de veertiende eeuw toen de schepen veertig dagen voor de kust van Venetië moesten wachten vanwege de pestepidemie. ‘Hoe merkwaardig kan het zijn…’ Hoe pijnlijk en kwetsbaar deze tijd voor velen ook is: de afstand van elkaar en van het alledaagse biedt ook ruimte om jezelf vragen te stellen over het leven dat we zo normaal vinden. Is het wel zo wenselijk dat we onze productie hebben uitbesteed aan landen als China? Is het wel nodig dat we in één week vliegen van Tokyo naar Genève om via Londen en New York naar Amsterdam te gaan? Ten koste van wat doen we dat eigenlijk? ‘Misschien moesten we maar eens in mentale quarantaine gaan,’ zegt Röselaers. ‘Dat biedt ruimte om jezelf vragen te stellen. Wie ben ik? Waar kom ik vandaan? Hoe wil ik leven na deze quarantaine? Waar zal ik mij op richten?’ Hij wijst op de paradox van deze periode: ‘We moeten fysiek afstand houden, maar we komen elkaar zeer nabij. Thuis, in het gezin, met alle kansen en zorgen die daarbij horen, maar ook daarbuiten. We nemen de tijd voor een goed gesprek. Er is aandacht. Opeens hebben we veel minder ongelofelijke haast.’ mte voor wat groter is dan wijzelf’ zijn al gemaakt.’ Hij schept juist graag ruimte voor ‘wat groter is dan wijzelf’. Röselaers: ‘Tegenwoordig willen we allemaal ons eigen leven maken en aan de wereld tonen. Je moet jezelf verwezenlijken, op heel veel fronten. Er zit zo weinig ontspanning in.’ Hij heeft moeite met de houding van ‘het kan allemaal’. Het credo dat een crisis er is om ‘beter’ van te worden. ‘Je kunt ook aanvaarden dat somberte erbij hoort.’ Hij denkt dat geloof ontspant: ‘Je wordt gezien. Je bent gemaakt. Het haalt je uit de ik-gerichtheid.’ Veertig dagen Als we elkaar spreken, vlak voor Pasen, aan de vooravond van de Stille Week, zitten we in de Veertigdagentijd, voor katholieken de Vastentijd, een verwijzing naar het oerverhaal uit de Bijbel waarin het Joodse volk door de woestijn moet trekken naar het beloofde land. Maar de woestijn is meer dan een gebied op de kaart, zegt Röselaers. ‘Het is ook een beeld dat staat voor een periode van bezinning. Soms kies je er vrijwillig voor om even afstand te nemen van het alledaagse. Soms word je gedwongen, zoals in deze periode van quarantaine.’ Het woord quarantaine, legt hij uit, komt van het Italiaanse ‘quanranta giorni’, veertig dagen. Het stamt uit Eindelijk tijd voor ‘niet doen’ Röselaers ziet dat mensen ook dichter bij zichzelf komen. ‘Eindelijk komen we toe aan het “niet-doen”. Aan contemplatie. Aan aandacht voor de natuur, die in bloei staat – Corona of niet. Aan vogels in de tuin die eerder nooit opvielen. Als er iets is wat deze crisis ons laat zien, is dat onze kwetsbaarheid en afhankelijkheid. We worden als mensen op onszelf teruggeworpen. Om te hervinden wat essentieel is.’ Hij hoopt dat we na de crisis niet alleen terug zullen denken aan deze quarantaine als een periode van economische rampspoed en eenzaamheid, maar ook als een tijd waarin de verbeelding de ruimte kreeg en waarin wij dichter tot elkaar kwamen. ‘Het volk in de woestijn hield het vol vanwege de hoop dat deze wereld zoveel menselijker kan. Als deze crisis daartoe bijdraagt, dan is het misschien toch niet allemaal voor niets geweest. We zijn méér dan de omstandigheden waarin we ons nu bevinden.’ Het merkwaardige van deze periode, zegt Röselaers, is dat oude concepten zomaar een nieuwe betekenis krijgen. ‘Veertigdagentijd in quarantaine, “40-aine”, zo meteen de Stille Week: hoe stil zal het zijn op straat en in de kerken? En als de Express uitkomt, zijn we op weg naar Pinksteren. Tussen Pasen en Pinksteren zitten de leerlingen thuis, opgesloten in hun huis. Ze leven in angst, weten niet hoe het verder moet. Maar dan, opeens, gaan de deuren open en gaan ze eindelijk de straat weer op, na vijftig dagen. Dan vieren we Pasen en Pinksteren ineen, want het leven is sterker dan de dood! Wat een mooi vooruitzicht toch? Laat het ook voor ons Pinksteren worden!’ 21
22 Online Touch Home