209

Dit zou dan zijn vanwege het verlaten van de kerk of hun erfzonden. Het komt voor dat de kinderen geslagen worden, omdat ze niet naar de kerk willen maar uit willen slapen. Onzin? Toch van heel dichtbij meegemaakt! Nu moet ik er wel bij zeggen, dat dat gedaan werd uit liefde voor het kind, omdat de ouders dachten dat het anders verloren zou gaan. God is in deze genadetijd echter niet op deze manier bezig met Zijn zonen, die Hij heeft geroepen tot het Lichaam van Christus. Hij zet opvoedende genade in om iets in ons leven uit te werken. Het heeft nooit iets te maken met straf, maar met genade, Grieks charis. Dit zou vreugde, Grieks chara, teweeg moeten brengen vanwege het feit, dat Hij bereid is ons ten behoeve van de komende eonen en ten dele ook voor deze boze eon op te voeden. Je zou je kunnen afvragen: Wie wil er nou niet door God, onze Vader, zelf opgevoed worden? Genade, die ons opvoedt is noodzakelijk, zowel voor de tijd dat wij leven op aarde, maar ook voor de tijd, dat wij aan de zijde van de Kurios zullen mogen meewerken om het ganse heelal onder Zijn voeten te brengen. 2 Timótheüs 2:24 Een slaaf des Heren moet niet vechten, maar zacht zijn, niet op een menselijke manier, jegens allen, bekwaam te onderwijzen, kwaad welwillend verdragen, met zachtmoedigheid degenen die tegenwerken opvoeden (NBG bestraffen). Er valt voor ons weinig te bestraffen, sterker nog, de woorden straf en bestraffen komen in de brieven van Paulus in het geheel niet voor, netzomin als tucht en tuchtiging. In tegenstelling tot wat wij altijd hebben gedacht is het niet zo, dat wie zijn kinderen liefheeft zijn kinderen moet tuchtigen en dat God dit ook zou doen met ons. Dit is volkomen in tegenspraak met wat God voor ogen heeft voor hen die Hij tot de stand van zoon geroepen heeft. God verdraagt het kwaad welwillend, sterker nog, Hij rekent het kwade niet toe, 2 Corinthiërs 5:19; 1 Corinthiërs 13:5, en voedt ons in genade op. Dit doet Hij met zachtmoedigheid, zodat de zonen, die tegenwerken tot berouw en erkenning van de waarheid kunnen komen en, nuchter geworden uit de valstrik van de dooreenwerper die hen levend gevangen hield, weer naar Zijn wil willen gaan leven, 2 Timótheüs 2:25,26. 208

210 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication