235

In de brieven van Paulus komt vragen slechts 6 maal voor, viermaal aan broeders, eenmaal dat Jezus zich zal openbaren aan diegenen die niet naar Hem (na)vragen en eenmaal dat vrouwen als ze iets willen leren het thuis aan hun mannen kunnen (na)vragen. Het lijkt erop, dat wij meer bezig zijn met wat voor de Jood is geschreven, dan met wat Paulus ons wil leren en wat op een veel hoger plan ligt, namelijk danken. Danken, Dank, Dankbaar, eu charisteõ is wel-verheugen eu charistia is wel-vreugde eu chariston is ook wel-vreugde De woorden dankbaar en dank komen in de evangeliën in het geheel niet voor en het woord danken slechts 13 maal. Hiervan hebben er elf betrekking op Jezus, die God, de Vader, dankt en een heeft betrekking op een Farizeeër die God dankt dat hij anders is dan de rest, Lucas 18:11. Onvoorstelbaar vind je niet? Tenslotte komt het woord danken nog eenmaal voor in Lucas 17:11-19, waar Jezus tegen tien melaatse mannen zegt zich te tonen aan de priesters, en terwijl zij heengingen werden zij gereinigd. Negen van de tien gereinigden waren Joden, maar die lieten zich niet meer zien of horen. Er was er slechts een die met luider stem God verheerlijkte en zich aan de voeten van Jezus wierp om Hem te danken. De enige die Hem dankte was een vreemdeling, namelijk een Samaritaan. In de vier evangeliën is er niet één Jood te vinden die dankt of dankbaar is. Dit betekent dat maar weinig Joden God konden verheerlijken, wat toch wel te denken geeft. Bij ons is het al niet anders, ook wij kunnen God niet verheerlijken als wij niet danken. Toch is het niet zo verwonderlijk dat de Samaritaan naar Jezus terugging om Hem te danken, omdat hij als vreemdeling aan den lijve Gods enorme genade had ervaren. De Samaritanen hadden geen deel aan de beloften van het volk Israël, omdat Joden, die er in het verleden door de koning van Assur naartoe gezonden waren, 2 Koningen 17:24, zich vermengd hadden met volkeren uit andere landen. 234

236 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication