5

Van de hoofdredacteur Advocate Bénédicte Ficq sleepte de tabaksindustrie voor de rechter wegens moord, doodslag, zware mishandeling en valsheid in geschrifte. De aanklacht begon met één longkankerpatiënt en wordt ondertussen gesteund door vele maatschappelijke instituties als ziekenhuizen, gemeenten en patiëntenverenigingen. In een artikel in de Volkskrant (21-02-2018) zegt de advocate: “Het is geen ingewikkelde strafzaak. Dat roken dodelijk is, zetten ze zelf op het pakje. […] Bénédicte Ficq weet het zeker: “sigarettenfabrikanten zijn ‘gewetenloze criminelen’ die mensen opzettelijk verslaafd maken.” Dat roken de kans op een dodelijke longkanker aanzienlijk vergroot weten we al heel lang. Van de 6.535 mannen en 3.677 vrouwen die in 2010 aan longkanker overleden, ontstond die kanker in 91 respectievelijk 73 procent door roken. Ik sta dan ook achter Ficqs doel. Maar als advocaat van de sigarettenindustrie zou dezelfde Ficq korte metten maken met het ‘bewijs’ dat op sigarettenpakjes staat dat roken dodelijk is en met de bewering dat sigarettenfabrikanten ons opzettelijk verslaafd maken. De tekst op sigarettenpakjes dat roken dodelijk is, is wettelijk verplicht. Het lijkt dan misplaatst als het Openbaar Ministerie, als vertegenwoordiger van de wetgever, die tekst zou gebruiken als bewijs in een strafzaak tegen de tabaksindustrie. Dat roken tot grote gezondheidsrisico’s leidt, wist ik al op mijn vijftiende van dr. Meinsma. Dat roken verslavend is weten we al heel lang en ik wil aannemen dat sigarettenfabrikanten proberen dat verslavingseffect te versterken. Maar daarmee maken ze ons nog niet opzettelijk verslaafd. In de jaren zestig, mijn tienertijd, was de druk om te roken immens. Maar die druk kwam uit mijn sociale omgeving. Als niet-roker was ik een spelbreker, die vaak buitengesloten werd. De ouderen onder ons kennen het nog wel: (verjaardags)feestjes waar tussen de gasten glazen met sigaretten stonden. In korte tijd was de feestruimte gevuld met een dikke mist. Als niet-roker raakten mijn ogen geïrriteerd en dat kon dagen aanhouden. Daarom meed ik feestjes. Als ze bij ons thuis waren zat ik alleen op mijn slaapkamer, zelfs op mijn eigen verjaardag. Ik werd dan ook als asociale zonderling gezien. Als ik ook ging roken zouden mijn ogen wel aan de rook wennen hielden volwassenen mij voor. Kortweg, om er bij te horen moest je roken en anders was je een zonderling. Met zoveel sociale druk was het heel moeilijk niet te gaan roken. Het is mij gelukt, maar dat heeft veel gekost en mij een levenslange antipathie tegen feestjes opgeleverd. Ficq moet betere argumenten bedenken om het roken te stoppen. Bram Brouwer Mandeguod 3

6 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication