3

oppervlakkigen lopen weg met het woordje ‘macht’, en zien het als het recht van de sterksten, aards gezien, terwijl Nietzsche erop wees dat de ware macht deugd, waarheid en zelfbeheersing is. De dwazen verkrachten dus de filosofie met harteloosheid, en rukken het uit zijn verband, altijd weer, wat dus de vergiftiging is van de goddelijke nectar. Hall wijst op de hopeloosheid en hulpeloosheid van de materialistische wetenschap waar Henri Bergson op wees, een intuitionalist, die God zag als de voortdurende worsteling met de beperkingen van de materie. Hall wijst op de filosoof Herbert Spencer (1820-1903) die evolutie beschrijft als een steeds toenemende complexiteit met evenwicht als de hoogst mogelijke toestand. Spencer stelt dat het leven een continu proces van homogeniteit naar heterogeniteit en terug is. Spencer stelt dat God oneindige intelligentie en oneindige diversiteit door oneindige tijd en oneindige ruimte is, en zich manifesteert door een oneindigheid van zich steeds verder ontwikkelende individualiteiten. Hall komt tot de conclusie dat filosofie voortkomt vanuit de religieuze mysterien van de oudheid, en dat de filosofie na het verval van de mysterien van religie werd gescheiden, en dat het daarom zo oppervlakkig is. Daarom moet hij die de filosofie wil leren ook de mysterien weer opdiepen. Hij wijst dan op Alexander Wilder (1823-1909), een theosofische neoplatonist, die stelde dat de Mithraïsche riten de mysteriën van Bacchus verdrongen, en dit werd de basis van het gnostische systeem, dat eeuwenlang de overhand had in Azië, Egypte en in het verre Westen. Mithras was gebaseerd op het verslaan van de wilde rund van het oervlees (vgl. de minotaurus). Veel gnostische literatuur is door de eeuwen heen verloren geraakt, vanwege de vijandigheid van de vroege christelijke kerk, stelt Hall. Daarom is het gehuld in diepe duisternis en mysterie. Slechts weinig is bewaard gebleven, stelt Hall. Hij wijst dan op de Serapis cultus, die werd gezien als de ziel van Osiris, het terugtrekken van de wilde rund, wat op een ceremonie wijst waarbij de heilige Apis, de rund, elke vijfentwintig jaar in de wateren van de Nijl wordt verdronken. In principe werd het christendom op dit soort cultussen gebaseerd. Hall wijst dan op een cultus in Bethlehem voordat de Christus cultus kwam. Er was daar een bos van een nog oudere Syrische Heer, namelijk Adonis, ook wel Tammuz genoemd, en Adonai, wat ook veel de naam van God is in het Hebreeuwse Oude Testament. In de Joodse maand Tammuz werd Adonis doorboord door de slagtand van een wild zwijn tijdens de jacht, wat zijn dood betekende. Na drie dagen of maanden stond hij op. Hij vertegenwoordigde de zomer die door de winter, het wilde zwijn, werd vernietigd, door het kwaad. We komen dit verhaal in principe ook tegen in de grondteksten van de oude bijbel, en in de Halal. Wij moeten de slagtand van het zwijn aanvaarden. Eerst sterven we in de worsteling met het zwijn, wat een beeld is van het oervlees, van de hebzucht en de ongehoorzaamheid. Ook Attis, die een oudere Frygische, Turkse Heer was, werd gedood door een zwijn. Het laat zien dat we de worsteling met het oervlees moeten aangaan, en dat daarin ons eigen vlees zal sterven, ons oude leven, maar dat daardoor het nieuwe leven zal opstaan. Uiteindelijk wijst dit allemaal terug op het jachtsleven van Ezau. De cultus van Adonis, van Adonai, waar de Joden hun naam voor God aan ontleenden, was een grote cultus in Israel, Syrie, Libanon, Kanaan, Babylon, Egypte en Griekenland, die zich overal verspreidde. Dit was wat later de Jezus verhalen verborgen gingen houden. Uiteindelijk moeten we terugkeren tot het diepere Betlehem, het vroegere Betlehem, en worstelen met het zwijn van de oerhebzucht. Door allerlei genade en geloofspraatjes van het westerse christendom werd dit ondergesneeuwd. We moeten de slagtand van het zwijn aanvaarden die ons doorboorde. Eerst zullen we omkomen in deze strijd, omdat onze oude natuur moet sterven, en daarom is de slagtand van het zwijn ook het mes der besnijdenis. Daar wijzen de Attis mythologieen uit Turkije ook op, want daarin werd het gevecht met het zwijn, waarin Attis stierf, vergeleken met de besnijdenis of ontmanning van Attis. Alle valse mannelijkheid, alle valse natuur, moest eraf. Het zwijn van het oervlees in hem moest sterven, en hij moest wedergeboren worden in het zwijnenbloed, zoals Mithras wedergeboren moest worden, gedoopt moest worden, in het bloed van het rund van de oerzonde. We moeten ons niet helemaal blindstaren op het bloed van Jezus, maar zwijnenbloed moet stromen. Het vlees moet eraf. We moeten belijden : Ik aanvaard de slagtand van het zwijn. Ik aanvaard de dood door het zwijn. Ik aanvaard het lijden door het zwijn. Ik aanvaard de doorboringen door het zwijn. Zo overwinnen we uiteindelijk dit verschrikkelijke beest van het oervlees, deze behemoth, waar de nieuwe bijbel, de rv-bijbel, ook uitvoerig over gaat, en de halal. Pas dan kunnen we zeggen : ‘Het is volbracht.’ Hierdoor stond Adonis na drie dagen of drie maanden weer op, en natuurlijk is dat symbolisch. Ook in die dagen was het ontspoord, was er persoonsverheerlijking in plaats van principeverheerlijking, waar Ezechiel ook over klaagde. We moeten leren met religieuze gedachten te

4 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication