27

BINNENLANDS BESTUUR -WEEK 47 | 2020 MICHEL KNAPEN JURIDISCH 27 Een ambtenaar uit Emmen was voorwaardelijk IN DE CLINCH gestraft omdat hij nevenactiviteiten had verricht. Die procedure viel hem zwaar en hij meldde zich ziek. Ook daarvoor dreigde hij te worden gestraft. Mag van hem worden verwacht dat hij in zo’n conflictsituatie doorwerkt? GEWOON DOORWERKEN ALS JE WORDT GESTRAFT Het is juli 2017 als gemeenteambtenaar Martin Dunninge* goed nieuws krijgt. Hij heeft dan een procedure van ruim 2,5 jaar tegen B&W van Emmen achter de rug, en deze ‘gewonnen’. Dat is het voorlopige einde van een conflict dat in het najaar van 2014 begon. Dan komt Dunninge in aanvaring met de gemeente over nevenactiviteiten die hij verricht: hij heeft sinds 2007 een eigen adviesbureau en zou zelfs onder werktijd bijklussen. Plichtsverzuim, oordeelt de gemeente, en legt hem de disciplinaire straf van voorwaardelijk ongevraagd ontslag op, met een proeftijd van twee jaar. Ook wordt zijn salaris gedurende twee jaar met twee periodieken verminderd. Dunninge, in dienst sinds 1978, vecht dit bij de rechtbank aan maar krijgt geen gelijk. Na die uitspraak meldt hij zich ziek – maar waarom eigenlijk? Dat ligt volgens het college niet aan de aard van zijn werk of aan de bijzondere omstandigheden waaronder dit moet worden verricht. Eigenlijk zegt het college: Dunninge kan best normaal aan de slag. Nu hij dat niet kan (of wil), moet zijn salaris maar worden gekort. Eerst een half jaar met 10 procent, dan een jaar met 25 procent en daarna met 30 procent. Dunninge verzet zich daartegen en stapt weer naar de rechtbank. Die constateert psychische klachten, maar komen die door het werk? Vaste rechtspraak is dat de factoren die de arbeidsongeschiktheid veroorzaken, worden ‘geobjectiveerd’. Ofwel: waren de werkomstandigheden dermate buitensporig Vervelend, toch moeten de schouders eronder dat ook anderen die klachten zouden hebben ontwikkeld? Het is aan Dunninge om dat te bewijzen. De rechtbank vindt het begrijpelijk dat Dunninge door de eerdere juridische procedure emotioneel is belast. Maar de werkomstandigheden waren objectief bezien niet buitensporig. Zeker niet nu de Centrale Raad van Beroep inmiddels heeft geoordeeld dat er van plichtsverzuim geen sprake was. Dat was het goede nieuws dat Dunninge in juli 2017 ontving. Dunninge heeft volgens de rechtbank niet ADVERTENTIE aannemelijk gemaakt dat het college met hem is omgegaan op een manier die in de ambtelijke verhoudingen onaanvaardbaar is. Het enkele feit dat het college een onderzoek heeft ingesteld naar zijn nevenwerkzaamheden en hem naar aanleiding daarvan disciplinair heeft gestraft – wat later ook nog eens niet terecht bleek – is niet daarvoor voldoende. Dat er nadien tussen de gemeente en Dunninge langdurige spanningen en frustraties optraden, is ook geen aanwijzing voor een buitensporige omstandigheid. Kortom, de hele situatie was hooguit vervelend maar dan moeten toch de schouders eronder. Dunninge vindt van niet en zoekt het weer hogerop. De vorige keer kreeg hij bij de Centrale Raad van Beroep gelijk, nu hoopt hij op hetzelfde. Daar stelt Dunninge dat het Emmense college de disciplinaire bestraffing (naar aanleiding van de nevenfunctie) er doorheen heeft willen drukken. Alleen die poging maakt dat de werkomstandigheden buitensporig zijn geworden. Volgens de Raad (uitspraak 29 oktober 2020) heeft hij echter niet aannemelijk gemaakt dat het college doelbewust heeft aangestuurd op disciplinaire bestraffing. Het was misschien allemaal niet prettig voor hem, maar daarmee droeg zijn werk nog geen buitensporig karakter. Er kon dus ook geen sprake zijn van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst. Deze keer verliest Dunninge zijn hoger beroep. * De naam is gefingeerd. ECLI:NL:CRVB:2020:2662

28 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication