0

Deel 1 Herbergen, cafés, estaminets, … ze bestaan reeds eeuwenlang. Mensen moeten zich kunnen laven of op reis ‘geherbergd’ worden. 2 000 jaar geleden werd aan Maria en Jozef de toegang tot de herberg geweigerd “want er was geen plaats voor hen in de herberg” (Luc 2,7). Vandaag zal het wel niet zo’n vaart lopen, integendeel … Van de oude Belgen weten we dat ze niet vies waren van een pintje meer. Er staat zelfs geboekstaafd dat ze verslaafd waren aan spel en drank, welteverstaan bier! Water dronken ze niet want toen reeds wist men dat het niet gezond was, in tegenstelling tot bier dat gekookt was. Bier brouwen was oorspronkelijk een exclusieve vrouwelijke aangelegenheid, maar door steeds op grotere schaal te brouwen, werd algauw mannelijke hulp ingeroepen. Uiteindelijk werd brouwen een mannenzaak en ontstond ‘De Brouwer’. Met het ontstaan van grotere brouwerijen nam het bierverbruik evenredig toe, alsook het aantal herbergen. Nochtans waarschuwden geleerden regelmatig: “Alleen wie bier verdragen kan, maakt het dik en gezond”. De pastoors vonden het zelfs nodig om van op de kansel tegen het drankmisbruik te reageren: “Enen volgedronken oft zatten mensch kan tot alle quaed vervoeren”. Niettemin werd er veel gedronken, wellicht ook om zijn dagelijkse miserie te vergeten. Er liepen dus enorm veel zatlappen rond. Volgens de Spaanse militair Alonso Vasques, die hier zijn dienst volbracht, was de oorzaak van die dronkenschap bij de Vlamingen niet zozeer een gevolg van miserie, maar lag ze in het feit dat de kinderen als zuigeling reeds aan de drank gewend waren. Hij schrijft: “De moeders geven de kleintjes als zij ze neerleggen, met wijn en bier gevulde kalebassen in de vorm van een vrouwenborst en de kinderen zuigen daaraan alsof het een tiet is en drinken de drank als melk”. Onze streek bleef op het gebied van het bierverbruik natuurlijk niet achter. Het aantal herbergen nam rond 1900 enorme proporties aan. In Wulveringem waren er in 1920 zelfs 37 herbergen voor ongeveer 6 00 inwoners. Toch kon de toenmalige pastoor schrijven: “Herbergen ontbreken geenszins, maar misbruiken door den drank of spel zijn niet bekend …”. Laten we nu op stap gaan doorheen het rijke verleden van Bacchus in onze gemeente Wulveringem. > Om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen, vraagt Jef aan iedere lezer die meer weet over de vroegere cafés om documentatie en eventuele foto’s van vroeger en nu bij Stefaan Duron te willen afgeven. We doen daarom een warme oproep om in jouw eigen archief of in dit van iemand anders die je kent te willen duiken en dit niet uit te stellen. We garanderen dat je alle originele stukken in perfecte staat zal terugkrijgen. < De koning drinkt Jacob Jordaens 1638 1

Deel 2 Zoals in de buurgemeente Vinkem, moest men in Wulveringem zeker niet onderdoen qua aantal herbergen. De dorstigen laven is dan ook een werk van barmhartigheid … In talrijke gelegenheden konden inwoners, handelaars en wandelaars na een zware dag hun keel doorspoelen of tussen pot en pint hun liefdesverdriet vergeten. Nauwelijks buiten Veurne of we stonden voor de deur van “’t Klein Wulveringem” De foto werd net vóór de afbraak in het najaar van 2012 genomen. Het minicafeetje leunde met zijn rug (foto) tegen de Krommegracht, op de Oosthoek. Vlaskoopman Miel Vandenberghe was de uitbater. In 1848 sprak men reeds over “klein Wulveringhem, eene herberghe te Wulveringhem”. In een ander document staat: “herberghe, het kleyn Wulveringhem, langst den steenweg naar de nieuwe herberghe”. Het cafeetje ontstond in een lang vergeten tijd, nadat men de steenweg van Veurne naar Ieper had aangelegd (1786-1788). De toenmalige uitbater trachtte wellicht een graantje van de passanten mee te pikken. 2

In de jaren negentienhonderd en vijftig was Silveer Louwagie hier de laatste vaste bewoner. Het versleten gebouwtje werd onlangs afgebroken om plaats te maken voor de toekomstige uitbreiding van de baan Veurne-Ieper (N8). Op de Oosthoek 54, aan de hoek van de Boonakkerstraat bediende houtzager Isidoor Decroo zijn klanten. De naam van zijn ‘doeninghe’, “In de Iepe” verwees duidelijk naar Decroo’s stiel! Aan de overkant van de straat stond een reuzengrote Iep, die in de jaren 1980 door een storm werd geveld en tot brandhout werd gezaagd. Isidoor verwerkte hier immers olmen of iepen, de thans verdwenen ‘eik van de streek’. Heel Veurne-Ambacht werd vroeger versierd door die schitterende grote loofbomen. 3

De zaak kwam later in handen van metser Gaston Debrock. Toen burgemeester L. Flyps bij zijn inhuldiging een rondrit maakt op zijn grondgebied las hij boven de deur van de Iepe: “Ik werk in cement en beton En wenscht U, Burgmeester, welkom. Daarom zal ik mij niet geneeren, U mijn metselwerk te presenteren. Ik moet U nog op ‘t volgende wijzen: Ik werk aan genadige prijzen.” Spijts zijn genadige prijzen zal Gaston uit noodzaak - zoals zovelen - zijn zaak moeten sluiten. Het gebouwtje schittert tot op vandaag als woonhuis en draagt sinds lang terug zijn historische naam. 4

Deel 3 Voor een rustige zondagse wandeling nam je best de Boonakkerstraat, richting Bulskamp. Aan de hoek met de Lobbestraat kon je verpozen bij Henri Geldhof “In de Rustplaats” (foto) In 1896 was de herberg reeds gekend. Boven de ingang stond de Moeder Gods vanonder een glazen stolp de voorbijgangers te aanschouwen. Die madonna was er gekomen na een kaplletjesactie van pastoor Patfoort die hier de parochie bediende tussen 1950 en 1957. Onlangs verdween het beeldje van de gevel. Nauwelijks enkele stappen voorbij de ‘Iepe’, op dezelfde Oosthoek, was August Roedolf gevestigd. Zijn enseigne maakte meteen alles duidelijk: “Bij August Roedolf, Kleermaker”. Terwijl vrouw Stephanie de klanten aan de praat hield, naaide August naarstig achteraan in zijn atelier. Het koppel bleef niet gespaard van tegenslagen. In 1925 rouwde gans het dorp mee toen hun 31-jarige, ongehuwde en thuiswonende dochter Martha overleed. (bidprentje) De Franse grens is nooit veraf. Het verwondert dan ook niet dat één of andere naam hier kwam overgewaaid. Op de Oosthoek 21 ontdekten we het vroegere café “In Rozendaele”, een verwijzing naar het Franse dorp Rosendaël, gelegen tussen Zuytcoote en Malo-les-Bains. (foto boven) 5

De hovenieringen van Rosendaël waren tot ver over de grens bekend. De lekkere groenten en aardappelen overspoelden de Noord-Franse markten. Misschien kwamen enkele handelaars ook ons bevoorraden of kwamen op de Veurnse woensdagmarkt staan? Café “In Rozendaele” was dan zeker de ideale plek om na de markt zijn dorst te lessen en wat bij te praten. Louis Bruloot zwaaide hier begin twintigste eeuw de scepter. Vele jaren later, in de vijftiger jaren, trachtte Remi Vandenbecken (bidprentje) nog een tijdje het hoofd boven water te houden maar … tijden veranderen en ook deze estaminet moest er uiteindelijk aan geloven. Het Rosendaeltje verdween en werd omgebouwd tot een gezellige, moderne woning. 6

Deel 4 St.-Elooi, patroon van de smeden. (afbeelding rechts) De heilige en zijn smeden zijn niet te scheiden! Café “In Sint Elooi” (foto) kon dan ook niet anders dan de thuishaven zijn van een hoefsmid, die zelf ook zwaar en dorstig werk verichtte. St.-Elooi was eigendom van brouwer Bonte. Cyriel Verpoorte, vader van Martha, besloeg er de boerenpaarden terwijl Eugenie haar klandizie aan de drank en de praat hield. De heilige Elooi heeft in Vlaanderen trouwens wel meer gelegenheden gehad waar hij de dorstigen kon laven. Cyriel, die de stiel van paardensmid in Ghyvelde geleerd had, ging later op het Zwaantje huizen. Hij werd hier opgevolgd door smid Camiel Bouckhout. Toen het beroep van dorpssmid het moest afleggen tegen meer gesofistikeerde ateliers, hield Camiel het voor bekeken. Het café bleef nog een tijdlang bestaan tot ook hier de tand des tijd de kranen definitief liet leeglopen. Camiel en Catherina, de laatste uitbaters, waren de ouders van pater Ferdinand Bouckhout. Naast zijn job als smid en cafébaas was Camiel ook nog kerkbaljuw. Sinds juli 1938 was hij eveneens ‘hulpklokkenist’ als assistent van de koster … van cumul gesproken. Later volgde hij August Verslype op en in 1940 werd hijzelf de onbetwiste klokkenist van Wulveringem. Toen burgemeester Flyps in 1936 werd ingehuldigd, wilde Camiel ook graag ten dienste staan van de nieuwe burgervader, maar ja … “De Burgmeester heeft noch peerd, noch karren, ‘k moet ook niet scherpen zijn scharren.” Dit belette niet dat hij wel bereid was andere opdrachten te aanvaarden: “Maar geeft hij mij ander werk, ik smeed het voor hem kloek en sterk”. 7

8

Deel 5 Médard Boonefaes of beter zijn wederhelft was de bazin van ‘De Groene Plaats’ - Dorp 1. Het café was een mooie bijverdienst naast de kolenhandel van Médard. En aangezien het café altijd open was, konden hier ook kolen besteld worden. St.-Christoffel Wanneer Marcel en Margriet Vandecasteele er later hun intrek namen, veranderde de naam in ‘St.-Christoffel’. Elke derde woensdag van de maand ging bij Margriet een kaartnamiddag door. Het succes was zo groot dat zelfs de Veurnse gepensioneerden naar hier per fiets afgezakt kwamen. Ook de vogelpieksport werd er bedreven. De club droeg de ridderlijke naam van ‘Kasteelsmijters’. Op 23 september 1989 startte de club zelfs haar 21ste competitiejaar. Toen de uitbaters met pensioen gingen, werd de herberg gesloten. Maar St.-Christoffel draaide verder als een bloeiende garage, ingericht in de afhankelijkheden van de voormalige kolenhandel en … is St.-Christoffel niet de patroon van reizigers en automobilisten! “Waarom zo bescheiden, ...?” Het is toch niet gebruikelijk dat je iets over jezelf (moet) schrij(ven)ft. Met aandrang vroegen enkele vrienden (M/V) om dan toch iets over mijn persoonlijke sportieve prestatie van dit jaar in de dorpsgazette te plaatsen. Op zondag 14 april liep ik met succes de marathon van Rotterdam. Een unieke ervaring en … uiteraard ben ik daar fier over. En 9

Deel 6 Café ‘De Voorstad’ bestond reeds lang vóór 1900. Emeric Pattyn bediende er zijn klanten. Na de eerste wereldoorlog, in de jaren twintig, namen Sylveer Vermeulen en Romanie Facon hier hun intrek. Terwijl Silveer de boeren bezocht om varkens te kopen en te verkopen was er thuis ook nog kolenhandel. Romanie hield zich bezig met haar café en haar ‘spekkenwinkeltje’ waar de jeugd voor 25 cent ‘s zondags een zakje snoep kon kopen. De naam ‘De Voorstad’ ware eigenlijk eerder toepasselijk geweest in Veurne dan in Wulveringem, tenzij men toen reeds de latere fusies voelde aankomen ... 10

Deze drankgelegenheid die eveneens paalde aan de ‘Groeneplaats’ kwam later tijdelijk in handen van Julius Cappelaere die er een tijdje café en bakkerij uitbaatte, totdat de familie Valère Valcke - Huyghe de zaak ombouwde tot ijzerwinkel, verkoop van nagels en potten en pannen. Aan de lengte van de voorgevel is vandaag nog steeds te zien dat het ooit een handelshuis was. (zie foto vorige pagina) De kolenhandel van Kamiel Bouteca lag op de hoek naar het kasteel. De nog resterende opslagplaats en de thans tot kapel omgevormde schuur tonen aan dat het geen kleine ‘commerce’ was. Het café behoorde tot de drievuldigheid van de ‘hoofden’ in het toenmalige Vinkem-Wulveringem. Naast het ‘Gouden’- en ‘Zilveren Hoofd’, droeg deze taveerne met trots de mooi-klinkende naam van ‘’t Vlaamsch Hoofd’. In 1892 genoot de herberg grote bekendheid in de streek, en dit tot ver buiten Wulveringem. Moeder Lucie die bestellingen opnam, kneep gewoonlijk de ogen dicht voor goede betalers bij ‘t eerste pintje … en dat werd gewaardeerd. Op de foto zie je dat de straat toen nog aan één kant bebouwd was. Het pijltje duidt de locatie aan van ‘‘t Vlaams Hoofd’ ... 11

Later werd het café overgenomen door Angèle en Jozef Sampers. Ze behartigden de drankgelegenheid nog jaren lang tot ook hier de doodsreutel de deur dicht deed. Jozef Sampers bracht het in 1946 zelfs tot burgemeester. Hij bleef zijn gemeente besturen tot 1970. ‘t Vlaams Hoofd was een historisch café met een historische naam die generaties lang verwees naar ‘t Vlaams karakter van de gelegenheid en van Wulveringem. Spijtig genoeg verdween de naam bij de heropening. Ze werd vervangen door de nietszeggende naam van een reus uit Passendale die door de kaasfabriek ooit aan het V.V.V. Veurne-Ambacht werd uitgeleend. “Waar is der oudren fierheid nu gevaren?” 12

En nog dit. Toen burgemeester Flyps werd ingehaald, las hij op de gevel: “Wij steken ‘t vaantje uit Ook sieren wij de straat Langs Oost of West of Zuid We zien ook dat ‘t ook zoo gaat Geen wonder want nu Flyps is Burgevader Goed bezorgd voor ons al te gader Die dees parochie met wijsheid zal bestieren ‘t Is hem ter eere dat wij sieren.” n.v.d.r. Arthur Merghelynck overleed op 14 juli 1908, nauwelijks 55 jaar oud. Hij werd volgens zijn wil opgebaard in leper en begraven in Wulveringem. Zijn echtgenote bleef douairière van Beauvoorde tot haar dood in 1941. Haar neef Leon Flyps, die bij haar op het kasteel kwam wonen, werd in 1935 burgemeester van Wulveringem. (Jan Vanacker) (n.v.d.r. - Ondertussen kon je in het herfstnummer lezen dat Willy en Marieke van café Tuur Djès verleden zomer - na 6 jaar hard werken - hun eet- en praatcafé stopzetten.) 13

Deel 7 De onmiddellijke concurrent van “’t Vlaamsch Hoofd” lag er recht tegenover op de andere hoek, nml. ‘In den Hert’. De naam verwees duidelijk naar de jacht … St.-Hubertusfeesten zijn hier nooit veraf. Dit etablissement werd opengehouden door Charles en Sophie Bossant. Sophie bediende tot in de jaren twintig de gasten. Men beschikte over een feestzaaltje en gaf er maaltijden. Toen in 1940 de zaal vol zat met feestvierders ter gelegenheid van het huwelijk van Gilbert Cappelaere kwam plots de veldwachter binnen met een oproepingsbevel voor vader en zoon Cappelaere. ‘t Was oorlog. Het huwelijksfeest veranderde op slag in een begrafenis. Later werd de zaak omgebouwd tot winkel en toen ook dit niet rendabel bleek, zal de Snuffelhoek (tweedehandsboekerij) er in de jaren tachtig een tijdlang in huizenieren. Uiteindelijk kwam alles in handen van Rogianne Gaytant uit Koksijde. Zij bracht hier in de jaren negentig haar kunstatelier onder. Rogianne Gaytant Na haar overlijden bleef het gebouw tot vandaag verder fungeren als plaatselijk kunstencentrum. 14

De dichtste gebuur van de pastoor was de herberg ‘In de vetten os’. Deze gelegenheid was reeds van ver in de negentiende eeuw bekend. De naam “den vetten os” was wellicht toe te schrijven aan de toenmalige populariteit van de os als trekdier. Het was een echte volkscafé met Richard Sinnaeve en Elza Bulteel achter de toog. (zie gedachtenissen op volgende pagina) Vooral ‘s avonds was het er druk want overdag deed Richard - in de volksmond Richard Keun - als koopman de baan. Zekere morgen stond er in koeien van letters op de ruit gekalkt: “In de vetten os, zoals ge ziet tapt men heden voor geld en morgen voor niet” foto boven - ongeveer anno 1900 -- foto onder - anno 2013 15

Reeds ‘s morgens vroeg werd Richard door hevig gebonk op de voordeur uit zijn bed gehaald. Suf van de slaap liep hij in zijn onderbroek naar beneden, trok kwaad de voordeur open en daar stonden vier ‘vroege’ boerenzonen die koudweg om een gratis biertje vroegen. Pas toen zag Richard wat op de ruit geschreven stond. Ondertussen was Elza ook nog half slapend in haar slaapkleed naar beneden gesukkeld. Ze zag onmiddellijk dat die spreuk nog iets kon opbrengen … Ze liet in gans Vinkem en Wulveringem weten dat het morgen voor niet was. ‘s Anderendaags zat het café stampvol. Iedereen wilde zijn gratis pintje maar hoorde ter plaatse dat het pas ‘morgen’ was, en morgen blijft morgen! De meesten dronken uit schaamte minstens één pintje omdat ze zich hadden laten vangen. Elza hield aan de klucht die dag een mooie stuiver over. Toen Leon Flyps als burgemeester rond zijn dorp reeds, las hij hier volgende karamelle-vers. “Heer burgemeester Ik ben koopman van stiel koop aan Pierre, Pol en Fiel maar vandaag om u te voldoen versier ik mijn huis in ‘t groen.” Later zal nog ene Decaigne een tijdje het café openhouden. 16

Deel 8 Timmerman Fiel Anseel had zijn atelier achteraan ‘De Goede Hoop’. Terwijl Fiel timmerde, hield vrouwlief de klanten aan de praat en bestelde de drank. Onze timmerman was ook goed thuis bij zijn overbuur schoenmaker Jules Hannon uit ‘De Leers’. Zowel Jules als Fiel waren grote liefhebbers van het hemels vocht. Menige glazen bier werden door beide in elkaars café geledigd, kwestie van je buurman ook iets te gunnen. En om de eigen commerce te stimuleren kon een ‘tourneé-général’ ook nooit kwaad. Dat deed de bakker, de beenhouwer, de winkelier … dus mochten de cafébazen zeker niet achterblijven. [Er werd ook nog speelgoed verkocht!] Zoon Henri volgde vader op, zowel in de stiel als achter de tapkraan. Burgemeester Flyps was hier zeker altijd welkom, tenminste als we volgend gedicht mogen geloven. “Henri Anseel den timmerman Versiert ook zijn huis lijk alleman Om den burgemeester te verceren En wil hem zijn waren presenteeren Zoals meubels, gleiers, verven en papier wees welkom alhier” 17

De laatste uitbater was Adhemar Selschotter die daarnaast als chauffeur werkte. Vandaag is er van het originele cafeetje niets meer terug te vinden. Een mooie nieuwbouw kwam er in de plaats. In de rand van dit artikel wil ik nog vermelden dat Adhemar en echtgenote Germaine Woutters door de hel gingen, toen op 18 augustus 1993 hun recent gerenoveerde woning door een uitslaande brand werd geteisterd. Het huis werd volledig in de as gelegd. Germaine: “Toen ik buiten de was aan het ophangen was, vroeg buurman Nestor Picavet zich af of ik bezig was met een groot vuur te maken. We hadden nog niet gemerkt dat er heel wat rook door de pannen van het dak sloeg. Een kortsluiting was er de oorzaak van”. Nog geen maand later sloeg het noodlot opnieuw toe, toen hun enige schoonzoon Dominique in een verkeersongeval om het leven kwam. Een enorme, hard te verduren tegenslag. Goede buren en vrienden zorgden voor een goede opvang en deden een omhaling in het dorp om het getroffen koppel enigszins te steunen in de heropbouw van hun woning. Stefaan Duron 18

Deel 9 Op de hoek Kwadestraat—Wulveringemstraat bevond zich de herberg ‘het Zilveren Hoofd’. In 1840 schreef men reeds: “Herberghe ‘t Zilveren Hooft”, op de plaatse van Wulveringhem”. Amedée Pieters was er uitbater rond 1920. Hij was een halve clown die omwille van zijn fratsen van ‘heinde en verre’ bekend was. En hij had ze van niemand vreemd geleerd! Reeds veel vroeger was het café bekend om de grappen die men er uithaalde. Zo verscheen er op 17 december 1840 in het Advertentieblad van Veurne en omstreken zelfs een volledig gedicht waarin de toenmalige kroegbaas de hoofdrol speelt. Hij ging zelfs zo ver dat hij de naam van zijn kroeg veranderde in die van zijn concurrent uit het ‘Gouden Hoofd’. Wij willen je deze tekst niet onthouden, zie verder. Hier woonde tijdelijk ook Robert Bruloot. Toen Amedée in de jaren vijftig het aardse ruilde voor het hemelse, kwam kerkbaljuw en ‘hulp-klokkenist’ van de koster, Karel Eloy het café nog een tijd runnen. Tot hier ook de tand des tijds meedogenloos de zaak deed sluiten. Tijdens de eerste wereldoorlog konden rekruten hier hun liefdesverdriet, angst en vooral hun laatste centen kwijtraken vooraleer terug naar ‘t front te trekken. 19

Daer men u, al de gazetten Groot of kleyn, weet vol te zetten Met Napoleons ontgraving, Ik een ander liedje zing. Want ik wil u stellen vooren Iets het welk ik kwam te hooren - Het en is geen logentael - Luysterd maer naar het verhael. In deeze December-dagen. Eenen minnaer van het jagen, Was op eenen haes belust. Hy gestadig zonder rust Om het beestje te betrapen Loopt om een veurroer of wapen By Karel, een brouwerszoon: “Vriend, zeyd hy, voor uwen loon Wilt gy uw geweer my geven Ik zal u geheel myn leven Voorzeker wel zyn verpligt, ‘k Weet een haes in leger ligt” Karel die had dags te vooren, Om dien jager te bekooren Opgevold een haeze-vel En wist dat zoo wonderwel In de gaey-tente te leggen, Zonder iemand iets te zetten. En ‘t was op dien strooyen haes Dat Cloet wou speelen den baes. Karel antwoord: “op myn leven, ‘K en wil myn geweer niet geven Want myn liefste vriendje, ziet, Ik betrouw het zelve niet, Maar gebeurs zal ik gaen halen” Het welk hy laede zonder falen. In schyn, bevend en bevreesd Als een die geeft zynen geest. “Wel” sprak Cloet “waerom zoo beven? Gy en hebt toch niet misdreven Waer af gy moet hebben gruw” “Neen” zegd Karel, “’k ben kruidschuw” Hy kon nouwlyks hem inhouwen Dat het was een gemaekt spel. Karels zuster zeyd: “ziet wel Van hem niet geheel te pletten Gy moet u g’heel verre zetten ‘t is genoeg als g’hem ontbloot Van het leven door uw schroot” “Ha”, zeyd hy, “en wilt niet schroomen ‘K heb hem wel in agt genomen Hy en zal my niet ontvliên, Gy zult wel later zien” Dien held, trots ende kloekmoedig Als een grenadier, g’heel spoedig Treed hy nae het eere-veld, Niet om met kracht en geweld Zynen vyand daer te slagen. Neen, ‘t was om een haes te jagen Die van ‘t leven was beroofd, Dat den weerd uyt “’t verguld Hoofd” Onbermhertig ging vernielen. ‘K kan niet melden hoe veel zielen Dat ‘er waren op de baen, Om te zien die helde-daen. Mans, kinders, boeren en vrouwen Wilden al die zaek aenschouwen. Ja, eenen genaemd Salut Stak zyn hoofd door ‘t venster nu, Van den peerde-smùid zyn zolder. Van den molen zag den molder. Immers, tot zyn eygen wyf Wou ook zien dat groot bedryf. Opgetrokken in de zinnen Treed hy dus het slagveld binnen En roept met een trrotsche vlyt Dat elk voor de schoote myd. Hij legd aen … en oogt ter degen Zonder verder ‘t overwegen. Pouf! den haeze die is dood! Door die juyst getroffen schoot. Triumph! vivat! plakt de handen Wilt nu vreugd-veuren branden. Het beestje moet zyn verplet, Want hy niet een poot verzet. “Ziet”, zeyd de vrouw aen Louwitje, “Myn man schiet gelyk een Pitje, Hij is zeker in zijn daed Als ‘t geweer maer wel en gaet”. De jager, in de vreugde-kreten Had zyn veur-roer ter aerd gesmeten Was geloopen nae den buyt Waer geheel ‘t klughspel kwam uyt. Hij raept den haes en smyt hem neder Krapt in zyn haer en neemt hem weder En, als een verwoeden hond Werpt hem nog eens op den grond. Alsdan roept de vrouw met eenen, “Man, is het maer eenen kleenen” “Neen, ik ben verdoemd gekult “’t is een vel met strooy gevuld. Ik en ware niet verlegen, Dat deez’ klugte zy verzwegen Maer door uw verwenscht gelach Zal dit komen aen den dag” Op dat niemand dit zoud zwygen En elk een de weet zoud krygen Wierd er Zondag, naer de mis Verkond dat te loten is Eenen haes, wel te weten Die men mag des Vrydags eten Of op eenen vasten-dag, Dus, dit men verkonden mag. 20

Deel 10 ‘In de Kuiperij’ was de handelszaak van, hoe kan het anders, kuiper Fiel Baye. Gezien het grote brouwerijen alom, drie reeds in Vinkem-Wulveringem, was ‘kuipen’ een belangrijke bron van inkomsten. En gezien Fiel leverde aan de brouwer is het niet verwonderlijk dat de brouwer ook bij hem mocht leveren. En het café draaide goed, zelfs supergoed, vooral tijdens de eerste wereldoorlog. Het gezin van Fiel Baye werd wel erg getroffen door het overlijden van drie zonen. (zie bidprentje) Toen de kuiperij na de oorlog langzaam achteruit boerde, verkocht Fiel zijn estamionet rond 1920 aan Camiel Deceuninck, die er een klompenmakerij in onder bracht. De oude naam bleef boven de deur hangen want naambekendheid was belangrijk, zeker bij overname van een goedbeklante zaak. Toen het café sloot, werd alles omgebouwd tot woonhuis. Zoon Gerard Deceuninck die postbode was, zal er met zijn echtgenote nog jarenlang blijven wonen. Ook hier werd burgemeester Flyps hartelijk verwelkomd door de bewoners. “Mochtet gij door blijde dagen Ons bestuur in handen dragen Vol van vrede, vrij van druk Voor uw heil en ons geluk” 21

22

Deel 11 ‘In de Kuiperij’ In het (doodlopende) straatje tegenover de Driekoningen, in het huidige Jachthuis, was de thuishaven van Louis Deberdt, tenminste … wanneer hij thuis was! We zijn in de jaren twintig. De herberg noemde toen “In de Leute”. De uitbater was eigenlijk veel beter gekend onder de naam Poule Bart. (foto onder) Zijn voorgangers, Remi en Jeroom Henderyckx, hielden reeds jaren terug de drankgelegenheid open. Poule Bart was een echte dorpsfiguur, cafébaas maar vooral jarenlang “bendebaas”. Met kermiszondag ging er in zijn estaminet steeds een grote wedstrijd door op de Russische biljart. Bij de inhuldiging van Leon Flyps las men boven zijn deur. “Ik ben de baas van ‘t plein Daarom sta ik op ‘t assein om te kijken boven alle liën Voor den nieuwen burgemeester te ziën.” In zijn herberg werd de liberale vakbond opgericht en de politieke mandatarissen van de partij hielden er hun kiesvergaderingen en zitdagen. Toen zijn echtgenote Lucie Bruloot in 1946 overleed, hertrouwde hij met Leonie Ghomme. Poule Bart steunde ook graag zijn collega’s-herbergiers. Dagelijks trok hij op herbergbezoek in Wulveringem. Hij wisselde het tijdelijke met het eeuwige in 1969, toen hij 81 jaar was geworden. 23

24

Deel 12 De meest bekende instelling in Wulveringem was de herberg ‘De Driekoningen’, stamcafé van vele verenigingen en tevens gemeentehuis. Er was een ‘wetkamer’ waar het schepencollege en de gemeenteraad vergaderden en huwelijken werden beslecht. In de 16de eeuw was er reeds sprake van de Driekoningen. In een kerkrekening van 1598 sprak men van “François Strael, waard van de Dryconinghen’. In hetzelfde jaar vond men in een kerkrekening nogmaals de naam terug: “De kerkfabriek van O.L.Vrouw Hemelvaart is schuldig aan de waard van de Dryconinghen de som van … parisis’. Het café was ook een echte afspanning! In 1840 staat een zekere Karel Wyckaert als uitbater vermeld. Toentertijd was de plaatselijke kruisbooggilde er gevestigd. Later werd er ook een toneelkring tijdelijk ondergebracht en de vroegere koster van Wulveringem, Henri Houck, was de regisseur. Talrijke huwelijksfeesten, lijkmaaltijden en vereningsfeestjes gingen hier de voorbije eeuwen door. Achter het café lag nog een perceel grond, waarop de uitbater tarwe, aardappelen, bonen, bieten, enz. kweekte. Zijn schuurtje diende als opslagplaats en dorsruimte. Verderop lag de molen Verfaillie, waar de tarwe werd gemalen. Het meel gebruikte men achteraf voor het bakken van brood in de eigen bakoven. Tijdens de eerste wereldoorlog barstte de herberg soms uit haar voegen door de hier talrijk aanwezige soldaten die in ‘t rond logeerden en hun soldij liever opgebruikten dan ermee op zak aan het front te sneuvelen. De toenmalige herbergier was Camiel Boonefaes. De laatste uitbater was het echtpaar Joseph en Maria Driesse-Vermeesch. Wanneer het café kwam leeg te staan, dreigde het een bouwval te worden. Toen grepen enkele idealisten in. In 1967 werd het ‘plukkefort’ complex afgekocht van de eigenaar, brouwer Silveer Bonte en kon de restauratie en verbouwing aanvangen. De opkopers, Robert Decarne, Bert Hendryckx, Walter Platevoet, Raymond Pylyser en Carol Vandoorne begonnen hier een nieuw avontuur. Ze wilden Wulveringem op de kaart zetten en de toeristische ontplooiing van Beauvoorde kon beginnen. Op 13 juli 1968 greep de officiële opening plaats van het hernieuwde ‘gemeentehuis’ met bovenzaal. Vanaf toen tot vandaag volgden talrijke manifestaties zich op. Heden is de Driekoningen uitgegroeid tot een schitterend Hotel Restaurant onder leiding van Xavier en Ria Dehouck-Fleurbaey, tevens ‘thuisplaats’ van de ‘Orde van Driekoningen’. >>> vervolg op volgende pagina >>> 25 anno 1900

