0

Tijdschrift voor progressief Joods Nederland jaargang 8 · #2 september 2022 / Tsjiri 5783 THEMA Wat moeten we met God? Philippe Kletzkine: ‘God is overal of nergens.’

AMPHORA BOOKS DIT ZIJN ONZE NIEUWE UITGAVEN VAN HET AFGELOPEN JAAR Mia Davidson ONDER TAFEL Een herbeleefde onderduik Onder tafel, een herbeleefde onderduik Mia Davidson Sjaantje, de muze van Isaac Israels Adri van Beelen Waarheen moet ik gaan John Dunkelgrün maarten frankenhuis Gevlucht in het hol van de leeuw roman Gevlucht in het hol van de leeuw Joodse Huizen 8 Maarten Frankenhuis Esther Shaya, Frits Rijksbaron en Gert Jan de Vries Egodocuments in Dutch Jewish History Dan Michman De boeken kunnen via onze website www.amphorabooks.nl worden besteld of zijn beschikbaar bij de lokale boekhandel

Discussie I n een sjoel is een flinke ruzie uitgebroken over de vraag of je nu wel of niet moet gaan staan tijdens het Sjema. De wanhopige rabbijn legt de vraag voor aan de oprichter van de sjoel, een oude man. “Weet je of we moeten staan tijdens het Sjema?” vraagt de rabbijn. “Nee”, antwoordt de oude man. “Weet je of we moeten zitten tijdens het Sjema?” “Nee”, zegt de oude man. Als de rabbijn, verbaasd vraagt: “Maar als we niet weten of we moeten staan of zitten, dan blijven de mensen elkaar in de haren vliegen!” antwoordt de oude man glimlachend: “Dat is nou traditie!” Deze grap laat precies zien dat het bij ons gaat om de discussie, om het bevragen van onze handelingen. En zelfs over God. Bij ons thuis gebeurt dat ook. “Waarom moeten we naar sjoel als we toch niet in God geloven?”, mokken onze tieners. “In de dienst gaat het alléén maar over God!” Waarom doen we dat? Waarom staat God centraal in de sjoeldienst, terwijl veel Joden zijn weggedreven van traditie en religie? Deze interessante vraag is het thema geworden van dit nummer. We proberen antwoorden te vinden op vragen zoals: Wat voor functie heeft God (nog) in ons leven? Waar kunnen we vinden of Godsgeloof een verplichting was of is voor Joden? Kan een sjoeldienst betekenis hebben zonder God? Je vindt een artikel over hoe in de Joodse traditie met de goddelijke naam wordt omgegaan. Er is één punt dat niet ter discussie blijkt te staan: Om Jood te zijn zal niemand je vragen of je in God gelóóft. Maar hoe vrij zijn wij als liberale Joden om zelf onze (religieuze) kaders te bepalen en waar liggen de grenzen? We hopen jullie stof tot nadenken te geven voor de Hoge Feestdagen! Sjana Tova, tsom tov en gemar tov! Hester Stein PERSOONLIJK Philip Kletzkine, jarenlang werkzaam voor de ESA, voelt vooral ongemak als hij het heelal bestudeert. Onmetelijkheid confronteert de mens met zijn eigen nietigheid. Een gesprek over zingeving en of er meer is tussen hemel en aarde. 11 LJG Twente bestaat 50 jaar en dat werd gevierd. Maar er waren meer redenen voor een feestje. 12 Geschiedenis Bestaat God? En moeten we in God geloven? Rosa van der Wieken beschrijft hoe officiële opvattingen en dogma’s hierover pas in de Middeleeuwen werden geformuleerd. 16 Nieuwe kille Nederland is een nieuwe progressieve kille rijker: Beit Misjpacha Chadasja in Culemborg. 18 Goddelijke naam Hoe gaan we in de naam? Een artikel van Wout van Bekkum. Joodse traditie om met de goddelijke RUBRIEKEN Dubbelgesprek Mira Levi en Esther van Oostrum-Hofman Uit de kehillot Favoriet Object Philip Menco en Ruth Feigenbaum Aan tafel Barbara Swarthout Heeft u een onderwerp of een artikel voor Joods Nu? Mail ons voor 1 november 2022 op redactie.joodsnu@gmail.com 4 Column Zippora Abram Boeken Mia Davidson Lastige vragen Julia Malka en Lola Benichou 6 8 20 34 45 56 59

26 Het Namenmonument Één jaar verder. Jacques er, elk op hun eigen manier, nog steeds mee bezig. 28 Liberale halacha Keuzevrijheid is één van de pijlers van het liberale Jodendom. Een interview met Ron van der Wieken. 30 Ingezonden Voor veel mensen heeft God weinig betekenis meer. Waarom praten we in sjoel nog steeds over het Goddelijke? Colofon Grishaver, Chelly Overdijkink en Debby Abram zijn Jaargang 8, #2 november 2022 / Tsjiri 5783 Joods Nu is een uitgave van de stichting Levend Joods Geloof en het orgaan van het Nederlands Verbond voor Progressief Jodendom (NVPJ). Het verschijnt drie keer per jaar. Meer informatie verbond.eu 37 Gastcolumnist Veel joden zijn seculier. Bart Wallet stelt de vraag of er voor hen een plek is in progressief joodse gemeenten. 38 Vraag voor de Bestuur Stichting Levend Joods Geloof Yvonne Walvisch (voorzitter) Hans Weijel (bestuurslid) Dick Hage (secretaris) Tijne Berg-le Clerq (penningmeester) rabbijnen Veel mensen hebben het moeilijk met het begrip God. Toch gaat het daarover in sjoel. Hoe gaan we om met die -ogenschijnlijketegenstrijdigheid? Enkele rabbijnen reageren. Vertrouwenspersoon Verbond: Marion Alhadeff, e-mail: marion.alhadeff@gmail.com 42 Eén adres, twee dagboeken Tom Rooduijn over Géza Weisz en de arts en psycholoog Fritz Rimathé op Amstel 278 in Amsterdam. Hoofdredacteur/ Redactiecoördinator Hester Stein-Otter Themaredacteur Rosa van der Wieken Redactie Zippora Abram, Sarah Bremer, Mia Davidson, Hans Schippers Correctie Dick Hage, Rolf en Kitty Kat Fotografie Carla van Thijn en Claudia Kamergorodski Beeldredactie Carla van Thijn Ontwerp en opmaak Roel Siebrand de beleving van de oorlog door de ogen van komiek Verder werkten mee Elco Aronstein, Menno ten Brink, Enza Cohen, Etienne Denneboom, Bert Oude Engberink, Vivian Rinat Fransman, Yael Haller, Joyce Noach, Ruben Reisenstadt, Albert Ringer, Joram Rookmaaker, Kineret Sittig, Chaim van Unen, Naud van der Ven, Bart Wallet, Corrie Zeidler Contact redactie.joodsnu@gmail.com 46 Terug naar de sjoel? Joden assimileren in rap tempo en verlaten joodse instituties zoals de sjoel. Wat is nodig om het tij te keren? 48 Waar mijn familie vandaan komt In de familiegeschiedenis van Vera Bondy neemt Wenen een belangrijke plaats in. Leden van de aangesloten gemeenten krijgen Joods Nu automatisch toegezonden. Een jaarabonnement kost 27,50 euro. Meer informatie: redactie.joodsnu@gmail.com. Advertenties: Gideon Krebs, tel. 020 6720509 | krebs@ireta.nl Druk en distributie: MyConcern | Capelle aan den IJssel Omslagfoto Carla van Thijn 52 Fotograaf Jacques Pérez Niet de wuivende palmen en de hagelwitte stranden trekken mensen naar Djerba. Het is de bedevaart van Lag BaOmer die duizenden joden naar het eilandje brengt. 5

Dubbelgesprek Mira Levi LJG Utrecht Als secretaris kennen ze de kille van haver tot gort. Mira Levi en Esther van OostrumHofman vertellen over administratieve uitdagingen en hoe de leden vooruit te helpen. tekst Hester Stein foto’s Claudia Kamergorodski Ik heb een fulltime baan bij de gemeente Utrecht, ben moeder van twee kleine kinderen en sinds twee jaar secretaris van de LJG Utrecht. Het werken als secretaris kost veel tijd, maar het liefst zou ik er nog méér tijd in willen steken. Het is namelijk ontzettend leuk werk. In onze kille hebben mensen veel ideeën voor activiteiten, je voelt de positieve energie. Het is soms een gebrek aan tijd dat we bepaalde dingen niet kunnen organiseren. En dat is jammer, want het liefst doe ik wel iets met die energie. Zeven jaar geleden werd ik lid van de LJG Utrecht. Ik werd secretaris omdat ik graag wil bijdragen aan de toekomst van de kille, ook voor mijn kinderen. En ik zie dat het heel ingewikkeld is om mensen te vinden die tijd in zulke vrijwillige functies willen steken. Voor mij is werken als secretaris een leuke manier om veel mensen te leren kennen. Je bent het eerste aanspreekpunt voor leden met vragen en ook voor geïnteresseerden die willen kijken of de kille iets voor hen is. Zelf probeer ik te begrijpen wat iemand belangrijk vindt aan zijn of haar joodse identiteit. Dan kan ik misschien helpen bij een volgende stap. Dat kan lernen zijn, maar ook joods onderwijs voor de kinderen. Soms stel ik mensen aan anderen voor, waarvan ik denk: die passen wel bij elkaar. Twee avonden in de week ben ik met dit werk bezig. De mails pak ik op als de kinderen in bed liggen. Het administratieve hoogtepunt is de voorbereiding van de algemene ledenvergadering. Dan vraag ik alle commissies, werkgroepen en netwerken een tekst te leveren voor het jaarverslag en vraag ik naar hun plannen voor het komende jaar. Ik maak de notulen van de alv. Als secretaris ken je de kille van haver tot gort. Je weet wat er speelt. Soms is dat intens. Besluiten over de toekomst van de gemeente gaan vaak met veel emoties gepaard. Je probeert als bestuur een oplossing te vinden die de leden echt vooruit helpt. Als mensen een besluit niet leuk vinden, dan hoor je dat ook direct. Ik snap dat wel, we zijn niet zomaar een vereniging. Een veilige joodse haven betekent zóveel voor mensen. Ze reageren snel heftig als daar iets verandert. Daarom probeer ik zo open mogelijk te zijn over de dilemma’s waar wij mee te maken hebben. Vaak gaat het goed, maar soms maken we fouten. Gelukkig hebben wij veel krediet bij de leden. We doen ons best, maar we zijn ook maar vrijwilligers die dit doen in hun vrije tijd.” 6

Als secretaresse van de LJG Amsterdam ben ik de eerste ‘opvang’ voor alle vragen en opmerkingen, vooral van leden. Ik beantwoord zo’n vijftig mails per dag. Het maakt mij blij als ik voor iemand net dat beetje méér kan doen. De vragen die ik krijg zijn niet altijd doorsnee. Soms zijn mensen op zoek naar hun joodse wortels. Of hebben ze een vraag over het gioertraject. Een enkele keer vertel ik hoe dit traject voor mezelf is geweest, als dochter van een joodse vader. En ik probeer hen goed op weg te helpen door te verwijzen. Dit werk doe ik nu 12 jaar. Nauwkeurigheid is belangrijk, integriteit en collegialiteit. En je moet stressgevoelig zijn; de periode voor Pesach en de Hoge Feestdagen zijn erg druk. Daar kan ik ’s nachts wel eens wakker over liggen. Als secretaresse móet je scherp blijven. Dus stuur ik mezelf veel reminders en stuur ik mailtjes naar mezelf met aandachtspunten zoals: zijn specifieke verzoeken inderdaad opgepakt? Leden mailen mij omdat ze ongerust zijn omdat ze nog geen aanmeldformulier hebben ontvangen. Of omdat ze niet tevreden zijn over hun plek. Ik ga niet over de indeling, maar verwijs wel door. Eerder heb ik een soortgelijke functie gehad, maar dan voor de LJG Utrecht. Vanaf 2012 werkte ik gedurende zes jaar als secretaris voor het bestuur. Overdag werkte ik voor de LJG Amsterdam en vaak werkte ik ’s avonds voor de kille in Utrecht. Er was wel een verschil: in de functie als secretaris voor het bestuur bepaal je mede de koers van de kille. Dat doe ik in mijn huidige functie in Amsterdam niet. Of ik dat mis? Dat was toen een turbulente tijd en dat verliep niet altijd naar wens, zowel voor de leden als voor het bestuur. Dat was voor mij heftig. Zelf functioneer ik het beste in een rustige omgeving. Ik werk met een fijn team en niemand staat echt boven of onder mij. Op dit moment heb ik geen grote ambities wat mijn werkzaamheden betreft. Maar deze unieke plek, binnen de joodse wereld, maakt dat ik dit werk heel graag doe.” Esther van Oostrum-Hofman LJG Amsterdam 7

Uit de kehillot dom. Ook werd afscheid genomen van twee jongerenwerkers van Netzer -Benjamin Schrijver en Benjamin Heller- die zich drie jaar lang voor de organisatie hebben ingezet. Yvonne Walvisch-Stokvis, voorzitter van het Verbond, introduceerde de twee opvolgers: Dalit Machin en Ruthie Hitzhusen. Na de lunch volgde een plenaire lezing van historicus Bart Wallet. Hij schetste het verleden en het heden van het progressief Jodendom, maar ook mogelijke uitdagingen voor de toekomst. Hoe bijvoorbeeld om te gaan met steeds meer joden die zich vooral zien als seculier? Is er voor hen een plek binnen het liberale jodendom? Aansluitend vonden er verschillende workshops plaats. Kinderen van de Talmoed Tora-leeftijd gingen challes bakken. Netzer besprak met jongeren het Oneg sjabbat: de LJG van de toekomst Meer dan honderd leden uit alle kehillot bezochten de Oneg Sjabbat op 25 juni in Den Haag. Een dag die mogelijk werd gemaakt dankzij de vele vrijwilligers. Het thema van deze Oneg was ‘De LJG van de toekomst’. De dag begon om half tien met de keuze uit een dienst van rabbijn Marianne van Praag of rabbijn Peter Luijendijk. Daarna kregen de deelnemers tijdens de lunch een sneak preview van de nieuwe website van het Nederlands Verbond voor Progressief Jodenmaken van keuzes aan de hand van het bordspel ‘Joodse levensweg’. Volwassenen volgden een zangworkshop bij Marcela Obermeister-Shasha of wandelden onder leiding van Lex Levisson door voormalig Joods Den Haag. Daarnaast kregen twee groepen de documentaire ‘Door de lens van Mau Schaap’ te zien, een documentaire die gaat over Joods Den Haag na de oorlog. Er werd vooruit gekeken tijdens de workshop van het Levisson Instituut, waar de rabbijn van de toekomst centraal stond. Tijdens de workshop ‘Vergezichten van de voorzitters’ konden leden in gesprek gaan over de LJG van de toekomst met de voorzitters van de tien kehillot. Er werd gesproken over hoe kehillot elkaar konden versterken, hoe jongeren beter te bereiken en hoe met joodse cultuur en kennis meer geïnteresseerden te trekken. De volgende Oneg Sjabbat wordt op 10 juni 2023 gehouden bij de LJG Rotterdam. TIJNE BERG- LE CLERCQ EN HESTER STEIN Jom Kippoer Retraite LJG Amsterdam organiseert op 2 oktober van 10.00 uur tot 16.00 uur een dag van inkeer en Teshuva. Kom tot rust met stretching, gebed in beweging, meditatieve joodse muziek en momenten van bezinning. Ook kan het mikwe worden gebruikt. Meer informatie en aanmelden: secretariaat@ljg.nl 8

Zijn er ook bijzondere activiteiten in uw sjoel geweest? Schrijf een (kort) verslag en stuur uw foto’s naar redactie.joodsnu@gmail.com voor 1 november 2022. Joodse Huizen, nieuwe editie Netzer Zomermachanee Sjoelbezoek, sport en debat Een ochtenddienst in de sjoel van Winterswijk voor het eerst in acht jaar: dat was een van de hoogtepunten van het Netzer zomermachanee. Van 22 tot 28 juli trokken 55 jongeren uit LJG Nederland met elkaar op. Vrijdagavond begon voor de chanichiem met een sjabbatmaaltijd, de volgende ochtend stond de sjoeldienst in Winterswijk op het programma, geleid door verschillende leden van Netzer. De rest van de week stond bol van de activiteiten. Van workshops over weerbaarDe 8e editie van Joodse Huizen werd begin mei in de LJG Den Haag gepresenteerd. De verhalen spelen zich af in Amsterdam, maar ook in Groningen, Tilburg, Den Haag, Haarlem, Ophemert, Tiel, Elburg, Bussum, Scheveningen en Diemen. heid en Krav Maga tot oudleden die vertelden over Netzer van vroeger. Er volgde een uitstapje naar Winterswijk, er werden pe’oelot (activiteiten) georganiseerd over Zionisme, Israël, het Jodendom en Tikoen Olam, de ideologische Netzer-pijlers. Tijdens een Netzer-maccabiade Judaism in a box afgerond Van sjabbat en havdala maken tot Pesach en Sjavoeot: in de vorm van vijf dozen kwamen de belangrijkste joodse feestdagen voorbij. Het project Judaism in a Box is nu, na een jaar, afgerond. “We begonnen vanuit het idee dat Nederland circa 40.000 joden telt, maar dat er maar een paar duizend mensen bij een kille zijn aangesloten of op een andere manier actief Joods zijn. Een hele grote groep doet er vrij weinig mee. Een deel daarvan wíl wel, maar weet niet hoe. Met Judaism in a Box wilden we het Jodendom toegankelijk maken, op een moderne manier”, vertelt initiator Joram Rookmaaker. Rondom elke feestdag werden door een team van 25 medewerkers producten ontwikkeld en gemaakt: van een sederschotel tot kandelaars. Bijna 300 dozen met verschillende producten werden voor elke ‘editie’ ingepakt door tientallen vrijwilligers. Video’s en instructiekaarten hielpen de deelnemers op weg met de gebruiken, gevolgd door online sessies voor vragen en verdiepingssessies, georganiseerd in samenwerking met het Studiecentrum. Rookmaaker is tevreden over het resultaat: “Driekwart van de deelnemers was niet aangesloten bij de LJG. Bij de online sessies waren soms 150 mensen aanwezig. Daar ontstond de wens om samen een sedermaaltijd te houden in de Uilenburgersjoel. Dat was echt de kers op de taart.” sportten de jongeren, maar ook werd er flink gedebatteerd; elk team representeerde een Israëlische politieke stroming. “Dit is de mix waar Netzer bekend om staat”, schrijft Sid Wagenfeld, die binnen de organisatie de pr verzorgt. “Leren op een informele manier.” Judaism in a box Judaism in a box is een eenmalig project. Over een vervolg moet worden nagedacht. “Er is duidelijk behoefte aan verdieping. Maar het is nu ook aan de deelnemers om het Jodendom zélf vorm te geven. Bijvoorbeeld door thuis sjabbat te gaan vieren en zich aan te sluiten bij een kille. En aan de leden van de kille ook de taak om nieuwe mensen thuis uit te nodigen.” Het Joods Historisch Museum is van plan Judaism in a box in de collectie op te nemen. In vervolg op Judaism in a Box is Rookmaaker bezig met een boek waarin veel voorkomende berachot leesbaar én beluisterbaar zijn. De verwachting is dat dit boek in 2023 verschijnt. HESTER STEIN 9 >

Uit de kehillot Talmoed Tora Weekend: leerzaam én fijne chaos N a twee jaar kon het dan eindelijk weer: van 13 tot 15 mei gingen zestig joodse kinderen van 7 tot en met 13 jaar, uit alle LJG’s van Nederland mee met het Talmoed Tora Weekend. “Het hele weekend was gevuld met gezang, leuke en leerzame activiteiten, georganiseerd door de leerkrachten van Talmoed Tora Nederland en Netzer, maar ook met fijne chaos”, schrijven Hannah Heller en Daniëlla Zinn, leerkrachten van kita Hé. “Zo werd er tijdens het avondeten dertig keer ‘shake your booty!’ gezongen en brak er spontaan een watergevecht uit aan het einde van een spel. Maar we hebben ook veel geleerd! Het thema dit jaar was ‘Joden in Europa’. Alle groepen kregen een land of volk toegewezen om zich in te verdiepen. Daarna werd ook een wedstrijdje gehouden wie het hardst kan schreeuwen tijdens het weekend: Waren het de Italiaanse joden met hun strijdlied op de melodie van Hava Nagila? Of waren het de Poolse joden, met hun versie van “Waar komen bagels toch vandaan?” (“Polen hier niet ver vandaan!”). We hebben weinig geslapen, veel geleerd, en vooral heel erg veel lol gehad!” LJG zomersalon: Kunst in sjoel Hoe laat je de creativiteit binnen een kille zien? Bijna dertig professionele en amateurkunstenaars deden mee met de LJG zomersalon waarin hun kunst werd geëxposeerd in de LJG Amsterdam. “Je kunt het werk van professionele kunstenaars laten zien, maar het is ook belangrijk die ruimte aan minder ervaren kunstenaars te geven”, vertelt Babette Treumann, voorzitter van de kunstcommissie. “Het is ontzettend leuk om te zien wat leden maken. Van keramiek, foto’s, schilderingen tot gedichten. Een groot deel van de kunstenaars hebben geen ervaring met exposeren. Nu maken ze kennis met de professionaliteit van het kunstenaarschap. Werken moesten ook echt worden verzorgd, voordat ze hier werden tentoongesteld.” De tentoonstelling duurde tot begin september. Gezocht: bestuursleden en vrijwilligers sociale media Het Nederlands Verbond voor Progressief Jodendom (NVPJ) is op zoek naar versterking: twee nieuwe bestuursleden en enkele vrijwilligers op het gebied van sociale media. Als lid van het dagelijkse bestuur bepaal je mede het beleid van het Verbond. Je wordt portefeuillehouder van onderwerpen waarmee je affiniteit of ervaring hebt. Het kan gaan om belangenbehartiging in politiek/bestuurlijke context, onderwijs, welzijn, religie of bijvoorbeeld fondsenwerving. Ook zijn we op zoek vrijwilligers voor sociale media die o.a. nieuws over het progressief Jodendom op de website plaatsen. Meer informatie: secretariaat@verbond.eu Afscheid van de Benjamins Het zal voor iedereen wennen zijn: geen Benjamins meer aan de leiding van Netzer. Na 3 jaar als jongerenwerkers van Netzer Nederland zich hebben ingezet, namen Benjamin Schrijver en Benyamin Heller op 1 augustus afscheid. “De ‘baan’ als jongerenwerker voelde nooit als ‘baan’. Al was het soms wel veel werk, we deden het altijd met veel plezier en enthousiasme”, schrijven ze in een brief naar de leden. In 2016 begonnen de jongens als madrichiem van Netzer, toen nog een kleine jongerenver10 eniging met enkele activiteiten per jaar. “Hoogtepunten waren de exponentiële groei van Netzer, de eerste Netzer-weekenden, het eerste Netzer Zomermachanee in 2021, de verschillende reizen naar het buitenland, de verbeterde samenwerking met de LJG-gemeenten en hun Joodse les-afdelingen.” Ook noemen ze het professionaliseren van de financiën van de organisatie en het opleiden en uitbreiden van nieuwe madrichiem. Opvolgers zijn er al: Ruthie Hitzhusen en Dalit Machin, die al in het bestuur zaten en de komende twee jaar als jongerenwerkers het werk over zullen nemen.

LJG Twente bestaat 50 jaar Op zondag 29 mei/28 iyar vierde de LJG Twente haar 50-jarig bestaan. Ook werd gevierd dat 40 jaar geleden de sjoel uit 1828 na jaren van leegstand weer kon worden ingewijd. Maar dat waren niet de enige redenen voor een feest. H et was Chanoeka 1971 toen enkele gezinnen met kinderen - onder andere de families Van der Horst, De Goede en kort daarna ook de familie Numann - in Enschede bij elkaar waren en besloten tot het oprichten van een nieuwe kehilla op progressieve grondslag. Dat was het begin van de LJG Twente ‘Or Chadasj’ – een Nieuw Licht dat moest gaan schijnen vanuit het oosten. Daarna volgden nieuwe leden. Sommigen waren lid van de lokale NIG’s, anderen kwamen van de LJG Amsterdam of de LJG Arnhem en er kwamen ook mensen bij die nog nergens lid waren. Saamhorigheid De oprichting vond 50 jaar geleden plaats. Afgelopen Chanoeka kon het hiervoor geplande feest wegens de lockdown nog geen doorgang vinden. In mei lukte dat wel. Een drukbezochte middagdienst in sjoel was de aftrap. Onder de gasten bevonden zich burgemeester Welten van Haaksbergen, de Commissaris van de Koning in Overijssel Heidema, de voorzitter van de Landkreis (Regioraad) Grafschaft Bentheim in Duitsland en enige vertegenwoordigers uit kerkelijke kring, de voorzitter van de naburige NIG en afgevaardigden vanuit ons Verbond, waaronder voorzitter Yvonne Walvisch. In zijn derasja wist rabbijn Albert Ringer deze zingende kille goed te typeren aan de hand van ‘Al sjelosja dewatekst Bert Oude Engberink rim:’ Tora, Avoda en Gemiloet Chassadim. Lernen, gezamenlijk de religieuze kalender en elkaars levensmomenten beleven en onderlinge saamhorigheid en maatschappelijke betrokkenheid kenmerken volgens de rabbijn zijn kehilla. Met ‘Jeroesjalajim sjel zahav’ van Naomi Shemer als uitsmijter vertrok men van sjoel naar het grand café van het nabijgelegen Theater de Kappen voor een gezellige receptie, waar bij koffie, koek, veel hapjes en een goed glas geswingd kon worden op muziek van klezmerband Freilach. Veertig jaar sjoel Haaksbergen Veertig jaar sjoel Haaksbergen was ook een mijlpaal om bij stil te staan. Evengoed was 6 juni 1982 geen inwijding geweest, als de plannen van de toenmalige gemeente Haaksbergen waren doorgegaan. De leegstaande sjoel zou plaats moeten maken voor het nieuwe stadhuis. Als herinnering aan de weggesaneerde sjoel was er dan een mooie Magen David in het plaveisel aangebracht en ergens een plantenbak met een herinneringsbordje geplaatst. Op enig moment bleek het mikwe ineens te zijn gesloopt. Toen de sloper ook klaarstond het sjoelgebouw omver te duwen werd het Comité tot Behoud van de Synagoge van Haaksbergen opgericht, onder andere door Bart ten Bruggencate, voor de restauratie van de sjoel. Inmiddels had David Lilienthal, rabbijn van de LJG Twente, via de conservator van het Synagoge Haaksbergen, 6 juni 1982 (l) en 29 mei 2022 Joods Historisch Museum rabbijn Edward van Voolen vernomen dat dit pas geredde sjoeltje een nieuwe gebruiker zocht. En zo kwam de sjidoech tussen de LJG Twente en de sjoel - nu een rijksmonument - tot stand. Om de honderd jaar vol te maken: rabbijn Albert Ringer viert dit jaar zijn eerste decennium als rabbijn van Twente. 11 TIM VAN DINGSTEE

Van God los? 12

Kan iemand een ‘goede Jood’ zijn zonder in God te geloven? Deze vraag is relatief modern. Hoewel het mainstream Jodendom altijd op God is gericht geweest, hebben denkers visies op het Jodendom geformuleerd waarin God minder centraal staat. Daniel Septimus schrijft hierover in My Jewish learning1. Maar waar vinden we de opdracht om in God te geloven? * Het verrassende is dat de chachamiem geen boodschap hebben aan de inmenging van Gods stem en in meerderheid besluiten dat Eliezer toch ongelijk heeft. Want zeggen ze: “We zijn niet in de hemel”. En vervolgt het tractaat: God kijkt ernaar en zegt glimlachend: “Mijn kinderen hebben mij verslagen”. En hierop berust de Joodse regel dat wij op aarde verantwoordelijk zijn voor het wel en wee. God heeft zich niet teruggetrokken van de mens maar de mens heeft God verwezen naar Zijn plek in de wereld. Het geloof in God lijkt minder centraal in de eerste eeuwen na de val van de tweede tempel1 dan voor Joden in de Middeleeuwen wanneer geloof overal een centralere plek gaat innemen. Joden deelden altijd wel basale opvattingen zoals het geloof in één God die hen uit Egypte leidde en de uiteindelijke Messiaanse verlossing. Maar officiële opvattingen en dogma’s werden pas in de Middeleeuwen geformuleerd. I n de oudheid en de Middeleeuwen werd het bestaan van God (of goden) niet in twijfel getrokken. Ook de middeleeuwse filosofen – Joods, christelijk en islamitisch – die Gods bestaan probeerden te bewijzen deden dat vooral door aan te tonen dat religie rationeel is. Atheïsme (er is geen God) en agnosticisme (ik weet niet of de Eeuwige bestaat) kwamen pas in de moderne tijd op als reële opties. Dit als gevolg van secularisatie, de scheiding van kerk en staat en vooral het vertrouwen in de wetenschappelijke verklaringen van natuurlijke fenomenen. God als almachtige, maar bereikbare partner Mosje zegt tegen het verzamelde volk: בֵרֹחְּב--תיִרְּב ּונָּמִע תַרָּכ ,ּוניֵהֹלֱא הָוהְי. ’God sloot een verbond met ons op de berg Horeb.’ En hij gaat verder: :תאֹּזַה תיִרְּבַה-תֶא הָוהְי תַרָּכ ,ּוניֵתֹבֲא-תֶא אֹל םיִּיַח ּונָּלֻּכ םֹוּיַה הֹפ הֶּלֵא ּונְחַנֲא ,ּונָּתִא יִּכ. ‘De Eeuwige sloot dit verbond niet met onze voorvaders, maar met ons die hier vandaag aanwezig zijn.’ De Joodse verhouding tot God is anders dan van andere monotheïstische religies. Mosje zegt dat God weliswaar almachtig is, maar ook een bereikbare partner: Awraham onderhandelt met God2 over Sdom, Mosje klaagt tegen God dat Hij niet goed zorgt voor het volk en in Sjemot 32:11 roept Mosje God zelfs op het matje wanneer die het volk dreigt te vernietigen. “En God had spijt van zijn kwade voornemens jegens het volk”. God terug op Zijn plaats In het talmoedtractaat Bava Metzia 59 staat het beroemde verhaal over de discussie of de oven van Achnai wel of niet koosjer is. Rabbi Eliezer wil zijn gelijk bewijzen door de stem van God in de strijd te gooien. En die stem klinkt inderdaad en ondersteunt zijn visie. Geboden uitvoeren tekst Rosa van der Wieken illustratie Rosa Snijders Het begint al met de Tien Uitspraken. ‘Ik ben de Heer, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd. Vereer naast mij geen andere goden”. Dan volgen vele opdrachten om uit te voeren of na te laten. Maar nergens staat: en u moet in mij geloven. Het wordt verwacht, maar het staat nergens terwijl we ervan uitgaan dat er geen letter te veel of te weinig in Tora staat. Het rabbijnse Jodendom3 eiste עמשנו השענ Na’aseh wenisjma: je moet de geboden uitvoeren, het geloof volgt wel. Deze uitspraak heeft twee kanten: Enerzijds een patroniserende opvatting dat als je de dingen maar doet zoals opgedragen, je het belang vanzelf wel ontdekt. En voor wie het geloof door studie niet haalbaar is blijkt dit een goed begaanbare weg naar het Jodendom. Aan de andere kant gaat het uit van een autoriteit die besluit wat je moet uitvoeren zonder zelf na te denken. Er bestaat iets waarop je vertrouwt, maar die extra stap om te beweren dat God bestaat, wordt niet genomen of misschien vermeden. Doctrines: God bestaat - of niet Pas in de Middeleeuwen gaan Joodse filosofen doctrines formuleren. De 13 geloofspunten van Maimonides - waaronder verschillende dogma’s over God - zijn daar een beroemd voorbeeld van. En hij beweert daarin wel dat God bestaat. Niet die punten waren revolutionair, maar wel dat Maimonides eraan vastknoopte dat deze punten essentieel waren voor de Joodse identiteit. Niet langer was de rabbijnse biologische definitie van de Joodse moeder voldoende, waarbij je verder kon geloven wat je wilde. Wanneer je zijn 13 geloofspunten begreep en geloofde dan was je volgens Maimonides deel van de kehilla van Israël. Volgens deze definitie moet je dus in God geloven om Joods te zijn. Het lijkt of deze eis kwam bovenop de biologische definitie. Het rabbijnse Jodendom4, evenals het Bijbelse Jodendom, heeft wel een concept van geloof, 13 >

Een leven vol inspiratie Sonja Barend en Ronit Palache in gesprek DINSDAGAVOND 25 OKTOBER IN DE SJOEL VAN DE LJG AMSTERDAM Ruim dertig jaar domineerde ‘de koningin van de talkshow’ Sonja Barend het Nederlandse televisielandschap – vrijwel iedereen die er toe deed kwam bij haar aan de talkshowtafel. Met haar persoonlijke manier van vragen stellen en scherpe observaties wist ze van elk interview een feest te maken. Koop kaartjes via de website van Crescas en kom naar het live gesprek van Ronit Palache met Sonja Barend. Amsterdam, dinsdag 25 oktober 2022 • 20:00-21:30 uur • € 12,00 info@crescas.nl • 020-640.23.80 • www.crescas.nl Beste vrienden van het JNF, We zijn enorm blij met uw steun via mooie giften, legaten, gouden boekcertificaten, boomcertificaten en boomabonnementen. Heel veel dank daarvoor. We realiseren ons goed dat ons werk alleen mogelijk is dankzij uw donaties. Het afgelopen jaar hebben we, samen met u, vele projecten uitgevoerd. Zoals het project in Ramat Hanegev, dat met organisch afval energie opwekt, het herstel van het Balfour Woud, het planten van nieuwe bossen in de Negev woestijn, en het project voor kansarme kinderen in onze bossen en landbouwprojecten. Daar zijn we heel trots op. U leest er meer over in ons nieuwe JNF Experience Magazine. Heeft u het niet ontvangen? Bestel het gratis via de onderstaande QR-code of bel ons: 020-6466477. Uw steun blijft hard nodig. Samen brengen we Israël duurzaam tot bloei. Bedankt dat we altijd op uw steun mogen rekenen. Namens het JNF team: Shana Tova Oemetoeka! David (Doedoe) Kornmehl Voorzitter Joods Nationaal Fonds Vivian Rinat Directeur scan de QR-code Brengt Israël t ot bloei! Joods Nationaal F onds Br engt Isr ael tot bloei!

maar beweert niet dat God bestaat. Menachem Kellner zegt: Dit impliceert natuurlijk wel dat er iets bestaat waarop je vertrouwt, maar die extra stap om te beweren dat God bestaat, wordt niet genomen of misschien vermeden. Buber gelooft in de waarde van de relatie met de ander (Du) in het algemeen en met God - de Eeuwige Du - in het bijzonder. Volgens Buber kan de mens in die relatie God altijd vinden en kan het individu zo dus rechtstreeks tot God spreken. Daarvoor is de erkenning van Gods bestaan dus essentieel. Maar wie of wat de Eeuwige is omschrijft hij niet. Terug naar de niet dogmatische opvatting Veel moderne liberale theologen probeerden terug te gaan naar de niet-dogmatisch vroegrabbijnse opvatting. Zij benadrukken dat de Middeleeuwse dogma’s het Jodendom hebben misvormd. Moderne progressieve denkers zoals Leo Baeck en Solomon Schechter trokken overigens het bestaan van de Eeuwige niet in twijfel, maar anderen deden dat wel. De ontwikkeling van God volgens Erich Fromm Erich Fromm, een humanistisch filosoof, beschrijft hoe in Tora5 de Eeuwige in het begin een absolute heerser is die de wereld kan vernietigen als die Hem niet bevalt. In de volgende fase doet Hij echter afstand van Zijn absolute macht door een verbond met de mensheid te sluiten. Hij onderwerpt Zijn macht aan de voorwaarden van dat verbond. In de derde fase van Gods ontwikkeling openbaart Hij zich weliswaar aan Mozes, maar als een naamloze God (Maimonides gaat overigens nog een stap verder door te stellen dat er niets over God gezegd kan worden). Volgens Fromm zou de volgende stap de volledige afwijzing van God moeten zijn. Hij vindt dat een atheïst heel dicht bij een volledig Joods leven kan komen, omdat het Jodendom zich eigenlijk niet bezighoudt met geloofsovertuigingen. Ontzag boven geloof: Howard Wettstein Abraham Joshua Heschel zegt dat de mens in Tora niet ‘gelovig’ wordt genoemd maar yaree hasheem, iemand met ontzag voor God. “Ontzag - in plaats van geloof - is de basishouding van de religieuze Jood”. Deze mening is misschien nog beter te vatten als we ontzag vervangen door eerbied. De filosoof Howard Wettstein6 baseert zich op deze tekst van Heschel als hij nog een stap verder gaat. Al is zijn visie op het Jodendom traditioneler dan die van Fromm, hij accepteert ook een Jood die een bovennatuurlijke God helemaal verwerpt. Wettstein beweert dat ontzag een kenmerkend onderdeel is van de joodse religieuze levenshouding. De Joodse religieuze praktijk – gebed, Tora-studie, het ritme van de Joodse kalender – is bedoeld om dit te ondersteunen. Veel moderne liberale theologen benadrukken dat de Middeleeuwse dogma’s het Jodendom hebben verbasterd. Hij vindt wel dat het Joodse ontzag bedoeld is voor de Eeuwige en leidt tot een zinvol bestaan. Maar daarnaast vindt hij dat zo’n zinvol leven ook beschikbaar moet zijn voor wie een bovennatuurlijke God verwerpt. Zo iemand is niet anders dan iemand die wel in de Eeuwige en het Jodendom gelooft, maar toch niet elk bijbels verhaal letterlijk neemt terwijl dat niets afdoet aan de betekenis van het verhaal. Als voorbeeld schrijft hij: “Het idee van sjabbat, als tijdelijke onttrekking aan creatief betrokken zijn bij de wereld en als spirituele vernieuwing, zal onaangetast blijven. Zoals je betekenis kan vinden in een verhaal zonder het letterlijk te geloven, zo kan je ook betekenis vinden in het Jodendom zonder te geloven in een bovennatuurlijke God.” Van God los: de seculier humanistische beweging Noten 1 De geschiedkundige feiten zijn daar grotendeels aan ontleend 2 Beresjiet 18:23, In Sjemot 5:23 3 Het zgn rabbijnse tijdperk van ca 70 tot t/m de codificering van de Talmoed eind 6e eeuw algemene jaartelling 4 Het rabbijnse Jodendom: Het mainstream Jodendom vanaf 7de eeuw 5 You shall be as Gods 6 filosoof aan de Universiteit van Californië schreef “Awe and the Religious Life” Uit de Haskala (Verlichting) kwam een stroming voort die niets moet hebben van een Godsbeeld. Ze vinden zelfs dat geloof in God de mens devalueert, omdat het suggereert dat de bron van menselijke waarde buiten de mens zelf ligt. Een beroemde exponent van deze stroming was Achad Ha-am. Deze kleine denominatie wordt sinds de zestiger jaren van de vorige eeuw het ‘humanistisch Jodendom’ genoemd en richt zich op Joden die zich Joods willen identificeren maar met de nadruk op cultuur, (gemeenschappelijke) geschiedenis en identiteit. De feestdagen worden niet meer religieus maar cultureel ingevuld. Ook in Nederland is er een groep actief. * Ik gebruik afwisselend God en de Eeuwige waarbij ik God een aanduiding acht en De Eeuwige al een mening over de Altijdzijnde. Dus, moet een Jood geloven? In Beresjiet 32 worstelt Jacov met een man en besluit dat het God zelf moet zijn. De strijd duurt de hele nacht. Als God tegen de ochtend vraagt om Hem te laten gaan vraagt Jacov om Zijn zegen. De strijd lijkt onbeslist, maar God zegt: “Je zal Israël heten omdat je hebt gestreden met God en mensen, en hebt gezegevierd.” Wat een metafoor! We zijn door die worsteling het volk Israël geworden en worstelen door met God. En wij kunnen zegevieren (of God laat ons winnen). Ondanks alle rationele argumenten voelen de meeste Joden zich ongemakkelijk bij het idee van een Jodendom zonder God. In 1994 verwierp de UAHC (de toenmalige raad voor de Reformbeweging) een aanvraag voor lidmaatschap van een sjoel - die aangaf Jodendom met een humanistisch perspectief te beoefenen -, omdat hun principes afweken van “de historische Godsoriëntatie van het reform-Jodendom”. Dus, moet een Jood in God geloven? Een vraag die we traditiegetrouw kunnen beantwoorden met niet één, maar vier wedervragen: wie bepaalt wat we moeten, wie is een Jood, wanneer is sprake van geloven en, natuurlijk, wie of wat is God, de Eeuwige. Kortom: waarschijnlijk wel en waarschijnlijk ook niet. 15

Een kennismaking met de Progressief Joodse Gemeente Midden Nederland: Beit Misjpacha Chadasja, het huis van de nieuwe familie in Culemborg. Nieuwe progressieve kille in midden Nederland O ngeveer een jaar geleden stonden we als nieuwe Kehilla in de oude sjoel van Culemborg. Dit gebouwtje werd voor het eerst sinds 1947, toen de Kille Kuilenburg werd gesloten en verenigd met de Joodse Gemeente in Utrecht, weer in gebruik genomen. Het was een groots moment, want wat is er mooier dan weer de gebeden en gezangen te horen en hier onze dienst te kunnen komen vieren? Het geeft een bijzonder gevoel om hier een thuis- een bajit- te mogen vinden voor onze ‘Misjpacha Chadasja’. Het gebouw is mooi gerestaureerd en goed onderhouden door de Nederlandse Gereformeerde Kerk, de eige16 tekst Isabel Son, voorzitter ‘Wij willen het kennisniveau verhogen door samen te lernen en lessen te geven.’ naar die ons zeer ter wille is zodat wij er onze sjabbatmorgendiensten kunnen houden. Overigens is de historie van dit gebouw nauw verbonden met de leden van onze kehille. Zo heeft één van mijn eigen familieleden in 1867 op de renteloze lening ingetekend om dit gebouw te kunnen financieren! Maar ook zijn enkele van onze leden rechtstreeks familie van de grote namen uit de historie van de voormalige joodse gemeente in Culemborg. Samen invulling geven Voor die eerste dienst hadden we een jaar lang nagedacht over wat voor gemeente we wilden zijn. We wilden graag een actieve deelname

‘Twee van onze leden om samen invulling te geven aan de dienst en een plek zijn waar mensen graag samenkomen om bij te praten. Dit is ook de reden waarom we veel aandacht willen besteden aan lernen, waarbij onze leden meegenomen worden in het hoe en waarom van de dienst. We willen het kennisniveau verhogen door samen te lernen en lessen te geven, onder andere in zang. Niet alle leden hebben dit nodig, maar als nieuwe gemeente is het ook goed om de gemeenschappelijke kennis te delen en zo te vergroten. Om ook een goede balans tussen sjoel en thuis te houden, vragen we dat leden hun huis met feestdagen voor elkaar openstellen. Tora-rollen in bruikleen Wij willen minimaal tweemaal per maand bijeenkomen in de hoop dat het in de toekomst frequenter kan. Vooralsnog houden we eenmaal per maand een Sjabbat-dienst in Culemborg en éénmaal per maand op een andere locatie in de Bilt op vrijdagavond waar we de kaarsen aansteken en de brachot zeggen. Deze avonden worden verder ingevuld met lernen of bijvoorbeeld zanglessen. Als jonge kehille is het uiteraard nodig om inventief te zijn. Wij hadden op onze wensenlijst minimaal één Sefer staan om er tijdens de reguliere diensten uit te kunnen lajenen. We waren daarom oprecht blij en dankbaar dat we het aanbod kregen twee Tora-rollen in bruikleen te krijgen van de Nederlands Israelitische Gemeente Oss. Een ‘Nes Gadol’ dat wij nooit hadden verwacht. Deze rollen zijn ook gekomen met prachtige versierselen. Het is een rijkdom om met deze rollen de diensten te mogen houden. Voor de aankleding van de Tora-rollen en de sjoel hebben we giften ontvangen en hebben onze eigen leden van alles gemaakt! Meer nodig dan idealisme Het was belangrijk voor onze leden om toe te treden tot het Verbond en zo onderdeel te worden van de liberaal joodse gemeenschap in Nederland. En het verheugt ons zeer dat Rabbijn Peter Luijendijk ons wil bijstaan ondanks zijn drukke agenda. Maar uiteraard is er 17 Torah-rollen kregen we in bruikleen van de Nederlands Israëlitische Gemeente Oss.’ meer nodig dan idealisme om een gemeente te kunnen oprichten. We prijzen ons gelukkig dat we veel mensen hebben weten aan te spreken met onze ideeën. Onze gemeente is er voor alle mensen in midden Nederland, dat wil zeggen een gebied met een straal van 30 kilometer rondom Amersfoort, waar wij officieel gevestigd zijn. ‘De Gereformeerde Kerk is eigenaar van de sjoel en wij kunnen hier onze sjabbatdiensten houden.’ Lidmaatschap Ben je joods, dan kun je lid worden van Beit Misjpacha Chadasja. Door dit lidmaatschap mag je anticiperen in de dienst. Andere geïnteresseerden (zoals mensen met een joodse vader) die niet zijn uitgekomen, kunnen ‘vriend’ worden. Voor beide groepen zijn de kosten voor het lidmaatschap hetzelfde. De kille wil dat het lidmaatschap betaalbaar is voor zoveel mogelijk mensen. Bne Mitzwa worden zelf lid met een contributie van nul euro. Deze regeling geldt ook voor studenten. Zo hoopt de gemeente ook de jongeren aan hen te kunnen binden. Diensten Diensten worden op sjabbat in Culemborg gehouden en vrijdagavond met lernen in de Bilt, om de twee weken. Graag van tevoren aanmelden bij onze secretaris door een e-mail te sturen naar: secretarispjgmn@gmail.com

What’s in the Name? Van de scheppende kracht tot het met opzet verbergen van de goddelijke identiteit: een verkenning van de naam van God in de joodse traditie. W ie een sidoer of machzor openslaat die in sjoel gebruikt wordt voor sjabbat dan wel feestdagen, zal geen moeite hebben om teksten tegen te komen waarin de naam van God wordt genoemd. Deze naam wordt niet uitgesproken en in alledaags gebruik aangeduid met als ha-Sjeem, ‘de Naam’. Eerbied voor de naam bestaat van oudsher en is in alle vertakkingen van de joodse traditie te vinden. Bijbelse en rabbijnse verklaringen smolten samen in een algemeen aanvaard idee: de heilige naam van God bezit ongekende kracht waarvan onze wereld en het hele universum doortrokken is. 18 tekst Wout van Bekkum Scheppende kracht De naam van God bestaat uit vier letters met een herhaling van de letter h op de tweede en vierde positie (j-h-w-h) of uit drie unieke letters j-h-w die in talrijke namen voorkomt en als -jahoe of -yahu wordt uitgesproken, veelal afgekort tot -ja of -yah. De daarmee verbonden ideeën in Bijbel en rabbijnse literatuur beschouwen de goddelijke naam als onderdeel van de scheppende kracht van het Hebreeuwse alfabet. Met letters en combinaties van letters is de wereld geschapen en alles wat zich daarin bevindt, zo is de conclusie uit de beginverzen van de Tora. In de Midrasj komen we de vroegste tradities tegen, waarin letters met elkaar concurreren om de gunst van God. Zo beklaagt de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet, de Alef, zich over het feit dat de Tora begint met de tweede letter, de Beet, in het woord Bereesjiet (‘In den beginne’). God toont begrip voor het feit dat de Alef zich gepasseerd voelt en zal dit goedmaken door de Tien Geboden of Uitspraken te beginnen met het woord Anokhi (‘Ik’), gespeld met een Alef, in het vers “Ik ben de Eeuwige, jouw God, die jou uit het slavenoord Egypte heeft geleid”.

Mosjè en de goddelijke naam Het beste hoofdstuk om inzicht te krijgen in de manier waarop met de goddelijke naam wordt omgegaan, is Sjemot (= Namen = Exodus). De opeenvolging van literaire motieven is verrassend: Mosjè wordt ingeleid als herder die in opdracht van zijn schoonvader Jitro een kudde weidt tot diep in de woestijn. Daar ziet hij een verschijning van een goddelijke afgezant in een vlammend vuur dat niet uitdooft, midden in een struik. Wat Mozes ziet, wordt vanaf vers 4 gewijzigd in wat hij hoort: eerst tweemaal zijn eigen naam, dan de opdracht om zijn schoeisel uit te trekken. Vervolgens klinkt de stem van God die zich voorstelt als de God van zijn eigen vader Amram en pas dan als de God van de drie aartsvaders. Een rabbijnse traditie stelt dat God Mosjè aansprak met de stem van zijn eigen vader om hem niet de stuipen op het lijf te jagen. Pas als Mosjè vraagt wat de wens van zijn vader is, stelt God zich voor als de God van Abraham, Izak en Jacob. In het vervolg blijkt de aanduiding ‘God van jullie voorvaders’ niet te voldoen om daarmee het volk onder ogen te komen. Op de vraag van Mosjè ‘wie zal ik zeggen die mij heeft gestuurd?’ is het antwoord: Ik ben die Ik ben, dit is wat jij tegen de kinderen van Israël moet zeggen: ‘Ik ben is het die mij naar jullie heeft gestuurd’. Met opzet verborgen Daarmee zijn wij terug bij de vier letters van de goddelijke naam waarvoor talrijke verklaringen worden geboden. De meeste exegeten leggen een verbinding met het Hebreeuwse werkwoord h-w-h of h-j-h met de connotaties ‘zijn’, ‘bestaan’, ‘gebeuren’, grammaticaal in de eerste persoon enkelvoud, tegenwoordige dan wel toekomende tijd. Het is in dit verband goed om naar de vele vertaalvarianten te kijken. De Grieks-Joodse Bijbelvertaling Septuaginta heeft: ‘Ik ben degene die is’, waarmee het absolute bestaan van God wordt uitgedrukt. Martin Buber en Franz Rosenzweig kiezen in hun 20e-eeuwse Duitse vertaling voor ‘Ich bin da‘ en leggen zo de nadruk op Gods aanwezigheid in de wereld. In de joodse traditie wordt de goddelijke naam vooral als een titel beschouwd die geen verdere informatie bevat over het wezen van God, een opzettelijke verborgenheid van goddelijke identiteit. Alleen de Naam is bekend en door God zelf bekend gemaakt. Een Godheid die doorwerkt In joods gebed en gezang is alles eraan gelegen om de Naam te heiligen als uiting van een Godheid die in verleden en heden doorwerkt in geschiedenis en bestemming van het volk van Israël. Het is opvallend hoe vanaf het begin van de gangbare jaartelling in sjoels en leerhuizen van de diaspora met de Godsnaam is omgegaan. Op grond van enkele PsalmIn de Midrasj komen we de vroegste tradities tegen, waarin letters met elkaar concurreren om de gunst van God. De vier-letternaam van God in oud Hebreeuws schrift, Psalm 133, Dode Zee-rol De goddelijke naam wordt vooral als een titel beschouwd die geen verdere informatie bevat over het wezen van God. verzen kan de Naam zelfstandig en separaat worden verheerlijkt die dan al lang wordt uitgesproken met het substituut Adonaj, Heer. In de handschriften en latere gebedenboeken volstaat de aanduiding met de dubbele of driedubbele letter Jod, om de Naam tegen misbruik of onjuist gebruik te beschermen. De Naam wordt opgevat als een ‘onuitsprekelijke Naam’ die een centrale plaats inneemt in de gevoels- en denkwereld van het Jodendom. Kabbalisten zoals Jozef ben Abraham Gikatilla (13e-eeuws Spanje) stelt dat de Tora alleen maar uit naamwoorden bestaat die allemaal van de ene essentiële Naam zijn afgeleid. De eveneens 13e-eeuwse Spaanse Kabbalist Abraham Abulafia is voorzichtiger en beschouwt de term ‘Ik ben’ als een eerste toespeling op de werkelijke naam van God die aan mensen onbekend is. Een bonte stoet aan benaderingswijzen trekt voorbij, wanneer men de joodse bronnen opslaat. Wout van Bekkum is emeritus Hoogleraar Midden-Oosten Studies aan de Rijksuniversiteit Groningen. Creatieve toepassing De vier-letterige naam van God is niet alleen voor altijd prijzenswaardig, maar blijkt bij de juiste toepassing ook effectief om ziekten en gevaren te weren, demonen uit te drijven of om er zelfs een golem mee te scheppen van vormloze materie naar een bezield wezen. Het Praagse verhaal is het bekendst, maar zeker niet het enige. Hiermee keren wij terug naar de creatieve toepassing van Hebreeuwse letters waarmee God het leven schiep, maar waarmee goed ingevoerde rabbijnen levende wezens kunnen opwekken. Dit sterke motief is vaak los van de oorsprong doorgedrongen in de literatuur als ook in een film zoals de Lord of the Rings of in het Pokémon-spel. De zegkracht van de Godsnaam heeft uiteindelijk niets aan invloed ingeboet. 19

Gekoesterd, gekregen of gekocht, maar in elk geval dierbaar: LJG-ers over hun favoriete joodse object. tekst Sarah Bremer foto’s Claudia Kamergorodski Dit halfronde vestibuletafeltje was van mijn grootouders. Vorig jaar augustus heb ik het teruggekregen. Philip Menco Het emotioneert me dat het na tachtig jaar bij mij is terecht gekomen, omdat het me tastbaar verbindt met mijn grootouders. Hoe het bij me is gekomen, is een bijzonder verhaal. Vorig jaar vertelde ik aan mijn kinderen hoe mijn vader uit Westerbork ontsnapte. Hij was toen achttien en samen met een leeftijdsgenoot marcheerde hij op vijf november 1942 het kamp uit. Dat is heel bijzonder, want maar weinig joden zijn erin geslaagd te ontsnappen. Mijn dochter ging direct op zoek naar meer informatie, want ik wist maar heel weinig van zijn oorlogsgeschiedenis. Je moet weten dat mijn vader al in 1970 overleed toen hij 46 jaar was en ik pas dertien. Hij heeft nooit veel verteld over de oorlog en ik was te jong om ernaar te vragen. De zoektocht bracht direct enorm veel informatie boven water. Ik schreef een stukje over mijn vader op het joods digitaal monument wat weer voor een nieuwe lawine aan informatie zorgde. Zo ontdekte ik dat mijn grootouders, David en Elisabeth Menco – Lindeman samen met hun kinderen Nathan (mijn vader) en Sallie (zijn jongere broertje) voor de oorlog in Nijmegen woonden. Zij hadden een manufacturenwinkel aan de Lange Hezelstraat. Juni vorig jaar stond in een plaatselijk krantje een artikel over de geschiedenis van het huis waarin de buren van mijn grootouders hadden gewoond. Daarin werd de kleindochter van bakker Weijers geïnterviewd. Zij vertelde: ‘Ik heb nog een tafeltje van de joodse mensen die naast mijn grootouders woonden voor de oorlog. Mijn grootouders, mijn moeder en nu ik hebben het al die jaren bewaard voor als iemand terugkomt.’ Vorig jaar augustus heeft ze het mij teruggegeven. Mijn grootvader kwam uit een gezin van zes kinderen uit Oldenzaal. Allemaal zijn ze met hun gezin vermoord. Alleen mijn vader en een neef, de zoon van zijn jongste tante, hebben het overleefd. Door alle informatie heb ik de verhalen over mijn grootouders en hun kinderen en zelfs mijn overgrootouders kunnen reconstrueren. Op het Joods Monument kon ik de hele familie een gezicht teruggeven. Tachtig jaar nadat zij zijn vermoord komen ze weer een beetje tot leven. Zolang wij leven, zullen zij leven. En het tafeltje? Het staat hier bij ons in huis en net als bij mijn grootouders wordt het weer gebruikt.” Philip Menco (1956) woont met zijn vrouw Francine Püttmann in Amsterdam. Zij hebben 2 kinderen en zijn actief lid van de LJG Amsterdam. 20

Ruth Feigenbaum Dit is het Gebetbuch dat mijn overgrootouders Sigmund en Jeannette Gutfeld hebben meegegeven aan hun dochter Leonie Feigenbaum (mijn grootmoeder) voor hun enige kleinkind, mijn vader Heinz Feigenbaum. De inscriptie begint: ‘Zum Andenken an Ihrem Grosseltern ‘ en eindigt met ‘Friede sei auf Erden! Amen. Wien im Jahre des Pogroms 1938’. Mijn grootvader Hans Feigenbaum had een hoedenfabriek in Wenen. Zijn zoon Heinz, mijn vader geboren in 1921, was een briljante gymnasiumleerling in Wenen. Hij was lid van ‘Betar’ (een zionistische Joodse jeugdvereniging), waar hij heeft leren vechten als lijfsbehoud. In 1938, hoorde hij als 17-jarige Hitlers toespraak in Wenen. Toen zijn vader, die voor zaken op reis was, naar huis belde, waarschuwde hij hem: “Hitler heeft gebruld vanaf het bordes van de Hofburg en de mensen juichten. Pappa, niet terugkomen, het is helemaal mis hier.” Opa reisde naar Nederland. Oma besloot mijn vader ook naar Nederland te sturen, maar heeft hem dat pas op de dag van vertrek gezegd. De avond ervoor zijn ze bij haar ouders geweest. Hij wist niet dat dit de laatste keer was dat hij zijn geliefde grootouders zou zien. Zij zijn vanuit Wenen gedeporteerd en daarna vermoord. Drie weken later is oma naar Nederland gekomen mét het Gebetbuch. Mijn vader ging naar Hachsjara, de voorbereiding voor emigratie naar Israël. Hij leerde daar lassen en paarden beslaan. Vanwege de oorlogsdreiging besloot hij zijn ouders niet alleen te laten en ging niet op aliya. Uiteindelijk zijn zij in Westerbork terecht gekomen, waar hij het ketelhuis heeft gebouwd. Zijn vriendin Sarina moest op transport en om dat te voorkomen zijn zij getrouwd. Toen zij negen maanden zwanger was moesten zij alsnog op transport. Alleen oma en mijn vader hebben het overleefd. Mijn ouders hebben elkaar ontmoet in 1951. Ik ben in 1952 geboren, mijn zusje in 1954. Mijn moeder is koerierster geweest in de oorlog, haar verloofde was vermoord. Mijn vader heeft in een aantal concentratiekampen gezeten en werd op 5 mei 1945 uit Mauthausen Heeft u ook een object met een voor u speciale (joodse) betekenis? Laat het ons weten en stuur een email naar redactie. joodsnu@gmail.com bevrijd. Er werd altijd over de oorlog verteld, maar dan vooral de stoere verhalen. Al heel jong was ik mij bewust van de oorlogsgeschiedenis. Mijn zusje en ik werden met linkse idealen opgevoed zonder uitleg over godsdienst. We hadden een kerstboom en daarnaast stond de chanoekia. Alle vrienden waren Joods, met hen vierden we de feesten. Wij kregen geen Joodse les, maar ik kon alles aan mijn vader vragen. Ik ging bij Haboniem, werd madricha. Op mijn 16de was ik voor het eerst in Jeruzalem en ik kon alleen maar huilen, zo bewust werd ik mij van de geschiedenis. Later heb ik weloverwogen gekozen voor het lidmaatschap van de LJG. Ik wilde mijn kinderen een Joodse opvoeding geven, sjabbat en de feesten vieren, naar Joodse les gaan. Dit Gebetbuch is ‘meine Geschichte’. Het is een pijnlijk en tegelijk ook een belangrijk deel van mijn leven. Ik ben opgegroeid met de oorlog én het Jodendom. Mijn identiteit is ook verbonden met Wenen. Ik ben een trotse Feigenbaum.” Ruth Feigenbaum (70) is lid van LJG Den Haag. Ze werktonder andere als psychoanalytisch psychotherapeut. Zij heeft 2 kinderen en 4 kleinkinderen. 21

• PERSOONLIJK Philippe Kletzkine 22

Philippe Kletzkine is bijna zijn hele carrière bezig met de ruimte buiten onze dampkring: deep space. Een gesprek over hoe het bestuderen van het heelal je confronteert met de nietigheid van de mens. En hoe daarmee om te gaan. Tussen hemel en aarde P robeer het onvoorstelbare toch voor te stellen. Op een afstand van meer dan 700 miljoen kilometer van de aarde, in donker deep space, wordt de kleine robot Philae van de ruimtesonde Rosetta losgekoppeld en zacht naar de komeet 67P-Tsjoerjoemov-Gerasimenko geduwd. Praktisch elke krant deed in 2014 verslag van dit hoogtepunt van de ruimtereis die Rosetta in 2004 was begonnen. Philae was het ‘kindje’ van Philippe Kletzkine, lid van LJG Den Haag. Als ingenieur ontwierp hij met veel collega’s de robot voor het European Space Agency (ESA) in Noordwijk, dat leiding gaf aan een aantal Europese wetenschappelijke instellingen. “Rosetta was een volledig geautomatiseerd en gerobotiseerd laboratorium dat naar de komeet werd geleid”, legt Philippe uit. “Maar eigenlijk waren het zelfs twee laboratoria: één aan boord van het Rosetta-moederschip en één kleiner aan boord van Philae, dat naar de oppervlakte van de komeet zou worden gestuurd.” De reis naar de komeet duurde tien jaar. Toen cirkelde Rosetta maandenlang rond tekst Hester Stein Foto’s Carla van Thijn ‘Ik was niet zo’n kind was dat ’s nachts urenlang met een verrekijker naar de sterren zat te kijken.’ Onbekende gebieden in kaart brengen De reis van Rosetta eindigde twee jaar later toen ze gecontroleerd zacht ‘neerstortte’ op de 67P. “Maar met de data die de ruimtesondes hebben opgeleverd kan de wetenschap nog jarenlang vooruit. Bijvoorbeeld om de vraag te beantwoorden waar water en complexe organische moleculen op aarde vandaan komen, of hoe verschillende planeten ontstaan.” Na de Philae bouwde Philippe onder meer aan de Solar Orbiter, een complex wetenschappelijk laboratorium dat in 2020 naar de zon werd gestuurd. De Solar Orbiter maakt nog steeds op een afstand van 42 miljoen kilometers foto’s van de zon, doet veel andere waarnemingen van de omgeving van de zon en brengt onbekende gebieden in kaart. “Dit onderzoek is ook zeer belangrijk om de invloed van zonactiviteit op onze kwetsbare elektronische systemen op aarde te kunnen voorspellen.” Inmiddels is Philippe met pensioen, hoewel 23 de komeet, waarbij zowel de Rosetta als Philae veel wetenschappelijke waarnemingen deden. Uiteindelijk werd Philae naar de komeet gestuurd. De landing verliep stroef en Philae eindigde in een greppel op de komeet. “Op zich geen grote verrassing. Wij wisten van tevoren bijna niets van de eigenschappen van de oppervlakte van de komeet. Philae heeft daardoor korter kunnen werken dan wij gehoopt hadden, maar we waren al heel blij dat hij was aangekomen op de komeet en daar fantastische waarnemingen heeft gedaan.” >

hij het liefst bezig was gebleven met ruimtelijke ontdekkingsreizen, vertelt Philippe wanneer hij koffie inschenkt in een mok die bedrukt is met de tekst van de steen van Rosetta. “De naam van de ruimtesonde was niet zomaar gekozen. Rosetta had ook het doel om de wereld te ontcijferen, een beetje meer te begrijpen over het ‘hoe’ en het ‘waarom’.” Af en toe praat hij met collega’s over ruimteprogramma’s waar hij bij betrokken was. “Een collega zei: ‘Door de beslissingen die jij tien jaar geleden nam, kunnen we nu drie keer zoveel wetenschappelijke data op aarde krijgen.’ Dus ja, dat maakt mij dan wel weer blij.” Waar komt je fascinatie voor de ruimtevaart vandaan? “Of ik zo’n kind was dat ’s nachts urenlang met een verrekijker naar de sterren zat te kijken? Nee, mijn interesse voor deep space komt voort uit mijn liefde voor techniek. Tijdens mijn ingenieursopleiding bestudeerde ik veel onderwerpen waaronder mijnbouw. Dat is anders dan de ruimtevaart, maar er zijn wel veel overeenkomsten. Je leert over de aarde en dat komt vaak in de buurt van planetologie. Van kennis over luchtcirculatie tot thermodynamica. Na mijn studie aero- en astronautics aan het Massachusetts Institute of Technology (MIT) ging ik uiteindelijk via het Franse Ruimtevaart Agentschap aan de slag bij de ESA.” Raak je wel eens bevangen door de schoonheid of onmetelijkheid van het heelal? “Zo zou ik het niet noemen. Als je de grootsheid van het heelal bespreekt, voelen mensen zich vaak niet op hun gemak. Dat doet mij denken aan een discussie uit de Talmoed. Daar staat: hoe dichter je bij de eerste verzen van Beresjiet komt, hoe minder studenten je om je heen moet hebben om de betekenis ervan te bespreken. Ik begrijp wel wat de rabbijnen motiveerde om dit te zeggen. Want je verwacht antwoorden en die liggen niet voor de hand. Wat de betekenis van creatie is, bijvoorbeeld. Er staat alleen dat God iets creëerde, iets véél groters dan de mens. In de commentaren discussiëren rabbijnen veel over de oneindigheid van ruimte en vooral tijd. Dit leidt snel tot een gevoel van nietigheid. Daarom hebben de rabbijnen gezegd dat je voorzichtig moet zijn als je hier met mensen over nadenkt.” Wat is het ongemak? “Je probeert altijd de zin van het leven te vinden. Het is moeilijk te leven zonder enige vorm van zingeving, hoe beperkt ook. Als je kosmologie studeert besef je dat de aarde slechts een speldeknop is. Wat zijn wij dan? Denk je dat de zon íets voorstelt? Het is maar een onopvallende doorsnee-ster. Zelfs ons zonnestelsel is maar een onopvallend doorsneestelsel ergens in een buitenarm in de Melkweg. En ook de Melkweg is zelf maar een doorsnee-sterrenstelsel. Er bestaan meer dan 24 ‘Als je kosmologie studeert besef je dat de aarde slechts een speldeknop is. Wat zijn wij dan?’ 100 miljard sterrenstelsels. Bovendien hebben we veel moeite met het concept van oneindigheid van tijd en ruimte, en nog meer met de eindigheid daarvan! Heeft wat we doen zin als je dit beseft? Je moet jezelf dus enigszins afschermen voor deze gedachte. Dit is dus ook in wezen wat de rabbijnen zeggen. We moeten ons bezig houden met onze directe omgeving, ons eigen tuintje cultiveren en daarvan iets maken. Net zoals de opdracht aan Noach na de zondvloed: maak er iets van. Houd je bezig met wat je wél kunt bereiken.” Maar jij hebt waarschijnlijk door je werk een bredere blik op het heelal dan een gemiddeld mens. “Ja, maar ook niet zó breed. Ik vul niet mijn dagen met nadenken over kosmologie. Ik denk na over satellieten, dat scheelt al wat.” Voel je je verplicht je met je eigen tuintje bezig te houden? Jij bent bijvoorbeeld best actief binnen de kille. “Ik voel mij joods en daar moet je wel iets mee doen. Anders vervaagt het, totdat het voor jezelf helemaal verdwenen is. Het is nodig om iets praktisch joods te dóen. In Nederland zijn we een kleine minderheid. Dat betekent dat je zelf moeite moet doen om een joods leven inhoud te geven. Vrijwilligerswerk binnen de kille is een manier.” Hoe was dat toen jij opgroeide? “Ik ben geboren en getogen in Parijs. Thuis deden we weinig aan het Jodendom, maar we hadden wel een grote en diverse Joodse familie om ons heen. Veel meer dan hier. Er was een kritische massa en die ontbreekt hier. Daarom moet je een basis zelf creëren, je identiteit voeden, zij het alleen maar door zo veel mogelijk te leren over het Jodendom en alles wat ermee te maken heeft. Voor mij is joods zijn meer dan kippensoep, een paar woorden jiddisch en een min of meer vaag gevoel voor sociale gerechtigheid. Als je je nergens in verdiept blijf je onwetend en kun je geen zinvolle keuzes maken. Die boodschap geef ik ook mee aan mijn kinderen. Je doet wat je wilt, maar onwetendheid is verboden.” ‘In Nederland zijn we een kleine minderheid. Dat betekent dat je zelf moeite moet doen om een Joods leven inhoud te geven.’ Hoe kwam je bij de LJG Den Haag terecht? “Toen ik bij de ESA begon in 1986, wilde ik ‘iets joods’ doen. Het kon van alles zijn, van Israëlisch volksdansen tot sjoeldiensten. Langzamerhand leerde ik de kille beter kennen. In de jaren negentig deed ik enkele jaren chazanoet en heb ik een paar jaar in het bestuur gezeten. Daarna kwam ik in de sjoelcommissie en leidde ik kinderen op voor hun bar of bat mitswa. Nu ben ik vooral actief als gabbai.” Zonet hadden we het over zingeving. Het is toch een grootse prestatie van de mensheid om een ruimtelaboratorium zo ver in het heelal te laten functioneren?

“Ja. Onder andere Rosetta en Solar Orbiter, honderden miljoenen kilometers van de aarde, belichamen fantastische prestaties. Tegelijkertijd blijven zij in ons zonnestelsel. Wij kunnen ten slotte in de ruimte maar heel beperkt reizen. Maar wij hebben geleerd het licht en de straling uit alle hoeken van het heelal te vangen en zeer goed te analyseren. Wij zijn als soort sterk en intelligent. Met data vergaard over slechts een paar honderd jaar van wetenschappelijke waarnemingen zijn wij in staat bijna de hele geschiedenis van het heelal te reconstrueren. Dat is een enorme prestatie van de mensheid. Of misschien beter: het is een ongelofelijk vermogen dat ons is gegeven. En daarover mogen we een bracha zeggen: ‘sje natan m’chochmato l’basar w’dam’, ‘die iets van Zijn wijsheid aan [mensen van] vlees en bloed heeft gegeven’.” Denk jij dat er iets is tussen hemel en aarde? “Een paar decennia geleden vroeg iemand aan mij: hebben astronauten ooit een teken van God gezien buiten de dampkring? Eerst vond ik dat een vreemde vraag. Natuurlijk niet. Want astronauten gaan hooguit naar de Maan. Dat is echt om de hoek. Waarom zou God net buiten de dampkring waar te nemen zijn, of net voorbij Mars? Later dacht ik: misschien was ik te sceptisch. Maar het antwoord op die vraag is nee. Onvermijdelijk blijft het nee. Het concept dat, als er iets goddelijks bestaat, het feitelijk ‘boven’ te vinden moet zijn, is toch een beetje primitief. Het is overal of nergens, maar niet ‘boven’. Symbolisch of allegorisch kan het natuurlijk anders zijn, maar dat is niet door satellieten of astronauten te bepalen.” Kun je als technisch wetenschapper met religie bezig zijn? “Ik beschouw mezelf niet als een diep religieus mens, maar ik ben wel betrokken bij de joodse gemeenschap. Ik doe mijn best om aan sjabbat en kasjroet zin en invulling te geven op mijn eigen manier. En ik vind de studie van de Tora belangrijk. In de Tora vindt je vooral veel sociologie, antropologie, rechten en regelgeving. Het helpt je de wereld om je heen beter te begrijpen, maar het heeft niet veel natuurkundige ambities. Toch staat dit niet haaks op een wetenschappelijke houding. Veel Talmoedische rabbijnen waren vertrouwd met het idee dat de wetenschap waardevol was en dat de Tora zich om een heel ander – en in hun ogen veel belangrijker - onderwerp bekommerde. Rambam schreef uitvoerig dat de Tora vol symboliek stond, uiteraard zonder ooit het bestaan van God in twijfel te trekken. Het was aan ons om er iets uit te leren. Als mensen vanuit een letterlijke lezing van religieuze teksten, of gewoon vanuit een religieus dogma, wetenschappelijke kennis ongeldig verklaren, vind ik dat een belediging voor de wetenschap en voor de religie. De Tora is geen scheikunde‘Joods zijn is meer dan kippensoep, een paar woorden jiddisch en een min of meer vaag gevoel voor sociale gerechtigheid.’ boek en hoort niet zo gelezen (beperkt) te worden. Kortom, de Tora zegt veel over onze menselijke relatie tot de materiële wereld maar niet zo veel over de materiële wereld zelf.” “Mijns inziens verschilt natuurkunde daarin niet van het bestuderen van geesteswetenschappen, sociale wetenschappen, psychologie of geneeskunde. Ik weet nog dat ik tijdens mijn studie een orthodox joodse psychiater vroeg hoe hij zijn vak kon verenigen met zijn beleving van het Jodendom. Hij antwoordde heel summier dat het geen probleem was. Meteen besefte ik dat mijn vraag niet veel meer zin had dan dezelfde vraag aan een natuurkundige of een ingenieur.” Vind je échte antwoorden in de wetenschap en in de religie? “Rabbijn Jonathan Sacks z”l zei eens: De wetenschap haalt dingen uit elkaar om te zien hoe ze werken. Religie brengt dingen bij elkaar om te zien wat ze betekenen. Mooi gezegd, en inspirerend tot nadenken, maar ik heb er wel moeite mee. Wetenschap onderzoekt inderdaad hóe de wereld in elkaar zit en komt dan een heel eind. Weliswaar is er een grens aan wat de wetenschap kan beantwoorden, want haar antwoorden zijn nogal “mechanistisch”, gaan over oorzaak en gevolg. Bij bepaalde omstandigheden horen bepaalde verschijnselen, die je dan weer confronteren met nieuwe vragen omtrent de oorzaak van deze oorzaken. Naar een absoluut oerantwoord op ‘hoe’ en ‘waarom’ blijf je zoeken, maar je hebt tenminste een hele weg afgelegd. Ik ben er niet van overtuigd dat religie ook zo ver komt. Je leert veel als je je hele leven de Talmoed bestudeert. Maar wat weet je dan over de échte betekenis van het bestaan? Dat antwoord ligt nog steeds niet voor de hand, maar misschien ligt het aan mij.” Philippe Kletzkine (1957) is meer dan 30 jaar lid van LJG Den Haag. Zijn vrouw Wilma heeft hij daar ook ontmoet. Ze hebben drie kinderen: Daniella, Stephanie en Jonathan. Als we de Tora bestuderen, komen we God vaak tegen. Wat moeten wij, liberale joden, met God? “Ik weet het niet. Misschien is God te bevatten als een overkoepelend concept voor alles wat oneindig is, maar zelfs dit is moeilijk te verenigen met “b’tselem Elohim”, de gelijkenis van de mens en God, zelfs als deze maar spiritueel en abstract is. Ik ben onder de indruk van de rabbijnen die nooit de behoefte hadden om een definitie van God te geven. Heeft iemand in sjoel je ooit gevraagd naar je definitie van God? Nee toch? Soms komen mensen naar onze sjoel in Den Haag die wat aarzelend op zoek zijn naar hun joodse achtergrond of naar aansluiting. “Maar ik kan niet lid worden”, zeggen ze dan, “want ik geloof niet in God”. Steevaste is dan de reactie: “Heeft iemand je gevraagd of je in God gelooft? Of je een definitie van God hebt? Kol Hakawod als je een goede definitie hebt, want dan ben je verder dan ik.” Het zoeken gaat door. Misschien is dat het antwoord. Net als in de wetenschap.” 25

Het Namenmonument: één jaar Chelly Overdijkink, Debby Abram en Jacques Grishaver zijn, elk op hun eigen manier, nog steeds bezig met het Namenmonument. 26

Chelly Overdijkink – Abram “Sinds 2014 ben ik secretaris van het Holocaust Namenmonument. Dat betekent dat alle aanvragen om een naam te adopteren bij mij binnenkomen. Ik controleer de namen. Soms zijn mensen bekend onder andere voornamen, soms worden achternamen anders geschreven. Inmiddels ben ik expert geworden in het zoeken en vinden van de juiste gegevens. Eens per maand gaat de lijst met adopties naar de drukker om de certificaten te laten maken die uiteindelijk worden verstuurd naar degene die de naam heeft geadopteerd. Afgelopen maand waren er nog ruim 110 aanvragen. Daarnaast beantwoord ik telefonische vragen zoals: hoe het monument te bezoeken is, waar ze kunnen parkeren, waar bepaalde namen staan. Binnenkort komt een vrouw van over de negentig uit Amerika om de plekken uit haar jeugd te bezoeken. De vraag was of ze daar met de cameraploeg die haar volgt naar toe mocht. Jammer genoeg staan nog niet alle namen op het monument. Binnenkort worden er ongeveer 140 namen nog toegevoegd. Het geeft mij voldoening om te werken aan een monument waarin alle namen, alle mensen, eindelijk een plek krijgen. Er staan ook heel veel namen op van de families van mijn vader en mijn moeder. Een tijd geleden werd de familie Nol geadopteerd, die woonde op de Linnaeusparkweg in Amsterdam. Dat waren de buren van mijn grootouders en mijn vader was bevriend geweest met hun dochter. Daar word ik dan wel stil van.” Debby Abram – Uijenkruijer “Ik ben sinds de jaren tachtig museumdocent bij het Joods Museum Junior en vanaf de opening van het Namenmonument loopt het storm vooral met schoolklassen die deelnemen aan het educatieve programma. Dit programma combineert een bezoek aan het Namenmonument én bijvoorbeeld aan de Portugese Synagoge of het Joods Museum Junior (het Kindermuseum). Dat is zo opgezet omdat de Shoah een onderdeel is van de Joodse identiteit en geschiedenis. Maar ook Joodse cultuur, hedendaags Joods leven en diversiteit zijn belangrijk. Juist door de diversiteit maak je de verbinding met andere groepen in de samenleving. Door de rondleidingen geef ik ook onze familiegeschiedenis door: van Abram, Uijenkruijer, Van Rhijn, Morpurgo, et cetera. Ik doe dit werk met ontzettend veel plezier. Ik geniet van de kinderen: ze houden je bij de tijd en iedere keer is spannend en uniek. Als ze het Namenmonument binnenkomen zijn ze meteen stil en laat ik ze fysiek wat wennen. Na een paar minuten gaan ze zitten en vertel ik dat hier dagelijks overlevenden of familie van overlevenden komen. ‘Voor hen is het zo belangrijk dat ze jullie zien, zoveel jaar later jonge mensen die geïnteresseerd zijn. Het is voor hen een troost en steun’ zeg ik dan. tekst Sarah Bremer foto’s Roel Siebrand Zo ook een paar weken geleden: mevrouw Roos, geboren in het begin van de oorlog, liep te zoeken. De kinderen boden spontaan aan haar te helpen, mevrouw was tot tranen geroerd. Helemaal bijzonder was dat zij bij haar familienamen een echtpaar uit Amerika ontmoette dat dezelfde namen zochten. Zij hadden niet alleen hun overleden familieleden gevonden, maar ook elkaar.” ‘Zij hadden niet alleen hun overleden familieleden gevonden, maar ook elkaar.’ Jacques Grishaver “Ik ben nog steeds elke dag met het Namenmonument bezig en kom er veel. Laatst bijvoorbeeld toen er een persdelegatie was als voorbereiding op het bezoek van onze koning en koningin aan Oostenrijk. Maar ook toen tachtig leerlingen van Rosj Pina en de Boekmanschool er waren om steentjes te leggen waren Loes en ik er. Daarna was er de kinderherdenking in de Snoge. Ik voer besprekingen over het onderhoud. Er hoeft niet zoveel meer aan gedaan te worden, maar we moeten wel zorgen dat het voor de toekomst gewaarborgd is. Er worden afspraken gemaakt met de gemeente en de Diaconie. Soms komen er mails of telefoontjes binnen dat iemand een naam van zijn familielid niet vindt. Omdat ik er regelmatig ben kijk ik dan zelf even en vaak maak ik dan een fotootje dat ik opstuur. Het monument is niet meer weg te denken uit Amsterdam. Er komen heel veel bezoekers. Het is mijn levenswerk en het geeft een gevoel van voldoening dat de namen nu terug zijn. Voor de jonge generatie is het ook heel belangrijk. Kinderen leren over verdraagzaamheid en het gevaar van uitsluiting. Zoals ik altijd eindig als ik spreek over het belang van het Namenmonument: ‘Als je begint met elkaar niet te accepteren en elkaar het leven zuur te maken, dan kan het ermee eindigen dat je weer zo’n muur moet bouwen.” 27

Tijd voor een liberale Halacha? Wat is het minimumpakket waaraan je als liberale Jood zou moeten voldoen om je een liberale Jood te kunnen noemen? Een gesprek met Ron van der Wieken, oud-voorzitter van LJG-Amsterdam, het Nederlands Verbond voor Progressief Jodendom en het Centraal Joods Overleg. spireerd. Maar de Talmoed, de combinatie van Misjna en Gemara, beschouwen wij als door mensen gemaakt, want het zijn interpretaties van Tora. De orthodoxie noemt dit de mondelinge Tora en stelt dat deze óók een Goddelijke oorsprong heeft en dus onveranderlijk is. Dit is meteen het essentiële verschil tussen orthodox en liberaal. De Halacha die daarop berust is in orthodoxe ogen dus in zijn geheel Goddelijk. Omdat de liberalen menen dat dit alles van menselijke oorsprong is kunnen wij er veranderingen in aanbrengen. Maar door die vrijheid hebben wij in de loop der jaren er zoveel veranderingen in aangebracht dat er van de Halacha in ons dagelijks handelen niet zoveel meer over is. Ik denk dat het van belang is om duidelijker te maken wat voor ons liberalen dan wel normatief is.” K euzevrijheid is één van de pijlers van het liberale Jodendom, dat begin 19de eeuw ontstaat als een tegenbeweging van de soms dogmatische en dwingende orthodoxie. Destijds was het een verfrissende visie, maar laat deze ons inmiddels misschien wel té vrij. Moet het kunnen: een varkenskarbonade met een fris glas melk of een zakenlunch op Jom Kippoer? Of is het tijd voor duidelijke Halachische kaders? Om mee te beginnen: Wat betekent de orthodoxe Halacha voor ons? “Wij liberalen halen te pas en vooral te onpas de Halacha erbij. Een tegenspraak in termen, omdat die orthodoxe Halacha een vrijwel onveranderlijke set van regels bevat (de mitswot). De juiste uitvoering ervan heeft een optimaal orthodox-religieus leven tot doel. Terwijl het liberale Jodendom begin 19de eeuw juist in het leven werd geroepen als alternatief voor het knellende keurslijf van het halachische Jodendom. Het liberale Jodendom beschouwt de geschreven Tora als van Goddelijke oorsprong, in ieder geval goddelijk geïn28 door Zippora Abram foto Carla van Thijn Hebben wij de Halacha dan helemaal over boord gegooid? “Nee, want wij houden ons nog wel aan het Halachische voorschrift dat je moeder Joods moet zijn om lid te kunnen worden van een LJG. Zelf zou ik daarvan zeggen dat het prima is als je één Joodse ouder hebt, of dit nou de vader of de moeder is.” ‘Het is een misvatting dat wij een soort Jodendom light willen zijn.’ Hoe bepalen we wie en wat we zijn als liberale Joden zonder die Halachische regels? “Er zouden liberale regels moeten zijn waarbinnen je Jodendom zich bij voorkeur zou moeten afspelen als je jezelf liberaal religieus wilt noemen. Een omschrijving van de plichten van een lid van de LJG. Want behalve het jaarlijks betalen van contributie worden er geen plichten genoemd. Je zou willen dat leden het liberaal Joodse gedachtegoed zouden onderschrijven, maar dat kan alleen als dit gedachtegoed duidelijk is omschreven. Louter focus op het principe van de vrije keuze biedt geen kader. Je zou als minimaal moeten onderschrijven dat wij in de eerste plaats een religieuze

organisatie zijn. Dat betekent dat wij sjoeldiensten organiseren om aan de religie een gemeenschappelijke vorm te geven en dat we aanmoedigen om ook thuis actief de joodse kalender te volgen binnen het liberaal-Joodse religieuze kader.” Een soort ‘liberale Halacha’? “We zouden onze leden een mitswe bewijzen met richtlijnen voor ons dagelijks leven, inderdaad een liberale Halacha. Die moet je dan, om misverstanden te voorkomen, anders noemen: bijvoorbeeld misgeret (kader) of matspeen (kompas). Te denken valt dan aan richtlijnen voor kasjroet, sjabbat, feestdagen, taharat hamisjpacha (de ethiek van het huwelijks- en familieleven), tsedaka, tikoen olam, briet mila, naamgeving, bar en bat mitswa et cetera.” Hoe zou een liberale richtlijn eruit kunnen zien? “Kasjroet is een goed voorbeeld. Het is een duidelijk verbod in Tora om vlees en melk samen te eten. Dat kan je zonder veel moeite ‘We zouden onze leden een mitswe bewijzen met richtlijnen voor ons dagelijks leven.’ uitvoeren en past dus uitstekend in zo’n matspeen, net als het niet mogen eten van onreine dieren en niet koosjer geslachte dieren. Maar dan komt een ethische vraag om de hoek kijken: vinden wij dat de huidige koosjere slacht een dier reiner maakt dan als het op de moderne wijze is geslacht? Je kan bijvoorbeeld de overweging opnemen dat een dier onrein is wanneer het zijn leven in een megastal heeft gesleten zonder bewegingsruimte. Zo hebben geruime tijd geleden Amerikaanse reform rabbijnen bepaald dat druiven uit een bepaalde streek treife, (ongeschikt voor Joodse consumptie) waren doordat zij geplukt werden door illegale werkers tegen een hongerloon. Hier speelden de sociale omstandigheden waaronder het voedsel tot stand kwam dus een belangrijke rol. Ik vind dat een goed voorbeeld om te volgen.” Kun je nog een voorbeeld noemen voor in dat kader? “Het zou zwart op wit moeten stellen dat een liberaal onvoorwaardelijk achter het bestaan van Israël staat. Dat laat onverlet dat je kritiek mag hebben op handel en wandel van de bestuurlijke organen van de staat Israël. Maar die onvoorwaardelijke steun moet worden onderbouwd met drie kernfeiten die ik vaak mis in de discussie: 1. dat het Joodse volk recht heeft op een eigen staat. 2. dat het bestaan van de staat van levensbelang is voor het voortbestaan van het Joodse volk en 3. dat het grootste deel van het Joodse volk daar ook daadwerkelijk woont.” Hoe groot schat je de slagingskans van een liberale Halacha? “Ik heb dit dertig jaar geleden al eens geopperd en werd toen weggehoond. Men vond dat helemaal niet passen bij het liberale Jodendom. Terwijl het mooie is dat een liberale Halacha, een liberaal kompas, juist laat zien dat het uitvoeren van mitswot en liberaal Jodendom niet tegengesteld zijn. Je kunt liberaal Joods zijn en religieus en zeer hechten aan Joodse leefregels. Het is een misvatting dat wij een soort Jodendom light willen zijn.” Toch lijkt het dat veel leden lid worden van een LJG vanwege de vrijheid om zelf te besluiten hoe om te gaan met regels. “Er moet plek zijn voor mensen die niet zo strikt zijn, niet in God geloven, of niet zoveel willen doen. Maar het zou mooi zijn als mensen heel bewust kiezen om liberaal Joods te zijn. Niet vanuit ‘niet zoveel willen doen aan jodendom’ maar meer op basis van een aantal belangrijke principes die we zouden kunnen omschrijven: eigen verantwoordelijkheid, gelijke rechten voor mannen en vrouwen en inclusief voor mensen met een andere seksuele geaardheid. En dus kiezen voor een stelsel van leefregels dat -waar zinnig- is aangepast aan de moderne tijd.” 29

We leven in een tijd waarin veel mensen problemen hebben met het begrip God. Maar in onze religieuze diensten hebben we het telkens over God. Waarom doen we dat? 30

‘Voor mij kan de Joodse cultuur zonder religie’ In de documentaire God schittert door afwezigheid stelde mijn neef Erik mij de vraag wat voor betekenis God heeft. Daarin vertelde ik, dat hoewel veel mensen er steun aan ontlenen, God voor mij een leeg begrip is. Het begrip bestaat gewoon. Als we in de LJG de Hebreeuwse liederen zingen, vind ik dat schitterend. Ik spreek vloeiend Ivriet, dus ik weet wat ik zing. Maar als ik dan naar de Nederlandse vertaling kijk, denk ik: Wat zíng ik eigenlijk?! Soms gaat mijn Israëlische man mee naar sjoel, maar die weigert die religieuze teksten uit te spreken. Ik heb zelf geen religieuze opvoeding gehad. Mijn joodse identiteit werd tot mijn achttiende bepaald door de Tweede Wereldoorlog. Pas in Israël ontdekte ik wat voor een rijke en vrolijke cultuur het jodendom met zich meebracht. Voor mij kan die cultuur zonder religie. Mensen vieren toch ook kerst, omdat het traditie is? Daar komt God toch ook niet meer bij kijken? Thuis werd geen Pesach gevierd. Mijn moeder stak soms met sjabbat wel de kaarsen aan, maar er volgden geen brachot over de kaarsen of de challe. Maar na mijn verblijf in Israël heb ik dat thuis wèl ingevoerd. Niet vanuit de religie, maar puur vanuit de traditie. Toen ik ging trouwen of als ik nu een gebed zeg, dan noem ik Gods naam. Sommige mensen hebben een aversie tegen God en kunnen dat dus niet. Het klinkt tegenstrijdig, maar voor mij gaat dit heel goed samen. Het belang rijkste vind ik het doorgeven van de mooie joodse tradities aan mijn kinderen en familie. Het gevoel ergens bij te horen is fijn, het helpt te weten wie je bent en waar je vandaan komt. Heb geen angst. Er gebeurt echt niks als je wel die gebeden zegt. Vivian Rinat Fransman ‘Pas in Israël ontdekte ik wat voor een rijke en vrolijke cultuur het jodendom met zich meebracht’ ‘Heeft God jou en mij nodig?’ ‘Hebben we God (of een Godsbeeld) nog nodig in de sjoeldienst en zo ja/nee, waarom wel/niet? Wat is al dan niet de waarde ervan?’ Dat is de drieledige vraag die de redactie van Joods Nu haar lezers voorlegt. In mijn ogen is de eerste vraag er één die door de lezers in de doelgroep alleen maar met JA zou kunnen worden beantwoord – en de vraag naar de waarde met: GROOT. Immers, het hele bestaansrecht van een Joodse Gemeente als de onze stoelt op de Joodse opvatting van de Altijd Presente God van Jisrael, zoals wij die in het Sjema dagelijks en daarnaast bij rites de passage als overlijden en een bar of bat mitswa uitspreken en bekrachtigen. Dat de Altijd Presente God van Jisrael zich in zijn Tora en Tenach met verschillende namen en attributen uitspreekt en toont, hoeft geen betoog; zonder die Goddelijke activiteit geen Tora, en zonder Tora geen Jodendom. Zo simpel is het. ‘Zonder Tora geen Jodendom. Zo simpel is het.’ Met andere woorden: wie de Eeuwige de centrale, ook liturgisch primaire plaats in onze Eredienst zou willen ontzeggen, en daarmee de Eredienst de centrale plaats binnen onze Joodse Gemeente, zou zich serieus moeten afvragen of diegene wel op zijn of haar plaats is binnen de LJG of enig andere Joodse Gemeente. Gelukkig zit er aan de vraag ook een uiterst positief aspect. Wanneer wij die namelijk omdraaien verandert de vraag in één, die wél relevant, ja zelfs geboden is. ‘Heeft God jou en mij nodig in de sjoeldienst (en daarbuiten!) en wat is daarvan de waarde?’ In feite stel je dan de vraag die R. Abraham Joshua Heschel stelde met zijn boek God in Search of Man: A Philosophy of Judaism 1955 / God zoekt de mens, vert. Daniël Mok 1955. Wanneer wij onszelf en elkaar díe existentiële vraag durven stellen, reiken wij naar precies dat, waarvoor deze hele periode van Joodse Feestdagen eeuwen en eeuwen geleden in het leven is geroepen: te verschijnen, te bestaan, en te leven in het Aangezicht van God. Etienne Denneboom Sjammasj LJG Amsterdam en lid Commissie Eredienst LJG Amsterdam 31 >

‘Onderzoek en ontdek wat je van God vindt’ Waarom hebben we het in onze tijd van secularisatie nog steeds over God in de LJG? Wat is God? In mijn ogen is God de onbetwist sturende kracht in onze geschiedenis, zoals onze voorouders die in Tora hebben vastgelegd. Je begrijpt, dit is geen orthodoxe maar een progressieve mening. ‘We moeten ons wel gedragen volgens zijn regels’ In de Bijbel komen we God met grote regelmaat tegen in de talloze verhalen waarin wordt verteld hoe hij ons hielp: om te ontkomen uit Egypte, bij het in bezit nemen van het aan ons beloofde land. Grootse daden van God: daar zijn wij het over eens. Vanwege deze – en nog veel meer- grootse hulp van Godswege, hebben wij ons in de loop der geschiedenis de gewoonte eigen gemaakt om Gods hulp in te roepen bij bedreiging, om verlossing bij ziekten, om hulp bij hongersnood. We doen dit regelmatig, vaak gedachteloos. Bijvoorbeeld in de vorm van gebed, ofwel door God aan te roepen: Bij God dat kan niet waar zijn, God verhoede, zo God het wil et cetera. Wij gaan er vanuit dat God ons helpt, maar dat wij, ook als liberale joden, wèl moeten leven volgens zijn wetten en voorschriften, zoals de asseret hadibrot (de Tien Geboden). Met andere woorden: Wij verwachten dat hij ook ons, liberale joden, zal helpen wanneer wij ons gedragen volgens zijn regels. En daarvoor gaan we naar sjoel en geloven we dat we hem te hulp kunnen roepen wanneer we hem nodig hebben. Maar je moet wel geduld hebben! Er is geen instant beloning. De sjoel is een gemeenschap van gelijkgestemden en gelijkgelovigen. Dat geloven doet iedereen natuurlijk op zijn of haar eigen manier. Gelukkig maar. Chaim van Unen 32 ‘Met een Joodseboterkoekachtergrond wilde ik als jonge vrouw maar al te graag ontsnappen’ ‘Dat geloven doet iedereen natuurlijk op zijn of haar eigen manier’ Als je jezelf ziet als deel van onze geschiedenis dan is God inclusief. In hoeverre je die goddelijke dynamiek wilt omarmen moet je zelf vormgeven. Houd daarbij in het oog dat in Tora bij monde van God belangrijke morele afspraken zijn vastgelegd, waar je iets mee moet. Er is een oude witz. Moos komt bij zijn rebbe en zegt: ‘Rav, ik denk, dat ik niet in God geloof. De rebbe kijkt verstoord op en antwoordt: Had ik je wat gevraagd?’ Zo is het precies. Geloof in God is een privézaak. Je schiet er niets mee op in je Joodse omgeving om je opinie in deze luid kenbaar te maken. De buitenwereld geniet er overigens wel van als je verkondigt God niet ziet zo te zien zitten. Ik las pas nog een eindeloze lijst namen van beroemde Joden die openlijk beweren God niet nodig te hebben: volgens mij louter om mee te mogen tellen in de seculiere maatschappij. Ik snap dat wel en heb ook vele jaren zo geleefd. Met een Joodse-boterkoek-achtergrond wilde ik als jonge vrouw maar al te graag ontsnappen. Ik verliet Mokum, ging in Delft architectuur studeren en werd lid van het vrouwelijk studenten Corps en ook van Beit Studentim. Dat laatste hield abrupt op toen ik een chocomelglas in de ‘fleischig’ afwasmachine stopte. Vervolgens werd ik verliefd op een ‘Delftsche’ Corpsbal, trouwde en koos zijn achternaam voor dagelijks gebruik. Zelfs mijn eigen architectenbureau noemde ik naar hem. Ik dacht neutraal te zijn, maar mijn Jiddische ponem kon ik niet afschroeven. “Zwei Seelen wohnen, ach, in meiner Brust. Die eine will sich von der andern trennen.” dichtte Goethe. Dat is nu precies het dilemma waar ik in was getrapt en waar vele soortgenoten last van hebben: het spanningsveld tussen de systemen waarin je leeft, de maatschappij versus onze gemeenschap. Tot aan de oprichting van de staat Israël zijn we altijd en overal een minderheid geweest. De Talmoed geeft ons reeds aanwijzingen hoe je houding kan zijn zonder identiteit te verliezen. Er valt dus iets te kiezen en daar moet je in willen investeren. Geniet van het gevoel van saamhorigheid in sjoel en doe lekker mee met ons ‘gaan staan en gaan zitten’. Onderzoek en ontdek wat je van God vindt. Ik voorspel je, dat er in een lang leven geen constante is. Joyce Noach

‘De Tora biedt mij onschatbare inspiratie’ ‘Een verrassende roep of ingreep van buitenaf’ Hebben we God (of een Godsbeeld) nog nodig in de sjoeldienst? God is al lang niet meer wat Hij ooit geweest is. Ook voor mij niet. Als ik dat zeg doel ik op Hem als een alles overstijgende instantie die als ‘koning van de wereld’ (Melech haOlam) mensen en dingen bestuurt en de loop van de geschiedenis bepaalt. Maar, gek genoeg: de woorden die altijd gebruikt werden in de religieuze praktijk blijven voor een groot deel nog wel bruikbaar. Daarbij denk ik aan ‘God van onze voorouders’, of ‘Barmhartige vader’ of ‘God van het leven’. Dat komt, denk ik, omdat het daarin heel vaak gaat om transcendentie, een groter geheel, een verrassende roep of ingreep van buitenaf. En díe dingen maak ik, hoe geseculariseerd ook, nog wél mee. Soms in de ontmoeting met een ander mens. De verrassing bij zo’n ontmoeting – de tegenstelling met de opgeslotenheid in mezelf – kan zó groot zijn; de ervaring uit mijn centrum gestoten te worden zó onmiskenbaar, dat de woorden ‘God van de bevrijding’ en ‘Zijn grote Naam’ erop van toepassing zijn. Daarom blijft veel van de religieuze taal van onze diensten, ondanks de ver van ons verwijderde oorsprong, adequaat en relevant. Naud van der Ven ‘De woorden die altijd gebruikt werden in de religieuze praktijk blijven voor een groot deel nog wel bruikbaar’ Het eerste wat in mijn gedachten kwam, was de film The Quarrel uit 1991. Daarin discussieren op verhitte toon een seculier geworden jood en een orthodoxe rabbijn. Beiden hebben de Sjoa overleefd en al hun familieleden verloren. De discussie gaat over de al of niet tegenwoordigheid van de Eeuwige. De ene ontkent die tegenwoordigheid, de ander verzucht uiteindelijk: “Als ik God begreep, dan zou ik God zijn…” Eigenlijk heb ik daar niets aan toe te voegen als het om mijn persoonlijk ‘weten’ gaat. Niet ‘geloven’, maar weten, zonder wetenschappelijke redeneringen. Daar is voor mij alles mee gezegd. Ik ben in 1947 geboren en dus tweede generatie. Ook uit mijn familie kwamen er 57 mensen niet terug uit de kampen. En ik begrijp heel goed, de (verbitterde) gevoelens van velen onder ons die daarbij tot de conclusie kwamen “dat de Eeuwige, als Hij zou bestaan - simpelweg - de Sjoa en alle ellende die de mens overkomen is en overkomt had moeten voorkomen”. Maar niet voor niets praten wij over de Onuitsprekelijke, de Onbevatbare, dus inderdaad is de uitspraak “Als ik God begreep, dan zou ik God zijn”, een getuigenis van een vertrouwen in het bestaan van die Onuitsprekelijke en Onbevattelijke. En nee, ik heb geen ‘Godsbeeld’. Ik heb alleen de onschatbare inspiratie die het begrijpen van de betekenissen van de Tora mij kan bieden. Daar is het lernen voor. Dat is de waarde waar wij mensen ons leven mee kunnen verrijken en inrichten. ‘Als ik God begreep, dan zou ik God zijn’ In 2017 schreef ik over Tikoen Olam, de voor mij alles bepalende zin van het leven. In mijn persoonlijke benadering hield en houdt de Eeuwige namelijk nooit op met scheppen. De schepping is bij lange na nog niet voltooid! Gods verantwoordelijkheid in het verbond met de mensheid is om al het objectieve ‘basismateriaal’, de alles omvattende natuur, in een eeuwige cyclus te blijven scheppen en voor de mens klaar te zetten. Iedere dag weer! Als we in alles de bedoeling en betekenis daarvan werkelijk zien, is het in mijn ogen onze verantwoordelijkheid in dat verbond om met dat ‘basismateriaal’ iets goed te doen. En mijn persoonlijke antwoord op de door Joods Nu gestelde vraag is dan volmondig ja! Het is mijn overtuiging dat de mens zelf die Sjoa’s en alle ellende, veroorzaakt of... kan voorkomen. Elco Aronstein 33

AAN TAFEL In 2012 heb ik gioer gedaan. Toen ik aan dat proces begon was ik hoogzwanger van mijn oudste zoon. Het duurde ongeveer twee jaar. Hiermee was een lang vervulde wens eindelijk uitgekomen. Sinds mijn twaalfde heb ik altijd het gevoel gehad dat ik eigenlijk joods was. Het begon tijdens een bezoek aan een synagoge in Antwerpen. Ik voelde mij meteen helemaal thuis en het gevoel dat ik eigenlijk joods ben is altijd gebleven. Om te vieren dat ik de gioer had afgerond ben ik met mijn man en onze twee toen kleine zoontjes naar Jerusalem op vakantie gegaan. Hier heb ik, naast allerlei andere heerlijke Israëlische specialiteiten, de allerlekkerste shakshuka gegeten. Deze shakshuka is mij altijd bijgebleven als het eten wat hoort bij joods worden en zijn. Eenmaal teruggekomen in Nederland heb ik het recept opgezocht en zo heb ik het sindsdien altijd gemaakt, want het is gewoon heerlijk, makkelijk om te maken en het ziet er mooi uit. Het is altijd een succes en ook de kinderen eten het graag. Alleen als ik wat ingrediënten mis maak ik er kleine variaties op, maar dan is het toch minder lekker. In 1995 heb al een half jaar in Haifa gewoond, voor mijn studie. Wat ik en mijn studiegenoten toen aten kan ik mij niet herinneren. In elk geval geen shakshuka. Waarschijnlijk wel veel falafel. Het voelde toen heel goed in Israël te zijn. Ik twijfelde zelfs of ik zou blijven, maar ik ben toch terug naar Nederland gegaan om mijn studie hier af te maken. In 2015 vertrokken we naar Malawi, waar ik een aantal jaar als arts gewerkt heb en mijn man als onderzoeker. We kregen daar een kokkin, Patricia, die met haar eigen gezin in haar huis op hetzelfde terrein woonde. Ze kon heerlijk koken. We hadden zo veel geluk met haar. Op een gegeven moment heb ik haar ook het recept van onze shakshuka gegeven. Patricia maakte het dan voor ons als we gasten kregen op sjabbat. Haar shakshuka was nog lekkerder dan het originele recept, waarschijnlijk door dapper gebruik van extra kruiden. Zelf heb ik het nooit zo lekker kunnen maken. In Malawi is maar een kleine joodse gemeenschap. Met een paar gezinnen kwamen we wel regelmatig bij elkaar voor sjabbat en joodse feestdagen, maar verder was er geen joods leven. Omdat we graag wilden dat onze kinderen (nu tien en twaalf) met meer jodendom zouden opgroeien zijn we in 2021 naar Nederland teruggekomen. Hier volgen ze met veel plezier Talmoed Tora, en de oudste vindt Netzer geweldig. Nu moet ik de shakshuka dus weer zelf maken. Soms bel ik Patricia nog met vragen over haar recepten.” Recept Ingrediënten: 1 eetlepel olijfolie ½ ui, in stukjes 1 teentje knoflook, gesnipperd 1 rode paprika, in stukjes 2 blikken (à 400 gr) tomatenblokjes 2 eetlepels tomatenpuree 1 theelepel chilipoeder 1 theelepel gemalen komijn 1 theelepel paprikapoeder Een snufje cayennepeper (of meer, naar smaak) En snufje suiker (optioneel) Zout en peper naar smaak 6 grote eieren ½ eetlepel verse koriander als garnering (optioneel) Verwarm de olie in een diepe pan. Fruit hierin de ui. Voeg daarna de knoflook en paprika toe en laat dat een paar minuten zacht worden. Doe de tomatenblokjes, pure en kruiden erbij en roer alles goed door. Laat dit 5 minuten indikken. Breek daarna de 6 eieren, met genoeg afstand tot elkaar boven de tomatensaus. Dek de pan af en laat alles 10-15 minuten zachtjes pruttelen. Garneren met koriander. Serveer de shakshuka met couscous of challe. 34

tekst Yael Haller foto Claudia Kamergorodski Shakshuka Het familierecept van Barbara Swarthout 35

Mediation bij JMW Soms lukt het bij een conflict niet om de problemen samen op te lossen. Het kan gaan om een ruzie in de privésfeer, op het werk, of met officiële instanties. Je voelt je machteloos, raakt verstrikt in je emoties en het lijkt alsof de ander geen rekening met je houdt. Een mediator kan je helpen om weer met elkaar in gesprek te raken en er samen uit te komen. De mediators bij JMW zijn ervaren en onpartijdig. Vertrouwelijkheid en geheimhouding staan te allen tijde voorop. Bovendien is het uurtarief van € 14,50 per persoon bijzonder laag! Wilt u meer informatie? Kijk op onze website of neem contact op met een van onze mediators. Marc Grünfeld: m.grunfeld@joodswelzijn.nl Judith de Rond: j.derond@joodswelzijn.nl Gezocht Voorzitter Aan het eind van dit jaar zal de huidige voorzitter van het bestuur van het Levisson Instituut terugtreden vanwege het aflopen van de gestelde termijnen en daarom zijn wij op zoek naar een enthousiaste en betrokken voorzitter voor ons opleidingsinstituut. Het Levisson Instituut is het opleidingsinstituut voor het Verbond, waarin de rabbijnenopleiding centraal staat, naast de diverse cursussen en lezingen die het instituut organiseert. Heeft u bestuurlijke ervaring, kunt u leiding geven, bent u proactief, beschikt u over goede communicatieve vaardigheden, bent u lid van een Liberaal/Progressief Joodse Gemeente en hebt u kennis van de joodse gemeenschap in Nederland, dan nodigen wij u graag uit voor een oriënterend gesprek. Voor meer informatie: Ella Wijnschenk-Oesterman via contact@levisson.nl Voor meer informatie: www.levisson.nl noa duizend photography

COLUMN } BART WALLET Heeft het seculiere jodendom zin? en groot deel van de Joden wereldwijd ziet zichzelf als seculier. Jodendom als religie speelt nauwelijks of geen rol meer in hun leven. Hun Joodse identiteit wordt vooral vormgegeven via cultuur, politiek engagement en door een band met de Joodse geschiedenis. Voor veel onderzoekers is het de grote vraag of het mogelijk is om binnen de eigen persoonlijke sfeer, met familie en vrienden de Joodse identiteit zonder religie blijvend vorm te geven. Seculiere Joden hebben vaak nog wel Joodse kinderen, maar hebben zij ook Joodse kleinkinderen? Is het mogelijk om een seculier-Joodse levenshouding over te dragen op volgende generaties? Zoiets is alleen mogelijk als er zoiets als een ‘seculier Jodendom’ valt aan te wijzen, met een eigen intellectuele traditie, riten en ethiek – en de mogelijkheid om daar in gemeenschappelijk verband handen en voeten aan te geven. Niet de minsten zetten zich in om zo’n seculier-Joodse traditie te reconstrueren, die historische diepte en intellectuele uitdaging biedt voor wie zich nu seculier definieert. De Posen Foundation, opgericht door de filantroop Felix Posen, zet zich daarvoor in door middel van educatie en studie. Zo heeft het David Biale ondersteund in het schrijven van zijn boek ‘Not in the heavens’, waarin deze typisch Californiaans-joodse intellectueel de grondpatronen van een seculier-Joodse traditie schetst. Maar voor een duurzame toekomst is meer nodig, dat vereist iets van een gemeenschaps‘Religieuze mensen moeten zich verhouden tot seculiere vragen en daar zelf antwoorden op vinden’. structuur. Her en der in de wereld zijn seculiere synagoges opgezet, waarbij een alternatieve invulling wordt gegeven aan de sjabbatdiensten. Haaretz kwam recent met een groot verhaal over een atheïstische sjoel in Australië waar alleen maar gezongen wordt en de naam van God angstvallig wordt vermeden. In Israël zijn seculiere jesjiewot opgezet, waar de klassieke Joodse teksten vanuit een seculier kader worden gelezen en bestudeerd. Het zijn kleine initiatieven, vaak sterk intellectueel gericht. Vooral in kleinere Joodse gemeenschappen, zoals die in Nederland, is iets dergelijks veel lastiger te bereiken. De vraag is ook of dat wenselijk is. De Canadese filosoof Charles Taylor heeft met zijn magnum opus ‘A Secular Age’ het debat over seculariteit en religie vlot getrokken. Zijn stelling is kortgezegd dat we nu in een periode van de geschiedenis leven waarin geen enkele positie, de religieuze noch de seculiere, dominant is. Beide staan naast elkaar en bij beide is twijfel inherent. Religieuze mensen moeten zich verhouden tot seculiere vragen, die binnen laten komen en daar zelf antwoorden op vinden. Maar seculiere mensen moeten zich evenzeer laten bevragen op hun vooronderstellingen. Tegen die achtergrond is het een spannende vraag voor progressieve Joodse gemeenten of zij ruimten kunnen zijn waarin religieuze en seculiere Joden elkaar ‘hinderen’ met hun lastige vragen. Waar seculiere Joden op sjabbatot en chagiem steeds weer met de Godsvraag geconfronteerd worden en waar religieuze Joden steeds weer de seculiere vragen moeten doordenken. Liberaal Jodendom en seculier Jodendom zijn loten van dezelfde stam, de ontmoeting tussen Jodendom en moderniteit. Die ontmoeting kan alleen vruchtbaar zijn als alle vragen op tafel kunnen komen. Wellicht zou het religieuze progressieve Jodendom zo een onmisbare partner kunnen zijn om het seculiere Jodendom een toekomst te geven. Bart Wallet is hoogleraar joodse studies: vroegmoderne en moderne joodse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. 37 HELEEN MINDERAA

‘Niet: wat geloof je, maar: wat dóe je’ ‘Wat maakt de cultuur joods als je de basis ervan negeert?’ D Menno ten Brink, rabbijn LJG Amsterdam 38 Een beeld maken van het goddelijke mogen we niet. Maar in de sjoeldienst praten we wel veel over God. Waarom doen we dat? Wat voor rol heeft God? We vroegen enkele rabbijnen om een reactie. e kern van een Liberaal Joodse Gemeente is de religie, met de Tora als basis. Door te vragen wat voor rol God in de sjoeldienst heeft, kun je zeggen: misschien heeft God geen rol meer. Maar daarmee ondermijn je het hele jodendom. We stellen God of het Godsbegrip nooit ter discussie. Net als de vraag of iemand in God gelooft. Met die vraag ben ik als rabbijn ook helemaal niet bezig. De vraag “wat dóe je als Jood?”, is de hele joodse vraag waar alles in het jodendom om draait. God kun je in het jodendom niet goed definieren. We mogen geen beeld maken van het goddelijke, dus eigenlijk is het heel moeilijk te zeggen wat voor mogelijke rol hij of zij heeft. Wel zijn er zo’n zeventig namen die allemaal aspecten aangeven van wat God is in ónze beleving. Maar het zijn omschrijvingen. God (de vier-letterige Naam), is verleden tijd, tegenwoordige tijd en toekomende tijd in één woord en één begrip. Die God van tijd en ruimte kunnen wij niet bevatten. Die zevenCLAUDIA KAMERGORODSKI

Een ongewone gewone Rosj haSjana kansen – maak gebruik van de herkansing! We konden weinig meezingen maar het geheel voelde bekend aan. De mensen, de thema’s, de ontspannen sfeer. Het potluck dinner na de dienst was zonder meer gezellig. Een gewone Erev Rosj haSjana. Kineret Sittig, rabbijn V oor een rabbijn zijn Hoge Feestdagen zonder verplichtingen een mooie gelegenheid vrienden in het buitenland te bezoeken en en-passant lokale diensten mee te maken. Zo togen een goede vriendin en ik een paar jaar geleden, voorzien van een lading chocolaatjes als bijdrage aan het dessert, op een Erev Rosj haSjana naar het Jewish Community Centre van Victoria, in het uiterste zuidwesten van Canada. We werden hartelijk welkom geheten, en leverden onze chocola in; de dienst begon even later. Zo’n 40 tot 50 aanwezigen, schat ik. De rabbijn-in-opleiding was voor de gelegenheid ingevlogen vanuit New York, en een ouder gemeentelid hield de droosje. Samengevat: een nieuw jaar, nieuwe De volgende ochtend was er tasjlich aan het strand. Wat me is bijgebleven, naast de prachtige omgeving, is het advies van de rabbijn: in plaats van zoeken naar elk los broodkruimeltje in je jaszak en misschien twintig keer een onvolmaaktheid die je bij jezelf bespeurt met een minuscuul kruimeltje in het water gooien in de hoop dat ze samen worden weggespoeld, eerst even nadenken wat het belangrijkste gedrag is waar je vandaag vanaf wilt – één ding maar. En dat, samen met de uitgedeelde homp brood, met een flinke boog in de golven gooien. Effectief! Deze rabbijn had inzicht in de menselijke psyche, in elk geval in de mijne. Ik was klaar voor een nieuw jaar. Ik maakte nog even een praatje met hem, benieuwd naar deze persoon en zijn opleiding. Zijn naam weet ik niet meer, maar ik weet nog wel dat hij werd opgeleid tot humanistisch rabbijn. Ik keek wat verbaasd, en realiseerde me dat ik de vorige avond het woord ‘God’ niet gehoord had. Hoe kan een dienst waarin God niet genoemd wordt, een gewone joodse dienst zijn? Komt dat door de mensen, de gemeenschap, de geschiedenis, de feesten, de rituelen? Of door het vertrouwen in het vermogen van de mens om het goede te kiezen (en te weten wat dat is)? Of misschien door het idee dat ieder van ons iets heeft bij te dragen? Misschien zijn dit stuk voor stuk aspecten van het alomvattende concept dat we bij gebrek aan beter ‘God’ noemen: het ideaal voor ons handelen in deze wereld. tig namen zijn in die zin ook weer beperkend, maar het zijn karaktereigenschappen die wij zouden moeten imiteren, omdat we daarmee onszelf deel maken van het goddelijke. We zijn naar Zijn beeld geschapen. Maar dan gaat het om het spirituele beeld. Ieder ander beeld beperkt het Godsbegrip, en is dus niet joods. Als iemand vraagt wat God is, dan vergelijk ik het vaak met de liefde van ouders voor hun kind. Dan vraag ik om die band, die liefde, vast te pakken. Letterlijk. Dat kan dus niet. God is een gevoel, een emotie, een begrip, een gedachte waartoe je je kunt verhouden. God is zuiver spiritueel. Soms hoor je mensen zeggen: ik heb alleen iets met joodse cultuur, of alleen iets met Israël, of ik vind joodse liedjes zo mooi. Maar wat maakt de cultuur joods als je de basis ervan negeert? Als je religie eruit haalt, dan kan joodse cultuur van alles zijn. Mijn moeder was heel orthodox opgevoed. Na de oorlog was ze met haar zus als enige overgebleven. Zij zei: ‘Wat heb ik nu nog met de religie te doen na wat er is gebeurd?’ Toch werd ze lid van het bestuur van de LJG en allerlei commissies. Ze zei: ‘Wat mij, elke keer weer in de diensten in sjoel emotioneert, is het Sjema: vanwege de melodie van vroeger, de traditie, omdat het Sjema de kern van het jodendom aangeeft.” Het Sjema raakte haar ondanks of juist dankzij de religieuze inhoud. Je kunt het een spirituele ervaring noemen. Dat gevoel zie ik terug bij veel mensen. Als een kind Barof Bat Mitswa wordt, kiezen ze er niet voor om dit te vieren in een hotel, maar willen ze graag dat het in sjoel gebeurt. En dat is niet zonder reden. 39 > LID A BO S

Over geloof en misverstanden over geloof wordt gesproken, dat we die term ook zo zijn gaan invullen. Moet je in God geloven om naar sjoel te gaan? Het Hebreeuwse woord dat wij gewoonlijk met ‘geloof’ vertalen, emoena, betekent eigenlijk meer ‘vertrouwen’: in een goede toekomst voor jezelf , voor het Joodse volk of voor de hele wereld. Het is dit vertrouwen waarover wij spreken wanneer wij in sjoel zijn. Albert Ringer, rabbijn LJG Tilburg en Twente I n veel vormen van het protestants christendom is ‘geloof’ de basis van de godsdienst. Van oudsher is het idee, simpel gezegd, dat je het juiste geloof in God moet hebben om gered te worden. Als je wordt gered, krijg je het leven na de dood. Sinds Paulus (Nieuwe Testament, Romeinenbrief) verwijten Christenen de Joden dat deze zich door daden denken te redden en niet door geloof. In veel oude katholieke kerken vind je een beeldengroep die ‘Ecclesia en Synagoga’ heet en die deze tegenstelling uitdrukt. De kerk houdt de wijnkelk vast die wordt gebruikt tijdens de Eucharistie, symbool van het ware geloof terwijl de geblinddoekte synagoge zich vastklampt aan de stenen tafelen, zoals te zien is bij de kathedraal van Straatsburg. Deze tegenstelling, de kerk van het geloof en de joden die trachten zichzelf door daden te bevrijden, speelt ook vandaag nog een rol in gesprekken tussen Joden en Christenen. De tegenstelling van Paulus is wel een beetje waar, maar natuurlijk niet helemaal. Er is geen dominee of priester die van de kansel roept dat, als je maar gelooft, je er verder maar op los mag leven. In het jodendom zeggen wij dat het er om gaat om Gods wil te doen tijdens ons leven en word je dus geacht na te denken over wat God van je wil en dat dan zo goed mogelijk te doen. Zonder dat je er vanuit kan gaan dat je daarvoor zult worden beloond, niet in dit leven maar ook niet in een komend leven. Het resultaat van dit alles is dat christenen vaak ruzie maken over de juiste inhoud van het geloof (vandaar de vele verschillende denominaties), terwijl Joden ruzie maken over wat God nou precies van ons vraagt: hoe je sjabbat moet houden bijvoorbeeld. Wij zijn in West Europa zo vertrouwd geraakt met de manier waarop in het christendom 40 Het is in het jodendom eigenlijk not done om elkaar naar geloof te vragen. Je mag mensen wel aanspreken op wat ze doen, niet op wat ze zeggen te geloven. Je persoonlijke relatie met God is je eigen zaak. Iedereen begrijpt dat het over tijd ook kan veranderen. Als iemand al spreekt over geloof, dan is het vaak een momentopname. Iedere levensfase heeft zijn eigen uitdaging en zo rationeel zijn wij vaak niet. Het komt wel voor dat mensen mij vragen of ik geloof in God. Ik antwoord dan vaak dat dit er niet toe doet. Ik hoop vooral dat God in mij gelooft. Wat doe je, hoe leef je? Corrie Zeidler, rabbijn LJG Utrecht D ati is Hebreeuws voor religieus, afgeleid van het woord dat, voorschrift of wet. In het boek Esther beschrijft Haman het Joodse volk als een volk, we-et datee hamelech eenam , dat de wetten van de koning niet opvolgt. Dus je kan iedereen die een wet of voorschrift naleeft dati noemen. Hoewel in het moderne Hebreeuws dati de connotatie van orthodox heeft, noem ik mezelf ook dati, omdat ik me aan bepaalde voorschriften houd. CARLA VAN THIJN CARLA VAN THIJN

‘Alles ademt het verbond tussen de Eeuwige en ons’ V elen die ik spreek binnen de LJG benadrukken dat ze wel lid willen zijn, maar niet ‘religieus’. Vaak voeJoram Rookmaaker, rabbijn LJG Amsterdam gen ze daaraan toe dat ze niet in God geloven. Het mooie is dat ik ook niet vind dat iemand religieus moet zijn of in God moet geloven. De vraag naar Godsgeloof voor Joden die bij de LJG, of in het algemeen bij het jodendom, betrokken zijn is in mijn ogen vergelijkbaar met de vraag aan een zwemmer of hij in water gelooft. We kunnen lang filosoferen over het bestaan van water, maar de ervaring is dat de zwemmer erdoor gedragen wordt. En wat nog relevanter is: het fundament van het jodendom is gelegen in het verbond dat de Eeuwige met onze voorouders sloot. Zonder dat verbond ( afspraak) is er geen jodendom en zonder God was er niemand om een verbond mee te sluiten. Trouwen zonder een partner is ook een ingewikkelde bezigheid. Als iemand dat verbond irrelevant vindt is de weg naar sjoel sowieso niet voor de hand liggend. Alles ademt het verbond tussen de Eeuwige en ons: van geboorte tot sterven, van zondag tot sjabbat, het hele jaar door. Godsdienst heeft wel te maken met geloof, maar in de Tien Uitspraken worden we niet opgedragen om in de Eeuwige te geloven. Geloof kan je immers niet opdragen, net als liefde. In het jodendom gaat het in het algemeen niet over “geloven” maar over het doen, hoe je leeft, wat voor mens je bent. Het gebedenboek staat vol verwijzingen naar de Eeuwige. Misschien is het wel goed dat de teksten in het Hebreeuws zijn en klinken als een ‘formule’ uit de oudheid en dat de doorsnee sjoelganger niet altijd begrijpt wat hij/zij zegt. Als we wel alles zouden begrijpen, zouden we die teksten dan nog wel willen zeggen? We prijzen Hem, loven Hem, vragen Hem om gezondheid, ook als we niet precies weten wie Hij of Zij is, of zelfs bestaat. We zeggen die woorden omdat ze oeroud zijn, omdat honderden generaties ze voor ons zeiden, omdat er een soort magie aan kleeft, uit een hang naar traditie, een wens dat er iets is, een manier tot verbinding. Maar wat is de oorzaak en wat is het gevolg, de gebeden of de mens die ze uitspreekt of de God over wie het gaat? Jehoeda Amichai zegt dat mooi in een gedicht in zijn bundel Open Dicht Open: Ik zeg met volledig vertrouwen Dat de gebeden voorafgingen aan God. De gebeden hebben God gemaakt, God heeft de mens gemaakt En de mens heeft de gebeden gemaakt Die God hebben gemaakt die de mens heeft gemaakt. 41 Maar als je niet ‘in God gelooft’, heb je dan nog wat in sjoel te zoeken? Ik blijf de vraag apart vinden. Het jodendom plaatst het Godsbegrip in het centrum, maar houdt het verder abstract. In welke God geloof je dan niet, is altijd mijn vervolgvraag. In het een God die lijkt op Sinterklaas? Want in dat geval kan ik met overtuiging zeggen dat ik daar ook niet in geloof. Juist omdat onze joodse God abstract blijft kan je ook aan fases in je leven waarin je moeite hebt om je te verhouden tot de (of het) Eeuwige uitstekend betekenis geven door Tora leren, bouwen aan een gemeenschap, joods trouwen en joods opvoeden en ook door naar sjoel te gaan. Twijfel over recht en onrecht (lees Job nog eens) hoort bij een volwassen kijk op deze wereld. De balans zoeken tussen wat we begrijpen en wat we (nog) niet kunnen bevatten is een zoektocht voor heel ons leven. Het jodendom levert niet alleen antwoorden, maar ook vele vragen. Zoek je naar zekerheid, dan ga je die vermoedelijk niet vinden in sjoel, maar ook niet daarbuiten. In de tussentijd geven we het leven vorm zoals we denken dat goed is. Godsgeloof, noch religiositeit, is een voorwaarde voor sjoelbezoek. CLAUDIA KAMERGORODSKI

De acteur en komiek Géza Weisz duikt tijdens de bezetting onder bij de arts en psycholoog Fritz Fritz Rimathé Rimathé op Amstel 278 in Amsterdam. Beiden houden, onafhankelijk van elkaar, een dagboek bij. Een interview met journalist en programmamaker Tom Rooduijn, auteur van Amstel 278. De twee oorlogsdagboeken van Amstel 278 “B ij het maken van de radio-documentaire Het schimmenspel over Géza Weisz, de vader van Frans Weisz, kwamen de dagboeken bij mij terecht”, blikt Rooduijn terug. “Géza hield tijdens zijn onderduik een dagboek bij, waarover ik in het programma met Frans Weisz een bewogen gesprek voer. Op de uitzending kwamen veel reacties, onder meer van iemand die wist dat de onderduikgever op dat adres, Fritz Rimathé, eveneens een oorlogsdagboek had bijgehouden. Via Facebook vond ik de kleindochter van Fritz Rimathé in Brazilië. Zij beschikte over een doorslag van het dagboek van haar grootvader.” “Fritz Rimathé groeide op in het Franstalige deel van Zwitserland, met een Duitse moeder. Hij was arts en vertegenwoordiger in Nederland van de Zwitserse farmaceut Hoffmann-La Roche. Na de oorlog kreeg zijn moeder het dagboek in handen. Zij was zo geschokt door de wandaden van haar landgenoten, dat ze opdracht gaf het pak papier te verbranden. Vermoedelijk via zijn secretaresse, Joep de Vries, is deze doorslag bewaard gebleven en bij zijn kleindochter terechtgekomen. Het dagboek van Géza is na de oorlog door een onbekende aan het NIOD overhandigd.” Dagboek van ruim vijfhonderd pagina’s Fritz Rimathé schreef in het Frans. Op 5 mei 1940 is hij, zich het unieke van de situatie realiserend, met zijn dagboek begonnen. Het beslaat ruim vijfhonderd pagina’s en Rooduijn is, zodra hij het in handen kreeg, begon42 tekst Marguerite Berreklouw Ondanks het feit dat de beide mannen heel goed bevriend waren, wisten ze niet van elkaars dagboeken af. nen met stukken te vertalen. Via Oscar van Gelderen, voormalig uitgever van Lebowski, kwam het boekplan bij uitgeverij Thomas Rap terecht. “Oscar is een pleitbezorger voor het blijven uitdragen van deze oorlogsverhalen”, vertelt Rooduijn. Géza Weisz schreef zijn dagboek in 1943. Zijn vader was Hongaar van geboorte. Géza schreef in het Nederlands en Duits. Hij was een succesvolle komisch acteur in Berlijn en vluchtte in 1933 naar Nederland. Wat er over is van zijn dagboek is met kleine regelafstand getypt, mogelijk door papierschaarste. Ondanks het feit dat de beide mannen goed bevriend waren, denkt Rooduijn dat ze niet van het bestaan van elkaars dagboeken afwisten: “Misschien uit veiligheidsoverwegingen, misschien ook omdat voor Géza het dagboek een manier was om de spanningen van de onderduik aan het papier toe te vertrouwen. Hij hield zielsveel van zijn vrouw Selma, die als gevolg van haar manisch depressiviteit op den duur niet meer was te handhaven in het huis aan de Amstel.” “Het dagboek van Fritz Rimathé was veel meer dan een persoonlijk verslag”, vervolgt Rooduijn. “Hij wilde het nageslacht vertellen hoe het is om in een bezette stad te leven. Hij had een groot observatievermogen voor de ontwikkelingen in zijn buurt en zijn grote vriendenkring. Hij informeert zich zo breed mogelijk en paart een goed inzicht in de politieke situatie aan een analytische blik. We krijgen bovendien een inkijkje in het leven van kunstenaars, artsen en verzetslieden in de stad.” ERVEN FRITZ RIMATHÉ

Rooduijn beschouwde het als een opdracht om de dagboeken toegankelijk te maken voor een breed publiek door scènes, dialogen en gebeurtenissen beeldend te beschrijven. “Ik heb alles geverifieerd, maar heb het ingekleurd. Als Fritz schrijft dat er compromitterende papieren en documenten in de gracht drijven, voeg ik daar bijvoorbeeld de lindebloesem aan toe die in dat jaargetijde op het water ligt.” Het dagboek van Fritz Rimathé heeft Rooduijn samen met een koffertje met foto’s en documenten overgedragen aan het Amsterdams Stadsarchief. “Alles wat ik heb geschreven kan dus worden nagetrokken.” Selma en Géza Weisz Lafheid en heldenmoed In het begin van de oorlog was Fritz Rimathé nog overtuigd dat Nederland, net als tijdens de Eerste Wereldoorlog, de dans zou kunnen ontspringen. Maar na het bombardement op Rotterdam bekruipt hem de angst voor het voortbestaan van Nederland en het lot van de Joden in het bijzonder. “Hij schrijft: ‘Het onderscheid tussen goed en kwaad, patriottisme en idealisme, lafheid en heldenmoed is diffuus geworden’. Toch verdiept hij zich in het gedachtegoed van de nazi’s: ‘Als ik mij moet schikken naar een nieuwe orde, dan wil ik weten wat daar vruchtbaar aan is.’” Hij wordt, met zijn open en nieuwsgierige houding, geconfronteerd met verschillende meningen, vertelt Rooduijn. Het huis aan de Amstel is een plek voor ontmoetingen tussen kunstenaars en intellectuelen. Daar zijn ook mensen bij die tekenen voor de Duitse Kultuurkamer, die het Joden onmogelijk maakt om welke kunst dan ook te praktiseren. In het begin van de oorlog denkt Fritz nog wel met een machtsovername te kunnen leven, maar dan wel ‘zonder de excessen tegen de Joden’, zoals hij schrijft. Maar hij ziet dat ‘er een destructieve woede en een krankzinnig sadisme is, tegen een bevolkingsgroep die zich niet kan verdedigen’. Hij neemt een naïef-elitair standpunt in: hij vindt dat ‘de elite haar plicht heeft verzaakt.’ “Een deel van hem vreest de toekomst en zoekt vergeefs naar een uitweg. Zijn andere ik is toeschouwer van een ongelooflijk schouwspel: een suïcidaal Europa. De één vindt het verschrikkelijk, de ander is mateloos geboeid en wil de catastrofe meemaken – zolang hij leeft”, aldus Rooduijn. Fritz krijgt tot tweemaal toe de mogelijkheid om naar Zwitserland terug te gaan, maar slaat dat aanbod af. Uiteindelijk moet hij zijn keuze met de dood bekopen. Géza voelt zich beschermd door zijn Hongaarse paspoort. Hongarije was tot ver in de oorlog met nazi-Duitsland bevriend. Tot verbazing van Fritz is Géza in staat om in zijn lot te berusten. De grootste worsteling voor Géza begint in het voorjaar van 1943, als zijn manisch-depressieve echtgenote wordt opgenomen. Hun zoon Fransje, geboren in 1938, is dan al ergens anders ondergedoken. Géza zelf is al een keer gearresteerd, maar na zes weken vrijgelaten. Hij schrijft: ‘Ik moet orde in mijn gepijnigd en ziek hoofd scheppen. Welke waanzin regeert ons! Mijn vrouw woont in dezelfde plaats en ik mag haar niet zien, niet spreken, niet bezoeken. (……) Mijn kind woont ergens anders en ik mag het niet zien of spreken. Ik heb niets misdaan, maar moet me verbergen. Ik voel mij zó eenzaam, zó alleen, zó weerloos.’ ‘Ik moet orde in mijn gepijnigd hoofd en ziek hoofd scheppen.’ Amstel 278 door Tom Rooduijn (THOMAS RAP) Monument voor Weisz en Rimathé Rooduijn is er uitstekend in geslaagd het katen-muisspel dat de Duitsers speelden met de bevolking en de Joden in het bijzonder, weer te geven. “Ik voelde me een boodschapper van de twee dagboekschrijvers, hoewel het mij natuurlijk wel beklemde. Het uitzoeken en beschrijven wat er na de inval door de Duitse veiligheidsdienst is gebeurd, vond ik het zwaarst. Het lot van de hoofdpersonen is gruwelijk. Vrijwel iedereen in de kringen van Géza en Fritz verkeerde tegen het moment van die inval, 7 augustus 1944, in levensgevaar. Het trof me dat men zich hoe langer hoe meer realiseerde, dat als je eenmaal in handen van de Duitsers viel, het waarschijnlijk afgelopen was met je. Géza en Fritz waren als immigranten goed op de hoogte van wat de nazi’s in Europa aanrichtten. Ze waren niet naïef, zoals sommige leden van de Joodse Raad, die dachten dat je de transporten nog wel kon overleven.” “Fritz bewonder ik om zijn open blik en zijn humanistische levenshouding. Hij beschikte over een brede kennis. Verwant met de Duitse cultuur vraagt hij zich af of een Duitse alleenheerschappij misschien nog iets goed kan opleveren. Die illusie verdwijnt bij de eerste anti-Joodse maatregelen. Hij worstelt met de vraag hoe een volk met zo’n hoogontwikkelde cultuur komt tot deze barbaarsheden.” “Géza’s verhaal is schrijnend op het persoonlijk vlak. Hij komt, nadat zijn vrouw moet worden opgenomen, meer en meer in gewetensnood en twijfelt er zelfs aan of hij als mens wel deugt. Zijn leven eindigt in Auschwitz. Fritz Rimathé sterft van uitputting in Bergen-Belsen. Voor Géza Weisz en Fritz Rimathé heb ik een monument willen oprichten.” 43 ERVEN GÉZA WEISZ

Directie en management van Beth Shalom wensen cliënten, familie, medewerkers, vrijwilligers en alle overige betrokkenen een gezond en gelukkig 5783. Joodse GGZ: beter begrip, sneller resultaat! Als je vastloopt in het leven is het fij n als je terecht kunt op een plek waar je begrepen wordt. Heb jij last van depressie, angst of PTSS? Bij de Joodse GGZ van het Sinai Centrum helpen we je snel vooruit met effectieve behandeling van meest voorkomende psychische klachten. “Betrokken mensen met verstand van zaken” Benieuwd of wij jou kunnen helpen? Kij k op www.sinaicentrum.nl/joodseggz info-joodseggz@sinaicentrum.nl 06 52675319 (WO & DO) Laan van de Helende Meesters 2, Amstelveen Berkenweg 7, Amersfoort Sjana Tova Oemetoeka!

COLUMN } ZIPPORA ABRAM Het is een ramp dat de tempel er niet meer is en liberale rabbijn vertelde mij ooit: “Wij liberalen hebben niet de wens dat de tempel terugkomt.” Daarom zouden in de tijd van Jacob Soetendorp ook de meeste verwijzingen naar de tempel zijn verwijderd uit de sidoer. Eén blik op onze sidoer leert, dat bovenstaande uitspraak niet klopt. In onze gebeden staan talloze verwijzingen naar de tempel. We gaan allemaal vrij gewichtig staan tijdens de zegening van de kohanim, terwijl er geen kohanim zijn die de zegening uitspreken. We roepen nog steeds als eerste een Koheen op en als tweede een Leviet. En het hoogtepunt: we spelen een hele tempeldienst na op Jom Kipoer, inclusief het languit op de grond liggen. De Tora, waar we geen liberale versie van hebben gemaakt, staat natuurlijk ook vol met instructies over de tempeldienst, offers brengen, en beschrijvingen van tempeltaferelen. Ik vind dat allemaal geweldig, maar eigenlijk lijkt de hele tempel me geweldig en vind ik het een ramp voor het Joodse volk dat de tempel niet meer bestaat. Soms krijg ik de indruk dat ik bij de LJG de enige ben. Als er al over de tempel wordt gesproken, hoor ik vaak, ook van rabbijnen, dat we maar blij moeten zijn dat de tempel er niet meer is. Het zou toch vreselijk zijn om dieren te moeten offeren, gatver al dat bloed en al die ingewanden, ieks, ieuw. Maar is dat de essentie van de tempel? De tempel waar de Eeuwige aanwezig was. Die op de plek stond waar Awraham zijn zoon vast45 bond, de plek waar Ja’akov zijn droom had, de plek waar Kaïn en Abel en ook Noach hun offers brachten? Dat was de plek waar later de tempel op is gebouwd. De heiligste plek op aarde. Er zijn commentaren die zeggen dat de tempel onze meest spirituele plek was. Na de verwoesting van de tempel, is niet alleen het Joodse volk, maar ook de Joodse spiritualiteit verstrooid over de aarde. In de tijd van de tempel was dat de spiritual place to be. Gods aanwezigheid was voelbaar en daarom was ook het brengen van offers makkelijk: je wist waar je het voor deed. Gods aanwezigheid was niet alleen voelbaar maar ook zichtbaar. In de tempel waren tien wonderen zichtbaar: Ondanks alle offers was de tempel schoon, het stonk niet, er waren geen vliegen. Het vlees van de offers rotte niet. Vrouwen die de geur van het vlees roken, kregen geen miskraam. Het vuur op het altaar doofde nooit, ondanks vele regens. Ondanks de drukte die er soms was, raakte nooit iemand gewond. ‘Het brengen van offers was makkelijk: je wist waar je het voor deed.’ Tegenwoordig moeten we nog steeds offers brengen om Joods te zijn, maar misschien zijn die offers een stuk moeilijker op te brengen omdat de Eeuwige verborgen is. Het is aan ons zijn aanwezigheid op te merken. Hedendaagse offers zijn bijvoorbeeld het betalen van de contributie aan de LJG, het naar sjoel gaan ook als je liever wilde uitslapen. Je inzetten voor je club en er je kostbare tijd aan besteden. Zeggen dat je Joods bent, ook als dat niet altijd tot prettige reacties leidt. Niet alles eten, soms een dag vrij nemen van je werk omdat je een Joodse feestdag viert. Je verdiepen in je eigen tradities. Dat alles is een stuk moeilijker als je niet voelt dat er een hogere macht is voor wie je dat doet. En als dat inderdaad moeilijk is, denk dan eens met een gevoel van verlangen aan de tijd dat we nog een tempel hadden en dat spiritualiteit en Jodendom gemakkelijk hand in hand gingen. CARLA VAN THIJN

Heeft een sjoeldienst betekenis zonder God? Joden assimileren in rap tempo en verlaten daardoor ook de Joodse instituties zoals de sjoel. Wat is nodig om het tij te keren? En kunnen we als Joods volk bestaan zonder het besef van het Goddelijke? W aarom zeggen wij in de Amida “Onze God en God van onze voorouders?”1 De Ba’al Sjem Tov zegt er het volgende over: “God van onze voorouders” zegt de Jood die gelooft dat hij zijn geloofsovertuiging van hen heeft ontvangen. Zijn geloof wankelt niet, maar hij loopt het risico dat het geloof een automatisme wordt. “Onze God” zegt de jood die zijn Godsvertrouwen kreeg door zoeken en worstelen. Zijn vertrouwen kan aan het wankelen worden gebracht door allerlei tegenbewijzen. Maar de Jood die beide opvattingen combineert is onoverwinnelijk! We zeggen “Onze God” vanwege onze eigen zoektocht en “God van onze voorouders” vanwege de traditie die we hebben meegekregen. Hoe de joden een volk werden Dit is in mijn ogen de essentie van onze Joodse religie en van ons Joodse volk: het vasthouden aan onze eeuwenoude traditie en het constant 46 tekst Ruben Reisenstadt foto Carla van Thijn bezig zijn met onderzoek, leren, en bewust een Joods leven leiden. En deze traditie gaat ruim drieduizend jaar terug, toen de Joden een volk werden onder aanvoering van Mosje tijdens en na de uittocht uit Egypte en na het ontvangen van de Tora in de Sinaï woestijn. Wij hebben die erfenis toen ontvangen en geaccepteerd en leven er sindsdien mee tot aan de dag van vandaag. Stel je voor dat wij als Joden geen Tora en Tanach hadden gehad? Hadden wij dan nog als volk bestaan? Zouden we niet zijn verdwenen uit de geschiedenis zoals zo veel volkeren uit de oudheid zoals de oude Feniciërs, de Filistijnen, de oude Grieken, enzovoorts? Hoe we het ook wenden of keren, we kunnen als Joods volk niet bestaan zonder het besef van het Goddelijke begrip, het monotheïstische begrip van een niet zichtbare God. Het polytheïsme is praktisch verdwenen uit de wereld, en de grote wereldreligies hebben het idee van een onzichtbare God ook omarmd. De basis daarvan ligt bij ons, het Joodse volk. Met de volksverhuizing werd niet alleen het geboorteland verlaten, maar ook de sjoel, het gebedshuis, en het beit midrasj, het leerhuis. Gevolgen van een volksverhuizing Tot een paar honderd jaar geleden twijfelde niemand in de westerse wereld aan het bestaan van God. Iedereen, Joden en christenen van allerlei richtingen hadden er een idee over. Ook de beroemde filosoof Spinoza had een eigen idee over het goddelijke. De kentering begon, naar mijn mening, in de 18de en 19de eeuw met de Verlichting, later gevolgd door het communisme en socialisme. In Joodse kring werd het socialisme gretig omarmd, begrijpelijk gezien de erbarmelijk en uitzichtloze situatie waarin grote delen van de Joodse bevolking, vooral in Oost-Europa, leefden. Joden verlieten massaal de sjtetls, en eind 19de en begin 20ste eeuw kwam massale emigratie op gang naar Noord en Zuid- Amerika. In die periode ontstond eveneens het Zionisme en de jonge pioniers trokken naar het

zoek. Dit is duidelijk te zien in de aanwezigheid van de jongere generaties bij de sjoels Amos en Bendigamos in vergelijking met het huidige matige sjoelbezoek van jongeren op sjabbat in bijvoorbeeld de LJG Amsterdam. toenmalige mandaat Palestina en stichtten de Jisjoev, de basis van het huidige Israël. Maar met deze volksverhuizing verlieten ze niet alleen het geboorteland, maar ook de sjoel, het gebedshuis, en het beit midrasj, het leerhuis. Assimilatie in seculiere en liberale kringen Ook in Nederland omarmde de arme joodse bevolking het socialisme, met de hoop op betere arbeidsvoorwaarden, een betere toekomst. Steeds minder joden gingen naar sjoel of voerden een Joods huishouden. Door de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog bleven er zo weinig joden over. De meesten waren zwaar getraumatiseerd en probeerden ondanks alles weer een bestaan op te bouwen en een gezin te stichten. De assimilatie die voor de oorlog al was begonnen zette nog harder door. Joden zijn een kleine minderheid in Nederland en voelen zich vaak gediscrimineerd. Jongeren die zich niet gesterkt voelen doordat ze een solide Joodse traditie meekregen van thuis, wellicht angstig of onzeker en niet willen opvallen, assimileren op dit moment in rap tempo en verlaten daardoor ook de Joodse instituties zoals de sjoel. Dit proces is zichtbaarder vooral in seculiere en liberale kringen, dan in orthodoxe, waar meer families vasthouden aan de Joodse levenswijze inclusief sjoelbeWe kunnen Hem in sjoel vinden, want daar is Hij nooit weggeweest. Erkenning van betekenis van God in sjoel De vraag is ook niet of God betekenis heeft in sjoel, maar of wij die betekenis erkennen, voelen. Zijn wij nog bereid in discussie te gaan met God? Discussie met God is voor de Jood van alle tijden. God is gewoon aanwezig in iemands leven en Hij heeft betekenis, is mijn mening. Abraham Joshua Heschel zegt zelfs dat het juist God is die de mens zoekt. “De kern van religie is een bewustzijn van verplichting, een ons gebonden weten aan een hoger doel, een besef dat ons leven niet alleen voor onszelf, maar ook voor God van belang is.”2 Voor een Jood is het niet van belang om zich af te vragen of God bestaat en hoe Hij eruit ziet. Voor velen is Zijn bestaan een feit en net als Awraham, Mosje, talloze profeten en in latere Talmoedische tijden en vele andere joden gaan en gingen zij in discussie met de Ribono sjel Olam, de Heer van de Wereld. Dat velen, ook Joden beweren dat God niet bestaat vind ik getuigen van de arrogantie die de huidige, oppervlakkige, westerse mens kenmerkt. Zij denken zich niet in hoe complex de wereld en het heelal is waarin wij, kleine eindige wezentjes, leven. Hoeveel geheimen en raadsels er zijn die we niet kunnen doorgronden en die we waarschijnlijk ook nooit zullen oplossen, hoe groot en machtig onze computers en technologieën ook worden. Ik vergeet nooit een aangrijpende droosje van Ron van der Wieken jaren geleden, waarin hij vertelde hoe vaak hij als arts overtuigde atheïsten in de laatste momenten van hun leven, hoorden smeken om God. 1 LJG Sidoer blz. 21 2 In het licht van Zijn aangezicht, Abraham Joshua Heschel 3 Gewoon Joods, Jonathan A. Romain Geloof en daad zijn niet te scheiden Hoe krijgen we de moderne Joden weer naar sjoel op sjabbat en feestdagen? Hoe denken wij, liberale Joden, met deze moderne afwijzende en twijfelende mentaliteit, het Jodendom in Nederland in stand te houden? Ik zie als enige remedie dat we ons bewust blijven van de noodzaak om onszelf en onze kinderen het geestelijk rijke Joodse leven te laten leven met de praktische invulling daarvan zoals het houden van sjabbat, de spijswetten, enzovoorts. Dat zal ons leven verrijken, veel twijfels zullen verdwijnen. De ervaring is hoe meer je aan Joods leven doet, hoe meer je een besef krijgt van de Goddelijke wereld in ons midden. “Geloof en daad zijn in het Jodendom niet van elkaar te scheiden”, zegt rabbijn Jonathan A. Romain3. Alleen op die manier, is mijn overtuiging - gebaseerd op mijn eigen zoektocht en worstelingen in het leven - zal God in ons midden zijn en blijven. En zullen wij Hem uiteraard in sjoel weer vinden, want daar is Hij nooit weggeweest. 47

Waar mijn familie vandaan komt Oostenrijk Tocht door Europa Bondy is een verbastering van het Ladino ‘bon dia’, wat ‘jom tov’ betekent. Maar de familie uit Wenen was geassimileerd. Hoewel sjabbat niet werd gevierd, kwam varkensvlees niet op tafel. Hoe ze hun brood verdienden is onbekend. We weten alleen dat mijn grootvader ten tijde van de choepa met mijn grootmoeder ‘koopman’ was. Zij had toen al een lingeriezaak in Keulen die al snel werd uitgebreid tot productieateliers en meerdere winkels. D e moeder van mijn moeder was van geboorte een Hirsch, de vertaling van Zvi, en die naam was het weinige verband met het jodendom, dat ooit over de lippen van mijn moeder kwam. Soms een emotionele blik als zij de Spaanse plaatsnamen Toledo, Sevilla en Granada noemde terwijl zij nooit in Spanje was geweest. Een keer vroeg ik, vanwaar haar ontroering en zij liet zich ontvallen dat haar moeder veel over die plaatsen had gehoord in haar ouderlijke familie, die in de 19e eeuw in het Rijnland van de paardenhandel leefde. Sefardische roots Als joods kind, geboren in 1942, had ik al heel vroeg geleerd om niet verder te vragen, ook niet over de Sefardische roots. Wij namen aan dat mijn voorouders van die tak ergens in de 16e of 17e eeuw in het Rijnland waren beland. De familie van mijn grootvader, de vader van mijn moeder, met de achternaam Frank (geen familie van…) woonde daar al eeuwenlang. 48 Als joods kind, geboren in 1942, had ik al heel vroeg geleerd om niet verder te vragen. door Vera Bondy Sterke vrouwen De familie van mijn grootvader van mijn vaders kant woonde al een paar eeuwen in Wenen, nadat ze ooit vanuit het Iberisch schiereiland in Venetië terecht was gekomen. Risjes dwongen tot verkassen en dat werd Hongarije. Dit speelde ten tijde van de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie, dus de stap naar Wenen was logisch. Daar leefden ze van leerlooierij. Kwaadaardige roddel wil dat de mannen allemaal als ketters zopen. Dat deden alle leerlooiers om vooral de smerige dampen weg te spoelen. Door de drank werden zij zo gewelddadig dat hun vrouwen uiteindelijk zelfs hun get kregen. Inderdaad waren er in de 19e eeuw veel echtscheidingen bij de Bondy’s. Het moeten sterke vrouwen zijn geweest die in de zeer traditionele wereld zonder echtgenoot hun kinderen wisten groot te brengen. Nette buurt In die tijd leefden in Wenen de meeste arme joodse gezinnen met grote gezinnen in kleine woningen op de ‘Mazzesinsel’, het eiland tussen de Donau en het Donaukanaal. Niet de familie Bondy. Die woonde in een nette buurt ver daarvandaan, dichtbij Schönbrunn, het keizerlijke paleis temidden van uitgestrekte tuinen. In die buurt hebben mijn grootouders van Vera’s vader, Robert Bondy, staand op de bank, 1917

vaderskant waarschijnlijk elkaar ontmoet. Mijn grootmoeder, Liebel was haar meisjesnaam, was eerste-generatie immigrante vanuit Jägerndorf, een stadje dat steeds wisselend Rusland, Polen en de Dubbelmonarchie toebehoorde. Een groot deel van de inwoners – alweer kwaadaardige roddel? – leefde voornamelijk van illegale brandewijnstokerij. Een groot deel van de bevolking van Jägerndorf was joods. Het ouderlijke gezin van mijn grootmoeder woonde in een zeer redelijk huis dat meteen aan een sjoel grensde. Mijn overgrootvader stierf tamelijk jong en zijn zoon trok als aankomend jurist naar Wenen, tevens als wegbereider voor zijn moeder en zuster, die nu zonder man in huis in Jägerndorf woonden en leefden van het prachtige borduurwerk dat ze maakten. Die twee vrouwen voegden zich rond 1910 bij de zoon en broer en leefden eveneens in de buitenwijk vlak bij Schönbrunn. Geassimileerde huishouding Hoe Wilhelm Bondy en Helene Liebel elkaar in Wenen hebben ontmoet? Dat valt niet meer te achterhalen. Maar hun gezamenlijke huishouding werd geassimileerd met Asjkenazische sporen. Er werd geen varkensvlees gegeten, maar sjabbat werd niet gevierd. Mijn vader wist niet eens wat matses waren. Ook niet dat zijn joodse naam Yitzchak was. Hij begreep niets van de foto die bij de Bat Mitswa van mijn kleindochter was genomen. Over de familiegeschiedenis van mijn vader werd bij mij thuis niet gesproken. Een heel enkele keer ‘dwong’ ik mijn vader, maar die Grootvader Alfred Frank, 1937. Mijn vader wist niet eens wat matses waren. Ook niet dat zijn joodse naam Yitzchak was. informatie leverde niets noemenswaardigs op. Zo herinner ik mij die keer dat wij in een Kaffeehaus zaten en ik hem onverwacht vroeg of hij nog iets wist over ooms en tantes. Hij noemde in supersonisch tempo een reeks vrouwennamen op, maar of zij hadden overleefd – geen antwoord. Daarna sprak hij 20 jaar lang niet meer over zijn familie. Hij was al zo’n 95 jaar oud, ik bijna 70, toen ik hem vroeg waarom zijn vader in Wenen was achtergebleven, terwijl zijn zoon en later ook vrouw en dochter Engeland hadden weten te bereiken. “Hij had een broedercomplex,” aldus mijn vader. Verbaasd vroeg ik naar die mij onbekende ‘diagnose’. Mijn grootvader bleef achter, omdat hij blijkbaar meer gaf om zijn broer dan om vrouw en kinderen. Het moeten sterke vrouwen zijn geweest die in de traditionele wereld zonder echtgenoot hun kinderen groot wisten te brengen. Hulpbehoevend Ik had van mijn moeder wel eens gehoord over het huwelijk van haar schoonouders en dat was niet fraai. Mijn grootmoeder had serieus echtscheiding overwogen, maar dat uit praktische en menslievende overwegingen niet gedaan: haar man was namelijk hulpbehoevend. Die beperking zou hij als soldaat tijdens de Eerste Wereldoorlog hebben opgelopen, zo bleek toen ik de correspondentie hierover van het Oostenrijks defensiearchief ontving. In deze correspondentie - die zich tot ver in de jaren 30 van de vorige eeuw voortsleepte - drong hij herhaaldelijk aan op een militair pensioen. Het Ministerie was van mening dat zijn in oorlogstijd ontstane blindheid aan één oog niets met militair handelen te maken had. 49 > Vera’s vader (3e van rechts) meldde zich in 1943 voor militaire dienst in het Britse leger. Vera’s grootmoeder Rosa FrankHirsch rond 1900 Vera’s moeder Lore Bondy-Frank, ca, 1939-42

“Wat vindt een imker eigenlijk van Rosj Hasjana?” Scan de QR-code www.freyda.nl BOEKHANDEL VAN ROSSUM Zeruya Shalev Lot J.M.Meulenhoff Gebonden, € 24,99 Jonah Freud Memmisj De Joodse wereldkeuken van Jonah Freud Carrera culinair Gebonden, € 35,Verwacht 15 september Misschien om haar familie beter te begrijpen, of misschien om aan hen te ontsnappen, gaat Atara op zoek naar Rachel, de eerste vrouw van haar vader, het grote taboe van Atara’s jeugd. Rachel vocht naast haar vader in de ondergrondse beweging die streed voor de onafh ankelijkheid van Israël. De idealistische Rachel lijkt het verleden te belichamen, maar naarmate er steeds meer van dat verleden wordt onthuld, werpt het een grotere schaduw op zowel heden als toekomst en confronteert het alle personages met vragen over het lot, verantwoordelijkheid, geloof, teleurstelling en liefde. Dieuwertje Blok Dragelijke lichtheid Het tienerdagboek van mijn Joodse moeder tijdens de Tweede Wereldoorlog J.M.Meulenhoff Gebonden, € 22,99 Verwacht 5 oktober Hoe ziet een seideravond eruit in Australië en wat zetten ze op tafel in Zuid-Afrika? Wat wordt gegeten tijdens de sabbat in Rio, op de Antillen en in Rome? En niet te vergeten: hoe bereiden ze in alle uithoeken van de wereld hun kippensoep? Met deze vraag is Jonah Freud gaan kijken naar de Joodse keuken wereldwijd. Dieuwertje Blok debuteert met een ontroerende ontdekkingstocht door het oorlogsverleden en -dagboek van haar moeder, Henny Gazan. Naast het dagboek, dat volledig te lezen is in deze uitgave, verzamelt ze anekdotes en brieven die de tand des tijds hebben doorstaan en geeft ze context bij alles waar haar moeder over schreef. In dit boek puzzelt Dieuwertje het leven van Henny, en alle jongeren die ze ontmoette, bij elkaar en schetst daarmee een portret van een bijna verdwenen generatie. Beethovenstraat 30-32 — 1077 JH — Amsterdam 020-4707077 — winkel@boekhandelvanrossum.nl — www.boekhandelvanrossum.nl Wilt u iets bestellen? Dat kan ook via www.athenaeum.nl/winkels/van-rossum

Het ‘verlovingsweekend’ van Ilse Frank, de zuster van Vera’s moeder, met Lesley Pope. 1945, Engeland. Zijn blindheid was het gevolg van gonorroe. Desondanks deed hij samen met eerdergenoemde broer gedurende de Eerste Wereldoorlog het leger een aanbod om als ervaren leerbewerkers onderdelen voor uniformen te produceren. Zij kregen evenwel geen enkele opdracht. Of mijn vaders weerzin om over zijn familiegeschiedenis te praten ermee te maken had dat zijn vader pogingen had ondernomen om van een oorlog te profiteren? Ik kreeg nooit de gelegenheid om het te vragen. En ik zou nooit hebben gevraagd of hij van de geslachtsziekte van zijn vader op de hoogte was. En al helemaal niet of zijn geliefde moeder wellicht besmet was geraakt. Niet praten over vroeger Terwijl ik dit schrijf vraag ik me af wat dit allemaal met het jodendom te maken heeft. Niets uiteraard. En alles. Want mijn ouders waren heus niet de enigen die niet over vroeger praatten. Onder die generatie joden komt dat veel vaker voor dan bij minder gedecimeerde, minder geschonden families. Ook mijn moeder vertelde haast niets. Toch vermoedde ik drama’s. Als vier-, vijfjarige zag ik haar vaak schokschouderen in de wanhopige zin van “er is niets aan te doen.” Een keer vroeg ik wat dat dan wel was. “Dat begrijp je nog niet, kind”, kreeg ik als antwoord. Ze vroeg mij of ik me kon voorstellen dat je niet zomaar een hoek op straat kon omslaan, omdat daar boze mensen konden staan. Het leek mij doodeng. Van allemaal afval op straat knutselde ik een soort periscoop. “Te laat,” zei mijn Pas toen ik 40 jaar oud was kwam ik met het jodendom in aanraking. moeder. “Hopelijk te laat,” en legde het terzijde. Zij was, net als haar zuster, door haar ouders tijdig vanuit Keulen naar Engeland gestuurd. Als au pair waren ze daar veilig. Haar broer vertrok richting Spanje, kwam in de Spaanse Burgeroorlog terecht en vluchtte er dwars doorheen ongedeerd naar Columbia. Hij kreeg daar verkering, huwde en ze kregen drie kinderen waarvan er twee nog steeds in Bogotá leven. In Engeland trouwde haar zus met een Brit, kreeg twee zoons waarvan er één nog steeds in Engeland leeft en de ander sinds tientallen jaren in het uiterste noorden van Noorwegen. Naar Wenen Mijn ouders leerden elkaar in Londen kennen en trouwden. Ik werd in 1942 geboren, mijn zuster vlak na de oorlog. In 1947 verkasten wij naar Wenen, omdat mijn vader dat zo wilde. In 1951 vertrokken we naar Oost-Berlijn en vijf jaar later terug naar Wenen, inmiddels mijn tweelingbroertjes rijker. Mijn ouders scheidden in 1958 en in 1961 kwam ik - voor een relatie - naar Nederland. Pas toen ik 40 jaar oud was kwam ik met het jodendom in aanraking en later, dankzij en met ongelooflijk veel hulp van mijn schoondochter, gingen wij op zoek naar mijn familiaire wortels. Vrijwel alle nakomelingen van onze grootouders zijn bang voor een volgende Shoah. Een enkeling is zelfs halfslachtig christen geworden. Sommigen pretenderen neutraal te zijn, maar willen verder niets over het jodendom weten. Voor weer anderen is religie opium voor het volk. 51 De broer van Vera’s moeder, Helmut Frank, trouwde met Ruth, ca. 1941 Vera’s vader Robert Bondy (l), haar moeder Lore Bondy-Frank en in het midden Vera zelf, Londen 1943

Jongen bestudeert een boek in een synagoge Jaarlijkse bedevaart naar El Ghriba De Joden van Djerba Wuivende palmen en hagelwitte stranden kenmerken het eilandje Djerba voor de kust van Tunesië. Het is ook de plek waar duizenden Joden komen tijdens de bedevaart van Lag BaOmer. Het beeldverslag daarvan, gemaakt door fotograaf Jacques Pérez in 1779/1980, is te zien in het Parijse Museum van Kunst en Geschiedenis van het Jodendom. 52 tekst Hans Schippers E ind jaren zeventig kreeg de Tunesische fotograaf Jacques Pérez, die een Joodse vader had, de opdracht om voor wetenschappelijk onderzoek het dagelijks leven en de gebruiken vast te leggen van de Joodse gemeenschap op het eilandje Djerba voor de kust van Tunesië. Hoogtepunt van zijn beeldverslag is de bedevaart van Lag BaOmer, wanneer enkele duizenden Joden van voornamelijk Tunesische afkomst uit onder meer Frankrijk en Israël naar Djerba komen. Een keuze uit Pérez rapportage is tot 31 december te zien in het Parijse Museum van Kunst en Geschiedenis van het Jodendom in de bekende wijk ‘le Marais’, om de hoek bij het Centre Pompidou. Toeristenoord ‘Wuivende palmen, hagelwitte stranden met zonaanbidders en een vriendelijke bevolking’, zo wordt Djerba omschreven in diverse vakantiefolders. Bij de meeste Nederlanders, zowel niet-Joden als Joden, zal de naam Djerba geen bel doen rinkelen. Sommigen zullen het eilandje, dat via een dam met het vasteland is verbonden, kennen als vakantiebestemming. Djerba heeft een interessante geschiedenis. Het wordt al genoemd in de Griekse mythologie en werd vanwege zijn strategische ligging gekoloniseerd door Grieken, Romeinen, Kruisvaarders, Turken en vanaf de negentiende eeuw door Frankrijk. Tunesië, waar Djerba bij hoort, werd in 1956 onafhankelijk. Landbouw en handel domineerden eeuwenlang de economie van het eiland, waarbij de Joden de wijnbouw en ambachtelijke nijverheid voor hun rekening namen. Dit veran

Het vroege ochtendgebed Familiemaaltijd tijdens het Cabanes-festival (Soekot) derde echter toen de Club Méditerranée in de jaren vijftig een vakantiepark op Djerba opende. Later volgden hotels en de daarbij horende vermaakindustrie. Tegenwoordig is toerisme een belangrijke bron van inkomsten op het eiland. Joods symbool Voor veel Sefardische Joden echter betekent Djerba heel wat meer dan zon, zee en strand. Zij zien het eilandje als een symbool van de eeuwenlange Joodse aanwezigheid in de Arabische wereld. Middelpunt van die aanwezigheid is de El Ghriba-synagoge, waarvan volgens de overlevering de eerste versie zou dateren uit de zesde eeuw voor de gewone jaartelling. De hogepriester van Salomons Tempel en enkele andere priesters zouden toen zijn ontkomen aan de Babylonisch ballingschap door naar Djerba te vluchten. Zij zouden een deur en enkele stenen van de verwoeste eerste tempel hebben meegenomen en gebruikt voor de bouw van de El Ghriba. Een andere versie van het verhaal dateert de vlucht van de priesters en de bouw van de sjoel in 70 na de verwoesting van de tweede tempel. Vast staat dat er in de vroege Middeleeuwen - rond de elfde eeuw - een Joodse gemeenschap op Djerba was. Het was waarschijnlijk de oudste van Tunesië. Rond die tijd zal ook de eerste zeer eenvoudige El Ghriba synagoge zijn gebouwd. De naam betekent in het Arabisch ‘de verlatene’ en zou verwijzen naar een jonge vrouw die daar alleen woonde en door een vuur om het leven kwam. Toen zij gevonden werd, was ze echter onaangetast. Zij zou daarom een heilige zijn geweest en om haar te eren werd op die plek een sjoel gebouwd. De joodse gemeenschap in Noord-Afrika en op Djerba kregen vanaf rond vijftienhonderd versterking van door de Inquisitie verdreven Spaanse en Portugese Joden. Op het eiland stichtten zij een tweede plaatsje, Hara Kbira (het grote dorp), naast het al bestaande Hara Sghira (het kleine dorp), de woonplaats van de oorspronkelijke Joodse bewoners. Tot op de dag van vandaag zouden de bewoners van de twee dorpjes maar zelden met elkaar trouwen. Djerba is de plek waar duizenden Joden komen tijdens de bedevaart van Lag BaOmer. Oorlog en onrust Rond 1935 telde de Joodse gemeenschap op Djerba circa 4000 personen. In heel Tunesië woonden in die tijd ruim 100.000 Joden, zo’n 10 à 15% van de bevolking. Tijdens de Tweede Wereldoorlog voerde de collaborerende Vichy-regering discriminerende maatregelen in tegen hen. De Duitsers bezetten het land in 1942 en dwongen de Tunesische Joden Davidsterren te dragen. Vijfduizend van hen moesten onder zeer slechte omstandigheden dwangarbeid verrichten. Plannen voor deportaties gingen niet door omdat de geallieerden Tunesië het jaar erop bevrijdden. De Tunesische joden kregen echter geen rust. Israëls onafhankelijkheid leidde tot wrijving met de grotendeels islamitische bevolking. Veel Joden besloten naar Israël te gaan. De meer welgestelden onder hen vertrokken vaak naar Frankrijk. De Zesdaagse Oorlog van 1967 en de Jom Kippoeroorlog van 1973 leidden opnieuw tot spanningen en een nieuwe 53 >

Geïnspireerd op een waargebeurd verhaal De nieuwe roman van Ariëlla Kornmehl Een onthutsend verslag van een man die de grip op zijn eigen leven verliest ‘Een even actuele als tijdloze roman. Het is Ariëlla Kornmehls beste boek.’ - Marcel Möring Joods Museum Fotofragmenten van Berlijn Frédéric Brenner — 23 sep 2022 t/m 5 mrt 2023 jck.nl

Basisschool Gebed in de El Ghriba-synagoge uittocht en tegenwoordig wonen nog slechts enkele duizenden Joden in Tunesië, waarvan zo’n 900 op Djerba. Hun verblijf daar is overigens verre van rustig. In 1985 schoot een Tunesische politieman bij de El Ghriba drie bedevaartgangers dood. Zeventien jaar later pleegde Al Qaeda een aanslag met een autobom op de synagoge. Hierbij kwamen 21 mensen, merendeels toeristen, om het leven. De verhouding met de lokale islamitische gemeenschap is echter altijd goed gebleven. El Ghriba Bedevaarten naar ‘heiligdommen’, zoals graven van geliefde rabbijnen, zijn in het westerse Jodendom, behalve in chassidische kring, onbekend, maar komen in de Sefardische gemeenschappen van Tunesië en Marokko veel voor. Ook de bedevaart naar de El Ghriba was lange tijd een voornamelijk religieuze gebeurtenis om eer te bewijzen aan twee rabbijnen, Meir Baal Ha-nes en Sjimon Bar Yochai. Beiden waren in de tweede eeuw na de gewone jaartelling. leerlingen van de beroemde rabbijn Akiva in Jeruzalem. De eerste zou een wonderdoener zijn waartoe vooral vrouwen met een onvervulde kinderwens zich zouden wenden. Rabbi Sjimon wordt in orthodoxe kring gezien als de schrijver van de Zohar, het bekendste boek van het kabbalisme. De sjoel was eeuwenlang een eenvoudig gebouw, maar werd aan het eind van de negentiende eeuw belangrijk uitgebreid en van binnen voorzien van traditionele Tunesische blauw en wit gedecoreerde tegelwanden. Later volgde een uitbouw van de binnenplaats. Om bezoekers te ontvangen werd die voorzien van overdekte galerijen ondersteund door pilaren. Met de komst van het grootschalige toerisme is de bedevaart ook een attractie geworden voor niet-Joodse bezoekers. De El Ghriba-synagoge neemt op folders van bezienswaardigheden op Djerba een prominente plaats in. Eilandje als symbool van de eeuwenlange Joodse aanwezigheid in de Arabische wereld. Jacques Pérez en Tunesië De fotorapportage in het Joods Museum in Parijs dateert van voor die tijd en geeft zo een redelijk authentiek beeld van de bedevaart zoals die decennialang moet zijn geweest. Fotograaf Jacques Pérez is de nestor van de Tunesische fotografie. Hij werd in 1932 geboren in Tunis als zoon van een Joodse vader een kunstzinnige Duitse moeder. Zij leerde hem te kijken naar dingen. Op zijn 12de kreeg hij een fototoestel en dat was het begin van een carrière die hij eerst combineerde met een baan als leraar. Begin jaren zestig kreeg hij de opdracht om een fotoboek te maken van een arm, maar karakteristiek blauw en wit Tunesisch plaatsje. Het boek werd een succes. Sindsdien werkt hij als beroepsfotograaf. Pérez heeft inmiddels een grote naam opgebouwd in dat beroep. Hij werkt in de ‘humanistische’ traditie van onder meer Robert Doisneau en Henri Cartier-Bresson. ‘Mensen spreken me aan, hun gezichten intrigeren me. Ik zou graag willen weten hoe ze echt zijn.’ Pérez, nu negentig jaar oud, reisde veel, maar maakte buiten Tunesië nooit foto’s. Dat land is zijn hele wereld. De joodse gemeenschap van Djerba is daar een onderdeel van. 55

Zoeken naar zingeving Mia Davidson bespreekt enkele boeken die raken aan het thema van dit nummer. Is er een uitdagender thema voor de Hoge Feestdagen dan: Wat doen we met God? Abel J. Herzberg in Brieven aan mijn kleinzoon: De rebbe vraagt zijn zoon: ’Hoor je niet dat het kind ligt te huilen?’ De zoon zei: ‘Vader, ik was in God verzonken.’ Toen zei de rebbe: ‘Wie in God verzonken is, ziet zelfs de vlieg die op de muur kruipt.’ Ik heb enkele boeken gekozen, waarin hoofdpersonen in verschillende omstandigheden zoeken naar de zingeving van het leven: waar hoor ik bij en waartoe word ik moreel verplicht te behoren, zoals bij (familie)religie, moederland, vaderland, mensch zijn. Shula Tas’ autobiografische vertelling Waar gezongen wordt gaat over een zoektocht met als hoofdtoon een weigerende zangstem. De jonge Shula studeert zang aan het Amsterdams conservatorium. Haar vader overlijdt aan het begin van de studie, vier jaar later haar moeder. Ze doet met moeite eind56 examen en voelt ‘dit was de laatste keer dat ik zong’. De last die haar ‘keelt’ zijn stapels dozen, koffers en uitpuilende plastic tassen, die zeven broers en zusters Shula hebben toegeschoven. Deze erfenis wacht op zolder om te worden uitgepakt en beheerst haar dagelijks denken en handelen. ‘Je hebt tradities nodig om erop voort te kunnen bouwen’ hoort ze de docent muziekgeschiedenis zeggen, ‘zonder die tradities is nieuwe muziek flinterdun.’ Halfbewust verlaat ze de dagelijkse vaste route die de hond trekt, tot ze zich als vanzelf voor het familiehuis in de Jacob Obrechtstraat bevindt, waar vader (psychiater Louis Tas) zijn praktijk uitoefende en daarvóór oma Frieda, schilderes en zangeres, haar atelier had. Gestimuleerd door een geduldige partner en enkele anderen, opent Shula dozen en koffers om beetje bij beetje de familiegeschiedenis te onthullen. Foto’s, (kamp) briefjes, dagboeken. Langzaam ontstaat de verbinding met haar verleden. Nadat ze zich de dramatische geschiedenis van oma Frieda heeft eigengemaakt komt haar keel los. Oma Frieda heeft na de oorlog geen noot meer gezongen.

Maart 2020. De dochter van Nausicaa Marbe roept met ongeloof en frustratie uit de woonkamer ‘Is er geen koffie meer?’ Alles kantelde die dagen, schrijft Marbe. In Wachten op het Westen zet zij hiermee de toon voor de ontreddering waarin ze onvoorbereid aan het begin van de lockdown terecht kwam; een opgevlamd trauma uit de tijd toen Marbe in Roemenië opgroeide gedurende het totalitaire bewind van Ceausescu (1965-1989). Ze vecht tegen de angst dat dit verleden zich zal herhalen en vergelijkt de ontregelde 19-jarige dochter met zichzelf als een vastberaden 19-jarige, die het lukte, (dankzij relaties van met name haar moeder) te ontsnappen naar de vrije wereld. Rationeel weet Marbe dat de corona crisis (beperkte luxe, beperkte vrijheid, zelfs demonstratievrijheid ondanks de maatregelen) in geen verhouding staat tot het verstikkende regiem in Roemenië, dat ze uitvoerig beschrijft. Marbe noemt haar eerste zes jaren in Roemenië gelukkig; een huis vol vrienden, diners, muziek, vakanties. De politieke omwenteling vanaf 1965 bracht sluipend maar onverbiddelijk schaarste, geheime politie, opgedrongen schoolpatriottisme, angst, verklikkers. Een keer valt ze met de deur in huis en vraagt haar ouders spontaan om uitleg. Vader sluit direct de tuindeuren, de kamerdeur, de telefoon gaat onder een dik kussen. Later zal hij de Ceausescu-tijd samenvatten als redelijk leefbaar, maar Marbe’s moeder vertelt over hààr jeugd in Boekarest en Jodenbelasting. Joodse Huizen 7. Verhalen over vooroorlogse bewoners. Huizen zijn gebouwd om de bewoners te beschermen, te omringen met stenen armen om belagers buiten te houden. Dat was gedurende de Sjoa het onverbiddelijke verschil tussen huizen met Joodse bewoners en die met niet-Joodse bewoners. Voor de oorlog woonden er 140.000 Joden in Nederland. Momenteel is dat aantal rond de 50.000. We leren uit de serie Joodse Huizen dat de meeste Joden in de grote steden en stadjes woonden tot hier en daar een enkel gezin in een dorp. Het zijn liefdevolle genealogisch onderbouwde kronieken - die vaak teruggaan tot de negentiende eeuw – waarin de achtergrond en levensloop van deze families wordt beschreven. Krachtige mensen die de handen uit de mouwen steken, over een vleugje antisemitisme heenstappen. In deel zeven lezen we over kooplieden, winkeliers in huisraad en textiel, veehandelaren, artsen, een chazan, diamantbewerkers, een graficus. Over hun armoede, hun welvaart. Van religieus tot ongebonden. Was synagoge bezoek altijd een onbelemmerd samenkomen? Belangrijke toevoeging aan hun levensloop is de beschreven interactie met hun omgeving. Hoe was de verstandhouding met buren, de samenwerking met niet-Joodse collega’s, gemeentebesturen en anderen Elk verhaal eindigt echter met wie de Sjoa heeft overleefd en wie is vermoord. In elk verhaal zien we Stolpersteinen, namen in de Namenwand. Nogmaals: wat doen we met God? God antwoordt: ‘ik ben je inademen en je uitademen ik ben je dansen, je rennen je struikelen je zingen, schreeuwen en je stilte ik ben je angst, pijn en je dood’ Dit gedicht wordt gepubliceerd in Davidsons nieuwe dichtbundel. (red.) 57

“Bart van der Boom weet met een zakelijke penvoering de beklemming en de angst op te roepen waarin een belaagde gemeenschap verkeerde ‘die wist dat ze iets niet wist’.” – de Volkskrant “[Van der Booms] boek markeert het einde van een door emoties en prinzipienreiterei geleide discussie en het begin van een poging dit soort kwesties te onderzoeken vanuit de mêlee van de gebeurtenissen, zonder een a priori moreel oordeel. Daar is niets grijs of nivellerends aan.” – De Groene Amsterdammer “De Plantage-Weesperbuurt is vol monumenten, plaquettes, struikelsteentjes, brug- en straatnamen die herinneren aan de oorlog. Met Jong in de oorlog voegen Ester Wouthuysen en Willem Campschreur daaraan een monument toe: een bescheiden boek, zorgvuldig samengesteld en voorbeeldig uitgegeven.” – Argus Verkrijgbaar in de (online) boekhandel en op boomgeschiedenis.nl Uitgeverij Mozes’ nalatenschap Mensenrechten in historisch perspectief Herman M. van Praag Gebonden uitgave met leeslint Verschijnt: 10 december 2021 Isbn: 9789463403153 Prijs: € 24,90 Boek verkrijgbaar in uw boekhandel of via www.damon.nl Elke fatsoenlijke samenleving respecteert algemene mensenrechten, zoals onder andere vastgelegd in de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens. Maar waar ligt de bakermat van het idee dat de mens grondrechten heeft en waar werden ze voor het eerst nader gespecificeerd? In de christelijke wereld werd eeuw na eeuw geleerd dat ze te vinden zijn in de christelijke Bijbel, met Jezus als woordvoerder. In meer seculiere kring worden vooral de verlichtingsdenkers als voornaamste inspiratiebron gezien, met als brandpunten de Amerikaanse en Franse revoluties. In Mozes’ nalatenschap. Mensenrechten in historisch perspectief betoogt Herman M. van Praag dat fatsoen en rechtsregels hand in hand gaan en voert hij ons langs historische gebeurtenissen en documenten om te tonen dat de basis voor algemene mensenrechten te vinden is in de Thora. Opgetekend door Mozes, de grootste sociaal-hervormer aller tijden. derde druk

LASTIGE VRAGEN tekst Enza Cohen Hoe denk jij over God of het Goddelijke? “Als ik God moet inbeelden zie ik niet een mens. Ik denk meer aan iets dat de hele wereld ‘laat werken’. Dus geen stereotypisch mannetje dat een beetje in de lucht zweeft. Meer een universum dat de wind, het water en de mensen laat bewegen.” Bij joodse jeugdorganisaties wordt ook aandacht besteed aan religie. Vind jij dat nodig? “Vooral bij de liberale gemeenschap wordt er, is mijn ervaring, niet echt goed meer uitgelegd wat het jodendom inhoudt. Netzer en Haboniem geven die extra informatie gelukkig wel. Ik vind het fijn dat ik dat krijg, voor mijn ontwikkeling. Het is fijn om het soms over religie te hebben of bepaalde activiteiten te doen die echt over God gaan. Ook om verschillende meningen te horen. Er zijn veel ideeën over het jodendom, en dan is het fijn om alle kanten te horen.” Kan het liberale jodendom bestaan zonder God? “Ja en nee. Het is toch weer een soort gemeenschap. Ik weet niet of er nou echt een God voor nodig is om samen te komen. Maar toch hangt het jodendom af van God. Als ik heel eerlijk ben, vind ik het fijner met God. Daar draait toch wel het hele geloof om.” Lola Benichou (16) Speelt God of het Goddelijke een rol in jouw leven? “Misschien op subtiele wijze. Het gaat meer over het horen bij het Joodse volk. Dat beïnvloedt wel mijn leven. Bij geschiedenis worden er op mijn school extra lessen over verschillende onderwerpen aangeboden, waaronder Israël-Palestina. Leerlingen achter mij begonnen te schelden en zeiden dingen zoals ‘kankerjoden’. Toen dacht ik wel ‘hallo?!’. Maar er is ook een positieve kant: ik ben bevriend met christelijke kinderen, en soms bespreken we hoe we naar God kijken. Dat vind ik altijd wel grappig.” Jongeren gezocht! Denk jij graag na over dilemma’s? Of ken je iemand die lastige vragen niet uit de weg gaat? Doe dan mee met deze rubriek en mail naar: redactie. joodsnu@gmail.com Hoe denk jij over God of het Goddelijke? “Het lijkt mij onmogelijk dat God een persoon is die besluit wat wel of niet te doen. Ik ben een beetje een beta persoon, daar past God dan niet helemaal bij. Maar ik vind het ook wel een beetje onrealistisch dat de oerknal de hele aarde heeft gemaakt, dus ik heb toch wel het idee dat er een God is. God zou ook wel het ‘lot’ kunnen zijn, die alles voor iedereen heeft bepaald.” Julia Malka (16) Bij joodse jeugdorganisaties wordt ook aandacht besteed aan religie. Vind jij dat nodig? “Het is juist wel leuk om op die manier met elkaar in gesprek te gaan over jouw ideeën daarover. Bij Netzer vind ik het ook leuk dat we bensjen en havdala maken, omdat ik dat thuis niet zoveel doe. Ik denk niet dat iedereen daar in God gelooft; het is namelijk niet alleen religie. Het is ook een beetje identiteit en gemeenschap.” Kan het liberale jodendom bestaan zonder God? “Het lijkt me verwarrend als God geen deel meer van het jodendom zou zijn. Dan zou het dus echt alleen op gemeenschap neerkomen. Ik weet niet of je het echt nog jodendom kan noemen. Het blijft een geloof. Als er niets is om in te geloven, is het dan nog wel een geloof? Heel tegenstrijdig. Dan zou je moeten zeggen dat je gelooft in de joodse gemeenschap. Ik zou wel joods blijven als dat gebeurt. Je deelt wel veel met de andere joden.” Heeft God een rol in je leven? “Niet echt. Als ik een davidster draag, stellen mensen er soms vragen over. En ik eet geen varkensvlees. Los van dat heeft God niet zoveel invloed op mijn leven. Ik heb wel een orthodoxe familie in Israël, die ook koosjer eet en sjabbat viert. Een van mijn tantes draagt bijvoorbeeld een pruik en lange rokken. Ik vind het mooi om te zien dat mensen een sterkere connectie hebben met God.” 59 Denken over God Enza Cohen stelt Julia Malka, LJG Den Haag, en Lola Benichou, LJG Amsterdam, een paar lastige vragen over God.

Onze certificaten zijn uw donatie waard! Geef een certificaat cadeau en maak het verschil Dankzij uw steun zijn veel belangrije humanitaire en educatieve projecten in Israël gerealiseerd. Wij hopen ook het komende jaar op u te mogen rekenen om de Israëlische samenleving sterker en weerbaarder te maken. Ga naar www.israelactie.nl en bestel nog vandaag! Voor Rosj Hasjana of ieder andere gelegenheid een passend certificaat. Een certificaat bestelt u al vanaf 18 euro

1 Online Touch

Index

  1. 1
  2. 2
  3. 3
  4. 4
  5. 5
  6. 6
  7. 7
  8. 8
  9. 9
  10. 10
  11. 11
  12. 12
  13. 13
  14. 14
  15. 15
  16. 16
  17. 17
  18. 18
  19. 19
  20. 20
  21. 21
  22. 22
  23. 23
  24. 24
  25. 25
  26. 26
  27. 27
  28. 28
  29. 29
  30. 30
  31. 31
  32. 32
  33. 33
  34. 34
  35. 35
  36. 36
  37. 37
  38. 38
  39. 39
  40. 40
  41. 41
  42. 42
  43. 43
  44. 44
  45. 45
  46. 46
  47. 47
  48. 48
  49. 49
  50. 50
  51. 51
  52. 52
  53. 53
  54. 54
  55. 55
  56. 56
  57. 57
  58. 58
  59. 59
  60. 60
Home


You need flash player to view this online publication