Eisers tegen GOOGLE LLC (Rechtbank Noord-Nederland, 5 november 2020) Eisers (ondernemers die actief zijn (geweest) op de vastgoedmarkt in Groningen) verzoeken de rechter om verwijdering van URL’s die verwijzen naar web- en bronpagina’s. Als in de zoekmachine van Google gezocht wordt naar de namen van eisers, worden zoek resultaten zichtbaar die verwijzingen bevatten naar publicaties op web- of bronpagina’s betreffende onder meer artikelen op de website www.sikkom.nl en www.wikipedia.org en verwijzingen naar een aflevering van het programma “Foute Boel” op SBS en een aflevering van het programma #BOOS op BNNVARA. Eén van de eisers is namelijk samen met ‘Spot In’ op 2 maart 2018 door ROOD (jongerenorganisatie van de SP) verkozen tot “Huisjesmelker van het Jaar 2018”. Eisers hebben beiden via een advocaat met behulp van een online formulier van Google verzocht om URL’s te verwijderen van de zoekresultatenpagina die getoond worden bij een zoekopdracht op de namen van eisers. Google heeft deze verzoeken afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de publicaties waarnaar de zoekresultaten verwijzen, vol onjuist heden staan. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat berichtgeving door Sikkom, BNNVARA en SBS een waarschuwingsfunctie heeft en deze berichtgeving deel uitmaakt van een (lokaal) maatschappelijk debat over onder meer de huursector en dat eisers publieke figuren zijn op de Groningse vastgoedmarkt. Volgens de rechtbank dienen eisers om deze reden te dulden dat hun handelen in de media ter discussie kan worden gesteld. Volgens de rechtbank is daarnaast door eisers niet voldoende gemotiveerd waarom de URL’s onvindbaar gemaakt of verwijderd moeten worden. Ook is volgens de rechter onvoldoende uiteengezet waarom het belang van eisers bij verwijdering zou prevaleren boven het economisch belang van de exploitant van de zoekmachine en het gerechtvaardigde belang van de internetgebruikers. De verzoeken tot verwijdering van de URL’s worden door de rechtbank afgewezen. https://bit.ly/3gtSpXf Orange România tegen de Roemeense gegevensbeschermingsautoriteit (Arrest van het Hof (Tweede kamer), 11 november 2020) Orange România is een aanbieder van mobiele telecommunicatiediensten op de Roemeense markt. Aangezien de activiteit van de vennootschap de verwerking van persoonsgegevens omvat, is Orange România ingeschreven in het Register inzake de verwerking van persoons gegevens van de nationale autoriteit voor het toezicht op de verwerking van persoonsgegevens (de ANSPDCP). Op 28 maart 2018 heeft de ANSPDCP aan Orange România een boete 28 ICTRecht in de Praktijk opgelegd voor het verzamelen en opslaan van kopieën van identiteitsdocumenten van haar klanten zonder dat zij hiervoor uitdrukkelijke toestemming hadden gegeven. Het Tribunalul Bucureș̦ti (de rechter in eerste aanleg, Boekarest, Roemenië) heeft het Hof van Justitie verzocht om de voorwaarden te specificeren waaronder de toestemming van de klanten voor de verwerking van persoonsgegevens als geldig kan worden beschouwd. Het Hof concludeert dat het contract voor het leveren van een telecommunicatiedienst die een clausule bevat waarin staat dat de klant heeft ingestemd met het verzamelen en opslaan van zijn identiteitsbewijs, niet kan aantonen dat deze klant op geldige wijze toestemming heeft gegeven als het vakje met betrekking tot deze clausule door de verwerkingsverantwoordelijke is aangevinkt voordat het contract werd ondertekend. De toestemming moet volgens het Hof vrij gegeven, ondubbelzinnig, geïnformeerd en specifiek zijn. Indien deze toestemming in een schriftelijke verklaring wordt gegeven die ook betrekking heeft op andere zaken, moet deze verklaring in een begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in een heldere en duidelijke taal worden omschreven. https://bit.ly/2VVUh1B Appellante tegen minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Raad van State, 18 november 2020) In verband met een geschil op de voormalige school van de minderjarige zoon van appellante, verzocht zij de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om inzage in het dossier van haar zoon. Dit verzoek is door de minister gedeeltelijk toegewezen. Tegen deze gedeeltelijke toewijzing is appellante in bezwaar gegaan. Dit bezwaar is door de minister ongegrond verklaard. Vervolgens heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 5 februari 2020 geoordeeld dat de minister ten onrechte geen inzage heeft gegeven in de persoonlijke beleidsopvattingen van ambtenaren. Dit heeft ertoe geleidt dat de minister op grond van artikel 15 lid 1 en lid 3 AVG onder weglakking van persoonsgegevens van derden alsnog inzage heeft gegeven in het dossier. Appellante is opnieuw in beroep gegaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en betoogt dat de minister onvoldoende gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van de Afdeling van 5 februari 2020. Appellante stelt dat er meer notities zouden moeten zijn dan de minister heeft overgelegd en dat de minister in de overgelegde stukken meer weggelakt heeft dan alleen persoonsgegevens. De Afdeling is van oordeel dat het betoog van appellante dat de minister niet alle persoonsgegevens heeft verstrekt, faalt. Volgens de Afdeling heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat de minister niet alle stukken heeft
29 Online Touch Home