Op 27 september 1830 werden de eerste twee Belgische regimenten lanciers genoemd. Het is dan ook niet te verwonderen dat weldra overal uithangborden verschenen onder de naam ‘De Lancier’. Georges Pyfferoen baatte recht tegenover de Driekoningen jarenlang ‘De Lancier’ uit. De ene helft was café, de andere kruidenierswinkel. Een klein portaaltje scheidde de twee delen. Toen Jeroom Wellecommen de herberg overnam, wijzigde hij meteen de naam. Voortaan dronk men zijn pintjes in ‘’t Oud Wulveringem’. In het café stond een biljart en een schuiftafel. Voor ‘spiekers en pupperokers’ stonden de ‘spuugbakken’ overal netjes in ‘t rond. Na de hoogmis en ‘s zondagsavond was er regelmatig worstenkermis en op maandag kandeel. De baas, die ook niet langs zijn pintjes keek, was zo dik dat hij zich nauwelijks achter zijn toog kon draaien. Hij stierf vóór zijn eenenzestigste. Zijn weduwe probeerde nog een hele tijd de zaak recht te houden. Later werd het café overgenomen door Willy Hoste en Rosette Deruyck. Ondertussen is het café vandaag opnieuw gewijzigd naar “Op goed geluk”. De naam “Lancier” was tijdens de Eerste Wereldoorlog eveneens zeer attractief voor militairen. De uitbater beleefde gouden dagen. Toen Burgemeester Flyps voorbijkwam ‘verwelkomde’ de weduwe ‘Wellecommen’ hem met de volgende tekst. “Heer Burgemeester, Welkom Hoort men roepen hier alom Konden wij U lange jaren Alhier als burgervader bewaren.” 26

27

Deel 13 Enkele huizen vóór het van Wilderodeplein lag de brouwerij van Victor Bonte. Ze bestond reeds in 1775. Toen sprak men van ‘d’Herberge ende brouwerie den Leeuw’. De toenmalige eigenaar was Louis de Bondt. Valère Morael was pachter. In 1850 baatte Charles Morael de brouwerij uit. Toen droeg de herberg de naam ‘In de gouden Leeuw’. De instelling bestond uit een woonhuis langs de straat met inrit. Daarachter lag een vierkant binnenplein en aan de zuidkant bevond zich de brouwerij. Foto rechts Dubbel pand vóór 1914, in 1927 verkocht aan Julien Ceulenaere. Foto onder Julien Ceulenaere verbouwde het dubbelpand. Woonhuis wijlen Paula (André) Huyghe-Ceulenaere Het pijltje wijst het woonhuis van weduwe Bonte aan, dat in 1940 door een oorlogsbom beschadigd werd. 28

Die Charles Morael was een speciale! Zo weigerde hij stelselmatig bier te schenken aan Fransen van over de Schreve. In 1871 werd het woonhuis en de brouwerij volledig herbouwd en uitgebreid naar het oosten. De doorgang naar de binnenkoer en de brouwerij lag waar tot voor kort de toegang tot de KBC is, dus rechts van de woning. Veertig jaar later, in 1911, moest men terug grote aanpassingswerken uitvoeren. Waar de doorgang rechts was, werd nu de mouterij ondergebracht en achteraan het binnenplein moderniseerde men de brouwerij met een machinekamer. Toen Victor Bonte eigenaar werd, konden we niet achterhalen. Wel weten we dat hij tijdens de Eerste Wereldoorlog gouden zaken deed met het laven van dorstige soldaten. Zijn moutverbruik steeg van 16 475 kg in 1913 naar meer dan 43 000 kg in 1916! Silvère-Victor volgde zijn overleden vader op. In 1927 verkocht de weduwe van Victor een dubbel pand met afhangen, gelegen in de Dorpsstraat, aan gemeenteontvanger Julien Ceulenaere. (zie foto vorige pagina) Na de zware beschadiging tijdens de meidagen van 1940 liet Julien deze twee panden ombouwen tot één pand met garage in art-decostijl. In 1967-’68 werd dit pand nog uitgebreid. Ook het gebouw rechts, eveneens zwaar beschadigd, werd later tot een nieuwe woning omgebouwd. Aan de lengte van de voorgevels van het huidige huis van Paula tot en met de voormalige KBC-Bank kan men vandaag nog inschatten hoe belangrijk de brouwerij geweest moet zijn. Beide foto’s op de volgende pagina geven een beeld van de achterkant van de brouwerij van toen. 29

Foto boven Rechts deel van de achterzijde van het woonhuis van mevr. Bonte Links merk je de toegangspoort naar de brouwerij. Kasseien! Hier kwamen paard en kar binnen. Links: de mouterij? Grote zolder? Foto onder Rechts, waar de ladder staat, was de paardenstal. Centraal, de reeds afgebroken machinekamer. Schouw van de brouwerij. 30

Deel 14 Op het van Wilderodeplein, tegenover de pomp, hangt nog steeds het uithangbord ‘In de keizer’. Het was de thuishaven van herbergier-bierbrouwer Louis Dendecker. Zijn opvolger, Georges Degroote was de schoonbroer van Omer Derickx uit Bulskamp die hier de brouwersstiel kwam leren. Toen Derickx de knepen van het vak kende, vertrok hij in 1921 naar Alveringem waar hij de brouwerij en het mouthuis ‘De Snoeck’ kocht. Zoals zijn concurrent V. Bonte, deed ook Georges Degroote gouden zaken in ‘14-’18. Waar hij vóór de oorlog een omzet had van 12 500 kg mout, steeg dit tijdens de oorlogsjaren gestaag: in ‘14 ongeveer 13 9800 kg, 33 500 kg in ‘15. In 1916 bereikte die omzet 37 000 kg. Na de oorlog liet Georges Degroote in 1920 zijn brouwerij over aan de gebroeders Gesquière. Kort vóór 1935 nam Henri Temperville via zijn vrouw, verwant met de Gesquières, hier het heft in hand en. Echter werd er voortaan niet meer gebrouwen, maar nog alleen bier uitgevoerd. Mevr. Tempervillez zal na het overlijden van haar man nog een tijdje de zaak verder zetten. Vandaag is het geheel gerestaureerd tot een aantrekkelijke dorpswoning. Op de foto het echtpaar Henri en Marie-Godelieve Temperville—Gesquière 31

Aanleunend tegen ‘de keizer’ treffen we ‘de Meiboom’ aan. Hier zwaaide Robert Cosamn de scepter. Zijn weduwe Maria Debruyne hield na zijn overlijden het café nog een tijdje open. De drankgelegenheid was zond 1900 eigendom van brouwer Degroote. In de Dorpsstraat paalde de herberg aan de beenhouwerij van Remi Hennon (vandaag naast het afgebrande huis, dat ondertussen opnieuw is opgebouwd). 32

Ooit was “De Meiboom” naast herberg ook een beenhouwerij. In 1881 lezen we “De Meiboom, een beenhouwerij langs één kant en herberg aan de andere …” en in een ander document: “Herberg-beenhouwerij genaamd van ouds ‘den Meiboom’, gestaan en gelegen te Wulveringem - dorpplaats”. Wanneer Leon Flyps op 25 oktober 1936 werd ingehaald, verwelkomde onze cafébaas de gevierde met volgende tekst boven zijn deur. “Vandaag is Wulveringem in feest. Elk sierde en pintte om ‘t meest. Om U, ons Burgemeester te vieren. Mocht gij ons jaren bestieren.” 33

Deel 15 De ‘Estaminet de Krone’zat als ‘t ware gewrongen tussen hoogbouw, enerzijds een burgerhuis en anderzijds ‘’t Hof van Commerce’. Na de hoogmis konden de kerkgangers hier het zondagssermoen doorspoelen. In 1865 hield Peter Gyselen de herberg open. Regelmatig hield men in die tijd ringstekingen in Wulveringem en de inschrijvingen gebeurden steeds in ‘de Krone’. Later werd Ismaël Marijn uitbater. Naast zijn café bedreef hij ook de kolenhandel. Het is opvallend hoeveel herbergiers kolen verkochten. Op zekere dag was z’n vrouw verdwenen met iemand van het ‘Meulenhoekje’. Ismaël was in alle staten. Wonder boven wonder: na zes weken was de liefde over en stond zij weer aan de voordeur. Ismaël stelde Burgemeester Flyps onmiddellijk gerust bij zijn aanstelling. Hij zou zeker geen wintervoeten krijgen, want … “Wij wenschen hem een lang bestieren En zullen hen met veel plezier Kolen bezorgen voor een goë vier.” 34

Het gebouw dat eigendom was van burgemeester Sampers werd later gekocht door het pannenkoekenbedrijf van Emmanuel en Maggy Pauwelyn—Duquesne. Is het café vandaag verdwenen, de huidige voorgevel mag gezien worden. Greta Huyghe met haar fiets. Dochter van wijlen André en Paula Ceulenaere. 35

Deel 16 “’t Hof van Commerce” was een echte afspanning waar bezoekers of reizeigers hun paard konden uitspannen. Het café hield lang stand en het gebouw is tot vandaag authentiek bewaard gebleven. Vóór de eerste wereldoorlog dreef de toenmalige uitbater Depreyter, naast zijn biertap, ook handel in konijnen. Toen Depreyter later uitweek naar Diksmuide om er de “Gouden Leeuw” over te nemen, werden de bijgebouwen verhuurd aan Jules Dewitte. Een deel van de herberg, waar vandaag de keuken is, werd door Dewitte ingericht als ijzerwinkel. Daartoe moest er een dubbele ingang gemaakt worden. Naast zijn winkel was Jules ook nog veehandelaar en ‘kolenmarchand’. Kolen waren vroeger immers het verwarmingsmiddel bij uitstek. Camiel Cappelaere, die pachter was van de grond van het kasteel, nam rond 1923 het café over. Zoon Roger was de laatste die in “’t Hof van Commerce” de klanten bediende, maar dan zijn we reeds midden twintigste eeuw. In 1893 stichtte men hier de toneelgilde “De ware kunstminnaars”. Meester Petrus Ameeu regisseerde. Op de voute gingen zowel de repetities als de optredens door. Terwijl meester Ameeu het spektakel op de piano begeleidde, konden de aanwezigen - soms meer dan 150 - genieten van het optreden. Om zich om te kleden, verdwenen de spelers achter de scène in de kelder waar men ook nog vlug een borreltje kon verwerken. Eén van de meest succesvolle drama’s die werden opgevoerd was “Lodewijk van Evers” in drie bedrijven. Er waren drie opvoeringen: op 2de kerstdag, de zondag na Kerstmis en op Driekoningen. De toegangsprijs bedroeg 50 of 30 centiem, naargelang de plaats. Bekende spelers uit die tijd waren o.a. Tuur Houck, Petrus Ryssen, Isidoor Rousseeuw, Alidoor Simons, Staf Bolle, Henri Hoste, Remi Verfaillie, Aloïs Loncke en Camiel Eloy. Omwille van de ‘zedigheid’ waren het uiteraard enkel mannen! Na elk optreden telde men de centen en werden verdeeld onder de spelers. Daarna zorgde het ‘Hof van Commerce’ dat er goed gegeten en gedronken kon worden. Enkele ‘druppels’ dienden achteraf als digestief. … uit de verslagen kan men niet afleiden hoe iedereen in de vroege uurtjes thuis geraakte ... an36

Op zondag 15 november 1909 werd om 4 uur “ter herberg ‘hetHof van Commerce’ bij Julius Dewitte op de dorpsplaats de ‘Maatschappij van onderlinge Bijstand’ voor de verzekering tegen de sterfte der geiten onder de kenspreuk ‘Steun en Eendracht’ opgericht”. Toentertijd werden veel geiten gekweekt. In Wulveringem werden 33 herbergiers lid! Aan de herberg was ook een feestzaal verbonden. Regelmatig werden er tijdens de eerste wereldoorlog maaltijden opgediend aan hooggeplaatste militairen na belangrijke begrafenissen in de kerk. ‘t Hof van Commerce was eigendom van het kasteel en dus ook een favoriete plaats van ridder Merghelynck, zijn klerk en notaris Vermast. Ook Léon Flyps trof men er later regelmatig aan. Toen L. Flyps burgemeester werd, hing het café een lang vers uit voor de eigenaar. “Kamiel, sinds lang uw pachter En blijft ook niet ten achter Hij wenscht zijn burgemeester echt Veel jaren wijs bestuur oprecht En hoopt vol moed dat heere mijn Met Bâmis niet zal lastig zijn.” 37

38

Deel 17 “De Kasteeldreve” Vijftig meter voorbij het kasteel lag “De Kasteeldreve”. Evarist Prinsier had hier ooit de dorstigen gelaafd. Toen hij zijn tapkraan liet voor wat het was, volgde August Louwagie hem op. Zoals iedereen wilde hij ook zijn nieuwe burgemeester groeten in de hoop wellicht af en toe een karweitje te krijgen. (zie kader) De laatste uitbater was Hector Vermeulen. Hector deed zijn legerdienst in Oostende. En zoals alle soldaten ging hij ook graag uit. Zo leerde hij er zijn vrouw kennen en ze trouwden en namen hun intrek in de ‘Kasteeldreve’. Hector kwam aan de kost als metser, maar zo te zien werd er nooit veel gemetst in de Kasteeldreve. Het zeer mooie en landelijke estamineetje bleef jarenlang verwaarloosd en op instorten na bewaard. Gelukkig werd het door de nieuwe eigenaars onlangs prachtig herbouwd. “Het is ‘t gebruik in deze tijd Dat ieder zorgt voor zijn profijt Daarom zal ik mij niet generen Mij voor uw werk te presenteren” 39

Tegenover ‘De Kasteeldreve’ runde Gilbert Cappelaere “Het Gildenhof”, later uitgebreid met een bakkerij. Vermoedelijk 1889. Bij de feeststoet van Leon Flyps maakte de bakker onbedekte reclame voor zijn zaak: “De bakkerij, de Zonnebloem, wenscht U, Burgemeester, heil en roem”. Cissen Cappelaere, de vader van Roger, gebruikte een weide van het kasteel, juist achter ‘Het Gildenhof’ gelegen. Midden een prachtige kroon van bomen stond daar een gaaipers. De pers is ondertusszen lang verdwenen en de bomengordel werd volledig verknoeid. De handboogschuttersfilde ‘Beauvoorde’ hield lokaal in ‘het Gildenhof’. Ze werd gepatroneerd door mevr. Merghelynck. Het doel van de gilde, die op 21 januari 1920 werd gesticht, was ‘de oefening van het schieten met de handboog aan de pers’. Mevrouw Merghelynck was de eerste erevoorzitter. De pers stond immers op haar grond. Om deze staande pers te kunnen oprichten had men bij de bewoners een geldinzameling gehouden. Met de kermis in mei was er ieder jaar een kermisschieting en in de maanden augustus en september werden tornooien gehouden met bevriende gilden. Tijdens de oorlog lag de activiteit stil, maar in 1951 startte men opnieuw. Er werd een nieuw bestuur gekozen. Het was echter niet meer zoals vroeger! Het aantal leden verminderde, ouderen vielen weg en er kwam geen nieuw bloed bij. Uiteindelijk werd de gilde met spijt in het hart in 1962 ontbonden. 40

41

Deel 18 “De Vlaemsche Leeuw” Een stevige concurrent van ‘het Vlaams Hoofd’ was de herberg “De Vlaemsche Leeuw”, gelegen in de huidige Wulveringemstraat. De domeinen paalden achteraan aan elkander. De herberg die reeds bestond in de 19de eeuw (zie foto) was alles wat overbleef van een vroegere brouwerij. Emiel Anseel verdiende er de kost als timmerman, terwijl Gusta, zijn wederhelft, de klanten bediende. Toen de toneelgilde in ‘t Hof van Commerce haar activiteiten stopte, richtten enkele jkongeren een eigen toneelgroep op. Ze vonden een onderkomen in “De Vlaemsche Leeuw” bij Miel en Gusta Anseel. Beter konden ze het niet treffen, want Miel was zelf een begaafd muzikant en Gusta moest niet onderdoen. In weinig tijd had men een orkestje gevormd. Miel speelde trombone, Cyriel Anseel accordeon, Gerard Persyn viool en Herman Persyn batterie. Achteraan in het ruime atelier timmerde men een podium waarop theater en cabaret werden opgevoerd. Het orkest zorgde voor de omlijsting en vulde de pauzes. anno 42

Het succes was enorm … vooral voor het café! Gusta wist niet waar eerst springen. De toneelspelers waren Julien Meersseman, Gerard Persyn, Gerard Bruloot, Jozef Boudeweel en Cyriel Anseel. Met de installatie van burgemeester Flyps vierde men hier stevig mee! (zie kader) Toen de uitbaters na de tweede wereldoorlog overleden, werd het café nog een tijdje opengehouden door R. Boone. Er was echter te veel veranderd en weldra moest ook deze drankgelegenheid sluiten. Onlangs werd alles omgebouwd tot een moderne woning. (zie foto). “Geheel het dorp is nu in feest Allen dansen, springen om ter meest Men moet zich amuseren ‘t Is onze Burgervader installeren”

Deel 19 “het Molenhuis” We wandelen nu naar het Zwaantje, een van de mooiste, landelijke hoekjes in Veurne-Ambacht. In 1824 werd de Colme– of Bergenvaart herdolven, zodat grote akers opnieuw hun weg vonden naar en van Bergues (F). Vooral kalkschepen, maar ook schepen met kolen en kasseien deden het gehucht aan en hielpen samen met de vele vissers de ’commerce’ draaien en de herbergen floreren. Onze tocht begint bij de molen uit 1800. In 1834 behoorde hij toe aan Ludovicus Baelden uit Houtem. Kort bij de molen stond de herberg “het molenhuis”, in 1892 uitgebaat door Louis Demeersseman. Nadat Jerôme Decadt de molen had gekocht van een zekere Blaevoet, sprak iedereen weldra van ‘Cadts molen’. Later werd Decadt ook uitbater van ‘het molenhuis’. Terwijl Jerôme zijn graantjes maalde, vulde en spoelde Lucie de glazen in ‘t café. In de gevel ziet men nog steeds de nis waarin vroeger een St.-Antonius stond of … was het St.-Victor, patroon van de molenaars? De laatste uitbater van ‘het molenhuyis’ was misschien K. Baelen (?). In 1901 verkocht de laatste moleneigenaar zijn molen. Op 21 november 1913 brandde hij af. >>>>>>>>>> 44

“De Koorn-bloeme” In een ver verleden, toen klaprozen en korenbloemen nog onze tarwevelden kleurden, ontstond de herberg “De Koorn-bloeme”. We noteerden vóór 1840. In die tijd stond ene Durieu achter de tapkast. Vele jaren later hield Gerard Persyn, de kozijn van Jules Persyn hier de touwtjes in handen. Wanneer Gerard stierf, zal zijn weduwe Hortense Witte, samen met zoon Henri de bloeiende zaak een tijdlang verderzetten. Marcel Clarysse maakt later de doodstrijd van het etablissement mee, toen de regelgeving en de concurrentie vele herbergen deed verdwijnen. Op 12 juni 1988 zal ‘de Koornbloem’ nog éénmaal heropenen. Dans, volksspellen en accordeonmuziek riepen toen heel even veel nostalgische herinneringen op. anno 1900 gedachtenis van Henri Persyn op volgende pagina >>>>> 45

46

Deel 20 “Estaminet de Smidse” Enkele huizen verder hield paardensmid Albin Devos zijn “Estaminet de Smidse” open. Het was een volkse café die heel wat landbouwers over de vloer kreeg. Nog voor de eerste wereldoorlog nam Cyriel Verpoorte, die uit het dorp kwam, de zaak over. Hij herbouwde het huis in 1913. Terwijl Eugenie achter de toog stond, smeedde Cyriel achter het huis tot hij er zelf dorst van kreeg. Het café hield het echter slechts drie jaar uit (van 1913 tot 1916). Bij het begin van de eerste wereldoorlog werd het café druk bezocht door soldaten. Toen er echter problemen ontstonden en alles uit de hand liep, werd de toegang door de militaire overheid verboden. Zekere dag zagen soldaten iemand het café binnensluipen. Ze dachten dat het een soldaat was en losten enkele schoten. Voor Cyriel was het genoeg. Hij sloot zijn herberg voor goed. Regelmatig kwam de koning hier te paard voorbij toen hij op weg was naar Houtem. Zijn vaste begeleider was Miel Persyn uit Izenberge. Hij woonde in Brussel en vergezelde de koning per fiets. Telkens hij voorbij de smidse kwam, zette hij vlug zijn fiets tegen de muur, zogezegd om nicht Martha te groeten, maar eigenlijk … voor het pintje! Cyriel Verpoorte die tijdens de oorlog hier de enige smid was, werd door het leger opgeëist om de legerpaarden te beslaan. Daardoor kon hij geen legerdienst doen, wat bij sommigen wel wat jaloersheid opriep. Zekere dag kreeg Cyriel tijdens het smeden een gesprongen appendix. Hij werd in allerijl naar de Océan gevoerd in De Panne waar hij geopereerd werd en voldoende rust kreeg om te herstellen. Regelmatig kreeg hij bezoek van de koningin. De oudste bewoonster van de familie Verpoorte was Martha, die op 22 mei ‘17 - in haar 107de levensjaar - overleed. “Estaminet De Smidse” langs de vaart. Foto boven: bemerk de breedte van de Colme, einde 1800. Foto links: rond 1900 47 >>>>>>>>>>

“Estaminiet De Smidse”, gebouwd in 1913 anno 48

Deel 21 “In de Snoeck” De snoek, koning van de riviervissen. Wanneer je dan je herberg zo’n naam geeft, dan hengel je duidelijk naar de gunst van de vissers die voor je deur komen hengelen. Dis (= Désiré) Suber was in 1867 de uitbater van dé herberg “In de Snoeck”. Na zijn overlijden nam zijn weduwe Mathilde Folley het heft in handen. Ze zwaaide hier nog jaren de scepter. Aan het gebouw te zien, was het een handelspand. En inderdaad, Suber was marchand en marktkramer. Hij had dus veel plaats nodig, want hier kan ook voor meer terecht dan alleen maar drank. Zijn domein strekte zich voor een grote lengte uit langs de Colme. “In de Snoeck” was het toevluchtsoord van tientallen vissers die tijdens de zomer de Bulskampvaart onveilig maakten. In 1900 geeft Mathilde haar tapkast door aan zoon Edmond Suber en na de eerste wereldoorlog begon Kamiel Syber in de afhankelijkheden met een bloeiende kolenhandel. Diens vrouw, Louise Durieu, baatte ondertussen naast het café een winkel en bakkerij uit. Toen de zaak stopte, werden alle gebouwen overgenomen door een aannemer die de bijgebouwen bezigde als opslagplaats voor zijn planken, stellingen en andere bouwmaterialen. “In de Snoeck” met op de volgende pagina een recente foto. 50 >>>>>>>>>>

recente foto van “In de Snoeck” Het kleine cafeetje “In de Mande” lijkt uit een sprookje te komen. Het was vroeger de thuishaven van Pieter Kerkhove. Hij werd opgevolgd door Francis en Liza. Francis was ook mandenbreier. Cyssen Kerkhove speelde accordeon. De familie had vier kinders: drie dochters, Roze, Vera en Liza en zoon Pierre. Het spreekt voor zich dat er “In de Mande” regelmatig veel ambiance was. Later bediende Hiëronymus Dedullen en Laurentina Alderweireldt hier bijna twintig jaar zijn klanten. Vanaf de jaren twintig tot in de veertiger jaren liet hij maar al te graag zijn bierkraan stromen. De liters gerstennat die hier door de kelen vloeiden, waren onevenredig met de grootte van zijn ‘doeninge’. Het cafeetje dat reeds lang vóór 1900 bestond, ontleende zijn naam aan het hoofdberoep - mandenmaker - van de vroegere uitbater. 51

Deel 22 In een vandaag moeilijk aanwijsbaar klein, witgekalkt huisje, woonde de familie Cornelis. Zoals op het raam gekalkt stond, waren we hier “Bij Alouis Cornelis, barbier, kleermaker en herbergier” Pette Blaevoet vertelde: “Alouis gynk roend om te schèren no d’offsteên. Je betaalde è soe vo je te schèren.” Kort na de eerste wereldoorlog liet ‘Wiesten’ Cornelis zijn staminee over aan Julien Criel. Deze veranderde een beetje het ‘enseigne’ of beter de gekalkte letters op het raam. Voortaan lazen de voorbijgangers: “Bij Julien Criel, herbergier”. 52 >>>>>>>>>>

De buurman van Julien Criel was vele jaren terug waarschijnlijk een vogelliefhebber. Hij keek van uit zijn woning neer op het toen nog onbezoedelde water van de Colme waarop de zwanen zich sierlijk ongestoord konden voortbewegen en gaf zijn café de voor de hand liggende naam “De drie Zwanen”. Diverse uitbaters volgden elkaar op. Een bekende herbergier was Henri Booghs die als foorkramer het land afschuimde, terwijl zijn vrouw zorgde voor de tap. In 1855 stond het café te huur: “Huis ten dienste van herberg, genaamd ‘De drie Zwanen’ gelegen op het gehugte het Zwaantje”. Wellicht gaf het café ooit zijn naam aan de wijk! Coopman die de laatste uitbater was, verliet het Zwaantje begin de tachtiger jaren. De voorganger van Coopman was Fiel Blaevoet. Deze verliet het café “die veel te groot was vo begunneling die nog nie vele èn add’n”. * Het café bestond reeds vóór 1822. In 1827 bekwam Jacobus Franciscus Beele de autorisatie “om in de oude herberg genaamd de Drie Zwanen … te mogen uitoefenen het bedrijf van tapper in wijn, binnen en buitenlandsche gedisteleerd en Bier”. Verder staat gestipuleerd: “… mits zich conformerende aan de wetsbepalingen op het stuyk; zullende deze autorisatie worden ingetrokken bij de eerste ontdekking van misbruik der zelve”. Op 2 mei 1828 was Fernandus Zoete tapper “in de herberge de Drie Zwanen op het gehugt het Zweentien, lest gebruikt door Jacobus Fransiscus Beele”. Ene Morael (brouwer?) uit Bulskamp was eigenaar van de ‘Drie Zwanen’. Regelmatig vinden we rekeningen terug van leveringen bier en betalingen aan sieur Morael. (zie volgende twee pagina’s) (*) Pette Blaevoet 53

54

55

Deel 23 Zoals vele café-uitbaters dreef Noël David ook een kolenhandel en verkocht er bouwmaterialen. Zijn vrouwtje hield zich ondertussen onledig met hun staminee “De Brikkerij” Het was de laatste herberg in de rij aan de waterkant. Herinnert de naam aan een brikkerij die hier ergens bestond in vervlogen tijden? Werden hier over het water ook nog brikken aangevoerd? Lag hier ooit een brikkerij? Het is moeilijk te achterhalen. De bijna voorhistorische herberg werd in 1865 bewoond en uitgebaat door Sieur Simons: “gehugte het Zwaantje, ter herberg Brikerij, bewoond door Sieur Simons”. 56 >>>>>>>>>>

Maar keren we terug naar Miel David. Hij werd later opgevolgd door zijn schoonzoon Gilbert Lepez en Alice David die in de herberg een kruidenierswinkel onderbrachten. 57

58

Deel 24 Bij het verlaten van het gehucht ‘t Zwaantje, juist voorbij de bocht naar Wulveringem-dorp lag het cafeetje “Zonder Naam” van Fiel Blaevoet. Het leunde aan tegen de koer van ‘de Brikkerij’. Fiel heette eigenlijk Hippoliet maar iedereen zei “Theophiel”. Hij was gehuwd met Gentilie Vandenberghe, gekend als “Gentellie”! Fiel werkte bij de boeren en deed ook een beetje ‘kolencommerce’. Gentellie bestelde ondertussen de pintjes. Het gezin telde zeven kinderen, vijf jongens en twee meisjes waarvan de meest bekende Kamiel was, later bekend als “Pette Blaevoet”. … wordt vervolgd ... 59

1 Online Touch

Index

  1. 1
  2. 2
  3. 3
  4. 4
  5. 5
  6. 6
  7. 7
  8. 8
  9. 9
  10. 10
  11. 11
  12. 12
  13. 13
  14. 14
  15. 15
  16. 16
  17. 17
  18. 18
  19. 19
  20. 20
  21. 21
  22. 22
  23. 23
  24. 24
  25. 25
  26. 26
  27. 27
  28. 28
  29. 29
  30. 30
  31. 31
  32. 32
  33. 33
  34. 34
  35. 35
  36. 36
  37. 37
  38. 38
  39. 39
  40. 40
  41. 41
  42. 42
  43. 43
  44. 44
  45. 45
  46. 46
  47. 47
  48. 48
  49. 49
  50. 50
  51. 51
  52. 52
  53. 53
  54. 54
  55. 55
  56. 56
  57. 57
  58. 58
Home


You need flash player to view this online publication