147

In Hem ook zijn wij door loting aangewezen, die tevoren bestemd zijn in overeenstemming met het voornemen van Hem, die het al bewerkt in overeenstemming met de raad van Zijn wil. Paulus mag hier alsmaar doorgaan met het bekend maken van Gods nooit eerder geopenbaarde bedoelen boulomai, ofwel zijn niet geopenbaarde wil, zodat dit voor degenen, die geroepen zijn tot het lichaam van Christus, Zijn geopenbaarde wil thelêma wordt. In overeenstemming met Zijn voornemen prothêsis en de raad boulê van Zijn wil werden wij van te voren in Hem, de Christus, bestemd tot het zoonschap, opdat wij zouden zijn tot lofprijs van Zijn heerlijkheid. Het lijkt mij, dat je als je dit gaat begrijpen ook daadwerkelijk tot lofprijs van Zijn heerlijkheid wil gaan leven, niet omdat je dat moet doen, maar omdat je dit graag wilt! 2 Timótheüs 2:4 Dat God, onze Redder (NBG Heiland), wil thelõ dat alle mensen gered worden en tot erkentenis der waarheid komen, wordt te vuur en te zwaard bestreden, ofwel gekleineerd. De gelovige mens denkt, dat God dat wel wil, maar het Hem absoluut niet lukt, het is niet Gods wil, maar een wens van God. Hij zou het wel willen, zo op de manier zoals wij weleens tegen elkaar zeggen: dat zou d’ie wel willen zeg en wij bedoelen daarmee, dat het hem of haar toch niet lukt. Het lukt God echter wel, omdat dat op vele plaatsen door Hem verkondigd wordt en heel duidelijk in Zijn woord omschreven, bijvoorbeeld Filippenzen 2:10; Romeinen 14:11; 1 Corinthiërs 15:28 en op vele andere plaatsen. Aan wat God wil, kan door de mens, met zijn zogenaamde eigen vrije wil totaal niets veranderd worden. Door te weten, dat door de wil van God ieder mens gered wordt, verandert onze houding ten opzichte van onze medemensen, gelovig of ongelovig, daar God met ieder mens tot Zijn doel komt op Zijn tijd en dat God Zijn redenen heeft om ons zowel Zijn bedoelen als Zijn wil te doen kennen. Wij kunnen dan ook geen aanmerkingen hebben op een schepsel van God als iemand anders doet of handelt dan wijzelf. Van die ander wordt niet gevraagd ons lief te hebben, maar wij, aan wie alles geopenbaard wordt, worden aangesproken, arm om iemand heen, met Romeinen 13:8: Blijft niemand iets verschuldigd dan elkaar lief te hebben, in de betekenis van elkaar de ruimte geven, zoals God dat ook met ons doet. 146

148 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication