112

vers 6 niet met ogenslavernij, als mensenbehagers, maar door als slaven van Christus de wil van God vanuit de ziel te doen. Hiermee wordt niet bedoeld, dat wij voor onze werkgevers van alles gaan doen om bij hun in een goed blaadje te komen of om met onze ellebogen te werken om hogerop te komen. Wij hoeven geen mensen te behagen. Bedoeld wordt, dat wij als slaven van Christus Gods wil doen als wij gehoor geven aan wat de werkgever van ons vraagt en dit dan ook nog vanuit de ziel doen, wat betekent met alle inzet die wij in ons hebben. vers 7 met welwillendheid te slaven als aan de Here en niet aan mensen. Zo’n houding komt niet zo heel veel meer voor, zelfs niet bij gelovigen. Dit komt omdat ook de gelovige mens er niet áán wil. Zij zien het als een moeten doen wat de baas zegt, zij geloven wel, maar het werk valt daarbuiten. Dit zal echter grote problemen opleveren want in hun vrije tijd hebben ze dan toch geen volledige vrijheid, omdat ze overal wel weer iemand tegenkomen die door God boven hen gesteld is, ook in de gemeente bijvoorbeeld. Het kan eigenlijk pas goed functioneren als we bereid zijn dit op elk terrein van ons leven toe te willen passen. En wij mogen erop vertrouwen dat God, de Vader, in ons leven zal bewerken om hier ruimte aan te geven. vers 9 En gij, heren, doe ook zo jegens hen; laat de dreiging afnemen. Jullie weten immers, dat hun en jullie Heer in de hemelen is, en bij Hem is geen aanzien des persoons. Ook de gelovige werkgever kan nooit op de goede manier leiding geven aan de werknemers als zijn geloof slechts in zijn vrije tijd tot uitdrukking komt. Zijn positie is door God, de Vader, gesteld, maar dat geeft hem nog niet het recht zijn werknemers als oud vuil of minderwaardig te behandelen, hen te veroordelen, te dreigen met ontslag, of wat dan ook. Onderschikking en onderhoren hebben dus met een wandel in de Here te maken, wat nooit ofte nimmer door God afgedwongen wordt omdat wandel vrijwillig is. 111

113 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication