17

Reina Koelman Het gelukkige bankje Ik ben een gietijzeren bankje. Leunend tegen een grote rode beuk ben ik een geliefd rustpunt voor de wandelaars op het pad tussen de bejaardenwoningen achter mij en de golfbaan waarop ik uitkijk. Het moet woensdag zijn, ik herken de slepende tred van de hoogbejaarde achter zijn rollator, die met zijn wat jongere bezoekster tijdens hun wekelijkse wandeling altijd op mij uitrust. Gelukkig ben ik nog vrij, als ze niet te lang over die laatste dertig meter doen tenminste. Meestal blijven ze een kwartiertje, voor mij lang genoeg, want er zit weinig vering in die knokige lijven van ze. Ze zijn er. Opgelucht gaat de oude heer zitten en betast voorzichtig zijn pijnlijke been. De dame bejubelt de uitbundig bloeiende rododendrons. Al keuvelend vist de bejaarde een rolletje pepermuntjes uit zijn jaszak, maar zijn stijve vingers hebben moeite met de strakke verpakking. ʻZal ik even, Rutger?ʼ Zijn gezelschapsdame houdt hem het geopende rolletje voor. Hoe zij heet is mij onbekend, haar bejaarde vriend noemt nooit haar naam, kan die waarschijnlijk niet meer onthouden. Maar hij weet nog wel hoe het hoort: ʻNee, ik bied jou een pepermuntje aan, ik ben de gastheer.ʼ Dit gesprekje behoort tot hun vaste rituelen, evenals hun flauwe grapjes over de ijverig zwaaiende golfers (ʻWe zitten hier wel in de gevarenzoneʼ), waar ze altijd weer plezier om hebben. Ze staan op, ze hebben nog een halve kilometer schuifelen voor de boeg. Vertederd zie ik ze gaan, ik hoop dat het ook volgende week mooi weer is.

18 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication