19

Pensioenfondsen die onder het nieuwe pensioenstelsel niet zouden hoeven te korten op de pensioenen, hoeven dat in de overgang naar dat stelsel in de jaren tot 2026 ook niet te doen. Dat heeft minister Koolmees meegedeeld in een brief aan de Tweede Kamer. Al eerder gaf ook toezichthouder de Nederlandsche Bank de pensioenfondsen wat lucht met de aankondiging dat de nieuwe uFR-parameters, zeg maar de rekenrente, die bepalend zijn voor de berekening van de verplichtingen van pensioenfondsen, vanaf 1 januari 2021 in vier gelijke stappen en dus niet ineens worden ingevoerd. Koolmees en DNB geven pensioenfondsen wat lucht In het nieuwe pensioenstelsel gaan andere regels gelden voor bijvoorbeeld het verdelen van financiële meeen tegenvallers, gelden andere buffereisen, heeft de premie een andere rol en worden rendementen bepalender, schrijft Koolmees in een brief over het toetsingskader voor de pensioenfondsen op de weg naar een nieuw pensioenstelsel. Dat stelsel wordt, zoals de plannen nu zijn, in 2026 ingevoerd. Tot die tijd zouden de huidige regels gelden voor wat betreft dekkingsgraad en de daarbij toegepaste rekenrente. ‘’Dat heeft mogelijk onevenwichtige handelingen of consequenties, bezien vanuit het perspectief van het nieuwe stelsel,’’ denkt de bewindsman, Ingroeipad Koolmees heeft daarom met de partijen waarmee hij over de transitie onderhandelt afgesproken dat er een zogenaamd ingroeipad naar het nieuwe stelsel komt. ‘’Ik ben bereid om te kijken naar een aanpassing van het huidige financiële toetsingskader voor de fondsen.’’ Dat begint met de regeling dat fondsen met een dekkingsgraad van minimaal 90% ook volgend jaar niet hoeven te korten. Die toezegging heeft de minister eerder al gedaan bij de publicatie van de uitwerking van het pensioenakkoord. Daarna zal een aangepast toetsingskader gelden voor de periode 2022 – 2026, heeft hij daar nu aan toegevoegd. ‘’Indien met de blik van het nieuwe stelsel wordt gekeken, dan kan dat leiden tot een ander perspectief op pensioenverlagingen en premieverhogingen. Als pensioenverlagingen met het oog op het nieuwe stelsel niet nodig zijn, hoeven ze nu niet te worden doorgevoerd. Dat kan betekenen dat sommige pensioenverlagingen onder de huidige kortingsgrenzen niet nodig zijn. Dat betekent uiteraard niet dat álle pensioenverlagingen niet nodig zijn.’’ Koepel Koolmees reageert onder meer op dringende verzoeken van de Koepel Gepensioneerden die er tijdens een persoonlijk overleg met de minister op had aangedrongen kortingen tijdens de transitie te vermijden. Ook heeft de Koepel waarborgen gevraagd voor de belangen van de gepensioneerden bij die overgang. Bij die verdere uitwerking zullen de Koepel en andere organisaties van ouderen actief worden betrokken, heeft Koolmees daarbij ook toegezegd. Daarnaast hadden ook FNV, MKB-Nederland en VNO-NCW het kabinet opgeroepen om snel met een overgangsregime te komen voor pensioenfondsen. ‘’Terwijl nieuwe wetgeving op komst is, dreigen door de crisis met de huidige regels in de overgangsfase onnodige kortingen en verhogingen van premies', staat in een gezamenlijke verklaring. Sociale partners pleitten daarin voor een overgangsregime 'in de geest van de nieuwe pensioencontracten', iets waar Koolmees nu dus aan tegemoet gekomen is. UFR parameters De Nederlandsche Bank had eerder al meegedeeld dat het de nieuwe UFR-parameters gefaseerd zal gaan invoeren. Die parameters volgen uit een bindend advies van een daartoe ingestelde commissie onder leiding van oud-minister Jeroen Dijsselbloem. Invoering ervan zal er toe kunnen leiden dat de dekkingsgraden van pensioenfondsen verder verslechteren waardoor het risico op kortingen groter zal worden en de kans op indexatie verder achter de horizon zal verdwijnen. Met de stapsgewijze invoering zullen de nieuwe UFR (Ultimate Forward Rate) parameters nu echter pas begin 2024 volledig zijn ingevoerd. ‘’Deze stapsgewijze invoering zorgt ervoor dat het effect van de nieuwe UFRmethode op de dekkingsgraden van pensioenfondsen zich geleidelijk in de tijd materialiseert,’’ schrijft DNB. DNB heeft de wettelijke taak om te bepalen met welke rentetermijnstructuur pensioenfondsen moeten rekenen om de waarde van hun pensioenverplichtingen te bepalen. Ruud Peys 19

20 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication