193

Bij geliefden zou het allereerst aan de Geliefde gedacht moeten worden. De Zoon van God, in wie God, de Vader, een welbehagen had, Matthéüs 3:17. Wij hebben in Christus onze Heer deze naam verworven en dit heeft niet te maken met enige verdienste van onze kant. Het is te vergelijken met het volk Israël, dat naar de uitverkiezing geliefde was om der vaderen wil, Romeinen 11:28, zo zijn wij geliefden om Christus’ wil. Wij zijn in Hem uitverkorenen, heiligen en geliefden. Wij moeten wel beseffen, dat het uitverkoren zijn tot geliefden Gods iets anders betekent dan wij onder menselijke geliefden verstaan. Geliefden Gods zijn geroepen tot een taak temidden der Hemelingen, zij zullen de wereld, mensen en boodschappers richten op God, 1 Corinthiërs 6:1-4, en om ons tot deze taak volkomen toe te rusten zal ons, als geliefden, lijden ten deel vallen, zoals aangegeven in: Efeziërs 5:1,2 Wordt, proces, dan nabootsers Gods als geliefde kinderen en wandelt in de liefde, zoals ook Christus jullie liefheeft en Zichzelf voor ons heeft overgegeven als naderingsgeschenk en offer, Gode tot een welriekende reuk. Dat is nu precies waar Paulus ons in Romeinen 12:1 over aanspreekt door de God van het medelijden, om onze lichamen tot een offer te stellen, levend, heilig en God welgevallig. Voordat wij in het proces, dat God in ons uitwerkt, toekomen om medelijden aan te doen, zullen wij nog veel moeten leren over de God van het medelijden, ons persoonlijk en andermans lijden, opdat deze kennis een hartezaak kan worden. Hoe zouden we ooit genade kunnen schenken als we niet ten volle beseffen welke genade de Here òns geschonken heeft? Hoe zouden we de liefde aan kunnen doen als we niet voldoende afweten van de Liefde die ons geschonken wordt en die de band der rijpheid wordt genoemd; denken wij soms deze rijpheid al bereikt te hebben? Hoe zouden wij de jonge mens aan kunnen doen, indien wij niet begrijpen, dat deze niet door onszelf maar door God, de Vader, vernieuwd wordt tot volle kennis, epi gnõsis ofwel een op-(eenstapeling van) kennis, naar het beeld van de Schepper zelf, Colossenzen 3:10. 192

194 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication