6

wat oudere vrouw, een oudtante. De hemelse stad lag aan zee. Het was prachtig. We gingen er vaak naartoe. Vader en moeder hielden van het strand. Er leefden prachtige wezens in de zee, met waaiers, en zeemeerminnen. Moeder was zo mooi, zo lief, en ze spraken beiden vaak over de zeemeerminnen. De zeemeerminnen hadden ons hier gebracht. Ook vader en moeder werden hier eens geboren. Het was hier altijd prachtig weer. En ze vertelden me verhalen, over zeemonsters, en hoe de zeemonsters velen gevangen hielden, en dat wij ook ooit eens gevangen waren door de zeemonsters, maar dat we door de zeemeerminnen waren bevrijd en hier gebracht. Ik wilde teruggaan om de anderen te bevrijden, maar ik mocht niet. Het was te gevaarlijk. Ik moest in de stad blijven. Ik moest blijven door studeren, net zoals vader en moeder. Maar ik dacht vaak aan hen die nog gevangen waren door de zeemonsters. Vader en moeder zeiden dat ze uiteindelijk hier wel zouden komen, als de tijd rijp zou zijn. Ze moesten eerst heel diep gaan, anders zouden ze hier nooit kunnen komen. De zeemeerminnen selecteerden ze. Ik was de zeemeerminnen dankbaar. Overal door de stad hingen posters van hen. Ze waren prachtig, net zoals mijn moeder prachtig was. Vader was sober, heel stil, heel ingetogen, bijna timide. Vader droeg een duister geheim. Hij groeide op tussen de zeemonsters voordat hij in de hemelse stad kwam, en hij was één van hen. Hij moest toen van de zeemeerminnen een drankje drinken om geen zeemonster meer te zijn, want hij wilde het niet meer zijn. En zo mocht hij ook geboren worden in de hemelse stad. Hij was nu beminnelijk. Ik hield van mijn vader en moeder, zoveel, want zij hadden mij ook gered, en nieuw leven gegeven in de hemelse stad. We kwamen allemaal van diep. En God was een orakel, beschreven met teksten. En vaak bezochten mijn vader en moeder met mij het orakel. En het was prachtig. Het nam ons mee, op prachtige, leerzame vakanties. Ik hield van de reizen door het orakel, met het orakel, in het orakel. Het was het prachtigste wat er was. Ik zag de zee, en het nam ons mee, naar de eilanden, waar we primitief leefden. En het nam mij soms ook alleen mee, weg van vader en moeder, zo ver weg, en dan moest ik in mijn eentje zien te overleven, of ik kwam daar anderen tegen, maar het orakel was altijd met mij. En het orakel sprak woorden van diepe liefde, en het liet de zeemonsters zien, die ook deel waren van het orakel. Alles paste in het orakel, en alles kreeg een andere en diepere betekenis in het orakel. Het orakel was mijn onderwijzer, mijn gids en mijn tolk. En ik zag de diepe liefde tussen de zeemeerminnen en de zeemonsters, en dat niet alle zeemonsters slecht waren. Er waren vele gradaties tussen goed en slecht en tussen liefde en haat. Ik kreeg ook de andere kant van de zeemonsters te zien, en dat velen kwamen tot nieuwe geboorte in de hemelse stad. Ik zag de diepe liefde tussen de zeemeerminnen en de zeemonsters. Ze wisten gif te transformeren tot medicijn. In hun gedachten was alles anders. Maar de strijd ging door, en het reddingswerk. Sommigen van die monsters waren door en door slecht, en veranderden maar niet. Het was een steek van het orakel, en het ging diep. Waarom, waarom, waarom ? vroeg ik me af, als ik de diepste duisternissen zag. Hier durfden zelfs de zeemeerminnen niet te komen. Hier zouden ze nooit hun weg kunnen vinden. Het was te diep en te duister. En ik zag de zeemonsters daar als verborgen eilanden, als eilanden onder de zee, eilanden onder de grond, en ik was verbaasd, hoe vruchtbaar dit land was. Hadden ze het opgeslokt ? Het was onderdeel van het orakel. Het was de achterkant van het orakel, een kant die ik nog niet kende. Het was een droom voor hen die het konden peilen. Ik keek als door gaas, en zag mijn moeder. Vanuit hier hadden ze haar ooit gered. Niet de zeemeerminnen, maar God zelf. En het orakel troonde in de grote hemelse stad, en liet de dieptes zien, de dieptes waar wij vandaan kwamen. En God was een groot getal, zo groot dat het niet te peilen was. En het getal werd telkens groter, en steeds diverser. En het mengde zich overal doorheen. ________________________________ HET UNIVERSUM VAN PYTHAGORAS ‘In een nachtvisioen, in een droom, werd het eerste Korinthe afgebeeld als een groep opgeblazen jonge mannen die met hun lichamen pronkten. Zij waren ver weg van het goddelijke, paradijselijke lichaam van de schepping. Met hun lichamen doofden ze de ziel uit, en deden aan zelfverheerlijking. Zo mogen we afstand doen van het eerste, opgeblazen Korinthe. Ook Laodicea wordt opgeroepen om tot de wildernis van God te komen.’ Kamba 14:11,33,34 Ik had een droom dat ik iets moest doen omtrend Israel, en ik was thuis iets vergeten, dus ik liep terug. Er waren nieuwe buren en ik sprak even met ze. Ik zag toen ergens een gigantische paashaan waar mensen langsheen moesten zien te komen. De mens moet een nieuw beeld krijgen van pasen. Het heeft te maken met het worstelen met het zwijn, en de zwijnentand. De mens bevindt zich op zeer dun ijs, en heeft over alles een grote mond, speelt over alles een expert, en rechter, zonder

7 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication