242

Let er op, dat er in dit vers staat: de God van onze Here Jezus Christus. Hieruit kun je opmaken, dat onze Here Jezus Christus niet zelf God is, maar God als Vader heeft! vers 18 verlichte ogen van jullie hart, opdat jullie weten wat de verwachting van jullie roeping is… In dit gedeelte staan toch wel een aantal opmerkelijke zaken. Ondanks het feit dat hij spreekt van mensen die geloven in de Here Jezus Christus, vers 15, zegt hij niet dat zij hun gebeden aan Hem moeten richten. Paulus doet dat zelf ook niet, want hij gaat naar de God van onze Here Jezus Christus, de Vader der Heerlijkheid. Hij noemt dus wel de naam van de Zoon. Voor ons is het dus ook logisch dat wij tot de Vader gaan, waarbij wij de naam van onze Here Jezus Christus noemen. Uit het gebruik van het woord gebeden, vers 17, kan je opmaken dat het hier niet gaat om een dagelijks vragenuurtje maar om het zoeken van Gods aangezicht, zodat je het goed hebt. Dat Paulus het goed heeft komt tot uitdrukking doordat hij zegt niet te kunnen ophouden met danken, vers 16. Tijdens dit danken denkt hij met vreugde aan de heiligen en brengt ze bij God in herinnering, opdat Hij hen geve, vers 17. Nu zou je kunnen zeggen: zie je nou wel dat Paulus ook van alles vraagt? Dus niet! Want iets vragen voor jezelf is heel iets anders dan iemand in herinnering brengen en het dan aan de Vader der Heerlijkheid overlaten wat Hij in gedachten had aan die persoon te geven. Als er iemand wist hoe dit werkte was het Paulus wel. Uiteindelijk waren er heel veel gelovigen die hem hadden verlaten, dus kennelijk had de Vader der Heerlijkheid hun deze geest van wijsheid en onthulling niet gegeven, 2 Timótheüs 1:15. Dan komt in vers 18 nog het woordje verwachting voor. Zie je, dat God totaal niets van ons verwacht, want anders hadden allen, die Paulus in Asia hebben verlaten, er zelf wat aan kunnen doen om die verwachting te bemachtigen. 241

243 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication