81

De nieuwe mensheid die hier geschapen wordt betreft dus alleen de gemeente, die Zijn lichaam is, in tegenstelling tot de nieuwe schepping, die we eerder behandeld hebben, want daar gaat het uiteindelijk om de gehele mensheid. Eén ding is echter van belang en is zowel op de nieuwe mensheid als op de nieuwe schepping van toepassing, namelijk dat God, de Vader, geen genoegen neemt met het oplappen van de oude mensheid die van Adam afstamt, maar dat Hij voor de gehele mensheid een nieuwe schepping in Christus Jezus heeft bereid. De gelovigen mogen zich nu al een nieuwe schepping en nieuwe mensheid weten. Zij zijn niet langer in Adam, maar in Christus! De Joden bleven steeds maar aandringen op de besnijdenis, die werk van mensenhanden is, en het houden van de door God aan Israël gegeven wetten, hoewel de wet juist gegeven was om tot de ontdekking te komen, dat je er onmogelijk aan kon voldoen. De Jood werd hierdoor dus altijd schuldig, want als je slechts één gebod overtrad, dan was je schuldig aan de gehele wet, Galaten 3:10 en Jacobus 2:10. De wet was een vloek en dat is de reden, dat de Zoon van God tot een vloek moest worden door aan het vloekhout op Golgotha te worden gekruisigd. De wet was bedoeld om de Joden tot de ontdekking te laten komen, dat zij hun Messias nodig hadden om hen hiervan te verlossen, het was een kindergeleider (NBG tuchtmeester) voor de Joden om tot de Christus/Messias te komen, Galaten 3:23-25. Uit Galaten 4:1-7 kun je heel duidelijk opmaken dat de wet gegeven is aan onmondigen, kinderen. De Zoon van God heeft de Joden echter vrijgekocht van de wet, opdat ze het recht van zonen zouden verkrijgen. Heidenen, dus alle niet-Joden, hebben nooit onder de wet gestaan omdat deze niet aan hun gegeven werd, Romeinen 2:14. Veel gelovige mensen noemen zich geen zonen, maar een kind van God en in die hoedanigheid ben je onmondig en blijf je de wet nodig hebben. Zij zijn daarom ook bang voor God, omdat ze zich bewust zijn dat ze niet aan deze wet voldoen, ze worden moedeloos, zien het vaak niet meer zo zitten en verwachten alsnog in de hel te belanden. De hel is echter een bedenksel van mensen. Uit Efeziërs 2:11-18 blijkt, dat wij behoren tot de nieuwe mensheid. 80

82 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication