardt zij). De liefde vergaat nimmermeer (Goddelijke liefde vervalt nooit…)’ (1 Korintiërs 13 vers 7 en 8, NBG-vertaling) ‘Maar hoe kan ik deze hartenkennis dan inpassen in mijn leven?’ vraag je jezelf mogelijk af. Nou… niet! Je kunt deze hartenkennis niet ‘zelf inpassen’ in je leven. God is als Schepper Zelf scheppend aan het werk in ons innerlijk. Het werkt vanuit ontvangen geestelijke wijsheid, een onthulling van de waarheid, EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 95

die mensen uit genade wordt geschonken. ‘Oké, maar stel nu dat ik iemand ben die meestal nogal snel vanuit emotie reageert?’ Dan zul je met zaken als ‘de erkenning geheel afhankelijk te zijn van God’ mogelijk nog veel meer moeite hebben dan iemand anders. Een dergelijke vernieuwing – letterlijk: verjonging – van denkzin kan op jou overkomen als klinkklare huichelarij… zelfs als verraad. Je hebt misschien al vroeg in je leven ondervonden dat je er in wezen alleen voor stond in deze wereld. Je persoonlijke ondervinding kan zijn dat ‘je eigen ik’ het enige is waar je zeker van kunt zijn, het enige waar je op kunt vertrouwen. Afhankelijk…?! Nee, dat zul jij nooit meer zijn! Van het woord alleen al gaan je nekharen overeind staan en dat is, vanuit jouw situatie gezien, volkomen te begrijpen. Alleen: ben je jezelf dan eigenlijk al eens bewust geworden van het feit dat een‘lijden om Zijn Naam’ voor jou blijkbaar staat voor iets wat met machteloosheid of passiviteit van doen heeft? Dezelfde machteloosheid en passiviteit die de Zoon zou hebben ervaren volgens degenen die Hem beschimpten?! ‘De voorbijgangers keken hoofdschuddend toe en dreven de spot met hem: ‘Jij was toch de man die de tempel kon afbreken en in drie dagen weer opbouwen? Als je de Zoon van God bent, red jezelf dan maar en kom van dat kruis (letterlijk: paal of staander) af !’ Ook de hogepriesters, de schriftgeleerden en de oudsten maakten zulke spottende opmerkingen: ‘Anderen heeft hij gered, maar zichzelf redden kan hij niet. Hij is toch koning van Israël (Als Hij Israëls Koning is), laat hij dan nu van het kruis afkomen, dan zullen we in hem geloven. Hij heeft zijn vertrouwen in God gesteld, laat die hem nu dan redden, als hij hem tenminste goedgezind is. Hij heeft immers gezegd: “Ik ben de Zoon van God.”’ Precies zo beschimpten (ook wel: smaadden) hem de misdadigers (rovers) die samen met hem gekruisigd waren.’ (Matteüs 27 vers 39-44, De Nieuwe Bijbelvertaling) (In de Concordante Vertaling wordt het woord kruis gecontinueerd in plaats van ‘paal’ of ‘staander’, omdat dit woord een begrip is geworden in het geloofsleven en het eveneens een vloekhout betreft. In dit boek sluiten we ons daarbij aan.) 96 | EÉN VOOR ALLEN

Was Jezus machteloos of passief toen Hij de vloekdood stierf? Nee, integendeel… Jezus was allesbehalve machteloos of passief! Misschien leek het er wel op naar de aardse maatstaven van Zijn tijdgenoten, maar het was absoluut niet het geval naar Gods geestelijke maatstaven. Daarbij beloofden de mensen Jezus te zullen geloven als Hij van het kruis af zou komen, als Hij op deze wijze Zichzelf zou redden of als God Hem van deze vloekdood verlossen zou. Herken je deze reactie misschien? Het kan heel goed zijn dat jij ook iemand bent die vindt dat Jezus in dit opzicht de plank behoorlijk mis sloeg, want: ‘Hoe kon Hij daar, als dé Zoon van God, dan toch voor schand gaan hangen? Hoe kon Hij daar, als dé Redder zijnde, nog afhankelijk zijn van anderen om gered te worden? Dat was toch zeker geen manier om macht en kracht te tonen…?!’ Nee… dit was menselijk gezien zeker geen manier om macht of kracht te tonen, maar geestelijk gezien was het wel dé manier om te tonen hoe machtig en krachtig de liefde is! Wanneer je al snel geneigd bent vanuit emotie te handelen dan voert de liefde van God niet de boventoon in je innerlijk omdat je, ondanks dat je het waarschijnlijk erg goed met je Heer bedoelt, een ‘Petrus’ bent. Je bent iemand die vanuit menselijke vermogens wil handelen voor een menselijk gevoel van rechtvaardigheid. Dat is echter helemaal niet verwonderlijk te noemen, want er zijn talloze gelovigen die je hierin zijn voorgegaan. ‘Lijden…? Kom op, zeg… Dat kun je niet menen! Dat kan toch nooit de bedoeling zijn?!’ Indien wij echter op een menselijke wijze lijden gaan bestrijden hebben we vaak niet in de gaten dat we veelal alleen maar nieuw, ander of groter leed veroorzaken. De Zoon van God distantieerde Zichzelf hiervan door alles op Zijn schouders te nemen! Het offer van de Zoon was volmaakt en dientengevolge God welgevallig, maar wat hebben wij het er moeilijk mee om ons vertrouwen op onze hemelse Vader te stellen op de momenten dat er geen zichtbare tekenen van Zijn liefde in ons leven zijn. Niet om hiermee op de onvolkomenheid van de mens te wijzen – vanuit de mens gezien valt een dergelijke reactie niet meer dan logisch te noemen – maar EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 97

hieruit blijkt maar weer eens te meer dat wij als mens zonder Gods innerlijke scheppingswerk nergens zijn en blijven. We zijn van Gods naderingsgave van geloof, werkzaam door liefde, afhankelijk omdat we vanuit de oude mens Zijn liefde niet als zodanig kunnen ervaren door de soms zo schrijnende situatie waarin we ons kunnen bevinden. Kort samengevat: vanuit de oude mens willen wij eerst ‘zien’ voordat we kunnen ‘geloven’. Zo beloofden de mensen Jezus te zullen geloven als Hij van het kruis af zou komen. Ze zouden Hem geloven als Hij op deze wijze Zichzelf zou redden of als God Hem van deze vloekdood verlossen zou. De mensen wilden zien dat Jezus macht en kracht had… maar wat zagen ze?! Waar we minder bij stilstaan is dat deze belofte van geloof in wezen ‘de hoogmoed ten top’ was, omdat alleen God de Vader bij machte is mensen het geloof te schenken. Johannes 6 vers 44 vertelde ons (NBGvertaling): ‘Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke (…)’ En in Efeziërs 2 vers 8 lazen we vanuit de Concordante Vertaling: ‘Want in genade zijn jullie geredden, door geloof, en dit niet uit jullie zelf; het is Gods naderingsgave, niet uit werken, opdat niemand zich beroemen zal.’ Jezus onderging Zijn lijdensweg verre van machteloos of passief… al schudden de voorbijgangers hun hoofd over Hem. Jezus had Zijn vertrouwen op de Vader gesteld… al redde God Hem niet van de vloekdood. Jezus was niet machteloos of passief toen Hij de vloekdood stierf. Het lijden van de Zoon hield geenszins in dat Hij Zich er niet tegen had kunnen verzetten of het niet had kunnen voorkomen. Het lijden van Jezus was een actieve daad van uitzonderlijke en ongeëvenaarde passie voor het doel dat Zijn Vader Zich had gesteld. Het is maar wat je passief noemt! Het geloof van de Zoon was door de kracht van de liefde op zodanige wijze werkzaam dat Hij als Levensvorst voor iedereen sterven wilde… zelfs voor de grootste zondaren die de schepping ooit gekend heeft en die de 98 | EÉN VOOR ALLEN

schepping ooit nog kennen zal. Denken we hier weleens aan wanneer we kijken naar die grote zondaar waar we nu eenmaal nog zo’n grote moeite mee kunnen hebben? Liever niet… want wij kunnen hier van nature met onze pet niet bij. Dergelijke liefde is, vanuit ons menselijk rechtvaardigheidsgevoel, onverteerbaar. De mens is daarnaast op een heel ander soort redding ingesteld dan de redding die God heeft bewerkstelligd door het offer van Zijn Zoon. De uitspraken van de mensen die van Zijn dood getuige waren logen er dan ook niet om! En ze spraken lastertaal tegen Hem. Schudden hun hoofd. Ze bespotten en smaadden Hem. Voor de mens blijft het moeilijk te aanvaarden dat God een welgevallen zou hebben in het lijden en sterven van Zijn Zoon. En zo kunnen we onszelf op eenzelfde gedachte betrappen wanneer we mensen ontmoeten die eveneens ontvangen te lijden voor Zijn Naam. ‘Lijden…? Kom op, zeg… dat kun je niet menen! Dat kan toch nooit de bedoeling zijn?!’ ‘Nee, joh… natuurlijk is dat niet de bedoeling, want waar zou Gods liefde dan blijven in het hele verhaal…?!’ Ogenschíjnlijk nergens! Vanuit de oude mens willen wij eerst zien voordat we kunnen geloven. We zijn van nature gericht op ‘zien of bewijzen’ en denken zo te kunnen ‘waarnemen en ervaren’. Een toepasselijk gezegde daarover is echter het volgende: ‘Gods liefde is zoals een blinde de zon ervaart; deze kan diens bestaan niet zien of bewijzen, maar wel waarnemen en ervaren in het leven.’ EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 99

En zo beloven ook nu nog steeds mensen Jezus te zullen geloven als Hij hen van hun persoonlijk kruis verlossen zal. Geloven op voorwaarde dat… (vul maar in). God moet zogezegd Zijn goedgezindheid bewijzen door hen te redden van het kwaad waarmee zij zichzelf geconfronteerd zien, want anders kan Hij nooit een liefdevolle Vader zijn. ‘Laat de Zoon dat kruis nou maar dragen… mij niet gezien! Wat heeft het immers voor zin om aan het lijden van de Zoon nog meer lijden toe te voegen? Of heeft Zijn lijden ons misschien nog niet genoeg vergeving gebracht…?!’ Nu komen we op het punt waar we zijn moeten: het gegeven dat lijden voor ons idee te maken heeft met straf. Wij associëren lijden met schuld. Zo is het bij God echter niet. Jezus was geen speelbal, maar liet toe dat de mensen met Hem solden. En zo kunnen ook wij evengoed gelasterd worden, bespot en gesmaad. Men kan ook over ons het hoofd schudden en zeggen: ‘En waar is nou die God van jou, die je steeds “Vader” noemt? Waar is die zogenaamde “Vader” dan, die je nu toch zou moeten redden? Waar wacht Hij op… als jij Zijn zoon of dochter bent?’ ‘Geloof nou maar niet dat Hij Zich om jou bekommert!’ Dergelijke gedachten kunnen juist gelovige mensen parten spelen wanneer ze op een menselijke wijze op hun situatie zien – en wie doet dat niet op zijn tijd? Wij kennen hierin allemaal onze zwakke momenten. Mensen willen zien dat God macht en kracht heeft… maar wat zien ze als Hij vervolgens de situatie niet lijkt te willen veranderen?! Uiteraard is God bij machte iedere situatie te veranderen en grote wonderen te doen als dat Zijn bedoeling is, maar waar we minder bij stilstaan is dat deze ‘belofte van geloof’ in wezen ‘de hoogmoed ten top’ is. Geloof wordt niet ‘op voorwaarde dat’ gerealiseerd, laat staan dat het op een voorwaarde van de mens gerealiseerd zou worden. God houdt niet van ons ‘op voorwaarde dat’… en Hij wil ook niet dat wij ‘op voorwaarde dat’ van Hem houden. 100 | EÉN VOOR ALLEN

Alleen de hemelse Vader is bij machte mensen geloof te geven en dat gebeurt geheel op Zijn voorwaarden; we hoeven echt niet te denken dat we het met Hem op een akkoordje kunnen gooien. Nu heeft God uiteraard een groot genoegen in waarheid in ons innerlijk – Psalm 51 vers 8 (Concordante Vertaling) – maar wij mogen nog steeds blij zijn als Hij ons de naderingsgave van geloof schenkt… en niet andersom! Voor de mens heeft lijden te maken met straf, wij associëren lijden met schuld. We denken dat we niet (meer) geliefd zijn door God wanneer ons onheil treft… Maar niets is minder waar. Denk aan de verdrukkingen van Christus! Paulus had het dan ook op een heel bijzondere manier over ‘lijden voor Christus’. Lees maar mee in Filippenzen 1 vers 29 en 30: ‘Aan u is de genade geschonken niet alleen in Christus te geloven, maar ook omwille van hem te lijden. U voert dezelfde strijd die u mij vroeger hebt zien voeren en die ik, zoals u hoort, nog steeds voer.’ (De Nieuwe Bijbelvertaling) ‘Want aan jullie is de genade geschonken, voor Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden, dezelfde worsteling hebbend die jullie in mij zien en nu over mij horen.’ (Concordante Vertaling) Nu springen er in deze tekst meteen twee dingen in het oog: lijden wordt in één adem genoemd met genade. Sterker nog, lijden voor Christus ís genade! Het heeft dus niets van doen met straf, schuld of niet (meer) geliefd zijn. Daarnaast wordt expliciet vermeld dat zowel het lijden als het in Hem geloven beide een genadegunst van God is. Met andere woorden: geen keus van mensen! Het is goed om hier nogmaals op gewezen te worden, omdat onze manier van denken zo doortrokken is van onze eigen vermogens om zelf voor het geloof – en mogelijk aanverwant lijden – te kiezen. Zoals een mens niet zelf voor het geloof kan kiezen maar daartoe door God wordt uitverkozen, zo kan een mens ook niet zelf voor het lijden voor Christus kiezen tenzij God hem daartoe uitverkiest. Dit zijn helemaal geen menselijke keuzes en laten we dat er ook alsjeblieft niet van maken! Dit zijn geestelijke genadegaven die dan ook enkel als een genadegunst kunnen worden ervaren als God het hart daartoe heeft geopend. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 101

Alleen Gods liefde is bij machte ons bloedende hart – dat eenvoudigweg niet lijden wíl, maar hier mogelijk tegen in opstand komt – te bemoedigen en helen. Dit is een geestelijk proces dat niet uit de menselijke psyche voortkomt en een totaal andere manier van standhouden bewerkstelligt dan ooit uit de menselijke psyche zou kunnen voortkomen. Bij het lezen van de volgende tekst zullen we opnieuw bemerken dat Paulus had ontvangen heel anders tegen deze vorm van lijden aan te kijken: ‘Thans verblijd ik mij over hetgeen ik om uwentwil lijd, en vul ik in mijn vlees aan wat ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus, ten behoeve van zijn lichaam, dat is de gemeente.’ (Kolossenzen 1 vers 24, NBG-vertaling) ‘Nú verheug ik mij in mijn lijden ter wille van jullie en vul in Zijn plaats in mijn vlees aan, wat ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus ter wille van Zijn lichaam, dat is de uitgeroepen gemeente.’ (Concordante Vertaling) Feitelijk draait het hier nog steeds om hetzelfde principe: de mens is op een totaal ander soort redding ingesteld dan de redding die God heeft bewerkstelligd door het offer van Zijn Zoon. Mensen willen zien dat God bepaalde omstandigheden waarin men kan verkeren zal veranderen. We vinden het moeilijk om ons vertrouwen op onze hemelse Vaderte stellen wanneer er geen zichtbare tekenen van Zijn liefde in ons leven zijn. We willen vechten voor wat in onze menselijke ogen rechtvaardig heet en gieten over deze ijver voor God dan een gelovig sausje, zoals Petrus toen hij de slaaf van de hogepriester het rechteroor afsloeg en zoals Paulus in de tijd dat hij de volgelingen van Jezus vervolgde. En dan nog iets: hoe vaak vragen wij niet iets aan God met in ons achterhoofd de gedachte dat het ons gegeven zal worden wanneer we Hem om iets bidden? De tekst luidt immers: ‘Bidt en u zal gegeven worden (…)’ en daarom moet God maar geven waar wij om vragen! Ook hier willen we negen van de tien keer dat God bepaalde omstandigheden waarin we verkeren zal veranderen. Soms bidden we jarenlang voor iets wat ons maar niet gegeven wordt en uiteindelijk wordt dit dan ook weer zo’n tekst waar we niks meer mee kunnen, want er klopt onzes inziens gewoon iets niet. En dan lezen we ook nog in Matteüs 6 vers 8: 102 | EÉN VOOR ALLEN

‘Jullie Vader weet immers wat jullie nodig hebben, nog vóór jullie het hem vragen.’ (De Nieuwe Bijbelvertaling) Dus… waarom duurt het dan zo lang? God weet toch dat we dit nodig hebben?! Zelfs al voordat we het vroegen! Nou, dan mankeert er vast iets aan ‘ons geloof’ óf – en dat is dan de volgende conclusie – aan God… Inderdaad, het is waar, de tekst luidt: ‘Bidt en u zal gegeven worden (…)’ ‘Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden. Want een ieder, die bidt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en wie klopt, hem zal opengedaan worden. Of welk mens onder u zal, als zijn zoon hem om brood vraagt, hem een steen geven? Of als hij een vis vraagt, zal hij hem toch geen slang geven? Indien dan gij, hoewel gij slecht (letterlijk: goddeloos) zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader in de hemelen het goede geven aan hen, die Hem daarom bidden.’ (Matteüs 7 vers 7-11, NBG-vertaling) De plot blijft echter veelal geheel achterwege: ‘(…) hoeveel te meer zal uw Vader in de hemelen het goede geven aan hen, die Hem daarom bidden.’ Kortom: hebben we ons weleens afgevraagd waar we dan om bidden, dat ons gegeven zal worden? Waar we dan naar zoeken, dat we vinden zullen? Bij welke Goedgunstige we dan aankloppen, waarop ons opengedaan zal worden? Veel mensen beschouwen deze tekst op een menselijke manier en denken er vervolgens ‘het hunne’ van: ‘Hoe kan het nou dat God ons niet geeft wat wij van Hem vragen? Hij heeft het toch Zelf beloofd?! Is er dan soms iets wat we niet goed doen? Of maakt God Zijn beloften gewoon niet waar?’ We vergeten eenvoudigweg dat het niet mogelijk is om ‘bidt en u zal gegeven worden’ los te koppelen van de rest van de geestelijke gaven die in dit tekstgedeelte genoemd worden. Waar gaat immers het ‘zoekt en gij zult vinden’ over? Dat we letterlijk alles zullen vinden wat we zoeken? Dus… als we onze iPad kwijt zijn dan zorgt God er wel weer voor dat we hem vinden als we daarvoor zouden bidden?! In wat voor wereld zouden we leven wanneer we niet alleen de eerste geestelijke gave (bidt en u zal gegeven worden), maar ook de tweede (zoekt en gij zult vinden) en derde EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 103

gave (klopt en u zal opengedaan worden) letterlijk gaan hanteren en op het menselijk vlak gaan betrekken…?! Wanneer we deze tekst vanuit geestelijk oogpunt gaan beschouwen, dan ontdekken we een heel ander principe: God stelt ons in staat tot ‘onderdragen’, zodat we op een geestelijke wijze onder de beproeving kunnen blijven staan. God is trouw, betrouwbaar en zal ons niet verlaten. We zullen niet worden aangevochten boven datgene waar we, door middel van Zijn bekwaamheid, toe in staat zijn. God zal, tezamen met de aanvechting, ook de uitstijging geven, zodat we in staat zijn de beproeving op een geestelijke wijze te ondergaan, zodat we deze samen met Hem kunnen doorstaan. God wil op deze wijze het geloof, dat Hij in onze harten legt, beproeven, zodat zal blijken dat wij het zelf niet zijn die eronder blijven staan, maar zodat Zijn kracht zal blijken in onze innerlijke mens. Zoals eerder gezegd: ‘De mens is doorgaans op een totaal ander soort redding ingesteld dan de redding die God heeft bewerkstelligd door het offer van Zijn Zoon. Mensen willen zien dat geloof bepaalde omstandigheden waarin men kan verkeren zal veranderen.’ Alleen wanneer God het ons in ons hart geeft dat wij Hem om ‘geestelijk goede dingen’ gaan vragen, dan zal Hij ons gebed voorzeker verhoren. Hoeveel te meer zal de hemelse Vader het goede geven, als we Hem daarom bidden! ‘En evenzo (letterlijk: Op dezelfde wijze) komt de Geest onze zwakheid te hulp (ook wel: onze onstandvastigheid samen steunen, stutten) want wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren (wij nemen niet waar overeenkomstig hetgeen bindend is), maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen (pleit voor het onuitgesproken zuchten).’ (Romeinen 8 vers 26, NBG-vertaling) In Psalm 51 vers12 tot en met 14 – ‘Steun, stut mij door een bereidwillige, inschikkelijke geest.’ – lazen we dat David onderkende vanuit de mens zwak te zijn, onstandvastig, zoals hier in Romeinen 8 vers 26 eveneens wordt aangegeven. David wist dat hij afhankelijk was van Gods genadegaven en onderkende een dergelijke bereidwillige, inschikkelijke geest niet van zichzelf te hebben. 104 | EÉN VOOR ALLEN

Omdat wij vanuit de mens niet waarnemen overeenkomstig hetgeen bindend, hetgeen opbouwend, is zal Geest, de heilige, onze onstandvastigheid stutten. Geest, de heilige, pleit voor het onuitgesproken zuchten. Nu is God uiteraard bij machte om elke willekeurige situatie in ons leven in ons voordeel te veranderen… De vraag is alleen of Hij dat wil op een wijze die ons voor ogen staat. Schatten wij het geestelijke voordeel dat God voor ogen staat wel op juiste waarde? Waar een ‘lijden om Zijn Naam’ – in welke zin dan ook – menselijk gezien geen manier is om macht of kracht te tonen, daar kan het geestelijk gezien immers dé manier blijken te zijn om te tonen hoe machtig en krachtig de liefde is! Denk er anders eens over na wat nu eerder van Gods vermogen zal getuigen: • dat we Gods liefde erkennen wanneer het ons, menselijk gezien, goed gaat in het leven… of dat we in staat worden gesteld Gods liefde te erkennen wanneer het ons, menselijk gezien, slecht gaat? • dat we Gods liefde erkennen wanneer ons leven ‘a piece of cake’ is… of dat we in staat worden gesteld Gods liefde te erkennen wanneer we veel lijden hebben te verduren? • dat we Gods liefde erkennen wanneer we (nog) kerngezond door het leven huppelen… of dat we in staat worden gesteld Gods liefde te erkennen wanneer we op ons sterfbed liggen? Wat denk je… waar zou een groter Godswonder voor nodig zijn? VaN VOORBIjGaaNDE aaRD Nu is het volkomen begrijpelijk dat wij vanuit de mens blijven streven naar een verbetering van onze omstandigheden; de mensen kwamen immers van heinde en verre naar Jezus toe omwille van hun uiterlijke en innerlijke noden. Ik wil hiermee dan ook niet proclameren dat God geen EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 105

mensen meer genezen zal in deze tijd, laat staan dat ik ermee zou willen zeggen dat we helemaal niet meer naar de dokter zouden moeten gaan. Waar het op aankomt is dat we gaan inzien waar een groter Godswonder voor nodig is wanneer we ons, met onze hele ziel en zaligheid, op tekenen en wonderen verlaten. ‘Immers, de Joden verlangen (letterlijk: verzoeken) tekenen en de Grieken zoeken wijsheid, doch wij prediken (kondigen als heraut af) een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot (inderdaad een strik), voor heidenen (natiën) een dwaasheid, maar voor hen, die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, (NBG: prediken wij) Christus, de kracht Gods en de wijsheid Gods.’ (1 Korintiërs 1 vers 22-24, NBG-vertaling) ‘Daarom verliezen wij de moed niet (letterlijk: niet ontmoedigd, wanhopig zijn), maar al vervalt ook onze uiterlijke mens, nochtans wordt de innerlijke van dag tot dag vernieuwd (weer nieuw gemaakt). Want de lichte last der verdrukking van een ogenblik (Want het kortstondige, lichte van onze verdrukking) bewerkt voor ons een alles verre te boven gaand eeuwig gewicht van heerlijkheid (werkt voor ons een alles te boven gaand, een bovenmate aionisch gewicht aan heerlijkheid uit), daar wij niet zien op het zichtbare (niet het kijken opmerken), maar op het onzichtbare (het niet kijken); want het zichtbare (het kijken) is tijdelijk, maar het onzichtbare (het niet kijken) is eeuwig (aionisch).’ (2 Korintiërs 4 vers 16-18, NBG-vertaling) Aion: tijdperk dat door God als zodanig is ingesteld. Aionisch: het karakter van het van God ontvangen leven. Het behelst onvergankelijkheid in alle door God ingestelde tijdperken vanaf heden. Het is een groot goed: • om juist in al onze menselijke belemmeringen van Gods grootheid te (mogen leren) getuigen; • om in staat te worden gesteld Gods liefde te erkennen ondanks al het lijden in ons leven. 106 | EÉN VOOR ALLEN

Het is een genadegave wanneer God ons innerlijk zodanig verandert dat we samen met Zijn Zoon kunnen gaan beamen dat de last die Hij ons te dragen heeft gegeven door middel van Zijn geestelijke draagkracht ‘licht’ genoemd kan worden. ‘Komt tot Mij, allen, die vermoeid (letterlijk: zwoegende) en belast (ook wel: beladen) zijt, en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u (til Mijn juk op jullie) en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want mijn juk is zacht en mijn last is licht.’ (Matteüs 11 vers 28-30, NBG-vertaling) Gods kracht werkt juist door onze zwakte heen… En wij ons maar blindstaren op de zwakheid van de mens die daarin ontvangt van Gods grootheid te getuigen! ‘Zeer gaarne (letterlijk: Met veel genot) zal ik dus in zwakheden nog meer roemen, opdat de kracht van Christus over mij kome (ook wel: tabernakele).’ (2 Korintiërs 12 vers 9, NBG-vertaling) ‘Maar wij hebben deze schat in aarden vaten (letterlijk: aardenwerken instrumenten), zodat (opdat) de (bovenmate van de) kracht, die alles te boven gaat, van God is en niet van (uit) ons (…)’ (2 Korintiërs 4 vers 7, NBG-vertaling) Het is een groot goed wanneer door onze zwakheid blijkt dat de bovenmate van de kracht, die alles te boven gaat, van God is en niet uit ons! En het maakt voor God niet uit of deze zwakte onze uiterlijke of innerlijke gesteldheid betreft. God maakt geen onderscheid tussen fysieke en mentale onvolkomenheden. Het is God om het even of onze zwakte nu voortkomt uit fysieke of uit mentale (over)belasting. Hier moet evenwel een kanttekening bij geplaatst worden omdat er in 2 Korintiërs 12 vers 9 – ‘En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid voltooid, geperfectioneerd’ – natuurlijk niet wordt bedoeld dat God in goddeloze zaken, misstanden en wanpraktijken een welgevallen zou hebben. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 107

‘Het is toch niet, zoals men van ons lastert en sommigen ons laten zeggen (letterlijk: beweren): Laten wij het kwade doen, opdat het goede eruit voortkome?’ (Romeinen 3 vers 8, NBG-vertaling) ‘Zullen wij zondigen (letterlijk: missen), omdat wij niet onder de wet, maar onder de genade zijn? Volstrekt niet!’ (Romeinen 6 vers 15, NBG-vertaling) Zondigen is (doel) missen. Zullen wij dan zondigen omdat wij niet onder de wet zijn, maar onder de genade? Mag het daar niet van komen! Het is volstrekt Gods bedoeling niet dat wij ons geestelijke doel zouden blijven missen. Met Zijn gave van geloof richt Hij ons Eigenhandig op het feit dat met de dood, en de daaropvolgende opstanding en verheerlijking, van Zijn geliefde Zoon, het ‘allesbeslissende winnende doelpunt’ voor ons is gemaakt! De overwinning is door de Zoon van God in de wacht gesleept. Hij is ‘dé Topscorer’ van het universum en door Hem is de bokaal – de ereprijs – ook aan ons! Dit wekt voor ons een hemelse verwachting waardoor we God willen gaan verheerlijken. Als supporters van de Allerhoogste willen we van harte voor Hem juichen vanuit overweldigende dankbaarheid. Daarom is het ‘doel missen’ in de zin van ‘nog niet tot je Goddelijke bestemming gekomen zijn’, jezelf nog niet gerechtvaardigd weten door de van God ontvangen erkenning van de waarheid in je hart. Het is niet zo dat de Almachtige God, Die alles heeft gemaakt voor Zijn doel, Zijn Eigen doel voorbij zou schieten met het scheppen van schepselen die uiteindelijk toch Zijn doel niet dienden. Het is God, zoals gezegd, om het even of onze zwakte nu voortkomt uit fysieke of mentale (over)belasting. Hij is er op uit om ons rust te geven in al onze noden, opdat zal blijken dat de bovenmate van de kracht, die alles te boven gaat, van God is en niet uit ons. Ik moet bij de overdenking van deze hartenkennis altijd denken aan een man die, bij tijd en wijle, belemmerd wordt door mentale zwakte en toch Bijbelstudie geeft. ‘Hoe kan dat nou?’ zullen verschillende mensen zich misschien wel afvragen. ‘Want als je zelf zo zwak bent, hoe kun je dan andere mensen helpen?’ Zo zou je het menselijk gezien inderdaad kunnen bekijken, maar de gees108 | EÉN VOOR ALLEN

telijke manier van waarnemen laat een heel ander plaatje zien. Paulus werd namelijk eveneens geconfronteerd met persoonlijke zwakheden en wat heeft hij wel niet voor God mogen betekenen?! Ook in Paulus leven mocht blijken dat de bovenmate van de kracht van God was. ‘(…) maar over mijzelf zal ik niet roemen, of het moest zijn in mijn zwakheden.’ (2 Korintiërs 12 vers 5, NBG-vertaling) ‘Daarom is mij, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen, een doorn (letterlijk: splinter) in het vlees gegeven, een engel (boodschapper) des satans, om mij met vuisten te slaan (stompen), opdat ik mij niet te zeer zou verheffen. Driemaal heb ik de Here (Heer) hierover gebeden (aangesproken), dat hij van mij zou aflaten (terugtrekken).’ (2 Korintiërs 12 vers 7 en 8, NBGvertaling) Het lijden van Paulus had niets van doen met straf, schuld of niet (meer) geliefd zijn. Paulus ondervond dat zowel het lijden als het in Hem geloven beide een genadegunst van God is. De zwakheid van Paulus werd hiermee een ‘lijden voor Christus’, omdat hij de genade ontving om juist door deze zwakheid heen te gaan beseffen dat hij niets in zichzelf te roemen had, maar enkel te roemen had in zijn Heer. En zo komen we wederom uit op de genade, die genoeg is! Als je zwak bent kun je inderdaad andere mensen helpen. Waarom? Omdat Gods kracht in zwakheid voltooid, geperfectioneerd, wordt. ‘Bovendien kwam ik bij u in al mijn zwakheid en was ik angstig en onzeker. De boodschap die ik verkondigde overtuigde niet door wijsheid maar bewees zich door de kracht van de Geest, want uw geloof moest niet op menselijke wijsheid steunen, maar op de kracht van God.’ (1 Korintiërs 2 vers 3-5,De Nieuwe Bijbelvertaling) ‘Ook kwam ik in zwakheid, met veel vrezen en beven tot u; mijn spreken (letterlijk: woord) en mijn prediking (herautboodschap) kwam ook niet met meeslepende (overtuigende) woorden van (menselijke) wijsheid, maar met (in) betoon van geest en kracht, opdat uw geloof niet zou rusten op (niet is in) wijsheid van mensen, maar op (in) kracht van God.’ (NBG-vertaling) EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 109

Het woord, de boodschap die Paulus ontving te herauten, kwam niet met overtuigende woorden van menselijke wijsheid, maar in betoon van Geest en kracht. Zijn we er al achter dat God geen dingen doet ‘vanwege ons’, maar ‘ondanks ons’? Hebben we al ontdekt dat Hij er een handje van heeft om mensen te gebruiken die snappen dat ze het zelf niet kunnen, omdat Zijn kracht dan zal kunnen blijken in het innerlijk van een mens? Opdat ons geloof niet zal zijn in ‘wijsheid van mensen’, maar in kracht van God? Juist vanwege het feit dat het helemaal niet van menselijke hulp afhangt maar van Zijn wenselijke hulp, kiest God mensen uit die maar al te goed hebben ondervonden dat ze het zelf niet kunnen. ‘Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan (letterlijk: dichterbij, naderbij komen) tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om (wenselijke) hulp te verkrijgen te gelegener tijd.’ (Hebreeën 4 vers 16, NBG-vertaling) Als je zwak bent kun je juist andere mensen helpen omdat je, ten eerste, uit persoonlijke ondervinding weet waar je het over hebt wanneer het over zwakheid gaat (opnieuw: hiermee wordt niet verondersteld dat God in goddeloze zaken, misstanden of wanpraktijken een welgevallen zou hebben). En, ten tweede – en dat is eigenlijk nog veel belangrijker – je hebt persoonlijk ondervonden dat je het zelf niet kunt en dat is een groot pluspunt in het geloof! Je zult jezelf niet boven anderen verheffen en kunt hun voorleven in de afhankelijkheid van God. Je kunt laten zien wat het voor jou betekent wanneer God je zwakheid mogelijk niet verandert of wegneemt, maar er samen met jou dwars doorheen gaat. Je kunt laten zien wat het betekent als je door Zijn kracht hebt leren leven uit genade. Je wordt wederom ervaringsdeskundige, maar dan op geestelijk vlak! Denk maar eens aan die verlamde vrouw, Joni Eareckson Tada, wier getuigenis duizenden en nog eens duizenden mensen aansprak. Ze zong:‘It is well… with my soul.’ Dat ís wat! Hoeveel kracht moet een mens wel niet van God ontvangen om nog van Zijn liefde te kunnen en – bovenal – willen getuigen in een dergelijke situatie?! 110 | EÉN VOOR ALLEN

‘Ja, veeleer zijn die leden van het lichaam, welke het zwakst schijnen, noodzakelijk (…)’ (1 Korintiërs 12 vers 22, NBG-vertaling) ‘God heeft evenwel het lichaam zó samengesteld, dat Hij meer eer gaf (letterlijk: overmatiger eer geeft) aan hetgeen misdeeld was (gebrek lijdt…)’ (1 Korintiërs 12 vers 24, NBG-vertaling) Gods kracht werkt juist door onze zwakte heen… En wij maar bidden of Hij het van ons weg wil nemen! Niet dat dit vanuit de mens niet volkomen begrijpelijk zou zijn, maar de vraag is en blijft, zoals dat bij Job het geval was, of het ons ‘goed’ is wat God verkiest te doen. ‘(…) zouden wij het goede van God aannemen en het kwade niet?’ (Job 2 vers 10, NBG-vertaling) Begrijpen wij dat onze zwakheid geen belemmering is voor God, maar dat deze nodig is omwille van het feit dat Hij Zijn kracht juist wil voltooien in zwakheid, om uiteindelijk aan de ganse schepping Zijn liefde te kunnen betonen? De mens is ingesteld op ‘kijken’. Wat valt er te zien van Gods macht en sterkte? Daar valt zwakheid in een mensenleven per definitie niet onder. Zwakheden – van welke aard ook – worden daarom zo veel mogelijk weggemoffeld, maar – en dat is nu juist weer het verrassende – bij God werkt het precies andersom tot Zijn eer en welgevallen uit. Wanneer wij onze veiligheid, onze geborgenheid in Gods Zoon gaan verstaan met het hart – wanneer wij door de gave van geloof vaste grond onder onze voeten vinden – dan zal dat tot gevolg hebben dat we onszelf gemakkelijker kwetsbaar durven opstellen omdat we niet langer iets hoog te houden hebben van onszelf. Of het daarnaast wenselijk is om ons kwetsbaar op te stellen valt uiteraard per situatie te bezien, maar het feit ligt er dat andere mensen zich beter met ons zullen kunnen identificeren wanneer we hierin meer openheid geven. Transparantie wordt in onze huidige maatschappij overigens steeds meer gewaardeerd en ook hierin was Paulus zijn tijd dus ver vooruit. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 111

Paulus had de Heer dus driemaal gevraagd of ‘de splinter in zijn vlees’ zich terug mocht trekken… maar er werd hem enkel aan het hart onthuld dat de genade voldeed. Procesgewijs bracht Gods liefde Paulus zover dat hij met veel genot in zwakheden nog meer ging roemen van Zijn heilige Naam, omdat hij door persoonlijke ondervinding tot de ontdekking kwam dat het erom ging dat de kracht van Christus over hem tabernakelde. Wat een enorme geestelijke zegening ontving Paulus; de genade werd hem in zijn leven genoeg. Paulus vond zijn huisvesting in de Heer; hij kwam thuis! En zo mogen ook wij onszelf, in al onze zwakheid, gekend en – bovenal – geliefd weten door onze hemelse Vader. We mogen thuiskomen, Zijn genade is genoeg! Wij hoeven niet sterk te zijn; dat is Hij, in onze zwakheid is Hij krachtig! Wanneer we het, in al onze zwakheid, goed achten wat God verkiest te doen, dan hebben we een vertrouwensband met God waar we ‘(dank) U’ tegen kunnen zeggen. Wees daarom maar niet ontmoedigd wanneer je zwakheid duidelijk zichtbaar is voor de mensen om je heen, of wanneer je zwakheid daarentegen juist verborgen blijft voor eventuele omstanders. God wil door middel van deze zwakheid Zijn heil aan je hart verkondigen. Hij wil je in genade laten ervaren dat de kracht van Christus over je zal tabernakelen. Jij hoeft niet sterk te zijn om thuis te kunnen komen, de Zoon is sterk voor jou geweest! De hemelse Vader kan zowel fysieke als mentale belemmeringen gebruiken om Zijn kracht in ons te voltooien. Beide hoeven daartoe niet te worden weggenomen, maar kunnen worden aangewend om ons te leren niet (langer) op het voor mensen zichtbare te kijken. Beide kunnen worden aangewend om ‘hetgeen nu nog niet gezien wordt’ te gaan leren opmerken. Beide kunnen worden aangewend om ons te richten op het leven dat nooit meer voorbij zal gaan! … daar wij niet ‘het kijken’ opmerken, maar het ‘niet kijken’; want ‘het kijken’ is tijdelijk, maar het ‘niet kijken’ is aionisch. 112 | EÉN VOOR ALLEN

Het is alleen wel waar dat het menselijkerwijs moeilijker te begrijpen valt wanneer onze zwakheid geen fysieke maar een mentale belemmering betreft. We zullen in acht moeten nemen dat ‘het kijken op het zichtbare’ evengoed kan slaan op een innerlijke toestand in dit leven, die geestelijk gezien ‘een kortstondige, lichte verdrukking van een ogenblik’ kan worden genoemd wanneer de aionische heerlijkheid daarvoor in de plaats wordt gesteld. ~ Onderonsje ~ Omdat ik, vanwege ziekte, een aantal beperkingen in het dagelijks leven ondervond, kwamen er bij tijd en wijle wat mensen van mijn kerkelijke gemeente langs ter bemoediging. Zo ook deze keer. De man en vrouw die mij bezochten vertelden mij een bijzonder verhaal over een vrouw van wie de man kanker had gekregen. ‘Mijn man is er de laatste tijd hard op achteruit gegaan,’ had de vrouw van de desbetreffende man verteld. ‘En dat is aan hem te zien geweest ook! Er zit gewoon “geen leven meer in”, zoals je dat wel kunt noemen.’ Vervolgens kreeg haar echtgenoot een bloedtransfusie en een waar wonder voltrok zich voor haar ogen: haar man kwam weer helemaal tot leven! ‘Wat geweldig toch, dat het zo werken mag,’ dacht de vrouw bij zichzelf… en opeens was ze zich nog van iets anders heel diep bewust. De bloedtransfusie en ‘het tot leven komen van haar man’ deed haar aan het bloed van de Zoon denken, als een soort geestelijk beeld dat haar op het netvlies stond gebrand. ‘Zo werkt het natuurlijk ook met het bloed van de Zoon, dat voor ons gevloeid heeft,’ dacht ze. ‘Dit brengt voor ons hét leven voort en wat een verschil is dat nu al… en wat een verschil zal dat in de toekomst zijn!’ Een geweldig ‘Beeld’, dat ik jouw netvlies niet had willen onthouden. — Nu is het natuurlijk mooi dat een dergelijke mogelijkheid als bloedtransfusie bestaat, maar het feit ligt er dat het ‘leven’ dat wij onszelf probeEEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 113

ren in te blazen slechts van voorbijgaande aard zal zijn. Wij kunnen het daarom, wat het geloof aangaat, maar beter aan Gods levensadem overlaten Zijn oude schepping nieuw te maken, omdat het ware leven dat Hij inblaast met Zijn Geest niet meer aan bederf onderhevig is en nooit meer voorbij zal gaan. Zoals onze hemelse Vader de Schepper van de vergankelijke oude schepping was, zo zal Hij ook de Schepper van de onvergankelijke nieuwe schepping zijn (zowel waar het de innerlijke als de uiterlijke mens betreft). Het bloed van de Zoon zal de levensadem van God uiteindelijk naar Zijn ganse schepping weten te transporteren… om deze nieuw te maken! God wil door middel van onze zwakheid Zijn heil aan ons hart verkondigen. Hij wil ons in genade laten ervaren dat de kracht van Christus over onze tijdelijke woonplaats zal tabernakelen. Dit kan voor mensen uiteraard verwarrend zijn, maar denk anders nog eens aan het vloekhout waaraan de Zoon ‘schitterde’. In mensenogen was er geen glansrol voor Hem weggelegd, in mensenogen was Hij geen ‘Lichtend Voorbeeld’. Maar in Góds ogen? In Gods ogen was dit dé manier om te tonen hoe machtig en krachtig de liefde is. En zo werkt het ook met ons, vergankelijke schepselen. Wanneer God aan onvolmaakte schepselen volmaakte liefde betoont, dan laat dat alleen maar zien hoe machtig en krachtig Hij is. Nu zijn wij uiteraard de Zoon niet – en we kunnen onszelf ook niet met Hem vergelijken – maar waar God voor de ogen van de ganse schepping de kwetsbaarheid van Zijn Zoon ogenschijnlijk in Zijn nadeel heeft laten werken, daar heeft Hij in werkelijkheid alle ‘soevereiniteiten en volmachten’ ontmanteld. Waar de vloekdood van de Zoon met afgrijzen werd aanschouwd, daar stelde God de soevereiniteiten en volmachten in vrijmoedigheid tentoon door Hem op te wekken uit de dood, te verheerlijken en de Naam boven alle naam te geven, hiermee onvoorstelbare toekomstige heerlijkheid voor de ganse schepping zeker stellend! ‘Hij heeft de overheden en machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en zo over hen gezegevierd.’ (Kolossenzen 2 vers 15, NBG-vertaling) 114 | EÉN VOOR ALLEN

‘De soevereiniteiten en de volmachten ontmantelend, stelt Hij hen in vrijmoedigheid tentoon, daarin over hen zegevierend.’ (Concordante Vertaling) En waar God zegevierde en iets onbeschrijfelijk geweldigs uit de dood van Zijn Zoon kon voortbrengen, daar kan God ook onze kwetsbaarheid gebruiken om er iets goeds uit voort te laten komen (temeer wanneer Hij ons eveneens zal opwekken en verheerlijken en een plaats naast Zijn Zoon zal geven). Wie zich desalniettemin blijft blindstaren op de zwakheid van de mens – of dat nu een persoonlijke zwakheid aangaat of de zwakheid van een ander betreft – die heeft op dat vlak nog niet ontvangen op een geestelijke manier waar te nemen. ‘Ziet slechts, broeders, wat gij waart, toen gij geroepen werdt: niet vele wijzen naar (letterlijk: in overeenstemming met) het vlees, niet vele invloedrijken, niet vele aanzienlijken (edelen). Integendeel, wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren (verkiest God uit) om de wijzen te beschamen (opdat de wijzen te schande worden), en wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren (verkiest God uit) om wat sterk is te beschamen (opdat de sterken te schande worden); en wat voor de wereld onaanzienlijk (van geringe afkomst) en veracht (klein) is, heeft God uitverkoren (verkiest God uit), dat, wat niets is, om aan hetgeen wèl iets is, zijn kracht te ontnemen (buiten werking te stellen), opdat (zodat) geen vlees zou (zich zal be)roemen voor (het aangezicht van) God.’(1 Korintiërs 1 vers 26-29, NBG-vertaling) Wat voor de wereld dwaas is, verkiest God uit; opdat de wijzen te schande worden. Wat voor de wereld zwak is, verkiest God uit; opdat de sterken te schande worden. Wat voor de wereld van geringe afkomst en klein is, verkiest God uit, dat, wat niets is… om hetgeen wel iets is buiten werking te stellen. Zodat geen vlees zich zal beroemen voor het aangezicht van God! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 115

‘Wie (letterlijk: zich be)roemt, (be)roeme (zich) in de Here (Heer).’ (1 Korintiërs 1 vers 31, NBG-vertaling) Wanneer God zwakke mensen gebruikt tot meerdere eer en verheerlijking van Zijn Naam, dan wordt op deze wijze meteen alle verschil in waarneming duidelijk. Er vindt een van God gegeven schifting plaats. Waar draait het immers om in het geloof? Om de sterkte van de mens… óf om de kracht van Zijn Geest die ons op een geestelijke wijze standvastig maakt? ‘(…) opdat Hij jullie zou geven in overeenstemming met de rijkdom van Zijn heerlijkheid in kracht standvastig gemaakt te worden door Zijn Geest in de innerlijke mens (…)’ (Efeziërs 3 vers 16, Concordante Vertaling) Gaat het om menselijke bekwaamheid… of om de bekwaamheid die uit God is? ‘Niet dat wij uit onszelf bekwaam zijn iets als óns werk in rekening te brengen, maar onze bekwaamheid is Gods werk (letterlijk: uit God…)’ (2 Korintiërs 3 vers 5, NBG-vertaling) ‘Want het kortstondige, lichte van onze verdrukking werkt voor ons een alles te boven gaand, een bovenmate aionisch gewicht aan heerlijkheid uit (…)’ lazen we in 2 Korintiërs 4 vers 17 vanuit de Concordante Vertaling. Natuurlijk hebben we dat draagvermogen niet vanuit onszelf, want wij zullen fysieke of mentale (over)belasting vanuit de mens nooit kunnen ervaren als een verdrukking van kortstondige en lichte aard. Daarnaast schrikken wij vaak nog zo van menselijke zwakheden en belemmeringen en daar speelt de tegenstander vervolgens handig op in. Veel gelovigen proberen zwakheden te verdoezelen omdat ze, naar hun idee, toch sterk moeten zijn in het geloof om zodoende een goed getuigenis te kunnen zijn voor God. Laat ik vooropstellen dat de bedoeling van deze mensen uiteraard heel erg goed kan zijn en ik wil daarnaast ook helemaal niets afdoen aan een goed getuigenis voor God, maar God gaat heel anders te werk: God wil dat we een goed getuigenis zijn door juist in onze zwakheid en belem116 | EÉN VOOR ALLEN

meringen van Hem te leren getuigen. Waarom? Zodat we zullen wijzen op de Zoon Die, tot eer van de Vader, het werk op een volmaakte en God welgevallige wijze voor ons volbracht heeft. Zodat we onze hemelse Vader de dank en eer zullen geven voor het goede werk dat Hij onder ons onderneemt en ook voltooien zal! ‘(…) hiervan overtuigd, dat Hij Die onder jullie een goed werk onderneemt, het voltooien zal tot aan de dag van Jezus Christus.’ (Filippenzen 1 vers 6, Concordante Vertaling) Onze hemelse Vader is uit op waarheid in ons innerlijk en daarvoor is nodig dat we gaan zien op Zijn Zoon Die onze Redder en Heer is; op hetgeen Hij voor ons tot stand heeft gebracht… waarin wij kunnen leren standhouden door Gods vermogen. Dit om Gods liefde te kunnen gaan ervaren die ons, soms immens lijdende, hart op geestelijke wijze vertroosten en helen kan. Zo God het geeft zouden we daarom, als Paulus, kunnen zeggen: ‘Genade bergt mij, tegenstander… en niets anders! Ook al kan ik mijzelf niet redden… de Zoon van God is mijn Redder!’ ‘In het belemmerde, in het toegeslotene, maakt Hij ons wijsheid bekend (…)’ lazen we in Psalm 51 vers 8 vanuit de Concordante Vertaling. Door de bekendmaking van Zijn liefde aan ons hart zal God, onze Vader, juist ons zwakste punt dat zo’n belemmering vormt – en waar de tegenstander maar al te graag zijn voet op zetten wil – tot een ‘dragen vanuit Zijn vermogen’ maken. ‘Maar uit Hem is het, dat gij in Christus Jezus zijt, die ons van God is geworden: wijsheid, rechtvaardigheid (letterlijk: gerechtigheid), heiliging en verlossing (vrijkoping), opdat het zij, gelijk geschreven staat: Wie (zich be)roemt, (be)roeme (zich) in de Here (Heer). (1 Korintiërs 1 vers 30 en 31, NBG-vertaling) We mogen leren ons juist in al onze fysieke en mentale zwakheden te beroemen in onze Heer! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 117

Ooit heb ik iemand eens een verhaal horen vertellen over de liefde. Het verhaal beschreef dat liefde niet zozeer een emotie is, maar veel meer een instelling. ‘Waar mensen liefde koppelen aan persoonlijke emoties, daar worden emoties de drijfveer achter hun daden en komen ze uiteindelijk enkel op zichzelf uit. Door liefde te koppelen aan een instelling – een instelling die zich kan aanpassen al naar gelang wat nodig is in een bepaalde situatie – worden mensen minder star, kunnen ze hun emoties beter relativeren en komen ze uiteindelijk eerder op de belangen van meerderen uit…’ was de strekking van het verhaal. Gods Woord schrijft daar ook over in Filippenzen 2 vers 4: ‘Heb niet alleen uw eigen belangen voor ogen, maar ook die van de ander.’ (De Nieuwe Bijbelvertaling) ‘Laat ieder niet alleen letten op zijn eigen belangen, maar ook op die van ieder ander.’ (Concordante Vertaling) Los van de vraag of we dit nu wel of niet vanuit de mens zouden moeten kunnen realiseren, is het in dit leven onmogelijk het iedereen naar de zin te maken. Daarom kan het dan ook gebeuren dat iemand die niet heeft ontvangen geestelijk te denken het geestelijke belang dat je nastreeft persoonlijk heel anders ervaart en bijvoorbeeld als ‘liefdeloos’ aanmerkt. Je zult niet de eerste zijn die hierin verkeerd beoordeeld wordt en zeker niet de laatste! Jezus had immers het belang van ons allemaal op het oog en toch werd Hij door het gros van de mensen verkeerd ingeschat en vonden veel mensen in zijn tijd het offer dat Hij bracht bespottelijk. Er zijn vandaag de dag overigens legio mensen die precies dezelfde mening zijn toegedaan. De Zoon van God lette niet op Zijn eigen belang, maar op het belang van de ganse schepping! Vanuit emotie reageren en handelen is geen mens vreemd en is dan ook te begrijpen. Maar, laten we wel wezen, vanuit emotie reageren is ik-ge118 | EÉN VOOR ALLEN

richt… terwijl de liefde dat allermínst is! Wanneer we het echter hebben over ‘Gods weg van liefde volgen’ dan kan dat aanvoelen als jezelf opgeven – iets wat voor de een een groter obstakel zal vormen dan voor de ander. Het gaat echter allemaal veranderen wanneer we gaan beseffen dat wij een dergelijke liefde helemaal niet vanuit de mens hoeven te kunnen opbrengen, maar dat deze in ons innerlijk wordt bewerkstelligd door Gods vermogen. ‘Gods weg van liefde volgen’ wordt niet in menselijke kracht tot stand gebracht, maar in de kracht van Degene Die het goede werk onder ons begonnen is en dat werk ook voltooien zal. De hemelse Vader komt de dank en eer toe voor de standvastige, oprechte, bereidwillige en inschikkelijke geest die Hij in onze harten schept! Zowel de oude als de nieuwe schepping is van Zijn levensadem afhankelijk. Geestelijke rijkdom is een verrijking die je incasseringsvermogen enorm zal opvijzelen en dat is zeker geen overbodige luxe in deze tijd. Je kunt vanuit Gods vermogen op een geestelijke wijze staande blijven waar je anders, onder de druk van de voet van de tegenstander, eenvoudigweg bezwijken zou. God maakt het vanuit Zijn scheppingskracht mogelijk dat je gaat leren waarnemen in overeenstemming met de genade die aan de ganse schepping verschenen is. Daarnaast zal deze rijkdom je dichter bij je eigen hart brengen dan je zelf ooit voor mogelijk had gehouden. Hoe dat kan? Waar onze hedendaagse maatschappij veel te veel op uiterlijkheden afgaat, daar gaat Gods aandacht allereerst uit naar de gesteldheid van de innerlijke mens. Je zou het kunnen vergelijken met een restaurateur van oude meubels. Met uiterste precisie en grote liefde voor het vak verwijdert een restaurateur laag voor laag alle oude verf die in de loop der jaren ter bescherming van een meubel werd aangebracht. Op dezelfde wijze zal God, met uiterste precisie en grote liefde voor het vak, alle verharding , die daar ter bescherming was aangebracht laag voor laag van ons verouderde hart verwijderen. Hij zal ons hart verjongen door een verandering van onze denkzin, een machtig proces waarin we onszelf zullen leren kennen zoals we door onze hemelse Vader Zelf gekend en geliefd zijn. Wat God doet is ons in eerste instantie van ‘ons innerlijk kruis’ verlossen. Hij laat ons van ons innerlijk kruis afkomen… tot lof, eer en glorie van Zijn heilige Naam! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 119

ZWAKHEID Verdriet, lijden en pijn, een eenzame weg, maar U doorziet! Verdriet, lijden en pijn, maar Uw Vaderhart gaat dieper, Uw allesomvattende liefde wijkt niet! Verdriet, lijden en pijn, maar U schenkt geestelijke draagkracht, ontkent mijn gevoelen niet! Verdriet, lijden en pijn, mogen er zijn want U vertroost en heelt mijn hart, U, Die mijn totale zwakheid ziet! 120 | EÉN VOOR ALLEN

HOOFDSTUK 6 WIE DENkT U DaT U BENT? ‘Wie denkt u dat u bent ? Bezit u ook maar iets dat u niet geschonken is? Alles is u geschonken, dus waarom schept u dan op alsof u het zelf verworven hebt?’ – 1 KORINTIËRS 4 vers 7, De Nieuwe Bijbelvertaling EEN mOmENTjE RUST Wanneer we in ons dagelijks leven gaan zien op de Zoon, kunnen we nog steeds van de wijs worden gebracht door de tegenstander die ons het vuur na aan de schenen legt met onze zogeheten ‘overlevingsdrift’. Onze menselijke natuur komt naar boven en… daar gaan we weer! We hebben een dilemma alweer snel op een menselijke manier ‘opgelost’ zonder er eerst eens rustig over nagedacht te hebben wat in dezen een geestelijke benaderingswijze zou kunnen zijn. Wij, mensen, noemen iemand met een dergelijke overlevingsdrift soms sterk, een krachtige persoonlijkheid. Veel zaken die de wereld als ‘zwak’ of ‘sterk’ aanmerkt zijn dat in geestelijke zin echter juist niet. Dit kun je bijvoorbeeld lezen in Spreuken 16 vers 32 (NBG-vertaling): ‘Een lankmoedig mens overtreft een held, wie zijn geest beheerst, hem die een stad inneemt.’ De Nieuwe Bijbelvertaling zegt hier: ‘Beter een geduldig mens dan een vechtjas, beter zelfbeheersing dan een stad veroveren.’ ‘Lankmoedig zijn’ betekent zoveel als in staat zijn veel te verdragen. Geestelijk gezien is een sterke persoonlijkheid daarom niet zozeer iemand die met veel bombarie voor zijn recht opkomt, maar veeleer iemand die in staat is verdragen, iemand die zich beheersen kan, zelfs wanneer deze beheersing kan betekenen dat het eigen recht in het gedrang zal komen. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 121

(Dit betekent overigens niet dat een dergelijk geestelijk beheersen of verdragen uitsluit dat iemand voor het eigen recht opkomt.) ‘Lankmoedig zijn… in staat zijn veel te verdragen?! Oké, dus dat betekent: werk aan de winkel!’ Het is echter niet zo dat een dergelijke verdraagzaamheid bewerkstelligd zou moeten worden door middel van menselijke vermogens die geestelijk gezien absoluut niet toereikend zijn en Gods welgevallen ook niet kunnen wegdragen. Gods liefde stelt in staat veel te (ver)dragen! Dat Gods liefde mensen in staat stelt veel te (ver)dragen, betekent in sommige gevallen dat we in staat zullen worden gesteld onrecht te (ver)dragen. (Dit in tegenstelling tot de gelovigen waarover gesproken wordt in 1 Korintiërs 6 vers 1 tot en met 8, waar broeders tegen broeders opstonden en er blijkbaar niemand onder hen was die uitspraak kon doen, waarna ze hun zaak lieten beslechten door ongelovigen.) Het kan in andere gevallen ook betekenen dat we niet zomaar zonder meer over ons heen laten lopen. Zo vertelde iemand eens: ‘Liefde kan ook onverzettelijk zijn.’ Dat betekent dat we wel degelijk onze grenzen mogen aangeven, of dat nu leuk wordt gevonden of niet. De vraag is wel wanneer en hoe we dat doen. Doen we dat nadat we eerst jarenlang in menselijke kracht hebben geprobeerd ‘een goede gelovige te zijn’ door onze persoonlijke frustratie te onderdrukken? Hoe goed bedoeld ook, op den duur zal een dergelijke handelwijze haar tol eisen omdat we hebben geprobeerd ‘een vulkaan die op uitbarsten staat’ te bedwingen in menselijke kracht. Een dergelijke actie is nu eenmaal tot mislukken gedoemd. Het vraagt op de lange duur te veel van onze vermogens en het is daarom niet verwonderlijk dat een uitbarsting in dat geval gepaard zal gaan met ‘groot vuurwerk’. Dat is te wijten aan onkunde, machteloosheid, langdurige zelfopoffering – mogelijk omdat ons dat zo geleerd werd – verbittering, rancune, woede en zo meer, wanneer we dan uiteindelijk jaren later alsnog toekomen aan datgene wat in onze ogen ‘onrechtvaardig’ heet. Nu is er niets op wachten tegen, ware het niet dat de dooreenwerper in dergelijke voortslepende situaties veel gemakkelijker voet aan de grond zal kunnen krijgen in ons hart. Efeziërs 4 vers 25 tot en met 27 vertelt ons: 122 | EÉN VOOR ALLEN

‘Legt daarom de leugen af en spreekt waarheid, ieder met zijn naaste, omdat wij leden zijn van elkander. Geraakt gij in toorn, zondigt dan niet: de zon mag niet over een opwelling van uw toorn ondergaan; en geeft de duivel geen voet.’ (NBG-vertaling) ‘Spreekt daarom, de valsheid afleggend, waarheid, eenieder met zijn naaste, omdat wij leden zijn van elkaar. Toornen jullie en zondigen niet? Laat de zon niet ondergaan over jullie ergernis, geeft ook geen plaats aan de dooreenwerper.’ (Concordante Vertaling) Wanneer we ‘waarheid spreken met elkaar’, dan gaat het aanvankelijk niet om menselijke waarheid, maar om Gods waarheid. Daarnaast kunnen we onze persoonlijke menselijke waarheden beter eveneens naar elkaar toe uitspreken wanneer deze ons in de weg lijken te staan, anders zal het op een gegeven moment zover komen dat de ergernis zich steeds meer opstapelt en de stem van de dooreenwerper gehoor krijgt in ons hart. Vervolgens is het nog maar een kleine stap voor we onze eigen waarheid in de plaats te gaan stellen van de waarheid waarvan Gods liefde spreekt, omdat we met onze menselijke ogen geen andere oplossing van de problemen meer zien. Nu is het een Bijbels principe om van dag tot dag te leven. Matteüs 6 vers 34 leert ons (NBG-vertaling): ‘Maakt u dan niet bezorgd tegen de dag van morgen, want de dag van morgen zal zijn eigen zorgen hebben; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.’ Wanneer Gods liefde ons in staat stelt om iedere avond in harmonie de dag af te sluiten, dan kunnen zaken als verbittering en zo meer – die allemaal heel erg menselijk, herkenbaar en begrijpelijk zijn – geen wortel meer schieten. Let op: dergelijke emoties en gevoelens mogen er wel zijn, maar kunnen dan geen opeenstapeling van onrust en onvrede meer vormen in ons hart. ‘We hoeven iedere avond maar tot het randje van ons bed,’ drukte een spreker het eens zo beeldend uit. We hoeven in wezen maar per dag te leven, en zo is er ook geen mogelijkheid meer dat zaken ‘dag in dag uit moeten worden meegetorst’. Zaken die, vanuit de mens gezien, tussen God en ons in komen te staan omdat de tegenstander grip krijgt op ons innerlijk. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 123

Er is een manier om op een geestelijke wijze in harmonie te zijn. Allereerst in harmonie met onze God en vervolgens in harmonie met die ander. Dit geldt ongeacht de vraag of die ander nu precies hetzelfde ervaart, want het kan immers heel goed zijn dat je gesprekspartner iedere gelegenheid tot strijd het liefst met beide handen aangrijpt en je van eenzelfde handelwijze beticht wanneer je daartegen in verweer zou gaan. ‘Daarom verliezen wij de moed niet (letterlijk: zijn we niet ontmoedigd, wanhopig), maar al vervalt ook onze uiterlijke mens, nochtans wordt de innerlijke van dag tot dag vernieuwd (weer nieuw gemaakt).’ (2 Korintiërs 4 vers 16, NBG-vertaling) Vervolgens zal deze vernieuwde relatie met onze hemelse Vader op een positieve wijze kunnen doorwerken naar al die andere mensen waarmee we in relatie staan. Niet om alles maar te bagatelliseren door te doen alsof zaken die kunnen spelen in een relatie, kerkelijke gemeente of daarbuiten, wel eventjes in één dag op te lossen zouden zijn… dat niet. Maar dit betekent dat ons draagvermogen dag aan dag vernieuwd wordt. De zon gaat niet meer onder over onze persoonlijke ergernis en de dooreenwerper heeft het nakijken. Wanneer je over je onvrede of de onvrede van die ander in gesprek gaat met je hemelse Vader zul je dat kunnen ervaren als een rustmoment. Een ‘geestelijke slaap’ – maar dan in de positieve zin – die je dag aan dag nodig hebt om bemoedigd, vernieuwd en uitgerust te kunnen opstaan. De nieuwe dag kan beginnen! TOT TIEN TELLEN Jezus was geen speelbal, maar liet toe dat de mensen met Hem solden voordat Hij de vloekdood stierf. De Zoon beheerste in ultieme mate Zijn geest en was in staat alles te (ver)dragen. Wij, gewone mensen, zullen nooit en te nimmer in Zijn schaduw kunnen staan… en dat hoeft gelukkig ook niet! Waar het op neerkomt is dat menselijke vermogens bij lange na niet voldoen aan Gods norm en dat ze dan ook reële grenzen behoren te hebben. Soms moet er eenvoudigweg ‘paal en perk’ aan iets worden ge124 | EÉN VOOR ALLEN

steld, juist vanwege ons menselijk onvermogen. Wanneer de grenzen van de redelijkheid worden overschreden, hoeven we onszelf niet ‘bij wijze van gunst’ over te leveren aan de grillen van anderen. Op dergelijke wijze beriep Paulus zich in zijn dagen dan ook op zijn Romeins staatsburgerschap: ‘Moogt gij een Romein, en dat zonder dat hij een vonnis heeft, geselen?’ (Handelingen 22 vers 25, NBG-vertaling) ‘Indien ik echter schuldig ben en een halsmisdaad gepleegd heb, verzet ik mij niet tegen een doodvonnis; maar indien er niets waar is van datgene, waarvan dezen mij betichten, dan kan niemand mij bij wijze van gunst aan hen uitleveren: ik beroep mij op de keizer!’ (Handelingen 25 vers 11, NBG-vertaling) Natuurlijk handelde deze situatie met Paulus over iets heel anders, maar deze geschiedenis geeft wel aan dat we niet overal mee akkoord hoeven te gaan. En al kan ons verweer dan door anderen als ‘een strijd tegen mensen’ worden opgevat, dit hoeft het van onze kant uit in het geheel niet te zijn. We kunnen wel degelijk zaken aan de kaak stellen maar de uitkomst van deze zaken desalniettemin aan God overlaten, omdat we voor onze erkenning of genoegdoening niet meer afhankelijk zijn van mensen. Om op een geestelijke wijze ‘tot tien te leren tellen’ is het belangrijk dat we gaan beseffen dat datgene wat God vrede noemt niet uit de mens voortkomt en, als gevolg daarvan, ook niet vanuit de mens naar Gods bedoeling uitgewerkt kan worden. In Johannes 14 vers 27 getuigt Jezus niet voor niets (NBG-vertaling): ‘Vrede laat Ik u, mijn vrede geef Ik u; niet gelijk de wereld die geeft, geef Ik hem u.’ De Nieuwe Bijbelvertaling: ‘Ik laat jullie vrede na; mijn vrede geef ik jullie, zoals de wereld die niet geven kan. Maak je niet ongerust (letterlijk: wordt niet verstoord, niet in beroering gebracht) en verlies de moed niet (laat uw hart niet bevreesd zijn).’ Je kunt in deze tekst voor ‘niet verstoord worden – niet in beroering worden gebracht’ ook lezen: ‘niet uit het lood geslagen zijn’, een uitdrukking uit de bouwwereld. Met behulp van een schietlood kan men nagaan of alles in het lood – dat wil zeggen loodrecht – staat. Wanneer je emotioneel EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 125

door een grote klap je balans of evenwicht kwijt bent, kun je dus figuurlijk gesproken ‘uit het lood geslagen’ zijn. Door geestelijke vrede worden we echter in staat gesteld de moed niet te verliezen en niet bevreesd te zijn, en dat is wat ons weer in balans zal brengen. Waar we het vanuit de menselijke psyche helemaal niet meer kunnen zien zitten, daar voorkomt geestelijke vrede dat we niet meer weten hoe we verder moeten en daar kan onze psyche uiteraard wel bij varen. Efeziërs 6 vers 10 tot en met 12 (NBG-vertaling) zegt: ‘Voorts, weest krachtig in de Here en in de sterkte zijner macht. Doet de wapenrusting Gods aan, om te kunnen standhouden tegen de verleidingen des duivels; want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten.’ De Concordante Vertaling geeft aan: ‘Voor het overige, mijn broeders, wordt krachtig gemaakt in de Heer en in de macht van Zijn sterkte. Doet de hele wapenrusting van God aan, opdat jullie stand kunnen houden tegen de strategieën van de dooreenwerper, want het is voor ons geen worsteling met bloed en vlees, maar standhouden tegen de soevereiniteiten, tegen de gevolmachtigden, tegen de wereldmachten van deze duisternis, tegen de geestelijke (ook wel: spirituele) machten van de boosheid te midden van de hemelingen.’ Het is de hele wapenrusting van God waarmee mensen in staat worden gesteld stand te houden tegen de strategieën van de dooreenwerper, die ons terneergedrukt wil houden. Daartoe is het belangrijk te gaan beseffen dat we geestelijk gezien als mens nergens zijn zonder Hem; we worden krachtig gemaakt in de macht van de sterkte van onze Heer. Het is voor ons geen worsteling met bloed en vlees – of dat nu een fysieke of mentale worsteling met bloed en vlees aangaat – dus laten we dat er alsjeblieft niet van maken! Deze tekst legt onomstotelijk vast dat we, wanneer we dénken vanuit onszelf stand te kunnen houden tegen de strategieën van de dooreenwerper – of zelfs denken te kunnen strijden tegen degene die alles door elkaar werpt – bedrogen zullen uitkomen. Ogenschijnlijk kunnen we wel een (klein) succesje boeken, maar geestelijk gezien is het de waanzin ten top. 126 | EÉN VOOR ALLEN

Wanneer de zon ondergaat over onze ergernis, dan wordt er plaats gegeven aan de dooreenwerper. De van God gegeven geestelijke verkwikking blijft uit en er treedt – met betrekking tot onze innerlijke mens – verval in plaats van herstel op. Wanneer we echter door Gods liefde getrokken worden om Zijn Woord te openen en met onze Vader over al ons ongerief te spreken, dan zal Hij ons innerlijk van dag tot dag vernieuwen, zodat het menselijk on(ver)draaglijke door Zijn vermogen draaglijk wordt. (Hiermee wil ik niet suggereren dat het te allen tijde de voorkeur zou krijgen het onverdraaglijke te dragen, maar dan gaat het uiteraard over meer dan over ‘ergernis’ alleen.) Als we dit principe doorkrijgen dan wordt het ook mogelijk dat de volgende tekst uit Efeziërs 4 vers 29 (NBG-vertaling) gaat functioneren binnen onze relaties: ‘Geen liederlijk woord kome uit uw mond, maar als gij een goed (NBG: woord) hebt, tot opbouw, waar dit nuttig is, opdat zij, die het horen, genade ontvangen.’ ‘Laat geen enkel bedorven woord uit jullie mond uitgaan, maar spreekt, indien er een goed woord is voor de benodigde opbouw, opdat het genade zou geven aan wie horen.’ (Concordante Vertaling) ‘Bedorven woorden’ spreken die in ongenade doen vallen, of ‘goede woorden’ spreken die genade geven! Want wat levert al die menselijke strijd met bedorven woorden ons nu uiteindelijk op? 2 Timoteüs 2 vers 14 geeft antwoord op deze vraag: ‘Blijf dit in herinnering brengen en betuig in de tegenwoordigheid van God (letterlijk: voor het aangezicht van de Heer), dat men geen woordenstrijd moet voeren, die tot niets nut is (naar binnen in niets bruikbaar is), (ja) verderf (omverwerping) brengt aan wie ernaar horen.’ (NBG-vertaling) Een woordenstrijd – let op: een eerlijk, openhartig en mogelijk ook ‘pittig’ gesprek is heel wat anders en kan soms heel hard nodig zijn (!) – levert ons geestelijk gezien absoluut geen winst op, maar brengt enkel omverwerping van alles wat ons lief is in dit leven teweeg. Het doet in ongenade vallen in plaats van dat het genade zou geven! Er is dus wel degelijk een verschil tussen onze mening geven en een flinke stap verder gaan door EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 127

omwille van die mening te gaan strijden wanneer onze persoonlijke overtuiging geen voedingsbodem bij die ander vindt. Dat is nu net het verschil tussen discussiëren en polariseren. ‘Waar het in een discussie gaat om “samen op zoek zijn”, daar worden in een polariserend gesprek tegenstellingen op de spits gedreven,’ gaf iemand eens aan. ‘Hete hoofden, koude harten.’ De vraag is: hebben Gods liefde en genade zodanig tot ons hart gesproken dat we niet langer op een dergelijke wijze in het leven willen blijven staan? Roept de ons door God geschonken genade op tot genade geven… of lopen wij hier persoonlijk nog niet van over? Mensen kunnen zich niet vanuit menselijke vermogens krachtig maken om stand te kunnen houden tegen de strategieën van de dooreenwerper, laat staan dat ze als winnaar uit de bus zouden kunnen komen wanneer ze er daadwerkelijk tegen zouden gaan strijden. Dat heeft het verleden in de hof van Eden – dus zelfs al voordat de mensheid sterfelijk werd – allang uitgewezen. Om stand te kunnen houden tegen de strategieën van de dooreenwerper zullen we op Gods liefde gericht moeten worden en dat kan alleen als we op de Zoon gaan zien. Als we leren zien op de Heer om geestelijk krachtig te kunnen worden gemaakt, in de macht van Zijn sterkte. Hierbij moeten we echter niet vergeten dat het zien op de Zoon al een genadegave is van God aan de mens. ‘Want aan jullie is de genade geschonken, voor Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden, dezelfde worsteling hebbend die jullie in mij zien en nu over mij horen.’ (Filippenzen 1 vers 29, Concordante Vertaling) Daarna zal God ons leren in Zijn Zoon stand te houden tegen de strategieën van de dooreenwerper, doordat we in staat worden gesteld de hele wapenrusting van God aan te trekken. Waar wij menselijk gezien aan de grond zitten, daar kunnen wij leren in de macht van de sterkte van onze Heer stand te houden tegen alles wat duisternis heet. Standhouden in de Zoon geeft de juiste eer aan Gods Naam en is daarom welgevallig voor God. Van Hem is onze redding… Hij is onze onneembare toevlucht! 128 | EÉN VOOR ALLEN

Psalm 62 vers 2 en 3 (NBG-vertaling) zegt, ons ter lering: ‘Waarlijk, mijn ziel keert zich stil tot God, van Hem is mijn heil (letterlijk: redding), mijn burcht (onneembare toevlucht), ik zal niet te zeer wankelen (niet meer uitglijden).’ We hoeven ons echt niet te verbeelden dat het hier ‘een menselijk niet meer uitglijden’ betreft; dat wist David als geen ander. Wanneer onze harten en onze gedachten bewaard worden in Christus Jezus is dat een van God gegeven onneembare toevlucht voor de strategieën van de dooreenwerper. Het gaat erover dat God ons vaste grond onder onze voeten kan geven, waarop we staande kunnen blijven. In de Zoon is ‘uitglijden’ passé, een gepasseerd station. Wij zijn niet onwankelbaar… dat is Hij! ‘Hem nu, die u voor struikelen kan behoeden (letterlijk: Nu, voor Hem Die in staat is jullie te bewaken voor struikelen) en onberispelijk doen staan voor zijn heerlijkheid in grote vreugde (en smetteloos, met gejuich, te doen staan in het aangezicht van Zijn heerlijkheid), (voor) de enige God, onze Heiland (Redder), zij door Jezus Christus, onze Here (door Jezus Christus, onze Heer), (zij) heerlijkheid, majesteit, kracht en macht vóór alle eeuwigheid (macht en gezag voor de hele aion), èn nu èn in alle eeuwigheden (en in al de aionen)! Amen.’ (Judas, vers 24 en 25, NBG-vertaling) … Hem Die in staat is jullie te bewaken voor struikelen en smetteloos, met gejuich, te doen staan in het aangezicht van Zijn heerlijkheid… Er is dan ook geen menselijk roemen bij God. 1 Korintiërs 1 vers 30 en 31 (Concordante Vertaling) liet geen onduidelijkheid bestaan over het antwoord op de vraag Wiens keuze het was dat wij in Christus Jezus zijn: ‘Maar uit Hem is het, dat gij in Christus Jezus zijt, die ons van God is geworden: wijsheid, gerechtigheid, heiliging en vrijkoping, opdat het zij, gelijk geschreven staat: Wie zich beroemt, beroeme zich in de Heer.’ Hij is onze Rots in de branding van het leven! De dooreenwerper is er echter op uit ons te laten geloven dat we op onze menselijke (on)vermogens zouden moeten blijven zien in plaats van op de Zoon van God. Hij werpt alles door elkaar en doet daarmee de naam EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 129

die hem gegeven is eer aan. We zijn niet alleen gericht op onze eigen (on) vermogens, maar veelal in meerdere mate op die van onze medemens. ‘Jezelf uitstrekken naar Gods vrede in Christus Jezus’ is dan ook helemaal niet zo gemakkelijk als het lijkt. Nu kunnen mensen zichzelf wel aanleren om in gedachten tot tien te tellen wanneer ze op het punt staan hun geduld te verliezen, maar bij een geestelijk ‘tot tien tellen’ komen roemloosheid en verootmoediging om de hoek kijken. Het heeft met beheersing te maken, met ergens geduldig onder blijven staan zolang als nodig is, met volharding. Dit zijn stuk voor stuk genadegaven van God aan de mens. We lazen eerder in Spreuken 16 vers 32 (NBG-vertaling): ‘Een lankmoedig mens overtreft een held, wie zijn geest beheerst, hem die een stad inneemt.’ Waar Gods liefde echter over ultiem uithoudingsvermogen beschikt, daar schieten wij, mensen, ten opzichte van elkaar – en ten opzichte van onze God – altijd tekort. ‘De God nu (letterlijk: echter) der volharding en der vertroosting geve u eensgezind van hetzelfde gevoelen te zijn naar (NBG: het voorbeeld van) (in overeenstemming met) Christus Jezus, opdat gij eendrachtig uit één mond (eensgezind in één mond) de God en Vader van onze Here (Heer) Jezus Christus moogt verheerlijken.’ (Romeinen 15 vers 5 en 6, NBGvertaling) De God echter van de volharding en de vertroosting… geve u. Laten we daar dan ook maar mee beginnen, met het feit dat Híj geeft! De mens heeft vanuit zichzelf niets mee te brengen. Goddelijke eensgezindheid komt niet voort uit menselijke vermogens, maar is geestelijk en heeft te maken met Gods vermogen tot volharden en vertroosten. Dit kan voor ons ego dan wel onaangenaam zijn om te horen – wij houden immers zo graag vast aan onze fiere en gekoesterde zelfstandigheid en zelfredzaamheid – maar het eensgezind verheerlijken wordt door Gods vermogen tot stand gebracht. Ga maar na: wij kunnen vanuit de mens niet bewerkstelligen op een geestelijke wijze ‘eensgezind van hetzelfde gevoelen te zijn in overeenstemming met Christus Jezus’, laat staan dat we vanuit de mens in staat zouden zijn om op een God welgevallige wijze ‘eensgezind in één mond de God en Vader van onze Heer Jezus Christus te verheerlijken’. 130 | EÉN VOOR ALLEN

En zo zijn ‘Gods vrede bewaren’ en ‘God voor je laten strijden’ eveneens zaken die niet in overeenstemming zijn met onze menselijke natuur, ze kunnen haaks op onze persoonlijke voorkeur staan. Het is dan ook niet zo dat mensen die gelovig zijn nooit meer uit hun slof zouden kunnen schieten. Ook gelovige mensen zijn vanuit zichzelf niet anders; zij weten zichzelf juist als alle anderen. 1 Korintiërs 3 vers 21 (NBG-vertaling) zegt het zo treffend: ‘Daarom, niemand beroeme zich op mensen (…)’ Dus ook niet op gelovige mensen! Het probleem is dat wij dat nu juist wél doen. Wij willen ons zo graag op mensen kunnen beroemen, en zeker waar het gelovige mensen aangaat! Anderzijds nemen we mogelijk in ogenschouw hoe huichelachtig die gelovige medemens soms kan zijn, om vervolgens te concluderen dat we er zelf tenminste eerlijk voor uitkomen een scheve schaats te rijden (waarmee we dan evengoed denken onszelf te kunnen onderscheiden ten opzichte van die ‘o, zo gelovige’ medemens). Feitelijk stoelen deze menselijke redeneringen op één en dezelfde gedachte. Ze zijn zogezegd ‘van hetzelfde laken een pak’ en gaan uit van de mens die hét onderscheid dient te maken. Gods Woord maakt daar echter korte metten mee: ‘Wie denkt u dat u bent ? Bezit u ook maar iets dat u niet geschonken is? Alles is u geschonken, dus waarom schept u dan op alsof u het zelf verworven hebt?’ (1 Korintiërs 4 vers 7, De Nieuwe Bijbelvertaling) ‘Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt? En indien gij het dan ontvangen hebt, wat beroemt gij u (letterlijk ook wel: grootspreken, opscheppen), alsof gij het niet ontvangen hadt?’ (1 Korintiërs 4 vers 7, NBG-vertaling) Zo kunnen gelovigen weleens een air hebben van: ‘wij doen het allemaal zo goed’ of dat kan, soms ten onrechte, zo worden opgevat. In de praktijk EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 131

van het dagelijks leven blijken gelovigen vanuit zichzelf echter helemaal niet zo ‘geheel anders’ te zijn. ‘Dit zeg ik dan en betuig ik in de Here, dat gij niet langer moogt wandelen zoals ook de heidenen wandelen, in de ijdelheid van hun denken, verduisterd in hun verstand, vervreemd van het leven Gods om de onwetendheid, die in hen heerst, om de verharding van hun hart. Zij hebben zich immers in hun verdoving overgegeven aan de losbandigheid om gretig winst te slaan uit allerlei onreinheid. Maar gij geheel anders: gij hebt Christus leren kennen.’ (Efeziërs 4 vers 17-20, NBG-vertaling) In Efeziërs 4 staat dan ook niet: ‘Maar gij geheel anders (…)’ In de grondtekst lezen we: ‘Júllie echter leerden de Christus zo niet (…)’ Concordante Vertaling: ‘Dit dan zeg en getuig ik in de Heer, dat júllie niet meer wandelen zoals ook de natiën in de ijdelheid van hun denkzin wandelen, die in hun inzicht verduisterd zijn en van het leven van God vervreemd, door de onwetendheid die in hen is door de vereelting van hun hart. Zij zijn afgestompt en geven zichzelf over aan de losbandigheid in het bedrijven van alle onreinheid in hebzucht. Júllie echter leerden de Christus zo niet (…)’ Ook de Statenvertaling (Jongbloed-editie) spreekt hierover: ‘Doch gij hebt Christus alzo niet geleerd (…)’ Nu zou je kunnen zeggen: ‘Zie je nou wel, daar staat het toch?! We moeten niet meer wandelen zoals de natiën wandelen: in de ijdelheid van denkzin, verduisterd in inzicht, van het leven van God vervreemd door onwetendheid door de verharding van ons hart. We moeten niet langer afgestompt zijn en ons overgeven aan de losbandigheid, in het bedrijven van alle onreinheid in hebzucht. Dus… daar moeten we dan toch zeker zelf voor kiezen?!’ Mag ik je er dan aan helpen herinneren wat er in Romeinen 9 vers 18 staat? Daar staat dat God barmhartig is over wie Hij wil en dat Hij ook verharden zal wie Hij wil. 132 | EÉN VOOR ALLEN

‘Hij ontfermt Zich dus (letterlijk: Hij is barmhartig) over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil.’ (NBG-vertaling) ‘Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt (letterlijk: rent), maar van God, die Zich ontfermt (van Gods barmhartigheid).’ (Romeinen 9 vers 16, NBG-vertaling) ‘(…) opdat het (letterlijk: uit)verkiezend voornemen Gods zou blijven, niet op grond van werken, maar op grond daarvan, dat Hij riep (…)’ (Romeinen 9 vers 11, NBG-vertaling) Het handelt hier dan ook niet over mensen die vanuit zichzelf – omdat zij zulke goede gelovigen zouden zijn – zo ‘geheel anders’ zijn. Het handelt hier over de Zoon; over Christus! Efeziërs 4 vervolgt dan ook in vers 20 tot en met 24: ‘Maar gij geheel anders: gij hebt Christus leren kennen. Gij toch hebt van Hem gehoord en zijt in Hem onderwezen, gelijk dit de waarheid is in Jezus, dat gij, wat uw vroegere wandel betreft, de oude mens aflegt, die ten verderve gaat, naar zijn misleidende begeerten, dat gij verjongd wordt door de geest van uw denken, en de nieuwe mens aandoet, die naar (de wil van) God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid.’ (NBG-vertaling) ‘Júllie echter leerden de Christus zo niet, aangezien jullie Hem toch horen en in Hem onderwezen werden (zoals in Jezus de waarheid is), opdat jullie afleggen wat in overeenstemming is met het eerdere gedrag, de oude mensheid die verdorven is in overeenstemming met de begeerten van de verleiding, opdat jullie echter verjongd worden in de geest van jullie denkzin en de nieuwe mensheid aandoen, die in overeenstemming met God geschapen wordt in gerechtigheid en goedgunstigheid van de waarheid.’ (Concordante Vertaling) Dit is Gods barmhartigheid over ons: ‘Júllie echter leerden de Christus zo niet, aangezien jullie Hem toch horen en in Hem onderwezen werden, zoals in Jezus de waarheid is, opdat jullie afleggen…’ Hier kunnen wij niet zelf voor kiezen, maar dit is het uitverkiezend voornemen van God! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 133

Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke. Want in genade zijn jullie geredden, door geloof, en dit niet uit jullie zelf; het is Gods naderingsgave, niet uit werken, opdat niemand zich beroemen zal. Want aan jullie is de genade geschonken, voor Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden. Daarom zijn wij niet ontmoedigd of wanhopig want al vervalt onze uiterlijke mens, de innerlijke wordt van dag tot dag weer nieuw gemaakt. Paulus boog zijn knieën opdat God het mensen zou geven in overeenstemming met de rijkdom van Zijn heerlijkheid in kracht standvastig gemaakt te worden door Zijn Geest in de innerlijke mens. Wij zijn niet uit onszelf bekwaam iets als óns werk in rekening te brengen, maar onze bekwaamheid is uit God. Hiervan overtuigd, dat Hij Die onder jullie een goed werk onderneemt, het voltooien zal tot aan de dag van Jezus Christus. Uit Hem is het, dat gij in Christus Jezus zijt, die ons van God is geworden: wijsheid, gerechtigheid, heiliging en vrijkoping, opdat het zij, gelijk geschreven staat: Wie zich beroemt, beroeme zich in de Heer. Wie denkt u dat u bent? Bezit u ook maar iets dat u niet geschonken is? Alles is u geschonken, dus waarom schept u dan op alsof u het zelf verworven hebt? ‘Geschapen worden in gerechtigheid en goedgunstigheid van de waarheid’ duidt zonder omhaal op Gods scheppingskracht die met Zijn schepping aan de gang is. Wanneer we denken dat we vanuit onszelf heilig of rein, vernieuwd, oprecht, standvastig en bereidwillig naar Gods welgevallen kunnen zijn, gaan we ten diepste voorbij aan wat Zijn scheppingskracht voor ons betekent. We geven God niet de gepaste dank en eer voor 134 | EÉN VOOR ALLEN

wat Hij met Zijn liefde doet in ons leven. Het is geen werk van mensenhanden, maar: ‘Dank U wel, Vader!’ ‘Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.’ (Efeziërs 2 vers 10, NBG-vertaling) ‘Want Zijn maaksel (Grieks: poièma > het effect van Zijn daad) zijn wij, die geschapen worden in Christus Jezus voor goede werken, die God van tevoren gereedmaakt, opdat wij daarin zullen wandelen.’ (Concordante Vertaling) Nu kun je uiteraard het vuur uit je sloffen willen blijven lopen… maar het echte werk dat God voor ogen staat komt daar dus niet uit voort. Het gaat om de werken die God van tevoren gereed heeft gemaakt opdat – dit is een Goddelijke belofte, dus nog steeds geen mensenwerk – wij daarin zullen wandelen. Geestelijke onwetendheid had verharding van ons hart tot gevolg; afgestompt zijn. God heft deze onwetendheid op met de geestelijke wijsheid en waarheid die Hij in ons hart legt. Het afleggen wat in overeenstemming is met het eerdere gedrag – de oude mensheid die verdorven is in overeenstemming met de begeerten van de verleiding – wordt in genade ontvangen. Je wordt verjongd in de geest van je denkzin en in staat gesteld de nieuwe mensheid aan te doen die in overeenstemming met God geschapen wordt in gerechtigheid en goedgunstigheid van de waarheid. Je mag je uitstrekken naar, en verheugen in, wat Hij met Zijn liefde in je hart bewerkstelligt! ‘(…) want God is het, die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt.’ (Filippenzen 2 vers 13, NBG-vertaling) De Nieuwe Bijbelvertaling geeft aan: ‘(…) want het is God die zowel het willen als het handelen bij u teweegbrengt, omdat het hem behaagt.’ ‘(…) want God is het, Die in jullie zowel het willen als het werken voor Zijn welbehagen bewerkt.’ (Concordante Vertaling) EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 135

God maakt dat: • we niet meer willen wandelen zoals de natiën in de ijdelheid van hun denkzin wandelen; • we niet meer in ons inzicht verduisterd zijn; • we niet langer van het leven van God vervreemd zijn; • we niet meer afgestompt zijn en onszelf overgeven aan de losbandigheid in het bedrijven van alle onreinheid in hebzucht. Wanneer we al deze zegeningen zo eens op een rijtje zetten, kunnen we dan ook concluderen dat gelovige mensen zich juist dieper bewust zouden kunnen zijn van het feit dat zij vanuit zichzelf geen enkel onderscheid maken. Gelovige mensen zijn vanuit zichzelf niet anders... maar weten zichzelf temeer als alle anderen! ‘(…) en wij waren van nature kinderen van toorn (letterlijk: verontwaardiging) zoals ook de overigen (…)’ (Efeziërs 2 vers 3, Concordante Vertaling) We keren terug naar het onderwerp: voor een geestelijk ‘tot tien tellen’ komen roemloosheid en verootmoediging om de hoek kijken. De innerlijke overtuiging dat het de liefde van God is die in ons innerlijk hét onderscheid maakt. Een geestelijke beheersing en volharding door de bewustwording van wat Zijn Vaderliefde voor jezelf, je medemens en uiteindelijk ook de ganse schepping, betekenen mag. ‘Houdt vrede onder elkander.’ (1 Tessalonicenzen 5 vers 13, NBG-vertaling) – wat soms zo gemakkelijk met de mond beleden kan worden – is in de dagelijkse praktijk vaak verre van gemakkelijk en lijkt daarbij ook af te hangen van wat mensen zelf onder vrede verstaan. Als mensen ervaren we het begrip vrede allemaal op een persoonlijke wijze. De een zal in zijn dagelijks leven onder vrede verstaan: ‘Kom op, gooi het er maar lekker uit! Dat is veel beter dan alles opkroppen… zolang je elkaar nog maar niet de hersens inslaat,’ terwijl de ander al gaat zweten bij het idee van een mo136 | EÉN VOOR ALLEN

gelijke woordenwisseling en zodoende bij voorbaat al van slag kan zijn. Waar ‘vrede naar de mens’ voor iedereen iets anders kan inhouden, daar zal Gods vrede echter altijd dezelfde zijn. In Romeinen 12 vers 18 lezen we ook over vrede (NBG-vertaling): ‘Houdt zo mogelijk (letterlijk: indien bij machte zijn), voor zover het van u afhangt, vrede met alle mensen.’ Laten we eerst onderkennen dat de mensen waar we van onze kant uit vrede mee houden deze vrede vanuit hun kant absoluut niet als zodanig hoeven te ervaren, dat is namelijk in de regel juist niet het geval. We mogen ons er verder ook van bewust zijn dat vrede vanuit de mens God niet welgevallig kán zijn omdat wij, ten eerste, al niets mee te brengen hebben voor God. Vrede vanuit menselijke vermogens – hoe blij we er ook mee kunnen zijn en hoe goed we het ook bedoelen – volstaat geestelijk gezien niet, het kan de toets van Gods welgevallen niet doorstaan. Wanneer we het hebben over ‘vrede houden met alle mensen’ dan valt dat uiteraard wel te proberen vanuit de mens, maar we zullen alleen hetgeen we zelf aan vrede ervaren in ons innerlijk kunnen uitdragen naar anderen… en ons menselijke hart kent van nature zo veel onvrede! ‘De mens, uit een vrouw geboren, is kort van dagen en zat (letterlijk: verzadigd) van onrust.’ (Job 14 vers 1, NBG-vertaling) De Nieuwe Bijbelvertaling: ‘Een mens, geboren uit een vrouw – kort zijn zijn dagen, doordrenkt van onrust.’ Vrede onder elkander houden heeft geestelijk gezien niets van doen met een menselijk goed doen naar menselijke maatstaven, vanuit menselijke ijver voor God of wat dan ook. Vrede met alle mensen komt tot stand door een geestelijk ‘bij machte zijn’. De Statenvertaling zegt het als volgt in Romeinen 12 vers 18 (Jongbloed-editie): ‘Indien het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen.’ Wanneer onze doelstelling is om vanuit de mens vrede voor God te beEEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 137

werkstelligen, dan gaat dat ons niet lukken. Het is al een hele kunst om menselijke vrede na te streven, laat staan dat we aan geestelijke vrede zouden toekomen! De vrede waar hier over gesproken wordt heeft te maken met de maatstaf van geloof. Het gaat over een ontvangen geestelijk vermogen zoals we eerder lazen in Romeinen 12 vers 3 (NBG-vertaling): ‘Want krachtens (letterlijk: door) de genade, die mij geschonken is, zeg ik een ieder onder u: koestert geen gedachten, hoger dan u voegen (wees niet hooggezind), maar gedachten tot bedachtzaamheid (gezind zijn naar binnen in verstandig zijn), naar de mate van het geloof, dat God elkeen in het bijzonder heeft toebedeeld (iedereen, zoals God de maatstaf van het geloof toebedeelt).’ Wanneer Gods Woord spreekt over vrede gaat het niet over menselijke vrede of over wat mensen onder vrede verstaan, maar over Gods vrede en over wat God onder vrede verstaat. ‘En de vrede van God, die al het denken te boven gaat (letterlijk: die aan alle denkzin superieur is), zal jullie harten en jullie gedachten verzekerd bewaren in Christus Jezus.’ (Filippenzen 4 vers 7, Concordante Vertaling) De vraag die we ons daarom kunnen stellen is: Wie stelt ons in staat tot vrede ten opzichte van alle mensen? Laten we in alle ootmoedigheid Zijn aangezicht zoeken om op een geestelijke wijze ‘tot tien te leren tellen’ en het bij ‘elf’ ook daadwerkelijk aan God te kunnen overlaten! NOU TEVREDEN?! Gods vrede is een vrede die niet ‘van mensen’ of ‘van de wereld’ is. Zij wordt ontvangen in Christus Jezus. Er zal daarom altijd nog wel wat op ons, mensen, aan te merken blijven, niemand vormt daar van zichzelf een uitzondering op. Ieder mens schiet tekort wanneer het om geestelijke vrede gaat. Deze vrede houdt overigens niet in dat we moeten toegeven aan de grillen van anderen om hen maar zo veel mogelijk tevreden te stellen. Bovendien zouden we dan steeds meer gefixeerd kunnen raken op de 138 | EÉN VOOR ALLEN

vraag of die andere mensen wel echt ‘zo tevreden’ zijn, want we offeren er toch niet voor niets zo veel voor op?! Zo blijkt uit de praktijk van het dagelijks leven vaak eens te meer dat we er, wanneer we proberen anderen tevreden te stellen, steeds op toe moeten leggen… en dat er zelfs dán nog altijd wel wat te zeuren overblijft. ‘Wat is nu het uiteindelijke rendement?’ gaan we onszelf – menselijk gezien logischerwijs – afvragen… en dat is nou precies het levensgrote verschil met de belangeloze liefde van God: God heeft in liefde alles voor ons opgeofferd en verwacht daar helemaal niets voor terug! Vrede heeft te maken met de maatstaf van het geloof dat ons door God wordt toebedeeld. Het gaat over een ontvangen geestelijk vermogen ‘goed te doen zoveel in ons is’. De mensen waar we van onze kant uit vrede mee houden hoeven deze vrede dan ook helemaal niet als zodanig te ervaren. Misschien gaan zij wel steigeren van een dergelijke vrede! We hoeven onszelf per slot van rekening alleen maar even in herinnering te brengen hoeveel menselijke moeite er in ons eigen leven vaak al aan vooraf is gegaan voordat er in een bepaalde situatie geestelijke vrede in onze harten werd bewerkstelligd. Daarnaast is het onmogelijk alle mensen om ons heen altijd maar tevreden te stellen en er zullen daarom ook altijd wel mensen zijn die, van hun kant uit, niet met ons door één deur zullen kunnen. Of misschien ben je zelf wel uitgerekend die persoon die niet met een ander door één deur kan… Deze zaken zijn immers geen mens vreemd. Vanuit de mens hebben wij echt niets hoog te houden! Ook kunnen mensen soms het idee krijgen dat je niets meer met hen te maken wilt hebben wanneer je geestelijk gezien enkel gepaste afstand wilt bewaren vanwege veelvuldige insinuaties, gestook, gedraai of gekonkel. En zo kan geestelijke vrede voor jezelf een rustpunt betekenen, waar diezelfde geestelijke vrede voor een ander juist een reden tot nog meer onrust is. Want, stel je voor, dat je niet meer – of niet meer zo snel (want we blijven mensen, die nog weleens aan de verleiding willen toegeven) – ingaat op insinuaties, gestook, gedraai of gekonkel…? Dát is natuurlijk niet de bedoeling! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 139

Aan ‘wensen van mensen’ voldoen is niet de doelstelling van God. Het valt dan ook te verwachten dat sommige mensen op de teentjes zullen worden getrapt door een dergelijke geestelijke houding, omdat ze eenvoudigweg hun zin niet krijgen. ‘Doch een ongeestelijk (letterlijk: ziels) mens aanvaardt (ontvangt) niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan (kennen), omdat het slechts geestelijk (op een geestelijke wijze) te beoordelen is.’ (1 Korintiërs 2 vers 14, NBG-vertaling) Soms kunnen we dan ook gedemotiveerd of ontmoedigd raken door de reacties van anderen op een geestelijke levenswijze. Waarom lijkt het nog steeds alsof er niks veranderd is…? Er hoeft maar dít te gebeuren en alles ligt weer overhoop! En je blijft maar slikken want dat is toch je christenplicht?! Mensen verzuren… ondanks hun ‘christenplicht’. Vanuit plichtmatigheid legt men eerst te veel ballast op de eigen schouders, om vervolgens – wanneer dat uiteindelijk toch niet vol te houden blijkt – te veel ballast op de schouders van die ander te leggen. We gaan per definitie niet uit van het principe dat ieder zijn eigen maatstaf van geloof van God krijgt toebedeeld, maar kijken elkaar aan op onderlinge verschillen. We maken er een strijdpunt en – als het even kan – een slagveld, van. Er ontstaat een opening voor verwijdering; verbittering steekt de kop op en uiteindelijk zijn we er he-le-maal klaar mee! ‘Eigenlijk heb ik al veel te lang veel te veel mijn best gedaan.’ denk je. Je ontdekte gaandeweg dat er iets kapot was gegaan… en menselijk gezien kan zo’n reactie heel erg logisch zijn. Mensen zijn nu eenmaal ingesteld op menselijke liefde, vrede en rust. Mogelijk ga je pas jaren later bij God te rade: ‘Trouwe Vader, ik weet het niet meer! Maar ik ga het niet meer doen vanuit mijn eigen kracht, want dat dat niet werkt heeft het verleden wel uitgewezen. Ik zou graag willen dat Uw liefde mij weerbaar maakt en dat U mij leert hoe 140 | EÉN VOOR ALLEN

ik mijn grenzen op een goede manier kan aangeven. Tot slot wil ik ook die ander bij U brengen.’ En dan komt er eindelijk ruimte om op een geestelijke wijze vrij te ademen! Waar zijn ten opzichte van God, maakt dat we kunnen leren waar te zijn ten opzichte van onszelf, en ten opzichte van onze medemens. Strijden tegen mensen die niet met je door één deur lijken te kunnen of proberen alle mensen tevreden te stellen staat God niet met ‘waar zijn’ voor ogen. Je zou trouwens maar net iemand tegenover je treffen die eenvoudigweg niet tevreden te stellen ís…! Steeds maar weer slikken om vanuit menselijke vermogens een poging te wagen God te behagen is daarnaast erg ongezond. Vroeg of laat is de rek er uit en knapt het lijntje van onze vermogens. We hebben onszelf, in menselijke kracht, veel te lang ingehouden, met alle gevolgen van dien. Wat onze zwakte is grijpt nu drie maal zo hard om zich heen en mogelijk gaan we pas jaren later bij God te rade… Zoals ik al zei: ‘Aan wensen van mensen voldoen is niet de doelstelling van God.’ Gods liefde is geen ‘kleffe bedoening’ of ‘slappe hand’. Over Zijn Eigen Zoon waren de mensen dan ook allerminst tevreden; Jezus werd het meest miskend van ons allemaal. Gods ‘houden van’ is niet gerelateerd aan de mate van tevredenheid van onze medemens. Op een geestelijke wijze vrede onder elkaar houden komt juist tot uitdrukking wanneer mensen het oneens zijn met elkaar. ‘In een verschil van mening heeft ieder standpunt zijn eigen waarde. Veel te veel christenen denken dat een meningsverschil hetzelfde is als muiterij. Dat is niet waar. Genade laat ruimte genoeg voor zo af en toe een fikse aanvaring. Iemand zei eens: “God behoudt Zich het recht voor mensen te gebruiken die het niet met mij eens zijn.” Er zijn tijden dat God ervoor kiest Zijn evangelie in verschillende richtingen te EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 141

verbreiden; als twee van Zijn dienaren uit elkaar gaan en de Heer op verschillende plaatsen met succes gaan dienen, bereikt Hij een groter doel dan wanneer zij hun meningsverschillen zouden oplossen.’1 Je kunt jezelf uitstrekken naar dat moment in de toekomst waarop alle leugen ontmaskerd zal worden en er totaal geen twijfel meer zal bestaan over wat waarheid is en wat niet. Ik sprak eens iemand die het als volgt verwoordde: ‘Het maakt me niet meer zo veel uit wat mensen over mij “denken te weten”, als ik maar weet hoe God over me denkt… en Hij weet gelukkig precies hoe het zit!’ God zal ‘het verborgene van de duisternis’ verlichten en de raadslagen van de harten openbaar maken. ‘Daarom, velt geen oordeel (letterlijk: richt niet) vóór de (het juiste) tijd(stip), dat de Here (tot de Heer) komt, die ook hetgeen in de duisternis verborgen is, aan het licht zal brengen (Die het verborgene van de duisternis zal verlichten) en de raadslagen der harten openbaar maken. En dan zal aan elk zijn lof (de lofprijs) geworden van God.’ (1 Korintiërs 4 vers 5, NBG-vertaling) Vanuit de ontvangen onderkenning dat we God vanuit onszelf niet welgevallig kunnen zijn omdat we vanuit de mens niet geestelijk maar ziels zijn, kan God in ons de behoefte opwekken ons uit te strekken naar wat Hij vanuit Zijn liefde met dit menselijke onvermogen wil in ons leven en in het leven van die ander. Hetzelfde gaat op met betrekking tot de vrede van God, die aan alle denkzin superieur is. Deze vrede kan ons alleen maar geschonken worden in de Zoon Christus Jezus en daarom is ons persoonlijke onvermogen, en het onvermogen van al die andere mensen, niet voor niets. Hieruit zal temeer blijken dat zowel de uiterlijke als de innerlijke mens geheel afhankelijk is van Gods scheppingskracht. Voor de betoning van Zijn liefde is het immers noodzakelijk dat de ganse schepping gebracht wordt tot roemloosheid en verootmoediging voor Zijn aangezicht, zoals we lazen in 1 Korintiërs 1 vers 29 (NBG-vertaling): ‘(…) opdat (zodat) geen vlees zou (zich zal be)roemen voor (het aangezicht van) God.’ 142 | EÉN VOOR ALLEN

Er is geen ‘eigen verdienste’ bij God; Zijn liefde sluit dat juist uit. Tegenover onze roemloosheid zet God Zijn Zoon! Als mensen kunnen we onmogelijk vrede houden met alle mensen, al nemen de wereldheersers van deze tijd allerlei tekstschrijvers in de hand om ons van het tegendeel te overtuigen. Hoe harder men echter roept: ‘Vrede en veiligheid!’, hoe eerder men zal ontdekken dat de mens niet geleerd heeft van zijn eigen geschiedenis. 1 Tessalonicenzen 5 vers 3 zegt (NBG-vertaling): ‘Terwijl zij zeggen: het is (NBG: alles) vrede en rust (letterlijk: veiligheid, ook wel: niet wankelen), overkomt hun, als de weeën een zwangere vrouw, een plotseling verderf, en zij zullen geenszins ontkomen.’ Hoe toepasselijk op deze tijd van wereldwijde onrust, volksopstanden, economische recessie en zo meer. En niet alleen de aarde, maar Gods ganse schepping zucht in al haar delen en heeft weeën. ‘Want wij weten (letterlijk: hebben waargenomen), dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen (samen) zucht en in barensnood is (samen weeën heeft).’ (Romeinen 8 vers 22, NBG-vertaling) God welgevallige vrede is niet iets wat mensen bij zichzelf of bij anderen kunnen bewerken. Hoe zouden we dat überhaupt kunnen als we geestelijk gezien ‘in barensnood’ zijn…?! We hebben wel iets anders aan ons hoofd! Zo God het geeft ontvangen we daarom juist te onderkennen dat onze menselijke vermogens zwaar tekortschieten en dat is dan ook duidelijk zichtbaar in de (leef)wereld om ons heen: wij hebben het vermogen niet! Gods doel is dat we gericht worden op Zijn belangeloze en onvoorwaardelijke liefde. Vanuit deze liefde geestelijk leren leven verandert alles, want van God is de Zoon ons geworden tot: wijsheid, gerechtigheid, heiliging en vrijkoping. Vertel me eens: wat wil een mens geestelijk gezien nog meer?! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 143

UIT ‘jEZELF’ DOEN Jezus ging ons voor in nederigheid. Hij ging ons in ootmoedigheid voor als de minste slaaf. Jezus was Zichzelf uiterst bewust van Zijn persoonlijke afhankelijkheid van de Vader. We kunnen als gelovigen soms worstelen met de vraag of we dan nog wel iets vanuit onszelf voor God kunnen betekenen, maar laten we dan eerst eens kijken naar wat Jezus over Zichzelf heeft gezegd in Johannes 5 vers 30: ‘Ik kan van Mijzelf niets doen (…)’ (NBG-vertaling) We lezen daarnaast in Filippenzen 2 vers 5 tot en met 8 dat de Zoon ‘Zichzelf ontledigd heeft’ en gehoorzaam is geworden tot de dood: ‘Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises.’ (NBG-vertaling) De Concordante Vertaling zegt: ‘Laat immers deze gezindheid in jullie zijn, die ook in Christus Jezus is, die, in de gestalte van God, die Hem eigen is, het aan God gelijk zijn geen roof acht; niettemin maakt Hij Zichzelf leeg en neemt de gestalte van een slaaf aan. In de gelijkenis van de mens geworden en in gedaante als mens bevonden, verootmoedigt Hij Zichzelf, gehoorzaam wordend tot aan de dood, ja, de dood van het kruis.’ Hoe kunnen we dit nu met elkaar rijmen? ‘Vele gelovigen menen dat God de mens voor een latere vrije wil opvoedt, waarmee Hij dan Zijn soevereiniteit niet op het spel zet. Gods doel is echter niet de onafhankelijkheid van Zijn schepselen, maar hun blijmoedige onderschikking. En dat geldt zelfs die Ene en Enige aan wie God een vrije wil heeft kunnen toevertrouwen. Maar deze, de Zoon van God, wil hier geen aanspraak op maken en onderschikt Zich volledig aan de Vader. De Zoon wilde slechts Gods wil uitvoe144 | EÉN VOOR ALLEN

ren en deed dat ook. “(…) zie hier ben Ik, (…) om uw wil, o God, te doen.” (Hebreeën 10 vers 7 en 9, NBG-vertaling)’2 ‘(…) want Ik zoek niet mijn wil, doch de wil van Hem, die Mij gezonden heeft.’ (Johannes 5 vers 30, NBG-vertaling) We kunnen dit met elkaar rijmen wanneer we onderkennen dat het de gezindheid van de Zoon was die voor Zijn handel en wandel van doorslaggevend belang is geweest, en deze gezindheid was Hem door de Vader gegeven. ‘Hierom heeft Mij de Vader lief, omdat Ik mijn leven (letterlijk: Mijn ziel) afleg om het weder te nemen. Niemand ontneemt het Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af. Ik heb macht (ook wel: autoriteit) het af te leggen en macht het weder te nemen; dit gebod (deze richting) heb Ik van mijn Vader ontvangen.’ (Johannes 10 vers 17 en 18, NBG-vertaling) We kunnen het woord richting omschrijven als een gezindheid of denkwijze (zie Van Dale). De Zoon had een vrije wil en legde Zijn leven af, maar had tegelijkertijd de autoriteit daartoe van Zijn Vader ontvangen omdat Deze Hem de juiste gezindheid tot dit alles gegeven had. In Zijn leven hier op aarde gaf Jezus Zijn Vader dan ook de gepaste dank en eer voor de lering die Hem bewoog. In Johannes 7 vers 16 zegt Jezus (NBGvertaling): ‘Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem, die Mij gezonden heeft (…)’ Hoewel Jezus als Enige in Gods schepping daadwerkelijk over ‘een vrije wil’ beschikte, omdat Hij aan God gelijk was maar Zichzelf leeg gemaakt heeft, sprak Hij in alles Zijn persoonlijke afhankelijkheid van de Vader uit en gaf Hij God de erkenning die Hem rechtmatig toekwam. Ook in het woord Alue – een titel van onze Heer, die weergeeft dat Hij alles aan Zijn voeten zal onderschikken – zien we dat terug. ‘Alue (enkelvoud) komt 58 keer voor, waarvan 41 keer in het boek Job. De uitgang ‘-e’ in Alue geeft richting aan. Daarmee wordt Christus’ activiteit duidelijk. Wat Hij doet, is namelijk naar God toe.’3 EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 145

Alue heeft van Al – de titel van God, die ‘Onderschikker’ betekent – de autoriteit gekregen; de Zoon is door de Vader bekrachtigd om alles te kunnen uitvoeren volgens Gods vooropgezette plan. ‘De Geest van God (Al) werkt in en door Zijn Zoon (Alue). De Geest van Al en Alue beiden is steeds aan de orde in Alueim (meervoud). De Schrift gebruikt deze vorm meer dan 2000 keer. De uitgang ‘-im’ in Alueim geeft in dit verband aan, dat Al (God) door Zijn Geest werkt in en door Alue (de Zoon) en anderen die ook deelhebben aan deze Geest, zoals profeten en allen die worden aangestuurd door de heilige Geest, als onderschikkers (aan God), om Zijn plan uit te voeren.’4 Het Griekse woord voor ‘Heer’ is ‘Kurios’ en staat voor ‘Bekrachtigde’. Een titel die Jezus’ afhankelijkheid van de Vader aangeeft; de Vader is Degene Die de Zoon bekrachtigd heeft. ‘(…) want alles heeft Hij aan zijn voeten onderworpen (letterlijk: want alles onderschikt Hij onder Zijn voeten). Maar wanneer Hij zegt (echter spreekt), dat alles onderworpen is (dat alles ondergeschikt is), is blijkbaar Hij uitgezonderd (is het evident dat het is), die Hem alles onderworpen heeft (behalve Degene Die aan Hem alles onderschikkend is). Wanneer alles Hem onderworpen is (Wanneer echter alles aan Hem onderschikt), zal ook de Zoon Zelf Zich aan Hem onderwerpen (onderschikken), die Hem alles onderworpen heeft (Die alles aan Hem onderschikkende is…)’ (1 Korintiërs 15 vers 27 en 28, NBG-vertaling) Wanneer alles aan Hem onderschikt, zal ook de Zoon Zelf Zich aan Hem onderschikken, Die alles aan Hem onderschikkende is. En zo zie je in Kolossenzen 1 vers 15 dat de Zoon aangaande Zijn uiterlijk, alsmede aangaande Zijn innerlijk, uit de Vader is voortgekomen. ‘Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene (letterlijk: voorstvoortgebrachte) der ganse schepping (…)’ (NBG-vertaling) 146 | EÉN VOOR ALLEN

Jezus wilde dat de Vader alle eer toekwam en werd, mede daarvoor, een aardewerken instrument in Gods hand, opdat de bovenmate van de kracht, die alles te boven gaat, van God zou blijken… en niet uit Hem Zelf. In de gelijkenis van de mens geworden, en in gedaante als mens bevonden, heeft Hij Zichzelf verootmoedigd; Hij werd gehoorzaam tot aan de dood van het kruis. Zo werd Jezus de eerste mens op aarde die een ziel had maar niet ‘ziels’ was. ‘Aldus staat er ook geschreven: de eerste mens, Adam, werd een levende ziel (letterlijk: leeft naar binnen in ziel); de laatste Adam een levendmakende geest (maakt levend naar binnen in Geest).’ (1 Korintiërs 15 vers 45, NBGvertaling) ‘De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk (letterlijk: van de bodem, aardbodem), de tweede mens is (de Heer) uit de hemel.’ (1 Korintiërs 15 vers 47, NBG-vertaling) Door Zichzelf in volkomen afhankelijkheid van Zijn vader op te stellen, heeft de Zoon laten zien dat, met Hem, feitelijk álle schepselen in dezelfde volkomen afhankelijkheid staan van de hemelse Vader. ‘Want gelijk de Vader leven heeft in Zichzelf, heeft Hij ook de Zoon gegeven, leven te hebben in Zichzelf.’ (Johannes 5 vers 26, NBG-vertaling) De Zoon heeft door Gods gave van leven de dood overwonnen, en is daarop begonnen aan Zijn taak als Levensvorst om uiteindelijk alle schepselen de heerlijkheid te schenken die Hij Zelf van God ontvangen heeft, want de laatste Adam maakt levend naar binnen in de Geest! ‘Het Woord van God wordt voorgesteld als het kanaal van leven in zowel het lichamelijke als het geestelijke gebied, en ook als een licht in de heersende duisternis.’5 ‘Aan het begin van de oude mensheid zien we Adam als levende ziel, aan het begin van de nieuwe mensheid zien we Christus Jezus als levendmakende Geest. We kunnen hieruit niet concluderen dat de EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 147

Heer Jezus Christus in Zijn opstanding een geest is geworden. Niet alleen is Hij in staat de mens weer te doen opstaan uit de doden, dat was al bij Lazarus, het dochtertje van Jaïrus en de jongeling van Naïn gebleken: Hij is in staat levend te maken. Hij is Zelf levend gemaakt en vanaf dat moment gaat Hij iedereen levend maken.’6 ‘Uit zijn overvloed zijn wij allen met goedheid overstelpt (letterlijk: Want uit het Hem vullende verkregen wij allen ook genade voor genade). De wet is door Mozes gegeven, maar goedheid en waarheid zijn met Jezus Christus gekomen (de genade en de waarheid kwamen door Jezus Christus).’ (Johannes 1 vers 16 en 17, De Nieuwe Bijbelvertaling) Gerechtigheid Gods kan slechts door genade tot stand worden gebracht. De Nieuwe Bijbelvertaling zegt het zo in Romeinen 8 vers 3 en 4: ‘Waartoe de wet niet in staat was, machteloos als hij was door de menselijke natuur, dat heeft God tot stand gebracht. Vanwege de zonde heeft hij zijn eigen Zoon als mens in dit zondige bestaan gestuurd; zo heeft hij in dit bestaan met de zonde afgerekend, opdat in ons wordt volbracht wat de wet van ons eist. Ons leven wordt immers niet langer beheerst door onze eigen natuur, maar door de Geest.’ Wat een genadig God! Kortom: Gods Zoon liet er geen onduidelijkheden over bestaan. Wanneer we over ons eigen werk voor God nadenken dan is het goed om eens wat langer stil te staan bij het feit dat: • • Jezus getuigde dat Hij Zichzelf geheel afhankelijk wist van de werken die de Vader Hem te doen gaf; Jezus Zijn Vader de gepaste dank en eer gaf aangaande de gezindheid of denkwijze die Hij van Zijn Vader ontvangen had. Wanneer Gods Zoon al aangaf geheel afhankelijk te zijn van Zijn Vader, hoeveel temeer dan niet gewone mensen als jij en ik? 148 | EÉN VOOR ALLEN

Het Griekse woord voor ‘God’ is ‘Theos’ en betekent zoveel als ‘Plaatser’ of ‘Zetter’. Jezus getuigde dat Zijn Vader als Theos alle dankzegging en alle eer toekwam… Laten we dat nog even bedenken wanneer we zien op, rekenen met of getuigen van vermeende menselijke vermogens. ‘Jezus antwoordde: ‘Wanneer ik mezelf zou eren (letterlijk: Indien Ik Mijzelf zou verheerlijken), zou mijn eer niets betekenen (is Mijn heerlijkheid niets), maar het is de Vader die mij eert (het is Mijn Vader Die Mij verheerlijkt…)’ (Johannes 8 vers 54, De Nieuwe Bijbelvertaling) Met de erkenning van je eigen afhankelijkheid aan God als Theos – Degene Die alles in jouw leven op Zijn plaats zet – kun je je hemelse Vader de gepaste eer en dank gaan geven in je leven. Hij is immers Degene die jouw gezindheid bepaalt. Je bent niet bekwaam iets als jouw werk in rekening te brengen, maar je bekwaamheid is uit God. Want wie onderscheidt je? En wat heb jij, dat je niet ontvangen hebt? Je bent Zijn maaksel – het effect van Zijn daad – en wordt geschapen in Christus Jezus voor goede werken, die God van tevoren gereedmaakt, opdat je daarin zult wandelen! ‘(…) want God is het, Die in jullie zowel het willen als het werken voor Zijn welbehagen bewerkt.’ (Filippenzen 2 vers 13, Concordante Vertaling) ‘Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt (letterlijk: rent), maar van God, die Zich ontfermt (van Gods barmhartigheid).’ (Romeinen 9 vers 16, NBG-vertaling) ‘(…) opdat het (letterlijk: uit)verkiezend voornemen Gods zou blijven, niet op grond van werken, maar op grond daarvan, dat Hij riep (…)’ (Romeinen 9 vers 11, NBG-vertaling) Nu staan de dingen die wij voor God ontvangen te doen natuurlijk in geen verhouding tot datgene wat de Zoon ontving te bewerkstellingen en voor de Vader zal voleindigen… maar er vindt in dezelfde lijn geestelijke voortgang plaats. In Johannes 5 vers 20 lezen we vanuit de NBG-vertaling: ‘Want de Vader heeft de Zoon lief en toont Hem al wat Hij zelf doet, en Hij zal Hem grotere werken tonen dan deze, opdat gij u verwondert.’ EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 149

Zoals de Vader de Zoon liefheeft en Hem alles toont wat Hij doet, zodat de Zoon dat kan observeren en nadoen. Op dezelfde wijze heeft de hemelse Vader ook jou en mij lief en zal Hij ons tonen wat Hij – door middel van Zijn Zoon – doet, zodat wij – op onze beurt – weer in staat worden gesteld Zijn Zoon te observeren en na te doen. God bewerkt in ons daartoe de juiste gezindheid: het verlangen om op de Vader en de Zoon te lijken… want God is het, Die in ons zowel het willen als het werken voor Zijn welbehagen bewerkt. Wanneer we Gods onvoorwaardelijke liefde gaan waarnemen, dan wordt ons hart vervuld van geestelijke vreugde, al kan ons hart evengoed nog huilen omwille van dingen die we meemaken of omwille van hetgeen we om ons heen zien gebeuren. God richt ons echter op hetgeen Hij heeft bewerkstelligd met het offer van de Zoon, opdat hetgeen Hij in liefde heeft gedaan weerklank zal gaan vinden in onze harten. ‘Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben (letterlijk: liefhebben), maar dat Hij ons heeft liefgehad (liefheeft) en zijn Zoon gezonden heeft als een verzoening voor onze zonden (ook wel: missers).’ (1 Johannes 4 vers 10, NBG-vertaling) God richt ons… op Zijn verzoening! God heeft Zijn Zoon gezonden als een verzoening voor onze zonden… Wat voor weerklank zal dat – uiteindelijk – gaan vinden in onze harten? Het kan soms erg moeilijk zijn om andere mensen niet langer te blijven aankijken op wat ze verkeerd deden, datgene waarin ze ons hebben gekwetst. Ik proclameer dan ook in geen geval voortaan maar aan zaken als gekwetstheid voorbij te gaan. En al helemaal niet dit ‘op je eigen houtje’ te proberen wanneer het geen van God verkregen waarheid in je hart is, iets waarvan je door Gods liefde overtuigd bent geraakt en waartoe je door Zijn liefde wordt aangezet, iets waartoe het vloekhout je bewogen heeft! Hier geldt nog steeds de vraag of we al gevonden zijn door de liefde van onze hemelse Vader en of deze liefde de dragende kracht is geworden in ons leven. Wanneer we namelijk gaan beseffen dat Gods liefde onze ware rijkdom en welbevinden is, dan kunnen we leren alles op een geestelijk 150 | EÉN VOOR ALLEN

niveau te gaan verwerken, zowel de onvolkomenheid van die ander als die van onszelf. Daarmee keuren we verkeerde en kwetsende daden niet goed – evenmin als God dat Zelf doet – maar daarmee groeit het besef van de positie waarin we als schepselen ten opzichte van onze Schepper gesteld zijn. Hoe meer de dankbaarheid voor de geestelijke rijkdom die we zelf van God ontvangen hebben groeit, hoe meer de kracht van Zijn liefde ook zichtbaar kan worden in ons leven. Dat de Zoon van God Zelf van Zijn volledige afhankelijkheid aan God de Vader getuigde, kan ons vervullen met mededogen ten opzichte van onze medemens. Er komt ruimte in ons hart… Er komt ruimte voor innerlijk herstel wanneer het besef van de totale afhankelijkheid van God groeit, omdat je op een andere manier naar jezelf en vervolgens ook naar andere mensen kunt gaan leren kijken. Ook, of juist, binnen onze relaties is dit soms een heikel punt. We zijn vaak zo afhankelijk geworden van de erkenning van, bijvoorbeeld, onze partner dat dit voor ons een reden kan zijn om te gaan betwijfelen of we (nog) wel de juiste persoon naast – of (inmiddels) tegenover – ons hebben wanneer de erkenning die wij zelf in gedachten hadden uitblijft. Hiermee wil ik uiteraard niets afdoen van het feit dat we als mensen wel degelijk gebaat kunnen zijn met enige erkenning van andere mensen (zeker in onze kinderjaren), maar we zullen hier geen halszaak meer van maken wanneer we het in het Licht van Gods waarheid gaan zien. Het is een zegen van God wanneer je jezelf gaat uitstrekken naar Zijn vrede in Christus Jezus, met vallen en opstaan. Je bent dan voor jouw persoonlijke handel, wandel, erkenning, genoegdoening of welbevinden niet meer afhankelijk van andere mensen… maar komt terecht bij je hemelse Vader. Precies daar waar je uiteindelijk zijn moet! TOEkOmSTVERWacHTING Door een verkeerd beeld van God – en van wat Zijn liefde voor mij persoonlijk en voor de ganse schepping inhield – heb ik ook in mijn eigen EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 151

leven een veelheid aan beklemmende emoties en gevoelens ervaren. Dit kwam grotendeels omdat ik op een menselijke (lees: psychische) manier probeerde God te begrijpen en, van daaruit, probeerde zelf mijn eigen levensweg te bepalen. Een en ander draaide er op uit dat mijn wandel op den duur steeds minder overeenkwam met datgene waarover in Gods Woord gesproken werd dat goed voor je is. Sommige mensen die dit lezen kunnen nu denken: ‘Maak het jezelf in ’s hemelsnaam toch niet zo moeilijk!’ Terwijl anderen mogelijk denken: ‘Ja, inderdaad, wat heb jij allemaal wel niet gedaan in je leven.’ Maar in wezen draait het helemaal niet om wat andere mensen vinden wanneer het erover gaat hoe ik mijzelf tegenover God voelde. Tegenover God voelde ik mij onwaardig… En eigenlijk kan iedereen die diep in zijn hart kijkt zich daar – in meer of mindere mate – wel iets bij voorstellen. Waar ik als kind zo blij kon zijn over Jezus en de nabije toekomst met God, daar was al mijn hoop met het ouder worden inmiddels allang vervlogen. Alle kramp om ‘iets te moeten volbrengen’ had op den duur alleen maar tot een grote desillusie over mijzelf als gelovige en andere gelovigen geleid. Jarenlang kon ik geen christelijk lied meer horen, laat staan zingen, zonder er een brok van in mijn keel te krijgen. Altijd die dubbele en beklemmende gedachten! ‘Doe maar beter niet meer en luister maar beter niet meer,’ ging ik denken… Maar mijn leven nam toch een andere wending. Uiteindelijk ging ik mij afvragen wat God nu eigenlijk wilde met mijn leven en van lieverlee begon ook het besef te groeien dat de hemelse Vader toch als geen Ander moest weten hoe te vertroosten, hoe te bemoedigen. Ik was er zo aan toe om Gods mildheid te gaan ervaren in mijn leven. Kort daarop ontmoette ik op een verjaardag een vrouw die tegen mij zei: ‘Jij denkt dat je bij God bent weggeweest… maar weet je, God ziet dat heel anders, want Hij is nooit bij jou vandaan gegaan!’ Het raakte mij diep en de tranen stroomden me ter plekke over de wangen. Het viel ineens allemaal op Zijn plaats… In Gods aanwezigheid mocht ik Zijn Hart gaan verheugen zoals Hij het mijne deed! 152 | EÉN VOOR ALLEN

VERHEUGEN Een innerlijke muur van onbegrip… een dichtgeslagen deur, stil verdriet. In mijzelf verstrikt. Maar toen… slechtte Uw liefde mijn muur, opende de deur, en verlichtte de duisternis met Uw Licht. Schiep voor mij een nieuwe dag, voor Uw aangezicht. In de nood bleek Uw liefde zo nabij, waar de mijne was gezwicht! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 153

154 | EÉN VOOR ALLEN

HOOFDSTUK 7 WIE IN WIjSHEID WaNDELT ‘Wie op eigen hart vertrouwt, is een dwaas; maar wie in wijsheid wandelt, zal ontkomen.’ – SPREUKEN 28 vers 26, NBG-vertaling. Op GOD GERIcHT! In onze wereld staat volwassen worden voor onafhankelijkheid, maar een kenmerk van groei naar geestelijke volwassenheid is – hoe tegenstrijdig of dom dat naar menselijke maatstaven ook klinken mag – precies het tegenovergestelde. Geestelijk volwassen worden staat bij God juist voor het feit dat je je persoonlijke afhankelijkheid van je hemelse Vader gaat erkennen. Dat is toch frappant, niet…?! Marcus 10 vers 14 en 15 spreekt, ons ter lering: ‘Laat de kinderen tot Mij komen, verhindert ze niet; want voor zodanigen is het Koninkrijk Gods. Voorwaar, Ik zeg u: Wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt als een kind (letterlijk: als een kleine jongen of klein meisje), zal het voorzeker niet binnengaan.’ (NBG-vertaling) Hier zie je maar weer dat geestelijk denken haaks op menselijke principes en gedachten kan staan. Om je een voorbeeld te geven vanuit de praktijk – vergeef me de vergelijking: Toen mijn man voor zijn werk een paar weken naar het buitenland moest reed ik met mijn schoonvader mee naar de puppycursus voor onze hond. Ter plaatse aangekomen gaf mijn schoonvader zijn ogen goed de kost en constateerde zodoende dat de honden in het veldje naast dat van ons al ‘vergevorderd’ waren. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 155

Onderweg naar huis vertelde hij dat hem die ochtend iets was opgevallen: de vergevorderde honden keken continu naar hun baasjes, terwijl bij de puppycursus eerder het tegenovergestelde het geval was. ‘De baasjes waren meer met hun hond bezig dan andersom,’ lachte hij hoofdschuddend – mijn verwoede pogingen onze hond bij de les te houden in gedachten nemend. Later, toen mijn man weer terug was uit het buitenland, vertelde mijn schoonvader zijn bevindingen ook aan zijn zoon. ‘Inderdaad,’ gaf mijn man aan, ‘bij de puppycursus zijn de baasjes voortdurend intensief met hun honden bezig, maar wanneer de honden meer geoefend raken, en er een vertrouwensband is opgebouwd, dan worden de rollen van lieverlee omgedraaid en kijken de honden steeds meer naar hun baasjes.’ Mijn schoonvader dacht hier even over na en zei: ‘Dus een hond wordt eigenlijk geleerd met zijn baas bezig te zijn en niet andersom… dat is de hele opzet.’ ‘Precies!’ Een en ander zette mij aan het denken, want op vergelijkbare wijze kunnen mensen ook ‘getraind’ worden door God. Wanneer je het nog van je eigen vermogens verwacht en daar op gericht bent met betrekking tot het uitwerken van het geloof in je leven, dan is dat geestelijk gezien een handicap. Spreuken 28 vers 26 geeft aan (NBG-vertaling): ‘Wie op eigen hart vertrouwt, is een dwaas (letterlijk: dom); maar wie in wijsheid wandelt, zal ontkomen (ontsnappen).’ Geestelijk denken gaat uit van Gods vermogen, van de vertrouwensband die God, als Vader, met Zijn schepselen opbouwt. Het gericht worden op Gods vermogen is dan ook wijsheid bij God. We lazen eerder in 1 Korintiërs 2 vers 4 en 5: ‘(…) mijn spreken (letterlijk: woord) en mijn prediking (herautboodschap) kwam ook niet met meeslepende (overtuigende) woorden van (menselijke) wijsheid, maar met (in) betoon van geest en kracht, opdat uw geloof niet zou rusten op (niet is in) wijsheid van mensen, maar op (in) kracht van God.’ (NBG-vertaling) Zo kan het zijn dat mensen proberen elkaar op te voeden tot volwassenen in het geloof, maar totaal voorbijzien aan het geestelijke feit dat dit alleen in volkomen afhankelijkheid van God de Vader tot stand kan worden gebracht. 156 | EÉN VOOR ALLEN

‘Hebt u een paar pas-bekeerde christenen onder uw hoede? Wilt u hen helpen volwassen te worden? Dan zeg ik u hoe dat kan: geef hun de ruimte op te groeien tot verschillende mensen. Laat hen in hun eigen tempo groeien; laat hen leren zoals u dat ook deed, compleet met alle missers en fouten. Als u echt wilt dat de genade in hen ontwaakt en opbloeit, maak het hun dan minder moeilijk dan anderen voor u waren. Probeer niet hun gedachten in uw banen te leiden. Wees een voorbeeld van acceptatie en genade. Weiger iedere verleiding om een broeder of zuster een paar rake, geestelijke klappen te verkopen.’1 Waar mensen in beginsel zichzelf of anderen veelal een te grote rol toebedelen door met vermeende eigen vermogens bezig te zijn, daar kan God echter wel degelijk intensief met hen bezig zijn geweest. De mensen zelf zijn alleen nog niet zo ‘geoefend’ om hier Gods Vaderlijke liefde in te herkennen, omdat – al kan God wel vertrouwd aanvoelen – de band van vertrouwen met de hemelse Vader nog groeien moet. Wanneer mensen vervolgens meer geoefend raken en de band van vertrouwen met de hemelse Vader gegroeid is, worden de rollen van lieverlee omgedraaid. Dan gaan ze beseffen dat ze zelf niet in het middelpunt staan door hun eigen dienstbaarheid aan God, maar dat God – Die liefde is en doet – het absolute middelpunt van deze innerlijke en uiterlijke beweging is. Onze hemelse Vader leert ons het van Hem te gaan verwachten! ‘Baas-gericht’ noemen we dat in de vervolgcursus voor de hond. ‘God-gericht’ noemen we dat in de vervolgcursus van de mens. GEESTELIjkE aSSERTIVITEITSTRaINING Door de hartenkennis dat iedereen afhankelijk is van Gods genadegaven en Zijn scheppingskracht, worden mensen in staat gesteld het leven hier op aarde op een andere manier te beschouwen. Daaruit voortvloeiend kunnen we ook leren op een geestelijke manier met onderlinge verschillen om te gaan. Op menselijk vlak kan dit gebeuren wanneer mensen bijvoorbeeld een assertiviteitscursus volgen en vandaar dat het in dezen een EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 157

min of meer ‘geestelijke assertiviteitstraining’ betreft. Een assertiviteitstraining die bewerkt dat we volgens een andere dimensie – de geestelijke dimensie – leren waarnemen: • • • niet langer waarnemen naar wat voor ogen is, maar procesgewijs leren waarnemen vanuit Gods geestelijke oogpunt, door de ogen van Degene Die het al overziet; leren waarnemen door de ogen van Degene Die uiteindelijk iedere zondaar (letterlijk: doelmisser) zal trekken door Zijn liefde; leren waarnemen in overeenstemming met een hemelse verwachting. Laat ik allereerst nog even in herinnering brengen dat het begrip geestelijk in dit boek niet staat voor ‘psychisch’, maar voor ‘wijsheid en waarheid van God’. De wegen die God met een ieder van ons gaat kan echter zeer verschillend zijn en dat kan ons, vanuit menselijk perspectief, oneerlijk toeschijnen; de een wordt immers met veel meer lijden geconfronteerd dan de ander. Ook kunnen we soms alle dingen die er in ons leven plaatsvinden als een op zichzelf staand gebeuren zien en ons vervolgens opwinden over iedere afzonderlijke situatie die ons persoonlijk niet aanstaat. Kortom: allemaal zaken die een opeenstapeling van onrust en onvrede vormen in onze innerlijke belevingswereld. Wat moeten we hier nu uiteindelijk mee? Sommige mensen zeggen dat onze hemelse Vader eenvoudigweg geen liefde kan zijn. Moeten we hun gelijk geven…?! De liefde is bij machte deze opeenstapeling van onrust en onvrede te doorbreken. Zo God het geeft kunnen mensen – in welke situatie dan ook – leren leven uit genade. Efeziërs 3 vers 14 tot en met 19 vertelde ons dat Paulus zijn knieën boog voor God, de Vader, opdat (Concordante Vertaling) ‘Hij jullie zou geven in overeenstemming met de rijkdom van Zijn heerlijkheid in kracht standvastig gemaakt te worden door Zijn Geest in de innerlijke mens, en dat Christus door het geloof in jullie harten woont, opdat jullie in liefde geworteld en gefundeerd uitermate sterk zullen zijn om tezamen met al de heiligen te beseffen wat de breedte en lengte en diepte en hoogte is (en daarnaast te kennen de kennis overstijgende liefde van de Christus), opdat jullie compleet gemaakt zouden worden tot het volledige complement (ook wel: aanvulling) van God (…)’ 158 | EÉN VOOR ALLEN

God geeft, in overeenstemming met de rijkdom van Zijn heerlijkheid, dat: • mensen in kracht standvastig gemaakt worden door Zijn Geest in de innerlijke mens; • Christus door het geloof in onze harten woont opdat wij, in liefde geworteld en gefundeerd, uitermate sterk zullen zijn; • wij, tezamen met al de heiligen, beseffen wat de breedte en lengte en diepte en hoogte van Zijn liefde is; • we daarnaast ook de kennis overstijgende liefde van Christus kennen. • we compleet gemaakt worden tot het volledige complement – de volledige aanvulling – van God. Door middel van de geestelijke assertiviteitstraining van God ontvang je een manier van incasseren die op cruciale punten verlichting verleent waar nodig is… en zo brengt liefde leven voort; een heel ander uitgangspunt dan óverleven. Het uitzicht is op Gods Zoon: je Redder en Heer. Niet alleen je Redder straks, maar ook je Redder nu! Gods liefde geeft een geestelijke opeenstapeling van welbevinden, een innerlijke verdieping van Zijn waarheid in ons hart. Waar het wereldse leven ons hart verhardt – en dus benauwd maakt – daar verzacht het Goddelijke leven ons hart zodat het ruimer in ons innerlijk wordt. Waar het leven hier op aarde ons hart stukje bij beetje doet afsterven, daar biedt geestelijk leven verjonging van het innerlijk. De innerlijke rek, die er helemaal uit was, kan zich dan op Gods manier gaan herstellen in je hart. Maar vergis je niet! Deze innerlijke verandering hoeft helemaal niet van toepassing te zijn op het innerlijk van je naaste, zodat deze nog steeds met een (levens)groot probleem kan blijven zitten. ‘Doch een ongeestelijk (letterlijk: ziels) mens aanvaardt (ontvangt) niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan (kennen), omdat het slechts geestelijk (op een geestelijke wijze) te beoordelen is.’ (1 Korintiërs 2 vers 14, NBG-vertaling) Door geestelijke wijsheid worden mensen in staat gesteld in wijsheid te wandelen. Of wij ziels of geestelijk zijn is afhankelijk van Góds gave en EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 159

deze hartenkennis kan ons milder stemmen ten opzichte van anderen. Dit gegeven brengt ons persoonlijk in een God welgevallige roemloosheid en verootmoediging voor Zijn aangezicht en is dientengevolge niet passief, al kan dat naar de mens wel zo lijken. Waar spottende omstanders nog zo kunnen steigeren, daar bewerkt deze geestelijke wijsheid een beroemen in de Heer! EEN kWESTIE VaN VERTROUWEN De oorsprong van alle problemen ligt in het (nog) niet kunnen erkennen, waarnemen, ervaren en uitleven van de waarheid van Gods liefde, waardoor het vertrouwen in het vermogen van God, onze hemelse Vader, groeien kan. Anders gezegd: de oorsprong of kern van alle problemen is dat de mens van zichzelf niet in de waarheid staat. De mensheid heeft een Redder nodig; een Heer door Wie ze op Gods waarheid wordt gericht. Als je eenmaal hebt mogen proeven van Gods liefde, dan wil je niet anders meer. Op de weg naar die eerste kennismaking zijn echter vele valkuilen, zoals dat ook in het leven van David het geval was. Dan is het een enorme bemoediging te beseffen dat je jezelf desondanks veilig mag weten in Gods armen. ‘Vrees voor mensen spant een strik, maar wie op de HERE (letterlijk: in IEUE, Jahweh) vertrouwt, is onaantastbaar (veilig).’ (Spreuken 29 vers 25, NBG-vertaling) Heb je ontvangen jezelf in je dagelijks leven geestelijk gezien veilig te weten… ongeacht de situatie? Wordt jouw hart er bij bepaald dat ‘in Christus zijn’ staat voor optimale veiligheid? ‘(…) uit Hem is het, dat je in Christus Jezus bent, die je van God is geworden: wijsheid, gerechtigheid, heiliging en vrijkoping…)’ heb je eerder gelezen in 1 Korintiërs 1 vers 30 (Concordante Vertaling). 160 | EÉN VOOR ALLEN

Wanneer je op een geestelijke wijze bemoedigd wordt is dat het begin van een groeiende vreugde binnen de relatie tussen jou en je hemelse Vader, een geestelijke vreugde die zich met niets of niemand zal vermengen. Spreuken 14 vers 10 zegt het treffend: ‘Het hart kent zijn eigen droefheid (letterlijk: bitterheid van ziel), en in zijn vreugde kan een vreemde zich niet mengen (in het verheugen zal het hart zich niet vermengen met de vreemde).’ (NBG-vertaling) Wordt jouw hart er bij bepaald dat ‘in Christus zijn’ staat voor geestelijk verheugen? Of denk je dat deze verheuging die eeuwige ‘tandpasta-smile’ wordt bedoeld? Rikkert Zuiderveld bracht dat scherp in beeld met het lied Televisiedominees : ‘(…) hun glimlach staat zo stralend wit op hun gelaat bevroren. Het lijkt wel of hun tanden ook al weder zijn geboren.’ (Gelukkig profileren niet alle televisiedominees zich op dergelijke wijze.) Jezelf op een geestelijke wijze veilig weten heeft niets te maken met de vraag: ‘Hoe moet ik dat doen?’ Of met: ‘Hoe kan ik dat bewerkstelligen?’ Het is een geestelijke zegening die in Jahweh geschonken wordt! Wanneer we proberen dit vanuit de mens te bewerkstelligen wordt alleen maar bevestigd hoe zwak en onvolkomen we als mensen, van God uit gezien, zijn. Opnieuw gelden hier de roemloosheid en verootmoediging die op ons van toepassing zijn. Jezelf veilig weten op een geestelijke wijze begint ermee je ‘ik’ hierin juist over te geven en je vertrouwen op Hem te stellen. Maar we kunnen de plank opnieuw geheel mis slaan wanneer we ervan uitgaan dat dit ‘vertrouwen van God’ eveneens uit onszelf voort zou moeten komen. Vertrouwen op de hemelse Vader kan voor iemand aanvoelen als ‘een sprong in het luchtledige’. Mede daarom is het zaak te gaan verstaan dat deze innerlijke rijkdom van vertrouwen niet uit de mens voortkomt, maar dat ieder schepsel ook hierin afhankelijk is van Gods genadegaven. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 161

~ Onderonsje ~ Een gelovige vrouw – we zullen haar Merel noemen – vertelde mij over de operatie die zij moest ondergaan. Ze zag er ont-zet-tend tegen op! Natuurlijk wist ze wel dat God alles in Zijn hand had, maar toch… het bleef moeilijk om het zomaar aan Hem over te geven. ‘Uiteindelijk zal ik wel moeten, want heb ik een andere keuze?!’ gaf ze zelf aan. ‘Alleen: leuk is anders!’ Merel had het hier ook over gehad met haar, eveneens gelovige, zus, in de hoop wat bemoediging te ontvangen. De desbetreffende zus, die haar – uiteraard met alle goede bedoelingen – enkel troost wilde bieden, reageerde als volgt: ‘Maar heb je dan geen vertrouwen…?! Je moet natuurlijk wel op God vertrouwen dat het goed komt!’ Nu had Merel er een probleem bij. Naast alle innerlijke onrust vanwege de onzekerheid met betrekking tot de operatie werd haar geloofsleven nu zwaar onder vuur genomen! Hoewel Merel best wist dat haar zus haar alleen maar had willen helpen, voelde ze zich verre van bemoedigd… Ik vertelde Merel dat ik volkomen begreep hoe moeilijk het voor haar kon zijn om haar vertrouwen op God te stellen in een dergelijke situatie en dat dit zeker niet ‘de gewoonste zaak van de wereld’ was, zoals haar zus impliceerde. Bovendien was je vertrouwen op God stellen absoluut geen garantie dat het met de operatie naar de mens gesproken ‘goed’ zou aflopen. Juist niet! Vertrouwen in God komt immers veel meer tot uitdrukking wanneer zaken naar de mens gesproken ‘goed fout’ lopen… ‘Daarnaast – en dat is eigenlijk nog het belangrijkste – is vertrouwen een genadegave van God aan de mens,’ bemoedigde ik Merel met de vertroosting die ik zelf van God ontvangen had. Ik kon uit hernieuwde ervaring spreken omdat ik, nog niet zo lang daarvoor, eveneens onder nu niet bepaald florissante omstandigheden een aantal weken in het ziekenhuis had doorgebracht. — 162 | EÉN VOOR ALLEN

Nu is het uiteraard geweldig wanneer je je vertrouwen in een moeilijke situatie op God kunt stellen… maar dan wel vanuit de hartenkennis dat Híj dit in je innerlijk bewerkt heeft en dat Hem daarvoor dan ook de dank en de eer toekomen! Vertrouwen dat er bovendien niet van uitgaat dat het vanuit menselijk oogpunt gezien ‘wel goed zal komen’, maar vertrouwen dat is gebaseerd op het gegeven dat God bepaalt wat zijn moet, al houdt dat misschien wel een (lange) lijdensweg in. Als we het over bekwaamheid hebben, gaat het bij God – net als bij de mens – om vertrouwen. In dezen betreft het echter niet een menselijke poging God dan toch vooral maar te gaan vertrouwen in je leven, maar om het vertrouwen dat door Christus in mensen tot stand wordt gebracht. ‘Nou, sorry hoor… maar daar geloof ik toch echt helemaal niets van, want dat zou wel heel erg gemakkelijk gedacht zijn! Bij het geloof gaat het er immers bij uitstek om dat we als mensen leren ons vertrouwen op God te stellen!’ Dat geloof ‘een kwestie van vertrouwen’ is, is buiten kijf, daar wil ik niets aan toe- of afdoen. Ook het feit dat het er bij het geloof bij uitstek om gaat dat we leren ons vertrouwen op God te stellen, kan ik volledig onderschrijven. Het gaat er mijns inziens echter veel meer om hoe dat vertrouwen in ons tot stand komt, of – beter gezegd – hoe dit vertrouwen uiteindelijk in ons tot stand wordt gebracht. ‘Zulk een vertrouwen hebben wij door Christus op God (letterlijk: naar God toe, God-waarts). Niet dat wij uit onszelf bekwaam zijn iets als óns werk in rekening te brengen, maar onze bekwaamheid is Gods werk (uit God…)’ (2 Korintiërs 3 vers 4 en 5, NBG-vertaling) Vertrouwen krijg je door Christus naar God toe! Je kunt niets als je eigen werk in rekening brengen; je bekwaamheid is uit God! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 163

Het komt er kort gezegd op neer dat een God welgevallige overgave aan God – maar ook de dingen aanvaarden uit Zijn hand – ons alleen door de Zoon geschonken kan worden omdat dergelijke zaken alles met vertrouwen van doen hebben. Is dit geen vertroostende en bemoedigende gedachte wanneer er strijd, verdriet, teleurstelling, moeite of schuldgevoel in ons leven is gekomen vanwege van het feit dat we maar niet in staat zijn (gebleken) ons vertrouwen op onze God te stellen…?! Een van de redenen waarom een mens zichzelf niet veilig bij zijn hemelse Vader weet kan ook zeer zeker met een geschaad menselijk vertrouwen van doen hebben; in dezen dan een geschaad vertrouwen in de Redder Die ook je Heer is. Je had jezelf misschien een heel andere redding of uitkomst voor ogen gesteld dan die je van je Redder en Heer ontvangen hebt. Hierdoor kan het zijn dat je vertrouwen in God door het leven heen aardig wat deuken heeft opgelopen, en dat valt ook te begrijpen. (Daarnaast kan het zijn dat een geschaad vertrouwen in mensen een verhindering vormt om je vertrouwen op God te stellen.) Bijzonder is echter dat ‘je vertrouwen in God stellen’ niets ‘van mensen’ is. Het kan enkel door Christus tot stand worden gebracht in je leven. Wat een bevrijding kan dát zijn! Vertrouwen is een geestelijke zegen, een genadegave. Ook vertrouwen is niet iets wat we vanuit onszelf hebben, maar waar we ons naar mogen uitstrekken. God kan het mensen geven dat ze gaan beseffen, erkennen en ervaren dat ‘in Christus zijn’ staat voor optimale veiligheid… zelfs al stort de menselijke wereld om hen heen in elkaar. Door Christus bouwt God een geestelijke band van vertrouwen met Zijn schepselen op. Een vertrouwensband waarin de Vader ons leert steeds minder met menselijke vermogens bezig te zijn en steeds meer met Zijn vermogens. Als we ons hier diep van bewust worden zullen we een ander ook steeds minder willen gaan benaderen alsof diegene dat vertrouwen vanuit zichzelf zou moeten hebben. Wanneer we vervolgens ook nog eens zouden nagaan hoe wij zelf door onze hemelse Vader vertroost moesten worden wanneer dergelijke dingen aan de orde kwamen, dan komt er nog meer ruimte voor begrip met betrekking tot diezelfde onvolkomenheid van andere schepselen. Ook in de kwestie van vertrouwen is er geen (be)roemen in enig menselijk vermogen mogelijk bij God. Hier blijkt wat ogenschijnlijk zo gemakkelijk gedacht is – het vertrouwen daadwerkelijk op onze God stellen door te 164 | EÉN VOOR ALLEN

erkennen dat we ook voor dit vertrouwen van Hem afhankelijk zijn – vaak verre van ‘gemakkelijk’ te zijn in de praktijk van ons dagelijks leven. Wanneer God alles door Zijn Zoon tot stand brengt in ons leven zullen we immers pas écht op Zijn vermogen moeten gaan leren vertrouwen. Is het geen bemoedigende gedachte dat niemand van zichzelf bekwaam is iets als zijn werk in rekening te brengen, maar dat het vertrouwen door Christus op een God welgevallige wijze in ons leven tot stand wordt gebracht? Heb je door Christus ontvangen je hemelse Vader te gaan vertrouwen, ondanks de omstandigheden in je leven die menselijkerwijs tegen Gods liefde kunnen spreken? ‘Oké, dat God het vertrouwen door Zijn Zoon in ons tot stand brengt – daar kan ik dan wel inkomen. Maar er vallen desondanks nog legio keuzes te maken in het geloofsleven, want we moeten onze God toch wel degelijk dienstbaar zijn.’ Dat ‘dienstbaar zijn’ een zaak is die bij uitstek met het geloof te maken heeft, is uiteraard eveneens buiten kijf. Het gaat, mijns inziens, opnieuw om de vraag hoe dat dienstbaar zijn in ons tot stand komt, of – beter gezegd – hoe dit dienstbaar zijn in ons tot stand wordt gebracht. Wij kunnen immers niets als ons eigen werk in rekening brengen; onze bekwaamheid is uit God… en Hij maakt ons dan ook bekwaam tot dienen. De tekst in 2 Korintiërs 3 vervolgt: ‘Zulk een vertrouwen hebben wij door Christus op God (letterlijk: naar God toe, God-waarts). Niet dat wij uit onszelf bekwaam zijn iets als óns werk in rekening te brengen, maar onze bekwaamheid is Gods werk (uit God), die ons ook bekwaam gemaakt heeft (Die ons bekwaam maakt) om dienaren te zijn van een nieuw verbond, niet der letter (ook wel: niet van het geschrift), maar des Geestes (maar van de Geest), want de letter (het geschrift) doodt, maar de Geest maakt levend.’ (2 Korintiërs 3 vers 4-6, NBG-vertaling) De bekwaamheid is uit God, Die bekwaam maakt dienaren te zijn! Ziedaar: God werkt al deze zaken Hoogst Persoonlijk Zélf in mensen uit. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 165

~ Onderonsje ~ Zo merkte eens een man – we zullen hem Thomas noemen – tegen mij op: ‘Had ik maar tweeduizend jaar eerder geleefd. Dan had ik misschien wel kunnen geloven dat het waar was… omdat ik Jezus dan zelf had kunnen zien.’ Ik zei hierop dat het misschien inderdaad kan lijken dat het gemakkelijker is om te geloven wanneer we het eerst met onze eigen ogen kunnen zien, maar: hoeveel mensen hebben de Zoon destijds niet zelf kunnen zien en namen toch niet voor waarheid aan wat Hij namens Zijn Vader sprak? Hoeveel mensen hebben destijds niet aan den lijve meegemaakt wat God voor Zijn volk in de woestijn deed, maar waren toch niet in staat Hem te vertrouwen? ‘Dan had ik waarschijnlijk…’ gaat uit van menselijke vermogens en niet van de vermogens van God. In welke tijd we ook leven, niemand kan ons ‘het geloof’ en ‘het vertrouwen naar God toe’ geven… alleen God Zelf. Dit alles is en blijft een Godswonder… en helemaal als je weet wat mensen soms hebben moeten meemaken in dit leven! Zo vertelde iemand mij ook eens: ‘Geloven doe je niet op het moment dat je daar zelf voor kiest; geloven doe je op een moment dat God voor jou uitgekozen heeft.’ En hij vervolgde: ‘Deze twee verschillende momenten in je leven kunnen echter mijlenver uit elkaar liggen. Sterker nog, er kan een heel leven tussen zitten wanneer je uiteindelijk gaat beseffen dat God voor jou gekozen heeft ondanks al je onvolkomenheden.’ Diezelfde man ontving een prachtig gedicht2 te schrijven over het geloof, dat ik de lezer van dit boek niet wil onthouden. 166 | EÉN VOOR ALLEN

Geloof Geloof is meer dan zien of voelen, meer dan een zweverig bestaan, veel meer dan ‘het wel goed bedoelen’, maar alles toch verkeerd zien gaan. Geloof is Gods geschenk van liefde, aan wie met lege handen staan. Dus, Thomas… er is hoop. Sterker nog, er is een zekere verwachting! Geloof is Gods geschenk van liefde aan wie met lege handen staan… En wie staat er niet met lege handen?! Iedereen staat met lege handen en zeker waar dat ‘het geloof’ aangaat. — OpHEmELEN Zoals je inmiddels zult hebben begrepen volgden wij, samen met onze hond, een puppycursus. Centraal in deze cursus stond: gedoseerd oefenen en werken met een beloningssysteem. Alles was er op gericht de hond door middel van positieve stimulatie op te voeden. In het begin van de training probeerden de jonge hondjes hun baasjes nog op sleeptouw te nemen door ‘in de riem te gaan hangen’. Dit was op zich natuurlijk een aandoenlijk en grappig gezicht, maar er werd ons geleerd geen acht te slaan op dergelijk negatief gedrag. We mochten niet ongeduldig, geirriteerd of boos reageren, of op een andere wijze aandacht aan dit gedrag schenken. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 167

Ons werd geleerd rustig stil te blijven staan en af te wachten: de puppy kon zich dan wel erg druk maken om van alles en nog wat, maar dit mocht totaal geen effect hebben op zijn baas. Deze houding moest worden volgehouden tot de puppy zelf ‘doorkreeg’: ‘Pfff! Toch ook niks aan zo… dat stilstaan!’ en vervolgens zou gaan berusten in zijn lot. ‘Waar moest dit nu allemaal toe leiden?’ dacht je dan weleens als baas. ‘Zo voed je een hond toch niet op… met afwachten en stilstaan?!’ We plaatsten er zo onze vraagtekens bij, maar vertrouwden er toch maar op dat de trainers wisten wat ze deden. Waar moest dit nu allemaal toe leiden? Nou… dit moest leiden tot het volgende: Wanneer een hond gaat ‘berusten in zijn lot’, dan gebeurt er na een tijdje iets opmerkelijks: de hond kijkt – al is dat maar heel even – zijn baas aan. Nu kun je natuurlijk denken: ‘Is dat dan zo bijzonder?’ en dat dachten wij dus ook… maar hier was het allemaal om te doen! Al moest je er als baas echt opmerkzaam op zijn om dit korte moment waar te kunnen nemen: dit was het begin. Daarom moest de puppy meteen na het aankijken van zijn baas ‘de hemel in geprezen worden’ met een bevestigend ‘Braaf!’ en een flinke aai over zijn kop. Vervolgens konden de bezigheden worden hervat; er kon bijvoorbeeld weer gewandeld worden. ‘Hé,’ merkte de puppy dan, ‘is dat even leuk! Dus als ik mijn baas aankijk, dan heeft dat blijkbaar meteen een positief gevolg!’ Na herhaalde malen oefenen kreeg de puppy in de gaten dat het ‘op de baas gericht zijn’ gewoon veel prettiger wandelen was. Het was misschien niet zo dat deze er direct plezier aan had beleefd gecorrigeerd te worden, maar de correctiewijze was zachtaardig en positief stimulerend. ‘Waarom nu dit hele verhaal?’ zou je kunnen denken. ‘Zo’n puppycursus boeit me nou niet bepaald… Ik heb niet eens een hond!’ De neiging ‘de baas op sleeptouw te nemen’ is mensen in het geheel niet vreemd. We willen onze ‘Baas’ – in dit geval Gód – soms maar al te graag vertellen hoe Híj het zou moeten doen. Onze verwoede pogingen God op sleeptouw te nemen halen echter niets uit, want Hij blijft gewoon ‘rustig 168 | EÉN VOOR ALLEN

stilstaan’ en ‘de riem wordt er heus niet langer door’. We maken ons soms druk om van alles en nog wat, maar dit lijkt totaal geen effect te hebben op onze hemelse Vader. ‘Ook niks aan zo… met zo’n onbewogen Baas!’ ‘Hoort Hij ons eigenlijk wel? Kan het Hem eigenlijk wel wat schelen?!’ Onze ‘Baas’ hoort ons wel, natuurlijk… en het kan Hem ook wel degelijk wat schelen. Hij laat echter niet met Zich sollen en is al helemaal niet onder de indruk van onze ogenschijnlijke zelfredzaamheid. Het is, vanuit Degene Die het al geschapen heeft gezien, zeer waarschijnlijk wel enigszins aandoenlijk en komisch te noemen dat wij denken Hem naar ónze hand te kunnen zetten! Laten we wel wezen: in menselijk opzicht is het aan te moedigen dat we op den duur onszelf kunnen redden; dat is immers de hele opzet bij de groei naar volwassenheid. Maar we dienen bij de groei naar geestelijke volwassenheid in acht te nemen dat het bij God precies andersom werkt. Onze menselijke zelfredzaamheid doet ons alleen maar in eigen-wijsheid wandelen… en heeft helemaal niets van doen met de wandelgang die God voor ogen staat. Wie op eigen hart vertrouwt, is dom; maar wie in wijsheid wandelt, zal ontsnappen. God ziet onze vermeende zelfredzaamheid als een handicap en schenkt daarom op geen enkele wijze aandacht aan dergelijk negatief gedrag. Als mensen zullen we er daarom op den duur achter komen dat jezelf druk maken over van alles en nog wat geestelijk gezien helemaal niet lekker loopt. Beter gezegd: het loopt helemaal niet! Nu wil God ons als een Vader begeleiden zodat wij in wijsheid – Zijn wijsheid wel te verstaan (!) – leren wandelen. Niet omdat God zo’n groot ego zou hebben dat alles vanuit die gedachte per se op Hem gericht zou moeten zijn, maar omdat Hij eenvoudigweg het allerbeste met ons voorheeft! Ook hier is sprake van een tegenstelling: bij mensen is het – wanneer alles op ons gericht zou zijn – een vorm van ijdel vertoon en zelfgenoegzaamheid. Met andere woorden: het is zelfzuchtig. Bij God niet, omdat God EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 169

wars is van al deze zaken. Romeinen 5 vers 8 laat de onbaatzuchtige liefde van God glashelder zien: ‘God echter bewijst zijn liefde jegens ons (letterlijk: God beveelt Zijn liefde tot ons aan, ook wel: God laat Zijn liefde “samen staan” naar binnen in ons), doordat Christus, toen wij nog zondaren (doelmissers) waren, voor ons gestorven is.’ (Romeinen 5 vers 8, NBG-vertaling) Gods liefde verhoogt ons, vernederde mensen; ze ‘hemelt ons op’! Gods liefde sticht, werkt opbouwend… maar niet op een menselijke wijze. De geestelijke wijze van ‘ophemelen’ houdt in dat we niet langer gericht worden op wat we als mensen in overeenstemming met de oude schepping zijn – doelmissers – maar op datgene wat we in overeenstemming met de nieuwe schepping mogen worden: God verheerlijkers. Door het richten van schepselen op Zijn liefde zoekt God Zichzelf niet, maar deelt Hij Zichzelf uit. Juist het feit dat het mogelijk is niet op God gericht te zijn, is een uitzonderlijke betoning van Zijn liefde. God had Zichzelf en Zijn Eigen belang niet op het oog, maar gaf het dierbaarste wat Hij had, zonder daar ook maar íets voor terug te verlangen. Onze hemelse Vader vindt een ieder van ons afzonderlijk de moeite waard: al die doelmissers die van zichzelf niet in de waarheid kunnen staan. ‘(…) God waarachtig (letterlijk: waar) en ieder mens leugenachtig (leugenaar…)’ (Romeinen 3 vers 4, NBG-vertaling) ‘Want in genade zijn jullie geredden, door geloof, en dit niet uit jullie zelf; het is Gods naderingsgave, niet uit werken, opdat niemand zich beroemen zal.’ (Efeziërs 2 vers 8, Concordante Vertaling) Het is uiteraard buiten kijf dat gelovigen zich, als eerstelingen van de schepping, door geloof gered mogen weten van de gerichten die God nog 170 | EÉN VOOR ALLEN

over de oude schepping zal brengen… maar alleen door geloof dat in genade aan die gelovigen geschonken is! ‘Want aan jullie is de genade geschonken, voor Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden, dezelfde worsteling hebbend die jullie in mij zien en nu over mij horen.’ (Filippenzen 1 vers 29, Concordante Vertaling) Christus is – toen wij allemaal nog doelmissers waren – voor ons gestorven, waardoor God Zijn liefde ‘samen kan laten staan’ naar binnen in ons. Hij weet dan ook als geen Ander hoe Hij een solide vertrouwensband met ons kan opbouwen. Waar ons, mensen, soms geleerd moet worden een positief stimulerende begeleider te zijn, daar heeft onze hemelse Vader geen boeken, cursussen, televisie- of internetprogramma’s nodig om te weten hoe het werkt. Hij is immers liefde, zoals in 1 Johannes 4 vers 8 geschreven staat. Wanneer we het over de inhoudelijke kant van deze liefde gaan hebben, lezen we in 1 Korintiërs 13 vers 4 tot en met 8: ‘De liefde is geduldig en vol goedheid. De liefde kent geen afgunst, geen ijdel vertoon en geen zelfgenoegzaamheid. Ze is niet grof en niet zelfzuchtig, ze laat zich niet boos maken en rekent het kwaad niet aan, ze verheugt zich niet over het onrecht maar vindt vreugde in de waarheid. Alles verdraagt ze, alles gelooft ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze. De liefde zal nooit vergaan.’ (De Nieuwe Bijbelvertaling) ‘De liefde (agapè) is lankmoedig (letterlijk: geduldig), de liefde is goedertieren (mild), zij is niet afgunstig (is niet jaloers), de liefde praalt (pocht) niet, zij is niet opgeblazen, zij kwetst niemands gevoel (zij is niet onwelvoeglijk, strijdig met het fatsoen), zij zoekt zichzelf niet, zij wordt niet verbitterd (zij laat zich niet prikkelen), zij rekent het kwade niet toe. Zij is niet blijde over ongerechtigheid (zij verheugt zich niet over ongerechtigheid), maar zij is blijde (maar verheugt zich samen) met de waarheid. Alles bedekt zij (alles beschut zij), alles gelooft zij, alles hoopt (verwacht) zij, alles verdraagt zij (in alles volhardt zij). De liefde vergaat nimmermeer (De liefde vervalt nooit…)’ (NBG-vertaling) EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 171

Onze hemelse Vader weet dat opvoeden geen ‘leiden’ is maar: ‘lijden en begeleiden’. Een zaak van mildheid en geduld. Onze hemelse Vader is geduldig, mild. Hij is niet jaloers en pocht niet. Hij is niet opgeblazen, niet onwelvoeglijk. Hij zoekt Zichzelf niet. Onze hemelse Vader laat Zich niet prikkelen, Hij rekent het kwade niet toe. Hij is niet verheugd over ongerechtigheid, maar verheugt Zich samen met de waarheid Onze hemelse Vader beschut alles, gelooft alles, verwacht alles, volhardt in alles. De liefde die Hij is en doet vervalt nooit! Als er dus Iemand te vertrouwen valt… dan is Híj dat wel! ‘Maar waar moet al dit “engelengeduld” van God nu allemaal toe leiden?’ denken we weleens. ‘Zo voed je toch niemand op… met afwachten totdat ze eindelijk een keer “zover zijn”?!’ We plaatsen er zo onze vraagtekens bij en vinden het maar moeilijk om, ook hierin, ons vertrouwen op God te stellen, want: weet God eigenlijk wel wat Hij doet…?! We wachten nu al zo lang en het ongeduld begint ons danig parten te spelen, tenenkrommend! Dat ‘monnikenwerk’ van God, daar zien we toch niet zo veel heil in. Waar moet al dit ‘engelengeduld’ van God nu allemaal toe leiden? 172 | EÉN VOOR ALLEN

Nou… dit moet leiden tot het volgende: God volhardt in Zijn houding tot wij gaan doorkrijgen dat er zó – met al die menselijke touwtrekkerij – niks aan is, en vervolgens gaan berusten in ons lot. Wanneer een mens gaat berusten in zijn lot dan gebeurt er na een tijdje iets opmerkelijks (al is het in het begin veelal nog van korte duur): hij gaat zijn blik richten op God. Nu kun je natuurlijk denken: ‘Is dat dan zo bijzonder?’ en dat dacht ik vroeger ook… maar hier is het allemaal om te doen. Dit is het begin van de groeiende vertrouwensrelatie tussen schepsel en Schepper! Na herhaalde malen oefenen krijgen we in de gaten dat het ‘op God gericht zijn’ gewoon veel prettiger wandelen is… en God zal ons in de erkenning van onze afhankelijkheid van Hem bevestigen met een flinke geestelijke ‘aai over onze bol’. Met straf wordt enkel twijfel gezaaid; het vertrouwen en de motivatie worden tenietgedaan. Wat we daarom als nodig hebben om op te groeien naar geestelijke volwassenheid is, ten eerste, de zekerheid en geborgenheid die voortkomen uit Gods onvoorwaardelijke Vaderliefde. Romeinen 8 vers 35 tot en met 39 leerde ons: Wat zal ons scheiden van de liefde van God in Christus? Verdrukking? Benauwdheid? Vervolging? Schaarste of gebrek? Naaktheid, gevaar of het zwaard? Dood? Leven? Boodschappers? Soevereiniteiten? Krachten? De tegenwoordige of de toekomende tijd? Hoogte? Diepte? Een andersoortige schepping? EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 173

Door Hem die ons liefheeft zijn wij meer dan overwinnaars, omdat niets ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, (NBG: welke is) in Christus Jezus, onze Heer! Naast de zekerheid dat niets ons kan scheiden van de liefde van God hebben we echter ook grenzen en richting nodig om te kunnen opgroeien tot evenwichtige volwassenen in het geloof. Gods mildheid en geduld houden niet in dat er geen grenzen meer gesteld zouden worden. Zijn geestelijke begeleiding betekent daarom ook niet per definitie dat we er plezier aan zullen beleven; hoogstwaarschijnlijk is eerder het tegenovergestelde het geval wanneer we onze eigen zin niet kunnen doordrijven. Desalniettemin is Gods correctiewijze zachtaardig en positief stimulerend. Wat een geweldige liefdevolle Vader hebben wij… Hij verdient het dan ook als geen Ander om – ondanks het feit dat Hij daar al is – ‘de hemel in geprezen’ te worden! 174 | EÉN VOOR ALLEN

HOOFDSTUK 8 NIET aaN DE mENS ‘Ik erken, o HEER, dat het niet aan de mens is zijn weg te bepalen, zijn pad uit te zetten, te kiezen waarheen hij zal gaan.’ – JEREMIA 10 vers 23, De Nieuwe Bijbelvertaling GODS VERmOGEN In de loop van hun leven kunnen gelovigen zichzelf soms gaan afvragen ‘of het geloof nu eigenlijk wel zo’n winst is’, zoals dat ook door ongelovigen nog weleens in twijfel kan worden getrokken. Wanneer je humanistisch en daarbij ongelovig bent, ben je er waarschijnlijk al snel klaar mee. ‘Dat gedoe over al die zonden, dat is toch niks,’ zeg je. Je laat andere mensen altijd zo veel mogelijk in hun waarde en als zij dat jou nou ook zouden doen… dan waren we er, toch?! ‘Dat gedoe over al die zonden, dat is toch niks!’ Laat God nou precies dezelfde visie over ‘die zonden’ hebben gehad… Mensen kunnen in hun leven onder velerlei lasten gebukt gaan en ook onder de zogeheten ‘last van het geloof’. Zij hebben niet zozeer last van het geloof, maar dragen het geloof als een last met zich mee. Een last die mensen soms erg aan het twijfelen kan brengen, want een dergelijke last kan, als men het draagvermogen van onze Heer niet heeft, zwaar op iemands schouders gaan drukken, soms zo zwaar dat mensen er psychisch onder kunnen bezwijken. Nu gingen mensen als David en Paulus eveneens gebukt onder de last van hun persoonlijke missers, onder het menselijk onvermogen dat er voor zorgde dat men (zwaar) tekortschoot, gemeten aan de geestelijke maatEEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 175

staf van God. David zei: ‘(…) want mijn ongerechtigheden zijn over mijn hoofd gegaan, als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden.’ (Psalm 38 vers 5, NBG-vertaling) En Paulus gaf aan: ‘Ik, ellendig mens! Wat zal mij bergen uit het lichaam dezes doods? Genade echter! Gode zij dank door Jezus Christus, onze Heer!’ (Romeinen 7 vers 24 en 25, letterlijk) Zij riepen God aan voor redding… en ondervonden Gods genade in hun leven. Dat een dergelijke last er dan ook niet is om ons te doen bezwijken wil ik daarom schetsen aan de hand van een voorbeeld: Eens werd een proef gedaan voor het bepalen van het draagvermogen van een kartonnen doos. Omwille van de proef werd een kartonnen doos neergezet voor een verhoging, waar vervolgens iemand van af kwam lopen. Wat gebeurde er? Toen degene die de test uitvoerde met zijn voet op het midden van de doos stapte – zogezegd als laatste trede tot de grond – begaf deze het onder zijn gewicht; de zwakke kartonnen doos bezweek simpelweg. Hierop werd opnieuw een proef gedaan met eenzelfde kartonnen doos. Ook deze doos werd voor een verhoging neergelegd, met als enige verschil dat er over de gehele bovenkant van de doos een stevige houten plaat werd gelegd. In feite drukte er nu dus ook nog een plaat – zwaarder dan de doos zelf – boven op de kartonnen doos. Hoe zou de zwakke kartonnen doos nu de proef doorstaan? Opnieuw kwam er een man de trap af gelopen; hij zette zijn voet in het midden op de bovenkant van de doos, waar nu de houten plaat lag. Wat gebeurde er? In tegenstelling tot wat je zou verwachten, bleef de zwakke kartonnen doos nu helemaal intact… en dat terwijl hij juist meer gewicht te dragen had gekregen! Het bleek dat, door de totale afdekking met een houten plaat, het ‘te dragen gewicht’ gelijkmatig over de gehele doos werd verdeeld… en zodoende bleef de zwakke kartonnen doos intact onder het gewicht van de man. 176 | EÉN VOOR ALLEN

En nu is de vraag: Hoe kunnen we bij God de proef doorstaan als er een ‘te zware geloofslast’ op ons drukt? Een last die ons innerlijk lijkt te verpletteren… omdat deze zoveel zwaarder is dan onze psychische vermogens dragen kunnen? Laten we ten behoeve van het beantwoorden van deze vraag ‘de zwakke kartonnen doos’ eens zien als ons mens-zijn… En ‘de persoon die meewerkt aan de proef’ als de tegenstander (als degene die precies weet waar hij zijn voet moet zetten om ons terneergedrukt te krijgen; natuurlijk met behulp van onze zwakste plek). Laten we ten slotte ‘de houten plaat’ eens beschouwen als het offer aan het vloekhout, dat de Zoon van God voor ons heeft gebracht, Hij Die – van Godswege – in liefde en genade over ons totale wankele gestel heen is gelegd. Wat gebeurt er dan? Wanneer we ‘Gods proef op de som nemen’, dan gebeurt het volgende: • Door het offer van de Zoon zijn we, geestelijk gezien, in genade geborgen, totaal afgedekt voor alle aanvallen van de tegenstander. • Wanneer we de hartenkennis ontvangen dat we in genade geborgen zijn zal de tegenstander steeds minder ‘voet aan de grond’ kunnen krijgen met zijn leugens en door-elkaar-werpingen waarmee hij onze zwakheid misbruikt en uitbuit. Hij zal ons steeds minder kunnen ontmoedigen door ons van onze van God gegeven bestemming af te houden met allerlei drogredenen. • We krijgen een geestelijk draagvermogen aangereikt dat ver boven onze menselijke vermogens uitstijgt en worden vanuit Gods vermogen in staat gesteld de voet van de tegenstander te weerstaan. Zolang we echter blijven waarnemen naar aardse maatstaven zullen we onze geborgenheid in Gods Zoon nog niet als zodanig kunnen ervaren. Ons innerlijk zal door God verjongd moeten worden om niet langer te willen uitgaan van het onderscheid dat we als mens zelf denken te kunnen maken, maar van het onderscheid dat God (heeft ge)maakt. Ons inEEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 177

nerlijk zal veranderd moeten worden, zodat we niet langer willen uitgaan van datgene wat zichtbaar is, maar gericht worden op het onzichtbare, waarover we eerder lazen in 2 Korintiërs 4 vers 18. Want het zichtbare – het ‘kijken’ – is tijdelijk, maar het onzichtbare – het ‘niet kijken’ – is aionisch! Het offer van de Zoon maakt de weg vrij voor een andere manier van waarnemen. Je ontvangt je te wenden tot de wil van Degene van Wie je met zekerheid mag weten dat Hij alles in allen zal volmaken. We kunnen vanuit de mens niet voldoen aan Gods maatstaf. Geloof is een geestelijke zaak en wordt werkzaam door Goddelijke liefde, die – vanzelfsprekend – ook geestelijk is. Een ‘werkzaam geloof’ is daarom een genadegave van God aan de mens, een genadegave die bovendien niet een-twee-drie gerealiseerd is in ons innerlijk, maar die een proces van levendmaking inhoudt waarin we nooit uitgeleerd zullen raken. Verder is het ook niet zo dat we, wanneer we geloven, geen verdriet meer zouden kennen of nooit meer terneergeslagen zouden kunnen zijn. God maakt het echter mogelijk dat we daarin de meest actieve en effectieve kracht die er maar bestaat gaan ervaren, de kracht van Zijn liefde! Je mag jezelf als David steeds opnieuw op Gods onvoorwaardelijke en grenzeloze liefde beroepen, waarna je ook van harte voor Zijn liefde zal kunnen gaan danken. ‘Vader, ik ben zo dankbaar voor de vreugde van Uw redding waaruit ik ontvang te leven op een geestelijke wijze. Ik ben dankbaar voor de zekere verwachting – en de daarmee gepaard gaande innerlijke vreugde – die Uw redding in mij opwekt, al probeert de tegenstander mij daar nog keer op keer van af te houden met allerlei drogredenen. Ik ben dankbaar voor het besef dat Uw genade uiteindelijk voor al Uw schepselen genoeg zal blijken te zijn!’ GEESTELIjk VORmINGSpROcES Wat zouden we kunnen bedenken wanneer we dreigen terecht te komen in een ‘strijd tegen mensen’, maar feitelijk door de tegenstander aange178 | EÉN VOOR ALLEN

vochten worden? In Efeziërs 6 vers 10 tot en met 12 lazen we eerder vanuit de Concordante Vertaling: ‘Voor het overige, mijn broeders, wordt krachtig gemaakt in de Heer en in de macht van Zijn sterkte. Doet de hele wapenrusting van God aan, opdat jullie stand kunnen houden tegen de strategieën van de dooreenwerper, want het is voor ons geen worsteling met bloed en vlees, maar standhouden tegen de soevereiniteiten, tegen de gevolmachtigden, tegen de wereldmachten van deze duisternis, tegen de geestelijke (ook wel: spirituele) machten van de boosheid te midden van de hemelingen.’ Mensen willen van nature niet lijden, maar een geestelijk vormingsproces heeft daar wel mee te maken. Noem het ‘groeipijn’, maar dan op geestelijk gebied. We maken – zo God het geeft – ontwikkeling of groei door… maar ontkomen tegelijkertijd niet aan de groeipijn waarmee dit gepaard kan gaan. God wil ons dwars door alles heen krachtig maken in de macht van de sterkte van onze Heer en kan op deze wijze bewerkstelligen dat we door Zijn vermogen leren stand te houden. Gods Woord zegt daarnaast dat we ons niet over zaken als vijandigheid en haat hoeven te verbazen. 1 Johannes 3 vers 13 zegt: ‘Weest niet verbaasd, broeders en zusters, als de wereld (Grieks: kosmos > het systeem, stelsel of geheel) u haat.’ (De Nieuwe Bijbelvertaling) De haat tegen ons reikt verder dan alleen ‘de wereld’. Het betreft een universele haat die zich uitstrekt over de kosmos, over het geheel… het ganse stelsel! Maar dat hoeft ons wederom niet te verbazen, wanneer we in Efeziërs 6 vers 10 tot en met 12 lezen dat we te maken hebben met ‘soevereiniteiten, gevolmachtigden, wereldmachten van deze duisternis en spirituele machten van de boosheid te midden van de hemelingen’. In Johannes 15 vers 18 zegt Jezus: ‘Wanneer de wereld (kosmos > het systeem, stelsel of geheel) je haat, bedenk dan (ook wel: onderscheiden, inzien, beseffen) dat ze mij eerder haatte dan jullie.’ (De Nieuwe Bijbelvertaling) EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 179

We lezen hier dat de haat ten opzichte van de Zoon eveneens de kosmos – het ganse stelsel – betrof en aangezien de haat ten opzichte van de Zoon ook verder reikte dan alleen de aarde is het eigenlijk zonneklaar dat er van eenzelfde universele omvang sprake is wanneer het vervolgens over Gods zonen gaat. (‘Gods zonen’ betreft zowel mannen als vrouwen: ‘Want allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods.’ Romeinen 8 vers 14, NBG-vertaling) Lijden dat voortkomt uit haat… wat moeten we daar nu mee? Gods Woord leert dat zaken als deze tot beproeving dienen. 1 Petrus 4 vers 12 vertelt ons ten voorbeeld: ‘Geliefde broeders en zusters, wees niet verbaasd over de vuurproef die u ondergaat; er overkomt u niets uitzonderlijks.’ (De Nieuwe Bijbelvertaling) ‘Geliefden, laat de vuurgloed, die tot (letterlijk: vurige) beproeving dient, u niet bevreemden, alsof u iets vreemds overkwame.’ (NBG-vertaling) Gods Woord leert dat zaken als deze tot beproeving dienen, alleen niet tot een menselijke beproeving – zogezegd: in welke mate wij als mens in staat zouden zijn alles van onze rug te laten afglijden – maar veeleer tot beproeving van hetgeen Hij aan ons bewerkt heeft. Laten we nog even een aantal vragen doornemen die aan het begin van dit boek werden gesteld: • Ervaren we ook gestut en gesteund te worden door een bereidwillige en inschikkelijke geest? • Hoe functioneert een dergelijke, door God bewerkte, innerlijke gesteldheid in de praktijk? Voor het beantwoorden van deze vragen wil ik nu graag wat dieper ingaan op de tekst waar dit boek mee begonnen is. We lazen in Psalm 51 vers 14 (NBG-vertaling): ‘(…) hergeef mij de blijdschap over uw heil (letterlijk: hergeef mij de vreugde van Uw redding), en laat een gewillige geest mij schragen (steun, stut mij door een bereidwillige, inschikkelijke geest).’ 180 | EÉN VOOR ALLEN

Het ‘steunen’ of ‘stutten’ door een bereidwillige, inschikkelijke geest kan ook worden geassocieerd met ‘stabiliseren’; een stabilisatieproces dat vanuit Gods vermogen in het innerlijk van een mens wordt bewerkt. Het is een proces dat met een van God gegeven bereidwilligheid of inschikkelijkheid van doen heeft. Wat doet Zijn Woord met jouw hart en met jouw gedachten? Wat werkt Zijn Woord aan daadkracht in jouw leven uit? Handelingen 17 vers 10 en 11 zegt: ‘En de broeders zonden terstond des nachts Paulus en Silas weg naar Beréa; welke, daar gekomen zijnde, gingen heen naar de synagoge der Joden; en deze waren edeler, dan die te Thessaloníca waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid (ook wel: enthousiasme), onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.’ (Statenvertaling, Jongbloed-editie) Een van God gegeven toegenegenheid of enthousiasme aangaande de Schrift – wat kunnen we daardoor gestut en gesteund worden! ‘(…) want God is het, Die in jullie zowel het willen als het werken voor Zijn welbehagen bewerkt.’ (Filippenzen 2 vers 13, Concordante Vertaling) ‘Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt (letterlijk: rent), maar van God, die Zich ontfermt (van Gods barmhartigheid).’ (Romeinen 9 vers 16, NBG-vertaling) Nu zouden we ons kunnen afvragen of God gediend en geëerd zou willen worden door een stelletje robots die niets anders dan dat zouden kunnen doen omdat ze nu eenmaal zo geprogrammeerd zijn. Staat het feit dat God ook de Schepper is van onze innerlijke mens gelijk aan het klakkeloos uitvoeren van bevelen? We kunnen deze gedachte eigenlijk meteen wel verwerpen als we de menselijke natuur in ogenschouw nemen. God heeft immers een natuur geschapen die weerspannig is, een natuur die vanaf het begin nu juist niet klakkeloos uitvoert wat naar Zijn welgevallen is. In Efeziërs 2 vers 3 lazen we eerder: ‘Net als zij lieten ook wij allen ons eens beheersen door onze wereldse begeerten, wij volgden alle zelfEEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 181

zuchtige verlangens en gedachten die in ons opkwamen en stonden van nature bloot aan Gods toorn, net als ieder ander.’ (De Nieuwe Bijbelvertaling) Vanuit de Concordante Vertaling lazen we hier: ‘(…) in overeenstemming met de vorst van het volmachtsgebied van de lucht, de geest die nu werkzaam is in de zonen van de weerspannigheid onder wie ook wíj allen ons eens gedroegen in de begeerten van ons vlees, de wil van het vlees en van de denkwijze uitvoerend, en wij waren van nature kinderen van toorn (letterlijk: verontwaardiging) zoals ook de overigen (…)’ Alle mensen: • wandelden in overeenstemming met de vorst van het volmachtsgebied van de lucht; • wandelden in overeenstemming met de geest die werkzaam is in de zonen van de weerspannigheid en gedroegen zich onder deze geest naar de begeerten van hun vlees; • voerden de wil van het vlees en van de denkwijze van het vlees uit; • waren van nature kinderen van verontwaardiging. De menselijke denkwijze over het begrip afhankelijkheid is totaal anders dan de geestelijke bewustwording van de afhankelijkheid van God. De menselijke natuur is weerspannig, een natuur die zonder weerga laat zien dat het hier geen ‘robots’ betreft die maar klakkeloos uit te voeren hebben wat hun bevolen wordt. Ga maar na: wat gebeurt er wanneer we iets moeten? Dan zal dat zeker blijken! Daarom wordt ons innerlijk zodanig veranderd dat we niet moeten maar wíllen, door de onthulling van Gods liefde aan ons hart. De erkenning geheel afhankelijk te zijn van God heeft te maken met een door God opgewekte bereidheid je te gaan onderschikken aan Zijn wil met jouw leven. Er is echter wel een overeenkomst tussen de oude mensheid die nog niet in nieuwheid des levens geschapen is en een robot. Die overeenkomst 182 | EÉN VOOR ALLEN

heet: dood. De mens staat niet van zichzelf in de waarheid, maar ‘leeft’ in de leugen. ‘Juist het feit dat het mogelijk is om niet op God gericht te zijn is een uitzonderlijke betoning van Zijn liefde.’ gaf ik eerder aan. Dit wil echter niet zeggen dat het al dan niet op God gericht zijn een keuze is die uit de mens voortkomt. Waar een mens in dit aardse bestaan al niet leeft door een vrije keuze, daar hoeft diezelfde mens al helemaal niet te denken dat hij aan een God welgevallig leven zou toekomen door een vrije keuze. ‘Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping.’ (2 Korintiërs 5 vers 17, NBG-vertaling) ‘Maar uit Hem is het, dat gij in Christus Jezus zijt, die ons van God is geworden: wijsheid, rechtvaardigheid (letterlijk: gerechtigheid), heiliging en verlossing (vrijkoping), opdat het zij, gelijk geschreven staat: Wie (zich be)roemt, (be)roeme (zich) in de Here (Heer). (1 Korintiërs 1 vers 30 en 31, NBG-vertaling) ‘Want Zijn maaksel (ook wel: het effect van Zijn daad) zijn wij, die geschapen worden in Christus Jezus voor goede werken, die God van tevoren gereedmaakt, opdat wij daarin zullen wandelen.’ (Efeziërs 2 vers 10, Concordante Vertaling) In beide scheppingen, zowel de oude als de nieuwe, is ruimte geschapen voor individuen met een persoonlijke existentie: God creëerde een unieke uiterlijke en innerlijke mens met eigenheid, emotie, gevoelens en verlangens. In beide scheppingen, de oude zowel als de nieuwe, is ruimte geschapen voor individuen om het ‘ik’ te ervaren, zodat het vervolgens ook mogelijk zou worden het ‘wij’ te ervaren. Het ‘wij ’: de relatie tussen God en mens, en de daaruit voortvloeiende relatie tussen mens en God. Het ‘wij ’: de relatie tussen Gods schepselen onderling die op een uitzonderlijke manier met elkaar verbonden zijn. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 183

Dus de mens is geen robot en heeft een eigen keuze. Als dat niet zo zou zijn dan: • had de Zoon ook niet hoeven sterven, want robots kunnen evengoed gemaakt worden zonder een dergelijk offer; • zouden wij ook nooit kunnen verlangen naar al die geweldige heerlijkheden die God ons heeft beloofd, want robots kennen een dergelijk verlangen niet; • zouden we ook nooit van harte kunnen belijden dat Gods Zoon Heer is, want robots doen niets ‘van harte’; • zouden wij nooit in staat zijn Gods Vaderlijke verwantschap met ons te erkennen, want robots erkennen geen enkele vaderlijke verwantschap; • zouden wij nooit Gods liefde kunnen ervaren, want robots ‘ervaren’ ten diepste niet, al is de techniek nog zo geavanceerd. De mens heeft geen vrije keuze, want God is wel degelijk ‘dé Bepalende Factor’ in Zijn schepping. Kortom: dat de mens de mogelijkheid heeft ontvangen om te wikken sluit niet uit dat God zal beschikken! Spreuken 16 vers 9: ‘Een mens stippelt zijn weg uit, de HEER bepaalt de richting die hij gaat.’ (De Nieuwe Bijbelvertaling) ‘Het hart des mensen overdenkt (letterlijk: bedenkt, beraamt) zijn weg, maar de HERE (IEUE, Jahweh) bestiert (richt op, vestigt) zijn gang.’ (NBGvertaling) Spreuken 20 vers 24: ‘De weg van een mens wordt bepaald door de HEER, wie weet zelf welke richting hij gaat?’ (De Nieuwe Bijbelvertaling) ‘Van de HERE (IEUE, Jahweh) zijn de schreden eens mans, maar een mens – hoe zal hij zijn weg doorzien (letterlijk: verstaan, begrijpen)?’ (NBGvertaling) En, ten overvloede, Jeremia 10 vers 23: ‘Ik erken, o HEER, dat het niet aan de mens is zijn weg te bepalen, zijn pad uit te zetten, te kiezen waarheen hij zal gaan.’ (De Nieuwe Bijbelvertaling) 184 | EÉN VOOR ALLEN

‘Ik weet, o HERE (IEUE, Jahweh), dat het niet aan de mens staat zijn weg te kiezen, noch aan een man om te gaan en zijn schreden te richten (letterlijk: oprichten, vestigen).’ (NBG-vertaling) God richt op! God vestigt! ‘Schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in mijn binnenste een vaste (letterlijk: opgerichte, gevestigde) geest (…)’ (Psalm 51 vers 12, NBG-vertaling) Natuurlijk kunnen mensen het vreemd of onwerkelijk vinden dat zij ook innerlijk gevormd worden door hun Schepper, terwijl ze tegelijkertijd als individuen met een persoonlijke existentie – een unieke uiterlijke en innerlijke mens met eigenheid, emotie, gevoelens en verlangens – door God in de ruimte worden gesteld. Iemand verwoordde de ontgoocheling die hierop kan volgen eens als volgt: ‘Dit gegeven brengt mij toch in een lichte identiteitscrisis, want wie ben ik dan uiteindelijk nog? Leef en denk ik dan eigenlijk nog wel zelf? Beheerst God echt ieder detail en iedere gedachte van mijn leven?’1 Veel gelovigen ervaren dit niet als een lichte identiteitscrisis, maar als een zware! Waar we eerst een dozijn ‘grote denkers’ op ons nachtkastje apprecieerden, daar zet deze geestelijke ontdekking onze menselijke denkwereld op zijn kop. Want wie is ‘die Formeerder’ dan wel?! Of wie zijn ‘die mensen’ dan die beweren dat God eveneens scheppend bezig is in ons innerlijk?! In wat voor een ‘absurdistische werkelijkheid’ komen we dan terecht? In de christelijke denkwereld komt het getuigenis dat God alles bepaalt niet zelden al bij voorbaat over als verwerpelijk of verderfelijk… en wordt het veelal afgedaan als ‘dwaalleer’. Het is toch eigenlijk erg ook als je de voorafgaande teksten overdenkt! Een mens stippelt zijn weg uit, maar de Heer (IEUE, Jahweh) bepaalt de richting die hij gaat. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 185

Er is in dit leven ruimte voor eigenheid, maar geen ruimte voor vrijheid; eigenheid betekent immers nog geen ruimte om een vrije keuze voor God te kunnen maken. Erkennen wij tezamen met Jeremia dat het niet aan de mens is zijn weg te bepalen, zijn pad uit te zetten, te kiezen waarheen hij zal gaan… ook – of juist – waar dat het geloof aangaat? Maar de christelijke denkwereld kent zijn eigen grote denkers die hun ruimte op het nachtkastje (nog) niet willen prijsgeven. ‘Ze roepen graag dat mensen geen marionetten zijn, maar wat ze bedoelen is dat God niet aan de touwtjes trekt!’2 Het geloof in de vrije keuze van de mens viert hoogtij en maakt veelal het wezen van de zaak uit. Het wezen van de zaak is gelegen in de eigenschappen die haar kenmerken. De algehele beeldvorming, en de daaruit voortgekomen definitie van geloof, hangt nauw samen met de vrije keuze van de mens.‘Want,’ zo is de redenatie, ‘anders zou God toch ook niemand verloren kunnen laten gaan, omdat Hij dan op niemand iets aan te merken zou kunnen hebben? En dan heeft “het hele geloof” en “het kiezen voor Jezus” toch geen enkele zin…?!’ Kanttekeningen als deze zijn niet per definitie spottend of smalend bedoeld, maar kunnen worden geplaatst vanuit diepe bewogenheid, een bewogenheid die nu eenmaal bij de innerlijke beleving van het geloof kan komen kijken. Het komt er kort gezegd op neer dat, wanneer we gaan geloven dat God alles bepaalt, de algemeen heersende gedachtegang te veel verstoord raakt, want wanneer er ook nog aan ‘de vrije keuze’ en de daaruit voortvloeiende ‘verantwoordelijkheid van de mens’ gesleuteld gaat worden… wat blijft er dan nog over?! Misschien moeten we daar maar eens wat dieper op ingaan, op wat er dán nog overblijft want dat is in feite een zeer interessante vraag! Wat blijft er nog over wanneer niemand verloren zou gaan omdat God op niemand meer iets aan te merken kan hebben? En wat zou het – dan nog – voor zin hebben om te geloven? Uiteraard valt enig verantwoordelijkheidsgevoel in onze handel en wandel wel degelijk toe te juichen; de klemtoon komt echter in dezen heel ergens anders te liggen wanneer we niet zozeer op (falende) menselijke vermogens gericht zijn, maar op Gods vermogen. 186 | EÉN VOOR ALLEN

Mensen kunnen behoorlijk gaan steigeren wanneer ze dingen die weerleggen wat ze – mogelijk decennia geleden al – voor ‘waarheid’ hadden aangenomen horen of lezen. Nu is het nog enigszins te aanvaarden dat God de materie heeft geschapen, maar de innerlijke mens? We hoeven hier echter in het geheel niet om te strijden, want God is Zelf Degene Die alle harten vormt of modelleert! ‘Hij, die hun aller harten vormt (letterlijk ook wel: modelleert), die al hun werken (daden) doorgrondt.’ (Psalm 33 vers 15, NBG-vertaling) Voorop bij dit alles staat dat God scheppend bezig is in ons innerlijk, een innerlijk dat Hij vormt naar Zijn welgevallen. Het is dus helemaal niet aan mensen te bepalen wie wat, waarom en waartoe gelooft; het is eerder zaak gedrongen te worden door liefde… al zijn we onderling nog zo verschillend. Niet de door mensen zo gevierde ‘vrije keuze’ is de essentie van het geloof, maar de liefde is de spil waar alles om draait! 1 Korintiërs 13 vers 2 vanuit de Concordante Vertaling: ‘En al zou ik een profetie hebben en alle geheimenissen weten en alle kennis hebben en al zou ik al het geloof hebben zó dat ik bergen kon verzetten maar ik zou geen liefde (Goddelijke liefde) hebben, niets ben ik.’ Van belang is dat we onze menselijke ‘waarheden’ blijven leggen langs de lat van Gods waarheid, de waarheid waarin agapè voorop gaat. Zelfs het geloof is ondergeschikt aan de liefde. ‘Want in Christus Jezus vermag noch besnijdenis iets, noch onbesneden zijn, maar geloof, door liefde werkende.’ (Galaten 5 vers 6, NBG-vertaling) ‘Want in Christus Jezus is noch besnijdenis tot iets in staat, noch voorhuid, maar geloof, dat door liefde werkzaam is.’ (Concordante Vertaling) 1 Korintiërs 13 vers 13 (NBG-vertaling): ‘Zo (letterlijk: Nu) blijven dan: Geloof, hoop (verwachting) en liefde (agapè), deze drie, maar de meeste van deze (de grootste) is de liefde.’ EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 187

Dat God ook het innerlijke wezen van de mens zou vormen is voor velen een brug te ver. Er is echter een zeer verhelderend tekstgedeelte in Gods Woord te vinden, dat handelt over het gegeven dat God het ook hierin voor het zeggen heeft. Het bijzondere is daarbij dat dit tekstgedeelte exact weergeeft wat er vandaag de dag nog steeds speelt wanneer ervan getuigd wordt dat God eveneens de Formeerder van ons innerlijk is. We kunnen het lezen in Romeinen 9 vers 18 tot en met 21 (NBG-vertaling): ‘Hij ontfermt Zich dus (letterlijk: Hij is barmhartig) over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil. Gij zult nu tot mij zeggen: Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Want wie wederstaat zijn wil (raadsbesluit)? Maar gij, o mens! wie zijt gij, dat gij God zoudt tegenspreken (ook wel: tegen-antwoorden)? Zal het geboetseerde (geknede) soms tegen zijn boetseerder (ook wel: vormer, formeerder) zeggen: Waarom hebt gij mij zo gemaakt? Of heeft de pottebakker niet de vrije beschikking (volmacht) over het leem om uit dezelfde klomp (kneedbare substantie) het ene voorwerp (instrument) te vervaardigen tot eervol (naar binnen in eer of waarde), het andere tot alledaags gebruik (naar binnen in oneer, zonder waarde)?’ ‘Zo ontfermt Hij Zich dan, diens Hij wil, en verhardt, dien Hij wil. Gij zult dan tot mij zeggen: Wat klaagt Hij dan nog? Want wie heeft Zijn wil wederstaan? Maar toch, o mens, wie zijt gij, die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengenen, die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt gij mij alzo gemaakt? Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit denzelfden klomp te maken, het éne vat ter ere, en het andere ter onere?’ (Statenvertaling, Jongbloed-editie) De vraag ‘wat God dan nog aan te merken zou kunnen hebben?’ is vanuit menselijke beschouwing gerechtvaardigd. In zijn redevoering hield Paulus dan ook terdege rekening met de kanttekeningen die zijn toehoorders over het gegeven dat ‘God bepaalt over wie Hij barmhartig is en wie Hij verharden zal’ zouden kunnen plaatsen. Want wat kan God nog af te keuren hebben met betrekking tot de innerlijke en uiterlijke wandel van een mens wanneer Hij daarin nota bene Zelf ‘dé Bepalende Factor’ zou zijn…?! Toch valt uit dit tekstgedeelte eenvoudig op te maken dat God, als de Vormer of Formeerder, de volmacht heeft Zich instrumenten te 188 | EÉN VOOR ALLEN

vormen ‘naar binnen in eer’ of ‘naar binnen in oneer’, ‘naar binnen in waarde’ of ‘zonder waarde’. Hier moeten we evenwel een kanttekening bij plaatsen omdat het over een geestelijke zingeving aan iemands bestaan gaat. Wanneer het gaat over de vraag of God ieder mens waardevol vindt, zullen we immers volmondig moeten beamen dat dat het geval is, omdat Hij Zijn Zoon als vervangend losgeld voor ons allemaal gegeven heeft. Dit zou Hij zeker niet gedaan hebben als er doelmissers waren die geen waarde voor Hem hadden. ‘Dit is goed (letterlijk: uitstekend) en aangenaam (welkom) voor God, onze Heiland (Redder), die wil, dat alle mensen behouden (gered) worden en tot erkentenis der waarheid (tot erkenning van de waarheid) komen. Want er is één God en ook één middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, die Zich gegeven heeft tot een losprijs (vervangend losgeld) voor allen; en daarvan wordt getuigd te juister tijd.’ (1 Timoteüs 2 vers 3, NBG-vertaling) De Formeerder Die de volmacht heeft Zich instrumenten te vormen ‘naar binnen in eer’ of ‘naar binnen in oneer’ – ‘naar binnen in geestelijke waarde’ of ‘zonder geestelijke waarde’ – wil dat uiteindelijk alle mensen gered worden en tot erkenning van de waarheid komen. Om dat doel te bereiken heeft Hij dan ook vervangend losgeld betaald voor allen, waarvan getuigd zal worden op het juiste moment: het moment dat God voor ogen staat. ‘Ja, maar…’ zegt men dan, ‘dat is dan hetgeen God wil. God wil natuurlijk wel dat alle mensen gered worden en tot erkenning van de waarheid komen maar de duivel is te machtig gebleken. Daarom zullen er voorzeker nog mensen voor eeuwig verloren gaan.’ Deze mensen hebben helemaal niet door dat ze zichzelf hierin ongelofelijk tegenspreken. Want als God zo graag wil dat alle mensen behouden worden en tot erkenning van de waarheid komen, dan kan Hij natuurlijk nooit tegelijkertijd ook willen dat er nog mensen voor eeuwig verloren zouden gaan. Terwijl dezelfde mensen veelal eveneens van mening zijn dat dít nu uitgerekend is wat God uiteindelijk tot Zijn spijt zal moeten doen, hiermee dus tegen Zijn eigen wil ingaand! Tot wat voor een God verwordt God dan? Tot wat voor een Vader? EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 189

Een slappeling? Een Vader die niet volkomen aanvaardt in liefde? Een Vader die daarentegen voor eeuwig afwijst en in de verdoemenis werpt? Een Vader die tegen Zijn Eigen wil ingaat? Een leugenaar? Een doelmisser? Gods woord is hier echter heel duidelijk in: ‘Hij doet naar zijn wil met het heer des hemels en de bewoners der aarde: en niemand is er, die zijn hand kan weerhouden of tot Hem kan zeggen: wat doet Gij?’ (Daniël 4 vers 35, NBG-vertaling) Hij doet naar Zijn wil! Niemand is er, die Zijn hand kan weerhouden! Het is echter nog erger dan het in eerste instantie lijkt want deze mensen spreken met een dergelijke reactie niet alleen zichzelf tegen, maar zij spreken eveneens het ‘onze Vader’ tegen, waarin Jezus uitspreekt: ‘Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd; uw Koninkrijk kome, uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde.’ (Matteüs 6 vers 9 en 10, NBG-vertaling) Zou het gebed van de Zoon ‘een vraag’ zijn? Een ‘wens’? Een ‘mogelijkheid’? Een ‘gedachtespinsel’ van Degene Die ons deze woorden leerde? Nu is het Gods wil dat alle mensen gered worden en tot erkenning van de waarheid komen, lazen we in 1 Timoteüs 2 vers 3. Om dit te kunnen verwezenlijken heeft Hij vervangend losgeld betaald door middel van het bloed van de Zoon. En vervolgens zijn mijn vragen aan jou: Zou het vervangend losgeld voor allen daadwerkelijk genoeg zijn om diezelfde allen ook te redden? Zou de Schepper van hemel en aarde Zijn Eigen wil niet waar kunnen maken? Zou de tegenstander machtiger zijn dan God? Wat verwácht jij? 190 | EÉN VOOR ALLEN

Het is daarnaast uitzonderlijk te noemen dat gelovigen zo tegen het gegeven dat God alle mensen redt in verweer komen, terwijl zij zichzelf nu juist alle mogelijke moeite getroosten om maar zo veel mogelijk mensen ‘tot geloof te brengen’. Wanneer blijkt dat God hetzelfde doel voor ogen staat – zo veel mogelijk mensen tot erkenning van de waarheid brengen; uiteindelijk zelfs alle doelmissers – dan zou dat ineens ‘godslasterlijk’ zijn. Je zou toch ánders verwachten van gelovigen, want ‘hoe meer zielen er gewonnen zullen worden, hoe meer vreugd’ immers! ‘Tot op vandaag domineert in de theologie het idee van “de vrije wil”, hetgeen impliceert dat God afhankelijk is van de keuzes van Zijn eigen schepselen. Gaat u maar na: ooit maakte God (zo leert men) een volmaakte schepping, maar helaas werd ene Lucifer ongehoorzaam en gooide roet in het eten. Vervolgens plaatste God op aarde een mensenpaar, waarbij het wederom misging, zodat zonde en dood hun intrede deden in de mensenwereld. Ook dat was niet de bedoeling en God probeert (!) sindsdien te redden wat er te redden valt… Dat alles mag dan “orthodoxe theologie” heten, het schildert een God die voor het welslagen van Zijn voornemen geheel afhankelijk is van de respons van mensen. Op het eindresultaat van Zijn werk rust op voorhand al de onuitwisbare smet dat talloze door Hem geliefde creaturen definitief zullen ontbreken. Zij zullen vertoeven in (wat men noemt) “de eeuwige dood”. Trouwens, dat eindresultaat staat ook nog te bezien, want wie garandeert dat het in de toekomst niet opnieuw mis zal gaan?’3 Waar het uitstekend en welkom voor God is dat alle mensen gered worden en tot erkenning van de waarheid komen, daar valt dit voor veel gelovigen vaak verre van ‘uitstekend’ of ‘welkom’ te noemen. Gelovigen wordt hiermee de motivatie ontnomen zieltjes te winnen ter voorkoming dat deze voor eeuwig verloren zouden gaan, en dat wordt niet in dank afgenomen. (Bovendien zijn er genoeg zielen die het in de ogen van mensen absoluut niet verdienen om in de hemel te komen!) En waarom zou je jezelf überhaupt nog inspannen voor een zaak waarvan de uitkomst al beslist is?! Men heeft geen weet van het feit dat er nog steeds mensen verloren zullen gaan – zij het niet voor eeuwig – en dat het daarom nog EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 191

steeds zaak is het goede bericht te brengen: opdat zij die God op dat moment al daartoe heeft uitverkozen het horen zullen! We moeten in acht nemen dat ‘de redding van alle mensen’ absoluut niet buiten de erkenning van de waarheid om gaat. Voor God staat ons innerlijk immers gelijk aan een kneedbare substantie en daarom is Hij ook bij machte alle doelmissers tot erkenning van de waarheid te brengen. Dat is dan ook meteen de reden waarom Hij, door de prediking van Paulus, de mensen op hun plaats zette. De vraag die bij velen voor in de mond lag – en die veel mensen vandaag de dag nog steeds op het puntje van de tong ligt – werd niet als zodanig beantwoord. Er werd daarentegen ingegaan op de kern van deze tegenspraak: datgene wat achter deze tegenspraak zat werd ontmaskerd en aan de kaak gesteld. Nogmaals: ‘Hij ontfermt Zich dus (letterlijk: Hij is barmhartig) over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil.’ (Romeinen 9 vers 18, NBG-vertaling) Wanneer mensen dénken God tegen te kunnen spreken vergissen ze zich zeer, omdat God Zelf bepaalt over wie Hij barmhartig is en wie Hij verharden zal. Het hangt niet van de menselijke wil af of van menselijke vermogens, maar van Gods barmhartigheid over ons! Opdat het uitverkiezend voornemen Gods zou blijven; niet op grond van enig ‘menselijk werk’, maar op grond van het feit dat Hij riep. Niet ‘onze vrije keus’, maar Góds vrije keus staat centraal! God zal, op Zijn tijd, alle mensen barmhartigheid betonen… door hun verharde hart om te zetten naar een hart dat de waarheid van Zijn liefde van harte zal erkennen. Dit is uitstekend en welkom voor God, onze Redder, Die wil, dat alle mensen gered worden en tot erkenning van de waarheid komen. Want er is één God en ook één middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, Die Zich gegeven heeft tot vervangend losgeld voor allen; en daarvan wordt getuigd te juister tijd. We gaan weer verder met het onderwerp waar we mee bezig waren: lijden dat voortkomt uit haat… wat moeten we daar nu mee? 192 | EÉN VOOR ALLEN

‘Hebben we het nu al weer over lijden? Waarom komt dat toch steeds ter sprake?’ zou je kunnen denken. ‘Ik weet wel een leuker onderwerp te bedenken… want lijden is toch helemaal niet “van God”?’ Gods Woord leert dat zaken als deze tot beproeving dienen: beproeving van hetgeen Hij aan ons bewerkt heeft. Mijn vader beschreef het eens als volgt: ‘Lijden en onderschikking hebben wel het meest te maken met ons geloofsleven, omdat wij dit meestal niet kunnen zien als iets waar God, de Vader, ook mee te maken heeft.’4 Wanneer wij beproefd worden zitten we daar veelal helemaal niet op te wachten. Had God geen ander moment kunnen kiezen? Het komt nu eventjes niet zo goed uit! Moest het nou echt op deze manier gaan? Kon het niet anders? Waarom ík? Het is maar zelden dat mensen denken: ‘Waarom ik niet?’ Mensen willen van nature niet lijden. Ze voelen zich absoluut niet geliefd door God wanneer hun lijden overkomt, maar beginnen daarentegen de liefde van hun hemelse Vader ernstig te betwijfelen. Opmerkelijk is het daarom dat de tekst van 1 Petrus 4 vers 12 nou net moest beginnen met het woord: ‘Geliefden’. Geliefden, laat de vuurgloed, die tot vurige beproeving dient, u niet bevreemden, alsof u iets vreemds overkwame… Mijn vader verwoordde de liefde van God eens als volgt: ‘God, die mijn Vader is, kent mij persoonlijk, weet waar mijn problemen liggen, weet hoe mijn hart op Hem gericht is en welke menselijke EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 193

fouten er aan mij kleven. Hij ziet echter aan dit alles voorbij omdat Hij mij aanziet in Christus Jezus; met andere woorden: Hij ziet mijn fouten niet en rekent ze mij niet toe.’5 Hierin ontving mijn vader het inzicht te rekenen met wat mensen in genade mogen zijn, namelijk: geliefden. Geliefden die door God worden aangezien in Christus Jezus en die de hemelse Vader met vrijmoedigheid mogen naderen en kunnen gaan verheerlijken. De tekst gaat verder in 1 Petrus 4 vers 13: ‘Integendeel, verblijdt u (letterlijk: verheugt u!) naarmate (in de mate dat) gij deel hebt aan het lijden van Christus, opdat gij u ook met vreugde zult mogen verblijden bij de openbaring zijner (verheugen in de onthulling van Zijn) heerlijkheid.’ (NBG-vertaling) Nu kom je nog regelmatig tegen dat mensen denken dat hier bedoeld wordt dat iedere willekeurige vorm van lijden ‘een menselijk verheugen’ zou moeten uitwerken; alsof we blij zouden moeten zijn met de verschrikkelijkste dingen – een onmogelijke opgave! Het gaat hier echter om het ‘deelhebben aan het lijden van Christus’, wat een geestelijke vorm van verheugen in ons zal uitwerken die helemaal niets met menselijke vermogens tot verblijden van doen heeft. In ons hart kunnen we het hier vanuit de oude mens juist nog erg moeilijk mee hebben en daarom hebben wij Gods vertroosting over dit gegeven ook zo hard nodig: om te kunnen leren lijden op een geestelijke wijze, zoals de Zoon ons hierin is voorgegaan. We lazen zojuist in 1 Petrus 4 vers 13 dat een ‘deelhebben aan het lijden van Christus’ nooit op zichzelf staat. Het is een deelhebben opdat we ons gaan verheugen. Opdat we ons gaan verheugen in de onthulling van Zijn heerlijkheid. Waar we er, op menselijk vlak, helemaal doorheen kunnen zitten als we op de omstandigheden kijken, daar wordt een geestelijk verheugen in ons opgewekt wanneer we deelachtig zijn aan het lijden van Christus. Dit betreft geen verheugen met betrekking tot de ellende waarin we ons gesteld zien, maar veel meer een verheugen in onze toekomstverwachting. De kracht zit niet in een menselijk verheugen vanuit menselijke vermogens; de kracht zit in het Goddelijk verheugen vanuit Gods vermogen! 194 | EÉN VOOR ALLEN

Omdat ook deze hartenkennis een genadegave van God is, doen mensen er goed aan hier niet bij zichzelf of bij anderen op vooruit te lopen. Dit valt niet vanuit de mens te bewerken en al helemaal niet op het tijdstip waarvan wíj vinden dat dit ‘het beste’ is. We mogen elkaar hierin dan ook bemoedigen: Als God iets geeft dan geeft Hij het op Zijn tijd… en zo is het goed! ‘Maar wie roemt (letterlijk: wie zich beroemt), (be)roeme (zich) in de Here (Heer); want niet wie zichzelf aanbeveelt, doch wie van de Here (Heer) een aanbeveling ontvangt, heeft de proef doorstaan (is getest, beproefd).’ (2 Korintiërs 10 vers 17 en 18, NBG-vertaling). We kunnen onszelf niet aanbevelen, maar enkel een aanbeveling van onze Heer ontvangen. ~ Onderonsje ~ Een vrouw – we zullen haar Jenne noemen – vertelde me eens over het drankprobleem van haar man. Jenne had een lieve man en hield erg veel van hem; het enige nadeel was dat hij zo veel dronk. Nu was haar man gelukkig nog nooit gewelddadig geworden ten opzichte van haar of de kinderen, maar Jenne voelde zich met enige regelmaat toch behoorlijk eenzaam in haar situatie. Ze vond het eigenlijk nog het ergst voor de kinderen. Wanneer ze er als gezin met elkaar opuit zouden kunnen gaan dan was hun vader daar negen van de tien keer gewoon niet aanspreekbaar voor. Deze uitzichtloze situatie duurde en duurde maar, terwijl ze er al zo vaak voor gebeden had! Jenne was er erg verdrietig over. Wanneer je een dergelijke levensgeschiedenis aanhoort en overdenkt, dan zou je tot de conclusie kunnen komen dat het eigenlijk helemaal niet zo verwonderlijk is dat mensen er soms gewoon de brui aan willen geven. Mensen hoeven hierbij immers lang niet altijd ‘over één nacht ijs te gaan’, al is dat vandaag de dag steeds vaker aan de orde. Hier kunnen jaren van stilzwijgende pijn, machteloosheid, verdriet, EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 195

teleurstelling en vernedering aan vooraf zijn gegaan… en – laten we wel wezen – het kan zelfs om puur lijfsbehoud gaan. Ik sloeg mijn arm om de diep verdrietige vrouw heen en vroeg na verloop van tijd of ze misschien wist waarvoor ze leed. Door haar tranen heen keek Jenne me verwonderd aan en ik stelde de vraag anders: ‘Weet je, als gelovige vrouw, dat het lijden dat je draagt om Zijn Naam is?’ ‘Nee, daar heb ik nog nooit van gehoord,’ gaf Jenne aan. ‘Hoe zit dat dan?’ Ik vertelde Jenne dat het, in een situatie als die van haar, menselijk gezien goed te begrijpen zou zijn wanneer zij en haar partner voortdurend in grote onmin met elkaar zouden leven. ‘Maar dat is toch niet het geval?’ ‘Nee,’ gaf Jenne aan. ‘Er vallen weleens woorden, zoals dat in ieder gezin het geval kan zijn… maar dat mag verder geen naam hebben.’ ‘En je hebt er – ondanks het feit dat je jezelf met enige regelmaat toch behoorlijk eenzaam voelt – niet de brui aan willen geven?’ vroeg ik. ‘Nee, dat niet,’ gaf Jenne opnieuw aan. ‘Ook heb je niet naar een ander getaald met wie je mogelijk wel leuke dingen met je kinderen had kunnen ondernemen?’ ‘Nee… van dit alles is tot nog toe geen enkele sprake geweest,’ zei Jenne. ‘Maar ben je je er dan wel van bewust dat dit menselijk gezien eigenlijk heel erg bijzonder is?! Hoe is dat dan zo gekomen in je leven?’ vroeg ik. Jenne dacht enige tijd na en vertelde dat dat door het geloof moest zijn gekomen; bij anderen kon het gerust iets anders zijn, maar bij haar was dat het geloof. Een prachtig, integer antwoord. ‘Dus… als ik je goed begrijp is het de liefde van God die je tot een dergelijke houding heeft aangezet, die je hiertoe jarenlang heeft bewogen?’ ‘Ja, zo zou je het inderdaad kunnen omschrijven.’ ‘Nou, daarin lijd je dan ook om Zijn Naam,’ gaf ik aan. Jenne keek me nog steeds vragend aan. ‘En weet je waarom? Omdat je God de eer geeft voor de kracht die je daartoe ontvangen hebt: door in daad – en nu ook in woord – te getuigen van Zijn liefde in plaats van die van jezelf!’ 196 | EÉN VOOR ALLEN

De vrouw stond perplex… haar ogen werden ter plekke geopend. Dus ze leed hierin om Zijn Naam?! Maar zo had ze het nog nooit bekeken! Ze had eigenlijk altijd gedacht dat deze situatie er was omwille van iets waarin ze, qua geloof, tekort was geschoten – mede omdat God haar gebed na al die jaren nog steeds niet had willen verhoren – en ze had zich daardoor schuldig gevoeld. Stel je nu eens voor dat ik Jenne de tekst in 1 Petrus 4 vers 13 hardhandig onder de neus had gewreven: ‘Integendeel, verblijdt u naarmate gij deel hebt aan het lijden van Christus, opdat gij u ook met vreugde zult mogen verblijden bij de openbaring zijner heerlijkheid.’ (NBG-vertaling) Hoe had zij deze tekst opgevat, denk je, met betrekking tot de moeilijke situatie waarin zijzelf, haar kinderen maar ook haar man zich bevonden, vanuit de gedachte dat deze moeilijke situatie er was omwille van iets waarin ze, qua geloof, tekort was geschoten? Vanuit de gedachte van schuld ? Deze tekst had, logischerwijs, nog geen ingang kunnen vinden, omdat Jenne nog geen flauw benul had van de plaats die ze door Gods genade mocht innemen. Ze had zeer waarschijnlijk gedacht: ‘Hoe kan ik mijzelf nu in ’s hemelsnaam ook nog in deze lijdensweg verheugen?’ Ik vertelde Jenne dat God haar als een zegen had gegeven aan het gezin dat Hij haar geschonken had. Jezus had alle schuld – lang geleden al – van ons overgenomen en dat God haar gebed (nog) niet verhoord had kon daarom niets meer te maken hebben met iets waarin ze tekort was geschoten, met iets wat ze verkeerd zou hebben gedaan of met iets waarvoor ze gestraft zou moeten worden. Ieder mens schiet tekort; niemand vormt daar vanuit zichzelf een uitzondering op. De Zoon is nu juist naar ons uitgezonden om ons te bevrijden uit deze valstrik! Dat Jenne niet getuigde van haar eigen menselijke vermogens, maar erkende dat Gods liefde haar innerlijk gevormd en bewogen had in deze moeilijke situatie was zonder meer heel bijzonder. God wilde haar kracht en haar vreugde zijn en had haar Zijn Zoon gegeven om op te mogen zien, zelfs wanneer de situatie niet meer te handhaven zou zijn geweest en er, noodgedwongen, meer afstand had moeten EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 197

komen tussen haar, haar kinderen en haar man, zoals in soortgelijke situaties op den duur evengoed het geval kan zijn. De terneergeslagen en diep verdrietige vrouw ging met hernieuwde kracht de deur uit. Geruime tijd later begreep ik van Jenne dat er nog een Godswonder was gebeurd: naast haar eigen bevrijding van die loodzware innerlijke last, was haar man van de drank af! — Wanneer we deelhebben aan het lijden van Christus, dan hoeft dat niet per definitie om grote, wereldschokkende gebeurtenissen te gaan, zoals dat in het leven van Paulus aan de orde was; het kan de gewone dagelijkse gebeurtenissen betreffen. Situaties waarin we het innerlijke (draag)vermogen ontvangen om de liefde van onze hemelse Vader voorop te stellen. Momenten waarin we ons diep bewust worden van het feit dat Zijn liefde vormgeeft aan onze innerlijke belevingswereld. Zoals eerder gezegd: ‘De innerlijke verandering die God voor ogen staat heeft niets te maken met “menselijke vermogens tot veranderen”, maar met de grootste kracht tot innerlijke verandering die er maar bestaat: innerlijke verandering door de alles overwinnende kracht van Zijn liefde.’ Deelhebben aan het lijden van Christus heeft nooit met straf of schuld te maken, maar is opdat mensen zich gaan verheugen in de onthulling van Zijn heerlijkheid die (spoedig) komen gaat. ‘Want wij zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten, die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt (…)’ (Filippenzen 3 vers 20 en 21, NBG-vertaling) ‘Want ons domein behoort aan de hemelen toe, waaruit wij ook de Redder verwachten, de Heer Jezus Christus, die ons vernederd lichaam zal omzetten (ook wel: transformeren), gelijkvormig aan Zijn heerlijkheidslichaam (…)’ (Concordante Vertaling) 198 | EÉN VOOR ALLEN

Je bent een burger van een rijk in de hemelen, jouw domein behoort aan de hemelen toe! Je verwacht ook je Redder, de Heer Jezus Christus, uit de hemel, Die jouw vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan Zijn heerlijkheidslichaam gelijkvormig wordt! Wat een geweldige verwachtingsvolle boodschap… Dat is toch om stil van te worden?! DE LES LEZEN De groei naar geestelijke volwassenheid die onze Vader voor ogen staat kunnen we als mensen niet voor onszelf bewerken door bijvoorbeeld menselijke lering uit bepaalde omstandigheden te trekken. God heeft niets ‘van mensen’ nodig… ook onze menselijke lering niet. Geestelijke volwassenheid is dientengevolge geen ‘zaak van mensen’; de hemelse Vader komt de eer toe voor Zijn scheppingswerk in ons innerlijk. ‘Ik heb geplant, Apollos heeft water gegeven (letterlijk: gedrenkt), maar God heeft doen groeien. Het is niet belangrijk wie plant of wie begiet (drenkt); alleen God is belangrijk, want hij doet groeien.’ (1 Korintiërs 3 vers 6 en 7, De Nieuwe Bijbelvertaling) ‘De God, die de wereld (letterlijk: het systeem, stelsel of geheel) gemaakt heeft en al wat daarin is, die een Heer is van hemel en aarde, woont niet in tempels met handen gemaakt, en laat Zich ook niet door mensenhanden dienen, alsof Hij nog iets nodig had, daar Hij zelf aan allen leven en adem en alles geeft.’ (Handelingen 17 vers 24 en 25, NBG-vertaling) Geestelijk gezien zijn wij niets vanuit onszelf, al ontkennen we dat in alle toonaarden. Een mens is niet in staat om vanuit zichzelf een door God beoogd resultaat te bereiken en af te leveren, op welk vlak dan ook. God geeft alles! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 199

‘U bent een bouwwerk van God.’ (1 Korintiërs 3 vers 9, De Nieuwe Bijbelvertaling) Onze hemelse Vader is uit op geestelijke lering die Hij Zelf, door de onthulling van Zijn liefde aan ons hart, bewerkt en uitwerkt. Dit is dan ook meteen de reden waarom God er helemaal niet op uit is om de omstandigheden waarin we als mensen kunnen verkeren zogezegd als een knallende zweep in Zijn voordeel te laten fungeren. ‘En-nu-zul-je! want anders “ben Ik bang” dat er voor jou toch de eeuwige verdoemenis wacht…’ (De overtreffende trap van de hel die het hier op aarde soms kan zijn!) Zeg nou zelf: dat zou toch een aanfluiting zijn van Zijn liefde?! Nee, God jaagt geen mensen op om dan toch maar vooral meer vertrouwen in Hem te stellen. Van onderaf gezien kan dat wel zo lijken, maar Zijn liefde is onbaatzuchtig. Ze verlangt helemaal niets terug. Helemaal niets! Niemand kan het geloof in zijn eigen hart opwekken, laat staan vergroten. We zijn in genade geredden, door geloof, en dit niet uit onszelf; het is Gods naderingsgave. We zijn een bouwwerk van God, want Hij doet groeien. Niemand kan het geloof van zichzelf werkzaam maken door liefde. In Christus Jezus is noch besnijdenis tot iets in staat, noch voorhuid, maar geloof, dat door agapè werkzaam is. God, de Vader, Die oneindig veel meer kan doen dan alles wat wij kunnen bedenken, verzoeken of ook maar kunnen bevatten, maakt het Zelf mogelijk! ~ Onderonsje ~ Onderweg in de auto vertelde mijn man dat hij iets interessants op de televisie had gezien. Het handelde over een bepaalde afbeelding die aan groepjes kinderen en volwassenen was getoond. Dit betrof een wetenschappelijk onderzoek dat de, reeds bestaande, opinie kon onderbouwen dat ‘kinderen alleen maar kunnen zien waar ze psychisch ook daadwerkelijk aan toe zijn’. 200 | EÉN VOOR ALLEN

De beeltenis die de verschillende groepen te zien kregen was er een van getekende dolfijnen, maar daarnaast liet dezelfde afbeelding – wanneer je het plaatje anders bekeek – ook het beeld van twee geliefden zien. Het bijzondere was dat alle kinderen die aan dit onderzoek meededen stuk voor stuk meteen de dolfijnen zagen, maar de andere voorstelling niet ontdekten, terwijl de volwassenen veelal eerst de voostelling van het innig verstrengelde paar zagen en vervolgens pas de dolfijnen. — Op vergelijkbare wijze kan het ook met ‘de maatstaf van geloof’ werken. In Romeinen 12 vers 3 lazen we vanuit de NBG-vertaling: ‘(…) koestert geen gedachten, hoger dan u voegen (wees niet hooggezind), maar gedachten tot bedachtzaamheid (gezind zijn naar binnen in verstandig zijn), naar de mate van het geloof, dat God elkeen in het bijzonder heeft toebedeeld (iedereen, zoals God de maatstaf van het geloof toebedeelt).’ God heeft ons de perfecte afbeelding van Zichzelf gegeven: de Zoon, Die Zijn beeld is. Wat wij hiervan waarnemen hangt echter af van de maatstaf van het geloof zoals God, de Vader, mensen toebedeelt. Hoewel God dezelfde God is en ook altijd dezelfde God blijven zal, nemen we als gelovigen niet allemaal hetzelfde waar. Onze hemelse Vader vormt het innerlijk van een ieder afzonderlijk en laat ons precies datgene zien waar wij innerlijk ook aan toe zijn; hetgeen Hij wil dat wij waarnemen. Het kan daarom heel goed zijn dat we, wanneer we als zonen van God opgroeien naar geestelijke volwassenheid, ontvangen nieuwe hartenzaken waar te nemen die we eerder niet voor mogelijk hadden gehouden! Als mensen raken wij daar soms van in verwarring, maar we hoeven er echt niet aan te twijfelen of God dan mogelijk dezelfde God niet is gebleven. Ondanks alle verschillen die er tussen gelovigen kunnen zijn worden we immers allemaal in diezelfde Geest van liefde (be)geleid. Dat brengt ons vervolgens op het punt waarvan Paulus ontving te getuigen in 1 Korintiërs 12 vers 4 tot en met 6 (NBG-vertaling): EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 201

‘Er is verscheidenheid (letterlijk: toedeling) in genadegaven (ook wel: genade-effect), maar het is dezelfde Geest; er is verscheidenheid (toedeling) in bedieningen (dienst), maar het is dezelfde Here (Heer); er is verscheidenheid (toedeling) in werkingen (ook wel: daad-effect), maar het is dezelfde God, die alles in allen werkt.’ ‘Doch dit alles werkt één en dezelfde Geest, die een ieder in het bijzonder toedeelt, gelijk Hij wil (letterlijk: zoals Hij bedoelt).’ (1 Korintiërs 12 vers 11, NBG-vertaling) Het is dezelfde God, Die alles in allen werkt! Het is één en dezelfde Geest, Die een ieder in het bijzonder toedeelt zoals Hij bedoelt! ‘Want weet u, God is geen hemelse banketbakker die overal ter wereld steeds dezelfde kleine christenkoekjes uit het deeg vormt met steeds hetzelfde vormpje. Hij wil niet dat we allemaal hetzelfde denken, er hetzelfde uitzien, hetzelfde zeggen, hetzelfde doen. God houdt van verscheidenheid. Kijk eens naar de natuur die Hij schiep. Wat een soorten en variëteiten! De kerk is geen godsdienstindustrie die is opgezet om aan een lopende band vrome serieproducten te maken. De Bijbel is niet geschreven om van ons christelijke massaproducten te maken. Integendeel, de mensen waarover in de Bijbel geschreven wordt, zijn heel verschillend: Rachab, een voormalige prostituee, en Ester, de koningin… Of ze zijn heel gewoon, zoals Amos en Stefanus. De één was vijgenplukker en werd profeet, de ander was gemeenteoudste en werd martelaar. Verscheidenheid doet God eer aan. Een wettische mentaliteit eist van ons dat we allemaal hetzelfde zijn, dat we allemaal dezelfde overtuiging hebben, en dat we er hetzelfde uitzien. Daar krijg ik het benauwd van. Dan is mijn reactie: “Laat me eruit!” Genade is juist blij met verschillen en verscheidenheid en moedigt individualiteit aan. Ze ruimt een grote plaats in voor verschil van mening. Vergeet niet dat genade anderen de vrijheid geeft en in hun waarde laat. Dan is mijn reactie: “Laat me erin!”’6 202 | EÉN VOOR ALLEN

Verscheidenheid tussen mensen is het directe gevolg van de toedeling in genadegaven. Deze verschillen zijn het gevolg van het effect dat Gods genade heeft op het innerlijk van ieder van ons afzonderlijk. Ooit hoorde ik eens de volgende uitspraak: ‘Wanneer ouders (of begeleiders) willen dat alle kinderen hetzelfde zijn dan doen ze deze kinderen geweld aan.’ En zo zijn Gods kinderen, Zijn zonen en dochters, ook niet allemaal hetzelfde, maar juist uniek geschapen individuen; elk met zijn eigen persoonlijkheid en talent. ‘Want het lichaam bestaat toch ook niet uit één lid, maar uit vele leden.’ (1 Korintiërs 12 vers 14, NBG-vertaling) God doet ons dan ook geen geweld aan, maar stelt ons allemaal in onze toegewezen ruimte om te mogen zíjn! ‘Nu heeft God echter (letterlijk: zet) de leden, elk in het bijzonder, hun plaats in het lichaam aangewezen (op hun plaats), zoals Hij heeft gewild (zoals Hij wil).’ (1 Korintiërs 12 vers 18, NBG-vertaling) God zet de leden, elk in het bijzonder, op hun plaats, zoals Hij wil. ‘En het oog kan niet zeggen tot de hand: ik heb u niet nodig (letterlijk: heb geen behoefte aan u), of ook het hoofd tot de voeten: ik heb u niet nodig.’ (1 Korintiërs 12 vers 21, NBG-vertaling) God vraagt helemaal niet van ons dat we allemaal hetzelfde zijn, Hij erkent ons als uniek geschapen individuen. Onze bindende factor is agapè. Onze eenheid is in Hem Die ons liefheeft! De een zal daarom op het ene gebied meer van Gods geestelijke rijkdom ontvangen om het, vervolgens, ook te kunnen uitdragen in woord en daad, de ander op een ander gebied. Zo kan het dus zijn dat dit boek wat voor je is, precies zoals dit boek ook niets voor jou kan zijn… en dat is goed. Het gaat erom dat dit boek, of de schrijfster ervan, niets te zeggen heeft, maar dat God, Die de wasdom EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 203

geeft, met Zijn alles overwinnende kracht van liefde handelend bezig is in Zijn schepping. Het is niet belangrijk wie plant of wie drenkt; alleen God is belangrijk, want Hij doet groeien! ‘(…) want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt (letterlijk: tot één lichaam gedoopt), hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met één Geest gedrenkt.’ (1 Korintiërs 12 vers 13, NBG-vertaling) ‘Niemand is minder, niemand is meer… Ieder is nodig bij de Heer.’ zingen Elly en Rikkert Zuiderveld. In het wereldwijde geheel stelt God ons allemaal in onze toegewezen ruimte om te mogen zíjn. Dat onze bindende factor de liefde is wil echter niet zeggen dat we ‘een hand moeten kunnen zijn’ op de plaats waar God niet voor niets ‘een voet’ had gemaakt. Kortom: we hoeven elkaar in het geheel niet in de weg te zitten. Het lichaam vormt wereldwijd gezien een eenheid in Hem, waar er in de praktijk van het dagelijks leven sprake is van geestelijk handen- en voetenwerk op de daartoe door God bestemde plaats. Het werk dat een voet in het lichaam mag verrichten is immers anders dan het werk dat een hand verrichten mag. Gods liefde leest ons, onvolkomen mensen, niet ‘de les’. Natuurlijk kan het heel erg belangrijk zijn menselijke lering te trekken uit bepaalde situaties in ons leven, maar er is geestelijk gezien geen enkel menselijk inzicht dat Gods welgevallen zou kunnen wegdragen omdat een mens niet geestelijk is vanuit zichzelf. Zonder de inwoning van Zijn Geest is een mens van nature ziels. ‘Er wordt een natuurlijk (letterlijk: ziels) lichaam gezaaid, en een geestelijk lichaam opgewekt.’ (1 Korintiërs 15 vers 44, NBG-Vertaling) 204 | EÉN VOOR ALLEN

Waar het om gaat is dat alleen God ons, door Zijn Zoon, het inzicht kan schenken om op een geestelijke wijze ergens lering uit te trekken, dus niet dat er een lering te trekken zou zijn die alles menselijk gezien ‘logisch en verklaarbaar’ zou moeten maken! Wanneer er een dierbare aan de dood – maar dat kan evengoed aan het leven zijn – verloren is, worden de nabestaanden soms geconfronteerd met uitspraken als: ‘Dat was waarschijnlijk nodig om je wat te leren. Misschien wel om God wat meer te gaan vertrouwen in je leven.’ En hiermee denkt men dan iemand een handje in de ‘goede’ richting te helpen… Uitspraken als deze getuigen niet van de fijngevoeligheid, mildheid, het begrip en de vertroosting waar God Zelf over spreekt. Ze kunnen – hoewel hoogst waarschijnlijk goed bedoeld (laten we daar van uitgaan) – iemand dwars door de ziel snijden! Bovendien: er is niets wat wij als ‘ons eigen werk’ in rekening kunnen brengen voor het aangezicht van God. Vertrouwen hebben wij door Christus naar God toe, God-waarts. Niet dat wij uit onszelf bekwaam zijn iets als óns werk in rekening te brengen, maar onze bekwaamheid is uit God. Zo zijn er ook talloze mensen die verschillende narigheden met elkaar vergelijken om te kijken ‘wat erger is’, terwijl het daar feitelijk helemaal niet over gaat wanneer we elkaar willen bijstaan in lijden en verdriet. Liefde wordt gekenmerkt door uitingen van compassie, mededogen, invoelingsvermogen. En zo kan de uitspraak ‘tel uw zegeningen’ waarheid in zich dragen, maar evenzogoed niets met Gods liefde van doen hebben wanneer het tegen een kersverse weduwe gezegd wordt. Beter is het ruimte te laten aan de nabestaande zelf om hiervan mogelijk – zo God het geeft, want als mens blijf je hierin nergens (!) – te getuigen wanneer deze daar aan toe is. Onze hemelse Vader doet ons geen geweld aan… en laten we dat elkaar omwille van onze onderlinge geestelijke verschillen dan ook niet doen. God stelt ons allemaal in onze toegewezen ruimte om te mogen zíjn. Omstandigheden zijn er niet om ons op een menselijke wijze ‘een lesje te leren’, maar kunnen wel worden gebruikt om innerlijk iets in ons om te vormen wat geestelijk – van God uit gezien – ‘ten goede’ is. Wanneer we, ondanks het feit dat we vanuit de mens gezien ten onder zouden moeten EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 205

gaan in ons verdriet, Zijn liefde als zodanig kunnen blijven ervaren in ons leven, dan mag dat immers een waar Godswonder heten! Nee, hier valt totaal geen eigen verdienste of menselijke lering te bespeuren. En gelukkig maar… want het zou ons alleen maar van het geloof afbrengen wanneer we dat dachten! 1 Korintiërs 3 vers 21 leerde ons: ‘(…) niemand beroeme zich op mensen (…)’ (NBG-vertaling) En 1 Korintiërs 4 vers 7 gaf aan: ‘Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt? En indien gij het dan ontvangen hebt, wat beroemd gij u (letterlijk ook wel: grootspreken, opscheppen), alsof gij het niet ontvangen hadt?’ (NBG-vertaling) Het ergste wat we daarom kunnen doen is op de uitleving van geestelijke zaken vooruit lopen bij andere mensen, want wat heeft dat met liefde te maken?! We zouden ons dan beter kunnen afvragen hoe het eigenlijk met onze persoonlijke ‘geestelijke volwassenheid’ gesteld is! Verscheidenheid tussen mensen is het directe gevolg van de toedeling in genadegaven. Deze verschillen zijn het gevolg van het effect dat Gods genade heeft op het innerlijk van ieder van ons afzonderlijk. Laat ruimte aan God, Die mensen op Zijn tijd zal oprichten! ~ Onderonsje ~ Een jonge vrouw – we zullen haar Céline noemen – vertelde mij eens dat ze zo graag een vriend zou hebben. ‘Ik ben er echt aan toe,’ vond ze, en het was soms best moeilijk omdat het maar niet leek te lukken. Ze vroeg zichzelf vertwijfeld af of God misschien vond dat er iets niet goed was aan haar, misschien moest ze nog iets leren…? Ik kon Céline vertellen dat er inderdaad altijd nog wel wat te leren zou overblijven; in die zin zou niemand ‘volmaakt’ in een relatie kunnen stappen. ‘Het is eigenlijk veel belangrijker,’ gaf ik aan, ‘om te gaan ontdekken dat Gods liefde juist niet “op voorwaarde dat” werkt.’ Ik stelde Céline een vraag: ‘Stel je nu eens voor dat je zou weten dat het voor het leven van je toekomstige partner zogezegd “het beste is” als hij 206 | EÉN VOOR ALLEN

jou pas over – bijvoorbeeld – twee jaar zou ontmoeten… zou je dat er dan voor overhebben?’ ‘Ja… ik denk het wel,’ antwoordde Céline aarzelend. ‘Deze omstandigheden, die je nu zo moeilijk vindt, zijn er van God uit gezien niet om je op menselijk vlak iets te leren omdat je zogezegd “niet aan Gods norm zou voldoen” of “niet goed genoeg zou zijn”. Gods uitgangspunt is nu juist dat Hij je neemt zoals je bent. Geen mens kan voldoen aan Gods norm… maar Gods Zoon heeft voor ons aan de norm voldaan! God ziet je niet meer aan als “iemand die niet voldoet”, maar wil je vaste grond onder je voeten geven om op te kunnen staan. Hij wil Zijn liefde aan je hart bekendmaken en je begeleiden om – vanuit deze liefde – te leren leven. Ook in deze moeilijke situatie die Hij op een geestelijke wijze zal laten samenwerken ten goede, op Zijn tijd en op Zijn manier.’ Céline dacht er lang over na en ging toch enigszins opgelucht de deur uit. Het moest allemaal nog even landen… — Als mensen hebben we soms de neiging alles te betrekken op onszelf: wíj zijn ongeduldig en wíj moeten nog iets leren en wíj voldoen (nog) niet. Menselijke lering uit iets trekken is echter geen voorwaarde voor Gods liefde en dat vergeten we soms. In liefde vertelt de Schrift ons juist dat we vanuit onszelf niets zijn en dat God daarom ook helemaal niet rekent met menselijke bekwaamheid. Het uitleven van Zijn liefde is dan ook een ontvangen geestelijk goed, in welke situatie je je ook bevinden mag. Zo beweren mensen ook nog weleens dat je ‘liefde zou moeten verdienen’, een grove leugen. Hetzelfde wordt echter van Gods liefde beweerd: ‘Liefde?! Ja… maar op voorwaarde dat!’ Gods Woord leert gelukkig anders: Echte liefde, in haar zuiverste vorm, verdien je juist niet! Echte liefde schenkt onverdiende genade! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 207

‘Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben (letterlijk: liefhebben), maar dat Hij ons heeft liefgehad (liefheeft) en zijn Zoon gezonden heeft als een verzoening voor onze zonden (ook wel: missers).’ (1 Johannes 4 vers 10, NBG-vertaling) ‘God echter bewijst zijn liefde jegens ons (letterlijk: God beveelt Zijn liefde tot ons aan, ook wel: God laat Zijn liefde “samen staan” naar binnen in ons), doordat Christus, toen wij nog zondaren (doelmissers) waren, voor ons gestorven is.’ (Romeinen 5 vers 8, NBG-vertaling) De liefde ligt namelijk niet in het feit dat jij God vanuit menselijke liefde liefhebt. Misschien verafschuw je Hem wel omwille van het feit dat Hij niet voorkomen heeft dat jouw kind of kleinkind, vader, moeder, broer of zus, vriend of vriendin je veel te vroeg ontvallen is. Misschien ben je volledig murw geslagen doordat een door jou innig geliefd persoon iets vreselijks overkwam of mogelijk ben je zelf het slachtoffer geworden van een misdrijf. ‘Waarom?!’ Denk je dat God er niet is op die plaats waar al jouw pijn en al jouw verdriet zich verzameld hebben?! Zou er nog een Vader zijn Die jouw hart, waarin zo diep gesneden is, vertroosten kan? Komt het dan nooit meer goed? De liefde ligt in het feit dat God jou onvoorwaardelijk liefheeft… en op een dag zal Hij jou vertroosten en al jouw wonden – al jouw pijn en al jouw verdriet – helen op Zijn onnavolgbare wijze. Op een dag zal Hij je oprichten, vestigen! Er komt een dag waarop je volmaakt gelukkig zult zijn, een dag waarop je zult stralen. Een dag waarop je Gods liefde zult kunnen ervaren tot in de kleinste details van je bestaan en, als gevolg daarvan, deze liefde ook met anderen zult kunnen delen omdat je ervan zult overvloeien! 208 | EÉN VOOR ALLEN

Gods liefde kent geen grenzen en is niet onderhevig aan alle belemmeringen die ons als mens zo in de weg kunnen staan. De uitwerking ervan zal Zijn doel niet missen. Het komt goed. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 209

210 | EÉN VOOR ALLEN

HOOFDSTUK 9 HET kOmT aLLES VaN U ‘Wie toch ben ik, en wat is mijn volk, dat wij in staat zouden zijn zulke vrijwillige gaven te schenken? Want het komt alles van U, en wij geven het U uit uw hand (letterlijk: van Uw hand hebben wij U gegeven).’ – 1 KRONIEKEN 29 vers 14, NBG-vertaling. GOEDE BEDOELINGEN Hoe vaak beloven mensen elkaar niet iets terwijl ze dat helemaal niet kunnen waarmaken? ‘Ja hoor, schat, ik zal het voortaan anders doen.’ Het blijft niet zelden bij een belofte… Mensen proberen zich, mogelijk vanuit hun liefde voor elkaar, aan elkaar aan te passen; een goedbedoelde poging tot verandering in een streven rekening te houden met de ander. ‘Daar is niks mis mee… het is immers geven en nemen,’ denken we. Er steekt echter een gevaar de kop op wanneer dit ‘aan elkaar aanpassen’ de graadmeter van onze liefde voor elkaar zou worden. In dat geval zou een ‘onvermogen tot aanpassen’ zogenaamd kunnen bewijzen dat we niet genoeg (meer) van elkaar blijken te houden, terwijl er heel andere redenen aan dit onvermogen ten grondslag kunnen liggen. Mensen kunnen dan wel proberen tot in de perfectie rekening te houden met een ander, maar vroeg of laat breekt dat hun op. En wanneer een onvermogen tot aanpassen als bewijs van een verloren liefde wordt gezien, kan stap twee soms snel gemaakt zijn: een fysiek of mentaal ‘exit’. Hoeveel mensen voelen zichzelf niet tekortgedaan in een relatie? Hoeveel mensen hebben niet krampachtig geprobeerd ‘te voldoen aan’, hebben te veel van zichzelf gegeven en zijn helemaal ‘op’?! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 211

We kunnen elkaar wel blijven aankijken op elkaars onvermogen of onwil (wat geestelijk gezien nog steeds te maken heeft met onvermogen), maar dat brengt ons geen stap verder. Zo leggen we als mensen Gods liefde soms eveneens langs onze menselijke meetlat van wat liefde naar ons idee zou moeten zijn. Mensen hebben nu eenmaal de neiging te kijken naar wat in hun eigen ogen ‘goed’ genoemd kan worden en als God niet voldoet aan dit beeld...?! Dan is de conclusie dat Hij geen liefde kan zijn snel getrokken omdat het bewijs dat Hij niet (meer) van ons houdt geleverd zou zijn. We kijken, menselijk gezien logischerwijs, naar de wereld om ons heen waar zo veel ellende is. We beschouwen zo ons persoonlijk leven, waarin mogelijk gebeurtenissen hebben plaatsgevonden die haaks staan op het beeld van wat liefde zou moeten zijn. We worden sceptisch of wantrouwend – wat onder bepaalde omstandigheden ook begrijpelijk is – en vervolgens kan stap twee soms snel gemaakt zijn: een fysiek of mentaal ‘exit’. Hoeveel mensen voelen zichzelf niet tekortgedaan door God? Hoeveel mensen hebben niet krampachtig geprobeerd ‘te voldoen aan’, hebben te veel van zichzelf gegeven en zijn helemaal ‘op’?! God is blijkbaar onvermogend Zichzelf aan onze ideeën over de liefde aan te passen! In ons achterhoofd speelt de gedachte dat dit wel zou moeten, want er staat toch in 1 Korintiërs 13 vers 5 dat ‘de liefde niemands gevoel kwetst’?! Hiermee is ons (gekwetste) gevoel de graadmeter van de liefde van God geworden. Laten we deze tekst, die al eerder aan de orde is gekomen, nogmaals onder de loep nemen: ‘De liefde (agapè) is lankmoedig (letterlijk: geduldig), de liefde is goedertieren (mild), zij is niet afgunstig (is niet jaloers), de liefde praalt (pocht) niet, zij is niet opgeblazen, zij kwetst niemands gevoel (zij is niet onwelvoeglijk, strijdig met het fatsoen), zij zoekt zichzelf niet, zij wordt niet verbitterd (zij laat zich niet prikkelen), zij rekent het kwade niet toe. Zij is niet blijde over ongerechtigheid (zij verheugt zich niet over ongerechtigheid), maar zij is blijde (maar verheugt zich samen) met de waarheid. Alles bedekt zij (alles beschut zij), alles gelooft zij, alles hoopt (verwacht) zij, alles verdraagt zij (in alles volhardt zij). De liefde vergaat 212 | EÉN VOOR ALLEN

nimmermeer (De liefde vervalt nooit…)’ (1 Korintiërs 13 vers 4-8, NBGvertaling) In 1 Korintiërs 13 vers 5 lezen we vanuit de NBG-vertaling dat ‘de liefde niemands gevoel kwetst’ en daarmee is ons (gekwetste) gevoel de graadmeter van de liefde van God geworden. Vanuit de grondtekst lezen we bij deze tekst echter iets heel anders: ‘de liefde is niet onwelvoeglijk.’ De liefde is niet onbehoorlijk, niet strijdig met het fatsoen. De Nieuwe Bijbelvertaling zegt hier: ‘Ze is niet grof (…)’ We kunnen eigenlijk ook wel nagaan dat de liefde ons gevoel wel degelijk kan – en zal – kwetsen. Waar gaat het gros van de populairste volksliederen over?! De liefde kan en zal ons gevoel kwetsen, zij het op een andere manier dan we in eerste instantie denken. Stel je anders maar eens voor dat God – Die de liefde Zelf is – Zichzelf niet had willen laten kwetsen… wat zou er dan van ons terechtkomen? In liefde heeft God juist alles overgegeven wat Hem lief was door Zichzelf de grootste kwetsuur te laten toebrengen die maar mogelijk was. Liefde heeft daarom, zij het indirect, wel degelijk te maken met de nodige kwetsuren, omdat de liefde toestaat dat zij door anderen wordt gekwetst. Alles beschut zij; alles gelooft zij; alles verwacht zij; in alles volhardt zij. En dat maakt deze liefde Goddelijk… want menselijke liefde heeft een dergelijke draagwijdte niet. Ons probleem is dat we proberen Gods onmetelijke liefde voor de schepping vanuit onze menselijke psyche te begrijpen. ‘Waarom is toch al dat lijden in de wereld? Waarom grijpt God niet in?’ Dit zijn legitieme vragen voor de mens. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 213

‘Hoe kan het zijn dat God de tegenstander duizend jaar gebonden houdt, zoals we eerder lazen in Openbaring 20 vers 1 tot en met 3? Waarom doet Hij dat nu dan al niet?! Dat zou toch een hoop ellende schelen!’ ‘En ik zag een engel (letterlijk: boodschapper) nederdalen uit de hemel met de sleutel des afgronds en een grote keten in zijn hand; en hij greep de draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan (de dooreenwerper of tegenstander), en hij bond hem duizend jaren, en hij wierp hem in de afgrond en sloot en verzegelde die boven hem, opdat hij de volkeren (natiën) niet meer zou verleiden (misleiden), voordat de duizend jaren voleindigd waren; daarna moest hij voor een korte tijd worden losgelaten.’ (NBG-vertaling) Waarom heeft God überhaupt de tegenstander ‘in het leven geroepen’, zoals we kunnen lezen in Jesaja 54 vers 16? ‘(…) Ik ben het ook, die de verderver (letterlijk: de vernietiger) geschapen heb om te vernielen (schade toe te brengen).’(NBG-vertaling) ‘Bij Hem is kracht en wijsheid; Zijns is de dwalende, en die doet dwalen.’ (Job 12 vers 16, Statenvertaling, Jongbloed-editie) Dit zijn verzen waar we over het algemeen maar het liefst zo snel mogelijk overheen lezen. Vervolgens komen we mogelijk tot de slotsom dat God geen liefde kan zijn en kan het inderdaad zover komen dat we God dan maar helemaal vaarwel zeggen. Dit kan ogenschijnlijk zeer reëel zijn, ware het niet dat God Zelfs Zijn eigen Zoon liet nagelen aan het vloekhout. Wanneer we ons afvragen of God nog van ons houdt omdat we, als we naar de omstandigheden kijken, Zijn liefde niet kunnen begrijpen of zien, dan zouden we onszelf dus ook het volgende kunnen afvragen: het zal toch niet zo zijn dat God zelfs niet hield van Zijn Eigen Zoon?! Om te kunnen waarnemen en ervaren dat God liefde is en doet, zal ons innerlijk veranderd moeten worden en dat kunnen wij niet vanuit onszelf naar Gods welgevallen. Wij zien vanuit de mens nog te veel op onze persoonlijke omstandigheden en op de wereld om ons heen en daarin dénken wij tekenen van Goddelijke onbewogenheid, Goddelijk onvermogen 214 | EÉN VOOR ALLEN

of liefdeloosheid waar te nemen. Wij kunnen de weg die God wil gaan met Zijn schepping niet vanuit de mens bevatten. Wanneer we dat proberen zullen we in een neerwaartse spiraal terechtkomen en uiteindelijk eenvoudigweg vastlopen. Hier is een Goddelijke uitredding voor nodig door middel van de gave van hartenkennis, een gave die ons alleen maar in genade geschonken kan worden. Het heeft te maken met het ontvangen van Zijn waarheid in ons hart. met het gestut en gesteund worden door een bereidwillige, inschikkelijke geest, waarover we eerder in Psalm 51 vers 14 lazen. Gods liefde kan onze gevoelens dus wel degelijk kwetsen… Zijn liefde houdt immers lijden in omdat ook God – Die liefde is en liefde doet – alles wat Hem lief was opgaf omwille van Zijn schepping. Als gevolg daarvan liggen er dan ook heel andere redenen aan het lijden in ons leven ten grondslag dan onbewogenheid, onvermogen of liefdeloosheid van God. De liefde vervalt nooit! De belofte van God, de Vader van de heerlijkheid, is daarom zeker: Zijn liefde zal op den duur de ganse oude schepping ‘vinden’, om haar nieuw te maken. Ook al die harten die nu nog geen raad weten met Zijn allesomvattende liefde. Mensen proberen zich, mogelijk vanuit hun liefde voor elkaar, aan elkaar aan te passen; een goedbedoelde poging tot verandering in een streven rekening te houden met de ander. Ook op geloofsgebied spelen dergelijke zaken: vanuit onze liefde voor God proberen we onszelf aan Zijn geestelijke maatstaven aan te passen. Een goedbedoelde poging tot verandering in een streven rekening te houden met God. Hoe vaak beloven mensen niet iets aan God terwijl ze dat helemaal niet kunnen waarmaken? ‘God, ik zal het voortaan anders doen.’ Het blijft niet zelden bij een belofte… En daar blijft het niet bij, want we verwachten van onze medegelovigen vaak eenzelfde houding en om dat te bewerkstelligen wordt er soms heel wat gemanipuleerd. Waar we onszelf mogelijk in allerlei bochten wringen om maar te kunnen voldoen aan het wenselijke beeld van ‘dé gelovige’, daar leggen we een ander eveneens een loodzware last op de schouders. Waar we ten opzichte van onszelf hooggezind zijn, daar zijn we dat in de regel ook naar die ander toe. Nu is er op een goed gesprek natuurlijk in het geheel niets tegen, maar geloof of de maatstaf van het geloof afdwingen – hoe subtiel of geraffineerd EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 215

dat ook kan gebeuren – getuigt niet van Gods liefde en roept uiteindelijk alleen maar weerzin, en daarmee weerstand, op. Onszelf of anderen een bepaalde manier van geloven opleggen geeft God ook niet de dank en eer die Hem rechtmatig toekomen voor het scheppingswerk dat Hij aan ons volvoert in Zijn Zoon, laat staan dat het van enig vetrouwen in Gods vermogen getuigen zou. We wedijveren nog steeds met God om het ouderschap en lopen Hem hierin alleen maar voor de voeten – voor zover we dat als mens al kunnen, want we hoeven echt niet te denken dat we hierin ook maar enige ‘partij van gewicht’ voor Hem zijn. Geestelijk volwassen worden houdt in: • dat je je persoonlijke afhankelijkheid van je hemelse Vader gaat erkennen; • dat je jouw kleine hand in de grote hand van God leert leggen; • dat je God je leven toevertrouwd, om te beginnen waar het je eigen leven aangaat, maar vervolgens ook waar het het leven van die ander betreft. Dit alles doet mij denken aan het verhaal dat een oude blinde vrouw vertelde over haar ervaringen als blinde. Er werd deze vrouw gevraagd hoe ze in het verkeer de behulpzaamheid van haar medemens ervoer. De vrouw gaf aan dat ze goede ervaringen had, maar ook minder goede, waarop men haar vroeg een voorbeeld te geven van een van haar minder goede ervaringen. De vrouw vertelde dat ze meerdere keren had meegemaakt dat ze bij een kruispunt opeens van achteren was opgetild en naar de overkant van de straat was gedragen, waar ze dan plompverloren was neergezet. Zo vreemd… Ze had er gewoon niet over uit gekund en hoefde bovendien helemaal niet aan de overkant van die straat te zijn! Moeilijkheden, van welke aard ook, blijken soms een vrijbrief voor bemoeienissen. Een vrijbrief om onuitgenodigd te proclameren hoe ‘goed’ we het zelf allemaal wel niet denken te weten. Zo las ik lang geleden eens een proefschrift van Anette Ferwerda dat beschreef dat sommige zieken de ervaring hadden dat hun ziek-zijn als ‘een probleem’ werd bestempeld. 216 | EÉN VOOR ALLEN

Een probleem dat moest worden opgelost, al kon dat realistisch gezien helemaal niet (laat staan dat het redelijk zou zijn). Het proefschrift handelde over het gegeven dat veel mensen uitgaan van de overtuiging dat ‘het leven altijd maakbaar of regelbaar is’, terwijl dat nu juist de muur is waar onder andere zieke mensen keihard tegenaan kunnen lopen in de dagelijkse praktijk. Laten we vooropstellen dat wanneer er het een en ander te regelen valt, we daar uiteraard niet voor terug hoeven te deinzen, in veel situaties kan het leven inderdaad maakbaar blijken te zijn. Maar de overtuiging dat het leven altijd maakbaar of regelbaar moet zijn gaat in de regel veelal meer over de geruststelling van de persoonlijke gemoedsrust van de persoon die in dezen ongevraagd advies geeft, dan dat ze zou gaan over de persoon die geadviseerd wordt. Een gelijkwaardig gesprek is vervolgens niet meer mogelijk, omdat er veelal weinig tot geen belangstelling meer is voor datgene wat een (in dit geval ziek) persoon zelf beweegt of denkt nodig te hebben. Met het geven van ongevraagd advies is het doel – de geruststelling van de gemoedsrust van de persoon die ongevraagd advies geeft – immers, hoe hard het ook klinkt, in wezen al bereikt! Uiteraard neemt dit niet weg dat mensen wel degelijk hun best kunnen doen om oplossingen te zoeken voor allerhande situaties waar ze op hun levenspad mee geconfronteerd worden. Een beetje oplossingsgericht denken kan natuurlijk in het geheel geen kwaad, maar dan wel in alle redelijkheid! Anders zal de persoon die men probeert te ‘helpen’ alleen nog maar meer op zichzelf worden teruggeworpen, omdat diens persoonlijke situatie dan ook nog te wijten zou zijn aan een onvermogen tot het oplossen van ‘problemen’. Op vergelijkbare wijze kan het ook gaan in geloofsgemeenschappen, in de contacten tussen mensen onderling binnen kerkelijk gemeenteverband. Mensen kunnen het soms ‘o zo goed weten’ wanneer het om een ander gaat, zonder ook maar enige belangstelling te tonen voor datgene wat de desbetreffende persoon zelf beweegt. Laat staan dat er ook maar enige rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat deze ogenschijnlijk hulpbehoevende persoon misschien helemaal niet om dergelijke ‘hulp’ verlegen zit! Over ‘blind zijn’ gesproken… EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 217

Natuurlijk kan een houding als deze wel degelijk uit goede bedoelingen zijn voortgekomen – dat zal in het merendeel van de gevallen ook zeker het geval zijn – maar zo wordt het in de regel veelal absoluut niet ervaren. Een dergelijke houding vertoont grote overeenkomsten met iemand ongevraagd helpen oversteken terwijl de persoon in kwestie niet hulpbehoevend is, niet om hulp gevraagd heeft en daar al helemaal niet wezen moet. En naast dit alles is het geestelijk gezien ook nog zo dat God de Plaatsbepaler in ieders leven is! Nog een blinde vlek… Dit is allemaal behoorlijk aanmatigend. Niet dat mensen hier nu direct van breken zullen, maar zij zullen op z’n minst nét zo onaangenaam verrast worden als die oude blinde mevrouw. Onze houding gaat veranderen wanneer we door onze hemelse Vader in staat worden gesteld andere mensen te beschouwen vanuit Zijn perspectief: ‘Wie zijt gij, dat gij eens anders (letterlijk: vreemde huis)knecht oordeelt (richt)? Of hij (vast) staat of valt, gaat zijn eigen heer aan. Maar hij zal staande blijven (staan), want de Here (Heer) is bij machte hem vast te doen staan.’ (Romeinen 14 vers 4, NBG-vertaling) Wie ben jij, dat je een vreemde huisknecht richten zou?! Of iemand vast staat of valt, gaat zijn Heer aan! BOVEN BRENGEN Gods liefde werpt ons in eerste instantie terug op onszelf en daar kunnen we het behoorlijk moeilijk mee hebben. ‘Ja, hoor eens! In deze tijd worden de mensen toch al zo op zichzelf teruggeworpen en als God dat dan ook nog gaat doen…?!’ De liefde laat ons echter niet aan ons lot over; ze houdt ons alleen ‘een spiegel van waarheid’ voor omdat ze uit is op correctie en leren… en dat zal ongetwijfeld confronterend zijn. Geestelijk gezien komt door deze spiegel onze menselijke aard aan het licht en dat zal ons mogelijk bepaald niet bevallen. Misschien word je wel geconfronteerd met zaken die je, net als David, nog zou willen verdoezelen of verdraaien. 218 | EÉN VOOR ALLEN

Het kan ook zijn dat je geestelijke en menselijke waardebepalingen door elkaar haalt. Je kunt jezelf bijvoorbeeld als een humaan persoon aanmerken – wat naar menselijke maatstaven ook wel degelijk het geval kan zijn – waardoor je jezelf absoluut niet kunt herkennen in wat God over de mensheid zegt. Je probeert immers altijd rekening te houden met anderen… vaak veel meer dan al die ‘zogenaamde gelovigen’! (Dergelijke kritiek kan soms heel terecht zijn.) Daarnaast kan het zijn dat je per se wilt blijven geloven in de oprechtheid en goedheid van de mens, omdat je dat ‘optimisme’ noemt of omdat je denkt dat aan de mensheid verschuldigd te zijn. Vanuit de mens gezien is dit allemaal heel erg begrijpelijk. Heb je nog iets van jezelf of van de mensheid hoog te houden en lijken deze zaken je in de weg te staan? Verwacht je het nog van je eigen menselijke liefde voor de mensheid en van je eigen menselijke liefde voor God? Verwacht je het nog van andermans menselijke liefde voor de mensheid en van andermans menselijke liefde voor God? Na een eerste, en mogelijk ook tweede schrikmoment kan de spiegel van de waarheid je echter tonen wat Gods grenzeloze liefde voor de ganse schepping is en wat deze liefde voor jou persoonlijk betekenen kan. Het is dan ook geen spiegel die veroordeelt; maar een spiegel van liefde in haar zuiverste vorm. Liefde die geestelijk attendeert, bewust maakt, richt en vrij maakt. Liefde die levend maakt… omdat ze ons in een levende relatie met God, de Vader, brengt! En zo kunnen er, vanuit de mens gezien, tal van belemmeringen zijn die de groei van de geestelijke vrucht bij een mens onmogelijk maken. Grote, kleine, zichtbare en niet-zichtbare aangelegenheden – het hoeft niet allemaal zo wereldschokkend te zijn, want meerdere kleinere dingen maken bij elkaar ook één grote. Dergelijke belemmeringen kunnen ons danig in de weg zitten, maar God niet. Voor God vormt niets een belemmering omdat Hij bij machte is om juist daarin Zijn kracht aan ons te (be)tonen. Onze hemelse Vader is verrukt over – heeft een groot genoegen in – waarheid in het innerlijk, dat wat weggestopt is. In het belemmerde, toegeslotene, maakt Hij ons wijsheid bekend. Met andere woorden: ‘De aardappeltjes groeien onder de grond,’ zoals een spreker eens zo beeldend uitdrukte. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 219

En zo vertelde een tuinder mij eens: ‘Ik heb met mijn eigen ogen gezien hoe iemand midden in de zomer nog sneeuw boven bracht!’ Hij ging verder: ‘Wanneer iemand – mogelijk vol goede bedoelingen – overijverig zijn land te vroeg omhaalt en sneeuw onderspit, dan zal diegene daar in de navolgende zomer nog de nadelige gevolgen voor het gewas van kunnen ondervinden.’ Op dezelfde wijze kan het ook gaan in ons (geloofs)leven: we willen soms te veel. Om gelovigen hangt soms een zweem van ijver voor God – en soms wel heel wat meer dan ‘een zweem’ – maar ijver betekent nog geen liefde. Mensen kunnen zo gedreven worden door ijver dat ze de lat voor zichzelf – en niet te vergeten voor anderen – veel te hoog leggen, al is dat mogelijk met de allerbeste bedoelingen. Het kan geruime tijd duren voordat ze doorkrijgen (áls ze dit al doorkrijgen) dat ze op een dergelijke wijze alleen bezig zijn te proberen iets vanuit menselijke vermogens in zichzelf of anderen tot stand te brengen, waar Gods vermogen de volledige eer en, bovenal, de dank dient te krijgen! ‘Want krachtens (letterlijk: door) de genade, die mij geschonken is, zeg ik een ieder onder u: koestert geen gedachten, hoger dan u voegen (wees niet hooggezind), maar gedachten tot bedachtzaamheid (gezind zijn naar binnen in verstandig zijn), naar de mate van het geloof, dat God elkeen in het bijzonder heeft toebedeeld (iedereen, zoals God de maatstaf van het geloof toebedeelt).’ (Romeinen 12 vers 3, NBG-vertaling) Liefde dwingt niets af wat er niet is, liefde erkent de maatstaf van geloof zoals God heeft toebedeeld! Een spreker gaf eens aan: ‘We vergeten soms eenvoudigweg dat, wanneer er een te hoog stroomgehalte door een apparaat wordt gejaagd, het apparaat zo naar kan gaan walmen. Dit principe gaat ook op voor het geloof: wanneer geloof gebracht wordt zonder de liefde Gods dan gaat het “walmen”… omdat de mensen dan worden opgejaagd.’ In onze ijver voor God kunnen we dan uitkomen bij fanatisme en wie weet bij wat nog meer. Fanatisme kent daarnaast niet alleen een gewelddadige kant die naar buiten gericht is en daardoor eerder in de kijker 220 | EÉN VOOR ALLEN

staat, fanatisme kent evenzogoed een innerlijke schaduwzijde. Naar binnen gericht fanatisme is, in zijn innerlijke gewelddadigheid, echter veel moeilijker te traceren, maar het is er evengoed op uit om – vanuit menselijke ijver en menselijke vermogens – een ogenschijnlijk ‘God welgevallig bestaan’ te forceren. We hoeven niets te forceren, niet bij onszelf en niet bij een ander. We mogen gezind zijn naar binnen in verstandigheid, iedereen, zoals God de maatstaf van het geloof toebedeelt. In de liefde raak je als mens nooit uitgeleerd en je zult uiteindelijk ontdekken dat je, ook voor het God welgevallig uitdragen ervan, totaal van je hemelse Vader afhankelijk bent. Soms slikken we, en slikken we maar, vanuit de gedachte dat we zo een groot getuigenis zijn voor onze God. En we bedoelen het nog erg goed met onze God ook! Op deze wijze kunnen echter zaken worden ‘ondergespit’ die later – alsnog – als een belemmering gaan werken. Sommige mensen zijn hier op stukgelopen: ze moesten te veel. Ofwel ze moesten te veel van anderen, ofwel ze moesten te veel van zichzelf, of beide. Het geloof werd niet werkzaam door Goddelijke liefde in hun innerlijk: door een groeiende geestelijke vertrouwensrelatie met God, de Vader. Wanneer we het hebben over het kweken van gewassen, dan begrijpen mensen het vaak gemakkelijker: Wanneer het land vanuit overijverige goede bedoelingen te vroeg is omgespit en er in de zomer nog vrieskou boven wordt gebracht, denken we al snel: ‘Ach, maar na-tuur-lijk! Geen wonder ook dat het maar niet lukken wilde… Er was nog het een en ander onder de oppervlakte, dat de groei belemmerde!’ Wat nu als mensen in hun leven een grote hoeveelheid aan allerhande bagage hebben moeten meetorsen waarvan ze, soms van kindsbeen af, hebben geleerd dat ze die ‘eronder moesten houden’?! Dit kan op lichamelijk, psychisch, maar evengoed op geestelijk vlak zijn, en deze drie staan ook nog eens met elkaar in verbinding. Wanneer zaken die ons beschadigd hebben worden ondergespit, zullen ze uiteindelijk alsnog naar boven moeten worden gebracht, willen de ‘gewassen die op onze akker groeien’ er niet langer de nadelige gevolgen van ondervinden. Onze ‘blaadjes’ zullen anders zo slap gaan hangen, alsof het EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 221

nog steeds winter is. Maar na-tuur-lijk… geen wonder! ‘Boven brengen’ van een aantal zaken kan hard nodig zijn in een mensenleven, omdat mensen dan pas op een goede en gezonde manier verder kunnen; men wordt niet langer belemmerd in de innerlijke groei. Wanneer we het echter over geestelijke groei hebben, kunnen we een opmerkelijk verschil onderscheiden: zaken ‘naar boven brengen’ hoeft niet te betekenen dat we automatisch bij mensen uitkomen. Als vanzelf kun je te rade gaan bij mensen en dat zou je al verder kunnen helpen – daar wil ik niets van afdoen. Maar veel mensen gaan te rade bij mensen en slaan God vervolgens over. We zoeken van nature eerder naar menselijke erkenning of genoegdoening, dan dat we uit zijn op de erkenning en genoegdoening die God ons geven kan. Met ‘naar boven brengen’ bedoel ik daarom juist: de ontvangen genade het naar God toe boven te brengen. In Zijn liefde ligt immers onze innerlijke genezing besloten! Wanneer je blik op Gods Vaderliefde voor de ganse schepping wordt gericht, hangt je genoegdoening niet meer af van de erkenning van mensen, maar van de erkenning van God. Je komt uit bij Degene Die alles tot Zijn eer kan laten groeien en bloeien in jouw leven, zonder dat Hij hinder ondervindt van de dingen die je hebt meegemaakt en die je, vanuit de mens gezien, nog in de weg kunnen staan. Sterker nog: juist door middel van de dingen die je hebt meegemaakt zul je vrucht voor Hem kunnen dragen omdat God bij machte is alles in jouw leven ‘samen te laten werken ten goede’, tot lof en eer van Zijn heilige Naam. Als mensen kunnen we elkaar uiteraard steunen en bemoedigen op uiteenlopende manieren – wie weet wat allemaal in de naam van menselijke liefde wordt gedaan – maar uiteindelijk moeten we geestelijk gezien gewoon bij God zijn. Gods liefde is in staat iedere laag ‘vrieskou’ in ons leven op een welgevallige manier Boven te brengen, zodat we voor onze erkenning en genoegdoening niet langer bij mensen uitkomen, maar bij Hem! Een spreker gaf eens aan: ‘Gods liefde is in staat om van al onze minnen plussen te maken. Hij haalt er gewoon een verticale (van Boven… naar beneden) streep door! Al onze minnen zijn dus eigenlijk plussen die nog niet af zijn.’ 222 | EÉN VOOR ALLEN

~ Onderonsje ~ Zo raakte ik eens in gesprek met een diep verdrietige vrouw die in de problemen zat; we zullen haar Katoo noemen. Geruime tijd spraken Katoo en ik over allerhande oplossingen voor haar problemen, maar op een gegeven moment kwam ik tot de conclusie dat er nog steeds iets aan het gesprek ontbrak. Nu wist ik wel dat Katoo ergens, diep in haar hart, nog steeds gelovig was en daarom gaf ik haar na verloop van tijd te kennen dat er ook nog een andere manier was om het leven te beschouwen. Katoo knikte. Ja, dat wist ze wel… maar daar kwam op de een of andere manier zo weinig van. ‘Ik kan natuurlijk alleen maar vanuit mijn eigen ervaring spreken,’ gaf ik aan, ‘maar als je het op prijs stelt dan zou ik daar wel wat meer over kunnen vertellen.’ Katoo leek er wel oren naar te hebben en ik stak van wal. ‘Ik kan je hierin eigenlijk niet meer verder helpen,’ zei ik – dat schoot meteen al lekker op – ‘maar ik kan je wel vertellen dat ik sterk het idee heb dat je hiervoor gewoon bij God moet zijn. We kunnen in principe blijven redeneren vanuit onze menselijke logica tot we een ons wegen… maar er is een geestelijke opponent! Voor mijzelf weet ik dat ik het in een dergelijke situatie bij God moet zoeken en dat ik daar dan rust van krijg. Niet dat ik je iets wil opdringen – of dat in dezen ‘het bij God zoeken’ zo ‘gewoon’ zou zijn – alleen: die rust gun ik jou ook! Als je wilt kunnen we daar samen voor bidden.’ Katoo stond er voor open en na afloop van het gebed vertelde ze me dat ze hoopte dat dit voor haar ‘het begin’ zou zijn. Het begin om weer te gaan bidden, want dat had ze al zo’n lange tijd niet meer gedaan. De drempel om deze eerste stap te nemen was jarenlang veel te hoog voor haar geweest. Geruime tijd later begreep ik dat deze eerste aanzet tot gebed een soort kettingreactie in het leven van Katoo teweeg had gebracht. God was op zodanige wijze Zijn weg gegaan met haar innerlijk dat ze, toen een vriendin van haar in nood zat, op soortgelijke wijze iets voor deze vriendin had kunnen betekenen. Dat is toch schitterend?! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 223

Gods Naam zij geloofd daarvoor! Ook bij mijzelf bracht dit voorval een nieuwe dimensie in mijn geloofsleven teweeg. Ik ging heel diep beseffen dat het soms erg fijn kan zijn dat God Zich via anderen over ons ontfermen kan wanneer we zelf niet meer bidden kunnen, en dat Hij ons mede daarom aan elkaar heeft gegeven! — Als mensen kunnen we elkaar op uiteenlopende manieren steunen en bemoedigen, maar uiteindelijk moeten we geestelijk gezien gewoon bij God zijn. Gods liefde is in staat iedere laag ‘vrieskou’ in ons leven Boven te brengen, zodat we niet meer bij mensen uitkomen – en daar onze erkenning en genoegdoening van verwachten – maar bij Hem. ‘Oké, maar je hebt als mens toch altijd wel een zekere erkenning van mensen in je leven nodig?’ zou je jezelf nu kunnen afvragen. Ja, dat denk ik wel. Denk bijvoorbeeld aan de ouder-kindrelatie of de man-vrouwrelatie, de relatie tussen familieleden, vrienden, collega’s of lotgenoten. ‘Wat is dan het wezenlijke verschil?’ Het mooie is dat je gaandeweg leert om hier van een afstandje naar te kijken wanneer je volwassen wordt in het geloof. Je verwacht je erkenning dan in de eerste plaats van God en de erkenning die je van mensen krijgt is mooi meegenomen! Je bent daar niet meer van afhankelijk het zal je leven daarom ook niet (langer) kunnen beheersen. Wanneer je Gods erkenning daadwerkelijk gaat ervaren in je leven zul je ook niet meer denken dat je zonder die menselijke erkenning niet meer verder kunt. Menselijke erkenning vormt niet langer het draagvermogen voor het in stand houden van relaties, omdat er een veel betrouwbaarder geestelijk fundament voor in de plaats is gekomen. 224 | EÉN VOOR ALLEN

EEN HEmELSBREED VERScHIL Ik ken iemand die regelmatig het volgende gezegde bezigt wanneer er koffie wordt ingeschonken. Zij drinkt het zwart. ‘Zo zwart als mijn ziel!’ zegt ze dan. Nu zullen we onze persoonlijke gebreken of onvolkomenheden ten opzichte van de liefde van onze hemelse Vader nooit volledig kennen, maar het geweldige is dat dit helemaal niet hoeft. Alleen de Vader en de Zoon kunnen ons, op de plaats waar wij in de schepping gesteld zijn, volledig naar waarheid aanzien. Daarom: geen struisvogelpolitiek bij God. Hij speelt geen verstoppertje, al denken we soms van wel. God maakt het niet mooier dan het is en weet precies waaraan wij mank gaan. Hij doorgrondt exact waarom wij zo gemakkelijk door de tegenstander uit balans kunnen worden gebracht. Anders zou Hij immers onkundig zijn en niet genoeg ‘kennis van zaken’ hebben om onze paden recht te maken… om onze paden te richten op Zijn liefde! ‘Ken (letterlijk: erken) Hem in al uw wegen, dan zal Hij uw paden recht maken (richten).’ (Spreuken 3 vers 6, NBG-vertaling) Bekend zijn met God, God kennen in al onze wegen, is een onmogelijke opgave, aangezien onze wegen niet volmaakt zijn. God erkennen in al onze wegen is daarentegen wel mogelijk omdat het te maken heeft met het aanvaarden van Gods grootheid en Zijn vermogens, en dat kunnen we leren in iedere situatie of omstandigheid. Wij kunnen in iedere omstandigheid gericht worden op Zijn liefde. Een spreker verwoordde het eens als volgt: ‘Sommige mensen denken dat het God welbehaaglijk is dat we “Hem groot maken”… maar we hoeven God niet “groot te maken”, want God ís al groot.’ Wat we uiteraard wel kunnen doen is God in Zijn grootheid erkennen… maar dat kan een ‘hemelsbreed verschil’ zijn! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 225

Het is goed om eens daadwerkelijk stil te staan bij het feit dat God bij machte is ons innerlijk op Hem te richten, zodat de waarheid van Zijn liefde kan gaan doorwerken in de paden waarlangs onze voet zal gaan. Geef het maar toe wanneer je met God praat: ‘Vader, ik kan het niet van mijzelf. Ik heb U nodig omdat U het alleen met Uw liefde in mijn hart kan bewerken, tot Uw eer en welgevallen.’ Een betere manier om Hem als jouw God en Vader te erkennen in al je wegen is er niet. Laat Zijn Licht maar schijnen in jouw duisternis! Erken dat je Hem nodig hebt in al je wegen, om jouw paden recht te maken. Erken dat je Zijn vermogens nodig hebt om je blik gevestigd te houden op Zijn Zoon. Erken dat je Zijn kracht nodig hebt om je te richten op de waarheid van Zijn liefde, zodat deze kan gaan doorwerken in je leven. Wij kunnen het zelf niet tot Zijn welgevallen in onze innerlijke en uiterlijke wandel verwezenlijken, wij leven in totale afhankelijkheid van God. Hij bewerkt in ons de juiste gezindheid: het verlangen om op Hem te lijken want God is het, Die in ons zowel het willen als het werken voor Zijn welbehagen bewerkt. Gods grootheid erkennen in al onze wegen is een genadegave, zoals het gericht worden op Degene Die liefde is en liefde doet een genadegave is. Mensen ‘moeten’ niet… het wordt ontvangen. Heb je ontvangen je hart vrijmoedig open te stellen voor God, voor Degene Die je hart – en elk minuscuul onderdeel van je uiterlijke en innerlijke wandel – door en door kent? Wanneer we gaan leven vanuit het geestelijke gegeven dat alleen God bij machte is ons innerlijk op Hem te richten, komen we er echter niet gemakkelijk vanaf, al lijkt dat misschien wel zo naar menselijke maatstaven. Dit ‘richten’ gaat namelijk in het geheel niet als vanzelfsprekend, maar wordt in mensen uitgewerkt door middel van een, vaak verre van gemakkelijk, leerproces. Misschien reken je een ander – of jezelf – voortdurend iets aan of toe, waarop een opeenstapeling van onvrede in je hart volgt. Mogelijk leef je met een niet-aflatend gevoel van innerlijke onrust omdat er altijd spanningen blijken te zijn. Hoe graag je het ook anders zou willen, je zou niet weten hoe. Gods liefde leert dat het zaak is het niet langer bij onze persoonlijke vermogens of andermans vermogens te blijven zoeken, maar bij de vermo226 | EÉN VOOR ALLEN

gens die Hij ons schenkt door middel van de Redder en Heer Die Hij naar ons uitgezonden heeft… en dat kan een harde dobber in ons innerlijk zijn! Is jouw hart er door Gods liefde van overtuigd geraakt dat al die menselijke overtuigingen je geestelijk gezien nergens brengen zullen? Dat het erom gaat dat we Gods liefde ten opzichte van onszelf en ten opzichte van anderen voorop gaan stellen? In de liefde doen de verschillen die er tussen mensen kunnen zijn er niet meer toe. Wanneer we door God zover worden gebracht dat we Zijn liefde voorop gaan stellen in ons leven, zullen we echter eerst zelf overtuigd moeten worden door deze liefde. Het is een zegen wanneer we al die menselijke overtuigingen gaan loslaten en ons enkel nog willen laten overtuigen door de liefde van God! Wanneer we onszelf bewust worden van het geestelijke feit dat God Degene is Die ons zowel geloof als de maatstaf van geloof toebedeelt – wanneer we ons bewust worden van het feit dat God Zelf ‘dé Bepalende Factor’ in ons leven is en blijft – dan kunnen we elkaar op een andere wijze gaan benaderen. Er is er per slot van rekening maar Eén Die richten zal: God Zelf, Die het door Zijn Zoon in ons bewerkt! We kunnen het dus aan Hem gaan overlaten en dit lijkt zo gemakkelijk maar dat is het allerminst. Geestelijk gezien is daar wederom een Godswonder voor nodig omdat wij alles nou juist zo graag zelf willen regelen en onder controle willen houden. Er is een grote gave van geloof voor nodig om je hand als een klein kind in die van God te leggen en alles aan Hem over te geven, en er is een nog grotere gave van geloof voor nodig om alles uit Zijn hand te gaan aanvaarden, daarin raken wij in ons leven nooit uitgeleerd! Mogen we ons bewust worden van het geestelijke feit dat we het geloof, en de liefde die het geloof werkzaam maakt, niet vanuit onszelf hebben… en dat een ander deze genadegaven ook niet vanuit zichzelf heeft. Laten we het aangezicht van onze hemelse Vader zoeken en ons uitstrekken naar het moment waarop God ons hart op geestelijke wijze tot rust zal brengen in ons leven. En vervolgens zal geestelijke vreugde woning maken in ons hart, Goddelijke vreugde die zich niet vermengen laat. De zware last wordt van onze vermoeide schouders afgenomen en we ontvangen een EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 227

draagvermogen dat ver boven onze menselijke vermogens uitstijgt. Er komt ruimte voor ontspanning! Wanneer we gaan leven vanuit de hartenkennis dat God bij machte is ons innerlijk op Hem te richten, komen we er niet ‘maar gemakkelijk vanaf’. Zoals eerder opgemerkt: dit ‘richten’ wordt in mensen uitgewerkt door middel van een leerproces dat vaak verre van gemakkelijk blijkt. We hoeven daarnaast ook niet te denken dat we hiermee een vrijbrief in handen hebben om maar van alles en nog wat te doen, vanuit de gedachte dat ‘God Zelf dan wel weer zal zorgen dat het allemaal in orde komt’. Op dergelijke wijze zou de opvoeding van onze hemelse Vader niet bepaald hoog worden aangeslagen. Zo werkt het immers in het aardse leven al niet, laat staan dat het zo bij God zou werken! De Vader en de Zoon Die, namens de Vader, alles tot uitvoer brengt, doorzien in één oogopslag wat oprecht is en onoprecht. In Spreuken 5 vers 21 lezen we: ‘Want voor de ogen des HEREN (IEUE, Jahweh) liggen ieders wegen open, Hij weegt (letterlijk: overdenkt, overweegt) al zijn gangen.’ (NBG-vertaling) De Statenvertaling (Jongbloed-editie) zegt in Jeremia 16 vers 17: ‘Want Mijn ogen zijn op al hun wegen; zij zijn voor Mijn aangezicht niet verborgen, noch hun ongerechtigheid verholen voor Mijn ogen.’ Mensen hebben het soms helemaal niet op de gedachte dat God alles ziet. In hun kindertijd werden ze daar nog weleens bang mee gemaakt: ‘Pas op, hoor… want God ziet alles!’ In zijn avondvullend programma had een cabaretier eens een passage over het gegeven dat Gods ogen overal waren. ‘Als kind vond ik dat altijd zo’n weerzinwekkende gedachte,’ vertelde hij. Hij stelde zich dat dan zo beeldend voor: ‘Overal, steeds weer, die ogen van God; een grove schending van mijn privacy!’ Hij had er God niet zo graag om gemogen… 228 | EÉN VOOR ALLEN

Niets ten nadele van de desbetreffende cabaretier, maar God ziet direct ons hart aan, of wij het daar nu moeilijk mee hebben of niet… en of we Hem daar nu graag om mogen of niet. Wanneer we ons Zijn nabijheid echter bewust mogen worden vanuit de liefde die Hij is en niet langer als ‘Die wijzende vinger’, kan er in ons innerlijk een heel andere houding ten opzichte van onze hemelse Vader gaan ontstaan. Je kunt uiteindelijk beter hebben dat Gods liefdevolle ogen overal zijn dan dat de ogen van een wereldbestuurde computermaatschappij voortdurend in je privéleven meekijken! God als dé Boeman. Je moet oppassen, uitkijken… want anders zwaait er wat! Dit past helemaal in het toenmalige tijdsbeeld, want hoeveel vaders kregen, tegen wil en dank, niet precies dezelfde rol binnen het gezin toebedeeld? Een ondankbare taak. De vraag is of onze hemelse Vader een soortgelijke ondankbare taak op Zich heeft genomen. Iedereen die een beetje op de hoogte is van onze kerkgeschiedenis weet dat God al heel lang als ‘de Boeman’ wordt afgeschilderd. De tegenstander lacht in zijn vuistje, want het is een hardnekkig beeld dat onder de oppervlakte maar niet wil verdwijnen. Hoe is het eigenlijk gesteld met óns leven? Kijken we voortdurend uit voor God of… kijken we voortdurend naar Hem uit? We mogen ons realiseren dat God niet alleen meekijkt in alle facetten van ons leven, maar dat Hij er zelfs over gáát wie of wat we voor Zijn aangezicht zullen zijn. Hij is barmhartig over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil. Of heeft de pottenbakker niet de volmacht over het leem om uit dezelfde kneedbare substantie het ene voorwerp te vervaardigen tot instrument naar binnen in waarde, het andere zonder waarde? EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 229

God gaat er als Formeerder Zelf over wie oprecht of onoprecht zal zijn, Hij bepaalt of je een instrument naar binnen in eer of, anderzijds, een instrument naar binnen in oneer zult zijn. ‘Hij, die hun aller harten vormt (letterlijk ook wel: modelleert), die al hun werken (daden) doorgrondt.’ (Psalm 33 vers 15, NBG-vertaling) Laten we Hem daarom ook erkennen als Degene Die ons modelleert en doorgrondt; laten we Hem erkennen als Degene Die onze paden richten zal! GELIEFD Door allerlei omstandigheden vergeten we soms dat Gods liefde het fundament is waarop we staande kunnen blijven. Wanneer we Zijn liefde en genade voor ons persoonlijk, en daarnaast ook voor Zijn ganse schepping, gaan waarnemen en ervaren met ons hart, dan wordt alles in ons leven vanuit een nieuw en levendmakend perspectief belicht. Wij, mensen, hebben menselijkerwijs nog moeite met onze onvolkomenheden en – niet te vergeten – de onvolkomenheden van een ander. Het kan moeilijk zijn om met gevoelens van verontwaardiging om te gaan wanneer we gekwetst zijn. En soms worden we geconfronteerd met allerlei meningen van anderen, die nog meer onrust geven in een situatie die van zichzelf al genoeg onrust met zich meebrengt… Dat willen we er niet ook nog eens bij hebben! In het gunstigste geval proberen we dan maar in gedachten te houden dat al deze zaken niet zozeer uit onwil voortkomen maar uit onkunde, want op een ‘opeenstapeling van onvrede’ zitten we al helemaal niet te wachten! De realiteit leert echter dat ons hart in een dergelijke situatie veelal verhardt ten opzichte van mensen die gevoelens van verontwaardiging bij ons oproepen. Vanuit de mens gezien logisch, want we zullen onszelf immers in bescherming moeten nemen. Anderzijds kunnen de ideeën of overtuigingen die we onszelf eigen hebben gemaakt bij tijd en wijle nu net de dingen zijn die ons nekken. Bijvoorbeeld wanneer we onszelf maar blijven voorhouden dat we ‘gewoon 230 | EÉN VOOR ALLEN

niet zo moeten zeuren omdat er altijd anderen zijn die het nog veel slechter hebben’. Dat deze dooddoener een kern van waarheid in zich draagt wil nog niet niet zeggen dat het een gezonde situatie zou zijn wanneer we, omwille van het leed van anderen, zelf overal maar overheen zouden stappen. ~ Onderonsje ~ Zo had ik eens een gesprek met een vrouw – we zullen haar Marit noemen – die problemen had met haar gezondheid. Haar kwaal, die te maken had met slijtage, was niet ernstig of levensbedreigend, maar wel lástig en de wetenschap dat het nooit meer over zou gaan ervoer Marit als zeer belastend. Ze had inmiddels al van alles gedaan om ermee om te leren gaan en hierin wisselden perioden van negeren, vluchtgedrag en kortstondige acceptatie elkaar af. Omdat ik vanuit mijn eigen leven al aardig wat ervaring had opgedaan met ziekte, spraken we daar samen over en omdat ik wist dat Marit gelovig was vroeg ik haar op den duur of ze in deze situatie Gods vrede kon ervaren. Marit keek verbaasd op. ‘Gods vrede ervaren…?’ Ze gaf aan van niet. Nee, ze kon Gods vrede niet ervaren, integendeel! Ze baalde gewoon verschrikkelijk van de hele situatie en voelde zich daar dan weer schuldig over want ‘er waren toch veel ergere dingen?! Nu had zij dít te dragen gekregen en moest ze daar eigenlijk maar niet zo moeilijk over doen,’ vond ze. Al met al, het viel Marit allemaal behoorlijk tegen van zichzelf… Ik vertelde Marit dat ik haar deze vraag heel bewust had gesteld. Niet vanuit de gedachte dat zij nu, door middel van haar persoonlijke vermogens, in staat zou moeten zijn Gods vrede te ervaren, maar meer als ervaringsdeskundige, ‘We kunnen in ons leven inderdaad tot de ontdekking komen dat we Gods vrede niet hebben van onszelf… maar het is meteen juist een winst te noemen als we dit ontdekken,’ zei ik tegen Marit. Ik gaf aan dat ik het idee had dat ze het waarschijnlijk nog te veel van zichzelf verwachtte EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 231

in plaats van bij Gods liefde uit te komen. Ze wilde deze moeilijkheden vanuit haar eigen vermogens dragen en was, toen ze dat niet van harte bleek te kunnen, bij een schuldgevoel aangeland. Hierdoor leed Marit nu dubbel; boven op de bestaande situatie wierp dit schuldgevoel haar nog meer terug op zichzelf, wat haar innerlijke onrust alleen maar vergrootte. En dat terwijl haar liefdevolle Vader enkel wilde dat ze bij Hem zou uitkomen voor innerlijke rust! De tegenstander had het lijden in het leven van Marit aangegrepen om haar af te brengen van ‘Gods belangeloze aanvaarding in onvoorwaardelijke liefde’ en had haar gericht op schuld. Wanneer Marit op de waarheid van Gods liefde gericht zou worden dan zou God haar, op Zijn tijd, ook Zijn vrede schenken. Wat we daarom het beste konden doen was de hemelse Vader vragen om hartenkennis. Na afloop van het gebed slaakte Marit een zucht van verlichting. Zulke vertroostende woorden had ze sinds lange tijd niet meer gehoord en die had ze nou nét even nodig. Er was een zware last van haar schouders genomen! Nadien bleek dat Marit haar ouderdomskwaal niet meer zozeer als belastend ervaarde, maar als iets wat nu blijkbaar bij haar hoorde. Iets waar ze zich soms ontzettend aan kon ergeren… maar dat was geen probleem, want dat mocht gewoon! Ze begreep dat God hier samen met haar doorheen wilde gaan en kon daarom in gebed bij haar hemelse Vader terecht. Ze kon haar hart bij Hem uitstorten door haar ergernis en haar persoonlijke onvermogen bij Hem te brengen. ‘Vader, ik heb Uw vrede niet, integendeel… maar ik wil deze wel heel graag van U ontvangen. Ik strek me uit naar Uw vrede en dank U dat U het “uitstrekken naar Uw vermogen” in mijn hart heeft bewerkt! Dank U wel dat ik nu mag weten dat het niet van mijn eigen vermogens afhangt en dat ik mij daar ook niet meer schuldig over hoef te voelen.’ Aanvankelijk probeerde Marit op een menselijke manier met haar uiterlijke en innerlijke ‘handicap’ om te gaan door op een menselijke 232 | EÉN VOOR ALLEN

wijze sterk te zijn… en dat proberen zo veel mensen – waaronder ikzelf lange tijd – want wat rest je immers anders?! Nou, dat zal ik je vertellen als je me dat toestaat. Natuurlijk is er absoluut niets op tegen om te proberen op een menselijke manier sterk te zijn. Maar dit is, zoals dat bij Marit het geval was, enkel een psychische benaderingswijze van een situatie waarin je jezelf bevinden kunt. Er is ook een geestelijke wijze om hiermee om te gaan en daarvoor kunnen we bij onze hemelse Vader terecht. Hij is mild over ons en denkt niet in termen als: ‘Wat dom en wat ondankbaar dat ze deze problemen niet eenvoudigweg uit Mijn hand kunnen aanvaarden.’ Als onze Vader begrijpt God juist dat dit moeilijk voor ons kan zijn en dat daar tijd voor nodig is. God geeft ons die tijd… en we mogen onszelf die tijd ook geven! Vanuit schuld kan niemand leven tot Gods eer; Zijn liefde maakt het waar in ons! In een wirwar van tegenstrijdige gevoelens had Marit haar Rustpunt gevonden… en zo kon er toch nog geestelijke vrede komen in haar situatie. Zij had Gods liefde leren erkennen in kwetsbare en onvolkomen wegen en wist zichzelf vervolgens gekend en geliefd door haar hemelse Vader. — Wanneer we ons in onze uiterlijke en innerlijke zwakheid door onze hemelse Vader gekend en geliefd weten, dan kan Zijn liefde als volgt in ons leven gaan doorwerken wanneer we zaken die ons onvrede geven stapsgewijs bij God leren brengen: EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 233

Stap 1: • Je realiseren dat je van jezelf niets hoog te houden hebt. • Alles aan God vertellen. Juist dat verdriet dat je in de weg lijkt te staan, die pijn, eenzaamheid, trots, boosheid, onverschilligheid, onvrede, zwakheid, onzekerheid, onstandvastigheid, wanhoop, teleurstelling, verontwaardiging, verharding, belemmering. • God danken voor het feit dat Hij het in je heeft bewerkt dat je jezelf, ondanks de situatie, naar Zijn liefde uitstrekt. Uiten dat je ernaar verlangt Zijn liefde ook ‘als zodanig’ te gaan ervaren in je leven. • Onderkennen dat Gods vertroosting geen menselijke vertroosting is, maar een Goddelijke. Stap 2: • Ondanks de situatie uiten dat je dankbaar bent voor het feit dat je hemelse Vader er altijd voor je is. • Gaan beamen dat je vanuit Zijn kracht mag leren ‘zaken bij Hem te laten’. Niet om ‘te moeten vergeten’, maar om te leren er op een geestelijke wijze mee om te gaan vanuit Gods vermogen. • Ook het verdriet, de onvrede en de zwakheid van je medemens bij God brengen – juist van die medemens die je mogelijk niet zo sympathiek toeschijnt. • Dankbaar zijn voor het vertrouwen dat Hij Zelf door Zijn Zoon in je hart gewekt heeft en in je leven aan het uitwerken is. Stap 3: • • Jezelf verwachtingsvol – vanuit een ontvangen groeiend vertrouwen – uitstrekken naar het helingsproces dat God in je innerlijk begonnen is. Je dankbaarheid uiten over ‘het gericht worden op Zijn liefde’ die gelukkig niet (!) naar menselijke begrippen of maatstaven is. • Dankbaar zijn voor de geestelijke draagkracht die God je geschonken heeft, waar je er vanuit de mens helemaal doorheen zat. • Dankbaar zijn voor het toekomstperspectief dat Hij je biedt, doordat je – door alles heen – op Zijn Zoon mag leren zien als je Redder en Heer. 234 | EÉN VOOR ALLEN

Stap 4: • Dankbaar zijn voor de vrede die Hij je in Zijn Zoon schenkt, vrede die aan alle denkzin superieur is. • Dankbaar zijn voor wat God voor Zijn schepping heeft gedaan, en dankbaar zijn voor wat Hij in de toekomst nog gaat doen. • Dankbaar zijn voor de waarheid van Zijn onmetelijke liefde die Hij aan je hart bekend heeft gemaakt, en voor het feit dat je jezelf gekend en geliefd mag weten door je hemelse Vader en dat niets je zal kunnen scheiden van Zijn liefde voor jou in Christus Jezus. Stap 5: • Al je geestelijke vreugde met je hemelse Vader delen! Zo zie je dat ‘in je zwakheid roemen’ niet zozeer ‘vreugde om de zwakheid’ geeft, maar: vreugde om wat God door die zwakheid heen aan het uitwerken is! Dit is geen menselijke vreugde. En laten we dat er ook alsjeblieft niet van maken, want velen zijn daarop vastgelopen. Dit is geen vreugde in de zin van ‘laten we maar blij en dankbaar zijn wanneer er vervelende of verdrietige dingen gebeuren’ want ‘God zal heus wel weer zorgen dat alles naar menselijke maatstaven goed zal komen’. Nee… Dit is een geestelijke vreugdebeleving! Een vreugdebeleving die niet ‘van oor tot oor’ is in letterlijke zin maar in figuurlijke zin, door het horen naar Gods woorden van Geest en leven. Een vreugdebeleving die dwars door alles heen gaat en niets hoeft te verbloemen. God is uit op waarheid en geestelijke rijkdom in ons innerlijk, en – hoe tegenstrijdig dat naar menselijke maatstaven ook klinken mag – we ontvangen deze waarheid en geestelijke rijkdom meestal pas wanneer overduidelijk blijkt hoe zwak we als mens zijn. Sterker nog: God pikt er juist diegenen uit die tot in het uiterste puntje van hun tenen hebben ontdekt zelf niets te zijn. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 235

Wanneer we ontvangen ons leven in Gods machtige hand terug te leggen en het, daarna, te aanvaarden uit Zijn hand… dan leren we leven vanuit de liefde en genade die God ons betoont. ONVOORWaaRDELIjkE LIEFDE In een televisieprogramma kwam eens een man aan het woord die een bepaalde vorm van gezinstherapie had gevolgd. De stoer uitziende motorrijder vertelde dat hij iets fundamenteels had geleerd uit de gesprekken met betrekking tot het opvoeden van kinderen. Belangstellend vroegen de mensen in het programma wat dat dan was, waarop de man vertelde dat hij zich ervan bewust was geworden dat kinderen niet de gave hadden de gedachten van hun ouders te lezen. ‘En waarom is deze ontdekking dan zo belangrijk voor je?’ wilde men vervolgens weten. De man vertelde dat hij tot het inzicht was gekomen dat kinderen van hun ouders afhankelijk zijn om te kunnen ervaren wat hen beweegt. Door dit inzicht begreep hij dat het van het grootste belang was dat zijn kinderen zijn onvoorwaardelijke liefde voor hen ook als zodanig konden leren ervaren. Om hiertoe optimaal bij te dragen was hij zichzelf dan ook naar de fundamentele gegevens die hij tijdens de gesprekken had opgestoken gaan gedragen. ‘En hoe ging dat dan in zijn werk?’ vroeg men hem. De man gaf hierop als voorbeeld aan dat hij nu als hij na een dag hard werken thuiskwam zijn vrouw en zijn kinderen eerst liet voelen dat hij onvoorwaardelijk van hen hield. ‘En hoe doe je dat dan?’ wilde men weten. Daartoe waakte hij ervoor dat zijn blik – zoals dat voorheen nog weleens het geval kon zijn – afgemat, onverschillig of hard zou zijn vanwege vermoeidheid en de dingen die er op zijn werk speelden, of vanwege het gegeven dat de kinderen niet naar hun moeder hadden geluisterd en dingen hadden gedaan die ‘niet volgens afspraak’ waren. 236 | EÉN VOOR ALLEN

Zaken als ‘correctie’ en ‘leren’ werden wat hem betrof nu op het tweede plan geschoven, naar een later tijdstip. Iedereen kreeg een hartverwarmende persoonlijke begroeting die een overduidelijke weerspiegeling was van zijn onvoorwaardelijke liefde. In zijn ogen had hij een blik vol warme genegenheid, precies zoals hij zelf graag zag dat er naar hem gekeken zou worden wanneer hij thuiskwam. ‘En wat gebeurde er vervolgens?’ Na een poosje begon de stoere motorrijder te merken dat deze liefdevolle houding ook daadwerkelijk haar vruchten begon af te werpen en zelfs navolging begon te vinden. Zijn gezin voer er wel bij door de onvoorwaardelijke liefde voor elkaar voorop te stellen. Heel bijzonder! Deze geschiedenis deed mij op een bepaalde manier sterk aan onze hemelse Vader denken. Mensen kunnen uiteraard van alles ondernemen om hun onderlinge relaties te verbeteren – en een verhaal als dit valt daarom alleen maar van harte toe te juichen – maar God gaat nog een flinke stap verder: • Als onze hemelse Vader begrijpt God dat het voor ons, mensen, soms maar moeilijk te geloven kan zijn dat Hij liefde is en vanuit onvoorwaardelijke liefde handelt, omdat wij van onszelf de gave niet hebben Zijn beweegredenen te begrijpen of bevatten. • Als onze hemelse Vader weet God dat wij van Hem afhankelijk zijn om te kunnen ervaren wat Hem beweegt, en dat het daarom van het grootste belang is dat wij Zijn onvoorwaardelijke liefde ook als zodanig kunnen gaan leren ervaren. • Als onze hemelse Vader stelt God Zijn onvoorwaardelijke liefde voorop en om dat te laten zien heeft Hij, toen wij nog vijanden waren, Zijn Zoon naar ons uitgezonden als Redder en Heer! Vanuit onze menselijke denkzin kunnen we niet bevatten waar God in de voor ons zichtbare en onzichtbare schepping mee bezig is. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 237

‘Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten (letterlijk: plannen) dan uw gedachten (plannen).’ (Jesaja 55 vers 9, NBG-vertaling) Het is daarnaast helemaal niet verwonderlijk dat we Gods bedoeling met Zijn schepping niet kunnen rijmen met de hel die het leven hier op aarde soms kan zijn. Vanuit de oude mens zijn we geestelijk niet ‘uitermate sterk’ te noemen; als mensen betwijfelen we Gods goede intenties. ‘(…) en dat Christus door het geloof in jullie harten woont, opdat jullie in liefde geworteld en gefundeerd uitermate sterk zullen zijn om tezamen met al de heiligen te beseffen wat de breedte en lengte en diepte en hoogte is (en daarnaast te kennen de kennis overstijgende liefde van de Christus), opdat jullie compleet gemaakt zouden worden tot het volledige complement (ook wel: aanvulling) van God.’ (Efeziërs 3 vers 17-19, Concordante Vertaling) We zijn vanuit onszelf niet in staat te beseffen wat de breedte, lengte, diepte en hoogte van Gods liefde – en de liefde van Christus – is… Integendeel. We kunnen vanuit de oude mens niet ervaren wat God beweegt; we hebben vanuit onszelf niet de gave Zijn beweegredenen te begrijpen. Voorafgaand aan dit gedeelte – in vers 14 tot en met 16 – wordt daarom ten eerste ‘de Vader’ genoemd. Paulus buigt zijn knieën voor de Vader… opdat Híj ons zou geven dat Christus door het geloof in ons hart woont, opdat Híj ons zou geven in ons innerlijk standvastig gemaakt te worden door Zijn Geest. Jezus sprak dan ook tegen Simon, die Hem als ‘de Christus’, de Zoon van de levende God, erkende: ‘(…) Zalig zijt gij, Simon Barjona, want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is.’ (Matteüs 16 vers 17, NBG-vertaling) En Hij sprak, ons ter lering, in Mattheüs 11 vers 25: ‘Ik loof U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat u deze dingen voor wijzen en verstandigen (letterlijk: intelligenten) verborgen hebt gehouden, maar ze aan eenvoudige mensen (kleinen) hebt onthuld.’ (De Nieuwe Bijbelvertaling) Nu ging dit uiteraard niet over dezelfde zaken als Paulus na de dood van de Zoon – en de daaropvolgende opstanding en verheerlijking – aan de 238 | EÉN VOOR ALLEN

natiën mocht onthullen, maar het is desalniettemin veelzeggend! Paulus boog zijn knieën voor de Vader, opdat Hij zou geven. God is erop uit Zijn liefde en genade op een Vaderlijke wijze, met begrip en vertroosting, in ons leven uit te werken; een geestelijke manier van waarnemen waarvoor we – opnieuw – van Hem afhankelijk zijn. Het wonen van Christus in ons hart heeft alles met Gods gave van geloof te maken. Deze van God gegeven geestelijke gesteldheid maakt ons sterk en doet ons, tezamen met al de heiligen, beseffen wat de breedte, lengte, diepte en hoogte van Gods liefde – en de liefde van Christus – is. We zijn afhankelijk van onze hemelse Vader om te kunnen ervaren wat Hem beweegt en daarom heeft God – al hebben we dingen gedaan die ‘niet naar de afspraak’ waren – Zijn onvoorwaardelijke liefde vooropgesteld. Door het offer van de Zoon geeft God jou en mij een hartverwarmende persoonlijke begroeting die een overduidelijke weerspiegeling is van Zijn onvoorwaardelijke liefde. In Gods ogen ligt een blik vol warme genegenheid, precies zoals Hij Zelf graag ziet dat er naar Hem gekeken wordt. Kijkt God naar jou en mij door Zijn Zoon heen? Gods Woord zegt van wel. Nu zullen we alleen nog moeten leren door de Zoon heen naar onze hemelse Vader te gaan kijken, om onszelf meer dan welkom te weten op de plaats waar Hij ons wil ontmoeten! Wanneer we eenmaal gaan begrijpen dat we een Vader hebben Die, ondanks al onze missers, vol van hartverwarmende genegenheid is, dan kunnen we ook gaan begrijpen dat Zijn volmaakte liefde ‘geen ruimte laat voor angst’, maar ons uitnodigt om Hem in alle vrijmoedigheid te naderen. Wij hebben lief omdat God ons het eerst heeft liefgehad. Zaken als correctie en leren worden wat God betreft op het tweede plan geschoven… En zo komen we uiteindelijk bij het gevolg van Gods liefdevolle houding van genade en verzoening uit. Na een poosje begon deze liefdevolle houding daadwerkelijk ‘Zijn vrucht’ af te werpen doordat ze navolging begon te vinden. Heel bijzonder! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 239

Sommige mensen hebben zo veel meegemaakt in hun leven dat ze God niet meer als hun Beschermer of Vader kunnen of willen zien. Desondanks is het ook zo dat andere mensen in de erbarmelijkste omstandigheden Gods liefde en vrede hebben ervaren. In Efeziërs 3 lazen we dat God oneindig veel meer kan doen boven alles wat wij verzoeken of bevatten. Daarom is Hij in staat alle harten die verbrijzeld en vertrapt zijn te helen met Zijn liefde! ~ Onderonsje ~ Een dierbare vriendin vroeg mij eens wat bij mij nou het keerpunt was geweest na een periode in mijn leven waarin God ‘verre van de Boventoon’ voerde. Ik vertelde haar dat het voor mij persoonlijk een eyeopener was te gaan beseffen dat Gods liefde een totaal invoelen van alle pijn en verdriet omvatte. Ik was gaan verstaan dat God geen ‘verre Vriend’ was die lijdzaam, met medeleven van bovenaf toekeek, maar dat Hij, als mijn hemelse Vader, samen met mij dwars door alles heen was gegaan. Tot mijn eigen verwondering ontving ik hierna open te gaan staan voor de geestelijke vertroosting die Hem voor ogen stond. Ontving ik weer te gaan vertrouwen in Zijn bedoeling met mijn leven. Ontving ik opnieuw te willen wandelen met God… al hield deze wandel ook correctie en leren in. Daarnaast werd ik mijzelf diep bewust van het feit dat niets van dit alles voortkwam uit mijn eigen persoonlijke menselijke lering of verdienste, maar dat God alleen de dank en eer toekwamen voor Zijn scheppingswerk in mijn innerlijk! Ik ging mijzelf afhankelijk weten van de kracht van Gods liefde die het geloof werkzaam maakt. ‘Alstublieft, Vader, wilt U het gaan doen in mijn leven? Ik ben van Uw barmhartigheid afhankelijk. Schept U ook in mij dat reine hart en vernieuwt U ook in mij die vaste – opgerichte, gevestigde – geest. Hergeef mij als David de geestelijke vreugde van Uw Redding en steun mij door een bereidwillige, inschikkelijke geest. Dank U wel voor het feit dat U 240 | EÉN VOOR ALLEN

mijn Vader wilt zijn en mij, ondanks alles, Uw liefde opnieuw hebt laten ervaren.’ Vervolgens werd een langgekoesterde droom – het in mij opgeroepen verlangen om opnieuw met geloofsvreugde te kunnen gaan leven – voor mij bewaarheid. — ‘Alles waar het woordje “te” voor staat is niet goed,’ zeggen we als mensen weleens tegen elkaar. ‘Te veel liefde’ kun je echter niet krijgen. Wanneer iedere vaderlijke verwantschap in de ganse schepping naar God genoemd wordt – wanneer iedere vaderlijke verwantschap verwijst naar het Vaderschap van onze hemelse Vader – dan moet Hij wel op ultieme Vaderlijke wijze van ons houden! ‘Ten behoeve hiervan buig ik mijn knieën voor de Vader van onze Heer Jezus Christus, naar Wie iedere vaderlijke verwantschap in de hemelen en op aarde genoemd wordt (…)’ (Efeziërs 3 vers 14 en 15, Concordante Vertaling) Iemand zei eens: ‘God is barmhartig… en dat wil zeggen: warmhartig.’ Omdat God aan ons wil laten zien dat niets ons meer van Zijn liefde kan scheiden, heeft Hij het ergste laten gebeuren wat maar mogelijk was: Hij heeft Zijn geliefde Zoon tot een vloek laten maken. Nu dan het ergste wat maar mogelijk was gebeurd is – en Gods liefde ons desondanks niet verlaten heeft – mogen we rustig aannemen dat Gods liefde ons ook nooit verlaten zal: Hij blijft ons altijd trouw! Over Gods genade wordt wel gezegd dat ze ‘liefde-in-actie’ is. Feitelijk is liefde Goddelijke actie; ze staat nooit op Zichzelf, maar is een geestelijke beweging van Zichzelf af. Wij kunnen van nature Gods Vaderlijke gedachten niet lezen en daarom heeft Hij ons Hij heeft ons Zijn Zoon gegeven zodat wij door Hem kunnen gaan ervaren wat Zijn Vaderlijke beweegredenen zijn. Denk nog even aan het voorbeeld van de stoere motorrijder; hoe het in het klein al werken kon doordat deze man aan zijn eigen EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 241

ongerief voorbij wilde zien. Zijn liefdevolle houding begon navolging te vinden; zijn gezin voer er wel bij door de onvoorwaardelijke liefde voor elkaar voorop te stellen. Als dit nu al de uitwerking kan zijn van menselijke liefde, hoe groot zal de uitwerking dan wel niet zijn wanneer er Goddelijke liefde aan te pas komt, wanneer God aan Zichzelf voorbijziet! Stel je nou eens voor dat God het mogelijk zou maken dat al Zijn schepselen op den duur de liefde voorop gingen stellen… hoe geweldig zou dat zijn? Als universele vijandschap werd omgezet in universele liefde, voor de Vader en de Zoon, en voor alle schepselen onderling? Zou er bij God iets onmogelijk zijn? ‘Bij mensen is het onmogelijk, maar niet bij God; want alle dingen zijn mogelijk bij God.’ (Marcus 10 vers 27, NBG-vertaling) ‘Ja,’ zou je nu kunnen denken, ‘daar zeg je zo wat! Dat er niets bij God onmogelijk is, oké… Maar de vraag is of dit dan is waar God op uit is met Zijn schepping, want als ik zo eens om mij heen kijk, dan durf ik dat toch ernstig te betwijfelen.’ In een later hoofdstuk kom ik graag op deze menselijke gedachtegang terug. Hoe meer ons innerlijk vervuld raakt van Gods liefde, hoe gemakkelijker het voor ons zal worden om Hem vrijmoedig te naderen in gebed, als voorproefje van het moment waarop we Hem letterlijk ontmoeten zullen. Gods liefdevolle houding betekent echter niet dat Hij overal maar aan voorbij zou zien. In het gezin van de motorrijder was dat al niet het geval, laat staan dat het zo bij God zou werken. Dat zaken als correctie en leren op het tweede plan worden geschoven wil niet zeggen dat ze helemaal niet meer aan bod zullen komen; zij maken evengoed deel uit van Gods opvoedende genade. Van belang is alleen dat de onvoorwaardelijke liefde vooropstaat en dat we ons in de eerste plaats geborgen weten. God is als Vader niet van zins ons in onzekerheid, angst of afwijzing te doen opgroeien naar geestelijke volwassenheid, maar reikt ons het broodnodige evenwicht vanuit Zijn onvoorwaardelijke liefde aan. Gods mildheid en geduld houden niet in dat er geen grenzen meer gesteld worden; we hebben grenzen en richting nodig om te kunnen opgroeien 242 | EÉN VOOR ALLEN

tot evenwichtige volwassenen in het geloof. God stelt Zichzelf als Vader in het geheel niet toegeeflijk op, maar is ook niet autoritair. Onze hemelse Vader is gezaghebbend en voor een gezaghebbende ouder weegt de relatie het zwaarst. Wanneer God Zijn oordeel over al onze onvolkomenheden al klaar zou hebben liggen dan zou Hij geen liefdevolle Vader zijn en zou er ook geen sprake kunnen zijn van een levende relatie tussen Hem en ons. Als we niet zouden kunnen ervaren dat we, als onvolkomen schepselen, volkomen geaccepteerd zijn, wat heeft Zijn onvoorwaardelijke Vaderliefde dan voor waarde? ‘Kinderen verstaan niet alle talen… maar één taal verstaan zij allemaal en dat is de taal van de liefde.’ Na de bewustwording van Gods onvoorwaardelijke liefde in je hart zullen zaken als correctie en leren heel anders op je overkomen en hoef je ook niet meer zo’n defensieve houding aan te nemen. Ook Davids hart werd bekendgemaakt met de liefde van God. Hoeveel zonden David ook had begaan, het werd hem desondanks gegeven tot de volgende geweldige ontdekkingen te komen. Lees maar mee in 1 Kronieken 29 vers 10 tot en met 14 (NBG-vertaling): ‘Toen prees David de HERE (IEUE, Jahweh) ten aanschouwen van de gehele gemeente (letterlijk: samenkomst, vergadering), en David zeide: Geprezen zijt Gij, HERE, God van onze vader Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid (van aion tot aion). Van U, o HERE, is de grootheid en de kracht (meesterschap, beheersing), de heerlijkheid (schoonheid, pracht), de roem (vastheid, duurzaamheid) en de majesteit (glorie), ja, alles wat in de hemel en op de aarde is; van U is de heerschappij (het Koninkrijk), o HERE, en Gij zijt als hoofd boven alles verheven (de Ene Die Zichzelf opheft alles tot Hoofd). Want rijkdom en eer komen van U, en Gij heerst (ook wel: regeert) over alles; in uw hand is sterkte (meesterschap) en kracht (ook wel: groeikracht, levenskracht), en Gij hebt het in uw macht EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 243

een ieder groot (te vergroten) en sterk te maken (te versterken, te verstevigen). Thans loven wij U (juichen wij U toe), o onze God, en prijzen wij uw heerlijke (schone, prachtige) naam. Wie toch ben ik, en wat is mijn volk, dat wij in staat zouden zijn zulke vrijwillige gaven te schenken? Want het komt alles van U, en wij geven het U uit uw hand (van Uw hand hebben wij U gegeven).’ Hoe velen van ons hebben van God ontvangen te onderkennen dat we geestelijk gezien: • als mens niets zijn? • van onszelf niet in staat zijn tot geestelijke groei en een God welgevallig leven? • als mens niet in staat zijn vrijwillige gaven te schenken, maar God enkel van Zijn Eigen hand kunnen geven? Hoeveel mensen hebben als David ontvangen te loven en juichen: Van U is de grootheid, het meesterschap, de beheersing, schoonheid en pracht! Van U is de vastheid, duurzaamheid en glorie, ja, alles wat in de hemel en op de aarde is! Van U is het Koninkrijk! U bent de Ene Die Zichzelf opheft, alles tot Hoofd! Want rijkdom, eer en roem komen van U, en Gij heerst, Gij regeert, over alles! In Uw hand is groeikracht en levenskracht, Gij hebt het in uw macht een ieder te vergroten en te verstevigen! Want het komt alles van U, en van Uw hand hebben wij U gegeven! 244 | EÉN VOOR ALLEN

Wat een enorme genade ontving David om Gods liefde, voor zichzelf en voor de ganse schepping, zo diep te mogen leren verstaan. Mensen rekenen elkaar van nature eigenlijk voortdurend af op dingen die gebeurd zijn en dat is ook begrijpelijk. We merken elkaar onderling aan als ‘huichelaars’ of ‘oprechten’, hoewel ieder mens afhankelijk van Gods gave is. En zo ontbreekt het ieder mens nog weleens aan de genade omdat wij stuklopen op of onszelf optrekken aan menselijke onvolkomenheid… en zelfs daar kunnen we elkaar geestelijk gezien niet op aankijken. Wanneer onze menselijke denkzin langs de lat van Gods waarheid komt te liggen ontdekken we echter dat onze manier van logisch denken onder invloed staat van ons beperkte blikveld. Stel je nu eens voor dat onze denkzin aan de geestelijke waarheid dat ‘alles van God komt en we Hem enkel van Zijn hand kunnen geven’ gekoppeld zou zijn: • • in hoeverre zijn mensen dan nog eerlijk vanuit zichzelf en kunnen we elkaar nog aanzien op zogeheten ‘eerlijkheid’ of ‘oneerlijkheid’? in hoeverre blijven we het in ons leven dan nog van onze eigen of andermans menselijke vermogens verwachten? Erkennen dat God scheppend aan het werk is in Zijn schepping, erkennen dat Hij hét verschil maakt is daarom veel eerlijker! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 245

VADERLIJKE VERWANTSCHAP Kon ik U maar begrijpen, maar U bent te verheven. Kon ik U maar vasthouden, maar U bent te groots. Was U maar een mens, maar U bent mijn God. Vaak verlang ik naar menselijke liefde van God, maar waar mijn hart zoekend en onrustig was, gaf U ultieme geborgenheid en rust in Uw Zoon. Waar ik U niet vast kon houden, daar hield U mij vast. Waar ik U niet kon begrijpen, daar begreep U mij. U was eerst alleen mijn God, maar U werd mijn hemelse Vader. In Uw verhevenheid en grootsheid, bleek Uw liefde zonder grenzen! 246 | EÉN VOOR ALLEN

HOOFDSTUK 10 EÉN VOOR aLLEN ‘Want de liefde van Christus dringt ons, daar wij tot het inzicht gekomen zijn, dat één voor allen gestorven is.’ – 2 KORINTIËRS 5 vers 14 en 15, NBG-vertaling DE GROTE ScHOONmaak In een televisieprogramma ging het eens over een grote schoonmaak van een huis waarin de spullen inmiddels tot aan het plafond toe waren opgestapeld. De eigenaresse van het huis – we zullen haar Eugenie noemen – was ten prooi gevallen aan een zogeheten ‘verzamelwoede’ en dat was behoorlijk uit de hand gelopen. Eugenie vertelde dat ze, sinds de kinderen het huis uit waren en er in een vrij kort tijdsbestek enkele dierbare familieleden van haar waren overleden, was begonnen de leegte in haar hart op te vullen met spullen. Iedere dag ging ze eropuit om te ‘shoppen’ en nooit kwam ze met lege handen thuis. Ze bracht voor alle gezinsleden wel iets mee en had zodoende in de loop der jaren een enorme hoeveelheid cadeaus verzameld, die ze vervolgens nooit meer had kunnen vinden. De persoon die Eugenie en haar gezin ging begeleiden vroeg de koopzieke vrouw of de spullen haar leegte inderdaad hadden opgevuld. Eugenie dacht hier enige tijd over na en vertelde vervolgens dat het tegendeel eigenlijk het geval was. Door haar manier van doen kwamen haar kinderen steeds minder langs en voor de kleinkinderen was het al helemaal geen doen. Vrienden werden ook niet meer uitgenodigd, want Eugenie schaamde zich er al voor om de voordeur open te EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 247

doen wanneer er iemand voor een collecte aan de deur was, laat staan dat ze iemand bij haar op visite zou durven vragen. Nee, haar leven was er eigenlijk alleen maar leger op geworden… De begeleider van Eugenie bevestigde hierop dat ze op deze manier de mensen om zich heen alleen maar van zich afgestoten had. Ze had hen van zich vervreemd omdat ze zo veel spullen voor hen had gekocht, al was dat nog zo goed bedoeld. Liefde hing immers niet af van spullen, maar van daden! Haar kleinkinderen verlangden meer naar een oma waar ze leuke dingen mee konden doen dan naar een oma die ‘altijd maar dacht iets leuks voor hen te moeten kopen’. Ook de man van de koopzieke vrouw werd bij het gesprek betrokken. Hij kampte met een schuldgevoel omdat hij zich medeplichtig voelde aan de ontstane situatie. De begeleider stelde de man van Eugenie gerust; hij had dit niet kunnen voorkomen, want daar was in wezen intensieve professionele begeleiding voor nodig. Hij zou zijn vrouw eenvoudigweg nooit hebben kunnen overtuigen van het feit dat het helemaal niet nodig was om zo veel spullen te kopen en te verzamelen. Na wederzijdse instemming werd vervolgens met een intensief begeleidingsprogramma van een aantal weken gestart, om de zaken weer enigszins op orde te krijgen. De man, de vrouw zowel als de – inmiddels niet meer inwonende – kinderen werden allen bij dit proces betrokken. Hoe ging men vervolgens te werk om ‘de grote schoonmaak’ te realiseren? Allereerst werd vastgesteld dat deze mensen, wanneer zij zich op de hoeveelheid afval zouden richten, het geheid van de afvalberg zouden verliezen; dat had ervaring met soortgelijke situaties uitgewezen. Alleen: hoe deed je dat, je niet richten op de hoeveelheid afval, wanneer alles immers uitgezocht en opgeruimd moest worden? De begeleider vroeg de man en de vrouw wat het belangrijkst was van de plaats waar ze woonden: wat wilden zíj graag van hun huis? De man vertelde dat hij graag een huis wilde hebben waar hij zich thuis kon voelen en waar hij mensen kon ontvangen, en de vrouw gaf 248 | EÉN VOOR ALLEN

aan dat ze in huis harmonie wilde ervaren zodat het een plaats zou zijn om tot rust te kunnen komen. De wensen van het echtpaar werden daarop tot ‘visie’ gebombardeerd, omdat dit hetgeen was waar zij zich van nu af aan op zouden moeten gaan richten in plaats van op de onoverkomelijke berg met zooi. Door zichzelf tijdens het doorworstelen van de gigantische berg met spullen steeds opnieuw te richten op hun visie – een huis waar je thuis kunt komen, waar mensen ontvangen kunnen worden, een plaats van harmonie en rust – zouden deze mensen er komen… En zo kwamen ze er ook! Nog vele malen tijdens het proces van ordening gleed de vrouw af naar haar innerlijke behoefte van verzamelen. Dan kwam haar begeleider op de proppen met ‘harmonie, rust, een thuis waar men mensen kon ontvangen’, en vond ze opnieuw de innerlijke kracht om oude gewoonten los te laten door zich op de visie te richten. In Amerika zijn zaken als ‘een visie om kracht uit te putten’ al decennia erg belangrijk; je zou bijna zeggen dat het inmiddels verheven is tot een soort religie. Wanneer je een doelstelling bepaalt en deze voor je blijft zien is de kans dat je daadwerkelijk zult bereiken wat je voor ogen staat aanmerkelijk groter dan wanneer je dat niet doet, heeft wetenschappelijk onderzoek aangetoond. Veel mensen zijn ons dan ook voorgegaan in het bereiken van hun idealen vanuit visualisatie. Er valt door middel van visualisatie veel te bewerkstelligen in positieve, maar ook in negatieve zin… daar hoeven we niets aan toe of af te doen. En los van de vraag of deze visualisatie goede of juist minder goede zaken kan bewerkstelligen – al naar gelang wat iemand voor ogen staat – gaat deze werkwijze zonder enige twijfel uit van de vermogens van de mens: ‘Yes, we can!’ Is het weleens bij je opgekomen dat God – als onze persoonlijke Begeleider – iets soortgelijks, maar dan op een geestelijke wijze, voor ogen staat: een geestelijke ‘schoonmaakbeurt’ om de zaken op Gods manier weer op orde te krijgen? De geestelijke ‘grote schoonmaak’ begint daarom juist op die plaatsen waar de menselijke wijsheden en vermogens bij wijze van EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 249

spreken tot aan het plafond toe zijn opgestapeld. God wil ons namelijk niet richten op een menselijke visie – hoe werkzaam deze naar aardse maatstaven ook kan blijken te zijn – maar op Zijn Visie! Wanneer we ons hierin zouden richten op ‘de berg met menselijk puin’ die ons uiterlijke en innerlijke leven geestelijk gezien is, komen we er naar Gods maatstaven dan ook niet. Onze hemelse Vader wil ons vanuit Zijn Visie begeleiden in de ordening die Hem met Zijn schepping voor ogen staat… en dat vanuit een totaal ander denkpatroon dan de wereld ons kan leren. Het werkt vanuit een geestelijk patroon van ‘levend gemaakt worden in genade’, een patroon dat alleen uit Gods geestelijke rijkdom kan voortkomen. Rijkdom die alle materiële of intellectuele rijkdom ver overstijgt! Wanneer we ontvangen ons Gods Visie voor ogen te stellen dan zal de geestelijke ‘grote schoonmaak’ er als volgt uit kunnen komen te zien: • Allereerst is vastgesteld dat we – wanneer we ons op de woorden van de tegenstander richten – het geheid van de tegenstander zullen verliezen; dat heeft ervaring (te beginnen bij de hof van Eden) wel uitgewezen. Het is daarom van belang dat we ons daar niet op richten… maar hoe doen we dat wanneer alles in ons leven doortrokken is van het verderf als gevolg van die eerste daad van ongehoorzaamheid? • Voor God, onze hemelse Begeleider, is het van belang dat wij – al vallen we misschien nog wel een aantal malen terug in onze oude gewoonten – gericht worden op datgene wat Hij belangrijk vindt, namelijk: Zijn Visie voor ons leven. Onze hemelse Vader heeft ‘de genade’ als Zijn Visie op het leven gebombardeerd! • Vanwege Zijn grenzeloze liefde heeft God het mogelijk gemaakt dat gewone stervelingen Zijn harmonie kunnen ervaren. Dat ze – in Zijn Zoon – een plaats vinden om tot rust te komen en een vrede gaan ervaren die aan alle denkzin superieur is. • Doordat gelovigen nu al ontvangen zich te richten op Gods Visie van genade weten ze zichzelf als eerstelingen deelachtig aan Gods nieuwe schepping. De hemelse Vader bevrijdt ons van het gericht worden op ‘dingen van mensen’ omdat daardoor onze aandacht indirect naar de tegenstander uitgaat. 250 | EÉN VOOR ALLEN

Doordat gelovigen worden gericht op Gods Visie voor het leven ontvangen zij de kracht om de oude schepping, met al haar oude gewoonten, los te leren laten. Uiteindelijk zal de ganse schepping door het kostbare bloed van de Zoon op Gods Visie van genade gericht worden, in plaats van op die onoverkomelijke berg met zooi waar de tegenstander alle doelmissers nog steeds zo graag op richten wil! ‘pOSITIEF DENkEN’ Mensen willen maar al te graag ‘geloven in’ en ‘bouwen op’ menselijke vermogens. We gaan er veelal prat op. ‘Durf te geloven in jezelf!’ schreeuwen we van de daken. ‘Durf te geloven in elkaar!’ Menselijk gezien is dat natuurlijk positief gedacht. En toch kan aan deze ‘positieve denkwijze’ – niet alleen vanuit God, maar ook vanuit de mens gezien – wel degelijk een sterk overgewaardeerd label gehangen worden. Heb je ooit weleens nagedacht over alle teleurstellingen die mensen in hun leven hebben moeten ondervinden omdat ze van tevoren veel te hoge en irreële verwachtingen koesterden met betrekking tot zichzelf en anderen? Zonder dat we het zelf misschien beseffen is onze dagelijkse realiteit van dergelijke ‘positieve’ leuzen doorspekt geraakt. De vraag is alleen hoe iets geestelijk gezien positief kan zijn wanneer het van Gods Woord afwijkt. De menselijke manier van positief denken heeft nu eenmaal niets van doen met de geestelijke verjonging van onze denkzin, in totale afhankelijkheid van onze hemelse Vader. Dan wordt het toch meer zoiets als ‘je hond alleen laten met het kind van de buren omdat de hond wel te vertrouwen is’ en dát dan ‘positief denken’ noemen! Hoeveel mensen hebben psychische nood vanwege te optimistische verwachtingen met betrekking tot de menselijke vermogens, ook – of juist – waar dit ‘het geloof’ aangaat? Hoeveel mensen hebben helemaal de luxe niet om nog langer te geloven in zichzelf… of in elkaar? Mensen kunnen zichzelf en anderen van alles en nog wat beloven, maar God ziet de oude mens naar waarheid aan zoals Hij hem geschapen heeft. Als onze Schepper kent Hij ons als geen Ander en Hij zegt dat de mens geestelijk gezien een leugenaar – en dus onbetrouwbaar – is. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 251

‘(…) God waarachtig (letterlijk: waar) en ieder mens leugenachtig (leugenaar…)’ (Romeinen 3 vers 4, NBG-vertaling) ‘Wie op eigen hart vertrouwt, is een dwaas (letterlijk: dom); maar wie in wijsheid wandelt, zal ontkomen (ontsnappen).’ (Spreuken 28 vers 26, NBG-vertaling) ‘Daarom, niemand beroeme zich op mensen (…)’ (1 Korintiërs 3 vers 21, NBG-vertaling) ‘Nou, lekker optimistisch! Zo’n boodschap willen we natuurlijk “graag” horen. Dus dat betekent dat we helemaal niemand meer kunnen vertrouwen?! Als dat zo is, dan kunnen we wel opdoeken met z’n allen…’ En zo steekt onze menselijke wijze van ‘positief denken’ dan al weer snel de kop op. Het is natuurlijk buiten kijf dat het erg fijn is wanneer we de mensen om ons heen kunnen vertrouwen; aan onze relaties ligt immers juist dat onderling vertrouwen ten grondslag. Je zou kunnen zeggen: ‘Elkaar kunnen vertrouwen is een voorwaarde voor geluk.’ In dit boek wil ik het echter niet zozeer hebben over de menselijke psyche en alles wat daar uit kan voortkomen, maar over de gave van ‘geestelijk positief denken’ waar iets heel anders aan ten grondslag ligt. Aan ‘geestelijk positief denken’ ligt geen vertrouwen in menselijke vermogens ten grondslag, maar een ontvangen vertrouwen in de vermogens van onze hemelse Vader. ‘Yes, He can!’ Je zou kunnen stellen dat wat de mens ‘betrouwbaar’ noemt vanuit God gezien niet betrouwbaar ís omdat – al is onze bedoeling nog zo goed – God geestelijke maatstaven hanteert en wij vleselijke. Jezelf bewust worden van het feit dat de betrouwbaarheid van de mens geestelijk gezien betrekkelijk is kan daarom, zeker in de wereld van vandaag, bepaald geen overbodige luxe zijn. Deze zienswijze wordt echter niet tot stand gebracht 252 | EÉN VOOR ALLEN

vanuit enig menselijk realisme, cynisme of pessimisme, maar vanuit een ontvangen geestelijk waarnemingsvermogen dat er op uit is ons te richten op Degene Die de liefde Zelf is. De teleurstelling of ontgoocheling die mensen in hun leven kunnen ervaren omdat ze te hoge, irreële verwachtingen koesterden met betrekking tot hun eigen geloof en het geloof van anderen doet mij ook denken aan de volgende vraag, die soms zo verwachtingsvol aan gelovigen gesteld kan worden: ‘Wat is voor jou nou het belangrijkste in je leven?’ Waarop men dan maar al te graag ‘God, natuurlijk!’ zou willen horen… Nu zou een mens op deze vraag inderdaad een dergelijk antwoord kunnen geven, maar wanneer we hier langer over nadenken kunnen we daar mogelijk toch wat voorzichtiger in worden. Voor welk mens is het immers zo ‘natuurlijk’ dat God in het middelpunt van zijn leven staat?! Efeziërs 2 vers 3 vertelde ons (Concordante Vertaling): ‘(…) en wij waren van nature kinderen van toorn (letterlijk: verontwaardiging) zoals ook de overigen (…)’ ‘Niemand is rechtvaardig, ook niet één, er is niemand, die verstandig is (letterlijk: er is niemand die begrijpt), niemand, die God ernstig zoekt; allen zijn afgeweken, tezamen zijn zij onnut (gelijktijdig onbruikbaar) geworden; er is niemand, die doet wat goed (mildheid) is, zelfs niet één.’ (Romeinen 3 vers 10-12, NBG-vertaling) We kunnen elkaar dus wel blijven beoordelen op onze mooie ogen, goede bedoelingen of charismatische uitstraling, maar daar komen we geestelijk gezien niet ver mee. Wij schieten in ons leven allemaal tekort wanneer het er om gaat de ware liefde tot uitdrukking te brengen. Niemand is vanuit zichzelf een instrument naar binnen in eer of waarde! Als mensen hebben wij, stuk voor stuk, met onze beperkte vermogens te maken en bovendien kan onze fysieke of mentale ballast het ons onmogelijk maken te geven waar een ander menselijkerwijs gesproken recht op zou kunnen hebben. Het is daarom een grote troost te mogen gaan beseffen dat Gods bedoeling met Zijn schepping niet mogelijk wordt gemaakt vanuit beperkte menselijke vermogens, maar vanuit Zijn vermogen. Niet om er zo maar gemakkelijk vanaf te komen, maar als een liefdevol gegeven waardoor wij mogen leven! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 253

‘Ach, trouwe Vader, ik ben er nog lang niet… en ik zal me dit ook nooit “eigen” kunnen maken op een wijze die U welgevallig zou kunnen zijn. Maar dank U wel voor het feit dat U mijn leven levend en nieuw maakt, en bovendien dezelfde belofte aan Uw ganse schepping hebt gedaan.’ We komen dan terug bij onze afhankelijkheid van God, de Vader. Vanuit deze afhankelijkheid wordt een nieuwe dimensie aan onze denkzin toegevoegd, een dimensie die onze persoonlijke denkvermogens ver overstijgt. We leren leven vanuit Gods perspectief ten opzichte van Zijn schepping… juist daar waar menselijke vermogens tot liefdebetoon totaal tekortschieten. Gods instellingen zijn zó positief dat er werkelijk geen enkel menselijk werk aan te pas komt! DIE ENE ZONDaaR Waar David van getuigde was dat ‘mensen God enkel konden geven van wat ze van Hem ontvangen hadden’, in materieel opzicht en zeker in geestelijk opzicht. Wanneer we deze liefdevolle waarheid gaan verstaan is het gevolg dat we allerlei zaken in ons leven ook heel anders kunnen gaan bekijken en ervaren. ‘Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw’ krijgt een veel ruimere dimensie in ons hart. Niet alleen de materiële, zichtbare zaken worden door God uitgewerkt naar Zijn bedoelen; het gaat God allereerst om de innerlijke verandering die Hij in Zijn schepping aan het uitwerken is. Als mens kun je diep gaan beseffen dat je – inderdaad – niets bent naar Gods geestelijke norm van liefde… maar dat Hij, met diezelfde liefde, alles voor jou wil zijn! Wat ik maar zeggen wil is het volgende: wanneer je een ‘modelgelovige’ zoekt om een voorbeeld aan te nemen, dan moet je niet bij mij zijn. Lees dan een ander boek. Het begrip zonde op zonde is mij – als David – niet 254 | EÉN VOOR ALLEN

vreemd en wanneer je daarom zou denken: ‘Wat kan zíj nou te vertellen hebben over God?!’ dan heb je gewoon gelijk! Mensen kunnen hierover mogelijk hun schouders ophalen en denken: ‘Maak het jezelf in ’s hemelsnaam niet zo moeilijk!’ om vervolgens weer over te gaan tot de orde van de dag. We gaan er voor het gemak dan maar even van uit dat deze mensen wel weten zullen wat psychische nood inhoudt, en psychische overwinning daarop. Alleen… wat weten zij van geestelijke nood en van geestelijke overwinning daarop?! Ik heb van mijzelf niets te vertellen over God, maar wat ik in mijn hart gekregen heb is dat ik wil getuigen van wat God voor mij gedaan heeft in mijn leven… ondanks de vele, vele missers die ik heb gemaakt. Voor hen die uit persoonlijke ondervinding weten wat het is om geestelijk gezien ‘niets te zijn’ kan dit boek daarom – zo God het geeft – een bemoediging zijn. Als mens kun je door genade gaan zien op Zijn overwinning! Dit lijkt naar de mens zo gemakkelijk maar er is een grote, van God ontvangen verootmoediging van je eigen ik voor nodig. Een ‘tot jezelf komen’ door de onthulling van Gods liefde aan je hart. Het besef gezondigd te hebben, om vervolgens huiswaarts te kunnen keren, zoals we dat kunnen lezen in Lucas 15 vers 17 tot en met 19 (NBG-vertaling): ‘Toen kwam hij tot zichzelf en zeide: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben brood in overvloed en ik kom hier om van de honger. Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heten (…)’ Vaak kom je tegen dat mensen nog zo veel moeite hebben met ‘die ene zondaar’ die zulke vreselijke dingen heeft gedaan. Ze hebben er dan moeite mee dat die ene zondaar misschien wel op het allerlaatste moment toch nog voor Jezus kiest en ‘er’ dus – ook nog – komen zal. ‘Niet eerlijk!’ is ons menselijk oordeel en we kunnen er enorm tegen in opstand komen. Vanuit de mens gezien is dat goed te begrijpen. Ook kom je tegen dat mensen ontzettend bezorgd zijn over bijvoorbeeld hun kinderen of andere zeer geliefde mensen om hen heen. Stel je nu eens voor dat er vandaag of morgen opeens iets met hen zou gebeuren en dat EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 255

ze dan niet op tijd tot geloof zijn gekomen… Dan zouden ze ‘er dus niet komen’?! ‘Niet eerlijk!’ is ons menselijk oordeel en ook daar kunnen we enorm tegen in opstand komen. Ook dat is heel goed te begrijpen. En zo gaan onze, menselijk logische, gedachten met ons op de loop. We kunnen ervan wakker liggen! De antwoorden die we denken te hebben gevonden (b)lijken niet te volstaan, steeds opnieuw steekt innerlijke onrust de kop weer op. ‘Hoe kunnen we ons nou toch verheugen over Gods redding wanneer onze geliefden de kans lopen voor eeuwig verdoemd te zijn? Dat kunnen we toch niet?!’ vragen we onszelf misschien wel vertwijfeld af. ‘Nou, neem mij dan maar in de plaats… en laat mijn kind gered worden!’ zou een vader of moeder op een gegeven moment in wanhoop tegen God kunnen uitroepen. Hebben we ons echter al eens gerealiseerd dat, op dergelijke wijze, Gods liefde geen vorm geeft aan ons leven? Dat daarentegen angst overheerst omdat we de hemelse Vader onze geliefden niet kunnen toevertrouwen en misschien nog niet eens zo zeker van onszelf zijn? En inderdaad: hoe kunnen we ons op deze wijze dan daadwerkelijk gaan verheugen in Gods redding? ~ Onderonsje ~ Eens was ik in gesprek met een jonge moeder; laten we haar Juul noemen. Ik vroeg Juul wat zij nou het belangrijkst vond om aan haar kind mee te geven in dit leven en zonder enige aarzeling vertelde ze mij: ‘Ik wil mijn kind graag vreugde meegeven.’ Toen ik haar vervolgens vroeg wat ze daar dan precies onder verstond gaf Juul aan: ‘Vroeger was ik bij regelmaat bang. Bang dat ik niet voldeed aan Gods norm, dat ik misschien toch niet bij Hem zou horen en wat me dan te wachten zou staan. Het gevolg was dat ik voortdurend “in een kramp” leefde en altijd op mijn tenen liep. Nu wil ik dat heel anders voor mijn kind. Ik wil mijn kind de vreugde van het geloof meegeven; dat staat voor mij binnen de opvoeding centraal.’ 256 | EÉN VOOR ALLEN

Inmiddels was ik al lang en breed bezig met het schrijven van dit boek en mede daarom vond ik het zo mooi dat Juul dit aangaf omdat juist die vreugde – de vreugde van Gods redding – als een rode draad door dit boek heen loopt. We kunnen onze kinderen hier echter pas in gaan voorleven als we zelf hebben ondervonden wat ‘geestelijke vreugde’ inhoudt voor ons eigen leven. Ik spreek daarom de hoop uit dat dit boek – zo God het geeft – een kleine bijdrage mag leveren in die richting. — In dit leven gaat bij ouders en begeleiders het welzijn van een kind veelal voor op de eigen belangen, en helemaal als het over ‘de eeuwigheid’ gaat. Zou voor onze hemelse Vader niet hetzelfde gelden? ‘Want de liefde van Christus dringt ons, daar wij tot het inzicht gekomen zijn, dat één voor allen gestorven is.’ (2 Korintiërs 5 vers 14 en 15, NBGvertaling) Het zou toch wat zijn als het verbond in Zijn bloed – dat juist bij uitstek tot verzoening uitroept en beweegt – zou komen van een God Die Zelf onverzoenlijk zou zijn ten opzichte van (een groot deel van) Zijn schepping! Het zou toch wat zijn als het offer van de Zoon voor zo velen niet zou blijken te volstaan, zelfs al was dat er maar één! Wie wil er per slot van rekening nog bij God zijn als een van zijn geliefden voor altoos en immer zou moeten tandenknarsen? Hoe moet dat dan wel niet zijn voor God Zelf, Die per slot van rekening liefde is? En dat terwijl alle dingen mogelijk zijn bij God – Marcus 10 vers 27 – en Hij Zijn schepping oneindig veel meer liefheeft dan waar wij, mensen, ooit toe in staat zouden kunnen zijn! Het mooie is dan ook dat God het – uiteindelijk – Zijn ganse schepping zal geven ‘de taal van Zijn liefde’ te leren verstaan. Oók diegenen die nu nog worstelen met andermans schuld en doen wij dat op onze beurt niet EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 257

allemaal? De taal van Gods liefde uitleven is namelijk ‘vers twee’! Dat is, opnieuw, een genadegave die geen mens van zichzelf op een God welgevallige wijze in praktijk kan brengen. Want het komt alles van U en van Uw hand hebben wij U gegeven. Onze hemelse Vader is met compassie over Zijn ganse schepping bewogen en staat op de uitkijk om Zich over een ieder, om Zich over het al te ontfermen. Vanuit de oude mens kunnen wij logischerwijs echter nog zo veel moeite hebben met de liefde van God, die ver boven onze menselijke vermogens en grenzen uitstijgt. ‘Niet eerlijk!’ is ons menselijk oordeel… en we kunnen er enorm tegen in opstand komen. Het een zowel als het ander heeft veel te maken met de manier waarop het koning David na zijn ‘zonde op zonde’ verging. In het boek Samuël lezen we: ‘Toen sprak David tot Natan: Ik heb tegen de HERE (IEUE, Jahweh) gezondigd. En Natan zeide tot David: De HERE heeft uw zonde vergeven (letterlijk: Ja, waarlijk, IEUE, Jahweh, heeft jouw zonde aan Zich doen voorbijgaan): gij zult niet sterven, ofschoon gij door deze daad de vijanden des HEREN zeer hebt doen lasteren, – de zoon echter, die u geboren is (om te sterven), (hij) zal sterven.’ (2 Samuël 12 vers 13 en 14, NBG-vertaling) ‘Toen zeide David tot Nathan: Ik heb gezondigd tegen den HEERE! En Nathan zeide tot David: De HEERE heeft ook uw zonde weggenomen, gij zult niet sterven. Nochtans, dewijl gij door deze zaak de vijanden des HEEREN grotelijks hebt doen lasteren, zal ook de zoon, die u geboren is, den dood sterven.’ (Statenvertaling, Jongbloed-editie) Het zal je maar gezegd worden… Wat moet David hierdoor verscheurd zijn geweest! Davids lijden ging heel diep: aan de ene kant de vreugde over zijn persoonlijke redding… aan de andere kant de vreselijke aankondiging dat zijn zoon – een onschuldig kind – moest sterven. Erger nog: dat deze zoon hem zelfs geboren was om te sterven. Hieruit blijkt dat Davids hart evengoed bekend werd gemaakt zowel met de vreugde die met Gods red258 | EÉN VOOR ALLEN

ding gepaard kan gaan, als met het verdriet. Zoals ook wij wel degelijk verheugd kunnen zijn over onze persoonlijke redding (en de redding van degenen die ons lief zijn in dit leven), maar soms nog grote moeite kunnen hebben met de verdere consequenties van diezelfde liefde van God voor Zijn ganse schepping. Zoals we kunnen lezen in 2 Samuël 3 had David al een aantal zonen – en kreeg hij er nadien ook nog een flink aantal – maar de eerste zoon die David bij Batseba (betekenis: dochter van de eed, ofwel Goddelijke belofte) had verwekt was hem dus geboren om te sterven. Wat afschuwelijk! Toch was dit ook juist de weg die God met Zijn Eigen Zoon – Zijn voorgenomen Goddelijke Belofte – wilde gaan. Jezus, uit het geslacht van David, Die los van zonde en onschuldig was, was ons geboren om te sterven… een offer dat ons naar de mens gesproken net zo afschuwelijk in de oren kan klinken. ‘Maar waarom dan toch? Waarom moest die onschuldige Zoon van God als een Lam geslacht worden? Had God niet iets anders (lees: beters) kunnen bedenken…?!’ Het toppunt van verwarring is dan ook dat de vertalingen van onze Bijbel aangeven dat Jezus dit Zichzelf vlak voor Zijn dood ook nog zou hebben afgevraagd. Alsof Hij – de Zoon van God bij uitstek – niet zou weten waarvoor Hij in beginsel al op aarde gekomen was! ‘Omstreeks het negende uur riep Jezus met luider stem, zeggende: Eli, Eli, lama sabachtani? Dat is : Mijn God (letterlijk: Mijn AL), mijn God (mijn AL), waarom hebt Gij Mij verlaten (waartoe Gij mij verlaten hebt!)?’ (Matteüs 27 vers 46, NBG-vertaling) Jezus wist waartoe Hij door de Vader naar ons uitgezonden was: Hij was de vervulling van Gods belofte! Hij was Degene Die ons geboren was om te sterven! Heel Gods Woord getuigt ervan! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 259

‘We zouden het woordje “waarom” ook mogen vertalen met “waartoe”. Dan heeft de klacht ineens een heel andere betekenis! Jezus wist vóór Zijn geboorte als mens dat Hij moest gaan lijden en Hij wist ook waartoe dat moest gebeuren. Vandaar dat Hij met dankbaarheid kon vaststellen en het als het ware kon uitjubelen: “Het is volbracht!” (Johannes 19 vers 30).’1 ‘“Eli” is de Hebreeuwse vorm van “mijn AL” (Septuaginta: ho Theos moe). De tekst van de Septuaginta (de Griekse vertaling van de gehele destijds bekende Hebreeuwse Schrift die tussen circa 250 en 50 voor Christus werd gemaakt) heeft voor “lama” “hina” en bewijst daarmee de onjuistheid om het hier met “waarom” te vertalen. Wanneer Jezus de woorden uit Psalm 22 vers 2 – “Eli, Eli, lama azavtani” – in het Aramees aanhaalt, heeft Hij het tegen Theos, Degene Die alles op z’n plaats zet, de Plaatser. Hij geeft daarmee impliciet aan te weten dat Zijn lijden een doel heeft.’2 Mijn vader schreef over het woord ‘verlaten’ eens het volgende: ‘Door alles heen ervaarde ik dat het ergste lijden niet mijn ziekte was en alles wat daaromheen gebeurde, maar dat het veroorzaakt werd door het gevoel van verlaten zijn door God, de Vader. Na een lange tijd zocht ik het woord “verlaten” nog eens op en kwam toen tot een verrassende ontdekking: in het Grieks staat er “eg kata leipõ” wat eigenlijk niet de betekenis heeft van wat wij onder “verlaten” verstaan. Letterlijk is het: “in neer laten”. Je zou dus kunnen zeggen dat God, de Vader, mij met een bewust doel voor ogen “in deze situatie neergelaten heeft”.’3 Zo heeft God Zijn Zoon met een bewust doel voor ogen ‘neergelaten’. Door Zijn sterven heeft Hij niet alleen verzoening voor alle zonden tot stand gebracht, zoals we eerder konden lezen in 1 Johannes 4 vers 10, maar middels deze weg neemt Hij óók het ongeloof weg. ‘Zie, het lam Gods, dat de zonde der wereld (letterlijk: van het systeem, stelsel of geheel) wegneemt.’ (Johannes 1 vers 29, NBG-vertaling) 260 | EÉN VOOR ALLEN

‘Wanneer we nauwkeurig kijken naar deze tekst, dan valt op dat hier geen sprake is van “zonden”, maar van “zonde”. Geen meervoud, maar enkelvoud. Over welke specifieke zonde zou het gaan? Wat is “de zonde der wereld”? Daarover hoeven we niet te speculeren, want in ditzelfde Evangelie naar Johannes vinden we het antwoord: ‘En als Hij komt, zal Hij de wereld (letterlijk: het systeem, stelsel of geheel) overtuigen van zonde (…); van zonde, omdat zij in Mij niet geloven (…).’ (Johannes 16 vers 8 en 9, NBG-vertaling) “De zonde der wereld” verwijst naar één ding: ongeloof. En wat doet het Lam Gods daarmee? Hij neemt het weg! Laat u niet wijsmaken dat alle zonden kunnen worden weggenomen, behalve het ongeloof. Dan kent men het Lam Gods nog niet!’4 ‘Mijn AL, mijn AL, waartoe Gij mij verlaten hebt!’ riep Jezus krachtig in het Aramees. Hij was de vervulling van Gods belofte, Degene Die ons geboren was om te sterven. En wat is die zogenaamde vraagstelling – ‘(…) waarom hebt Gij Mij verlaten?’ – daar dan toch een slap aftreksel van. De Zoon onwaardig! Nu was het Aramees in die tijd wat het Engels voor onze huidige wereld is: de voertaal, die overal werd gesproken, als een verbindende factor. Maar liefst drie opeenvolgende grote rijken – het Assyrische, het Babylonische en het Mesopotamische rijk – hebben het Aramees als ‘officiële taal’ gehanteerd. Waar het Hebreeuws in die tijd de schrijftaal was van de Joodse geschriften die alleen toegankelijk waren voor een select groepje mensen zoals de Farizeeën, Sadduceeën en schriftgeleerden, daar stak het Aramees grenzen over en verbrak barrières tussen mensen uit alle lagen van de bevolking en uiteenlopende culturen. Het was daarom ook niet voor niets dat Jezus uitgerekend deze taal gebruikte om niet alleen de aanzegging van redding van alle mensen, maar ook de uiteindelijke redding van Gods ganse schepping kracht bij te zetten. God zal met dit offer alle barrières verbreken. Onze hemelse Vader zal alle barrières die de kosmos – het geheel, het ganse stelsel – ten aanzien van Zijn liefde kent buiten werking stellen! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 261

Op een gegeven ogenblik breekt voor ouders onherroepelijk het moment aan waarop ze hun kinderen zullen moeten loslaten. Dit betekent echter allerminst dat ze niet meer van hen zouden houden en maar lijdzaam zouden toezien wanneer hun kinderen zich in het verderf zouden storten… Wat voor een ouder zou je dan zijn? Hetzelfde geldt voor onze hemelse Vader. Wat voor een Vader zou Hij zijn als Hij uiteindelijk (een groot deel van) Zijn schepping aan het verderf ten onder zou laten gaan? Vooral omdat Hij het in Zijn macht heeft alles te veranderen tot Zijn welgevallen en nieuw te maken… zoals Hij bovendien ook beloofd heeft. Zou God, Die liefde is en liefde doet, de vernietiging voorhebben met het grootste deel van Zijn immense schepping…? Een absurde gedachte! ‘Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd (letterlijk: Daarom ook verhoogt God Hem uitermate) en Hem de naam boven alle naam geschonken (en schenkt Hem in genade de Naam die is boven alle naam), opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel (opdat in de Naam van Jezus alle knie buigt van de hemelingen) en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden (van harte belijdt): Jezus Christus is Here (Heer), tot eer (naar binnen in de heerlijkheid) van God, de Vader!’ (Filippenzen 2 vers 9-11, NBG-vertaling) ‘Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is; Opdat in den Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn. En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders.’ (Statenvertaling, Jongbloed-editie) Ook in de praktijk van ons dagelijks leven zal blijken dat onze zonden de vijanden van onze Heer veelvuldig zullen doen lasteren, zoals dat bij David het geval was (2 Samuël 12 vers 14). Dat is natuurlijk heel erg… maar hoe ging God daar vervolgens mee om in het leven van David? 262 | EÉN VOOR ALLEN

‘Jahweh heeft jouw zonde aan Zich doen voorbijgaan,’ was de boodschap die David van Natan te horen kreeg. En: ‘Je zult niet sterven!’ Beseffen we wat we hier lezen…?! Het bijzondere is dat God David hier al in genade – als door Zijn Zoon heen – aanzag, terwijl het offer van de Zoon nog in het verschiet lag! Er werd niet meer gekeken naar de zonden van David, er werd gekeken naar wat God deed met de zonde – het ongeloof – waar al deze missers uit waren voortgekomen. Door zijn hele zondige leven heen schonk God David de genade om het volgende heel diep te mogen gaan beseffen (Psalm 51 vers 3 tot en met 11 vanuit de grondtekst): Jahweh is genadig! Jahweh wist alle overtredingen uit! Jahweh wast volledig van slechtheid! Jahweh reinigt van zonde! Jahweh ontzondigt en maakt rein! Jahweh wast en doet witter dan sneeuw worden! Jahweh laat blijdschap en vreugde horen! Jahweh laat beenderen weer jubelen! Jahweh verbergt Zijn aangezicht voor de zonden! Jahweh wist alle slechtheden uit! Dat is toch geweldig?! Zo zie je maar weer dat het helemaal niet van een menselijke vrije keuze voor God afhangt, maar precies andersom: het hangt allemaal af van Gods vrije Goddelijke keuze voor ons! En zoals God degene uit wiens geslacht de Messias zou voortkomen deze genadevolle hartenkennis schonk terwijl de Zoon zelfs nog sterven moest, zo zal Hij deze waarheid ook aan jou en mij, en uiteindelijk aan ieder ander schepsel in Zijn schepping, bekendmaken. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 263

264 | EÉN VOOR ALLEN

HOOFDSTUK 11 VOLGENS ZIjN VOORNEmEN ‘Wij weten nu (letterlijk: wij nemen echter waar), dat [God] alle dingen doet medewerken ten goede (alles laat samenwerken naar binnen in goed) voor hen, die God liefhebben, die volgens (ook wel: in overeenstemming met) zijn voornemen geroepenen zijn. Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons (…)’ – ROMEINEN 8 vers 28 en 29, NBG-vertaling DWaaSHEID De geschiedenis van David en ‘het kind dat hem geboren was om te sterven’ leert ons dat God als Vader evengoed leed (ver)droeg om Zijn Zoon toen Hij deze lijdensweg met Hem ging. Dit klinkt ons menselijkerwijs echter absoluut niet logisch in de oren vanwege het feit dat wij er juist op ingesteld zijn niet te willen lijden. ‘Waarom zou God immers lijden als Hij Zelf bij machte is dit lijden te voorkomen…?!’ God, Die op volmaakte wijze liefheeft, ziet dit anders. Zijn onschuldige Zoon was in beginsel al verwekt om te sterven om hét leven voor Gods ganse schepping voort te brengen. Leven… uit Zijn dood! Bedenk wat Jezus zei over de graankorrel: ‘Voorwaar (letterlijk: Amen), voorwaar (amen), Ik zeg u, indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelf (alleen); maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort.’ (Johannes 12 vers 24, NBG-vertaling) EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 265

Vanuit onze menselijke natuur kunnen wij enorm tegen dit principe in opstand komen. Paulus schreef dan ook, aangaande het goede bericht dat hij ontving te verkondigen, dat het ‘dwaasheid was naar de mens’. ‘Immers, de Joden verlangen (letterlijk: verzoeken) tekenen en de Grieken zoeken wijsheid, doch wij prediken (kondigen als heraut af) een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot (inderdaad een strik), voor heidenen (natiën) een (echter) dwaasheid, maar voor hen, die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, (NBG: prediken wij) Christus, de kracht Gods en de wijsheid Gods.’ (1 Korintiërs 1 vers 22-24, NBG-vertaling) Juist omdat onze hemelse Vader liefde is… wilde Hij vrijwillig, en van harte, lijden voor Zijn schepping. Juist omdat onze hemelse Vader liefde is… wilde Hij dat Zijn Zoon een ‘aan het hout gehangene’ – een vervloekte – werd. Als Vader (ver)droeg God leed om het lijden van Zijn Zoon en – hoe onwaarschijnlijk dat naar onze maatstaven ook klinken mag – om de lijdensweg die de ganse schepping zal moeten gaan. Dat laatste klinkt ons menselijkerwijs wederom niet logisch in de oren. ‘Waarom zou God lijden in Zijn schepping toestaan als Hij bij machte is dit te voorkomen…?!’ We kunnen het antwoord op deze vraag vinden in Romeinen 11 vers 32: ‘Want God heeft hen allen onder ongehoorzaamheid besloten (letterlijk: het al tezamen ingesloten naar binnen in weerspannigheid), om Zich over hen allen te ontfermen (opdat Hij het al barmhartig, genadig, zou zijn).’ (NBG-vertaling) God heeft het al tezamen ingesloten naar binnen in weerspannigheid… opdat Hij het al barmhartig, genadig zou zijn! Dus nogmaals: Stel je eens voor dat God het mogelijk zou maken dat al Zijn schepselen op den duur de liefde voorop gingen stellen… hoe geweldig zou dat zijn? Als universele vijandschap werd omgezet in universele liefde, voor de Vader en de Zoon, en voor alle schepselen onderling? 266 | EÉN VOOR ALLEN

God heeft het al tezamen ingesloten naar binnen in weerspannigheid, wat een lijden is daar uit voortgekomen. Maar dit lijden was geen doel op zich. Lijden is omwille van het uitdelen van de heerlijkheid die er tegenover wordt gesteld. De hemelse Vader zal uiteindelijk maken dat iedere doelmisser zich – door lijden heen – zal gaan verheugen in wat Hij door Zijn Zoon bewerkstelligt. ‘Want rijkdom en eer komen van U, en Gij heerst (letterlijk ook wel: regeert) over alles (…)’ (1 Kronieken 29 vers 12, NBG-vertaling) ‘Nou, het spijt me, hoor… maar ik vraag mezelf ten zeerste af of God heerst en regeert over alles want als Hij almachtig is, dan zou dat toch wel moeten blijken hier op aarde, dacht ik zo.’ Het is een oud, maar welbekend kunstje. De tegenstander richt ons op wat er om ons heen gaande is in plaats van dat we gericht worden op de belofte van God, die wordt waargemaakt door middel van Zijn Zoon! De tegenstander grijpt het lijden in ons leven aan om een wig te drijven tussen ons menselijk innerlijk leven en de erkenning van de waarheid van Gods liefde. Dit gebeurde ook in de tijd dat God Mozes had uitgezonden om het volk uit Egypte te leiden, onder de macht van Farao vandaan. Veel Israëlieten konden er de waarheid van Gods liefde voor Zijn volk nog steeds niet in zien, twijfelden aan Gods belofte en mopperden heel wat af. Het was voor hen absoluut geen ‘pretje’ om onder slavernij gebukt te moeten gaan in Egypte, laat staan dat het een ‘pretje’ was om vervolgens nog te moeten wachten totdat God klaar was met het verharden van het hart van Farao. ‘Maar de HERE (IEUE, Jahweh) verhardde het hart van Farao, zodat hij hen niet wilde laten gaan.’ (Exodus 10 vers 27, NBG-vertaling) En daarna kwam de Farao het volk ook nog achterna… totdat ze in het nauw gedreven waren, met hun rug tegen de zee! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 267

‘Want het schriftwoord zegt tot Farao: Daartoe heb Ik u doen opstaan (letterlijk: deze uitverwekt), opdat Ik in u mijn kracht zou tonen (betonen) en mijn naam verbreid (en Mijn Naam verkondigd) zou worden (in alles) over de gehele aarde.’ (Romeinen 9 vers 17, NBG-vertaling) Dat lezen we echter liever niet over onze God: dat Hij in de verharding van Farao Zelf de hand heeft gehad (lees hierover meer in Exodus 4 vers 21, Exodus 7 vers 3 en 13, Exodus 8 vers 19 en Exodus 10 vers 1). De Schrift getuigt daarnaast: ‘Het hart van de koning is in de hand des Heren (IEUE, Jahweh) als waterbeken, Hij leidt het overal heen, waar het Hem behaagt.’ (Spreuken 21 vers 1, NBG-vertaling) Ook in Openbaring 17 vers 17 zien we dat terug (NBG-vertaling): ‘Want God heeft in hun hart gegeven zijn zin te volbrengen en dit eensgezind te doen en hun koningschap aan het (letterlijk: wilde) beest te geven, totdat de woorden Gods zullen voleindigd zijn.’ God leidt het hart van deze koningen waar het Hem behaagt, al schept Hij lang niet altijd behagen in de weg die Zijn schepselen daardoor moeten gaan! ‘Immers niet van harte verdrukt (letterlijk: verlaagt) en bedroeft (benauwt) Hij de mensenkinderen (de zonen van de mensheid).’ (Klaagliederen 3 vers 33, NBG-vertaling) ‘Want Hij plaagt of bedroeft des mensen kinderen niet van harte.’ (Statenvertaling, Jongbloed-editie) Zoals God Zijn weg ging met het Joodse volk ten tijde dat het door de woestijn zwierf op weg naar het beloofde land – en zoals Hij Zijn weg nog steeds met het Joodse volk gaat nu het opnieuw ‘te midden van de wildernis’ is neergezet – zo gaat Hij ook Zijn weg met jou en mij. Het leven kan ons soms zo bitter tegenvallen. Wat een lijdensweg! Misschien zitten we wel in het nauw, figuurlijk gesproken met onze rug tegen de muur… en dan is het zeker geen ‘pretje’ dat de tegenstander ons ook nog achterna komt om ons op te jagen. 268 | EÉN VOOR ALLEN

‘Lijden opdat God Zijn kracht in ons betoont en Zijn Naam verkondigt?! De mensen die dat bedacht hebben zijn niet goed wijs!’ zouden we dan schamper kunnen opmerken. God verlaagt en benauwt echter niet van harte… maar wil ons oprichten vanuit Zijn vermogen – en zeker wanneer we met onze rug tegen de muur staan en denken dat het enige wat ons nog rest ‘de ondergang’ zal zijn! ~ Onderonsje ~ Omdat mijn ouders opnieuw een aantal zaken te verwerken hadden gekregen met betrekking tot de ziekte van mijn vader (zie: dankwoord), hadden ze mij gevraagd een aantal telefoongesprekken voor hen waar te nemen. Zodoende belandde ik in een diepgaand gesprek met een dierbaar familielid over het lijden dat ieder van ons in dit leven kan meemaken. Mijn gesprekspartner aan de andere kant van de lijn, die we voor het gemak maar even Lex zullen noemen, zei op den duur dat ‘we waarschijnlijk nog moesten lijden omdat we hier op aarde nog wat te leren hadden, zou het niet…?’ Mede omdat deze opmerking in vragende zin werd gesteld, vertelde ik dat ik daar toch ietwat genuanceerder over dacht. Dat verbaasde hem enigszins, maar hij was wel benieuwd. ‘Het zou uiteraard wel zo zijn dat we hier op aarde nog wat te leren hadden als de Zoon Zelf nog wat te leren had gehad…’ stelde ik, Hebreeën 5 vers 8 in gedachte nemend, waar Lex mijns inziens aan refereerde. ‘(…) en zo heeft Hij, hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden (letterlijk: ervaarde…)’ (NBGvertaling) Vervolgens gaf ik echter aan dat het volgens mij meer zo was dat wij door het lijden dat op onze weg kwam meer zouden kunnen meevoelen met al het lijden in de ganse schepping, zelfs met de Zoon Die het lijden vrijwillig op Zich nam. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 269

‘Het lijden dat we in ons leven meemaken hoeft daarom niet per definitie op onszelf te slaan en op de dingen die we nog verkeerd deden,’ zei ik, ‘maar kan zoveel temeer met onze toekomst van doen hebben.’ Het bleef even stil aan de andere kant van de lijn, waarna Lex evenwel belangstellend vroeg hoe ik dat precies bedoelde. ‘Zoals Jezus hier op aarde lijden onderging om Zijn bediening als hogepriester naar de ordening van Melchisedek (Hebreeën 5) te kunnen vervullen,’ zei ik, ‘zo kunnen ook wij lijden in ons leven ondervinden vanwege de ons van God gegeven bediening in dit leven, maar juist ook omwille van onze bediening in de toekomst!’ Ik haalde Hebreeën 4 vers 15 aan: ‘Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medevoelen (letterlijk: sympathiseren, samen-emotiën) met onze zwakheden (ook wel: gebreken), maar een, die in alle dingen op gelijke wijze (NBG: als wij) is verzocht geweest (Een Die beproefd is in alles in gelijkheid), doch zonder te zondigen (los van zonde).’ (NBG-vertaling) ‘Nu kan onze bediening uiteraard niet in de schaduw staan van het ambt dat de Zoon van God bekleedt,’ gaf ik aan, ‘maar we zullen toch een lichaam ontvangen dat gelijkvormig zal zijn aan dat van de Zoon.’ ‘Want wij zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten, die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen.’ (Filippenzen 3 vers 20 en 21, NBG-vertaling) ‘Want ons domein behoort aan de hemelen toe, waaruit wij ook de Redder verwachten, de Heer Jezus Christus, die ons vernederd lichaam zal omzetten (ook wel: transformeren), gelijkvormig aan Zijn heerlijkheidslichaam in overeenstemming met de werkzaamheid die Hem zelfs in staat stelt het al aan Zichzelf te onderschikken.’ (Concordante Vertaling) 270 | EÉN VOOR ALLEN

‘Want met reikhalzend verlangen (letterlijk: voorgevoel) wacht de schepping op (is de schepping in afwachting van) het openbaar worden (het verwezenlijken van de onthulling) der zonen Gods.’ (Romeinen 8 vers 19, NBG-vertaling) Zoals eerder aangegeven: ‘Zonen Gods’ betreft zowel mannen als vrouwen: ‘Want allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods.’ (Romeinen 8 vers 14, NBG-vertaling) ‘Hoe zouden wij ooit andere schepselen op een God welgevallige wijze liefde en genade kunnen betonen, wanneer we niet zouden kunnen meevoelen met het lijden als de ganse schepping daar aan onderhevig is?’ vroeg ik en ik noemde tot slot nog een tekst uit Romeinen: ‘Want wij weten (letterlijk: hebben waargenomen), dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen (samen) zucht en in barensnood is (samen weeën heeft). En niet alleen zij, maar (echter) ook wij zelf, [wij,] die de Geest als eerste gave (eersteling) ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van (wachten op) het zoonschap: de verlossing (vrijkoping) van ons lichaam.’ (Romeinen 8 vers 22 en 23, NBG-vertaling) ‘Op zo’n manier heb ik het lijden hier op aarde inderdaad nog niet eerder bekeken,’ gaf Lex aan. ‘Zou je datgene wat je hebt gezegd nog eens kort samengevat voor mij willen herhalen zodat ik hier voor mezelf even een notitie van kan maken? En hoe ben je hier eigenlijk allemaal op gekomen?’ Hoe ik hierop gekomen was? Natuurlijk was dat niet aan mijzelf te danken geweest, maar aan God. Ik was daarnaast gewend veel voor mezelf met geestelijke zaken bezig te zijn omdat ik tijdenlang de luxe ontbeerde iemand naast me te hebben die dit samen met mij of voor mij deed. Door de fysieke beperkingen die in mijn leven speelden had ik bovendien meer tijd gehad om mij uitgebreid in zaken als deze te verdiepen. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 271

Ik vertelde Lex dat ik persoonlijk veel met het onderwerp ‘lijden’ geworsteld had. Mijn vader had overigens een boek geschreven over het lijden – wat Lex, als dierbaar familielid, uiteraard wist – en naar aanleiding van dat boek had ik vele gesprekken met mijn vader over dit onderwerp gevoerd. Kortom: het lijden was aan mijn deur zeer zeker niet voorbijgegaan. Alle ellende in de wereld daarnaast in ogenschouw genomen – en dan hebben we het nog niet eens over de ganse schepping die samen zucht en samen weeën heeft – leek het me veel te kort door de bocht om het lijden alleen maar op onszelf en onze persoonlijke handel en wandel te betrekken. Het is uiteraard geweldig wanneer Gods geestelijke zingeving aan het lijden al zichtbaar mag worden in dit aardse bestaan – en van deze zegening heeft God mij deelgenoot gemaakt – maar er zijn legio mensen die er in dit leven helemaal niet achter zullen komen waartoe zij lijden moesten. Zodoende moest het zijn gekomen dat mijn gedachten uiteindelijk in deze richting waren geleid. Omdat ik het onderwerp ‘lijden’ in het boek van mijn vader niet op deze wijze belicht had gezien, had ik er voor mijzelf een studie van gemaakt. Vanwege de ziekte van mijn vader had ik echter nog geen geschikt moment gevonden om deze nieuwe bevindingen met hem te kunnen delen. Lex stond er van te kijken. ‘In ieder geval ga ik dit zeker nog eens in overweging nemen!’ sloot hij het gesprek af. Enige tijd nadien vernam ik dat dit bijzonder uitvoerige gesprek Lex inderdaad op een ander spoor had gezet. Hij had over deze bij hem veranderde gedachtegang inmiddels weer allerlei andere mensen – waaronder ook mijn vader – benaderd. Zo kwam het dan ook dat mijn vader op een van de laatste goede dagen van zijn leven waarin hij de kracht nog had gevonden zichzelf uitgebreid in dergelijke zaken te verdiepen, zelf eveneens een bijzonder uitvoerig gesprek met Lex voerde. Een gesprek waarin Lex de korte samenvatting die ik hem had mogen geven prachtig uitgewerkt voor mijn vader uiteen heeft gezet. 272 | EÉN VOOR ALLEN

Ten gevolge hiervan was deze bemoedigende gedachte uiteindelijk dan toch nog op tijd bij mijn vader terechtgekomen, precies op het moment dat God daar Zelf ‘geschikt’ voor achtte! — Onze hemelse Vader zal Zijn kracht in ons betonen. Hij zal Zijn Naam aan alle harten verkondigen… en dat doet Hij – ook al vinden wij dat als mensen onaanvaardbaar – door het lijden van de ganse schepping, inclusief het lijden van de Zoon Zelf, heen. Lijden is geen doel op zich. Lijden is omwille van het uitdelen van de heerlijkheid die er tegenover wordt gesteld. De hemelse Vader zal uiteindelijk maken dat iedere doelmisser zich – door lijden heen – zal gaan verheugen in wat Hij door Zijn Zoon bewerkstelligt. Voor diegenen die ‘het burgerschap in de hemelen toebehoren’ – zij die de Geest als eersteling ontvangen hebben en die, ten gevolge daarvan, van Christus zijn bij Zijn komst – houdt dat in dat hun vernederde lichaam op dat moment al gelijkvormig zal worden gemaakt aan Zijn heerlijkheidslichaam. Wanneer wij ons uitstrekken naar de geweldige heerlijkheid die ons als eerstelingen van de ganse schepping te wachten staat, zullen we echter eveneens moeten weten wat lijden inhoudt. Want wij hebben waargenomen, dat tot nu toe de ganse schepping samen zucht en samen weeën heeft. En niet alleen zij, echter ook wij zelf, die de Geest als eersteling ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in het wachten op het zoonschap: de vrijkoping van ons lichaam. Want met voorgevoel is de schepping in afwachting van het verwezenlijken van de onthulling der zonen Gods. Want ons domein behoort aan de hemelen toe, waaruit wij ook de Redder verwachten, de Heer Jezus Christus, die ons vernederd lichaam zal omzetten, gelijkvormig aan Zijn heerlijkheidslichaam in overeenstemming met de werkzaamheid die Hem zelfs in staat stelt het al aan Zichzelf te onderschikken. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 273

Hoe kunnen wij andere schepselen op een God welgevallige wijze liefde en genade betonen wanneer we niet zouden kunnen meevoelen met het lijden als de ganse schepping daar aan onderhevig is? Zoals Jezus hier op aarde lijden onderging om Zijn bediening als hogepriester naar de ordening van Melchisedek te kunnen vervullen, zo kunnen ook wij lijden in ons leven ondervinden vanwege de ons van God gegeven bediening in dit leven, maar juist ook omwille van onze bediening in de toekomst. HET TOONBEELD De tekst in Hebreeën 4 vers 15 geeft aan dat de Zoon van God beproefd is in alles in gelijkheid, los van zonde. ‘Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medevoelen (letterlijk: sympathiseren, samen-emotiën) met onze zwakheden (ook wel: gebreken), maar een, die in alle dingen op gelijke wijze (NBG: als wij) is verzocht geweest (Een Die beproefd is in alles in gelijkheid), doch zonder te zondigen (los van zonde).’ (NBG-vertaling) De nadruk ligt bij dit vers niet op het gegeven dat Jezus in tegenstelling tot ons los van zonde was, maar op het feit dat Hij in gelijkheid beproefd is geweest. Dit benadrukt het feit dat Hij niet tegenover ons staat, maar juist naast ons is komen te staan: sámen. De Zoon van God is een hogepriester die kan sympathiseren, samen-emotiën, met onze zwakheden en gebreken… en dat is geweldig! De Heer voelt met je mee, Hij sympathiseert met je zwakheden. Hij beleeft iedere emotie samen met jou en is in gelijkheid, net als jij, beproefd geweest in alle dingen. 274 | EÉN VOOR ALLEN

Je mag daarom met vrijmoedigheid dichterbij komen tot de troon van Gods genade, om barmhartigheid van je hemelse Vader te ontvangen, genade te vinden en wenselijke hulp te verkrijgen! We lazen eerder in Hebreeën 5 vers 8: ‘(…) en zo heeft Hij, hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden (letterlijk: ervaarde…)’ (NBG-vertaling) ‘Hij kan tegemoetkomend zijn jegens de onwetenden en (letterlijk: af) dwalenden, daar hij ook zelf met zwakheid omvangen is (wordt omringd…)’ (Hebreeën 5 vers 2, NBG-vertaling) We staan er normaliter niet zo bij stil, omdat we de neiging vertonen in hoofdzaak te kijken naar de fysieke lijdensweg die de Zoon heeft moeten gaan om Gods bedoeling met de schepping te kunnen verwezenlijken, maar waar de Zoon gehoorzaamheid heeft geleerd uit fysiek lijden, daar heeft Hij dat ook geleerd uit mentaal lijden. Jezus heeft gehoorzaamheid geleerd uit fysieke en mentale ervaringen en daardoor begrijpt Hij ons, mensen, ook zo goed. Feitelijk draaide het bij het offer dat Hij bracht juist om de innerlijke gesteldheid van de Zoon, omdat wij allemaal door en uit het geloof van de Zoon gerechtvaardigd zijn! We lezen in Galaten 2 vers 16 vanuit de Statenvertaling (Jongbloed-editie): ‘Doch wetende, dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der wet, maar door het geloof van Jezus Christus, zo hebben wij ook in Christus Jezus geloofd, opdat wij zouden gerechtvaardigd worden uit het geloof van Christus, en niet uit de werken der wet; daarom dat uit de werken der wet geen vlees zal gerechtvaardigd worden.’ ‘Wij (…) weten echter, dat een mens niet gerechtvaardigd wordt uit werken van de wet, maar alleen door het geloof van Christus Jezus. En wíj geloven in Christus Jezus, opdat wij gerechtvaardigd zouden worden uit het EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 275

geloof van Christus en niet uit werken van de wet, omdat uit werken van de wet totaal geen vlees gerechtvaardigd zal worden.’ (Concordante Vertaling) Een doelmisser wordt gerechtvaardigd door het geloof van de Zoon! Uit het geloof van Christus! Een mens kan niet gerechtvaardigd worden uit iets ‘van zichzelf’, God brengt het door het geloof van de Zoon tot stand in ons. Wanneer wij geloven is dat een gave van God; Hij zag aan de zonde – het ongeloof – voorbij en opende ons hart voor de erkenning van de waarheid. ‘Je bent gerechtvaardigd door geloof. God rekent je Zijn gerechtigheid toe door geloof. Maar… is het geloof dan een stukje eigen werk? Een voorwaarde waar je aan moet voldoen? Romeinen 4 vers 16 zegt: “Daarom is het (NBG: alles) uit geloof, opdat het (letterlijk: in overeenstemming) zou zijn naar (met) genade (…)” Het geloof stemt overeen met genade! Als je gelooft, is dat geen prestatie waarvoor God je zou moeten belonen. God rechtvaardigt niet op basis van ons eigen geloof. Was dat wel zo, dan zouden wij dat in rekening kunnen brengen.’1 ‘Zulk een vertrouwen hebben wij door Christus op God (letterlijk: naar God toe, God-waarts). Niet dat wij uit onszelf bekwaam zijn iets als óns werk in rekening te brengen, maar onze bekwaamheid is Gods werk (uit God…)’ (2 Korintiërs 3 vers 4 en 5, NBG-vertaling) Natuurlijk kunnen wij kiezen voor God en dat is geweldig! Maar dat gebeurt alleen doordat Gód deze keuze in ons hart heeft bewerkstelligd. ‘Ons geloof in Christus Jezus’ is, als naderingsgave van God, een voortvloeisel uit het volmaakte geloof van de Zoon. Zo vertelde een spreker eens over de geschiedenis van David en Goliath, waarover we kunnen lezen in 1 Samuël 17. De geschiedenis van David en Goliath samengevat naar de Nieuwe Bijbelvertaling: 276 | EÉN VOOR ALLEN

De Filistijnen bereidden een oorlog voor. Saul riep het leger van Israël op en stelde het op tegenover de Filistijnen. Uit de gelederen van de Filistijnen trad een kampvechter, een zekere Goliat van ruim zes el lang, naar voren. Deze riep de Israëlieten toe: ‘Waarom zouden jullie optrekken en strijd leveren? Ik ben een vrije Filistijn, en jullie zijn maar slaven van Saul! Kies iemand uit jullie midden en laat hem hier beneden komen. Als hij mij verslaat dan zullen wij aan jullie onderworpen zijn, maar als ik hem versla dan zullen jullie aan ons onderworpen zijn en ons als slaven dienen. Hierbij daag ik het leger van Israël uit om iemand te sturen met wie ik een tweegevecht kan houden.’ Bij het horen van deze woorden stonden Saul en het leger van Israël verlamd van schrik. Bij het zien van Goliat renden de Israëlieten angstig weg. David hoorde Goliat de Israëlieten uitdagen en vroeg aan verschillende soldaten: ‘Wat gebeurt er met degene die die Filistijn daar verslaat en Israël van deze schade bevrijdt?’ Het vragen van David bleef niet onopgemerkt, waarop Saul hem bij zich liet komen. David zei tegen Saul: ‘We hoeven om die Filistijn de moed niet te verliezen, heer. Ik zal het gevecht wel met hem aangaan.’ ‘Maar jij kunt hem toch onmogelijk aan,’ wierp Saul tegen. ‘Je bent nog maar een jongen en hij is al van jongs af aan geoefend in het vechten.’ ‘Ik heb altijd de kudde van mijn vader gehoed,’ antwoordde David. ‘Leeuwen en beren heb ik verslagen en die onbesneden Filistijn zal het net zo vergaan, omdat hij de gelederen van de levende God heeft beschimpt! De Heer Die me gered heeft uit de klauwen van leeuwen en beren zal mij ook redden uit de handen van deze Filistijn!’ ‘Ga dan maar,’ stemde Saul toe, ‘en moge de Heer je bijstaan.’ David pakte zijn stok, zocht vijf ronde stenen uit de rivierbedding, stopte die in zijn herderstas en liep op de Filistijn af, met zijn slinger in zijn hand. De Filistijn nam David geringschattend op en zei: ‘Ben ik soms een hond, dat je met een stok op me afkomt?’ en hij vervloekte David in de naam van zijn goden. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 277

‘Jij daagt me uit met je zwaard en je lans en je kromzwaard,’ antwoordde David, ‘maar ik daag jou uit in de Naam van de Heer van de hemelse machten, de God van de gelederen van Israël, die jij hebt beschimpt. Maar vandaag zal de Heer je aan mij uitleveren. Dan zal iedereen hier beseffen dat de Heer geen zwaard of lans nodig heeft om te overwinnen, want Hij is Degene Die de uitslag van de strijd bepaalt en Hij zal jullie aan ons uitleveren.’ Toen kwam de Filistijn op David af en wilde tot de aanval overgaan, maar David was hem te snel af. Hij rende hem tegemoet, stak zijn hand in zijn tas en haalde er een steen uit, slingerde die weg en trof de Filistijn zo hard tegen het voorhoofd dat de steen naar binnen drong en de Filistijn voorover stortte. Zo overwon David de Filistijn met een slinger en een steen; hij trof hem dodelijk zonder dat hij daar een zwaard bij nodig had. De vraag die de spreker hierop stelde was de volgende: ‘Door wiens geloof werden de Israëlieten gered: door hun eigen geloof of door het geloof van David?’ De spreker concludeerde tot slot: ‘Feit is dat het volk al in de vluchthouding stond, voor het geval Goliat zou winnen… en dat is wat ons, hedendaagse gelovigen, nog steeds parten speelt. Wij staan nog steeds “in de vluchthouding” omdat we het van ons persoonlijk geloof en ons persoonlijk vertrouwen in God verwachten. Deze kunnen ons nooit de gewenste zekerheid bieden.’ De Zoon van God is een hogepriester die kan sympathiseren, samenemotiën, met onze zwakheden en gebreken. Hij kan tegemoetkomend zijn ten opzichte van onwetenden en afdwalenden… en zijn wij dat, naar de oude mens, niet allemaal? We worden pas ‘zeker van Gods zaak’ wanneer we gaan beseffen dat het allemaal draait om het volmaakte geloof van de Zoon! ‘Vrees voor mensen spant een strik, maar wie op de HERE (letterlijk: in IEUE, Jahweh) vertrouwt, is onaantastbaar (veilig).’ (Spreuken 29 vers 25, NBG-vertaling) 278 | EÉN VOOR ALLEN

Het is dan ook niet verwonderlijk dat juist het innerlijk van de Zoon onder ongekende druk kwam te staan, beproefd werd en door God welgevallig werd bevonden alvorens Hij de weg van het Offerlam kon gaan. Jezus kon op volmaakte wijze liefde en genade betonen waar wij nog weleens een steek(je) laten vallen. Wij zijn geneigd heel anders tegen zwakheden, gebreken, onwetenden en afdwalenden aan te kijken, en – belangrijker nog – wij zijn geneigd heel anders met deze mensen om te gaan. Het begint er immers al mee dat wij het lijden dat ons hierom eveneens te beurt kan vallen vanuit de mens in het geheel niet plaatsen kunnen. ‘Want aan jullie is de genade geschonken, voor Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden, dezelfde worsteling hebbend die jullie in mij zien en nu over mij horen.’ (Filippenzen 1 vers 29, Concordante Vertaling) Nu kunnen wij in dit leven aan bepaalde liefdadigheidsinstellingen bijdragen of deelnemen om het lijden van onze medemens enigszins te verzachten; dat is uiteraard schitterend werk. Maar waar onze Redder en Heer het lijden van de ganse schepping totaal kan invoelen, daar hebben wij ieder onze persoonlijke grenzen met betrekking tot – onder andere – dat invoelingsvermogen. Deze menselijke handicap is voor God geen verrassing en is bovendien ook nodig, want stel je voor dat wij al het lijden in de schepping allemaal op onze schouders zouden moeten meetorsen?! Nu is er echter een andere manier van ‘medelijdend mededogen’ aan ons spectrum toegevoegd: gewone mensen zoals jij en ik, die de Geest als eersteling ontvangen hebben, kunnen het vermogen ontvangen om op een God welgevallige geestelijke wijze mee te lijden met de rest van Gods schepping die nog vrijgemaakt moet worden. ‘Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen (letterlijk: aan ijdelheid ondergeschikt), niet vrijwillig, maar om (NBG: de wil van) Hem (vanwege de Onderschikker), die haar daaraan onderworpen (ondergeschikt) heeft, in hope (op verwachting) echter, omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 279

(vrijgemaakt zal worden vanaf de slavernij van het verderf) tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods (naar binnen in de vrijheid van de heerlijkheid van de uit God voortgebrachten).’ (Romeinen 8 vers 20 en 21, NBG-vertaling) De schepping is aan ijdelheid ondergeschikt, niet vrijwillig, maar vanwege de Onderschikker, Die haar daaraan ondergeschikt heeft. Op verwachting, omdat ook de schepping zelf vrij gemaakt zal worden vanaf de slavernij van het verderf naar binnen in de vrijheid van de heerlijkheid van de uit God voortgebrachten. De schepping is met voorgevoel in afwachting van het verwezenlijken van de onthulling van de zonen van God. Degenen die de eersteling van de Geest nu al ontvangen hebben, kunnen ook de genade ontvangen om nu al op een God welgevallige geestelijke wijze mee te lijden met de ganse schepping die nog vrijgemaakt moet worden. Dit om vanuit Gods vermogen ‘samen te emotiën’ met de schepping, door op een God welgevallige geestelijke wijze sympathie op te brengen voor de zwakheden en gebreken van anderen, zodat uiteindelijk ook die ander met vrijmoedigheid zal kunnen naderen tot de troon van Gods genade. Hoe kunnen we in de komende tijdperken, wanneer we onze toekomstige bediening zijn ingegaan, Gods genade betonen aan andersoortige schepselen wanneer we niet hebben geleerd wat lichamelijk, psychisch en geestelijk (mede)lijden is? Wanneer we hierin niet zouden gelijken op de Zoon Die ons daarin is voorgegaan? Wanneer we niet dezelfde gezindheid zouden ontvangen als de Vader en de Zoon, Die aan Zichzelf voorbij zagen? Het Toonbeeld van de Vader – de Zoon – laat zien dat in de liefde, lijden en mede-lijden een centrale rol spelen. Laten we echter niet de vergissing maken te menen dat hiermee bedoeld wordt dat we op een menselijke 280 | EÉN VOOR ALLEN

wijze ‘sympathie zouden moeten opbrengen’ voor allerhande goddeloze zaken, misstanden en wanpraktijken en op een menselijke wijze ‘genegenheid zouden moeten gevoelen’ voor (zware) geweldplegers. Zoals eerder aangegeven: ‘Leven vanuit de vreugde van Zijn redding’ houdt in dat we leven vanuit de erkenning van de waarheid dat God Zijn ganse schepping vrijpleit. Dit houdt echter niet in dat we alles maar met ‘de mantel der liefde’ moeten bedekken. Het komt er geestelijk gezien veel meer op aan of we, vanuit een ontvangen groeiende vertrouwensrelatie met onze hemelse Vader, ons leven leren aanvaarden uit Gods hand. Zoals iemand die mij zeer na staat eens aangaf: ‘Waar “loslaten” op een menselijke wijze nog steeds naar beneden is gericht, daar is “aanvaarden uit Gods hand” naar boven – naar God toe – gericht.’ De Schepper van het gans heelal, de Schepper van alles – het zichtbare en het onzichtbare –, verschuilt Zich niet achter het schepsel. ‘Hij ontfermt Zich dus (letterlijk: Hij is barmhartig) over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil. (Romeinen 9 vers 18, NBG-vertaling) Dit lezen we echter liever niet over onze God: dat God in de verharding van mensen Zelf de hand heeft. Vanuit de oude mens luisteren wij van nature naar wat de vader van de leugen ons te zeggen heeft. Wij volgen de tegenstander na door in opstand te komen tegen de rangschikking of ordening die de Vader van de waarheid heeft bepaald. ‘Kom nou toch even, zeg! We zijn toch zeker niet afhankelijk van God?!’ De mens denkt zelf te kunnen bepalen of hij zich ‘al dan niet verharden zal’. Dat is toch zeker onze eigen vrije keuze?! Deuteronomium 32 vers 39 vertelt ons echter (NBG-vertaling): ‘Ziet nu, dat Ik, Ik het ben, daar is geen God, behalve Mij. Ik dood en doe herleven, Ik verbrijzel en Ik genees, en niemand is er die redt uit mijn macht.’ EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 281

‘Doden en herleven’ zowel als ‘verbrijzelen en genezen’ gaan niet alleen in letterlijke zin op, maar ook in figuurlijke zin; ze gaan niet alleen op voor onze uiterlijke omstandigheden, maar zeker voor onze innerlijke omstandigheid. De Schepper van het gans heelal verschuilt Zich niet achter het schepsel, maar dat God in het scheppen van de tegenstander – en alles wat met hem samenhangt – Zelf de hand heeft gehad, willen we al helemaal niet weten. ‘Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene der ganse schepping, want in Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; en Hij is vóór alles en alle dingen hebben hun bestaan in Hem (…)’ (Kolossenzen 1 vers 15-17, NBG-vertaling) Concordante Vertaling: ‘Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene (letterlijk: voorst-voortgebrachte) van heel de schepping, want in Hem is het al geschapen, wat in de hemelen en wat op de aarde is, het zichtbare en het onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij soevereiniteiten, hetzij volmachten; het al is door Hem en tot (naar binnen in) Hem geschapen en Híj is voor alles en het al heeft zijn samenhang in Hem.’ Het kan voor ons, mensen, onbegrijpelijk en onrechtvaardig lijken, maar de tegenstander is een instrument in Gods hand, zoals ook de mens een instrument in Zijn hand is. Zijns is de dwalende, en die doet dwalen. Ik ben het ook, die de vernietiger geschapen heb om schade toe te brengen. ‘Komt niet uit de mond des Allerhoogsten het kwade en het goede?’ (Klaagliederen 3 vers 38, NBG-vertaling) ‘(…) zouden wij het goede van God aannemen en het kwade niet?’ (Job 2 vers 10, NBG-vertaling) 282 | EÉN VOOR ALLEN

Ons probleem is dat we proberen Gods onmetelijke liefde voor de schepping vanuit onze menselijke psyche te begrijpen. ‘Waarom is toch al dat lijden in de wereld? Waarom grijpt God niet in?’ Dit zijn legitieme vragen voor de mens. ‘Hoe kan het zijn dat God de tegenstander duizend jaar gebonden houdt, zoals we eerder lazen in Openbaring 20 vers 1 tot en met 3? Waarom doet Hij dat nu dan al niet? Dat zou toch een hoop ellende schelen! Trouwens… dat zal dan wel “erg gemakkelijk geloven zijn”, zeg, wanneer de tegenstander duizend jaar gebonden is. Koud kunstje! De mensen die dan leven zullen in ieder geval lang niet zo veel hun best hoeven doen. Is dat eigenlijk wel zo eerlijk ten opzichte van al die mensen die vóór hen hebben geleefd, te beginnen bij Adam en Eva…?!’ SamENWERkEN Onze hemelse Vader bedekt onze wonden niet, maar laat onze wonden van binnenuit helen. Dit wil niet zeggen dat er geen wonden meer zullen zijn of dat we geen verdriet meer zouden hebben, maar God verandert ons hart zodanig dat het menselijk ondraaglijke draaglijk wordt gemaakt door Zijn kracht. God maakt het mogelijk dat we daarin de actiefste en effectiefste kracht die er maar bestaat gaan ervaren: de kracht van Zijn liefde. Het is een heling naar geestelijke maatstaven, die ons op de Zoon doet zien, de Zoon Die ons van God is geworden: wijsheid, gerechtigheid, heiliging en vrijkoping. ‘Maar uit Hem is het, dat gij in Christus Jezus zijt, die ons van God is geworden: wijsheid, rechtvaardigheid (letterlijk: gerechtigheid), heiliging en verlossing (vrijkoping), opdat het zij, gelijk geschreven staat: Wie (zich be)roemt, (be)roeme (zich) in de Here (Heer).’ (1 Korintiërs 1 vers 30 en 31, NBG-vertaling) Wanneer we echter de maatstaf van het geloof, dat God Zelf aan mensen toebedeelt, niet bij onszelf of bij anderen erkennen, dan kunnen we al EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 283

snel verstrikt raken in een denkpatroon dat gericht is op ‘zelf moeten leren loslaten’. Dit gaat echter niet uit van de liefde van God, maar forceert. Opnieuw: Het komt er, geestelijk gezien, veel meer op aan of we – vanuit een ontvangen vertrouwensrelatie met onze hemelse Vader – ons leven hebben leren aanvaarden uit Gods hand. ‘Wij weten nu (letterlijk: wij nemen echter waar), dat [God] alle dingen doet medewerken ten goede (alles laat samenwerken naar binnen in goed) voor hen, die God liefhebben, die volgens (ook wel: in overeenstemming met) zijn voornemen geroepenen zijn. Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons (…)’ (Romeinen 8 vers 28 en 29, NBG-vertaling) Om te beginnen hebben wij Gods vertroosting hierin hard nodig. Vanuit de mens zullen wij nooit kunnen begrijpen hoe God alles laat samenwerken ten goede voor degenen die Hem liefhebben. Het kan voor ons, mensen, bijzonder lastig zijn te aanvaarden dat alle tegenwerkende krachten en machten zijn aangesteld van Godswege: soevereiniteiten, gevolmachtigden en wereldmachten van de duisternis en spirituele machten van de boosheid te midden van de hemelingen (zoals we daar vanuit de Concordante Vertaling over lazen in Efeziërs 6 vers 10 tot en met 12). Laten we, met betrekking tot dit Bijbelgedeelte, eerst helder stellen dat God er niet op uit is om op een menselijke wijze ‘iets goeds uit iets slechts te laten voortkomen’. Het gaat hier om samenwerken en dat is heel wat anders! Hoe zouden wij bijvoorbeeld ooit kunnen begrijpen wat de zin zou zijn van al die ellende in de wereld? Wat voor ‘goeds’ kan daar nou menselijkerwijs uit voortkomen?! Nee… we zien hier logischerwijs het nut niet van in en laten we wel wezen: sommige dingen zijn zo erg dat we niet eens zouden wíllen weten dat er nog enig goeds uit zou kunnen voortkomen. ‘Laatst weer; ik hoorde bij het nieuws op televisie dat een man zomaar in het wilde weg begon te schieten… En dan die andere man, die zijn ex-vrouw en zijn kinderen heeft afgeslacht!’ Wanneer we voor al deze gebeurtenissen een menselijke verklaring zoeken, dan lopen we daar gegarandeerd op vast. En als we Gods geestelijke 284 | EÉN VOOR ALLEN

zingeving met betrekking tot dergelijke zaken op een menselijke manier willen kunnen begrijpen, dan komen we er eveneens niet uit. Als we lezen dat God de vernietiger heeft ingezet om schade toe te brengen, dan verandert ons hele Godsbeeld en dat kan ons in eerste instantie in verwarring brengen en behoorlijk boos maken – en dat is dan misschien nog zacht uitgedrukt. Laten we, voordat we hier verder over nadenken, eerst eens lezen waarvan Daniël getuigde in Daniël 2 vers 20 en 21 (NBG-vertaling): ‘(…) want Hem behoort de wijsheid en de kracht! Hij toch verandert tijden en stonden (letterlijk ook wel: seizoenen), Hij zet koningen af en stelt koningen aan (…)’ Hier kunnen we eveneens tegen in opstand komen. ‘O, dus God zet koningen af en stelt koningen aan?! Nou… dan heeft Hij nog heel wat goed te maken, hoor Daniël!’ Dergelijke uitspraken druisen dwars tegen ons menselijke (lees: wenselijke) idee van ‘wat God zou moeten zijn’ in. Dat God goede koningen aanstelt, oké… maar slechte?! En wanneer we dan voorafgaand aan ‘Zijns is de dwalende, en die doet dwalen’ lezen: ‘Bij Hem is kracht en wijsheid’ (Job 12 vers 16, Statenvertaling, Jongbloed-editie), dan kunnen we vanuit de menslijke gedachtegang toch grote vraagtekens zetten bij de mate van wijsheid aangaande dit besluit. Of we halen onze schouders erover op en denken: ‘Ouderwetse ideeën, joh! Niet meer van deze tijd.’ Als mensen willen we dit niet horen omdat het absoluut niet overeenkomt met ons menselijke idee van rechtvaardigheid en veiligheid. We kunnen hier vreselijk van gaan steigeren, weet ik uit persoonlijke ondervinding. We vergeten zo gemakkelijk dat de Zoon van God Zelf onder de erbarmelijkste omstandigheden geen moment aan de liefde van Zijn Vader heeft getwijfeld! De instrumenten van de duisternis zijn niet zomaar voortgebracht, om God eenvoudigweg ‘te entertainen’ – zoals wij bijvoorbeeld naar de een of andere slechte B-keuze film met veel geweld zouden kunnen kijken. Als mensen betrekken we dergelijke informatie echter meteen op de omstandigheden waarin wij of andere mensen verkeren, in plaats van het te EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 285

plaatsen in een veel groter verband. Want wat betekent dit geestelijke gegeven nu eigenlijk voor de relatie tussen de Schepper en Zijn schepselen? Laten we onszelf daarom eerst eens afvragen wat het zou betekenen wanneer God niet de Schepper zou zijn van de tegenstander en alles wat met hem samenhangt. Dan zou Hij dus niet de Schepper van het al zijn en dat zou dwars tegen alles wat Zijn Woord ons leert ingaan. Waar de Zoon van God ervan getuigde in volledige afhankelijkheid van Zijn Vader te handelen, daar zou de tegenstander – als enige binnen de ganse schepping – onafhankelijk kunnen opereren?! Welnee! De tegenstander doet ons dat natuurlijk graag geloven… maar hij zou wel willen dat hij zo veel macht had. In dat geval zou de tegenstander God blijken te zijn! We kunnen hem beter zien als een vals dier dat het hem toegewezen territorium geestdriftig bewaakt. Wanneer de Vader en de Zoon geen absolute zeggenschap zouden hebben over de tegenstander en alle soevereiniteiten en krachten van de duisternis die met hem samenhangen, dan hadden zij hen immers ook nooit bevelen kunnen geven. ‘En de HERE (IEUE, Jahweh) zeide tot de satan (letterlijk: de tegenstander): Zie, al wat hij bezit, zij in uw macht; alleen tegen hemzelf zult gij uw hand niet uitstrekken. Toen ging de satan van des HEREN aangezicht heen.’ (Job 1 vers 12, NBG-vertaling) ‘En toen Jezus zag, dat de schare samenstroomde, bestrafte Hij de onreine geest en zeide tot hem: Gij, stomme (letterlijk: sprakeloze) en dove (doofstomme) geest, Ik beveel u: ga van hem uit en kom niet meer in hem.’ (Marcus 9 vers 25, NBG-vertaling) Kortom: De tegenstander en zijn medestanders hadden het eerste woord niet… en zullen ook zeker het laatste woord niet hebben! De tegenstander zit niet te wachten op een goed bericht dat zijn strategieën zou verijdelen en zijn vermogens zou ontkrachten. Hij is geschapen om te misleiden, schade toe te brengen en te vernietigen, en houdt de schepselen die onder zijn hoede zijn gesteld liever onwetend. Voor de tegenstander en zijn kornuiten is het nu eenmaal beter wanneer de mensen Gods waarheid al bij voorbaat zouden verafschuwen… en daarom zet 286 | EÉN VOOR ALLEN

hij er nog maar eens stevig zijn tanden in: flink schudden en het goede bericht is onleesbaar geworden. Hij wil zijn kaken laten zegevieren over de boodschap van Gods wederzijdse verzoening van het al. Zo! Door elkaar geworpen! Het ziet er niet meer uit! Gelukt! Als er nu nog mensen zijn die hun oog er op laten vallen dan denken ze vast: ‘Maar dat kan dé waarheid toch niet zijn…? Zo kan God het toch nooit bedoeld hebben?!’ Nee, dat brengt dan toch nét even te veel opschudding teweeg in ons ‘o, zo vredige bestaan’. Laat maar liggen die boodschap, want God zou toch nooit toestaan dat een vals dier Zijn boodschap zo zou behandelen…?! Dat Hij Zijn Zoon – het levende Woord – tot een vloek heeft laten maken doet bij ons nog geen alarmbellen rinkelen. Dat zijn discipelen werden vervolgd en vermoord ook niet. Dat de apostel Paulus het maar ternauwernood overleefde evenmin… Wanneer we deze vergelijking doortrekken naar het goede bericht van Gods alverzoening: het bericht dat ‘God in Christus, de wereld (letterlijk: het systeem, stelsel of geheel) met Zichzelf verzoenende was, door hun hun overtredingen (krenkingen) niet toe te rekenen’ (2 Korintiërs 5 vers 19, NBG-vertaling), dan zijn er wel enige overeenkomsten te noemen. Aangezien het woord van de wederzijdse verzoening van het al onderhand ‘de verboden vrucht’ in de christelijke wereld is geworden! Kolossenzen 1 vers 20 zegt: ‘(…) door Hem, vrede gemaakt hebbende door het bloed zijns kruises, alle dingen weder met Zich te verzoenen, door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is.’ (NBG-vertaling) Concordante Vertaling: ‘(…) door Hem het al wederzijds met Zichzelf te verzoenen, vrede makend door het bloed van Zijn kruis, door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is.’ EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 287

Het door God aangestelde ‘valse dier’ heeft zijn werk blijkbaar naar behoren verricht… Hoe kan het eigenlijk ook anders wanneer we weten Wie zijn Schepper is?! Wanneer we het over de positie hebben die de tegenstander in de schepping inneemt, dan is het uiteindelijk helemaal niet zo vreemd als het lijken kan wanneer we het eens op een rijtje zetten: • Jezus getuigde van Zichzelf niets te vertellen te hebben maar ‘namens Zijn Vader op te treden en te spreken’. Hij getuigde van Zijn afhankelijkheid aan Degene Die Hem alles gegeven had… en dat was geen valse bescheidenheid. • Mensen kunnen getuigen van het feit dat ze van zichzelf niets te vertellen hebben, van het feit dat ze afhankelijk Zijn van God, de Vader, Die het goede werk in en door Zijn Zoon voltooien zal. • En zo heeft de tegenstander – tezamen met alle soevereiniteiten, gevolmachtigden en wereldmachten van de duisternis en de spirituele machten van de boosheid te midden van de hemelingen – al helemaal niets vanuit zichzelf te vertellen. Zij doen hun werk tot zo ver God het toelaat. Nu komen we bij het volgende punt. Wanneer God niet de Schepper zou zijn van de tegenstander en alles wat met hem samenhangt, dan had Hij Zijn Zoon ook nooit de Naam boven alle naam kunnen geven en als Heer boven alles kunnen aanstellen… Ook dat zou dwars tegen alles wat Zijn Woord ons leert ingaan! Het kan ons ‘te bizar voor woorden’ toeschijnen, maar God heeft, door middel van Zijn Zoon, zowel het kwade als het goede geschapen en deze zaken als Theos – als de Plaatser – een plaats gegeven binnen Zijn schepping. God bepaalt nog steeds Zelf wat er in Zijn schepping gebeurt en heeft de naam van Zijn Zoon ver boven alles wat er geschapen is verheven; dus ook ver boven de tegenstander met al zijn duistere praktijken… Is dat geen geruststellende gedachte voor ons? Daarom ook verhoogt God Hem uitermate en schenkt Hem in genade de Naam die is boven alle naam, opdat in de Naam van Jezus alle knie buigt van de hemelingen en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong van harte belijdt: Jezus Christus is Heer, naar binnen in de heerlijkheid van God, de Vader! (Filippenzen 2 vers 9-11, Concordante Vertaling) 288 | EÉN VOOR ALLEN

Met alles in Zijn schepping had God een vooropgezet plan. Hij schiep de duisternis zowel als het licht, in letterlijke en figuurlijke zin. Als gevolg daarvan mag de vernietiger grommen, zijn tanden laten zien, zijn bek wagenwijd opensperren… maar alleen als het God goeddunkt. Zodra Gods Licht in het vizier komt zal de duisternis nog steeds moeten wijken! Kortom: de wil om schade toe te brengen is van Godswege in de vernietiger gelegd en de autoriteit om deze schade te verwezenlijken wordt hem van Godswege gegeven. In onze menselijke ogen is dit geestelijke gegeven dwaasheid ten top. Het komt misschien zelfs wel ‘duivels’ op je over dat God de vernietiger heeft geschapen om schade toe te brengen. Of misschien word je er wel ‘des duivels’ van wanneer je zulke dingen in Gods Woord leest. Wel, dan kunnen we elkaar een hand geven… want dat werd ik zelf, lange tijd geleden, ook. Je kunt namelijk worden overvallen door de vraag waar je blijven moet met al je pijn en je verdriet als God ook nog ‘aan de verkeerde kant’ zou staan en zelfs van ‘dergelijke creaturen’ houden zou. En wat te denken van al die andere schepselen die soms, door toedoen van een ander, onnoemelijk veel pijn moeten lijden?! Ik vond het onaanvaardbaar. Als het zó in elkaar zou zitten dan was God ‘mijn Vriend’ niet meer want dan viel Hij in mijn ogen niet langer te vertrouwen. Ik moest nog heel veel leren en ben nog steeds niet uitgeleerd… Waar wij vaak nog zo’n moeite mee kunnen hebben is de gedachte dat God hiermee het kwade dan tot ‘goed’ zou verklaren vanwege het feit dat deze zaken uiteindelijk toch Zijn doel zullen dienen. Maar ís dat wel zo? Nu is het inderdaad zo dat alles uiteindelijk Gods doel zal dienen omdat God – ten eerste –soeverein, en – ten tweede – geen doelmisser is. Maar… vergis je niet! God noemt het kwade geen ‘goed’. God noemt de tegenstander geen ‘voorstander’. God noemt de dood geen ‘vriend’, maar ‘vijand’. 1 Korintiërs 15 vers 26 geeft aan (NBG-vertaling): ‘De laatste vijand, die onttroond wordt (letterlijk: buiten werking wordt gesteld), is de dood (…)’ EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 289

God noemt de leugen geen ‘waarheid’! Met andere woorden: God scheert niet alles over één kam, al gebruikt Hij deze instrumenten om tot Zijn doel met de schepping te kunnen komen. Wanneer we denken dat God – met het inzetten van de tegenstander en alles wat met hem samenhangt – het kwade tot ‘goed’ verklaart, hebben we te maken met een zielse kant in onszelf die deze dingen nog als ‘dwaasheid’ beoordeelt. ‘Doch een ongeestelijk (letterlijk: ziels) mens aanvaardt (ontvangt) niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan (kennen), omdat het slechts geestelijk (op een geestelijke wijze) te beoordelen is.’ (1 Korintiërs 2 vers 14, NBG-vertaling) (Dat wil in dezen echter niet zeggen dat we in het geheel ‘ziels’ zijn ingesteld, zoals dat bij ongelovigen het geval is. Op dit vlak benaderen we Gods Woord echter nog vanuit een zielse denkwijze. Laten we elkaar daarom ook maar niet gaan beoordelen op ‘geestelijk’ of ‘ziels’ in het leven staan; alsof iemand die op een bepaald punt nog niet geestelijk denkt of reageert helemaal niet geestelijk zou zijn.) Denk anders nog even terug aan de geschiedenis van David en Batseba, die we eerder in 2 Samuël 11 vers 1 tot en met 27 lazen. In vers 27 lezen we vanuit de NBG-vertaling: ‘Maar de zaak, die David gedaan had, was kwaad in de ogen des HEREN.’ God noemt het kwade geen ‘goed’; Hij laat echter alles – zowel het kwade als het goede – ‘samenwerken naar binnen in goed’. Zaken die niet in overeenstemming zijn met de liefde worden hier niet goedgepraat. God schiep het kwaad inderdaad, maar laat het influisteren aan de tegenstander over. Waar God dus geestelijk gezien de verantwoordelijkheid voor Zijn ganse schepping op Zich heeft genomen, daar zullen wij in dit aardse bestaan wel degelijk onze persoonlijke verantwoordelijkheid moeten leren nemen! 290 | EÉN VOOR ALLEN

God laat alles samenwerken naar binnen in goed, voor hen, die Hem liefhebben, die volgens Zijn voornemen geroepenen zijn… want diegenen die God tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld van Zijn Zoon. Dat we het met dergelijke geestelijke zaken vanuit de mens nog moeilijk kunnen hebben, is niet meer dan begrijpelijk, maar we zouden onszelf ook eens het volgende af kunnen vragen: stel je voor dat God er niet toe besloten had ‘alles te laten samenwerken ten goede’… zouden we dat liever hebben? Hebben we liever een uitzichtloze situatie? Een situatie waarin ons alleen maar pijn, woede, wrok, verbittering, haat, verdriet, en gemis rest? Een dergelijke redenatie doet me altijd denken aan de mensen wiens auto in Italië door criminelen werd beschoten en wiens zoontje daardoor op tragische wijze om het leven kwam. Deze ouders besloten de organen van de jongen te doneren en zodoende het leven van zeven andere kinderen te redden. Hun kind leefde voort in het leven van zeven andere kinderen, waardoor zeven families het immense verdriet bespaard bleef dat hun was overkomen. Stel je nu eens voor dat deze ouders gedacht hadden dat het geen enkele zin had gehad om een dergelijke actie te ondernemen. Of dat ze een beslissing als deze niet hadden aangekund, wat ook heel goed te begrijpen zou zijn geweest. God, onze Vader, begrijpt het dan ook volkomen wanneer wij nog grote moeite hebben met het principe dat Hij alles – zowel goed als kwaad – laat samenwerken ten goede voor hen die Hem liefhebben. Wij zien hier vanuit de mens de logica niet van in en kunnen dit soms gewoon niet aan wanneer ons hart verzinkt in diep verdriet. In deze waarheid staan is een genadegave omdat we van onszelf niet bij machte zijn op een geestelijke wijze het goede zowel als het kwade te aanvaarden uit Gods hand. De menselijke wijze van aanvaarden is vaak al veel te hoog gegrepen! Het is nodig dat onze manier van waarnemen wordt vernieuwd, zodat we volgens Gods dimensie leren waarnemen en alle schepselen aan Zijn scheppingskracht gaan overlaten. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 291

‘(…) het al is door Hem en tot (letterlijk: naar binnen in) Hem geschapen en Híj is voor alles en het al heeft zijn samenhang in Hem.’ (Kolossenzen 1 vers 16 en 17, Concordante Vertaling) Volgens Gods dimensie leren waarnemen en alle schepselen aan Zijn scheppingskracht gaan overlaten betekent echter niet dat we niets meer te doen zullen hebben. Dat past immers niet bij de opgewekte status van een mens die ontvangt te leven naar binnen in Geest! ‘Aldus staat er ook geschreven: de eerste mens, Adam, werd een levende ziel (letterlijk: leeft naar binnen in ziel); de laatste Adam een levendmakende geest (maakt levend naar binnen in Geest).’ (1 Korintiërs 15 vers 45, NBGvertaling) De oude schepping, die leeft naar binnen in de ziel, beroemt zich nog in zichzelf in plaats van in haar Heer en zal daarom van voorbijgaande aard zijn. De eerste functie van het door God opgewekte lichaam – de gemeente (letterlijk: de uitgeroepenen) – is dan ook ‘niet meer waar te nemen in overeenstemming met het vlees’, in overeenstemming met ‘dat wat oud is’. Wij nemen immers niet langer waar als Adam… maar als de Heer uit de hemel! ‘De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk (letterlijk: van de bodem, aardbodem), de tweede mens is (de Heer) uit de hemel.’ (1 Korintiërs 15 vers 47, NBG-vertaling) De Zoon is letterlijk voor ons gestorven, opgewekt en verheerlijkt om uiteindelijk allen voor te gaan in deze weg. Wij zullen echter ook op een figuurlijke wijze moeten sterven, om hiermee deelachtig te kunnen worden aan dezelfde gezindheid als de Zoon. 2 Korintiërs 5 vers 16 en 17 zegt (NBG-vertaling): ‘Zo kennen wij dan van nu aan niemand naar (letterlijk: niemand waarnemen in overeenstemming met) het vlees. Indien wij al Christus naar (in overeenstemming met) het vlees gekend hebben, thans (nu, van nu af aan) niet meer. Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan (letterlijk: 292 | EÉN VOOR ALLEN

hetgeen van oorsprong is komt voorbij), zie, het nieuwe is gekomen (het waarnemen wordt nieuw).’ Het ‘nieuw maken’ vindt allereerst plaats in ons innerlijk en daarvoor zal de oude gezindheid moeten wijken. Wij kunnen ons niet in onszelf beroemen, juist niet waar dat het geloof aangaat. Het is alles genade! Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; hetgeen van oorsprong is komt voorbij, zie, het waarnemen wordt nieuw. Zo nemen wij dan niemand waar in overeenstemming met het vlees, zelfs Christus wordt niet meer ‘naar het vlees’ gekend. Vanuit de mens hebben wij het uiteraard moeilijk met het gegeven dat ‘God alles laat samenwerken naar binnen in goed’ omdat we dit betrekken op datgene wat er met ons of met de mensen om ons heen is gebeurd. Maar daar gaat het hier ten diepste helemaal niet om. Dat ‘God alles laat samenwerken naar binnen in goed’ heeft niets te maken met hetgeen hier op aarde aan vreugdevolle en verdrietige zaken speelt, maar slaat op onze van God gegeven bestemming. Laten we de tekst er nog een keer bij pakken: ‘Wij weten nu (letterlijk: wij nemen echter waar), dat [God] alle dingen doet medewerken ten goede (alles laat samenwerken naar binnen in goed) voor hen, die God liefhebben, die volgens (ook wel: in overeenstemming met) zijn voornemen geroepenen zijn. Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons (…)’ (Romeinen 8 vers 28 en 29, NBG-vertaling) Onze bestemming is: gelijkvormigheid aan het beeld van de Zoon, Die Zelf het beeld van de Vader is. En daarom zal alles ‘samenwerken naar binnen in goed’, omdat God bij machte is alles in ons leven ten bate te laten zijn van het tot stand brengen van deze gelijkvormigheid. Hoe kunnen wij immers gelijkvormig aan het beeld van de Zoon worden gemaakt wanneer we niet zouden weten wat lijden inhoudt?! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 293

Opnieuw: hoe kunnen we in de komende tijdperken, wanneer we onze toekomstige bediening zijn ingegaan, Gods genade betonen aan andersoortige schepselen wanneer we niet hebben geleerd wat lichamelijk, psychisch en geestelijk (mede)lijden is? Wanneer we hierin niet zouden gelijken op de Zoon Die ons daarin is voorgegaan? Onlangs zag ik op televisie een verhandeling over een in opspraak geraakt experiment met achtjarige kinderen. Het betrof het experiment dat Jane Elliott – een onderwijzeres aan een lagere school in Riceville, Iowa, Amerika – in 1968 besloot uit te voeren naar aanleiding van rassendiscriminatie. Het ging zo: De lerares verdeelde de klas in twee groepen: een groep die bestond uit kinderen met bruine ogen en een groep die bestond uit kinderen met blauwe ogen. De kinderen met bruine ogen kregen vervolgens allerlei privileges en de kinderen met blauwe ogen werden achtergesteld. Daarnaast prees Elliott de bruinogige kinderen voortdurend, terwijl de blauwogige kinderen werden afgekraakt. Waar de kinderen tot dan toe een enigszins harmonieus geheel met elkaar hadden gevormd, onstonden nu onderlinge vechtpartijtjes, treiterijen en intimidaties. Een dag later keerde Elliott het principe om: nu waren de blauwogige kinderen in de gratie en vormden zij de superieure groep. Wat bleek? Deze blauwogige kinderen gingen heel anders om met de aan hen gegeven macht. Ze gedroegen zich veel milder ten opzichte van de bruinogige kinderen, omdat zij hadden geleerd van hun persoonlijke ervaringen. Wanneer we gelijkvormig aan het beeld van de Zoon willen worden, zullen we moeten weten wat het is om de minste te zijn. Dan zullen we moeten weten wat het is om te dienen, voordat we met Hem zullen mogen heersen. Matteüs 20 vers 26-28 (NBG-vertaling) zegt: ‘Maar wie onder u groot wil worden, zal uw dienaar zijn, en wie onder u de eerste wil zijn, zal uw slaaf zijn; gelijk de Zoon des mensen niet gekomen is om Zich te laten dienen, maar om te dienen (…)’ 294 | EÉN VOOR ALLEN

Het gevolg daarvan is dat we ons in onze bediening in dit leven – maar meer nog in onze bediening in de toekomst, wanneer ons macht gegeven zal worden – veel milder zullen kunnen opstellen ten aanzien van andersoortige schepselen wanneer we hen mogen richten op de waarheid van Gods liefde. ‘Weet gij niet (letterlijk: nemen jullie niet waar), dat wij over engelen (boodschappers) oordelen (richten) zullen?’ (1 Korintiërs 6 vers 3, NBGvertaling) ‘Richten’ is altijd naar God toe en nooit van God af. Het gaat onze hemelse Vader om een geestelijk begrijpen in overeenstemming met Zijn geestelijke maatstaven. Dat is een denkwijze die niets te maken heeft met een menselijk begrijpen, ordenen en plaatsen van tal van verdrietige zaken die hier op aarde plaatshebben. Dat ‘God alles laat samenwerken naar binnen in goed’ heeft alles van doen met het goede werk dat Hij onder ons onderneemt en ook voltooien zal. Alles staat of valt daarom met het gegeven of we nu al – als eerstelingen – volgens Gods voornemen geroepen zijn, of we tevoren gekend en bestemd zijn tot gelijkvormigheid aan het beeld van de Zoon. En zo zie je maar weer: nog steeds geen vrije keus van mensen! ‘Ja, dat kun je nu wel zeggen… maar er staat toch wel degelijk dat God alles laat samenwerken naar binnen in goed “voor hen die God liefhebben”. Dat zullen we dan toch echt zelf moeten doen!’ Het begint echter al met het feit dat wij God vanuit de mens niet kunnen liefhebben op een wijze die Hem welgevallig zou kunnen zijn. Er is er maar Eén Die God op een welgevallige wijze kan liefhebben… en dat is de Zoon! ‘Vrede zij de broeders en liefde met geloof, van God, de Vader, en van de Here Jezus Christus. De genade zij met allen, die onze Here Jezus Christus onvergankelijk liefhebben.’ (Efeziërs 6 vers 23 en 24, NBG-vertaling) EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 295

‘Vrede aan de broeders, en liefde (agapè) met geloof, van God de Vader en van de Heer Jezus Christus. De genade zij met allen die onze Heer Jezus Christus in onverderfelijkheid liefhebben. Amen!’ (Concordante Vertaling) Vrede en liefde met geloof, van God de Vader en van de Heer Jezus Christus! De genade zij met allen die onze Heer Jezus Christus in onverderfelijkheid liefhebben! Amen! Als het niet van de genade zou afhangen en als het mogelijk zou zijn om vanuit de mens lief te hebben in onverderfelijkheid, dan zouden we in beginsel al geen doelmissers zijn! ‘Liefhebben in onverderfelijkheid’ komt voort uit de gave van God de Vader. ‘God echter bewijst zijn liefde jegens ons (letterlijk: God beveelt Zijn liefde tot ons aan, ook wel: God laat Zijn liefde “samen staan” naar binnen in ons), doordat Christus, toen wij nog zondaren (doelmissers) waren, voor ons gestorven is.’ (Romeinen 5 vers 8, NBG-vertaling) ‘Want de liefde van Christus dringt ons, daar wij tot het inzicht gekomen zijn, dat één voor allen gestorven is.’ (2 Korintiërs 5 vers 14 en 15, NBGvertaling) De liefde van de Vader is onverderfelijk en de Zoon – Die uit Hem voortgekomen is – heeft eveneens met onverderfelijke liefde lief. Mensen kunnen daarom door de liefde van de Zoon gedrongen worden om niet meer voor zichzelf te leven. De zonen van God, Die door de Geest van God geleid worden, worden op hun beurt namelijk ook weer deelachtig aan deze onverderfelijke vorm van liefhebben. Of wij in staat zullen zijn lief te hebben op een God welgevallige wijze heeft te maken met de gave van de Geest. 296 | EÉN VOOR ALLEN

‘(…) en de hoop (letterlijk: verwachting) maakt niet beschaamd (niet te schande worden), omdat de liefde Gods (agapè) in onze harten uitgestort is (is uitgegoten) door de heilige Geest, die ons gegeven is (…)’ (Romeinen 5 vers 5, NBG-vertaling) Als ‘vrucht van de Geest’ noemt Galaten 5 vers 22 dan ook als eerste de liefde: ‘Maar de vrucht van de Geest is liefde (agapè…)’ (NBG-vertaling) ‘Zo (letterlijk: Nu) blijven dan: Geloof, hoop (verwachting) en liefde (agapè), deze drie, maar de meeste van deze (de grootste) is de liefde.’ (1 Korintiërs 13 vers 13, NBG-vertaling) Niemand heeft vanuit zichzelf op een God welgevallige wijze in onverderfelijkheid lief en niemand maakt vanuit zichzelf het geloof door onverderfelijke liefde werkzaam. Dit alles werkt één en dezelfde Geest, de heilige, die een ieder in het bijzonder toedeelt, zoals Hij bedoelt. Dan komt de lofprijs niet uit mensen, maar uit God. Al kunnen we dus naar menselijke maatstaven heus wel oprechte mensen zijn en het oprecht met God bedoelen, geestelijk gezien zijn we dat niet. Onze menselijke manier van liefhebben – hoe goed bedoeld ook – komt niet voort uit geestelijke liefde. We kunnen enkel op een onverderfelijke wijze liefhebben wanneer we volgens Gods voornemen geroepenen zijn. Het gaat op voor diegenen die tevoren gekend zijn en tevoren bestemd zijn tot gelijkvormigheid aan het beeld van Zijn Zoon. ‘En dit bid ik, dat uw liefde nog steeds meer overvloedig moge zijn in helder inzicht en alle fijngevoeligheid, om te onderscheiden, waarop het aankomt. Dan zult gij rein en onberispelijk zijn tegen de dag van Christus, vervuld van de vrucht van gerechtigheid, welke door Jezus Christus is, tot eer en prijs van God.’ (Filippenzen 1 vers 9-11, NBG-vertaling) ‘En dit bid ik, dat jullie liefde (agapè) nog meer en meer mag overvloeien in erkenning en alle fijngevoeligheid, zodat jullie toetsen wat belangrijk is, opdat jullie oprecht zijn en niet aanstootgevend tot in de dag van Christus, vervuld met de vrucht van gerechtigheid, die door Christus Jezus is, tot heerlijkheid en lofprijs van God. (Concordante Vertaling) EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 297

Dat de liefde van God meer en meer mag overvloeien in ons, in erkenning en alle fijngevoeligheid, zodat we toetsen wat belangrijk is, opdat we oprecht zijn en niet aanstootgevend tot in de dag van Christus… Dit heeft te maken met ‘vervuld worden met de vrucht van gerechtigheid’ die door Christus Jezus tot stand wordt gebracht. Alles wat God voor ogen staat met Zijn schepping zal door de Zoon tot stand worden gebracht, opdat het zal geschieden tot heerlijkheid en lofprijs van God. God laat alles samenwerken naar binnen in goed, voor hen, die Hem liefhebben, die volgens Zijn voornemen geroepenen zijn… want diegenen die God tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld van Zijn Zoon. Zijn we gaan ervaren dat niet ‘een menselijk begrijpen van God’ ons verder brengt, maar een ontvangen geestelijk begrijpen… vanuit God? In geestelijke zin kan God dus maken dat alles zal samenwerken naar binnen in goed, maar Hij begrijpt het, als Vader, natuurlijk volkomen dat wij vanuit de menselijke gedachtegang het nut van veel zaken hier op aarde absoluut niet zullen inzien. Zijn wij bereid om te aanvaarden dat God alle dingen laat samenwerken ten dienste van het doel dat Hij Zichzelf heeft gesteld? Het doel dat we – dwars door alles heen – gelijkvormig worden gemaakt aan het beeld van Zijn Zoon, tot meerdere eer en verheerlijking van Zijn heilige Naam? Dit kan alleen een ontvangen leerproces zijn. Vanuit onze menselijke natuur zouden wij immers eerder zeggen: ‘Dan maar ietsje minder “gelijkvormig aan de Heer”, hoor. Geef ons daarvoor in de plaats dan maar liever wat meer gezegende jaren met onze geliefden!’ Wij zijn vanuit de oude mens veelal gericht op de korte termijn en dat wil in dezen zeggen: het nú, dit aardse leven. Een beetje zoals Esau… ‘Eens had Jakob een gerecht (letterlijk: stoofpot) gekookt, en Esau kwam vermoeid (verzwakt) van het veld. Toen zeide Esau tot Jakob: Laat mij toch slokken van dat rode, dat rode daar (alsjeblieft), want ik ben moe (verzwakt). Daarom gaf men hem de naam Edom (betekenis: rood). Maar Jakob zeide: Verkoop mij dan eerst uw eerstgeboorterecht. En Esau 298 | EÉN VOOR ALLEN

zeide: Zie, ik ga toch sterven; waartoe dient mij dan het eerstgeboorterecht? Daarop zeide Jakob: Zweer mij eerst. En hij zwoer hem. Zo verkocht hij aan Jakob zijn eerstgeboorterecht.’ (Genesis 25 vers 29-33, NBG-vertaling) Dankzij van deze instelling proberen wij onszelf ‘te laven aan het leven’, maar we hebben soms helemaal niet in de gaten hoe onze pogingen ons hebben verzwakt, omdat we evengoed ‘van het veld’ komen… en wat gebeurt er op dat (slag)veld allemaal wel niet?! Toch kunnen we ook leren hier op een geestelijke manier naar te kijken, zoals iemand naar aanleiding van Romeinen 8 vers 28 en 29 eens zo prachtig omschreef: ‘Over duizend jaar zullen de omstandigheden van nu er niet meer toe doen, maar “de gelijkvormigheid aan het beeld van de Zoon” zal eeuwigheidswaarde blijken te hebben.’ ‘Want de lichte last der verdrukking van een ogenblik (letterlijk: Want het kortstondige, lichte van onze verdrukking) bewerkt voor ons een alles verre te boven gaand eeuwig gewicht van heerlijkheid (werkt voor ons een alles te boven gaand, een bovenmate aionisch gewicht aan heerlijkheid uit), daar wij niet zien op het zichtbare (niet het kijken opmerken), maar op het onzichtbare (het niet kijken); want het zichtbare (het kijken) is tijdelijk, maar het onzichtbare (het niet kijken) is eeuwig (aionisch).’ (2 Korintiërs 4 vers 17 en 18, NBG-vertaling) In de laatste paar jaar van zijn leven zei mijn vader hierover het volgende: ‘Vrede krijg je niet door vragen om verandering van welke situatie dan ook in je leven… Vrede krijg je door iedere situatie die zich in je leven voordoet te aanvaarden uit Gods hand.’ Natuurlijk wordt verdrukking vanuit de mens helemaal niet als ‘licht’ of ‘kortstondig’ ervaren… want wij zitten er toch maar midden in! Het kan geestelijk gezien wel een ogenblik lijken, maar vanuit de mens gezien is het verre van dat. Het ligt dan ook niet aan onszelf en ons persoonlijke onvermogen wanneer we bepaalde dingen niet uit Zijn hand kunnen aanvaarden – alsof we nog iets beter ons best zouden moeten doen. We moeten hiervoor opnieuw bij God zijn: bij de Enige Die deze hartenkenEEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 299

nis tot Zijn welgevallen, eer en verheerlijking in ons innerlijk kan verwezenlijken. Een spreker bracht het eens als volgt onder woorden:‘Wanneer God het ons geeft om genezen te worden en daarin verkiest Zijn Naam te verheerlijken: Zijn Naam zij geprezen daarvoor! Maar wanneer God het ons geeft om ziek te zijn opdat Hij ons hierdoor nog meer gelijkvormig zal kunnen maken aan het beeld van Zijn Zoon, dan is Zijn Naam daarvoor evengoed geprezen!’ En zo werd ik, geruime tijd na het bijzonder uitvoerige gesprek dat ik voor mijn vaders overlijden met Lex had, geattendeerd op een spreker die met betrekking tot Romeinen 8 vers 28 en 29 aangaf: ‘Het doel van God is dat wij “gelijkvormig worden aan het beeld van Zijn Zoon” en dat heeft betrekking op alle omstandigheden waarin wij in ons leven kunnen verkeren. De vraag is alleen: is het doel dat God voor ogen heeft ook ons doel? Of vragen we onszelf voortdurend af: “Wat voor ‘nut’ heeft dit eigenlijk?” En: “Hoe kan ik zo ooit gelukkig zijn?”’ ‘Wanneer je hoofddoel in dit leven “gelijkvormigheid aan het beeld van de Zoon” geworden is, dan heeft alles wat er met je gebeurt een bedoeling omdat God er zin aan geeft. Vanuit de mens wil je dan uiteraard nog wel ontsnappen aan het lijden dat op je weg komt, maar wanneer je aanvaardt dat God het gebruikt om je nog meer gelijkvormig te laten worden aan het beeld van Zijn Zoon, dan kun je toch leren jezelf daarin te verheugen.’ Verheugen… in Gods geestelijke zingeving! (Uiteraard gaat het er hier dan niet over of we ‘wel of niet naar de dokter zouden moeten gaan’ omdat we ergens last van hebben.) Het was een prettige gewaarwording dat hetgeen ik destijds met Lex had mogen delen, eveneens door anderen op soortgelijke wijze vanuit de heilige Schrift werd onderbouwd. Waar wij nog zo kunnen worstelen met onze onmacht… daar zullen we in opvoedende genade gericht moeten worden op Gods macht. 300 | EÉN VOOR ALLEN

Wanneer Gods liefde ons zover heeft gebracht dat we de situaties in ons leven kunnen gaan aanvaarden uit Zijn hand dan komt er innerlijke vrede en rust in ons soms zo vermoeide, door verdriet verscheurde hart. Wanneer we – dwars door alle ellende heen – ontvangen gelijkvormig te worden aan het beeld van Zijn Zoon dan is dat geestelijke feit iets om van harte voor te leren danken! ‘Oké, ik begrijp nu dat God “alles laat samenwerken naar binnen in goed” terwille van het tot stand komen van de gelijkvormigheid aan het beeld van Zijn Zoon, maar eerlijk gezegd heb ik helemaal niet zo veel te lijden gehad in mijn leven. Moet ik daar dan uit concluderen dat ik ook niet gelijkvormig aan het beeld van de Zoon kan worden gemaakt?’ Wanneer het ons naar ons idee goed gaat in het leven en we weinig lijden te verduren hebben gehad, dan zou dit een menselijk logische gevolgtrekking zijn. Indien we het echter op geestelijke wijze beschouwen, dan groeit het besef dat we veel meer lijden te verduren hebben (gehad) dan waar we ons, als mensen, überhaupt ook maar bewust van kunnen zijn. In Romeinen 3 vers 23 en 24 lezen we vanuit NBG-vertaling: ‘Want allen hebben gezondigd (letterlijk: zondigen, missen) en derven de heerlijkheid Gods (lijden gebrek van de heerlijkheid van God), en worden om niet gerechtvaardigd uit (in) zijn genade, door de verlossing (vrijkoping) in Christus Jezus.’ Elke verwijdering van God is immers lijden… en hoe groot dat lijden was en welke invloed de afwezigheid van Gods heerlijkheid op onze existentie heeft gehad zullen we pas ten volle kunnen beseffen wanneer we, in totaalheid, met Hem herenigd zullen zijn. Nu kan het voor ons al zo’n fijne en bemoedigende gedachte zijn om met een innig geliefd persoon herenigd te worden, een moment van herkenning te beleven en ‘bij elkaar thuis te komen’… maar hoe moet dat dan wel niet zijn wanneer we onze God op een geestelijke wijze als onze Vader herkennen zullen, zoals we door Hem als Zijn nakomelingen herkend zijn?! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 301

‘Want nu (letterlijk: momenteel) zien wij nog door een spiegel, in raadselen (in enigma), doch straks van aangezicht tot aangezicht. Nu (Momenteel) ken ik onvolkomen (kennen uit deel), maar dan zal ik ten volle kennen (herkennen), zoals ik zelf gekend (herkend) ben.’ (1 Korintiërs 13 vers 12, NBG-vertaling) ‘(…) maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader. Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods (letterlijk: uit God voortgebrachten) zijn. (Romeinen 8 vers 15 en 16, NBG-vertaling) Je hebt de Geest van het zoonschap ontvangen, door welke je “Abba, Vader!” roept. Die Geest getuigt met jouw geest, dat je een kind – een uit God voortgebrachte – bent. 302 | EÉN VOOR ALLEN

HOOFDSTUK 12 OF GEEFT GOD HET NIET? ‘Het kon zijn, dat God hun gaf zich tot erkentenis der waarheid te keren (letterlijk: Of geeft God het niet tot berouw naar binnen in de erkenning van de waarheid te komen) en, ontnuchterd, zich te wenden tot de wil van Hem, (NBG: losgekomen) uit de (val)strik des duivels (van de dooreenwerper), die hen (levend) gevangen hield.’ – 2 TIMOTEÜS 2 vers 25 en 26, NBG-vertaling OpREcHT BEROUW ‘Maar valt er dan toch nog enig “werk van mensen” te bespeuren… omdat je voor vergeving immers eerst berouw zult moeten hebben van je zonden?’ ‘Ja, en dan die “grote zondaren” nog. Deze mensen moeten op z’n minst tot inkeer komen, want anders kan er voor hen toch geen genade zijn?!’ Een wedervraag: heb je jezelf weleens afgevraagd of dat ‘berouw hebben’ sowieso wel een zaak ‘van mensen’ is? Laten we dat anders eens doen. Misschien ken je die prachtige tekst uit Lucas 15 wel: ‘Ik zeg u, dat er alzo blijdschap zal zijn in de hemel over één zondaar, die zich bekeert (letterlijk: berouw heeft), meer dan over negenennegentig rechtvaardigen, die geen bekering (berouw, ook wel: omzinning) nodig hebben.’ (Lucas 15 vers 7, NBG-vertaling) Als we het over ‘berouw’ hebben, dan zouden we kunnen zeggen dat het staat voor een oprecht besef dat je verkeerd gehandeld hebt. En wanneer je vervolgens de tekst van Lucas 15 overdenkt, zou je bijna zeggen dat ‘berouw hebben’ inderdaad weleens iets van mensen zou kunnen zijn… maar ís dat wel zo? EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 303

Het is een uitgemaakte zaak dat een zondaar berouw kan krijgen over wat hij gedaan heeft, maar betekent dit ook dat deze zondaar dat berouw zelf bewerkt heeft? Romeinen 3 vers 4 schept duidelijkheid (NBG-vertaling): ‘(…) God waarachtig (letterlijk: waar) en ieder mens leugenachtig (leugenaar…)’ Hoe zit het dan met dat ‘oprecht besef hebben dat men verkeerd gehandeld heeft’ als ieder mens geestelijk gezien een leugenaar is? Vanuit de mens gezien kunnen we elkaar soms onderverdelen in oprechte mensen en leugenaars, maar voor God is geen mens oprecht en waar. Bij God is daarom geen onderverdeling in menselijke – voor Hem leugenachtige – zin. Dit is geen aanmerking op ‘die domme, domme mens’, maar geestelijk gezien puur de constatering van een feit. Geestelijk gezien kan alleen God Zelf ons een Hem welgevallige oprechtheid doen toekomen en 2 Timoteüs 2 vers 25 zegt dan ook: ‘Het kon zijn, dat God hun gaf zich tot erkentenis der waarheid te keren (…)’ (NBG-vertaling) De Statenvertaling (Jongbloed-editie) zegt hier: ‘(…) of hun God te eniger tijd bekering gave tot erkentenis der waarheid (…)’ Vanuit de grondtekst wordt hier zelfs een hypothetische vraag gesteld: ‘Of geeft God het niet tot berouw (ook wel: omzinning) naar binnen in de erkenning van de waarheid te komen?’ ‘Ja, uiteraard,’ zouden we hierop dan ook instemmend kunnen antwoorden, ‘want tot berouw komen naar binnen in de erkenning van de waarheid is natuurlijk van God gegeven!’ We lezen verder in 2 Timoteüs 2 vers 26 (NBG-vertaling): ‘(…) en, ontnuchterd, zich te wenden tot de wil van Hem, (NBG: losgekomen) uit de (letterlijk: val)strik des duivels (van de dooreenwerper), die hen (levend) gevangen hield.’ 304 | EÉN VOOR ALLEN

We zetten het even op een rijtje: • Een zondaar kan geestelijk gezien vanuit zichzelf geen God welgevallig berouw hebben; • • een zondaar kan geestelijk gezien vanuit zichzelf geen God welgevallig oprecht besef hebben van verkeerd handelen; een zondaar kan geestelijk gezien geen ‘omzinning naar binnen in de erkenning van de waarheid’ bij zichzelf bewerken; • omdat een zondaar sowieso geen rechtvaardiging vanuit welke menselijke actie dan ook hoeft te verwachten! Of geeft God het niet tot omzinning naar binnen in de erkenning van de waarheid te komen en – als gevolg daarvan – ontnuchterd, zich te wenden tot de wil van Hem, uit de valstrik van de dooreenwerper, die (levend) gevangen hield? God stelt in staat… doordat mensen ontvangen te zien op Zijn Zoon voor redding! ‘Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke (…)’ (Johannes 6 vers 44, NBG-vertaling) ‘Want in genade zijn jullie geredden, door geloof, en dit niet uit jullie zelf; het is Gods naderingsgave, niet uit werken, opdat niemand zich beroemen zal.’ (Efeziërs 2 vers 8, Concordante Vertaling) Dat hetgeen God doet – Zijn liefde betonen – genade is, ga je dan ook alleen maar dieper beseffen wanneer je bemerkt dat je het geestelijke heil dat Hem voor ogen staat van jezelf niet kunt vasthouden, zoals David dat in zijn leven had ondervonden. ‘Vertrouw op God, aanvaard Jezus, belijd je zonden, heb berouw, en alles sal reg kom. Maar zo niet… Daar laat de Bijbel geen onduidelijkheid over bestaan. Zondig en toon geen berouw, verhard je hart, wijs Jezus af, en als je dood gaat is het afgelopen. Of liever gezegd: het gemartel en de verschrikking en de eeuwige pijniging is op dat moment begonnen. Zo is het; want zo is God. Ja, toch? God is liefdevol, lankmoedig en vol barmhartigheid en genade, tenzij belijdenis, EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 305

berouw en redding uitblijven in dit leven. Dan zal God voor altijd straffen. Dat is het verhaal van het christendom. Mee eens? Is dat wat Jezus leerde?’1 De waarheid laat zien dat we in alles tekortschieten en dat het daarom ook liefde heet wat God doet! Hoe onbaatzuchtig deze liefde is gaan we veelal pas waarnemen en ervaren wanneer er een einde komt aan het, bewust of onbewust, hooghouden van onze menselijke vermogens. Het is aan God mensen berouw of omzinning te doen toekomen, een oprecht God welgevallig besef dat men verkeerd gehandeld heeft. God geeft dat mensen op een geestelijke wijze nuchter worden en zich gaan wenden tot Zijn wil. Het onderkennen van het gegeven dat je ook voor je innerlijke vorming geheel afhankelijk bent van Gods genadegaven is een begin. Een begin van het verlangen naar het volmaakte werk van Degene Die alles in Zijn ganse schepping door de betoning van Zijn liefde voltooien zal! ~ Onderonsje ~ Eens was ik in gesprek met iemand – we zullen hem Sieb noemen – die er toch enigszins moeite mee had dat mensen op dergelijke wijze dan niet meer zo gemakkelijk op ‘hun geloof’ aangesproken konden worden. De algehele beeldvorming, en de daaruit voorgekomen defenitie van geloof, hangt nauw samen met de vrije keuze van de mens.‘Want,’ zo is de redenatie, ‘anders zou God toch ook niemand verloren kunnen laten gaan, omdat Hij dan op niemand iets aan te merken zou kunnen hebben? En dan heeft “het hele geloof” en “het kiezen voor Jezus” toch geen enkele zin…?!’ Hierop gaf ik aan dat het gegeven dat mensen dan niet meer zo gemakkelijk op hun geloof en hun keuze voor Jezus aangesproken konden worden nou juist zo’n zegen was! Wanneer we het hebben over 306 | EÉN VOOR ALLEN

geestelijke zaken – de zogeheten dingen van God – dan functioneert dit ‘aanspreken op een menselijk geloof vanuit een menselijke keuze’ immers alleen maar als een stoorzender. Geloven is en blijft een Godswonder! ‘Ik weet, o HERE (IEUE, Jahweh), dat het niet aan de mens staat zijn weg te kiezen, noch aan een man om te gaan en zijn schreden te richten (letterlijk: oprichten, vestigen).’ (Jeremia 10 vers 23, NBG-vertaling) ‘Want aan jullie is de genade geschonken, voor Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden (…)’ (Filippenzen 1 vers 29, Concordante Vertaling) Uiteraard valt enig verantwoordelijkheidsgevoel in onze handel en wandel wel degelijk toe te juichen; de klemtoon komt in dezen echter heel ergens anders te liggen wanneer we niet zozeer op falende menselijke vermogens gericht zijn, maar op Gods vermogen. Het kan vanuit de mens gezien dan wel erg mooi en ‘gelovig’ klinken om iemand tot de orde te roepen – ‘Waar ben jij nou mee bezig? Hoe kan dat? Daar begrijp ik nou helemaal niks van, want jij had toch voor God gekozen?!’ – maar het brengt diegene in kwestie niet terecht bij de ootmoed waar God Zijn ganse schepping naartoe wil brengen, namelijk: de hartenkennis dat niemand vanuit zichzelf iets mee te brengen heeft voor God, omdat iedereen totaal afhankelijk is van Gods barmhartigheid! ‘Hij ontfermt Zich dus (letterlijk: Hij is barmhartig) over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil.’ (Romeinen 9 vers 18, NBG-vertaling) ‘Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt (letterlijk: rent), maar van God, die Zich ontfermt (van Gods barmhartigheid).’ (Romeinen 9 vers 16, NBG-vertaling) ‘(…) opdat het (letterlijk: uit)verkiezend voornemen Gods zou blijven, niet op grond van werken, maar op grond daarvan, dat Hij riep (…)’ (Romeinen 9 vers 11, NBG-vertaling) EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 307

Het draait helemaal niet om de keuze van de mens en om de handel en wandel die wij zelf, vanuit een vrije keuze voor God, denken voort te – moeten kunnen – brengen. Het draait om het uitverkiezend voornemen van God! En dan komen we bij het volgende punt op de agenda, want wanneer ‘Waar ben jij nou mee bezig? Jij had toch voor God gekozen?!’ (kortom: iemand tot de orde roepen) niet volstaat… wat rést ons dan nog? Het probleem met ons, mensen, is namelijk dat er een levensgroot gat valt wanneer we ‘al ons eigen werk voor God’ wegnemen! We zouden zelfs nog bijna gaan geloven dat er dan van het hele geloof niets zou overblijven… Het idee dat er van het hele geloof niets overblijft wanneer al ons eigen werk voor God zou komen te vervallen, is gestoeld op een leugen. De vraag is hier in het geheel niet ‘waar het geloof dan blijven zou’, maar de vraag is waar we als mens blijven zullen wanneer we in alles afhankelijk van onze hemelse Vader zijn! ‘Jezelf geheel afhankelijk weten van God’ is veelal niet de genadegave waar wij als mensen op uit zijn bij onszelf of bij elkaar. Wij zien dit niet als een zegen, het stuit ons juist tegen de borst. Zijn we ons bewust geworden van het feit dat God alles wat vlees is uiteindelijk tot roemloosheid zal brengen voor Zijn aangezicht? ‘(…) wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren (letterlijk: verkiest God uit) om de wijzen te beschamen (opdat de wijzen te schande worden), en wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren (verkiest God uit) om wat sterk is te beschamen (opdat de sterken te schande worden); en wat voor de wereld onaanzienlijk (van geringe afkomst) en veracht (klein) is, heeft God uitverkoren (verkiest God uit), dat, wat niets is, om aan hetgeen wèl iets is, zijn kracht te ontnemen (buiten werking te stellen), opdat (zodat) geen vlees zou (zich zal be) roemen voor (het aangezicht van) God.’ (1 Korintiërs 1 vers 27-29, NBG-vertaling) 308 | EÉN VOOR ALLEN

God Zelf verblikt of verbloost er niet van, maar het is meer dat we vanuit de mens gezien in een groot en ogenschijnlijk zwart gat vallen wanneer we helemaal niets meer vanuit onszelf zouden kunnen betekenen voor onze God. Onze definitie van ‘zingeving’ met betrekking tot dit leven is veelal uitsluitend gebaseerd op datgene wat menselijke vermogens voortbrengen of hebben voortgebracht. Alle vernieuwing is in wezen ‘Kunst met de grote letter K’… alleen hebben we de grootste Kunstenaar – de Vernieuwer van het universum – nog niet ontmoet! We zijn er als mensen nu eenmaal op ingesteld vanuit onze persoonlijke vermogens een zekere voldoening uit ons bestaan te halen, mogelijk om onszelf een bepaalde vorm van zekerheid of veiligheid te verschaffen. We geloven (nog) niet dat God bij machte is alles wat Hem met Zijn schepping voor ogen staat vanuit Zijn Eigen vermogen tot stand te brengen. Bovendien zou dat allemaal veel te gemakkelijk zijn, want we krijgen het liever niet cadeau. ‘Moeilijk hè, mens… om hét “zomaar cadeau” te krijgen?’ — Iets zomaar aannemen waar we eigenlijk geen recht op hebben?! Nee, dat geeft ons geen goed gevoel over onszelf en is daarom ook helemaal niet zo gemakkelijk als het líjken kan. We geloven daarnaast eenvoudigweg niet dat het ‘van God’ zou kunnen zijn wanneer alles vanuit Zijn vermogen zou worden bewerkt. We zijn vanuit de oude mens gericht op onszelf en stellen onze menselijke vermogens (nog) in het centrum van alles. In 1 Kronieken 29 vers 14 lazen we echter (NBG-vertaling): ‘Wie toch ben ik, en wat is mijn volk, dat wij in staat zouden zijn zulke vrijwillige gaven te schenken? Want het komt alles van U, en wij geven het U uit uw hand (van Uw hand hebben wij U gegeven).’ Dit gaat echt niet alleen voor ‘David en zijn volk’ op! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 309

‘Ook het volgende aspect van genade verdient de nadruk te krijgen: ze is absoluut en totaal gratis. U hoeft de genade nooit terug te betalen. Dat is zelfs onmogelijk, al zou u het willen. De meeste mensen hebben hier moeite mee, omdat we gewend zijn te werken voor wat we krijgen. Zoals het oude spreekwoord zegt: “Wie niet werkt, zal ook niet eten.” Maar in dit geval: genade krijgen we gratis, voor niets, zonder voorwaarden. We mogen niet eens proberen het terug te betalen; dat zou beledigend zijn. Stel u voor dat u te gast bent in het huis van een vriend die u te eten heeft gevraagd. U geniet van een heerlijke maaltijd en blijft nog even gezellig natafelen, luisterend naar mooie muziek. Ten slotte staat u op en pakt uw jas om weg te gaan. Maar voordat u echt gaat, haalt u uw portefeuille te voorschijn en vraagt: “En, hoeveel krijg je van me?” Wat een belediging! Dat doe je niet tegenover iemand die jou zo gastvrij een maaltijd aangeboden heeft. Is het dan niet vreemd dat er zo veel mensen over de hele wereld zijn die denken dat ze iets moeten doen om God terug te betalen? Op de een of andere manier hopen ze dat, als ze maar hard genoeg hun best doen, God wel glimlachend zal moeten erkennen dat ze Zijn liefde verdiend hebben; maar dat is gerechtigheid door werken. Zo werkt de genade niet.’2 ‘Niemand kan goed zijn en goed doen, tenzij Gods genade hem eerst goed maakt… Zo doen ook de vruchten de boom niet groeien, maar de boom draagt vrucht… Daarom zijn alle werken, hoe goed ze ook zijn en hoe mooi ze er ook uitzien, nutteloos als ze niet uit de genade voortvloeien…’3 ‘Maak mij een beeld van U…’ Wanneer dit lied gezongen wordt wil men deze waarheid nog wel beamen, maar wanneer het op de praktijk van het dagelijks leven aankomt dan houdt het gros van de gelovigen – en laten we hierbij vooropstellen dat velen van hen het uiteraard oprecht met God bedoelen – maar al te graag vast aan het idee dat men vanuit zichzelf naar de wil van God behoort te zoeken en deze wil van God vervolgens ook vanuit zichzelf dient te verwezenlijken waar mogelijk. Marcus 10 vers 14 en 15 vertelde ons ten voorbeeld: ‘Laat de kinderen tot Mij komen, verhindert ze niet; want voor zodanigen is het Koninkrijk 310 | EÉN VOOR ALLEN

Gods. Voorwaar, Ik zeg u: Wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt als een kind (letterlijk: als een kleine jongen of klein meisje), zal het voorzeker niet binnengaan.’ (NBG-vertaling) Ontvangen! Als een kleine! Dat kinderen enig verantwoordelijkheidsgevoel bijgebracht dient te worden is buiten kijf… maar drágen zij ook de verantwoordelijkheid? ‘In onze hedendaagse maatschappij zijn de ouders – als de gezagsdragers – verantwoordelijk en zo is het ook met God. Ja, er zal ons enig verantwoordelijksgevoel moeten worden bijgebracht, maar nee, de eindverantwoordelijkheid ligt toch echt bij dé Gezagsdrager!’ was de strekking van een preek die ik eens hoorde. En zo kunnen gelovigen bij uitstek ‘in het vlees wandelen’ wanneer ze het van hun eigen vermogens tot dienen verwachten, de geschiedenis met het Joodse volk herhaalt zich als het ware in het groot. Het is echter niet zo dat ik hiermee wil proclameren dat er helemaal niet meer gewerkt zou hoeven te worden, in Jakobus 2 vers 14 en 17 lezen we immers: ‘Wat baat het, mijn broeders, of iemand al beweert geloof te hebben, als hij geen werken heeft?’ (NBG-vertaling) ‘Zo is het ook met het geloof: indien het niet met werken gepaard gaat, is het, op zichzelf genomen, dood.’ (NBG-vertaling) Zoals je ziet zit hier ‘een flinke adder onder het gras’. Het gegeven dat God alles bewerkstelligt staat namelijk absoluut niet gelijk aan ‘niets doen’! Het is daarom ook niet: ‘We hoeven helemaal niets meer te doen, want God heeft alles al gedaan en Hij zal er ook in de toekomst wel voor zorgen dat alles voor elkaar komt.’ Zogezegd: God doet alles – letterlijk en figuurlijk – ‘op Zijn Eigen houtje’! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 311

Nu is God uiteraard bij machte alles voor elkaar te brengen; Hij nam daarvoor inderdaad een hout en liet Zijn Zoon de vloekdood sterven. Daarnaast zal God, zonder twijfel, ook de toekomst in Zijn machtige hand houden omdat Hij, door Diezelfde Zoon, het werk dat Hij begonnen is voorzeker zal voltooien. De vraag is alleen: wíl God alles alleen doen? Het is immers de bedoeling dat we ‘naar het beeld en de gelijkenis van de Vader en de Zoon geschapen worden’ – ‘Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis (…)’ (Genesis 1 vers 26, NBG-vertaling) – en het mag dan ook duidelijk zijn dat God om die reden niet uit zal zijn op ‘een dood geloof’ in onze harten. ‘Want in Christus Jezus is noch besnijdenis tot iets in staat, noch voorhuid, maar geloof, dat door liefde werkzaam is.’ (Galaten 5 vers 6, Concordante Vertaling) Geloof wordt werkzaam door liefde… en deze liefde uitleven – daar draait het allemaal om. Het is dus zo helder als wat. Bij het woord ‘gelijkenis’ gaat het niet alleen over het zichtbare, maar meer over datgene wat niet zichtbaar is, te weten: onze innerlijke mens. ‘Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis’ is daarom ook niet iets wat aan het begin van de schepping al voltooid werd toen Adam en Eva werden geschapen. God zal, door middel van Zijn Zoon, Zijn doel verwezenlijken. ‘Er wordt gezaaid in vergankelijkheid (letterlijk: verderf), en opgewekt in onvergankelijkheid (onverderfelijkheid); er wordt gezaaid in oneer, en opgewekt in heerlijkheid; er wordt gezaaid in zwakheid, en opgewekt in kracht. Er wordt een natuurlijk (ziels) lichaam gezaaid, en een geestelijk lichaam opgewekt. Is er een natuurlijk (ziels) lichaam, dan bestaat (is) er ook een geestelijk lichaam.’ (1 Korintiërs 15 vers 42-44, NBG-vertaling) Het scheppingswerk is nog steeds aan de gang… Het moet nog voleindigd worden. 312 | EÉN VOOR ALLEN

Al met al, wanneer we het over ‘werken’ hebben en vervolgens de tekst van Jakobus 2 vers 14 – ‘Wat baat het, mijn broeders, of iemand al beweert geloof te hebben, als hij geen werken heeft?’ – overdenken, dan zouden we bijna zeggen dat dit inderdaad weleens iets zou kunnen zijn wat we zelf moeten trachten te verwezenlijken… maar ís dat wel zo? Het is een uitgemaakte zaak dat ‘werken’ onlosmakelijk zijn verbonden met ‘geloof’, maar betekent dit gegeven ook dat wij deze werken vanuit onszelf moeten kunnen bewerken? ‘Wat zullen wij dan zeggen (letterlijk: uitspreken)? Dit: heidenen (de natiën), die geen gerechtigheid najaagden (ook wel: nastreven), hebben gerechtigheid verkregen, namelijk gerechtigheid, die uit geloof is; doch Israël, hoewel het een wet ter gerechtigheid najaagde, is aan de wet niet toegekomen. Waarom niet? Omdat het hierbij niet uitging van geloof, maar van vermeende werken.’ (Romeinen 9 vers 30-32, NBG-vertaling) We kunnen hierbij maar beter beamen dat God – door middel van Zijn gave van geloof dat werkzaam wordt gemaakt door Goddelijke liefde – aan het werk is in onze harten, zodat we niet zoals Israël vanuit de mens gaan proberen aan Gods geestelijke maatstaven te voldoen. Wat we dan vervolgens kunnen leren is dat we andere mensen ook niet langer willen aanspreken alsof zíj dat wel zouden moeten kunnen. Wanneer we ‘uitgaan van geloof’ betekent dat niet dat we uitgaan van een menselijk geloof, maar dat we hierin onze afhankelijkheid van onze hemelse Vader gaan erkennen Die het geloof in onze harten legt. En wanneer we dan met dergelijke hartenkennis op een ander zouden afstappen, komt de klemtoon heel ergens anders te liggen, omdat we niet langer op falende – menselijke vermogens gericht zijn, maar op Gods vermogen. Zijn we ons bewust geworden van het feit dat God alles wat vlees is tot roemloosheid zal brengen voor Zijn aangezicht? ‘(…) opdat (letterlijk: zodat) geen vlees zou (zich zal be)roemen voor (het aangezicht van) God.’ (1 Korintiërs 1 vers 29, NBG-vertaling) EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 313

We keren nu even terug naar de vraag: wil God alles alleen doen? Nee, onze hemelse Vader wil niet alles alleen doen. Hij wil ons als een Vader bij Zijn werk betrekken en daarom schept Hij ons in Christus Jezus voor goede werken. Goede werken die Hij tevoren gereedmaakt opdat wij daarin zullen wandelen; een Goddelijke belofte die Hij waar zal maken in ons leven. ‘Want Zijn maaksel (letterlijk: het effect van Zijn daad) zijn wij, die geschapen worden in Christus Jezus voor goede werken, die God van tevoren gereedmaakt, opdat wij daarin zullen wandelen.’ (Efeziërs 2 vers 10, Concordante Vertaling) Wanneer we het hebben over ‘werken tot Gods meerdere eer en verheerlijking’, dan hebben we het niet over menselijke werken voor God, maar over Goddelijk scheppingswerk in ons, dat maakt dat ons geloof levend mag blijken te zijn voor Zijn aangezicht. Wij zijn het effect van Zijn daad! Uit 1 Korintiërs 13 vers 2 kunnen we opmaken hoe de verhoudingen liggen tussen het geloof en de liefde, die het geloof werkzaam maakt (NBGvertaling): ‘Al ware het, dat ik profetische gaven had, en alle geheimenissen en alles, wat te weten is, wist, en al het geloof had, zodat ik bergen verzette, maar ik had de liefde niet, ik ware niets.’ Concordante Vertaling: ‘En al zou ik een profetie hebben en alle geheimenissen weten en alle kennis hebben en al zou ik al het geloof hebben zó dat ik bergen kon verzetten maar ik zou geen liefde hebben, niets ben ik.’ Al verzetten we dus bergen voor de ogen van mensen… deze tekst geeft glashelder weer dat mensen niets blijken te zijn zonder de liefde van God, die het, eveneens van God ontvangen, geloof werkzaam maakt. En dan nu opnieuw: • Is er dan ook nog een andere manier dan iemand aan te spreken op diens menselijke geloof en diens menselijke keuze voor God? • Bestaat er nog een andere manier dan iemand op een menselijke wijze tot de orde te roepen? 314 | EÉN VOOR ALLEN

• Een manier die geestelijke voldoening en zingeving verschaft? Een manier die richt op Goddelijke zekerheid en veiligheid? Het antwoord is… ja! Ja, die andere manier is er zonder meer, maar daar is – in tegenstelling tot wat men meent te moeten geloven – een levensgroot geloof voor nodig. Er is een lering die ons hart vervullen kan, een vervulling van geestelijke voldoening, zingeving, zekerheid en veiligheid die al onze menselijke pogingen ver overstijgt! Ben jij ook benieuwd? Wanneer we een broer of zus in de Heer ‘in zachtmoedigheid ernaast roepen’ – let op: naast ons is niet tegenover ons, zoals dat ‘tot de orde roepen’ het geval is – en bij God terechtbrengen, dan gaan we per definitie niet uit van vermeende menselijke vermogens tot verandering vanuit een vermeende menselijke keuze voor God. We gaan daarentegen uit van Gods Goddelijke keuze voor ons… en Zijn wonderbaarlijke vermogen ons lief te hebben! We mogen degene die een scheve schaats gereden heeft in alle ootmoedigheid benaderen, ziende op onszelf. De Zoon van God is immers naast ons komen staan (Hebreeën 5 vers 2). Waar Hij tegemoetkomend is ten opzichte van onwetenden en afdwalenden, daar hoeven wij zeker niet anders te handelen. ‘Hij kan tegemoetkomend zijn jegens de onwetenden en (letterlijk: af) dwalenden, daar Hij ook zelf met zwakheid omvangen is (wordt omringd…)’ (NBG-vertaling) Let wel: ‘tegemoetkomen’ wil in het geheel niet zeggen dat Hij alles maar goedkeurt, en dat hoeven wij dus ook niet te doen. Dit impliceert dan ook niet dat er op het menselijke vlak nooit meer iemand ter verantwoording geroepen zal kunnen worden. Er gelden nu eenmaal bepaalde (leef)regels, normen en waarden, omdat we nog steeds op een acceptabele manier met elkaar willen omgaan. Hebreeën 4 vers 15 spreekt over ‘sympathiseren, samen-emotiën met zwakheden en gebreken’. Genegenheid gevoelen! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 315

‘Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medevoelen (letterlijk: sympathiseren, samen-emotiën) met onze zwakheden (ook wel: gebreken…)’ (NBG-vertaling) Net als de Zoon kunnen we op een God welgevallige wijze leren ‘samenemotiën’ ten opzichte van de zwakheden en gebreken van een ander. Dit wil niet zeggen dat we alles maar goedkeuren en ‘met de mantel der liefde bedekken’, maar de nadruk komt te liggen op het feit dat wij allen aangevochten worden en deze aanvechtingen alleen door genade kunnen leren weerstaan. ‘Gegenegenheid gevoelen voor onwetenden en afdwalenden’ vraagt heel wat van ons innerlijk, het is lijden omwille van de liefde van God. Het vraagt een bepaald geestelijk bewustzijn, bewerkt door een veranderd, een vernieuwd waarnemingsvermogen. Het vraagt dat we anderen gaan leren waarnemen zoals God óns in liefde en genade door Zijn Zoon aanziet. Laten we daarom ook niet de vergissing maken de draagkracht, die nodig is om een dergelijke vorm van ‘lijden om Zijn Naam’ te dragen, vanuit menselijke vermogens te willen forceren. Dat is veel te hoog gegrepen. Wij zijn van onszelf geen heiligen… en we zullen het voorzeker vanuit onszelf nooit worden ook! Dit is iets waar je innerlijk aan toe moet zijn vanuit de hartenkennis dat God je de kracht geeft om op een geestelijke wijze aan de onvolkomenheden van een ander voorbij te zien. Zoals God ons door Zijn Zoon aanziet mogen wij leren dat vanuit Zijn liefde (!) bij anderen te doen. Dat kan pijnlijk zijn. Deze hartenpijn is onze Redder en Heer en – niet te vergeten – onze God en Vader dan ook in het geheel niet vreemd. Omdat het een ‘lijden om Zijn Naam’ betreft, kunnen we deze pijn alleen maar op een God welgevallige wijze (ver) dragen wanneer we dat niet vanuit onze persoonlijke kracht ‘proberen’, maar daarvoor – misschien wel onder tranen – het aangezicht zoeken van Degene Die ons deze draagkracht ook voorzeker schenken zal! 316 | EÉN VOOR ALLEN

Dit betekent niet dat we met de gehele gang van zaken geen moeite meer zullen hebben, maar dit betekent opnieuw dat het menselijk on(ver) draaglijke door Gods vermogen draaglijk wordt gemaakt. ‘Broeders, zelfs indien iemand op een overtreding betrapt wordt (letterlijk: ook ingeval een mens wordt gegrepen door enige krenking), helpt gij, die geestelijk zijt, hem terecht (toebereiden) in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf; gij mocht ook eens in verzoeking komen (proberen).’ (Galaten 6 vers 1, NBG-vertaling) Waar ‘tot de orde roepen’ als eenrichtingsverkeer werkt, daar gaat ‘in zachtmoedigheid ernaast roepen’ uit van twee lijdende voorwerpen. Terechtbrengen, toebereiden in een geest van zachtmoedigheid – dit benadrukt opnieuw het feit dat wij niet tegenover elkaar, maar juist naast elkaar, staan. Er is geestelijk gezien geen enkel onderscheid tussen de ene mens en de andere. Wij kunnen, net als de Zoon van God, leren sympathiseren, samen-emotiën, met andermans zwakheden en gebreken… en dat is geweldig! Wanneer wij op een God welgevallige geestelijke wijze sympathie opbrengen voor andermans zwakheden en gebreken zal die ander, mede vanwege een dergelijke zachtmoedige houding, de vrijmoedigheid kunnen gaan opbrengen om eveneens te naderen tot de troon van Gods genade. En dat alléén brengt diegene terecht waar hij uiteindelijk zijn moet: de ootmoedigheid waarvan de Zoon getuigde. In Hebreeën 4 vers 16 lazen we hierover: ‘Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan (letterlijk: dichterbij, naderbij komen) tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om (wenselijke) hulp te verkrijgen te gelegener tijd.’ (NBG-vertaling) De opzet is dat we een ander vanuit Gods liefde en genade gaan begeleiden in het naderen tot de troon van de genade, zoals we zelf eveneens tot die troon van de genade mogen komen, ondanks al onze persoonEEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 317

lijke missers. Alles moet er op gericht zijn dat deze persoon uiteindelijk eveneens Gods barmhartigheid zal ontvangen en genade zal vinden; wat vervolgens zal leiden tot de wenselijke hulp van Boven, die nodig is om uit de bestaande situatie getrokken te worden! We zijn immers geroepen om op een geestelijke wijze mee te lijden met de ganse schepping die nog vrijgemaakt zal moeten worden vanaf de slavernij van het verderf; wanneer we dan met onze naaste zouden beginnen, zou dat mooi zijn. Laten we echter niet denken dat we iemand zélf terecht kunnen brengen, dat we iemand zélf kunnen toebereiden in een geest van zachtmoedigheid. Voor een dergelijke houding zijn we uiteraard afhankelijk van Gods Geest. ‘Doch dit alles werkt één en dezelfde Geest, die een ieder in het bijzonder toedeelt, gelijk Hij wil (letterlijk: zoals Hij bedoelt).’ (1 Korintiërs 12 vers 11, NBG-vertaling) Leef jij vanuit de hartenkennis dat je van jezelf niets mee te brengen hebt voor God, omdat je in totale afhankelijkheid leeft aan Gods barmhartigheid over jou? Leef jij vanuit de hartenkennis dat je in de toekomst ‘de vrijheid van de heerlijkheid’ zult mogen tonen aan de schepping, zoals de Zoon ons daarin is voorgegaan? ‘(…) omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden (vrijgemaakt zal worden vanaf de slavernij van het verderf) tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods (naar binnen in de vrijheid van de heerlijkheid van de uit God voortgebrachten).’ (Romeinen 8 vers 21, NBG-vertaling) Wanneer mensen op zichzelf als gelovige en hun vrije keuze voor God zien, dan zou dit op de korte duur ogenschijnlijk wel kunnen werken, maar op de lange duur zal het niet werkzaam blijken. Op de langere termijn zal uiteindelijk iedereen tot de ontdekking komen van zichzelf niets te zijn, omdat God de ganse schepping, die niet vrijwillig aan ijdelheid ondergeschikt is, wil brengen tot verootmoediging voor Zijn aangezicht. Nu kan het menselijk gezien natuurlijk wel erg jammer zijn dat we iemand dan niet langer tot de orde kunnen roepen’ maar het geeft veel meer pas om hierbij uit te gaan van Gods vermogen. Laten we maar be318 | EÉN VOOR ALLEN

ter ‘orde op zaken stellen’ door Gods grootheid hierin te erkennen, ons diep bewust van het feit dat ook geestelijke mensen zich vanuit zichzelf niet van anderen onderscheiden kunnen, maar dat God hét onderscheid maakt in een mensenleven! Het geloof, als naderingsgave van God, wordt werkzaam door liefde, liefde die eveneens van God komt. Alleen de bewustwording van Gods onvoorwaardelijke en alles overstijgende liefde voor zijn schepping kan iemand daarom daadwerkelijk ‘in zachtmoedigheid bij God terechtbrengen’. Hierin gaan we dan ook maar beter niet uit van een menselijke hernieuwde poging tot verandering, waar het aan God is het innerlijk van een mens te veranderen. Wat we daarom kunnen doen is iemand attenderen op wat God voor ons gedaan heeft en in de toekomst ook nog doen zal, ondanks al dat menselijk falen, en het vervolgens – indien mogelijk samen – in gebed bij God brengen. Laten we eens beginnen met het van God te gaan verwachten! Eerder lazen we dat een zondaar vanuit zichzelf geen God welgevallig berouw kan hebben. Geestelijk gezien kunnen mensen van zichzelf geen God welgevallig oprecht besef hebben van verkeerd handelen. Niemand kan van zichzelf een ‘omzinning’ bewerken ‘naar binnen in de erkenning van de waarheid’ en niemand kan, als gevolg daarvan, zichzelf vanuit menselijke vermogens wenden tot de wil van God. Als de betekenis van deze geestelijke waarheden tot ons doordringt dan is het vervolgens ook niet meer dan logisch dat we dit heel goed in ons achterhoofd houden wanneer we een broer of zus in de Heer in zachtmoedigheid ernaast roepen en bij God terechtbrengen. ‘In zachtmoedigheid terechtbrengen bij God’ gaat niet uit van een menselijke keuze voor God, maar van Gods Goddelijke keuze voor ons. God gaf in Zijn Zoon het beste wat Hij had en vroeg daar zelfs niets voor terug! Hoe dan nu verder want hoe gaat dat dan in Zijn werk? Romeinen 2 vers 4 vertelt ons hoe een God welgevallig oprecht besef dat men verkeerd gehandeld heeft tot stand komt. Het zegt: EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 319

‘Of veracht gij de rijkdom van zijn goedertierenheid (letterlijk: Zijn mildheid), verdraagzaamheid (draagkracht) en lankmoedigheid (geduld), en beseft gij niet (onwetend zijn), dat de goedertierenheid (mildheid) Gods (naar binnen in) u tot boetvaardigheid (berouw, omzinning) leidt?’ (NBGvertaling) Of veracht je de rijkdom van Zijn mildheid, draagkracht en geduld, en ben je (nog) onwetend dat de mildheid van God naar binnen in zondaren tot een God welgevallig berouw – een God welgevallige omzinning – zal leiden? Een God welgevallig berouw kan alleen door de mildheid van onze hemelse Vader tot stand worden gebracht in Zijn creaturen. En, wat denk je: als alleen de mildheid van God Zelf tot een God welgevallig berouw leiden zal… hoever zul jíj dan komen met:‘Waar ben jij nou mee bezig…? Hoe kan dat? Daar begrijp ik nou helemaal niks van, want jij had toch voor God gekozen?!’ Dit is een totaal verkeerde voorstelling van zaken! Nu zullen de beweegredenen die tot een dergelijke actie leiden uiteraard goed zijn – althans, laten we daarvan uitgaan – maar opnieuw: het brengt niet terecht bij de ootmoed waar God Zijn ganse schepping naartoe wil brengen: de hartenkennis dat niemand vanuit zichzelf iets mee te brengen heeft voor God omdat we totaal afhankelijk zijn van Gods barmhartigheid over ons. Het brengt niet terecht bij de troon van de genade waar de énige wenselijke hulp wacht! Het richt op onvolkomen menselijke vermogens, terwijl we gericht zullen moeten worden op Gods vermogen. Mensen zijn zelfzuchtig en denken vaak vanuit het ‘ik’. De nadruk ligt op wat wíj denken te kunnen doen, juist in ons geloofsleven. De wereld waarin wij staan wordt getekend door mensen die denken ‘als Petrus voor God in de bres te moeten springen’ en dat is niet iets van de laatste decennia. Nu kan de bedoeling van sommige van deze mensen in beginsel wel goed zijn geweest – althans: in hun eigen ogen – maar wanneer mensen in de bres gaan springen voor God is er meestal sprake van een (groot) stuk frustratie en menselijk rechtvaardigheidsgevoel, een gegeven waarvan inmiddels wel is gebleken dat het nu eenmaal niet snel tot vreedzame oplossingen leiden zal. 320 | EÉN VOOR ALLEN

De Zoon van God pakte het heel anders aan. Hij genoot een onbeschrijfelijke heerlijkheid bij Zijn Vader voor Hij deze aflegde en naar de aarde kwam. Dit was een ongeëvenaarde daad van liefde voor de Vader en een ongeëvenaarde daad van liefde voor de schepping! Omwille van deze liefde leed de Zoon. Hij (ver)droeg leed om wat Hij achterliet en Hij (ver) droeg leed omwille van de weg die God hier op aarde met Hem wilde gaan. Maar wat moet Jezus ook geleden hebben onder het feit dat al die doelmissers, die Hem zo na aan het hart lagen, zo ver van de heerlijkheid van de hemelse Vader verwijderd waren! In Romeinen 3 vers 23 lazen we vanuit NBG-vertaling: ‘Want allen hebben gezondigd (letterlijk: zondigen, missen) en derven de heerlijkheid Gods (lijden gebrek van de heerlijkheid van God…)’ Wat moet Hij met ons meegevoeld hebben toen Hij deze verwijdering uiteindelijk ook Zelf letterlijk ‘aan den lijve’ ondervond. Wat de Zoon ondervond was zoveel malen heftiger dan wat iemand uit een welvarend land, waar overvloed zich opstapelt, meemaakt wanneer hij plotseling zou worden overgeplaatst naar een land waar grote hongersnood heerst, naar een plaats waar de dood regeert en waar mensen proberen te overleven. Een plaats waar mensen uiteindelijk – misschien wel gelaten – op hun onvermijdelijke dood wachten… De tekenen van geestelijke hongersnood stonden gegrift op de gezichten van de mensen waarmee Jezus hier op aarde in aanraking kwam en de Zoon van God nam alles buitengewoon intens en haarscherp waar! Hij zag onze door leed getekende gezichten. Hij heeft bij sommigen onder ons de verminkte berusting met betrekking tot onze fysieke (uiterlijke) en, niet in de laatste plaats, mentale (innerlijke) dood gezien. Hij zag onze gelatenheid: onze gebroken wil nog langer tegen deze dood te vechten, de totale uitzichtloosheid die zich van onze harten meester had gemaakt… Dit alles moet Hem intens geraakt hebben; daar hebben wij geen flauw benul van! Mede daarom is Hij een Heer Die met ontferming over ons bewogen is en vroeg Hij Zich dan ook niet af ‘waarom God Hem verlaten moest’. Onze Redder en Heer wist waartoe Hij naar ons uitgezonden was: Hij was kwam om Zijn handen te leggen op onze door leed getekende gezichten! Hij kwam om onze gebrokenheid te helen! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 321

Hij kwam om de uitzichtloosheid weg te nemen en ons de verwachting aan het hart te brengen! Hij kwam om het leven te laten regeren in onze harten! Hij kwam ons redden van de geestelijke hongersnood! Daarom was het van essentieel belang dat de redding die Hij bracht eerst onze innerlijke gesteldheid zou betreffen in plaats van onze uiterlijke omstandigheden. Hij kwam om onze innerlijke dood buiten werking te stellen, waarop de uiterlijke dood voorzeker volgen zal! Nu was de kruisdood op zich niet bepaald exceptioneel in die tijd, massa’s mensen stierven de kruisdood. Wat exceptioneel was, was dat het hier de Zoon van de Allerhoogste betrof. Jezus heeft het diepst gebogen van ons allemaal omdat Hij van de op Eén na hoogste plaats gekomen was! Filippenzen 2 vers 6 tot en met 8: ‘(…) die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises.’ (NBG-vertaling) Vanuit de Concordante Vertaling lezen we: ‘(…) die, in de gestalte van God, die Hem eigen is, het aan God gelijk zijn geen roof acht, niettemin maakt Hij zichzelf leeg en neemt de gestalte van een slaaf aan. In de gelijkenis van de mens geworden en in gedaante als mens bevonden, verootmoedigt Hij zichzelf, gehoorzaam wordend tot aan de dood, ja, de dood van het kruis.’ In deze ultieme verootmoediging erkende de Zoon dat de liefde van de Vader nooit en te nimmer zou vergaan en onder alles zou blijven staan! 322 | EÉN VOOR ALLEN

‘Ja,’ denk je, ‘mooi gezegd, maar daar noem je dan ook Iemand! Dat gold natuurlijk voor de Zoon van God, maar dit wil echt niet zeggen dat voor ons, gewone stervelingen, hetzelfde zou opgaan… Wij kunnen Gods liefde heus wel verspelen, hoor!’ ‘Precies! Je moet er immers wel wat voor doen om vergeving te kunnen ontvangen… Je moet op z’n minst berouw hebben van je zonden!’ Je zou dan eens wat langer kunnen nadenken over het gegeven dat de liefde van onze hemelse Vader ook gebleven is nadat de mensen hun uiterlijke heerlijkheid verloren hadden en sterfelijk werden, en nadat duidelijk was dat niemand vanuit zichzelf in staat was deze heerlijkheid terug te verdienen, omdat niemand God waardig was. Wij hebben er soms ontzettend veel moeite mee dat God Zijn ganse schepping vrijpleit; dat klinkt ons allerminst rechtvaardig in de oren.‘Het kan toch niet zo zijn dat God alles maar eenvoudigweg ‘vergeven en vergeten’ zou? Genade om niet…?! Nee hoor, voor genade moet je als mens toch écht wat doen! Op z’n minst een keuze maken voor God… op z’n minst oprecht berouw hebben van je missers!’ Waar deze ‘keuze voor God’ en dit ‘oprecht berouw hebben’ vandaan komen, komt meestal helemaal niet aan de orde… In Romeinen 2 vers 4 lazen we dat berouw voortkomt uit de rijkdom van Gods mildheid. Dit geestelijke gegeven kan ons – als hedendaagse onafhankelijke mensen die we zo graag willen zijn – echter zo ‘onchristelijk’ toeschijnen. Deze van God gegeven waarheid staat immers haaks op de gedachtegang die bij alles om het hardst: ‘Zelf doen!’ roept en dat kan zeker in onze christelijke belevingswereld het geval zijn. De vraag is daarom: hebben wij van God ontvangen om al Zijn schepselen te willen leren aanzien door deze liefde … ook – of juist – die grote zondaren? Kunnen wij een ander liefhebben alvorens deze persoon een oprecht en God welgevallig berouw heeft ontvangen door middel van de onthulling van Zijn mildheid aan het hart? Kunnen wij vergeven, genade schenken of genade betonen zonder dat die ander daar ook maar iets tegenover stelt? Dit heeft God wél gedaan! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 323

‘EENVOUDIG’ GELOVEN? Mensen hebben soms het idee dat ze zich ‘goed aangekleed’ hebben, de storm mag, wat hen betreft, wel komen. Ze denken er klaar voor te zijn want ze hebben er immers alles aan gedaan. En wanneer ze zo eens om zich heen kijken, zien ze tot hun verbazing dat sommige andere mensen nog helemaal niet zo ver zijn. ‘Hè, wat dom, zeg. Maar ach… je hebt er toch! Die trekken dan weer geen jas aan, hè? Ja, en dan naderhand natuurlijk roepen dat ze het “zo koud” hebben… Maar die vragen er toch om?! Moeten ze zich maar goed aankleden. Gewoon even op tijd naar het weerbericht luisteren en jezelf goed inpakken… Dat is toch niet zo moeilijk?!’ Eigenlijk is het heel eenvoudig dus. Het liefst mijd je mensen die zó zijn. Je gaat liever om met mensen die – net als jij – verstandig zijn. Mensen die het ‘goed’ doen en die ‘de jas van hun eigen kunnen’ stevig om zich heen geslagen hebben… Binnen geloofsgemeenten kan het ook zo werken. We gaan gewoon maar uit van ‘het menselijk kunnen’ als het middelpunt van alles; precies zoals zo veel mensen die helemaal niet geloven dat doen. ‘Hé, moet je dat nou horen! Die geloven dat God de leiding over alles heeft. Nou, dan komen ze toch mooi bedrogen uit, want dat moet je toch echt anders zien!’ Lekker warm, die ‘oude vertrouwde jas’ om je heen. Hier en daar vallen de gaten er wel in, maar vooruit… het zal jouw tijd wel duren. Laten we vooral maar niet te moeilijk doen, want: geloven moet immers eenvoudig zijn. Wanneer geloven ‘eenvoudig’ is… is dat een enorme zegen, laten we dat vooropstellen. Toch zijn er heel veel mensen voor wie dat ‘eenvoudig geloven’ eenvoudigweg nog mijlenver buiten bereik ligt. Mogelijk doordat er nog veel obstakels vanuit bijvoorbeeld de (christelijke) traditie in de weg liggen. Tradities waardoor mensen soms met teleurstellingen, levensvragen, verdriet, wrok of verbittering zijn blijven zitten. Verre van eenvoudig! Zo was iemand eens in gesprek met een bekende sportvrouw, het betrof een televisie-interview. 324 | EÉN VOOR ALLEN

De vrouw in kwestie vertelde over haar jeugd in een kleine dorpsgemeenschap, waar de kerk destijds nog ‘de scepter zwaaide’. De kerk deed uiteraard ook goede dingen – dat vooropgesteld – maar toen haar oma op haar sterfbed lag kwamen de afgevaardigden van de kerk vertellen dat ze haar boerderij aan de kerk moest afstaan ‘omdat ze anders verloren zou gaan’. De boerderij werd zodoende geconfisqueerd en de zoon van de overleden vrouw – de vader van de desbetreffende sportvrouw – had nadien alle mogelijke moeite moeten doen om de boerderij weer van de kerk terug te kopen en zijn hoofd vervolgens nog boven water te houden. Deze gang van zaken had hen – logischerwijs – geschaad. Verre van eenvoudig… en nog niet eens zo heel erg lang geleden! Sommige gelovigen zien in hun leven de vreugde van Gods redding als zand tussen hun vingers door glippen. Ze merken wel dat het niet goed gaat, maar hebben geen idee hoe het anders zou kunnen of waar het ook maar aan zou kunnen liggen. Geloof is voor hen ongrijpbaar geworden… verre van eenvoudig. Zo kan voor jonge kinderen het aantrekken van een trui een worsteling zijn. ‘Hoe moest het nou ook alweer met die mouwen?! Nee hè, achterstevoren! Nog maar eens proberen… Waar zat dat gat van die mouw nu ook alweer?’ Terwijl er ook kinderen zijn die het trucje allang kennen: armen in de mouwen, trui over het hoofd… en klaar. Simpel zat! Ook kunnen de meest vanzelfsprekende en eenvoudige dingen die altijd maar voor lief werden genomen door bepaalde omstandigheden plotseling een moeilijke opgave worden. Wanneer je bijvoorbeeld een gebroken arm hebt, blijken allerlei trucjes soms ineens niet meer te volstaan. Sommige mensen maken iets mee wat dermate diep ingrijpt op hun leven dat ze daadwerkelijk alles wat ze voorheen voor ‘waar’ hadden aangenomen gaan betwijfelen. Waar God dezelfde God van liefde is gebleven, daar kunnen ze Hem niet meer als zodanig waarnemen en ervaren in hun leven, omdat hun wereld op z’n kop staat en ze alles om zich heen ineens in een totaal ander daglicht zijn gaan plaatsen. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 325

Wat is nou ‘waar’?! En ‘wie’ of ‘wat’ kan ik nu eigenlijk nog geloven? Soms kan het leven als mensen nog heel jong zijn al schudden op zijn grondvesten. Ik wil hiermee maar zeggen dat er nog zo veel mensen zijn voor wie geloven juist verre van eenvoudig is. Geloven is niet zo eenvoudig, wanneer het zicht vertroebeld wordt door allerlei gebeurtenissen die mensen met zich meedragen. Geloven is niet zo eenvoudig, wanneer het zicht vertroebeld wordt door eeuwenoude tradities. Alleen de taal van Gods liefde die uit Zijn waarheid spreekt zal uiteindelijk door iedereen worden verstaan! Over ‘eenvoudig geloven’ gesproken… Het hangt allemaal af van Gods gave van geestelijke rijkdom, die niets van doen heeft met menselijke vermogens, maar alles met de genade die aan ons verschenen is! Over ‘eenvoudig geloven’ gesproken… Hoe kan geloven ‘eenvoudig’ zijn wanneer wij denken het allemaal zelf te moeten doen… en Gods vermogen op het tweede plan plaatsen? Misschien wel op het láátste plan…? Het is bij nader inzien helemaal niet ingewikkeld te noemen dat het God Zelf is Die door Zijn mildheid alle zondaren uiteindelijk een God welgevallig berouw zal doen toekomen, al komt dit aanvankelijk anders op ons over. We kunnen door deze waarheid inderdaad overhoop komen te liggen met onszelf en met de manier waarop we hier voorheen over dachten, maar het feit dat God het vanuit Zijn vermogen zal bewerkstelligen maakt het uiteindelijk alleen maar veel eenvoudiger. 326 | EÉN VOOR ALLEN

Alles wordt eenvoudiger wanneer we gaan onderkennen dat het God Zelf is die mensen op een geestelijke wijze ‘nuchter laat worden’ en ‘los laat komen uit de valstrik van de dooreenwerper’. En zeker wanneer we dan ook nog gaan verstaan dat Hij het eveneens Zelf is Die maken zal dat uiteindelijk alle doelmissers zich zullen gaan wenden tot Zijn wil! Zo is de Zoon ons een van God gegeven geestelijk Schild geworden. Een van God gegeven Schild voor alle vlammende pijlen die de tegenstander op ons afvuurt. ‘(…) neemt bij dit alles het schild des geloofs ter hand, waarmede gij al de brandende pijlen van de boze zult kunnen doven (…)’ (Efeziërs 6 vers 16, NBG-vertaling) ‘(…) in alles opnemend het langschild van het geloof, waarmee jullie alle vlammende pijlen van de boze zullen kunnen blussen.’ (Concordante Vertaling) Pijlen als: ‘Jíj bent schuldig!’ ‘Jíj voldoet niet!’ ‘Jíj, waardeloze nietsnut!’ ‘Jíj? Was jij niet degene die…?!’ Wanneer wij in alles het langschild van het geloof opnemen dan is dat een enorme genadegave, aangezien het geloof op zich al een gave is van God aan de mens. ‘Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht (letterlijk ook wel: van de hand gedaan) onder de zonde.’ (Romeinen 7 vers 14, Statenvertaling, Jongbloed-editie) Wij zijn allen verkocht, van de hand gedaan onder ongeloof. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 327

‘Ik, ellendig mens! Wie (letterlijk: Wat) zal mij verlossen (bergen) uit het lichaam dezes doods? (Genade echter!) Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here (Heer)!’ (Romeinen 7 vers 24 en 25, NBG-vertaling) Zo God het geeft, kun je net als Paulus gaan erkennen dat je alleen door genade vrijgemaakt kunt worden uit de valstrik van de dooreenwerper. Zo God het geeft, kun je, mogelijk onder tranen, gaan erkennen dat je een Redder en Heer nodig hebt Die, met Zijn vloekdood, alle aanklachten tegen je vernietigd heeft. ‘(…) gij zijt gekocht en betaald (letterlijk: met een betaalmiddel, prijs).’ (1 Korintiërs 6 vers 20, NBG-vertaling) ‘Want zo zegt de HEERE (IEUE, Jahweh): Gijlieden zijt om niet verkocht, gij zult ook zonder geld gelost worden.’ (Jesaja 52 vers 3, Statenvertaling, Jongbloed-editie) ‘God zocht geen voldoening of betaling van de schuld – Hij vergééft de schuld! Het idee dat God Zijn woede moest koelen en Jezus daarin als een “bliksemafleider” fungeerde, is zonder meer een karikatuur van de Bijbelse voorstelling. Het woord “losprijs” wil zeggen: een prijs die betaald wordt om bijvoorbeeld slaven of gevangenen vrij te kopen. Een losprijs wordt betaald aan degene die gevangen houdt, zodat deze daarna geen eigenaar meer is. Geen “plaatsvervangende straf” en geen boze Vader die zijn onschuldige Zoon “straft”. God eist geen bloed om te kunnen vergeven, maar bewijst juist via bloedstorting hoe vergevend Hij is! Op het kruis zien we de climax van de vijandschap van de wereld, het was de grootste krenking van God ooit en is daarmee het ultieme bewijs van Gods liefde geworden.’4 Gods liefde heeft de eigenschap dat ze uiteindelijk allen tot Zich trekt. Het is echter niet zo dat alle doelmissers tegelijk getrokken worden om deze wonderlijke gang van zaken met hun hart te gaan leren verstaan. 328 | EÉN VOOR ALLEN

De een wordt eerder getrokken dan de ander, en over het moment waarop een schepsel getrokken wordt gaat God en God alléén. ‘Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke (…)’ (Johannes 6 vers 44, NBG-vertaling) Bijkomend gevolg is dat er dus geen blijdschap in de hemel is wanneer ‘een zondaar zichzelf tot God bekeert heeft’, maar dat er blijdschap in de hemel is wanneer God opnieuw een zondaar berouw, of omzinning, heeft doen toekomen en hem – door middel van de erkenning van de waarheid – tot Zijn milde Vaderhart getrokken heeft! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 329

330 | EÉN VOOR ALLEN

HOOFDSTUK 13 GELIjk GIj mIj LIEFHEBT ‘En de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn: Ik in hen en Gij in Mij, (letterlijk: op)dat zij volmaakt (tot ontwikkeling komen, rijpen, volgroeien, volwassen worden gemaakt) zijn tot (naar binnen in) één, opdat de wereld (kosmos > het systeem, stelsel of geheel) erkenne, dat Gij Mij gezonden (benoemd, aangesteld, gevolmachtigd) hebt, en dat Gij hen liefgehad hebt (dat Gij hen liefhebt), gelijk Gij Mij liefgehad hebt (gelijk Gij Mij liefhebt).’ – JOHANNES 17 vers 22 en 23, NBG- vertaling VOLmaakT EN GOED Zoals aan het begin van dit boek aangegeven: ‘Onze hemelse Vader lijdt Zelf meer om het lijden van Zijn schepping dan wij, mensen, ooit zullen kunnen bevatten. Ook de lijdensweg die de Zoon moest gaan was allang bij God bekend voordat Hij aan Zijn allesomvattende plan begon. We zouden ons daarom kunnen afvragen waarom God niet meteen alles zo gemaakt had dat dergelijke zaken helemaal niet meer hoefden voor te komen, want dan had Zijn Zoon immers die lijdensweg ook niet hoeven gaan. Hebben we ons weleens afgevraagd hoe God Zijn schepping – waarin het kwaad, de verleiding tot het kwaad en de kennis ervan aanwezig waren – als ‘goed’ heeft kunnen beoordelen? Een schepping waarin de Zoon een onmenselijk lijden zou moeten ondergaan om Gods bedoeling met Zijn schepping te volvoeren?’ Had God eigenlijk niet veel beter meteen maar korte metten met het kwaad kunnen maken? Of – beter nog – had God niet beter meteen alles volmaakt kunnen scheppen, zodat al die zonden en dergelijke helemaal niet konden voorkomen?! Dat zou tenminste pas echt ‘goed’ zijn geweest! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 331

Waarom moest de mensheid zonodig hartenkennis krijgen van hetgeen God goed en kwaad noemt? In onze menselijke wijsheid noemen wij God ‘dwaas’, maar dwaasheid bij de mens is wijsheid bij God. Een ziels mens ontvangt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet kennen, omdat het slechts op een geestelijke wijze te beoordelen is. Waar we bijvoorbeeld naar de mens gesproken nooit voor een ander zouden kunnen bidden, daar kunnen we dat vanuit Gods vermogen wel. Een aangrijpend voorbeeld hiervan is de bijzondere levensgeschiedenis van Corrie ten Boom: ‘De familie Ten Boom had een klokken- en horlogewinkel in Haarlem. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bood zij onderdak aan Joden en beschermde zij leden van de ondergrondse. In 1944 werd de familie opgepakt. Corrie en haar zus Betsie kwamen samen in een concentratiekamp terecht, waar alleen Corrie op wonderbaarlijke wijze overleefde. In een van haar boeken beschrijft ze dat een bewaakster iemand mishandelde en hierop vroeg Corrie zich hardop af ‘wat zij voor deze mensen konden doen’. Haar zuster gaf aan dat ze daar inderdaad iedere dag voor bad, of God hun zou laten zien dat de liefde alles te boven gaat! Pas later begreep Corrie dat zíj gedacht had aan de slachtoffers, maar Betsie aan hun beulen. Na de oorlog voelde Corrie zich geroepen iedereen te vertellen wat zij en haar zus in het dodenkamp hadden geleerd: ‘Er is geen put zo diep, of Gods liefde gaat nog veel dieper,’ en ‘God zal ons de liefde geven om onze vijanden te vergeven.’ In de daaropvolgende 33 jaar bezocht Corrie meer dan 60 landen waar ze getuigde van Gods liefde en iedereen bemoedigde met de woorden: ‘Jezus is Overwinnaar!’ Er vond een ontmoeting plaats tussen Corrie en een van haar beulen, dat was jaren later, tijdens zo’n bijeenkomst. Hij vroeg haar hem te vergeven, maar Corrie kon dat nauwelijks. Toch lukte het haar in de kracht van Gods liefde.’1 Het is bijna niet te geloven als je dit leest. Het is toch een groot Godswonder dat iemand op een dergelijke wijze van Gods liefde kan getuigen! 332 | EÉN VOOR ALLEN

Hoeveel kracht moet een mens wel niet van God ontvangen om nog van Zijn liefde te kunnen en – bovenal – wíllen getuigen in en na een dergelijke situatie…?! Wat een enorme bewustzijnsverandering moet hieraan vooraf zijn gegaan en wat een innerlijke strijd zal dat gekost hebben – naast al die andere beproevingen, ontberingen en mensonterende situaties die deze mensen in de kampen hebben moeten doorstaan. Een levensgeschiedenis als die van Betsie en Corrie ten Boom kan vragen in ons oproepen. ‘Maar gaan er dan helemaal geen mensen meer verloren? Want het kan toch niet zo zijn dat grote oorlogsmisdadigers ook nog “zomaar” bij God zouden kunnen komen?! Bovendien, als ze daar al komen… dan zal ik in ieder geval de laatste zijn die hen met open armen zal ontvangen!’ Dergelijke uitspraken zijn vanuit de mens gezien niet meer dan logisch te noemen. We kunnen ze toepassen op alle mensen die de rechten van de mens met voeten hebben getreden, en laten we het dierenleed niet uitvlakken. ‘Wat een leed kunnen mensen elkaar niet berokkenen… en moeten we díe mensen dan nog vergeven, zelfs al hebben ze niet eens berouw van hun daden?! Nee, dat is toch ónmenselijk als je ziet wat sommige mensen hebben aangericht!’ Toch leert Jezus Zijn discipelen wel degelijk bidden: ‘(…) en vergeef (letterlijk: vanaf laten, laten gaan) ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren (van onze schuldenaren aflaten, onze schuldenaren laten gaan…)’ (Matteüs 6 vers 12, NBG-vertaling) Hier wordt niet genoemd dat schuldenaren eerst berouw zullen moeten tonen, alvorens men ‘van hen af zou laten’ of ‘hen zou laten gaan’. Dat was ook zeker niet aan de orde toen de Zoon Zelf gekruisigd werd en bad: ‘Vader, vergeef het hun (letterlijk: laat af van hen, laat ze gaan), want zij weten niet wat zij doen.’ (Lucas 23 vers 34, NBG-vertaling) Nu zijn deze teksten ons ter lering gegeven omdat rechtvaardiging nog heel wat verder gaat dan ‘van aflaten’ of ‘laten gaan’. De Zoon van God weet echter als geen Ander wat het is wanneer een mens ook aan zijn innerlijk ‘sterft’ wanneer hij – door en omwille van Gods liefde – op een EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 333

geestelijke wijze leert aan zichzelf voorbij te zien! ‘Hij zeide tot allen: Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme dagelijks zijn kruis op en volge Mij.’ (Lucas 9 vers 23, NBGvertaling) Deze tekst gaat zeker niet alleen over het achter je laten van materiële zaken. Gods liefde is tot veel meer in staat! Ze helpt ons eveneens onze trots, onze zelfbescherming, gevoelens als intense wanhoop en verscheurend verdriet achter ons te laten op een wijze die ons hart van binnenuit helen zal! Dit moeten we echter niet verwarren met een menselijke poging tot ‘voorbij zien aan’, want je kunt in deze lijdensweg alleen op een welgevallige wijze staande blijven wanneer het een van God verkregen waarheid in je hart is dat ‘lijden voor Christus’ een genadegunst van God is. Dergelijke zaken achter je laten voelt dan niet meer aan als een opgelegde zaak, maar veel meer als een bevrijding van zware ballast, wat een enorme verwachting in je opwekt over hetgeen waartoe Gods liefde nog meer in staat zal blijken te zijn. ‘Want aan jullie is de genade geschonken, voor Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden, dezelfde worsteling hebbend die jullie in mij zien en nu over mij horen.’ (Filippenzen 1 vers 29, Concordante Vertaling) De Zoon voelt met ons mee, sympathiseert met onze zwakheden en beleeft iedere emotie samen met ons! Hij is, net als wij, beproefd geweest in alle dingen. Hij kwam om vijandelijk gezinden te dienen, om Zijn vijanden lief te hebben. Hij kwam om Zijn kostbare leven voor de grootste misdadigers te geven! Zo kunnen ook wij (een deel van) Zijn pijn, Zijn lijden ondervinden wanneer God ons laat zien dat het liefhebben van onze vijanden (let wel: dit betreft wederom een door de Vader en de Zoon geïnspireerde liefde die niet uit onszelf voortkomt) ook onze bestemming is wanneer wij gelijkvormig aan het beeld van de Zoon worden gemaakt. 334 | EÉN VOOR ALLEN

Gaan er dan helemaal geen mensen meer verloren? Dat wel, maar op een andere manier dan wij veelal aannemen omdat de traditie ons anders geleerd heeft. ‘Gaan er mensen verloren? Jazeker! Een beter woord voor verloren gaan is “omkomen”. Velen zullen omkomen in de gerichten die over de aarde zullen komen. Zij zullen de komende aionen niet opstaan, en niet de heerlijkheid van deze tijdperken meemaken, in tegenstelling tot de uitgeroepen gelovigen.’2 ‘Richten’ is altijd naar God toe en nooit van God af. Een gericht van God is om alle zondaren uiteindelijk op Zijn liefde te richten. ‘(…) opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel (letterlijk: opdat in de Naam van Jezus alle knie buigt van de hemelingen) en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden (van harte belijdt): Jezus Christus is Here (Heer), tot eer (naar binnen in de heerlijkheid) van God, de Vader!’ (Filippenzen 2 vers 10 en 11, NBG-vertaling) ‘Omkomen in een gericht’ heeft bij God daarom nooit te maken met een toestand die eeuwig voortduurt, want daarmee zou God Zijn Eigen doel met de schepping voorbijschieten en daar kan natuurlijk geen sprake van zijn, want God is Zelf geen doelmisser. Omkomen in een gericht is tijdgebonden. ‘Zal dan de Heere (letterlijk: mijn Heer) in eeuwigheden (voor aionen) verstoten (ook wel: wegdoen, wegwerpen), en voortaan niet meer goedgunstig zijn (verder niet langer goedkeuren)? Houdt Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op (Is Zijn goedheid of vriendelijkheid blijvend begrensd of beperkt)? Heeft de toezegging een einde, van geslacht tot geslacht (Houdt Zijn spreken op van generatie tot generatie)? Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten (Vergat God genadevol te zijn of sloot Hij in verontwaardiging Zijn barmhartigheden af voor een bepaalde periode)?’ (Psalm 77 vers 8-10, Statenvertaling Jongbloed-editie) EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 335

Laten we nu wat dieper ingaan op de vragen die hier worden gesteld: • Zal de Heer voor aionen verstoten of wegdoen, en verder niet langer goedkeuren? • Is Zijn goedheid of vriendelijkheid blijvend begrensd of beperkt? • Vergeet God genadevol te zijn of is er mogelijk een pauze ingelast aangaande Zijn barmhartigheden? Het antwoord is: ja en nee. God is niet vergeten genadevol te zijn, maar heeft, met betrekking tot Israël, wel degelijk een pauze ingelast. Dit betekent echter niet dat God niet langer met compassie over Zijn volk bewogen zou zijn. ‘Een kort ogenblik heb Ik u verlaten, maar met groot erbarmen (letterlijk: groot medelijden) zal Ik u tot Mij nemen (bijeenroepen…)’ (Jesaja 54 vers 7, NBG-vertaling) ‘Ik zal u weghalen (letterlijk: nemen) uit de volken (natiën) en u bijeenvergaderen (bijeenroepen) uit alle landen, en Ik zal u brengen naar uw eigen land (grond); Ik zal rein water over u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinheden en van al uw afgoden zal Ik u reinigen; een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste; het hart van steen zal Ik uit uw lichaam (uit uw vlees) verwijderen en Ik zal u een hart van vlees geven. Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven en maken, dat gij naar mijn inzettingen wandelt en naarstig mijn verordeningen onderhoudt (Mijn richten zult gij observeren en uitvoeren). (Ezechiël 36 vers 24-27, NBGvertaling) God doet hét… in het hart van Zijn volk! God heeft hen niet behoed voor struikelen, maar zij zullen een nieuw hart, en een nieuwe geest in hun binnenste ontvangen. Een geest die niet langer weerspannig, maar bereidwillig en inschikkelijk zal zijn. God schept in hen een rein hart en vernieuwt in hun binnenste een opgerichte, gevestigde geest. Hij verwerpt hen niet langer van Zijn aangezicht maar hergeeft hen de vreugde van Zijn redding. Precies zoals Hij dat destijds 336 | EÉN VOOR ALLEN

met David gedaan heeft (Psalm 51 vers 12 tot en met 14)! ‘Hem nu, die u voor struikelen kan behoeden (letterlijk: Nu, voor Hem Die in staat is jullie te bewaken voor struikelen) en onberispelijk doen staan voor zijn heerlijkheid in grote vreugde (en smetteloos, met gejuich, te doen staan in het aangezicht van Zijn heerlijkheid), (voor) de enige God, onze Heiland (Redder), zij door Jezus Christus, onze Here (door Jezus Christus, onze Heer), (zij) heerlijkheid, majesteit, kracht en macht vóór alle eeuwigheid (macht en gezag voor de hele aion), èn nu èn in alle eeuwigheden (en in al de aionen)! Amen.’ (Judas, vers 24 en 25, NBG-vertaling) Hij zal hen smetteloos, met gejuich, doen staan in het aangezicht van Zijn heerlijkheid! Hij zal Zijn Geest in hun binnenste geven en hen tot Zijn geestelijke bestemming brengen. In Romeinen 11 vers 11 en 12 lezen we vanuit de NBG-vertaling: ‘Ik vraag (letterlijk: zeg) dan: zij zijn toch niet zo gestruikeld, dat zij wel vallen moesten? Volstrekt niet! Door hun val (het effect van hun krenking, ook wel: naast, terzijde vallen) is het heil (de redding) tot de heidenen (de natiën) gekomen, om (naar binnen in) hen tot naijver op te wekken. Betekent nu (Indien echter) hun val (het effect van hun krenking) rijkdom voor de wereld en hun tekort (ook wel: degradatie) rijkdom voor de heidenen (natiën), hoeveel te meer hun volheid (het effect van hun completering)!’ De draad met Israël zal (spoedig) weer worden opgepakt, want God lastte een pauze in, maar Zijn goedheid en Zijn goedertierenheid zijn daar niet mee komen te vervallen. Het effect van hun completering zal er niet minder om zijn. Hetzelfde principe zal uiteindelijk opgaan voor alle aardsen, onderaardsen en hemelsen. God last aangaande Zijn creaturen soms een pauze in – God verstoot, werpt weg voor tijdperken – maar komt voorzeker terug op datgene wat Hij heeft aangezegd waar te zullen maken. God verstoot – doet weg – voor aionen… maar Zijn goedheid, Zijn vriendelijkheid is niet blijvend begrensd of beperkt. God zal niet vergeten genadevol te zijn, maar last enkel een pauze in aangaande Zijn barmhartigheden. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 337

God doet hét… uiteindelijk in het hart van iedere zondaar! Alle harten van steen zullen op Gods tijd uit Zijn oude schepping (het vlees) verwijderd worden. Alle doelmissers zullen een nieuw hart ontvangen dat zal kloppen voor Hem, Die liefde is. Want… waar zijn harten anders voor gemaakt?! Onze hemelse Vader zal uiteindelijk alle doelmissers met gejuich, doen staan in het aangezicht van Zijn heerlijkheid. Hij zal Zijn Geest in ieders binnenste geven en hen tot Zijn geestelijke bestemming brengen. Dát is waar gerichten voor bedoeld zijn; om op Zijn liefde te richten die nooit vervallen zal. Zijn goedheid, Zijn vriendelijkheid zijn niet blijvend begrensd of beperkt! Wanneer wij ook maar iets doen wat geestelijk is, dan komt dat voort uit Gods scheppingswerk aan ons hart. Laten we daarom – als natiën – niet in de verleiding worden gebracht om hooggezind te zijn door te gaan afgeven op het afvallige deel van Israël. Het is immers aan God te bepalen ‘wie op welk moment waartoe geroepen is’. Geloof is en blijft een naderingsgave van God, waar we zelf helemaal niets aan kunnen toevoegen… of afdoen. ‘Gij zult dan zeggen: er zijn takken weggebroken (letterlijk: uitgebroken), opdat ik als loot geënt zou worden. Goed (Uitstekend)! Zij zijn om hun ongeloof weggebroken (uitgebroken) en gij staat door het geloof. Wees niet hoogmoedig (wees niet hooggezind), maar vrees! Want indien God de natuurlijke takken niet gespaard (Grieks: ouk epheisato > niet ontzien) heeft, Hij zal ook u niet sparen (niet ontzien).’ (Romeinen 11 vers 19-21, NBG-vertaling) Als we deze verzen vanuit de NBG-vertaling lezen dan zou de volgende hardnekkige gedachte weleens boven kunnen komen wanneer we deze tekst niet op volkeren betrekken maar op individuen: ‘Zie je nou wel…?! Je zult toch echt zelf aan “bepaalde geloofsvoorwaarden” moeten voldoen, want anders zal God je niet sparen en ben je dus niet gered!’ Dit is een conclusie die in veel geloofsgemeenten voor zoete koek wordt aangenomen omdat men uitgaat van de vermogens van de mens en niet van de genadegaven van God. Men is hooggezind omdat men uitgaat van een vleselijk geloof dat gebaseerd is op menselijke vermogens… en men 338 | EÉN VOOR ALLEN

vreest God. God is echter niet te vrezen omdat wíj niet zouden voldoen; dat is allang bekend bij onze hemelse Vader Die ons Zelf als zondaren heeft ingezet. ‘Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen (letterlijk: aan ijdelheid ondergeschikt), niet vrijwillig, maar om (NBG: de wil van) Hem (vanwege de Onderschikker), die haar daaraan onderworpen (ondergeschikt) heeft (…)’ (Romeinen 8 vers 20, NBG-vertaling) God is te vrezen vanwege het feit dat er in onszelf niet te roemen valt… omdat Hij ‘dé Bepalende Factor’ is, Die ons het ‘zo benodigde geloof’ op Zijn tijd doet toekomen! ‘Want God heeft hen allen onder ongehoorzaamheid besloten (letterlijk: het al tezamen ingesloten naar binnen in weerspannigheid), om Zich over hen allen te ontfermen (opdat Hij het al barmhartig, genadig, zou zijn).’ (Romeinen 11 vers 32, NBG-vertaling) Geloof is niet gebaseerd op een vrije menselijke keuze, geloof is een hartenzaak die enkel door de hemelse Vader in ons hart bewerkt kan worden. Het kan niet vaak genoeg tegen ons, eigengereide mensen, gezegd worden: God is te vrezen omdat we afhankelijk zijn van Zijn barmhartigheid over ons! Hij is barmhartig over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil. Of heeft de pottenbakker niet de volmacht over het leem om uit dezelfde kneedbare substantie het ene voorwerp te vervaardigen tot instrument naar binnen in eer of waarde, het andere naar binnen in oneer, zonder waarde? ‘Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt (letterlijk: rent), maar van God, die Zich ontfermt (van Gods barmhartigheid).’ (Romeinen 9 vers 16, NBG-vertaling) In Romeinen 11 vers 19 tot en met 21 ligt de nadruk op het feit dat we niet hooggezind moeten zijn ten opzichte van andere schepselen omdat EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 339

we mogen leven vanuit de van God gegeven hartenkennis dat niemand in zichzelf kan roemen. We kunnen enkel staan door geloof wanneer we ons er terdege van bewust zijn geworden dat dit niet van onszelf afhangt, maar van Gods naderingsgave die tot stand wordt gebracht door het volmaakte geloof van de Zoon. We onderscheiden onszelf niet, we kunnen onszelf niet aanbevelen… maar bevelen in grote dankbaarheid onze God aan! ‘Maar God zij gedankt, die ons te allen tijde in Christus doet zegevieren (…)’ (2 Korintiërs 2 vers 14, NBG-vertaling) ‘Maar Gode (letterlijk: echter) zij dank, die ons de overwinning (de verovering) geeft door onze Here (Heer) Jezus Christus.’ (1 Korintiërs 15 vers 57, NBG-vertaling) Wanneer we denken dat de woorden niet sparen gelijkstaan aan ‘voor eeuwig verloren gaan en gepijnigd worden’ dan hoeven we maar even aan de Zoon Zelf te denken om precies te kunnen weten wat deze woorden betekenen. ‘Wees niet hoogmoedig (letterlijk: wees niet hooggezind), maar vrees! Want indien God de natuurlijke takken niet gespaard (Grieks: ouk epheisato > niet ontzien) heeft, Hij zal ook u niet sparen (niet ontzien).’ (Romeinen 11 vers 20 en 21, NBG-vertaling) ‘Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard (Grieks: ouk epheisato > niet ontzien), maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen (genadig, goedgunstig) schenken?’ (Romeinen 8 vers 32, NBG-vertaling) Hier wordt immers hetzelfde Griekse woord ‘epheisato’ gebruikt! In menselijke ogen heeft God Zijn eigen Zoon inderdaad aan het vloekhout ‘verloren’ laten gaan… Hij heeft Hem ‘niet gered’. Maar dat God Zijn Eigen Zoon ‘niet spaarde’ wilde geenszins zeggen dat Hij niet aan bepaalde geloofsvoorwaarden voldeed, al dachten en beweerden omstan340 | EÉN VOOR ALLEN

ders heel wat anders. Als er Eén voldeed, dan was Hij dat! Eerder lazen we al dat de Zoon op volmaakte wijze aan alle geloofsvolwaarden heeft voldaan: ‘Wij (…) weten echter, dat een mens niet gerechtvaardigd wordt uit werken van de wet, maar alleen door het geloof van Christus Jezus. En wíj geloven in Christus Jezus, opdat wij gerechtvaardigd zouden worden uit het geloof van Christus en niet uit werken van de wet, omdat uit werken van de wet totaal geen vlees gerechtvaardigd zal worden.’ (Galaten 2 vers 16, Concordante Vertaling) De Zoon heeft voor ons allemaal op volmaakte wijze aan alle geloofsvoorwaarden voldaan en daarom worden wij gerechtvaardigd uit Zíjn geloof! Wat kunnen we hier nu van leren? Wanneer er schepselen niet gespaard worden, dan kan dat enkel een tijdelijke toestand van ‘niet gespaard worden’ betreffen, aangezien de Zoon van God eenzelfde lot heeft moeten ondergaan. God ontzag de Zoon niet, maar heeft Hem – tijdelijk – ‘tot zonde gemaakt’ terwijl Hij onschuldig en ‘los van zonde’ was. ‘Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medevoelen (letterlijk: sympathiseren, samen-emotiën) met onze zwakheden (ook wel: gebreken), maar een, die in alle dingen op gelijke wijze (NBG: als wij) is verzocht geweest (Een Die beproefd is in alles in gelijkheid), doch zonder te zondigen (los van zonde).’ (Hebreeën 4 vers 15, NBG-vertaling) ‘Betekent dat dan dat er een mogelijkheid bestaat dat de Zoon wél heeft gezondigd?’ Nee, zo moeten we dat niet zien. De Zoon was los van ongeloof en zondigde daarom ook niet, omdat alle zonden uit ongeloof voortkomen. ‘Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem.’ (2 Korintiërs 5 vers 21, NBG-vertaling) EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 341

De Zoon geloofde de Vader in alles. Zonde heeft bij doelmissers te maken met ongeloof, zoals we konden lezen in Johannes 16 vers 8 en 9. Waar het ongeloof al vanaf de aanvang in Adam en Eva aanwezig was, is dat echter niet het geval bij de Zoon. De Zoon werd ‘tot zonde gemaakt’ en heeft, dientengevolge, de gevolgen van het ongeloof willen dragen. De Zoon werd – wat Zijn uiterlijke gestalte betrof – om onzentwil verlaagd tot een oude, vergankelijke, tijdelijke schepping die zelfs nog sterven moest. Dat ís wat… als je erover nadenkt! De Zoon zal de wereld, maar uiteindelijk de ganse schepping, overtuigen van zonde omdat Hij de zonde blootlegt. ‘Hij heeft de overheden en machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en zo over hen gezegevierd.’ (Kolossenzen 2 vers 15, NBG-vertaling) ‘De soevereiniteiten en de volmachten ontmantelend, stelt Hij hen in vrijmoedigheid tentoon, daarin over hen zegevierend.’ (Concordante Vertaling) God wil de mensheid, en uiteindelijk alle vijanden van de waarheid, tot verootmoediging brengen voor Zijn aangezicht om Zich over allen te ontfermen. Uit het geloof van de Zoon zal de ganse schepping gerechtvaardigd worden om niet. ‘Want allen hebben gezondigd (letterlijk: zondigen, missen) en derven de heerlijkheid Gods (lijden gebrek van de heerlijkheid van God), en worden om niet gerechtvaardigd uit (in) zijn genade, door de verlossing (vrijkoping) in Christus Jezus.’ (Romeinen 3 vers 23 en 24, NBG-vertaling) Dus… God heeft Zijn Zoon niet ontzien en God heeft het Joodse volk niet ontzien. Ook zal God de natiën niet ontzien die de spot drijven met Zijn volk en hooggezind zijn. God zal geen enkel schepsel in de ganse schepping ontzien! Het feit dat ‘de redding waarop mensen zich focussen’ uitblijft wil dan ook niet zeggen dat er aan Gods grenzeloze liefde een einde zou zijn gekomen of dat deze verspeeld zou kunnen worden. Temeer omdat God 342 | EÉN VOOR ALLEN

de Zoon voor ons allen overgegeven heeft… en ons, mét Hem, ook alle dingen genadig, goedgunstig schenken zal! ‘Als wij de woorden “eeuwige straf” zien staan, is het van belang om daar geen dimensies of begrippen in te lezen die zij niet bevatten. Jezus praat niet over “eindeloos” in de betekenis die wij aan dat begrip geven. Het door de Hebreeuwse schrijvers gebruikte woord dat een begrip als “eindeloos” het dichtst benadert, is “olam”. “Olam” kan vertaald worden als “verdwijnpunt”, “ver weg”, “een hele tijd”, “langdurig” of “aan of voorbij de horizon”. Als “olam” op God wordt toegepast, zoals in Psalm 90 (“U bent, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid”, vers 2), dan komt dat veel dichter bij wat wij verstaan onder het woord “eindeloos”, namelijk een onbegrensde periode. Maar in andere teksten, waar dit woord niet wordt gebruikt om God te beschrijven, heeft het heel andere betekenissen. Jona bijvoorbeeld bidt tot God, die hem “voorgoed”’ (olam) in de buik van een vis heeft laten belanden, en drie dagen later wordt hij weer uitgespuugd.’3 God beoordeelt naar geestelijke maatstaven, maatstaven die ons ‘tegennatuurlijk’ overkomen. De mens beoordeelt op een vleselijke manier, een manier die past bij de menselijke natuur die in overeenstemming met de oude schepping is. Dat verandert wanneer God het mogelijk maakt dat we gaan leren op een geestelijke manier waar te nemen en te ervaren, doordat Hij een nieuwe mens in ons innerlijk schept. Wanneer God het in het hart van Betsie ten Boom bewerken kon dat het zich niet verhardde ten aanzien van de beulen in het concentratiekamp, dan kun je wel nagaan dat er uiteindelijk inderdaad geen put zo diep zal zijn of Gods liefde gaat nog dieper. De liefde gaat alles te boven… Jezus is Overwinnaar! ‘Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief (letterlijk: liefhebben met Goddelijke liefde) en bidt voor wie u vervolgen, opdat gij kinderen (zonen) moogt zijn van uw Vader, die in de hemelen is (…)’ (Matteüs 5 vers 44, NBGvertaling) EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 343

‘Gij dan zult volmaakt (letterlijk ook wel: rijp, volledig ontwikkeld) zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt is.’ (Matteüs 5 vers 48, NBG-vertaling) Hebt uw vijanden lief… Het gaat hier echter niet om menselijke liefde die we voor onze vijanden zouden moeten kunnen opbrengen, het gaat hier om agapè – van God gegeven liefde die mensen in staat stelt lief te hebben op een geestelijke wijze. ‘(…) want de liefde (agapè) is uit God; en een ieder, die liefheeft, is uit God geboren (letterlijk: verwekt) en (er)kent God. Wie niet liefheeft, (er)kent God niet, want God is liefde.’ (1 Johannes 4 vers 7 en 8, NBG-vertaling) De geestelijke wijze van liefhebben kan enkel voortkomen uit de grenzeloze liefde van de Vader voor alle schepselen. God, Die liefde is, verdelgt uiteindelijk alle Goddeloosheid, maar heeft de goddeloze oneindig lief! God leert ons immers de vijandigheid te verwerpen, maar onze vijanden lief te hebben. Hij leert ons deze dingen omdat Hij Zélf zo is! ~ Onderonsje ~ Dit werpt mij weer even terug in de tijd waarin ik als kind voor het eerst hoorde vertellen dat er mensen ‘voor eeuwig verloren zouden gaan’. Dat zette mij toen al aan het denken en ik vroeg aan mijn vader met mijn kinderlogica: ‘Ja maar, pap… hoe kan het dan dat God iets van ons vraagt wat Hij Zelf niet doet?’ Mijn vader vroeg mij wat ik bedoelde. ‘Nou… God vraagt toch van ons om onze vijanden lief te hebben?’ ‘Ja, dat klopt, alleen wat wil je daarmee zeggen?’ ‘Maar als God dan een heleboel mensen “voor eeuwig verloren” laat gaan, doet Hij dat Zelf toch óók niet?!’ 344 | EÉN VOOR ALLEN

Nee, daar had mijn vader destijds zo een-twee-drie nog niet van terug, maar deze kinderlogica zette hem wel aan het denken. Uiteindelijk stapte hij met deze vraag naar de toenmalige voorganger van onze gemeente, en laat deze man zich nou nét over precies hetzelfde vraagstuk gebogen hebben? — ‘Zal alleen een select aantal van alle miljarden mensen die ooit geleefd hebben ‘de hemel halen’ en zullen alle anderen voor altijd marteling en vergelding ondergaan? Is dat acceptabel voor God? Heeft God in de loop van tienduizenden jaren miljoenen mensen geschapen voor wie de eeuwigheid een kwelling zal zijn? Kan God dat doen, of zelfs toestaan, en blijven beweren dat Hij een liefdevolle God is? Als alleen een paar uitverkorenen naar de hemel gaan, welk besef is dan afgrijselijker: dat van de miljarden die voor altijd branden, of dat van de weinigen die aan dit lot ontsnappen?’4 Je zou jezelf eens kunnen afvragen wat liefhebben nou daadwerkelijk inhoudt. Is liefhebben misschien een bepaalde geestesgesteldheid die alleen in je hart zit en met geen enkele uitingsvorm naar buiten treedt ten opzichte van de ander? Nee, je zou zeggen van niet! Maar waarom degraderen we de Bron van alle liefde dan tot ‘holle frase’? En als God nu Zelf ‘een x-aantal’ van Zijn schepselen voor eeuwig verloren laat gaan en hen dus blijkbaar in het geheel niet liefheeft, hoe kan Hij een dergelijk liefdebetoon dan wel van mensen verwachten? ‘En indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat hebt gij vóór (letterlijk: welke dank of genade hebt gij)? Immers, ook de zondaars hebben lief, die hen liefhebben. Want indien gij goed doet aan wie u goed doen, wat hebt gij vóór? Ook de zondaars doen dat. En indien gij leent aan hen, van wie gij hoopt iets te ontvangen, wat hebt gij vóór? Ook zondaars lenen aan zondaars om evenveel terug te ontvangen. Neen, hebt uw vijanden lief, en doet hun goed en leent zonder op vergelding te hopen (niets van verwachten), en uw loon zal groot zijn en gij zult kinderen (zonen) van de Allerhoogste zijn, want Hij is goed (vriendelijk) jegens de ondankbaren en bozen (slechEEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 345

ten, goddelozen). Weest barmhartig, gelijk uw Vader barmhartig is.’ (Lucas 6 vers 32-36, NBG-vertaling) Je vijanden liefhebben en hun goed doen… Iets lenen en niets (terug) verwachten… Vriendelijk zijn tegen ondankbaren, slechten of goddelozen… Barmhartig zijn zoals je hemelse Vader barmhartig is… Dit gaat ons vanuit onszelf echt niet op een God welgevallige wijze lukken. Het gaat ons, mensen, niet alleen ‘boven onze pet’, maar het gaat ons ook veel te ver… want dit is toch niet meer ménselijk?! Inderdaad. Dat klopt helemaal, want dit ís ook niet ‘menselijk’… Dit is Goddelijk! ‘Bij mensen is het onmogelijk, maar niet bij God; want alle dingen zijn mogelijk bij God.’ (Marcus 10 vers 27, NBG-vertaling) Het heeft allemaal met volmaaktheid van doen… met ‘volledig tot ontwikkeling komen’, zoals we lazen in Matteüs 5 vers 48. Gij dan zult volmaakt – rijp, volledig ontwikkeld – zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt is! ‘Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief (letterlijk: liefhebben met Goddelijke liefde), zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor dengenen, die u geweld doen, en die u vervolgen.’ (Matteüs 5 vers 44, Statenvertaling, Jongbloed-editie) Dat wij van onszelf niet volmaakt – geestelijk gezien rijp of volledig ontwikkeld – zijn, mag inmiddels meer dan duidelijk zijn want de liefde is uit God; en een ieder, die liefheeft, is uit God verwekt en erkent God. Deze verzen leren ons dan ook allereerst dat het voor God volmaakt is vijanden lief te hebben. Dit is immers een exacte beschrijving van het leven van Jezus hier op aarde, Die – in tegenstelling tot ons – wel volmaakt in de liefde kon blijven staan. 346 | EÉN VOOR ALLEN

Het leven van de Zoon van God laat zien hoe de hemelse Vader is en hoe Hij handelt: als een volmaakte weerspiegeling van de liefde van God. Daarom wordt in dit tekstgedeelte ook indirect het wezenlijke van Gods volmaakte, belangeloze en onvoorwaardelijke liefde voor Zijn ganse schepping omschreven. … en gij zult zonen van de Allerhoogste zijn, want Hij is vriendelijk jegens ondankbaren, slechten of goddelozen. Weest barmhartig, gelijk uw Vader barmhartig is! Wat wil hierin ‘zonen van de Allerhoogste’ zeggen? Zonen die op de Allerhoogste lijken… Evenbeelden van dé Zoon! Onze bestemming is: gelijkvormigheid aan het beeld van de Zoon, Die Zelf het beeld van de Vader is. Zo zal ook bij ons blijken dat een ‘lijden voor Zijn Naam’ niet alleen een fysieke gesteldheid betreffen kan, maar meer nog een mentale gesteldheid. Vijandschap staat Gods liefdeswerk niet in de weg en zo zullen ook wij dezelfde gehoorzaamheid als de Zoon moeten leren als we op Hem willen gelijken. ‘Nu kan fysiek dienstbetoon al “afzien” zijn… maar mentaal dienstbetoon is nog meer “van jezelf af” zien!’ hoorde ik eens een spreker zeggen. Laten we echter niet denken dat dit een ‘menselijke gehoorzaamheid’ betreft. ‘(…) want het is God die zowel het willen als het handelen bij u teweegbrengt, omdat het hem behaagt.’ (Filippenzen 2 vers 13, De Nieuwe Bijbelvertaling) ‘(…) want God is het, Die in jullie zowel het willen als het werken voor Zijn welbehagen bewerkt.’ (Concordante Vertaling) Het handelt hier over een van God gegeven geestelijke gezindheid die ons, net zoals bij de Zoon het geval was, onder tranen geleerd zal worden. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 347

Reken maar dat de Zoon ook gehuild heeft, al huilde Zijn hart waarschijnlijk om hele andere dingen dan het onze! ‘Handelen overeenkomstig de liefde’ betreft daarom een groot innerlijk liefdeswerk alvorens het naar buiten treden kan. Je opstelling aangaande hen die vijandig gezind zijn zal eerst radicaal veranderd moeten worden voordat je iets met Gods liefde kunt aanvangen ten opzichte van die ander. Deze van God gegeven verandering is hard nodig om geschapen te kunnen worden naar het beeld en de gelijkenis van de Vader en de Zoon, en was mede de reden waarom de mensheid meer dan ‘wetenschap’ moest krijgen van goed en kwaad. Geestelijk gezien zijn alle doelmissers van God afhankelijk voor waarheid in het hart. Het is belangrijk dat we dit heel goed in ons achterhoofd houden wanneer we het over ‘grote zondaren’ hebben… omdat wij elkaar niet kunnen (ver)oordelen zonder ook onszelf te (ver)oordelen! Onze hemelse Vader is vriendelijk jegens ondankbaren, slechten of goddelozen lazen we in Lucas 6 vers 35. Denken we daar weleens goed over na? Hoe ‘vriendelijk’ is het immers om alle goddelozen voor eeuwig te verwerpen en, erger nog, voor altoos en immer te pijnigen met ondragelijke pijnen in het hellevuur…?! (Daar verbleken alle straf- en concentratiekampen hier op aarde bij!) Weest barmhartig, gelijk uw Vader barmhartig is… Hoe cynisch kan dat klinken? Hoe zou je überhaupt barmhartig kunnen zijn ‘gelijk je hemelse Vader’ wanneer Hij dat Zélf helemaal niet zou zijn?! Het gaat hier om ons algehele Godsbeeld. De Zoon, Die het beeld is van de Vader, had Zijn vijanden lief. Hij zegende die Hem vervloekten, deed wel aan degenen die Hem haatten en bad voor degenen die Hem geweld aandeden en die Hem vervolgden. Heb je – door de houding en handelwijze van de Zoon – de God van genade en verzoening leren kennen? Ken je Hem Die Zijn vijanden oneindig liefheeft? Heb je Hem leren kennen als de Vader van Zijn ganse schepping? Of ken je een God die ‘voor altoos en immer’ genadeloos afrekent met vijandig gezinden…?! ‘Op het moment dat ze sterven wordt God daarmee voor hen een fundamenteel ander wezen, en wel voor eeuwig. Een liefdevolle hemelse Vader die tot het uiterste gaat om een relatie met hen te hebben, 348 | EÉN VOOR ALLEN

wordt in een ondeelbaar ogenblik een wrede, laaghartige, gewelddadige folteraar, die er wel voor zorgt dat ze met geen mogelijkheid kunnen ontsnappen aan een eindeloze toekomst vol verschrikkingen. Het ene moment vol liefde, het volgende moment vol kwaadaardigheid. Wordt God op het moment dat je sterft een volslagen andere persoonlijkheid?’5 ‘Een ieder, die liefheeft, is uit God verwekt en erkent God.’ En waar God een onvolkomen mens de liefde kan geven om vijandig gezinden barmhartigheid te betonen, daar zal Hij dat zeker Zélf niet nalaten! ‘En dat is het grote geheim in het hart van veel mensen, met name christenen: ze houden niet van God. Ze kunnen het niet, want de God die hun verkondigd en onderwezen is, is niet om van te houden. Die God is angstaanjagend, traumatiserend en onverdraaglijk.’6 Wanneer de hemelse Vader alleen maar zou liefhebben degenen die Hem liefhebben, wat zou Hij vóór hebben? Welke dank of genade zou Hij hebben? Immers, ook de zondaars hebben lief, die hen liefhebben! Wanneer de hemelse Vader alleen maar goed zou doen aan wie Hem goed doen, wat zou Hij vóór hebben? Welke dank of genade zou Hij hebben? Ook de zondaars doen dat! ‘Als Jezus’ boodschap inhoudt dat God ons via Hem het vrije geschenk van eeuwig leven aanbiedt (een geschenk dat we niet kunnen verdienen door eigen inzet, werken of goede daden) en dat we niets anders hoeven te doen dan accepteren, belijden en geloven, hoe zit dat dan met al die werkwoorden? Werkwoorden zijn toch daden? Aanvaarden, belijden, geloven; dat zijn dingen die we doen. Betekent dat dan dat naar de hemel gaan afhankelijk is van iets wat ik doe? Hoezo is dat genade? Hoezo een geschenk? Hoezo goed nieuws?’7 Nee, God heeft iedere vijandig gezinde oneindig lief. Hij zal iedere vijandig gezinde uiteindelijk goed doen en daar helemaal niets voor terug verwachten! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 349

God heeft het al tezamen ingesloten naar binnen in weerspannigheid, opdat Hij het al barmhartig, genadig, zou zijn. ‘Dit is uitstekend en welkom voor God, onze Redder, Die wil, dat alle mensen gered worden en tot erkenning van de waarheid komen. Want er is één God en ook één middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, Die Zich gegeven heeft tot vervangend losgeld voor allen; en daarvan wordt getuigd te juister tijd.’ lazen we eerder in 1 Timoteüs 2 vers 3-6. Waar dit voor alle mensen opgaat, daar komt God vast en zeker ook tot Zijn doel met de rest van de doelmissers in Zijn schepping. De bedoeling van de hemelse Vader is immers duidelijk: Hij zal maken dat de ganse schepping ‘vrijgemaakt zal worden vanaf de slavernij van het verderf naar binnen in de vrijheid van de heerlijkheid van de uit God voortgebrachten.’ (Romeinen 8 vers 20 en 21) Om nu nog even terug te komen op de vraag die al eerder gesteld werd: ‘Had God eigenlijk niet veel beter meteen maar korte metten met het kwaad kunnen maken? Of – beter nog – had God niet beter alles meteen volmaakt kunnen scheppen, zodat al die zonden en dergelijke helemaal niet konden voorkomen?! Dat zou tenminste pas echt “goed” zijn geweest!’ Nu zullen er in ons leven altijd wel vragen overblijven. Waar het meer om gaat is dat God begrippen als ‘volmaaktheid’ en ‘goed’ totaal anders beoordeelt dan de mens. Voor de mens houden deze begrippen absoluut geen lijden in en daarom zullen vlees en Geest altijd tegen elkaar indruisen. Galaten 5 vers 17 geeft aan: ‘Want het begeren van het vlees gaat in tegen de Geest en dat van de Geest tegen het vlees – want deze staan tegenover elkander (…)’ (NBG-vertaling) Vanuit de mens komen wij daarom ook in opstand tegen het principe dat de graankorrel eerst moet sterven om veel vrucht voort te brengen. En wanneer we het vervolgens over liefde hebben, is het belangrijk te onderkennen dat we Gods liefde niet in overeenstemming met onze menselijke maatstaven kunnen waarnemen of ervaren. God nam in liefde afstand van het volmaakte… en noemde dát volmaakt! 350 | EÉN VOOR ALLEN

Deze liefde is Goddelijk en afkomstig van Degene Die zelfs Zijn eigen Zoon niet ontzag, want welke God laat Zijn Zoon nu gewillig aan de schandpaal nagelen…? Je hoort de Grieken gewoon nog roepen: ‘Wie maakt deze dwaasheid nou tot een Godsdienst? Had “die God van Paulus” niet wat beters kunnen bedenken?!’ Het offer van de onschuldige Zoon moest echter tegennatuurlijk naar aardse principes zijn. Dit offer moest voor de wereld onaanzienlijk en verachtelijk zijn, naar menselijke maatstaven dwaas. Een teken van ogenschijnlijke zwakte en geringe afkomst. Klein, nietszeggend, ogenschijnlijk niets betekenend. En zij bespotten en hoonden Hem… Naar menselijke maatstaven kon Jezus – als Gehangene aan het vloekhout – absoluut geen Messias zijn. Hij werd beschimpt omdat de mensen Hem op een menselijke wijze beoordeelden. ‘Wat heb je aan iemand die zich “Zoon van God” noemt maar die niet eens zichzelf redden kan…?!’ Een blamage! De eerstvolgende opmerking van spottende omstanders zou daarom kunnen luiden: ‘Wat heb je nu eigenlijk aan “de volgelingen van die Jezus”, die zichzelf niet redden kunnen?’ Een centraal aspect van liefde is lijden en mede-lijden… en daarom ging God deze weg met Zijn Zoon. God gaat in liefde aan hetgeen ogenschijnlijk ‘wel iets is’ zijn kracht ontnemen. God stelt in liefde hetgeen ‘wel iets is’ buiten werking. God maakt hetgeen ‘ogenschijnlijk iets is’ in liefde beschaamd, te schande, en Hij doet dit doelbewust. Het doel van God, de Vader, is dat geen vlees zal roemen voor Zijn aangezicht! In liefde acht God het noodzakelijk voor Zijn schepping dat alle vlees daadwerkelijk roemloos zal blijken te zijn. De ganse oude schepping zal haar roemloosheid uiteindelijk onder ogen moeten zien wanneer God haar daartoe de ogen opent. Hij doet dit echter niet om haar vervolgens te kunnen veroordelen, maar om haar op Zichzelf te kunnen richten als onderdeel van het betonen van Zijn liefde. De schepping is aan ijdelheid ondergeschikt, niet vrijwillig, maar vanwege de Onderschikker, Die haar daaraan ondergeschikt heeft. Op verwachting, omdat ook de schepping zelf vrij gemaakt zal worden vanaf de slavernij van het verderf naar binnen in de vrijheid van de heerlijkheid van de uit God voortgebrachten. En dáárom is deze diepe weg met de oude schepping voor God volmaakt en goed! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 351

GOD IS NOG (LaNG) NIET kLaaR mET jE! Jezus kon vlak voor Zijn vloekdood van harte bidden: ‘Vader, vergeef het hun (letterlijk: laat van hen af, laat ze gaan), want zij weten niet wat zij doen.’ Als mensen dit al in hun persoonlijke misère voor hun vijanden doen, dan is dat aanvankelijk veelal meer als een boer die kiespijn heeft. Al was het maar uit eigenbelang, om daar het eigen hachje mee te redden, want staat er niet in Matteüs 6 vers 14 en 15 dat wij, indien wij een ander niet vergeven, zelf ook geen vergeving zullen ontvangen? ‘Want indien gij den mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven. Maar indien gij den mensen hun misdaden niet vergeeft, zo zal ook uw Vader uw misdaden niet vergeven.’ (Statenvertaling, Jongbloed-editie) Betekent dat dat we alsnog niet gered zijn maar voor eeuwig verloren gaan omdat God ons onze misdaden niet vergeven zal? En: moeten we dit dan toch opvatten als een menselijk werk, iets wat we als gelovigen nu eenmaal zullen moeten kunnen opbrengen voor een ander omdat we ‘er anders niet komen zullen’? Wanneer mensen een dergelijke tekst lezen dan beginnen ze meestal meteen te denken dat er naar hen gewezen wordt, want: wat doe jíj, als gelovige, in dit geval? Ben jij dan wel in staat om iedereen te vergeven? Ook al die vreselijke misdadigers die zo veel onschuldige mensenlevens hebben verwoest? Nee…?! Nou, dan ziet het er niet best voor je uit, want dan zal God ook jouw overtredingen niet vergeven, al zijn die in jouw ogen veel minder erg. Het kan nog persoonlijker, want wat doe jij wanneer iemand je het leven heeft ontnomen door je te beschadigen voor de rest van je leven? Niet in staat te vergeven…?! Nou, ook voor jou ziet het er niet best uit! Al is het onaanvaardbaar wat jou is aangedaan en al zou het daarom niet meer dan logisch zijn dat je niet rond de tafel kunt, of wilt, gaan zitten met degene die jou dit heeft aangedaan. En al helemaal niet wanneer deze persoon geen wroeging zou hebben of al helemaal niet erkennen wil wat hij gedaan heeft. Al met al: spijtig… maar helaas! God wil nu eenmaal dat je desondanks vergeven zult. 352 | EÉN VOOR ALLEN

Mensen lezen in een tekst als deze meestal wat zíj zouden moeten doen omdat ze er anders niet zullen komen. Want stel je voor als God je missers niet vergeven zou… Waar blijf je dan als mens? Laten we dan maar gauw pretenderen dat we het een ander wel vergeven, want wat staat ons anders te wachten wanneer we voor God zullen staan en Hij over ons oordelen zal?! Wie weet wat we onszelf daar bij voorstellen, welke zwartgallige en liefdeloze gedachten er dan in ons opkomen aangaande onze hemelse Vader. Jezus lijkt voor niets gestorven te zijn… want God rekent ons de overtredingen nog steeds toe! Om met de laatste vraag te beginnen: moeten we dit opvatten als een eigen werk, iets wat we als gelovigen nu eenmaal zullen moeten kunnen opbrengen voor een ander omdat we ‘er anders niet komen zullen’? Laten we Matteüs 6 vers 14 en 15 vanuit de NBG-vertaling nog een keer doornemen: ‘Want indien gij de mensen hun overtredingen (letterlijk: misstappen, krenkingen) vergeeft (van af laten, laten gaan), zal uw hemelse Vader ook u vergeven (van u af laten, u laten gaan); maar indien (in het geval dat) gij de mensen niet vergeeft (de misstappen of krenkingen van de mensen niet laat gaan), zal ook uw Vader uw overtredingen niet vergeven (uw misstappen of krenkingen niet laten gaan).’ Nu is vergeven – wat zich ook laat omschrijven als ‘niet toe- of aanrekenen’ – geen mensenwerk, het is Goddelijk werk dat in het hart van een mens wordt bewerkstelligd. Veel teksten in de Bijbel die beschouwend, constaterend of profeterend zijn worden echter opgevat als ‘oorzaak-engevolg’-teksten, waarmee dan als oorzaak ‘het menselijk niet voldoen aan Gods geestelijke norm’ wordt aangewezen, waarop een onverbiddelijk oordeel van God volgen zal. In Filippenzen 2 vers 13 lazen we echter: ‘(…) God is het, Die in jullie zowel het willen als het werken voor Zijn welbehagen bewerkt.’ (Concordante Vertaling) ‘Handelen overeenkomstig de liefde’ betreft een groot innerlijk liefdeswerk, alvorens het naar buiten treden kan. Je opstelling aangaande ‘hen die vijandig gezind zijn’ zal eerst radicaal veranderd moeten worden voordat je iets met Gods liefde kunt aanvangen ten opzichte van die ander. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 353

Nu komen we op het punt waar we zijn moeten: de mens kan niet vergeven – de mens kan niet op een God welgevallige geestelijke wijze ‘van af laten’ of ‘laten gaan’ – omdat hij het een ander juist wél blijft toerekenen! Maar ook: wij kunnen elkaar niet (ver)oordelen zonder ook onszelf te (ver)oordelen, zoals in de tekst van Matteüs 6 vers 14 en 15 naar voren komt. Om nu met de eerste vraag verder te gaan: betekent dat dat we alsnog niet gered zijn, maar voor eeuwig verloren gaan, omdat God ons onze missers niet vergeven zal? Nee, dat betekent het in het geheel niet. Laten we vooropstellen dat er in de brieven van Paulus niet zozeer gesproken wordt over vergeving, maar over ‘genade betonen’ of ‘genade schenken’. ‘Het woord “vergeven” heeft een brede betekenis die, in hedendaagse taal, neerkomt op wat wij weleens zeggen met: “láát gaan!” Dat kan ook het laten gaan van schulden of overtredingen betreffen. De schuld of overtreding is daarmee niet verdwenen, maar de “vergever” laat ze maar gaan. Bij “genade schenken” zijn schulden en overtredingen wél uitgewist en kunnen niet meer herleven.’8 ‘Genade schenken’ is in die zin de overtreffende trap van ‘vergeven’. Het niet toerekenen maar laten gaan van krenkingen was al goed, maar met de genade is de voltooiing gekomen: God vergeeft niet alleen, God is genadig… en genade heeft weer alles met de naderingsgave van geloof te maken. Geloof is evengoed niet iets waar je zelf je best voor moet doen. Dan wordt geloof een wet of voorwaarde waaraan je zult moeten voldoen om ‘eens bij God te kunnen komen’. Het is precies andersom: geloof is niet minder dan een genadegunst waardoor God bij ons is gekomen… zelfs ín ons! Hij heeft gemeenschap met ons door middel van de inwoning van Zijn Geest in onze harten. ‘(…) want indien er gerechtigheid door de wet is, dan is Christus tevergeefs gestorven.’ (Galaten 2 vers 21, NBG-vertaling) 354 | EÉN VOOR ALLEN

‘Want indien er door wet gerechtigheid komt, is Christus dus om niet gestorven.’ (Concordante Vertaling) Geen gerechtigheid door wet! ‘Want Christus is het einde (letterlijk: de voltooiing) der wet, tot gerechtigheid voor een ieder, die gelooft.’ (Romeinen 10 vers 4, NBG-vertaling) Betekent dit geestelijke gegeven dan het einde van de wet? Nee, dat niet. ‘Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen. Want voorwaar, Ik zeg u: Eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet één jota of één tittel vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied.’ (Matteüs 5 vers 17 en 18, NBG-vertaling) ‘Stellen wij dan door het geloof de wet buiten werking? Volstrekt niet; veeleer bevestigen (letterlijk: ondersteunen) wij de wet.’ (Romeinen 3 vers 31, NBG-vertaling) ‘De wet ondersteunen door het geloof’ wil echter niet zeggen dat mensen door het houden van de wet gerechtvaardigd zullen worden, want in díe zin is er een ‘einde’ aan de wet gekomen. ‘Gij zijt los van Christus, als gij door de wet gerechtigheid verwacht; buiten de genade staat gij. Wij immers verwachten door de Geest uit het geloof de gerechtigheid, waarop wij hopen. Want in Christus Jezus vermag noch besnijdenis iets, noch onbesneden zijn, maar geloof, door liefde werkende.’ (Galaten 5 vers 4-6, NBG-vertaling) ‘Onwerkzaam werden jullie gemaakt, weg van Christus, jullie die in wet gerechtvaardigd worden; uit de genade vallen jullie. Wij immers verwachten, in de Geest, uit geloof de verwachting van de gerechtigheid. Want in Christus Jezus is noch besnijdenis tot iets in staat, noch voorhuid, maar geloof, dat door liefde werkzaam is.’ (Concordante Vertaling) EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 355

De verwachting van de gerechtigheid is in de Geest: uit geloof! Want Christus is de voltooiing van de wet, tót gerechtigheid voor een ieder, die gelooft. In Christus is de wet tot voltooiing gebracht; we verkrijgen de verwachting van gerechtigheid Gods uit geloof. God vervult Zélf de wet in ons hart want in Christus Jezus is noch besnijdenis noch voorhuid tot iets in staat, maar geloof, dat door liefde werkzaam is. …want de liefde (agapè) is uit God; en een ieder, die liefheeft, is uit God verwekt en erkent God. ‘(…) wie de ander liefheeft (liefhebben met Goddelijke liefde), heeft de wet vervuld (letterlijk: vervult de wet).’ Romeinen 13 vers 8, NBG-vertaling) ‘De liefde (agapè) doet de naaste geen kwaad; daarom is de liefde de vervulling der wet (letterlijk: de liefde is het complement van de wet).’ (Romeinen 13 vers 10, NBG-vertaling) We zijn dus niet ‘onder de wet’, maar de wet wordt – groot is Gods genade (!) – in ons vervuld, omdat onverderfelijke Goddelijke liefde het aanvullende gedeelte van de wet is! Onze verwachting is hemels… in letterlijke en figuurlijke zin. Uit Hem is het, dat gij in Christus Jezus zijt, die ons van God is geworden: wijsheid, gerechtigheid, heiliging en vrijkoping. Zoals eerder aangegeven: ‘Vergeven – wat zich laat omschrijven als ‘niet toe- of aanrekenen’ – is geen mensenwerk, het is een Goddelijk werk dat in het hart van een mens wordt bewerkstelligd.’ Wij, mensen, hebben van nature onze vijanden niet lief. We zouden om te beginnen onszelf al lief moeten hebben… en dat kan al een hele opgaaf zijn. Nee, we hoeven onszelf echt geen illusies te maken: wij zegenen niet die ons vervloeken en doen niet ‘wel’ aan de mensen die ons haten. Wij 356 | EÉN VOOR ALLEN

bidden niet voor degenen die ons geweld aandoen en die ons vervolgen… tenzij deze liefdevolle gezindheid ons van God gegeven is. Sterker nog: de gehele oude mensheid is door diens instelling vijand van de waarheid, geestelijk gezien destructief te noemen ten opzichte van God, zichzelf en haar medemens. ‘Betekent dat dan dat we alsnog niet gered zijn en voor eeuwig verloren gaan, omdat God ons onze misdaden niet vergeven zal?’ Nee, in het geheel niet. Over alles wat met de oude schepping van doen heeft – dus ook over de vermoeienissen die mensen zich nog getroosten met het (ver)oordelen van anderen, waar ze zelf evenmin gericht zijn op Gods liefde – zal eerst een gericht van God moeten komen. De oude schepping is nog niet de dood gestorven die daadwerkelijk leven brengt. ‘Omkomen in een gericht’ betekent daarom allermínst ‘einde verhaal’! ‘Voorwaar (letterlijk: Amen!), voorwaar (Amen!), Ik zeg u, wie mijn woord hoort en Hem gelooft, die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig (aionisch) leven en komt niet in het oordeel (het gericht), want hij is overgegaan uit de dood in het leven.’ (Johannes 5 vers 24, NBG-vertaling) Wie Mijn woord hoort en Hem gelooft, die Mij gezonden heeft, heeft aionisch leven en komt niet in het gericht, want hij is overgegaan uit de dood in het leven. Meer dan geloof, als naderingsgave van God, is niet nodig om over te gaan uit de dood in het leven. Meer dan geloof is niet nodig om gered te worden en niet in het gericht te komen! ‘Want het woord des kruises is wel voor hen, die verloren gaan (letterlijk: omkomen), een dwaasheid, maar voor ons, die behouden (gered) worden, is het een kracht Gods. Want er staat geschreven: Verderven zal Ik (Omkomen zal) de wijsheid der wijzen, en het verstand der verstandigen (de intelligentie van de intelligenten) zal Ik verdoen (afwijzen). Waar blijft de wijze? Waar de schriftgeleerde (schrijver)? Waar de redetwister van deze tijd (aion)? Heeft God niet de wijsheid der wereld tot dwaasheid EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 357

gemaakt? Want daar de wereld in de wijsheid Gods door haar wijsheid God niet gekend heeft, heeft het Gode behaagd (goed achten) door de dwaasheid der prediking (van de herautboodschap) te redden hen, die geloven.’ (1 Korintiërs 1 vers 18-21, NBG-vertaling) Wanneer we het woord van het kruis gaan geloven dan worden we gevrijwaard van de gerichten die de komende tijdperken nog nodig zullen zijn om de schepping op Gods volmaakte liefde te richten. Valt hier nog enig onderscheid vanuit de méns te maken? Welnee! ‘Want óns heeft God het geopenbaard (letterlijk: onthuld) door de (Zijn) Geest.’ (1 Korintiërs 2 vers 10, NBG-vertaling) ‘Wij nu hebben niet de geest der wereld ontvangen, maar de Geest uit God, opdat wij zouden weten (letterlijk: waarnemen), wat ons door God in genade geschonken is. Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door (in) menselijke wijsheid, maar door (in) de Geest geleerd zijn (…)’ (1 Korintiërs 2 vers 12 en 13, NBG-vertaling) Het gaat niet om de intellectuele wijsheid van dit tijdperk, want God heeft de wijsheid van de wereld tot dwaasheid gemaakt. Het gaat niet om allerlei schrijvers of redetwisters die de mensheid nog zo hoog in het vaandel heeft staan. Het gaat niet om woorden die in menselijke wijsheid geleerd zijn, maar het gaat om woorden die in de Geest geleerd zijn. In Matteüs 6 vers 14 en 15 springt één woord in het oog, een woord waar de meeste gelovigen finaal overheen lezen: het woord ‘Vader ’. Het mooie is dat het woord ‘Vader’ zo prominent aanwezig is… en aanwezig blijft! ‘Want indien gij de mensen hun overtredingen (letterlijk: misstappen, krenkingen) vergeeft (van af laten, laten gaan), zal uw hemelse Vader ook u vergeven (van u af laten, u laten gaan); maar indien (in het geval dat) gij de mensen niet vergeeft (de misstappen of krenkingen van de mensen niet laat gaan), zal ook uw Vader uw overtredingen niet vergeven (uw misstappen of krenkingen niet laten gaan).’ (NBG-vertaling) Zie je het? 358 | EÉN VOOR ALLEN

Er staat nergens dat God je Vader niet meer zal zijn als je een ander nog niet kunt vergeven. (En wie kan dat wel op een God welgevallige wijze vanuit menselijke vermogens?!) Wat wij meestal opvatten als ‘oorzaak-en-gevolg’teksten – waarmee dan als oorzaak ‘het menselijk niet voldoen aan Gods geestelijke norm’ wordt aangewezen waarop een onverbiddelijk oordeel van God volgen zal – daar spreekt de Bijbel beschouwend, constaterend of profeterend. Wanneer mensen – in dit geval het Joodse volk, tegen wie over ‘het laten gaan van de misstappen’ gesproken wordt – niet in staat blijken de misstappen van de ander op een geestelijke wijze (niet te verwarren met een menselijke wijze) te laten gaan… dan kan God óók hun misstappen niet laten gaan. ‘(…) laat los en gij zult losgelaten worden. Geeft en u zal gegeven worden: een goede, gedrukte (letterlijk: geperste), geschudde, overlopende maat zal men in uw schoot geven. Want met de maat, waarmede gij meet, zal u wedergemeten worden.’ (Lucas 6 vers 37 en 38, NBG-vertaling) Het volk kan tot die tijd zijn bediening hier op aarde nog niet ingaan. Wanneer mensen nog waarnemen als een oude schepping – wat betekent dat ze nog ‘waarnemen in overeenstemming met het vlees’ – dan kán het niet anders dan dat daar een tijdelijk gericht van God over zal moeten komen. Het is immers noodzaak dat het sterfelijke door het leven wordt verslonden, waar het onze uiterlijke gestalte en onze innerlijke gestalte aangaat. ‘(…) opdat het sterfelijke door het leven worde verslonden.’ (2 Korintiërs 5 vers 4, NBG-vertaling) Dat ‘het sterfelijke’ omkomt betekent echter in geen geval dat er geen nieuw leven meer in het verschiet zou liggen! De oude manier van waarnemen die bij de oude schepping hoort, de manier van waarnemen die een ander diens misstappen nog toerekent, moet nog nieuw worden gemaakt, Waarna God, de Vader, pas ‘zal kunnen laten gaan’. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 359

‘Zo kennen wij dan van nu aan niemand naar (letterlijk: niemand waarnemen in overeenstemming met) het vlees. Indien wij al Christus naar (in overeenstemming met) het vlees gekend hebben, thans (nu, van nu af aan) niet meer. Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan (hetgeen van oorsprong is komt voorbij), zie, het nieuwe is gekomen (het waarnemen wordt nieuw). (2 Korintiërs 5 vers 16 en 17, NBG-vertaling) Kortom: wanneer wij een nieuwe schepping zijn stappen we in een van God gegeven leerproces waardoor we niemand meer willen kennen ‘in overeenstemming met het vlees’ omdat wij zelf ook niet meer door God ‘in overeenstemming met het vlees’ gekend zijn. En dat gaat veel verder dan vergeving! ‘Vergeven is iets wat je doet nadat er iets mis is gegaan. Genade schenken is de manier waarop je naar anderen kijkt.’9 Een ander vergeven werkt bevrijdend voor jezelf en kan ook bevrijdend werken voor die ander, maar het is nog aards gericht. Het gaat nog over het oude, iets wat op deze aarde heeft plaatsgehad wat je dan niet meer gedenken zult. De enige uitzondering hierop was het gebed van de Zoon Die, vlak voor Zijn dood, van harte tot Zijn Vader bad:‘Vader, vergeef het hun (letterlijk: laat van hen af, laat ze gaan), want zij weten niet wat zij doen.’ Dit was verre van aards gericht omdat het de Zoon helemaal niet ging om Zichzelf, om hetgeen Hem werd aangedaan en wat Hij niet meer wilde gedenken. Hij vroeg immers aan de Vader ‘van hen af te laten’! De Vader gaf gehoor aan Zijn bede want, hoewel de verleiding mogelijk groot was, Hij heeft de mensen inderdaad laten gaan omdat ze geestelijk gezien ‘niet wisten wat ze deden’. God liet het ongeloof, waar uiteindelijk ook deze daad uit voortgekomen was, aan Zich voorbij gaan. Wanneer we een ander genade schenken werkt dat niet alleen bevrijdend, maar het stelt ook in de ruimte. We kijken niet langer achterom – naar wat er allemaal in de oude schepping plaats heeft (gehad) – maar vooruit, omdat we zijn gericht op God Die al het oude nieuw zal maken. Een dergelijke houding benadert de liefde nog meer. Met de gave van deze gezindheid vervult God de wet in ons hart, omdat we hebben geleerd 360 | EÉN VOOR ALLEN

aan onszelf voorbij te zien op een geestelijke wijze. Gods werk wordt dan voltooid in ons; we worden tot volledige ontwikkeling gebracht, rijpen, volgroeien… we worden op een geestelijke wijze volwassen gemaakt. ‘Verdraagt elkander en vergeeft elkander (letterlijk: elkander verdragend en wederzijds genade schenkend), indien de een tegen de ander een grief (klacht) heeft; gelijk ook de Here u vergeven heeft (en zoals de Heer jullie genade schenkt), doet ook gij evenzo (zo ook jullie). En doet bij dit alles de liefde aan (Over alles echter agapè), als de band der volmaaktheid (die de band is van de rijpheid).’ (Kolossenzen 3 vers 13 en 14, NBG-vertaling) ‘Vergeven is het loslaten van alle hoop op een beter verleden,’ las ik eens. Genade betonen heeft daarentegen te maken met de van God ontvangen zekere verwachting van een betere toekomst in overweldigende heerlijkheid! En zo zie je maar: God geeft overvloedig als je ontvangen hebt van Zijn genade te leven en het niet meer van je eigen of andermans werk voor God verwacht. ‘Want iedereen die iets heeft, krijgt nog meer en heeft overvloed.’ (Matteüs 25 vers 29, NBG-vertaling) ‘Uit zijn overvloed zijn wij allen met goedheid overstelpt (letterlijk: Want uit het Hem vullende verkregen wij allen ook genade voor genade). De wet is door Mozes gegeven, maar goedheid en waarheid zijn met Jezus Christus gekomen (de genade en de waarheid kwamen door Jezus Christus).’ (Johannes 1 vers 16 en 17, De Nieuwe Bijbelvertaling) Uit het Hem vullende verkregen we genade voor genade… en daar komt het ‘elkander verdragen en wederzijds genade schenken’ uit voort. En anders…? Anders is de hemelse Vader nog (lang) niet klaar met je, in de goede zin van het Woord! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 361

EENHEID Dat mensen nooit zullen kunnen voldoen aan Gods geestelijke maatstaf blijkt uit het feit dat we Zijn manier van liefhebben vaak al niet kunnen opbrengen voor onze geloofsgenoten – voor de mensen met wie we geestelijk gezien al een eenheid vormen – laat staan dat we ook maar aan de rest van de wereld zouden toekomen. Denk maar eens aan al die strijd – in het groot of in het klein – die over godsdienst ging en gaat… Dan weten we meteen weer dat juist gelovigen hier absoluut geen punten scoren! Wanneer gelovigen proberen hun naaste lief te hebben als zichzelf betrekken ze dat veelal op de mens; ze gaan eenvoudigweg uit van een persoonlijk begrip van ‘wat liefhebben inhoudt’. Wanneer we daarnaast onszelf al niet liefhebben, komen we in de regel ook maar moeizaam met de liefde bij een ander uit. Medegelovigen liefhebben wanneer er onenigheid is over de juiste leer – wat een moeite kan dat al niet kosten, als er überhaupt al moeite voor gedaan wordt. Natuurlijk zijn er altijd uitzonderingen op de regel, maar we bestrijden elkaar vaak liever dan dat we elkaar onze andere wang toekeren. Wat een lichtend voorbeeld voor hen die (nog) buiten staan… De boodschap van Gods alverzoening was ook in de dagen van Paulus al ‘een heikel punt’ bij de gevestigde orde. Gods uiteindelijke bedoeling met Zijn schepping zal echter allerminst op een God onwaardige wijze worden uitgewerkt, zoals sommige mensen er destijds van dachten en zoals sommige mensen er vandaag de dag nog steeds van menen te moeten denken. God heeft Zijn Eigen Zoon als Heer boven alles gesteld, dus hoe zal deze van God gegeven verzoening van het al ooit godslasterlijk kunnen zijn?! Nu gaf de Zoon van God Zichzelf als offer ten bate van de ganse schepping. Hij volgde het voorbeeld van Zijn Vader toen Hij getuigde: ‘En de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn (…)’ ‘En de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat 362 | EÉN VOOR ALLEN

zij één zijn, gelijk Wij één zijn: Ik in hen en Gij in Mij, (letterlijk: op)dat zij volmaakt (tot ontwikkeling komen, rijpen, volgroeien, volwassen worden gemaakt) zijn tot (naar binnen in) één, opdat de wereld (het systeem, stelsel of geheel) erkenne, dat Gij Mij gezonden (benoemd, aangesteld, gevolmachtigd) hebt, en dat Gij hen liefgehad hebt (dat Gij hen liefhebt), gelijk Gij Mij liefgehad hebt (gelijk Gij Mij liefhebt).’ (Johannes 17 vers 22 en 23, NBG- vertaling) Hé, daar lezen we het weer! Tot ontwikkeling komen, rijpen, volgroeien, volwassen worden gemaakt… Waar hebben we dat eerder gelezen?! ‘Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief (letterlijk: liefhebben met Goddelijke liefde) en bidt voor wie u vervolgen, opdat gij kinderen (zonen) moogt zijn van uw Vader, die in de hemelen is.’ (Matteüs 5 vers 44, NBG-vertaling) ‘Gij dan zult volmaakt (letterlijk ook wel: rijp, volledig ontwikkeld) zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt is.’ (Matteüs 5 vers 48, NBG-vertaling) Het volmaakte – het gerijpte, het volledig ontwikkelde – staat voor onze hemelse Vader gelijk aan de eenheid in Hem. En dát heeft weer alles te maken met ‘je vijanden liefhebben op een geestelijke wijze’, omdat er anders in het geheel geen sprake zal kunnen zijn van eenheid die uiteindelijk Gods ganse schepping zal omvatten. Dit is de essentie van het evangelie, de blijde boodschap die nog niet door iedereen zo ‘blijmoedig’ ontvangen wordt! Hier komen we tot de kern van het goede bericht, een kern die niets met ‘dwaasheid’ van doen heeft: En de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn: Ik in hen en Gij in Mij, opdat zij tot ontwikkeling komen, rijpen, volgroeien, volwassen worden gemaakt naar binnen in Eén! Het gaat hier om te beginnen over degenen die de Geest als eersteling ontvangen hebben. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 363

‘Want wij weten (letterlijk: hebben waargenomen), dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen (samen) zucht en in barensnood is (samen weeën heeft). En niet alleen zij, maar (echter) ook wij zelf, [wij,] die de Geest als eerste gave (eersteling) ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van (wachten op) het zoonschap: de verlossing (vrijkoping) van ons lichaam.’ (Romeinen 8 vers 22 en 23, NBG-vertaling) Misschien dat de volgende beltoon voor je mobiele telefoon je hieraan kan helpen herinneren wanneer die in je broekzak afgaat? Hé, jij daar… Hallo…? Ja, jij! Weet je het al…? Dat je hemelse Vader jou liefheeft als Zijn Zoon? Besef je eigenlijk wel hoe geliefd je bent bij God? Hallo…? Ja, je hoort het goed: God heeft jou lief zoals Hij Zijn Zoon liefheeft! Denk daar anders eens over na, want is dat niet wonderbaarlijk…?! God heeft daadwerkelijk alles overgegeven om ons Zijn liefde te kunnen betonen. ‘Oké, maar wat heeft dat dan met de rest van Gods ganse schepping te maken?’ En dat nu is het wonderbaarlijke… want God bejegent Zijn ganse schepping met precies dezelfde Vaderlijke liefde! Hé, jullie daar… Hallo…? Ja, jullie… alle schepselen in de ganse schepping! Weten jullie het al…? Dat jullie hemelse Vader jullie liefheeft als Zijn Zoon? Beseffen jullie eigenlijk wel hoe geliefd jullie zijn bij God? Hallo…? Ja, jullie horen het goed: God heeft jullie lief zoals Hij Zijn Zoon liefheeft! Denk daar anders eens over na, want is dat niet wonderbaarlijk…?! 364 | EÉN VOOR ALLEN

Het gaat om te beginnen over degenen die de Geest als eersteling ontvangen hebben… Gods plan met Zijn schepping is daarmee echter nog niet voleindigd, want de ganse schepping is – niet vrijwillig – aan ijdelheid ondergeschikt vanwege de Onderschikker. Want de schepping is aan ijdelheid ondergeschikt, niet vrijwillig, maar vanwege de Onderschikker, die haar daaraan ondergeschikt heeft, op verwachting, omdat ook de schepping zelf vrijgemaakt zal worden vanaf de slavernij van het verderf naar binnen in de vrijheid van de heerlijkheid van de uit God voortgebrachten. Iedere doelmisser – elke slaaf van de zonde (Romeinen 6 vers 20 vanuit de NBG-vertaling: ‘Want toen gij slaven waart der zonde, waart gij vrij van de gerechtigheid.’) – is door de Vader van de waarheid gekocht van de vader van de leugen. God heeft, met het offer van Zijn Zoon, vervangend losgeld betaald. ‘(…) gij zijt gekocht en betaald (letterlijk: met een betaalmiddel, prijs).’ (1 Korintiërs 6 vers 20, NBG-vertaling) In die zin is het werk volbracht! Het is echter niet zo dat alle doelmissers – alle slaven van het ongeloof – allemaal tegelijk geborgen worden uit het volmachtsgebied van de duisternis en worden overgezet in het Koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde, waarover wordt gesproken in Kolossenzen 1 vers 13 (NBG-vertaling): ‘Hij heeft ons verlost uit de macht der duisternis (letterlijk: Die ons bergt uit het volmachtsgebied van de duisternis) en overgebracht in (en ons overzet in) het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde.’ In die zin moet de opdracht nog voltooid worden! De Zoon kan het Koninkrijk pas overgeven aan de Vader wanneer alles tot voltooiing zal zijn gebracht. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 365

‘(…) daarna het einde (letterlijk: daaropvolgend de voltooiing), wanneer Hij het koningschap (Koninkrijk) aan God de Vader overdraagt (overgeeft), wanneer Hij alle heerschappij, alle (vol)macht en kracht onttroond zal hebben (buiten werking heeft gesteld). Want Hij moet als koning heersen, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten gelegd (geplaatst) heeft.’ (1 Korintiërs 15 vers 24 en 25, NBG-vertaling) Het gros van de doelmissers zijn nog steeds dood – een oude schepping die nog niet in nieuwheid des levens geschapen is. Daarom lacht de dooreenwerper in zijn vuistje, want wie koopt er nu zulke waardeloze slaven van de zonde? ‘En als Hij komt, zal Hij de wereld (letterlijk: het systeem, stelsel of geheel) overtuigen van zonde (…); van zonde, omdat zij in Mij niet geloven (…).’ (Johannes 16 vers 8 en 9, NBG-vertaling) En: wie betaalt daar nu zo’n hoge prijs voor…?! Wie is er überhaupt zo dom om doden vrij te kopen? Dat heeft toch geen enkele zin?! Maar het lachen zal hem vergaan wanneer hij gaat ontdekken waartoe de Levensvorst in staat is, waartoe Hij de volmacht, de autoriteit van de Vader van de heerlijkheid ontvangen heeft! Het kopen van hen die ‘dood’ zijn – en wie heeft hét leven vanuit zichzelf? – was geen zinloze daad… en dat zal het in de toekomst ook zeker niet blijken te zijn. ‘Zie, het lam Gods, dat de zonde der wereld (letterlijk: van het systeem, stelsel of geheel) wegneemt.’ (Johannes 1 vers 29, NBG-vertaling) Hier wordt geen onderscheid gemaakt tussen hen die de Zoon destijds al hadden aangenomen als hun Verlosser en degenen die Hem aan het vloekhout nagelden. Er wordt zelfs geen onderscheid gemaakt tussen machten en krachten van de duisternis en mensen. Het was Gods bedoeling dat, met de vloekdood van Zijn Zoon, de vijandschap van alle vijandig gezinden werd blootgelegd! De Vader ging deze weg met Zijn Zoon om het al te overtuigen van persoonlijk geestelijk gemis. De ganse schepping – de kosmos, het stelsel of geheel – zal vrijgemaakt worden vanaf de slavernij van het verderf, naar binnen in de vrijheid van 366 | EÉN VOOR ALLEN

de heerlijkheid van de uit God voortgebrachten. Niet allemaal tegelijk… maar in een door God ingestelde rangorde. Het gaat om te beginnen over degenen die de Geest als eersteling ontvangen hebben, maar vervolgens zal deze vrijmaking en vrijheid – deze van God gegeven heerlijkheid – doorgang vinden naar iedere vijandig gezinde in de schepping. Opdat de kosmos – het systeem, stelsel of geheel – erkenne dat Gij Mij benoemd, aangesteld, gevolmachtigd hebt! Opdat de kosmos – het systeem, stelsel of geheel – erkenne dat Gij hen liefhebt gelijk Gij Mij liefhebt! De Zoon is de voorst-voortgebrachte van heel de schepping… niet alleen in letterlijke zin, maar ook – en meer nog – in figuurlijke, in geestelijke zin. Het scheppingswerk dat God door Zijn Zoon tot stand brengt is nog steeds aan de gang, het moet nog voleindigd worden. De Vader van de heerlijkheid zal Zijn ganse schepping – de kosmos – waarlijk nieuw en levend maken. Het al zal vrijgemaakt worden vanaf de slavernij van het verderf. Geen enkele slaaf van de zonde zal nog gebonden zijn dankzij Gods genade en Zijn barmhartigheid. Uiteindelijk zullen ook alle instrumenten die ‘naar binnen in oneer vervaardigd’ werden – waarover we lazen in Romeinen 9 vers 21 vanuit de Concordante Vertaling – tot erkenning van de waarheid worden gebracht. Instrumenten die geestelijk gezien ‘zonder waarde’ waren omdat ze niets anders hebben gekend dan ijdelheid, vergankelijkheid en dood, verkrijgen hiermee eveneens geestelijke zingeving aan hun bestaan. Het vrijmaken van de schepping houdt in dat de ganse schepping uiteindelijk de waarheid van Gods onmetelijke liefde zal gaan verstaan. ‘(…) en gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken.’ (Johannes 8 vers 32, NBG-vertaling) Het uiteindelijke doel van God is dat alle creaturen die als zondaren werden ingezet uiteindelijk geen doelmissers meer zullen zijn omdat zij door EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 367

genade Godverheerlijkers mogen worden. Daarom is God ook geen God die mensen – of andere creaturen binnen Zijn schepping – ‘voor eeuwig verloren’ zal laten gaan. Het is voor veel mensen echter een verwerpelijke gedachte dat God geen onderscheid zou maken, dat er bij de hemelse Vader geen ‘aanzien des persoons’ zou zijn. Matteüs 5 vers 45 zegt daarover (NBG-vertaling): ‘(…) Hij laat zijn zon opgaan over bozen (letterlijk: slechten, goddelozen) en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.’ Laten we in dezen vooropstellen dat – als het op onze eigen verdiensten aankomt – niemand voor het aangezicht van God zal kunnen roemen. Dit vanwege het feit dat God er in Zijn schepping op uit is alles tot roemloosheid en verootmoediging voor Zijn aangezicht te brengen (1 Korintiërs 1 vers 29). Als we bedenken dat God niet alleen liefde is, maar ook liefde doet, dan beginnen we iets van ‘de taal van Gods liefde’ te verstaan. De taal van Gods liefde leert ons dat onze hemelse Vader handelt vanuit onbaatzuchtige, onvoorwaardelijke en grenzeloze liefde. God onderscheidt Zich daarom van de mens door geen onderscheid tussen ‘kleine of grote zonden’ en ‘kleine of grote zondaren’ te maken. Christus Jezus is ons immers wijsheid, gerechtigheid, heiliging en vrijkoping van God geworden opdat het beroemen niet in onszelf zal zijn, maar in onze Heer! Waar wij het vanuit de mens dus al zo moeilijk kunnen hebben met het feit dat er bij God geen onderscheid of aanzien des persoons bestaat, daar gaat God Zelf nog een flink aantal stappen verder. Hij brengt de waarheid aan het hart van Zijn ganse schepping; een proces dat in gang is gezet vanuit Gods Eigen keuze voor ons vanwege Zijn allesomvattende Vaderliefde. God acht het in liefde noodzakelijk dat al het vlees roemloos wordt, om ons op Hem te kunnen richten als onderdeel van het betonen van Zijn liefde. Dit lijkt naar de mens zo gemakkelijk, maar er komt een grote, van God ontvangen verootmoediging van alle ego’s voor kijken. Een ‘tot zichzelf komen’ door de onthulling van Zijn liefde aan het hart. Het besef gezondigd te hebben om vervolgens huiswaarts te kunnen keren, zoals we dat gelezen hebben in Lucas 15 vers 17 tot en met 19. 368 | EÉN VOOR ALLEN

Waar geldelijke genoegdoening, dwangverpleging of straf nooit zal kunnen vervangen wat is af- of weggenomen – waar deze nooit het volledige innerlijke bewustzijn zal schenken van hetgeen dat werd aangericht – daar zal het voor al Gods schepselen uiteindelijk het beste zijn wanneer een ieder tot volledig besef zal komen van wat niet in overeenstemming was met de liefde. Hier moeten we niet licht over denken, want zou jíj in de schoenen van ‘die grote zondaar’ willen staan?! Nu had Jezus de bereidheid om, net als de Vader, alles op te geven wat Hem lief was ten bate van vijandig gezinden. Wanneer wij dezelfde gezindheid als de Zoon ontvangen dan zal iets van deze bereidwilligheid ook in onze harten gaan doorwerken. Hebben wij het innerlijke draagvermogen van God ontvangen dat ons in staat stelt ook onze vijanden als onze ‘naasten’ te beschouwen en op een geestelijke wijze lief te hebben als onszelf? Zijn wij bekend geworden met Gods bemoediging die we zo hard nodig hebben wanneer we, net als de Vader en de Zoon, leren op een geestelijke wijze aan onszelf voorbij te zien? Het is verder ook niet zo dat God er een welgevallen in zou hebben dat de oude mensheid door de tegenstander werd en wordt aangezet tot moord of tal van andere (zeer) kwalijke zaken. De liefde… ‘Zij is niet blijde over ongerechtigheid (letterlijk: zij verheugt zich niet over ongerechtigheid), maar zij is blijde (maar verheugt zich samen) met de waarheid.’ (1 Korintiërs 13 vers 6, NBG-vertaling) Deze dingen zijn echter een gevolg van ‘het noodlijdend zijn’. Zonder Geest, de heilige, is de ganse oude schepping – waaronder de mens – immers zowel uiterlijk als innerlijk ‘ten dode opgeschreven’. Dat de mensheid zonder Gods Geest tot zeer kwalijke zaken in staat is hoeft ons niet meer te verbazen. Dat bleek om te beginnen al uit het feit dat de tweede generatie doelmissers al overging tot moord. ‘Maar Kaïn zeide tot zijn broeder Abel: (NBG: Laten wij het veld ingaan). Toen zij nu in het veld waren, stond Kaïn tegen zijn broeder Abel op en doodde hem.’ (Genesis 4 vers 8, NBG-vertaling) EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 369

God zet Zijn oude schepping niet Zelf aan tot moorden of tal van andere (zeer) kwalijke zaken. God zet de tegenstander in om te beïnvloeden en schade aan – onder andere – onze denkzin toe te brengen, maar daarbij bepaalt Hij wel wat iemand uiteindelijk worden zal. Je kunt hier een vergelijking trekken met hoe het met de tegenstander gesteld is: ‘En de satan (letterlijk: de tegenstander) antwoordde de HERE (IEUE, Jahweh): Is het om niet, dat Job God vreest? Hebt Gij zelf niet hem en zijn huis en al wat hij bezit aan alle kanten beschut? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn bezit is zeer toegenomen in het land. Strek daarentegen uw hand uit en tast alles aan wat hij bezit – of hij U dan niet openlijk zal vaarwel zeggen! En de HERE zeide tot de satan: Zie, al wat hij bezit, zij in uw macht; alleen tegen hemzelf zult gij uw hand niet uitstrekken. Toen ging de satan van des HEREN aangezicht heen.’ (Job 1 vers 9-12, NBG-vertaling) Een eigen wil, maar geen vrije wil. Ruimte om te wikken, maar niet om te beschikken. Zowel de tegenstander als de tegenstanders – en dat kunnen heel goed mensen zijn – kunnen hun wil slechts laten gelden als God daartoe de gelegenheid geeft. God kan hun ‘de vrije hand geven’, maar enkel binnen de grenzen die Hij aangeeft. ‘Wie van een vrije wil spreekt, leeft onbewust met een godslasterlijk denkbeeld: God heeft met de mens kleine goden geschapen, die, met een vrije wil uitgerust, zich kunnen afzetten tegen Zijn raadsbesluit en Zijn doelstelling kunnen dwarsbomen. Een dergelijke leer loopt uit op het machteloos maken en ontkennen van God, die slechts in de door de tegenstander bewerkte verwarde inbeelding bestaat; want God kan nooit van Zijn macht ontdaan worden. Wanneer de mens een vrije wil zou hebben, dan zouden we geen werkelijke God hebben die deze titel verdient. Hij zou dan niets kunnen plannen noch Zich iets kunnen voornemen, want Hij heeft geen enkele zekerheid dat dit ook in alle gevallen uitvoerbaar zou zijn. Alle profetenwoorden zou 370 | EÉN VOOR ALLEN

den dan onzekere vermoedens zijn, en de uitspraken in de Schrift geven ons dan geen vaste richting of uitkomst.’10 Wanneer we als mensen een vrije wil zouden hebben, dan zouden we machtiger zijn dan de tegenstander, want die bezit in het geheel geen vrije wil… Dat mocht hij willen! We zouden dan ook vanuit de mens weerstand moeten kunnen bieden aan de tegenstander, terwijl Gods Woord heel duidelijk aangeeft dat we enkel krachtig gemaakt kunnen worden in onze Heer, in de macht van Zijn sterkte (Efeziërs 6 vers 10, Concordante Vertaling). Het is dan ook aan God mensen te bergen uit het volmachtsgebied van de duisternis en over te zetten in het Koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde. De ganse oude schepping is geestelijk gezien aan ijdelheid ondergeschikt. Van God uit gezien is de door Hem geschapen oude mens – als onderdeel daarvan – een doelmisser. Alle daden die uit deze doelmisser voortkomen zijn geestelijk gezien missers, zowel de goede als de slechte daden. De mensheid is tot alles in staat, behálve tot een wandel die God welgevallig zou kunnen zijn. ‘Al ware het, dat ik al wat ik heb (letterlijk: wat mij toebehoorde) tot spijs uitdeelde, en al ware het, dat ik mijn lichaam (over)gaf om te worden verbrand (opdat ik mij kon beroemen), maar had de liefde (Goddelijke liefde) niet, het baatte mij niets.’ (1 Korintiërs 13 vers 3, NBG-vertaling) Wanneer Geest, de heilige, echter woning heeft gemaakt in ons hart dan worden we ‘in nieuwheid des levens geschapen’ en is het oude voorbij – zie het nieuwe is gekomen! Dan zullen we door God in staat worden gesteld op een andere manier waar te nemen, naast het doen van goede werken die Zijn welgevallen wegdragen omdat Hij ze tevoren Zelf gereedgemaakt heeft. ‘Want Zijn maaksel (letterlijk: het effect van Zijn daad) zijn wij, die geschapen worden in Christus Jezus voor goede werken, die God van tevoren gereedmaakt, opdat wij daarin zullen wandelen.’ (Efeziërs 2 vers 10, Concordante Vertaling) EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 371

Voor God is het volmaakt dat wij, roemlozen, door verkregen heerlijkheid geestelijk rijp, volgroeid en volwassen worden gemaakt… opdat uiteindelijk ook de ganse schepping – zonder enige eigen verdienste – tot ontwikkeling zal komen, zal rijpen, volgroeien, volwassen zal worden gemaakt naar binnen in Eén! De Zoon heeft voor de ganse schepping overwonnen opdat het stelsel of geheel zal erkennen dat de Vader de Zoon hiertoe uitgezonden en gevolmachtigd heeft. Zodoende is het niet langer de vraag: ‘Waarom nou toch, God?’ Maar het is: ‘Waartoe, God!’ Uiteindelijk zal het zijn opdat alle roemlozen gaan erkennen dat God, de Vader, van hen houdt zoals Hij van Zijn Zoon houdt. Door verkregen heerlijkheid wordt het ganse stelsel geestelijk rijp, volgroeid en volwassen gemaakt naar binnen in Eén. ‘Maar waarom is het nu zo belangrijk om dit te weten?’ zou je jezelf kunnen afvragen. Misschien vind je het ‘wel best allemaal’… God gaat z’n gang maar. Je zult wel zien hoe het loopt. Tja, waarom is het nu eigenlijk zo ontzettend belangrijk om te weten dat God Zijn ganse schepping op het oog heeft? Dat is omdat de onthulling van Gods allesomvattende liefde aan ons hart grote consequenties heeft voor onze visie op datgene wat er om ons heen of met ons is gebeurd. Niet zozeer omdat we hierdoor tot een passende menselijke analyse, conclusie of oplossing zouden kunnen komen, maar eerder om door middel van deze hartenkennis tot een geestelijke analyse, conclusie of oplossing te komen. De Zoon is ons voorgegaan in ‘de dwaasheid naar menselijke maatstaven’ – de totale verbreking van Zijn aardse lichaam – en hoe heeft de Vader Hem nadien niet verheerlijkt en verhoogd…?! ‘Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd (letterlijk: Daarom ook verhoogt God Hem uitermate) en Hem de naam boven alle naam geschonken (en schenkt Hem in genade de Naam die is boven alle naam), opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel (opdat in de Naam van Jezus alle knie buigt van de hemelingen) en die op 372 | EÉN VOOR ALLEN

de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden (van harte belijdt): Jezus Christus is Here (Heer), tot eer (naar binnen in de heerlijkheid) van God, de Vader!’ (Filippenzen 2 vers 9-11, NBG-vertaling) Wanneer we onze knieën buigen als we in gebed zijn – buigen is hierbij absoluut geen ‘must’ – dan verwijst dat naar dat glorieuze moment in de toekomst. Het verwijst naar het moment dat alle vijandig gezinden voor Hem buigen zullen en een onbeschrijfelijke heerlijkheid zullen ontvangen. Sommige mensen vinden het geweldig om in een groot stadion een bepaalde vorm van eenheid te ervaren in het aanmoedigen van hun favoriete sportclub, maar dat valt vergeleken bij de eenheid die God voor ogen staat helemaal in het niet. Het gaat hier om de ganse schepping die – door middel van de Zoon – op de Vader gericht zal worden… Wat een overweldigende eenheid zal dát zijn! De schepping zal één gemaakt worden zoals de Vader en de Zoon één zijn! Onze hemelse Vader heeft Zijn Zoon terwille van dit doel aangesteld en gevolmachtigd… en er is, dientengevolge, geen ontkomen meer aan. Alles wat hemels, aards en onderaards is zal de Zoon erkennen! De ganse schepping zal uiteindelijk van harte belijden dat de Zoon van God Heer is, naar binnen in de heerlijkheid van God de Vader! Ja, alle schepselen in de ganse schepping, jullie horen het goed: God heeft jullie lief Zoals Hij Zijn Zoon liefheeft! Denk daar anders nog eens over na, want is dat niet wonderbaarlijk…?! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 373

374 | EÉN VOOR ALLEN

HOOFDSTUK 14 HET WOORD VaN DE VERZOENING ‘En dit alles is uit God, die door Christus ons met Zich (letterlijk: Zichzelf) verzoend heeft en ons de bediening der verzoening gegeven heeft, welke immers hierin bestaat, dat God in Christus de wereld (het systeem, stelsel of geheel) met Zichzelf verzoenende was, door hun hun overtredingen (krenkingen) niet toe te rekenen, en dat Hij ons het woord der verzoening heeft toevertrouwd (en dat Hij in ons het woord van de verzoening zet).’ – 2 KORINTIËRS 5 vers 18 en 19, NBG-vertaling EEN ZUcHT – VaN VERLIcHTING! ‘Ja, allemaal wel leuk en aardig, maar ik lees toch echt in mijn Bijbel dat het God berouwde dat Hij de mens geschapen had. Dus ik ben niet bepaald in de veronderstelling “dat Hij alles besturen zou” en bespeur daardoor zeker nog een vrije wil van het schepsel.’ Wanneer we de aanleiding van ‘het berouw van God’ zoeken in de goddeloze wandel van de mens, dan kunnen we ons de vraag stellen waarom God dan ook ‘berouw’ had van het scheppen van de dieren, die eveneens in het onderstaande tekstgedeelte genoemd worden. Hadden zij soms ook zwaar tegen Hem gezondigd? ‘Toen de HERE (IEUE, Jahweh) zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde (letterlijk: de slechte, goddeloze acties van de mensen vermenigvuldigd werden) en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was, berouwde het de HERE (Septuaginta: En IEUE, Jahweh, trok het Zich aan), dat Hij de mens op de aarde EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 375

gemaakt had, en het smartte hem in zijn hart (Septuaginta: het ging Hem aan het hart want Hij maakte de mens, en Hij overpeinsde het diep). En de HERE zeide: Ik zal de mensen, die Ik (vanuit het oppervlak van de grond) geschapen heb, van de aardbodem uitroeien (uitwissen), de mensen zowel als het vee (van mens tot beest) en het kruipend gedierte en het gevogelte des hemels (tot bewegend dier en tot de vlieger van de hemelen), want het berouwt (bedroeft) Mij, dat Ik hen gemaakt heb.’ (Genesis 6 vers 5-7, NBG-vertaling) Wanneer God ‘berouw’ kon hebben van dit alles wat Hij geschapen had, dringt zich ook de vraag op of Hij dit dan niet had kunnen voorzien, aangezien Hij toch alwetend is. Het kan immers niet zo zijn dat de mens, of een ander schepsel, Hem voor een verrassing stelt. Hij weet van tevoren hoe alles in Zijn schepping zal uitpakken omdat Hij de Bestuurder is, zoals Hij er ook Zelf over gaat ‘wat de schreden eens mans zijn zullen’. De weg van een mens wordt bepaald door Jahweh, wie weet zelf welke richting hij gaat? Het is niet aan de mens zijn weg te bepalen, zijn pad uit te zetten, te kiezen waarheen hij zal gaan. We zullen het daarom ergens anders moeten zoeken, mede omdat er meerdere malen in de Schrift getuigd wordt van het feit dat God geen mens is dat Hij ‘berouw’ zou hebben. ‘En ook liegt Hij, Die de Overwinning van Israël is, niet, en het berouwt Hem niet; want Hij is geen mens, dat Hem iets berouwen zou.’ (1 Samuël 15 vers 29, Statenvertaling, Jongbloed-editie) ‘God is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens mensen kind, dat het Hem berouwen zou; zou Hij het zeggen, en niet doen, of spreken, en niet bestendig maken?’ (Numeri 23 vers 19, Statenvertaling, Jongbloed-editie) Laten we het eens zo stellen: wanneer kunnen wij berouw of spijt van iets hebben in ons leven? Mogelijk wanneer we zien dat omwille van het doel 376 | EÉN VOOR ALLEN

dat wij onszelf voor ogen hebben gesteld anderen een kwetsuur wordt toegebracht. En wanneer het dan ook nog een innig geliefd persoon zou betreffen, zou ons dat diep in ons hart raken! Dat bij God niet anders, alleen met dit verschil dat God de Schepper is van hemel en aarde en ál wat daarin is (Handelingen 17 vers 24, NBGvertaling): ‘De God, die de wereld (letterlijk: het systeem, stelsel of geheel) gemaakt heeft en al wat daarin is (…)’ Nu lazen we in Genesis 6 vers 5 tot en met 7 vanuit de Septuaginta: ‘En IEUE, Jahweh trok het Zich aan – het ging Hem aan het hart – want Hij maakte de mens, en Hij overpeinsde het diep.’ Dat klinkt binnen deze context ontzettend logisch. God had Zich immers een doel voor ogen gesteld waarin de ganse schepping – met de aarde en hen die daarop wonen als onderdeel daarvan – een kwetsuur moest worden toegebracht. ‘Want de schepping is aan de vruchteloosheid (letterlijk: ijdelheid) onderworpen (ondergeschikt), niet vrijwillig, maar om (de wil van) Hem (vanwege de Onderschikker), die haar daaraan onderworpen (ondergeschikt) heeft (…)’ (Romeinen 8 vers 20, NBG-vertaling) God is uiteraard bij machte met alle slechte, goddeloze wandel af te rekenen. ‘Daarom zeide God (Elohim) tot Noach: Het einde van alle vlees in voor Mijn aangezicht gekomen; want de aarde is door hen vervuld met wrevel (letterlijk: want het land is vol van het verkeerde); en zie, Ik zal hen met de aarde verderven (Ik zal hen met het land vernietigen).’ (Genesis 6 vers 13, Statenvertaling, Jongbloed-editie) Maar Hij heeft daarnaast diezelfde vijandig gezinden oneindig lief, al wijst Hij de vijandschap van de hand. ‘Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief (letterlijk: liefhebben met Goddelijke liefde) en bidt voor wie u vervolgen, opdat gij kinderen (zonen) moogt zijn van uw Vader, die in de hemelen is (…)’ (Matteüs 5 vers 44, NBGvertaling) EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 377

Wij zijn, als Zijn schepselen, stuk voor stuk innig geliefd door onze hemelse Vader. Nu is niets zo erg als je kind zien lijden, dus als God Zijn ganse schepping gelijk bejegent als Zijn Zoon dan is Zijn lijden onnoemelijk groot! Ga maar na hoe Hij lijden moet als Hij elke doelmisser met dezelfde liefde bejegent als Zijn Zoon. ‘Voor “berouwen” in Genesis 6 vers 6 staat “nacham”, wat letterlijk “diep zuchten” betekent. In de Hebreeuwse klanktaal is het een soort snik die uit iemands borst opwelt. In de Septuaginta is het vertaald met een woord dat aangeeft dat iets op iemands gemoed drukt. Hier wordt over IEUE mensvormig gesproken, meer moet er niet achter worden gezocht. Het geeft aan dat Hij niet zomaar tot een oordeel overgaat, maar dit met een bezwaard gemoed doet, zoals een mens dat zou voelen. Dat past bij Zijn karakter, dat wij nu hebben leren kennen als buitengewoon liefdevol en genadig! Toen IEUE de gestalte van een slaaf had aangenomen, als onze Heer Jezus Christus, zou Hij die menselijke gevoelens voor iedereen zichtbaar vertonen. Ook het boze geslacht dat toen is omgekomen zal erbij zijn wanneer God alles in allen wordt. Amen!’ 1 Het was van meet af aan Gods bedoeling dat de schepping door lijden en weerspannigheid heen tot heerlijkheid zou worden gebracht. ‘Want allen hebben gezondigd (letterlijk: alles zondigt, mist) en derven de heerlijkheid Gods (lijdt gebrek van de heerlijkheid van God), en worden om niet gerechtvaardigd uit (in) zijn genade, door de verlossing (vrijkoping) in Christus Jezus.’ (Romeinen 3 vers 23 en 24, NBG-vertaling) Voor de betoning van Gods liefde moest alles echter eerst gebrek lijden… en de gevolgen daarvan waren bij tijd en wijle ‘niet om aan te zien’ voor God, Die met Zijn ganse schepping meelijdt. Toch maakte Hij alles ondergeschikt aan ijdelheid omwille van Zijn Eigen raadsbesluit, vanuit de wetenschap dat ook de schepping zelf vrij gemaakt zal worden vanaf de slavernij van het verderf naar binnen in de vrijheid van de heerlijkheid van de (als eersteling) uit God voortgebrachten. Het verhaal kent dus een happy end! 378 | EÉN VOOR ALLEN

Ondanks Gods alwetendheid en Zijn vermogen om te allen tijde te handelen overeenkomstig Zijn raadsbesluit zijn er dus momenten in de verwezenlijking van Zijn plan waarop het Hem heel diep raakt dat de schepping een dergelijke heilloze weg moet gaan alvorens Hij haar Zijn barmhartigheid betonen zal en aan Zijn Vaderhart zal drukken. Vanuit God gezien is dat niet meer dan logisch, maar niet vanuit Zijn schepselen gezien, want: dan doet Hij er toch wat aan? Precies zoals het staat in Numeri 23 vers 19: dan spreekt Hij toch om het te bestendigen? En waarom zouden we überhaupt medelijden moeten hebben met God als Hij het lijden van de ganse schepping Zélf nodig achtte…?! Zoals eerder genoemd: het was van meet af aan Gods bedoeling dat de schepping door lijden en weerspannigheid heen tot heerlijkheid zou worden gebracht. God neemt het blijkbaar ‘op de koop van al Zijn doelmissers toe’ dat wij in onze weerspannigheid Zijn plannen soms maar ‘zwaar waardeloos’ vinden. God heeft het al tezamen ingesloten naar binnen in weerspannigheid, opdat Hij het al barmhartig, genadig, zou zijn. Een gericht van God komt dan ook niet voort uit rancune, omdat dat volkomen in tegenspraak zou zijn met wat de Schrift ons leert over de liefde van God. ‘De liefde (agapè) is lankmoedig (letterlijk: geduldig), de liefde is goedertieren (mild), zij is niet afgunstig (is niet jaloers), de liefde praalt (pocht) niet, zij is niet opgeblazen, zij kwetst niemands gevoel (zij is niet onwelvoeglijk, strijdig met het fatsoen), zij zoekt zichzelf niet, zij wordt niet verbitterd (zij laat zich niet prikkelen), zij rekent het kwade niet toe. Zij is niet blijde over ongerechtigheid (zij verheugt zich niet over ongerechtigheid), maar zij is blijde (maar verheugt zich samen) met de waarheid. Alles bedekt zij (alles beschut zij), alles gelooft zij, alles hoopt (verwacht) zij, alles verdraagt zij (in alles volhardt zij). De liefde vergaat nimmermeer (De liefde vervalt nooit…)’ (1 Korintiërs 13 vers 4-8, NBG-vertaling) Dat de liefde al deze kwaliteiten in zich heeft sluit echter verontwaardiging (NBG-vertaling: toorn) niet uit. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 379

Kijk maar naar de Zoon: Jezus stond volmaakt in de liefde, maar kende toch een punt in Zijn leven hier op aarde waarop Hij alles omvergooide, letterlijk, in het huis van Zijn Vader. Wanneer we kijken naar de verontwaardiging van de Zoon op het moment waarop Hij de tafels van de marktkooplieden in het heiligdom van God omverwierp, dan kunnen we ook iets van de verontwaardiging (NBG-vertaling: toorn) van God gaan begrijpen. ‘En Jezus ging de tempel (letterlijk: het heiligdom van God) binnen en dreef allen uit, die verkochten en kochten in de tempel, en de tafels der wisselaars keerde Hij om en de stoelen van hen, die de duiven verkochten, en Hij zeide tot hen: Er staat geschreven: Mijn huis zal een bedehuis (een huis van gebed) heten, maar gij maakt het tot een rovershol.’ (Matteüs 21 vers 12 en 13, NBG-vertaling) ‘En tot de duivenverkopers zeide Hij: ‘Neemt dit alles hiervandaan, maakt het huis mijns Vaders niet tot een verkoophuis.’ (Johannes 2 vers 16, NBGvertaling) Deze verontwaardiging kwam niet voort uit het feit dat Jezus ‘verrast’ was door de verdorvenheid van de mensen; Hij wist immers maar al te goed dat Hij omwille van die verdorvenheid de weg zou gaan die God met Hem voorhad. Deze intense emotie bij de Zoon kwam voort uit het aanschouwen van de ontheiliging en de daarmee samenhangende verontreiniging van hetgeen Hem lief was. Dit was ‘niet om aan te zien’ voor de Zoon… en zo is het ook met God. Nu is het in het geval van de schepselen anders, omdat er van ‘ontheiliging’ enkel sprake kan zijn wanneer iets heilig is. Wat dat betreft zijn alle doelmissers aan elkaar gelijk, want er is er niet één heilig van zichzelf. Feit is echter dat de hemelse Vader zondaren in die mate liefheeft dat Hij Zijn Zoon als losprijs voor allen heeft overgegeven! Verder moeten we de verontwaardiging van God ook niet verwarren met de toorn van de dooreenwerper: ‘Wee dengenen, die de aarde en den zee bewonen (letterlijk: Wee, de aarde en de zee), want de duivel (de dooreenwerper) is tot u afgekomen, en heeft groten toorn (woede), wetende, dat hij een kleinen tijd heeft.’ (Openbaring 380 | EÉN VOOR ALLEN

12 vers 12, Statenvertaling, Jongbloed-editie) Tot Gods verontwaardiging zijn we niet gesteld, omdat deze verontwaardiging alleen diegenen aangaat die nog niet tot erkenning van de waarheid zijn gebracht. ‘Daarentegen is diens komst naar (letterlijk: in overeenstemming met) de (in)werking des satans (van de tegenstander) met allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke (valse) wonderen, en met allerlei verlokkende (in alles misleiding van de) ongerechtigheid, voor (in) hen, die verloren gaan (die omkomen), omdat zij de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben (omdat zij de liefde van de waarheid niet ontvangen hebben), waardoor zij hadden kunnen behouden (gered) worden. (2 Tessalonicenzen 2 vers 9 en 10, NBG-vertaling) Hier vinden we opnieuw terug dat God ‘dé Bepalende Factor’ is in ieders leven. Mensen die ‘de liefde (agapè) van de waarheid’ niet ontvangen hebben worden niet gered, maar komen om in het gericht dat God over de aarde brengen zal. Dit is geheel in overeenstemming met wat in de Spreuken staat: ‘De HERE (IEUE, Jahweh) heeft alles gemaakt (letterlijk: uitgedacht) voor zijn doel (Hem tot antwoord), ja, zelfs de goddeloze voor de dag des kwaads.’ (Spreuken 16 vers 4, NBG-vertaling) IEUE, Jahweh heeft alles uitgedacht Hem tot antwoord! Mensen hebben de redding van de verontwaardiging (NBG-vertaling: toorn) van God niet te danken aan zichzelf. ‘Maar wij behoren (letterlijk: zijn verschuldigd) God te allen tijde om u (aangaande jullie) te danken, door de Here (Heer), geliefde broeders, dat God u als eerstelingen (eersteling) Zich verkoren heeft (naar voren trekt) tot behoudenis (naar binnen in redding), in heiliging door de Geest en geloof in de waarheid.’ (2 Tessalonicenzen 2 vers 13, NBG-vertaling) Ze zijn verschuldigd God daarvoor te danken. Híj trekt de door Hem uitverkozen mensen als eersteling naar voren naar binnen in Zijn redding! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 381

‘Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke (…)’ (Johannes 6 vers 44, NBG-vertaling) Waardoor? In heiliging door de Geest en geloof in de waarheid. Beide genadegaven! ‘(…) want God heeft ons niet gesteld tot toorn (letterlijk: want God zet ons niet naar binnen in verontwaardiging), maar tot het verkrijgen van zaligheid (maar naar binnen in verkrijging van redding) door onze Here (Heer) Jezus Christus (...)’ (1 Tessalonicenzen 5 vers 9, NBG-vertaling) Wanneer je tot erkenning van de waarheid bent gebracht word je geborgen uit het volmachtsgebied van de duisternis en overgezet in het Koninkrijk van de Zoon van Gods liefde. Dan word je ook niet ‘gezet naar binnen in verontwaardiging’, maar ‘gezet naar binnen in verkrijging van redding’. Is dit een gevolg van je eigen ‘goede gedrag’? Nee, dat niet. Het is genade. Dit verwezenlijkt God door de Heer Jezus Christus! Zoals mensen er zélf niets aan kunnen doen dat ze als eersteling getrokken worden naar binnen in Gods redding, zo kunnen mensen er zélf ook niets aan doen wanneer zij op dat moment nog niet tot redding zijn uitverkozen. Voorafgaand aan Gods toekomende verontwaardiging (NBGvertaling: toorn) en de daarmee gepaard gaande wereldwijde gerichten zendt God hun daarom Zelf een dwaling (2 Tessalonicenzen 2 vers 11, Concordante Vertaling): de inwerking van de tegenstander met allerlei krachten, tekenen en valse wonderen, in alles misleiding van de ongerechtigheid. En zo is de inwerking van de tegenstander er op gericht ‘misleiding van de ongerechtigheid’ teweeg te brengen in hen die zullen omkomen in het naderende gericht, omdat zij de agapè – de Goddelijke liefde van de waarheid – niet ontvangen hebben, waardoor zij gered hadden kunnen worden. Hieruit kunnen we eveneens opmaken dat het welgevallen dat men heeft in de ongerechtigheid – het ‘goed achten’ daarvan (2 Tessalonicenzen 2 vers 12, Concordante Vertaling) – niet zal opgaan voor diegenen die de 382 | EÉN VOOR ALLEN

Goddelijke liefde van de waarheid wél ontvangen hebben. Zij laten zich niet misleiden, al staan zij mogelijk wel aan de misleiding bloot. ‘Maar nu las ik in spreuken 16 vers 4 en 5 het volgende vanuit de NBGvertaling: “De HERE heeft alles gemaakt voor zijn doel, ja, zelfs de goddeloze voor de dag des kwaads. Iedere hooghartige is de HERE een gruwel; voorwaar hij blijft niet ongestraft.” Betekent ‘de Here een gruwel zijn’ dan dat je niet (langer) door Hem geliefd bent?’ Nee, in geen geval. Ook voor alle hoogmoedigen van hart is de Zoon gestorven, opgewekt en verheerlijkt! Laten we vers 5 nog eens lezen: ‘Iedere hooghartige is de HERE (IEUE, Jahweh) een gruwel; voorwaar hij blijft niet ongestraft (hij zal niet voor onschuldig gehouden worden).’ ‘Niet voor onschuldig gehouden worden’ geeft aan dat de gerechtigheid Gods – die om niet geschonken wordt – op dat moment nog niet voor deze schepselen gelden zal. Zij zullen in het gericht komen dat van tevoren ‘Hem tot antwoord’ is uitgedacht en waarvan geprofeteerd werd. De gruwel geldt het tegenstreven en het zich verheffen tegen God; een voorbeeld hiervan vinden we terug in koning Nebukadnessar: ‘Dit alles overkwam (letterlijk: kwam over) koning Nebukadnessar. Na verloop van twaalf maanden, toen hij aan het wandelen was op het koninklijk paleis in Babel (op het paleis van het koninkrijk van Babylon), nam de koning het woord en zeide: Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een koninklijke woonstede (dat ik bouwde tot het huis van het koninkrijk) door de sterkte mijner macht (door de macht van mijn beveiliging) en tot eer mijner majesteit (en tot achting van mijn eer)?’ (Daniël 4 vers 28-30, NBG-vertaling) Hierop voltrok zich – als antwoord ten aanzien van God – een eerder door God aangezegd gericht over Nebukadnessar. Niet om hem voorgoed te verdelgen, maar om hem tot inzicht te brengen. ‘(…) en zeven tijden zullen over u voorbijgaan, totdat gij erkent (letterlijk ook wel: totdat u zal weten), dat de Allerhoogste macht (gezag) heeft over EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 383

het koningschap der mensen (in het koninkrijk van de sterveling) en dat geeft aan wie Hij wil.’ (Daniël 4 vers 25, NBG-vertaling) Alles wordt ontvangen. Je kunt het nu al als eersteling ontvangen… en dan ben je een gezegend mens. Maar je kunt de redding ook pas helemaal aan het eind van de aionen ontvangen, wanneer de door God ingestelde tijdperken hun einde vinden en God uiteindelijk alles in al Zijn schepselen worden zal. Een gericht brengt vernedering tot stand omwille van het feit dat ál Gods daden – ook deze daad – waarheid zijn. Zíjn paden beslissen, berechten, richten. Door een gericht, of door gerichten heen, komt men ergens! Bij God draait het om erkenning; men zal door gerichten heen tot de ontdekking komen dat Hij ‘dé Gezaghebbende’ is en dit gezag geeft aan wie Hij wil. Ook Nebukadnessar ontving uiteindelijk dat geestelijke inzicht. ‘Nu roem (letterlijk: loof), verhef (verhoog) en verheerlijk (eer) ik, Nebukadnessar, de Koning des hemels, wiens werken alle waarheid en wiens paden recht zijn (al Zijn daden zijn waarheid en Zijn paden beslissen, berechten, richten), en die hen die in hoogmoed (ook wel: trots) wandelen, vermag te vernederen (ook wel: verlagen).’ (Daniël 4 vers 37, NBG-vertaling) Feitelijk is wat hier gebeurde profetisch, het verwijst naar een toekomende periode waarin er sprake zal zijn van ‘het grote Babylon’, waarover we kunnen lezen in Openbaring 18 vers 1 tot en met 3. Nebukadnessar werd, uiteindelijk, op God gericht als verwijzing naar de hoogmoedigste onder alle hoogmoedigen: de tegenstander, die zich verheffen zal tegen alles wat God, of voorwerp van verering heet. Hoogmoed komt echter voor de val; God zal allen die in hoogmoed wandelen verlagen. Ook de tegenstander zal – door vernederingen heen – uiteindelijk tot besef komen dat er geen ‘eigen naam’ te maken valt bij God. ‘Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren (letterlijk: onthullen), de zoon des verderfs (de zoon van de vernietiging), de tegenstander (die tegenstreeft en), die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien 384 | EÉN VOOR ALLEN

(zichzelf te bewijzen), dat hij een god is.’ (2 Tessalonicenzen 2 vers 3 en 4, NBG-vertaling) Voorafgaand aan de komende gerichten zal er eveneens sprake zijn van ‘een ontheiliging en verontreiniging van hetgeen de Vader en de Zoon lief is’. ‘(…) zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zichzelf te bewijzen, dat hij een god is.’ Dan zal er, opnieuw, een gericht nodig zijn wil herstel kunnen intreden, omdat God een totaal andere bestemming heeft voor de mensheid. Wat hier op aarde plaats zal hebben is een voorbode van hetgeen uiteindelijk de ganse schepping zal betreffen. Aan het einde van alle door God ingestelde tijdperken zal de Vader van de heerlijkheid tot Zijn doel komen met iedere doelmisser, door deze tot geestelijke eenheid in de Zoon te brengen en, op figuurlijke wijze, tot een huis van gebed te maken. Het was van meet af aan de bedoeling dat de ganse schepping haar weg door lijden – vervreemding van God – heen zou gaan. De volgende tekst slaat in feite op de ganse oude schepping, die nog ‘in ijdelheid van denkzin’ wandelt: ‘(…) verduisterd in hun verstand, vervreemd van het leven Gods om de onwetendheid, die in hen heerst, om de verharding van hun hart. Zij hebben zich immers in hun verdoving overgegeven aan de losbandigheid om gretig winst te slaan uit allerlei onreinheid.’ (Efeziërs 4 vers 18 en 19, NBG-vertaling) Concordante Vertaling: ‘(…) die in hun inzicht verduisterd zijn en van het leven van God vervreemd, door de onwetendheid die in hen is door de vereelting van hun hart. Zij zijn afgestompt en geven zichzelf over aan de losbandigheid in het bedrijven van alle onreinheid in hebzucht.’ Wanneer de schepping ‘gebrek lijdt van de heerlijkheid van God’ – lijdt onder geestelijke onwetendheid (ongeloof), vervreemding en verharding van hart en de daaruit voortvloeiende goddeloosheid – dan doet dat God onnoemelijk veel! Zo veel dat Hij er zelfs diep over nadacht of Hij deze weg eigenlijk wel moest gaan met Zijn schepselen. Romeinen 9 vers 18 EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 385

leert ons immers: ‘Hij ontfermt Zich dus (letterlijk: Hij is barmhartig) over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil.’ (NBG-vertaling) Al heeft de schepping zelf niet door in welke mate zij gebrek lijdt, God ervaart het lijden van de schepping zo intens dat het Hem echt aan Zijn Vaderhart gaat. Dat was wat er in Genesis 6 vers 6 gebeurde. De hemelse Vader gaat immers samen met ons door al het lijden heen… Als de schepping lijdt, lijdt God mee! ‘Want wij weten (letterlijk: hebben waargenomen), dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen (samen) zucht en in barensnood is (samen weeen heeft).’ (Romeinen 8 vers 22, NBG-vertaling) Om bij het voorbeeld van een vrouw in barensnood te blijven: Als man kun je dan wel in de gelukkige wetenschap zijn ‘vader’ te worden, maar het lijden waar je wederhelft doorheen moet is niet om aan te zien! Je lijdt met haar mee, wilt het lijden liefst van haar overnemen of er anders zo snel mogelijk een einde aan maken, maar dat kan niet. Het geboorteproces moet zijn beloop hebben en zal uiteindelijk ook iets geweldigs opleveren: nieuw leven! Zo is het ook met God. God is in vreugdevolle verwachting, in de gelukkige wetenschap Vader van een kosmos omvattend nieuw leven te worden. Maar de schepping is in barensnood! God lijdt met Zijn schepping mee, wil dit lijden liefst overnemen of er anders zo snel mogelijk een einde aan maken… Dat kan echter niet. Het geboorteproces moet Zijn beloop hebben en zal uiteindelijk ook iets geweldigs opleveren – al moet God op het laatst wel ingrijpen om het nieuwe leven ‘op de wereld te zetten’. Op vergelijkbare wijze gaat de oude schepping – met de aarde als onderdeel daarvan – door verschillende fases die uiteindelijk zullen leiden naar de geboorte van een prachtige nieuwe schepping! Fases waarbij God de dingen die op de aarde en in de hemelen plaatshebben soms ‘op Zijn beloop’ laat – dat wil zeggen: zowel de tegenstander als de tegenstanders kunnen hun wil slechts laten gelden als God daartoe de gelegenheid geeft. God kan hun ‘de vrije hand geven’, maar enkel binnen de grenzen die Hij 386 | EÉN VOOR ALLEN

aangeeft – en soms moet bijsturen door in te grijpen. Dat ingrijpen gebeurt echter niet uit rancune, maar vanuit diepe bewogenheid. Er komt een moment waarop God zegt dat het zó wel genoeg is. Niet voor Zichzelf – want de liefde beschut alles, gelooft alles, verwacht alles, volhardt in alles en vervalt nooit – maar voor de schepping. Op dat moment is de tijd rijp voor de volgende fase van Zijn plan en gooit Hij alles wat de verwezenlijking van Zijn doel in de weg staat omver. De maat is vól… en het wordt tijd om een nieuwe richting op te gaan! Want wij hebben waargenomen, dat tot nu toe de ganse schepping samen zucht en samen weeën heeft. En niet alleen zij, echter ook wij zelf, die de Geest als eersteling ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in het wachten op het zoonschap: de vrijkoping van ons lichaam. Een nieuwe richting, die ons wederom een diepe zucht zal doen slaken… maar nu van Verlichting! cULmINEREN IN DE cHRISTUS Mensen kunnen onzeker worden wanneer ze hun persoonlijk ‘niet voldoen aan Gods norm’ in ogenschouw nemen. Ze kunnen, als David, gaan vrezen dat God hen van Zijn aangezicht verwerpen zal. Twijfel kan de kop opsteken en angst voor God kan de drijfveer achter ‘een menselijk goed doen voor God’ worden. Met angst als beweegreden zijn mensen echter nog ver verwijderd van het leren kennen van Gods liefde. In Efeziërs 1 vers 13 en 14 lezen we over een ‘verzegeling met de Geest van de belofte, die een waarborg is van onze lotgenieting’: ‘In Hem zijt ook gij, nadat gij het woord der waarheid, het evangelie uwer behoudenis, hebt gehoord; in Hem zijt gij, toen gij gelovig werdt, ook verzegeld met de heilige Geest der belofte, die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het volk, dat Hij Zich verworven heeft, tot lof zijner heerlijkheid.’ (NBG-vertaling) EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 387

‘In Hem ook zijn jullie, die het woord van de waarheid horen, het evangelie van jullie redding, in Hem ook zijn jullie, die geloven, verzegeld met de Geest van de belofte, de heilige (die een waarborg van onze lotgenieting is, tot de vrijkoping van het voor ons toegeëigende) tot lofprijs van Zijn heerlijkheid!’ (Concordante Vertaling) We hebben hier wederom met niets menselijks van doen, maar enkel met een voortzetting van geestelijke gave, op gave, op gave. Tot slot daarom nog eenmaal de vragen: • Wanneer er ook nog aan ‘de vrije keuze’ en de daaruit voortvloeiende ‘verantwoordelijkheid van de mens’ gesleuteld gaat worden… wat blijft er dan nog over? • Wat blijft er nog over wanneer niemand verloren zou gaan omdat God op niemand meer iets aan te merken kan hebben? • En wat zou het – dan nog – voor zin hebben om te geloven? Nou… wat dacht je hiervan? Is het per slot van rekening geen enorme genadegave nú al als een van de eerstelingen van de ganse schepping: • de erkenning van de waarheid te ontvangen? • met vrijmoedigheid te kunnen naderen tot de troon van de genade? • te kunnen vertrouwen op Gods verzegeling, doordat Hij, met de Geest van de belofte, woning in jou heeft willen maken? • de hartenkennis te ontvangen dat deze Geest de waarborg is voor een toekomstig lotgenieten in overweldigende heerlijkheid? • te mogen beseffen dat de hemelse Vader, naar Wie iedere vaderlijke verwantschap in de hemelen en op aarde genoemd wordt, uiteindelijk Zijn ganse schepping de vreugde van Zijn redding schenken zal, om niet? En wat te denken van de liefde…?! Zou de liefde niet datgene kunnen zijn wat ons dringt? 388 | EÉN VOOR ALLEN

‘Want de liefde van Christus dringt ons, daar wij tot het inzicht gekomen zijn, dat één voor allen gestorven is. Dus zijn zij allen gestorven. En voor allen is Hij gestorven, opdat zij, die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem, die voor hen gestorven is en opgewekt. Zo kennen wij dan van nu aan niemand naar (letterlijk: niemand waarnemen in overeenstemming met) het vlees. Indien wij al Christus naar (in overeenstemming met) het vlees gekend hebben, thans (nu, van nu af aan) niet meer. Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan (hetgeen van oorsprong is komt voorbij), zie, het nieuwe is gekomen (het waarnemen wordt nieuw). En dit alles is uit God, die door Christus ons met Zich(zelf) verzoend heeft en ons de bediening der verzoening gegeven heeft, welke immers hierin bestaat, dat God in Christus de wereld (het systeem, stelsel of geheel) met Zichzelf verzoenende was, door hun hun overtredingen (krenkingen) niet toe te rekenen, en dat Hij ons het woord der verzoening heeft toevertrouwd (en dat Hij in ons het woord van de verzoening zet).’ (2 Korintiërs 5 vers 14-19, NBG-vertaling) Als je nog vraagtekens zet bij Gods allesomvattende liefde, ben je dan wel gestorven met de Zoon of leef je nog voor jezelf als je menselijke gerechtigheid nog boven de gerechtigheid van God stelt? Heb je weleens op een geestelijke wijze ‘oud en nieuw’ gevierd? Nu blijken menselijke goede voornemens veelal zeer discutabel, maar wat denk je: zou hetzelfde voor Gods goede voornemen opgaan? Oud: allen zondigen en allen lijden gebrek van de heerlijkheid van God. Daar valt weinig aan te vieren… Maar nieuw: allen worden om niet gerechtvaardigd in Gods genade, door de vrijkoping in Christus Jezus! ‘Want allen hebben gezondigd (letterlijk: zondigen, missen) en derven de heerlijkheid Gods (lijden gebrek van de heerlijkheid van God), en worden om niet gerechtvaardigd uit (in) zijn genade, door de verlossing (vrijkoping) in Christus Jezus.’ (Romeinen 3 vers 23 en 24, NBG-vertaling) EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 389

Het ‘gebrek lijden van de heerlijkheid van God’ wordt opgeheven omwille van de liefde, de Vaderlijke verwantschap van God ten aanzien van Zijn ganse schepping. Wat een geweldige verwachtingsvolle en blijde boodschap! De nieuwe schepping leeft vanuit de hartenkennis dat allen zondigen en gebrek lijden van de heerlijkheid van God, en dat allen om niet gerechtvaardigd worden in genade, door de vrijkoping in Christus Jezus. Voor de nieuwe schepping geldt dat de manier van waarnemen vernieuwd of verjongd wordt. Zij wordt niet langer gericht op hetgeen van oorsprong, hetgeen van voorbijgaande aard is – een gegeven dat opgaat voor alle oude vleselijke zaken, waaronder dito geloofsbeleving. Zij wordt gericht op hetgeen nooit meer zal voorbijgaan: een manier van waarnemen overeenkomstig de waarheid van Gods liefde. Voor allen is Hij gestorven… opdat zij, die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem, Die voor hen gestorven is en opgewekt. Zijn wij – die als eersteling hét leven hebben ontvangen – net als de Zoon Zelf met innerlijke ontferming bewogen over al die schepselen die nu nog van Gods innerlijke en uiterlijke heerlijkheid verstoken zijn? Wordt onze manier van waarnemen vernieuwd, zodat we niemand – gelovigen en ongelovigen – meer willen waarnemen in overeenstemming met het vlees, in overeenstemming met de oude schepping? Dit omdat we weten mogen dat ‘Eén voor allen gestorven is’ en ‘allen dus gestorven zijn’? Weten wij onszelf in Christus een nieuwe schepping, zodat we kunnen rekenen met Gods verzoening die aan alle overtredingen voorbijziet? Al onze persoonlijke krenkingen, maar ook de krenkingen van al die anderen? Leven wij de ons van God gegeven ‘bediening van de verzoening’ uit doordat God ‘het woord van de verzoening’ in ons hart heeft gezet? Gaan wij uit van de geweldige waarheid dat God Zijn ganse schepping liefheeft zoals Hij Zijn Zoon liefheeft? 390 | EÉN VOOR ALLEN

Tussen ‘verachting’ en ‘verwachting’ zit maar één letter verschil. Zijn we nog bezig met het verachten van doelmissers… óf verwachten we het van God Die uiteindelijk met alle doelmissers tot Zijn geestelijke doel zal komen? Verachten we de rijkdom van Gods mildheid, draagkracht en geduld… óf verwachten we dat deze uiteindelijk bij iedere doelmisser zal leiden tot de door God gewenste omzinning naar binnen in de erkenning van de waarheid? De liefde van Christus dringt ons. We worden gericht op het geestelijke feit dat Eén voor allen gestorven is, zodat allen gestorven zijn. De liefde van Christus bewerkt dat wij nu al niet meer voor onszelf leven, maar gaan leven voor Degene Die voor allen is gestorven en opgewekt. De liefde van Christus maakt dat we niemand meer willen waarnemen in overeenstemming met het vlees… zelfs de Zoon niet. En dit alles is uit God, Die door Christus ons met Zichzelf verzoend heeft. Hij heeft ons de bediening van de verzoening gegeven, die hierin bestaat, dat God in Christus het al met Zichzelf verzoenende was door hun hun krenkingen niet toe te rekenen, en dat Hij in ons het woord van de verzoening zet. ‘Want uit Hem en door Hem en tot (letterlijk: naar binnen in) Hem zijn alle dingen (is het alles).’ (Romeinen 11 vers 36, NBG-vertaling) Kolossenzen 1 vers 19 en 20 zegt (NBG-vertaling): ‘Want het heeft de ganse volheid behaagd in Hem woning te maken, en door Hem, vrede gemaakt hebbende door het bloed zijns kruises, alle dingen weder met Zich te verzoenen, door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is.’ Concordante Vertaling: ‘(…) want het gehele complement heeft er welbehagen in om in Hem te wonen en door Hem het al wederzijds met Zichzelf te verzoenen, vrede makend door het bloed van Zijn kruis, door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is.’ EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 391

Over ‘de vrije keuze’ en ‘de verantwoordelijkheid van de mens’ gesproken… ‘Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus. Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht. In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof van de heerlijkheid zijner genade, waarmede Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde. En in Hem hebben wij de verlossing door zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom zijner genade, welke Hij ons overvloedig heeft bewezen in alle wijsheid en verstand, door ons het geheimenis van zijn wil te doen kennen, in overeenstemming met het welbehagen, dat Hij Zich in Hem had voorgenomen, om, ter voorbereiding van de volheid der tijden, al wat in de hemelen en op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten, in Hem, in wie wij ook het erfdeel ontvangen hebben, waartoe wij tevoren bestemd waren krachtens het voornemen van Hem, die in alles werkt naar de raad van zijn wil, opdat wij zouden zijn tot lof zijner heerlijkheid, wij, die reeds tevoren onze hoop op Christus hadden gebouwd.’ (Efeziërs 1 vers 3-12, NBG-vertaling) Concordante Vertaling: ‘Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons zegent met iedere geestelijke zegen te midden van de hemelingen, in Christus, zoals Hij ons uitkiest in Hem vóór de nederwerping van de wereld opdat wij heiligen en smettelozen voor Zijn aangezicht zijn, in liefde ons tevoren bestemmend tot het zoonschap door Christus Jezus voor Zichzelf, in overeenstemming met het welbehagen van Zijn wil, tot lofprijs van de heerlijkheid van Zijn genade, die ons begenadigt in de Geliefde. In Hem hebben wij de vrijkoping door Zijn bloed, de vergeving van de krenkingen in overeenstemming met de rijkdom van Zijn genade, die Hij laat overvloeien in ons; in alle wijsheid en bezonnenheid ons bekendmakend het geheimenis van Zijn wil (in overeenstemming met Zijn welbehagen, dat Hij Zich voornam in Hem) tot beheer van het complement van de era’s, om het al te culmineren in de Christus: zowel wat in de hemelen als wat op de aarde is, in Hem. In Hem zijn ook wij door loting aangewe392 | EÉN VOOR ALLEN

zen (wij die tevoren bestemd zijn in overeenstemming met het voornemen van Hem Die alles bewerkt in overeenstemming met de raad van Zijn wil), opdat wij zijn tot lofprijs van Zijn heerlijkheid, die een voorverwachting hebben in de Christus.’ Waar plaatsen wij dan al deze geestelijke zegeningen, zoals ‘de uitverkiezing in de Zoon van voor de nederwerping van de wereld’, het ‘tevoren bestemmen tot het zoonschap door Christus Jezus’ en de daarmee gepaard gaande ‘voorverwachting in de Christus’? Een verwachting die we vóór al Gods andere schepselen ontvangen mochten! Ik vraag het je daarom maar op de man af: wordt er in dezen dan aan ‘de vrije keuze en de verantwoordelijkheid van de mens’ gesleuteld… óf aan Gods woorden van Geest en leven? Hebben wij onszelf weleens afgevraagd waarom we onszelf überhaupt nog afvragen ‘wat er dan nog overblijft’ en ‘wat het dan nog voor zin zou hebben om te geloven’ wanneer wij door loting zijn aangewezen om tot lofprijs van Zijn heerlijkheid te mogen zijn… wanneer God deze dingen voor Zichzelf doet, in overeenstemming met het welbehagen van Zijn wil, tot lofprijs van de heerlijkheid van Zijn genade, die ons begenadigt in de Geliefde? God rekent niet genadeloos af met zondaren; God rekent genadeloos af met al het vermeende ‘eigen werk’! … in alle wijsheid en bezonnenheid ons bekendmakend het geheimenis van Zijn wil (in overeenstemming met Zijn welbehagen, dat Hij Zich voornam in Hem) tot beheer van het complement van de era’s, om het al te culmineren in de Christus: zowel wat in de hemelen als wat op de aarde is, in Hem. Culmineren betekent zoveel als ‘zijn toppunt bereiken’. Een neef van mij verzorgde eens een schitterende preek over dit onderwerp, getiteld: ‘Dat is het tóppunt!’ God zal maken dat alles Zijn tóppunt in de Christus zal bereiken! Dat is het geheimenis van Gods wil! Alles werkt toe naar dit moment! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 393

‘(…) want de werken, die Mij de Vader gegeven heeft om te volbrengen (letterlijk: tot volledige ontwikkeling te brengen, tot perfectie te brengen, het toppunt te doen bereiken), juist die werken, die Ik doe, getuigen van Mij, dat de Vader Mij gezonden heeft.’ (Johannes 5 vers 36, NBG-vertaling) Laten we ten behoeve van dat Woord onze knieën voor Hem buigen en van harte met onze tong belijden dat Hij Heer is! De uitgeroepen gemeente, die het lichaam is, is niet het eindoel van God. De Zoon is als Kurios – als de Bekrachtigde – door de Vader gevolmachtigd om het plan dat Hem met Zijn ganse schepping voor ogen staat ten uitvoer te brengen. Allen zullen uiteindelijk tot ontwikkeling komen, rijpen, volgroeien, volwassen worden gemaakt naar binnen in Eén. Dit is ondoenlijk voor de mens(heid). De mensheid kan – vanuit nobel, humanitair, economisch, idealistisch, religieus oogpunt en zo meer – eensgezindheid nastreven, maar ze is vanuit zichzelf niet tot een God welgevallige eensgezindheid in staat, al wil men ons soms maar al te graag anders doen geloven. ‘De God nu (letterlijk: echter) der volharding en der vertroosting geve u eensgezind van hetzelfde gevoelen te zijn naar (NBG: het voorbeeld van) (in overeenstemming met) Christus Jezus, opdat gij eendrachtig uit één mond (eensgezind in één mond) de God en Vader van onze Here (Heer) Jezus Christus moogt verheerlijken.’ (Romeinen 15 vers 5 en 6, NBGvertaling) De vraag kan rijzen waarom hier nou net deze twee ‘ambachten’ van God worden genoemd. Blijkbaar zijn dit de belangrijkste eigenschappen waarover God moet beschikken om dit te kunnen verwezenlijken. Ben je nieuwsgierig waarom? Het eerste ambacht: volharding. God is volhardend, ook wel te vertalen met ‘blijft eronder’. God blijft eronder waar wij het laten afweten! God blijft eronder waar wij zo finaal de mist in kunnen gaan! 394 | EÉN VOOR ALLEN

Het gaat hier over Gods uithoudingsvermogen, over Zijn liefde die nooit vervalt. Onze hemelse Vader blijft er met geduld onder staan totdat Zijn doel met de ganse schepping verwezenlijkt is. Het tweede ambacht: vertroosting. De voor ons zo ontzettend belangrijke vertroosting die nodig is om dit doel – het ‘in één mond’ verheerlijken van Zijn Naam – tot stand te brengen. Dat heeft alles te maken met het vers dat op Romeinen 15 vers 5 en 6 volgt: ‘Daarom, aanvaardt elkander (letterlijk: tot zich nemen) zoals ook Christus ons aanvaard heeft tot heerlijkheid Gods (jullie tot Zich neemt naar binnen in de heerlijkheid van God).’ (Romeinen 15 vers 7, NBG-vertaling) Het ‘tot ontwikkeling komen, rijpen, volgroeien, volwassen worden gemaakt naar binnen in Eén’ heeft te maken met elkaar aanvaarden zoals Christus ons aanvaard heeft, zoals de Zoon ons tot Zich neemt naar binnen in Gods heerlijkheid. En de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn: Ik in hen en Gij in Mij, opdat zij tot ontwikkeling komen, rijpen, volgroeien, volwassen worden gemaakt naar binnen in Eén. ‘Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen?’ (Maleachi 2 vers 10, NBG-vertaling) De hartenkennis dat uiteindelijk de ganse schepping eens zover gebracht zal worden de God en Vader van onze Heer Jezus Christus eensgezind ‘in één mond’ te gaan verheerlijken, kan ons hart laten overvloeien van overweldigende dankbaarheid omwille van onze dierbaren. Maar dit besef kan eveneens verschrikkelijk moeilijk zijn omdat wij zelf of onze geliefde naasten mogelijk nog steeds door de dagelijkse hel van een onmenselijke behandeling en de daaruit voortvloeiende beschadiging moeten gaan! Zoals eerder aan bod kwam: laten we niet de vergissing maken de draagkracht die nodig is om een dergelijke vorm van ‘lijden om Zijn Naam’ te EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 395

dragen vanuit menselijke vermogens te willen forceren. Dat is veel te hoog gegrepen. Wij zijn vanuit onszelf geen heiligen… en we zullen het voorzeker vanuit onszelf nooit worden ook. Dit is iets waar je innerlijk aan toe moet zijn vanuit de hartenkennis dat God je de kracht geeft om op een geestelijke wijze aan de onvolkomenheden van een ander voorbij te zien. Nu is het uiteraard wel zo dat wij, op het moment waarop we een heerlijkheidslichaam zullen ontvangen als aan dat van de Zoon gelijk, de vernederingen die wij hebben ondergaan in dit aardse bestaan vanuit een heel ander perspectief zullen kunnen gaan plaatsen. ‘Want ons domein behoort aan de hemelen toe, waaruit wij ook de Redder verwachten, de Heer Jezus Christus, die ons vernederd lichaam zal omzetten (ook wel: transformeren), gelijkvormig aan Zijn heerlijkheidslichaam in overeenstemming met de werkzaamheid die Hem zelfs in staat stelt het al aan Zichzelf te onderschikken.’ (Filippenzen 3 vers 20 en 21, Concordante Vertaling) Dat doet echter niets af van de pijn en moeite die het ons persoonlijk heeft gekost om te leren op een geestelijke wijze aan de onvolkomenheden van een ander voorbij te zien waar wij – vanuit de mens gezien – de ander ‘het Licht in de ogen’ eenvoudigweg niet gunnen kunnen. Voordat het mogelijk is de Vader ‘in één mond’ te verheerlijken, zal Gods liefde dan ook in onze harten moeten bewerkstelligen dat we verzoend zijn met al die anderen. Wat heeft het immers voor zin om God te verheerlijken als we elkaar niet zouden aanvaarden zoals Christus óns aanvaard heeft?! Daarnaast bekijken wij dit geestelijke gegeven vaak nog op een vleselijke manier. Wanneer wij, ook wat onze uiterlijke gestalte betreft, gelijkvormig worden gemaakt aan het heerlijkheidslichaam van de Zoon, dan zal er helemaal geen sprake meer zijn van enig waarnemen in overeenstemming met het vlees, omdat dat alles te maken heeft met waarnemen in overeenstemming met de oude schepping. Iemand zijn verleden aanrekenen zal dan überhaupt niet meer aan de orde zijn! Al het vlees – de oude schepping en alles wat daaruit voortgekomen is – zal definitief afgedaan hebben. Ga maar na: wanneer God ons innerlijk in dit aardse bestaan al tot volledige ontwikkeling, rijpheid en volgroeiing kan brengen, dan zal 396 | EÉN VOOR ALLEN

in de tegenwoordigheid van onze Heer deze geestelijke volwassenheid al helemaal ‘aan de orde van de dag’ zijn! ‘(…) want gij zijt allen kinderen (letterlijk: zonen) des lichts en kinderen (zonen) des dags.’ (1 Tessalonicenzen 5 vers 5, NBG-vertaling) Wanneer in dit aardse bestaan over alles de liefde kan zijn die de band van de rijpheid is, dan zal dat zéker in het hiernamaals aan de orde zijn, wanneer uiteindelijk allen om niet gerechtvaardigd zullen worden in Gods genade, door de vrijkoping in Christus Jezus. Dat gaat heel wat verder dan vergeving! ‘Vergeving is aan voorwaarden gebonden. Rechtvaardiging kent geen voorwaarden: jou wordt immers toegerekend wat de Zoon van God gedaan heeft. Er is voor je betaald! Vergeving (van zonden) is een begrip dat je in de brieven van Paulus niet tegenkomt. Hij gebruikt het woord genade. Vergeven doe je iemand op wie je niet langer kwaad bent. Ja, er is iets gebeurd, maar je rekent het die ander niet langer aan. Rechtvaardiging is iets heel anders; het begrip heeft met rechtspraak te maken. Er wordt je niet iets vergeven; er klinkt: “Niet schuldig!” Op die uitspraak kan niet meer teruggekomen worden. Er is een streep door je schuld gezet.’2 (Noot van de auteur: ‘niet schuldig’ wil niet zeggen ‘op een menselijke wijze onschuldig’, maar geestelijk gezien door het bloed van de Zoon ‘onschuldig verklaard’.) Zoals in een toespraak op 4 mei bij de jaarlijkse Dodenherdenking – officieel: ‘de Nationale Herdenking ter nagedachtenis aan alle slachtoffers waar ook ter wereld, die sinds de Tweede Wereldoorlog in oorlogssituaties en bij vredesoperaties zijn omgekomen of vermoord’ – aan de orde kwam: ‘Niet vanuit het “ik” of vanuit het “zij” ontstaan goede dingen… maar alleen vanuit het “wíj”’. Onze hemelse Vader blijkt ook niet te denken in termen als ‘Ik’ of ‘zij’. Bij God gaat het niet om ‘bruine of blauwe ogen’. Bij God gaat het zelfs niet om goede of slechte schepselen, omdat wij állemaal van Zijn genadegaven EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 397

afhankelijk zijn en Zijn voornemen van doorslaggevend belang is voor iedereen. ‘Ja,’ zegt men dan, ‘dat kun je nu wel stellen… maar dat “voornemen van God” kwam enkel tot stand omdat Hij – als God – natuurlijk al van tevoren kon weten welke mensen zich zouden bekeren en zich naar Zijn welgevallen zouden gaan gedragen.’ Oké, dat zou je kunnen denken, maar… hoeveel dank zal er dán naar de Vader uitgaan, denk je?! ‘Zo wordt gij met alle kracht bekrachtigd naar de macht zijner heerlijkheid (letterlijk: in alle kracht krachtig gemaakt in overeenstemming met de macht van Zijn heerlijkheid) tot alle volharding en geduld (met vreugde), en dankt gij met blijdschap de Vader (gelijktijdig de Vader dankend), die u toebereid heeft voor het erfdeel der heiligen in het licht (Die jullie bekwaam maakt tot het lotdeel van de heiligen in het licht). Hij heeft ons verlost uit de macht der duisternis (Die ons bergt uit het volmachtsgebied van de duisternis) en overgebracht in (en ons overzet in) het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde (…)’ (Kolossenzen 1 vers 11-13, NBG-vertaling) Wij worden in alle kracht krachtig gemaakt, in overeenstemming met de macht van Zijn heerlijkheid, tot alle volharding en geduld met vreugde, gelijktijdig de Vader dankend, Die ons bekwaam maakt, tot het lotdeel van de heiligen in het licht. Die ons bergt uit het volmachtsgebied van de duisternis, en ons overzet in het Koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde. Niks ‘zelf doen’… Híj maakt bekwaam! ‘Dank U wel, Vader!’ ‘(…) in Hem, in wie wij ook het erfdeel ontvangen hebben, waartoe wij tevoren bestemd waren krachtens het voornemen van Hem, die in alles werkt naar de raad van zijn wil (…)’ (Efeziërs 1 vers 11, NBG-vertaling) 398 | EÉN VOOR ALLEN

‘In Hem zijn ook wij door loting aangewezen (wij die tevoren bestemd zijn in overeenstemming met het voornemen van Hem Die alles bewerkt in overeenstemming met de raad van Zijn wil…)’ (Concordante Vertaling) Alles wordt bewerkt in overeenstemming met de raad van Gods wil, in overeenstemming met Zijn voornemen. Er is verder ook geen partijdigheid bij God of voortrekkerij, want Hij verkoos het door loting aan te wijzen. Gods uitverkiezing heeft door loting plaatsgevonden en dat al vóór de nederwerping van de wereld! Daarom is het: ‘(…) wees mede bereid voor het evangelie te lijden in de kracht van God (letterlijk: kwaad te lijden met het evangelie in overeenstemming met de kracht van God), die ons behouden heeft (Die redt) en geroepen (roept) met een heilige roeping, niet naar (in overeenstemming met) onze werken, maar naar (in overeenstemming met) zijn eigen voornemen en de genade, die ons in Christus Jezus gegeven is vóór eeuwige (aionische) tijden (…)’ (2 Timoteüs 1 vers 8 en 9, NBG-vertaling) God redt en roept ons met een heilige roeping. Niet in overeenstemming met onze werken, maar in overeenstemming met Zijn Eigen voornemen, en de genade, die ons in Christus Jezus gegeven is, vóór aionische tijden! En nu drie keer raden wat die ‘heilige roeping’ is… Voor God zijn alle zondaren gelijk, omdat geen enkele doelmisser vanuit zichzelf in staat is de Vader en de Zoon in onverderfelijkheid lief te hebben. Aan Zijn voornemen kunnen we dan ook niets toe- of afdoen en daarom is het belangrijk niet langer op vermeende menselijke vermogens tot dienen te blijven steunen, maar onze hemelse Vader te gaan danken voor Zijn onmetelijke liefde en genade over ons, voor Zijn bekwaamheid, betrouwbaarheid en trouw! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 399

‘Maar Gode (echter) zij dank, die ons de overwinning (de verovering) geeft door onze Here (Heer) Jezus Christus. Daarom, mijn geliefde broeders, weest standvastig (mogen jullie vaste voet krijgen, bestendigd, gevestigd worden), onwankelbaar (ook wel: onbeweeglijk), te allen tijde overvloedig (uitmuntend) in het werk des Heren, wetende (waarnemende), dat uw arbeid (harde werken) niet vergeefs (leeg, vruchteloos) is in de Here (Heer).’ (1 Korintiërs 15 vers 57 en 58, NBG-vertaling) Gode echter zij dank, Die ons de verovering geeft, door onze Heer Jezus Christus! Mogen wij daarom vaste voet krijgen, bestendigd, gevestigd worden! Mogen wij daarom onwankelbaar en te allen tijde uitmuntend in het werk van de Heer worden! En mogen wij daarom waarnemen dat ons harde werken niet leeg of vruchteloos is – in de Heer! ‘(…) opdat Hij jullie zou geven in overeenstemming met de rijkdom van Zijn heerlijkheid in kracht standvastig gemaakt te worden door Zijn Geest in de innerlijke mens (...)’ (Efeziërs 3 vers 16, Concordante Vertaling) Nu weten we dus dat al onze vermeende menselijke inspanningen voor God geestelijk gezien vruchteloos, ijdel zijn; het gaat erom of we al een nieuwe schepping zijn. De nieuwe schepping wordt namelijk uit ander ‘hout’ gesneden… het juiste hout wel te verstaan! ‘Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping.’ (2 Korintiërs 5 vers 17, NBG-vertaling) ‘Want besneden zijn of niet besneden zijn betekent niets, maar of men een nieuwe schepping is.’ (Galaten 6 vers 15, NBG-vertaling) 400 | EÉN VOOR ALLEN

‘Want in Christus Jezus is noch besnijdenis iets, noch voorhuid, maar een nieuwe schepping.’ (Concordante Vertaling) Wij kunnen enkel ‘leven uit genade’ in volkomen afhankelijkheid van God. En daarom kent de nieuwe schepping geen beroemen in vlees… ook, of juist, niet in ‘gelovig vlees’. … opdat het zij, gelijk geschreven staat: Wie zich beroemt, beroeme zich in de Heer. Niemand gelooft vanuit zichzelf! Vanuit zichzelf is geen mens een nieuwe schepping! ‘(…) opdat (letterlijk: zodat) geen vlees zou (zich zal be)roemen voor (het aangezicht van) God.’ (1 Korintiërs 1 vers 29, NBG-vertaling) ‘Sommige teksten in de Bijbel schijnen op een vrije wil te wijzen. Maar dat lijkt zo, omdat we voor begrippen uit de grondtekst geen passende woorden in eigen taal hebben waarmee het Grieks gelijkwaardig kan worden weergegeven. In het Griekse woord “hekousios” zit noch het begrip “vrij” (eleuteros) noch het begrip “wil” (thelema). Het spreekt ook niet van een wilsvrijheid of vrije wil van de mens, maar van een speelruimte van handelen, waarin God ruimte laat voor onze beslissingen. Het is Gods raadsbesluit dat alle schepselen tegenstand bieden aan Zijn wil (Romeinen 8 vers 20). Hij maakt gebruik van deze tegenstand om planmatig Zijn raadsbesluit (Zijn reddend voornemen) met de schepping in het algemeen en de opvoeding van Zijn heiligen in het bijzonder uit te voeren. Zo heeft God de hele mensheid – met de aan haar overgeleverde adamitische neigingen – in een context geplaatst, onder een invloed die steeds prikkelt tot het tegenstreven van Zijn bekendgemaakte wil en daarmee wat Hem welgevallig is van de hand wijst. (Romeinen 11 vers 32) God heeft daartoe in Christus de aionen gemaakt, zodat Hij in het verloop van deze tijdruimte de raad van Zijn wil zou kunnen verwerkelijken. Hij doet dit door middel van twee tegenovergestelde EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 401

krachten. De ene kracht ontspringt aan Zijn geopenbaarde wil; die wordt door Christus en de heilige Geest ontvouwd. De andere kracht ontspringt aan Zijn raadsbesluit, Zijn geheime wil. Die werkt Hem schijnbaar tegen. Deze kracht, die voortdurend Zijn geopenbaarde wil tegenwerkt, wordt door satan, de machten van de duisternis en de door hen beheerste en misbruikte schepselen uitgeoefend. Deze invloeden zijn veel sterker dan de menselijke wil. Deze blijft overweldigd en gebonden, tot Gods Geest die van satan uitschakelt en in ons het Goddelijke willen en werken tot Zijn welbehagen bewerkt. Eenmaal zal voor de grote witte troon (Openbaring 20 vers 11-15) alle bedekking en blindheid van de mens afgenomen worden. Ieder zal zichzelf zien zoals hij in werkelijkheid is. En ieder zal ook God en Zijn overvloeiende liefde in Christus erkennen. Christus, die hij uit onwetendheid en dwaze vijandschap tegen God versmaad heeft. Dan zal niemand meer verloren willen zijn of blijven. Elke wil zal naar redding verlangen. Deze redding zal alle eertijds vijandig gezinden bij de afsluiting van de aionen door gerichten heen ten deel vallen. In liefhebbend geduld en barmhartigheid bewerkt God alles door Zijn Zoon en Zijn Geest, totdat Hij de wil van al Zijn schepselen in volkomen harmonie met die van Hemzelf heeft gebracht.’3 Bij de Vader van de heerlijkheid gaat het om het wíj, omdat Hij weet dat alleen uit de ‘wíj-gedachte’ goede dingen zullen ontstaan. Gods ‘wíj-gedachte’ omvat Zijn ganse schepping, het al! Het ‘wij ’: de relatie tussen God en mens en de daaruit voortvloeiende relatie tussen mens en God. Het ‘wij ’: de relatie tussen Gods schepselen onderling die op een uitzonderlijke manier met elkaar verbonden zijn. Aanvaarden wij dat daders bij God uiteindelijk ook slachtoffers zijn… zoals Betsie ten Boom dat op zo’n wonderbaarlijke wijze ontving te onderkennen, terwijl zij uiteindelijk zelf het leven liet in dat concentratiekamp? Let wel: geen slachtoffers door zogenaamde menselijke onwetend402 | EÉN VOOR ALLEN

heid (‘Ich habe es nicht gewusst.’) – en laten we dat er ook alsjeblieft niet van maken – maar door geestelijke onwetendheid! Hoeveel kracht van de God van de volharding en de vertroosting zal hier nodig zijn? We kunnen met zekerheid zeggen dat het de Zoon van God, Die alles uitvoert wat de Vader Zich tot doel heeft gesteld, heel wat gekost heeft om ‘ons tot Zich te kunnen nemen naar binnen in de heerlijkheid van God’. Het ligt daarom voor de hand dat dat ons ook (heel) wat kosten kan wanneer wij ontvangen vanuit Gods liefde hetzelfde bij elkaar te doen! Laat de volgende tekst daarom je geestelijke troost zijn: ‘Ook u, hoewel gij dood waart door uw overtredingen en zonden, waarin gij vroeger gewandeld hebt overeenkomstig de loop dezer wereld, overeenkomstig de overste van de macht der lucht, van de geest, die thans werkzaam is in de kinderen der ongehoorzaamheid, – trouwens, ook wij allen hebben vroeger daarin verkeerd, in de begeerten van ons vlees, handelende naar de wil van het vlees en van de gedachten, en wij waren van nature, evenzeer als de overigen, kinderen des toorns –, God echter, die rijk is aan erbarming, heeft, om zijn grote liefde, waarmede Hij ons heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus, – door genade zijt gij behouden –, en heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom zijner genade te tonen naar (zijn) goedertierenheid over ons in Christus Jezus. Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; niet uit werken, opdat niemand roeme.’ (Efeziërs 2 vers 1-10, NBG-vertaling) Concordante Vertaling: ‘En jullie, die dood zijn voor jullie krenkingen en zonden waarin jullie eens wandelden, in overeenstemming met de aion van deze wereld, in overeenstemming met de vorst van het volmachtsgebied van de lucht, de geest die nu werkzaam is in de zonen van de weerspannigheid onder wie ook wíj allen ons eens gedroegen in de begeerten EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 403

van ons vlees, de wil van het vlees en van de denkwijze uitvoerend, en wij waren van nature kinderen van toorn (letterlijk: verontwaardiging) zoals ook de overigen; God echter, Die rijk is aan barmhartigheid vanwege Zijn onmetelijke liefde waarmee Hij ons liefheeft (wij die dood zijn voor de krenkingen en begeerten), maakt ons gezamenlijk levend in Christus (in genade zijn jullie geredden!) en wekt ons gezamenlijk op en zet ons gezamenlijk te midden van de hemelingen in Christus Jezus, opdat Hij in de komende aionen tentoon zal spreiden de overstijgende rijkdom van Zijn genade in Zijn mildheid voor ons in Christus Jezus. Want in genade zijn jullie geredden, door geloof, en dit niet uit jullie zelf; het is Gods naderingsgave, niet uit werken, opdat niemand zich beroemen zal.’ God echter, Die rijk is aan barmhartigheid vanwege Zijn onmetelijke liefde waarmee Hij ons liefheeft, maakt ons gezamenlijk levend in Christus. In genade zijn jullie geredden! God echter, wekt ons gezamenlijk op en zet ons gezamenlijk te midden van de hemelingen in Christus Jezus, opdat Hij in de komende aionen tentoon zal spreiden de overstijgende rijkdom van Zijn genade in Zijn mildheid voor ons in Christus Jezus! In genade zijn jullie geredden, door geloof, en dit niet uit jullie zelf, het is Gods naderingsgave, niet uit werken, opdat niemand zich beroemen zal! Is dit geestelijke troost of niet? …wij die dood zijn voor de krenkingen en begeerten… ‘Ja, maar hoe moet ik dat nou plaatsen?’ zou je kunnen denken. ‘Je zou toch eerder zeggen: dood zijn dóór de krenkingen en begeerten?!’ Lees dan even mee in Romeinen 6 vers 11: ‘Zo moet het ook voor u vaststaan (letterlijk: ermee rekenen), dat gij wèl (inderdaad) dood zijt voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus (onze Heer).’ (NBG-vertaling) 404 | EÉN VOOR ALLEN

De hemelse Vader… kent je zo persoonlijk als niemand je kennen kan; weet beter dan jijzelf waar de problemen liggen; zag je fouten nog voordat je ze zelf zag; rekende je niets toe, maar gaf Zijn Zoon in plaats daarvan. De hemelse Vader… richt als Vader je hart op Zijn liefde, een vreugde waarin niemand zich mengen kan. Reken ermee dat je in Gods ogen dood bent voor de zonde. De hemelse Vader ziet je niet langer in zonde aan; Hij ziet aan jouw ongeloof – en alles wat daar uit voortgekomen is – voorbij. Je hebt een geweldig cadeau gekregen omdat je nu al – door middel van Gods gave van geloof – mag leven voor God in Christus Jezus! Wanneer je zelf de vreugde van Zijn redding gaat ervaren door Gods onmetelijke liefde en alle geestelijke rijkdommen die je daaruit ontvangen mag, dan wordt het ook reëeler om andere schepselen – waarmee je vanuit de mens mogelijk niet door één deur zou kunnen – hetzelfde te gaan gunnen. Wees mede bereid kwaad te lijden met het evangelie, in overeenstemming met de kracht van God, Die redt en roept met een heilige roeping! ‘(…) immers, indien wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking (…)’ (Romeinen 8 vers 17, NBG-vertaling) Kunnen wij, vanuit dezelfde gezindheid als de Zoon, ook blijdschap hebben over ongeacht wélke zondaar die God uiteindelijk tot Zich zal trekken naar binnen in Zijn redding? EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 405

‘Ik zeg u, dat er alzo blijdschap zal zijn in de hemel over één zondaar, die zich bekeert (letterlijk: berouw heeft…)’ (Lucas 15 vers 7, NBG-vertaling) Kunnen wij hierin vanuit dezelfde gezindheid als de Zoon zeggen: ‘(…) want ik zoek niet míjn wil, maar Uw wil, Vader’? ‘Hij zeide tot allen: Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme dagelijks zijn kruis op en volge Mij. Want ieder, die zijn leven zal willen behouden (letterlijk: zijn ziel zal willen redden), die zal het verliezen (haar vernietigen); maar ieder, die zijn leven verloren heeft (maar wie zijn ziel zal vernietigen) om Mijnentwil, die zal het behouden (die zal haar redden).’ (Lucas 9 vers 23 en 24, NBG-vertaling) Deze tekst gaat niet uit van ‘een menselijk idee van oorzaak-en-gevolg’, maar is opnieuw beschouwend, constaterend. Profeterend! Dat komt in dit tekstgedeelte temeer scherp naar voren want dat mensen hun eigen ziel niet kunnen redden is buiten kijf. In Filippenzen 2 vers 13 lazen we: ‘(…) God is het, Die in jullie zowel het willen als het werken voor Zijn welbehagen bewerkt.’ (Concordante Vertaling) ‘Jezelf verloochenen’ – afstand doen van jezelf en je kruis opnemen – is geen menselijk werk, het is Goddelijk werk dat in het hart van een mens wordt bewerkstelligd. ‘Want allen, die (letterlijk: zovelen) door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods. (Romeinen 8 vers 14, NBG-vertaling) Probeer het maar niet vanuit menselijke liefde, maar ‘gooi eens een visje uit’ met de liefde van God! David erkende in zijn leven dat het allemaal aan God is, Die, om Zijn welbehagen, zowel het willen als het werken in mensen werkt. Het is aan God om al dan niet ‘weg te werpen voor de toekomst’, zoals het ook aan God is uit te sluiten van deelname aan het aionische leven in de door Hem ingestelde tijdperken die nog volgen zullen alvorens de voltooiing van Zijn werk plaatsvindt. 406 | EÉN VOOR ALLEN

‘Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. Maar ieder in zijn eigen rangorde: Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij zijn komst (letterlijk: Zijn aanwezigheid); daarna het einde (daaropvolgend de voltooiing), wanneer Hij het koningschap (Koninkrijk) aan God de Vader overdraagt (overgeeft), wanneer Hij alle heerschappij, alle (vol)macht en kracht onttroond zal hebben (buiten werking heeft gesteld). Want Hij moet als koning heersen, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten gelegd (geplaatst) heeft. De laatste vijand, die onttroond wordt (buiten werking wordt gesteld), is de dood, want alles heeft Hij aan zijn voeten onderworpen (want alles onderschikt Hij onder Zijn voeten). Maar wanneer Hij zegt (echter spreekt), dat alles onderworpen is (dat alles ondergeschikt is), is blijkbaar Hij uitgezonderd (is het evident dat het is), die Hem alles onderworpen heeft (behalve Degene Die aan Hem alles onderschikkend is). Wanneer alles Hem onderworpen is (Wanneer echter alles aan Hem onderschikt), zal ook de Zoon Zelf Zich aan Hem onderwerpen (onderschikken), die Hem alles onderworpen heeft (Die alles aan Hem onderschikkende is), opdat God zij alles in allen.’ (1 Korintiërs 15 vers 22-28, NBG-vertaling) ‘Dat alle knie zich buigt voor de Zoon van God, en dat alle tong van harte belijdt dat Jezus Christus Heer is naar binnen in de heerlijkheid van God, de Vader.’ Is heel wat anders dan: ‘Oh, dus… dan komen ‘die en die’ er zeker ook vanzelf?’ Zoals eerder gezegd: ‘Geestelijk denken zet niet de mens, maar God in het middelpunt. Het gaat niet uit van ‘het onderscheid dat de mens denkt te kunnen maken’, maar van het onderscheid dat God maakt.’ Wanneer we de méns in dit hele gebeuren centraal zetten dan lijkt het er inderdaad op dat ‘alle zondaren “er” dan vanzelf zouden kunnen komen’, maar geestelijk gesproken – wanneer we Gód in dit hele gebeuren centraal zetten – is daar een zeer hoge prijs voor betaald. De hoogste prijs die je jezelf maar zou kunnen indenken zinkt hierbij nog in het niet; het kostte onze hemelse Vader een waar Godsvermogen! Bovendien zullen de schepselen die niet behoorden tot het al eerder uitgeroepen ‘lichaam van Christus’ pas voor de witte troon – let op: het is EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 407

geen zwarte troon – gaan ontdekken in welke leugen zij stonden. Hierop zullen zij nog wel in ‘de tweede dood’ terechtkomen. Je zou daar uit kunnen opmaken dat het heus niet allemaal ‘zo vanzelf’ gaat als het in eerste instantie lijken kan. Deze tweede dood zal echter absoluut niet het laatste woord hebben, aangezien we in 1 Korintiërs 15 vers 26 lazen dat de dood, als laatste vijand, eveneens buiten werking zal worden gesteld. ‘De laatste vijand, die onttroond wordt (letterlijk: buiten werking wordt gesteld), is de dood (…)’ (NBG-vertaling) Maakt God hier soms een onderscheid tussen een innerlijke en uiterlijke dood? Mijns inziens niet. God stelt uiteindelijk alle vormen van ‘dood zijn’ buiten werking, de gehele laatste vijand! Wij denken bij het woord ‘dood’ veelal slechts aan de lichamelijke dood, maar het woord ‘dood’ omvat veel meer. De dood betreft immers eveneens een geestelijke toestand, of – beter gezegd – de afwezigheid daarvan. Een innerlijke status die, bij Gods gratie, nog niet geestelijk is geworden. Jezus sprak dan ook: ‘Wie Hem gelooft Die Mij gezonden heeft is overgegaan uit de dood in het leven.’ ‘Voorwaar (letterlijk: Amen!), voorwaar (Amen!), Ik zeg u, wie mijn woord hoort en Hem gelooft, die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig (aionisch) leven en komt niet in het oordeel (het gericht), want hij is overgegaan uit de dood in het leven.’ (Johannes 5 vers 24, NBG-vertaling) Wanneer de laatste vijand, de dood, buiten werking zal worden gesteld, zal dat daarom niet slechts betekenen dat de schepselen die in een uiterlijke toestand van ‘dood zijn’ verkeren vrijgemaakt zullen worden, het zal temeer betekenen dat hun innerlijke toestand van ‘dood zijn’ buiten werking zal worden gesteld. Uiteindelijk zal geen enkele tegenstander meer tot verontwaardiging zijn gesteld, omdat allen tot erkenning van de waarheid worden gebracht. Alle slaven van het ongeloof zullen eens geborgen worden uit het volmachtsgebied van de duisternis en worden overgezet in het Koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde. 408 | EÉN VOOR ALLEN

‘Wanneer dan de Zoon u vrijgemaakt heeft, zult gij werkelijk vrij zijn.’ (Johannes 8 vers 36, NBG-vertaling) ‘(…) en gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken.’ (Johannes 8 vers 32, NBG-vertaling) Kortom: er komt een einde aan het benadelen van de schepselen die door God werden achtergesteld bij anderen, omdat ze nog niet mochten ingaan tot Zijn heerlijkheid. Alles wordt nieuw gemaakt en zal overgaan ‘uit de dood in het leven’. Niets zal uiteindelijk meer gericht hoeven worden. Dan zal de dood pas echt overwonnen zijn en is het werk dat de Vader aan de Zoon gegeven heeft tot volledige ontwikkeling – tot perfectie – gebracht. Wanneer alles aan Hem onderschikt, zal ook de Zoon Zelf Zich aan Hem onderschikken, Die alles aan Hem onderschikkende is, opdat God zij alles in allen. Dan zal het al Zíjn toppunt bereiken! ‘Vergeving en verzoening zijn twee totaal verschillende zaken: verzoenen houdt verband met vijandschap, bedekking (of beschutting) daarentegen houdt verband met zonden. Zonden worden bedekt, vijanden verzoend. Bij vergeving gaat het om God die de krenkingen niet aanrekent, bij verzoening gaat het om vijandige schepselen die veranderen in liefhebbers. In de wereld weet men precies wat “verzoening” is, namelijk vijandschap omzetten in vrede. Waar een mens het bewijs van Gods liefde erkent en dus de vijandschap verdwijnt, daar vindt verzoening plaats. Let daarbij op, dat het schepsel verzoend wordt; God is Degene die verzoent. Verzoening (van een vijand een liefhebber worden) is geen mensenwerk. God is Zelf nooit een vijand geweest van welk schepsel dan ook; Hij verzoent Zich niet met zijn vijanden, maar verzoent Zijn EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 409

vijanden met Zichzelf! Kolossenzen 1 vers 19 en 20 (NBG-vertaling): ‘Want het heeft de ganse volheid behaagd in Hem woning te maken, en door Hem, vrede gemaakt hebbende door het bloed zijns kruises, alle dingen weder met Zich te verzoenen, door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is.’ ‘Vrede gemaakt hebbende’ (voltooid) is niet correct. In het Grieks staat hier een aorist, een tijdloze werkwoordsvorm: God maakt vrede door het kruis, ongeacht wanneer. Het kruis van Golgota bewijst dat geen vijandschap zo groot is of God overtreft haar. Het kruis is Gods bewijs om vijanden te overtuigen van Zijn liefde en hen zo met Zich te verzoenen. Alverzoening is géén ‘generaal pardon’. Het betekent niet dat alle mensen zonder meer in de hemel komen. In dat geval zou de hemel trouwens ook helemaal niet meer zo hemels zijn! Alverzoening duidt niet op plaatsverandering, maar op een innerlijke verandering van alle schepselen. Hoe doet God dat? Het antwoord is: door Zichzelf bekend te maken en te tonen hoe lief Hij elk schepsel heeft. Vijandschap is geen verhindering, maar juist een voorwaarde om te worden verzoend! Alverzoening heeft betrekking op alle vijandschap, ‘hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is’. De vrede die God bewerkstelligt, geldt niet alleen allen en alles op aarde, maar ook alle vijandige wereldbeheersers in de hemelse gewesten, inclusief ‘de overste van de macht der lucht’ (Efeziërs 2 vers 2, Efeziërs 6 vers 12). Zolang er in de kosmos ook nog maar één wezen is dat vijandig staat tegenover zijn Schepper, zolang is de alverzoening geen feit. God kan echter garanderen dat allen verzoend worden, om de simpele reden dat Hij het Zelf is die dit bewerkt. Het loutere feit dat God Zelf een schepsel tot Zich verzoent, is de beste garantie voor de verzoening van allen.’4 Er is een rangorde van levendmaking ingesteld: Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij zijn komst en daarna moet eerst het plan van de aionen worden voltooid. Dat zal er uiteindelijk in resulteren dat God de ganse schepping die – niet vrijwillig, maar vanwege de Onderschikker – aan ijdelheid ondergeschikt is, vrij zal maken vanaf de slavernij van het verderf. De schepping zal ‘naar binnen in de vrijheid 410 | EÉN VOOR ALLEN

van de heerlijkheid’ gebracht worden van degenen die al eerder uit God voortgebracht waren. Dit geeft aan dat zij die de eersteling van de Geest ontvingen – de zonen Gods – naast de Zoon eveneens door God zullen worden gebruikt om het doel met Zijn schepping te verwezenlijken. ‘Want met reikhalzend verlangen (letterlijk: voorgevoel) wacht de schepping op (is de schepping in afwachting van) het openbaar worden (het verwezenlijken van de onthulling) der zonen Gods.’ (Romeinen 8 vers 19, NBG-vertaling) En wanneer alles aan Hem onderschikt, zal ook de Zoon Zelf Zich aan Hem onderschikken, Die alles aan Hem onderschikkende is… Opdat God zij alles in allen! Hier is het uiteindelijk allemaal om te doen: opdat God zij alles in allen. En daarmee wordt niet bedoeld dat Hij ‘alles in bijna allen zal zijn’ omdat er dan nog ergens schepselen ‘in de dood’ zouden zijn waar God nog niet alles in zou zijn geworden! Hoe zou dat kunnen wanneer de dood, als laatste vijand, buiten werking is gesteld…?! Sterker nog: de Zoon van de levende God kan Zich niet aan de Vader onderschikken en het Koninkrijk aan God de Vader overgeven voordat álle vijandig gezinden Hem van harte erkennen als Heer en zijn thuisgebracht bij de Vader van de heerlijkheid! ✓ Gods liefde is bij machte zelfs de grootste zondaar tot berouw te brengen. ✓ God zal uiteindelijk alle doelmissers redden uit het volmachtsgebied van de duisternis en overzetten in het Koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde. ✓ De hemelse Vader zal alle slaven van het verderf vrijmaken, om hen tot overweldigende heerlijkheid te brengen. ✓ God zal het al tot erkenning van de waarheid brengen. ✓ Alle vijandschap zal overwonnen worden en de laatste vijand – de dood – zal buiten werking worden gesteld. ✓ De hemelse Vader, naar Wie iedere vaderlijke verwantschap in de hemelen en op aarde genoemd wordt, wordt uiteindelijk alles in allen. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 411

God is vermogend Zijn Eigen wil waar te maken in Zijn schepping! ‘Want Hij sprak en het was er (letterlijk: Want Hij zegt en het is), Hij gebood en het stond er (Hij gebiedt en het staat vast).’ (Psalm 33 vers 9, NBG-vertaling) De hemelse Vader heeft Zijn ganse schepping vrijgesproken. En ik houd het er maar op dat Degene Die het eerste Woord sprak, ook ‘het laatste woord’ zal hebben! 412 | EÉN VOOR ALLEN

TERECHT Er is een Redder, een Heer gekomen, en Hij richt ons op Gods recht. Gods recht te richten, op de liefde van de waarheid, al lijkt dat ogenschijnlijk onterecht. Door het offer van Zijn Zoon, brengt God al Zijn schepselen, in genade aan Zijn milde Vaderhart terecht! EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 413

414 | EÉN VOOR ALLEN

SLOTWOORD pER SLOT VaN REkENING We zeggen het soms zo gemakkelijk: ‘Maak mij naar Uw beeld en Uw gelijkenis,’ maar zijn we ons ervan bewust geworden dat God dit, door Zijn Zoon, waar zal maken in ons leven? En niet alleen in ons eigen leven… Maar geloven we dat Gods vermogen bepalend is in alles wat Hij per slot van rekening Zelf geschapen heeft? Laten we God erkennen als onze Schepper in de breedste zin van het Woord! God kan, mag en zál doen met Zijn schepselen wat Hij wil. Daarom is het van groot belang te achterhalen wat Zijn bedoeling dan is met de schepping, want dat is per slot van rekening het enige wat relevant is. Welnu, we weten nu wat Gods wil is, maar we mogen evengoed weten dat Hij ál Zijn verlangen ook naar Zijn welbehagen uit zal werken in Zijn schepping. ‘Wat (letterlijk: Waar) Zijn ziel begeert (naar verlangt), dat zal Hij doen.’ (Job 23 vers 13, Statenvertaling) ‘Ik, die van den beginne de afloop verkondig en vanouds (letterlijk: tevoren) wat nog niet geschied (gedaan) is; die zeg: Mijn raadsbesluit zal volbracht (bevestigd) worden en Ik zal al mijn welbehagen doen (en al Mijn verlangen zal Ik doen…)’ (Jesaja 46 vers 10, NBG-vertaling) Het boek Eén voor allen is ontstaan uit een innerlijke strijd die in mijzelf gaande was. Door de Adem van Gods levendmakende Woord heeft het doorleven en schrijven ervan mij innerlijke genezing en grote geestelijke vreugde geschonken en een diep respect voor mijn liefdevolle hemelse Vader, Die ons aller Schepper is in de breedste zin van het Woord. God zij de dank daarvoor! Als er ook maar één schepsel is wat hier, naast mijzelf, nog iets aan zou kunnen hebben, dan zou dat al een grote zegen zijn. EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 415

NOTEN HOOFDSTUK 3 1. Samenvatting uit Effectief communiceren met kinderen, Adele Faber en Elaine Mazlish (How To Talk So Kids Will Listen & Listen So Kids Will Talk, Avon Books, Inc. 1982, reversed edition 1999, Nederlandse uitgave: How2talk2kids 2007) 2. Idem 3. Idem 4. Samenvatting uit Mededelingen voor reizigers, Andries van der Wal (Stg. E-H Depot Nederland 2004) HOOFDSTUK 6 1. Samenvatting uit Genade is een risico, Charles R. Swindoll (The Grace Awakening, Word Inc. 1990, Nederlandse uitgave: Gideon 1993) 2. Samenvatting uit Kan de wil van God met succes worden belemmerd door zijn schepselen?, Wilhelm Schaffhauser (Kann der Wille Gottes von Seinen Geschöpfen mit Erfolg behindert werden?, Konkordanten Verlag 1985, Nederlandse vertaling: Hans van der Kleij, EH-Magazine 2012-2013, uitgave: Stg. E-H Depot Nederland) 3. Fragment uit Mededelingen voor reizigers, Andries van der Wal (Stg. E-H Depot Nederland 2004) 4. Fragment uit Mededelingen voor reizigers, Andries van der Wal (Stg. E-H Depot Nederland 2004) 5. Concordant Commentaar op het Nieuwe Testament, door A.E. Knoch 6. Samenvatting uit Woord Vandaag, Date Gorter (www.da-ath.nl, 17 mei 2013) HOOFDSTUK 7 1. Fragment uit Genade is een risico, Charles R. Swindoll (The Grace Awakening, Word Inc. 1990, Nederlandse uitgave: Gideon 1993) 2. Gedicht Geloof, door Gijs Bernouw HOOFDSTUK 8 1. Fragment uit Brieven aan Anne, Ruud van ’t Veer (Ridderprint 2007) EEN HOMMAGE AAN GODS VERMOGEN | 417

2. Fragment uit 101 bommen en granaten onder het traditioneel-christelijke bolwerk, waarom het Evangelie een écht Goed Bericht is, André Piet (Aspekt 2013) 3. Fragment uit 101 bommen en granaten onder het traditioneel-christelijke bolwerk, waarom het Evangelie een écht Goed Bericht is, André Piet (Aspekt 2013) 4. Fragment uit Brieven aan Anne, Ruud van ’t Veer (Ridderprint 2007) 5. Fragment uit Brieven aan Anne, Ruud van ’t Veer (Ridderprint 2007) 6. Samenvatting uit Genade is een risico, Charles R. Swindoll (The Grace Awakening, Word Inc. 1990, Nederlandse uitgave: Gideon 1993) HOOFDSTUK 10 1. Fragment uit Van ‘waarom?’ tot ‘waartoe!’, lijden in het leven van gelovigen, Henk Groenbos (Ikschrijf.nu 2011) 2. Concordant Commentaar op Matteüs 27 vers 46, door Alfred E. Dekker 3. Fragment uit Lijden en onderschikking, Ruud van ’t Veer (Ridderprint 2008) 4. Fragment uit 101 bommen en granaten onder het traditioneel-christelijke bolwerk, waarom het Evangelie een écht Goed Bericht is, André Piet (Aspekt 2013) HOOFDSTUK 11 1. Samenvatting uit Mededelingen voor reizigers, Andries van der Wal (Stg. E-H Depot Nederland 2004) HOOFDSTUK 12 1. Fragment uit En de meeste van deze is… liefde, Rob Bell (Love wins, HarperOne 2011, Nederlandse uitgave: Kok 2012) 2. Fragment uit Genade is een risico, Charles R. Swindoll (The Grace Awakening, Word Inc. 1990, Nederlandse uitgave: Gideon 1993) 3. Fragment uit What Luther Says (Concordia Publishing House 1959) 4. Samenvatting uit 101 bommen en granaten onder het traditioneelchristelijke bolwerk, waarom het Evangelie een écht Goed Bericht is, André Piet (Aspekt 2013) 418 | EÉN VOOR ALLEN

1 Online Touch

Index

  1. 1
  2. 2
  3. 3
  4. 4
  5. 5
  6. 6
  7. 7
  8. 8
  9. 9
  10. 10
  11. 11
  12. 12
  13. 13
  14. 14
  15. 15
  16. 16
  17. 17
  18. 18
  19. 19
  20. 20
  21. 21
  22. 22
  23. 23
  24. 24
  25. 25
  26. 26
  27. 27
  28. 28
  29. 29
  30. 30
  31. 31
  32. 32
  33. 33
  34. 34
  35. 35
  36. 36
  37. 37
  38. 38
  39. 39
  40. 40
  41. 41
  42. 42
  43. 43
  44. 44
  45. 45
  46. 46
  47. 47
  48. 48
  49. 49
  50. 50
  51. 51
  52. 52
  53. 53
  54. 54
  55. 55
  56. 56
  57. 57
  58. 58
  59. 59
  60. 60
  61. 61
  62. 62
  63. 63
  64. 64
  65. 65
  66. 66
  67. 67
  68. 68
  69. 69
  70. 70
  71. 71
  72. 72
  73. 73
  74. 74
  75. 75
  76. 76
  77. 77
  78. 78
  79. 79
  80. 80
  81. 81
  82. 82
  83. 83
  84. 84
  85. 85
  86. 86
  87. 87
  88. 88
  89. 89
  90. 90
  91. 91
  92. 92
  93. 93
  94. 94
  95. 95
  96. 96
  97. 97
  98. 98
  99. 99
  100. 100
  101. 101
  102. 102
  103. 103
  104. 104
  105. 105
  106. 106
  107. 107
  108. 108
  109. 109
  110. 110
  111. 111
  112. 112
  113. 113
  114. 114
  115. 115
  116. 116
  117. 117
  118. 118
  119. 119
  120. 120
  121. 121
  122. 122
  123. 123
  124. 124
  125. 125
  126. 126
  127. 127
  128. 128
  129. 129
  130. 130
  131. 131
  132. 132
  133. 133
  134. 134
  135. 135
  136. 136
  137. 137
  138. 138
  139. 139
  140. 140
  141. 141
  142. 142
  143. 143
  144. 144
  145. 145
  146. 146
  147. 147
  148. 148
  149. 149
  150. 150
  151. 151
  152. 152
  153. 153
  154. 154
  155. 155
  156. 156
  157. 157
  158. 158
  159. 159
  160. 160
  161. 161
  162. 162
  163. 163
  164. 164
  165. 165
  166. 166
  167. 167
  168. 168
  169. 169
  170. 170
  171. 171
  172. 172
  173. 173
  174. 174
  175. 175
  176. 176
  177. 177
  178. 178
  179. 179
  180. 180
  181. 181
  182. 182
  183. 183
  184. 184
  185. 185
  186. 186
  187. 187
  188. 188
  189. 189
  190. 190
  191. 191
  192. 192
  193. 193
  194. 194
  195. 195
  196. 196
  197. 197
  198. 198
  199. 199
  200. 200
  201. 201
  202. 202
  203. 203
  204. 204
  205. 205
  206. 206
  207. 207
  208. 208
  209. 209
  210. 210
  211. 211
  212. 212
  213. 213
  214. 214
  215. 215
  216. 216
  217. 217
  218. 218
  219. 219
  220. 220
  221. 221
  222. 222
  223. 223
  224. 224
  225. 225
  226. 226
  227. 227
  228. 228
  229. 229
  230. 230
  231. 231
  232. 232
  233. 233
  234. 234
  235. 235
  236. 236
  237. 237
  238. 238
  239. 239
  240. 240
  241. 241
  242. 242
  243. 243
  244. 244
  245. 245
  246. 246
  247. 247
  248. 248
  249. 249
  250. 250
  251. 251
  252. 252
  253. 253
  254. 254
  255. 255
  256. 256
  257. 257
  258. 258
  259. 259
  260. 260
  261. 261
  262. 262
  263. 263
  264. 264
  265. 265
  266. 266
  267. 267
  268. 268
  269. 269
  270. 270
  271. 271
  272. 272
  273. 273
  274. 274
  275. 275
  276. 276
  277. 277
  278. 278
  279. 279
  280. 280
  281. 281
  282. 282
  283. 283
  284. 284
  285. 285
  286. 286
  287. 287
  288. 288
  289. 289
  290. 290
  291. 291
  292. 292
  293. 293
  294. 294
  295. 295
  296. 296
  297. 297
  298. 298
  299. 299
  300. 300
  301. 301
  302. 302
  303. 303
  304. 304
  305. 305
  306. 306
  307. 307
  308. 308
  309. 309
  310. 310
  311. 311
  312. 312
  313. 313
  314. 314
  315. 315
  316. 316
  317. 317
  318. 318
  319. 319
  320. 320
  321. 321
  322. 322
  323. 323
  324. 324
  325. 325
  326. 326
  327. 327
  328. 328
  329. 329
  330. 330
  331. 331
  332. 332
  333. 333
  334. 334
  335. 335
  336. 336
  337. 337
  338. 338
  339. 339
  340. 340
  341. 341
  342. 342
  343. 343
  344. 344
  345. 345
  346. 346
  347. 347
  348. 348
  349. 349
  350. 350
  351. 351
  352. 352
  353. 353
  354. 354
  355. 355
  356. 356
  357. 357
  358. 358
  359. 359
  360. 360
  361. 361
  362. 362
  363. 363
  364. 364
  365. 365
  366. 366
  367. 367
  368. 368
  369. 369
  370. 370
  371. 371
  372. 372
  373. 373
  374. 374
  375. 375
  376. 376
  377. 377
  378. 378
  379. 379
  380. 380
  381. 381
  382. 382
  383. 383
  384. 384
  385. 385
  386. 386
  387. 387
  388. 388
  389. 389
  390. 390
  391. 391
  392. 392
  393. 393
  394. 394
  395. 395
  396. 396
  397. 397
  398. 398
  399. 399
  400. 400
  401. 401
  402. 402
  403. 403
  404. 404
  405. 405
  406. 406
  407. 407
  408. 408
  409. 409
  410. 410
  411. 411
  412. 412
  413. 413
  414. 414
  415. 415
  416. 416
  417. 417
  418. 418
Home


You need flash player to view this online publication