Nederlands English

GEM 4:2020


Page 2
C O L O F O N GEM is de roepnaam van het ’Genealogisch Erfgoed Magazine’ dat is voortgekomen uit 'Ons (Genealogisch) Erfgoed’, van 1993 tot en met 2009 uitgegeven door H.M. Lups te Delft. Overname van artikelen is toegestaan na overleg met uitgever en auteur. Een juiste bronvermelding is vereist. Informatie voor nieuwe auteurs is te verkrijgen bij de uitgever. GEM verschijnt in de maanden februari, mei, augustus en november. In verband daarmee is de sluitingsdatum voor de kopij de 15e van de maanden januari, april, juli en oktober. Prometheus In dit nummer De 'vergeten' slavernij in Barbarije Willem Kila en Jopie Schouten, straatmuzikanten en platenartisten De Zeelandse dijkenkaart gepresenteerd INHOUD Colofon In Memoriam Hans Nagtegaal Truus Wijsmuller-Meijer Sinds 2000 is er samenwerking met de Genealogische Vereniging Prometheus te Delft. Contactpersoon is de heer H. Klunder Abonnementen Deze lopen per kalenderjaar. Een abonnement kost vanaf 2020 € 23.- per jaar te voldoen op bankrekening NL10 INGB 0000 0780 22 t.n.v. D. Kranen. Een digitaal abonnement kost € 12. Voor nieuwe abonnees is er een aantrekkelijke aanbieding. Opzegging Eindredacteur en uitgever D. Kranen, Molenstraat 73, 6712 CT Ede telefoon: 0318-693803 e-mail: info@gemmagazine.nl internet: www.gemmagazine.nl ISSN 2214-2010 © 2010 GEM Productie: BladNl Afbeelding op omslag Gezicht op Amersfoort, ca 1790, Carel Frederik Bendorp (I), naar Jan Bulthuis, 1824-1825. Rijksmuseum, obj. nr. BI-BFM-116-28 (fragment) Dient schriftelijk (bij voorkeur via e-mail) plaats te vinden vóór 1 december. Toelichting over Open Archieven Bouwperiodes in Nederland Een octrooi op een karnmolen Gebouwd op ossenhuiden Met Artificial Intelligence zoeken in historisch fotomateriaal Sinterklaas en zijn 'knecht’ in Nederlandse kranten Geneal-IX De voornaam VICTOR Dijk, Dam en Duin in familienamen Enquete 1892: ondervraging schilder Naar aanleiding van een archiefvondst/Signalement Genealogische publicaties (129) Samuel Rippe, declamator UIT DE NGV PERIODIEKEN Enquête Arbeidsomstandigheden 1892 Brandspuit van de Gebroeders Van der Heyden Arbeidslonen in Roermond in 1645 VAN DE REDACTIE Wapenregister Genealogische publicaties (nr. 128) Beste lezer, Naar beste weten en kunnen is dit nieuwe, tevens laatste nummer van dit vreemde jaar, weer samengesteld. Er zal ongetwijfeld wel iets van uw gading te lezen en te ontdekken zijn. Zo ben ik heel erg benieuwd naar uw oordeel over het hoofdartikel over de slavernij in Barbarije. Was u er van op de hoogte dat daar ook duizenden landgenoten gedwongen aan het werk zijn gezet? Er was dan wel een mogelijkheid van vrijkoop maar daar kwam niet iedereen voor in aanmerking of kwam simpelweg te laat. Nog een min of meer 'actueel' artikel is dat over Sinterklaas: ik hoop dat u het interessant vindt. Rest me nog te zeggen dat ik ga overstappen op een ander lettertype, nl 'Helvetia-Neue', versie dun of licht. U kunt er al kennis mee maken op de pagina’s 2, 28 ev en 38. Tot slot wil ik u attenderen op het stukje 'Nieuwe abonnees gezocht' op pagina 12: Misschien kunt u iemand verleiden tot het aflsluiten van een abonnement. Het zal u ongetwijfeld bekend zijn dat de meeste tijdschriften het moeilijk hebben: het is krimp wat de klok slaat. gemmagazine┊november 2020┊pagina van 2 40 19 22 23 24 28 33 34 36 38 blz 3 13 18 1 1 1 1 1 2 3 3 2 3 1 1 1 1 1 2 3 3 2 3 J. Ogilby 'Salee' 1670 DE 'VERGETEN' SLAVERNIJ IN BARBARIJE Dick Kranen Tijdens het doorzoeken van het Gelders Archief en dan met name het archief van het Hertogdom Gelre en de Graafschap Zutphen kwam ik op zeker moment de volgende omschrijving van een archiefstuk tegen: Brieven, ontvangen van overheden in de steden en ten platten lande, bevattende opgaven van ingezetenen, die zich in slavernij bevinden te Salée in Barbarije (Marokko), 1742, 1743. ( ) 1 Dit onderwerp hield me al een poosje bezig na een eerdere vondst van een ontsnappingsverhaal van een aantal Engelse zeelui uit een jarenlange slavernij in Algiers . Omdat ik be 2 - nieuwd was naar de inhoud heb ik het stuk laten scannen. Dat is inmiddels gebeurd, waardoor het voor mij mogelijk werd de tekst te downloaden en uit te zoeken waar het om te doen was. Het kwam er op neer dat de Gelderse Rekenkamer op verzoek van de Staten Generaal d.d. 11 juli 1742 de 'Heren Raden van het Vorstendom Gelre en het Graafschap Zutphen' verzocht bij de steden en heerlijkheden in het Gelderse te informeren of er ten eerste misschien één of meer slaven in Salée in Marokko gevangen zit1 Gelders Archief, Archief Hertogdom Gelre en Graafschap Zutphen,Toegangsnummer: 0124, Inventarisnummer: 1127 2 William Okely en zijn maten ontsnapten in 1644 uit Algiers m.b.v. een bootje gemaakt van canvas. Ze hervonden de vrijheid op Mallorca. Hebt u belangstelling voor dit verhaal? Zend me een mailtje en ik zend het u (digitaal) toe. gemmagazine┊november 2020┊pagina van 3 40
Page 4
ten die afkomstig zijn uit onze provincie, en of er ten tweede geld is ingezameld of toegezegd, voor de lossing van die slaven. De ingezamelde gelden kunnen dan via het Comptoir Generaal van de Unie worden gebruikt voor het daartoe bestemde gebruik. 1 De meeste antwoorden zijn negatief, zoals die van Wageningen, d.d. 29 oktober 1742: Edele Heeren, Wij hebben uw missive van 25 september (1742) in goede orde ontvangen. Daarin lezen we dat u verzoekt geinformeerd te worden of er misschien één of meer slaven in Salée in Marokko gevangen zijn die afkomstig zijn uit onze stad of jurisdictie. En of er ook geld is ingezameld of toegezegd, voor de lossing van die slaven. Ons antwoord kan kort zijn. Na de gebruikelijke bekendmaking van uw vragen is niet gebleken dat er slaven uit onze stad en jurisdictie die hier geboren of gewoond hebben, zich in Salée bevinden. Ook is geen geld verzameld of toegezegd. We hopen hiermee uw vragen voldoende te hebben beantwoord en bevelen wij u in de protectie van de Allerhoogste aan. w.g. Burgemeesters, Schepenen en Raden der Stad Wageningen, A. Wicherts, secr. Dergelijke brieven, verzonden door het wettig gezag in Harderwijk, Elburg, Oldebroek, Veluwezoom, Beesd & Renoy, Nijmegen, Rosedaal, Borculo, Zutphen, Lathum, Dieden, Doetinchem, Overbetuwe, Doorwerth, Arnhem, Enghuisen en Ophemert, kwamen bij de 'Heren Raden' binnen. De enige plaats die iets te melden had was Apeldoorn Rozendaal, 17 april 1743 Edele Heeren, Ingevolge uw verzoek heb ik door de respectieve Schouten in mijn Landdrostambt overal laten informeren of er ook ingezetenen waren gevangen en in slavernij gehouden te Salée of Marokko. En of er voor hen collectes of inschrijvingen waren gehouden. Na ruim de tijd (!) genomen te hebben alle mogelijke informaties in te winnen, bleek dat in onze negen Ambten niet het geval te zijn. Alleen uit het Ambt Apeldoorn is iets te melden, zie daarvoor de bijgaande Memorie. Hiermede vertrouw ik aan uw intentie voldaan te hebben,en beveel u aan in de bescherming van de Allerhoogste, Uw dienaar L.A. Torck, Landdrost van Veluwe, Memorie In 1729 of 1730 zou door een Saléesche rover, een Engels koopvaardijschip, dat koers zette van Amsterdam naar Nieuw Nederland, genomen zijn. Tot slaaf gemaakt en opgebracht te Salée zijn de volgende personen: • Hendrik Willemsz en Elsje Heijmerix e.l.3; 2 • Tonis Jansz en Hendrikje Heijmerix e.l.; • Janna Polman, jonge dochter; Allen geboortig uit het Kerspel Apeldoorn. Tonis Jansz en Janna Polman zijn in slavernij onder Salée gestorven. Maar Hendrik Willemsz, Elsje Heijmerix en ook Hendrikje Heijmerix zouden in 1733 of 1734 gelost zijn door een Engelsman die hen mee genomen heeft naar Londen van waar zij teruggegaan zijn naar huis. Thans wonen ze nog steeds in het Kerspel Apeldoorn. Voor deze lossing zijn geen penningen gecollecteerd, toegezegd of betaald. 1 Archief Geld. Rekenkamer, toegang 0012, inv. nr. OS25, pag. 880/1 (1742) 2 Elsken (Elsje) Heijmerix is geboren op 3-10-1694. Ouders Heimerik Cornelis en Gerretien Hendriks. Elsje is overleden vóór 20-8-1767. In 1757 bleek ze volgens een acte weduwe van Henrick Willemss te zijn. 3 Echtelieden gemmagazine┊november 2020┊pagina van 4 40 Wat is er over deze en dergelijke 'gevallen' in de kranten te vinden? Via DELPHER vond ik uit de jaren 1720 -1740 het volgende. (De gebruikte zoektermen zijn Salee, slaaf en slaven) In enkele kranten vond ik al vrij snel gegevens die lijken op de informatie in de bovenstaande Memorie. Het zou zo maar kunnen dat de Apeldoorners begrepen zijn in de term Hollanders, te meer daar er sprake is van een schip dat onderweg was naar New York. (11-9-1726) Opmerkelijk dat de Apeldoorners landverhuizers waren. Helaas is er in het Apeldoorns archief (CODA) niets te vinden over deze toch niet alledaagse gebeurtenissen! Verder moet ik nog opmerken dat er uit die jaren in de database van GENEAKNOWHOW in de paragraaf Digitale Bronbewerkingen, passagierslijsten zijn te vinden. In ieder geval vanaf 1727 voeren er enkele malen per jaar, meestal in de maanden augustus tot oktober, schepen met landverhuizers, voornamelijk vanuit Rotterdam, met bestemming Philadelphia. De aantallen passagiers varieren van enkele tientallen tot wel 2 à 300. Maar helaas, 'onze’ met naam genoemde slachtoffers uit de Memorie, heb ik niet kunnen vinden. Dat is natuurlijk wel logisch, een mogelijk aanwezige lijst met passagiers zal tijdens of na de kaping wel overboord gegooid zijn. Hieronder twee teksten uit 1726 waarvan vooral die van 11 september interessante informatie geeft over, weliswaar niet bij naam genoemde, tot slaaf gemaakte 'Hollanders'. GIBRALTAR den 10. Augusty (1726). Het laatst gemelde Engels schip, dat te Salee is opgebragt, is nevens het Volk en Goed, weder vry gegeeven, behalven 2 Mans- en 4 Vrouws-Persoonen, welke onder voorwendsel dat het Hollanders waren, tot Slaven gemaakt, en haare Goederen geconfisqueert zyn. Zoo bekomt men tyding van Tanger, dat een andere Saléese Rover ook genomen had een Engels schip, van Lisbon naar Londen gaande, met 4 Hollanders, waar in zy 400 goude Cruzados gevonden hadden. Men verzekerd dat het aanhouden of neemen van de Engelse scheepen door 1 Gebied: gebieder, commandant gemmagazine┊november 2020┊pagina van 5 40 Zo kon het toegaan bij een kaping Toen zij (de zeerovers) zo dichtbij waren gekomen dat zij het Engelse schip konden praaien, ontvouwde een matroos op het achterdek van het voorste schip een groene vlag met halvemanen en sommeerde hen uit naam van Algiers om zich over te geven. De zeerovers zwermden aan dek en d’Aranda (een in Brugge geboren Spanjaard) zag een soldaat in Turkse kleding voor hem staan, die hem in het Vlaams toesprak, maar die een Engelse renegaat bleek te zijn. 'Geduld, broeder, dit is nu eenmaal de krijgskans' riep de overweldiger uit, terwijl hij hem uitkleedde. 'Heden ik, morgen gij!' Passagiers en bemanning werden samengedreven en naar de kaperschepen overgebracht, terwijl een prijsbemanning het koopvaardijschip op werd gestuurd. Het leek wel een droom en de gedaanten om mij heen schenen mij vreemde geesten toe, die angst, verbazing en nieuwsgierigheid inboezemden. Zij droegen vreemde kleren. spraken vreemde talen;Turks, Arabisch, even goed als Spaans, Frans, Nederlands en Engels. [..] De gevangenen waren verlamd van angst en vervuld van boze voorgevoelens, toen zij werden weggevoerd naar Algiers, de slavernij tegemoet. Bijna twee eeuwen lang werd ongeveer dezelfde tactiek toegepast om de Christenschepen te bestoken. Benoorden Ierland en zelfs tot IJsland toe, in het zuiden naar de Canarische eilanden, in het westen op de Atlantische Oceaan, zwierven de zeerovers op zoek naar argeloze slachtoffers.[Chissold, pag. 8] die Rover veroorzaakt is door een Fransse Renegaat, Pilliet genaamd, die nu het opperste Gebied te Salee voerd. [Leydse courant, 9-9-1726] 1 +++ Het meergemeld Engels schip tot Salée opgebragt, en vry gegeeven, was van London na Nieuw-York gedestineert, en had de volgende passagiers aen boort, namentlyk ; 9 Engelse, en 11 Hollanders (te weeten 7 vrouwen en meysjens, en 4 manspersonen), 5 Joden, en eene Jodinne, welke Hollandse en Joodse mannen en vrouwen tot slaven zyn gemaekt. De brieven van Tetuan van den 6 Augustus melden, dat de andere Saleese kaper, die het Engels schip van Lisbon na London gaende, ge
Page 6
Renegaat: afvallige van het Christelijk geloof en overgegaan naar de islam, deze zijn in het algemeen het meest fanatiek. De vaardigheden van de renegaten, evenals de diensten van de gevangenen al dan niet vrijwillig aangeboden, vormden een soort technische bijstand die het Christelijke Europa zijn traditionele tegenstander schonk. Zij goten en bemanden kanonnen, zij bouwden en bestuurden schepen en voerden vele andere essentiële werkzaamheden uit, die de rovers in staat stelden hun beroep uit te oefenen. [Chissold, pag. 10] Een hedendaags kaartje van Marokko, maar alle genoemde plaatsen staan er op, behalve Tafilet (Talifalt), dat ligt Z.O van Meknès nomen had, al tot Salée gearriveert was, medebrengende de 4 Hollanders welke hy daer uyt geligt hadde, nevens 400 goude Cruzados ieder van 15, 5 pistoletten ieder van 36 gulden, en eenige kastjens met goederen; maer men heeft nog geen zeekere tyding, of deeze kaper het Engels schip vervolgens ontslagen had of niet. Zonder te melden of de Rover het Schip had laaten zeylen. [Zowel in de ’s Gravenhaegse- als de Leydse Courant van 11- 09-1726] De straffen waren niet mis Een van onze Commissie vaerders heeft in de 1 voorleeden week een Portugees Schip met een lading hier opgebragt. Zes Christen Slaven, die ondernomen hadden zig met deVlugt te redden, zyn wedergekregen, en men heeft hen tot Straf Stokslagen op den Rug en de Buyk gegeven.en de Christen by welken zy zich geretireerd hadden, heeft een groote Boete moeten betaalen. Een Italiaanse Slaaf betrapt zynde geworden by een Turkse Vrouw is gedwongen geweest tot behoudenis van zyn leven, Mahometaans te worden, en zig te laaten besnyden. [Leydse courant, 16-7-1727] Het Spaanse klooster In 'Barbarije' bevonden zich vergeleken met de aantallen Spanjaarden, Fransen, Italianen. Portugezen en Engelsen, weinig Nederlanders. Want onder de naar schatting 1 à 1,25 miljoen personen die in de periode 1500-1800 tot slaaf gemaakt zijn, bevonden zich 'slechts’ ongeveer 7 à 10.000 Nederlanders. (naar schatting) Ook volgens de Amerikaanse historicus Robert C. Davis zijn naar schatting tussen 1530 en 1780 tussen de 1.000.000 en 1.250.000 Europese slaven verhandeld. Deze aantallen zijn gebaseerd op schattingen en aannames, maar ook andere historici noemen een aantal van 1 miljoen plausibel. In het boekje dat de belevenissen van Jan Cornelisz Dekker beschrijft, is te lezen dat de Spanjaarden ter verzorging van vooral de Spaanse slaven een klooster annex hospitaal hadden in Tafilet.(Tafilalt) : 'Dit klooster is van veel dienst geweest voor de Kristenslaven en is van den Koning van Spanjen ten dienste van den slaven gebout in den jare 1696, in welke tijt daar omtrent veel Spaanse slaven waren, want omtrent het jaar 1690 is de stad La Rassi (Larache, zie kaart) door Jan Luyken (1684) Rijksmusem RP-P-1896-A-19368-451 1 Een commissie (officiële toestemming) voor het kapen van schepen van (meestal) zeerovers gemmagazine┊november 2020┊pagina van 6 40 Hollandse Slaven te handelen. [Leydse courant, 28-61728] Uit Groot Memoriaal nr. 10, Stadsarchief Amsterdam de Moren ingenomen en wierden al de inwoonders en soldaten bestaande wel 1770 menschen tot slaven gemaakt, sodat dit klooster is gesticht voor de Spaanse slaven om haar godsdienst daar te oeffenen, waarbij ook een groot hospitaal gebout is om de sieken te onderhouden. Hierin bevinden haar somtijts wel 8, 10 ja wel 12 of 14 paters om de diensten te verrigten en de slaven te verquikken, ja aan al de slaven sonder onderscheyt wiert alle morgens een kleyn broodje uytge-deelt.’ (pag. 77/78) Via dit klooster was het ook mogelijk te corresponderen, en dat was van levensbelang! Zo konden in het vaderland gerichte inzamelingsacties worden aangemoedigd. Het vrijkopen van slaven Meestal in verband met vredesonderhandelingen werden slaven gelost en/of in vrijheid gesteld (zie ook het bericht dd 28 sept. 1729): Van Tetuan is tyding, dat Sr. George Russel, fijn Majesteyts Consul Generael [van Engeland] in Barbaryen, den 16 September aldaar aengekomen en met groote eerbewijsingen na Mequinez geleyd was, daer by Audiëntie 1 by den keyser had gehad, die al de Engelse Slaven in vryheyd had doen stellen. [Oprechte Haerlemsche courant, 9-12-1727] De Bacha 2 van Tanger Hamete Benali by den nieuwen Koning in gunst geraakt zynde, was naar Mequinez vertrokken, en men zeyde, dat hy by zyn terugkomst ordre en instructien zouw medebrengen, om de vreede met de Staaten Generaal te sluyten, en over het vrykoopen der 1 Mequinez: Meknès 2 Bacha (pasja) : gouverneur gemmagazine┊november 2020┊pagina van 7 40 Gibraltar den 23. Augusty. Na dat de Heer Russel, Ambassadeur van Groot-Brittannien, volgens het antwoord, dat hy te Mikenes van den Koning had bekomen, naar Tanger vertrokken was, om met den Bacha Hachmet, Gouverneur aldaar, wegens het uytwisselen of vrykopen der slaven te handelen, heeft die Gouverneur voor ieder Engelse Slaaf 300 Pond Sterling en 100 Quintalen Buyskruyd gevraagt, welke buytenspoorige eysch den Ambassadeur genoodzaakt had, herwaards te keeren, zonder iets gereguleerd te hebben. Zyn Excell. heeft een Expresse naar Londen afgevaardigt, om van alles verslag te doen, en nader instructie te bekomen. [Leydse courant, 28-9-1729] BARBARIJEN CEUTA den 1e July. De Commisssaris die van hier naar Mequinez gegaan was, om het vry-koopen der Christen Slaven by den Koning van Marocco Abdelmalek te reguleeren, is van daar hier terug gekomen, zynde 24 dagen onderweg geweest. Hy verhaald dat gemelde Slaven voor dien Vorst gebragt zynde, zy hem voor de voeten gevallen, en om haare vryheid gesmeekt hadden; Waar op die monarch hen had geantwoord, 'dat hy gereed was, hen de vryheid te geeven, met de noodige paspoorten, om naar hun Land te keeren, mits dat hun Koning een Ambassadeur aan hem zouw zenden'. Van welk antwoord aan zyn Katholyke Majesteyt, onzen Souvereyn, kennis is gegeeven. [..] Men verstaat dat de nieuwe Koning van Mequinez drie van zyne broederen heeft doen gevangen neemen, dat hy 100 Quintaalen zilver van hen eyscht; dat één van die broederen Baccha van dit Campement geweest is, dat een ander geboeid naar Tanger is gebracht, en dat de Barbaarse monarch geordonneerd heeft, den geen van gemelde broederen, die zyn contingent tot de geëischte 100 Centner zilver niet zouw opbrengen, te onthoofden [Leydse courant, 2-8-1728] Moulay Ismail (ca.1645-22-3-1727). In de teksten wordt hij Muley Abdelmalek genoemd. (zie afb.volgende pagina) Hij werd opgevolgd door zoon Moulay Ahmed. Er brak bij de opvolging onmiddellijk een burgeroorlog uit ten gevolge van rebellie van het zogenaamde Zwarte Leger, v.m. zwarte slaven die zich aan de machthebbers hadden verbonden. Er waren
Page 8
zeven troonpretendenden die het lukte voor korte of langere tijd de macht te grijpen in de periode 1727-1757 Één van hen, nog niet de slechtste, Moulay Abdallah was zelfs zesmaal Sultan (1729–1734, 1736, 1740–1741, 1741–1742, 1743–1747 en 1748–1757) In het boek van Maria ter Meetelen is te lezen welke uitwerking de vele machtswisselingen hadden op de behandeling van de slaven. In haar geval hing de lossing van haar gezin telkens weer aan een zijden draadje als een nieuwe koning de door zijn voorganger gemaakte afspraken terzijde schoof. De paters Beggaerden Op de voorzijde van het archiefstuk dat hiernaast is afgebeeld lezen we: Aertsbroederschap des Alderheylichste Dreyvuldigheydt van die Verlossinghe der gevanghene Christen Slaven, die by den Turck ghevangen sitten, opgericht den 11 November 1646, in het Convendt der Paters vanden derden Regel van S[int] Franciscus genoempt die Beggaerde binnen die Stadt van Maestricht etc. Uit de verslagen van de Broederschap In 1747 kreeg de Broederschap bezoek van een Arabischen Prins, die hulp kwam vragen in deze streken en tevens als aandenken zijn handteekening plaatste in het register. Deze heer 'hebben d'Eerwaerde Pater Prior en d'Heeren Meesters, genoeghsaem door authentique attestatien en recommandatien onderrigt, aen sijne Hoogheijt de Heer Zobby prins van Arabien tot verlossinge van voormelde hoogheijt sijne twee broeders actueel in Turkeyen uytwijsens voorschreven attestatien gevangen kristene slaven, overgestelt op verscek van de Eerw. Pater Minister der Trinitarissen tot sur la Zarde bij Hoy eene somme van honderd pattacons en heeft voorschreven Prins dit eygenhandig onderteekent.’ Over de toestand van de Christen-slaven het volgende verslag: Op heden den 17 Augusti 1769 voorgebracht zijnde eenen brief van sekeren missionaris te Algyrs residerende, inhoudende den droevigen staat der gevangene christene slaven aldaer en namentlijk haaren grooten nood en gebrek van verschooning van noodig lijnwaet en andere noodsaakelijkheijd die niet minder en sijn, dusdanig dat dese christene gevangene slaven door de vuyligheijd als moeten vergaan, waarop gedelibereert zijnde, zo ten aensien dat d'Eerw. Heer Hubens senior Canonik van Sint Marten tot Luyck assureert de waarheyd van het vooraangehaalde etc. ... is goedgevonden uyt de slavekas van dit aardsbroederschap ten eynde voorschreven vijftig pattacons te doen tellen.[Maasgouw, sept. 1921] SPANJEN GIBRALTAR den 10 July. [..] Men ziet hier de vertaalde Copyen van drie brieven; de eerste brief is van Muley Aly zoon van Muley Abdelmalek regeerende Koning van Marocco, aan den Pater Beguin, Commandeur van de Orde de la Mercy , ofte de Barmhertigheid, 1 Aanwezig in het RHCL in Maastricht, archief St. Nicolaas, toegang 21.210-B nr 1989. De Beggaerden hielden zich bezig met de inzameling van gelden voor het lossen van slaven. Gedeputeerde Generaal tot de vrykooping der gevangenen, en aan de andere Fransse religieusen zyne Meedebroederen, zynde van den volgenden inhoud: SALUT: Wy feliciteeren U over uwe gelukkige aankomst in ons Land. Onderigt zynde, dat gy tegenwoordig in onze Stad Salee zyt, [..] Ik heb bevoolen aan onzen dienaar Mehemet Belcady en aan onzen slaaf Abdela dat zy zorg voor u zullen dra 2 - gen, ten eynde gy geen gebrek aan iets mogt hebben; Dus weest niet ongerust en wagt met geduld. Ik wensch u de 1 De volledige naam in het Frans luidt: L’ ordre de Notre-Dame-de-la-Merci, opgericht in 1218 met als doel de bevrijding van door de Moren tot slaaf gemaakte Christenen 2 Deze man is dubbel slaaf want de naam Abdallah betekent 'slaaf van allah'. gemmagazine┊november 2020┊pagina van 8 40 vreede. Geschreeven den 26e van de maan van Chaban, in het jaar van de Hegira ofte vlugt van onzen profeet 1140. (geteekend) ALY, dienaar Gods, zoon des konings van de Mooren. De tweede brief is van Benmargean, hoofd der gesneedenen, luydende als volgd: Deeze brief is aan alle de Fransse monnikken tot de vrijkoping der Gevangen. De Zeegen van God zy over alle die geene welke aan onzen propheet gelooven. [..] lk ben u borg van al het geen ik u beloove: Als het is, om over het vrykopen van uwe gevangene broederen te handelen, beloof ik u by myn hoofd een goed succes. Wy vinden in onze traditien of overleveeringen, dat alle Christen slaven, die in dit land gevangen zyn in vryheid gesteld zullen worden onder de regeering van deezen Koning, om dat hy, God zy dank, een regtvaardig vorst is, die niet anders dan de waarheid kent, en die maar een woord heeft, waar op de zeegen Gods is uytgestort. Geschreeven te Mequinez den 27 van de maan Chaban, in het jaar van de Hegira 1140. De derde brief is een extract van die van den Pater Beguin in dato 27 April 1728 behelzende in substantie: Dat de heer Pillet (de renegaat!) aan de Fransse Kooplieden een brief heeft overgegeeven, die de Koning hen van Thedla geschreeven heeft, en waar in hy zegt, dat zy naar Mequinez moeten komen , en dat hy aan haar begeeren zal voldoen. Voorts blykt uyt die brief, dat gem. Paters zeer omzigtig te werk gaan, om te ontdekken, of daar niet eenige verschalking agter schuyld [Leydse courant, 9-8-1728] Mulay Ali, de dienaar Gods In 1734 wordt deze figuur gedurende 19 maanden koning, na Mulay Abadallah te hebben afgezet. Volgens Maria ter Meetelen een gruwelijke tiran voor zowel zijn eigen volk als de slaven. In zijn regeringstijd brengt hij vijf Christenen om het leven. De brutaliteit van de kapers Zoals CHISSOLD al meldde, ontzagen de kapers zich niet aan de Europese kusten te vertonen om zo mogelijk slaven aan hun voorraad toe te voegen. Zo was ook La Rochelle een doelwit: ROCHELLE den 26 Augusty. Men heeft hier tyding van Brest, dat twee Saleese rovers, te weeten een met 8, De haven van La Rochelle in 1762 geschilderd door Joseph Vernet en een met 10 stukken kanon, nevens een Tartaan , op 1 die kust jagt gemaakt hadden op eenige Fransse Barken; en dat zy den 11 den en 12 deezer digter aan de rivier gekomen zynde, daar eenige visschers schuyten genomen, en 21 man tot slaven gemaakt hadden.[Leydse courant, 17-9-1728] Met het schip de Koning David in 15 dagen uyt ZuydBarbaryen gearriveerd, heeft men confirmatie, dat rebellige Moorse trouppen den Koning Muley Abdelmalik gedethroneerd en zyn broeder Muley Hamet Debby op den troon hersteld hadden; dat zy Mequinez stormenderhand hadden ingenomen, en in die actie 300 Christen Slaven, 500 Jooden, en 2000 Mooren hadden omgebragt; dat Muley Abdelmalik naar de kant van Fez gevlucht was, en dat de Bassa van deeze oproerige Mooren met een gedeelte van zyn leeger derwaards was gevolgd, om hem te achterhaalen, in 't oogmerk zyn hoofd af te houwen, en tot een prezent aan Muley Hamet te brengen.[Leydse courant, 22-9-1728] Volgens de brieven van Lisbon, had men daar tyding van Tetuan, dat een Minister van den Koning van Portugal met een gemachtigde van Muley Hamit Debby getracteerd had over het vrykoopen der slaven van de Portugeese Natie dat hy voor ieder 400 Piastres had betaald; en dat gemelde Koning van Marocco aan 12 slaven van verscheide natiën de vryheid geschonken had, in consideratie van zyn herstelling op den throon.[Leydse courant, 1-4-1729] MARSEILLE den 10. Mey. Zaturdag arriveerden hier de Paters der Orde van de Barmhertigheid met 46 slaven, welke zy in het Koningryk Marocco en te Algiers hebben vry gekocht, ten welken einde zy den 9de september 1727 vertrokken waren; Die Paters zyn te Mequinez zeer mishandeld geworden, en 1 Tartaan: een transportschip, dat voornamelijk diende om paarden te transporteeren gemmagazine┊november 2020┊pagina van 9 40
Page 10
hebben zelfs de slaverny moeten ondergaan, waaruyt zy eindelyk weder ontslagen wierden, na dat men hen geplunderd en onder anderen beroofd had van de considerabele prezenten, die zy hadden meedegebracht, om de natuurlyke wreedheid der tyrannen van dat land te verzachten, hebbende Muley Abdelmelech hen voor 50.000 Livres prezenten niet meer dan 2 oude slaven toegestaan [Leydse courant, 25-5-1729] Het lot van de slaven in Marokko In Marokko was dat het slechtst. Eens waren de omstandigheden daar vrijwel gelijk geweest aan die in andere delen van Barbarije, waar meesters slaven kochten en verkochten in de wetenschap dat erge mishandeling normaal gesproken hun waarde verminderde. Maar onder de lange regering van Moeley Ismaël die van 1678 tot 1727 duurde werd het bezit van Christenslaven het persoonlijke monopolie van de despotische sultan, die hen meedogenloos uitbuitte om zijn bouwhartstocht te bevredigen en die zelden bereid was hen los te laten kopen. [Chissold, pag. 58] Opnieuw het lossen van slaven De vlaggen van Salee in 'Bowles’s naval flags of the world', 1783 over te brengen. Afgesproken is het geld deugdelijk te verzekeren. etc. etc. [BHIC, Plakkaten 1520-1795, toegang 575, inv. nr. 153: Slavernij/Holland] Vrede met Marokko verbroken Ondanks de gemaakte vrede tussen Ons en de keizer van Marokko is het al verschillende malen gebeurd dat onze koopvaardijschepen zijn gekaapt en de bemanningen tot slaaf zijn gemaakt. Ook de vrede met Algiers is trouweloos verbroken. Besloten wordt daarom aan wie dit wenst commissie van retorsie (toestemming om te kapen van overheidswege) te verlenen. Ook worden er premies in het vooruitzicht gesteld: f. 150 voor ieder bemanningslid die aan het gevecht met een roofschip heeft deelgenomen. etc. [BHIC, Plakkaten 1520-1795, toegang 575, inv. nr. 560: Oorlog met Marokko 1717] In het Plakkaat van 29 december 1677, uitgegeven door de Staten Generael met als titel 'Waerschouwinge' is o.m. het volgende te lezen. Met de regering van Algiers is afgesproken dat de bedragen die gangbaar waren bij de lossing van slaven, met ⅓ zullen worden verlaagd. Dat wel op voorwaarde van contante vooruitbetaling, e.e.a. te regelen door Commissarissen te Algiers. Aanbevolen wordt dat diegenen die bedragen hebben toegezegd tot lossing van slaven, contact opnemen met Johannes Hees, koopman in Amsterdam, wonend op de Oude Schans, en Louys d’Azevedo, koopman, wonend op de Anthonis Breestraet te Amsterdam. Deze mannen zijn door ons gekwalificeerd om de ingezamelde gelden te ontvangen en deze z.s.m. via Marseille of Livorno naar Algiers Gezien op internet, rumoer over auteurs Het wekt verwondering als blanken ook slachtoffer blijken te zijn van Afrikaanse slavernij, ook al zijn de handelaren Arabieren Het is precies deze mix van bevreemding en vertrouwdheid die de ‘niet-westerse slavenhandel’ voor westerse onderzoekers tot een potentieel mijnenveld maakt. Olivier Pétré-Grenouilleau publiceerde in 2004 zijn beroemde werk Les traites négrières. Daarin besteedt hij niet alleen aandacht aan de Europese, maar ook aan de Afrikaanse inheemse en de Arabische slavenhandel. Bovendien stelde hij dat de laatste twee omvangrijker waren dan hun trans-Atlantische tegenhanger. Woedende reacties van nazaten van zwarte slaven waren zijn deel. gemmagazine┊november 2020┊pagina 10 van 40 Robert C. Davis. In zijn boek Christian Slaves, Muslim Masters neemt hij de NoordAfrikaanse handel in christenslaven onder de loep. Daarbij maakt hij gebruik van onderzoeksmodellen die op de trans-Atlantische slavenhandel zijn toegepast. Davis bestrijdt in zijn studie niet alleen de gangbare opvatting dat Europese slaven in Noord-Afrika in de regel relatief goed werden behandeld, hij komt ook met indrukwekkende totaalcijfers. Zo schat hij het aantal Europese christenen dat tussen 1530 en 1780 in slavernij werd gevoerd naar de Ottomaanse' kaperrepublieken Algiers, Tunis en Tripoli op ‘bijna zeker 1.000.000 en zeer waarschijnlijk 1.250.000. In die berekening zijn de christenslaven in het onafhankelijke Marokko, met de kaperssteden Tetouan en Salé, en Egypte niet eens meegerekend! Dat Davis’ studie door Noord-Afrikaanse migranten als een slag in het gezicht werd ervaren is vooral toe te schrijven aan de wijdverbreide opvatting in de Arabische wereld dat ‘islamitische’ slavernij geen slavernij was in de gebruikelijke zin van het woord. De islamitische wet zou slaven rechten hebben gegeven die zij in andere beschavingen niet bezaten. Dat dit afwijkt van de praktijk blijkt wel uit de verslagen van de ervaringen van vrijgekomen slaven. Dick Harrison Veel expedities van de zeerovers waren er in de eerste plaats op gericht om gevangenen te maken en hen tot slaaf te maken, soms voor altijd en soms in afwachting van losgeld. Tussen 1520 en 1660 maakten de piraten in Algiers jaarlijks zo’n 3.000 Europeanen tot slaaf, in totaal ongeveer 420.000. In de periode 1660-1830 daalde het aantal tot iets minder dan 2.000 slaven per jaar. In totaal zouden tussen 740.000 en 760.000 Europeanen in de periode 1520-1830 Slaven in Noord Afrika hadden wel een voordeel ten opzichte van van hun trans-Atlantische equivalenten: de mogelijkheid te worden vrijgekocht en zo het slavenbestaan voorgoed(?) achter zich te laten. Overigens is het min of meer toevallig dat ik het in het begin genoemde archiefstuk tegenkwam en dus een artikel over slavernij heb samengesteld. Ik had geen flauw idee wat ik tegen zou komen bij nader onderzoek. Ik hoop intussen wel dat de lezer wat meer nuance kan aanbrengen in de hedendaagse discussie over slavernij, een beetje olie op de golven kan geen kwaad. Ondertussen ben ik me gaan afvragen hoe het in ons eigen land was gesteld met de horigheid e.d. 'heerlijke rechten’. Deze blijkt in sommige delen van het land tot de komst van de 'Fransen' in 1795 nog praktijk te zijn geweest. Maar daar ga ik nog induiken! gemmagazine┊november 2020┊pagina 11 van 40 als slaven in Algerije hebben gediend. Als we daar het aantal slaven in Tunesië, Libië en Marokko aan toevoegen, zal het definitieve aantal zeker meer dan een miljoen zijn geweest. Britse zeelui in gevecht met Barbarijse zeerovers, John Fairburn (1793-1832) Nabeschouwing De eenzijdige aandacht voor de transAtlantische slavenhandel is voor alles het resultaat van een sterke, overheersende stroming in de westerse geschiedschrijving Politieke correctheid en de angst voor negatieve reacties van westerse nazaten van slaven of Arabische migranten alom. Zover is het al gekomen. De vrees om bij het uiten van een eigen, onwelgevallige, mening voor racist te worden uitgemaakt doet menigeen aarzelen. Zo is de trans-Atlantische slavenhandel los komen te staan van zijn context en ontstaansgrond, namelijk de Arabische-, mediterrane- en inheems-Afrikaanse slavenhandel.
Page 12
Bronnen • Beschryvinge van de voornaamste en merkwaardigste VOORVALLEN welke JAN DEKKER in zyn 28-jaarige SLAVERNY IN BARBARYEN syn overkomen. Te HOORN, Gedrukt by Jacob Duyn, Boekdrukker en Verkooper op ’t Oude Noort. Heruitgave onder de naam: Een Westfriese zeeman als slaaf in Barbarije (1715-1743) in 1987 door Piet Boon. • Stephen Clissold, De Barbarijse slaven. (1979) • Robert C. Davis, Christian Slaves, Muslim Masters; White slavery in the Meditterean, the Barbary Coast and Italy 1500-1800 (2003) • Dick Harrison, De geschiedenis van de slavernij (2019) • Christenslaven. De slavernij-ervaringen van Cornelis Stout in Algiers (1678-1680) en Maria ter Meetelen in Marokko (1731-1743), bezorgd door Laura van den Broek en Maaike Jacobs (2006) • Delpher en Wikipedia✦ NIEUWE ABONNEES GEZOCHT Helaas gebeurt het bij GEM net zo als heel veel andere bladen en verenigingen: abonnee- en ledenverlies. Denk dicht bij huis maar aan de NGV: krimpende afdelingen die steeds meer moeite hebben mensen te vinden die bestuurstaken willen vervullen. Het is een schrale troost te bedenken dat dus niet alleen GEM de dupe is van deze trend. Wat de redenen ook mogen zijn, we geven de moed niet op! Ik roep dan ook de abonnees en lezers van GEM op abonnees te werven. Dat wil ik aanmoedigen door het in het vooruitzicht te stellen van een premie: Als u een nieuwe abonnee aanbrengt mag u een keuze doen uit een boek dat ik op Boekwinkeltjes.nl /boekhandel CRAEN te koop aanbied. Wel met die restrictie dat het boek niet meer mag kosten dan € 6 à 7 excl. verzendkosten. De handelwijze is als volgt: (1) Ga naar boekwinkeltjes.nl; (2) Boeken kopen; (3) Zoeken naar boekwinkeltje: vul in CRAEN; (4) Kies Alle boeken; (5) Maak uw keuze’ (6) Geef uw keus en de gegevens van de nieuwe abonnee aan mij door. De nieuwe abonnee heeft recht op een korting van € 8.- gedurende het eerste jaar. Ik hoop op veel reacties! advertentie Jaargangen 1993 t/m 2009 Jaargangen 2010 t/m 2018 OGE & GEM 1993 T/M 2018 Prijs € 20 (incl. verzendkosten) DIGITAAL ABONNEMENT Hebt u wel eens overwogen uw (papieren) abonnement om te zetten naar een digitaal abonnement? U kunt dat bij voorkeur met ingang van het nieuwe jaar doen. Het is voordeliger voor u, want u betaalt nu € 23 per jaar terwijl een digitaal abonnement in 2021 € 13 gaat kosten Voor dat bedrag ontvangt u de afleveringen als pdf bestand op uw e-mailadres, met als extra bonus een link om tevens de aflevering als door-blader-baarboek, ook wel kortweg flipboek genoemd, te bekijken. Als u voor u wilt beslissen de 'proef op de som' wilt nemen, laat het me weten. gemmagazine┊november 2020┊pagina 12 van 40 WILLEM KILA EN JOPIE SCHOUTEN – STRAATMUZIKANTEN EN PLATENARTIESTEN Martin Maas Inleiding De Rotterdammer Willem Kila was rond de 1e Wereldoorlog de ‘koning van de straatzangers’. Hij liet zijn mooie stemgeluid meestal begeleiden door een accordeonist, en daarbij speelde de Amsterdammer Jopie Schouten met zijn accordeon een prominente rol. Samen oogstten zij veel succes, en maakten zij ook een groot aantal grammofoonplaten. Willem Kila Willem Kila werd op 1 juni 1888 in Rotterdam geboren, als zoon van Gerrit Anthonie Kila (geb.1858, Dordrecht) en Sophia van Kuijk (geb.1866, Dordrecht). Willem Kila trouwde op 11 mei 1910 in Rotterdam met Maria de Jong (geb.11 maart 1892 in Amsterdam). Het echtpaar kreeg 7 zoons en 2 dochters. Drie zoons en een dochter overleden binnen 1 ½ jaar na hun geboorte. Willem en Jopie ca. 1919 In 1913 verhuisde Willem Kila van Rotterdam naar Den Haag, en van daaruit naar Amsterdam. In de periode 1913-1933 verhuisde hij maar liefst 15 keer en woonde hij afwisselend in Den Haag en Amsterdam. In Amsterdam woonde hij ook in woonwagens en woonschepen. Alleen in de jaren 1927 t/m 1929 woonde hij voor langere tijd in Leeuwarden. Op 28 maart 1919 deden Willem Kila en Willem van Bekkum, die Kila begeleidde op accordeon, mee aan een nationale zangwedstrijd. Deze werd gehouden in het “Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen” in Den Haag. De twee Willems behaalden de 3e prijs in de soloklasse. Het optreden werd bijgewoond door Koningin Wilhelmina en Prinses Juliana. In januari 1923 zong Willem Kila, samen met een andere zanger, in de Luxor Bioscoop in Den Haag de liedjes bij de ‘stomme’ film “De Jantjes”. Ik heb niet kunnen achterhalen hoe, waar en wanneer Willem Kila en de Amsterdamse accordeonist Jopie Schouten elkaar voor het eerst hebben ontmoet. Rond 1914 gingen zij in elk geval plaatopnamen maken in Amsterdam. Jopie Schouten werd als Josephus Ignatius Schouten op 30 juli 1885 in Amsterdam geboren. Zijn ouders waren Cornelis Johannes Schouten en Johanna Schlaghek. Jopie werkte als jonge jongen bij een suikerfabriek in Amsterdam. gemmagazine┊november 2020┊pagina 13 van 40
Page 14
Toen de fabriek werd afgebroken kwam hij zonder werk te zitten. In 1903, hij was toen 18 jaar, ging hij een buurman, een straatzanger, begeleiden met zijn accordeon. Op één dag verdiende hij daarmee zes gulden vijf en zeventig, terwijl een werkman in die tijd twaalf gulden per week verdiende. Het is daarom te begrijpen dat Jopie beroepsmuzikant werd. Willem Kila was straatzanger, maar hij beschikte over zo’n goede (bariton) stem dat er van hem veel grammofoonplaten zijn uitgebracht. De inbreng van accordeonist Jopie Schouten die op veel opnamen zijn begeleider was, zorgde ook voor kwalitatief goede platen. wangen liepen. Bij elk couplet van een smartlap bracht hij de emoties op een nog hoger niveau. Een lied ging over een jong meisje dat zich had verdronken in de Singelgracht; een ander liedje ging over een klein meisje dat haar moeder moest troosten omdat haar vader zojuist was overleden. Dit lied ging naar een climax toe want ook haar moeder ging dood. Bij het graf trok het meisje dat nu wees was geworden, haar jasje uit zodat haar moeder geen kou zou lijden. Bij een ander lied kreeg Kila de toehoorders mee toen hij de politie op de hak nam: ‘Het schoonste op deez’ aard, is een smeris op een paard. Hij draagt een lange lat, en daar rijdt ie mee door de stad’. Als Willem een lied zong over de invoering van Willem en Jopie maakten furore in een tijd dat er nog geen radio en televisie was en er in de bioscopen alleen nog maar ‘stomme’ films te zien waren. Straatmuzikanten waren populair. In de Amsterdamse binnenstad en in het bijzonder in de Jordaan was het duo Willem Kila en Jopie Schouten heel populair. In advertenties voor optredens werden zij dan ook regelmatig aangekondigd als ‘Willem en Jopie uit de Jordaan’. Als Kila begon te zingen deden de mensen hun ramen open, en gooiden regelmatig muntstukken uit het raam, soms zelfs van de derde verdieping. Ook zorgden hun optredens vaak voor een volksoploop. Tot zijn repertoire behoorden komische liedjes, aria’s uit de opera’s van Verdi en Puccini, maar ook liedjes over moorden en andere griezelige of sensationele, recente gebeurtenissen. Of die allemaal echt gebeurd waren wist niemand. Maar Willem wist de toehoorders zo te boeien en te raken dat bij hen vaak de tranen over de de hondenbelasting stonden de toehoorders in eerste instantie een beetje te grinniken over de tekst: ‘De heren van de stad, die hebben altijd wat. Nu hebben ze uitgevonden, belasting voor honden. En wil je niet betalen, komen ze je hond weghalen.’ Maar als ze van Kila te horen kregen, dat de honden die weggehaald werden, in de gracht werden verdronken, eindigde dit lied ook weer als een smartlap, die de waterlanders tevoorschijn deed toveren. Een echte tranentrekker was het lied over een moeder uit de Willemsstraat in de Jordaan, die haar pasgeboren baby had vermoord. Zij had het in een put gegooid. Voor haar daad had de moeder maar twee jaar celstraf gekregen. ‘O, wat een schande voor de Willemsstraat’ roept Kila steeds tussen de coupletten door. ‘En de putteschepper had het gevonden, O, wat een schande, Wat een schande, O, wat een schande.’ Tijdens de Eerste Wereldoorlog zong Kila ook vredeshymnen, en had hij een groot succes met gemmagazine┊november 2020┊pagina 14 van 40 de Nederlandstalige versie van ‘It’s a long way to Tipperary’. Na hun optreden ging Jopie met zijn mansbakje rond, en het kostte hem meestal niet veel moeite om de toehoorders zover te krijgen dat zij hun gulle giften in het bakje deponeerden. Extra inkomsten werden daarbij nog verkregen doordat zij voor twee cent de tekst van een lied aan de toehoorders verkochten, zodat ze het thuis met z’n allen konden zingen. Omdat Kila en Schouten geen vergunning hadden om hun muzikale talenten op de openbare weg te laten horen keken zij met hun vier ogen in vier windrichtingen. Want elk moment kon er een politieagent verschijnen. En dat gebeurde vaak ook! Van geld ophalen kwam soms niets. Jopie verstopte zijn accordeon onder zijn overjas, en de heren vertrokken naar een 'agentloze’ plek. Maar het leek soms wel of er overal politie was. Aan het eind van een ochtend spelen werden de centen geteld in een obscuur, maar gezellig kroegje onder de groene bomen. Ze konden aardig rondkomen van hun verdiensten. Maar de negatieve kant van dit beroep was dat ze altijd door de politie werden opgejaagd, en altijd bang moesten zijn dat ze een procesverbaal zouden krijgen wegens het “zingen zonder permissie op den openbaren weg,” of het “veroorzaken van volksverzamelingen’. In het interview met de “Nieuwe Dag” dat verscheen in de uitgave van 27 juli 1953, vertelde Jopie Schouten: ‘Hebt U Willem Kila gekend, meneer? Die zong pràchtig. Samen met hem ben ik overal geweest. We waren bij de eersten die in Berlijn voor de gramofoon mochten, Odeon. Die platen liepen geweldig. Voor de eerste kreeg ik éne riks, later vijftig pop, maar ja, het was stom, dat we de auteursrechten hadden afgestaan. Als U het mij vraagt, gaan die platen nóg wel. We zijn ook voor de radio geweest. En we waren de eersten, die in Volen 1 2 - dammer pakken de kermissen in het hele land afgingen. In Kopenhagen, op de wereldtentoonstelling , heb ik een hand gehad van koningin Wilhelmina.’ De journalist schrijft verder: ‘Hij hield mij zijn hand voor, alsof ik de kroon er nóg in kon zien staan’. Jopie gaat verder: ‘Ze zei: als ik vijftig jaar word [31 augustus 1930], moeten jullie in de residentie komen spelen. En dat hebben we gedáán. Vier dagen lang, meneer, in Den Haag, maar de Koningin heb ik niet meer gezien. En in Utrecht, toen we voor de rederijkers optraden, daar was prins Hendrik bij [de echtgenoot van koningin Wilhelmina]. Hij was het zelf. Hij vond het “schön”, zei-die’. In het Handelsblad van 10 nov.1948 wordt gezegd: ‘In Zaandam was een café, waar alleen maar een bordje werd opgehangen met de woorden “Zij komen” en dan stonden er zelfs in de deuropening en buiten nog mensen, die binnen geen plaats hadden kunnen bemachtigen’. Mogelijk gaat het hier om Café Centrum in Zaandam, dat destijds was gevestigd aan de Gedempte Gracht 29. Hier hebben zij in elk geval een tijdlang elke zondagavond opgetreden. Willem Kila’s jaren in Leeuwarden Het grootste deel van de jaren 1927, 1928 en 1929 woonde Willem Kila in Leeuwarden. Willem verbleef in Leeuwarden zonder vrouw en kinderen. Hij zong daar in café’s en op straat, waarbij hij werd begeleidt door een accordeonist. Uit kranteverslagen uit 1929 blijkt dat Willem Kila in Leeuwarden met louche figuren omging, en door een paar van hen werd mishandeld. Maar ook dat Willem in 1929 door het kantongerecht Leeuwarden diverse keren werd veroordeeld: wegens het verstoren van de orde, dronkenschap en liedjes zingen op straat zonder vergunning. Voor het vernielen van een paar ruiten werd hij veroordeeld tot 14 dagen gevangenisstraf! Op 2 januari 1930 vertrok Willem Kila naar Amsterdam, en kwam er een eind aan zijn ‘spannende’ avonturen in het noorden van het land. 1 De eerste chromatische accordeon die via de Nederlandse radio zijn klanken de wereld inzond, werd bespeeld door Jopie Schouten 2 Bedoeld wordt de Nederlandsche Tentoonstelling welke van juli t/m september 1922 in de Deense hoofd stad werd gehouden. gemmagazine┊november 2020┊pagina 15 van 40
Page 16
Twee anderen pleegden de inbraak daadwerkelijk. De omvang van deze zaak was enorm. De gestolen bonnen, kaarten en toewijzingen, vertegenwoordigden een enorme hoeveelheid levensmiddelen. Een deel van de buit kon nog worden achterhaald. Het overige deel echter kwam in de zwarte handel terecht. De dag na de inbraak gingen de inbrekers naar Den Haag, en daarna naar andere plaatsen, waar zij met behulp van medeplichtigen de distributiebescheiden aan de man brachten. Over Willem Kila, die werd gehoord op 27 april 1942 schrijft het Rotterdamsch Nieuwsblad van diezelfde dag het volgende: Nieuwsblad van Friesland: 22-03-1929 Einde van het duo Willem Kila en Jopie Schouten Op 16 december 1933 verhuisde Willem Kila vanuit Amsterdam naar Den Haag, waar hij koopman werd. Hiermede kwam er zo goed als zeker een einde aan zijn samenwerking met Jopie Schouten. Mogelijk traden de mannen al langer niet meer met elkaar op. Willem Kila veroordeeld in verband met bonnendiefstal te Amsterdam in 1942 In de nacht van 13 op 14 juni 1941 werd ingebroken in het kantoor van het Gemeentelijk Distributiebedrijf aan de Tweede Oosterparkstraat te Amsterdam, waarbij een zeer grote hoeveelheid distributiebescheiden uit een kluis werd gestolen. Men had hier met een groot complot te doen. Er waren meer dan 200 personen bij betrokken. Op 23 april 1942 begon voor het Duitse Hooggerechtshof in Den Haag een proces, waarvoor in eerste instantie 23 personen terechtstonden. Eén van hen was 'W. Kila, koopman, Den Haag’. Twee personen hadden het plan voor de inbraak beraamd. ‘Hierna wordt W. Kila, aanvankelijk straatzanger, later koopman in Den Haag gehoord. Deze verhandelde boteren meeltoewijzingen ter waarde van ettelijke duizenden rantsoenen, welke hij van De Voogt en Doornheim [twee tussenpersonen] betrok.’ In het Dagblad van Rotterdam van 30 april 1942 staat over de zitting van 29 april 1942 met betrekking tot Willem Kila: ‘Verdachte Kila maakte een stommen indruk. Bovendien zijn zijn verdiensten aan de zaak niet zoo groot’. Uiteindelijk kregen 6 personen de doodstraf. Willem Kila kwam er met 3 ½ jaar tuchthuis vanaf. Hij had ‘slechts’ van 2 tussenpersonen toewijzingen betrokken. Aangezien hij in Duitsland overleed (zie hieronder) lijkt het erg aannemelijk dat hij zijn straf daar moest uitzitten. Deze zaak kwam destijds uitgebreid in alle kranten aan de orde. Overlijden van Willem Kila Willem Kila overleed op 16 maart 1945 in Kassel, Duitsland. Op internet vond ik zijn overlijdensakte. Als doodsoorzaak staat vermeldt: ‘Allgemeine Körperschwäche’. Deze doodsoorzaak werd vaker door de Nazi’s opgegeven als mensen in een concentratiekamp, gevangenis of tuchthuis stierven. Willem Kila zat in Kassel waarschijnlijk zijn straf van 3 ½ jaar in een tuchthuis uit vanwege zijn betrokkenheid bij de bonnendiefstal in Amsterdam in 1942. Een paar weken later werd Kassel door de Amerikanen bevrijdt........ Willem Kila ligt begraven op de begraafplaats Ereveld Loenen. gemmagazine┊november 2020┊pagina 16 van 40 Op 22 december 1966 overleed Jopie Schouten in Amsterdam. ‘Onder de kwalitatief goede Amsterdamse straatmuzikanten mag zijn naam met ere worden gerangschikt’ (uit: Bekende Amsterdammers tussen 1900 en 1950) Marie Kila Zij was de echtgenote van Willem Kila, Maria de Jong. Dit is aan mij bevestigd door een kleinzoon van Willem Kila, eveneens Willem Kila geheten. De informatie in diverse boeken dat Marie Kila Willem’s zuster was, is derhalve onjuist! Van Marie Kila verschenen grammofoonplaten waarop zij alleen zingt, maar ook met opnamen die zij samen met haar echtgenoot Willem Kila maakte. Jopie Schouten op de brug bij het CS van Amsterdam Hoe het verder ging met Jopie Schouten Nadat Willem Kila in december 1933 van Amsterdam naar Den Haag verhuisde ging Jopie Schouten alleen verder als straatmuzikant in Amsterdam. Hij begeleidde nog een tijdje Marie Kila, de echtgenote van Willem Kila. Dankzij een dokter die Willem Kila en hem kende, werd Jopie in 1941 afgekeurd voor de werkverschaffing van de Duitsers. Na de bevrijding werd de brug bij het Centraal Station in Amsterdam zijn vaste stekkie. Drie dagen in de week zat hij daar te spelen op zijn accordeon. Een oude hoed, waarvan hij de rand had afgeknipt, ‘want anders is het zo érg een hoed’, lag voor hem op straat, en wie wat wilde geven kon zijn centen daarin deponeren. Om geld vragen deed hij niet. Een vergunning had hij inmiddels wel. Op 28 juli 1953 vierde hij zijn vijftigjarig jubileum als straatmuzikant. ‘ Grammofoonplaten Willem Kila maakte in de periode 1914-1923 meer dan 230 plaatopnamen. Op veel van die opnamen werd hij op accordeon begeleidt door Jopie Schouten. De opnamesessies vonden plaats in Amsterdam, Rotterdam, Berlijn, en mogelijk ook in Parijs. Willem stond ook een aantal keren samen met zijn echtgenote Marie voor de opnametrechter. Michel de Cock was de leverancier van tientallen songs die Willem Kila op de gevoelige plaat vastlegde. Op Youtube (www.youtube.com) zijn een aantal opnamen te beluisteren. Bronnen Boeken: Johnny Jordaan – De biografie (Bert Hiddema, 2000); Bekende Amsterdammers tussen 1900 en 1950 (J.A.Groen Jr., 1976); De Jordaan – een verdwi jnend Ams t erdams s tadsdee l (Jos.F.Steussy); Kaantjes braden (Kee van Egten, 1975) Kranten en tijdschriften: een groot aantal historische kranten;’t Kleine Krantsje (diverse uitgaven uit 1992 en 1993); De Weergever (januari 1982; 1992 no.4 en no.6 ); Ons Amsterdam (jaargang 32 nr.2 van februari 1980). Instellingen: Stadsarchief, Amsterdam; Haags Gemeentearchief; Gemeentearchief Rotterdam; Centraal Bureau voor Genealogie, Den Haag. Personen: Rinus Blijleven; Ben Poelman; Willem Kila (kleinzoon van de zanger Willem Kila) Internet sites: www.delpher.nl; geheugen.delpher.nl; tin.nl; www.antropodium.nl; www.78toeren.nl gemmagazine┊november 2020┊pagina 17 van 40
Page 18
ZEELAND, GROOT IN DIJKEN Op 3 september 2020 is de historische dijkenkaart van Zeeland online gezet. De kaart bevat informatie over de historie van alle bestaande en verdwenen dijken in onze provincie. Amateur-archeoloog Bas Chamuleau heeft de afgelopen 20 jaar onderzoek gedaan naar de ligging, datering, functie en ontstaansgeschiedenis van alle dijken in Zeeland. Deze kennis is nu letterlijk in kaart gebracht. Dijken horen bij Zeeland. Ze beschermen het land, maar de dijkenstructuur vertelt ook veel over de ontstaansgeschiedenis van onze provincie. Aan het patroon van slingerende dijken kun je aflezen hoe de zeearmen en kreken vroeger gelopen hebben - en hoe de vele inpolderingen plaatsvonden. Sommige binnendijken gaan zelfs terug tot de Romeinse tijd en zijn al ca. 2.000 jaar oud. Als u meer wilt weten, dan kunt u rondkijken op de site van de Provintie Zeeland (https://www.zeeland.nl/actueel/historischedijkenkaart-online)) en/of kunt u contact leggen met het Team Communicatie T:+31 118 631050/E: communicatie@zeeland.nl gemmagazine┊november 2020┊pagina 18 van 40 OPEN ARCHIEVEN: DOORZOEK DE GENEALOGISCHE GEGEVENS VAN NEDERLANDSE EN BELGISCHE ARCHIEVEN Bob Coret De website Open Archieven geeft toegang tot informatie en scans van archiefinstellingen en verenigingen. Met ruim 259.000.000 historische persoonsvermeldingen is het de grootste online database die eenvoudig op naam (of twee namen!) is te doorzoeken En u ook nog eens verder helpt met het vinden van informatie. Zoek, filter en vind de gewenste akten Open Archieven geeft op de startpagina voorbeelden van zoekopdrachten die u kunt geven. Van het simpel zoeken op een naam, tot een zoekopdracht als “Robijn & ~Jansen 1905- 1910” waarmee u zoekt naar akten uit de periode 1905 tot en met 1910 waar een persoon voorkomt die Robijn heet en een persoon wiens naam klinkt als Jansen. De term 'akten’ wordt hierbij gebruikt voor documenten als akten van de burgerlijke stand, notariële akten, inschrijvingen in militieregister, slavenregister of bevolkingsregister, verkoop-, doden- en fotoboeken, bidprentjes, noem maar op. Als de archiefinstelling of vereniging de bron heeft geïndexeerd en deze data beschikbaar heeft gesteld, dan kunt u het op Open Archieven vinden en in uw browser bekijken. Bij het zoeken kan het zijn dat het aantal zoekresultaten zeer groot is. Dan kunnen de zogenaamde filters u helpen. Via filters kunt u uw zoekvraag verder specificeren: soort bron, plaats, jaar of periode en rol (kind, overledene, bruid, enz.). Open Archieven heeft ook gegevens uit Belgische en Franse bronnen, dus een filter op land (van de bron) ontbreekt niet. Open Archieven gaat verder met zoeken, ook op andere websites. Zo leert u gelijk of de naam voorkomt in stambomen, of er stamboomonderzoekers zijn die de naam (onder) zoeken, of er genealogische websites zijn waar de naam in voorkomt, en of er familieberichten in Historische Krantencollectie van de Koninklijke Bibliotheek zijn waar de naam in voorkomt. Rijke informatie De informatie op bijvoorbeeld een huwelijksakte bevat een bepaalde structuur: bruidspaar en hun ouders. Open Archieven gebruikt deze structuur ook bij het presenteren van de informatie. Dus niet een setje gegevens onder elkaar, maar met 'harkjes' worden het bruidspaar en hun beider ouders gegroepeerd. Bij een bron als de VOC, waar naast dienstverband ook de vaart naar de Oost wordt beschreven, worden de gegevens in een tijdlijn getoond zodat inzichtelijk wordt hoe lang men onderweg was. Waar Open Archieven helemaal in uitblinkt is het verstrekken van extra relatie informatie. Wanneer er op een akte een paar (echtelieden) staan, bijvoorbeeld bij een geboorte- of huwelijksakte van de Burgerlijke Stand, dan kijkt Open Archieven automatisch of dit paar meer kinderen heeft. U krijgt daarmee direct antwoord op de vraag (op basis van beschikbare akte gegevens) of de persoon nog broers en zussen had (en wanneer zij geboren/overleden zijn). Dit werkt ook 'de andere kant’ op. Van een persoon worden automatisch, op basis van de beschikbare informatie uit akten die Open Archieven heeft, de voorouders opgezocht. Dit wordt dan getoond in een kwartierstaat. Automatisch verder zoeken Open Archieven ondersteunt het zoeken naar gegevens ook op andere manieren. Zodra er een akte wordt getoond in de webbrowser gemmagazine┊november 2020┊pagina 19 van 40
Page 20
Huwelijksakte Jan Baptist Simon en Elizabeth Dahmen, 31 -12-1900, Breda gemmagazine┊november 2020┊pagina 20 van 40 Automatisch gegenereerde kwartierstaat van Hendrika Wilhelmina Cecilia van Benthum wordt er verder gezocht: komen de op de akte genoemde personen ook voor in andere akten? Zo kan het dat bij een geboorteakte automatisch een link wordt gegeven naar de huwelijksakte van de ouders. Bij huwelijksakten wordt er veelal een link getoond naar de huwelijkse bijlagen die FamilySearch beschikbaar stelt (een zeer waardevolle bron). Gegevens over personen zijn ook elders te vinden. Open Archieven doorzoekt dan ook bronnen als het Biografisch Portaal, Graftombe.nl, Online-Begraafplaatsen, de Oorlogsgravenstichting, het Joods Monument en online stambomen om suggesties te geven in de vorm van links naar pagina’s op die websites. De akten worden waar mogelijk en relevant voorzien van extra 'context' informatie. Zo heeft een akte veelal een datum en kan Open Archieven u op basis van historische weergegevens van het KNMI iets vertellen over het weer op die historische dag. Een akte beschrijft veelal een gebeurtenis in een plaats, doordat Open Archieven gegevens uit de volkstelling en historische kaarten toont, kunt u een beeld opbouwen van de plaats in die tijd. Zo krijgt een genealogische gebeurtenis, beschreven in een akte, meer context die u kunt gebruiken in het vertellen van het verhaal over uw voorouders. Gratis onderzoekshulpmiddel met betaalde extra’s Het doorzoeken van Open Archieven is gratis, zelfs het zoeken op twee namen. Ook aan het bekijken van de akten en scans (als die beschikbaar zijn bij de archiefinstellingen of vereniging) zijn geen kosten verbonden, u hoeft zelfs niet in te loggen. Eenmalig registreren en inloggen is overigens wel aan te raden. Open Archieven kan u dan persoonlijke diensten bieden. Zo wordt onthouden welke akten u al heeft bekeken (dit ziet u direct in de zoekresultaten) en kunt u akten markeren als favoriet en voorzien van één of meer steekwoorden zodat u later deze akten snel via uw favorieten terug kunt vinden. Een deel van de functies maakt onderdeel uit van een abonnement à € 18 per jaar. Hiermee kunt u gegevens downloaden in de vorm van een spreadsheet en GEDCOM, kunt u zoekopdrachten in de gaten houden. Als er nieuwe zoekresultaten zijn voor een bepaalde gegeven zoekopdracht, krijgt u een email bericht en worden automatisch de voorouders opgezocht en getoond in een kwartierstaat en worden kinderen van ouderparen automatisch opgezocht en getoond.✦ Open Archieven kunt u bereiken op het internet-adres https://www.openarch.nl gemmagazine┊november 2020┊pagina 21 van 40
Page 22
Onderstraat 14 7226 LE Bronkhorst Gelderland construction date: 1930 ⟹ Als u op de site parallel.co/uk een locatie hebt gekozen zoals bijvoorbeeld Bronkhorst, dan kunt u met de muis op elk pand gaan staan. Als u het pand rechts naast de pijl kiest, volgt het getoonde resultaat. Bouwperiodes in Nederland.⟹ Een poosje geleden werd ik gewezen op de website van de Engelse kaartenmaker (https://parallel.co.uk/) waarop ook Nederland een plaats heeft gekregen Dit feit is te danken aan de nieuwsgierigheid van de bedenker. Hij schrijft: 'Motivated by trying to find the age of my son's apartment in Amsterdam gave me the perfect opportunity to update a map I remembered seeing many years ago that had been rendered using Mapbox's old Tilemill application. The BAG dataset provided the opportunity to use Mapbox GL's capability to render 3D buildings, coloured by age of construction.'✦ gemmagazine┊november 2020┊pagina 22 van 40 EEN OCTROOI OP EEN KARNMOLEN Men laet een yder weten, dat d'Ed.Groot Mogende Heeren Staten van Hollant ende WestVrieslant, aen Christiaen van Kruysbergen ende Rochus Backer, beyde Meester-timmerluyden in den Hage, hebben gelieven te verleenen Brieven van Octroy voor 15 Jaren, om alleenlijck te mogen maecken ende verkopen seecker by haer geinventeert Karen-radt ofte Molen, welck door een Hont kan omgedreven werden, ende daer door in veel korter tijdt als met Menschen Handen, ende beter als met een Paert, een goede Kaeren-Room tot Boter gekarent werden; zijnde oock seer bequaem tot Pompen op Bleycken, Brouweryen, etc. Item tot het droogmaecken van Slooten en diergelijcke. Iemant daer gadinge in hebbende, kan sigh aen de voorsz. Persoonen adresseren, in den Hage, in de Nieuwe Molstraet.[OHC van 25 augustus 1676] Hondenkracht Waarschijnlijk al vanaf het einde van de 18e eeuw werden in Brabant en andere streken 1 van ons land hondenkarnen gebruikt. In een hondenkarn loopt een hond in een grote tredmolen om bewegingsenergie op te wekken. Net als bij een paardenkarn wordt de draaiende beweging vervolgens via een mechanisme van tandwielen en bomen omgezet in een op en neer gaande beweging. [www.agriwiki.nl/wiki/Karnmolen] Karnmolen op paardenkracht Karnmolen - werktuig, dienende voor het drijven van de karn. De molen wordt in beweging gebracht door een paard, op dezelfde wijze als de nieuwerwetsche rosmolen. De beweging van het kamrad wordt door een geschikte tusschenbeweging op den karnpols overgebracht. [Oosthoek Enc.1916] Menskracht Was dierlijke hulp niet aanwezig of te duur, dan was er de hand-karnmolen. Het model dat Voor het karnen van de boter werd niet alleen menskracht gebruikt. Vele boeren maakten gebruik van een hond, die in een tredmolen rondliep. De kat keek toe. (J. de Wit, Schagen) Ingekleurde illustratie. hiernaast is afgebeeld is een antieke karnmolen model 'Succes', bouwjaar 1922, gemaakt bij C.van 't Riet, fabriek voor zuivelgereedschappen te Aarlanderveen. Het kan nog simpeler: Doe verse vollemelk in een fles en dan maar schudden. Het is ons gelukt om zo roomboter te maken maar het kostte soms wel een flinke tijd voor de melk begon te klonteren. De zo gewonnen roomboter had wel als nadeel dat er een licht karnemelk smaakje aanzat, maar met een beetje bruine suiker werd de smaak een stuk beter…✦ 1 Als dat juist is, zijn de 'meester timmerluyden' uit Den Haag hun tijd ver vooruit geweest! gemmagazine┊november 2020┊pagina 23 van 40
Page 24
‘GEBOUWD OP OSSENHUIDEN’ Hans van den Broek Soms kan een enkel woord in een artikel de prikkel zijn om iets uit te zoeken. Zo wordt in de korte overzichten op internet over de bouwgeschiedenis van een kerk vaak vermeld dat de fundamenten berusten op ossenhuiden. Als we verder willen zoeken dan is het eerste probleem dat opdoemt het gebruik van een juiste zoekterm op internet. De gevoeligheid van zoekmachines varieert nogal. Ik heb bijvoorbeeld gebruik moeten maken van zowel ossen- als ossehuid, koeien- en koeiehuid en tot slot runderhuid. En heel opvallend en ook heel frustrerend: élk woord gaf bij het zoeken andere uitkomsten. De kern van het verhaal is dat onder het fundament van een zwaar bouwwerk, zoals bijvoorbeeld een kerktoren, één of meer ossen- of koeienhuiden gelegd werden om verzakken tegen te gaan. De aantallen kerken, kastelen, boerderijen etc. waar dit ‘bouwelement’ vanaf pakweg de 13e eeuw toegepast zou zijn, buitelen op internet over elkaar heen. En dan volgen nog de vele verklaringen van het waarom van deze toepassing. De eenvoudigste reden die aangegeven wordt is, dat het een al uit oude tijden stammend bouwoffer betreft. De oude Germaanse goden zoals Wodan moesten door de bouw niet ontriefd worden en kregen een os of ander dier als zoenoffer aangeboden. In een sage uit Medemblik, gedateerd 1159, werden liefst 20 ossen aan Wodan geofferd voordat men het kwelwater bij de bouw van de kerk de baas was: In de eerste dagen na de heiden Radboud, toen men in Medemblik een kerk wilde bouwen, was Wodan er nog niet verslagen. Toen de werklui de fundamenten van de kerktoren gelegd hadden, bleken deze op een goede dag ’s och t end s verdwenen, in het drijfzand weggezakt. Dat ging zo enkele malen to t Wo d an met zijn grote helm te voorschijn sprong en de bouwmeester een overeenkomst bood. 'Offer mij een aantal ossen, en ik zal je helpen.' De bouwmeester offerde een twintigtal ossen bij de heilige eik die toen naast het kasteel van Radboud stond. Hij stak ze een voor een in de hals en liet het bloed over een grote offersteen lopen. Toen de twintigste os leeg was, verscheen de oude god weer. 'Neem de vellen van de ossen, graaf een diepe kuil en leg de vellen onderin. Bouw daarop dan uw fundament!' De bouwmeester en zijn mannen volgden de raad van de afgod op, en ziet, de toren bleef voortaan staan. Wodan uit: Bilder zur Germanischen Götter- und Heldensagen (1920) Vervolgens komt er een scala van naamkundige verklaringen op de proppen. Allen richten zich op de verklaring van het woord ‘huid’. Het begint met een Amsterdamse middeleeuwse tekst waarin staat dat ‘op huyden begonnen is met de bouw van een kerk’. Hier staat dus niets anders dan dat men ‘heden begonnen is’. Vervolgens blijken, eveneens in Amsterdam, voor de bouw van een aantal woningen oude scheepshuiden, ofwel resten van scheepswanden gebruikt te zijn. Hierna komt men, mede vanwege de drassige en makkelijk verzakkende ondergrond, met de term heien op de proppen. Een ander woord voor heien blijkt huien te zijn. Tot slot kwam er een bouwterm bovendrijven die zei dat: ‘een ossenhuid een bepaalde vorm van het bouwen was van een gewelfconstructie: van een in vier punten steunend niet geribd gemmagazine┊november 2020┊pagina 24 van 40 gewelf’. Het betreft dan de overgang van tongewelf naar gotisch gewelf. Kijkend naar de fundamenten blijkt dat die in principe geplaatst moeten worden op een stabiele bodem. Dat is nagenoeg altijd een ondergrond van zand. En dat wil zeggen dat eerst de er boven liggende veenlagen weggegraven moeten worden. Wie toch op veen bouwt krijgt de rekening van het verzakken vanzelf gepresenteerd. Een bouwmeester die een breed fundament op zand legde -dat heet op staal bouwen- begon met het stapelen van grote veldkeien of brokken ijzeroer ofwel ‘ijzersteen’. Om te vermijden dat kwelwater deze stenen deed verzakken, werden, volgens de uitleg, op de bodem van de fundering eerst gezouten koeienhuiden neergelegd. Die huiden hielden het alsmaar wegspoelende ‘loopzand’ tegen. Vervolgens begon het opmetselen met baksteen. En hier kwam een andere veel meer steekhoudende verklaring om de hoek kijken. Vanwege de diepte van de fundering had men dus last van kwelwater. En dat water spoelde het cement tussen de bakstenen weg. En met name hier deden de koeienhuiden rondom het bouwsel nuttig werk door het water weg te houden van het cement. De huiden dichtten de naden af. Deze laatste opmerking werd met name gemaakt over de 15e eeuwse Grote Kerk te Monnickendam. En ze wordt bevestigd door Rob Gruben, eigenaar van archeologisch onderzoeksbedrijf BAAC . Hij meldt me per e-mail: ‘ de koeien 1 - huiden werden gebruikt om de funderingssleuven tijdelijk droog te houden, zodat de metselaars zo snel mogelijk de muren boven de grondwaterspiegel konden optrekken. De huiden hadden dus een tijdelijke functie om de sleuf droog te houden voor de metselaars en werden continue hergebruikt. Logisch ook; zo'n huid was erg duur en die liet je echt niet in de grond zitten! Een heel enkele keer, als de huid zo goed als versleten was, namen de metselaars niet meer de moeite hem uit de funderingssleuf te halen en werd hij met grond bedekt. De huiden liggen dus nooit onder de fundering, maar alleen in de sleuven die voor de fundering bedoeld waren: het Gevelsteen uit 1990, Oudegracht 276 Utrecht. Afgebeeld is het wittebrootskind met het brood in zijn hand. (Wikipedia Wittebrootskint Creative Commons) Dan lopen de versies van meerdere verhalen uiteen. In de ene versie doodt de bouwmeester zijn zoon [anderen zeggen dochtertje] door hem dood te slaan met een wittebrood. Een gevelsteen met de vermelding ‘t wittebroots godts kint 1651 1990’, op Oudegracht 276, en een afbeelding op een lantaarnconsole, op de Lichte Gaard 8, herinneren hier aan. Een andere versie zegt dat bouwmeester Plebe1 BAAC: Bouwhistorie, Archeologie, Architectuurhistorie en Cultuurhistorie. gemmagazine┊november 2020┊pagina was een droge werkvloer zogezegd. Dat ze dus zeer zelden worden aangetroffen is logisch, want het was duur materiaal (een koe kostte nogal wat in de middeleeuwen!) en men nam de huiden gewoon mee naar het volgende bouwproject.’ Maar het gebruik van ossen- dan wel koeienhuiden zou een typisch en dus kostbaar bedrijfsgeheim zijn. Hierover gaat een sage uit Utrecht, waarin overigens historische personages verwerkt zijn. Bij het begin van de bouw van de Mariakerk in 1082 kon men aanvankelijk het probleem van het kwelwater niet oplossen. Bouwmeester Pleberus bedacht het gebruik van meerdere ossenhuiden voor het leggen van het fundament. Hij wilde deze vondst te gelde maken. De opdrachtgever, bisschop Coenraad, wilde Pleberus niet betalen voor dit geheim en kocht de zoon van de bouwmeester om. Een andere versie zegt dat Pleberus’ dochtertje per ongeluk het geheim aan een bakker verklapte en als dank een luxe wit stokbrood kreeg. 25 van 40
Page 26
Lantaarnconsole Lichte Gaard 8 te Utrecht. De bakker verklapt het geheim aan de bisschop, bouwmeester Pleberus slaat zijn dochter met een brood. (Beeldbank Utrechts Archief, Fotodienst GAU, Cat.nr 62492 & 810161 rus de bisschop heeft doodgestoken. Feit is in elk geval dat Coenraad vermoord is. Bij de afbraak van de Mariakerk in 1844 bleek op een zuil een in het Latijn gestelde inscriptie 1 te staan die [vertaald] zei: Op Ossenvel was ik gesticht Zoo als de oudheid hier bericht Maar toen men mij in deeze tijde De oude standplaats eens ontzeide Toen stond ik op een grond van klei Op geene Wel, noch Ossenhuiden Zoo als het opschrift wil beduiden En dus ‘t verhaal een Fabel zij Blijkbaar wilden ook onze volksvertegenwoordigers het naadje van de kous weten. De minister moest het maar even vertellen. En minister Sybilla Dekker kwam in de Tweede Kamer op 13 oktober 2006 met de verklaringen van het eerder genoemde ‘op huyden bouwen’ en het gebruik van de scheepshuiden. Ze voegde er aan toe dat tot dan toe nog nooit resten van huiden bij funderingen in Nederland gevonden waren. Toch knaagt dit een beetje want op internet zijn enkele auteurs die het anders beweren. Helaas met weinig bewijs. Nakomeling, verhaal eeuw in, eeuw uit: Deze zuil staat hier gevest op stierenhuid! Men heeft overigens tevergeefs naar de ossenhuiden bij de fundamenten gezocht. Na de zoektocht werd een hardstenen plaat gemaakt die op de Mariaplaats werd aangebracht met de tekst: Zo wordt beweerd dat men bij een restauratie van de Sint Martinuskerk in Ankeveen, een fundering heeft aangetroffen van dennenpalen en koeienhuiden. En een andere auteur schrijft over de Domtoren in Utrecht: ’Maar in 1981 was ik er zelf bij, dus bij het openliggende graafgat van het 10 meter dieperliggende fundament, waarvan de verteerde koeienhuid werd vervangen’. En herhaalt dat nog eens: ‘toen de fundamenten bloot lagen vanwege een verrotte koeienhuid’. En ook over het 16e eeuwse Café Spaarndam uit Haarlem wordt gemeld: Rond 1970 eeuw heeft er nog een grote verbouwing plaatsgevonden. De fundering kwam in zicht en bleek op koeienhuiden te staan. 1 Tekening uit omstreeks 1720 die de stier in een reliëf op de zuil in de Mariakerk laat zien met bijbehorende tekst gemmagazine┊november 2020┊pagina 26 van 40 Voor de bouw van de nieuwe Sint Nicolaaskerk in Monnickendam (ca. 1400) groef men een bouwput van circa drie meter diep, waarna palen van zes meter lengte de grond in gingen. De ruimte tussen de palen werd opgevuld met paaltjes van een paar meter, zogenoemde slieten. Op de palen kwam een rasterwerk van balken. Bij het metselen werden koeienhuiden bij de onderste stenenlagen opgetrokken om het metselcement (tras) tegen het grondwater te beschermen. Tot slot werd in Delft bij de aanleg van de tunnel in de spoorzone in 2014 over korenmolen De Roos vermeld: ‘Deze molen uit 1679 is tijdens de bouw van binnen gestript, op een plaat van gewapend beton met paalfunderingen gezet en een meter opgevijzeld. De fundering was een allegaartje van grond, beton, putten en oude koeienhuiden.’ Het verslag in deze is echter niet echt bewijzend. Koeienhuiden in Gennep [als enige?]. Toch bleek het nut van koeienhuiden zo diep verankerd in de algemene overtuiging dat men het zelfs bij nieuwbouw nog toepaste: ‘In 1869 bouwt het kerkbestuur van het NoordLimburgse Gennep onder toeziend oog van de ontwerper, kapelaan [!] Billekens, een nieuwe, neogotische toren voor het vergrote middenschip. Bij de fundering gebruikt men de ‘eeuwenoude, beproefde methode van koeienhuiden’. Daarop komt de nieuwe, slanke toren van 50 meter hoog te staan, ‘gebouwd door Gennepse bouwlieden onder leiding van een Gennepse bouwmeester.’ Bijgeloof of is er toch iets van waar? De overheersende gedachte is dat geen koeienhuiden gebruikt zijn bij de bouw van fundamenten van met name middeleeuwse kerktorens. En algemeen wordt gesteld dat tot nu toe geen bewijzen hiervoor geleverd zijn. De enige bewijzen kunnen voortkomen uit opgravingen van fundamenten waarbij gericht gezocht is naar resten van runderhuid. En dan bevindt zich dit leer misschien niet onder het fundament maar juist rondom de onder de waterspiegel gelegen gemetselde bakstenen. Een ande r e mogelijk bewijs zou geleverd kunnen worden door de vermelding van koeienhuiden in de rekeningen voor de bouw van een k e r k t o r e n . Maar de kans daarop lijkt klein want de huiden waren in feite metselaarsgereedschap. Dat liet men alleen achter als het versleten was of niet meer te verwijderen. Het is dus niet verbazingwekkend dat men feitelijk geen huiden gevonden heeft bij opgravingen. Martinustoren Gennep gebouwd in 1869. Foto auteur. Bronnen • Veldkeien als fundamenten: Proosdijkoerier / Proostkoerier 1991 A. van Leeuwen • Ossenhuid is een tongewelf: De Vrije Fries 1934 • Mariakerk Utrecht: Nederlandse Volksverhalenbank RKOMA123 Meertens Instituut • http://zowasutrecht.nl/wittebroodskind/ • Domtoren Utrecht: https://gaialogie.wordpress.com/2008/12/17/runderhuidenossenhuidenals-fundament-onder-kerkentorens-een-fries-gebruik/ • Kerk Monnickendam: http://www.grotekerkmonnickendam.nl/NL/Bezoek-de-Grote-Kerk/ Historie.html • Tunnel Delft: https://www.ovmagazine.nl/ 2014/08/delft-gaat-ondergronds-2147/ • Café Spaarndam: https://www.cafespaarndam.nl/geschiedenis/ • Kerktoren Gennep: https://www.gennepnu.nl/ special%20-%20de%20oude%20Martinustoren.html • Wizo van Vlaanderen, Itinerarium Fresiae, of Een rondreis door de Lage landen, hertaald en ingeleid door Arne Lasance (2012)◉ gemmagazine┊november 2020┊pagina 27 van 40
Page 28
SINTERKLAAS & ZIJN 'KNECHT’ IN NEDERLANDSE KRANTEN. JW Koten Het Sint Nicolaasfeest. Interieur waarin een gezin met kinderen Sinterklaas viert. Rond een tafel lopen kinderen met hun cadeaus. Links zit een meisje met een pop, daarachter een huilende jongen die een roe heeft gekregen. Rechts ligt op de grond een kolfstok. (R. Brakenburgh 1685’RijksHet Sinterklaasfeest is tegenwoordig niet meer zonder controversen. Dat was vroeger herhaaldelijk ook zo. Vanwege de huidige controversen heb ik me daarom afgevraagd hoe het feest zich door de eeuwen heeft ontwikkeld zoals terug te vinden is in de Nederlandse pers. Hierbij werd met gebruikmaking van Delpher op de trefwoorden gezocht zoals Sinterklaas, sint Nicolaas, Zwarte Piet, Pakjesavond, Intocht e.d. De kranten en tijdschriften geven immers een goed beeld hoe dit feest in de loop van de eeuwen geleidelijk evolueerde. In de katholieke kerk was Sinterklaas eveneens controversieel. Bij het Vaticaans concilie werd de heilige sint Nikolaas en zijn feest afgeschaft. Misschien heeft Sinterklaas zelfs nooit bestaan en was hij meer een verdichtsel van vrome mensen. Wel staat vast dat rond de 7de en 8ste eeuw in Oost-Europa het feest van Sinterklaas uitbundig werd gevierd. Agios Nikolaos werd de belangrijkste Oosters-Orthodoxe heilige, hij is van Rusland zelfs de beschermheilige. Nicolaas was een heilige met een ijzerstek imago omdat hij de schutspatroon van de arme kinderen was en ook door vrijers werd vereerd met hoop op een huwelijk. Het is vanwege dit imago dat met de opkomst van de Hollandse scheepvaart rond de 14de eeuw de Sint ook aan onze kust zeer werd verwelkomd. Vooral in Amsterdam werd zijn feestdag breed gevierd. Hij werd zelfs de patroonheilige van de stad. Ook fungeerde hij ook als patroon of schutsheilige van de zeevaarders. Vandaar dat in Amsterdam de Nicolaaskerk ter zijner ere een plaats aan de haven kreeg. Het feest van Sinterklaas werd in onze streken vooral gezien als kinderfeest waarbij na een bezoek aan de sinterklaasmarkt de kinderen kleine geschenken kregen. Dank zij de VOC (Verenigde Oost-Indische compagnie) werden in de 16de eeuw in Amsterdam exotische kruiden aangevoerd. Enkele daarvan werden verwerkt in speculaas. Vooral de speculaaspoppen die men later vrijers noemde werden hier ongemeen populair. Deze speculaaspoppen werden na de koop bij de bakker prachtig versierd met suikerglazuur, later zelfs met bladgoud. Het boek de ‘Camera Obscura’ van Hildebrand geeft in het hoofdstuk de familie Kegge een aardig nostalgische beeld van de populaire koekverguldavondjes. Had een jongeman een oogje op een bepaalde jonge dame dan presenteerde hij haar een fraai versierde speculaas vrijer. Meestal werd de verliefde jongeling enkele dagen later na kerktijd op de koffie uitgenodigd. Kreeg de jongen dan het hoofd van de koekvrijer terug, dan zat hij 'gebakken'. Brak het meisje echter de benen van de koek af, dan kon de jongen maar beter 'de benen nemen'. De Alteratie van 1575 Na de alteratie van 1575 toen het protestantisme zegevierde beleefde de Sint in Holland kwade tijden. Volgens Luther kon het Roomse heiligenfeest maar het beste naar de kerstmis worden verplaatst. Vandaar dat het cadeaufeest in de landen om ons heen naar de kerstmis is doorgeschoven. Hoewel er dus aan protestante zijde zeer veel weerstand tegen de viering van het sinterklaasfeest bestond, weerstond het Hollandse publiek het verzet van de dominees. Om de paapsche idolaterie tegen te gaan verbood Amgemmagazine┊november 2020┊pagina 28 van 40 sterdam in 1663 zelfs het hele sinterklaasfeest. Leerzaam is wat er daarop in Amsterdam gebeurde: boze kinderen en hun ouders roerden zich dusdanig dat het stadsbestuur bakzeil moest halen. Door dit verzet tegen het sint Nikolaas feest door de predikanten kreeg niettemin het heilige feest wel geleidelijk aan een heel ander karakter. Het werd meer een volksfeest dat vooral op de avond van 5 december werd gevierd waarbij vooral de kinderen werden gefêteerd. Geleidelijk transformeerde Sinterklaas zich tot een andere figuur, die het goede prees maar ook soms lijfelijk strafte. Voor sommige kinderen werd hij een boeman of kinderschrik, die gebruikt werd om kinderen angst in te boezemen. Hij werd daarbij onderdeel van het opvoedingsproces. De Komst van zwarte Piet In het begin van de 19de eeuw komt hier verandering in. De figuur zwarte Piet verschijnt in veel kranten. Het is niet de zwarte Piet uit het duo Klaas en Piet, maar de zwarte Piet van een bekend kaartspel zwartepieten dat in huiselijke kring hier ongemeen populair werd. Deze zwarte Piet werd hier zelfs spreekwoordelijk, en vooral bekend van de uitdrukking 'iemand de zwarte Piet toespelen'. Dit zwartepietenspel was Duitse import en afkomstig van de rover Johann Peter Petri, die ook bekend stond onder de bijnaam der alten Schwarzpeter of Schwarzer Peter. (zie afb. rechts) Hij zou dit spel in zijn gevangenisjaren hebben uitgevonden. Vandaar ook dat het spel de naam zwarte Peter of Pik en Pikkie (pik=pique=schoppen) kreeg. Op de eerste bekende afbeelding van de officiële eerste speelkaart van zwarte Piet zien we de bekende karikaturale stereotypering van de Afrikaanse andere, met kroes haar, dikke rode lippen, ringen door de oren etc. De andere zwarte dus. Deze afbeelding van Zwarte Piet op deze speelkaart zou in Nederland model gaan staan voor de vele zwarte Pieten vooral in kinderboeken nadien. Bij het spelen van het zwartepieBrief van Abraham Calkoen jr. aan zijn vader (ca. 1780) Abraham leefde van 1774-1849 Rijksmuseum Obj. NG-2011-26-1 tenspel moest de verliezer die de zwarte Piet overhield zijn gezicht met roet zwart maken Sinterklaas na 1850 In de jaren na 1800 kwam het sinterklaasfeest door de verlichting steeds meer onder maatschappelijke en culturele druk. De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen pleitte er in 1848 zelfs voor om het feest maar helemaal af te schaffen. De onderwijzer Jan Schenkman redde het feest door een samenhangend verhaal in een prentenboek 'Sint Nicolaas en zijn knecht' te schrijven. Het 1 werd een soort sprookje. Dit prentenboek kan als de oorsprong van het duo Sint Nikolaas en zijn knecht worden beschouwd. In dit prentenboek vindt men de bekende elementen zoals het paard, het rijden over de daken, het schenken van cadeaus of een roe, 1 Dit boekje moet erg populair geweest zijn: er zijn zeker twintig edities van bekend. gemmagazine┊november 2020┊pagina 29 van 40
Page 30
en Piet deel uitmaakt van de menselijke onderbewuste belevingswereld (archetypen). en Sints komst uit Spanje. Hij voerde als belangrijke nieuwe elementen toe: de stoomboot waarmee Sint-Nicolaas in Amsterdam aankomt en de zwarte page als knecht. Deze zwarte bediende moest het vuile werk doen terwijl Sint plechtig toekeek. Hiermee verving Schenkman dus de zwarte Klaas door een zwarte bediende dat beter paste in die periode. Aanvankelijk had deze knecht van Sinterklaas nog geen naam, men noemde hem eenvoudig de zwarte knecht. Vele jaren later zou hij zwarte Piet of Pikkie (pique= schoppen) worden genoemd. Een sterk punt in zijn boekje was het bekende lied 'Zie ginds komt de stoomboot uit Spanje weer aan', dat zeer aansloeg. De vrolijke melodie van dit liedje is afkomstig van een destijds populair Duits kinderliedje Im Märzen der Bauer De dubbelfiguur Klaas en Piet groeide uit tot Nederlands cultureel erfgoed Het blijft een raadsel waarom de Sinterklaas en zijn knecht in dit boekje van Schenkman in de loop van 50 jaar uitgroeide tot Nederlands cultureel erfgoed. Hoe kan het dat deze katholieke bisschop in een calvinistisch land zo populair werd en waar komt die typische zwarte knecht figuur vandaan? Een verklaring kan zijn dat het Sinterklaas verhaal aansloot bij de geestelijke stroming van de romantiek die toen vigeerde en die tevens in het kader van het bevorderen van de volkstraditie paste. Velen zagen in Sint Nikolaas een soort Wodanfiguur, dat een bedenksel achteraf was. Deze Wodan hielp om Sinterklaas los van de religie te maken. Mogelijk is ook dat de kracht van het verhaal was, het gegeven dat de dubbelfiguur Sint De invloed van de commercie Een belangrijke reden waarom Sinterklaas de tijd overleefde was zijn economische betekenis. Tegen het einde van de 19de eeuw nam de welvaart toe. De middenstanders gebruikten het Sinterklaasverhaal van Schenkman als een zeer effectief marketing instrument in reclames en etalages. Daarmee kon de bevolking in Sinterklaas stemming worden gebracht die de kooplust van het publiek aanwakkerde. De middenstand ging daarom steeds meer publieke Sinterklaas feesten organiseren om de kooplust aan te jagen. De periode 1890-1920 en de opkomst van de industrialisatie In de laatste helft van negentiende eeuw botsten de visies van de Verlichting en die van Romantiek bij de viering van het Sinterklaas feest. Dit maakt begrijpelijk dat tot het einde van de 19de eeuw de belangstelling voor Klaas en Pieterman in de pers mager bleef. Bovendien stond het feest onder invloed van de verlichting haast op uitsterven. Het heeft daarom een geruime tijd geduurd aleer het duo 'Sinterklaas en zwarte Piet' hier algemeen ingang vond. Bij de aanvang sprak men steeds van de Sint en zijn knecht zonder verdere naamgeving van zijn verdere naam. De knecht die aan Sint-Nicolaas werd toegevoegd, was toch een nieuwigheid die niet direct aansloeg. Tot in de eerste helft van de 20e eeuw bestonden er in Nederland bovendien geen duidelijke afspraken over hoe het Sinterklaaseest eigenlijk gevierd moest worden. De tijd na de eerste wereldoorlog De viering van het Sinterklaasfeest kreeg vooral na de eerste wereldoorlog een hausse. Na de oorlog en de Spaanse griepperiode was er een tijd van opluchting en toenemende welvaart. De publieke sinterklaasfestiviteit in deze naoorlogse periode droeg vooral een commercieel karakter. De mensen hadden meer te besteden. Daarbij werd de knecht van Sinterklaas steeds meer zwarte Piet genoemd of nog vaker Pieterbaas de vroegere naam van tsaar Peter de Grote. De naam zwarte pikkie raakte daarbij geleidelijk in gemmagazine┊november 2020┊pagina 30 van 40 onbruik. Geleidelijk aan werden toen zwarte Piet en Sinterklaas deel van onze nationale cultuur. De verschijningsvorm van Piet was nog niet die van de andere zwarte. Kroeshaar en oorringen waren toen nog niet algemeen. Waarom de naam zwarte Piet geleidelijk aan de overhand kreeg is mij niet duidelijk. Het is niet ondenkbaar dat de zwarte Piet, uit het kaartspel zwartepieten, aan deze naamgeving heeft bijgedragen. Een ander veel gebruikte andere naam voor de zwarte knecht in het verleden was immers zwarte pikkie geweest, de naam voor de zwarte Piet in het zwartepietenspel. De economische crisis De grote economische crisis (1929), bracht een omslag in de feestvieringen. Het sinterklaasfeest kwam op een zeer laag pitje, omdat de bevolking in meerderheid zo arm was dat men liever het sinterklaasfeest maar oversloeg. Aan de andere kant werd in de crisisjaren het sinterklaasfeest door sociaal voelenden aangegrepen om kinderen te verrassen die nog in Sinterklaas geloofden maar waarbij het gezin te arm was het om feest te vieren. Dit leidde er bijvoorbeeld toe dat er voor achtergestelde kinderen uit arme gezinnen inzamelingsacties werden georganiseerd, waaruit geschenken aan de kinderen konden betaald. De eerste Amsterdamse intocht van Sinterklaas vond plaats op 1 december 1934. Dit bezorgde bij de Nederlandse sinterklaasfeesten een doorbraak omdat dit een eerste landelijke manifestatie betrof waarvan de vorm ook daarna landelijk werd overgenomen. Tijdens de crisis diende de intocht als lichtpunt in die barre tijden. De naam van Dr. M (Maup) de Hartogh, een huisarts en tevens raadslid moet hier met klem genoemd worden Als Sinterklaas wist Maup onze eerste toneelspeler Eduard Verkade te strikken. Van Gend en Loos leverde een 'monumentaal' wit paard, de Havenstoomboot zorgde voor een echte stoomboot met dikke vette rook uit de schoorsteen. Surinaamse schepelingen werden zwarte Pieten. De Sint Nicolaas zou klokgebeier laten horen, Bodega Oporto op het Damrak bood Spaanse wijn aan Een sterk punt bij de intocht was dat Sinterklaas met vermanende woorden op de Dam, de burgemeester toesprak. Het verloop van de intocht was volgens het boek van Schenkman geOok in het eerste jaar van de Duitse bezetting was er al een probleem met Zwarte Piet. De bezetter vond namelijk dat hij wit moest zijn. De Duitsers waren bevreesd dat verzetsstrijders, verkleed als Zwarte Piet, zo sabotagedaden zouden kunnen plegen. [sintenpietengilde.nl] organiseerd. Het succes was zo overweldigend dat men besloot deze intocht jaarlijks te herhalen. Amsterdams voorbeeld, te zien op het polygoon journaal, zou model staan voor andere gemeenten. Toen in 1935 de intocht plaats vond was er slecht één Pieterbaas, die er uitzag als een Moorse ridder en niet als een Afrikaan zoals later. Door de bezetting ging de intocht van 1940 niet door. De intocht van Sinterklaas tijdens de bezetting werd georganiseerd door nationaalsocialistische organisaties als de Winterhulp en de Jeugdstorm van de NSB. Omslag na de bevrijding Na de bevrijding pakte men de draad meteen weer op. In november 1945 werd de eerste naoorlogse Sinterklaasintocht gehouden. Omdat het organisatiecomité (ICA) zo vlak na de oorlog maar een beperkt budget had riep men de hulp in van de Canadese soldaten die waren gelegerd in de gemmagazine┊november 2020┊pagina 31 van 40
Page 32
Oranje Nassaukazerne. Deze Canadezen waren blij om te kunnen helpen en stelden twintig jeeps en een grote hoeveelheid snoep beschikbaar. Er werd besloten dat de Nederlandse Sinterklaas Eduard Verkade, werd vergezeld door een groot aantal Canadese Zwarte Pieten en twintig geüniformeerde chauffeurs. Deze Pieten leken daarbij op de afbeeldingen in oudere prentenboeken en strips. Het is goed te zien welk stereotype er werd gegeven aan de deze zwarte Piet: een zwart gezicht, grote (rode) lippen, afro kapsel, gouden oorbellen, wild, onbetrouwbaar, grappen en grollen makend, kinderlijk en krompratend, het stereotype dus van de andere Afrikaan. Ofschoon de traditionele Sinterklaasgebruiken op de oude voet schenen te worden doorgezet, was de werkelijkheid toch anders. Door de bezetting en de karige naoorlogse jaren met veel armoede was er toch een mentaliteit-verandering opgetreden die gevolgen had voor de latere Sinterklaas vieringen. Het sinterklaasfeest kreeg mede daardoor een ander karakter. Dit alles ging verder gepaard met groeiende commercialisering van het feest. Pakjesavond Vóór de Tweede Wereldoorlog was pakjesavond nog geen algemeen gebruik. De crisisjaren, de bezettingstijd en de naoorlogse armoede was de oorzaak dat de minder welgestelden amper pakjes avond vierden. De toenemende welvaart na de oorlog bood echter meer ruimte voor een geefcultuur, een geschenkenfeest in het kader van het oer-Hollandse sinterklaasfeest. Pakjesavond met lotjes trekken en gedichten maken werden een typische Nederlandse aangelegenheid. Ondertussen verspreidde de gewoonte van pakjesavond zich geleidelijk aan over het hele land, ook in de zuidelijke provincies. Veranderde sfeer van Sinterklaas intochten Een verandering was er ook in de sfeer van de Sinterklaasintochten. De TV heeft veel aan die andere opzet bijgedragen. Deze intochten kregen vooral in de naoorlogse jaren daardoor veel publiciteit. De Amsterdamse intocht bleef hier de voortrekker. Vooral door de opzet van het Sinterklaas feest na de bevrijding door medewerking van de Canadezen had de intocht een wat ander karakter gekregen. In tegenstelling tot voor de bezetting, wordt Sinterklaas nu vergezeld door enkele honderden Pieten. Deze zijn nu allemaal zwart geschminkt met de stereotype verschijningsvorm van het andere Afrika. Bij de eerste naoorlogse intochten stormden de Pieten ook langs de rijen, schudden met de roe, rinkelden met hun kettingen en gooiden keihard pepernoten in de menigte. Terwijl Sinterklaas altijd statig en gedistingeerd is gebleven. Maar de Pieten van na 1950 gingen Randstad versus de provincie? Rasit Elibol beeld Milo. 22-11-17 (de Groene) zich steeds meer als clowns gedragen. Vaak wordt Piet als een krompratende, stuntelende of dom figuur gespeeld. Zwarte Piet sprak met een rollende ‘r’ en zegt: 'Ik was opgesluit, ik had vergispt. De Pieten waren als clowns in een circus. Het bestraffende element van Zwarte Piet verdween. Samenvatting Concluderend kan men stellen, dat het sinterklaasfeest gedurende de eeuwen met een wisselende belangstelling is gevierd. Onder invloed van het protestantisme werd Sinterklaas een nationaal feest. De vormgeving van dit feest blijkt gedurende laatste eeuwen sterk te verschillen. Uit dit overzicht blijkt dat deze vormgeving van het feest sterk afhankelijk was van de tijdsgeest zoals die op dat gegeven moment in de tijd vigeerde. Het commerciële karakter van het feest kreeg daarbij geleidelijk de overhand en zal ook bepalend zijn voor komende ontwikkelingen. Bronnen/Geraadpleegde literatuur • Delpher • https://sintenpietengilde.nl/illustraties/ • ✦ gemmagazine┊november 2020┊pagina 32 van 40 LEESADVIES Van de heer Jan Spendel ontving ik het verzoek aandacht te geven aan zijn nieuwe namenboek. Dat blijk al het negende in de serie 'familienamen’ te zijn. Om ons geheugen even op te frissen: 1. Familienamen in Nederland (1999), 2. Het Meiernamenboek (2001), 3. Molen en Molenaar in familienamen (2005), 4. Smid in familienamen (2008), 5. Onwelvoeglijke, bespottelijke en bijzondere familienamen (2011), 6. Bakker in familienamen (2012), 7. Buitenlandse familienamen in Nederland (2013), 8. Nederlandse familienamen in het buitenland (2015), 9. Dijk, Dam en Duin in familienamen (2020). Iets over de inhoud Omdat mijn moeder een naam heeft waarin 'dijk' voorkomt (Dijkhuizen) heb ik vanzelf eerst gezocht naar deze naam. Op pag. 58 staat het uitgebreid vermeld: Van Dijkhuizen en later Dijkhuizen met het buurtschap Dijkhuizen in Epe als bakermat. In de 17de eeuw werd de naam Van Dijkhuizen nog niet gebruikt, dat gebeurde pas in dev 18de eeuw. En dan volgt een fragment uit de genealogie van de familie (van) Dijkhuizen waaruit blijkt dat deze familie eind 18de en begin 19de eeuw het voorvoegsel 'van' laat vallen. (Beknopt citaat) Een paar voorbeelden Damman: Valse dam-naam. Beroepsnaam voor de aman (ambtman) die namens een adellijke heer een gebied bestuurde. Dijkslag: Hij die woont op de boerderij Dijkslag bij Herxen. De boer van deze boerderij gemmagazine┊november 2020┊pagina 33 van 40 was onderhoudsplichtig voor een deel van de dijk. hij was een dijkplichtige boer. (Beknopt citaat) Ik mag u namens de auteur verklappen dat zijn 10de boek gaat over plaatsnamen, te weten Voorburg, Veur en Voorschoten. Komt waarschijnlijk in 2021 uit. De auteur is volgens de achterflap historicus en amateurgenealoog. Dat is overduidelijk te zien in zijn bibliografie. Het boek, uitgevoerd als paperback wordt uitgegeven door Uitgeverij Gopher, telt 272 pagina’s, is niet geïllustreerd en kost in de boekhandel € 18,50 ✦
Page 34
Enquête door de Staatscommissie benoemd krachtens de wet van 19 Januari 1890 (Staatsblad nr. 1) (Derde Afdeeling) Bedrijven in onderscheiden Gemeenten Verhoor van Johannes Gerardus Bodaan , oud 1 47 jaar, huisschildersknecht te 's-Gravenhage. 642. De Voorzitter: Gij zijt voorzitter van de schildersgezellen-vereeniging „Hulp en Vriendschap”. Is dat eene vereeniging, waar de vakbelangen worden besproken ? Neen, alleen worden daar besproken de belangen der vereeniging en de uitkeering bij ziekte en overlijden. 643. Hoeveel leden telt uwe vereeniging? 225 leden. 644. Wat is in den regel de werktijd voor de schilders? Dit wisselt af naar het jaargetijde. In den zomer wordt in den regel gewerkt van ’s morgens 6 tot ’s avonds 7 uur, half 8, met anderhalf uur schafttijd. Ik ben om zoo te zeggen op een modelwerkplaats, onze patroon zorgt uitstekend voor zijn menschen. Wij werken van 6-12 en van 2-71/2 uur, maar er wordt niet op een oogenblikje gelet. 645. Wordt er dikwijls overgewerkt? 's Avonds zelden en 's Zondags ook slechts in bijzonder drukke tijden, zooals het voorjaar. 646. Wordt in de bouwerij dikwijls laat en des Zondags gewerkt? Ja, daar laat men de menschen zich nog al eens aftobben. 647. Wat is het loon voor een goed schilder hier? Het loon is een dorpsloon. In Amsterdam en Rotterdam is men ons te dien opzichte veel voor. Daar verdient men 18-20 cents, hier verdient men 15 cents, waar men ook te Monster, enz. verdient, waar men voor een gulden een prachtige woning heeft en 's Zondags zelfs met de klompen aan naar de kerk kan gaan. Hier moet ik f 2.50 voor een woning betalen. 648. Hebt gij daarvoor een goede woning? Een redelijke. 649. Worden in uw vak wel jongere lieden van 12-16 jaar als werkkrachten gebruikt? Ja wel, er zijn er bij ons al een stuk of vier van 12-14 jaar. 650. Hoe lang werken die? Daar hangt een lijst van in de werkplaats, overeenkomstig de wet; ik geloof tot 7 uur. 651. Op uwe werkplaats zal de verhouding tus- schen patroon en werkman dus wel goed zijn? Zeker, ik ben reeds 32 jaren op den winkel en ik ben de jongste. 652. Aan uwe Vereeniging „Hulp en Vriend- schap” is een ziekenfonds verbonden ? Ja. 653. Wat wordt daarvoor betaald? 11 cent contributie per week, waarvan 1 cent bodeloon. 654. Wanneer een lid nog geen 2 jaren lid is geweest, krijgt hij bij ziekte f 3 per week; 2-3 jaar lid zijnde krijgt hij f 3.50; van 3-4 jaar f 4 en soo vervolgens tot f 5 toe? Ja, die f 5 krijgt hij gedurende 20 weken, en dan krijgt hij nog gedurende 32 weken 1 cent van elk lid. 655. De eerste week bij ziekte wordt f 1 gekort? Ja, dat is om te voorkomen, dat de menschen zich te gauw ziek melden. 656. Wordt er ook contrôle gehouden op de zieken ? Zeker en streng ook, omdat er, vooral ’s winters, anders dikwerf misbruik van de kas zou worden gemaakt. Wij hebben eene reserve van f 1000, waarvoor wij ook moeten waken. Er zijn 6 commissarissen om te controleeren. 657. Komt het nog al eens voor, dat misbruik wordt gemaakt, dat ziekte wordt voorgewend ? Stellig. 1 Johannes *9-9-1844 in Den Haag en tr. 6 mei 1868 met Adriana Krouwel. zij overleed op 17-3-1883 gemmagazine┊november 2020┊pagina 34 van 40 658. Gij hebt ook een fonds voor uitkeering bij overlijden? Ja. 659. Wordt daarvoor afzonderlijk bijgedragen? Neen, dat gaat alles uit de bijdrage van 10 cents. Als iemand echter plotseling overlijdt, krijgt hij, behalve de f 45, nog van elk lid 10 cents extra. 660. Die f 45 krijgt hij, wanneer hij langer dan 15 jaar lid is geweest? Ja. 661. Van 1-5 jaar bedraagt de uitkeering f 20; van 5-10 jaar f 30 ; van 10-15 jaar f 40 en vervolgens f 45 ? Ja. 662. Komt het fonds daarmede toe ? Ja, want wij hebben eene reserve van f 1000. Tegen Kerstmis moet dat in orde zijn. Het overschot van de gelden wordt gedeeld. Wanneer er veel zieken zijn, dan is dat natuurlijk weinig. 663. Hoe lang moet iemand lid van de vereeniging zijn om geld te kunnen trekken ? Als hij 26 weken lid is, heeft hij recht op uitkeering van ziekengeld. 664. In art. 33, lees ik, dat boeten na 4 weken betaald moeten zijn. Welke boeten worden daarmede bedoeld? Wanneer iemand eene vergadering niet bijwoont, wordt hij met 20 cent beboet. Wanneer hij na 4 welken nog niet heeft betaald, wordt hij nog eens met 5 cent extra beboet en daarna geroyeerd. 665. Een schilder is zeker meestal wel lid van meer dan ééne vereeniging, niet waar ? Ja, en dit is een groot bezwaar van onze vereeniging. Eigenlijk moest men in niet meer dan één vereeniging mogen zijn. 666. Zoudt gij meenen, dat er veel menschen zijn, die in tijden van ziekte meer geld krijgen dan zij in gezonde dagen verdienen ? Die zijn er zeker. 667. Krijgt gij van den patroon eenige uitkeering in geval van ziekte ? Neen. 668. Ook niet met den ouden dag? Neen. 669. Weet gij ook, of er patroons zijn, die dat doen ? Ik geloof bijna geen één. 670. Werkt gij niet eens buiten aan gebouwen ? Ja. 671. Worden de steigers van wege de gemeente nagekeken ? Ik zou wel willen, dat er een scherper toezicht van wege de gemeente gehouden werd. Ik weet, dat er patroons zijn, die 60 en 70 jaar één ladder gebruiken, en dan is Onse Lieve Heer met den persoon en met de ladder. 672. Hebt gij nog op een of ander punt onze aandacht te vestigen ? Ik heb reeds gezegd, dat de loonen hier in Den Haag te laag waren. Ook is de arbeidstijd te lang. Ik heb in het buitenland, in Parijs gewerkt en ik arbeidde daar nooit langer dan 10 uren. 's Avonds om 6 uur was ik vrij en ik kon rekenen, dat ik er 30 cent per uur verdiende. 673. Wat verdiendet gij daar dan per week? Goed in de 20 francs. 674. Maar als gij de levensbehoeften in een stad als Parijs vergelijkt met die in Den Haag, dan zal ook dit verschil zeker niet gering wezen? Daarin hebt u gelijk. 675. Zijn de werklieden in het buitenland kundiger dan hier? Men heeft overal martelaren en apostelen. Ook in het buitenland zijn knappe werklieden, die, evenals hier het geval is, een sober bestaan hebben en zich moeten behelpen. J. G. Bodaan Kolkman, Voorzitter. G. Emants, S. M. van Wijck, Lid der Eerste Afdeeling.. P. van Nispen, Adj. secretaris.✦ gemmagazine┊november 2020┊pagina 35 van 40
Page 36
OVERZICHT PUBLICATIES [129] H. Klunder Verklaring afkortingen tijdschriften e.d.: GN = Gens Nostra LTG = Limburgs Tijdschrift voor Genealogie OV = Ons Voorgeslacht OTGB= Oostgelders Tijdschrift voor Genealogie en Boerderijonderzoek VG = Veluwse Geslachten WF = Westfriese Families Afdelingsbladen van de Ned. Gen. Vereniging: 1130 = 11 en 30 (Friesland) Amst = Amstelland Bull = Bulletin (Achterhoek en Liemers) GS = Gooise Sporen LCR = Land van Cuijk en Ravenstein TK = De Twee Kwartieren (Kempen- en Peelland) G. Verkerk: De freule, haar familie en haar oom. [Van Beresteijn, 1475-1972] TK sept. 20. Van wien niet heeft, van dien zal genomen worden ook wat hij niet heeft. [Met 'Stamreeks van Hendriekus (Driek) Brekelmans', 1705-1983] TK april '20. F. Jantzen, E. de Jonge: Is iedere Eper Brouwer een brouwer? Genealogie van een brouwersfamilie. [1570-1963] VG sept. '20. C.R.H. Snijder: Het 'Haarlemse' scherprechtersgeslacht Christiaenssen (ook wel: Nanning of Nannings). [Met 'Genealogie' (17e eeuw-1905), gevolgd door: 'Kwartierstaat van Chrstiaen Nanning (1739-1779)'(Schmidt, van Anholt, Schneider)] OV juli/aug. '20. A. Pennings-Cornelissen: {Kwartierstaat: Cornelissen, Schoonings, van der Heijden, Hermens] LCR mei(?) '20. H.J. Harner: Cromhout, een familie van herbergiers en brouwers in het Ampt Brummen. [Oorspronkelijk Cromholt (1654-1946), bijlagen: 1) 'Parenteel (gedeeltelijk) van Jan Melinck' (vooral Meijlink(s), 1665-1750) en 2) 'Parenteel van Jan Bartolts (Bartels), de oude' (1640-1783)] VG sept. '20. Y. Zomer: de Engelen van Vlaardingen. [Stamreeks voornaam Engel, dus patroniemen Engelsz/Engelsdr, 16e eeuw-1684] OV okt. '20. J.F. Wendte: Laurens Cornelisz. (Ankeveen) en zijn nageslacht Gravendijck en van Noortgouw te Amsterdam, groothandel in vogels (1651-1760). [tot 1760] OV okt. '20. Mw. van der Kuip-Zilvold: De familie de Greef(f), organisten. [1680-1934] OTGB no. 3 '20. P. Op den Brouw: De splising van het abtsgoed Groevenpael in Halvinkhuizen te Putten. [Met twee schema's (o.a. ten Hope), 16e-18e eeuw] GN sept.-okt. '20. Stamreeks van Hermanus Henricus Maria Hulshof. [1597-2000] Bull juli '20. S. Giezen, mw. H. Faassen: Aafke Gesina van Hulst. [Geb. 1868, kwartierstaat, Herdingh, Spannenburg, Menalda] 1130 juli '20. W.T. Molema-Smitshoek: Fragmenten uit mijn kwartierstaat in 's-Gravendeel (deel 2) de familie Huijsman. [Geen kwartierstaat, 16e eeuw-1763] OV sept. '20. Pareenteel van Gerrit Kets. [o.a. Wijers, 1705-1991] Bull juli '20. G. Knake: Genealogie familie Knake (deel 3 en slot). [1814-2009] OTGB no. 3 '20. H. Sijm: Genealogie van Cornelis Jans Koedooder. [1608-1995] WF sept. '20. W.T. Molema-Smitshoek: Fragmenten uit mijn kwartierstaat in 's-Gravendeel – Deel 1. De familie Lapper. [Geen kwartierstaat, 16e eeuw-1716] OV juli/aug. '20. gemmagazine┊november 2020┊pagina 36 van 40 M. Vulsma-Kappers: Kwartierstaat van Reinbert de Leeuw (deel 2). [Vanaf generatie VI] Amst sept '20. Kwartierstaat van Hendrik Lenselink. [Geb. 1859, Roessink] Bull] juli '20. B. de Keijzer, H.M. Kuypers: Geertruyd Jansdr. van Muylwijck, een nog onbekend kind van Jan van Muylwijck Matthijsz. (Heusden-Gorinchem). {Met 'Gezin van Jan Muylwijck Mathijsz.', drie generaties, 15e eeuw-1566] OV sept.'20. J.A. Bakker-ten Have: Parenteel van Hendrik Arents op Pessink. [Ook Dorterkamp, 1655-1841] OTGB no. 3 '20. J.S.L.A.W.B. Roes: Kwartierstaat Roes-Reijrink (deel 3 en slot). OTGB no. 3 '20. Mw. M.G. van Steenbergen: De bierbrouwers Romeijn uit Barneveld. [Met fragmentgenealogie (1552-1959) en bijlagen: 'Enkele families Van de Vliert' (1650-1729), 'Eigenaars van De Brouwerij aan de Grotestraa/Langestraat, later museum Nairac' (Brouwer, 1660-1807) en 'Van Heerd (Heert, Heerde, Heerdt) en Wijn Evertsen Brouwer' (1630-1852] VG sept. '20. R. Dix: De Schenck-Heijnen connectie – Een netwerk van vrije en horige families. [Met 'De kwartierstaat van de neven Hendrik Schenck' (geb. 1674)] GN sept.-okt. '20. M. Vulsma-Kappers: Kwartierstaat van Aart Staartjes.[Asmussen, Schouten, Honingh] Amst sept '20. L. van der Hoeven: Genealogie va n het geslacht Van Tubbergen/Tubbergh/ Tibberen. [17e eeuw-1752] GN sept.-okt. '20. T. van der Vorm: De families Van der Urck en Colen uit Naaldwijk. [16e eeuw-1665] OV juli/aug. '20. R. Dix: De freule en haar pachter.[ Met 'Relatieschema van Westerholt–van LinteloJimmink-Wiemelink'(1726-1892), kwartierstaat van jkvr. Anna Maria Dorothea van Lintelo tot de Marsch (geb. 1743, van Lintelo tot Burchgraaf, baron des Villates, von Cronman), 'Nageslacht van de freule en haar pachter' (Jimmink, Wijers, 1778-1955) en 'Afstammingsreeks van Regnon de Chaigny naar Olivier de Braine-Machecoul, zoon van Pierre Mauclerc de Dreux, hertog van Bretagne' (1231-1723)] GN sept.-okt. '20. M. Flokstra: Huis Ter Horst en de heerlijkheid Horst onder de familie Van Wittenhorst 1523-1754. [Met schema en historische kwartierstaten] LTG no.3 '20. Familie Album Wonder. [Kwartierstaat met foto's, Rijkes, Schoorl, van Zoonen] WF sept. '20. W. Peeters: Zoektocht naar de familie Zimmerman. [1654-1962] GS mei '20.✦ advertentie Wordt een yegelijck bekent ghemaeckt, dat alsoo Jan Kaegman, Francoisse Schoolmeester, tot Hoorn, alreede heeft een seer florisante en aen-nemende Schole van jonge Jeught, omme in allerley rare en konstige Handtwercken, mitsgaders de Francoisse Tale, Lesen, Schrijven, Cijfferen en Boeckhouden, geleert en onderwesen werden, hy nu daer toe van de E.E. Achtb. Heeren Burgermeesteren en Raden der bovengemelte Stede heeft bekomen een seer commodieuse en goede ghelegentheydt van Wooninge, omme een yder na sijn believen en gerief te konnen dienen, soo wel in de heele als halve kost, in diervoegen gelijck hy vertrouwt, dat noyt voor desen yemant sodanigh sal wesen geaccommodeert : soo derhalven yemant ghenegen is sijne Kinderen aldaer te bestellen, die addresseere sich aen de voorsz. Kaeghman, binnen Hoorn, op de Nieuwe-straet, sal een yder na sijn contentement en gelegentheyt, om een civilen Prijs, accommodeeren. [OHC van 30 mei 1665]✦ gemmagazine┊november 2020┊pagina 37 van 40
Page 38
UIT DE NGV PERIODIEKEN Dick Kranen Met de meeste afdelingen heb ik een ruilabonnement lopen waardoor ik een beetje op de hoogte blijf van ontwikkelingen in de afdelingen. En ik verkeer daardoor in de mogelijkheid de heer Harm Klunder op de hoogte te brengen van genealogische publicaties die gepubliceerd zijn in de afgelopen maanden. Maar er is meer te vinden in die bladen. Zo lees ik regelmatig interessante artikelen die ik u niet wil onthouden. Overnemen van zo’n artikel gebeurt wel eens maar ze allemaal overnemen zou te gek worden. Zeker ook omdat ze niet voor iedereen van belang zijn. Ik beperk me tot een zeer korte aanduiding van de inhoud of strekking. Mocht u het hele verhaal willen lezen, dan adviseer ik u contact op te nemen met de secretaris van de betreffende afdeling. U kunt dat eventueel ook via mij opvragen. Er komen steeds meer NGV uitgaven digitaal bij me binnen, ik beperk me nu tot die bladen die ik per post ontving. Afd. Nationaal-Twente, nr. 3-2020 • De keerzijde van een paar bidprentjes: staat er meer dan er is gedrukt? Auteur Jan Oude Munnink, 6 pagina’s • De inwoners van Delden op het einde van het 12-jarig bestand; met lijsten; auteur G.J. Welberg, 5 pag. • Rampspoed over Enschede; behalve de vuurwerkramp in 2000 heeft Enschede ook in 1125, 1224, 1517, 1750 en 1862 rampen gekend. Auteur Marieken Scholtes-Sijses, 6 pag. Afd. Rijnland, no. 3, sept. 2020 • Boedeltaxatie na het overlijden van Maria Willemina van der Zee; met (getypte) lijsten van de taxatie; auteur Anny P.J. Kayservan der Zee; 4 pag. De stadsbrand van 7 mei 1862, afgebeeld in L’Illustration (bron: Wikimedia Commons) Afd. Land van Cuijk en Ravenstein, aug. 2020 • Over lulletjespap, kattenkwaad, eenzaamheid, pesterijen en opspelende hormonen; Artikel over het dagelijks leven op katholieke internaten in Brabant. Onderzoek is gedaan door het BHIC (zie ook: http:// wierookwijwaterenworstenbrood.nl/internaten); auteur Margot America; 3 pag. Een ander standaard onderdeel van het dieet op internaten waren verschillende soorten pappen. Standaard pappen zoals griesmeelen rijstepap worden vaak genoemd door oudkostschoolleerlingen. Op het Sint Theresia Missiehuis, later bekend geworden als Internaat Stapelen, kregen de leerlingen echter ook een pap voorgeschoteld die al gauw de naam ‘lulletjespap’ kreeg. Het is niet bekend wat er precies in zat. Wel zagen de jongens er zo nu en dan een stukje macaroni in drijven, wat de aparte benaming van het gerecht verklaart. Afd. Betuwe, nr. 1, 2020 • De dood van Johannes (Jan) Houtsager; een beschrijving van de moord in 1711 in Tiel en de verzoening van de nakomelingen van moordenaar en slachtoffer in 2011; auteur Harry P. Houtzager; 7 pag. • Historische valkuilen en omgang met originele bronnen (I); auteur P. D. Spies, 5 pag. Afd. Betuwe, nr. 2, 2020 • Tot de dood ons scheidt….; Het verhaal van Jan van Soelen en zijn nakomelingen gemmagazine┊november 2020┊pagina 38 van 40 sinds 1835; auteur Dick Vermeulen, 14 pag. Afd. Zuid-Limburg, nr. 3 , 2020 • De vroegste clerus te Eijgelshoven; sinds 1477; auteur Wim Nolten, 6 pag. • Een inwonerslijst van Echt uit de Franse tijd (1807). Er bestonden twee inwonerslijsten, de ene uit 1796 en de andere uit 1807. Op de lijst van 1796 staan alle inwoners maar die uit 1807 staan alleen de mannen: naam, voornaam, beroep, geb. plaats en geb. datum; 17 pag. Afd. Amersfoort en Omstreken, sept. 2020 • Nefkens Amersfoort 1880-2000, Drie generaties ondernemers in vervoer, auteur van het boek Peter Baas, bespreker Frans Roelvink. 4 pag. • Anna Schut en Johannes van Arler. Connecties met de familie Froger (Dirk, zilversmit en Willem, de tabaksp l a n t e r ) ; b eschrijft de familie vanaf de 17e eeuw; 4 pag. Afd. Friesland, nr. 3, juli 2020 • Bölger en Van der Meulen; Taeke Cornelis Bölger was chirurgijn en vroedmeester te Franeker, etc.; auteur B.D. van der Meulen te Leeuwarden; 4 pag. • De initialen van mijn overgrootmoeder (ATT); verhaal n.a.v. zilveren pepermuntdoosje eigendom van Aaltje Tijsses Tijsma, geb. 1860 te Ferwoude; met nakomelingen uit haar huwelijk met Hendrik Jans Jagersma; auteur Tineke Hartman te Leeuwarden; 7 pag. • Akke van der Bijl (1899-1985), verhaal over de grootmoeder van de auteur die, komend uit Lemmer, in Heemstede als dienstbode aan de slag gaat, etc.; auteur Hinke Woudt-Westra te Delfstrahuizen; 5 pag. Afd. Rotterdam en Omstreken, nr. 3, 2020 • Beroepen van Bartholomeus Labeen (1625-1697); Bartholomeus was Maasschipper, beurtvaarder en tot slot schipbesiender, vnl woonachtig in Venlo; auteur Rob Lambermon; 5 pag.✦ gemmagazine┊november 2020┊pagina 39 van 40

GEM 3:2020


Page 2
COLOFON GEM is de roepnaam van het ’Genealogisch Erfgoed Magazine’ dat weer is voortgekomen uit 'Ons Erfgoed’, van 1993 tot en met 2009 uitgegeven door H.M. Lups te Delft. Overname van artikelen is toegestaan na overleg met uitgever en auteur. Een juiste bronvermelding is vereist. Informatie voor nieuwe auteurs is te vinden op de website. GEM verschijnt in de maanden februari, mei, augustus en november. In verband daarmee is de sluitingsdatum voor de kopij de 15e van de maanden januari, april, juli en oktober. Gemmagazine 2020 pag. van 2 40 Prometheus Sinds 2000 is er samenwerking met de Genealogische Vereniging Prometheus te Delft. Contactpersoon is de heer H. Klunder Heraldisch Bureau Nagtegaal Vanaf 1 januari 2015 worden de door de heer H. Nagtegaal ontworpen familiewapens gepubliceerd in GEM. Abonnementen Deze lopen per kalenderjaar. Een abonnement kost vanaf 2020 € 23.- per jaar te voldoen op bankrekening NL10 INGB 0000 0780 22 t.n.v. D. Kranen. Een digitaal abonnement kost € 12. Voor nieuwe abonnees is er een aantrekkelijke aanbieding actief. Opzegging Dient schriftelijk (bij voorkeur via e-mail) plaats te vinden vóór 1 december. Eindredacteur en uitgever D. Kranen, Molenstraat 73, 6712 CT Ede Tel. 0318-693803 ~ e-mail: info@gemmagazine.nl ~ internet: www.gemmagazine.nl ISSN 2214-2010 ~~~© 2010 GEM Productie: BladNl Afbeelding op omslag Gezicht op Amersfoort, ca 1790, Carel Frederik Bendorp (I), naar Jan Bulthuis, 1824-1825. Rijksmuseum, obj. nr. BI-B-FM-116-28 (fragment) INHOUD ARTIKELEN Colofon In Memoriam Hans Nagtegaal Truus Wijsmuller-Meijer Met Artificial Intelligence zoeken in historisch fotomateriaal Geneal-IX De voornaam VICTOR Naar aanleiding van een archiefvondst/Signalement Samuel Rippe, declamator Enquête Arbeidsomstandigheden 1892 Brandspuit van de Gebroeders Van der Heyden Arbeidslonen in Roermond in 1645 RUBRIEKEN Wapenregister Genealogische publicaties (nr. 128) 2 3 5 12 13 14 18 19 24 31 38 28 35 Gemmagazine 2020 pag. van 3 IN MEMORIAM HANS NAGTEGAAL (1946-2020) Dick Kranen i.s.m. Harm Klunder Op 6 oktober 2019 ontving ik de volgende boodschap van Hans: (..) Ik zou graag doorgaan maar moet de feiten onder ogen zien. Helaas zal ik eind december moeten afsluiten. Dus in nummer 1 van 2020 zullen de laatste registraties geplaatst worden. Daarna volgde het bericht dat er nog enig uitstel mogelijk was, de medische wetenschap staat immers niet stil. We spraken af dat we het per kwartaal zouden bekijken. Maar op 5 mei j.l. ontving ik van Hans dan toch het laatste mailtje betreffende de wapenregistraties van de maand april in GEM: Beste Dick, Hier volgen mijn laatste registraties. Met vriendelijke groet, Hans Ik was er al geruime tijd van op de hoogte dat de regelmatig terugkerende kuren van Hans geen oplossing meer boden. En nu is het dan zover…. Omdat ik verder niet dan 'bij geruchte' op de hoogte ben van Hans' geschiedenis ben ik blij met het verhaal van Harm Klunder. Hij heeft hem soms van nabij gevolgd sinds 1973. Dan is er ook nog een reactie van het Nederlands Genootschap voor Heraldiek die ik u niet wil onthouden. Het verhaal van Harm Klunder Hans was eerst werkzaam als elektronicus bij de (toenmalige) afdeling Natuurkunde van de Technische Hogeschool Delft. In 1996 vertrok hij naar het Centraal Bureau voor Genealogie in Den Haag, waar hij ging werken op als projectleider heraldiek. Hij had vaak uitgesproken ideeën, die niet altijd door zijn bazen gewaardeerd werden. In de jaren 1970 woonde hij naast de heer D. Wijbenga, die veel publiceerde over de Delftse historie. Door hem kreeg Hans ook belangstelling voor geschiedenis, genealogie en heraldiek. Op 1 oktobeer 1973 richtte Hans met anderen de Genealogische Vereniging Prometheus op, een ondervereniging van de personeelsvereniging Prometheus van de Technische Hogeschool. Deze Vereniging heeft veel boeken uitgegeven, waaronder 18 Kwartierstatenboeken, een tweedelige Encyclopedie van Delft, Hollandse Stam- en Naamreeksen en het tijdschrift Kronieken. Hans heeft zeer veel genealogische en heraldische publicaties op zijn naam staan. Ook de Hollandse Genealogische Databank (Hogenda) op internet was zijn idee. Hans werd erelid van de Vereniging en ontving veel waardering voor zijn bijdragen aan vooral de heraldiek. Ook was hij drager van de eremedaille in goud verbonden aan de Orde van Oranje-Nassau. Heraldisch Bureau Nagtegaal ontwierp wapens voor particulieren die werden gepubliceerd in genealogische tijdschriften. Sinds 2015 ook in GEM. Persoonlijke herinneringen van Harm Toen ik begin 1970 in Delft kwam wonen werkte een broer van me al enige jaren bij de bovengenoemde afdeling van de Hogeschool. 40
Page 4
Gemmagazine 2020 pag. van 4 Ook hij was elektronicus en deelde jarenlang zijn werkkamer met Hans. Als ik mijn broer opzocht op zijn werk zag ik ook Hans. Mijn broer was dan ook een van de eerste leden van de Genealogische Vereniging Prometheus en één van de auteurs van het eerste Kwartierstatenboek (1978) Hans benaderde mij voor de realisatie van sommige van zijn ideeën. Zo publiceerden we samen, (aanvankelijk in Kronieken), vanaf 1995 een serie over de wapens van de vroedschapsleden van verschillende Hollandse steden, gebaseerd op boeken met gekleurde tekeningen van Van der Lelie in het archief van Delft. Ik zorgde voor de persoonsgegevens uit boeken en archieven, Hans tekende de wapens. We kwamen hiervoor geregeld samen in Hans' studeerkamer, waar we soms eindeloos discussieerden over welk vogeltje er op zo'n klein getekend wapentje strond. Zo ben ik ook begonnen aan de 'Overzichten Publicaties'. Hans deed de tijdschriften daarvoor bij mij in de bus. Toen er bij de Vereniging een bestuursfunctie vrij kwam werd ik (HK) daarvoor door Hans benaderd. De laatste jaren zag ik Hans heel weinig. Hij kwam trouw op de jaarvergaderingen en soms zagen we elkaar toevallig ergens in Delft. De laatste keer dat ik hem langer sprak was op 8 april 2019. Hij zocht en vond een oplossing voor het ruimteprobleem van de bibliotheek van de Vereniging. Dank zij zijn bemiddeling zijn de boeken nu geplaatst in de bibliotheek van 'Ons Voorgeslacht'. Nederlands Genootschap voor Heraldiek: Wij kunnen niet bestaan zonder onze vrienden. Soms levert een vriend een zodanig grote bijdrage aan ons genootschap en/of het voortbestaan van de heraldiek in Nederland dat hij/zij onze grote en langdurige dankbaarheid verdient. Deze dank willen wij voortaan o.a. uiten door deze personen te onderscheiden met de status van 'Vriend van Verdienste van het Nederlands Genootschap voor Heraldiek'. Met deze benoeming willen we Hans Nagtegaal onze blijvende dankbaarheid tonen voor de schenking van zijn collectie. 40 Ook zijn niet aflatende inzet voor het correct invoeren van deze gegevens op onze website en als adviseur voor de website in het algemeen verdient respect. Zeker daar de persoonlijke last van deze inzet voor hem in deze periode steeds zwaarder is geworden. Met al zijn bijdragen heeft Hans Nagtegaal een enorme impuls gegeven aan de verdere uitbouw en missie van het Nederlands Genootschap voor Heraldiek. Op 28 februari 2020 was het voor ons als bestuur een eer om aan Hans Nagtegaal als eerste deze onderscheidende status te verlenen. (29 februari 2020) Tot zover de teksten van Harm en het NGH. In de volgende aflevering van GEM zal dus voor de laatste keer een aantal wapenregistraties worden opgenomen. Wij wensen de familie Nagtegaal veel sterkte toe bij het verwerken van hun verlies.◉ Voor mekaar Vroeger hield ik alleen van je ogen. Nu ook van de kraaiepootjes ernaast. Zoals er in een oud woord als meedogen meer gaat dan in een nieuw. Vroeger was er alleen haast om te hebben wat je had, elke keer weer. Vroeger was er alleen maar nu. Nu is er ook toen. Er is meer om van te houden. Er zijn meer manieren om dat te doen. Zelfs niets doen is er daar één van. Gewoon bij mekaar zitten met een boek. Of niet bij mekaar, in 't café om de hoek. Of mekaar een paar dagen niet zien en mekaar missen. Maar altijd mekaar, nu toch al bijna zeven jaar. Herman de Coninck Gemmagazine 2020 pag. van 5 TRUUS WIJSMULLER -MEIJER The Germans who negotiated with Truus Wijsmuller in Berlin and Vienna about allowing the children to leave the country, often were impressed by her courage and the boldness she used to get the desired permissions for the children. • Op 8 maart j.l. werd op de Nederlandse tv de documentaire 'Truus Children' vertoond. Dit was voor de redactie aanleiding haar ook in GEM aandacht te geven in dit jaar van herdenkingen. • De aandacht gaat vooral uit naar publikaties in de kranten en de berichtgeving via het ANP. Samenstelling Dick Kranen Jeugd en huwelijksjaren Truus (doopnaam Gertrude) werd in 1896 geboren in Alkmaar als eerste kind in het gezin Meijer. Haar vader werkte in een drogisterij annex apotheek terwijl haar moeder als zelfstandig modiste werkzaam was.. Haar sociaal bewogen ouders gaven het voorbeeld aan Truus. Opkomen voor de verdrukten werd haar 'met de paplepel' ingegoten. In 1913 verhuisde de familie Meijer naar Amsterdam. Het jaar daarop krijgt Truus, die in Alkmaar twee jaar een cursus op de Handelsschool volgde, haar eerste baan en wel bij een bank. Enkele jaren later leerde ze Joop Wijsmuller (1894), bankier bij de Bijbank Javasche Bank, kennen. Ze trouwen in 1922 en gaan wonen aan de Nassaukade. Truus stopt met werken, zoals toen gebruikelijk. Hun huwelijk blijft kinderloos. Haar echtgenoot moedigt haar aan sociaal werk te gaan doen. Sociaal en politiek werk Truus wordt bestuurslid en coördinator bij diverse instellingen op neutrale grondslag. 40 Zo wordt ze coördinator bij de Vereniging van Huiszorg en beheerder van een bewaarplaats voor kinderen van werkende vrouwen. Het werk is onbezoldigd. Ook wordt ze lid van de Nederlandse Vereniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap. Bij de laatste instelling leert ze Mies Boissevainvan Lennep kennen. Mies kennen we uit het artikel 'De Nationale Feestrok’ dat eerder in dit blad verscheen. Vanaf 1933, als Hitler in Duitsland aan de macht komt, reist Truus regelmatig naar Duitsland om familieleden van Joodse kennissen op te halen. In 1938 richt ze in verband met de dreigende oorlogssituatie het Korps Vrouwelijke Vrijwilligers op, het secretariaat is bij haar thuis gevestigd.
Page 6
Gemmagazine 2020 pag. van 6 Wijsmuller bouwt een uitgebreid netwerk op en heeft contacten in alle lagen van de bevolking. Eerste bevrijdingsactie Haar eerste groep kinderen, zes in getal, neemt ze op 17 november 1938 mee uit de overvolle wachtkamer van het Nederlandse consulaat in Hamburg. De douane wil de kinderen uit de trein zetten, maar Truus dreigt met het zestal naar prinses Juliana - die toevallig in de coupé Vrouwelijke vrijwilligers ter beschikking van de overheid Hier ter stede heeft zich een werk-comité gevormd, dat zich belast heeft met de vorming van een vrouwen-organisatie genaamd Korps Vrouwelijke Vrijwilligers. Het korps zal gevormd worden uit vrouwen, die bereid zijn. zich te doen opleiden voor alle diensten waarvoor de overheid een beroep op de burgerij zal moeten doen in geval van oorlog, nationale rampen of andere omstandigheden waarbij zulks noodzakelijk zal blijken. In de eerste plaats is hier gedacht aan de Luchtbescherming, welke een groot aantal zeer uiteenloopende diensten bevat. Het voornaamste doel der organisatie zal zijn dat zij in tijd van nood een aantal getrainde, bekwame vrouwen ter beschikking van de overheid zal kunnen stellen. Voor elke vrouw is naar haar aard en aanleg een eigen taak in de organisatie weggelegd, waardoor zij blijk kan geven van haar burgerzin en van haar daadwerkelijke belangstelling in het algemeen welzijn. Reeds thans kan de organisatie op medewerking van de overheid rekenen. Mevrouw C. de Vlugt-Vlentrop heeft zich bereid verklaard als eere-presidente van het korps op te treden. Bij voldoende deelname zal tot oprichting van een vereeniging worden overgegaan waarvan de werkende leden het Korps Vrouwelijke Vrijwilligers zullen vornten. Het voorloopige adres is: Mevr. G. Wijsmuller-Meijer, Nassaukade 123 b, Amsterdam-W. [De Telegraaf van 17-9-1938] naast haar blijkt te zitten - te stappen. Dat is afdoende voor het douanepersoneel. 40 December 1938: er komt een verzoek uit Engeland De Britse regering besluit in november 1938 om Joodse kinderen tot 17 jaar uit nazigebied op te nemen voor een tijdelijk verblijf. Verschillende organisaties in Engeland bundelen hun krachten in het Refugees Children Movement (RCM). Op 2 december wordt Truus Wijsmuller uitgenodigd om langs te komen bij het pas opgerichte Nederlandse Kinder Comitee. Daar is iemand uit Londen aanwezig, die haar vraagt naar Wenen te reizen om er een zekere Eichmann te ontmoeten. Eichmann is de nazi die dan al verantwoordelijk is voor de gedwongen emigratie van Joodse Oostenrijkers. Misschien zal het Wijsmuller als niet-Joodse lukken om toestemming te krijgen voor het vertrek van Joodse kinderen naar Engeland. Ze vertrekt nog dezelfde dag. Bezoek aan Eichmann Op maandagochtend 5 december om 9.30 wordt ze bij Eichmann verwacht. Ze treft hem in zijn grote kantoor, alleen en geuniformeerd, slechts vergezeld van zijn (herders)hond. Hij blaft haar eerst onvriendelijk en sexistisch af en wil dat zij haar voeten en benen toont. Truus 1 Wijsmuller treedt hem onverschrokken tegemoet. Ze doet slechts zeer gedeeltelijk was hij eist, maar vertelt hem wel direct daarna waarvoor ze komt. 10.000 kinderen wil ze! 'Unglaublich, so rein-arisch und dann so verrückt' concludeert hij. Eichmann denkt haar voor een onmogelijke opgave te stellen door toestemming te geven om op a.s. sjabbat (zaterdag, de joodse rustdag, 10 december) met 600 kinderen af te reizen. Als dat haar lukt mag ze de rest ook komen halen. 1 Nazi’s konden aan de bouw van benen en voeten zien of iemand arisch was of niet. Gemmagazine 2020 pag. van 7 40 Kindertransport te Hoek van Holland Vluchtelingen uit Wenen. Te Nijmegen moest een groep terug. Hoek van Holland 12 dec. Met drie uur vertraging zijn gisteravond (11 dec.) om elf uur 600 Weensche kinderen te Hoek van Holland aangekomen; het grootste gedeelte is op weg naar Harwich. Vierhonderd dezer kinderen zijn van Joodsche afkomst, terwijl de rest katholiek of protestant is of half-Joodsche ouders heeft. Het jongste kind is 51/2 jaar oud. [..] Van de 600 kinderen werden er 200 naar een viertal gereedstaande bussen gevoerd, die kort daarop naar Den Haag vertrokken. De overigen scheepten zich in op het extra ingelegde stoomschip 'Prague' van de Harwichlijn. [..] Zaterdagmiddag om 11.45 uur (10 dec.) had de trein Weenen verlaten en doordat men genoodzaakt was een omweg over Neurenberg te maken, arriveerden de vluchtelingen eerst Zondagavond, twee uur over den vastgestelden tijd, in Hoek van Holland, doodmoe, maar gelukkig, in het besef, dat men een veilige toekomst tegemoet ging. Terug naar Berlijn. Ongeveer een halfuur voor aankomst van deze kinderen arriveerden te Nijmegen per trein uit Berlijn 22 Joodsche kinderen, wier papieren niet in orde waren. Zij waren zonder geleide en reisden niet in transport, zoodat zij moesten worden teruggezonden, hetgeen tot bewogen tooneelen aanleiding gaf. Te bevoegder plaatse te Nijmegen werd medegedeeld, dat volgens de voorschriften alleen kinderen kunnen worden toegelaten, die vergunning hebben ons land binnen te komen, welke vergunning verleend wordt na gezamenlijk overleg tusschen de betrokken regeeringsinstanties en de vluchtelingencomité's. Als regel betreft het dan de ergste gevallen b.v. van kinderen, wier vader in het concentratiekamp vertoeft en wier moeder overleden is. Deze noodgevallen worden ook door vertegenwoordigers dier vluchtelingencomité’s in Duitschland opgespoord. Nu is het vroeger dikwijls voorgekomen, dat reizigers naar Holland zich door hun goede hart lieten leiden en één of meer kinderen, die geen toestemming hadden, ons land binnen te komen, uit Duitschland meebrachten. Er is dezen begeleiders toen echter op gewezen, dat zij aansprakelijk zouden worden gesteld voor eventueele gevolgen; deze waarschuwing blijkt doel te hebben getroffen, want het op dergelijke wijze binnenbrengen van kinderen ls zoo goed als afgeloopen Toen deden zich evenwel voor de grensautoriteiten nieuwe moeilijkheden voor, want nu arriveerden onophoudelijk kinderen zonder geleide. Deze zijn dan óf op eigen gelegenheid van Duitschland naar Nijmegen gereisd, óf door een geleider tot aan het grensstation gebracht, waarna de geleider verdween. Steeds meer gevallen In menig geval heeft het vluchtelingencomité te Nijmegen na overleg met de autoriteiten in Den Haag weten te bereiken, dat deze aan hun lot overgelaten kinderen toch in ons land werden toegelaten, al kwamen zij dan ook zonder toelatingsvergunning hier aan. Dit had evenwel weer nieuwe moeilijkheden tot gevolg, want de aldus in ons land toegelaten kinderen deelden in hun brieven hun bevindingen mede aan relaties in Duitschland. Het gevolg was, dat steeds meer kinderen zonder geleide in Nijmegen aankwamen. Zoo menigvuldig werden deze gevallen, dat eindelijk de autoriteiten besloten hebben er een einde aan te maken en de kinderen terug te sturen. Vermoedelijk heeft men zich daarbij laten lelden door de overweging, dat allereerst de kinderen, die officieel toestemming hebben, aan de beurt moeten komen om toegelaten te worden, te meer omdat dit meestal de droevigste gevallen betreft. De 29 vluchtelingetjes uit Berlijn zijn hierom onverbiddelijk geweigerd. Men wees ons er op, dat de route van Berlijn naar ons land zeker niet over Nijmegen voert, zoodat men een speciale reden gehad moet hebben om de kinderen naar hier te dirigeeren. Vermoedelijk is dit geschied in de wetenschap, dat bij vele vorige gevallen de grensoverschrijding wel gelukte, zoodat men hier het meeste succes verwachtte. Zooals echter uit het gebeurde blijkt, zijn de grensautoritelten alhier van nu af aan verplicht alle dergelijke gevallen onherroepelijk terug te wijzen. Met den trein van 8.14 zijn de kinderen, die hier om 6.43 aankwamen, weer naar Duitschland teruggezonden. Namens het Kindercomité was mevrouw G. Wijsmuller de Weensche kinderen tot Keulen tegemoet gereisd, waar zij het transport van andere comitéleden heeft overgenomen. Reeds in Keulen kwamen de Duitsche douane in den trein, waardoor oponthoud aan de grens vermeden werd. Van de ambtenaren is alle medewerking ondervonden; ook het passeeren van de Nederlandsche grens geschiedde vlot. Dc kinderen waren van twee tot zeventien jaar oud. Degenen, die voor Engeland bestemd waren, hadden witte, die voor ons land roode kaarten. Zij waren afkomstig uit verschillende bevolkingsgroepen te Weenen. Dezer dagen worden 16 kinderen uit Hamburg verwacht, en 63 uit het Rijnland. [..] Heden werd niemand bij de kinderen toegelaten, daar de Geneeskundige Dienst opdracht heeft eerst een nauwkeurig onderzoek naar den gezondheidstoestand der kinderen in te stellen vóór ze met de buitenwereld in contact kunnen komen. [..] [Soerabajasch Handelsblad 22-12-’38]
Page 8
Gemmagazine 2020 pag. van 8 Ze heeft vijf dagen de tijd, maar het lukt! Het verloop van deze actie kunt u lezen in het uitgebreide kranten artikel op de volgende pagina, afkomstig uit n.b. het Soerabajasch Handelsblad van 22 december 1938. Ook in haar boek 'Geen tijd voor tranen' op de pagina’s 69 e.v. kunt u lezen hoe het haar lukte. Het contact in Engeland is Lola Hahn-Warburg, die op een gegeven moment, als ze hoort van de voorspoedige gang van zaken (maar er ook door is overvallen) zegt 'U bent toch gestuurd om te praten?'. In Nederland werkt ze nauw samen met sociaal werkster Gertrude van Tijn van het Comité voor Bijzondere Joodse Belangen dat weer onderdeel uitmaakt van het Comité voor Joodsche Vluchtelingen, Mies Boissevain-van Lennep en vele anderen. Truus is extra gemotiveerd sinds ze in Wenen met eigen ogen heeft gezien hoe misdadig en mensonterend Joden worden behandeld. Maar in Nederland wilde niemand haar geloven…. December 1938-september 1939: Kindertransporten in meervoud Tussen december 1938 en het uitbreken van de oorlog op 1 september 1939 organiseert Wijsmuller meerdere keren per week reizen met kinderen tot 17 jaar vanuit nazigebied; meestal naar Engeland, maar ook naar Nederland en later naar België en Frankrijk. Ze onderhoudt contacten met alle bij de reizen betrokken partijen in meerdere landen, waaronder ook de trein- en bootondernemingen, en draagt de verantwoordelijkheid voor de reisdocumenten. Voor haar zelf accepteert ze nooit geld. Wijsmuller herinnert zich dat de organisatie eigenlijk meteen voor elkaar was dankzij de Joodse comités in Wenen, Frankfurt, Hamburg, Breslau en Berlijn (en later nog Praag, Danzig en Riga) die de transporten met grote zorgvuldigheid voorbereidden. 40 Kinderen in het Burgerweeshuis Vanaf maart 1939 is Wijsmuller als bestuurder betrokken bij het Amsterdamse Burgerweeshuis, waar vanaf dan Duitse vluchtelingenkinderen worden ondergebracht. Zowel zij als haar man tonen zich nauw betrokken bij de kinderen. Ze komen in groepjes bij hen thuis logeren en ze nemen de kinderen mee op uitjes, bijvoorbeeld naar dierentuin Artis. De kinderen noemen haar 'tante Truus'. Juni-juli 1939: de St. Louis en de Dora In juni 1939 wordt aan bijna 1.000 Joodse vluchtelingen op het schip de St. Louis door de Verenigde Staten, Canada en Cuba de toegang geweigerd. Uiteindelijk worden ze toegelaten in een aantal Europese landen. Het schip mag binnenlopen in de haven van Antwerpen. Als lid van de Nederlandse delegatie gaat Truus aan boord. Na de onderhandelingen verwelkomt ze de 181 vluchtelingen die in Nederland zijn toegelaten. In juli 1939 is Wijsmuller betrokken bij het vertrek van kinderen met het vrachtschip de 'Dora', dat met 450 vluchtelingen clandestien aan wal zal gaan in Palestina. Joodse vluchtelingen aan boord van de St. Louis die op 3 juni 1939 pogen te communiceren met vrienden en familieleden op Cuba, die toestemming hadden om met kleine bootjes naar het schip te varen. (United States Holocaust Memorial Museum/National Archives and Records) September-december 1939: laatste reizen vanaf de Duitse grens De mobilisatie ontwricht het treinverkeer en de grens bij Bentheim wordt in september 1939 gesloten. Als Truus op 31 augustus te horen krijgt dat er in Kleef een groep kinderen van de jeugdaliya is gestrand, regelt ze reisdocu 1 1 Organisatie die zich bezighoudt met de voorbereiding van jongeren tot 18 jaar op emigratie naar Palestina. - Gemmagazine 2020 pag. van 9 menten, haalt de groep met bussen op en brengt ze naar de boot in Hoek van Holland. Op 1 september krijgt ze een telefoontje uit Duitsland, dat er op hetzelfde station 150 jongens van een ORT-school niet verder kunnen. 1 De NS stellen een trein voor haar samen bestaande uit restauratiewagens. Op het station treft ze ook een groep van 300 orthodoxe mannen uit Galicië aan. Wijsmuller geeft de Duitsers te verstaan, dat ze niet moeten zeuren over de laatste groep: 'dit zijn tenslotte toch ook jongens.' Het is de laatste grote groep die via Vlissingen naar Engeland vertrekt. In november en december 1939 haalt Wijsmuller nog geregeld gevluchte Joden, uit o.a. Wenen, in Bentheim op, die papieren hebben voor Amerika. Ze vertrekken met de Holland Amerika Lijn uit Rotterdam. Nieuwe transporten vluchtelingen uit Duitschland in komende weken Naar wij vernemen zijn de komende weken wederom groote transporten Joodsche vluchtelingen uit het Duitsche rijk, vooral uit Wenen te Rotterdam te verwachten, vanwaar zij met schepen van de Holland-Amerika Lijn naar de Vereenigde Staten zullen vertrekken. De Duitsche autoriteiten verleenen voor deze emigratie volledige medewerking. Het betreft hier voornamelijk personen, die in Amerika familieleden hebben. Er ls voor deze emigratie krachtige financieële steun verleend door de groote Joodsche hulporganisaties H.I.C.C.M. en American Joint Distribution Committee, waarvan de Europeesche bureaux te Parijs gevestigd zijn. Het Joodsche vluchtelingencomité te Amsterdam en de Vereeniging Montefiore aldaar, verleenen hun bemiddeling en hulp voor de toelating dezer transmigranten in ons land en hun logies. De volgende week kan ook weer een transport van ongeveer honderd Duitsche Joodsche kinderen, onder leiding van mevr. G.Wijsmuller-Meijer van het Amsterdamsche comité, te gemoet gezien worden. [DeTelegraaf van 24 nov. 1939] 1 ORT school: beroepsopleiding met een idealistisch gehalte 40 September 1939-mei 1940: Reizen naar Engeland en Zuid-Frankrijk Van september 1939 tot mei 1940 begeleidt Wijsmuller groepen Joodse kinderen en volwassenen die in Nederland, België, Denemarken en Zweden gestrand zijn. Met hen gaat ze per vliegtuig naar Amsterdam en vandaar met het vliegtuig naar Engeland of per trein naar het onbezette Zuid-Frankrijk. Truus zorgt ook voor de zo moeilijk verkrijgbare reisdocumenten. Ze wordt beschreven als een geboren reisleidster, die de volwassenen kan geruststellen en de kinderen tijdens de lange treinreis uitnodigt tot zingen en toneelspel. In november 1939 wordt Wijsmuller in Marseille gearresteerd en hardhandig verhoord: de Fransen denken met haar de gezochte Duitse spion 'Erika' in handen te hebben. Maar er is geen bewijs en ze wordt vrijgelaten. Vanuit Marseille proberen groepen vluchtelingen Palestina te bereiken, destijds een Engels mandaatgebied. Mei 1940: kinderen uit het Burgerweeshuis met de 'Bodegraven' naar Engeland Truus Wijsmuller is in Parijs om een kind weg te brengen als de Duitse troepen Nederland binnenvallen op 10 mei 1940. Binnen drie dagen is ze terug in Amsterdam, waar ze bij aankomst onmiddellijk wordt ondervraagd door politiefunctionarissen. De garnizoenscommandant van Amsterdam geeft haar een verzoek uit Londen door om de 74 kinderen uit het Burgerweeshuis in veiligheid te brengen. Zij weet hen aan boord van het vrachtschip de Bodegraven te brengen. Het is het laatste schip dat de haven van IJmuiden verlaat, slechts enkele minuten voor de overgave van de Nederlandse regering. Zelf besluit Wijsmuller in Nederland te blijven, omdat ze haar echtgenoot niet alleen wil laten. Bovendien weet ze dat er meer werk te doen is. Mei 1940-1943: Hulp voor Joodse kinderen tijdens bezetting Na de capitulatie reist ze naar Brussel en overlegt daar met het Belgische Rode Kruis en het
Page 10
Gemmagazine 2020 pag. 10 van 40 Kindercomité. Ze legt er contact met Benno Nijkerk (1906-1944 Neuengamme), een Nederlandse zakenman, die firmant is van een groothandel in metalen in Amsterdam met een filiaal in Brussel. Hij zal lid worden van het 'Comité de Defense des Juifs' en later medewerker van Dutch-Paris, een ondergronds netwerk van het Nederlandse, Belgische en Franse verzet. Met Nijkerk spreekt Wijsmuller af zoveel mogelijk kinderen naar het zuiden te brengen, met én zonder papieren. Nijkerk laat in Brussel identiteitspapieren vervalsen en Wijsmuller zal ze naar Nederland smokkelen. In juni 1943 reist ze voor het laatst met Joodse kinderen op weg naar de Spaanse grens. Contacten met nazi's In haar uitgebreide netwerk bevinden zich ook nazi-contacten. Ze maakt er regelmatig gebruik van wanneer ze iets gedaan wil krijgen. Zo krijgt ze van een Gestapo-medewerker, die vindt dat kinderen bij hun ouders horen(!), reisdocumenten voor Joodse kinderen om het land te verlaten. Eerder had ze zijn uitnodiging geaccepteerd om met hem iets op een Amsterdams terras te drinken, nadat hij haar herkende op straat. Ze hadden elkaar leren kennen tijdens de kindertransporten. In mei 1941 krijgt Truus de opdracht te stoppen met haar activiteiten anders zal het slecht met haar aflopen. Ze houdt zich van den domme en doet, alsof ze niet begrijpt hoe ernstig de situatie is. Ze staat nog steeds bij de Duitsers bekend als die verrückte Frau Wijsmuller, omdat ze Joden helpt, en nog wel voor niets. Mei 1942: arrestatie Truus Wijsmuller In mei 1942 wordt Truus dan toch gearresteerd en in bewaring gesteld in de gevangenis op de Amstelveenseweg. De Gestapo verdenkt haar (terecht) van het smokkelen van valse identiteitspapieren en vluchtinformatie voor Joodse Nederlanders die via België en Frankrijk naar Zwitserland ontkomen. Zoals al eerder werd gemeld werkt Truus samen met de zakenman Benno Nijkerk van het 'Comité de Defense des Juifs'. De vluchtelingen kennen echter alleen haar schuilnaam 'Madame Odi' en Wijsmuller moet na enkele dagen weer worden vrijgelaten. Ze houdt contact met Nijkerk. Eind 1943 wordt reizen naar het buitenland zo goed als onmogelijk. September 1944: weeskinderen uit Westerbork In september 1944 verneemt Truus dat 50 Joodse 'weeskinderen', in dit geval zijn dat kinderen die zonder hun ouders zijn opgepakt, uit Westerbork gedeporteerd zullen worden. Een aantal van hen bracht ze eerder voedsel in het Amsterdamse Huis van Bewaring. Met een wetsartikel van eigen makelij stapt ze naar de nazi's. Ze pleit voor een 'voorkeursbehandeling': Wijsmuller houdt vol dat het om kinderen gaat van Nederlandse moeders en Duitse soldaten. Volgens haar wetsartikel zijn de kinderen Nederlands. De kinderen zullen in Theresienstadt terechtkomen, steeds als groep bij elkaar blijven, en de oorlog overleven. Typering van Truus Wijsmuller In de eerste plaats: met een groot hart voor kinderen, zeker voor kinderen in de verdrukking. Maar alleen met een groot hart had Truus niet kunnen bereiken wat ze voor elkaar heeft gekregen. Daarvoor was kordaatheid, praktisch inzicht, organisatievermogen en goed kunnen net-werken nodig. Plooibaar in de omgang met autoriteiten. Dat wil zeggen op zijn tijd brutaal maar ook innemend en overtuigend. Na de oorlog Na de oorlog blijft Truus actief. Gemmagazine 2020 pag. 11 van 40 Zo spoort ze als KVV-ster en medewerkster van UNRRA ontheemde kinderen in Duits 1 - land op. Daarna volgen uitzendingen naar Engeland, Zwitserland en Denemarken van ondervoede kinderen uit Nederland. In oktober 1945 wordt in Amsterdam een noodgemeenteraad in het leven geroepen; Israel dankt Nederland De Israëlische gezant, Doctor Ezra Yoran, heeft vandaag in den Haag aan een aantal Nederlanders certificaten overhandigd als erkenning voor de hulp van de Nederlandse afdeling van het 'Oevre de secours enfants’. Deze afdeling schonk twee kinderbewaarplaatsen, die werden opgetrokken- in de immigrantenwijk in Jeruzalem. De Isrealische gezant overhandigde een certificaat van inschrijving in het gouden boek van het Joods nationaal fonds aan het Eerste-Kamerlid, Mejuffrouw meester Tjeenk Willink, aan mevrouw Wijsmuller-Meijer, lid van de Amsterdamse gemeenteraad, aan de kinderarts doctor Boekholt en de oud-voorzitter van de eerste Kamer, professor Kranenburg. [ANP 10 feb. 1955] Truus Wijsmuller wordt gevraagd hier lid van te worden. In 1949 wordt ze voor de VVD met de meeste voorkeurstemmen in de gemeenteraad verkozen. Ze zal er lid van blijven tot 1966. Daarnaast gaat ze door met haar sociale werk in binnen- en buitenland, onder andere voor de stichting Diogenes en voor de oprichting van een ziekenhuis in Suriname. In 1957 is ze een van de oprichters van de Anne Frank Stichting waarvan ze tot 1975 bestuurslid blijft. Hieronder ziet u enkele ANP berichten waarin haar naoorlogse activiteiten naar voren komen. In het artikel heb ik soms een keuze moeten maken: wat moet er wel worden genoemd en wat niet. Een lastige keuze! Haar man, Joop Wijsmuller, overlijdt op 31 december 1964. Haar huishoudster en factotum, Cietje Hackmann, blijft bij Truus Wijsmuller wonen tot haar overlijden op 30 augustus 1978. Huldiging mevrouw Wijsmuller-Meijer Ter gelegenheid van haar zestigste verjaardag is gisteren in Amsterdam mevrouw G. Wijsmuller gehuldigd door een Joods ere-comité. De voorzitter, doctor Veder, sprak van de onbaatzuchtige opoffering, het doorzettingsvermogen en de bewonderingswaardige moed, die zij sedert 1933 heeft getoond bij de hulp aan en de redding van talloze in nood verkerende Joden, in het byzonder kinderen. Mevrouw Wijsmuller werd ingeschreven in het gouden boek van het Joods Nationaal Fonds Bij deze gelegenheid werd haar een album aangeboden met de handtekeningen van Joden over de gehele wereld. In verscheidene toespraken werden de grote verdiensten van mevrouw Wijsmuller gememoreerd. Zo herinnerde doctor Gerstenfeld als vertegenwoordiger van de international organisatie voor hulp aan Joodse kinderen aan de honderdduizenden Joodse kinderen, die vlak na de oorlog voeding en onderdak kregen dank zij haar bemoeiingen.[ANP 23 april 1956] Mevrouw Wijsmuller naar Suriname Het Amsterdamse gemeenteraadslid, mevrouw Wijsmuller-Meijer, is met de Oranjestad naar Paramaribo vertrokken. Ze gaat er voor de zesde keer een hoeveelheid medisch materiaal overhandigen aan de Surinaamse gezondheidsautoriteiten. De Oranjestad heeft op zijn reis onder meer twee ambulanceauto’s aan boord en de meubilering voor de huisjes voor TBC-patienten, die vorig jaar achter het ziekenhuis van Paramaribo zijn neergezet. [ANP 9 aug. 1963] Tot haar dood heeft 'tante Truus' contact onderhouden met kinderen die zij heeft gered: van Nederland tot Israël. Bronnen • Geen tijd voor tranen door G. Wijsmuller-Meijer (1961). Dit pocketboek is uitverkocht maar gedigitaliseerd door de Historische Vereniging Alkmaar. In te zien en te lezen op https://issuu.com/archiefalkmaar/docs/ truus_wijsmuller-meijer_geen_tijd_voor_tranen-klei • Documentaire 'Truus Children' uit (8-3-20), een productie van Pamela Sturhoofd en Jessica van Tijn.◉ 1 De United Nations Relief and Rehabilitation Administration (UNRRA) was een internationale commissie die in 1943, tijdens de Tweede Wereldoorlog, werd opgezet om hulp te verlenen aan landen die bevrijd waren van de asmogendheden..
Page 12
Gemmagazine 2020 pag. 12 van 40 2 miljoen foto’s online doorzoekbaar MET A(RTIFICIAL) I(NTELLIGENCE) ZOEKEN IN HISTORISCH FOTOMATERIAAL Het Nederlandse fotografische geheugen is in toenemende mate online beschikbaar. Hoe zorg je ervoor dat je daarin doeltreffend kunt zoeken? Artificial Intelligencetechnieken kunnen helpen. Mathilde Jansen De meeste beeldherkenningsalgoritmes zijn getraind op modern fotomateriaal en presteren daarom minder goed op historische beelden. Door de algoritmes te trainen op historisch materiaal kan het fotografisch geheugen aanzienlijk worden verbeterd. Melvin Wevers van het KNAW Humanities Cluster werkt aan zo’n algoritme voor de twee miljoen foto’s uit de periode 1945-2004 van Fotoper sbureau De Boer. De foto’s liggen in de depots van het Noord-Hollands Archief. Een deel is gedigitaliseerd en wordt vanaf deze zomer door vrijwilligers van velehanden.nl van labels voorzien. Het door Wevers ontwikkelde algoritme is daarbij leidend. Sneeuw of zand? Bestaande beeldherkenningstechnieken werken soms al heel goed, legt Wevers uit, omdat de algoritmes getraind zijn op specifieke datasets voor specifieke taken. “Zelfrijdende auto’s zijn bijvoorbeeld heel goed in het herkennen van verkeersborden. Maar veel objecten verschillen door de tijd heen te veel: een telefoon ziet er anders uit dan tien jaar geleden. Bovendien bevatten veel datasets geen historisch materiaal. Het labelen van afbeeldingen gebeurt deels handmatig. Ook wordt gebruikgemaakt van labels die eerder zijn toegevoegd. In samenspraak met het Noord-Hollands Archief komt Wevers zo tot een lijst met labels. Credits: Noord-Hollands Archief nereert. Naar 90 procent Het algoritme heeft nu een correcte score van 85 procent, Wevers streeft naar 90 procent. “Ik hoop uiteindelijk een algoritme te ontwikkelen dat niet alleen toepasbaar is op deze collectie, maar ook op andere collecties, zoals die van het Nationaal Archief.” velehanden.nl ◉ *Met toestemming van E-Data & Research overgenomen uit het juni/2020 nummer “En dan hebben we het nog niet over de kwaliteit van de afbeelding of de techniek. Veel oude foto’s zijn in grijstinten; een sneeuwlandschap en een strand zijn moeilijk van elkaar te onderscheiden. Mogelijke oplossingen zijn om met AI oude afbeeldingen automatisch te laten inkleuren, of bestaand trainingsmateriaal juist zwart-wit te maken.” Toch werkt Wevers met bestaande algoritmes voor een eerste indicatie. “Een bestaand model is op heel veel afbeeldingen getraind. Sportwedstrijden worden bijvoorbeeld makkelijk herkend. Maar veel van die afbeeldingen komen van websites als Flickr, en hebben een sterke Amerikaanse bias.” Het labelen van de afbeeldingen gebeurt daarom deels handmatig. Ook maakt de onderzoeker gebruik van labels die eerder zijn toegevoegd door de fotografen van persbureau De Boer. In samenspraak met het NoordHollands Archief komt Wevers zo tot een lijst met labels. Dat wordt de input voor het Vele Handen- project: mensen kunnen straks kiezen uit de labels die het computeralgoritme geGemmagazine 2020 pag. 13 van 40 WELKOM In Nederland zijn talloze regionale en plaatselijke archieven, waar online scans van originele doop, trouw-, begraaf-, en lidmatenboeken worden aangeboden. Ook zijn veelal akten van de Burgerlijke Stand en het Bevolkingsregister te raadplegen. Er is heel veel informatie digitaal en online beschikbaar, maar de grote vraag is: Waar vind je wat? Met de aangeboden links op deze site, kunt u per provincie, per plaatsnaam, eenvoudig in één overzicht zien, welke boeken u online kunt raadplegen. U hoeft niet eerst te zoeken bij welk archief u moet zijn, om vervolgens te verdwalen in de aangeboden mogelijkheden, die een archief kan bieden. Momenteel zijn op Geneal-IX veel links naar dtbl-boeken geplaatst, evenals de akten van de Burgerlijke Stand en het Bevolkingsregister, maar op termijn zal de site aangevuld worden met links naar andere akten en documenten, die online beschikbaar zijn gemaakt in Nederlandse archieven. Hebt u vragen of opmerkingen, dan kunt u contact opnemen door een mail te sturen naar: Aldus de introductie op de website. De opzet van Geneal-IX is bedacht door Bernadette, die verder onbekend wil blijven. Genealix, de geniale index voor archieven: Waar vind je wat? Degene die Geneal-IX heeft opgezet, liep vooral tegen het probleem aan van:’Waar vind ik wat ik zoek?’. Ieder archief heeft zo zijn eigen manier van opzet en zoekmethode. En dan bedoel ik niet het simpel online zoeken naar een naam. Als je iets zoekt wat (nog) niet online staat, dan kan dit uitdraaien op een moeizame zoektocht. Opzet per provincie De DTB-boeken en de registers van de Burgerlijke Stand zullen u misschien al bekend zijn. Maar voor andere dingen moet je vaak veel zoeken voordat de juiste bron wordt gevonden. Genealix is opgebouwd per provincie en vervolgens per plaatsnaam. Per plaatsnaam vind je een overzichtelijke lijst met links naar de boeken en bronnen, met uitleg en periodes. Als je bijvoorbeeld, zoals ik, wil weten wat er zoal over Grave is te vinden, dan is de route daar naar toe: kies de provincie Noord-Brabant en vervolgens de plaats Grave. Dan opent zich een lijst die begint met de bevolkingsregisters en daaronder justitie, notarieel, dtb etc. Wanneer u wilt weten welke archiefstukken er in het Notarieel Archief van Grave te vinden is van notaris Ludolph de Haen (1648-1695) dan komt u na het klikken op zijn naam terecht bij het Brabants Historisch Informatie Centrum en het geheel gedigitaliseerde archief van deze notaris. Er wordt dus doorgelinkt naar het archief zelf. Er staan geen buitenlandse archieven op Genealix. Een uitzondering is het Frans Archief. Daar vind je bevolkingsregisters van gemeenten in Limburg (NL en B), van 1794 tot 1814. Conclusie Genealix heeft nu al 160.000 links naar Nederlandse archieven (eind mei 2020). Dit maakt het een fantastisch startpunt om te graven in archieven waar je het bestaan nog niet van wist. En we mogen nog meer verwachten zoals de tekst op de website belooft! Van harte aanbevolen! Dick Kranen P.S.: website:https://www.genealix.nl ◉
Page 14
Gemmagazine 2020 pag. 14 van 40 DE VOORNAAM VICTOR: EEN MOLENAARSNAAM Hans van den Broek Bij heemkundig onderzoek naar achtergronden van het molenaarsvak bleek dat in menig [katholieke] molenaarsfamilie een zoon Victor werd genoemd. Opvallenderwijs draagt de eerste die in een dergelijke familie het beroep van molenaar uitoefent vaak niet de naam Victor. Blijkbaar wil de naamgevende vader-molenaar de bedoeling uitstralen dat zijn zoon hem op zal volgen als molenaar. Er zijn overigens meerdere voorbeelden aan te wijzen waarbij ouders door middel van naamgeving hun toekomstverwachtingen voor een pasgeborene te kennen gaven. In doktersfamilies komen we namen van beroemde dokters tegen zoals Cosmas, Damianus, Galenus en Theophrastus. Ik verwijs verder naar het verschijnsel om een zevende zoon naar de heilige Lodewijk, Louis, of een plaatselijk heerser zoals de Nederlandse koning, Willem-Frederik, te vernoemen. Dit in de hoop dat het de boreling later materieel voordeel zou opleveren. Ook het gebruik om door middel van naamgeving gevreesde ziektes af te weren past in deze gedachtenwereld. Zo vonden we families waarin de naam Cornelius aan pasgeborenen werd gegeven om dodelijke stuipen te voorkomen, Hubertus om hondsdolheid af te weren of Adrianus danwel Antonius tegen het toeslaan van de pest. Victor bij molenaars. In katholieke streken hadden beroepsgroepen van oudsher een patroonheilige. Aan de naam van de heilige was dan zichtbaar om welk ambacht het ging. Bij molenaars is die naam ontleend aan de Romeinse officier Victor van Marseille. Volgens de legende werd Victor in de derde eeuw omwille van zijn geloof ter dood veroordeeld door de Romeinse keizer. Hij zou vermorzeld gaan worden onder twee molenstenen. Maar toen zijn beulen poogden hem hiermee te doden braken beide stenen als bij wonder in stukken. De heilige werd toen maar onthoofd of volgens een andere overlevering gekruisigd. Molenaarsfamilie en de naam Victor Een familie van molenaars waar de naam Victor vaak zichtbaar is, is de familie Theeuwes uit de omgeving van Gilze. In 1815 vestigt Jan Baptist (Tiest) Theeuwes zich als molenaar op de Heimolen ofwel de 's Heerenmolen in Gilze. Zijn zoon Jef neemt deze molen over. Molen Nooitgedacht te Woudrichem Victor van Marseille. herkomst: Quistnix at Dutch Wikipedia Zijn andere zoon, Koos Theeuwes, koopt molen de Zeldenrust in Rijen. Koos’ molen floreert dankzij de opkomst van de looierijen en bijgevolg de grote vraag naar gemalen eikenschors. De ondernemende Koos plaatst in 1876 als één van de eerste molenaars in Brabant een stoommachine. Als Koos in 1896 overlijdt, hebben al zijn tien zonen een eigen bedrijf als molenaar of leerlooier. Koos’ negende zoon heet Victor en is molenaar in Rijen. Gemmagazine 2020 pag. 15 van 40 Van de 15 molenaars die ik in deze familie kon traceren heten er 4 Victor. Verder zijn er 9 molenaarskinderen die uiteindelijk geen molenaar geworden zijn en ook Victor tot voornaam hebben gekregen. De 4 molenaars met de naam Victor uit de familie Theeuwes: • Antonius Victor THEEUWES, Rijen 31.7.1864 Rijen 21.2.1945; Molenaar op de Zuidmolen in Rijen van 1897-1921 en op de maalderij 1921-1945. Opvallend is dat zijn roepnaam Victor is. • Victor Petrus THEEUWES, Teteringen 18.1.1890 - Teteringen 28.12.1953 Molenaar te Teteringen 1925-1953 • Victor Johannes THEEUWES, Baarle-Nassau 13.1.1920 - Baarle-Nassau 27.2.1992 Molenaar Baarle-Nassau 1941-1956 en op de maalderij 1956-1980. • Victor Adrianus THEEUWES Breda 16.6.1945; hobbymolenaar op molen van Moergestel Vergelijkbare voorbeelden vond ik bij meerdere molenaarsfamilies. • Victor Cornelis Petrus van de Reijt [Rucphen Sprundel geb. 1.11.1876] is graanmolenaar te Ginneken. • Diens zoon Victor Johannes Wilhelmus van de Reijt [Ginneken geb 9.12.1910] is eigenaar van molen de Hoop Breda Princenhage. • Johannes van Heeswijk [Heesch 20.12.1829 - Veghel 17.11.1912] begint als molenaarsknecht te Vlierden, wordt daarna molenaar op de Leunense molen [Venray] en uiteindelijk op de molen Hoenderbosch te Uden. • Zijn zoon Victor-Pieter [Venray 7.1.1867 - Uden 27.2.1938] wordt ook molenaar en sticht later Meel- & Mengvoederbedrijf VICTORIA te Veghel. • Molen De Korenbloem in Ulvenhout, gebouwd in 1909, wordt in 1914 overgenomen door molenaarszoon Victor Johannes Adriaan van der Westerlaken. • Victor Petrus van der Meulen geb 22.02.1849 te Uden is het 7e kind van molenaar Adrianus van der Meulen. • Molenaar Gerrit Dikmans is gezegend met 14 kinderen waarvan 9 zonen. Hij bouwt in 1862 bergkorenmolen De Beer en de Negen Gebroeders. Zijn zevende zoon, Victor geheten wordt de eerste molenaar op de Negen Gebroeders, van 1863 tot 1888. • De Heer van Venray geeft in 22.03.1817 de koren-, looi- en oliemolen voor 80 jaar in erfpacht aan Andreas Victor Asselberghs, geb. 5.12.1774 te Loenhout. Die stamt uit een molenaarsfamilie uit de Kempen respectivelijk Bergen op Zoom. • Victor’s vader, Joannes Asselberghs pachtte in 1777 de molen van den Kinschot, te Rijkevorsel in België. Diens vader Petrus Asselberghs was ook reeds molenaar. • Hier komt dus in de derde generatie de naam Victor bovendrijven in 1774. Voorheen is deze naam in de (grote) gezinnen niet aanwezig. De Sint Viktormolen te Someren [eigen opname] • Vanaf 1828 fungeert de familie Peters als molenaar op de Drakenmolen te Hoensbroek aanvankelijk als pachter. • De derde opeenvolgende molenaar uit deze familie, kleinzoon Peters, is hier werkzaam vanaf 1908, en koopt de molen.
Page 16
Gemmagazine 2020 pag. 16 van 40 • Zijn zoon Ferdinand Victor Hubert verkoopt de molen in 1964. • De molenaarsfamilie Aerden/Aarde te Nispen. • Reeds sinds 1561 komen uit deze familie vele molenaars voort. Geen enkele heet er Victor tot de hieronder vermeldde in 1898 in beeld komt. • Grootvader Johannes Ludovicus Aerden bezit vanaf 1854 de ‘beltmolen van Aerden’ te Nispen. • Zijn zoon Aloysius bedient de molen van 1896-1926. • Kleinzoon Victor [1898-1970] is er molenaar vanaf 1926. • Ook de familie Schrauwen is een molenaarsfamilie • Peter Schrauwen [overleden 1896], voorheen molenaar te Rijsbergen en zijn zoon Victor [1877-1961] waren vanaf 1896 molenaar op standerdmolen de Hoop te Roosendaal. Victor wordt later ook als handelaar in graan 1940 vermeld. • Victor van der Westerlaken [1888-1972] van molen de Korenbloem in Ulvenhout is de zoon van een molenaar uit Chaam, Antonij Marcelis van der Westerlaken [1851- 1914]. Enige vooralsnog niet in molenaarsfamilies te plaatsen molenaars met de naam Victor. • Victor Willems (1910 - 1983) was de laatste molenaar op de Schaloensmolen [watermolen] te Valkenburg. • Victor van de Poel 1794-1821 uit Goirle, was molenaar van de windmolen aan de Abcoven. • Enkele Victor geheten molenaars uit België opgespoord via internetsite: molenechos: • Petrus Victor Spruyt te Waarloos; overl. 1884 • molenaar Victor Spruyt; overl. 1987 • Victor Cyriel Callewaert 1983-1965 aan de Waterdam • Victor de Brauwere 1883-1899 Molen Acke te Oudenburg • Jozef Victor Peijnen van Duppen 1933 van de Zwarte molen te Kasterlee. Grootvader en vader waren er ook molenaar. • Victor Adrien van Houdt-Raeymaekers 1870-1875 van de Gansakkermolen te Geel komt ook uit een familie van molenaars. • Frans Bakelants maalt te Geel 1920-1991, zijn zoon Victor helpt hem op de molen. • Victor Frans Biermans 2.8.1900 is te Wommelgem op Biermans Molen 1900; zijn vader is molenaar. • Lievin Victor van Breedam maalt van 1834-1874 op de Molen van Blaasveld dan wel van Breedam. Zijn voorvaderen zijn al molenaar vanaf 1650 maar de naam Victor komt bij hen niet voor. • zoon van een molenaar: Victor Leemans geb 21.07.1901-1971 Leemansmolen te Stekene. Gevelsteen thans op brandweerkazerne Marnixstraat Amsterdam. Deze zat vroeger in de nabij gelegen Victor molen.(Foto L. van de Broek) • Victor van Steenbergen (1848-1930) Smeer -ebbe-Vloerzegem bij Geraardsbergen. Is vanaf 1878 molenaar op de watermolen. Gemmagazine 2020 pag. 17 van 40 Sint Victor met molen. Gebrandschilderd raam. Met dank aan: Sint-Victorinstituut Alsemberg. Erfgoedbank www.hetvirtueleland.be, Centrum Agrarische Geschiedenis (CAG) Opvallend is dat een enkele keer een zevende zoon Victor genoemd wordt. Dat laatste wekt het vermoeden dat, in het katholieke zuiden, de pastoors bij de naamgeving tijdens het dopen menigmaal de naam Victor gesuggereerd hebben. Vanzelfsprekend werd een gilde vaak naar Victor vernoemd zoals dat van de Amsterdamse korenmolenaars. Die waren sedert de 14e eeuw verbonden in het Sint Victorsgilde. De overlieden van het gilde werden steeds op Sint Victorsdag gekozen op 21 juli. Beeld van Victor met molensteen, molen de Valk Montfoort. Herkomst Ellywa Wikimedia Commons. • Jan van de Mierop van de Salm Salm molen Antwerpen noemt in 1859 zijn 7e kind Victor. Maar die wordt later geen molenaar. Het heeft er alle schijn van dat de voornaam Victor pas in grotere getale opkomt na het afschaffen van de Heerlijke Rechten met hun molendwang in de Franse tijd. Tot die tijd kon een molenaar vanwege het bezit van het molenrecht door de heer, geen eigenaar van een molen zijn maar slechts pachter. Het had dus ook geen zin om je als trotse vader bij een zoon met een speciale voornaam te profileren. Je had namelijk geen zekerheid over een eventueel toekomstig molenaarsschap. Bijgevolg heten de eerste molenaars in een ‘familiedynastie’ van molenaars vanzelfsprekend nog geen Victor. En de landelijke katholieke molenaarsbond, die bestond van 1904-1954, heette dus vanzelfsprekend ook Sint Victor. Het aantal naar Victor genoemde molens is gestaag afgenomen. In Someren kennen we de nog steeds draaiende Victormolen. Een heilige die in de molenaarswereld soms als alternatief voor naamgeving in beeld komt is Sint Jacob ookwel Sint Japik. Dat hing samen met het feit dat zijn feestdag 25 juli was. Op die dag werd traditioneel het eerste koren naar de schuren gebracht. Eindigen we met een volkswijsheid: Met Sint Victor regen Oogst valt ontzettend tegen
Page 18
Gemmagazine 2020 pag. 18 van 40 NAAR AANLEIDING VAN EEN ARCHIEFVONDST DICK KRANEN In dit Signalement, gevonden in de Collectie Verheijen , is sprake van het in de huid prikken van af 1 beeldingen. Dit doet onwillekeurig denken aan tatoeëren. Tatoeëren Ons woord is afkomstig uit het Franse tatouer, een werkwoord dat evenals het Engelse tattoo gevormd is van een polynesisch zelfstandig naamwoord. In onze taal wordt het woord (als tattow) in 1774 voor het eerst genoemd in Reizen rondom de weereld etc., de beschrijving van de reis van o.m. James Cook, waar het woord voor 't eerst in het Engels gebruikt werd: Zij snyden of prikken hun vleesch omtrent en beneden de heupen op verscheidene plaatsen met de punten van scherpe beenen en vullen deze sneden met eene donkere blaauwe of zwartachtige verwe welke altoos stand houdt en het vel op die plaatsen van kleur verandert en zwart maakt en dit noemen zy Tattow. Het WNT zegt verder nog over het tatoeëren: In de huid figuren aanbrengen, bijna altijd door deze er in te snijden of te prikken en daarna de wondjes met een kleurende stof in te wrijven. Ook in de West werd deze praktijk aangetroffen. In Suriname werden bij Arowakse vrouwen tatoueringen aangetroffen, vooral boven de wenkbrauwen en aan de mondhoeken. Er wordt gezegd dat het tatoeëren, het insnijden van de figuren met een scherp mes, die daarna met houtskool en met Arum-sap worden ingewreven, bijzonder pijnlijk is. Geschiedenis Ötzi, de beroemde ijsmummie uit de Alpen, die ca. 5000 jaar geleden leefde, had 59 tatoeages. Ook zijn er tatoeages op Egyptische mummies gevonden, die van 2000 voor Christus dateren. De techniek kwam ook terecht bij de oude Grieken, de Germanen en nog wel meer volkeren. 1 Archieftoegang 347, inv. nr. 8, pag. 765 (BHIC, Den Bosch) Pieter kende zijn talen, dat moet gezegd! Kapitein, J.W. Willemsen, was verbonden aan het Reg. Van Saxen Gotha, 2e Bat.(Stamboeken Oorlog voor 1813, inv. nr. 136 Europa kreeg pas weer kennis van het tatoeëren via de reis van James Cook c.s. naar Polynesië in 1768. Tot enkele decennia geleden werden tatoeages in Nederland vooral gedragen door zeelieden en soldaten. Tegenwoordig hebben meer mensen tatoeages, vooral jongeren. Dit signalement werd in augustus 1803 toegezonden aan de Schout Civiel van Vierlingsbeek. Merkwaardig dat deze techniek in 1803 al toegepast is. Bronnen • Woordenb. der Ned. Taal (WNT) & Wikipedia • Encyclopedie van West-Indië onder red. van H.D. Benjamins en Joh. F. Snelleman (1914-1917), pag. 102 en 162 • John Hawkesworth,Reizen rondom de weereld tot het doen van ontdekkingen in het Zuider halfrond en volvoert door den kommandeur Byron, etc., 229 & 239; (1774)◉ - Gemmagazine 2020 pag. 19 van 40 SAMUEL RIPPE (1848-1925) DECLAMATOR Martin Maas Inleiding In de vijftiende, zestiende en zeventiende eeuw werden overal in het Nederlandse taalgebied zogenaamde rederijkerskamers opgericht. Het waren amateurverenigingen van toneelliefhebbers en voordrachtkunstenaars, allen burgers en ambachtslieden. De rederijkers-kamers organiseerden wedstrijden, die vaak uit verschillende onderdelen bestonden. Er waren prijzen te verdienen met zowel serieus als komisch toneel en met gedichten. Het thema van deze wedstrijden was een godsdienstige, politieke of morele vraag of stelling. Aan de vormgeving van hun teksten besteedden de rederijkers veel aandacht. Belangrijk hierbij was om binnen de gestelde grenzen de mogelijkheden van de taal het ‘kundigst’ te gebruiken om zijn boodschap over te dragen. Wie het mooiste gedicht maakte en dat het best kon voordragen, won een zilveren beker en een kan wijn. Degenen die het beste toneelstuk speelden, kregen drie zilveren schalen en een lauwerkrans. Ten slotte was er ook nog een prijs voor de nar die de toeschouwers het hardst kon laten lachen. Bijna iedereen die zich met literatuur bezighield werd lid van een rederijkerskamer of was er nauw bij betrokken. Maar in de loop van de negentiende eeuw gingen de voordrachtskunstenaars meer en meer werk van anderen presenteren in plaats van zelfgeschreven gedichten te reciteren. Omstreeks 1900 deed zich een nieuw verschijnsel voor: dat van al dan niet professioneel opgeleide beroepsvoordragers, die tegen geldelijke vergoeding binnen de literaire genootschappen voordrachtsavonden verzorgden. De in de jaren negentig opgerichte Kunstkringen vormden Rederijkers bij het raam, volgens Jan Steen, jaren 1660 voor deze voordrachtskunstenaars een ideaal werkterrein. Daarnaast boden verenigingen als de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen rondreizende artiesten van oudsher een kans tot optreden in het hele land. Een voordrachtskunstenaar werd vaak een declamator genoemd. Declamatie komt van het Latijnse woord declamare, wat schreeuwen of luid voordragen betekent. Samuël Rippe Samuel Rippe was in de periode 1870-1920 één van de bekendste voordrachtskunstenaars van ons land. Hij werd op 13 oktober 1848 in Dordrecht geboren als zoon van Isaac Samuël Rippe (1814-1855) en Rachel van Goch (1813-1890). (⚮ 18-2-1846) Isaac Samuel was ‘winkelier en koopman in gemaakte kleederen’; Rachel was ‘modemaakster’ en gaf naailes. Isaac Samuel en Rachel kregen zes kinderen, waarvan er een doodgeboren werd en twee andere binnen twee jaar na hun geboorte stierven. De kledingzaak van Isaac Samuël ging in 1854 failliet. Een jaar later verblijft Isaac Samuël, om voor mij onbekende redenen, in New Orleans (Amerika). Daar overlijdt hij op 1 augustus 1855 ‘aan
Page 20
Gemmagazine 2020 pag. 20 van 40 de aldaar heerschende ziekte’ 1. Zijn vrouw kreeg dit pas vier maanden later te horen. Rachel moest nu alleen voor zichzelf en haar drie jonge kinderen zorgen. Tussen 1855 en 1873 was zij naaister/winkelierster op de Groenmarkt in Dordrecht. In een advertentie in de Dordrechtse Courant van 19 februari 1856 bood zij zich aan om ‘eenige meisjes, tusschen de 13 à 16 jaren, uit den fatsoenlijken Burgerstand, het wollennaaijen goed te leeren’. In 1870 startte Samuel Rippe zijn carrière als voordrachtskunstenaar, met een mooi woord ‘declamator’ genoemd. Hij werd ook wel ‘letterkundig declamator’ genoemd. Op de Gezinskaart van het Stadsarchief, Amsterdam, staat hij vermeld als ‘Letterkundige’. Al gauw werd hij bekend. Hij verhuisde naar Rotterdam en opende daar op 26 april 1881 ‘een magazijn van bedden, dekens en matrassen’, waar deze artikelen tevens gewassen en gereinigd konden worden. stukken van Nederlandse en buitenlandse dichters en toneelschrijvers. Door zijn meesterlijke manier van voordragen bleven zijn toehoorders hem tot het eind van zijn programma met gespannen aandacht volgen. Het eerste deel van zijn programma bestond meestal uit een aantal fragmenten van een dramatisch toneelstuk, waarvan hijzelf één geheel maakte. Deze stukken waren voornamelijk van de bekende Engelse toneelschrijver en dichter William Shakespeare (1564-1616) en de Franse dichter en toneelschrijver François Coppée (1842-1908). Ze waren vertaald door Nederlandse dichters. Eén zo’n stuk duurde wel drie kwartier ('Julius Caesar'), een ander ('De viool van Cremona') zelfs 1½ uur. De lange voordracht die hij vóór de pauze hield, vormde de hoofdschotel van zijn programma. Voorbeelden hiervan zijn 'Macbeth', 'De koopman van Venetië', 'Julius Caesar', 'Koning Rotterdamsch Nieuwsblad d.d. 27 maart 1882 Hij verkocht o.a. ijzeren ledikanten en wiegen. In de gegevens van het Stadsarchief in Rotterdam staat Samuel vermeld als ‘beddenmaker’. In februari 1887 werd de zaak gesloten. In Rotterdam werd hij lid van een of meer ‘letterlievende genootschappen’ in die stad. Waarschijnlijk waren dat de letterlievende vereniging 'Bogaers', waarvan hij erelid was en de 'Declamatieclub', waarvoor Samuel heel actief is geweest en waarvan hij ook erelid werd. Samuel Rippe woonde achtereenvolgens in Dordrecht, Rotterdam, Brussel (van ca. 19001915), Gouda, en Amsterdam. Declamator Voor zijn optredens zorgde Samuel Rippe altijd voor een gevarieerd programma van serieuze en komische stukken. Hij beschikte over een uitgebreid repertoire van gedichten en toneelLear' (alle van Shakespeare), 'De Werkstaking', 'De viool van Cremona' (beide van François Coppée) en 'Kain en Abel' (van Lord Byron). Voordat hij begon met een lange voordracht van Shakespeare of Coppée vertelde hij enkele bijzonderheden over leven en werk van deze personen. Nederlandse dichters en toneelschrijvers van wie hij werk voordroeg waren o.a. Joost van den Vondel (1587-1679), Multatuli (Eduard Douwes Dekker) (1820-1887), A.J. de Bull (1823-1888), Eliza Laurillard (1830-1908), Bernard van Meurs (1835-1915) en Gerard J. Spoor (1832-1882). Rippe oogstte elke keer weer bewondering als hij zonder ook maar een vergissing te maken, en zonder te haperen al zijn stukken uit het hoofd voordroeg. Zijn gehele programma duurde meestal een paar uur. Tijdens zijn voordrachten stond hij vaak op een verhoging, met een stoel achter zich, waarop hij ging zitten als dat voor het stuk dat hij voordroeg nodig was. Samuel Rippe beschikte over een krachtige en soepele stem. Hij sprak duidelijk en met gevoel. Omdat hij heel gemakkelijk allerlei stembuigingen kon maken, kon hij stukken waarin hij meer dan één persoon moest nabootsen, goed voordragen. Als hij een forse man moest spelen, 1 Waarschijnlijk Gele koorts; deze was vooral gedurende de 19e eeuw een bedreiging voor New Orleans e/o. Gemmagazine 2020 pag. 21 van 40 De kranten van de plaatsen waar hij optrad schreven altijd lovend over zijn optredens: ‘een geniaal vertolker van de schoonste letterkundige producten’ (Haarlem’s Dagblad, 10-1-1889); ‘den heer Rippe, wiens voordrachten getuigen van zooveel talent in deze eigenaardige kunst als waarop de meeste beroepsdeclamatoren in ons land niet kunnen bogen’ (Rotterdamsch Nieuwsblad, 19-4-1893); ‘hij weet zijne hoorders in hooge mate te boeien en hen nu een traan, dan een gulle lach te ontlokken’ (Apeldoornsche Courant, 10-11-1894); ‘Want hij alléén vulde dat tooneel, omdat zijn meesterlijke voordracht de ruimte vulde, niet met schimmen, maar als met werkelijke, levende menschen, die men hoorde spreken en zag handelen. Wie de heer Rippe gaat hooren en zien, kan er van verzekerd zijn hooge kunst te genieten, een kunst, die daarbij hoog en minder ontwikkelden bevredigt en gevangen houdt in aangename spanning’ (Apeldoornsche Courant, 17-11-1894). Schiedamsche Courant van 28 jan. 1889 deed hij dat met grote kracht in zijn stem. En als hij een tedere vrouw moest imiteren, zorgde hij voor een zacht stemgeluid. In een recensie van zijn voordracht van ‘De koopman van Venetië’ werd gezegd: ‘Het weergeven der verschillende personen, die de meest uiteenlopende karakters bezitten, slaagde allergelukkigst’. Dat Samuel Rippe een buitengewoon goede voordrachtkunstenaar was, kwam ook door nog een aantal andere factoren. Hij had de voordrachten die hij hield goed bestudeerd. Hij leefde zich helemaal in in zijn voordrachten. De gebaren die hij maakte waren niet overdreven of gemaakt. De gevoelige klank van zijn stem liet hij vergezeld gaan van een meesterlijke mimiek. Hij was meer acteur dan de meeste voordrachtskunstenaars uit zijn tijd. Na de pauze van een programma droeg hij veelal humoristische gedichten en fragmenten uit komische toneelstukken voor, die de toehoorders aan het schateren maakten. Hij trad met veel succes in allerlei plaatsen door het hele land op. Bijzonder hierbij is dat overal waar hij al een keer had opgetreden, de zaal bij zijn volgende optreden helemaal bezet was. Samuel trad op als declamator tijdens uitvoeringen en vergaderingen van departementen (afdelingen) van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen, en van de Maatschappij tot Nut der Israelieten in Nederland, voor Leesverenigingen of Leesgezelschappen, ‘letterlievende verenigingen’, tijdens een uitvoering voor de leden van de ‘Volksleeskamer’ en hun ‘vrouwelijke huisgenoten’, in allerlei zalen in ons land, voor diverse verenigingen, en in hotels. Hij werd dan een ‘spreker’ genoemd, die een spreekbeurt, leesbeurt, lezing, volksvoorlezing, of volksvoordrachten hield. Hij gaf ook zelf voordrachtavonden, soms ‘Soirée Déclamatoire’ genoemd, op zijn Frans dus, waar hij als ‘spreker’ optrad, met ‘letterkundige voordrachten’. Samuel werkte ook vaak mee aan benefiet voorstellingen. Zo’n voorstelling werd wel een ‘soirée musicale et déclamatoire’ [muziek- en voordrachtsavond] genoemd. Deze voorstellingen werden o.a. gegeven ten behoeve van:
Page 22
Gemmagazine 2020 pag. 22 van 40 beeld hoestte, hield hij geïrriteerd zijn mond. Wij moeten hierbij in gedachten nemen dat er in die tijd nog geen geluidsversterkende apparatuur bestond. Hoewel hij voornamelijk werk van anderen voordroeg, maakte hij ook zelf voordrachten, of bewerkte een voordracht van een ander. Bijv. 'Het Theaterkind' naar een gedicht van de Franse dichter Coppée, ‘de letter L’ van Egidius (wie Egidius was heb ik niet kunnen achterhalen), en zijn gedicht 'Beminnen'. In het Utrechts Nieuwsblad van 2-9-1893 werd zijn gedicht 'Niet thuis' (zie links) gepubliceerd. In het Nieuwsblad voor den boekhandel, 22-12-1914 werden voordrachten van S. Rippe te koop aangeboden [dit hoeven niet per se voordrachten te zijn die hij zelf had gemaakt]. In het Nieuwsblad voor den boekhandel van 22-12-1925 wordt 'Huwelijkszang' genoemd, waarvoor S. Rippe de tekst schreef. In de Belgian Art Song Database op internet staat vermeldt 'Zoo Groen was het Veld' van S. • een blinde pianist, • een 80-jarig echtpaar, • een behoeftig gezin, • ten bate van het pensioenfonds van een typografische vereniging, • ten bate van de Oud-Strijders, • ten voordele van een buurtvereniging, • voor financiële steun voor de schoolkindervoeding, • ten voordele van de Boerenvrouwen en –kinderen, • alsmede de gevangenen in de concentratiekampen, tijdens de Boerenoorlog in ZuidAfrika, • ten voordele van de Prins Hendrikstichting voor oude zeelieden te Egmond aan Zee, en • ten bate van stakende glasblazers. Hij was zowel goed thuis in het voordragen van dramatische stukken, als van komische stukken. Zelf zei Rippe eens dat hij meer dramatisch was aangelegd dan humoristisch. Als hij optrad eiste hij doodse stilte in de zaal. Bij het minste of geringste geluid dat één van de toehoorders maakte, als iemand bijvoorRippe, gepubliceerd door Vlaamsche Muziekhandel: Antwerpen, Jan Boucherij. Het was een compositie van Eduard Keurvels. Hij trad ook met succes op in Keulen op 31-8-1901, tijdens een vergadering van de vereniging 'Nederland' ter ere van de verjaardag van Koningin Wilhelmina. In Brussel, waar hij 15 jaar woonde, trad hij ook regelmatig op. In 1901 en 1902 had hij diverse keren de regie van een kinderoperette en van een zangspel; bijv. in okt. 1901 tijdens een feestavond van Deutscher Männergesang Verein 'Rotterdam' in de Tivoli-Schouwburg in Rotterdam toen hij de regie over een zangspel voerde. Reciteerwedstrijden Samuel Rippe deed in de loop van zijn carrière aan diverse reciteerwedstrijden mee. In mei 1889 won hij een eerste premie in Gent voor het door hem vervaardigde gedicht 'Beminnen'. In augustus 1889 won hij de 1e prijs tijdens een toneelwedstrijd in Antwerpen voor zijn voordracht van 'De Werkstaking'. De door Samuël Rippe gewonnen medaille, met zijn naam erin gegraveerd, wordt bewaard in de Koninklijke Bibliotheek van België. (Zie voor afbeeldingen https://www.kbr.be/nl ; zoeken Gemmagazine 2020 pag. 23 van 40 onder S. Rippe en daarna Maatschappij De Lelietak/1886-1889). Cursus Vanaf 1 juli 1892 ging Samuel les geven in de kunst van het voordragen. Hij noemde zichzelf ‘Onderwijzer in de Declamatie’ en gaf ‘Cursusen Privaatles’. In 1898 plaatste hij de volgende advertentie in de krant: ‘S. Rippe. Vervaardiging van Gelegenheidsstukken in dicht en proza. Verschillend werk op letterkundig gebied. Les in Tooneelspel en Voordrachts-Kunst’. Phonograaf In 1895 nam hij een aantal voordrachten op voor de fonograaf, een van de uitvindingen van Thomas Alva Edison, die de wereld zouden veranderen. De opnamen werden op rollen opgenomen en konden op allerlei plaatsen worden beluisterd. Mogelijk zijn sommige hiervan ook in de handel gebracht. Volgens een advertentie van een winkel uit Rotterdam in het Rotterdamsch Nieuwsblad van 16 april 1895 konden rollen met opnamen van voordrachten van Samuël Rippe worden beluisterd in de winkel. Ik ben Mr. R.J.C. van Helden van de Stichting Vrienden van de Schilder Martin Monnickendam zeer erkentelijk voor het verstrekken van deze foto. Samuel Rippe is de man links op de foto. De foto is genomen omstreeks 1912. Op de foto zijn verder te zien de vrouw, dochters en broer van Martin Monnickendam. Laatstgenoemde was een zoon van Samuel’s zuster Roosje Rippe.(ingekleurde foto) Rotterdamsch Nieuwsblad van 2 juli 1892 Dat kostte 10 cent voor het 1e nummer en 5 cent voor elk volgend nummer. 50-jarig jubileum In december 1920 vierde hij zijn 50-jarig jubileum als voordrachtkunstenaar. Overlijden Op 27 november 1925 overleed Samuel Rippe in Amsterdam, 77 jaar oud. Hij is zo goed als zeker ongehuwd gebleven, want over een vrouw of kinderen heb ik geen informatie kunnen vinden. Geraadpleegde internet sites: • www.delpher.nl (historische kranten); • internet sites van regionale historische kranten; www.wiewaswie.nl; • www.amsterdam.nl/stadsarchief; • rotterdam.digitalestamboom.nl; • www.regionaalarchiefdordrecht.nl; • www.geni.com; • https://planetstitch.dordtenazoeker.nl; www. joodsmonument.nl; • https://dare.uva.nl/; • www.dbnl.org; • https://www.kbr.be/nl; • http://belgianartsong.webs.com/; • www.literatuurgeschiedenis.nl; • Wikipedia. Foto en afbeeldingen: Mr.R.J.C. van Helden, van de Stichting Vrienden van de schilder Martin Monnickendam, internet ◉
Page 24
Gemmagazine 2020 pag. 24 van 40 Enquête door de Staatscommissie benoemd krachtens de wet van 19 Januari 1890 (Staatsblad nr. 1) (Derde Afdeeling) Bedrijven in onderscheiden Gemeenten der Derde Arbeidsinspectie Vergadering van Vrijdag 26 Augutus 1892 Verhoor van Theodorus Cornelis Melchers, oud 52 jaar, brander en distillateur, te Schiedam. Theodorus Cornelis Melchers (1840-1922) huwde (1) Anna Maria Nolet (1845-1879) en (2) Maria G.J.J. Beukers (1851-1936) 3711. De Voorzitter: Gij hebt één van de weinige stoombranderijen in Schiedam? Juist. 3712. Hoeveel werklieden hebt gij? Ongeveer 75, allen volwassen, en een jongen beneden de 16 jaar om boodschappen te doen. advertentie 3713. Vrouwen werken bij u niet? Pardon. 3714. Hoe zijn de werkuren geregeld? Van 'smorgens 6 tot 'savonds 6 envan'savonds 6 tot 'smorgens 6uur, metafwisselenden nachtdienstvan de eene week op de andere. Enkele menschen in de gistperserij werken soms 14 in plaats van 12 uren per dag. 3715. Kunnen de menschen naar huis gaan om te schaften? Alleen de machinisten, molenaars en mouters en zoo, maar de brandersknechts niet, dat gaat niet om den aard van het bedrijf; men zou daarvoor een afwis- selende ploeg moeten hebben, en zoo bloeiend staan de zaken niet, dat men daartoe kan overgaan. 3716. Hebt gij een schaftlokaal ? Neen, zij moeten zoo na mogelijk bij het werk blijven. 3717. Hebt gij des Zondags evenveel personeel in de fabriek als de overige dagen van de week? Jaargangen 1993 t/m 2009 Jaargangen 2010 t/m 2018 Pardon, misschien ⅓ of ¼ en zij blijven dan nog tot 4 à 5 uur. 3718. En komen dan weder zij, die den nachtdienst hebben? Neen, de machinist en de stokers komen om 5 à 6 uur. de overige werklieden komen om 12 à 1 uur. Het grootste gedeelte komt 's nachts om 12 uur. 3719. De stokers en machinisten komen 's Zondagsavonds reeds om 5 uur? Ja, want wij moeten om 12 uur stoom hebben; dat zijn ook slechts 2 man. 3720. Werkt de fabriek van defirmaT.P. Jansen ook 'sZondags? OGE & GEM 1993 T/M 2018 Prijs € 20 (incl. verzendkosten) Gemmagazine 2020 pag. 25 van 40 Ja ; als wij 's Zondags niet werkten, zouden wij 's Zaterdagsmorgens het werk reeds moeten staken. De bakken, die wij namelijk 'smorgens opzetten, moeten 16 à 17 uren blijven staan, alvorens zij geroomd kunnen worden. 3721. Hoe zijn de loonen in uwe fabriek geregeld? De loopjongen verdient f 2.50, een jongen van 16 jaar f 4 à f 5; de jongens hebben overigens f 7 tot f 10; de onderknechts hebben f 11 tot f 14.50; de meesterknechts f 15 tot f 17; de eerste machinist f 18, de tweede f 14, de derde f 13; de eerste stoker f 14, de tweede f 13. 3722. Wanneer de dagploeg 's Zaterdagsavond weggaat, wanneer komt die dan op in de nachtploeg ? Hun uur is 's Zondagsmiddags 6 uur, maar zij komen eerst 's nachts om 12 uur, omdat het niet eerder noodig is, en blijven tot den volgenden morgen 6 uur. De onderknechts, de menschen, die in de giet-pers-lokalen werkzaam zijn, werken 14 uren. 3723. Een deel van het volk werkt dus van 's Zondagsnachts 12 uur tot Maandagmorgen 6 uur, maar de gistpersers blijven wat langer? Juist 3724. Gij zijt seker op de hoogte van andere branderijen ; uwe branderij is zeker indertijd in eene stoombranderij veranderd ? Dit dateert van jaren her. 3725. Er is ons door meer dan één getuige uit Schiedam medegedeeld, dat in de gewone branderijen, waar het werkvolk gewoonlijk uit drie personen bestaat, een meesterknecht, een knecht en een pomper, de menschen om 3 uur opkomen en dan blijven tot 's avonds 8 à 9 uur ? Dit zijn uitzonderingen; maar tot 6 of 6 1/2 uur blijven zij wel. Wanneer de werkzaamheden het vereischen, moet men wel eens een uur langer blijven. 3726. Gelooft gij dat het overdreven is, wanneer men verklaart, dat men iederen dag van 'smorgens 3 tot 's avonds 8, 9 uur moet blijven? Zeker is dit overdreven. 3727. De heer Van Wijck: Het is beslist door de werklieden verklaard. Misschien kan dit geval zich in eene enkele branderij voordoen. Het komt veel voor, dat de menschen soms blijven hangen tot 7, 8 uur, terwijl zij om 4 uur naar huis kunnen gaan. Zij zijn soms liever op de fabriek dan tehuis, want daar kunnen zij nog eens een hartsterking nemen. 3728. De Voorzitter: Dus de borrel heeft er ook wat mede te maken? Misschien wel. Wanneer men de menschen na 4 uur in de fabriek vindt, en men vraagt ze wat zij eigenlijk te doen hebben, is het antwoord gewoonlijk: 'niets.' 3729. Blijven de knechts nog al trouw bij u? Ja. 3730. Dit is in tegenstelling met hetgeen bij anderen geschiedt, waar de werklieden telkens open afgaan ? Ik stuur de menschen alleen weg, wanneer zij hun plicht niet doen, uit hun eigen gaan ze niet weg. 3731. De menschen werken zeker liever in eene stoombranderij dan in eene gewone branderij ? Ja. 3732. Als gij werklieden wegstuurt, waarschuwt gij dan van te voren? Wij nemen de menschen bij de week aan, maar wanneer zij stelen, gaan zij dadelijk weg. Wij hebben onlangs nog last met een werkman gehad. De man was vrij en ging naar eene andere fabriek, waar de Rijks- ambtenaren een fleschje gedistilleerd bij hem vonden. Nu werd er tegen mij proces-verbaal opgemaakt, omdat die man in mijn dienst was. Ik heb echter de zaak maar blauw, blauw gelaten, omdat er geen gevolg aan gegeven is, anders had ik het er niet bij gelaten. 3733. Waarschuwt het werkvolk ook te voren, als het een dienst wil verlaten? In de gewone branderijen blijven ze zoo maar weg; bij ons echter gaat het wat beter. 3734. Het werkvolk in de branderijen is zeker wel het minste van Schiedam ? Ja, het zijn menschen, die eigenlijk geen vak kennen. 3735. Hebt gij ook een boetestelsel? Ja, te laat komen en slecht werk leveren kan beboet worden met ¼ of ½ gulden, maar wij doen het zelden. 3736. Hebben de werklieden gewoonlijk het werk in hun macht, of kan de uitslag afhangen van het afwisselende weder?
Page 26
Gemmagazine 2020 pag. 26 van 40 Meestal gaat het werk geregeld, maar wij hebben wel eens te tobben met warme of koude dagen, dit komt evenwel meer ten laste van den fabrikant. 3737. Zijn de lokalen in uwe fabriek goed? Uitmuntend, uniek, als fabriek, niet wat gele- genheid betreft om te eten, enz. Het meest hebben wij last van het water voor de fabriek. Het is een schande voor de stad, zooals dat stinkt. Wij hebben gelukkig een waterleiding, maar anders zou het ontzettende gevolgen kunnen hebben. 3738. Behalve het water is er in uwe fabriek nog een vocht, waaraan de werklieden zich plegen te laven. Hoeveel borrels mogen de menschen drinken? Ik denk één om de 2 of 3 uren, de meesterknecht regelt dat. Op de bel komen alle schaapjes aanhuppelen. 3739. Is er niemand onder het personeel, die van den drank geen gebruik maakt? Dat zijn er geen 3 van de 75. 3740. Kunt gij onder de werklieden en hunne afstammelingen geen ongunstige werking zien van dat veelvuldig gebruik van sterken drank? Bij misbruik wel, maar de menschen, die om de 2, 3 uren een borrel gebruiken, schijnen er beter op te worden, en ik kan niet vinden, dat de jongere werklieden bij mij minder zijn dan die op andere ambachten. 3741. Kunt gij verschil zien in gehalte tusschen het werkvolk, dat bij u werkt, en dat van gewone branderijen? Bij ons is wat meer orde en regel. 3742. Wordt dit misschien ook daardoor bevor derd dat zij vaster bij u in dienst blijven? Dat zal ik niet zeggen, maar de zaak is, dat zij geregelder en netter leven. 3743. Hebt gij een ziekenfonds aan uwe fabriek? Ja. 3744. Is de deelneming daaraan voor de werklieden verplichtend? Ja. 3745. Wat moeten zij er aan betalen? 1% van hun loon. 3746. En welke uitkeering genieten zij daarvoor bij ziekte? 3752. Zijn er wel ongelukken bij u voorgevallen? Ja, o. a. twee groote; een molenbaas, die bij het aanzetten van een bout met een koevoet morsdood werd geslagen, en een ander, die tusschen het jachtwiel viel en daardoor verpletterd werd. 3753. Hebt gij voor de weduwen gezorgd? Ja, de beide weduwen kunnen door mijn toedoen fatsoenlijk leven, een levensverzekering zou werkelijk goedkooper uitkomen. Vergane glorie! De Noordelijke gevelwand van de Noordvestsingel gezien van West naar Oost met een tiental oude branderijpanden. Daarachter de distilleerderij van J.J.Melchers & Zn. Geheel rechts de stomp van molen de Palmboom.Foto J.F.H. Roovers (1953) Gem. Archief Schiedam nr. 7300 (ingekleurde foto) Eenige weken het halve loon en daarna wordt de uitkeering van lieverlede geringer. 3747. Staat dat fonds onder beheer van de firma? De directeur behandelt de zaken van het fonds. 3748. Hebben de werklieden eenig medebeheer? Neen. 3749. Hebben zij er nooit om gevraagd? Nooit. 3750. Stort de firma ook in het ziekenfonds? Ik heb mij tot dusver bepaald tot eigen verzekering. 3751. Is uw personeel verzekerd tegen ongelukken? Neen. Gemmagazine 2020 pag. 27 van 40 3754. De heer Emants: Zoudt gij meenen, dat verzekering tegen ongelukken in uw bedrijf verplichtend moest worden gesteld? In principe ben ik altijd van gevoelen, dat ieder fabrikant verplicht is om een man, die in zijn dienst een ongeluk krijgt, te steunen. Maar, werkelijk, de toestand van het bedrijf is tegenwoordig zoo allerjammerlijkst, dat er niet veel meer af kan. 3755. Laat de toestand van uw bedrijf niet toe, de betrekkelijk geringe premie voor verzekering tegen ongelukken te betalen? Ik kan u plechtig verzekeren, dat in het algemeen in de laatste tien jaren bijna niets anders is gedaan dan verliezen. Concurrentie met het buitenland is niet meer mogelijk. Hamburg produceert tegen zoo geringen prijs, dat de fabrikanten hier zelfs uit Hamburg in entrepot laten komen, hier den boel verwerken en dan als Schiedamsch fabrikaat het verwerkte exporteeren. Jaren geleden werden de zaken zoo kunstmatig opgedreven; steeds werden maar branderijen bijgebouwd, zelfs door hen, die in plaats van vier, maar drie bakken verwerkten en een dag in de week stilstonden. In de laatste tien jaren zijn misschien wel 50 à 70 fabrieken gesloopt. Alles ten gevolge van overproductie. 3756. De Voorzitter: Hoe doet gij met oudere menschen, die gij in dienst hebt? Geeft gij dien lichter werk? Al het werk is bij ons licht. 3757. Dus kunt gij de werklieden lang in dienst houden? Ja, ik heb er een 17 à 18 jaar in dienst gehad, en toen hij kwam had hij reeds een defect aan het been. Dien man heb ik geproponeerd om voor mijne rekening in een gesticht te gaan. Dat wilde hij niet, en daar hij leefde in een kring, waarin hij volstrekt niet thuis behoorde, heb ik hem in eens een douceur gegeven en mij verder aan hem onttrokken. 3758. Wij hebben van uw meesterknecht gehoord, dat er quaestie was van bet oprichten van een werklieden-pensioenfonds. Hij bedoelde zeker de verzekering tegen ongelukken? Ja, dat denk ik wel. 3759. Wanneer geschiedt de uitbetaling van het loon? Geregeld iedere week, 's Zaterdags. 3760. Hebt gij nooit last met uw volk? Neen, zelden. Mocht u meer willen weten over de Schiedamse branderijen, dan kan ik u een bezoek aan het Jenevermuseum van harte aanbevelen! 3761. Hebt gij nooit werkstakingen gehad of dreigementen daartoe ? Neen. 3762. Zijt gij toegankelijk voor de lieden? Ja, ik heb laatst nog een fijn soupeetje gegeven aan 15 à 16 van de hoofden; wel een bewijs, dat ik goed met het volk kan omspringen. 3763. De heer Emants: Loopt er in Schiedam veel volk leeg? Ja, nog al; over het algemeen is de toestand slecht. 3764. De heer Van Wijck: Wordt van gemeentewege ook iets gedaan om de menschen aan werk te helpen? Niet van belang; de industrieelen zijn daarvan de dupe. 3765. Is er 's winters eene vereeniging tot werkverschaffing? Neen, er is niets van dien aard; alleen als er sneeuw ligt, wordt die van stadswege weggeruimd. TH. C. MELCHERS. KOLKMAN, Voorzitter. G. EMANTS. J. C. TH. HEYLIGEBS, Secr. der Staatscommissie. S. M.. VAN WIJCK, Lid derEerste Afdeeling. W. H. J. ROIJAARDS, Adj.-secretaris ◉
Page 28
Gemmagazine 2020 pag. 28 van 40 WAPENREGISTER Hier volgen de wapens die de afgelopen drie maanden bij het Heraldisch Bureau Nagtegaal zijn geregistreerd. Het registratie gebied omvat de Benelux. KAYSER zijn vader Arthur Dick Kayser en zijn naamdragende nakomelingen. De aanvrager stamt af van Gerhardus Kaijser, zich genoemd hebbende Kuler, geb. Odenkirchen (Pruissen) 16 december 1781, overl Den Haag 29 juli 1847. Hij huwde Den Haag 20 juli 1842 met Maria Joseph Paternot, geb. Den Haag 26 oktober 1791, overl. aldaar 25 oktober 1875. Delft, 5 april 2020. VAN DER MEER Wapen: in zilver twee schuin gekruiste zwarte staven met gouden eindknoppen, vergezeld boven en onder van een zwarte adelaar, rood getongd en genageld, goud gesnaveld. Helmteken: vijf struisveren, waaiersgewijs geplaatst, drie van goud en twee van zwart. Dekkleden: zwart, gevoerd van zilver. Dit wapen is in 2020 ontworpen door H.K. Nagtegaal. Geregistreerd op verzoek van de heer ir. B A. Kayser, wonend te Apeldoorn, zoon van Arthur Dick Kayser en Huibertina Faro, voor Wapen: in groen twee zilveren meerbladeren, vergezeld beneden van een uitgerukte gebladerde plant met een bloem van natuurlijke kleur. Helmteken: een achtpuntige zwarte ster. Dekkleden: groen, gevoerd van zilver. Dit wapen is in 2020 ontworpen door H.K. Nagtegaal. Geregistreerd op verzoek van de heer L.W.G. van der Meer, wonende te Waddinxveen, zoon van Gijsbertus Hendricus Nicolaas van der Meer en Theodora Alida Maria Verbraeken, voor de aanvrager en zijn naamdragende nakomelingen. Gemmagazine 2020 pag. 29 van 40 De aanvrager stamt af van Cornelis Leenderts van der Meer, ged. Stompwijk (LeidschendamVoorburg) 28 september 1670. Hij huwde Berkel en Rodenrijs 2 november 1698 met Teuntje Pieters de Leede. Delft, 17 april 2020. REMIJNSE Wapen: in blauw een boot waar overheen een schuine roeispaan, alles goud en in de schildvoet golvend water van natuurlijke kleur. Helmteken: een uitkomende zwarte beer. Dekkleden: blauw, gevoerd van zilver. Dit wapen is in 2015 ontworpen door H.K. Nagtegaal. Geregistreerd op verzoek van de heer J. Remijnse, wonende te Wemeldinge, zoon van Paulus Nicolaas Remijnse en Maria Jannetje Johanna Meijer, voor de aanvrager en zijn naamdragende nakomelingen. De aanvrager stamt af van Jan Janse Remy, gesyt De Wale, geb. ca. 1600, afkomstig uit Wallonië, wonende te Baarland. Hij huwde met Tanneken Jacobs. Delft, 19 april 2020. GOMMERS Wapen: in goud twee lelies vergezeld beneden van een aanziende ossenkop, alles rood. Helmteken: een uitkomende aanziende man van natuurlijke kleur, met rode mantel zonder mouwen, ronde kraag met brede groene bis, grijze mouwen, rode hoed met gouden omslag, een glazenkelk in zijn rechter hand en gouden kruik in zijn linker hand houdend. Dekkleden: rood, gevoerd van goud. Dit wapen is in 2020 ontworpen door H.K. Nagtegaal. Geregistreerd op verzoek van de heer R. Gommers, wonend te Sprundel, zoon van Johannes Franciscus Cornelia Maria Gommers en Elisabeth Bernarda Maria van Elteren, voor Johannes Franciscus Cornelia Maria Gommers, vader van de aanvrager en zijn naamdragende nakomelingen. De aanvrager stamt af van Josephus Jacobus Gommers, geb. Achtmaal 16 februari 1925, overl Sint-Willebrordus 10 februari 1999. Hij huwde Schijf 22 februari 1955 met Antonetta van Overveld. Delft, 24 april 2020. MATTHEZING Wapen: in blauw een steigerend paard, vergezeld boven van drie dubbele rozen, naast elkaar, alles zilver.
Page 30
Gemmagazine 2020 pag. 30 van 40 Helmteken: een gans van natuurlijke kleur met opgeheven vleugels en omgewende kop. Dekkleden: blauw, gevoerd van zilver. Dit wapen is in 2020 ontworpen door H.K. Nagtegaal. Geregistreerd op verzoek van de heer H. Matthezing, wonende te Roden, zoon van Maarten Matthezing en Asselina Ockhuizen, voor Arie Jurriensz. Matthezing (1796-1869) en zijn naamdragende nakomelingen. De aanvrager stamt af van Engelbert Matthiesing, geb, Ueffeln (D) ca. 1665, landbouwer, paardenfokker, Hij huwde vóór 1695 met Margretha Alheit Rolffs, ged. Ueffeln 14 oktober 1674. Delft, 26 april 2020. IJSSELDIJK Wapen: in zilver drie rode ankerkruizen. Helmteken: een rood ankerkruis tussen een zilveren vlucht. Dekkleden: rood gevoerd van zilver. Dit wapen is beschreven, vermeld op grafstenen en in wapenboeken en 2014 opnieuw getekend. Geregistreerd op verzoek van de heer Mr. M.W.G.J. IJsseldijk, wonende te Huissen, zoon van Josephus Antonius IJsseldijk en Aleida Hendrika Olde Engberink, voor de stamvader en zijn naamdragende nakomelingen. De aanvrager stamt af van Gerrit Claessen van IJsseldijk, overl. na 1682. Hij huwde 1e Elst 11 oktober 1663 met Judith Maessens (Martens); huwde 2e Elst 26 augustus 1677 met Dirckjen Jans. De aanvrager stamt via het tweede huwelijk. Delft, 3 mei 2020. advertentie Voorleden Maendagh is, tusschen Hillegom en Lis, een Winthondt verlooren, sant-graeuw van Couleur, swart van Muyl, met een kleyn wit Teeckentje op de Neus, scheutigh van maecksel en een Teef: Iemandt die gevonden hebbende, addresseere die aen Claes Cornelisz. alias, Klaes de Boer, Duynmeyer, op de hoeck van de Silcker-laen; sal een eerlijcke Vereeringe genieten. [4 september 1666] Duynmeyer, pachter van een stuk duingebied, fungeerde eveneens vaak als duinopzichter, die waakte tegen overtredingen. Gemmagazine 2020 pag. 31 van 40 BESCHRYVING DER NIEUWLYKS UITGEVONDEN EN GEOCTROJEERDE SLANGBRANDSPUITEN, EN HAARE WYZE VAN BRAND-BLUSSEN, AMSTERDAM 1690, JAN VAN DER HEYDEN. Dick Kranen Enige informatie over de uitvinder Jan van der Heyden (1637-1712) schilderde voornamelijk stadsgezichten, vaak composities van verschillende stadsdelen, waarbij hij zijn kennis van andere steden gebruikte. Sommige stadsgezichten lijken op puzzels, om ze een meer- of eeuwigheidswaarde te geven. De figuren in zijn composities zijn ingeschilderd door collega’s als Adriaen van de Velde, Eglon van der Neer of Johannes Lingelbach. Van hem zijn daarnaast ook enkele interieurs bekend, waarop boeken, een atlas van Blaeu of globes staan afgebeeld. De echtgenote van Jan had familie in onder meer Emmerik en Wesel in Duitsland. In de jaren 1660 maakte hij een reis door Duitsland, onder meer naar Emmerik en Wesel. Er zijn stadsgezichten van Van der Heyden bekend van Keulen, Bonn, Düsseldorf, Elten, Xanten, Aken en Kleef. Ook bezocht hij verschillende plaatsen in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden, waaronder Veere en Brussel Jan van der Heyden was gedreven Schilderen en tekenen had hij goed onder de knie, maar dat bracht weinig op. Er was veel concurrentie op de schilderijenmarkt, dus de spoeling was dun. Hij was ondernemend genoeg om rond te kijken naar andere mogelijkheden. Zo ergerde het hem dat Amsterdam er in de wintertijd wel erg donker bijlag. Daar moest wat aan gedaan worden Hij besloot een nieuwe straatlantaarn te ontwerpen, maar dan moest hij wat meer van het omgaan met gereedschappen, metalen, glas etc. weten. Zo ontwierp hij in 1669 een betere lantaarn voor de straatverlichting van Amsterdam waarvan er ruim 1.800 zijn geplaatst. Ook in andere steden werd dit nagevolgd, o.a. in Den Haag, Haarlem en Groningen. De Jan van der Heyden-lantaarn was een koperen lantaarn van bijna zestig centimeter hoog, voorzien van vier ruiten, waarvan er één als deurtje was uitgevoerd om de lantaarn te kunnen schoonmaken. In het deurtje was een luikje aangebracht om de lantaarn te ontsteken. Er bovenop zat een soort schoorsteentje (snuiver). De lantaarn was geplaatst op een vierkante eikenhouten paal van twaalf voet lang (ca. 3½ meter) en zes duim dik (15 cm) of op een houten wandarm met ongeveer een meter uitslag. Als brandstof gebruikte men een mengsel van raapen lijnolie. Voor onderhoud en bediening werden speciale lantaarnopstekers aangesteld. Zij moesten een eed afleggen waarin zij beloofden de instructies na te komen en de overgebleven olie terug te bezorgen. In 1679 publiceerde hij 't Licht der Lamp Lantaarens ontsteken door Jan van der Heijde, Inventeur derselve en opsigter der Stads Lantaarns van Amsterdam. In 1682 werden er 1600 straatlantaarns in Berlijn geplaatst. Ondertussen was Jan al een poosje bezig met vernieuwingen op het gebied van de brandbestrijding. Op de volgende pagina ziet u enkele afbeeldingen waaruit moet blijken welke vernieuwingen er kwamen met de introductie van Jan van der Heyde’s brandspuiten en een beschrijving van het apparaat. Met de beschrijvingen zouden we zo aan de gang kunnen met deze fraaie apparatuur.
Page 34
Gemmagazine 2020 pag. 34 van 40 Gemmagazine 2020 pag. 35 van 40 'GAAT JOU GANG’ moest er op een bepaald moment worden geroepen, zoals op de Instructie onder artikel 5 is te lezen! Nagekomen bericht In het Nederlands Dagblad van 7 februari 2020 staat het volgende bericht: Amsterdam heeft een grote collectie met werk van schilder, tekenaar, etser en uitvinder Jan van der Heyden (1637-1712) in bezit gekregen. De tekeningen, manuscripten, gedrukte publicaties en objecten die eeuwenlang bij zijn nazaten lagen, krijgen een plek in het Stadsarchief en het Amsterdam Museum. 'Het belang van de collectie Jan van der Heyden kan moeilijk overschat worden', zegt Bert de Vries, directeur van het Stadsarchief. 'Zijn uitvindingen vonden wereldwijd navolging en zijn kunst staat internationaal nog steeds volop in de belangstelling. Wij zijn trots deze collectie nu te mogen beheren.’ Van der Heyden zorgde er onder meer voor dat Amsterdam in de 17e eeuw 2.556 straatlantaarns kreeg.’◉ Men laet een ygelijk weten, die noch genegen mochten zijn, te participeren in de Compagnie, die volgens 't Octroy van de Ho.Mo.Heeren Staten Generael der Vereenigde Nederlanden aen Joan Reeps verleent, opgerecht wert, om te stabileren een Colonie omtrent Rio de las Amasones, dat sy gelieven te komen tot Amsterdam, in 't Wapen van Hollant, in de Kalverstraet, by den Dam; waer Maenen Dingsdag Comparitie sal wesen tot den 6 Juny, wanneer men de laetste Sitdagen tot d' Intekeninge sal houden: die geen occasie hebben, self daer te komen, konnen ymant harentwegen senden of per Missive laten weten haer Naem, Woonplaets en de Somma, die yder begeert te participeren. [17-5-1689] Jan Reeps (ca 1650-1697. Vertrok 1676 als onderkoopman van de VOC naar de Oost. Bleef daar tot 1683. Daarna koopman te Hoorn, zijn plaats van herkomst. Ondernam in 1692 tocht naar het Amazone gebied om daae een plantage te stichten. Leed schipbreuk voor de kust van Brazilië, en werd door de Portugezen gevangen genomen. Na 4 maanden naar Suriname en vandaar weer naar Hoorn. OVERZICHT PUBLICATIES [128] H. KLUNDER Verklaring afkortingen tijdschriften e.d.: GEM = Dit tijdschrift GN = Gens Nostra Gr = Gruoninga (jaarboek) LTG = Limburgs Tijdschrift voor Genealogie OTGB = Oostgelders Tijdschrift voor Genealogie en Boerderijonderzoek OV = Ons Voorgeslacht VG = Veluwse Geslachten WF = Westfriese Families Afdelingsbladen van de Ned. Gen. Vereniging: Amst = Amstelland Bull = Bulletin (Achterhoek en Liemers) GS = Gooise Sporen GV = GeneVer (Zuid-Limburg) Thr = Threant (Drenthe en NWOverijssel) TK = De Twee Kwartieren (Kempenen Peelland) B. van Dooren: Jan Adriaensz. en de raadsels rond A(a)nen – nieuwe voorouders van Neeltje de Groot. [I.h.a. patroniemen, 16e eeuw-1639] Ov juni '20. Kwartierstaat van Nicolaas Bot. [Pennekamp, Beemsterboer, Schaper] WF april '20. Van wien niet heeft, van dien zal genomen worden wat hij heeft. [Met 'Stamreeks van Hendrikus (Driek) Brekelmans', 1700-1988] TK april '29. G.J. Potjewijd: Kwartierstaat van Aaltje Brinks (2). Thr no.3 '20. Genealogie van Ents Brouwer (vervolg). [1756-1996] WF april '20.
Page 36
Gemmagazine 2020 pag. 36 van 40 F. Wiersema, mw. P.J.C. Elema: Van Cleve (stad Groningen). [1521-1733] Gr 2014. A. Plasier: Vervolg(Deel)Genealogie van Hein Coumans. [1814-2013] GV mei '20. J.P. Wortelboer: Genealogieën Drost en Bojing/Beuvings/Beuijkens (Papenburg (Dld), stad Groningen, Hoogezand en Sappemeer). [1670-1873] Gr 2014. Mw. P.J.C. Elema: De Groninger stadssmit Lammert Elfringh. [1645-1748] Gr 2014. A. Veldhuis: Echt onecht – De Groninger familie Free/Peesen. [1766-1947] Gr 2014. G.H. Klopman: Genealogie Van der Geest – Deel B. Nakomelingen van Gerrit Petersz. [1650-1905, ook 'Tak Van de Vaarst', 1767-1949] VG juni '20. L. van der Hoeven: Van Suijdervliet (antwoord op vraag). [Met 'Fragmentgenealogie De Goederen', Oudewater, 1590-1709] OV juni '20. G. Venner: Genealogie van de Roermondse familie Van der Goor. [1660-2019, met schema] LTG no.2 '20. P. van den Born: De Hammekens in Nijkerk deel 2. [Ham, 1525-1821] VG juni '20. A.M. Willigenburg: Correctie en aanvuling bij de kwartiertaat Jannetje Heerikhuisen. [Van Heerikhuijsen] VG juni '20. B. van Dooren: De kwartieren van Johanna Heijbeek (Dordrecht 1713). [O.a. Vertholen, ook 'Afstammingsreeks van Hendrika Gertruida Kamp' (voormoeders en -vaders de Vogel, 1711-1966)] OV mei '20. Stamreeks van Hermanus Martinus Henricus Maria Hulshof. [1597-2008] Bull juli '20. Parenteel van Gerrit Kets. [1706-1991] Bull juli ’20. H.J. Hamer: Fragmentgenealogie van Hermina Docter. [Kis(t), Steenwoerd, 1731-1967] VG juni '20. G. Knake: Genealogie familie Knake (deel 2). [1810-2005] OTGB 2e kwart. '20. H. Navis: Kwartierstaat van Geertruida Maria Koster. [Drie generaties] OTGB 2e kwart. '20. A. Schley-de Bruin: Raadselachtige voorouder Aart Jansz. Kreunen (Kreun, Kruenen, Kruin, Cruijningen). [1736-2011] GS mei '20. M. Vulsma-Kappers: Kwartierstaat van Reinbert de Leeuw ( 1 ) . [Kalma, Aalbers , Kar reman] Amst april '20. Kwartierstaat van Henrik Lenselink. [Roessink] Bull juli '20. Mw. C. van Balkom: Eerste stap op weg naar een famiiegeschiedenis Litjens – Faassen. [Met kwartierstaat, Vissers, van de Grevel] GN juli-aug. '20. Mw. J. Louis, T. Bezemer: Een Maastrichts glasslijpersgezin in de negentiende eeuw. [Met stamreeks, 1675-1966] GN juli-aug. '20. J. Ouweneel: De lotgevallen van een doodarm gezin. {Met als inleiding een stamreeks Ouweneel, 1505-1758] GEM mei '20. O. Nienhuis: Het mosterdpotje van Redmer Tewes (1709-1783). [Met twee 'Familieschema's' (patroniemen) als bijlage, 1590-1779] Gr 2014. J.S.L.A.W.B. Roes: Kwartierstaat Roes-Beijrink (deel 2). OTGB 2e kwart. '20. Mw. P.J.C. Elema: Stamreeks Van Rossum (Havelte). [17e eeuw-1903] Thr no.3 '20. R. Dix: Hoe West-Fries is Ard Schenk? Met kwartierstaat (Visser, Bakker, Kaan) en 'Afstammingsreeks Schenk uit BredeGemmagazine 2020 pag 37 van 40 ro d e ' ( s c h e m a 1339-1993)] GN mei '20. Ard Schenk in 1965 R. Paping, J.-P. Worteelboer: Van Hogeland naar Veen en Stad – Smit/Kuiper s/L uden/ Ste e n dam . [Ca.1600-1964] Gr 2014. Mw. P.J.C. Elema: Suikerbakker (Groningen) [Ca.1600-1928] Gr 2014. A. Plasier: “We houden het binnen de familie”. [Timmers, 1748-1909] GV mei '20. G. Schansker, R. Paping: Het lange dubbelleven van de redger en oorlogscommissaris Tonnis Gerrits (1522-1605). [Patroniemen, 15001657] Gr 2014. Eigenaardigheden Schuijtemaker. [Wagenaar, 1720-1985] WF april '20. J.F. van der Wal: Levensloop van Klaas Fokko van der Wal. [1873-2002] VG juni '20. J.F. Wendte: Stokoude mensen in Den Haag en Scheveningen – Neeltje Janse van Salm (1651-1755) en haar nageslacht Weijdekamp. [1660-1818] OV mei '20. W. Peeters: Zoektocht naar de familie Zimmerman.[Stamreeks, 1645-1962] GS mei ’20. DIGITAAL ABONNEMENT Hebt u wel eens overwogen uw (papieren) abonnement om te zetten naar een digitaal abonnement? U zou dat bijvoorbeeld met ingang van het nieuwe jaar kunnen doen. Het scheelt u in de kosten. U betaalt nu € 23 per jaar terwijl een digitaal abonnement € 12. kost. (Misschien volgend jaar € 12,50 of € 13) Daarvoor krijgt u de afleveringen via uw e-mailadres binnen, met als extra bonus een link om tevens de aflevering als doorbladerboek, ook wel flipboek genoemd, te bekijken. Als u voor u wilt beslissen de 'proef op de som' wilt nemen, laat het me weten.
Page 38
Gemmagazine 2020 pag. 38 van 40 PROVISIONEEL REGLEMENT door de Gedeputeerden van de Ridderschap en Steden, op 20 augustus 1645 vastgesteld, om in het OVERKWARTIER van ROERMOND als arbeidslonen aan te houden. meester timmerlieden in eigen kost schrijnwerkers, metselaars en leidekkers zonder bier of brandewijn houtzagers een meesterknecht leidekkers jongen een opperknecht 16 stuivers 16 stuivers 14 stuivers 12 stuivers 6 stuivers 11 stuivers; half geld als ze bij de werkgever in de kost zijn; van oktober tot eind maart 1 ½ stuiver minder strodekkers in de kost opperknecht in de kost voor het zagen van 100 voet planken daghuur ‘s zomers in eigen kost daghuur in de kost van de werkgever een wasvrouw brouwers per mud en/of 1 mud mout korenmeters kleermakers grasmaaiers in eigen kost voerlieden voor transporten van de haven aan de Maas tot aan de huizen van de burgers en vice versa het ploegen van 1 morgen land het eggen van 1 morgen 8 stuivers 6 stuivers 16 stuivers zonder kost en drank 12 stuivers zonder kost en drank 30 stuivers, zonder bier 12 stuivers, ’s winters 10 stuivers half geld 6 stuivers 8 stuivers 14 stuivers 7 stuivers 18 stuivers 3 stuivers 2 gulden zonder kost en drank 6 stuivers Gemmagazine 2020 pag. 39 van 40 turfstekers per dag turfstekers per dag korendragers voor het transport van 1 mud graan uit de schepen van de Maas naar de opslagzolders vice versa voor het dragen van 1 mud graan vanaf de karren op de zolder vice versa voor het dragen van 1 zak zout uit de schepen in de kelders van de burgers voor het dragen van 1 ton bier uit de brouwerskelder in de kelder van de burgers 14 stuivers met drank in de burgerkost half geld 2 ½ stuivers 3 oortjes 2 stuivers + 1 oortje 2 stuivers Herbergiers moeten hun gasten van voedsel en drank voorzien en handwerkslieden die niet in dagloon werken, zo veel minder in rekening brengen als mogelijk is. Degene dit dit Reglement niet ter harte neemt, moet rekening houden met kering en uitsluiting van het gebruik van de meent door hun vee, turfwinning en ander gebruik van de beschikbare bronnen van dit gebied, of ook met verpanding en/of verkoop van hun vee en verbanning uit de stad. Bovendien zullen degenen die de dagloners meer beloven dan de bovenvermelde bedragen, een boete verbeuren ter grootte van een viervoud van de vastgestelde beloning. Gedrukt in Roermond bij Caspar du Pree, boekverkoper op de Markt in de Nieuwe Drukkerije Uldericus Puteanus doet een beroep op de Magistraat van Venlo Venlo 30 april 1669, Aan de heren Schepenen, Burgemeester en Raad van Venlo, Omdat ik mijn studie in Leuven heb afgerond en het plan heb opgevat in Rome mijn carriere te gaan zoeken wegens de goede relaties die ik heb met mijn oom, tegenwoordig secretaris van zijne Eminentie Kardinaal Barbarini en het feit dat de huidige Paus, toen hij nog Internuntius van Keulen was, veel heeft gecorrespondeeerd met mijn grootvader Erycius Puteanus.Het laatste kan ik aantonen met behulp van verschillende brieven die Zijne Heiligheid met eigen hand heeft aan hem heeft geschreven. Daarom verzoek ik u, heren van de Magistraat mij een bijdrage te willen geven in de kosten van mijn reis naar Rome, met het oog op de bijzondere relatie die mijn grootvader met zijn vaderstad Venlo altijd heeft gehad. Inmiddels verblijf ik, uw dienaar, ULDERICUS ERYCIUS PUTEANUS Francesco Barberini (1597-1679) Italiaanse kardinaal, antiquair en en mecenas. Hij was de beschermeling van zijn neef paus Urbanus VIII. (Maffeo Barberini). (Afb. van E. Puteanus hierboven, omgeving Rubens.)

GEM 2:2020


Page 2
COLOFON GEM is de roepnaam van het ’Genealogisch Erfgoed Magazine’ dat weer is voortgekomen uit 'Ons Erfgoed’, van 1993 tot en met 2009 uitgegeven door H.M. Lups te Delft. Overname van artikelen is toegestaan na overleg met uitgever en auteur. Een juiste bronvermelding is vereist. Informatie voor nieuwe auteurs is te vinden op de website. GEM verschijnt in de maanden februari, mei, augustus en november. In verband daarmee is de sluitingsdatum voor de kopij de 15e van de maanden januari, april, juli en oktober. Gemmagazine 2020 pag. van 2 40 Prometheus Sinds 2000 is er samenwerking met de Genealogische Vereniging Prometheus te Delft. Contactpersoon is de heer H. Klunder Heraldisch Bureau Nagtegaal Vanaf 1 januari 2015 worden de door de heer H. Nagtegaal ontworpen familiewapens gepubliceerd in GEM. Abonnementen Deze lopen per kalenderjaar. Een abonnement kost vanaf 2020 € 23.- per jaar te voldoen op bankrekening NL10 INGB 0000 0780 22 t.n.v. D. Kranen. Een digitaal abonnement kost € 12. Voor nieuwe abonnees is er een aantrekkelijke aanbieding actief. Opzegging Dient schriftelijk (bij voorkeur via e-mail) plaats te vinden vóór 1 december. Eindredacteur en uitgever D. Kranen, Molenstraat 73, 6712 CT Ede Tel. 0318-693803 ~ e-mail: info@gemmagazine.nl ~ internet: www.gemmagazine.nl ISSN 2214-2010 ~~~© 2010 GEM Productie: BladNl Afbeelding op omslag Gezicht op Delft, ca 1790, Carel Frederik Benschop (I), naar Jan Bulthuis, 1824-1825. Rijksmuseum, obj. nr. BIB-FM-116-28 (fragment) INHOUD ARTIKELEN Colofon De lotgevallen van een doodarm gezin. Het werk van een kamermeisje in een hotel. Een (meester) bakker met 'losse’ handjes Informatie Database Mutual Heritage In Weelde Sie Toe Enquête Arbeidsomstandigheden 1892 RUBRIEKEN Onteigening van Joodse panden tijdens WO II De 'Zielenheilsmarkt' in kaart gebracht Jaapie Kelder, harmonica virtuoos Epidemie onder het vee in 1715 Wapenregister Genealogische publicaties (nr. 127) 2 3 6 12 13 15 20 26 28 31 39 22 37 Gemmagazine 2020 pag. van 3 V 40 oor u ligt weer, zoals u kunt verwachten, een zeer gevarieerd nummer. Wat u niet mag verwachten is aandacht voor de situatie van isolatie waarin we ons heden ten dage bevinden. Hoewel het allerlaatste artikel op pag. 39 wel een link legt met het besef dat epidemiëen iets zijn van alle tijden. Daar is in de afgelopen jaren ook wel over geschreven in GEM. Ook de herdenking van 75 jaar bevrijding krijgt geen aandacht. Wel is er in het artikel over de verkoop van Joodse eigendommen op pag. 26 aandacht voor de hebzucht van de bezetter en zijn handlangers. Met een verslag uit de Arbeids-enquête denkt de redactie belangstelling te wekken voor dat onderzoek uit de jaren 1890. Als u voor uw eigen voorouders een dergelijk verslag van een ondervraging wenst, kunt u dat melden. Veel sterkte en uithoudingsvermogen gewenst in deze bijzondere tijd! de redactie. DE LOTGEVALLEN VAN EEN DOODARM GEZIN Willem J. Ouweneel Als inleiding tot de kennismaking met debewuste familie volgt hier de kwartierstaat van Evert Pietersz. Ouweneel I (1) Evert Pietersz. Ouweneel, ged. Zevenhuizen 22-10-1730, tr. 13-1-1758 Wijntje van Luijk. II (2) Pieter Lauwersz. Ouweneel, ged. Zh 22-3-1711; tr. 1729 Geertje Jansdr. Vis, tr.(2) aldaar 14-8-1738 (3) Marijtje Dirksdr. Verzeyd(e)/-den (geb. Sluipwijk III (4) Louris Ouweneel, geb. ca. 1666, otr. Zevenhuizen 27-3-1689 (5) Lijsbeth Jansdr. Radder IV (8) Leendert Maertsz. Ouweneel, geb. ca. 1640, ovl Zh 27-10-1709, tr. (2) Zh 1689 Jannetje Evertsdr. Hoogerwerf, otr. (1) aldaar 11-1-1665 (9) Neeltje Jans, Zevenhuizen V (16) Maerten Lourensz. (Ouweneel), geb. ca. 1605, tr. Zh 6-4-1631 (17) Aeriaentgen Cornelis, tr. (1) Claes Goverts. VI (32) Louris Cornelisz. Ouweneel, geb. ca. 1575, ovl. voor 18-2-1632 VII Dit artikel is aangereikt door een abonnee, de heer J.J. Schneider te Zoetermeer, een verre verwant van de familie Ouweneel. Het verhaal We noemden Pieter Lauwersz. Ouweneel, geboren te Zevenhuizen in 1711, waar hij in 1729 trouwde met Geertje Jansdr. Vis. Ze kregen twee kinderen: Evert werd geboren in 1730 en Jan in 1733, maar die stierf heel jong. Moeder (64) Cornelis Lourensz. (Ouweneel), geb. ca. 1540, ovl voor 3-10-1596 (65) Marritgen Michiels, tr. (2) Cornelis Ellertsz. Tuynebreyer VIII (128) Lourijs Cornelisz., geb. ca. 1505. Armoede en vergiftiging In Kroniek van de familie Ouweneel, afl. 2 meldde de redactie dat zij ’oninteressante uitgestorven zijtakken’ uit de stamboom zou weglaten. 'Uitgestorven' betekent hier: in de mannelijke lijn! Via de dochters kunnen zulke zijtakken nog best honderden nazaten hebben opgeleverd, en voor hen zijn die zijtakken dus wel degelijk interessant. In dit artikel behandelen we één voorbeeld, en wel een heel bijzonder! In de genoemde Kroniek noemden we onder de 'oudste Ouwenelen' Louris Leendertsz Ouweneel, geb. Zevenhuizen ca. 1666 en Lijsbet Jansdr. Radder. (4 & 5) Zij kregen minstens 14 kinderen, onder wie ons aller voorvader Cornelis, maar ook nr. (2): Pieter. Aan zijn nageslacht hebben we toen verder geen aandacht geschonken, maar moeten we deze Pieter toch niet wat meer in het zonnetje zetten? Een broer van onze voorvader Cornelis, dat is toch wel 'nauwe familie'?
Page 4
Gemmagazine 2020 pag. van 4 40 De verschijnselen van deze vergiftiging Het oude Overschie vanaf de Schie met boten op de rivier (Willem Horselenberg) Geertje overleed trouwens ook al een paar jaar later. Pieter hertrouwde te Zevenhuizen in 1738 met Marijtje Dirksdr. Verzeyd uit Sluipwijk, die al drie maanden later hun eerste kind kreeg, dat echter jong stierf. Dit gezin heeft een paar jaar in Nieuwerkerk a/d IJssel gewoond; daarna vinden we het gezin in de buurtschap Zestienhoven bij Overschie. In totaal werden er uit dit tweede huwelijk tussen 1738 en 1756 elf kinderen geboren. Begin 1756 was Evert (uit het eerste huwelijk) al het huis uit. Het gezin omvatte toen nog vier kinderen: Laurens was veertien, Leysje zes, Cornelis vier en Sijna was twee; de overige kinderen waren overleden. Op maandag 1 maart 1756 was vader Pieter zoals altijd in het veen aan het turfgraven. De hoogzwangere moeder Marietje was om 8 uur even naar Overschie gegaan en had de kinderen alleen achtergelaten. Toen ze om een uur of 10 thuiskwam, vond ze alle vier kinderen op de grond liggen. Het schuim stond hun op de mond, ze kokhalsden, braakten en hadden hevige stuiptrekkingen. Laurens stierf omstreeks half 11, Leysje om 3 uur. Pas om 6 uur arriveerde de chirurgijn uit Overschie, maar die wist ook niet veel verstandigs te doen. De volgende ochtend om 9 uur stierf ook Cornelis nog. De chirurgijn zag aan de wortelstukjes in het braaksel dat de oorzaak vergiftiging was. In het huis werden de knolvormige wortelstokken van de grote waterscheerling gevonden. Kennelijk hadden de doodarme, hongerige kinderen die niet onsmakelijk uitziende knollen gevonden en de verleiding niet kunnen weerstaan ervan te eten. Het gif leidt tot een zware vorm van maagpijn. Daarna krijgt men braakneigingen. Tandenknarsen is een veel voorkomend verschijnsel bij vergiftiging met waterscheerling. Men krijgt een zware hik. De urine laat men vanzelf lopen. Daarna ontstaat een toestand van delirium; het slachtoffer gaat onsamenhangend praten en is niet meer aanspreekbaar. Deze fase wordt gevolgd door hevige stuipen en krampaanvallen. De rug komt helemaal onder spanning te staan en verandert in een boogvorm. Meestal komt er bloed uit de oren waarna de spieren van de ademhaling niet meer werken en men dood gaat door verstikking. De hoogbaljuw (opperrechter) van Delfland, de heer Van Bleijswijk, wilde echter zekerheid hebben en gaf de arts W. Box te Delft en de De Waterscheerling (Wikipedia) Gemmagazine 2020 pag. van 5 stadschirurgijn Du Ferro opdracht sectie te verrichten. Die deden dat eerst op Laurens, toen op Leysje. Dr. Box schreef een uitvoerig verslag van de sectie en stuurde dat aan de medicus en botanicus prof. M.W. Schwencke . 1 Deze schreef daarop een brochure van 54 blz., waarin hij het verslag van dr. Box in z’n geheel opnam. Het boekje beoogde het Nederlandse publiek te waarschuwen voor deze bijzonder giftige plant. Het is vooral het gele, gomachtige sap in de wortelstok dat giftig is; het was het voornaamste ingrediënt van de gifbeker, die in de oudheid door staatsgevaarlijke gevangenen geledigd moest worden. De beroemdste van die ter dood veroordeelden was Socrates (399 v.C.). Terug naar de Zestienhovense Ouwenelen. Vier dagen na het vreselijke ongeval, onmiddellijk na de sectie, werden twee van de kinderen volgens het kerkelijk begraafboek te Overschie begraven. Maar ziedaar: twee dagen later, op zondag, werd een nieuw kind uit dit gezin gedoopt: Johannes! Behalve Evert uit het eerste huwelijk bleven slechts twee kinderen in leven: Sijna en de nieuwgeboren Johannes. Sijna trouwde later in Hillegersberg met Gerrit Cornelisz. Jongejan en werd 76 jaar. Johannes trouwde daar met Neeltje Jansdr. Schenk. De geschiedenis herhaalt zich: een groot gezin (minstens zeventien kinderen!), grote kindersterfte (toen Johannes in 1829 te Kralingen stierf, waren er voor zover bekend nog maar zes in leven) en grote armoede (in 1803 werd het gezin ‘bedeeld’ door de Hervormde gemeente te Nieuwerkerk a/d IJssel). En toen vader Pieter in 1789 stierf, werd hij in Hillegersberg ‘voor de armen’ begraven, en ‘buiten de kerk’ (alleen de meer gegoeden kregen binnen een plaatsje...). Bronnen • https://mens-en-gezondheid.infonu.nl/natuurgeneeswijze/140967-de-giftige-geneeskracht-van-waterscheerling.html • Prof. M.W. Schwencke, Verhandeling over de waare gedaante, aart, en werking, der Cicuta aquatica 1 Via Google Books in zijn geheel te lezen. 2 In voorloper van Tydinghen uyt verscheyde Quartieren van Broer Jansz Kaart van het Noordelijk van West-Indië ◉ 40 Gesneri, of Groote Waterscheerling, Den Haag, 1756. ◉ Advertenties in de Amsterdamse Couranten van Broer Jansz en Jan van Hilten 27 juli 1624 2 t’Amsterdam by Broer Jansz ende Jacob Pietersz Wachter, is Ghedruckt seker Boeck, ghenaemt West-Indische Spieghel, waer in men sien kan Alle de Eylanden, Provintien, Lantschappen, het Machtighe Rijck van Mexico en ’t Goud en Silver-Rijcke Landt van Peru, ’T sampt De Coursen, Havenen, Klippen, Coopmanschappen, etc. so wel in de Noort als de Zuyder-Zee. Als mede hoe die vande Spanjaerden eerst geinvadeert zijn. Door Athanasius Inga, Peruaan van Cusco. Titelpagina van de West-Indische Spieghel
Page 6
Gemmagazine 2020 pag. van 6 40 ’S MORGENS IN WERKJAPON, ’S MIDDAGS IN HET ZWART! TRAPPEN OP, TRAPPEN AF, DRAVEND DOOR LANGE GANGEN MET SPIERPIJN IN DE KUITEN - IS 'PAKISTAN' AL UITGEPOEDELD? - DE BADKAMER ZWIJGT VIER DAGEN KAMERMEISJE Operette? Niks hoor! VROEGER heette ze kamerkatje of soubrette. Operette-componisten èn blijspelschrijvers hebben haar laten ronddartelen door hun creaties. Met coquette schortjes en hoge hakjes, graven betoverend en baronnen naar de burgerlijke stand slepend. Vroeger was ze ook coquetter dan nu, het kamermeisje. Toen waren de mensen, die in eerste klasse hotels logeerden van andere allure dan nu en met hen het kamermeisje. Zij was er uitsluitend om mevrouw bij het kleden te helpen, boodschappen te doen, japonnen te strijken en tal van kleine persoonlijke diensten te bewijzen. Zij werd rijk van de fooien. Tenminste soms. Er is veel veranderd. Wat doet een kamermeisje eigenlijk? Om u dat te vertellen heb ik vier dagen in een der eerste hotels van Amsterdam als kamermeisje en als kamerwerkmeisje (gróót verschil) gefungeerd en ik verzeker u, dat ik me helemaal niet in een operette voelde. Baronnen heb ik trouwens ook niet gezien. Ik noem het hotel het 'Palace Hotel’ en teken hoogachtend, Uw verslaggeefster/kamermeisje Als je nog een kop thee wilt hebben, voor je om zeven uur op je étage begint, is het wel zaak om kwart voor zeven de portier van de dienstingang te passeren. Er is geen draaideur, noch een portier in uniform. Wel een stempelklok en een wat rommelige binnenplaats. De achterkant van het 'Palace Hotel'. Mijn dienstkaart draagt het nummer 127. Ze hebben hier bijna 200 man personeel. Ik ga haastig de kale houten trap op naar de kamer, waar de kamermeisjes en de kamerwerkmeisjes zich verkleden. Het is er benauwd, er is geen raam. Een gloeilamp zorgt voor miezerig licht. Ik hang mijn jurk aan een haak langs de kant en trek mijn blauw katoenen werkjapon aan met het witte schort en de witte kraag, die ik in de linnenkamer heb gekregen. We verdringen elkaar voor de enige spiegel op het kleine tafeltje en ik prik het witte gesteven en geplooide strookje met schuifspeldjes vast in mijn haar. Er is nog tijd voor een kop thee, aan het dienstbuffet beneden te krijgen. Kellners zijn al bezig met ontbijt-tableaux in orde te maken en ik pak een kop en schotel uit de kast, maar de controleur van de afdeling ziet het en zegt: 'Niet die koppen, die kunnen we niet missen hier, ga maar naar beneden naar de spoelkeuken en haal er een.' Naar de spoelkeuken, in het souterrain, waar ik net zo’n kop krijg als er boven al stonden. Tussen twee obers door krijg ik een straal thee in mijn kop en ik ga er mee weg, de diensttrap verder op, naar de eerste étage. Mijn étage. Lies, het kamermeisje, zit al in het office haar ochtendsigaretje te roken. Het office, dat is ons domein. Een kleine ruimte van ongeveer 3 x 2 meter, zonder echt raam, tenminste het raam komt uit op een luchtkoker en ook hier brandt de hele dag door kunstlicht. Er staat een tafeltje met twee stoelen, er is een aanrecht met een gootsteenje, een muurkast voor het linnengoed. En het lichttaGemmagazine 2020 pag. van 7 bleau boven de tafel, dat verraadt of er een gast is die ons nodig heeft. Het lichttableau houdt zich op dit ogenblik nog kalm, het is twee minuten voor zevenen. 'Mogge', zegt Lies, 'je treft het niet, Annie is ziek.' Annie is het kamerwerkmeisje. Er is een duidelijk verschil tussen kamermeisje en kamerwerkmeisje, dat moet direct gezegd. Het kamermeisje, is het hoogst. Zij is het die 's morgens in werkjapon, maar 's middags in het zwart gaat. Zij draagt de verantwoording voor het welzijn van de gasten in haar rayon, het aanzicht van de kamers, de linnenkast. Zij maakt de bedden op en stoft af. Zij krijgt de fooien. Als die er tenminste zijn, want de gasten zijn niet meer zo scheutig met fooien, vandaag de dag. Ze betalen immers 15% service op hun rekening en daarin deelt het kamermeisje. Die servicepot heet de 'tronc' .Het is aan haar om de losse 1 fooien te delen met haar werkmeisje of ze voor zich zelf te houden. Dat is persoonlijk; de collegiale deelt, degene die zich 'chef' voelt en de losse fooi beschouwt als de beloning voor haar verantwoordelijkheid, pikt hem zelf in. Het kamerwerkmeisje draagt de hele dag blauw katoen. In feite is zij, ondanks de fraaie naam, eigenlijk de vrouw voor het grove werk op de étage. Zij doet de wastafels en de baden, de W.C.'s en zij bedient de stofzuiger. Zij deelt niet in de tronc, maar krijgt een vast loon van ƒ 36 in de week. Zij heeft de orders van het kamermeisje uit te voeren. Vandaag zal ik dus kamerwerkmeisje zijn. 'Begin maar vast met de reservebaden en de w.c.'s op de gang', zegt Lies, „er is nog geen enkele gast van zijn kamer, we kunnen er nog niet terecht.' Ik neem mijn werkmandje met de bus vim , een vaatdoek, drie glazendoeken, een bus 2 wit poeder om in de W.C.'s te gooien en tijg naar de badkamer. Ik bof, het ding is niet gebruikt, alles is nog schoon. Weldra lig ik op mijn knieën in het toilet. Er ligt geen zeep bij. Even halen. Naar het office. Het tableau brandt. Derde étage. Tot half negen hebben wij van de eerste af gastendienst over de étages I, II- en III. Daarna nemen de kamermeisjes van die verdiepingen het werk weer over. Ik ga 1 Fooienpot 2 Schuurt en kan niet krassen! 40 er heen. Zes trappen op. Ik kijk links, ik kijk rechts, het ganglicht brandt rechts, dat betekent, dat in die helft van de gang de kamer ligt, die ons roept. Boven 345 brandt het lampje. Ik klop op de buitendeur. 'Come in.' Een donkere man, Pakistaan zou ik zeggen, vraagt, gehuld in een kamerjas en wangen vol scheerzeep: 'Could I have a bath?'. 'Zeker, Sir, ik zal het klaar maken.' Naar het office van de 3e, waar de badkamersleutel hangt. Pech, het bad is gebruikt. Naar beneden, zes trappen naar mijn werkmandje, dat nog voor de w.c. staat. Zes trappen op. Ik hijg licht. Ik vim het bad, de wastafel, trek de w.c. voor de zekerheid nog eens door; leg de badmat recht, alles oké, kranen open, naar 345. Kloppen: 'Uw bad is klaar meneer.' 'Thank you.' Pakistan kan voort. Ik daal mijn zes trappen weer af. Naar het office. Wel verdraaid, wéér de derde étage. Zes trappen op. Het zweet gutst mij nu oprecht langs het lichaam. 318. Ik klop. 'Yes.' Een lange man met een bril en een verlegen gelaat. 'Could I have a bath.' Een Zweed Pakistaan zit er net in, maar dat zeg ik niet. Ik zeg: 'Of course Sir, maar u moet een kwartier wachten.' Hij glimlacht, berustend. Ik daal weer af. Nu moet ik even bij de tijd blijven. Opletten wanneer Pakistan klaar is, opdat Zweden in het bad kan. 'Hoe ga je Jeanne', vraagt Lies. Ze is al bezig met een afreiskamer van nieuw linnengoed te voorzien. 'Ze gaan allemaal in het bad vandaag', zeg ik, en ga weer terug naar de w.c.'s van de eerste. Zo, die zijn klaar, nu even kijken hoe het met de heer uit Pakistan staat. Zes trappen op. Ik luister discreet aan de badkamerdeur, nee, hij poedelt nog. Terug naar beneden. 'Je kunt 105 vast
Page 8
Gemmagazine 2020 pag. van 8 doen, hoor', zegt Lies, 'de bedden zijn opgemaakt. De eerste étage heeft 20 kamers, die om vijf uur allemaal pico bello voor elkaar moeten zijn. Tien ervan hebben eigen badkamers, met w.c.’s en allemaal hebben ze vaste wastafels. Als de wastafels van 105 schoon zijn en de glazen met een doek blinkend gewreven, stijg ik maar weer eens naar de derde om te horen of Pakistan nu uit- gepoedeld is. De badkamer zwijgt. Ik stap er in. Stel je voor, dat hij nog in het bad ligt. Nee, hij is weg. Ik maak het bad schoon, de wastafel, dweil de grond aan, zet de kranen open en draaf naar 318. 'Uw bad-isreddie Sir' Zie zo, ik daal weer zes trappen en maak 105 af. Als het half negen is, heb ik twee mannen in het bad geholpen, één bad twee maal schoon gemaakt, twee w.c.’s en twee badkamers gedaan want 107 is ook een afreis, dus ik kan er terecht. Om half negen mogen we naar beneden om te ontbijten. We hebben een half uur vrij. Ik heb spierpijn in mijn kuiten. Aan het dienstbuffet geven wij een ontbijtbon af en ontvangen daarvoor op een te klein bordje vier witte boterhammen met schijfjes margarine, twee plakken kaas en een kan thee. We gaan er mee naar de eetruimte in het sousterrain, waar lange tafels staan en houten banken. Lies is intern. Dat wil zeggen, dat ze met de volle kost in de dependance woont. 40 Alle dienstvertrekken zijn 'ondergronds', dus ook de cantine, waar we aan lange tafels eten. Langs getraliede raampjes boven ons hoofd schuiven de voeten van Amsterdammers voorbij. De meesten zijn niet intern en krijgen dan ook geen warm eten tussen de middag, maar nemen brood mee. Om negen uur zijn we weer terug op de étage. Als regel is het het best, als de bedden en badkamers om twaalf uur klaar zijn. Dan kun je 's middags wat kalm aan doen met zuigen en stoffen en eventueel wat extra werk. Maar je bent afhankelijk van de gasten. Soms blijven er veel lang slapen en dan kun je niet terecht, soms zijn er veel afreizen en dan kun je lekker opschieten. Zoals vanmorgen. De huisjuffrouw, die chef is over alle kamer- én kamerwerkmeisjes en ons voortdurend controleert of we niet zitten te slabakken in het office, heeft het lijstje al aan Lies opgegeven. Ik kan aan het stofmandje van Lies, dat ze voor de kamerdeur op de gang laat staan, zien, waar ze aan het werk is en ik volg haar dus zo van kamer tot kamer. We hebben alle twee een 'moedersleutel', die op alle deuren past, zodat we vrij in en uit kunnen gaan. Altijd kloppen natuurlijk, want een gast kan altijd terug gekomen zijn in zijn kamer. Ik klop op 108. 'Yes'. Een Amerikaans echtpaar. Er is haast geen Hollander in het hotel in deze tijd van het jaar. Mevrouw zegt vriendelijk, dat ze 'in a minute' de kamer heeft verlaten. 'Ik heb geen oog dicht gedaan',vertrouwt ze me nog gauw even toe. 'van die- machine voor de deur…' Door de open ramen hoor ik het gedreun van een asfaltwals. 'Bijna de hele nacht', klaagt haar man, 'terrible…' Die kamer van ze, aan de voorkant met badkamer, doet toch zeker ƒ 30. voor één nacht slapen en als je dan nog niet slapen kan vanwege de werkwoede van Publieke Werken van Amsterdam, dan is het wel een duur nachtje hoor...! Ik volg Lies via haar mandje door de met dik rood tapijt bespijkerde gangen Ik sop wastafels, borstel w.c.'s, vim baden en poets spiegels. Ik puf. Lies zie ik af en toe met armen vol vuil wasgoed door de gangen snellen, naar het office, om het in het linnenwagentje te doen. Om half elf roept ze me: chocolade drinken. Iedere, ochtend om half elf mogen we een kwartiertje uitrusten in het office met een kop chocolade. Onze collega's van de derde étage komen ook bij ons, één haalt beneden een kan chocolade en weldra zitten we, twee op een stoel, een op een krukje en nummer vier op de asbak, te drinken. Lies heeft ƒ 1.25 gevangen, die ze als fooi op het nachtkastje van een afreis heeft geGemmagazine 2020 pag. van 9 vonden. Ze deelt met mij. Lies is van het soort, dat deelt. Wij krijgen chocolade, omdat koffie te duur is. In dit grote hotel, waar zovele liters koffie omgaan, ziet het personeel nooit een kopje koffie. De huisjuffrouw komt vragen of er nog iets bijzonders is. Zij krijgt op, welke gasten een bad hebben gehad, welke tweepersoonskamers door één persoon werden beslapen, de afdeling receptie heeft van mij al de ingevulde bonnetjes gekregen. 128 wisselt van kamer. Nou. dat is dan pech, want de bedden waren al opgemaakt, dus die moeten nu verschoond worden, dubbel werk. Dank u. Om kwart voor elf verspreiden wij ons weer. Ik moet nog vier badkamers en Lies nog maar drie bedden. We komen lekker voor twaalf klaar met het belangrijkste werk. Toch draven we nog pittig voort, alvorens we ophouden om warm te gaan eten beneden. Er is dunne aspergesoep, puree met sla. Ho, meer niet. De internen krijgen in het Palacehotel maar één keer per week vlees, op Zondag. Vrijdags vis en soms, maar lang niet altijd nog eens vis op Woensdag. Gisteren was er tomatensoep met sla en puree en dunne jus. Ik vind het wel lekker smaken, maar het is te weinig. Het verwondert mij eigenlijk erg, dat zo’n groot hotel, zulke schaarse maaltijden geeft aan zijn personeel en ik weet, dat het niet overal hetzelfde is. Er zijn hotels waar iedere dag vlees wordt gegeven. Per slot is dit toch vrij zwaar lichamelijk werk en je moet je ongelukkig lopen om je taak af te krijgen. Ik weet ook, dat Lies b.v. bijkoopt, een biefstukje, fruit, melk. Want fruit en melk zien ze ook nooit. En toch bedraagt deze kost nog f 14 in de week. Een kamermeisje kan zich wel permitteren van haar verdienste wat bij te kopen, dat is waar. Ze verdient in het seizoen wel een ƒ 120 tot ƒ 140 per week, Dat ligt aan de grootte van de tronc, en die is weer afhankelijk van de verdienste van het hele hotel. Maar daar staat wel tegenover, dat ze 's winters gedurende een maand of drie, weken van soms ƒ 6 maakt. Ze moet dus sparen voor de magere maanden, maar in het Palace Hotel maakt een kamermeisje buiten de losse fooien toch wel een ƒ 3.400 per jaar. Het Hotel moet in ieder geval, bij arbeidscontract en volgens de regeling voor werknemers in het Horecabedrijf garanderen tot een minimum van 40 omstreeks ƒ 38 per week; dat hangt van leeftijd en klasse van indeling af Maar niet alle bedrijven houden zich daaraan. Zo profiteren de kamermeisjes dus van garanties, die de bond voor haar heeft bereikt, maar waarvan zij geen lid zijn, de meesten althans niet. Ze lijden aan het zelfde euvel als bijna al het vrouwelijk personeel: zij sluiten zich uit ongeïnteresseerdheid meestal niet aan, maar is er iets, dat haar niet zint, dan wèl kankeren natuurlijk! Zij verdienen dus omstreeks ƒ 3.400 per jaar. Zeer velen van de kamermeisjes in dit hotel — en dat zal wel niet veel verschillen met andere hotels — zijn gescheiden vrouwen, die de zorg voor een of meer kinderen hebben, die zij bij ouders, in een kinderhuis of pleeggezin hebben ondergebracht en waarvoor zij het nodige moeten opbrengen. Het is een ongezellig rommelig vertrek, waarin we moeten eten. Op de tafels liggen schillen en as, er staan vuile kopjes, op de grond liggen proppen en kruimels. 'Dat zijn die jonge kellners', zeggen de kamermeisjes, 'die doen maar wat'. En ze kankeren, dat het eetvertrek, waar reserve-pannen, dozen met glazen en andere hotelbenodigdheden staan, niet behoorlijk wordt schoongehouden. We hebben tot één uur vrij en als het eten erin is, gaan sommigen haastig boodschappen voor zich zelf doen of een sigaretje roken op de binnenplaats, waar ze op omgekeerde kistjes in de zon wat praten. De internen gaan naar haar kamer. Na het eten zijn de gasten wel allemaal definitief de straat op. We werken nu gelijk op. Ik zuig de gespijkerde kleden. Lies stoft de boel af. Om drie uur ontmoeten we elkaar gevieren weer in het office voor de thee. We hangen moe tegen de muur en trachten onze voeten wat te steunen. Alles kraakt nu aan me, of ik heb paard gereden, touwgetrokken en oefeningen aan het wandrek heb gemaakt, allemaal tegelijk wel te verstaan... En het waren toch alleen maar 20 wastafels, twaalf baden, twaalf w.c.'s en een stuk of 20 gespijkerde kleden... Ik vraag ze of mijn voeten en benen nu zo pijnlijk zijn omdat ik- „een nieuwe' ben. O nee, het eerste wat zij allemaal doen als ze thuiskomen, is schoenen uit en in het sodawater. Schraal getroost ga ik weer verder met mijn stofzuiger. Om vier uur zijn de kamers klaar. Maar zitten is er niet bij. Er zijn immers nog altijd wel meubels in de was te zet
Page 10
Gemmagazine 2020 pag. 10 van 40 ten, ramen te lappen of bedden te „rukken', d.w.z. bedden helemaal uit elkaar trekken om er tussen te stoffen en te zuigen. En anders is er wel een kraan om te worden gepoetst. Eindelijk is het vijf uur. Ik strompel naar het kleedhok, waar het onfris ruikt. Er is geen douche voor ons, externen, en in de gastenbaden mogen we natuurlijk niet En dan te bedenken, dat ik als kamerwerkmeisje veertien dagen met die jurk toe moet. Ik zou morgen al wel weer een schone willen. Om tien over vijf passeer ik de stempelklok. Thuis ga ik plat. Ik kan geen pap meer zeggen... Lies is ziek en ik ben opeens kamermeisje. Ik sta dus aan het verantwoordelijke hoofd van 20 kamers, een werkmeisje, een linnenkast. Maar van zeven tot half negen zal ik het alleen moeten rooien, want het werkmeisje, dat ik krijg toegewezen moet eerst helpen de lounge beneden schoon te maken. Het linnenwagentje gaat per lift van de étage naar het souterrain, waar het niet zo prachtig is als op de gastenétages. Geen rode lopers en witte vleugeldeuren, maar lage grauwe gangen, met verwarmingsbuizen boven je hoofd. Als de gasten zich nu maar gedekt willen houden. Ha, ha, de gasten denken er niet aan Mijn tableau flikkert van de bellen. Tweede étage. Een ontbijt op 217. Dat moet ik doorgeven naar de restauratie. Kamermeisjes serveren meestal geen maaltijden, dat doet de kellner. Deze man wil 'breakfast' met 'scrambled eggs', ham en koffie. Hij kan het krijgen. Op de derde étage is een heer, die gaarne een stukje zeep zou hebben. Ook dat is er voor hem, weliswaar beneden, dus het.wordt weer zes trappen. 148 vraagt in het Engels met een Italiaans accent om het kamermeisje en hij reikt mij een papieren zak met vuil wasgoed, dat voor de volgende ochtend schoon en gestreken bij hem terug moet zijn. En hij doet er twee pakken bij, die moeten worden opgeperst. Die pakken breng ik naar vijf hoog, naar het opperskamertje van de huisknecht. Dat zijn acht trappen, vier heen en vier terug. Voor het wasgoed een bon en daarmee naar beneden, naar de linnenkamer in het souterrain. Ik vind een paar francstukken in zijn overhemden. Breng ze hem terug. Hij dankt mij recht hartelijk, maar laat ze me niet houden. Wie zegt. dat kamermeisjes zoveel fooien opstrijken? Maar hij kan dus zien, dat het meisje van de eerste étage eerlijk als goud is. Ja, ik ben daar gek, als hij ze straks mist, dan ben ik het die het weggemaakt heeft... Daar zijn zoveel staaltjes van te vertellen. Van die Amerikaan die een 100 dollarbiljet miste, dat hij in een pak dat moest worden opgeperst had laten zitten. Het zat er niet in. Nou, dat zou het kamermeisje dan wel achterover gedrukt hebben. Als een gast iets mist, is het altijd het kamermeisje. Het was nergens te vinden, dat biljet. ledereen kwam erbij. De huisjuffrouw en de personeelchef en zelfs de directeur. En de recherche. Het kamermeisje in tranen, het werkmeisje in tranen, alle kamermeisjes uit haar doen, het hele hotel in rep en roer. Kwam het uit een pak, dat hij aantrok 'So sorry for the trouble..'. Ja, ja, en twee dollar fooi voor alle tranen en zenuwen. En dan die dame, die haar hotwaterbottle (kruik) kwijt was. Hij was nergens en het kamermeisje zou hem wel gegapt hebben. Ook alles overhoop, kwam de huisdetective erbij en het eerste wat hij uit een koffer haalde was die kruik. U wordt bedankt, mevrouw met uw hotwotter-bottel’!! Ik moet dus nu alle bedden opmaken. Bij afreizen betekent dat: schone lakens en slopen, schone handdoeken, kleedjes en badlakens. Bij blijvende gasten: het bed opmaken en gebruikt linnengoed vervangen door schoon. Ik buk, buig en steun over de bedden. Ik draaf van de linnenkast naar de kamers en terug. Ik lijk wel een cipier met mijn rinkelende sleutelbos, waarmee ik de kamers in en uit ga. In het office stapelt zich de vuile was op. Die moet ik voor twaalf uur hebben gesorteerd en in mijn linnenwagentje per lift naar de linnenkamer hebben gebracht, met een lijstje erbij. Ik krijg dan net zoveel schoon terug als ik vuil heb ingeleGemmagazine 2020 pag. 11 van 40 verd en kan mijn linnenkast weer bijvullen. Ik heb kramp in mijn handen van het matrassen optillen en het blijkt nog een hele kunst te zijn spreien netjes en zonder vouwen over bedden te vlijen. Op 109 vind ik een bontcape in de kast. Het is een afreis en ik bel als de wind de receptie om te vragen of deze gasten het hotel al hebben verlaten. Ze zjjn net met de bagage naar het station vertrokken. Een chasseur rent met de bontcape naar de trein en vindt ze nog op het nippertje. Even later vind ik warempel een electrisch scheerapparaat op een afreis-kamer. Deze gasten zijn al vertrokken. Ik moet het gevonden voorwerp bij de huisjuffrouw inleveren als ze straks op haar ronde langs komt. Het is waanzinnig hoeveel de mensen laten liggen. Als het hotel ze niet direct kan achterhalen, blijft het bewaard, een jaar ongeveer en als er dan nog niet om geschreven is, wordt het onder het personeel verkocht. Lies heeft op die manier een pracht van een zwarte boxcalf tas gekregen. Voor een kwartje. Om twaalf uur krijgen we tomatensoep, aardappelen en een hap spinazie. Dan ga ik even bij zieke Lies op bezoek, die in haar kamer in de dependance ligt. Er zijn ongeveer tien meisjes intern. Lies heeft een aardig kamertje, met een raam. Maar de meesten hebben net zo’n kamer als het kleedhok, geen raam en niet tot boven aan afgeschoten, zodat je elkaar kunt horen. Er zijn geen wastafels op de kamers, wel op de gangen. En er is een douchecel, alleen voor de internen. Ze moeten zelf hun kamers schoonhouden. Er zijn hotels, waar een speciale werkster is voor het doen van de personeelskamers. De kamermeisjes hebben een dag in de week vrij, het reglement schrijft voor, dat dat eens in de vier weken een Zondag moet zijn. Als ze Zondags dienst hebben, werken ze tot twee uur. Dus dat is een halve dag vrij. En twee weken vacantie per jaar. Na enen ga ik met het werkmeisje de kamers stoffen, zij zuigt. Ik controleer alles en daarna mijn linnenkast. Wat daarin ligt moet met wat er op de kamers is, precies kloppen met wat er op de étage aan linnengoed aanwezig is. Ik tel mijn linnen, maak de lijst. Om half vijf doe ik de ronde om te zien welke kamers nog niet bezet zijn, zodat de receptie straks via de huisjuffrouw weet hoeveel nieuwe gasten er op mijn étage nog deze avond terecht kunnen. Nu heb ik de avonddienst. Om vijf uur, als het dag-kamermeisje weg is van haar etage, komen de twee avondmeisjes. Zij blijven tot 1 uur 's nachts. Ze hebben meer dan één etage onder haar beheer, de een drie, de ander twee grote. Maar haar werk is heel anders dan dat van haar collega's overdag. Zij hoeven haast geen kamers te doen. Soms is er 's avonds een afreis, en dan moet zo’n kamer weer in orde, soms komen er gasten die een extra bed bij willen hebben gezet of een kinderbedje. En er zijn veel bellen. Dat is een op en neer gesjouw als de gasten het op hun heupen hebben! Nu zijn er andere vragen: veel broeken en pakken persen. Veel extra klerenhangers, knopen aanzetten, allemaal gasten die aankomen en zich installeren. Wij maken de ronde en 'dekken af'. Dat is: de bedden openslaan en de pyama's en nachthemden bevallig neervlijen over de dekens. Zien voor het laatst of alle handdoeken en w.c.-rollen er wel zijn. Lampjes controleren, En het stoomgoed en de wasjes, die overdag door de gasten zijn gegeven en nu schoon bij de portier liggen, uitdelen. [..] De lichten branden nu op de gangen en de rode tapijten met de witte deuren en de lichten geven iets feestelijks aan het hotel. Van beneden uit de lounge klinkt het strijkje. De gasten kleden zich voor het diner of maken zich klaar om de stad in te gaan. Soms is er om elf uur een opleving, want dan komt de boottrein en even later de trein uit Parijs aan. Dan staan de bellen niet stil, er klinken stemmen op de gangen en deuren gaan open en dicht. En wij snellen naar waar onze hulp wordt gevraagd: Oui madame, ich danke Ihnen sehr, your bath is ready, sir. Dan valt de stilte langs de gangen en de klok draait naar één uur. M’n brandende voeten zullen straks naar huis wandelen en daar wacht mijn bed. Dat ik nog op moet maken! Artikel geplaatst in Het Parool van 20 juni 1953 ◉
Page 12
Gemmagazine 2020 pag. 12 van 40 Een bakker met losse handjes Gaat hij vrij uit? Dick Kranen Grave, 26 juli 1726. In aanwezigheid van Majoor Broun en enkele hier onder genoemde officieren, heeft Maria Stoffels, echtgenote van Thomas Raelmigh , 1 korporaal in het Regiment van Kolonel De Spaen in de Compagnie van Luitenant Kolonel Verdun, onder ede de volgende verklaring afgelegd: Op de 24e dezer om ongeveer half elf in de morgen ging ik naar bakker Matthijs van Esch 2 om bij hem boodschappen te doen. De bakker vroeg wat ik wenste; daarop antwoordde ik dat ik wat boter en grutten wilde hebben. Na het wisselen van deze woorden greep Van Esch mij van achteren bij de rok en even later greep hij mij ook bij mijn boezem, terwijl hij 'verscheyde vuyle woorden' uitsprak. Toen zei hij terwijl hij aan mijn rok trok: 'Ik zal je je boodschappen geven'. Dit doende keek hij op de kerfstok en telde 3 hoe hoog mijn schuld was. Hij plaatste 2-3 krappen op de kerfstok en zei: ‘Ik zou wel willen 4 dat ik zo mijn vinger op je vrouwelijkheid kon leggen’. Hoewel ik de winkel wilde verlaten, riep hij mij terug en beweerde dat hij graag nog iets wilde zeggen. Terwijl ik doorliep naar de deur greep hij mij onder mijn rokken op een intieme plaats en stak zijn vinger erin op zo'n manier dat het nog pijnlijk is. Portretten van de Leidse bakker Arend Oostwaert en zijn vrouw Catharina Keyzerswaert met allerlei verschillende soorten vers gebakken brood (broodjes, krakelingen, kadetten, duivekater) voor de bakkerij. In de deur van de bakkerij blaast een jongetje, waarschijnlijk hun zoontje Thaddeus, op een hoorn. Boven de deur groeien wijnranken. Schilder: Jan Havicksz. Steen, (1658) Ik schold hem daarop uit voor hond, schelm, hondsvot en dergelijke, en zei tegen hem: ‘Waar zie je me vooraan, ik ben geen canaille dat je dat zo maar met mij kunt doen’. Daarop gooide ik de gekochte boodschappen op de toonbank terug. Van Esch bond snel in en betoonde spijt en zei: ‘Ik ken je als een eerzame vrouw, vertel het alsjeblieft niet aan mijn vrouw, zeg maar hoe ik het goed kan maken, ik begrijp echt niet dat ik me zo heb laten gaan’. De vrouw van bakker Van Esch is dezelfde morgen nog bij mij thuis gekomen om mij te vragen toch vooral over het gepasseerde te zwijgen en haar man niet aan te klagen. Ze 1 Raelmigh is mijns inziens een verbastering van Raleigh (?) 2 In een akte uit 1712 wordt Mattheus van Esch 'meesterbakker' genoemd. 3 Kerfstok: voorheen (en thans misschien nog hier en daar op het platteland in enkele afgelegen plaatsjes) een hulpmiddel tot het aantekenen en onthouden, ook, zo nodig, bewijzen van winkel- of herbergschulden. Stok, stokje, houtje, regeltje, latje, waarop door middel van insnijdingen grote en kleine, hele en halve kerven of krappen, of andere tekens (kruisen, steken, prikken, enz.) die een overeengekomen waarde vertegenwoordigen, aantekening en rekening gehouden wordt van de door iemand aangegane winkel- of herbergschulden; 4 Door middel van telkens gemaakte of geplaatste kerven, krappen, schreven, streepjes aantekening houden van gelag- en winkelschulden en gedane betalingen. Gemmagazine 2020 pag. 13 van 40 stelde me voor een kan bier te halen om ‘de schrick daar mede aff te drincken’. Toen kwam de zus van de bakker ook bij haar. Zij stelde voor om het gebeurde ‘met een copje thee aff te drincken’. Toen mijn man Thomas mijn verhaal hoorde, ging hij onmiddellijk naar de bakker. Na binnenkomst vroeg hij hem of hij de man was die zijn vrouw zo had behandeld. De bakker zei niet meer te weten dan dat hij haar rok had vastgegrepen, waarop hij Thomas beetgreep en hem smeekte over de zaak te zwijgen. Vervolgens opende de bakker zijn geldlade en bood mijn man wat geld aan, dat hij echter weigerde aan te nemen. De Vaandrigs W. Hiddingh en J.J. Meijs G. Nouwens, auditeur militair. 1 In de marge staat als commentaar geschreven: Omdat Maria Stoffels een'misselijk wijf is, en omdat 2 zij haar klachten niet kan bewijzen, kan hier verder niets aan gedaan worden. Er bestond nog niet iets dergelijks als een 'Me-Too' beweging, de man ging dus heel vaak vrij uit. DATABASE ATLAS OF MUTUAL HERITAGE TOONT GEDEELD OVERZEES ERFGOED HANDELSGEBIEDEN VOC EN WIC ONLINE IN BEELD Het team achter de Atlas of Mutual Heritage verzamelt en beschrijft al ruim 22 jaar historische beelden van vroegmoderne koloniale nederzettingen en presenteert deze in samenhang op het web. Maarten Heerlien Opmerkingen: • Het bovenstaande is een hertaalde versie van het oorspronkelijke stuk. • Zoeken in de database met Notariële actes van het BHIC op de naam Matthijs van Esch wijst uit dat de bovenstaande gebeurtenissen geen nadelige gevolgen voor zijn carriëre hebben gehad. ◉ Wat in de jaren negentig begon als stageproject bij het Rijksmuseum is uitgegroeid tot een belangrijke online bron voor onderzoek naar het koloniale verleden van Nederland. In de Atlas of Mutual Heritage (AMH) zijn gegevens en duizenden afbeeldingen van historische kaarten, tekeningen en prenten te vinden van locaties gerelateerd aan de Verenigde OostIndische Compagnie en West-Indische Compagnie. Het is daarmee de oudste nog operationele online onderzoeksdatabase voor geschiedenis in Nederland. De AMH, een samenwerking van het Rijksmuseum, Nationaal Archief, Koninklijke Bibliotheek en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, toont afbeeldingen uit collecties van 26 instellingen. Dat aantal groeit nog steeds, aldus Tristan Mostert, docent Geschiedenis aan de Universiteit Leiden en één van de coördinatoren van de Atlas. 'De afbeeldingen geven inzicht in plaatsen waar de VOC en WIC actief waren. Dat beeld is nooit compleet.’ Gedeeld erfgoed Sinds de start is de AMH zowel in technisch opzicht, als in haar doelstellingen en benadering, met de tijd meegegaan. Mostert: 'Toen Martine Gosselink, nu hoofd Geschiedenis bij het Rijksmuseum, als stagiaire de eerste 1 BHIC, Schouten Archief/Archief van de Ambtman te Grave, toegang 745, inv.nr.66 2 Misselijk, hier in de betekenis als slecht bekend staand.
Page 14
Gemmagazine 2020 pag. 14 van 40 versie ontwikkelde, gaf deze museumbezoekers een beeld van het dagelijks leven van VOC- en WIC-dienaren overzee. Met nieuwe partners veranderde de nadruk naar de notie van gedeeld erfgoed: we delen deze geschiedenis met de hedendaagse bewoners van de octrooigebieden. De geografische spreiding van de gebruikers van de Atlas illustreert dat ook.’ Groei voor de toekomst De grote duurzaamheid van de Atlas schrijft Mostert toe aan de organisatie ervan. 'We zijn een klein, hecht team dat bijna alles zelf doet. Naast het onder de aandacht brengen van ons platform bij de deel-nemers en gebruikers, zoeken we voortdurend nieuwe content. Zo voegen we momenteel afbeeldingen uit de British Library en de Koninklijke Bibliotheek Brussel toe. Ook willen we content met betrekking tot expeditiereizen toevoegen. Daarnaast is actualisering van oudere records nodig, omdat soms terminologie is gebruikt die nu niet meer acceptabel wordt geacht. Het logische gevolg van een database met zo’n lange geschiedenis.’ atlasofmutualheritage.nl Vijf Nederlandse mannen aan de maaltijd; links een Javaanse bediende die saké schenkt; rechts een Javaanse bediende met een schaal met eieren. Linksvoor een stoel met het VOC monogram op de rug. Opschrift: boven: 'De print is / HOLLANDER / zuiver gedrukt.' Mogelijk gaat het hier om het voltallige VOCpersoneel op Deshima. ◉ Geachte redactie van E-Data & Research, Hartelijk dank voor overname van dit artikel uit uw uitgave van februari 2020. Gemmagazine 2020 pag. 15 van 40 'IN WEELDE SIE TOE' Fake Koster Hier boven wordt een foto weergegeven van een bronzen tabaksdoos die ik heb gevonden in de oude havenstad Al Mocha aan de Rode Zee. 1 Dit is het middelste gedeelte, van wat de bodem van een driedelige tabaksdoos moet zijn geweest. Dat is te zien aan het dubbele scharnier aan de zijkanten van deze doos. (zie hieronder) Ik ben hiermee naar het Groningse Tabaksmuseum geweest. Daar wisten ze mij te vertel 2 - len dat het deksel waarschijnlijk dateert uit de 17e of 18e eeuw. Ze hadden daar toen ook enkele van dit soort tabaksdozen uit dezelfde tijd liggen. Dat betekent dat dit voorwerp maximaal zo’n 400 jaren oud kan zijn! De tabaksdozen die ze in het museum hadden waren compleet en hadden wel een boven- en onder deksel. Hele mooie exemplaren waren er bij. De twee delen die ik mis, eigenlijk het boven- en onderlid, hebben waarschijnlijk beschermd tegen de corrosie door het zeewater gedurende al de jaren dat het bedolven is geweest in de modder van de oude haven. Waarom ze vroeger tabaksdozen maakten met een boven en onder deksel dat weet ik niet. Het bovendeksel, begrijp ik, is bedoeld om de tabak te beschermen en af te sluiten Het onderdeksel dat de bodem afsloot werd mogelijk gebruikt om er papieren, geld of anHet dubbele scharnier 1 Toen nog Yemen Arab Republic nu heet het People’s Democratic Republic of Yemen. 2 Het museum van Niemeyer, inmiddels opgeheven
Page 16
Gemmagazine 2020 pag. 16 van 40 Het haven project nog onderhanden maar bijna klaar met de zuiger 'Gouda' op de achtergrond dere persoonlijke dingen in te bewaren. Misschien wel een haarlok van een geliefde. Op de tweede foto kun je nog de vastgedroogde zwarte resten van de modder zien waarin de doos al die jaren in de haven begraven is geweest. Deze vastgedroogde resten aan de zijkant van de doos heb ik er bewust aan laten zitten. Het dubbele scharnier is te zien en de scrollen die op de rim zijn gegraveerd. Wat deden we in Mocha? In opdracht van de regering van Yemen hebben 'wij’ daar van 1978-1979 een nieuwe haven gebouwd met de constructie van een havenkade en een golfbreker. En een lange pier die tot de bescherming van de nieuwe haven, de vaargeul en de zwaaikom diende. De nieuwe havenkade was een verlenging van de oude bestaande kade. Waar aan beide zijden de zeeschepen nu kunnen afmeren om hun vracht te laden of te lossen. Met ‘wij’ bedoel ik het baggerbedrijf Royal Bos Kalis Westminster Group N.V. Nederland en het baggerbedrijf Dirk Verstoep B.V. ook uit Nederland een onderdeel van B.K.W. Het werk werd het Mocha Harbor Expansion Project genoemd. Het havenproject De cutterzuiger Gouda zoog het zand en de modder op om de haven en de vaargeul uit te baggeren en zo de haven toegankelijk te maken voor grotere schepen. Het zand en de modder die hierdoor naar boven kwamen werd via een drijvende pijplijn aan land gepompt. Het op deze manier opgehoogde terrein werd ‘het stort’ genoemd. Met heimachines met een dieselblok er op werden er damwanden in de opgespoten grond geslagen. Zo ontstond er een kofferdam die met gordingen aan elkaar werden verbonden. Die werden weer met trekstangen er tussen verankerd en stabiel gezet. Hierna werd de kofferdam weer opgevuld. Daarna werd er van beton een sloof (dwarsbalk) op de damwanden gestort in de daarvoor gemaakte bekisting. Uit Nederland was een lading zware betontegels verscheept en deze werden als bestrating van de pier tussen de wederzijdse betonsloven gelegd. Het zand aan de buitenkant van de damwanden werd weer weg gebaggerd en zo werd de nieuwe haven geconstrueerd en konden zeeschepen afmeren aan de geplaatste stootkussens en aanlegpalen. Gemmagazine 2020 pag. 17 van 40 'In weelde sie toe' (Jan Steen,1663) We hadden ongeveer 75 Pakistanen en ongeveer evenveel Jemenieten in dienst, die verbleven in een aantal barakken. Mijn verblijf in Yemen heeft alles bij elkaar ca. 10 jaar geduurd. Vanuit Yemen ben ik naar de VS vertrokken en daar gebleven. Resultaten van het baggeren Er kwam nogal wat oude rommel aan land tijdens het baggeren. Tussen de middag, als we even tijd hadden, gingen we regelmatig naar het stort om te kijken of er nog iets interessants aan land gekomen was. Meestal was het niet veel bijzonders, veel oude en gebroken scherven van Chinese vazen of borden, zoals het bekende Delftsblauw wat we in Nederland kennen. Of moet ik zeggen 'Chineesblauw'? omdat veel aardewerk in opdracht van de VOC in China werd gemaakt. Zelfs oude kanonskogels en verroeste pistolen, waarvan de houten kolven verrot waren zijn naar boven gehaald. Ook een oud stokanker en enkele gouden munten zijn daar gevonden. Op een dag vonden mijn collega Jan Schepers en ik de restanten van de tabaksdoos. Wij liepen samen zo wat rond te kijken toen we beiden dit voorwerp zagen liggen. Jan pakte het op bekeek het en zei zoiets als: “dit is ook niks” en gaf het aan mij. Ik nam het aan en maakte het een beetje schoon, wat Jan niet gedaan had, toen kwamen de befaamde woorden 'In Weelde Sie Toe' te voorschijn. Dit was zeker een verrassing, zelfs een beetje mysterieus. Ik heb me toen al afgevraagd, hoe dit voorwerp in deze oude haven terecht was gekomen. Het was dan ook wel heel toevallig dat twee Nederlanders en nog wel Hoogeveeners een dergelijke ontdekking deden. Jan kwam van oorsprong uit het Drentse dorp ’t Noordscheschut en ik kwam uit Nieuweroord wat een eindje verder aan de Verlengde Hoogeveensevaart ligt. Dat wij daar een voorwerp vonden dat waarschijnlijk door een Nederlandse zeeman daar lang geleden verloren is (of in zee gegooid?) was ook wel heel toevallig.
Page 18
Gemmagazine 2020 pag. 18 van 40 Gezicht op Mocha tijdens de 2e helft van de 17e eeuw. De Hollandse vlag is te zien links van de vlag van het VOC schip op de voorgrond. Afbeelding gemaakt door de Nederlandse geograaf en kaartmaker Olfert Dapper in 1680. Ingekleurde weergave. In weelde sie toe Kennelijk was het in de 17e eeuw een belangrijk thema om te waarschuwen tegen de mogelijke gevolgen van de toegenomen welvaart voor een groot deel van de bevolking van ons land in de Gouden Eeuw. Het zijn immers sterke benen die de weelde kunnen dragen! Behalve als tekst op een tabaksdoos gebruikte Jan Steen dit thema op één van zijn schilderijen. Voor Jan Steen was het gebruikelijk morele thema’s aan te roeren. De VOC en Mocha Tussen de jaren 1621 en 1739 had de VOC een handelspost in Mocha. Deze post was gedurende deze jaren niet permanent bezet. Als de handel tegenviel of moeilijk was, dan verdween de bezetting gedurende een aantal jaren tot de handel weer aantrok. De post werd definitief verlaten toen we zelf koffie gingen verbouwen op Java in de jaren 1720-1730. Het is al zo lang geleden en we zullen op vele vragen geen antwoord meer kunnen krijgen. Maar er blijkt wel uit dat Nederland een rijk verleden heeft in deze oude stad aan de Rode Zee. De oude haven werd vroeger Al Mukha genoemd en de Arabieren noemden het ook wel Bandar Ali (haven van Ali). Ze bezochten deze stad om daar handel te drijven in koffie en kruiden, zoals o.a. kruidnagelen, peper uit Malabar, nootmuskaat, cardamon uit Bombay en goederen als zijde en porcelein uit China, stoffen uit Voor-Indië, Japans staaf koper, Tin uit Siam. En wat al niet meer. Mocha was in die tijd een druk bezochte haven:. het handels centrum van het zuidelijk deel van het Midden-Oosten. De Yemenieten verzamelden en transporteerden hun koffie uit het bergland, waar het verbouwd werd, naar Mocha, waar het werd opgeslagen en verhandeld. Dat gebeurde met schepen uit Arabië en India die al voor wij daar kwamen, handel dreven. Later in de 17e eeuw kwamen ook de Engelsen en de Fransen. Een ieder wilde deelnemen aan de lucratieve kruidenhandel. Gratis waren de produkten niet. Er moest wel betaald worden. Of in geld of in goederen (ruilhandel). Munten (bijv. Spaanse matten) of edele metalen werden verkregen in de InterAziatische handel. De VOC beschikte na verloop van tijd over een enorm netwerk van factorijen (comptoiren) gelegen in de Perzische Golf, het huidige India, Gemmagazine 2020 pag. 19 van 40 Bronnen • C.G. Brouwer, Al Mukha, Profile of a Yemeni Seaport as Sketched by Servants of the Dutch East India Company 1614 -1640. (1997) • D. Kranen, 'Een reis naar Mocha in 1705', het Journaal van een reis van Batavia naar Mocha v.v. met als doel koffie te kopen. Ede, 2015.◉ advertentie De ruine van 'onze' handelspost Malakka, Achter-Indië, China, Formosa en Japan. Mocha met haar koffie, werd er een deel van. De koffie kwam in de smaak in West-Europa, waar al snel in navolging van Constantinopel en Cairo koffiehuizen werden geopend. De V.O.C. is opgericht in 1602 en deze onderneming heeft veel rijkdom in ons land gebracht vooral voor de aandeelhouders van de VOC. In Yemen zeggen ze dat hun land de oorsprong is van de beroemde 'Koffie-Arabica’, hoewel Ethiopië, aan de overkant van de Rode Zee, betere papieren bezit met betrekking tot de oorsprong van de koffieteelt. Mocha vervallen Toen wij daar werkten hebben we er heel weinig bij stil gestaan. Mocha was een puinhoop er was niets meer over van de gloriedagen van weleer. Alhoewel je aan de ruines die er nog stonden, kon zien dat het prachtige Oosterse huizen waren geweest. Met deuren en balkons stucwerk en dikke muren. We hebben de haven afgebouwd en overgedragen aan de Yemenieten en dat was dat. Onlangs heb ik gelezen dat een groepje wetenschappers in 1998 toch resten gevonden hebben van de VOC post in Mocha. De muren van de factorij staan nog overeind althans wat er nog van over was. Bijna alle oude gebouwen en huizen zijn in verval. Zonder het te weten ben ik er misschien wel honderd keer voorbij gereden in de tijd dat ik daar werkte. En nu met de oorlog in Yemen is het er zeker niet beter op geworden. Jaargangen 1993 t/m 2009 Jaargangen 2010 t/m 2018 OGE & GEM 1993 T/M 2018 Prijs € 20 (incl. verzendkosten) advertenties in de Amsterdamse Couranten van Broer Jansz en Jan van Hilten By Broer Jansz is nu ghedruckt, ende eerstdaechs uytgegheven werden het Huyslied Davids, of anders der Zielen kleyne Lust-Hof ghenaemt, zijnde een cort begrijp van de H.Schrifture Gods, Rijms ende ghesanghs wijse, tot dienst van de Memorie, ende andere profijtelijcke oeffeninghe t’samen ghestelt, door Johannem de Vrije van Hattum, Bedienaer des Goddelijcken Woorts tot Barnevelt, etc. Seer dienstich om het mergh der H.Schrifture, vervat int Oude ende Nieuwe Testament, altijdt te connen weten. [4 juli 1626]
Page 20
Gemmagazine 2020 pag. 20 van 40 Enquête door de Staatscommissie benoemd krachtens de wet van 19 Januari 1890 (Staatsblad nr. 1) (Derde Afdeeling) Bedrijven in onderscheiden Gemeenten der Derde Arbeidsinspectie Verhoor van Klaas van der Aa, oud 41 jaar, kapitein op een stoomboot te Sliedrecht (tijdens de Vergadering van woensdag 31 augustus 1892). 1 4485. De Voorzitter: Hoe heet die boot ? De Rijnhaven, een sleepboot in dienst van Mijnheer Van Hattem om modderbakken, molens enz. te ver 2 voeren. 4486. Hoeveel man is er aan boord ? 3 man en een jongen. 4487. Hebt gij een vasten werktijd ? De werktijd bij aannemers is van 4 tot 8 uur ; maar wij zijn de eersten altijd en de laatsten. De machinist of de jongen bijv. moeten al om 3 uur komen om stoom te maken en ’s avonds, als ’t volk er uitscheidt, moeten wij de bakken nog naar de losplaats brengen. Dat wordt zoo half 9, kwartier voor 9. 4492. Zulk een gelegenheid zal er toch altijd zijn, als gij dichtbij werkt ? Als wij te Dordrecht of te Rotterdam zijn, nog al wel, maar anders niet, dan gebeurt het wel dat wij 7, 8 weken de vrouw niet zien. 4493. Leeft gij dan geheel en al aan boord ? Ja, daar eten en slapen wij dan altijd ook. 4494. Wie maakt dan het eten klaar ? Die het best den tijd heeft. De 'Rijnhaven' hier afgebeeld stamt uit 1926 maar kan wel lijken op de sleepboot waar Klaas van der Aa op voer in 1892. 4488. De heer Van Wijck: Slaapt gijlieden aan boord ? Ja 4489. Gij staat elken dag 17, 18 uren. Daar kunt gij stellig niet oud bij worden ? Nu, ik kan het goed voelen. 4490. De Voorzitter: Gaat dit dag aan dag op 4495. Wat wordt er dan zoo gegeten ? Een aardappel met een stukje spek; als wij het krijgen kunnen, een vischje, en verder brood. 4496. Hoeveel verdient gij ? Ik f. 2.50 daags, de machinist ook, de knecht heeft f. 10 en de jongen f. 6 in de week. 4497. Hoeveel verteert gij dan daarvan voor u zelf in de week ? 1 Klaas van der Aa, geb. 1851, ovl 1939, tr. 1871 met Teuna Adriana Stok geb. 1853, ovl. 1939. Ouders van Klaas waren Jan (1823-1910) en Joosje de Kluijver (1826-1900) 2 Waarschijnlijk is hier sprake van G.A. van Hattum - 4491. En gaat gij dan naar huis, naar moeder de v rouw ? Als er gelegenheid is en als wij dichtbij aan het werk zijn, maar als het werk te Groningen of te Leeuwarden is, gaat dat heelemaal niet. dezelfde wijs ? Ja, alleen ’s Zaterdags is het vroeger gedaan. Gemmagazine 2020 pag. 21 van 40 De een is goedkooper dan de ander; wij hebben gewoonlijk de man f. 3 in de week noodig; als de vrouw zelf den boel knap kan houden, maar dat gaat niet als wij te ver af zijn. 4498. Dus gij kunt een gulden of 10, 11 aan de vrouw sturen ? Ja, maar dan moet men netjes oppassen. 4499. Zoudt gij denken, dat uw ondergeschikten ook met f 3 toekomen ? Ja, ieder betaalt even veel tot de jongen toe. 4500. Gaat er nog veel weg aan den borrel ? Bij mij aan boord niet. 4501. Wij hebben, schijnt het, steeds de beste getuigen. Nog niemand is er voor ons verschenen, die verklaarde, dat hij zelf wel eens een borrel dronk. U kunt gerust naar mij informeeren. Machinisten en stokers, die d rinken nog wel eens wat. 4502. Ons is gezegd, dat de eetwaren over het algemeen gekocht worden van lieden, die met schuitjes langs boord komen. Dat hebben wij zelf in Rotterdam ook herhaaldelijk gezien, maar zijn dat geen drijvende drankwinkels ? Ja, dat gebeurt wel, maar er wordt streng naar gekeken. 4503. Maar zij voeren toch drank mede en dus zal er ook wel van hen gekocht worden, anders zouden zij niets van dien aard medebrengen ? Natuurlijk, maar als iemand vooruit wil in de wereld, kijkt hij niet naar jenever. 4504. Meent gij, dat de lui met dien drankverkoop zaken maken ? Och neen. Gewoonlijk hebben zij maar een ½ of 1 kan bij zich, meer durven zij niet. 4505. Was dat vroeger erger? Veel erger dan tegen woordig. 4506. Is het nu beter door het beter toezicht van de politie ? In Rotterdam en die kanten wel. 4507. Sedert wanneer is dat misbruik zoo verminderd ? Sedert een jaar of drie. 4508. Bij dicht water ligt gij stil ? Ja. 4509. Dan zijt gij dus altijd thuis ? Dat hangt er van af, waar wij liggen. Zijn wij ,bijv.bij Dordrecht, dan gaan wij wel eens naar huis, doch liggen wij in Amsterdam, dan blijven wij aan boord om den boel in dien tijd wat schoon te maken. 4510. Gaat 's winters uw volle loon door ? Ik heb dikwerf korting gehad, maar verleden winte r heb ik het volle loon behouden. 4511. Hebt gij den vorigen winter steeds kunnen doorwerken ? Ja. 4512. De heer Emants: Wordt van uw loon ook gekort, wanneer gij aan boord blijft bij dicht water om den boel schoon te maken ? Ja, maar verleden jaar is dit niet gebeurd. 4513. De Voorzitter: Gaat het loon van de andere menschen aan boord ook door ? Van den machinist wel, de stuurman gaat weg, wanneer wij ingevroren liggen. 4514. Komt bij open water diezelfde stuurman dan weer terug ? Gewoonlijk wel. 4515. Die man heeft het dus ’s winsters hard te verantwoorden ? Ja. 4516. Zijt gij wel eens ziek geweest ? In de 16 à 17 jaren, dat ik aan het kantoor ben, heeft nog nooit iemand een dag voor mij behoeven te varen. 4517. Hebt gij het dus nog al goed in uw leven ? Zooals ik het tegenwoordig heb, kan ik het wel houden, maar ik kan het wel eens kwaad hebben ook. 4518. Hoeveel kinderen hebt gij ? Zes. 1 4519. Gaan zij school ? 1 Adriana (1875-1932); Gerrit (1878-1900); Jan (1879-1958); Jozinus (1886-1928); Pietje (1882-1958) en Pieter (1891-1898)
Page 22
Gemmagazine 2020 Ja. pag. 22 van 40 WAPENREGISTER 4520. Hoe oud is het oudste ? Dat is een meisje van 17 jaar , hetwelk in de huis 1 - houding is; dan volgt een jongen van 15 jaar 2, die bij mij als jongen vaart. 4521. De heer Van Wijck: Wanneer hebt gij het wel eens kwaad ? Wanneer wij op getij werken, dan moeten wij dag en nacht in de weer zijn. 4522. Dan moet gij er zoo nu en dan een uurtje afnemen om te gaan liggen ? Als de baggermolen in den Waterweg op getij baggert, dan moeten wij in den vloed lossen. Maar met dagwerk zi,jn wij zeer in onzen schik, dat noemen wij een heerenleven. 4523. Dat getij-werk kan zeker moeilijk anders ingericht worden ? Zeker wel, wat nu één boot doet, zouden dan twee moeten doen, dan was de eene met den eb, de andere met den vloed vrij. 4524. De Voorzitter: Hebben de menschen, die op den baggermolen zijn, het met getijbaggeren ook veel kwader ? Neen, want in den regel hebben zij met den vloed, die meestal 5 uren duurt, rust, behalve wanneer zij voor het opklauwen de ankers moeten verzetten. K. van der Aa • Kolkman, Voorzitter • G. Emants, • J.C.Th. Heyligers, Secretaris der Staatscommissie, • S.M. van Wijck, Lid der eerste Afdeeling, W.H.J. Roijaarts, Adj. secretaris. ◉ Mocht u geinteresseerd zijn in een dergelijk verslag van een enquête van iemand uit de beroepsgroep van uw voorvader, dan kunt u dat melden bij de redactie. Dan gaan we op zoek naar de gevraagde gegevens, eventueel met hulp van de uitgever van deze verslagen (DigiCodex) 1 Adriana (zie noot 1 vorige pagina) 2 Gerrit (zie noot 1 idem) Wapen: in goud een eikenboom, van natuurlijke kleur, vergezeld onder bij de stam van twee afgewende zwarte binnenvaartankers. Helmteken: een zilveren vlucht. Dekkleden: zwart, gevoerd van goud. Dit wapen is in 2020 ontworpen door H.K. Nagtegaal. Geregistreerd op verzoek van de heer H.M.C. Rikkengaa ing, wonend te Driebergen, zoon Hier volgen de wapens die de afgelopen drie maanden bij het Heraldisch Bureau Nagtegaal zijn geregistreerd. Het registratiegebied omvat de Benelux. Zie voor uitgebreide informatie over ontwerpen en registratie http://nagtegaal.org/ RIKKENGAA Gemmagazine 2020 pag. 23 van 40 van Henderikus Rikkengaa en Joanna Antonia van Beek, voor de stamvader en zijn naamdragende nakomelingen. De aanvrager stamt af van Frederik Jannes van Rikkenga, wonend aan de Zwartsluis 1713, begr. Zwartsluis 10 februari 1764. Hij huwde 1e ca. 1688 met Hillegonda Kromhout. Hij ondertr. 2e Zwartsluis 9 april 1713 met Aaltje van der Haar. De aanvrager stamt uit het eerste huwelijk. Delft, 3 januari 2020. CROBU zef Crobu en Johanna Maria Bex, voor de aanvrager en zijn naamdragende nakomelingen. Delft, 2 februari 2020. STRAVERS Wapen: in zilver een groen eikenblad, vergezeld boven van twee aanziende zwarte raven met opgeheven vleugels en gewende kop, beneden van een dubbelkoppig rood slangenkopkruis. Helmteken: een groene slang kronkelend om een gouden staf (esculaap) tussen een zilveren vlucht, de veren wisselend van zwart en zilver. Dekkleden: zwart, gevoerd van zilver. Schildhouders: twee rode leeuwen, goud getongd en genageld. Plaatsing: het geheel geplaatst op een groene arabesk. Spreuk: AMOREM, SAPIENTIAE ET HONOREM Dit wapen is in 2020 ontworpen door H.K. Nagtegaal. Geregistreerd op verzoek van drs. G. Crobu, wonend te Amsterdam, zoon van Giovanni JoWapen: in blauw een golvende zilveren dwarsbalk, vergezeld boven van drie gouden korenschoven en beneden van een gouden zwijnskop, rood getongd met zilveren slagtanden. Helmteken: een aanziende zwaan met opgeheven vleugels en gewende kop, alles van natuurlijke kleur. Dekkleden: blauw, gevoerd van goud. Dit wapen is in 2019 ontworpen door H.K. Nagtegaal. Geregistreerd op verzoek van de heer T. Stravers, wonend te Harderwijk, zoon van Hendrik Stravers en Antonia Maria Noorlander, voor de stamvader en zijn naamdragende nakomelingen. De aanvrager stamt af van Gerrit Adriaensz. Straver, wonende te Achthoven 1611, overl, na 1623. Hij huwde ca.1600 met Nelleken Aert Gerritsdr. Delft, 19 februari 2020.
Page 24
Gemmagazine 2020 pag. 24 van 40 VAN DER STELT Wapen: in blauw een brede gouden punt beladen met een zwarte driebeen, en vergezeld van twee afgewende verticaal geplaatste zilveren zalmen. Helmteken: een uitkomende zwaan met opgeheven vleugels, van natuurlijke kleur. Dekkleden: blauw, gevoerd van goud. Dit wapen is in 2008 ontworpen door H.K. Nagtegaal. Geregistreerd op verzoek van de heer H.G. van der Stelt, wonend te Rijswijk, zoon van Johannes van der Stelt en Abrahamina Geertruida Leeuwerke, voor de aanvrager en zijn naamdragende nakomenlingen. Delft, 27 februari 2020. LAGRAAUW Wapen: gedeeld: I in goud twee schuingekruiste zwaarden, boven vergezeld van een achtpuntige ster en beneden van een vogel met aan weerszijden een schijfje, alles zwart; II in zilver een beurtelings gekanteelde rode schuinbalk begeleid door zeven hermelijmstaartjes (3-4). Helmteken: een uitkomen onderarm van natuurlijke kleur, een schuinlinks geplaatst zilveren zwaard met gouden gevest in de hand houdend. Dekkleden: rechts: zwart, gevoerd van goud; links: rood, gevoerd van zilver. Dit wapen werd gevoerd door Moses Mosesz. Lagroú (1634-1709) en afgebeeld bovenaan op het bord der tien geboden in de N.H. kerk te Dussen (1682). Geregistreerd op verzoek van de heer H.C.A. Lagraauw wonend te Putten, zoon van Hendrik Cornelis Lagraauw en Antje Emmigje van Wingerden, voor de aanvrager en zijn naamdragende nakomelingen. De aanvrager stamt af van Moses Lagroú, soldaat onder kaptein Coumans 1633, onderwijzer te Nederhemert 1635. Hij huwde 1e vóór 1633 met Lijsbeth Pijck, huwde 2e Heusden 28 juni 1633 met Lijsbet Jansdr. van der Well, huwde 3e Well 4 maart 1635 met Merrike Joosten van Baerlecom. Bron wapen: Mr. P.C. Blois van Treslong Prins, Genealogische en Heraldische gedenkwaardigheden in en uit de kerken der Provincie N.Brabant. Deel 1-blz.156-Dussen Ned. Herv. Kerk. Uitgegeven door A. Oosthoek Utrecht 1924. Opmerking: De N.H.Kerk te Dussen is door oorlogshandelingen in 1944-1945 verloren gegaan. Delft, 6 maart 2020. Gemmagazine 2020 pag. 25 van 40 LINDEMULDER Wapen: in goud een uitgerukte groene lindeboom, vergezeld aan weerszijden van de stam door twee zwarte molenijzers. Helmteken: zeven gouden korenaren, waaiersgewijs geplaatst. Dekkleden: groen, gevoerd van goud. Dit wapen is in 2020 ontworpen door H.K. Nagtegaal. Geregistreerd op verzoek van de heer H. Lindemulder, wonende te Nagele, zoon van Wiebe Lindemulder en Marijtje Francijntje Kuhlman, voor Wiebe Lindemulder (1933-2016) en zijn naamdragende nakomelingen. De aanvrager stamt af van Johan Cord Linnemöller, geb. Lage (D) 1677, burgemeester aldaar 1693-1701, boer met land en vee, overl. Lage 9 december 1721. Hij huwde Lage 4 september 1709 met Catharina Elisabeth Brummendick. Delft, 19 maart 2020. PETERS Wapen: in blauw een zilveren keper, vergezeld van drie gouden vijzels. Helmteken: een uitkomende bok, van natuurlijke kleur, met een witte vaan beladen met een rood kruis, aan een gouden stok tussen de poten van de bok. Dekkleden: blauw, gevoerd van zilver. Dit wapen is in 2020 ontworpen door H.K. Nagtegaal. Geregistreerd op verzoek van de heer J.P.F.M. Peters, wonend te Papendrecht, zoon van Franciscus Johannes Peters en Petronella Johanna Tolenaar, voor Hendrik Peters (1848-1903) en zijn naamdragende nakomelingen. De aanvrager stamt af van Hendrik Peters, geb. Kranenburg (Kleefsland, D) 24 januari 1767, overl. Rotterdam 24 februari 1843. Hij huwde Cool (Rotterdam) 23 mei 1807 met Johanna van Vlaanderen. Delft, 21 maart 2020. HONING Wapen: in blauw twee schuingekruiste zilveren dolken (Mandau) met gouden grepen, goud gemanteld, beladen met een zwarte klok, bewerkt met een draak, vergezeld aan weerszijden van een gebladerde roos en beneden van een bij. Helmteken: een uitkomende gouden garoeda. Dekkleden: blauw, gevoerd van goud.
Page 26
Gemmagazine 2020 pag. 26 van 40 UNIEKE SAMENWERKING NATIONAAL ARCHIEF EN KADASTER ONTEIGENING WOII ZICHTBAAR DOOR KOPPELING DATA Tegen welke prijs werd onroerend goed van Joodse gedeporteerden tijdens de Tweede Wereldoorlog onteigend? 75 jaar na dato vinden nabestaanden én onderzoekers sneller antwoord op deze vraag. Schildhouders: twee zilveren draken, rood getongd en genageld. Plaatsing: het geheel geplaatst op een rode arabesk, gestoken door een zilveren ring. Dit wapen is in 2019 ontworpen door H.K. Nagtegaal. Geregistreerd op verzoek van de heer J.R.F. Honing, wonende te Almere, zoon van Mario Robertinus Giovanni Honing en Coraline Yvonne Verweij, voor de aanvrager en zijn naamdragende nakomelingen. Delft, 27 maart 2020.◉ -0-0-0-0-0-0-0-0advertenties in de Amsterdamse Couranten van Broer Jansz en Jan van Hilten T’Amsterdam by Willem Jansz Blaeu 1 wordt teghenwoordigh ghedruckt het Groot Landtcaertboeck de ATLAS, in vier Talen, Latijn, Fransch, Hoogh ende Nederduytsch, de Hooghduytsche sal uytgaen teghen Paeschen, de Nederduytsche ende Fransche in de maent May eerstcomende, of ten langhsten in ’t eerst van Junio, ende de latijnsche corts daerna : Alle op seer schoon papier, gheheel vernieut met nieuwe ghesnedene platen ende nieuwe wijtloopighe Beschouwinghen.[11 feb. 1634] ◉ 1 Willem Jansz Blaeu (1571-1638) Tim de Haan en Ed de Heer Verkaufsbücher Het Nationaal Archief beschikt over de dataset van de Verkaufsbücher; een administratie van de ogenschijnlijk legitieme verkoop van onroerend goed door de Duitse bezetter. Het bevat ruim 7.000 transacties en meer dan 13.000 adressen van eigenaren, kopers en verkopers. Door koppeling van deze dataset aan kadastrale informatie uit de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) van het Kadaster, worden de destijds onteigende objecten letterlijk op de kaart gezet. Dit maakt inzichtelijk waar en op welke schaal in Nederland sprake was van deze roof.Binnen de digitale labomgeving van het Kadaster, Publieke Dienstverlening op de Kaart (PDOK), heeft een team van linkedopen-data-specialisten in vier dagen een datastory ontwikkeld. Op een HTML-kaart zijn de verschillende panden geplot. Door op een marker te klikken, worden details uit de Verkaufsbücher en kadasterdetails getoond, zoals oppervlakte van het onroerend goed en de gemiddelde WOZ-waarde. Ook is een koppeling met Google Streetview gemaakt. Gemmagazine 2020 pag. 27 van 40 De gemaakte statistieken geven inzicht in ruim 7.000 transacties en beantwoord vragen als: • waar zijn de panden verkocht, • kwamen de kopers uit dezelfde stad en • hoeveel leverde de verkoop op? De datastory is te raadplegen op labs.kadaster.nl/stories/verkaufsbucher/ Herstelbetalingen Het onderwerp is actueel. Zo heeft de gemeente Den Haag onlangs 2,6 miljoen euro gereserveerd voor schadevergoedingen aan Joodse slachtoffers die na de oorlog een aanslag kregen om alsnog hun erfpacht te betalen. Met de gekoppelde datasets worden dit soort berekeningen makkelijker. In de gemeente Utrecht zijn bijvoorbeeld 81 panden met een oppervlakte van 13.559 m2 verkocht. Bij 100 euro per vierkante meter is dat ruim 1,3 miljoen euro, te verdelen over eigenaren en nabestaanden. nationaalarchief.nl/onderzoeken/ open-data/open-dataindexen Tim de Haan is medewerker Openbaarheid & Open Data en Ed de Heer is projectleider/adviseur Linked Open Data bij het Nationaal Archief. Toelichting op de kolommen in de Verkaufsbücher Voor zover de wet dit toestaat geeft het Nationaal Archief betreffende dit bestand (verkaufsbucher20170509.csv) de auteursrechten en naburige rechten op, samen met alle aanverwante claims. Dit werk is gepubliceerd in Nederland Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden door de Duitsers panden verkocht waarvan de eigenaren veelal Joods waren. In totaal gaat het om circa 7500 transacties. De administratie hiervan werd bijgehouden in de zogeheten Verkaufsb1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17
Page 28
Gemmagazine 2020 pag. 28 van 40 ücher. In totaal zijn er 18 boeken geweest, maar het eerste boek (laufnummer 1-449) is verloren gegaan. Overzicht van kolommen in de verkaufsbücher Algemeen: Vindplaats: toegang: 2.09.16 (Inventaris van het dossierarchief van het Nederlandse Beheersinstituut (NBI), en van de in beslag genomen administraties, 1945-1967) In de originele Verkaufsbücher staan de gegevens in 17 kolommen. (Zie vorige pagina) Voor de data-entry zijn deze verder opgesplitst. Hieronder volgt een overzicht van de originele kolommen met daarbij vermeld in welke kolommen in het .csv bestand de informatie is opgenomen: 1. Verwaltungsnummer 2. Grundstück – Jude – Käufer 3. Nationalitatät 4. Vorvertrag am 5. Hauptvertrag am 6. Verwalter 7. Notar 8. Verkaufspreis 9. Barerlös 10. NGV Verkaufsgebühr 11. Umzatzsteuer 12. Netto-ertrag 13. Überweisung am 14. Überweisung an 17. Laufno (Zie vorige pagina) De originele boeken kunnen geraadpleegd worden in de studiezaal van het Nationaal Archief. Geachte redactie van E-Data & Research, Hartelijk dank voor uw toestemming voor overname van dit artikel uit uw uitgave van februari 2020. ◉ (4) (5-13) (14) (15) (16) (17) (18) (19) (20) (21) (22) (23) (24) (25) 15. Verwaltung in Kartei afgehoben (26-27) 16. Verkauf an Juden mitgeteilt (28) (3) DE ‘ZIELENHEILSMARKT’ IN KAART GEBRACHT dr. Jan Dirk Wassenaar In deze bijdrage vraag ik aandacht voor het onlangs verschenen boek Rural salvation markets, medieval memoria in Dutch village parishes van historicus Kees Kuiken. Helaas is het boek niet in het Nederlands beschikbaar. Wat mij betreft verdient het zeker een vertaling. Memoriecultuur In de Middeleeuwen was er sprake van wat historici een ‘memoriecultuur’ noemen. De Kerk van Rome leerde destijds het zogenaamde ‘vagevuur’. Dat was een plaats van loutering voordat men naar de hemel ging. Die vervelende wachttijd kon verkort worden als er voor je gebeden werd. De Kerk bood daartoe haar diensten aan, tegen betaling. Bij priesters kon je ‘zielmissen’ bestellen. Dat waren speciale diensten voor het zielenheil van overledenen, veelal gecombineerd met grafbezoek. De meest vermogende families hadden vaak zelf een priester in dienst, liefst verbonden aan een eigen altaar in de kerk. Daar werden wekelijks of nog vaker zielmissen opgedragen. Meestal bleef het beperkt tot een jaarlijkse voorbede of mis op de sterfdag van de overledene. Op Allerzielen werd voor alle overledenen gebeden. In de dertiende eeuw werd dit systeem onderdeel van de kerkelijke leer, waarna een opmars begon. Het was algemeen geaccepteerd van ongeveer de jaren 1370 tot ongeveer de jaren 1520, zelfs Gemmagazine 2020 pag. 29 van 40 in kringen van de geestelijke hervormingsbewegingen die bekend werden onder de naam ‘Moderne Devotie’. Maar ook na 1550 kwam het nog wel voor. Er was in de zestiende eeuw – zeker plaatselijk – sprake van terughoudendheid om er afstand van te nemen. Deze ‘zielenheilsmarkt’ (een uitdrukking van professor Hans Mol) was winstgevend voor de Kerk. Er waren organisaties die zich er helemaal op toelegden. Zo was er in Den Bosch een vrome broederschap die dat deed. Men bood voor een paar stuivers herdenkingen aan. Die vonden viermaal per jaar plaats in de eigen kapel van deze ‘Illustre Lieve Vrouwenbroederschap’ in de Sint-Janskerk van de stad. (zie afbeelding kapel). Dan baden de broeders voor het zielenheil van duizenden ‘buitenleden’ in hun boeken. Die buitenleden kregen als premie ieder jaar een kaars. Kuiken spreekt gekscherend over ‘zielenheil per postorder’. In verschillende plaatsen bestaan nog steeds in de Middeleeuwen opgerichte stichtingen, die toen een eigen altaar hadden met een fonds waaruit de opleiding en de toelage van een eigen priester moesten worden betaald. Die stichtingen zijn in de loop der tijden meestal omgevormd tot studiefondsen. Vlaamse dorpelingen gaan ter kerke op Maria Lichtmis (Paul Getty Museum, Los Angeles) Jaargetijden Veel meer middeleeuwers lieten hun zielenheil jaarlijks verzorgen door hun parochiekerk. De priester noteerde die ‘jaargetijden’ meestal in de heiligenkalender vóór in zijn misboek. Als het er veel waren, legde de parochie een afzonderlijk memorieboek aan. In ons land zijn een paar honderd middeleeuwse memorieboeken en andere van dergelijke ‘verjaardagskalenders’ bewaard gebleven. Sinds 2013 zijn ze te vinden op de landelijke website Medieval Memoria Online (MeMO) van de Universiteit Utrecht. Bij de Reformatie zijn veel van dit soort bronnen verloren geraakt. De meeste komen uit grote stads- of kloosterkerken. Kuiken heeft onderzoek naar dorpsparochies gedaan. Hij bracht de herdenkingen in 56 dorpen in kaart. Voor Friesland zijn nog twee andere uitgaven, beide van de Fryske Akademy, te noemen. In 1994 verscheen Friese testamenten tot 1550. Daarin staan veel schenkingen aan kerken voor het zielenheil van de testateurs. In 2013 kwam De Beneficiaalboeken van Friesland, 1543 uit. De boeken vormen een register waarin de inkomsten van kerken en vrome privé-stichtingen in acht steden en vijfentwintig grietenijen staan. In dit
Page 30
Gemmagazine 2020 pag. 30 van 40 dat er op het terrein van de zielenheilsmarkt geloof, vrees en loyaliteit waren. Natuurlijk had het fenomeen alles met het geloof te maken. Ook met vrees, en wel voor de dood, maar de grootste was toch wel de loyaliteit, aldus de auteur. Dan gaat het om ‘trouw van de levenden aan de doden’. Zoals bekend, heeft de Reformatie korte metten gemaakt met praktijken zoals Kuiken die in kaart gebracht heeft. Voorbeeld van de instelling van een jaargetijde in het Klooster Maria-Wee bij Roermond (18e eeuw) Fragment van een kalender (beperkt tot de periode januari-april) met memorie-missen van de Johannes de Doperkerk in Hommerts (Fr), 15e eeuw. Bevat bovendien genealogische notities uit de 16e en 17e eeuw (Tresoar, Leeuwarden) verband moet opnieuw de naam van Mol genoemd worden. Hij ontdekte dat er onder codenamen als ‘ewich deel’ veel memoriediensten in staan. Die diensten werden betaald uit de opbrengst (in natura of geld) van een stuk land dat aan de parochie, de pastorie of een privéstichting was geschonken. Deze inkomsten moesten in 1543 worden opgegeven – Karel V wilde er belasting over heffen. Kuiken brengt de diverse aspecten van de zielenheilsmarkt uitstekend in kaart, nadat hij in het inleidende hoofdstuk een overzicht van het materiaal (teksten en contexten) geboden heeft. Die aspecten zijn de economische, de sociale en de culturele kanten van het verschijnsel. Hier spreekt duidelijk de historicus met godsdienstwetenschappelijke belangstelling. (Kuiken is in beide disciplines gepromoveerd.) Natuurlijk zit er ook een theologische kant aan. Maar de sociale domineert bij hem. Hij besluit het boek met een variatie op apostel Paulus in 1 Korintiërs 13:13, met de opmerking October 1. Het jaergetijdt van Masseur Gertrudis Neelen met een singende misse ende vigilie (nachtwake). De gemeente heeft eenen halven pattacon min eenen penninck (?) [gegeven]. Voor dese 4 jaergetijden en 48 leesmissen hebben wij anno 1730 ontfangen 400 Rijxdaelders Capitael. (MeMO) Bronnen • Kees Kuiken, ‘Trouw aan dode dorpsgenoten’, in: Fryslân 26 (2020) nr. 1, p. 18-20; • Kees Kuiken, Rural salvation markets, medieval memoria in Dutch village parishes (Groningen/ Wageningen), deel 49 in de reeks Historia Agricultura. • De Beneficiaalboeken van Friesland, 1543. uitgegeven door P.L.G. van der Meer en J.A. Mol (2013) • Medieval Memoria Online (MeMO) van de Universiteit Utrecht ◉ Gemmagazine 2020 pag. 31 van 40 JAAPIE KELDER, HARMONICA VIRTUOOS Tekst: Martin Maas Afbeeldingen: Ben Poelman, Rinus Blijleven, internet Discografie: Rinus Blijleven Inleiding Jaapie wie? zult u zeggen, en waarom een artikel over hem? Jaapie Kelder was niet zo maar iemand. Hij was een zeer getalenteerde accordeonspeler die in de periode 1908-1917 een grote populariteit genoot. Ook behoorde hij tot de artiesten die in het eerste decennium van de Nederlandse platenindustrie opnamen maakten die op 78-toerenplaten verschenen. vrouw hertrouwde Jacob op 1 juli 1871 met Hendrika Rijkersen (1832-1893). Hij was toen zeeman van beroep. Jaapie, zoals de hoofdpersoon van dit verhaal vaak werd genoemd (ook wel geschreven als Jaappie), was het enige kind uit het huwelijk van zijn vader met Hendrika Rijkersen. Op 2 februari 1872, zeven maanden na zijn huwelijk met Hendrika, overleed Jacob in Purmerend. Jaapie heeft zijn vader derhalve niet gekend. Na de dood van Jaapie’s vader hadden zijn moeder en hij het arm. Zijn moeder, die door een tijdgenoot ‘Schele Riek’ werd genoemd, ging dan in de stad met sinaasappelen venten om geld te verdienen. Jeugd Reeds in zijn jeugd toonde Jaapie aanleg voor muziek. Daarom kocht zijn moeder een harmonicaatje voor hem (in die tijd noemde men een accordeon meestal harmonica). Jaapie Afbeelding afkomstig uit Waterlands Archief te Purmerend Afkomst Jaapie Kelder werd als Jacob Kelder op 12 juni 1872 in Purmerend geboren. Zijn vader, die eveneens Jacob heette, (1819-1872) was in 1857 houtzager in Zaandam. Hij trouwde met Tetje Post (1827-1868), en zij kregen twee dochters en twee zoons. Na de dood van zijn eerste werd ouder en een grotere werd aangeschaft. Hij ging steeds beter spelen. Uiteindelijk had hij een drierijige accordeon ‘met alle bassen’. Jaapie had geen lezen en schrijven geleerd. Ook kon hij geen noot lezen. Hij speelde daarom alles uit zijn hoofd. Hij bracht, geholpen door zijn uitstekend gehoor en verbazingwek
Page 32
Gemmagazine 2020 pag. 32 van 40 kend geheugen, de prachtigste stukken uit opera’s enz. ten gehore. Jaapie was voor driekwart blind en scheef gegroeid in de rug. Hij kon zijn vingers niet goed bewegen, en daarom bespeelde hij de accordeon ‘verkeerd om’: hij bediende de toetsen met de muis van zijn hand en zijn duim. Als er kermis in Purmerend was ging Jaapie naar de grote stoomcarrousel (een draaimolen die werd aangedreven door stoom), en luisterde urenlang naar het orgel. De volgende dag speelde hij dan alle deuntjes feilloos na. Straatmuzikant In 1893, toen Jaapie 15 jaar oud was, stierf zijn moeder, en was hij wees. Hij woonde alleen en probeerde met harmonica-spelen de kost te verdienen. Hij liep dan door de straten van Purmerend, langs de huizen, en liet dan zijn accordeonspel horen, in de hoop wat centen, stuivers of dubbeltjes rijker te worden. Ook speelde hij op de sluis in Purmerend, als een boot moest schutten. Verder speelde hij in enkele dorpen in het noorden van Noord-Holland, en ook ging hij regelmatig met de boot naar Alkmaar en Den HelAlleen op de wereld! Bestaat er iets verschrikkelijkers voor een mensch, die behoefte heeft aan steun, aan vriendelijkheid, aan een meeleven in de wereld van licht en schaduw? Voor ons oog verschijnt zulk een ongelukkige: Jakob Kelder te Purmerend, in de wandeling 'Jaapie' geheeten. 't Is een gebrekkig mannetje, die lezen noch schrijven heeft geleerd en sinds den dood zijner moeder - zijn vader heeft hij nooit gekend - met harmonika-spelen den kost tracht te verdienen. Met zijn instrument, dat expres voor hem gemaakt is, daar Jaapie met de linkerhand en nog alleen maar met den duim kan spelen, kon hij echter tot voor kort ternauwernood zooveel bijeenscharrelen, dat hij het leven hield. Toch was Jaapie zich bewust, dat hij vrij goed harmonika-spelen kon, maar wat baatte hem dat: ook anderen moesten dat weten en waardeeren. Daar vernam de arme zwerver, dat te Amsterdam een wedstrijd op de harmonika zou worden gehouden. Hij zou wel eens mee willen doen! Men hielp hem. Jaapie toog naar de hoofdstad en kwam met den 1en en den eereprijs thuis! Wat een geluk voor den stakkerd. Zijn stadgenooten huldigden hem, toonden waardeering voor Jaapie's kunst en deze voer er wel bij. Op de overwinning te Amsterdam volgde een gelijke te Rotterdam en de vorige week heeft Jaapie gespeeld voor de Gramophone-Maatschappij in Den Haag. Die heeft platen gemaakt, welke binnenkort in den handel zullen worden gebracht, zoodat men weldra in alle café's Jaapie zal kunnen hooren spelen. Maar velen zullen nu waarschijnlijk persoonlijk met den muzikalen Jaapie willen kennis maken en genieten van zijn fijne voordracht, zijn zuiver spel, zijn onberispelijke overgangen, zijn harmonische accoorden, zijn staccato's, zijn syncopen, zijn crescendo's en decrescendo's. Welnu, daartoe is gelegenheid : Jacob Kelder stelt zich tegen een matig honorarium disponibel voor voordrachten. Zijn adres weet men. De arme Jaapie van voorheen staat niet meer eenzaam en verlaten op de wereld. Hij heeft weer moed gekregen om op den levensweg voort te gaan, want thans omgeeft hem de Hoop, die bloemenstrooiende godin, die geluksster voor armen en bedroefden. Arnhemsche Courant 4 juni 1908 der om er te spelen. In Den Helder trad hij dan op in het Marinegebouw. Er werden in die tijd diverse ansichtkaarten uitgebracht waarop Jaapi e a l s straatmuzikant te zien is. Harmonica wedstrijden Jaapie nam deel aan harmonica wedstrijden, waar hij eerste- en ereprijzen in de wacht sleepte. Zo was hij op 29 maart 1908 in Plancius, Amsterdam, waar hij een eerste prijs (zilveren medaille) en een ereprijs (gouden medaille) plus een lauwerkrans won. In zijn woonplaats Purmerend werd hij bij zijn aankomst feestelijk ingehaald. Zijn woning was versierd en hij kreeg een rijtoer door de stad. Ook ging de burgemeester bij Jaapie op bezoek. Op 3 mei 1908 won hij in het Gebouw van Kunsten en Wetenschappen in Rotterdam een 1e prijs. Daar had de Rotterdamse vereniging Accordia' het Groot Nationaal HarmonicaConcours uitgeschreven. Hij ging met de boot weer terug naar Purmerend, waar hem opnieuw een feestelijke ontvangs t wacht te. Honderden belangstellenden stonden hem op te wachten. Gemmagazine 2020 pag. 33 van 40 Toen Jaapie aan wal stapte mocht hij plaatsnemen in een met 2 paarden bespannen Landauer. Het Stedelijk Muziekcorps ging voorop in optocht door de stad. Voor de ingang van de steeg waar hij woonde hadden buren een erepoort opgericht. De ere-prijs werd door de jury in Rotterdam in eerste instantie aan iemand anders uitgereikt. Het bestuur van de vereniging die de wedstrijd had uitgeschreven, was het hier niet mee eens, en reikte naderhand aan Jaapie alsnog een ere-prijs uit. Repertoire en recensies Jaapie’s optredens bestonden uit het spelen van aria’s uit opera’s, ouvertures, marsen, dansmuziek (veel walsen), Nederlandse volksliederen en potpourri’s van populaire nummers. Uit de vele recensies van zijn optredens in de historische kranten blijkt dat er altijd veel publiek naar zijn concerten kwam en dat het publiek altijd zeer aandachtig naar zijn spel luisterde. Zelfs jongelui zaten stil te luisteren. Na elk nummer volgde een daverend applaus. Recensenten schreven ook dat als je het niet beter wist, je gedacht zou hebben dat je een compleet orkest had gehoord. Jaapie’s spel dwong alom bewondering af. Een ieder stond verbaasd van zijn techniek, en dat in het bijzonder vanwege zijn handicap dat hij zijn vingers niet kon gebruiken. Men was van mening dat hij een meester op zijn instrument was. Jaapie ontlokte in zijn hemdsmouwen gezeten en met een dikke sigaar in zijn mond intussen de mooiste accoorden en tonen aan zijn instrument. En het publiek waardeerde zijn spel als buitengewoon mooi. De recensent van Ons Blad van 30 mei 1908 schreef: ‘De bezoekers, onder wie vele uitstekende muziekkenners, roemden zijn buitengewoon talent.’ De Schager Courant van 28 juni 1908 schreef ‘Hij weet zijn harmonica te bespelen op een manier, die een mensch niet alleen verzoent met dat instrument, maar je onder de bekoring brengt. Alles wordt uit het hoofd gespeeld, met een voordracht en nuanceering, die je met groot genoegen naar hem doet luisteren’. In het Vliegend Blaadje van 6 februari 1909 schreef de recensent over een van Jaapie’s optredens: ‘Nimmer hebben wij uit dit eenvoudige, - dikwijls verachte – instrument zulke mooie muziek gehoord, en het was niet te verwonderen, dat de geheele zaal na ieder nummer telkens in luid gejuich uitbarstte’. Grammofoonplaten In mei 1908 kreeg hij van de Gramophone maatschappij in Den Haag het aanbod om een paar nummers te komen opnemen. Men wilde hem 5 gulden per nummer betalen. Jaapie accepteerde het aanbod en al gauw verschenen zijn eerste 78-toerenplaten. Die platen werden toen in vele café’s gedraaid. In de periode 1908-1910 maakte Jaapie in Den Haag en Amsterdam in elk geval 17 opnamen die door drie verschillende maatschappijen op 78-toerenplaten werden uitgebracht: Gramophone/Zonophone, Gloria en Anker. Hierbij waren marsen, Nederlandse volksliederen, operanummers en walsen. Ook nam hij het nationale volkslied van België op, ‘de Brabançonne’ en een paar populaire nummers, ‘Blue bell’ en ‘Jaapie is getrouwd’. Omdat hij een compositie heeft opgenomen van de Italiaanse componist Pietro Mascagni (1863-1945) (‘Cavalleria Rusticana: Intermezzo sinfonico’), staat hij vermeldt in het boek Pietro Mascagni: A Bio-bibliography, van Roger Flury, 2001. In De Telegraaf van 31 mei 1908 adverteerde W.F. Robbers, die een muziekwinkel had op de Leliegracht in Amsterdam, dat hij wekelijks nieuwe opnamen van Jaapie Kelder op rollen verkocht. Prijs 70 cent per rol. Deze rollen waren uitsluitend bij W.F. Robbers verkrijgbaar, en
Page 34
Gemmagazine 2020 pag. 34 van 40 waren in Robbers’ eigen studio opgenomen. Volgens een advertentie in Het Nieuws van den Dag van 18 mei 1908 zouden de eerste rollen op 19 mei 1908 worden opgenomen. Gegevens over deze rollen ontbreken helaas. Beroemd Jaapie’s successen bij harmonica wedstrijden, zijn platen die mensen hoorden, alsook de aandacht die hij kreeg in kranten en bladen, bleven niet onopgemerkt. Jaapie was opeens beroemd! Hij stelde zich beschikbaar voor optredens in café’s, feestzaaltjes, danstenten, en waar men hem maar wilde laten optreden. In de periode 1908-1917 speelde hij veel in café’s, ook vaak tijdens de plaatselijke kermis. Hij deed allerlei ‘exotische’ plaatsen in Noord-Holland aan, zoals Oudesluis, Kleine Sluis, Anna Paulowna (o.a. tijdens een openbare uitvoering van een gymnastiek-vereniging), Breezand, Oosthuizen, Warmenhuizen, Wieringen, Bovenkarspel, St. Maartensbrug, Schoten, Nibbixwoud, Burgerbrug, Oude Niedorp, Sint Maartensvlotbrug, Moerbeek, Schermerhorn, Nieuwe Niedorp, Barsingerhorn, Kolhorn, St. Maarten, Haringhuizen, Valkoog, Aartswoud, Zijdewind, Hoogwoud (waar hij optrad tijdens de Floraliatentoonstelling in 1908), Callantsoog, Koegras, Wadwaal, Middelie, Wervershoof, Avenhorn, Spanbroek, Waarland, Winkel, Burgervlotbrug, Moerbeek heeft ieder jaar in het begin van juli een eigen kermis (tent). ’t Zand, Ursem, Hensbroek, Hippolytushoef, Landsmeer, Julianadorp, Assendelft e.a. Ook trad hij regelmatig op Texel in diverse dorpen op. Maar ook in grotere plaatsen in ons land trad hij op. In Schagen trad hij o.a. op ter gelegenheid van de Schager Veulenmarkt in november 1914. In Den Helder speelde hij door de jaren heen regelmatig in Tivoli. Jaapie trok overal veel publiek en kreeg altijd lovende recensies. In juni 1908 trad hij 9 dagen achtereen op in Wagenstraat 37 in Den Haag. Verder trad hij in 1908 ook nog op in Diligentia, Alkmaar t.g.v. de landbouwfeesten te Alkmaar. In augustus 1908 kreeg Jaapie ‘een contract voor geruimen tijd in een bekend Amsterdamsch uitspanningslokaal aangeboden’. Maar ‘de heer Kelder wenscht evenwel voorloopig geen vast engagement te sluiten’, meldde de Schager Courant van 30 augustus 1908. Jaapie trad ook meer dan eens op in Zaandam (o.a. in het Volkspark). In november/december 1911 trad hij 2 weken op in de zaal Boekhorststraat 74, Den Haag. In november 1912 trad Jaapie op in ConcertLokaal 'Tetterode', Korte Hoogstraat 24, Rotterdam. Op 20, 21 en 22 september 1913 trad Jacob Kelder op in Hotel-Café-Restaurant 'De Doelen' in Nijmegen. In 1914 was hij ook buiten zijn stadsgrenzen te horen, nl. in café Flora ('Klein Flora'), Pretoriaplein 70, Haarlem op 10-5-1914. Op 15 april 1915 trad Jaapie op als solist bij een concert van de Haagse harmonica-vereeniging 'Excelsior' in Gebouw Concordia, Hoogezand. In september 1916 werd er in Amsterdam een meeting gehouden voor Algemeen Kiesrecht. Velen gingen met de boot naar Amsterdam. Tijdens de bootreis werden er verschillende strijdliederen gezongen, onder harmonica-begeleiding van Jaapie Kelder. Een avond waarop Jaapie optrad werd vaak besloten met een bal. Jaapie speelde dan ook dansmuziek waarop de mensen konden dansen. In adventies voor optredens werd Jaapie meestal aangekondigd als Jacob Kelder, en dan met toevoeging van ‘de beroemde harmonica-kunstenaar’, ‘de beroemde harmonica-speler’ en ‘de beroemde harmonica-virtuoos’. In de Schager Courant van 16 augustus 1908 stond een brief op rijm van ‘Jaap, die als boerenknecht in Hollands Noorderkwartier is gaan Gemmagazine 2020 pag. 35 van 40 dienen, aan zijn broer Klaas, die in de Zaanstreek gebleven is’. Het eerste couplet ging als volgt: De meest gevierde man is hier Den laatsten tijd: Jaap Kelder! Hij viert triomfen overal Van Hoorn tot aan Den Helder; Nog nooit was een harmonica Zoo sterk als nu, in eere: Die thans nog zaagt op een viool, Het blazen zit te leeren Of een piano slaat en beult, Vraagt aan zijn Pa of Oome: O, geef mij een harmonica, Dan zal mijn kunst wel komen. Brand Op Nieuwjaarsavond, 1 januari 1909, brak in het perceel van drie woningen waar ook Jaapie woonde in Purmerend, brand uit. Jaapie was niet thuis want hij had die avond een optreden buiten Purmerend. Van zijn inboedel, waaronder een paar kostbare harmonica’s, kon niets worden gered. Jaapie was gelukkig wel verzekerd. Van de burgemeester van Purmerend kreeg hij een grote kostbare accordeon cadeau. Dirigent Op 6 november 1912 werd de Eerste Purmerender Accordeonbespelers Vereeniging 'Kunst naar Kracht' opgericht. Jaapie meldde zich aan als lid, maar al snel werd hij benoemd tot dirigent van het orkest. Het orkest bestond uit 16 personen, waaronder twee die een kleine en een grote trommel bespeelden. In 1914 verkreeg de vereniging de Koninklijke goedkeuring. De vereniging heeft maar een paar jaar bestaan. Op 1 mei 1914 wees de geme e n t e r a a d v a n Purmerend een verzoek om een jaarlijkse subsidie van 100 gulden te mogen ontvangen, af. Geldgebrek zal dan ook wel de belangrijkste reden zijn geweest waarom deze vereniging geen lang leven beschoren was. 'Kunst naar Kracht' gaf tijdens haar bestaan uitvoeringen in Purmerend en erbuiten. Er werden marsen, walsen en ouvertures ten gehore gebracht. Jaapie werd ook erelid van de eerste Amsterdamsche Accordeonbespelers Vereeniging 'Oefening baart kunst'. Op internet site https:// waterlandsarchief.nl/ kunt u een foto zien van het orkest als u zoekt onder Kunst naar Kracht en vervolgens onder Beeldbank. Zondagavond werd hier door den bekenden harmonika-virtuoos Jacob Kelder uit Purmerend een concert gegeven. Het is onbegrijpelijk hoe die bijna blinde man zulke tonen weet te ontlokken aan zoo’n eenvoudig instrument. Op zijn harmonika, ’n drierijige, met vele bassen, bracht hij geholpen door zijn uitstekend gehoor en verbazend geheugen, verscheidene prachtige stukken uit opera’s enz. ten gehoore, zuiver en correct in de maat. En ’t verwonderlijkste is: Jaapie speelt niet met de vingers zooals het behoort, maar met zijn duim en de muis van zijn hand. Onnoodig te zeggen, dat Jaapie door het aandachtig luisterende publiek luide werd toegejuicht. [Hoornsche Courant 30-3-1915] Naar Amerika? In maart 1913 meldden diverse kranten dat Jaapie naar Amerika zou reizen om daar een reeks van concerten te geven. Jaapie zelf wist hier niets van af! Ook toen al bestond er ‘nepnieuws’! Hij is derhalve niet in Amerika geweest. Mogelijk is de melding gedaan als reclamestunt.
Page 36
Gemmagazine 2020 pag. 36 van 40 Benefietconcert in Amicitia, Purmerend Omdat het aantal aanbiedingen om te komen optreden minder werd, en daardoor zijn verdiensten ook, gaf hij op 18 februari 1914 een ‘benefiet concert’ in Amicitia, in zijn woonplaats Purmerend. Er kwamen, helaas voor Jaapie, weinig mensen op af. Laatste optredens en overlijden Jacob Kelder was in 1917 directeur van de Accordeon-Vereeniging 'Door Wilskracht verkregen' te Landsmeer. Deze vereniging gaf haar eerste openbaar optreden in café 'De Verwachting', Oostzaan op 14 maart1917. Het laatste optreden van Jacob Kelder (in elk geval de advertentie ervoor) dat ik heb gevonden is voor de kermis te Burgervlotbrug op 30 september, 1 en 2 oktober 1917 (Schager Courant, 27 september 1917). Jaapie overleed in zijn woning aan de Plantsoenstraat (Achter de stallen) in Purmerend op 1 november 1917 op 45-jarige leeftijd. Ten tijde van zijn overlijden was Jaapie ongehuwd. De accordeonvereniging 'Kunst naar Kracht', waarvan hij directeur was geweest, begeleidde hem naar het kerkhof. Zijn inboedel (‘Een goed onderhouden inboedel’, volgens de krant) werd op 15 november 1917 door een notaris voor zijn erfgenamen publiek verkocht. In de boekjes Purmerend in oude ansichten Deel 1 en Deel 2 staan foto’s van accordeonvereniging 'Kunst naar Kracht' met Jaapie Kelder als dirigent, en van Jaapie Kelder alleen. Bronnen Internet: www.delpher.nl (historische kranten en tijdschriften); sites van regionale historische kranten; www.genealogieonline.nl; www.wiewaswie.nl; waterlandsarchief.nl; www.geheugenvannederland.nl; www.openarch.nl; www.purmerendsverleden.nl; https://gezinsblad.nl; www.westfriesgenootschap.nl; www.europese-bibliotheek.nl; https:// books.google.nl Boeken: His Master’s Voice/De Stem van zijn Meester, Alan Kelly & Jacques Klöters, 1997; In 'De Speelwagen', een cultureel tijdschrift dat vanaf maart 1946 uitkwam, staat in de eerste uitgave op pag. 276 de herinnering van Jan Mens aan een boottocht die hij met zijn moeder in 1906 over het Noordhollands kanaal maakte. Wat hij in Purmerend zag maakte een onuitwisbare indruk op hem. Jan Mens (1897-1967) was begin jaren 1960 de best verkochte schrijver van ons land. Pietro Mascagni: A Bio-Bibliography, Roger Flury, 2001; Anker Records Catalogus 1912/1913; reprint Hollandsche catalogus der Gramophone- en Zono-phone records (1908?) Personen: Rinus Blijleven (discografie en plaatlabelafbeeldingen); Ben Poelman (foto’s) ◉ Gemmagazine 2020 pag. 37 van 40 OVERZICHT PUBLICATIES [127] H. KLUNDER Verklaring afkortingen tijdschriften e.d.: GN = Gens Nostra LTG = Limburgs Tijdschrift voor Genealogie OTGB = Oostgelders Tijdschrift voor Genealogie en Boerderijonderzoek OV = Ons Voorgeslacht VG = Veluwse Geslachten Afdelingsbladen van de Ned. Geneal. Ver.: Amst = Amstelland GV = GeneVer (Zuid-limburg) LCR = Land van Cuyk en Ravenstein Thr = Threant (Drenthe en NW-Overijssel) TK = De Twee Kwartieren (Kempen- en Peelland) WvZ = Wij van Zeeland H. van Felius: Abraham Apeldoorn. [Met fragmentgenealogie 1640-1769] GN jan.-feb. '20. Mw. A. Pol: Kwartierstaat van Pieter Aart Hendrik Baan. [Pasveer, Remmelts, Spijkerman] Thr no. 2 '20. A. Hartman: Het nageslacht van Hendrik van Bergen en Jan van der Lek. [Ook andere familienamen en patroniemen, West-NoordBrabant 1340-1810] OV april '20. P.J.R. Vermaat: De eerste reeksen Van den Born. [1600-1938] OV maart '20. Van wien niets heeft, van dien zal genomen worden wat hij niet heeft. [Met 'Stamreeks van Hendriekeus (Drie k) Brekelmans ' , 1700-1983] TK april '20. A. Clobus: Pieter Lakenberg. [Met schema Van den Broeke 1784-1996] GN jan.-feb. '20. R. de la Haye: Pastoor Brune was een meisje. [Met fragmentgenealogie 1700-1944] LTG no.1 '20. A. Plasier: Aanvulling op Genealogie Emericus Buijsen(Buijsers). [1840-2018] GV feb. '20. A. Plasier: (Deel)Genealogie van Hein Coumans. [1640-1907] GV feb. '20. Mw. P.J.C. Elema: Osanna Hans Salomons en haar zwager(s) Jan Gerrits Dil. [1667-1735] GN mrt.-apr. '20.
Page 38
Gemmagazine 2020 pag. 38 van 40 R. Dix: De oudste generaties Dijks uit Drenthe. [1570-1915] GN mrt.-apr. '20. M. Vulstra-Kappers: Voorouders van Fred Emme r . {Kw a r t i e r s t a a t , Stre i b , Hochheimer, Wolff] Amst feb. '20. H.J.L.M. Boersma: Johannes Godefridus Lebeus en Anna Louberchs – hun voor- en nageslacht (slot). [1565-1842] LTG no.1 '20. D. Jager: Literatuur en genealogie 10: De Poldark-saga door Winston Graham. [Met geneagrammen, 1660-1820] TK maart '20. G.H. Klopman: Genealogie Van de Geest. [Deel A, 1620-1958] VG maart '20. S. Hoornick: Parenteel van Hadelin Gillissen. [1678-1924] WvZ jan. '20. Idem (vervolg). [1808-1960] WvZ april '20. W. de Graaf-Valk: Families Goethart in Nieuwpoort. [Vervolg op artikel uit 2017, met twee fragmentgenealogieën, vóór 1600-1742] OV maart. '20. K. Goudswaard: De eerste generaties Goudswaard op Noo r d - Be ve l and . [1580-1834] GN jan.-feb. '20. G. Knake: Genealogie familie Knake (deel 1). [1709-1998) OTGB 1e kwart. '20. H. Bos: De familie Laumans en een notariële akte. [Met fragmentgenealogie 1759-1936] LTG no.1 '20. M. Smits-Rutten: Gerardus Johannes Linders. [Kwartierstaat, van Haren, Jans, Poos] LCR maart '20. A. Plasier: Karel, Hub en Hein (deel II). [Rongen, 1857-2012] GV feb. '20. J. Seij: Portret van de eerwaarde zusters Seij. [Met geneagram 1739-2004] GN jan.-feb. '20. R. Dix, J. Seij: Seij – Verschuren – Vloeijberghs. [Met geneagram (ook andere namen) 1605-3029] GN jan.-feb. '20. J. Kroes: Van Groninger herenboeren naar Friese heelmeesters. [Met 'Fragmentgenealgie Vlaskamp' (1670-1887) en 'Stamreeks Kloek'(1641-1857] GN mrt.-apr. '20. M.H.F. Voorkamp: Eer s te generat ies Voorkamp uit Mijdrecht en Waddinxveen. [1690-1872] OV feb. '20. A. Coopmans: De achternamen van Maria Wa e i j e n – 1 8 4 2 - 1 8 8 0 . [ M e t fragmentgenealogie 1650-1927] LTG no.1 '20. R. Dix: Dode punt en in onderzoek overwonnen. [Met o.a. drie generaties Zwinderman 1720-1822] GN jan.-feb. '20. Gemmagazine 2020 pag. 39 van 40 Een epidemie onder het vee in 1715 Dick Kranen Op 14 januari 1716 werden de hierna ge1 noemde volgende maatregelen afgekondigd ter bestrijding van een epidemie onder het vee. Er is al heel wat afgeschreven en gezegd over de het Coronavirus, daar wil ik niets aan toe of afdoen, maar wel laten zien dat ook in die tijd de overheid stappen zette om erger te voorkomen. Dat vanaf heden het rundvee wederom van buiten, in en door deze Provincie zal mogen worden gebracht, onder de volgende voorwaarden: 1. Dat uit een verklaring van de Magistraat of wet van de plaatsen waar het vee vandaan komt, zal moeten blijken, dat het gezond is, en van gezonde plaatsen, districten, en stallen komt, en gedurende de laatsten winter, in gezonde stallen heeft gestaan op straffe van verbeuring van dezelve beesten en een boete van 100 guldens voor ieder beest. 2. Dat de genoemde verklaring zal moeten worden onderzocht en goedgekeurd door de Hoofd Officieren van de Ambten en Magistraaten van de steden, of door hun gemachtigden ter plaatse waar het rundvee binnenkomt, ter weide gebracht, of gestald zal worden. De boete bij niet nakomen is als boven. De beambten van de Convoyen en Licenten zullen hier rekening mee moeten houden. 3. Indien de besmettelijke ziekte onder het rundvee nog langer voortduurt, dat dan de zieke dieren, zo snel mogelijk uit de weide of stallen zullen moeten worden verwijderd en op afgezonderde plaatsen gezet, en van andere beesten afgezonderd worden op de verbeurte van 75 gulden voor ieder beest. 4. Die dieren welke aan deze besmettelijke ziekte sterven, moeten zo snel mogelijk worden begraven en wel ten minste vier voeten diep on1 Hof van Gelre en Zutphen, toegang 0124, inv.nr. 97 der de grond, maar mocht dat in waterrijke gebieden niet mogelijk zijn, dan moet de aarde op de begraafde beesten tot vier voeten worden opgehoogd. Bij niet nakomen volgt een boete van 100 gulden. 5. Honden in een dorp of plaats, waar de besmettelijke ziekte onder het rundvee heerst, mogen niet vrij rond lopen. Bij overtreding zal de hond moeten worden gedood. Tevens krijgt de eigenaar van de hond een boete van 25 guldens voor iedere hond. 6. De inwoners moeten worden beschermd tegen de kwade gevolgen die uit 't eten van ongezond vlees mochten voortkomen. Dat betekent dat er geen vers noch gezouten rundvlees in deze Provincie zal mogen worden ingebracht. Tevens mogen verse huiden van het vee, noch hooi noch stro gebruikt van besmette plaatsen, tenzij afkomstig van plaatsen waar geen besmettelijke ziekte heerst. 7. Dat ook geen vreemde slachters noch kooplieden in de stallen, waar het vee gestald is, zullen mogen komen, maar dat de verkopers gehouden zullen zijn de beesten te brengen voor hun huizen, om te verkopen, alles respectivelijk op een boete van 100 guldens. 8. Dat de aanbrengers recht hebben op de helft van de opgelegde boetes, en dat de andere helft bestemd is voor die geene, die de bekeuring doen zal. 9. Opdat niemand zich wegens onwetendheid zal kunnen excuseren ordonneren Wij dat alle Drossaarden, Ambtlieden, Rechters, Magistraaten van de steden, Scholten, Voogden, en ieder die het mocht aangaan, dat zij dit, Ons Plakaat, overal waar het gebruikelijk is, zullen laten publiceren en aanplakken. De boeten daarin begrepen, tegens de overtreders, zijn zonder enige toegeeflijkheid verschuldigd, desnoods af te dwingen via de rechter. 10. Om deze oirkonde te waarmerken hebben Wij van het Vorstendom Gelre en de Graafschap Zutphen Ons secrete Zegel hier onder laten drucken. Arnhem 14 januari 1716, etc.

GEM 1:2020


Page 2
COLOFON gemmagazine 2020 GEM is de roepnaam van het ’Genealogisch Erfgoed Magazine’ dat weer is voortgekomen uit 'Ons Erfgoed’, van 1993 tot en met 2009 uitgegeven door H.M. Lups te Delft. Overname van artikelen is toegestaan na overleg met uitgever en auteur. Een juiste bronvermelding is vereist. Informatie voor nieuwe auteurs is te vinden op de website. GEM verschijnt in de maanden februari, mei, augustus en november. In verband daarmee is de sluitingsdatum voor de kopij de 15e van de maanden januari, april, juli en oktober. Prometheus Sinds 2000 is er samenwerking met de Genealogische Vereniging Prometheus te Delft. Contactpersoon is de heer H. Klunder Heraldisch Bureau Nagtegaal Vanaf 1 januari 2015 worden de door de heer H. Nagtegaal ontworpen familiewapens gepubliceerd in GEM. Abonnementen Deze lopen per kalenderjaar. Een abonnement kost vanaf 2020 € 23.- per jaar te voldoen op bankrekening NL10 INGB 0000 0780 22 ten name van D. Kranen. Een digitaal abonnement kost € 12. Opzegging van het abonnement dient schriftelijk (bij voorkeur via e-mail) plaats te vinden en wel vóór 1 december van ieder jaar. Eindredacteur en uitgever D. Kranen, Molenstraat 73, 6712 CT Ede Tel. 0318-693803 ~ e-mail: info@gemmagazine.nl ~ internet: www.gemmagazine.nl ISSN 2214-2010 ~~~© 2010 GEM Afbeelding op omslag Gezicht op Delft, ca 1790, Carel Frederik Benschop (I), naar Jan Bulthuis, 1824-1825. Rijksmuseum, obj. nr. BI-B-FM-116-28 INHOUD ARTIKELEN Colofon Lichtgas, destijds een belangrijke bedrijfstak Vraag abonnee De eerste Beurs van Amsterdam (1611-1835) Beurtvaart tussen Grave, Venlo en Amsterdam in de 17e eeuw Melgert van Oostvoorn, een schippersknecht in het leger van koning Willem I Advertentie van Jan van der Heyde Senior en Junior Sophie Smith, een stem als twee klokken RUBRIEKEN Wapenregister Genealogische publicaties (126) 2 2 3 10 11 16 25 34 37 25 30 31 35 gemmagazine 2020 DE FABRICAGE VAN LICHTGAS EEN BELANGRIJKE INDUSTRIËLE ONTWIKKELING JW KOTEN bedrijvigheid in de stad. Theaters, openbare gelegenheden en winkels profiteerden van de betere verlichting. Steden waren eerder tijdens het nachtelijke donker beslist onveilig, avondwandelaars - zeker als ze een glaasje (teveel) op hadden - verdronken soms in de grachten wanneer zij 'even de weg kwijt waren'. Na 1860 drong het gebruik van stadsgas door in de huizen van de stedelingen, eerst als lichtbron, later (vanaf ca 1875) ook voor de warmwatervoorziening (gasboiler) en het gasfornuis. Onlangs besloot de gemeente Nijmegen geen nieuwe gasaansluitingen meer toe te staan voor nieuwbouw of nieuwe aansluitingen. Dat zal op den duur betekenen dat een ca. 150 jaar oude industrie annex maatschappelijke dienstverlening, gaat verdwijnen. Het is goed bij de geschiedenis van deze belangrijke bedrijfstak stil te staan omdat de gasindustrie veel invloed heeft gehad op ons sociale leven en onze gezondheid. De 19e eeuw als 'eeuw van het licht' is vooral te danken aan de opkomst van het lichtgas. Aanvankelijk als lichtbron voor grote ruimtes vond het nieuwe licht zijn eerste toepassingen in fabrieken in Engeland. Gasverlichting betekende dat bedrijven met deze verlichting ook ’s nachts konden doorwerken. Zo ontstonden de ploegendiensten. De verlichting met behulp van gas bleef echter niet tot de industrie beperkt. Gaandeweg de 19e eeuw werd het steeds meer aangewend voor de verlichting van straten, pleinen, winkels, schouwburgen, cafés, etc.. Door de betere stadsverlichting kwam er ook in de avond meer 3 De gasindustrie was ook in Nederland een van de belangrijkste vroege vormen van de moderne industrie die al zeer vroeg aan velen werk verschafte. Tegen het eind van de 19e eeuw waren in Nederland vele tienduizenden direct of indirect bij de gasindustrie betrokken, en daarmee werd de gasproductie met alles wat daarmee samenhing één van de belangrijkste Nederlandse bedrijfstakken. Naast de gasproductie zelf was de gasindustrie ook zeer belangrijk voor het ontstaan van een belangrijke nevenindustrie. Denk hierbij aan de bouw van de complexe gasfabrieken, de aanleg van het buizennet onder de grond, de ontwikkeling van gaslantaarns e.d. Meestal werden de gasfabrieken aan de rand van de bebouwing opgericht. Van verre zag je de karakteristieke gashouders die boven de huizen uitstaken en waarin het lichtgas werd opgeslagen dat in de nabijgelegen fabriek werd geproduceerd. Deze gashouders werden vast onderdeel van het stads-silhouet. Na de introductie van het aardgas uit Slochteren (beginjaren 1960) zijn deze gashouders vrijwel allemaal
Page 4
gemmagazine 2020 verdwenen of ze kregen een andere bestemming.. Zo werd in één van de grote gashouders van de Westergasfabriek in Amsterdam een gehoorzaal gecreëerd waar ook feesten en partijen plaatsvonden en -vinden. In Dedemsvaart kreeg de gashouder de status van rijksmonument en omgebouwd tot een klein theater. Was de gasindustrie primair opgezet voor het verschaffen van een goede verlichting, het lichtgas bracht daarnaast tal van nieuwigheden, se archieven heel wat gegevens kan vinden zoals de journalen van de gemeentelijke gasfabrieken zoals: loonboeken; loonstatenregisters e.d. Ook is er heel wat fotomateriaal van het personeel van gasfabrieken beschikbaar De uitvinder van het Lichtgas De gashouder in Dedemsvaart heeft nog als opschrift 'Kookt op gas'. Links de entree van het theater. zoals het gasfornuis, de gasmotor, de heet-water geiser voor de warm watervoorziening voor bad en keuken, de gasradiator, en later de gezellige gashaarden. Al deze zaken verhoogden het wooncomfort en ze brachten natuurlijk ook veel nieuwe werkgelegenheid mee, want al deze nieuwigheden moesten vervaardigd en geïnstalleerd worden. Hoewel het lichtgas vele voordelen bood, bleek lichtgas ook zijn negatieve kanten te hebben Men leest in de Geneeskundige Courant (1852) onder het opschrift: 'Gasbereiding en gasverlichting uit een geneeskundig politisch oogpunt’ van Dr. Inhauser, dat gasfabrieken, zelfs bij de zorgvuldigste leiding en bij de meest volmaakte inrichting van de gebouwen, voor de omgeving schadelijk kunnen zijn. Andere veel geuite bezwaren tegen lichtgas waren veelvuldige gasvergiftigingen door koolmonoxide met vaak dodelijke afloop. Ontploffingsgevaar door gas lekkages was ook een risico. De gasindustrie was in Gemeentelijke handen. Vandaar dat over de gasindustrie men in diver4 Wat velen niet weten: lichtgas is een BelgischNederlandse uitvinding. Daarom geef ik extra aandacht aan de ontdekker, de Maastrichtenaar prof.Dr. Jan Pieter Minckelers (1748-1824). In juli 1771 werd hij benoemd tot professor aan de Artesfaculteit van het College de Faucont, waar hij logica, fysica en metafysica doceerde. Na de uitvinding van de luchtballon (1783) verzocht Loui s Engelbert van Arenberg (1750-1820), heer van Heverlee, hem te zoeken naar een lichte, goedkope gassoort, die warme lucht of waterstof kon vervangen. Minckelers beschrijft zijn ontdekking van het lichtgas in zijn publicatie Mémoire sur l'air inflammable tiré de différentes substances (I784) 'Toen ik poedervormige kolen in een kanon had gestopt, kreeg ik in overvloed brandbare lucht en heel snel kreeg ik met vier ons steenkool een kubieke voet gas. Door fijngestampte steenkool in het kanon te verwarmen ontdekte hij na talloze experimenten in 1881 lichtgas die hij brandbare lucht noemde. Dit gas, werd gewogemmagazine 2020 gen, en bleek vier keer lichter dan atmosferische lucht’. Op 21 november 1783 steeg de eerste met dit gas gevulde ballon op in het park van het kasteel te Heverlee bij Leuven en kwam 25 kilometer verder in Zichem neer. De experimenten van de volgende maanden, toen verschillende ballonnen met groot succes werden gelanceerd in het Arenbergpark in Heverlee, bewezen de waarde van het nieuw ontdekte gas voor het opblazen van ballonnen. Al in 1785 verlichtte Minckelers herhaaldelijk zijn auditorium met het door hem gevonden lichtgas. Naast apotheker was hij tevens docent natuur- en scheikunde aan de École centrale du Département de la Meuse-Inférieure (opgericht in 1797). In 1804 werd dit de École secondaire. In 1816 voegde hij zich bij de Academie van de Wetenschap te Brussel. Kort daarna kreeg hij een beroerte. Het duurde nog meer dan honderd jaar voor zijn genialiteit werd onderkend toen hij in 1902 te Maastricht een standbeeld kreeg. (zie hieronder) De start van de gasindustrie Door de ongelukkige politieke ontwikkelingen kon Minckelers zijn uitvinding niet afronden maar zijn werk raakte echter snel in het netwerk van pneumatische chemici bekend, die de vinding van Mickelers overnamen. Aanvankelijk gebeurde dat in Engeland. Belangrijke onderzoekers waren William Murdoch (1754-1839) en Samuel Clegg (17811861). Aangezien in veel plaatsen steenkool niet beschikbaar was gebruikte men voor gaswinning ook andere materialen. In het begin van de 19e eeuw werd een bruikbaar lichtgas verkregen door het ontgassen van plantaardige olie. Vandaar dat men van oliegas sprak. Voordeel van dit oliegas boven het steenkoolgas was, dat oliegas bij verbranding minder stonk en meer licht gaf. Bovendien was dit gas geschikt voor mobieltransport in buisvormige containers, zodat het in huis op een gasoven kon worden aangesloten. Oliegas is in veel steden voor straatverlichting gebruikt, onder andere in de beginfase in Amsterdam. Het bleek echter later te duur, zodat men toch op kolengas overging. Bernardus Koning, de pionier van de Nederlandse gasindustrie Merkwaardig genoeg was de voortrekker van gasverlichting in Nederland een dominee-uitvinder namelijk Bernard Koning (1778- 1 1828). Hij zou de grondslag leggen voor de Nederlandse gasindustrie. Als predikant had hij vanaf 1807 als standplaats Akersloot. Vanaf 1800 pionierde hij ook in de productie van gas voor gasverlichting. Eén van de eerste resultaten was een demonstratie van gasverlichting op 24 mei 1816. Deze werd als volgt beschreven: Amsterdam, 26 mei 1816 Eergisteren avond is in het oude mannen- en vrouwenhuis op den Binnen-Amstel , alhier ten overstaan van 2 den heere Cormmissaris-Generaal voor het onderwijs en voor de kunsten en wetenschappen, Repelaer van Driel, den heere Staatsraad, gouverneur van Noord-Holland, van Tets van Goudriaan, den heere gouverneur der Provincie van Antwerpen, baron de Keverberg de Kessel, eene commissie uit het Koninklijk Nederlandsch Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone kunsten, en 2 De Amstelhof, tegenwoordig De Hermitage. 5
Page 6
gemmagazine 2020 andere aanzienlijke personen, een proef bewerkstelligd met het in Engeland gebruikelijke gaslicht, welke uitnenend en ten genoegen van alle de aanwezigenis is geslaagd. Op degroote zaal van dat gesticht hingen drie kroonen ieder met 12 à 14 lichten, benevens eenige andere lichtbronnen aan den wand: de helderheid, doch tevens zacht- en witheid van dit licht zetten aan deze proef geene geringe waarde bij. Ook heeft men eene zeer voldoende uitwerking van het licht in de opene lucht, op de plaats van het gebouw, gehad. Men ziet een omstandig verslag nopens dit onderwerp tegemoet, en hoopt daardoor de aandacht op deze wijze van verlichting meer en meer te zullen vestigen; welke zij dubbeld verdient, vermits door den ijver van den heer Koning, predikant te Akerssloot, de geheele toestel op eene veel min kostbare wijz is ingerigt, en de voortbrenging van de stof, die ter verlichting dient, uit dezelfde hoeveelheid van bestanddelen in verre weg grooter is, dan tot hiertoe in Engeland plaats vond. [Opr. Haarl. Courant van 30 mei 1816] In 1817 legde Koning het predikambt neer omdat hij was benoemd tot adviseur bij de administratie voor het onderwijs, de kunsten en wetenschappen aan het Dep. van Binnenlandse Zaken, welke betrekking hij tot zijn dood bekleedde. Koning kreeg in 1820 de opdracht om gasverlichting van het Binnenhof op basis van de door het geproduceerde gas aan te leggen. Deze gasverlichting heeft van 1820 tot 1844 gefunctioneerd. Met de cokes, een restproductie van de gaswinning werd het koninklijk paleis verwarmd. Vanaf 1824 kwamen er meer openbare gebouwen met gaslicht zoals de Brusselse schouwburg, de Hoogduitse Schouwburg in Amsterdam (1824) en de Dom van Utrecht (1826). Bij de gasproductie werden in die periode zowel kolengas als oliegas toegepast. Het duurdere oliegas werd ofwel door buizen van de fabriek naar de verbruikers vervoerd ofwel in metalen bussen afgeleverd. Het goedkopere steenkoolgas werd alleen door buizen vervoerd. De eerste fabrieken voor stedelijke gasvoorziening werden opgericht Amsterdam in1824, en Rotterdam in 1827. Rotterdam produceerde steenkoolgas, Amsterdam eerst oliegas maar ging in 1934 ook over op steenkoolgas. Aanvankelijk werd gas hoofdzakelijk gebruikt voor de stadsverlichting. De eerste straatverlichting met kolengas in Nederland kwam in Rotterdam (1835), Daarna volgden Haarlem (1836/37), Utrecht (1840),’s6 Gravenhage (1844), Leeuwarden (1845), Leiden (1846/48) en, Amsterdam (1847, proef in 1840). Levering Gaspijpleidingen een probleem Omstreeks 1820 was het met de metaalnijverheid in Noord-Nederland slecht gesteld. De door Ds. Koning uitgezochte leveranciers voor zijn grote gasverlichtingsplan waren allemaal gevestigd in de Zuidelijke Nederlanden waarmee men op dat moment op slechte voet stond. Daarom werden de gietijzeren pijpen die hij nodig had, voorlopig uit Engeland betrokken, omdat de Nederlandse ijzergieterijen toen nog niet in staat waren gasdichte en waterdichte pijpen te gieten. Vanaf begin jaren dertig echter konden Nederlandse firma's produkten als buizen, bochten, roosters, retortdeksels, putten en lantaarnpalen leveren. A.J. Nolet uit Schiedam, Sevenbergen-de Lanoy uit Amsterdam, D.A. Schretlen en Co. uit Leiden, Nederburgh, Nering Bögel & Co. uit Deventer en L.J. Enthoven en Co uit Den Haag waren leiding gevend. Gemeentelijke gasbedrijven Tot het midden van de 19e eeuw konden gemeentes de gasvoorziening niet zelf regelen en werden alle concessies uitbesteed aan particuliere gasmaatschappijen. Daar kwam gedurende de 2e helft van de 19e eeuw verandering in. De belangrijkste veranderering was wel dat men er in slaagde het gas behoorlijk te zuiveren. Ongezuiverd ruw gas bevat een groot aantal verontreinigingen, waarvan de belangrijkste zijn: zwavelwaterstof, ammoniak en blauwzuur. Deze verontreinigingen en veel van hun verbrandingsproducten zijn giftig en corroderend. Zuivering van het gas is voor huishoudelijk gebruik dus essentieel. gemmagazine 2020 Het was duidelijk dat er met gas veel geld verdiend kon worden vooral door de huishoudelijke toepassing. Veel gemeentes stichtten dan ook een gasfabriek of namen de bestaande particuliere gasfabriek over. De eerste gemeentelijke gasfabriek werd in 1848 in Leiden opgericht, de tweede in 1854 in Groningen, waarna veel grote gemeenten volgden: Zwolle (1855), Maastricht (1858), Utrecht ( 1 8 6 2 ) , Le e uwa r d e n (1865), Arnhem (1870), Dordrecht (1870), Nijmegen (1872), Tilburg (1873), Kampen (1874), Zutphen (1874), Den Haag (1875), Tiel (1875) , Gorkum (1875), Zaltbommel (1877), Bergen op Zoom (1878), Franeker, Heerenveen, Oosterhout en Oudenbosch (alle in 1880), Rotterdam (twee fabrieken, respectievelijk 1884 en 1887), Alkmaar (1883), 's-Hertogenbosch (1890), Amsterdam (1898), Haarlem (1903) en Ede (1904). Hiermee werd het gemeentelijk gasbedrijf de eerste tak van een industrieel bedrijf dat als overheidsbedrijf in exploitatie kwam. Omstreeks 1900 verkreeg men uit 1.000 kg steenkool de volgende producten: • 160 à 170 kg steenkoolgas (285 m3) • 680 kg cokes • 50 kg steenkoolteer • 100 kg ammoniakwater (100 liter) Bereiding lichtgas/stadsgas De bereiding van steenkoolgas, ook wel stadsgas genoemd, berust op het principe dat steenkool in ovens wordt verhit zonder dat zuurstof vrij kan toetreden. Daarbij komt gas vrij dat afzonderlijk wordt opgevangen. Deze verhitting vindt plaats in retorten, meestal lange buizen gemaakt van vuurvaste steen. Door uitwendige verhitting van de retorten gevuld met steenkool verkrijgt men gas, met cokes als nevenproduct. Elke oven heeft een eigen schoorsteen, aan de achterzijde wordt ‘geslakt’ en aan de voorkant is een bedieningsgalerij. Vanuit de retorten komt het gas via een verzamelbuis (main) en door een ringvormige koeler (condensor) voor de eerste afscheiding van koolteer, ammoniak en water. Een vleugelpomp (exhauster) in de meterkamer zorgt voor het verdere transport van het gas door de teerafscheider (pelouze) en de ammoniakwasser (scrubber). In het laatste toestel werd door middel van roterende houten borden het ammoniakgas opgelost in water. Doorsnede van een gasfabriek. Vlnr zijn de retorten, de scrubbers, een zuiverkist en de gashouder zichtbaar. Het werkenin een gasfabriek betekende zware lichamelijke arbeid in een ongezonde omgeving. 7
Page 8
gemmagazine 2020 Hierna gaat het gas naar het zuiverhuis om te worden gezuiverd van zwavelwaterstof. In het zuiverhuis staan twee zuiverkisten (elk van ruim 3 m3, die zijn voorzien van 3 lagen houten roosters, waarop ijzeraarde (ijzeroxide-hydraat) wordt aangebracht, waardoor het gas stroomt. De afgewerkte ijzeraarde wordt door uitspreiding in de lucht in de regeneratieruimte weer actief gemaakt om opnieuw te worden gebruikt. Na deze zuivering passeert het gas achtereenvolgens de fabrieksmeter, de gashouder en de regulateur, die het gas op de juiste druk in het buizennet handhaaft. De fabrieksmeter en regulateur staan opgesteld in de meterkamer. Buiten de fabriekshal werd een waterdichte put van gewapend beton voor berging van teer en ammoniakwater geplaatst. Personeelsbezetting van een gemiddelde gasfabriek Om enig idee te geven van de personeelsbezetting en hun beloning, zie het onderstaande overzicht uit 1891 : 1 JAARBEZOLDIGING: • (1) directeur, f. 3000,-+ woning, cokes, kolen, licht, • (1) boekhouder, f. 720,-+ cokes en licht • (1) opzichter, f. 720,-+ woning, cokes, licht, • (1) opzichter, f. 900, • (2) klerken 1ste f. 300,-en 2de 120,• (1) geldophaler f. 312 WEEKLONEN • (4) fitters f. 6,-tot f. 12,50; • (1) smid f. 9,50; • (2) machinisten f 10;• (2) 1e stokers, f. 11,20 ; • (4) 2e stokers, f. 10,50 ; • (3) 3e stokers, f. 9,80; ('s zomers f. 7, -) • (4) arbeiders, f. 7-f. 8,• (1) voerman f. 8,• (11) lantaarnopstekers f. 3,50 Het werk in een gasfabriek was zwaar en ongezond. De stokers aan de gasfabrieken werkten 84 uren per week in een atmosfeer, waarin een 1 Bron: Den Bosch, Gemeenteverslag over 1891 8 gewoon mens het eenvoudig niet kon uithouden. Alles moest met de hand gebeuren. De gloeiende cokes -afgewerkte kolen werden met trekhaken uit de retorten getrokken en voor deze vuurmassa's stonden de stokers bijna naakt te blakeren. Het laden geschiedde ook met de hand; schop voor schop werden de kolen in de retorten geworpen en bij elke schop sloegen de vlammen er uit. De atmosfeer, was vervuild door gas, kolenstof en teer, de hitte was bijna ondragelijk, en dit twaalf uur per dag 7 dagen per week. Pas in 1902 werd in Amsterdam de drieploegen dienst ingevoerd met een werkweek van 56 uur. Toch bestond er veel belangstelling voor het werk op de gasfabriek. De gasfabrieken waren één van de bedrijfstakken waar, in het midden van de 19e eeuw, een boven gemiddeld loon werd betaald; in 1854 was het weekloon voor volwassenen in de Amsterdamse gasfabrieken f.7,-tot f.9,Werken op de gasfabriek gaf enig prestige. Meer toepassingen stadsgas Aanvankelijk was er behalve voor straatlantaarns slechts gaslicht in fabrieken, openbare gebouwen en andere grote ruimtes. Maar in de 2e helft van de 19e eeuw komen er toch steeds meer gaslampen voor in huisverlichting beschikbaar. Ook begon men gas te gebruiken voor warm water (de geiser) zodat men steeds meer badgelegenheden in huis ging aanleggen. Gaskachels bestonden ook maar werden slechts incidenteel gebruikt Voor een algemene huisverwarming was gas nog te duur in vergelijking met hout en kolen. Na 1880 werd het gasfornuis steeds populairder. De moderne gasfornuizen zijn gebaseerd op de zogenaamde gasfornuizen van het begin van de 19e eeuw, toen verschillende Duitse uitvinders hun modellen brachten. Tijdens de jaren 1910 verschenen gasfornuizen met emaille coatings waardoor de kachels beter schoongemaakt konden worden. Een belangrijk ontwerp van een gasfornuis was het AGA-fornuis. gemmagazine 2020 Gasovens werden pas echt iets in de jaren 1920. Ook het gaslicht zelf werd verbeterd. Al in de begintijd van de gasverlichting besefte men, dat een gasvlam met een gloeikousje een aanzienlijk hoger rendement als lichtbron zou hebben dan een vlam alleen, omdat in de gasvlam zelf maar een zeer klein deel van de vrijkomende energie als licht wordt uitgestraald. De moeilijkheid was alleen het vinden van een geschikt materiaal voor het gloeikousje; vanaf ca. 1820 is er geëxperimenteerd om dit te vinden. In 1885 slaagde de Oostenrijkse chemicus C. Auer von Welsbach (1858-1929) er in een bruikbaar gloeikousje te construeren, dat bestond uit een mengsel van thoriumoxyde en ceriumoxyde. Door deze uitvinding kreeg men nu lampen die veel meer licht gaven en minder gas verbruikten dan de tot dan toe gebruikte. Verlichting met behulp van gas bracht werk en verantwoordelijkheid met zich mee, zeker als gloeikousjes werden toegepast. Ze gaven aangenamer en helderder licht en verspreidden minder warmte dan de open gasvlam armaturen. Over de kousjes stonden glazen, die geregeld schoon gemaakt moesten worden om te voorkomen dat de lichtopbrengst verminderde door de roetaanslag. Dat was wel op zijn minst een half wekelijks karwei, want al na veertien dagen verminderde de lichtopbrengst tot de helft. Distributie van kolen tijdens de 1e Wereldoorlog en de gevolgen daarvan voor de gasproductie Het tekort aan steenkool, dat voornamelijk van over de grenzen moest worden aangevoerd. Zelfs de Zuid-Limburgse kolen moesten via Duitsland naar de Noordelijke provincies worden getransporteerd. Van overheidswege werd een distributie van gas ingesteld, bepaalde uren van de dag was geen gas beschikbaar. In 1916 besloot men dat winkels en magazijnen van een uur vóór zonsondergang tot ’s avonds acht uur niet meer dan de helft van de aanwezige lampen mochten branden. Koffiehuizen en sociëteiten mochten de lampen tot elf uur aanhouden. Huishoudens moesten hun gasverbruik beperken. Men raadde aan bij het garen van aardappels en groenten weer de hooikist te gebruiken die een sterke gasbesparing gaf. In 1917 werd de gasdruk en een groot deel van straatlantaarns uitgeschakeld. In een aantal plaatsen staakten de gemeentelijke gasfabrieken de levering van gas voor verlichting zodat afnemers gedwongen waren over te gaan op elektrische verlichting. In 1917 besloot men in den Haag over te gaan op elektrische straatverlichting. Het voordeel hiervan was dat lantaarnaanstekers hierbij niet nodig waren. In de vol9
Page 10
gemmagazine 2020 gende jaren zouden de meeste steden dit voorbeeld gaan volgen. Het is duidelijk dat de schaarste aan gas, de overheid dwong de gasproductie langs diverse wegen op te krikken. Daarbij werd gedacht aan de Staatsmijnen. Al eerder was gebleken dat de steenkool in het noordwestelijke mijngebied van Zuid-Limburg gaskolen waren. De staatsmijn Emma was gestart in 1911 en in 1915 werden de eerste cokesovens opgezet. In 1919 werd begonnen met de gasproductie. Voor de exploitatie van de restproducten werd een grootschalige chemische industrie opgezet, de voorloper van de huidige DSM. Voor de afzet van het gas moest een uitgebreid buizenstelsel worden aangelegd. Vanaf 1930 werden bedrijven ook wel direct op het gasnet aangesloten. Waarop de grote gemeentelijke gasbedrijven aansluiting kregen. Vanaf 1936 tot 1945 bleven deze lokale gasnetwerken hetzelfde maar na de oorlog werden deze netwerken landelijk uitgebreid, zodat de staatsmijnen het gas ook landelijk leverde. Daarnaast werd ook gas geleverd door de Hoogovens in IJmuiden en ACZC Sluiskil. Dit veranderde toen begin jaren 1960 het aardgas uit Groningen op het gasleidingnet werd aangesloten. Gascon N.V. (een dochter van Werkspoor) uit Utrecht kreeg de opdracht alle bestaande gasapparatuur, voor zover mogelijk, geschikt te maken voor het werken met aardgas als energiebron. Dat karwei vergde ongeveer 10 jaar, maar toen waren alle Nederlanders aan het aardgas! Inmiddels liepen de mogelijkheden voor kolenwinning zodanig terug dat enkele jaren later (1963) premier de Uyl het beëindigen van de mijnindustrie aankondigde. Bronnen • Rapportenreeks nr. 26: GASPRODUKTIE EN GASDISTRIBUTIE (branchenummer 39) J.H. Waszink. • Aardgas-historische-ontwikkeling http://eduweb.eeni.tbm.tudelft.nl/TB141E/?aardgas-historische-ontwikkeling 10 • Een eeuw gastlicht; kunst en cultuur geschiedenis. https://kunst-en-cultuur.infonu.nl/geschiedenis/ 53826-een-eeuw-gaslicht.html • Zahn 002 gesc 01_01.pdf https:// www.dbnl.org/arch/zahn002gesc01_01/pag/ zahn002gesc01_01.pdf • Geschiedenis van de techniek in Nederland, de wording van de moderne samenleving H.W. Lintsen Textiel. Gas, licht en elektriciteit. 1800=1890 Deel III https://www.dbnl.org/tekst/lint011gesc03_01/lint011gesc03_01_0007.php • P.A.Th.M. Jaspers (1983): J.P. Minckelers 1748-1824. Cammaert (2011), p. • P.A. JASPERS J.P. Minckelers (x748-I824) en zi]n "Memoire sur l'air inflammable'Pharmaceutisch Weekblad 116-I98I pagina 1386 • Gasfabriek (Jaarboek 14 1991 pg 3-23) https:// www.oud-castricum.nl/jaarboeken/gasfabriekjaarboek-14-1991-pg-3-23/◉ Vraag abonnee Hee# iemand van de lezers enig idee waartoe het hierbij afgebeelde wapenschild behoord kan hebben? Het betre# een gehelmd schild waarop een waterstroompje diagonaal is afgebeeld. Aan weerszijden van de pluim de le?ers P – I. Dit wapen wordt nogal eens aangetroffen op loden penningen in de omgeving van Gouda. ReacEes graag naar Allex Kussendrager, email allex@loodjes.nl DE EERSTE BEURS VAN AMSTERDAM [1611-1835] [VERZAMELD DOOR DICK KRANEN] Antwerpen, Londen enRotterdam hadden al een beursgebouw, maar in 1607 hakte de Amsterdamse Vroedschap de knoop door: ook in Amsterdam moest een beursgebouw komen. Hendrick de Keyser, in 1594 aangesteld als ‘stadsmeester, steenhouwer en beeldsnyder’ werd naar Londen gestuurd om daar het beursgebouw te bekijken. De eerste Koopmansbeurs van Amsterdam moest iets bijzonders worden en dus stelde het stadsbestuur dat ‘tot verciering van ’t werck niet op een cleyntje sou worden gesien’. De Beurs van Hendrick de Keyser, die een icoon werd van de Gouden Eeuw, kwam in 1611 gereed en stond aan het Rokin, ten zuiden van de Dam. Het gebouw was ongeveer 60 meter lang en ruim 35 meter breed. Rond het niet-overdekte middenplein dat als beursvloer dienst deed, stonden 42 genummerde pilaren. Kooplieden die een vaste standplaats hadden, waren daardoor makkelijk te vinden. Het lang bestaande gebruik om soorten van handel in ‘hoeken’ te concentreren vindt hier zijn oorsprong. Nog tot het eind van de 20e eeuw was de hoekman een bekende verschijning op de beursvloer. Op de beurs werd vooral in goederen gehandeld. Maar de betekenis en de omvang van de effectenhandel nam snel toe. In 1668 leidde dat zelfs tot een uitbreiding van de beursvloer, speciaal voor de aandelenhandel. In de ruim 200 jaar dat de beurs dienst deed, groeide hij uit tot een fundament voor de ontwikkeling van Amsterdam en het toenmalige Nederland. Verzakking maakte in 1835 sluiting en sloop noodzakelijk. Nadat de handel zich tien jaar noodgedwongen had beholpen met een tijdelijk onderkomen op de Dam, kreeg Amsterdam in 1845 zijn tweede Koopmansbeurs: de Beurs van Zocher. 11
Page 12
Op deze en de volgende pagina: Plattegrond van de Beurs te Amsterdam. Met aanwijzing van de standplaatsen der Kooplieden op de gewoone Beurstijden, volgens de nommers der Pilaaren, als mede de bijzondere soort van Koopmanschappen waar in ieder dagelijks handelt. De beurs in gebruik Om de handel onder controle te houden had het stadsbestuur beslist dat er alleen in het beursgebouw zaken mochten worden gedaan. En om ervoor te zorgen dat de betrokkenen elkaar niet misliepen, was de beurs maar één uur 12 per dag geopend, van 11 tot 12 uur. Op dat moment moesten alle goederenmakelaars naar de beursvloer gaan en mochten ze onderweg niet in gesprek gaan met de kooplui. Volgens een verordening uit 1619 mochten ze na beurstijd niet eens meer in de buurt komen van het beursgebouw of de Dam. De Amsterdamse koopmansbeurs was in het begin van de 17e eeuw het belangrijkste handelsinstituut ter wereld. Het overgrote deel van de transacties die in deze beurs werden gesloten, betrof de goederenhandel, maar de Beurs van Hendrick de Keyser was ook de plek waar aandelen in de VOC en, vanaf 1621, ook in de West-Indische Compagnie werden verhandeld. Daarom wordt dit beursgebouw ook beschouwd als de oudste aandelenbeurs ter wereld. Misschien al in 1611, maar in elk geval na de verbouwing en uitbreiding van de beurs in 13 1668, was er een vaste plaats op de beursvloer waar de effectenhandel plaatsvond. Verder werd er gehandeld in termijncontracten die het recht gaven op een vastgelegd tijdstip voor een vaste prijs partijen goederen te kopen. Er konden verzekeringen worden afgesloten, evenals contracten over het vervoer van vrachten, en er was informatie te krijgen over alles wat voor de handel van belang was, zoals markten in verre landen en de internationale politieke situatie.
Page 14
gemmagazine 2020 Het buskruitverraad Situatieschets van de wateren onder de beurs en de voor 1803 gedempte gedeelten (het Rokin is rechts), 1802, Stadsarchief Amsterdam Het beursgebouw was voor een deel gebouwd op brugbogen. Dat maakte het mogelijk voor schepen met gestreken mast eronderdoor te varen van en naar het Damrak. Deze doorgang werd in 1622 afgesloten, aanvankelijk alleen tijdens beurstijd, eerst met een boom in de vaaropening, vervolgens met zware houten deuren. In 1672 (oorlogstijd?) werd de doorgang definitief afgesloten. Als reden voor de sluiting wordt aangegeven dat in 1622 een steenhouwersgezel uit Namen, Balthasar Paul, complotteerde om Amsterdam in brand te steken. Een onderdeel van zijn plannen was het in brand steken van de beurs. Zijn plannen mislukten en Balthasar Paul eindigde zijn leven op het schavot op de Dam. Volgens 'Beursgeschiedenis' zou de Spaanse veldheer Spinola achter de buskruitplannen hebben gezeten. De 80-jarige oorlog was immers nog aan de gang! Het incident gaf aanleiding tot het verhaal over het buskruitverraad. 14 gemmagazine 2020 Het Amsterdamsche Kermis Feest Baldadigheden bij het Beurstrommelen van als schutters verklede jongens tijdens het Amsterdamse kermisfeest. De tekening is in prent gebracht door J. Houbraken en uitgegeven bij Pierre Fouquet jr. Techniek: penseel in kleur (gouache). Tekening gemaakt door Cor. Troost (1697-1750) in 1746 Volgens de verhalen die rondgingen ontdekte een weesjongen in 1622 onder de Beurs een schip volgeladen met buskruit. Hij maakte alarm door te trommelen. Het stadsbestuur trof vervolgens geëigende maatregelen om verder onheil te voorkomen. Als dank mochten weesjongens voortaan in de beurs trommelen en andere herrie maken tijdens de kermisweken in september. Bij de opening van de Beurs van Zocher verviel deze gunst echter, waarop de weesjongens een verzoek indienden bij het stadsbestuur om de traditie van het beurstrommelen weer in ere te herstellen. Het verhaal werd in 1859 door Jacob van Lennep in een toneelstuk verwerkt, 'Een Amsterdamse jongen of het Buskruitverraad van 1622’. Met enkele onderbrekingen is deze traditie nog steeds springlevend, nu op Beursplein 5. Een recente afbeelding om te bewijzen dat het beurstrommelen nog steeds plaats vindt (2018). En nu op Beursplein 5, een locatie die niet veel meer herinnert aan de oude beursgebouwen! Bronnen 1. https://www.beursgeschiedenis.nl 2. Rijksmuseum 3. Publiekscatalogus KB aanvraagnummer 1056 E 1 [76] ◉ 15
Page 16
gemmagazine 2020 BEURTVAART TUSSEN GRAVE, VENLO EN AMSTERDAM IN DE ZEVENTIENDE EEUW Dick Kranen Wat is beurtvaart? Volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT): vaste vaart op gezette dagen, door beurtschippers. Na deze korte beschrijving volgt er nog: De beurtvaart en alle andere middelen van vervoer blijven onderworpen aan de wettelijk op dit stuk bestaande verordeningen en reglementen. (Wetboek van Koophandel) Wikipedia stelt: Beurtvaart is een aan vergunningen gebonden vrachtvaart, waarbij goederen volgens een vaste dienstregeling langs een vast aantal havens werd vervoerd. Deze definities geven goed weer wat er in het hierna volgende beschreven wordt. Zowel wat betreft het pure varen als de regelgeving. In die tijd was het kennelijk niet mogelijk voor ondernemende lieden een beurtvaart tussen steden op te zetten welke tot verschillende staatkundige entiteiten behoorden. Maar goed, de stedelijke overheden keken gelukkig ver over hun ‘gemeentegrenzen’ heen en zetten een redelijk goed lopende vaarroute op waarvan zowel de handel als de burger veel profijt van had. Een beurtschip zoals gezien door G. Groenewegen rond het jaar 1800 Mijn eigen voorgeslacht woonde tot voor ongeveer 100 jaar geleden of in een stad aan de Maas of op loopafstand er vandaan en heeft vanuit Grave, Venlo, Roermond, Susteren en Schiedam zeker gebruik gemaakt van vervoer over de Maas. Wanneer de hierna beschreven vaarroute voor het eerst in gebruik is genomen is niet duidelijk, maar zeker is dat als er tijdens de jaren 1650 – 1651 in het navolgende sprake is van een ligplaats voor schepen uit Grave ‘naar ouder gewoonte’ of ‘sinds mensenheugenis’, dan mogen we aannemen dat dat al zeker sinds het midden van de 16e eeuw het geval was. In het artikel treden de volgende personen en instanties op: Fragment van een kaart van Balthasar Florisz van Berckerode uit 1625. De pijl wijst naar Brouwerij De Os, waar tegenover sinds mensenheugenis de aanlegplaats was voor de schepen uit Grave 16 • de stadsbesturen van Grave, Venlo en Amsterdam. • de beurtschippers m.n. Jan de Boom, burger van Venlo. gemmagazine 2020 We steken van wal: Schipper Jan de Boom, heeft vergunning van de Magistraat van Grave gekregen om - met uitsluiting van anderen - een beurtschip van Grave op Venlo te exploiteren, mits hij ook in Venlo een vergunning heeft verkregen. Dus vraagt hij die ontbrekende vergunning aan. ‘Verthoont seer oetmoedelijck Jan de Boom, hoe dat hij Suppliant, als Mercktschipper van Grave op Venlo versekeringhe ende toesegginge is hebbende van de Magistraet aldaer, edoch onder conditie dat deselve Magistraet eerst ende voor al gerne zouden sien acte van authorisatie van de Eersamen Magistraet deser Stadt Venlo voorsz., waerbij aende voornoemde Suppliant, ende nyemandt anders, soude gepermitteert [sijn] mit zijn schip als Mercktschipper van daer op de Stadt Grave te moegen vaeren’. De (Graafse) vergunning kent de volgende (hoofd)voorwaarden: • elke week op dinsdag rond de middag vertrekt het schip van Venlo naar Grave, • vrijdag op de zelfde tijd vindt de afvaart vanuit Grave naar Venlo plaats Deze vaste vertrekuren zijn een groot voordeel voor alle passanten maar vooral voor de handel van Venlo, omdat de handelswaar in Grave zal worden opgewacht en door andere marktschippers van daar naar Amsterdam en vice versa van Amsterdam naar Grave kan worden getransporteerd. Daarom dient Jan bij de Magistraat van Venlo het verzoek in hem de gevraagde vergunning te verlenen. Op 26 augustus 1650 krijgt hij die. ‘Opt vertooch van wegen Jan de Boom, borger deser Stadt aengaende den Merctschip tot den Stadt Grave, bij Requeste gedaen, wordt bij Burgemeesteren ende Schepenen ende Raedt verclaert dat 't zelve Merctschip bij hem bij provisie ende forme van proeve also sal mogen gevaeren worden’. 17 Drie van onze schippers hebben op zich genomen om het marktschip uit Venlo op te wachten en gereed te liggen en om de beurt iedere week op donderdag morgen naar Amsterdam te varen met alle passanten, goederen en bestellingen, terwijl er een schip tegen aankomende woensdag (zoals Jan de Boom verzekerd heeft dat hij dan voor de eerste keer zal afkomen) gereed zal liggen, om op donderdag alle lading en bestellingen over te nemen en daarmee naar Amsterdam te varen. Wij zullen niet nalaten deze gang van zaken overal bekend te maken, en zo bij te dragen aan de goede nabuurschap en de handel op de Maas. Wij bevelen u hiermede in Gods bescherming aan, verblijvende, w.g. A.Scheers Grave 27 oktober 1650 Opnieuw een brief naar Venlo Geachte magistraat van Venlo Nadat ons de Acte is getoond, waarbij u aan Jan de Boom, schipper, en burger van Venlo, voorlopig vergunning is verleend om het marktschip van Venlo op Grave te exploiteren, hebben we met hem afgesproken, dat hij iedere week op dinsdag uit Venlo vertrekt zodat hij op woensdag omtrent het middaguur in Grave aankomt om daarna op donderdagmorgen weer van hier stroomopwaarts te varen,
Page 18
gemmagazine 2020 Uit het ‘Memorandum betreffende de op te maken afspraken betreffende het instellen en behouden van de beurtvaart tussen Amsterdam en Grave’, (zie verder in het artikel) blijkt dus dat er inderdaad al met het bestuur van Amsterdam afspraken waren gemaakt. Na verloop van tijd komen er in Grave echter klachten van de beurtschippers van Amsterdam, kooplieden en gewone passagiers bij de autoriteiten binnen. Ondanks de afspraken loopt niet alles even soepel. Of dat alleen aan Jan ligt is de vraag. In ieder geval, de Magistraat van Grave stuurt op 16 maart Het voordeel daarvan is dat er hier voortaan zonder hapering een beurtschip aanwezig is om de koopwaar, die van beneden komt, in te laden. Wij zenden u ook een lijst met de voorgestelde vrachtprijzen zoals deze tussen Venlo en Grave momenteel gehanteerd worden. Wij 1651 aan de collega's in Venlo een rappel voor de al op 25 januari gezonden brief: Wij wachten nog op uw antwoord op onze eerdere brief van 25 januari j.l. betreffende Johan de Boom in verband met het feit dat hij de gemaakte afspraken slecht nakomt. Onze beurtschippers, maar ook die van Amsterdam, om niet te spreken van onze benadeelde burgers, dienden hierover klachten in. In het algemeen vindt men het hier daarom noodzakelijk, teneinde verder nadeel voor de handel te voorkomen, om naast Jan de Boom een tweede beurtschipper aan te stellen. hopen op uw accordering waarna we tot wederzijdse publicatie kunnen overgaan. Tevens sturen we u bijgaand twaalf exemplaren van deze lijst zoals die tussen Amsterdam en Grave zoals deze door de Magistraat van Amsterdam – ‘de welcke eenen grooten ijver tot dit werck bethoonen’ - is opgesteld en alvast gedrukt en bekend gemaakt. Lijst van de vrachttarieven tussen de steden Venlo en Grave zoals deze voorlopig door de magistraten zijn opgesteld gl. een mud koren een mud terwe een mud haver haring, labberdaan, schelvis,de last bokkum de last een last teer een last wijas een last zeep raap olie de aam lijnzaat olie de aam een ton traan een pijp boom oly het quartier naar advenant een oxhoofd brandewijn een pijp Spaance wijn een oxhoofd Franse wijn een oxhoofd wijnazijn een aam bierazijn overzees bier de aam 1000 lb kaas 1000 lb kanters gezouten huiden het stuk droge indiaanse huiden t’stuk schevink droog huiden t’stuk kalfs huiden de 100 lb een ton gepelde gerst 1 18 19 18 25 18 3 3 2 12 10 12 5 4 1 2 8 6 15 10 10 9 8 4 5 18 18 1 st. 10 15 6 15 6 16 15 22 16 2 2 1 10 8 9 4 2 1 5 4 15 15 10 10 7 7 3 10 penn. Nieuwe gecorrigeerde Lijst gl. st. 12 penn. 10 8 8 16 gemmagazine 2020 een baal krap of mee van 1000 lb 100 lb anijs 100 lb stijfsel een kwarteel pruimen 100 lb katoen 1000 lb Spaanse wol 1000 lb Oosterse wol 100 lb suiker 100 lb peper een kist Frans glas 100 lb gember een korf rozijnen ruw koper het vat ketel vat 1000 lb stokvis 1000 lb lood 100 lb indigo 100 zakken zout een stuk Engels laken dozijntjes het stuk 100 deelen 100 lb provintie of Brazil hout 100 lb veren 100 lb galnoten vlas de steen een vat malerij een vat aluin een stuk lijnwaat een vat nagels een ijzeren pannen mand 1000 lb ijzeren roeden of staven 1000 lb hop 100 lb staal 1000 lb ijzeren potten koperrood het vat 1000 stuk klaphout een vat potlood 100 lb potas een mud of ton lijnzaad een mud rubzaad een riem wit papier 100 lb vijgen 100 lb wijnsteen 100 stuk kalfs vellen Waarde vrienden, Allereerst willen wij u bedanken voor de in deze kwestie genomen moeite en de juiste behandeling ervan waar wij in mee kunnen gaan ter bevordering van handel en koopvaart. Toch vinden wij dat er niet overhaast te werk gegaan moet worden om de belangen van schipper Jan de Boom niet te schaden. Vooral ook omdat we nog maar zo kort op deze 19 7 1 2 6 3 15 15 2 3 2 2 5 4 10 5 3 60 4 1 6 4 1 4 4 12 4 4 2 10 2 3 4 5 4 1 2 2 3 15 5 10 4 4 1 1 1 1 4 10 5 5 5 10 manier bezig zijn. Ons inziens verdient hij het voordeel van de twijfel. Maar wel vinden wij dat Jan de Boom nog eens uitdrukkelijk op zijn plichten gewezen moet worden. Dit punt zullen we voor onze rekening nemen. (Zie hieronder het zogenaamde Memorandum van de gemaakte afspraken) We spreken af dat beide steden in het belang van de Maashandel hierover contact blijven onderhouden. 5 1 3 3 13 10 8 10 18 5 10 2 15 5 10 5 5 5 10 5 15 5 2 1 4 2 10 9 2 2 2 1 4 3 7 3 3 2 6 3 1 2 12 12 1 10 8 8 10 10 10 15 10 10 10 10 12 15
Page 20
gemmagazine 2020 Graag zien we dat u aan uw schipper last geeft dat hij geen goederen te Mook mag lossen om over Nijmegen te gaan, voor en al eer zij op hun respectievelijke beurtvaarten met name de steden Venlo en Grave, hebben gelost. De beurtschipper die bij ons wordt aangesteld zal ook daaraan gehouden zijn. Er zijn namelijk door de factors verschillende klachten ingediend, 't welk bij zodanige lossing te Mook in het verzenden van hun goederen zeer werden benadeeld. En omdat door diverse kooplieden wordt geoordeeld dat de scheepsvrachten tussen hier en Venlo veel te hoog zijn gesteld, waardoor de handel ten enenmale van hier verdwijnt en een andere route zou kunnen nemen, hetgeen tot groot nadeel van onze steden zou kunnen lijden. Wij hebben daarom door enige kooplui, factors en schippers, ook uit Venlo, de lijst met de vrachttarieven naar redelijkheid laten corrigeren. Wij hopen en vertrouwen erop dat u deze lijst kunt accepteren zodat wij tot publicatie ervan kunnen overgaan. Wij hopen en vertrouwen erop dat u deze lijst kunt accepteren zodat wij tot publicatie ervan kunnen overgaan. Venlo 18 juli 1651 (Beknopte en hertaalde weergave van de brief) Memorandum betreffende de afspraken betreffende het instellen en behouden van de beurtvaart tussen Venlo en Grave. • Er zullen 2 schepen varen te weten vanaf elke stad 1 schip, • Er moeten goede Maasschepen worden gebruikt die voldoende voorzien zijn van ankers, touwen, zeilen en andere scheepsbenodigdheden, opdat de goederen van de kooplieden droog en onder goede condities vervoerd kunnen worden, alles tot tevredenheid van het bestuur van beide steden, • De schepen van beide steden varen om beurten, met dien verstande dat een beurtschip van Venlo dat te Grave aankomt zal mogen laden en dat hetzelfde van toepassing is op het schip van Grave dat in Venlo aanlegt, • De schippers van beide steden varen voor hun eigen rekening en risico, 20 • Tussen Venlo en Grave zullen alleen de beurtschepen mogen varen, tenzij een koopman alleen een schip zou willen huren of bevrachten, dat is wel toegestaan, • De schepen zullen gehouden zijn op de afgesproken dag en tijd af te varen, of ze nu wel of niet geheel zijn volgeladen, • De schippers die op hun beurt varen, mogen geen goederen aannemen of laden voordat ze op hun beurt aan de kade liggen op straffe van een boete van 20 gulden, • De Beurtschipper die aan het laden is, zal gehouden zijn alle goederen die aan boord gebracht worden, zonder onderscheid te maken te laden, al was het ook dat hij van andere kooplieden al waren had aangenomen, zo dat altijd de koopwaar die het eerst aan boord gebracht wordt, ook het eerst geladen zal worden, • De schippers mogen geen goederen of koopwaar op de luiken of dekken van hun schip plaatsen, tenzij de koopman of factor daartoe toestemming geeft, • En opdat de kooplieden en burgers van beide steden mogen weten waar aan zij zich hebben te houden voor wat betreft het betalen van vrachten of goederen, zal het bestuur van beide steden de tarieven vaststellen en publiceren, • De vrachttarieven worden voorlopig vastgesteld en kunnen in de toekomst aangepast worden. Memorandum betreffende de op te maken afspraken betreffende het instellen en behouden van de beurtvaart tussen Amsterdam en Grave. • Er zullen 6 schepen varen te weten vanaf elke stad drie (3) schepen, • De gebruikte schepen zullen minimaal een laadvermogen van twaalf (12) lasten moeten hebben • De Beurtschipper van Amsterdam die in Grave met lading aankomt, kan nieuwe of extra lading innemen wanneer zijn voorganger vol geladen is of de acht ( 8) laaddagen voorbij zijn. • De schepen zullen gedurende 8 werkdagen lading innemen, en moeten daarna afvaren, al of niet volgeladen. De schippers mogen geen goederen meer laden nadat gemmagazine 2020 hun schip los van de kade of meerpaal is, op straffe van een boete van 25 gulden. • Mocht de beurtschipper binnen de genoemde 8 werkdagen volgeladen raken, dan moet hij onmiddellijk vertrekken, en zal er een ander beurtschip moeten aanleggen. • Schippers die op hun beurt varen mogen geen goederen aannemen of laden, voor dat ze op hun beurt liggen om lading in te nemen, op straffe van een boete van 20 gulden. • Een koopman of factor mag in beide steden een schip bevrachten voor een prijs die ze met de schipper overeenkomen, terwijl de schipper niet ook nog van andere kooplieden goederen daarnaast zal mogen laden, op straffe van een boete van 24 gulden. • De beurtschipper moet tijdens de laaddagen alle goederen die bij hem aan boord worden gebracht, zonder enig onderscheid laden, ook al had hij van andere kooplui al waren aangenomen, zo dat altijd de waren die het eerst aan boord gebracht worden, ook het eerst geladen zullen worden. • En omdat tot nu toe naar ouder gewoonte, de Graafse schippers hun ligplaatsen in Amsterdam gehad hebben op de Westzijde van de Singel bij de Korsjespoort Brug tegen over de Brouwerij de Os, zo bevelen wij aan dat hen dezelfde plaats blijvend wordt gegund. Amsterdam, … juni 1651 En aldus bij provisie vastgesteld op 24 juni 1651. Overeengekomen in aanwezigheid van Willem Backer, Cornelis de Graaf, Heer van Zuidpolsbroek, en Sr. Cornelis Boom, Burgemeesters, Mr. Simin van Hooren, Albert Paater, Bernard Schellingher, Dr. Frans Reaal, en Cornelis van Donckelaar, Schepenen van de kant van Amsterdam, Van Grave waren aanwezig de heren Thieleman van de Puts en Christoffel van Calsbeeck, Gerard Hulst, secretaris Geachte magistraat van Venlo Wij berichten u dat onze afgevaardigden uit Amsterdam zijn teruggekeerd en in ons college gerapporteerd hebben, dat zij met het bestuur van Amsterdam inzake de wekelijkse beurtvaaart van hier op Amsterdam, volkomen met de heren aldaar tot overeenstemming zijn gekomen. De belangrijkste afspraken zijn de volgende: • als van ouds mogen onze marktschepen alle soorten koopwaar aan de Westzijde van de Singel bij de Korstjespoortbrug tegen over Brouwerij de Os, (waar de schepen uit Grave al sinds mensenheugenis hun ligplaats hebben gehad), aanbrengen, • wekelijks zal er gelost en geladen mogen worden, • er wordt afgesproken dat iedere week op donderdagmorgen hier een schip gereed ligt om af te varen, • tot bevordering van de koophandel wordt aan Jan de Boom (of aan iemand anders die u geschikter acht) opdracht gegeven, om wekelijks op woensdag op tijd hier aanwezig te zijn en alle passagiers, koopwaar en bestellingen in onze marktschepen over te laden, • transport zal nu veel sneller kunnen plaatsvinden omdat alles op één bodem zonder verdere verschepingen naar Amsterdam gebracht zal worden, • de marktschippers zo veel beter concurreren met vervoer over de weg. Korsjespoort met brug. Met dank aan Beeldbank Amsterdam. 21 Wij zijn graag bereid met u over deze en andere kwesties mondeling te overleggen. Grave, 1 juli 1651 w.g. A.Scheers
Page 22
gemmagazine 2020 Het veer van de Utrechtse Schietschuyten, tekening door Reinier Nooms, ca. 1660, Rijksmusem RP-P-OB-6680 Hoe ging het enkele jaren later met de handel op de Maas? In de maand december 1665 dient Reijnier van Osch, marktschipper van Venlo een verzoek in tot kwijtschelding van de pachtpenningen die ten behoeve van het marktschip verschuldigd zijn. Zijn argumenten zijn ‘de desolate staet van de navigatie op de riviere vande Maes’ onder andere veroorzaakt door de ‘Engelschen ende Staetsen oorlogh (1652-1654) den coophandel van laeckens ende visch tot groot prejuditie [nadeel] van suppliant nu een tijdt lanck gesurceert [opgeschort] heeft; Ook het woeden van de pest in Holland, met name in Amsterdam en Nijmegen, ten gevolge waarvan het o.m. hem is verboden goederen of personen uit die streken te vervoeren. Verder strekken tot nadeel van suppliant de schermutselingen tussen de troepen van de Bisschop van Münster en de Staten van Holland in het oosten van de Republiek waardoor ook daar de handel wordt belemmerd omdat de schippers en kooplieden uit Holland nog niet zijn voorzien van een paspoort. En de vrees gevangen genomen te worden moet ook niet onderschat worden. Dezelfde Van Osch dient in januari 1669 opnieuw een rekest in waarin hij deze keer 22 om verlaging van de pachtsom vraagt. (een weenig magh recouvreren) . De handel is nog steeds niet terug op het oude peil en tot overmaat van ramp bezorgen de Kleefse beurtschippers hem in Mook veel hinder. De Magistraat van Venlo staat hem een verlaging van de pachtsom tot 100 rijksdaalders toe die echter wel prompt per kwartaal betaald moet worden. En in de achttiende eeuw? In de regelmatig verschijnende - almanak achtige - publicatie ‘Legplaatsen en reiswyzer van alle beurtschepen [..] die van de stad Amsterdam meest dagelyks afvaren op de volgende steden en plaatsen, uitgegeven door Cornelis Stichter en zijn Erven, lezen we het volgende over ons onderwerp: [ik citeer] Beurtveer van Amsterdam op Nimwegen Alle woensdagavonden van de Cingel by de Lutherse Nieuwe Kerk een schip: de Passagiers anders over Utrecht, en dan met de wagens, alsmede met de Arnhemsche Postwagen. De Postwagen op Nimwegen ryd in één dag over. gemmagazine 2020 Van de Graaf op Den Bosch: ’s morgens een kar; Op Nimwegen ’s morgens ten 7 uuren een kar. Van Nimwegen op de Graaf: ’s namiddags ten 2 uuren een kar, zomers vragt 8 stuivers, en des winters 12 stuivers. Van Amsterdam op Venlo: van April tot October om de veertien dagen een schip van de Gelderse Kaai bij de Waterpoortssteeg. Van Nimwegen op Venlo:Maandag en Donderdag een wagen, zomers van 1 Maart tot den 31 October, ’s morgens ten 6 uuren; van den 1 Nov. tot den 30 April ’s morgens ten 10 uuren.’ Algemene informatie over het oude personen- en goederenvervoer Schietschuiten De hier getekende ‘schietschuiten’ waren bedoeld voor het goederenvervoer naar Utrecht, maar ook personen konden gebruikmaken van de snelle schepen. Vanaf verschillende locaties in de stad vertrokken veerdiensten naar binnen- en buitenlandse bestemmingen. Amsterdam was hiermee het voornaamste knooppunt in een netwerk van beurtschepen. De aanlegplaats van de Utrechtse schietschuiten lag in de 17de en 18de eeuw op het Singel, achter brouwerij De Zwaan. Schietschuiten waren snelle vrachtschepen die dankzij hun geringe diepgang ver landinwaarts konden komen. Het meeste personenvervoer naar Utrecht ging per trekschuit. In deze periode vertrokken driemaal daags trekschuiten vanaf de Utrechtse veer op de Achtergracht. Straatnamen De Utrechtse en andere veerdiensten lagen langs belangrijke verkeersaders, zoals het Damrak, het Rokin en het Singel. In oude straatnamen zijn sommige bestemmingen terug te vinden: de Texelse kaai en de Kam23 Prijs € 17 (incl. verzendkosten) per steiger aan de IJ-kant en het Muiderveer en ’s-Gravelandseveer aan de Binnen-Amstel. Marktverkeer Het marktverkeer gebruikte dezelfde vaarroutes als de veerdiensten. Zo arriveerden op het Damrak behalve de beurtschepen op steden als Haarlem en Groningen ook alle vissersschepen op weg naar de vis- of zuivelmarkt. In het Rokin lagen onder meer de beurtschepen op Arnhem, Leiden, Den Haag en Rotterdam. Daartegenover de turfschepen voor de Turfmarkt en de schuitjes voor de Boerenvismarkt in de Nes. Bronnen • Archief Stad Venlo, toegang nr. 1, inventaris nr. 1426, port. 350 • Varia Archief Grave (stukken tussen de nrs 149 en 156 • Wikipedia • Beeldbank Amsterdam◉ • • advertentie Jaargangen 1993 t/m 2009 Jaargangen 2010 t/m 2016
Page 24
Een nog oudere weergave van de Korsjespoort in Amsterdam. Met dank aan de Beeldbank van Amsterdam. 24 gemmagazine 2020 Melgert van Oostvoorn, een schippersknecht in het leger van Napoleon en Willem I Deel2: Voor koning Willem I naar Waterloo in 1815 Frits van Oostvoorn Inleiding Aan het eind van Duitse Campagne van Napoleon in Saksen leed Napoleon een beslissende nederlaag tegen de geallieerde legers van Pruisen, Russen en Oostenrijkers bij Leipzig op 18 oktober. Na zijn terugtocht richting Frankrijk en de verovering van Parijs door de geallieerden deed de keizer op 6 april 1814 afstand (l’abdication) van de Franse troon. In het eerste deel van het artikel bleek dat van de 192 Zuid-Hollandse dienstplichtigen in het 72e Regiment de Ligne die deelnamen aan de Duitse campagne, alleen Albertus Dierkx uit Rotterdam terugkeerde in Parijs. Hier in het tweede deel geef ik aan wie van de in Duitsland achtergebleven dienstplichtigen uit de kantons Sommelsdijk en Goeree mogelijk zijn teruggekeerd in Nederland. En wat zij deden in de jaren na hun terugkeer. Wat gebeurde er in Duitsland met de achterblijvers van het 72e RIL uit Goeree en Sommelsdijk Van de zeven dienstplichtigen in het 72e RIL afkomstig uit de kantons Goeree en Sommelsdijk in Zuid-Holland, overleed onderweg Jacob Goemaat op 26 september 1813 in Brussel (stamboek: Mort à l’hospital militaire Sedant à Bruxelles 27 septembre 1813 par suite d’hydropicie). Willem van den Dorpen uit Dirksland belandde 1 Zie dagboek van P Esveld, pag. 6 e.v. 25 op 5 september in het hospitaal van Freiburg in het Ertsgebergte. Van de overige vijf jongemannen werden volgens hun stamboeken twee, Arie Struik uit Dirksland en Pieter Abrahamse uit Stadt, gevangen genomen tijdens de veldslag bij Kulm op 29 en 30 augustus. Zij werden waarschijnlijk net als Pieter Esveld afgevoerd naar een hospitaal in Praag. Voor 1 hen was de nachtmerrie van de marsen en veldslagen voorbij, maar door de grote ontberingen daarna, zoals te weinig eten en besmettelijke ziekten, stierven alsnog velen in de hospitalen in Praag en omgeving tijdens gevangenschap. Sommige krijgsgevangenen zoals Pieter Esveld herstelden na een paar maanden en namen dienst in een van de geallieerde legers en belandden vervolgens na lange omzwervingen met het Oostenrijkse leger via Oostenrijk, Italië en Duisland te voet weer terug in Nederland. De mannen die tijdens de geforceerde mars naar het slagveld bij Dresden volgens de stamboeken op 25, 26 en 27 augustus in het hospitaal belandden, zoals Melgert van Oostvoorne, Cornelis van Kooten en Jan Ripmeester, werden in lazaretten rond en niet in de stad opgenomen. De Fransen zelf hadden daar in die dagen al rond de 6.500 gewonde en zieke militairen te verzorgen. Velen overleden in de hospitalen aan hun verwondingen door gangreen en besmettelijke ziekten, zoals
Page 26
gemmagazine 2020 dysenterie en vlektyfus. Eén van de hospitalen was gevestigd in het Winterbergschen Haus. Een Franse arts beschrijft de erbarmelijke toestanden daar als volgt: Elke morgen werden de naakte lijken van de in die nacht overleden soldaten uit de ramen op straat geworpen, waarna ze in ladderwagens werden geladen alsof het een partij brandhout was. Veel gewonde en zieke soldaten vermeden daarom een verblijf in de hospitalen en kozen er voor te sterven in het portiek of op de trap van een huis in stad of dorp in de omgeving. 1 als krijgsgevangenen afgevoerd naar Praag in Bohemen . Kort na de verloren 2 slag bij Leipzig van 18 oktober werd echter ook de vestingstad Torgau door een Pruisisch leger o.l.v. Generaal Von Blücher (hier links afgebeeld) ingesloten. Het Franse garnizoen bestond op dat moment uit ca. 27.000 man, waaronder meer dan 11.000 zieken en gewonden. Op 26 december 1813 capituleerde de Franse bePlattegrond van de vestingstad Torgau aan de Elbe 1813 De Franse legerleiding vatte vervolgens het plan op om de duizenden gewonden en zieken uit de omgeving van Dresden zoveel mogelijk via de Elbe naar de vestingstad Torgau, verder stroomafwaarts, te brengen. Daar bevond zich een voor die tijd groot en goed ingericht hospitaal. Vervolgens werd Dresden door de geallieerden ingesloten. Na een belegering van een maand gaf de stad Dresden zich op 12 november 1813 over aan de geallieerden en werd het totale Franse garnizoen velhebber van Torgau, maar de Pruisen durfden pas op 10 januari 1814 de stad binnen te trekken vanwege het grote besmettingsgevaar. Op die datum verlieten nog maar ongeveer 4.000 van de 27.000 mannen van het Franse garnizoen waaronder een groot aantal zieke en gewonde dienstplichtigen te voet de stad op weg naar hun gevangenschap in Breslau (Silezië), het hoofdkwartier van de Pruissen. De rest van het Franse garnizoen was omgekomen door beschietingen en besmettelijke ziekten. Vermoedelijk bevonden Melgert, Jan en Cornelis indien nog in leven zich ook bij deze afgevoerde gevangenen uit Torgau, want na zijn terugkeer in Nederland gaf Melgert aan in Breslau te zijn geweest. 3 4 Er zijn echter nog andere mogelijkheden waarom Melgert in Breslau terecht is gekomen. Hij kan zelf al eerder uit het hospitaal in de buurt van Dresden 1 Stefan Winkle, Das Seuchengeschehen der Napoleonischen Feldzüge. Blz. 340/345 2 Jan Huijbrechts, Sappeur van Napoleon. (Internet). Sappeur Franciscus van Inthoud uit Mechelen ingedeeld bij het 4e Bataljon d’Ouvriers du Genie werd bij de val van Dresden als krijgsgevangene afgevoerd en opgesloten in de Joodse wijk van Praag. 3 Later blijkt uit het stamboek van Melgert van Oostvoorn, die in 1815 dienst neemt in het Nederlandse leger, dat hij in Breslau is geweest. 4 Pogingen om informatie over de verblijfplaats van Melgert, Jan en Cornelis in Saksen te verkrijgen in de Staatsarchieven in Belijn, Dresden en Leipzig bleken niet mogelijk. 26 gemmagazine 2020 zijn vertrokken, voordat de zieken werden afgevoerd naar Dresden en later Torgau. Grenadier Haremakers van het 5e Garde Regiment beschrijft deze situatie uitvoerig in zijn dagboek . Hij werd 1 ook op 27 augustus naar een hospitaal in de buurt van Dresden gebracht en verliet zelf op 2 september het hospitaal met een paar dienstkameraden om zich aan te sluiten bij zijn Franse grenadierscompagnie die volgens geruchten naar het oosten, richting Görlitz, zou marcheren. Er deden in deze periode vele geruchten de ronden over de posities van de strijdende partijen en men wist ook zelf vaak niet waar men zich precies bevond. Na een aantal dagen besloten zij te deserteren en liepen verder naar het oosten en kwamen achter de linies van de Pruissen terecht. Midden september werd hij gearresteerd door dorpelingen en afgevoerd naar Breslau. Begin december 1813 werden hij en de andere Hollanders vrijgelaten in Breslau omdat Willem I in Holland op 2 december de macht van de Fransen had overgenomen in de Nederlanden. Daarna nam hij dienst in een van de in der haast opgerichte drie Orange bataljons en bereikte zo in de loop van maart 1814 Nederland. In Utrecht aangekomen deserteerde hij en vertrok te voet naar zijn woonplaats Zaandijk. Wie uit Sommelsdijk en Goeree kwamen terug? In de loop van de zomer van 1814 ontvingen de burgemeesters van dorpen en steden in Nederland lijsten met daarop vele gesneuvelde en vermiste militairen in Franse dienst. Een lijst opgeteld door de Franse legerleiding op basis van de stamboeken van de legeronderdelen. Na het lezen van de lange lijsten met de gesneuvelde en vermiste jongemannen drong pas goed de verschrikking van deze bloedige oorlogen onder Napoleon tot de achterblijvers door. De meeste zonen en echtgenoten zouden niet meer terugkeren en op de vermisten werd angstig maar veelal tevergeefs gewacht. Wellicht hing daarmee het overlijden van de moeder van Melgert, Cornelia Vermeulen, op 28 juli 1814 in Middelharnis samen. Mijn naspeuringen in de Burgerlijke Stand (BS) vanaf 1813 tot twee decennia daarna betreffende de zes dienstplichtigen afkomstig uit de kantons Sommelsdijk en Goeree leverde weinig op . Wel 2 vond ik terug een jongere broer van Jan Ripmeester , Cornelis. Hij huwde 15 februari 1814 in Fijnaard/Heijningen met Sara Binon. Hun eerste kind Dingeman werd begin 1815 in Den Bommel geboren. Daarna werd in Fijnaard Heijningen in 1826 een tweede zoon Johan geboren, vernoemd naar de vermoedelijk in Saksen overleden oom Johan (Jan) Ripmeester. Met uitzondering van Melgert van Oostvoorn keerde vermoedelijk niemand van de zes dienstplichtigen terug in Nederland. Napoleon ontsnapt van Elba Eind februari 1815 ontsnapte Napoleon onverwacht van Elba waar hij gevangen werd gehouden en keerde terug in Frankrijk. Onderweg naar Parijs werd hij enthousiast toegejuicht en in een hoog tempo formeerde hij een nieuwe Grande Armee. De aanhang in Frankrijk voor de charismatische Napoleon bleek nog zeer 1 P Haremakers Jsz, Mijn lotgevallen in Fransche dienst Gedurende de jaren 1813-14, Zaandijk 1852, pag. 120-130. 2 Bronnen: Wiewaswie en Genlias van het CBG 27
Page 28
gemmagazine 2020 groot en de pas geïnstalleerde Franse koning vluchtte weg uit Parijs. Terwijl de grote landen al vele maanden vergaderden in Wenen over hoe Europa er na de overgave van Napoleon en Frankrijk uit moest zien greep Willem I (hier links afgebeeld) zijn kans en riep zich zelf op 17 maart uit tot koning van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden. Vervolgens deed hij op 26 maart en 1 april een dringende oproep aan alle jongemannen om dienst te nemen in de Nationale Nederlandse Militie (NNM), ter verdediging van het Vaderland tegen Napoleon en zijn Franse legers. Er ontstond een sfeer van “vaderlands liefde” in Nederland en vele jonge mannen, vaak werkloos, meldden zich aan om tegen Napoleon te vechten. De grote economische malaise en het gebrek aan werk in 1814 leidde er toe dat vele teruggekeerde militairen, voorheen in dienst van Napoleon, zich opnieuw aanmeldden voor het leger van Willem I. Melgert van Oostvoorn meldde zich samen met een 12 jaar oudere vroegere dorpsgenoot uit Middelharnis Roelof Monté op 8 april aan bij de NNM in Den Haag. Uit de twee stamboeken blijkt dat beiden uit Amsterdam kwamen. Vermoedelijk was Melgert na zijn terugkomst uit Duitsland naar Amsterdam vertrokken en niet naar Middelharnis . 1 Hij kreeg een dienstcontract voor 6 jaar (dus tot 8 april 1821) tegen een handgeld van 10 gulden, waarvan 5 gulden direct bij aanvang aan hem werden uitbetaald. Dorpsgenoot Roelof was geboren 22 juli 1780 in Middelharnis en de zoon van Hendrik Monté, bakker in Middelharnis. Uit hun stamboeken blijkt verder 2 dat Roelof geen militaire ervaring had en Melgert wel. Hij had gediend in het 72e Regiment en was in 1813 bij Breslau geweest. Uit een andere aantekening in het stamboek “in 1815 in Frankrijk” blijkt verder dat beiden na inschrijving hebben deelgenomen aan de slag bij Waterloo in juni 1815. Op de aantekening in de laatste kolom van het stamboek van Melgert kom ik aan het eind van het artikel terug. Beiden werden ingedeeld bij het Bataljon Artillerie-Trein no 1, de oudere Roelof als korporaal en Melgert als soldaat en zij ontvingen in Breda een spoedopleiding tot veldartillerist. Hoe was het mogelijk dat jonge mannen zich twee jaar na hun verschrikkelijke ervaringen in Duitsland zich opnieuw aanmeldden voor het leger? Vermoedelijk was het een mengsel van vaderlandsliefde, haat tegen Napoleon en de alom heersende grote werkeloosheid. Zij waren echter in het nieuwe leger van Willem I met hun oorlogservaring zeer welkom. De slag bij Waterloo 16-18 juni 1815 Napoleon en zijn belangrijkste generaal Ney verzamelden hun troepen bij Parijs en vormden een nieuw groot leger met daarin veel veteranen, ook Hollanders en Vlamingen, uit de vroegere legers van Napoleon. Zijn leger rukte snel op naar Brussel, om de geallieerde legers voor te 1 Stamboek Melgert van Oostvoorn NNM, archief NA toegang 2.13.09 inv no 575 st 3 t/m 2566. Bataljon Artillerietrein no.1 in legeronderdeel Artillerie. 2 Liste Civique van 8 juli 1811, SGO, GAMi, 583. 28 gemmagazine 2020 zijn bij het veroveren van deze strategisch gelegen stad. Het geallieerde leger bes tond voornamelijk uit Engelse, Nederlandse en Oostenrijkse troepen De hertog van Wellington te samen onder bevel van generaal Wellington. Napoleon vertrekt 12 juni uit Parijs en rukte snel op en 14 juni bereikte hij de Belgische grens en trok bij Charlois de grens over. Op 16 juni treffen de Franse troepen onder maarschalk Ney voor het eerst het Brits-Nederlandse leger bij het wegenkruispunt Quatre Bras. Het verhaal gaat, dat hier de opmars van Napoleon naar Brussel zodanig werd vertraagd door heldhaftig optreden van Prins Willem van Oranje, de latere koning Willem II, dat Wellington bij zijn verder terugtrekken in de richting Brussel voldoende tijd kreeg om zijn leger zo gunstig mogelijk op te stellen ten zuiden van Waterloo . Hij posteerde zijn troe 1 - pen achter een heuvelrug, uit het zicht van de Franse vijand en de Brits-Nederlandse veldartillerie, waarbij ook Melgert zich bevond (zie afbeelding hieronder) op de heuvelrug. Op 18 juni in de morgen begon op een betrekkelijk klein modderig (het stortregende al dagen) slagveld, circa 4 kilometer breed en circa 3 kilometer diep, een zeer bloedige veldslag. Napoleon had minder manoeuvreer ruimte dan gewoonlijk en de strijd golfde op en neer. Het moet een verschrikkelijk schouwspel van elkaar tot de dood bevechtende legers zijn geweest. Pas nadat in de loop van de middag de Pruisische legers vanOpstelling beide legers bij Waterloo. 1 Historisch Nieuwsblad, februari 2011, pag. 41 e.v. 29
Page 30
gemmagazine 2020 uit het oosten het strijdtoneel betraden werd de slag in de avond door Napoleon beëindigd en vluchtten de Fransen richting Parijs. Aan het eind van de dag resteerde een modderpoel met zeer veel doden en zwaar gewonde militairen. Er sneuvelden ongeveer 25.000 Franse en 22.000 geallieerde militairen…… Na de Slag bij Waterloo keerde het artillerie bataljon van de NNM terug naar het garnizoen in Breda. Melgert deed daar kennelijk zijn best want op 6 april 1816 (stamboek kolom 8) werd hij bevorderd tot korporaal. Toch deserteerde hij 4 maanden later op 6 augustus 1816, dus midden in de zomer, uit Breda, zie de laatste kolom in het stamboek van Melgert van Oostvoorn. De redenen daarvoor weet ik niet maar het zou kunnen zijn dat het militaire leven in de kazerne hem gezien zijn vroegere “vrije leven als schippersknecht op zee” te zeer benauwde. De meeste dienstplichtigen die in Breda deserteerden werden later weer opgepakt. De straffen uitgesproken door de krijgsraad voor desertie waren niet mals: geseling, jaren opsluiting of dwangarbeid . Men moest dus na zijn 1 desertie met alle macht trachten uit handen van het wettig gezag te blijven. Waterloo,gratificatie uitkering voor Melgert Door hun deelname aan de slag bij Waterloo hadden de overlevende Melgert en Roelof in 1817 recht op een uitkering volgens de zogenaamde Waterloo Gratificaties. Afhankelijk van de militaire rang ontving men een bepaald bedrag aan geld. Hogere rangen ontvingen meer dan de lagere rangen. Na raadplegen van de lijsten met uitkeringen blijkt dat Melgert als soldaat op een bedrag van 61,60 Francs ofwel 29,10 gulden recht had. 2 Melgert heeft dit geld echter nooit opgehaald in Den Haag. Begrijpelijk want na zijn desertie in augustus 1816 deed hij er alles aan om uit handen van de autoriteiten te blijven. Zijn kameraad Roelof haalde zijn uitkering wel op. Epiloog We vermoeden dat van de 192 dienstplichtigen uit Zuid-Holland die met het 72e RIL voor Napoleon in 1813 op campagne gingen naar Duitsland er maar weinigen dit hebben overleefd. Vermoedelijk keerden ongeveer tussen de 5 en 10 procent van de ingelijfde dienstplichtigen teug in Nederland. Van de zeven uit de kantons Goeree en Sommelsdijk afkomstige dienstplichtigen kwam er vermoedelijk maar één terug, mijn betovergrootvader Melgert van Oostvoorn. In Nederland aangekomen gingen de meeste dienstplichtigen terug naar hun geboortedorp, maar anderen zochten werk elders in het land en “ontvluchtte de vertrouwde omgeving”. Zo woonde Melgert begin 1815 in Amsterdam. Opvallend is verder dat een flink aantal Nederlandse militairen uit de legers van Napoleon later opnieuw dienst nam in het Nederlandse leger. Dit ondanks de grote verschrikkingen die zij eerder hadden meegemaakt. 1 BIHC krijgsraadvonnissen Breda, toegang 20, inv no 33 t/m 40. 2 Waterloo gratificaties 1815: NL-SAA-28722510, SAA toegang 355 en inv.no. 714 Artillerie. 30 gemmagazine 2020 Het is bijzonder dat een schippersknecht zowel de veldtocht naar Duitsland met Napoleon in 1813 en de slag bij Waterloo in 1815 heeft overleefd. Tenslotte deserteerde hij in 1816 uit het Nederlandse leger. Dit ondanks de hoge straffen die daarop stonden. Waar ging hij naar toe en hoe hield hij daarna het hoofd boven water? Daarover vertel ik graag in een volgend artikel. Dankwoord Graag dank ik Jan de Ruiter en Bas Lems voor hun aanwijzingen bij het doen van onderzoek voor dit artikel en Dik Esveld voor het mogen citeren uit het dagboek van Pieter Esveld.◉ WAPENREGISTER Hier volgen de wapens die de afgelopen drie maanden bij het Heraldisch Bureau Nagtegaal zijn geregistreerd. Het registratie gebied omvat de Benelux. Zie voor uitgebreide informatie over ontwerpen en registratie http://nagtegaal.org/ PIETERSON Wapen: in blauw twee schuingekruiste gouden musketten, zilver belagen, vergezeld beneden van een dubbelstaartige gouden leeuw, rood getongd en genageld. Helmteken: een uitkomende aanziende militair, van natuurlijke kleur, met grijs hemd, blauwe uniformjas met gouden tressen, witte ceintuur met gouden gesp, rode kraag en rode manchetten met gouden tressen, zwarte steek met gouden rand, een zilveren sabel met gouden gevest in zijn opgeheven rechterhand schuinlinks houdend. Dekkleden: blauw, gevoerd van goud. Dit wapen is in 2019 ontworpen door H.K. Nagtegaal. Geregistreerd op verzoek van de heer B. Pieterson, wonend te Oostvoorne, zoon van Jan Pieterson en Christina Frederika Johanna van Rennes, voor Gerrit Jan Peters (Pitersen, Pieterson) ged. Doetinchem 24 december 1741, overl. na 1781 en zijn naamdragende nakomelingen. De aanvrager stamt via een vrouwelijke overgang van Derk Peter Janse, geb. Doetinchem ca. 1680, overl. vóór 12 november 1749. Hij huwde Bredevoort Pinstermaandag 1708 met Janna Jans Coenen, ged. Bredevoort 4 januari 1691. Delft, 7 oktober 2019. SMIT Wapen: in blauw een verkorte zilveren gekanteelde brug met drie bogen en drie gekanteelde hangtorentjes en in een gouden schildhoofd drie schuine zwarte klophamers. Helmteken: drie struisveren, waaiersgewijs geplaatst, twee van blauw 31
Page 32
gemmagazine 2020 en één van goud. Dekkleden: blauw, gevoerd van zilver. Dit wapen is in 2010 ontworpen door H.K. Nagtegaal. Geregistreerd op verzoek van mevrouw J.L. Smit, wonend te Zandvoort, dochter van Abraham Smit en Louisa Bel, voor de stamvader en zijn naamdragende nakomelingen. De aanvraagster stamt af van Jacob Smit (Schmidt), geb. in het graafschap Nassau-Usingen (D) ca. 1750, meester schoenmaker, overl. Kruiningen 13 mei 1802. Hij huwde Kruiningen 2 oktober 1778 met Francina Goossen, geb. Oudelande 18 juli 1758, overl. Kruiningen 10 augustus 1783. Delft, 4 november 2019. SMEERDIJK Wapen: in zilver een ijsvogel op een verkorte tak, alles van natuurlijke kleur en in een golvend groen schildhoofd een springend zilveren konijn met omgewende kop. Helmteken: een aanziende hertenkop van natuurlijke kleur. Dekkleden: groen, gevoerd van zilver. Dit wapen is in 2019 ontworpen door H.K. Nagtegaal. Geregistreerd op verzoek van de heer bc. E.N. Smeerdijk, wonend te Bodegraven, zoon van Albert-Jan Smeerdijk en Jeanette Zaaijer, voor de aanvrager en zijn naamdragende nakomelingen. Delft, 15 november 2019. VAN DER WEERD Wapen: in groen twee schuingekruiste afgewende zilveren zeisen met gouden greep, vergezeld boven van een zilveren roos, goud gepunt en geknopt, en beneden van een gouden korenschoof. Helmteken: een zilveren vlucht. Dekkleden: groen, gevoerd van goud. Spreuk: ORA, LEGE ET LABORA Dit wapen is in 2019 ontworpen door H.K. Nagtegaal. Geregistreerd op verzoek van de heer Ir. H. van der Weerd MBA SPEE, wonend te Delft, zoon van Ing. Hendrik van der Weerd en Francina Waanders voor de stamvader en zijn naamdragende nakomelingen. De aanvrager stamt af van Jan Aertsen van der Weert, ged. Kampen 24 augustus 1631, pachtboer, overl. Kampen 18 januari 1715. Hij huwde Kampen 24 mei 1665 met Geertruijd Louws (van ’t Eylandt), overl. Kampen 18 juli 1714. Delft, 18 november 2019. EVENGROEN Wapen: in groen een adelaar vergezeld van drie wassenaars, naast elkaar, alles van zilver. Helmteken: zeven gouden korenaren, waaiersgewijs geplaatst. Dekkleden: groen, gevoerd van zilver. Dit wapen is in 2019 ontworpen door H.K. Nagtegaal. 32 gemmagazine 2020 Geregistreerd op verzoek van de heer A. Evengroen, wonend te Gouda, zoon van Leonardus Evengroen en Ottolina Helena van Weelden, voor Andries Dircksz. Evegroen, gezworene van Berkenwoude en de Achterbroek 1599, wonend in de Achterbroek, overl. na 10 februari 1640. De aanvrager stamt af van Pauwel Cornelisz., wonend te Stolwijk, leenman van Bergambacht, beleend 1512, overl. vóór 1550. Delft, 30 november 2019. DEGGER Wapen: in groen goud omboord, een zilveren vlucht, vergezeld beneden van drie samengevlochten gouden ringen. Helmteken: twee groene buffelhoorns, beladen met twee gouden dwarsbalken. Dekkleden: groen, gevoerd van goud. Dit wapen is in 2019 ontworpen door B.S. Degger. Geregistreerd op verzoek van de heer B.S. D. Degger, wonend te Amsterdam, zoon van Henry Silverster Degger en Carla Cristina Willems, voor de vader van de aanvrager en zijn naamdragende nakomelingen. De aanvrager stamt af van Henry Silverster Degger, geb. Amsterdam 1 januari 1960, zoon van Cornelis Degger en Elisabeth Maria Th. Coster. Hij huwde Amstelveen 2 april 1993 Carla Cristina Willems. Dit huwelijk is na twee jaar ontbonden. Hij huwde 2e Amsterdam 9 augustus 1998 met Caroline Sophia Elisabeth de Graaff. Delft, 2 december 2019. MOLENSCHOT Wapen: in blauw twee gouden molenijzers, vergezeld beneden van een schuin geplaatste zilveren schoenmakershamer met gouden steel en een schuinlinks geplaatste zilveren priem met gouden greep. Helmteken: vijf gouden korenaren gestoken door de zilveren ring, waaiersgewijs geplaatst, gaande voor twee rode brouwerspanen, schuin en schuinlinks geplaatst. Dekkleden: blauw, gevoerd van goud. Dit wapen is in 2019 ontworpen door H.K. Nagtegaal. Geregistreerd op verzoek van de heer H.J.M. Molenschot, wonend te Dongen, zoon van Johannes Jacobus Molenschot en Theodora Dingemans, voor de aanvrager en zijn naamdragende nakomelingen. Delft, 2 december 2019. KOOISTRA Wapen: in blauw twee zilveren zwemmende eenden, goud gesnaveld, vergezeld beneden van vijf korenaren gestoken 33
Page 34
gemmagazine 2020 door een zilveren ring, waaiersgewijs geplaatst. Helmteken: een zilveren vlucht. Dekkleden: blauw, gevoerd van goud. Dit wapen is in 2019 ontworpen door H.K. Nagtegaal. Geregistreerd op verzoek van de heer H. Kooistra, wonend te Driebergen, zoon van Jacob Kooistra en kornelia Haarsma, voor Bartel Kornelis Kooistra, geb. Oudega 23 april 1769, overl. aldaar 16 maart 1853, zoon van Kornelis Bartels en Fokeltje Tijses. Hij huwde Oudega 14 oktober 1798 met Antje Pieters Annema. Delft, 12 december 2019. VAN ACKER Wapen: in zilver met rode zoom, twee aanziende raven met opgeheven vleugels en gewende kop, vergezeld beneden van een eg, alles zwart. Helmteken: een uitkomende vos, van natuurlijke kleur. Dekkleden: zwart, gevoerd van zilver. Dit wapen is in 2019 ontworpen door H.K. Nagtegaal. Geregistreerd op verzoek van de heer R.L. Van Acker, wonend te Lampernisse (B), zoon van Frank Van Acker en Katleen Bulcke, voor de stamvader en zijn naamdragende nakomelingen. De aanvrager stamt af van Jacobus Vanacker (Van Acker), overl. Rumbeke (B) 8 januari 1743. Hij huwde Rumbeke (Roeselare) 4 mei 1721 met Anna Clara Hoet, geb. Rumbeke 20 februari 1698, overl. Pervijze (B) 23 december 1767. Delft, 23 december 2019.◉ advertentie Jan van der Heyde en Jan van der Heyde de Jonge, Stads generale Brandmeesters tot Amsterdam, maken bekent, dat by haer (met Octroy van de geünieerde Provintien) te bekomen zijn de Brand-spuyten met Slangen, by hem geinventeert, met welcke men overvloet van Water, sonder eenige verdere hulp-middelen, kan om- en op-leyden, waer men wil; en die bequaem zijn, om alle Branden, hoe heevig en ongenaekbaer, sonder iets omver te halen, te bereycken, en gants vaerdig uyt te blussen, sonder dat felbrandentheyt der Stoffe, selfs van Teer, Traen, Herpuys, Riet, Olie en diergelijcke, of oock harde Vorst, de blussing eenigsints kan beletten of tegenstaen; 't welck d'ervarentheyt nu geruymen tijt, in openbare ongevallen van Brant binnen Amsterdam en elders, ten vollen reets bevestigt; en sulx tot so civile kosten, dat 'er veel meer meer aen d'oude Blus-gereetschappen (nu noch op veel Plaetsen in gebruyck zijnde) en haer onderhout, door kan werden uytgewonnen. En mede, dat by hen gemaekt werden kleynder soort van Slang-spuyten, bequaem, om by droogte Tuynen en Plantagien te besproeyen, en 't Fenijn uyt de Bomen weg te nemen, die dan ook tot bewaring van de bystaende Huysing, in ongeval van Brant, konnen dienen. De Figure van dese Spuyten, met bericht daer onder, zijn te bekomen t' Amsterdam by Nicolaus Visser en Jan Riewertsz. de Jonge, Stads Drucker, tot Rotterdam by Isaac Naeranus, en in 's Gravenhage by Johannes Tongerloo. De Proeven zijn, voor die 't belieft, te sien by de voorn. t’Amsterdam. [OHC dd 18 april 1686 34 gemmagazine 2020 OVERZICHT PUBLICATIES [126] H. KLUNDER Verklaring afkortingen tijdschriften e.d.: GN = Gens Nostra LTG = Limburgs Tijdschrift voor Genealogie NL = De Nederlandsche Leeuw OTGB = Oostgelders Tijdschrift voor Genealogie en Boerderijonderzoek OV = Ons Voorgeslacht VG = Veluwse Geslachten VS = Vlaamse Stam WF = Westfriese Families Afdelingsbladen van de Ned. Geneal. Ver.: 1130 = 11 en 30 (Friesland) Ams = Amstelland Bull = Bulletin (Achterhoek en Liemers) GS = Gooise Sporen GV = GeneVer (Zuid-Limburg) LCR = Land vaan Cuijk en Ravenstein Thr = Threant (Drenthe en NW-Overijssel) TK = De Twee Kwartieren (Kempen- en Peelland) Mw. G. Mijnbeek: FamilyTreeDNA. [Vrouwelijke afstammingsreeksen van Beertje Jans en Wessel Jansen, vanaf ca. 1700] VG nov. '19. Parenteel van Jan Cappert. [Vooral Beltman, ca. 1700-1973] OTGB 4e kwart. '19. N. Boelis: Genealogie van Willem Harmensz Boelis. [1665-2013] WF dec. '19. M. Neuteboom-Dieleman: Een Antwerpse familie in Amsterdam (3) – Judith van den Bogaerde - Een leven in het teken van de VOC. [Met schema 1516-1787] GN nov.-dec. '19. O. de Boer: Portret Arend van Bommel en Margaretha Grondhuis Voormolen. {Nageslacht 1871-1737] GN nov.-dec. '19. A. van Ooik: Nageslacht van 'Gillis Bovij' vervolg. [1728-1904] Bull dec. '19. 35 G.J. Potjewijd: Kwartierstaat van Aaltje Brinks (1). [2½ generatie met kinderen, Boer] Thr no. 4 '19. J. de Vries: Genealogie van Ents Brouwer. [1575-1995] WF dec. '19. P. Hoogebrugge, mw. C. Slootweg: Een familie Conincxbrugge (Doessen) uit Hazerswoude. [Vóór 1500-1731] OV okt. '19.
Page 36
gemmagazine 2020 P. Huys, P. Eyckerman: De moord op Leopold Debbaut in 1886 – een portret van slachtoffer en dader. [Met 'Bijlage I: Kwartierstaat van Leopold Arthur Debbaut (1856-1886)' (Couvreur, Mennaerts, Injon/Hennion) en 'Bijlage II: Kwartierstaat van Henri Wyngaerts (* Nevele 1868)' (Ninclamans, Braet)] VS okt.-dec. '19. L. Deprost: Grootouders interviewen over hun grootouders. [Met kwartierstaten (namenlijst resp. foto's: Deprost, Homblé, Venneman, De Geyter)] VS okt.-dec. '19. De stamreeks Giezen. [1761-2002] 1130 jan. '20. W. van Workum: Het familieboek van de familie Van Groenesteijn (1696-1740). [Transcriptie] OV nov.'19. H.J. Hamer: De nakomelingen van 'Broek Jan' Hamer uit het buurschap Rhienderen bij Brummen, deel II (slot). [1840-2012] VG nov. '19. N. Krijnen-van Gog: De Grond van onze straat, deel 1. [Dirck Claesz Heinen(Claver/ Klaveren) en zijn nageslacht, andere familienamen, 1650-1848] GS dec. '19. A. Tanke-Oosterbroek: De oudste generaties Jacobs uit Velp. [1690-1879] VG nov. '19. M. Graef: Jentjens een pottenbakkersfamilie in Tegelen. [1720-2007] LTG no.4 '19. J. Vervloet: De familie Koster te Sluipwijk. [Ook Coster(us), 1550-1858] OV dec. '19. J.F. Wendte: Hoe de Amsterdamse hoenderkoper Willem Leske (1733-1764) in het IJ eindigde. [Met fragmentgenealogie, 17e eeuw-1811] OV dec. '19. J. Eefting: Genealogie Lovise; een uitgestorven familienaam. [1725-1963] Thr no. 4 '19. H. van Grinsven: Martinus Manenberg. [Kwartierstaat, Verkampen, van den Berg, van der Velden] LCR nov. '19. 36 D. Jager: Genealogie als leeshulp bij 'Cécile en Elsa, strijdbare freules' van Elisabeth Leijnse, [Met Geneagram van de familie Nahuys (17411944), Families De Josselin De Jong, De Jong van Beek en Donk en Stern' (1719-1993), Familie Goekoop (1743-1977),'Familie Frenkel-Van Thielen (1656-2013) en 'van Alphons Diepenbrock e.a.' (1755-1995) en 'Fragmentparenteel van jhr. mr. Johan de Jong van Beek en Donk'(1758-2013)] GN nov.-dec.'19. D. Jager: Literatuur en genealogie: De tolk van Java. [Met 'geneagrammen' van resp. Nolan (19e-20e eeuw) en Birne (1750-2015)] TK dec. '19. Mw. R. Kaas: Aanvulling genealogie Pieter Claasz van der Oort. [Later Van der Oord, 1756-1975] WF dec. '19. T.E. de Vroom: Beursmakelaar Sebastiaen Pitavin, zijn kinderen en kleinkinderen. [1550-1726] OV nov. '19. (Dee l )Genea l ogi e van Hub Rongen. [1580-1936] GV nov. '19. H.J.L.M. Boersma: Joannes Godefridus Lebens en Anna Lousbercks – hun voor- en nageslacht (vervolg). [Schema met enkele nakomelingen van Peter Rutten, 1585-1747] LTG no.4 '19. A.S.M. Patelski: Margriet Huntjens procedeerde tegen haar zoon Hendrick Schiffelers uit Nuth. [Fragmentgenalogie met schema 1500-1764] LTG no.4 '19. L. Claus: Antwerpse koppen. [Met kwartierstaten van resp. Cornelius Henricus De Smeth (Van Dijck, Blox, Celis), Leon Stynen (Verhaert, Clemen, Schmitter) en Floris Prims (Van den Schoor, Dieltjens, Verhoeven)] VS okt.-dec. '19. B. de Keijzer: De heren Uten Goye. [Met 'Genealogie' en 'Geneagrammen', ca.1000-1401] NL dec. 19. (Deel)Genealogie van Karel Wagenaar. [1781-2009] GV nov. '19. gemmagazine 2020 W. Furrer-Kroes: Vervolg Kwartierstaat van Gouke van der Wal (2). Ams okt. '19. M. van Bourgondien: De familie van de Watering uit de polder Zestienhoven. [16e eeuw-1703] OV nov. '19. Mw. B. Werner: Wilhelm Tell in de Elzas? [Met korte kwartierstaat van Jean Alphonse Werner. [Geb. 1898] GN nov.-dec. '19.◉ SOPHIE SMITH, een stem als twee klokken Martin Maas Inleiding Sophie Smith behoorde tot de eerste ‘lichting’ van Nederlandse en Belgische artiesten die opnamen maakten, die op rollen en/of grammofoonplaten werden uitgebracht. Hoewel de informatie in dit artikel niet compleet is, dacht ik toch genoeg te hebben om er een korte biografie van samen te stellen. In dit verband waren de foto’s en informatie die ik van Dirk Smith uit Waddinxveen (Sophie was zijn oudtante) mocht ontvangen heel nuttig. In de historische kranten en -tijdschriften site op internet (www.delpher.nl) vond ik over de periode 1911 t/m 1927 informatie. Uit de periode 1890 t/m 1910 heb ik helaas geen gegevens kunnen vinden. Mogelijk heeft Sophie zich in die tijd geconcentreerd op optredens in België. Een zoektocht door diverse Belgische bevolkingsregisters leverde helaas ook niet alle benodigde informatie op die voor een volledige biografie nodig zijn. Daarom doe ik hierbij het verzoek aan alle lezers van GEM, mij alle aanvullende informatie en foto’s te sturen die zij mogelijk hebben. Personalia Sophie Smith werd als Sophia Dorothea Smith op 19 juli 1869 in Rotterdam geboren. 37 Haar ouders ware n Ab r a h am Smith en Jannetje Lots. Abraham Smith was uitdrager (handelaar in gebruikte artikelen, zoals kleding en huisraad). Zij had vier broertjes, die voor hun eerste verjaardag overleden. Op 25 september 1918 trouwde Sophie in Rotterdam met Martinus Buteners (geboren Smullenberghs), die op 2 juni 1880 in Tongeren, België werd geboren, als zoon van Lambertus Buteners en Marie Louise Smullenberghs. Ten tijde van hun huwelijk was Martinus 38 jaar oud en Sophie 49 jaar. Opvallend is het leeftijdsverschil tussen Sophie en haar echtgenoot, en tussen de ouders van Sophie, want die waren respectievelijk 22 en 35 jaar oud toen zij trouwden. Carrière als zangeres Sophie volgde in Rotterdam de toneelschool. Na de toneelschool vertrok zij naar Antwerpen, waar zij begin negentiger jaren van de negentiende eeuw haar carrière als zangeres begon. Het lijkt logisch dat zij op zeker ogenblik in haar nieuwe vaderland haar toekomstige echtgenoot, Martin Buteners, heeft ontmoet. Hij was toneelschrijver en schreef voor een aantal van haar liedjes de tekst. Ook schreef hij teksten voor kluchten en revues. Omdat Sophie gedurende haar gehele carrière in België woonde en dan ook Vlaamse liedjes ten gehore bracht, stond zij bekend als ‘Vlaamsche Coupletzangeres’, ‘Vlaamsche soubrette’, ‘Vlaamsche liederenzangeres’, ‘Vlaamsche voordrachts-kunstenares’ en ‘Vlaamsche Sophie’. Volgens recensies uit kranten in die tijd beschikte zij over een volumineus stemgeluid. Ondanks dat Sophie in België woonde, trad zij vaak in ons land op. Sophie was een graaggeziene gast in de Nederlandse theaters en trad er met veel succes op. Vaak werden haar optredens geprolongeerd, of trad zij diverse keren per jaar een of meer we
Page 38
gemmagazine 2020 ken in een bepaald theater op. Tot de theaters waar zij regelmatig op de planken stond behoren: in Amsterdam: Apollo-Theater; Tip-Top Theater; Rozen-Theater; Cinema Royal; Edison Theater; in Rotterdam: Thalia Bioscoop Theater; Casino; (Nieuw) Olympia Theater; Gebouw v. Kunsten en Wetenschappen; in Utrecht: Park Tivoli; in Leiden: Thalia-Theater. Maar ook in andere theaters in ons land konden mensen genieten van haar vokale prestaties. De Haagse pianist Jack van Vriesland begeleidde Sophie Smith vaak bij optredens in Nederland. Sophie trad regelmatig op in Bioscooptheaters waar zij naast het filmprogramma als artiest op het toneel te horen en te zien was. Haar collega Stella Fontaine had wat haar optredens betreft haar specialiteit gemaakt van het imiteren van collega-artiesten, onder wie Sophie Smith. Toen er in 1920 een film werd gemaakt van het optreden van Stella Fontaine (‘De Zingende Film’) die in bioscopen werd vertoond, was Sophie Smith een van de vijf bekende cabaretartiesten die hierin door Stella Fontaine werden geïmiteerd. Daaruit kunnen wij de conclusie trekken dat Sophie in die tijd in Holland een bekende en bijzondere zangeres was. Louis Davids en J.H. Speenhoff In de loop van het jaar 1912 behoorde Sophie tot het Revue en Specialiteiten Gezel schap, Direct ie Louis Davids Jr., van Rotterdam. Aan het einde van het jaar 1912 werd Sophie geëngageerd door J.H. Speenhoff (foto hiernaast) voor het door hem opgerichte gezelschap. De tijd van de Eerste Wereldoorlog Als haar vader, Abraham Smith, bij Sophie vakantie houdt, wordt hij ziek en overlijdt hij op 14 augustus 1913 in Antwerpen. Het volgende jaar, op 5 juni 1914, komt Sophie’s moeder Jannetje bij haar op bezoek in Antwerpen. Na het plotselinge uitbreken van de Eerste Wereld38 Deze advertentie stamt uit de NRC van 12 feb. 1918 25-jarig jubileum: Op 14 februari 1918 werd in het Nieuw Olympia Theater, Rotterdam, een grote feestvoorstelling gegeven ter gelegenheid van het 25-jarig toneeljubileum van Sophie. Sophie en Martin trouwden nog tijdens de Eerste Wereldoorlog, op 25 september 1918 in Rotterdam. Moeder Jannetje overleed op 29 november 1918. Op 11 november 1918 werd de wapenstilstand gesloten, en op 28 juni 1919 was het vrede! Op 24 april 1919 vertrok de familie Buteners met neef en nicht naar Antwerpen. Daar hadden zij waarschijnlijk een huis, of wat er nog van over was. De vader van Dirk Smith vertelde hem dat Sophie in een landhuis woonde en een stichting voor weeskinderen had. En dat zij een grande dame was, die reisde met een privé-rijtuig met koetsier in livrei. Ook dat zij een behoorlijk vermogen met haar talent had verdiend. oorlog, waarbij Antwerpen begin oktober 1914 werd gebombardeerd, vluchten Sophie en haar toekomstige echtgenoot Martin Buteners, alsmede Sophie’s moeder naar Rotterdam. De kinderen van Martin’s zuster Justina en haar man Michael van Beirendonck komen ook bij hen wonen In 1915 maakte Sophie deel uit van het Dumas’ Cabaret Kwartet. Dit kwartet bestond uit Stella Fontaine, Sophie Smith en Cor Waldeck. Sophie Smith wordt in de advertentie ‘België’s grootste Voordrachtkunstenares op komisch- en dramatisch gebied’ genoemd. gemmagazine 2020 Recensies in kranten Hier volgen nog een paar recensies om u een idee te geven wat de journalisten vonden van haar optredens. ‘Sophie Smith, de Vlaamsche coupletzangeres...... deze dame beschikt over veel temperament en dramatische kracht......’; ‘de Vlaamsche nachtegale’; ‘de Vlaamsche Sophie Smit heeft nog steeds succes met haar stem als een klok (eigenzins verdwenen. Hopelijk kunnen de hiaten in deze biografie met uw hulp eens in een volgende uitgave worden opgevuld. Sophie Smith op grammofoonplaten In september 1901 maakte Sophie Smith een paar opnamen in Brussel: ‘De passanten’, ‘Liberteit’, ‘Een op overschot’ en ‘Au contraire’. De eerste drie opnamen werden op Berlinerplaten uitgebracht. ‘Au contraire’ verscheen op het Franse HMV label. Rond 1912 maakte zij twee opnamen in Rotterdam of Amsterdam, die op het Favorite-label werden uitgebracht. In His Master’s Voice/De Stem van zijn Meester, alsmede in “De Weergever”, 21e jaargang no. 5 september-oktober 1999 blz.173, wordt gezegd dat Sophie Smith vanaf haar eerste opnamesessie in september 1901 een lange platen-carrière tegemoet ging. Meer gegevens over haar vermeende platen-carrière dan de bovenstaande ontbreken momenteel helaas. Bronnen • Personen • Dirk Smith; Rinus Blijleven (discografie); Maarten Eilander (bladmuziek en foto’s) Voorblad van De Artist van 1 mei 1917 lijk als twee klokken)’; ‘Op het tooneel de vermaarde Sofie Smit, bijgenaamd de “Vlaamsche Sofie” met haar ontroerend mooie liedjes’; Een incompleet verhaal Na 1927 houdt de informatiestroom plotseling op. Ik kan u daarom ook niet vertellen hoe het Sophie verder verging. De overlijdensdata van zowel Sophie als haar echtgenoot Martin zijn tot nu toe nergens te traceren, en zijn ook niet bekend bij haar familie. Alle gegevens van de familie zijn door en tijdens de Tweede Wereldoorlog bij een bombardement in het voorjaar van 1945 verloren gegaan, waarbij ook het huis van Dirk Smith en zijn familie werd getroffen. Er waren in 1942 nog volop artiestenfoto’s van Sophie bij de familie aanwezig. Zij waren gevonden bij opa Smith in de schuur. De foto’s zijn weggeraakt bij oorlogsschade, of anders39 • Boeken • His Master’s Voice/De Stem van zijn Meester: The Dutch Catalogue, Alan Kelly & Jacques Klöters, 1997 • Leven naast de catastrofe – Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog (Hans Binneveld e.a., 2001) • Tijdschriften • De Weergever (div. uitgaven); De Artist, 3e jaargang no.2, 1 Mei 1917 • Internet sites • www.delpher.nl; sites van regionale historische kranten; www.stadsarchief.rotterdam.nl; • www.geheugenvannederland.nl; www.stadsarchieftongeren.be; www.wiewaswie.nl; • www.charm.rhul.ac.uk; search.arch.be/nl/ zoeken-naar-personen/ • Instellingen • Stadsarchief, Amsterdam; UvA (collectie TIN) • Foto’s: Dirk Smith, UvA (collectie TIN) • Voor aanvullende informatie email Martin Maas: martin.maas60@gmail.com◉