49

Hierdoor kan Hij als Al alles in allen worden en vanaf dat moment heeft Hij de titel van zowel Plaatser als Onderschikker niet meer nodig, omdat Hij dan Vader van al Zijn schepselen is geworden. Al als Onderschikker is de bron, waaruit alles is voortgekomen. Hij is onzichtbaar, Romeinen 1:20; 2 Corinthiërs 4:4 (in NBG niet vertaald); Colossenzen 1:15 en 1 Timótheüs 1:17. Niemand heeft Hem ooit gezien, Johannes 1:18 en 1 Johannes 4:12. Al-e geeft weer dat Zijn Zoon niet de bron is, maar dat God overal bij betrokken is en er niets kan gebeuren buiten Hem om. Alle vier de titels beginnen immers met Al. Romeinen 11:33-36 eindigt met: Want uit Hem en door Hem en tot Hem is het al (NBG zijn alle dingen). In 1 Corinthiërs 8:6 schrijft Paulus: voor ons is er maar één God, de Vader, uit wie het al (NBG alle dingen) is, en tot wie wij zijn, en één Here, Jezus Christus, door wie het al is en wij door Hem. Al-u-e, de Zoon, heeft van Al de opdracht gekregen om alles uit te voeren volgens het plan dat Al vastgesteld heeft; hiervan kan de Zoon niet afwijken. Hij is de eerstgeborene van wat er ooit geschapen is. Colossenzen 1:13-20 de Zoon van Gods Liefde is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene der ganse schepping, want in Hem is het Al geschapen, wat in de hemelen en op de aarde is. Uit vers 18 blijkt, dat de Zoon in de gestalte van een mens tevens de eerstgeborene uit de doden is. Vers 20 geeft heel duidelijk weer, dat de Zoon tevens de eerste was, die zich op vrijwillige basis onderschikte aan Al, de Onderschikker, die tevens Zijn Vader is. Slechts door het bloed Zijns kruises kon er Vrede gemaakt worden en het al weer met God verzoend worden. Dit betekent dat, indien de Zoon zich niet vrijwillig aan God, de Vader, had onderschikt, deze Vrede en Verzoening geen doorgang zouden hebben kunnen vinden. 48

50 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication