26

6. Een ongelimiteerde Bron van vreugde Als Paulus op de Heer van allen wijst, dan wijst hij op een ongelimiteerde Bron van vreugde. En Paulus, vanuit de gevangenis, die bepaald wist waar hij het over had, zegt tegen de Filippiërs: ‘Daar’ – bij die Heer – ‘moet je wezen.’ En Paulus ging ze daarin gewoon voor. Het was niet dat hij het aan anderen schreef terwijl hij het zelf niet had. Nee, hij zegt: ‘Ik wil graag dat jullie delen in dat wat ikzelf mag kennen’, wat die Filippiërs trouwens ook kenden. Hij herinnert hen eraan, dat is feitelijk wat hij doet. De Heer is nabij, Hij is er altijd! Het gaat er niet zozeer om dat de komst van de Heer – Zijn parousia2 – nabij is, het gaat om de Heer zèlf; Hij is altijd dichtbij. In Handelingen 17 is Paulus in Athene op de Areopagus aan het woord, en dan spreekt hij over de God die hemel en aarde gemaakt heeft en dan zegt hij daarover in vers 27: “… hoewel Hij niet ver is van een ieder van ons.” Hoezo? Nou (vers 28): “… in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij.” Daarom. En zo is God ook niet ver weg, Hij is onze leefomgeving want Hij omvat heel de schepping. In Hem leven wij en waar je ook heen gaat, je komt nooit buiten Hem. Dat zegt David in Psalm 139: “Steeg ik ten hemel, U bent daar. En maakte ik het dodenrijk tot mijn sponde, U bent daar net zo goed. Waarheen kan ik vluchten voor Uw aangezicht?” Dat kan helemaal niet. God omgeeft mij van achteren en van voren, ik kan nooit voor 27

27 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication