27

Huisarts Carla Stuurman in gesprek met aios Sybilla Lenaers Observatie van de aios Een van de vragen uit de nieuwe opleiderevaluatie (LEOh) is: ‘aantal keer per maand waarop de opleider mij observeert: ……‘. Uit de resultaten blijkt dat opleider-aios leermomenten vaak bestaan uit een (leer)gesprek: ‘het praten over wat de aios gedaan heeft’ en veel minder vaak uit het zelf observeren van de aios in actie. Video-nabesprekingen vinden meer plaats dan feitelijke observaties en hebben bepaalde voordelen: het tijdstip kan gekozen worden, er is geen interventie door de opleider tijdens het consult en er is selectie van fragmenten en herhaling mogelijk. Bij voortgangsgesprekken hoor ik van bijna alle opleiders dat ze hun aios observeren tijdens diensten, vaak bij de visites. Dat levert goede observaties en feedbackmogelijkheden op. Het is goed om te bedenken dat de dynamiek van een dienst anders is dan die van een spreekuur in de eigen praktijk: daar is er kans op verstoringen als telefoontjes, meegebrachte kinderen, etc. Ik heb nu met veel opleiders een voortgangsgesprek gehad en degenen bij wie ik op bezoek ben geweest, kennen mijn pleidooi voor het live observeren in de dagpraktijk (niet in plaats van maar naast videonabesprekingen). Het geeft de opleider een beeld van hoe de aios een regulier spreekuur doet, met andere informatie dan een video-nabespreking van een consult met een specifieke vraag erbij. Ook ziet de opleider hoe de aios een trommelvlies bekijkt, de longen onderzoekt of een buik palpeert. Vaak is de aanname dat de aios deze dagelijkse handelingen beheerst. Dat is ook zo, maar een opleider kan, als hij het ziet een advies geven om iets net even wat handiger aan te pakken. Het is een optie om bijvoorbeeld iedere twee weken een uur samen spreekuur te doen waarbij opleider en aios om en om een patiënt zien en elkaar observeren (en feedback geven). AIOS enquête 2014 Net als in 2011 is er door het Nivel (in opdracht van de SBOH) een enquête gehouden onder aios. Het is een uitgebreid document waarin de aios over allerlei facetten van de opleiding rapporteren en het biedt de instituten en de opleiders interessante gegevens (zie ook pagina 19). Er hebben 1.080 aios deelgenomen (respons 59%). Dit jaar is ook een groep alumni gevraagd om hun mening over de opleiding die ze recent hebben afgesloten. Er komen veel getallen uit gerangschikt per instituut. Ik was vooral geïnteresseerd in de mening over de opleiders (verdeeld over de groep met een jaar 1 en de groep met een jaar 3 aios) en noem wat mij opviel: • Op de stelling ‘integreert standaarden, richtlijnen en gegevens uit wetenschappelijk onderzoek in het onderwijs’ scoort Maastricht zowel voor opleiders jaar 1 als jaar 3 lager dan gemiddeld. • ‘Frequentie van patiëntencontacten in het bijzijn van de opleider’: 28% (variatie tussen de instituten 26-78%) van de eerstejaars aios zegt dat dit ≥ 1 x/week gebeurt tegen 29% (variatie 22-63%) van de derdejaars aios. • ‘We’ scoren hoog bij ‘frequentie van het opstellen van leerpunten op basis van de nabespreking’. • De opleider in jaar 1 scoort in Maastricht een 7,8 (variatie 7,5-8,0) en de jaar 3 opleider een 8 (variatie 7,7-8,1). • Alumni: in welke mate heeft de opleiding hen voorbereid op het huisartsenvak voor de verschillende competentiegebieden? Het blijkt dat de competenties Maatschappelijk handelen en Organisatie als het meest problematisch naar voren komen. Het is de moeite waard om te lezen wat ‘onze consument’ van onze inspanningen vindt. Het rapport is te vinden op www.sboh.nl onder Nieuws. Overigens gaat het NIVEL ook onderzoek doen naar de tevredenheid van huisartsopleiders (op verzoek van de SBOH). Dit werd eerder gedaan in 2008. Naar verwachting zullen de actieve huisartsopleiders in januari 2015 een internetenquête ontvangen. Wederom tot de volgende keer, opmerkingen en vragen zijn welkom: Stijn de Vries, opleiderscoördinator Stijn.devries@maastrichtuniversity.nl Telefoon: 043 38 82993 27 op één lijn 50

28 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication