717

woester zijn van aard, met ruwe zeden. We kunnen stellen dat de Arrowakken meer staan voor de profetologie als fundament, en de Caraïben zijn een heenwijzing naar de demonologie, als een allegorie. Dit zijn twee grote stammen die Suriname hebben bepaald en gedefinieerd. Dan is er nog de warauen stam, stelt van Coll, die hij ook heeft ontmoet, maar velen trokken naar het Engels Guiana aan de linkerzijde van Suriname, en anderen vermengden zich met de Arrowakken. Van Coll stelt dat zij erg open stonden voor het christendom. Ook in de talen komen deze dingen terug : Arrawaks is een zachte taal, en het Caraïbisch is een harde taal, ruw, door de vele keelklanken. De eerste zou oneindig moeilijker zijn dan de tweede, stelt van Coll. Het zijn levende, creatieve talen die zich makkelijk vermengen met andere talen om het uit te breiden. Zo hebben ze ook het Spaans erin opgenomen. Dit gebeurde zowel bij de Arrowakken als bij de Caraïben. Van Coll stelt dan ook dat de Caraïben God Tamoesi noemen, wat Heer of Heere betekent, en die naam gebruiken ze ook voor hooggeplaatsten. De Arrowakken noemen hen Ebebé. Er zijn woorden die alleen door vrouwen gebruikt mogen worden en niet de mannen. Als voorbeeld geeft van Coll dat het woord 'ja' voor Arrowaksche mannen ehé is, en voor vrouwen taré. De arrowakken en caraïben bouwden soera's, woningen met meerdere verdiepingen of woningen op palen, omdat ze voortdurend in oorlog waren. De soera's zijn ook de hoofdstukken of boeken van de koran in verzen ingedeeld, maar in deze context zijn het dus surinaams-indiaanse woningen met meerdere verdiepingen, of paalwoningen. Ook de islamitische talen op orion zijn dubbelgeslachtelijk, dus in twee lijnen waarin de vrouwen soms andere woorden gebruiken dan de mannen. Van Coll stelt dat God altijd goed is en de indianen leerde soera's te maken. Van Coll stelt over de indiaanse tucht van de arrowakken : 'Van de Arrowaksche jeugd kan niet gezegd worden, dat zij zoo gansch straffeloos blijft. Vroeger heerschte er zelfs zeer strenge tucht bij dezen stam. (…) Aan de kinderen werd de tuchtroede niet gespaard. (…) Er werd les gegeven — en gevoelig ook — in de Indiaansche tucht. (…) Er werden makwali's (d. i. roeden van eene soort riet, sangrafóe, Costus) uitgedeeld. Allen schaarden zich naast elkaar, mannen naast mannen, vrouwen naast vrouwen. Op commando moest de een den ander op het scheenbeen slaan; voor jonge lieden waren tien zweepslagen bepaald, voor volwassenen ging men tot dertig toe. (...) En dit alles gold bij hen niet als hardheid, maar als noodzakelijke oefening, om tucht en orde te handhaven. Kleefde een gegronde verdenking op de vrouw, dan werd ze duchtig gekastijd. (…) Vrouwen, die zich aan ontrouw schuldig maken, worden bij hen gegeeseld.' Hij stelt dat bij een huwelijk de jongeman gewoonlijk verhuisd naar het dorp van zijn schoonfamilie en daar voor hen werkt, bijna als een soort betaling. Hij stelt over het huwelijk in die tijd : 'Niet zelden kiest de volwassen Indiaan zich een vrouw in den persoon van eene zuigelinge. In dit geval moet hij haren ouders mededeelen van zijne jacht tot aan den tijd harer huwbaarheid. Wonderlijke verhoudingen worden hieruit geboren. Ook omgekeerd wordt soms door weduwen de opvoeding aanvaard van een ouderloos jongetje, dat te bekwamen tijde haar tot echtgenoot zal dienen en tot steun des ouderdoms. Zoo kenden wij een jongmensch van 25 jaar, gehuwd met eene vrouw van boven de zestig.' In het Arrowaksch worden Suriname en Paramaribo zo genoemd : 'Suriname, Arr. Soelinama = woonplaats van het opperhoofd Sueh eigenlijk Soefi en die met hem, zooals in 't negerengelsch bv. Brooskondre enz. Soeli zelf ontleende zijnen naam aan eenen aldus genoemden rooden vogel.

718 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication