17

SAMEN INNOVEREN inhoudt en die ook nog eens beschikbaar te maken zijn om structureel mee te werken aan het ontwerpen, laat staan in de uitvoering. Dat is veel te ambitieus gebleken. In begin hebben we er wel mee geëxperimenteerd, dat waren waardevolle sessies, maar het bleek niet haalbaar om dit te verduurzamen. Het onderdeel inhoudelijke samen-werking is toen op een ander spoor gekomen en zich meer gaan richten op de inhoudelijke samenwerking binnen het werkveld.’ Hoe kijk je hier nu op terug? ‘De ambitie om het werkveld medeeigenaar te maken van de inhoud van het curriculum blijft bestaan. Het heeft ons geleerd dat je er niet komt door alleen met ontwerpen iets te proberen. We moeten een fundamentelere oplossing vinden, namelijk dat we toewerken naar flexibele schillen. Op het moment dat je dat hebt georganiseerd, dan komt het eigenaarschap van zo’n curriculum ook makkelijker tot stand. De conclusie is dat we in de randvoorwaarden van de samenwerking eerst nog een aantal wezenlijkere zaken moeten realiseren, voordat dit soort concrete doelen praktisch uitvoerbaar worden. Voor het realiseren van een flexibele schil heb je ruimte en geld nodig en dan die zijn er, zeker nu met teruglopende studentenaantallen, de komende tijd niet. Maar we weten dat we daarnaartoe willen bewegen: een kernteam van vaste opleidingsdocenten met daaromheen die schil van experts die ook de voeten in de praktijk hebben staan. Dat zien we in onze masters al wel gebeuren, en met succes. Die wisselwerking is heel krachtig.’ Jij hebt je ook beziggehouden met professionalisering van de studieloopbaanbegeleiders… ‘De rol van de studieloopbaanbegeleider is geëvolueerd, van oorsprong was die vooral gericht op coaching en begeleiding, en minder vakinhoudelijk of onderzoekmatig. Je merkt nu dat de opleidingsscholen en de basisschoolcoaches iets anders vragen van de studieloopbaanbegeleider, ze zitten vaker bij intervisies of gaan in gesprek met de directeur. Sommigen hebben om die reden de rol teruggegeven, omdat ze liever de een-op-een begeleiding van studenten doen. Nu zie je daar weer een verdieping bovenop komen, namelijk dat de studieloopbaanbegeleider, zeker in de academische opleidingsscholen, eigenlijk ook als partner wordt gezien om de onderzoekscultuur te versterken, en in de onderzoeksgroep mee te doen. De rol wordt pittiger en veelzijdiger. Ook de opleiding zelf is aan het flexibiliseren, het palet van studenten verandert, wat ook iets anders vraagt van de studieloopbaanbegeleiders. Wat dit in de nabije toekomst betekent, gaan we de komende jaren verder verkennen. Het begin is gemaakt.’ Wat zijn voor jou belangrijk momenten in het project geweest? ‘Ik denk dat er naast het moment waarop we de koers voor inhoudelijke samenwerking hebben bijgesteld, en daar heeft Brigit als projectleider een belangrijke rol in gespeeld, er meer kritische momenten zijn geweest waarop het verschil is gemaakt tussen doorkabbelen en doorpakken, waardoor iets een succes wordt. Bijvoorbeeld toen we vaststelden: hé, nu hebben we daadwerkelijk een profielschets voor het niveau van basisbekwaam en dat sluit aan bij het competentieprofiel dat binnen de opleiding wordt gehanteerd. Dat vond ik een belangrijke. Ook de gesprekken met besturen, dat bleek een aanpak waarop men zat te wachten. De verduurzaming en verankering daarvan, dat is het proces dat nu gaande is. Langzaam ontdekken besturen; we hebben hier een gezamenlijke kans en die moeten we pakken. De nieuwe samenwerkingsovereenkomst bouwt daar mooi op voort. Maar zonder het project waren we nooit op dat punt gekomen. Het heeft ons echt een stap verder gebracht. Een mijlpaal is ook geweest dat de regio Tilburg ging meedoen. Ik ben de besturen in de regio Den Bosch nog steeds heel erg dankbaar dat zij bereid waren om de subsidie te gaan delen met een grotere groep. Het opleveren van de ontwikkelscans zijn voor mij, in het onderzoeken wat echt de kwaliteit is van opleiden in de school, ook wel mijlpalen geweest. En de landelijke impact vind ik mooi om te zien. Er is veel ontwikkeld binnen ons partnerschap waar collega’s in het land enthousiast over worden. Dat is iets om trots op te zijn. We zijn zelf vaak kritisch, hebben een cultuur gericht op verbetering, maar er is genoeg te vieren.’ Hoe kijk je naar de toekomst? ‘Voordat het project van start ging, hadden we al de strategische koers bepaald en die vat ik zelf weleens samen in: verbreden, verdiepen, verankeren. Ik denk dat we met alle drie een slag hebben gemaakt. Mijn wens is dat we samen meer jongeren weten te interesseren voor het beroep en ook een meer diverse groep. Plat gezegd zijn het nu toch de witte meisjes die naar de opleiding komen. Daar doen we als POS nog weinig aan, dat is vooral het probleem van de opleiding. Op die thematiek zou ik meer willen samenwerken, en dan ook breder met oog op dreigend lerarentekort, kwaliteit en diversiteit van het personeelsbestand. Ik zou dat wat we nu in de masters en alle voortgezette professionalisering doen, goed willen verbinden aan het POS. En tot slot hoop ik dat we de ontwikkelingen in het primair onderwijs, kindcentra, tienerscholen, enzovoorts, goed kunnen verbinden met opleiden in de school. Daar ligt nog een uitdaging voor de toekomst. En dan zou het mooi zijn dat we de tegemoetkomingsregeling die OCW nu heeft voor het opleiden in de school, ook na 2020 behouden. Die hebben we nog wel even nodig om deze ontwikkeling door te zetten. Uiteindelijk gun je alle kinderen, leerkrachten en aankomende leerkrachten dit soort begeleiding en kansen.’ Met de leerervaring die is opgedaan tijdens het project gaan we vanaf november 2017 tijdens netwerkbijeenkomsten samen het curriculum van 2020 ontwikkelen. Versterking samenwerking 17

18 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication