0

HEUVELBODE Opbergtheorie 1.1) Bovenkamer Droogmakerij Klimmen in de Lage Landen blijft pappen en nathouden. Geen enkele opgang is hier hoog, zwaar of lang genoeg om zelfstandig te functioneren als berg. Deze stelling geldt bij nader inzien ook voor de Nederlandse bodem in zijn algemeenheid. Want wat is er gedaan met ontelbare reepjes land gescheiden door water? Samengevoegd tot een dijkring met een waterschap dat drooghoudt tegen hoogwater. Als land gewonnen kan worden uit moeras, dan moet het ook mogelijk zijn een berg te winnen uit glooiing. Maar hoe vindt deze hoogmakerij zijn weg naar de praktijk? Polderflop Klassiek is de vraag of het Oppidum Batavorum een enkele grote heuvelstad betrof, of verwees naar een ketting van kleine dorpen verspreid over de beschikbare hoogten in het laaggelegen rivierengebied. Is de Randstad een stad, of een ring van woonkernen rondom de geflopte polder van het Groene Hart? De principes van Bataafs schakelen lijken nog niet van de aardbodem verdwenen. En hoewel de Next Batavus altijd een Col-no-go blijven zal, blijkt ze toch nuttig bij het omvormen van meerdere hoogten tot een Col de Collage op de vlakten van de Neder-Rijn. Potgrondland Eeuwenlange inspanning onder de noemer ‘Dat land komt er’ heeft slechts geleid tot tijdelijk land. Een polderstelsel dat bestaat bij de gratie van continue bemaling. Zo bezien is Nederland een potgrondland van zeven afgescheiden provinciën, waar men in zeven sloten tegelijk kan lopen. Afgezien van een enkel fort zijn de hoge gronden al die tijd vooral gebruikt als brandstapelhout. Waar de neerpolder floreerde als een florijn, eindigde het bovenland in een opperste woestijn. Staatsbosbeheer heeft de puinhopen van acht eeuwen Groen mogen opbergen. Staatswaterrijk Dankzij een niet aflatend zeespiegelcomplex in de bovenkamer, blijft de fietsformule voor hooggebergte hier ingeburgerd in de gemiddelde wielertoeristenbelasting. Onze oer-Hollandse, schier oneindige, schaduwvlakte kent wellicht geen bergketens, maar moet het rooien met terrasranden, stuwwallen en duinenrijen. Een gelijktijdige opstand van deze verenigde eenhoogkoningen is echter in staat de opperste hoogheid van de Mount Everest te onttronen! Het woord is daarom aan de fietsvermoedende klimburger van een Staatswaterrijk op het gemiddeld zeeniveau. – 1 – R.J. Duchateau 2019

HEUVELBODE Opbergtheorie 2.1) Opbergkabinet Klimburgeren De opbergtheorie stelt dat je in Nederland kunt klimmen met hoogmakerijen analoog aan landwinning door inpoldering. De terrassen van Zuid-Limburg en de stuwwallen van Gelderland, Utrecht en ook Overijssel genieten op dit vlak enige erkenning, maar vormen slechts twee van de twaalf bronnen van unieke Nederlandse hoogtemeters. Vaak staart men zich blind op een muur, zoals die van Beek. Is een omslag van eenhoogkoning naar opbergkabinet mogelijk? Natuurlijke klimunits 1 Opheffing 1.1 Terras 1.2 Horst Aardverschuiving Voor terpen hoef je niet naar Friesland en voor aardbevingen niet naar Groningen, is dat wierd? Ook groeves en afvalbergen zijn hier allesbehalve zeldzaam. Niet als klimunit opgenomen in het opbergkabinet zijn parkeergarages, vestingwerken, molenbelten, grafheuvels en uitkijkpunten. Bolle essen gelden als stort. De drumlins vallen onder stuwwallen, kames onder sandrs en de zeldzame eskers onder zandruggen. Menselijke klimunits 4 Verkeer 4.1 Brug 4.2 Tunnel Terrassenkruising Hoe reliëfrijk het landschap van Zuid-Limburg ook mag zijn, het complete arsenaal aan klimunits is te vinden rond de terrassenkruising, dit is de plaats waar de grote rivieren samenkomen, uitwaaieren en overgaan van insnijden naar afzetten. De combinatie van forse verkeersbruggen, kilometers aan dijken, uit de vlakte oprijzende stuwwallen en uitgestrekte rivierduincomplexen zorgt voor een aanzienlijk aantal hoogtemeters, terwijl nabije terrassen en horsten de klimlading verder aanvullen en opvoeren. – 2 – R.J. Duchateau 2019 2 Opstuwing 2.1 Stuwwal 3 Afzetting 3.1 Duin 2.2 Sandr 3.2 Zandrug 5 Water 5.1 Dijk 6 Nijverheid 6.1 Stort 5.2 Terp 6.2 Groeve

HEUVELBODE Opbergtheorie 2.2) Heuvelpartij Asfaltage Zo’n menigte hoogteverschil in de achtertuin is natuurlijk fenomenaal, maar ligt daar ook asfalt op de juiste plek? En mag je daar vervolgens ook met de fiets overheen? Opbergen draait ook om het economisch en met beleid inzetten van (over)winbare hoogtemeters in een land dat gebukt gaat onder het juk van de dominante waterstaat. Een strategisch beheer van de natuurlijke en kunstmatige voorraad oneffenheden ontbreekt al sinds de Hollandse waterburchten en wel over de hele linie. Opbergpolitiek Het programma van de heuvelpartij onderscheidt drie maal drie categorieën aan klimkansen en bedreigingen die beheerst kunnen worden. Verbeteringen in de eerste categorie zijn verreweg het eenvoudigst te realiseren via de lokale politiek. Dit zijn tweerichtingsverkeer voor fietsers op hellende wegen, gedeeltelijke openstelling van hellende voetgangersgebieden voor fietsers en doorgangen op hellende semipublieke terreinen betrekken bij de openbare weg en het publieke leven. Afvalbergen Ook de tweede klasse biedt kansen als men tornt aan het schijnbaar fundamentele recht om op een versnellingsloze fiets overal in Nederland te komen. Ongebreideld egaliseren door aanleg van ruimtevretende flauwe hellingbanen is onbetaalbaar. Opgangen bij reconstructies kunnen steiler en nieuwe fietspaden hoeven niet per definitie op de meest egale tracés. Ook het aanleggen van verharde paden op de honderden afvalbergen laat de beschikbare hoogtemeters fors toenemen. Superterpen Hoge gronden structureel als natuurgebied aanwijzen en mensen tot zeven meter onder de zeespiegel te laten kopen is een economische keuze. Het opwerpen van superterpen heeft het niet gehaald, evacueren is goedkoper. Vaste oeververbindingen zijn hierbij van groot belang. De Randstad tijdig evacueren lijkt me bovendien kansrijker per fiets. Hoge gronden kunnen heuvelschapsbelasting invoeren voor wegonderhoud. De instantie die hier de meeste hoogten maakt heet nota bene een waterschap. – 3 – R.J. Duchateau 2019

HEUVELBODE Opbergtheorie 3.1) Hoogmakerij Heuvelkerncentrale Zoals droogmakerijen het opkweken van waterland tot ongekende hoogten hebben gebracht, is het opwekken van klimstroom uit hoogteverschillen de kerntaak van een hoogmakerij. Het opbergen van klimlading gebeurt in fasen in een heuvelkerncentrale. Het klimsplitsen A en B van hoogteverschillen leidt tot klimringen en beklimmingen, die gelijk of gemixt geschakeld, fuseren naar klimroutes. Het proces van klimsplitsing en klimfusie wordt bij goed opbergen vaak meerdere keren herhaald. Klimsplitsing A Klimring Obering Niedering Poldering Stijging min (%) 0,75 0,50 0,40 Stijging max (%) 1,50 0,75 0,50 Voordat je klimunits gaat opmeten, kun je de klimlading van een klimcluster inschatten met klimringen. Hierbij worden zo veel mogelijk hoogtemeters afgesplitst in een zo’n klein mogelijke rondgang. De klassering gebeurt op basis van de gemiddelde stijging. Dit is het hoogteverschil gedeeld door de afstand. Klimringen van meer dan 0,75 % krijgen het label Obering, tussen 0,50 % en 0,75 % Niedering en een oversteek van de vlakte tussen heuvelstelsels van 0,40 % tot 0,50 % heet Poldering. Klimsplitsing B Beklimming Klimstrook Valsvlak Platbodem Stijging min (%) 1,00 0,40 0,00 Stijging max (%) 15,00 1,00 0,40 De gemiddelde stijging van een klimring zegt wel iets over het aantal hoogtemeters binnen een bepaalde afstand, maar niets over de spreiding daarvan. Bij de tweede soort klimsplitsing worden klimstroken gescheiden van valsvlakken op basis van de stijging. Hiervoor meet je per beklimming eerst om de honderd meter de hoogte, om daarna de steilste klimstroken maximaal uit te meten. Platbodems kunnen onderdeel zijn van een beklimming, maar veelal leidt dit tot verdere klimsplitsing. – 4 – R.J. Duchateau 2019

HEUVELBODE Opbergtheorie Klimfusie Klimproduct Alpering Klimroute Clustering Stijging min (%) 1,50 0,50 0,50 Stijging max (%) 4,00 2,00 1,oo Zowel klimringen als beklimmingen kunnen, al dan niet door elkaar, gebruikt worden als bouwstenen van klimproducten. Het cement tussen beklimmingen wordt meestal gevormd door de verbindende verzameling klimstroken, valsvlakken en platbodems genaamd het Groubaix, als verarmd restant van een gefuseerde klimring. Alperingen stapelen zoveel mogelijk aaneengesloten klimstroken, terwijl clusteringen passende klimringen combineren en zo structuur geven aan een hoogmakerij. 3.2) Klimlading Zwitsalp Aan de hand van de gemeten stijgingspercentages kan de klimlading van hellend asfalt worden bepaald met de ZWI-formule. Deze formule gaat uit van interactie van klimstroken op de beklimming zelf en klimstroken van andere klimmen. De variabelen zijn hoogteverschil (H) en lengte (L) van de klim(en). Met het opnemen van de variabele kleinst mogelijke lengte (LTH) van de helft van het hoogteverschil, wordt ook rekening gehouden met de spreiding van de hoogtemeters over de klim(en). » ZWI = 160 * H² / L + 20 * H² / LTH » LTH = Σ (L15% * 0,15, L14% * 0,14, L13% * 0,13, … ,) = 0,5 H Zwitsalp du Hexe Bij goed gesplitste beklimmingen kun je de klimlading berekenen met enkel het hoogteverschil en de lengte. Voor 95 % van de beklimmingen geldt namelijk een klimpedantie (HGO) van 1,1, met een afwijking van +/- 10 %. Neem hiervoor het product van 220 (= 200 * 1,1) en het hoogteverschil in het kwadraat en deel dit door de lengte. Bij klimroutes met scheidende valsvlakken en platbodems gebruik je een klimpedantie van 1,9 om de klimlading te schatten (200 * 1,9 = 380). » ZWI_klim = 220 * H² / L » ZWI_route = 380 * H² / L – 5 – R.J. Duchateau 2019

HEUVELBODE Opbergtheorie Mergelp Bij een klimroute in de duinen ligt meer dan de helft van alle hoogtemeters als een matig gefuseerde klimring onder de beklimmingen in het Groubaix. Naast de som van de klimlading van alle beklimmingen met afdalingen, schat je de klimlading van het Groubaix. Ook maak je een schatting van de daarin opgenomen, en dus nog niet afgesplitste, klimstroken, waarvan de stijging (x%) wordt gesteld op 1,58. » MGL = (Nx * x%²) + (380 * GRH³ / H / L) + (2,5 * GRH² / H) » x% = 100 * H / L | » GRH = Htotaal Σ – Hbeklimmingen Volverde Meer halen uit minder helling kan met bovenlading. Deze bereken je door het aantal klimstroken met een stijging van 4, 5 en 6 % te vermenigvuldigen met dertig, en op te tellen bij de hectometers met een stijging van 3 en 7 % maal twintig. Alleen de VLVklimstroken die staand in de beugel worden afgewerkt en zonder grote aanloop worden benaderd tellen mee. Klimmen die pieken boven de 7 % zijn uitgesloten. » VLV = 30 * (N4% + N5% + N6%) + 20 * (N3% + N7%) Ullridge Bij een klimroute in het polderland met de menselijke klimunits dijken en bruggen ondervindt de klimstroom te veel weerstand van platbodems en duikt steeds richting nul. Het voordeel is dat er na elke beklimming voldoende ruimte is voor herstel. Door alle klimstroken tot 6% (bruggen) en de klimstroken vanaf 6% (dijken), staand in de beugel, al sprintend af te werken mogen deze worden opgevoerd met factor 1,5. » ULR = 1,5 * (Nx% * x%²) » x% = 100 * H / L Σ = Hgroubaix – 6 – R.J. Duchateau 2019

HEUVELBODE Opbergtheorie 3.3) Klimstroom Alpere Bij omlopen, zoals bijvoorbeeld gebruikt in wedstrijden zegt klimlading alleen iets over een keer rond. Om klimparcoursen te vergelijken op intensiteit heb je meer aan de klimsterkte. Hiervoor deel je de klimlading door de lengte en vermenigvuldig je met 1000. De klimsterkte kan worden opgevoerd met extra klimstroken of valsvlakken, of door een verminderde afstand tussen beklimmingen, het kortsluiten. » Klimsterkte » ALP = 1000 * klimlading / L Duvolt Wil je iets weten over de steilheid van de beklimmingen in een klimroute, dan kun je de klimspanning berekenen. Hiervoor deel je de klimlading tot de macht twee door het hoogteverschil tot de macht twee en vermenigvuldig je met vijf. Als de hellingen in een klimroute ver uiteen liggen, of weinig hoogtemeters bevatten, kan een aanvaardbare klimlading worden bereikt door het toevoegen van steile klimstroken. » Klimspanning » DVT = 5 * klimlading² / H² Hoogohm De weerstand die de klimstroom ondervindt kan worden berekend door het product van een tweehonderdste van de klimlading en de lengte te delen door het hoogteverschil tot de macht twee. Door lange beklimmingen en korte afdalingen op te nemen in een kortgesloten klimroute, krijg je de laagste klimpedantie. De relatieve tijd die wordt geklommen neemt nog verder toe en de ruimte voor herstel neemt af. » Klimweerstand » HGO = 0,005 * klimlading * L / H² – 7 – R.J. Duchateau 2019

HEUVELBODE Opbergtheorie Bijlage 1 Opbergvragen 3.1) Hoogmakerij O 1. Welke klimunits zijn opsplitsbaar in klimringen en beklimmmingen? O 2. Welke klimringen en beklimmingen kunnen fuseren tot klimroutes? O 3. Welke formules brengen de klimlading het beste tot uitdrukking? 2.2) Heuvelpartij O 4. Welke klimunits kunnen worden opengesteld voor klimburgers? O 5. Welke klimunits kunnen worden gereconstrueerd of geasfalteerd? O 6. Welke organieke klimunits kunnen ontstaan door bodemgebruik? 2.1) Opbergkabinet O 7. Welke natuurlijke klimunits zijn er aanwezig in de nabije omgeving? O 8. Welke menselijke klimunits zijn er aanwezig in de nabije omgeving? O 9. Welke klimunits bieden het beste perspectief op een hoogmakerij? 1.1) Bovenkamer O 10. Welke condities beïnvloeden het gebruik van inheemse klimunits? O 11. Welke denkwijzen beïnvloeden het gebruik van inheemse klimunits? O 12. Welk belangen beïnvloeden het gebruik van inheemse klimunits? Opbergacties » » » » » » – 8 – R.J. Duchateau 2019

HEUVELBODE Opbergtheorie Bijlage 2 Beklimmingen Hoogmakerij Hoogmakerij Nimmalaya Kalkarpaten Maaswallonia Afferdennen Donsrug Totaal Nimmalaya Klimunit 2.1 Stuwwal 2.2 Sandr 4.1 Brug Overig Totaal Kalkarpaten Klimunit 2.1 Stuwwal 2.2 Sandr 4.1 Brug Overig Totaal Σ Hoogte 4510 2120 1250 820 390 9080 Aandeel 50 % 23 % 14 % 9 % 4 % 100 % Σ Hoogte 3640 800 30 30 4510 Aandeel 80 % 18 % 1 % 1 % 100 % Σ Hoogte 1930 140 40 0 Aandeel 91 % 7 % 2 % 0 % 2120 100 % – 9 – R.J. Duchateau 2019

HEUVELBODE Opbergtheorie Maaswallonia Klimunit 5.1 Dijk 4.1 Brug 3,1 Duin Overig Totaal Afferdennen Klimunit 4,1 Brug 1.1 Terras 3.1 Duin Overig Totaal Donsrug Klimunit 5.1 Dijk 4.1 Brug 3,1 Duin Overig Totaal Σ Hoogte 590 490 160 10 1250 Aandeel 47 % 39 % 13 % 2 % 100 % Σ Hoogte 370 240 120 80 Aandeel 45 % 30 % 15 % 10 % 820 100 % Σ Hoogte 240 140 10 0 Aandeel 62 % 36 % 2 % 0 % 390 100 % – 10 – R.J. Duchateau 2019

HEUVELBODE Opbergtheorie Bijlage 3 Opbergtermen A-B Afdaling » Helling die neerwaarts wordt afgelegd op de fiets. Afferdennen » Hoogmakerij onder Gennep tussen Maas en Niers. Afstand » Afgeronde lengte van een klimring of klimroute in kilometers. Afvalberg » Een door afval opgeworpen hoogte in het landschap. Afzetting » Het omhoog komen van de aardbodem door opstapeling. Alpe d’Huez » Beroemde berg uit de Tour de France, Hollandse berg. Alpe du Hexe » Mythische versie van de legendarische Alpe d’Huez. Alpere » Eenheid voor klimsterkte, intensiteit van een helling of klimroute. Alpering » Klimproduct met zoveel mogelijk aaneengesloten klimstroken. Asfalt » Generieke benaming voor alle soorten verharde weg. Asfaltage » Aandeel asfalt ten opzichte van het niet verhard terrein. Bataafs » Eigenschap toegekend aan de Bataven, stevig, sterk of degelijk. Bataven » Volk dat aan het begin van de jaartelling in Nederland woonde. Beklimming » Afgebakend deel hellend asfalt, helling, klim of opgang. Bemalen » Structureel wegpompen van water uit een droogmakerij. Berg » Afgebakende of uitstekende hoogte in het landschap, heuvel. Beugel » Het gekromde onderste gedeelte van het stuur op een racefiets. Bovenlading » Opgevoerde klimlading door manier van beklimmen. Brug » Overspanning over een auto-, spoor- of waterweg, klimunit. C-D-E-F-G Col de Collage » Virtuele beklimming samengesteld uit allerlei onderdelen. Colnago » Italiaans fietsmerk, gekenmerkt door kwaliteit, stijl en afwerking. Col-no-go » Beklimming waar je niet heen kunt, woordspeling op Colnago. Clustering » Verzameling nabijgelegen klimringen in een hoogmakerij. d’Huez ex machina » Berg die ogenschijnlijk uit het niets verschijnt. Donsrug » Hoogmakerij langs Waal en Rijn in de Ooijpolder en Duffelt. Droogmakerij » Methode van landwinning door indijking en bemaling. Duvolt » Eenheid voor klimspanning, maat voor steilheid hellend asfalt. Dijk » Menselijke barrière die het water moet zien te keren, klimunit. Dijkring » Aaneengesloten stelsel van dijken dat het water moet keren. Duin » Landschapsvorm door afzetting van zand door wind, klimunit. Duinenrij » Heuvelketen gevormd door duinen, landschapsvorm. Eenhoogkoning » In een vlakke omgeving overheerst elke hoogte. Fietsformule » Formule om de klimlading van bergen te berekenen. Fietsvermoedend » Nietsvermoedend of onbewust op fiets zittend. – 11 – R.J. Duchateau 2019

HEUVELBODE Opbergtheorie Groene Hart » Voor akkerbouw ongeschikte Hollandse droogmakerij. Glooiing » Zwak hellend afgerond onderdeel van het landschap. Groeve » Door mensen uitgegraven gat in de bodem, klimunit. Groubaix » Moeilijk af te splitsen hoogtemeters in een klimroute. H Hectometer » 100 meter afgelegd hellend asfalt in een beklimming. Hellend » Omhoog lopend, met hoogteverschil, stijgend of opgaand. Helling » Afgebakend deel hellend asfalt, beklimming, klim of opgang. Hellingbaan » Traject om rollend een hoogteverschil te overwinnen. Heuvel » Afgebakende of uitstekende hoogte in het landschap, berg. Heuvelkerncentrale » Centrale plaats om hoogtemeters op te bergen. Heuvelketen » Verzameling verbonden hoogten in een landschap. Heuvelpartij » Virtuele politieke beweging voor hellend asfalt. Heuvelschap » Landschappelijke tegenhanger van het waterschap. Heuvelschapsbelasting » Als tegenpool van waterschapsbelasting. Heuvelstad » Stad gelegen op een hoogte, bijvoorbeeld Nijmegen. Heuvelstelsel » Afgebakend heuvelachtig gebied of heuvelketen. Hooggebergte » Landschapsvorm van de hoogste categorie bergen. Hoogmakerij » Verzameling nabijgelegen ingemeten beklimmingen. Hoogohm » Eenheid klimpedantie. maat voor geleiding hellend asfalt. Hoogte » Hoog punt of vlak in het landschap, tegenhanger van laagte. Hoogtemeter » Fietsend afgelegd hoogteverschil van een meter. Hoogtemeting » Meten van de hoogte ten opzichte van de zeespiegel. Hoogteverschil » Som van het verschil in hoogte tussen start en einde. Horst » Landschapsvorm door opheffing van de aardbodem, klimunit. K Kalkarpaten » Hoogmakerij op de stuwwallen tussen Kleve en Xanten. Klim » Afgebakend deel hellend asfalt, beklimming, helling of opgang. Klimburger » Bewoner die de aanwezige hoogtemeters gebruikt. Klimburgeren » Het leren toepassen van de aanwezige hoogtemeters. Klimcluster » Verzameling van hellende wegen in een heuvelstelsel. Klimfusie » Omzetten van klimringen en beklimmingen naar klimproduct. Klimlading » Zwaarte of moeilijkheidsgraad van een klim of -route. Klimproduct » Resultaat klimfusie, een beklimming, alpering of klimroute. Klimmen » Het met de fiets afleggen van een hellend traject. Klimparcours » Traject in een wielerwedstrijd met veel hoogtemeters. Klimpedantie » Maat voor geleiding van hellend asfalt, eenheid Hoogohm. Klimring » Optimale rondgang met zo veel mogelijk hoogtemeters. Klimroute » Fietsroute die gebruik maakt van veel hellende wegen. Klimspanning » Maat voor steilheid van hellend asfalt, eenheid Duvolt. – 12 – R.J. Duchateau 2019

HEUVELBODE Opbergtheorie Klimsplitsing » Het scheiden van de hoogteverschillen in onderdelen. Klimsterkte » Maat voor intensiteit van hellend asfalt, eenheid Alpere. Klimstrook » Hectometer hellend asfalt met een stijging van > 1 meter. Klimstroom » Dynamische uiting van de klimlading in een klimroute. Klimtijd » Tijd besteed aan het op de fiets beklimmen van een helling. Klimunit » Soort hoogte in het landschap, ingedeeld naar ontstaanswijze. Kortsluiten » Elimineren van vlak asfalt voor een hogere klimsterkte. L-M-N Landijs » IJs dat zich over Nederland verplaatste in een koude periode. Landschapsvorm » Onderdeel van het landschap naar ontstaanswijze. Lengte » Lengte van een traject in meters afgelegde weg. Maaswallonia » Hoogmakerij in dijkring van het Land van Maas en Waal. Meetpunt » Locatie van meting hoogte ten opzichte van zeeniveau. Mergelp » Eenheid voor klimlading, voor klimroutes met veel Groubaix. Mount Everest » Hoogste berg ter wereld, bijna 9000 m boven zeeniveau. Neder-Rijn » Laagst gelegen deel van de rivier de Rijn, inclusief zijtakken. Next Batavus » Woordspeling op Batavus Nexus, zeer degelijk fietstype. Niedering » Klimring met een gemiddelde stijging van 0,50 tot 0,75 %. Nimmalaya » Hoogmakerij op de stuwwallen tussen Nijmegen en Kleve. O Obering » Klimring met een gemiddelde stijging van 0,75 tot 1,50 %. Opbergen » Systematisch benaderen en optimaliseren van hellend asfalt. Opbergkabinet » Stelsel met presente natuurlijke en menselijke hoogten. Opbergpolitiek » Visie op het beheer en gebruik van hellend asfalt. Opbergterm » Een algemeen of specifiek begrip uit de Opbergtheorie. Opbergtheorie » Model voor het inzetten van hellend asfalt op de fiets. Opheffing » Het omhoog komen van de aardbodem door druk van onder. Opgaand » Omhoog lopend, met hoogteverschil, hellend of stijgend. Opgang » Afgebakend deel hellend asfalt, beklimming, helling of klim. Oppidum Batavorum » Hoofdstad van de Bataven, wellicht bij Nijmegen. Opstuwing » Het omhoog komen van de aardbodem door wrijving. P-R-S Platbodem » Asfalt zonder stijging, vlakke weg, zorgt voor klimpedantie. Polder » Droogmakerij, voortdurend bemalen door dijken omringd land. Polderflop » Mislukte droogmakerij, omdat deze slecht te gebruiken is. Poldering » Klimring met een gemiddelde stijging van 0,40 tot 0,50 %. Polderstelsel » Stelsel van gekoppelde droogmakerijen in de vlakte. Potgrondland » Land met weinig diepgang, zoals grond in een pot. – 13 – R.J. Duchateau 2019

HEUVELBODE Opbergtheorie Rivierduin » Duin langs een (oude) rivier, gevormd uit zand door wind. Steilheid » Sterkte van hoogteverschil per 100 meter afgelegde weg. Stijgend » Omhoog lopend, met hoogteverschil, hellend of opgaand. Stijging » Absoluut hoogteverschil per 100 meter afgelegde weg. Stijgingspercentage » Hoogteverschil als percentage van de lengte. Superterp » Grote opgeworpen hoogte om te vluchten voor het water. Staatswaterrijk » Land dat leeft van het water, tegenhanger van oliestaat. Schaduwvlakte » Schijnbare vlakte met kleine hoogteverschillen. Stuwwal » Landschapsvorm door opstuwing door landijs, klimunit. Sandr » Landschapsvorm door opstuwing door landijs, klimunit. Stort » Door mensen gevormde hoogte van afvalproducten, klimunit. T-U-V-W-Z Terras » Landschapsvorm gevormd door opheffing en insnijding, klimunit. Terrasrand » Door water gevormde steile overgang van laag naar hoog. Terrassenkruising » Waar rivieren overgaan van insnijden naar afzetten. Tophelft » Steilste verticale (gespreide) helft van de beklimming. Tunnel » Gang onder de grond om een obstakel te slechten, klimunit. Ullridge » Eenheid voor bovenlading, bij geisoleerde hoogten. Valsvlak » Hectometer hellend asfalt met een stijging van < 1 meter. Vlakte » Hoog of laag gelegen ondergrond zonder hoogteverschillen. Volverde » Eenheid voor bovenlading, bij gemaximeerde stijging. Waterburcht » Versterking die gebruik maakt van water ter verdediging. Waterstaat » Land dat leeft van het water, tegenhanger van oliestaat. Woonkern » Woonplaats met een inwoneraantal tussen dorp en stad. Wielertoeristenbelasting » Sportieve inspanning op een racefiets. Zeeniveau » Gemiddelde hoogte van het wateroppervlak van de zee. Zeespiegelcomplex » Dat je in Nederland automatisch niet kunt klimmen. Zwitsalp » Eenheid voor klimlading, zwaarte van een klim of -route. Zwitsalp du Hexe » Geschatte klimlading, zwaarte van een klim of -route. Zandrug » Landschapsvorm door zandafzetting uit water of wind, klimunit. – 14 – R.J. Duchateau 2019

1 Online Touch

Index

  1. 1
  2. 2
  3. 3
  4. 4
  5. 5
  6. 6
  7. 7
  8. 8
  9. 9
  10. 10
  11. 11
  12. 12
  13. 13
  14. 14
Home


You need flash player to view this online publication