107

vers 8 Niemand iets schuldig te zijn dan elkander lief te hebben, want als je de andersoortige liefhebt vervul je de wet. Met de andersoortige liefhebben wordt bedoeld nìet slechts degenen die je dierbaar zijn, maar ook degenen met wie je het totaal niet kunt vinden of, erger nog, van wie je eigenlijk een afkeer hebt, ja zelfs diegene die van lieverlee een vijand van je is geworden. In de tijd van Jezus en Paulus was de door God geschikte overheerser de niets en niemand ontziende tiran, de keizer van Rome. Zij trokken niet ten strijde tegen deze door Hem geschikte overheid, maar lieten zich afranselen door deze overheid. De Zoon van God zelf liet Zijn kleren van zich afrukken, liet zich geselen en een doornenkroon opdrukken en naakt aan een vloekhout nagelen. Hij had ze lief en gaf ze zelfs de ruimte om met Hem te sollen, tot de dood erop volgde. Wisten die soldaten en de keizer van Rome veel, dat Hij hen zò liefhad, dat Hij meteen ook voor hùn verzoening en rechtvaardiging gestorven was. Maar uiteindelijk zal de Zoon van God, tezamen met ons als lichaam van Christus, al deze vijanden onder zijn voeten brengen opdat God alles in allen kan worden en ook zij Hem Abba, Vader, zullen noemen. Wij gaan nu even terug naar Efeziërs 5:21-33, wat handelt over het grote geheimenis omtrent Christus en de gemeente. Eerlijk gezegd zou je bij een huwelijk tussen gelovigen onder elkaar kunnen verwachten dat zij zich aan elkaar onderschikken op de manier, zoals wij die nu met elkaar bestudeerd hebben, zodat hun huwelijk een afspiegeling is van het grote geheimenis van Christus en Zijn gemeente. Ik zeg expres kùnnen verwachten, omdat het afhankelijk is van God, onze Vader, of Hij het ze geeft dit woord ruimte te geven in hun dagelijks leven. Als het bij een huwelijk gaat om een ongelovige man of vrouw, dan roept God de gelovige op om van zijn/haar kant uit naar het grote geheimenis te handelen omdat deze ongelovige man of vrouw aan onze zijde door God zo geschikt is. Voor hen die God het heeft gegeven dit woord in praktijk te brengen, past wel een dusdanige bescheidenheid dat zij een ander hierop niet aanvallen of aanspreken maar liefhebben en zo God de ruimte geven om dit op Zijn tijd in het leven van de ander uit te werken. 106

108 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication