10

Wat er voorafging aan het pensioenakkoord Al sinds de bankencrisis van 2008 groeit de kritiek op ons veelgeprezen pensioensysteem. Het zou niet meer voldoen aan de eisen van deze tijd. Jongeren zouden benadeeld worden. Ouderen zou den niet krijgen waarop ze gerekend hadden. Wat ging er mis met de pensioenwet uit 1954 waar iedereen zo blij mee leek? 1954 De Pensioen- en Spaarwet (Psw) uit 1954 was een bundeling van vele bestaande (rijks)pensioenregelingen, aangevuld tot een duidelijke, uniforme algemene pensioenwet. Sinds de invoering van de Psw had het merendeel van de fondsen een eindloonsysteem , waarbij pensioenrechten van werkenden meegroeiden met het salaris, en de uitkeringen van gepensioneerden meegroeiden met de prijsindex. Een opbouw van jaarlijks maximaal 1,75% van het inkomen leverde na 40 dienstjaren een voorziening van 70% van het laatstverdiende loon op. Tevredenheid alom. Maar tegen de eeuwwisseling ontstonden scheve gezichten: het eindloonsysteem zou carrièremakers in de kaart spelen. Het middelloon was ‘veel eerlijker’. 2000 De politiek haakte gretig in op de onvrede. Na 2000 moesten de pensioenfondsen gedwongen overstappen op een middelloonsysteem. Daarmee sloop de onzekerheid in het stelsel: de opgebouwde rechten werden niet meer automatisch geïndexeerd. Ook werd indexatie afhankelijk van de dekkingsgraad. Om na 40 dienstjaren op een uitkering van ongeveer 70% van het eindloon uit te komen, was bovendien een opbouwpercentage van 2,2% nodig. Dat vond de overheid (als werkgever) te duur, dus het opbouwpercentage zakte al snel naar 1.875% wat nog maar 60% van het eindloon opleverde. En als snel kwamen de klachten dat het middelloonsysteem oneerlijk was voor jongeren. Want een euro die 10 nog 40 jaar belegd werd, leverde in het middelloon systeem niet meer pensioen op dan een euro die nog maar 1 jaar werd belegd. Ook bracht de invoering van de nieuwe Wet Bpf (bedrijfspensioenfondsen) van 2000, die deelneming aan bedrijfstakpensioenfondsen verplicht stelde, een enorme administratieve rompslomp met zich mee. Vanwege de verplichtstelling moest de overheid op allerlei manieren het beheer kunnen toetsen. DNB (de Nederlandsche Bank) zou voortaan haar eigen rekenmethodes op pensioenen loslaten. Dat hebben we geweten! Het pensioen werd er per saldo niet beter op. 2007 Onder druk van sommige politieke partijen die jongeren aan zich willen binden met de onjuiste beeldvorming dat ouderen hun pensioeninleg op zouden eten, zoekt de overheid naar wegen om greep te krijgen op de onvoorspelbaarheid van de 40-60 jarige beleggingstermijn die voor pensioenfondsen normaal is. En dus gaat het gebruikelijke vaste rekenrendement van 4% op de schop. Het ‘uitgesteld loon’ van werknemers en gepensioneerden wordt in plaats daarvan gekoppeld aan de altijd schommelende marktrente voor korte termijn beleggingen. Een onbegrijpelijke actie die pensioenfondsen opzadelt met de noodzaak om tegen hoge kosten beleggingsproducten aan te schaffen die de uitschieters van de markt kunnen stabiliseren. Als na de bankencrisis de rente op de financiële markten enorm zakt, zijn we nog verder van huis. De pensioenverplichtingen moeten dankzij koppeling aan deze rente voortaan worden gewaardeerd alsof er de komende 60 jaar nooit meer dan de 0,5% van rente op de staatsleningen wordt gehaald. Het in werkelijk behaalde rendement van de 6-8% mag niet worden meegerekend. Dat zet voor meer dan 10 jaar een streep door indexatie van het vermogen. 2019 – Pensioenakkoord Inmiddels wordt duidelijk dat door tussenkomst politiek en overheid het pensioendossier een veelkoppig monster is geworden. Het jarenlang uitblijven van indexaties tast niet alleen de koopkracht van ouderen aan maar gaat ook de toekomstige gepensioneerden (politieke doelgroep!) veel geld kosten. Werkenden hebben 12 jaar rente op rente van soms 30% van hun inkomen misgelopen, een pensioengat dat moeilijk te dichten valt. In plaats van terug te gaan naar de uiteindelijk toch heel gunstige eindloonregeling zet men zich, mede gezien de ingrijpend veranderde arbeidsmarkt (ZZP, tweeverdieners, flexwerkers, late intreders) aan het ontwerp van een geheel nieuwe wet. De contouren van de wet, opgetekend in het ‘pensioenakkoord’ werd in 2019 juichend gepresenteerd. De wet is nog steeds niet helemaal af en het is jammer dat gepensioneerden niet aan de onderhandelingstafels zijn uitgenodigd, al was het maar voor de inkleuring van het historisch perspectief. Gelukkig hebben gepensioneerden wel ‘hoorrecht’, een formele weg om hun stem toch te laten horen. Nicoline Maarschalk Meijer Gepensioneerden merken dat meteen in hun portemonnee, de werkenden krijgen dit renteverlies pas bij pensionering voor hun kiezen. In strijd met het doel van deze operatie is in plaats van transparant beheer een voortdurende strijd tegen de grillige renteontwikkelingen gecreëerd. 2015 – Financieel Toetsingskader In het Financieel Toetsingskader (FTK), onderdeel van de Pensioenwet, zijn de wettelijke financiële eisen aan pensioenfondsen vastgelegd. Het FTK stelt voorwaarden aan de financiële gezondheid van een pensioenfonds en is opgebouwd rond de principes van marktwaardering, risico-gebaseerde financiële eisen en transparantie. In 2015 is het FTK vernieuwd om meer stabiliteit bij pensioenfondsen te creëren in antwoord op de grotere schommelingen op de financiële markten.

11 Online Touch Home


You need flash player to view this online publication