261

Toen God hen brood, manna, gaf mochten ze het slechts voor één dag verzamelen, Exodus 16:4. Zij hadden dan ook geen diepvriezers om voor een hele maand op te slaan. Met het vlees ging het al niet anders, alleen waren er toch weer sommigen die meer verzamelden dan ze nodig hadden, wat menselijk toch hè? Het had echter weinig zin, want de volgende dag was het bedorven van de wormen en stonk, Exodus 16:16-20. Hoewel het volk Israël lichamelijk gezien het gezondste volk was dat er destijds rondliep vanwege het voedsel en de juiste hygiëne, hadden ze geestelijk gezien toch niet die rijkdom die wij nu in genade mogen ontvangen. Niettemin dient alles wat is opgetekend tot een voorbeeld voor ons, 1 Corinthiërs 10:6. Wij moeten echter wel bedenken dat ons ongezonde eten en de overdadige materiële overvloed een intens geestelijk leven, zoals Paulus en de gelovigen vroeger hadden, heel erg in de weg kunnen staan. Om nog even op het danken terug te komen, er zijn zoveel mogelijkheden om dat te doen in plaats van het stellen van vragen. Neem bijvoorbeeld het vragen om leiding voor wat dan ook. Is het niet gewoon logisch dat wij als slaven van Christus Jezus leiding ontvangen? Het lijkt er dus een beetje op dat wij onze Heer niet helemaal vertrouwen en ons mogelijk afvragen of het nou wel zeker is dat Hij ons zal leiden. Wij vragen om iets dat vanzelfsprekend is en sommigen spreken dit dan ook wel uit, want nadat zij om leiding gevraagd hebben, danken zij God dat Hij dit ook zal doen. Ineens hiervoor danken kan dus ook. Het is de worsteling van iedere gelovige persoonlijk hoe met de dingen die er in het leven gebeuren om te gaan. Neem bijvoorbeeld Epafras. Hij worstelde als slaaf van Christus Jezus voor de Colossenzen in zijn gebeden, naartoe wel hebbingen, opdat zij zouden staan, gerijpt en ten volle verzekerd in alles wat de wil van God is, in de moeilijke omstandigheden waarin zij verkeerden. Hij vroeg niet of zij beter mochten worden, ook niet om voedsel of om allerlei andere materiële of lichamelijke zaken, maar of zij als gerijpten mochten blijven staan, Colossenzen 4:12. 260

262 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication