20

De Giechelaar III De giechelaar nam hen allen op zijn boot mee naar een eiland. Hij was een oude man met een lange baard, en hij leerde hen hoe ze nog wat konden maken van oude rommel. Hier kregen ze een nieuw leven, op het eiland, en de giechelaar giechelde. En de mensen droomden en konden hun oude leven verlaten, en wat er nog overgebleven was aan oude rommel konden ze gebruiken en nuttig maken. Ze konden er nieuwe dingen van maken, zoals de giechelaar het hen leerde. En ze bouwden oerwouds steden op het eiland, en de giechelaar ging met zijn boot over de grachten. Met een lange staf raakte hij de bodem, en zo duwde hij het schip voort. En hij bleef zijn oude rommel verkopen, en hij bleef zijn verhalen vertellen. Want verhalen vertellen, dat kon hij. Je kon het zo gek niet bedenken. Hij was als Noach op zijn schip, en oude rommel was zijn specialiteit. Dat haalde hij overal en nergens van vandaan, van onder de grond, of God mag 't weten. Wat mensen allemaal wel niet achterlaten. Hij was een meestervinder, en een meesterlijke uitvinder. Niets gooide hij weg. Alles was bruikbaar, ook al was het voor brandstof of meststof. Ook metselde hij met troep. Niemand kende zijn geheim. Hij kon alles weer mooi maken. Waar mensen klaagden over rommel, daar giechelde hij, en maakte er wat moois van. Je kon het zo gek niet bedenken. Giechelen, veel giechelen, dat was wat hij deed. Je kon hem van ver horen aankomen. Ook had hij allerlei bellen op zijn fiets, en toeters. Hij liet het duidelijk merken als hij kwam. Er hing ook van alles aan zijn fiets, wat lawaai maakte. Potten en pannen, lepels, vorken en messen, van alles. Hoe hij ermee kon fietsen was een raadsel, maar alles ging goed. Hij giechelde zich door alles een weg heen. Op een dag zat de politie achter hem aan, maar daar had hij ook weer allerlei dingen voor. Ze konden niet tegen zijn uitvindingen op, en moesten het onderspit delven. Sindsdien probeerden ze het nooit meer, want de giechelaar was de ware politie. Ook probeerden ze hem eens naar een ziekenhuis te trekken, maar ook daar had hij zijn apparaten voor, en ze konden het niet meer navertellen. Nee, met de giechelaar viel niet te sollen. Het enige waar hij bang voor was waren olifantenslurven, maar ja, die waren daar niet. Wel had hij er soms weleens nachtmerries over, maar toch werd hij altijd giechelend wakker. Ze konden hem niet kapot krijgen. Op een dag probeerden ze hem naar een school te trekken, maar ook daar had hij zijn apparaatjes voor. Hij was immers de meester uitvinder, en hij vond ook zijn eigen school uit, dus daar eindigden ze, bij hem in de schoolbanken, want ze moesten niet denken dat er te sollen viel met de giechelaar. En dan gaf hij ze giechelend les, een koekje van eigen deeg. Hij was niet voor een gat te vangen, en hij was van alle markten thuis. Ik denk nog vaak aan hem terug, maar dan giechel ik niet. Neen. Dat laat ik aan de giechelaar over. Het is een klein beeldje op de televisie als een aandenken, en als ik op een knopje druk dan giechelt hij even, maar dan is het ook weer snel voorbij. Ik laat het weleens aan kinderen zien, en ze vinden het prachtig. Ze vragen me weleens hoe ik aan het beeldje kwam. Eens op de rommelmarkt gevonden. Wat mensen wel niet allemaal weggooien.

21 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication