pensioenvermogen op. Er zijn in de wet drie verschillende regelingen opgenomen, waarbinnen dit kan. Twee ervan mogen door pensioenfondsen worden uitgevoerd. De solidaire premieregeling en de flexibele premieregeling. Hieronder laten we op hoofdlijnen de inhoud van deze regelingen zien. De premie wordt gebruikt voor het vullen van het persoonlijk pensioenvermogen én voor het betalen van kosten van het pensioenfonds, de premies voor verzekeringen en mogelijk het vullen van reserves. De doorsneesystematiek vervalt. Hierbij bouwden jongere werknemers minder pensioen op dan op basis van hun premie-inleg en hun leeftijd het geval zou moeten zijn en oudere werknemers juist meer. Het pensioenfonds belegt dit geld om het meer te laten worden. Bij de solidaire premieregeling wordt het totale vermogen gezamenlijk belegd. Daarbij wordt er voor verschillende leeftijdsgroepen een risicoprofiel bepaald, dat wil zeggen de risicobereidheid en de risicodraagkracht voor personen binnen deze verschillende groepen. Dat risicoprofiel wordt gemaakt op basis van onderzoek onder deelnemers en gepensioneerden en wetenschappelijk kennis op dit vlak. Het wordt periodiek herijkt. Het risicoprofiel bepaalt hoeveel van de totale resultaten van de beleggingen (zowel een stijging als een daling), aan de verschillende leeftijdsgroepen wordt toegekend. Uitgangspunt zal zijn dat gepensioneerden minder risico kunnen dragen dan jongere deelnemers (werknemers). Bij de flexibele premieregeling is het wettelijk mogelijk om op een (meer) individueel niveau een risicoprofiel vast te stellen. Daarbij hebben deelnemers meer keuzevrijheid. Daardoor kan er op individueel niveau meer risico gelopen worden. Ook hierbij zal echter gekeken worden naar risicobereidheid en draagkracht en zal mogelijk gewerkt worden met leeftijdsgroepen. PGB zal voor de totale groep gepensioneerden vermoedelijk met één risicoprofiel gaan werken. Definitieve besluitvorming hierover moet nog plaatsvinden. Binnen de solidaire premieregeling is een solidariteitsreserve verplicht. Daarin wordt geld gestopt om risico’s gezamenlijk te delen, waaronder het risico op daling van ingegane pensioenuitkeringen. De kans daarop wordt op die manier kleiner. Dat betekent echter ook dat de stijging van de pensioenen wat lager zal zijn omdat een deel van het rendement aan de solidariteitsreserve wordt toegevoegd. In de flexibele premieregeling is het ook mogelijk om een (risicodelings) reserve te vormen. Dat is echter niet altijd verplicht. De regels die gelden voor het vullen van zo’n reserve zijn anders dan die voor de solidariteitsreserve. Daarom is het minder zeker dat deze (deels) gebruikt gaat worden om het risico op daling van ingegane pensioenen te dempen. Zowel voor de solidariteitsreserve als voor de risicodelingsreserve geldt dat afspraken hierover door sociale partners gemaakt moeten worden. Zij moeten daarbij rekening houden met wat het pensioenfonds kan uitvoeren. Vooralsnog lijkt PGB geen risicodelingsreserve in de flexibele premieregeling te gaan uitvoeren. Op het moment dat iemand met pensioen gaat, wordt op basis van het persoonlijke pensioenvermogen, het projectierendement (een inschatting van het toekomstig rendement) en de gemiddelde levensverwachting binnen het fonds uitgerekend wat de hoogte van de pensioenuitkering zal zijn. Jaarlijks wordt een deel uit het persoonlijk pensioenvermogen gehaald om het pensioen te betalen. Met het resterende pensioenvermogen wordt 6
7 Online Touch Home