11

COLUMN Eigenwijze pubers De gelukkige tuinman Edwin Oden is psycholoog en tuinman. Hij schrijft iedere maand een column voor Groei & Bloei. Als ik mijn gezicht laat zien in het openbaar, komt het weleens voor dat er vriendelijke mensen op me afkomen die me vrolijk herkennen als de gelukkige tuinman. Na de eerste gezellige kennismaking zie ik hun gezicht meestal een beetje betrekken, en hebben ze een nogal dringende vraag aan mij. ”Weet je, ik heb een camelia staan met van die prachtige, rozerode bloemen, maar nu zie ik de laatste tijd wat bruine bladeren bij ’m ... waarmee moet ik dan sproeien?” Of: ”Mijn klimroos geeft zo weinig bloemen. Als ik hem nou uitdun, krijg ik er dan meer? En ga ik zo ook zwarte vlekken tegen?” Als psycholoog verwacht ik eerder vragen over zwarte vlekken op de ziel, of wat je kunt doen tegen tuinierstress, of waarom het niet goed is voor je welbevinden om je tuin dicht te tegelen. Maar nee, het is vooral mijn botanische bovenkamer waar de mensen die ik tegenkom de meeste interesse in blijken te hebben. Nou weet ik inmiddels wel het een en ander van planten en hun gezondheid en verzorging, maar ik vrees dat ik nog altijd niet de status van alwetende wandelende groene encyclopedie heb bereikt. Sterker nog, ik vraag me af of er überhaupt iemand bestaat die zoveel plantenkennis in huis heeft dat hij alle botanische branden en brandjes kan blussen. Toch lijkt het soms alsof tuiniers er graag vanuit gaan dat er hogere echelons van tuinkennis zijn, en dat er volleerde tuinmannen en -vrouwen bestaan die daar exclusieve toegang toe hebben: de ’gouden’ know-how die alle plantenproblemen als sneeuw voor de zon kan laten verdwijnen. Naar mijn smaak is dat helemaal niet waar tuinieren over gaat. Tuinregel nummer 1 is voor mij dat je bijzonder weinig invloed hebt op je groene grut. Planten zijn een soort eigenwijze pubers, die je vooral niet te veel voor de voeten moet lopen. Bijna alles wat ze doen, lukt prima zonder jou, en misschien soms wel zelfs ondanks jou. Het idee dat wij wel even onze wil kunnen opleggen aan de natuur en dat zelfs de meest eigengereide klimrozen en camelia’s precies zo zullen groeien en bloeien als wij voor ogen hebben, is in feite behoorlijk hoogmoedig. De psycholoog in mij kan het niet anders diagnosticeren dan als een haperende realiteitstoetsing of misschien zelfs wel een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Tuinieren op zich is natuurlijk al behoorlijk koekoek: je dwingt levende wezens bij elkaar op een plek waar ze uit zichzelf nooit naartoe waren gegaan. En dan ga je ze ook nog eens voortdurend lopen kortwieken en opjagen door snoeien en mesten. Ik ben bang dat als er een Partij voor de Planten aan de macht komt, wij tuiniers massaal kunnen rekenen op een paar fikse bekeuringen van de plantenpolitie. Misschien moeten we gewoon meer naar planten luisteren: ze laten staan waar zij zich happy voelen, van ze genieten zolang het hen belieft te schitteren, en het domweg accepteren als ze niet willen. Het zou in elk geval een hoop tuinstress schelen. ]

12 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication