192

Onze vleselijke wijsheid en kwaliteiten hebben hiertoe niets bijgedragen, 1 Corinthiërs 1:26-29. Het is louter en alleen genade (om stil van te worden) dat Hij ons als instrumenten wil gebruiken en ons daar ook voor klaarmaakt, Romeinen 9:23 en 24, om uitvoering te geven aan het Raadsbesluit van Zijn wil, temidden der hemelingen. Heiligen worden wij niet door onze goede werken of sociale vaardigheden. Het heeft te maken met Gods keuze om bepaalde mensen, dieren, gewassen of objecten, voor Hem af te zonderen, zoals in Exodus 13:2, waar de eerstgeborenen van mens en vee speciaal voor Hem persoonlijk werden afgezonderd. De stad Jeruzalem wordt bijvoorbeeld in Nehemia 11:1 heilig genoemd. Zacharia 14:20 spreekt over de bellen van de paarden, waarop zal staan: De Here Heilig. Heel bijzonder is het feit, dat ons voedsel wordt geheiligd door onze dankzegging en voorbede, 1 Timótheüs 4:5, en wat geschreven staat in 1 Corinthiërs 7:14, namelijk dat de ongelovige man of vrouw geheiligd is in de gelovige vrouw of man, alsmede hun kinderen. Nu zult u zeggen, hoe is dit dan mogelijk? Heel eenvoudig, de ongelovige heeft gemeenschap met de gelovige, één van Gods uitgeroepen heiligen en de aanraking van een ongelovige van een tempel van God, betekent voor Hem al, dat de ongelovige geheiligd is, 1 Corinthiërs 3:17. Zo was het ook al in het oude testament, waar iedereen die het altaar aanraakte heilig was, Exodus 29:37. Kijk, als je dit allemaal niet weet, dan blijf je je afzetten tegen je partner, hoewel God hem of haar als heilig beschouwt, en moet je zonodig gezond voedsel eten, al of niet vegetarisch, terwijl God ons voedsel nota bene heilig verklaart door onze dankzegging. Wij mogen er gerust van uitgaan, dat indien God, de Vader, ons geroepen heeft tot redding, in heiliging door de geest en geloof in de waarheid, 2 Thessalonicenzen 2:13, Hij ons niet alleen zo ziet, maar het ook in onze dagelijkse wandel zal uitwerken. Heiliging is niets anders dan een volledige persoonlijke overgave aan Hem, die ons al geheiligd heeft, Efeziërs 1:4 en 5; Colossenzen1:22. 191

193 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication