78

De Messias-belijdende Joden wilden namelijk dat de heidenen die tot geloof kwamen alsnog werden besneden, waarmee ze automatisch onder alle wetten zouden worden geplaatst die Israël zelf niet had kunnen houden, Handelingen 15:1-21. Paulus werkte hier ter wille van de Joden aan mee en besneed zelf Timótheüs, wiens moeder Joods was en zijn vader van Griekse afkomst, Handelingen 16:3. Dit ondanks, dat Jacobus en de zijnen reeds hadden besloten, dat dit niet nodig was. Het enige waar de gelovig geworden heiden zich ver van moest houden was: ceremoniële verontreiniging door afgoden, van hoererij, van het verstikte, niet koosjer geslacht, en van bloed. Deze onthouding voor de heidenen was een verzinsel van Jacobus en diende om sociale contacten met de gelovig geworden heidenen te kunnen onderhouden. De Messias-belijdende Joden bleven zich houden aan de door Mozes ingestelde wetten, waar zij zelf niet aan konden voldoen en de heidenen hoefden zich slechts aan enkele inzettingen, gebaseerd op de wet, te houden. Door deze inzettingen bleef het zoals het altijd al was geweest. Er bleven twee verschillende groepen bestaan, de Jood met de gehele wet en de heiden met een gedeelte van de wet. De heiden bleef hierdoor een ondergeschikte rol vervullen. Dit komt ook in Romeinen 15:26,27 heel duidelijk tot uitdrukking, waar er sprake is van het feit, dat de heidenen deel hadden gekregen aan de geestelijke goederen van Israël en dus ook schuldig waren om te voorzien in de noden van de arme Joden in Jeruzalem. Ook voor de Jood, die het evangelie van Paulus aannam, ontstond er geen andere situatie, ook al zal hij zich mogelijkerwijs meer aangetrokken hebben gevoeld tot de gelovige heidenen. De heidenen, die het evangelie van Paulus aannamen bleven nog ver verwijderd van de Messias-belijdende Jood. De heiden mocht niet in de tempel komen, laat staan in het Heilige of Heilige der Heiligen. In Efeziërs 2:11-18 komt pas de grote verandering tussen wet en genade tot stand en worden de in stand gehouden verschillen tussen Jood en heiden geslecht! vers 11 De heidenen/naties hebben een voorhuid en zijn dus onbesnedenen. 77

79 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication