13

op een historisch moment bevonden: de soevereiniteitsoverdracht van Suriname. We dachten op weg te zijn naar een harmonieuze overdracht, maar wat volgde was vooral een harde les in onderhandelen. De onderhandelingen tussen Nederland en Suriname hadden bijna twee jaar geduurd en leken af te lopen op een voorspoedige afloop. De teksten die de Onafhankelijkheid moesten regelen, waren klaar. Het Nederlandse parlement had het verdrag op 28 oktober goedgekeurd en op 19 november stemde ook de Surinaamse volksvertegenwoordiging ermee in. Dat was weliswaar heel kort voor de afgesproken datum van 25 november, maar we dachten dat de zaak beklonken was. Toch was er nog geen volledige overeenstemming over alle onderwerpen. De belangrijkste onduidelijkheid betrof de ontwikkelingshulp die Suriname na de Onafhankelijkheid van Nederland zou ontvangen. Over de omvang waren we het eens, maar niet over de procedures en voorwaarden. Het verdrag was klaar, maar het aanvullende protocol nog niet. In theorie kon dat na de overdracht worden afgerond, maar dat zou het vertrouwen van Suriname in Nederland schaden. De Surinaamse regering had daarom de goedkeuring van het verdrag opgeschort, totdat ook over het protocol overeenstemming zou zijn bereikt. Pas op 24 november, één dag vóór de overdracht, slaagden wij erin het protocol af te ronden. Ikzelf, als minister voor Ontwikkelingssamenwerking, wist in gesprek met mijn Surinaamse collega Michael Cambridge overeenstemming te bereiken. Diezelfde dag tekende Suriname het verdrag alsnog. Dat was op het nippertje. Maar er was nog een ander en veel groter probleem dat zich onverwacht voordeed: de vraag waar precies de grenzen van Suriname lagen.’ 13

14 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication