146

Efeziërs 1:1-12 In dit gedeelte wordt viermaal over Gods wil gesproken: eenmaal over Zijn wil thelêma, eenmaal over Zijn voornemen prothêsis, eenmaal over Zijn raad boulê en eenmaal over Zich voornemen prothê gesproken. vers 1 Paulus was door de wil thelêma van God een apostel van Christus Jezus. Dit is veelzeggend; hij is geen apostel geworden omdat hij ervoor gestudeerd had, alle diploma’s heeft gehaald en stage liep, of omdat hij zo goed was, zo charismatisch, of wat je ook maar bedenken kunt, dit zijn allemaal dingen waar God lak aan heeft. Hij roept een schurk, een vervolger en moordenaar, dat is op zich al een bijzondere openbaring van God, omdat wij normaal gesproken alleen maar kijken, wat iemand gepresteerd heeft en opzien naar mensen, die het ver geschopt hebben en zogenaamd van onbesproken gedrag zijn. vers 5 Wij zijn net als bij Paulus niet geroepen tot het zoonschap, om wat wij allemaal goed kunnen of goed gedaan hebben, gestudeerd hebben of in hoog aanzien zijn, maar omdat Hij in Zijn liefde ons tevoren hiertoe bestemd heeft en omdat het in overeenstemming was met het welbehagen van Zijn wil thelêma. Ook dit is een bijzondere openbaring, omdat over het algemeen gedacht wordt, dat je zelf moet kiezen, terwijl je daarmee aangeeft, dat door God niets van tevoren bestemd is en dat heeft weer te maken met het feit, dat wij Zijn woord kleineren. vers 9 God maakte ons het geheimenis van Zijn wil bekend, ook weer in overeenstemming met Zijn wil thelêma en wat Hij in zichzelf had voorgenomen prothê. De meeste gelovigen hebben geen idee wat dit geheimenis van Zijn wil betekent en opnieuw wordt Zijn woord gekleineerd, omdat zij niet geloven, dat Alles wat in de hemel en wat op de aarde is zich zal culmineren onder de Christus, maar in een hel blijven geloven, die dan ook nog eeuwig (eindeloos) blijft voortbestaan. Voor die gelovigen is dit geheimenis nog steeds een geheimenis, als het ware een boulomai, niet geopenbaarde wil, bedoelen. Zij hebben niet in de gaten, dat God hier inzicht wil geven in Zijn voornemen en er toch wel degelijk sprake is van Gods geopenbaarde wil thelêma. vers 11 145

147 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication