0

Ongekende Hoogte De Efeze-brief vers voor vers besproken André Piet

Colofon Titel: Ongekende Hoogte De Efeze-brief, vers voor vers besproken © 2021 André Piet, goedbericht.nl Eerste druk: Mei 2021 Uitgever: Stichting GoedBericht, Rijnsburg Alle rechten voorbehouden Samenstelling & vormgeving: Evangelie Om Niet ISBN 978 94 6266 486 9 NUR 707

INHOUD VOORWOORD 13 EFEZE 1 1:1 – afgevaardigde door Góds wil 17 1:1 – aan de heiligen 18 1:2 – genade en vrede! 19 1:2 – God, onze Vader 20 1:3 – elke geestelijke zegen 21 1:3 – te midden van de hemelsen 22 1:4 – uitverkiezing 23 1:4 – vóór de nederwerping der wereld 24 1:4 – uitverkiezing in liefde 25 1:5 – zoonstelling 26 1:6 – tot lof van de heerlijkheid van Zijn genade 27 1:6 – begenadigd in de geliefde 28 1:7 – vrijkoping 29 1:7 – naar de rijkdom van Zijn genade 30 1:8 – doet overvloeien in ons 31 1:8 – in alle wijsheid en verstandigheid 32 1:9 – het geheim van Zijn wil 33 1:10 – de volheid van de tijdperken 34 1:10,11 – het al 35 1:11 – ook ons lotsdeel 36 1:11 – de raad van Zijn wil 37 1:12 – een eerdere verwachting 38 1:13 – het Goede Bericht van jullie redding 39 5

1:14 – ons lotbezit 40 1:15,16 – dankbare gebeden 41 1:17 – geest van wijsheid en onthulling 42 1:17 – in besef van Hem 43 1:18 – verlichte ogen 44 1:19,20 – overtreffend groot! 45 1:20 – opgewekt en opgestaan 46 1:20 – uit de doden 47 1:20 – rechts gezeten 48 1:21 – boven alle overheid en macht 49 1:22 – alles onder zijn voeten 50 1:22 – gegeven aan de ekklesia 51 1:23 – de ekklesia die Christus aanvult 52 1:23 – alles in allen 53 EFEZE 2 2:1 – als doden ten opzichte van de zonden 57 2:2 – de aeon van deze wereld 58 2:2 – hoe schoon is de lucht? 59 2:3 – ook wij allen 60 2:4 – rijk in ontferming 61 2:5 – doden en toch levend 62 2:6 – duizelingwekkende hoogte! 63 2:7 – de komende aeonen 64 2:8 – in genade, dóór geloof 65 2:8,9 – opdat niemand roeme 66 2:10 – wandelen in goede werken 67 2:11,12 – voorhuid genoemd 68 6

2:11 – de zogenaamde ‘besnijdenis’ 69 2:11,12 – naar het vlees buitenstaanders 70 2:12 – vervreemd van Israël 71 2:12 – zonder God in de wereld 72 2:13 – “in Christus Jezus” 73 2:13 – het bloed van Christus 74 2:14 – hij is onze vrede 75 2:14,15 – de vijandschap in zijn vlees 76 2:15 – de wet van de voorschriften 77 2:15 – officiële besluiten 78 2:15,16 – vrede en verzoening 79 2:17 – Christus evangeliseert 80 2:18 – toegang tot de Vader 81 2:19 – medeburgers en huisgenoten 82 2:20 – het fundament van de apostelen en profeten 83 2:20 – de uiterste hoeksteen 84 2:20,21 – verbinding in hem 85 2:21,22 – woonplaats van God in geest 86 EFEZE 3 3:1 – gevangene van Christus Jezus 89 3:1,2 – breaking! 90 3:2 – het beheer van Gods genade 91 3:2,3 – het geheim aan Paulus onthuld 92 3:4 – het geheim van de Christus 93 3:5 – het geheim onthuld 94 3:6 – mede-lotbezitters 95 3:6 – mede-leden 96 7

3:7 – door het Goede Bericht 97 3:8 – aan mij, de allergeringste 98 3:8 – evangeliseren 99 3:8 – de onnaspeurlijke rijkdom van Christus 100 3:8,9 – het beheer van het geheim 101 3:10 – wat de ekklesia nu mag doen 102 3:11 – de veelkleurige wijsheid van God 103 3:11 – het voornemen der aeonen 104 3:12 – door zijn geloof 105 3:13 – moedeloos?!? 106 3:14 – gebogen knieën 107 3:15 – vaderschap 108 3:16 – naar de rijkdom van Zijn heerlijkheid 109 3:17 – geworteld en gefundeerd 110 3:18 – in staat zijn te vatten … 111 3:18 – breedte, lengte, hoogte en diepte 112 3:19 – de liefde van Christus 113 3:19 – vervuld tot in al de volheid van God 114 3:20 – superlatieven 115 3:21 – de aeon der aeonen 116 3:21 – alles overtreffend! 117 EFEZE 4 4:1 – een waardige wandel! 121 4:2 – nederigheid en bescheidenheid 122 4:3 – de eenheid van de geest 123 4:4 – één lichaam, één geest, één hoop 124 4:5 – één Heer, één geloof … 125 8

4:5 – één doop 126 4:6 – één God 127 4:6 – één God en Vader 128 4:7 – eenheid en verscheidenheid 129 4:8 – een dubbelzinnig citaat uit de Psalmen 130 4:9 – de lagere delen van de aarde 131 4:10 – het al tot volheid brengen 132 4:11 – het fundament is gelegd 133 4:12 – de toebereiding van de heiligen 134 4:13 – de eenheid van het geloof 135 4:13 – het besef van de Zoon van God 136 4:13 – een volwassen man 137 4:14 – geen onmondigen meer 138 4:14 – de methodiek van de dwaling 139 4:14,15 – waarheid in liefde 140 4:16 – contact van voorziening 141 4:17 – zinloosheid van denken 142 4:17,18 – verduisterd en onwetend 143 4:19 – afgestompt 144 4:20 – het grote verschil! 145 4:21 – jullie hoorden hém … 146 4:22 – paasbest! 147 4:23 – verjongd worden 148 4:23,24 – de nieuwe mens aantrekken 149 4:25 – waarheid versus leugen 150 4:26,27 – boos, maar hoe? 151 4:28 – stelen of delen? 152 4:29 – woord dat verschil maakt 153 4:30 – de heilige geest bedroeven? 154 9

4:31,32 – bitter of beter? 155 4:32 – charizomai 156 EFEZE 5 5:1 – navolgers van God 159 5:1,2 – wandelt in de liefde 160 5:2 – offergave en slachtoffer 161 5:3 – zoals het heiligen betaamt 162 5:4 – veeleer dankzegging 163 5:5 – lotbezit in het Koninkrijk 164 5:6,7 – misleidende lege woorden 165 5:8 – kinderen van licht 166 5:9 – de vrucht van het licht 167 5:9,10 – toetsen wat de Heer welgevallig is 168 5:11 – de leugen ontmaskeren 169 5:12,13 – al wat openbaar maakt is licht 170 5:14 – goede morgen! 171 5:15,16 – wandelen als wijzen 172 5:17 – begrijpen wat de Heer wil 173 5:18 – geestrijk! 174 5:18,19 – de tongen los 175 5:20 – danken over alles 176 5:20 – dóór de Zoon, tot God, de Vader 177 5:21 – onderschikking 178 5:22 – onderschikken als aan de Heer 179 5:23 – hoofd van de vrouw zoals … 180 5:24 – de ekklesia ondergeschikt aan Christus 181 5:25 – mannen, heb je vrouw lief 182 10

5:26 – reinigend in het waterbad 183 5:26,27 – glorieus en stralend 184 5:28 – liefhebben als hun eigen lichaam 185 5:29,30 – niemand haat zijn eigen vlees 186 5:31 – tot één vlees zijn 187 5:32 – dit geheim is groot! 188 5:32 – met het oog op Christus en de ekklesia 189 5:33 – ontzagwekkende liefde 190 EFEZE 6 6:1 – gehoorzaamt jullie ouders 193 6:2,3 – veelbelovend! 194 6:4 – opvoeden 195 6:4 – discipline en attenderen 196 6:5 – in eenvoud van hart 197 6:6,7 – met goed humeur! 198 6:7,8 – waardering die echt telt 199 6:9 – hun en jullie Heer 200 6:10 – wordt bekrachtigd in de Heer 201 6:11 – standhouden 202 6:11 – de wapenrusting van God 203 6:11,12 – geen conflict tegen bloed en vlees 204 6:12 – kosmokraten van de duisternis 205 6:13 – oorlogstijd 206 6:14 – omgord in waarheid 207 6:14 – borstharnas van rechtvaardigheid 208 6:15 – de voeten geschoeid 209 6:16 – het schild van het geloof 210 11

6:17 – de helm van de redding 211 6:17 – het zwaard van de geest 212 6:18 – nr. 7 in de wapenrusting 213 6:19 – het openen van de mond 214 6:20 – ambassadeur in een keten 215 6:20 – bindend om te spreken 216 6:21,22 – geluk! 217 6:23,24 – onze Heer … in onvergankelijkheid 218 Bijbelteksten: werkvertaling op basis van Interlinear Scripture Analyzer (scripture4all.org) 12

VOORWOORD Halverwege 2016 begon ik op de website goedbericht.nl een rubriek ‘dagboek’. Met als opzet om in zo’n tweehonderd woorden, kort en krachtig uitleg te geven van een bijbelvers. Elke dag, zonder uitzondering, een nieuwe bijdrage. Na zo’n anderhalf jaar wilde ik wat meer structuur in deze bijdragen aanbrengen en daarom begon ik in januari 2017 met het vers voor vers bespreken van de Efeze-brief. Na de voltooiing daarvan, ging ik verder met het bespreken van Paulus’ eerste Korinthe-brief en momenteel is de bespreking van de Romeinen-brief aan de beurt … Geen tekstkeuze In essentie is deze dagelijkse rubriek bedoeld als een korte bijbeluitleg. Simpel en positief. Wat staat er precies geschreven en wat betekent het? Maar dit dagboek is zeker geen peptalk zonder meer. Van veel christelijke dagboeken is dat wel de opzet, wat ik niet bedoel als afkeuring, maar als vaststelling. Alleen bijbelteksten die zich lenen om de lezer te bemoedigen, kiest men uit ter overdenking. Maar in het dagboek op goedbericht.nl, kies ik geen bijbelteksten; ze komen onwillekeurig en onverbiddelijk langs. Niet alleen zoet Ik heb gemerkt dat sommigen moeite hebben met deze opzet. Zij vinden dat ik elke dag een mooie tekst zou moeten uitkiezen en etaleren. Hoe begrijpelijk ik dit verlangen ook vind, het is niet mijn criterium. Want ik wil heel de Schrift laten spreken en niet alleen die teksten die in mijn kraam te 13

pas komen. Soms komen teksten voorbij die op zichzelf genomen hard en confronterend zijn. Of bijbelwoorden die moeilijk liggen en niet populair zijn. Moet ik deze skippen omdat ze ongemakkelijk zijn? Ik vind dat oneerlijk omdat ik daarmee de Schrift geen recht doe. Al de Schrift is ons immers gegeven tot opbouw, 2Tim.3:16 inclusief de lastige en pijnlijke teksten. Wie alleen de zoete, hapklare en licht verteerbare bijbelwoorden tot zich neemt, consumeert eenzijdig en ongebalanceerd. Oftewel ongezond. Vandaar deze opzet. Zo leren we heel de Schrift verstaan en worden we daarin sterk en opgebouwd. De ene keer vooral aangemoedigd en een andere keer vooral gecorrigeerd. En vaak ook zowel het een als het ander. Maar altijd om vanuit de Schriften onderwezen te worden. Zó is de Schrift tot ons gekomen en zó wil ik het ook doorgeven. In boekvorm Ik ben heel dankbaar dat Inge van Wijnen (evangelieomniet.nl) de dagboekstukjes heeft verzameld en de samenstelling van ‘Ongekende Hoogte’ op zich heeft genomen. Het is de bedoeling om meer geschreven materiaal van goedbericht.nl in boekvorm te gaan uitgeven. Centraal in dit alles staat de liefde vanuit en voor Gods onvergankelijk Woord, en om de rijkdom daarvan maximaal uit te stallen. Als dat oogmerk in dit feilbare mensenwerk gediend wordt, dan twijfel ik niet aan de rijke zegen die daarvan zal uitgaan. -André Pietgoedbericht.nl 14

Ongekende Hoogte EFEZE 1 15

16

Efeze 1:1 – afgevaardigde door Góds wil Paulus, afgevaardigde van Christus Jezus door Gods wil … Brieven in de Bijbel beginnen doorgaans met vermelding van de afzender. Logisch, dat is het eerste wat je wilt weten wanneer je een brief ontvangt. De naam Paulus staat model voor degene die gezonden werd naar de natiën vanwege Israëls struikeling. Paulus was een apostel, dat wil zeggen: een afgevaardigde van Christus Jezus. Niet zoals ‘de twaalf’ waren afgevaardigd door Jezus Christus op aarde. Nee, hij werd geroepen vanuit de hemel, door Christus Jezus in een oogverblindende heerlijkheid. Geroepen nadat duidelijk was geworden dat Jeruzalem ook het Evangelie aangaande de opgestane Messias had verworpen. “Laatst van allen (…) werd Hij ook door mij gezien …”, schreef Paulus later. 1Kor.15:8 Er wordt hier nóg iets bijzonders vermeld over Paulus’ afvaardiging. Hij heeft het zelf niet gezocht of gekozen. Sterker nog: er liep op aarde geen groter vijand van Jezus van Nazareth rond, dan Saulus van Tarsus. Hij was terreuraanvoerder tegen een, in zijn ogen, verderfelijke sekte. En uitgerekend aan hem verschijnt Christus Jezus, om hem af te vaardigen naar de natiën. Het was een overweldigende ervaring. 1Tim.1:14 Paulus koos niet, hij werd gekozen, en vandaar dat hij schrijft: afgevaardigde “door Gods wil”. Niet de zijne. 17

Efeze 1:1 – aan de heiligen Paulus, afgevaardigde van Christus Jezus door Gods wil, aan de heiligen die ook gelovigen zijn in Christus Jezus … In de meeste Bijbels lezen we in dit vers de woorden ‘in Efeze’, al dan niet tussen vierkante haken. Maar in de belangrijkste handschriften van het ‘Nieuwe Testament’ ontbreekt deze adressering. Deze brief is kennelijk niet gericht aan een beperkte groep gelovigen in één plaats, maar aan allen die “in Christus Jezus” zijn. Niet bestemd voor één plaats op aarde, maar bestemd voor allen in Christus Jezus, in de hemel! “De heiligen” betekent letterlijk: zij die afgezonderd en apart gesteld zijn. In de Hebreeuwse Bijbel duidt het meestal op Israël dat als volk apart gesteld was. Afgezonderd van de overige volken. Maar deze brief is niet gericht aan Israël als zodanig. Want dat volk is weliswaar een heilig volk, maar op dit moment bepaald niet gelovend in Christus Jezus. Deze brief daarentegen is gericht aan allen die heiligen en daarbij óók gelovigen zijn in Christus Jezus. Het meervoud “heiligen” komt in deze brief 11 keer voor. Het typeert de positie van de gelovigen. Door God apart gesteld. Bestemd voor de hoogste plaats. Verbonden en één gemaakt “in Christus Jezus”! 18

Efeze 1:2 – genade en vrede! … genade met jullie en vrede vanaf God, onze Vader … Al Paulus’ brieven, zonder uitzondering, beginnen met deze aanzegging. Genade en vrede zijn samenvattend de eigenschappen van al wat we van God ontvangen. Ook in die volgorde. Vrede is het resultaat van besef van genade. Het is opmerkelijk dat de woorden ‘genade’ en ‘vrede’ als groet dienden in respectievelijk de Griekse en Joodse wereld. In de Griekse taal zei men ‘chaire!’, Luc.1:28 dat is ‘verheug je!’. Het is direct verwant aan het woord charis dat Paulus hierboven gebruikt. Genade betekent: vreugde om niet. Genade is elke reden om blij te zijn voor wat je gratis ontvangt. Zonder voorwaarde. Vrede is de bekende Hebreeuwse groet: ‘Sjaloom!’. Joh.20:19 Vrede spreekt van harmonie en het staat tegenover conflict, oorlog en wanorde. Het kan in het hart worden beleefd maar ook tussen mensen onderling. Bovenal spreekt vrede van de harmonie die God tot stand brengt met en in Zijn schepping. Genade en vrede zijn van God afkomstig. Van God, Die een Vader is en daarom ook zorg draagt en garant staat voor de goede afloop. Die wetenschap is de basis van ‘vreugde om niet’ en van vrede! 19

Efeze 1:2 – God, onze Vader … genade met jullie en vrede vanaf God, onze Vader, en van [de] Heer Jezus Christus … De éne God, zoals we Hem in de Schrift leren kennen, is Vader. De uitdrukking “God, de Vader” komen we tientallen keren tegen in de Schrift. Jezus Christus sprak Zijn Vader aan als “de enige waarachtige God”. Joh.17:3 En Paulus schreef: “voor ons nochtans is er één God, de Vader”. 1Kor.8:6 Daarom lezen we nooit over ‘God de Zoon’. Het is altijd: “de Zoon van God”. De belijdenis van “één God, de Vader” is de eerste van alle Bijbelse waarheden. Mar.12:31-32 Hij. Iedere leerstelling die niet hier begint, maakt een valse start. Genade en vrede is afkomstig van God, onze Vader. Maar Hij is ook de God en Vader van de Heer Jezus Christus. Ef.1:3 Dat is de mens Jezus – betekenis: JAHWEH redt – in zijn verheerlijking. Een heerlijkheid die hij ontving toen God hem als Eersteling uit de doden opwekte. Hand.2:36 In dat historisch feit ligt de kiem van alle ‘vreugde om niet’ (= genade) en van vrede verankerd. En heel de schepping zal daarin delen. De dood is overwonnen en zal worden teniet gedaan door allen levend te maken! Er is geen ander God, dan alleen 20

Efeze 1:3 – elke geestelijke zegen Gezegend de God en Vader van de Heer van ons, Jezus Christus, Die ons zegent in elke geestelijke zegen, in de hemelsen, in Christus … Na de aanhef geeft Paulus meteen de toonhoogte aan van de brief. En de blik wordt hemelwaarts gericht. De God en Vader van onze Heer, namelijk Jezus Christus, is gezegend. Vanuit de Griekse woordopbouw betekent ‘gezegend’: van wie goed wordt gesproken. Het onderwerp in dit gedeelte zijn de zegeningen die ons ten deel vielen. Maar voorop staat dat God gezegend is: Hij wordt bezongen als de Bron van al onze zegeningen. God zegent ons (= die geloven; Efeze 1:1) “in elke geestelijke zegen”. Sommige bijbelvertalingen vinden dat kennelijk te gortig en hebben van ‘elke’ maar ‘allerlei’ gemaakt. Toch staat er echt ‘elke’. Dat betekent dat er geen geestelijke zegen is (in de hemelsen, in Christus), waarin God ons niet zegent. Drie keer gebruikt Paulus hier het woord ‘in’. Het beantwoordt de vraag wáár God ons zegent. In elke geestelijke zegen. In de hemelsen. In Christus. De zegeningen waarvan hier sprake is, zijn niet tastbaar maar geestelijk. Ook niet op aarde maar te midden van de hemelsen. Kortom: waar Christus nu is. Dat bepaalt onze positie en bestemming! 21

Efeze 1:3 – te midden van de hemelsen … Die ons zegent in elke geestelijke zegen, in de hemelsen, in Christus … Alle zegeningen die de gelovigen ten deel vallen, zijn “in de hemelsen”. Vijf keer komen we die uitdrukking in deze brief tegen.1 midden van de hemelingen. Het kan allemaal; de term ‘hemelsen’ is breed genoeg om dat alles in te sluiten. Eén ding is zeker: “te midden van de hemelsen” verwijst naar de sfeer waar God Christus Jezus, na zijn opwekking uit de doden, heeft doen zitten aan Zijn rechterhand. Ef.1:20 Boven alles wat is. Hij is thans niet op aarde maar boven in de hemelen. De zegeningen die aan Israël vanouds waren toegezegd, waren tastbaar en aards. Een groot stuk land, een tempel, een zichtbare eredienst, een goede oogst, gezondheid, welvaart, heerschappij over de volken, enzovoort. Maar nu – in deze tijd waarin Israël tijdelijk op een zijspoor is gezet en de Messias verborgen is – is de situatie compleet anders. Onze zegeningen zijn onttrokken aan het oog, geestelijk. Maar ze zijn ook zoveel hoger: te midden van de hemelsen! In sommige vertalingen lezen we over “in de hemelse gewesten”. Anderen denken aan hemelse dingen en nog weer anderen denken aan hemelse personen en vertalen daarom: te 1 Ef.1:3, 20; 2:6; 3:10; 6:12 22

Efeze 1:4 – uitverkiezing … zoals Hij ons uitkiest in hem voor ’s werelds nederwerping … Zoals God ons in Christus zegent, zo kiest Hij ons ook uit “in hem”. Dat betekent dat God Christus uitkoos en daarmee ook ons. Maar meer nog: God koos ons uit om in Christus te zijn. Rom.8:29 Zoals Hij ooit Jakob tevoren had uitgekozen. Al voor zijn geboorte en dus ook voordat hij maar iets goeds of kwaads had gedaan. Rom.9:11 God kiest uit en Hij roept, volkomen onafhankelijk van onze werken (= verdiensten). Uitverkiezing gaat vooraf aan alles wat wij van onszelf zijn en doen. Uitkiezen als daad is inderdaad exclusief. De één wel, de ander niet. Maar vergis u niet: Gods doel wanneer Hij uitkiest, is altijd inclusief. Het sluit niet uit maar in. God kiest niet sommigen uit omdat de overigen Hem niet interesseren. Of omdat alle anderen bestemd zouden zijn voor de verdoemenis. Dat is een afschuwelijk karikatuur van de Bijbelse waarheid. God kiest juist mensen uit om, via hen, de anderen te bereiken. Van Abram in Ur der Chaldeeën, lezen we dat God hem uitkoos. Gen.12:1 Waarom? Opdat via hem alle geslachten van de aardbodem gezegend zouden worden! Dát is uitverkiezing! 23

Efeze 1:4 – vóór de nederwerping der wereld … zoals Hij ons uitkiest in hem voor ’s werelds nederwerping … Onze uitverkiezing dateert van “voor ’s werelds nederwerping”. Zo staat het er letterlijk. Het Griekse katabolé wordt meestal vertaald met ‘grondlegging’ maar betekent letterlijk ‘nederwerping’. Als werkwoord heeft het dikwijls de betekenis van ‘omverwerpen’, ‘afbreken’ en ‘vernielen’. Velen denken daarom bij “de nederwerping der wereld”, aan een catastrofe. Meestal wordt het dan in verband gebracht met de wereld die “woest en ledig” werd in Genesis 1:2. Maar “nederwerping” hoeft niet per se negatief te zijn. In Hebreeën 6:1 lezen we over het opnieuw ‘nederwerpen’ van het fundament. Vergelijk het maar met het storten van een fundament, ook dat is neerwerpen. En in Hebreeën 11:11 lezen we van Sara dat ze kracht ontving tot (letterlijk) “nederwerping van zaad”. Ze was onvruchtbaar maar God deed haar moeder worden. Het ‘nederwerpen’ duidt hier op de geboorte van Izaak. Zoals wij de geboorte van een dier ook een ‘worp’ noemen. “De nederwerping der wereld” kan dus heel goed slaan op de geboorte van de wereld. Probeer je voor te stellen: vóór de geboorte van de wereld had God ons reeds op het oog … Hij koos ons uit. Volkomen los van verdiensten onzerzijds. Alle roem is uitgesloten! 24

Efeze 1:4 – uitverkiezing in liefde … zoals Hij ons uitkiest in hem voor ’s werelds nederwerping, opdat wij zouden zijn heiligen en smettelozen voor het aangezicht van Hem in liefde, tevoren ons bestemmend tot zoonstelling door Jezus Christus … ‘Uit(ver)kiezen’ heeft altijd een specifiek doel. Je wordt uitgekozen met het oog op een bijzondere taak. Of om iets te zijn. Daarin ligt ook de link met het andere werkwoord: voorbestemmen. Deftig ook wel ‘predestinatie’ genoemd. Zoals een kroonprins voorbestemd is om koning te worden. Vele christenen huiveren bij het horen over uitverkiezing en predestinatie. Bang omdat hen verteld is dat God de mensheid grotendeels voorbestemd heeft voor ‘de verdoemenis’. Met uitzondering van ‘the happy few’. Hoe vroom ook gebracht, het is een godslasterlijk concept. Uitverkiezing en voorbestemming staan in de Schrift altijd ten dienste van de overigen. Vandaar ook dat Paulus schrijft: “in liefde”. God heeft een plan met heel Zijn schepping. Ef.1:10 Het is immers Zijn creatie, werk van Zijn handen. En dat laat Hij nooit los. En om heel de schepping tot bestemming te brengen, koos God tevoren sommigen uit om daarin Zijn ‘gereedschap’ te zijn. Apart gezet (“heiligen”) en volmaakt geschikt (“smettelozen”) in Zijn ogen. Om een kanaal van zegen te zijn voor heel het universum! 25

Efeze 1:5 – zoonstelling … tevoren ons bestemmend tot zoonstelling door Jezus Christus … Het begrip ‘zoonstelling’, dat we vijf keer in het Nieuwe Testament tegenkomen, wordt in de gangbare vertalingen zelden duidelijk weergegeven. Zo vertaalt de Statenvertaling het steevast met “aanneming tot kinderen”. Terwijl het niet gaat over aanneming of adoptie. En al helemaal niet over aanneming tot kinderen. “Zoonstelling” verwijst naar het fenomeen dat een kind op een zeker moment in de positie van zoon wordt gesteld. Gal.4:1-7 Zo wordt in het Jodendom een jongen op zijn dertiende een “zoon der wet” (bar mitswa). Hij is niet langer onmondig maar wordt als volwassen gerekend. Een zoon is bovenal een erfgenaam, Gal.4:7 dat wil zeggen: in de positie om de erfenis daadwerkelijk te ontvangen. Nu reeds mogen we wandelen in de “geest van de zoonstelling”. Rom.8:15 vindt plaats bij de verlossing van ons lichaam. Rom.8:23 Maar onze daadwerkelijke zoonstelling Vanaf dan zijn we in de positie om ons lotsdeel (of erfenis) te ontvangen. Vergis u niet: die erfenis is niet minder dan alles in hemel en op aarde. Ef.1:10-11 Die erfenis is toegekend aan “de Zoon” maar daarmee ook aan allen die in zijn positie delen. De zoonstelling bepaalt ons bij de onvoorstelbare taak die ons wacht … 26

Efeze 1:6 – tot lof van de heerlijkheid van Zijn genade … tevoren ons bestemmend tot zoonstelling door Jezus Christus, voor Hem, naar het welbehagen van Zijn wil, tot lof van de heerlijkheid van Zijn genade … Paulus schrijft in dit gedeelte over de onvoorstelbare hoge positie die is weggelegd voor hen die “in Christus” zijn. Bestemd om straks de erfenis, hemel en aarde, Ef.1:10 in ontvangst te nemen. Eén gemaakt met Christus Jezus. Waaraan hebben zij dat verdiend? Antwoord: nergens aan. Of nog anders: wat is Gods motief om ons voor te bestemmen tot ‘zoonstelling’? Paulus’ antwoord op deze vraag is: het is het welbehagen van Gods wil. Met andere woorden: God wil dit omdat Hij daar plezier in heeft. Hoezo? Omdat het “tot lof van de heerlijkheid van Zijn genade” is. In het christelijk jargon heeft ‘genade’ gewoonlijk de smalle betekenis van het kwijtschelden van schulden. Maar het Griekse woord charis is zoveel méér. Genade wil zeggen: gunst, het is vreugde om niet. Gods keuze, en de voorbestemming in Zijn plan, dient geheel en al de glorie van Zijn gunst in het licht te stellen. Onze werken en verdiensten zouden daar alleen maar afbreuk aan doen. Want God wil dat iedereen die in Zijn ‘etalage’ kijkt, stomverbaasd is over de genade die Hij tentoonstelt! 27

Efeze 1:6 – begenadigd in de geliefde … tot lof van de heerlijkheid van Zijn genade, welke Hij ons begenadigt in de geliefde … Het doel van de schatkamer die God te vergeven heeft, is dat het één grote ode is aan de heerlijkheid van Zijn genade. Hij geeft om niet en daarin is de heerlijkheid gelegen. Het feit dat God ons begenadigt (begunstigt) zet alle schijnwerpers op Hem, Die begunstigt. Toch spreekt het ook van de begunstigden. Het woord dat Paulus hier bezigt, komt verder alleen nog voor in Lucas 1:28, wanneer de hemelse boodschapper tot Maria komt en haar begroet met: “Verheug je, jij begenadigde.” Toen Maria deze begroeting hoorde, was ze ontroerd en vroeg ze zich af wat daarvan de betekenis mocht zijn. Begunstigd-zijn wil zeggen, dat een groot voorrecht je ten deel valt. Maar het is meer. Wie van Godswege begunstigd is, wordt zelf een reden van blijdschap. Diverse vertalingen geven het daarom ook weer met: aangenaam gemaakt. Wie begenadigd is wordt een bron van vreugde voor anderen. Christus Jezus is uiteraard “de geliefde” van God. Wie “in de geliefde” is, deelt daarmee in alles wat hem kostbaar maakt. Wie “in de geliefde” is, is niet slechts geaccepteerd maar aangenaam gemaakt in hem! 28

Efeze 1:7 – vrijkoping … in wie wij de vrijkoping hebben, door zijn bloed, de invrijheidstelling van de misstappen … Het centrale idee in dit vers is bevrijding. Bij ‘vrijkoping’ denken we aan een losprijs die wordt betaald, zodat de gevangene of slaaf in vrijheid wordt gesteld. Indirect wordt naar de losprijs verwezen in de woorden “door zijn bloed”. Het bloed spreekt van het slachtoffer. Jezus’ sterven aan het kruis was de losprijs. Die prijs betaalde hij om op te kunnen staan en daarmee de dood te overwinnen. De dood waarin heel de mensheid is gevangen. De dood is de gevangenis, dus opstandingsleven is de bevrijding. De meeste vertalingen spreken niet van ‘invrijheidstelling’ maar van ‘vergeving’. Dat is jammer, want die betekenis is veel te smal. Het Griekse woord aphesis betekent letterlijk ‘loslating’. Zo wordt het ook vertaald in Lucas 4:19, waar sprake is van loslating van gevangenen. Aphesis betekent niet slechts dat het verleden niet meer wordt aangerekend, maar dat iemand nu in vrijheid wordt gesteld. Zij die geloven zijn “in de geliefde”, Ef.1:6 en één gemaakt met hem in zijn opstanding. Zo rekent God. En dus strijden we niet tegen de zonden (misstappen) en tobben we er evenmin over. We léven … onbekommerd voor God. Dat is invrijheidstelling! 29

Efeze 1:7 – naar de rijkdom van Zijn genade … naar de rijkdom van Zijn genade … Zojuist had Paulus beschreven hoe we van slaven in de positie van zonen zijn gesteld. Daarbij ontvingen we niet slechts “uit de rijkdom van Zijn genade” maar “naar de rijkdom van Zijn genade”. Dat is een groot verschil! Wanneer een vermogend man aan een bedelaar een aalmoes geeft, dan geeft hij uit zijn rijkdom. De bedelaar kan misschien weer een dag vooruit. Maar wanneer een vermogend man naar zijn rijkdom geeft, dan zou hij die bedelaar in één keer steenrijk kunnen maken! De God, Die in Efeze 1 bezongen wordt, is een rijk God. Hier lezen we over “de rijkdom van Zijn genade”. Later over “de rijkdom van de heerlijkheid van Zijn lotbezit”. Ef.1:17 In Efeze 2:4, lezen we dat God “rijk aan ontferming” is en in Efeze 2:7 over “de overtreffende rijkdom van Zijn genade”. In Efeze 3:8 schrijft Paulus over “het Goede Bericht van de onnaspeurlijke rijkdom van Christus” en in Efeze 3:16 dat God geeft “naar de rijkdom van Zijn heerlijkheid”. God voorziet in alles wat we nodig hebben. De weg die Hij met ons gaat is de beste. Altijd. In alles wat Hij geeft maar ook in wat Hij niet geeft. Juist dat besef vervult ons met genade en vrede! 30

Efeze 1:8 – doet overvloeien in ons … naar de rijkdom van Zijn genade, welke Hij doet overvloeien in ons, in alle wijsheid en verstandigheid … Paulus is nogal scheutig met superlatieven. “Rijkdom”, “overvloeien”, “alle”, het houdt niet op. Maar Paulus overdrijft beslist niet. Sterker nog: wanneer we spreken over de rijkdom van Gods genade, dan is overdrijving per definitie onmogelijk. Want Gods genade overtreft alles en is altijd groter dan we denken. Waar wij vaak denken dat ze eindigt, begint ze voor God juist! De rijkdom van Gods genade blijkt niet alleen in wat Hij voor ons doet. Of met ons en aan ons en door ons doet. Hier in dit vers lezen we over genade die overvloeit in ons. Het vindt plaats in ons hart. Dat komt omdat Paulus spreekt over wijsheid en verstandigheid die we verkrijgen doordat God ons het geheim van Zijn wil doet kennen. Ef.1:9-10 En daardoor zicht geeft op Gods voornemen met heel Zijn schepping. Dat opent enorme perspectieven in ons hart! Overvloeien gaat verder dan vervullen. Het spreekwoord zegt (vergelijk Matteüs 12:34): “Waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over.” Spreken over zulke rijkdom is geen kwestie van moeten, maar van niet anders kunnen. 31

Efeze 1:8 – in alle wijsheid en verstandigheid … welke Hij doet overvloeien in ons, in alle wijsheid en verstandigheid, bekendmakend aan ons, het geheim van Zijn wil … Slaat “in alle wijsheid en verstandigheid” hier op wat in ons overvloeit? Of verwijst het naar God, Die “in alle wijsheid en verstandigheid” het geheim bekendmaakt? Beide lezingen leveren een goede zin op. En is het ook niet beide waar? Juist omdat God Zelf in alle wijsheid en verstandigheid ons het geheim van Zijn wil bekend maakt, doet Hij ons daarin ook overvloeien. De begrippen ‘wijsheid’ en ‘verstandigheid’ horen uiteraard bij elkaar. Verstandigheid duidt op inzicht; weten hoe iets in elkaar steekt. Maar wijsheid stijgt daar (haast letterlijk) bovenuit. Wijsheid spreekt van uitzicht en daarmee ook van overzicht. Dat past ook in dit verband van Efeze 1. Paulus spreekt over hoe God in de volheid der tijden, de hele schepping onder één Hoofd gaat samenbrengen. Wijsheid geeft zicht op de grote verbanden en de samenhang in alles. Het Griekse woord voor ‘wijsheid’ (sofia) is mogelijk afgeleid van het Hebreeuwse woord voor ‘uitkijktorens’ (tsophiem). Doordat God ons Zijn geheim(en) bekendmaakt, stelt Hij ons ‘op de hoogte’ zodat we het grote geheel gaan zien. Uitzicht en adembenemende perspectieven! 32

Efeze 1:9 – het geheim van Zijn wil … bekendmakend aan ons, het geheim van Zijn wil, naar het welbehagen van Hem, dat Hij Zich voornam in hem (…) het al samen te vatten in de Christus … Geheimen, geheimenissen of verborgenheden spelen in Paulus’ brieven een grote rol. In Efeze 3:3 schrijft hij dat aan hem door openbaring het geheim bekend gemaakt is. In de voorgaande aeonen2 wist men hier niets van. Ef.3:9 vroegere geslachten was het onbekend. Ef.3:6 Paulus is het bekend gemaakt. En in Maar nu, via Let er op dat Paulus hier niet spreekt over de bekendmaking van Gods wil, maar van het geheim van Gods wil. Gods wil is om heel de schepping onder één Hoofd – dat is “de Christus” – samen te vatten. Ef.1:10 Maar het geheim van Gods wil is dat hij deze positie deelt met een gezelschap dat “in hem” is. Ef.1:11 “De Christus”, dat als Hoofd en lichaam met elkaar verbonden is. Een onlosmakelijke eenheid. De geheimen die aan Paulus zijn geopenbaard, spreken van de onvoorstelbare plaats van het gezelschap dat God in onze dagen uitroept. Zij maakt geen deel uit van het uitverkoren Israël. Nee, haar positie is nog oneindig veel hoger! Zij maakt deel uit van de uitverkoren Christus, gezeten aan Gods rechterhand in de hemel! 2 Aeon (Grieks: aiōn): wereldtijdperk 33

Efeze 1:10 – de volheid van de tijdperken … naar het welbehagen van Hem, dat Hij Zich voornam in hem, tot beheer van de volheid van de tijdperken, het al samen te vatten in de Christus … God heeft een alomvattend voornemen. Hij werkt dat uit door tijdperken heen. Die tijdperken spelen een belangrijke rol in deze brief. Paulus schrijft in dat verband vaak over “aeonen”, dat zijn wereldtijdperken. Zo lezen we in Efeze 2:2 over “de aeon van deze wereld”, een term die aangeeft dat aan deze wereld een aeon is gekoppeld. Zoals we elders lezen over “de wereld van de voortijd” die in Noachs dagen ten onderging. In Efeze 3:9 lezen we “van aeonen her”. In Efeze 1:21 is sprake van “deze” en “de aanstaande aeon” en in Ezeze 2:6 van “de komende aeonen”. Het zijn de “komende aeonen” waarin Christus zal heersen om alles aan zich te onderschikken. Maar die tijdperken zullen ook eenmaal tot volheid komen. Letterlijk betekent dat: compleet worden gemaakt. Het werk dat God uitvoert in Christus komt tot een succesvol einde. “Het al”, heel Gods schepping, komt tot bestemming. Dat zal plaatsvinden in wat in Efeze 3:21 wordt genoemd “de aeon der aeonen”. Het is de overtreffende van alle wereldtijdperken. Dan zal God hebben gerealiseerd alles wat Hij Zich voornam. Zonder mankeren! 34

Efeze 1:10,11 – het al … tot beheer van de volheid van de tijdperken, het al samen te vatten in de Christus, wat in de hemelen en wat op de aarde is … “Het al”, wat een duizelingwekkende omvang gaat achter deze woorden schuil. Het verwijst hier naar alles in de hemelen en op de aarde. In Filippi 2:10 omschrijft Paulus het als “alle hemelsen, aardsen en onderaardsen” die allemaal Jezus Christus als Heer zullen erkennen. Tot eer van God, de Vader. Maar voordat het zover is, zullen er eerst nog tijdperken volgen waarin Christus zal heersen. Had de engel niet tegen Maria gezegd dat haar Zoon zou “heersen tot in de aeonen”? Luc.1:33 Eerst in “de duizend jaren” waarin satan zal zijn gebonden en de volken niet langer verleid zullen worden. Daarna, in een nieuw Jeruzalem dat vanuit de hemel zal neerdalen op een nieuwe aarde. De ene aeon zal de voorgaande nog weer in heerlijkheid overtreffen. Maar velen zullen deze aeonen niet meemaken omdat ze dood zullen zijn. Voor de eerste of voor de tweede keer. Wanneer echter de dood als laatste vijand zal zijn teniet gedaan, 1Kor.15:26 dan zal Christus’ heerschappij voltooid zijn. Geen dood meer – alle mensen levend gemaakt! Wat een bekroning van Christus’ werk! 35

Efeze 1:11 – ook ons lotsdeel … in hem, in wie ook ons lotsdeel werd toebedeeld, [wij] die tevoren bestemd worden naar Zijn voornemen … Ook hier weer de telkens terugkerende frase “in hem”. “In hem” dat is in de Christus. Alles in hemel en op aarde is hem van Godswege toegezegd. Ef.1:10 tijdperken – “de aeon der aeonen” Ef.3:21 worden ondergeschikt. En tot in de volheid van de – zal alles aan hem Maar nu brengt Paulus het eerder genoemde “geheim van Gods wil” ter sprake. Het geheim is dat wij – heiligen en gelovigen Ef.1:3 – delen in het ‘erfdeel’ van Christus. Want wij zijn “in hem” en maken deel uit van “de ekklesia, dat is zijn lichaam”. Ef.1:22 Met de toewijzing van het universele erfdeel aan de Christus, werd “ook ons lotsdeel toebedeeld”. Want de positie van “de Christus”, dat is onze positie! Wat in de meeste vertalingen ‘erfdeel’ heet, is trouwens letterlijk ‘lotsdeel’. Het duidt op iets dat men verkrijgt zonder daar invloed op te hebben. Het woord ‘lotsdeel’ herinnert aan de wijze waarop Israël het beloofde land kreeg toebedeeld. Dat geschiedde door loting. Het idee van loting is: de mens heeft geen invloed en dus wordt de uitkomst geheel aan God overgelaten. Hij doet het toevallen. Als een lot uit de loterij! 36

Efeze 1:11 – de raad van Zijn wil … Die in het al werkt naar de raad van Zijn wil … Wat een ode aan de God klinkt hierin door. God werkt in “het al”. Dat wil hier zeggen: in de hemel en op aarde, in al de tijdperken en in het voornemen dat Hij ten uitvoer brengt. Niets valt buiten Zijn invloedssfeer. Er vindt heel veel plaats dat dwars ingaat tegen Gods wil. Dat is ook wat deze aeon zo boos maakt. Maar let op: alles gaat desondanks “naar de raad van Zijn wil”. Gods raad, dat is Zijn verborgen bedoeling. Niemand kan die weerstaan. Farao ooit weerstond Gods geopenbaarde wil toen hij het volk Israël niet liet gaan. Maar “de raad van Gods wil” weerstond hij beslist niet. Rom.9:19 Onmogelijk! Want God had een bedoeling met een onwillige Farao. “De HERE (JAHWEH) heeft alles gemaakt voor Zijn doel, ja zelfs de goddeloze voor de dag des kwaads”, lezen we in Spreuken 16:4. De creatie van “de oude slang” (satan Op.12:9 ) en de overtreding van het eerste mensenpaar waren geen ‘bedrijfsongevallen’. Ook dat vond plaats “naar de raad van Gods wil”. Wat een rust voor het hart om te beseffen dat er bij God nooit iets mis gaat en dat alles Zijn bedoeling dient! 37

Efeze 1:12 – een eerdere verwachting … opdat we zouden zijn tot lof van Zijn heerlijkheid, wij die een eerdere verwachting hebben in de Christus … Zojuist had Paulus geschreven hoe God tot in de volheid van de tijdperken “het al” onder één Hoofd gaat samenvatten. Ef.1:10 “Het al”, geen schepsel in de hemel en op aarde, is daarvan uitgesloten. Zo zet Paulus in 1 Korinthe 15 uiteen, dat alle mensen zullen worden levend gemaakt, zoals de Eersteling Christus. Maar, voegt hij er aan toe: “ieder in zijn eigen rangorde”. Zo zal de laatste ‘rangorde’ geen deel hebben aan de heerschappij van Christus, omdat ze tijdens die heerschappij nog dood zijn. Pas wanneer Christus, als laatste regeringsdaad, de dood teniet zal doen, zal ook deze ‘rangorde’ voor altijd leven en onvergankelijkheid ontvangen. Maar terwijl heel de schepping heerlijkheid wacht, hebben gelovigen vandaag “een eerdere verwachting”. Zij maken deel uit van Christus’ lichaam en zullen daarom straks als eersten actief betrokken zijn bij de realisering van Gods voornemen. Daartoe zijn zij ook uitverkoren en voorbestemd. Ze krijgen een buitengewoon vooraanstaande taak in de komende aeonen. Ef.2:7 Gelovigen vandaag zijn eerstelingen. De grote oogst wacht nog, maar zij vormen de primeur. Een selectie en kopgroep die aan het ‘peloton’ voorafgaat. Wat een vóórrecht! 38

Efeze 1:13 – het Goede Bericht van jullie redding … in wie ook jullie, horend het woord van de waarheid, het Goede Bericht van jullie redding, in wie jullie ook gelovende, verzegeld werden met de heilige geest van de belofte … Bij degenen die “een eerdere verwachting” hebben, sluit Paulus ook zijn lezers in. Ze werden ooit verzegeld “met de heilige geest van de belofte”. Wanneer? Antwoord: toen ze geloofden. Wat geloofden ze? Antwoord: het woord van de waarheid. Welke waarheid? Antwoord: het Goede Bericht van hun redding. Paulus had de Efeziërs niet het Goede Bericht van hun ‘mogelijke redding’ gepredikt. Nee, hij vertelde hen dat God hun Redder is. 1Tim.4:10 verschenen aan alle mensen. Tit.2:11 Die reddende genade van God is Redding is maar geen aanbod of optie. Het is een mededeling. Dat was “het woord der waarheid” dat zij van Paulus vernamen. Dat was het Goede Bericht en dat geloofden ze! Het is dit woord der waarheid dat God bezegelt met de heilige geest van de belofte. God bezegelt geen religieuze boodschap. Ook niet onder het christelijk vaandel ‘God wordt jouw Redder als jij …’. In “het woord der waarheid” is ieder eigen werk van mensen uitgesloten. Het kent geen voorwaarden of grenzen. Juist daarom is het zo’n goed bericht! 39

Efeze 1:14 – ons lotbezit … verzegeld werden met de heilige geest van de belofte, die een onderpand is van ons lotbezit. We zagen eerder dat God geloof in “het woord der waarheid” bezegelt met de heilige geest. Dat woord is het Evangelie van onze redding. Wie dit gelooft, ontvangt de heilige geest – leven, kracht! Deze heilige geest van God komt uiteraard ook mee in het Woord dat we ontvangen. Woord dat immers “geest en leven” is. Joh.6:63 Een zegel is een eigendomsmerk en een garantie van bescherming. Het zegel van Gods geest is tevens een belofte voor de toekomst. Want eens zal heel de schepping – ons lotbezit! – deel hebben aan deze geest. Vandaar ook dat deze geest “een onderpand” heet. De geest, waarin we nu mogen wandelen Gal.5:22 en die ons vermag te vervullen, Ef.5:18 eerste aanbetaling. Straks zal heel de schepping van deze geest vervuld zijn! Alle geestelijke zegeningen die we bezitten, genieten we in geloof in “het woord der waarheid”. Ef.1:13 Hoewel er niets van te zien valt, is het een enorme krachtbron in ons dagelijks bestaan. De geest van de belofte richt onze blik vooruit. Want het is een veelbelovend onderpand voor de toekomst. Die hoop doet ons nú leven! is als een 40

Efeze 1:15,16 – dankbare gebeden Daarom houd ook ik, horende hetgeen overeenkomt [met] jullie geloof in de Heer Jezus en de liefde tot al de heiligen, niet op te danken voor jullie, wanneer ik jullie vermeld in mijn gebeden … Paulus had zeer positief nieuws gehoord over de ‘Efeziërs’. De sprake die van hen uitging, stemde overeen met hun geloof in de Heer Jezus. Het was geen ‘mooi praten’ wat ze deden, het was echt. “Walk your talk”, noemt men dat in het Engels. Dat is wat ze toonden. Bij de roep die van deze gelovigen uitging, wordt als tweede gezegd dat ze liefde hadden “tot al de heiligen”. Het Woord dat in hen leefde, werkte in hen ook liefde uit tot “al de heiligen”. Dus onafhankelijk van sympathie, afkomst, uiterlijk of iets dergelijks. Wat hen als ‘apart gestelden’ (= heiligen) samenbond, was de basis van hun liefde. Eén lichaam, één geest, één verwachting, één Heer, één geloof, één doop en één God en Vader van allen. Ef.4:4-6 Paulus hield niet op te danken voor deze mensen, zo blij als hij was met de berichten over hen. Maar hij bad ook voor hen. Omdat er nog zoveel meer te ontdekken, te beseffen en te beleven is …! 41

Efeze 1:17 – geest van wijsheid en onthulling … opdat de God van onze Heer, Jezus Christus, de Vader van de heerlijkheid, aan jullie moge geven, geest van wijsheid en van onthulling, in besef van Hem … Paulus bidt niet tot Jezus Christus maar tot “de God van onze Heer, Jezus Christus”. Via of door Jezus Christus, nadert hij tot “de Vader van de heerlijkheid”. “De heerlijkheid” verwijst naar het voorgaande waarin Paulus uitgebreid over de heerlijkheid had geschreven die God voor ons bestemd heeft. Ef.1:6, 12, 14 Dezelfde God, Die de Vader en Oorsprong is van al die heerlijkheid, is tevens in staat ons zicht en uitzicht daarop te geven. Paulus spreekt van “een geest van wijsheid en onthulling”. Want het is één ding om te weten wat God voor ons in petto heeft, maar waar het om gaat is dat we ontdekken wat de heerlijkheid daarvan is! Het woord voor ‘wijsheid’ heeft te maken – zoals we eerder zagen – met een uitkijktoren. Met ‘op de hoogte gesteld’ zijn en van daaruit overzicht en uitzicht te hebben. Het is in die positie dat we in “een geest van onthulling” telkens weer nieuwe heerlijkheid zullen ontdekken. Er wachten nog zóveel meer verrassingen om ontdekt te worden …! 42

Efeze 1:17 – in besef van Hem … opdat de God van onze Heer, Jezus Christus, de Vader van de heerlijkheid, aan jullie moge geven, geest van wijsheid en van onthulling, in besef van Hem … Wat valt er voor Paulus eigenlijk nog te bidden of te vragen nadat hij uiteen gezet heeft, dat we gezegend zijn met elke geestelijke zegen in Christus? Ef.1:3 iets dat reeds compleet is? Paulus had ooit van God de les geleerd: “Mijn genade is u genoeg.” 2Kor.12:9 Wat is er toe te voegen aan En sindsdien lezen we nooit meer dat hij voor aardse omstandigheden bidt. Want hij wist dat God altijd voorziet in wat wij nodig hebben. Op voorhand vertrouwde hij daarop. Daarom was Paulus’ bidden, danken geworden. “Overvloeiende in dankzegging!” En toch loopt als een rode draad door zijn brieven een voortdurend gebed. Het is het gebed dat alle gelovigen ook zouden weten wat hun bezit is. In Christus zijn ze schathemelrijk! Dat is een gegeven. Maar waar het op aankomt is dat ze dat ook weten. En meer nog: dat ze dat gaan beseffen. Hoe vele gelovigen leven niet als straatarme sloebers? Terwijl ze multimiljonair zijn! Vandaar Paulus’ gebed om “een geest van wijsheid en van onthulling, in besef van Hem …”. 43

Efeze 1:18 – verlichte ogen … verlichte ogen van jullie hart, zodat jullie waarnemen wat de hoop van zijn roeping is, wat de rijkdom is van de heerlijkheid van zijn lotbezit te midden van de heiligen … Dit is niet de taal van een collegezaal. Nee, Paulus is veel meer als een gids die enthousiast zijn groep attendeert. In het eerste deel van dit hoofdstuk schreef hij over wat Christus’ roeping is en wat zijn lotbezit (erfenis) is. En hoe gelovigen daarin “in hem” delen. Dat moet je eerst vernemen. Maar vanaf dat punt begint Paulus’ gebed. Het is zijn bede dat zijn lezers niet slechts zouden weten wat zijn roeping is, maar dat ze zouden zien wat de hoop van zijn roeping is. En dat ze niet alleen zouden weten wat zijn lotbezit is, maar dat ze de rijkdom van de heerlijkheid van zijn lotbezit zouden waarnemen. De zaken waar Paulus over schrijft zijn allemaal verborgen. Met de ogen van ons hoofd valt er nu niets te zien. Daarom bidt Paulus om “verlichte ogen van het hart”. Dat het licht van Gods Woord in ons hart zou schijnen, dat uitzicht geeft op de hoop en rijkdom van zoveel heerlijkheid. Dat doet een mens van binnenuit stralen! 44

Efeze 1:19,20 – overtreffend groot! … wat de overtreffende grootte van Zijn macht is aan ons die geloven, naar de inwerking van de kracht van Zijn sterkte, welke Hij inwerkt in de Christus, hem opwekkend vanuit [de] doden, en hem doen zitten rechts van Hem, te midden van de hemelsen … Een enorme verwachting is ons deel geworden. Want God roept ons daartoe. Hij heeft ons voorbestemd tot een erfenis die gekenmerkt wordt door hemelse heerlijkheid. Het voorgaande vers sprak daarover. Maar hoe kan God ons zo’n verwachting geven en voorbestemmen tot zulke heerlijkheid? We zijn toch maar nietige stervelingen? Als rupsen vastgekleefd aan de aarde? Bovendien van huis uit “kinderen van boosheid”, niet anders dan de rest van de mensheid. Ef.2:3 Om deze vragen te beantwoorden brengt Paulus een ander element in. Gods kracht aan ons die geloven is “overtreffend groot”! Hij brengt armzalige, doel missende, vergankelijke aardbewoners tot duizelingwekkende hoogte van onvergankelijke, hemelse glorie! En Paulus vervolgt: het is dezelfde kracht die Christus opwekte vanuit de doden. Eens voor altijd. Maar dat niet alleen: hij werd vervolgens verhoogd aan Gods rechterhand. Boven alles verheven. Welnu, diezelfde kracht brengt ook ons tot de hoogste hoogte. Over Gods vermogen denken we nooit te groot! 45

Efeze 1:20 – opgewekt en opgestaan … hem opwekkend vanuit [de] doden … Het grote onderwerp in het Nieuwe Testament, is de opwekking van Christus uit de doden. Als een historisch en bewezen feit dat voorzegd was in de Schriften. En ook als het fundament voor onze toekomstverwachting. Christus Jezus is immers de Eersteling uit de doden en dat betekent dat de rest zal volgen. Zijn overwinning op de dood is de garantie dat de dood eens teniet gedaan zal worden. Dat Christus is opgewekt, is niet hetzelfde als dat hij is opgestaan. Hij werd opgewekt door God terwijl hijzelf opstond. In die volgorde. Zoals ook wij elke morgen worden gewekt uit de slaap – bijvoorbeeld door de wekker – maar vervolgens zelf opstaan uit ons bed. In het gewekt worden ben ikzelf passief. Het overkomt me. Maar het opstaan is een activiteit. Er is nog een verschil. Het (op)gewekt worden betreft de geest. Je wordt gewekt uit de toestand van de slaap. Of van de dood. Het is de geest die ontwaakt maar het lichaam staat op. God wekte Christus en maakte hem levend. Dat was geheel Gods werk. En daardoor kon Christus opstaan en het geopende graf eens voor altijd achter zich laten! 46

Efeze 1:20 – uit de doden … hem opwekkend vanuit [de] doden … De betekenis van de uitdrukking opgewekt of opgestaan “vanuit de doden” kan heel gemakkelijk worden misverstaan. Velen vatten het op als ‘opgestaan vanuit de dood’. Maar wist u dat dit zó nergens in de Schrift wordt gezegd? Het is op zichzelf wel waar, maar de Schrift benoemt het heel anders. En het verschil is aanzienlijk. De dood is een toestand waarin iemand zich bevindt. Het staat tegenover leven. Iemand die dood is, die leeft niet. Het is zwart-wit. Nooit is dood, in de Schrift, een andere vorm van leven. Nadat Jezus stierf, was hij dood. Tot aan de derde dag, want toen werd hij levend gemaakt. Maar naast dat in de Schrift sprake is van “dood” (Grieks: thanatos), spreekt ze ook over ‘de doden’ (Grieks: nekros). Bij ‘doden’ gaat het niet om een toestand, maar om de personen die in die toestand zijn. Eén dode, twee doden. En nu komt het: Christus stond op “vanuit de doden”. Dat betekent: Christus stond op terwijl alle andere doden in de graven achterbleven. Christus’ opwekking “uit de doden” bepaalt ons bij dit unieke feit: alle doden bleven dood … met uitzondering van die Ene, Jezus Christus. 47

Efeze 1:20 – rechts gezeten … hem opwekkend vanuit [de] doden, en hem doen zitten rechts van Hem, te midden van de hemelsen … De verheerlijking van Christus begint bij zijn opwekking vanuit de doden. God wekte hem op in onvergankelijkheid. Nooit zal hij meer de dood smaken. Hij is de Eersteling, dat wil zeggen: zoals Christus werd levend gemaakt, zo zal heel de mensheid worden levend gemaakt. Ieder in zijn eigen rangorde. 1Kor.15:22 Na Christus’ opwekking, veertig dagen later, deed God Christus zitten, rechts van Hem. Rechts staat altijd voor voorrang en eer. Zoals links symbool staat voor achterstelling. Wat je links laat liggen, geef je geen aandacht. Ook in de politiek roepen de begrippen ‘rechts’ en ‘links’, deze gedachten op. Rechts verdedigt de belangen van hen die voorrang genieten. Links daarentegen bekommert zich om hen die achtergesteld zijn. Met Christus’ opwekking begon zijn verhoging. Verrezen uit de sfeer van de dood. Maar daarna ook “gezeten aan de rechterhand van de troon der Majesteit in de hemelen”. Heb.8:1 Dáár is hij nu. Onttrokken aan het oog. Als de hogepriester achter het voorhangsel bij het gouden ‘verzoendeksel’. Op aarde is hij volkomen verborgen. En toch is hij “gekroond met eer en heerlijkheid”. Dat is Christus’ positie vandaag. En ook van allen die “in hem” zijn. 48

Efeze 1:21 – boven alle overheid en macht … boven alle overheid en macht en heerschappij en alle naam die genoemd wordt, niet alleen in deze aeon maar ook in de aanstaande. Al bijna tweeduizend jaar is er een mens in de hemel, geplaatst in de allerhoogste positie. Boven alle overheid, macht en heerschappij. Of dat nu op aarde of in de hemel is, in de zichtbare of in de onzichtbare wereld. Kol.1:18 je ook noemt, Jezus Christus heeft een “naam boven alle naam” ontvangen. Het bijzondere van deze toppositie is dat op aarde daar niets van te merken is. Het laatste wat de wereld van Jezus Christus gezien heeft is een graf. Dat hij vervolgens verhoogd is aan Gods rechterhand, was wel over Hem geprofeteerd. Ps.110 Een positie waarin hij zou wachten totdat God zijn vijanden zou stellen “tot een voetbank voor zijn voeten”. Dat is typerend voor de afgelopen tweeduizend jaar. Christus is verhoogd aan Gods rechterhand, maar alles wat hij is, en wat aan hem is toegekend, is verborgen. Deze situatie verandert binnenkort, namelijk op het moment dat deze aeon plaats gaat maken voor de komende aeon. Een totaal nieuwe fase voor deze wereld breekt dan aan. Want dan zal Christus’ heerschappij openbaar worden. Onmiskenbaar voor iedereen! Welke naam 49

Efeze 1:22 – alles onder zijn voeten En Hij onderschikt alles onder zijn voeten … Als Paulus schrijft dat God alles onderschikt aan Christus’ voeten, dan verwijst hij naar Psalm 8. Dat is de psalm waar gevraagd wordt: “Wat is de sterveling, dat U hem gedenkt, en de Ben Adam, dat U hem opmerkt?” Het gaat in die psalm niet over Adam of over de mens in het algemeen, maar over “de Ben Adam”, dat wil zeggen: de Zoon van de mens. Hij zou eerst een korte tijd, qua positie, beneden de engelen gesteld worden, om daarna met eer en heerlijkheid te worden gekroond. De onderwerping van alles onder zijn voeten, neemt een aanvang in de komende aeon, niet eerder. Het is de kenmerkende glorie van de komende aeonen, dat Christus daarin zal heersen en dat alles onder zijn voeten zal worden geschikt. Deze aeonen worden heel vaak in de Schrift “de aeonen der aeonen” genoemd. In heerlijkheid overtreffen ze ver de wereldtijdperken die tot dusver zijn geweest. En het zal steeds grootser en heerlijker worden! De laatste vijand die Christus onder zijn voeten zal stellen is de dood. 1Kor.15:26 Dat betekent dat hij uiteindelijk allen die dan nog dood zijn, zal levend maken. Geen dood meer en God zal worden “alles in allen”! 50

Efeze 1:22 – gegeven aan de ekklesia En Hij onderschikt alles onder zijn voeten en Hij heeft hem gegeven als Hoofd boven alles, aan de ekklesia, die zijn lichaam is … Zojuist had Paulus naar voren gebracht hoe hoog God Christus heeft verheven boven alles. Dat is weliswaar verborgen in deze aeon, maar vanaf de komende aeon zal dat openbaar worden. Maar nu komt de eigenlijke klap op de vuurpijl … God heeft de mens Christus Jezus, “als Hoofd boven alles”, gegeven aan de ekklesia. In de Schrift betekent het begrip ‘de ekklesia’ letterlijk “de volksvergadering”. Het is de hoogste instantie van besluitvorming. Hand.19:39 De term heeft dus te maken met heerschappij. Dat past bij het onderwerp in dit vers: alles wordt aan Christus Jezus’ voeten ondergeschikt. Hij is Hoofd boven alles. En in die hoedanigheid wordt Christus Jezus gegeven aan de ekklesia. De ekklesia hoort niet bij “alles” dat onder zijn voeten gesteld wordt. Nee, want de ekklesia is zelf Christus’ lichaam en maakt dus deel uit van hem! De ekklesia is bestemd om, samen met Christus Jezus “als Hoofd boven alles”, heel de schepping te onderschikken. Alles, zowel in de hemel als op aarde. Ef.1:10 Geplaatst op de troon, dat is Gods bestemmingsplan voor de ekklesia! 51

Efeze 1:23 – de ekklesia die Christus aanvult … Hij heeft hem gegeven als Hoofd boven alles, aan de ekklesia, die zijn lichaam is, de aanvulling van degene die alles in allen vervult. De ekklesia is het lichaam van Christus. Deze waarheid, die alleen in Paulus’ brieven naar voren wordt gebracht, drukt uit, hoezeer Christus en de ekklesia met elkaar verbonden zijn. Een nauwere eenheid dan tussen hoofd en lichaam bestaat er niet. Het is een onverbrekelijke eenheid. De verhouding is nog veel closer dan die tussen een bruidegom en een bruid, waarmee de verhouding tussen de Heer en Israël heel vaak wordt vergeleken. Maar de eenheid van Hoofd en lichaam is geen verbondsrelatie, het is een organische relatie. Paulus noemt de ekklesia als lichaam van Christus, zijn “aanvulling”. De gangbare vertalingen spreken meestal van “vervulling”. Het idee is dat de ekklesia Christus aanvult en hem compleet maakt. Een hoofd zonder lichaam is natuurlijk niet compleet. Vandaar dat het lichaam het hoofd aanvult. Zonder lichaam is het hoofd niets. Zo is Christus Jezus zonder de ekklesia incompleet. De waarheid van het lichaam van Christus, als aanvulling en compleet making van Christus Jezus, bepaalt ons bij de onvoorstelbaar hoge positie die God heeft weggelegd voor de ekklesia. Zijn positie is onze positie! 52

Efeze 1:23 – alles in allen … Hij heeft hem gegeven als Hoofd boven alles, aan de ekklesia, die zijn lichaam is, de aanvulling van degene die alles in allen vervult. Het perspectief is hier universeel! Christus is het Hoofd boven alles en wordt in die functie aangevuld door de ekklesia, die zijn lichaam is. Het onderwerp is “alles” waar Christus boven geplaatst is. Dat is heel de schepping, hemel en aarde. Gods plannen zijn alomvattend. Geen schepsel valt daar buiten. Ook al is er verschil in rangorde. En zijn sommigen geroepen om eerder ‘aan de beurt’ te komen, waar anderen pas later ‘aan de beurt’ zullen komen. Alles gaat God aan Christus’ voeten onderwerpen. Alsof dat nog niet voldoende is, wordt daar elders nog aan toegevoegd dat niets in de schepping daarvan is uitgezonderd. De Schrift wordt niet moe dit te benadrukken. God is pas tevreden wanneer ieder creatuur van Hem deelt in het reddingswerk van Zijn Zoon. Het is Christus’ taak om heel de schepping tot God terug te brengen. Pas wanneer die taak volbracht is, is Christus’ missie geslaagd. Als geen mensenkind meer ontbreekt omdat allen zullen zijn levend gemaakt, dan zal Christus een volmaakt Koninkrijk overdragen aan zijn God en Vader. Dan wordt God alles in allen! 1Kor.15:28 53

54

Ongekende Hoogte EFEZE 2 55

56

Efeze 2:1 – als doden ten opzichte van de zonden En jullie, doden zijnde voor de misstappen en jullie zonden, in welke jullie eens wandelden … Paulus zet hier twee dingen tegenover elkaar. Enerzijds de misstappen en zonden waarin zijn lezers ooit wandelden en anderzijds hoezeer deze wandel voor hen nu tot het verleden behoort. Zij zijn als ‘doden’ ten opzichte van die misstappen en zonden (vergelijk Romeinen 6:11). Wanneer gelovigen als ‘lijken’ worden voorgesteld ten opzichte van misstappen en zonden, dan is daarmee gezegd, dat ze daar helemaal niets meer mee hebben. Ooit wandelden ze in die misstappen en zonden, maar inmiddels zijn zij gestorven. Want, zoals we elders uit de brieven weten: gelovigen zijn met Christus gestorven en levend gemaakt met hem. Ef.2:5 Dat nieuwe leven is gevuld met zin, inhoud en een eindeloos perspectief. En juist daarom heeft de oude wandel waarin dat alles ontbrak, al haar aantrekkingskracht verloren. Gelovigen ‘moeten’ niet als doden zijn ten opzichte van de misstappen en zonden. Ze zijn het! Dat is hun nieuwe identiteit. Ze worden ook niet geacht tegen die misstappen en zonden te strijden of daarmee te tobben. Met die instelling zou men slechts bewijzen dat ze géén doden zijn ten opzichte van misstappen en zonden. Het enige wat doden ‘doen’ met zonden is: negeren. Niet mee rekenen. Punt. Basta! 57

Efeze 2:2 – de aeon van deze wereld … in welke jullie eens wandelden, naar de aeon van deze wereld … Geen begrip dat in de gangbare bijbelvertalingen zo is weggemoffeld en verdraaid, als de ‘aeonen’. De Schrift spreekt van “vóór de aeonen”, “de voorbije aeonen”, “de tegenwoordige aeon”, “de toekomende aeon” maar ook over “de komende aeonen”. En zoals de aeonen ooit begonnen, zo lezen we ook over “de voleinding der aeonen”. Een ‘aeon’ is beslist geen eeuwigheid zoals zo vaak is vertaald, het is een wereldtijdperk. In bovenstaand vers zien we dat “de aeon” die nu loopt, hoort bij “deze wereld” (kosmos). Anders gezegd: de huidige aeon en wereld lopen synchroon. Elders lezen we over “de toenmalige wereld” die is vergaan door water. Dat is de wereld van de voortijd, waaruit Noach met zeven anderen bewaard is gebleven. 2Pet.2:4 Het is fascinerend om te ontdekken wat de Schrift meldt over de aeonen. Die geweest zijn maar ook die nog gaan komen. De huidige aeon duurt inmiddels – gerekend vanaf de zondvloed – al zo’n 4500 jaar. Maar evenals “de toenmalige wereld” in Noachs dagen, komt er een einde aan “deze wereld”. God gaat ingrijpen. Deze boze aeon zal plaatsmaken voor de aeon van de Messias. Een nieuwe wereld! 58

Efeze 2:2 – hoe schoon is de lucht? … naar de overste van de autoriteit van de lucht, van de geest die nu inwerkende is in de zonen van de ongezeglijkheid … In deze wereld is een geest actief inwerkend onder de mensen die maakt dat men zich niet laat gezeggen door Gods Woord. Dat is de standaardinstelling in deze aeon. Achter de schermen is er iemand die dat beheerst. In 2 Korinthe 4:4 noemt Paulus hem “de god van deze aeon”. Nog weer elders heet hij “satan” (= tegenstander) en diabolos (letterlijk: dooréén-werper > duivel) en “de oude slang”. Vanouds en ‘beroepsmatig’ houdt hij zich bezig met Gods Woord en vanuit dat oogpunt is hij dus een theoloog. Hij manipuleert Gods Woord met de bedoeling dit te ondermijnen en twijfel daarover te zaaien. Het is opmerkelijk hoe Paulus hem hier aanduidt. “De overste van de autoriteit” wijst erop dat hij aan de top van een hiërarchie staat. Hij delegeert zijn macht. Dat het “de autoriteit van de lucht” is, laat zien waar zijn invloedssfeer zich bevindt. Het is de atmosfeer waarin we allemaal ademen. Waarin trouwens ook de moderne media actief zijn. De wereld is zich niet bewust van deze continue beïnvloeding. Voor hen geen vuiltje aan de lucht. Maar gelovigen weten beter. 59

Efeze 2:3 – ook wij allen … de zonen van de ongezeglijkheid, onder wie wij allen ook eens verkeerden, in de begeerten van ons vlees, doende de wilsbeschikkingen van het vlees en de bedenkselen, en wij waren van nature kinderen van boosheid, zoals ook de overigen. Maar God … Paulus’ punt moet duidelijk zijn: als gelovigen zijn we niet beter dan de rest van de wereld. Van huis uit (van nature) hebben we allen dezelfde oorsprong. We zijn allemaal ‘van dezelfde lap gescheurd’. Niemand heeft ook maar enige reden zich verheven te voelen boven anderen. Wandelen in overeenstemming met “de begeerten van het vlees” is karakteristiek voor een wereld die niet rekent met God. De consequentie is: gedicteerd worden door de impulsen en verlangens van het vlees. “Het vlees”, dat is de mens in zijn lichamelijk bestaan. Waarbij we moeten aantekenen dat niet de begeerten of de verlangens of ‘het vlees’ op zichzelf verkeerd zijn. Het kwalijke is wanneer een mens daardoor wordt geregeerd. De mens onderscheidt zich juist van het dier dat hij meer is dan een optelsom van instincten, driften en agressie (“kinderen van boosheid”). In donkere kleuren schildert Paulus treffend de wereld waarin we verkeren. Tamelijk hopeloos, tenzij … God ingrijpt! 60

Efeze 2:4 – rijk in ontferming Maar God, rijk zijnde in ontferming, vanwege Zijn grote liefde, waarmee Hij ons liefheeft … In de voorgaande verzen had Paulus in donkere kleuren de hopeloze toestand van de mensheid geschilderd. Onwetend, ongezeglijk, beheerst door driften, begeerten en boosheid. En toch, zonder deze donkere achtergrond zou nooit de rijkdom van Gods ontferming hebben kunnen schitteren. Hij ontfermt Zich over een armzalige wereld. Hij heeft haar Zelf geschapen! Het is onmogelijk voor Hem om “de werken van Zijn handen” te laten varen. Dat is Gods liefde. Onvoorwaardelijk. Geen zondaar of vijand zo groot, of Zijn liefde overtreft het. Altijd. Gods liefde is zó groot en Zijn ontferming zó rijk, dat geen mensenkind daarvan is uitgesloten. God wil dat alle mensen worden gered 1Tim.2:4 en Hij is ook daadwerkelijk de Redder van alle mensen. 1Tim.4:10 Want ‘wat Zijn liefde wil bewerken, ontzegt Hem Zijn vermogen niet’. Gods grote liefde is een vast gegeven. Het is als een onfeilbaar kompas dat altijd richting geeft. Elk schepsel mag ervan verzekerd zijn. En wanneer God in een crisis (= oordeel) brengt, dan staat dat niet tegenover Zijn liefde, maar het vloeit daar juist uit voort. Want God zet recht en brengt ook weer terecht. Iedereen! 61

Efeze 2:5 – doden en toch levend … Zijn grote liefde, waarmee Hij ons liefheeft, ook ons, doden zijnde voor de misstappen, maakte Hij levend, samen met de Christus (in genade zijn jullie geredden) … Eigenaardig: eerst schrijft Paulus over Gods “grote liefde waarmee Hij ons liefheeft” om vervolgens dit toe te spitsen op “ook ons, doden zijnde voor de misstappen”. De eerste ‘ons’ zijn alle mensen waar Gods liefde naar uitgaat. De tweede ‘ons’, dat zijn de gelovigen die nu reeds tot de “geredden” behoren. De “geredden” worden op twee manieren beschreven. Enerzijds als “doden” en anderzijds als levend gemaakt. Dat lijkt tegenstrijdig, totdat we begrijpen dat gelovigen zijn één gemaakt met Christus. Hij stierf en wij stierven met hem. Zo rekent God. Ten opzichte van de misstappen zijn we gestorven. Dat is voorbij, daar hebben we niets meer mee van doen. God ziet ons als één met Christus en daarmee ook delend in zijn volmaaktheid. Dat is niet gebaseerd op ons gevoel of op onze ervaring, maar op het feit dat God ons zo ziet en rekent. Omdat we één zijn met Christus, zijn wij dus ook verbonden in zijn levendmaking. De misstappen en de dood liggen achter ons en een nieuw, onvergankelijk leven ligt vóór ons! 62

Efeze 2:6 – duizelingwekkende hoogte! … (in genade zijn jullie geredden), en Hij wekte ons samen op en deed ons samen zitten, te midden van de hemelsen, in Christus Jezus. Eerst dood en vervolgens opgewekt tot nieuw leven. Dat is wat gelovigen, één gemaakt met Christus, ten deel valt. Want zijn lot is ons lot. Maar daar blijft het niet bij. Want Christus is niet alleen opgewekt uit de doden, maar ook gezet aan Gods rechterhand, “te midden van de hemelsen”. Hemelse plaatsen, hemelse sferen en miljoenen hemelse wezens. Verheven tot duizelingwekkende hoogten. Kijk omhoog, zie de ontelbare sterren en bedenk dan: dáár is mijn Heer. Hij werd opgewekt en hij is nu boven alles verheven! Maar nu komt de geweldige waarheid van de Efeze-brief: Christus is gezeten “te midden van de hemelsen” samen met ons! Zoals mijn hoofd niet ergens kan zijn, zonder mijn lichaam, zo kan Christus niet los gezien worden van “de ekklesia”, zijn gemeente. Ze vormen een eenheid als Hoofd en lichaam. Dus toen David profeteerde dat Christus tot Gods rechterhand zou worden verhoogd, Ps.110:1 dan is dat inclusief “de ekklesia”. Dat mocht Paulus openbaar maken! Vanuit de diepste diepte worden we opgetild naar de hoogste hoogte! Inderdaad: “in genade”. Om niet. 63

Efeze 2:7 – de komende aeonen … en deed ons samen zitten, te midden van de hemelsen, in Christus Jezus, om te betonen in de komende aeonen, de overtreffende rijkdom van Zijn genade, in goedgunstigheid over ons in Christus Jezus. Met Christus gezeten, aan Gods rechterhand, te midden van de hemelsen. Dat is de positie van de gelovigen in Christus Jezus. Dat is onze status, plaats en bestemming. Met een uitdrukkelijk doel. Om in de komende aeonen als demonstratiemodel te worden ingezet. “Om te betonen”, staat hier. “De komende aeonen”, dat zijn de wereldtijdperken die zullen volgen op de “tegenwoordige boze aeon”. Eerst in “de toekomende aeon”, Ef.1:21 waarin satan gebonden zal zijn. Op.20 dat verwijst naar “de duizend jaren” Vervolgens in de aeon daarna, die de voorgaande aeon nog weer zal overtreffen; “de aeon der aeonen”. Ef.3:21 Jeruzalem vanuit de hemel zal neerdalen. Op.21 In de komende aeonen zal Christus Jezus heersen. Vanuit de hoogste plaats, “te midden van de hemelsen”. Samen met allen die “in Christus Jezus” zijn. Zijn lichaam, de ekklesia. Een ‘volk’ dat geen enkele aanspraak kon maken, is door God daar neergezet. Dat is Gods prestatie! En daarmee betoont Hij “de overtreffende rijkdom van Zijn genade … over ons”. Alsjeblieft! Het is de aeon waarin een nieuw 64

Efeze 2:8 – in genade, dóór geloof Want in genade zijn jullie geredden, door geloof en dat niet vanuit jullie zelf: Gods naderingsgeschenk is het … Paulus beschrijft in dit vers de positie van degenen die gered zijn. Het is door geloof. Het voorzetsel ‘door’ geeft aan dat geloof het middel is, of het kanaal waardóór wij geredden zijn. Waarbij geloof vertrouwen is op God en het beamen van wat Hij zegt. Dat maakt ons tot geredden. Niet werken of presteren telt voor God, maar vertrouwen op Hem. Dat rekent Hij tot rechtvaardigheid. Geloof is dus het middel waardoor een mens wordt gered. Maar let ook eens op, waar de bovenstaande zin mee begint: “in genade zijn jullie geredden”. In het Grieks ontbreekt het voorzetsel, maar omdat genade in de zogenaamde ‘derde naamval’ staat, beantwoordt het de vraag: waar de redding plaatsvindt. Het antwoord is: in genade. Of eventueel: op genade. Genade is het terrein waar de redding plaatsvindt. Niet geloof is de grond waarop we worden gered. De grond waarop we worden gered is genade. Genade is ook de sfeer waarin dit plaatsvindt. Onvoorwaardelijk. En God doet dat door geloof. En dat schenkt Hij. “… niet vanuit jullie zelf (…) niet vanuit werken, opdat niemand zich zou beroemen.” 65

Efeze 2:8,9 – opdat niemand roeme Want in genade zijn jullie geredden, door geloof en dat niet vanuit jullie zelf: Gods naderingsgeschenk is het, niet vanuit werken, opdat niemand zich zou beroemen. De woorden “en dat niet vanuit jullie zelf” verwijzen terug naar heel het voorgaande in de zin. In het Nederlands kun je dat weliswaar niet zien maar in het Grieks, waarin Paulus dit optekende, wel degelijk. Gered-zijn en geloof vormen een totaalpakket: het is alles genade en niets uit onszelf. Dat álles genade is, inclusief geloven, is wezenlijk. 1Kor. 4:7 Want zou er ook maar iets van onszelf zijn, dan hadden we reden om onszelf te roemen. Al was het maar onze verstandige keuze om God te geloven. Vergeet het maar gerust. Geloof is, evenals redding, Gods prestatie. Want Hij opent oren, ogen en harten. Hij overtuigt. Dat is Zijn verdienste. Niemand heeft zichzelf gemaakt. Het is God, Die ons heeft bedacht en Die ons formeert. Hij is het, Die alles geeft op Zijn tijd en dus krijgt Hij ook alle eer. En als Hij bij machte is mij te doen geloven, dan kan Hij dat aan iedereen geven. Sterker nog: elk schepsel zal tot hartelijke erkenning komen van Hem, Fil.2:11 en zich in Hem alleen beroemen! 66

Efeze 2:10 – wandelen in goede werken Want wij zijn maaksel van Hem, die geschapen worden in Christus Jezus [met het oog] op goede werken, die de God van tevoren gereed maakt, opdat we daarin zouden wandelen. Dit statement van Paulus sluit naadloos aan op de voorgaande verzen. Het is genade waarin een mens gered wordt. Ef.2:8 Door geloof. En evenals redding is dat een gave van God. “Niet uit werken opdat niemand zou roemen.” Ef.2:9 Ziedaar het kloppend hart van het Goede Bericht! Alles wat we hebben en zijn, is een prestatie van God. Niemand heeft immers zichzelf gemaakt. Hij redt, Hij overtuigt en Hij opent ogen, oren en harten. Dat is Zijn werk en dus ook Zijn verdienste. En daarmee ook Zijn eer. Wij zijn maaksel van Hem. Poiema staat er in het Grieks, waar ons woord ‘poëzie’ van afgeleid is. Een creatie en meesterwerk van de Schepper! God kiest mensen uit die Hij wil gebruiken als Zijn gereedschap, om Zijn werk te doen. Als een hamer in de hand van de timmerman. Of als een piano die wordt bespeeld door de muzikant. Of als een pen in de hand van een vaardig schrijver. God is het, Die tevoren de goede werken gereed maakt. En wij mogen daarin wandelen! 67

Efeze 2:11,12 – voorhuid genoemd Daarom herinner je, jullie, eens de natiën in vlees, die ‘voorhuid’ genoemd wordt door de zogenaamde ‘besnijdenis’ (in vlees met mensenhanden), dat jullie in die periode (…) gasten waren van de verbonden van de belofte … Vanaf dit vers gaat Paulus spreken over “jullie”, waarmee hij uitdrukkelijk doelt op gelovigen uit de natiën. Door Israëlieten werden zij minachtend ‘de voorhuid’ genoemd, dat wil zeggen: onbesnedenen. Dat was een puur vleselijk (lichamelijk) onderscheid. Dit onderscheid tussen Israël en de natiën speelt ook in het Nieuwe Testament nog een grote rol. Zo was Jezus in zijn bediening op aarde “slechts gezonden tot het huis van Israël”. Mat.15:24 Mensen uit de natiën vergeleek hij met “hondjes” (letterlijke vertaling). En daar was zijn Woord (brood) niet voor bestemd. Ook in het boek Handelingen zien we dat de apostelen zich aanvankelijk uitsluitend tot Israël hebben gericht. Want eerst moest Israël tot geloof komen waarna de Messias zou terugkeren. Hand.3:19-21 Dat was nummer één op het programma. Pas wanneer duidelijk wordt dat Israël het Evangelie verwerpt, gaat de deur naar de natiën open. Maar ook dan nog werden de onbesnedenen als gasten beschouwd. “Vergeet dat niet”, schrijft Paulus vanuit de gevangenis. Juist om te kunnen begrijpen hoe gewéldig het geheim is dat hij nu uitvoerig bekend mocht maken. 68

Efeze 2:11 – de zogenaamde ‘besnijdenis’ … de natiën in vlees, die ‘voorhuid’ genoemd wordt door de zogenaamde ‘besnijdenis’ (in vlees met mensenhanden) … Paulus spreekt hier over “de zogenaamde besnijdenis” en doelt daarbij op het ritueel dat met mensenhanden aan het vlees plaatsvindt. Wij zouden wellicht denken dat dit de echte besnijdenis is, maar voor Paulus is dat dus niet zo. Het zichtbare ritueel is “de zogenaamde besnijdenis” terwijl de ware besnijdenis die “van het hart is”. Rom.2:29 Het ritueel is alleen maar uiterlijk en werk van mensenhanden. De ware besnijdenis daarentegen is innerlijk en Gods werk. Het uiterlijke ritueel is slechts de uitbeelding daarvan. In Deuteronomium 30:6 voorzegt God bij monde van Mozes dat Hij – wanneer Hij het volk Israël zal terug verzamelen naar het land – tevens het hart van het volk zal besnijden. Hij zal de bedekking die op hun hart ligt, wegnemen, zoals bij het ritueel van de besnijdenis de voorhuid wordt weggenomen. Er ligt tot op vandaag een bedekking op Israëls hart, zodat men niet in staat is de boeken van het oude verbond te begrijpen. 2Kor.3:14-16 Wanneer God de voorhuid van hun hart wegneemt, dan ont-dekt men de opgewekte Christus. Uitgebeeld in de vrucht van de eik als embleem van glanzend, nieuw leven en vruchtbaarheid! 69

Efeze 2:11,12 – naar het vlees buitenstaanders Daarom herinner je, jullie, eens de natiën in vlees (…) dat jullie in die periode zonder Christus waren, vervreemd van het burgerrecht van Israël en gasten van de verbonden van de belofte, geen hoop hebbende en zonder God in de wereld. In deze verzen laat Paulus de gelovigen uit de natiën terugblikken op de periode dat ze “naar het vlees” verstoken waren van alle geestelijke voorrechten. Paulus doelt op de tijd dat zij door ‘de besnijdenis’ (Israël) werden beschouwd als buitenstaanders. Al kwamen ze op bezoek in Jeruzalem, dan was het hen ten strengste verboden om het eigenlijke tempelterrein te betreden. De natiën waren slechts gasten en vreemdelingen die “naar het vlees” geen aanspraak konden maken op de Christus, de verbonden van de belofte, de hoop en het naderen tot God. We lezen in Handelingen 21 dat Paulus een onbesneden Griek, ene Trofimus, had meegenomen naar Jeruzalem. De Joden meenden ten onrechte dat deze door Paulus in de tempel was binnengebracht. Dit werd de aanleiding tot Paulus’ gevangenschap. Naar het vlees stond deze Trofimus buiten. Maar geestelijk was hij tot in de tegenwoordigheid van de Vader genaderd, Ef.2:18 intiemer dan ooit de hogepriester in het heiligdom. Jood of niet, het maakt geen enkel verschil! 70

Efeze 2:12 – vervreemd van Israël … dat jullie in die periode zonder Christus waren, vervreemd van het burgerrecht van Israël … Dat door Israëls afwijzing van het Evangelie, de boodschap terecht is gekomen bij de natiën is een bekend thema in Paulus’ brieven. Paulus was zelf het wandelend bewijs daarvan. Nadat Jeruzalem het Evangelie officieel had afgewezen (in de steniging van Stefanus) werd Paulus geroepen om naar de natiën te gaan. Veel minder bekend is dat door Jeruzalems afwijzing de boodschap van redding ook terecht kwam bij hen “die vervreemd waren van Israëls burgerrecht”. In die uitdrukking klinkt door dat men ooit wel bij Israël hoorde. We kunnen denken aan geassimileerde Joden, dat wil zeggen: Joden die door vermenging bastaarden werden. Maar we kunnen ook denken aan de velen van ‘de tien stammen’ (Efraïm) die ooit gedeporteerd waren naar Assyrië en voor het merendeel onder de natiën hun identiteit kwijt raakten. Wanneer in onze dagen het Evangelie gezonden wordt naar de natiën, dan komt het daarmee dus ook terecht bij allen die, om welke reden ook, vervreemd zijn van Israël. Vanwege hun bijzondere komaf, zijn zij het diepst van allen gezakt. Het is daarom een demonstratie van genade dat God juist hen opzoekt. Niet dankzij, maar ondanks hun afkomst! 71

Efeze 2:12 – zonder God in de wereld … en zonder God in de wereld … In het Grieks gebruikt Paulus hier een woord (atheos) waar ons begrip ‘atheïst’ vanaf geleid is. In Romeinen 1 lezen we dat elk mens met verstand weet dat God er is. Want het ontwerp, dat we in ieder facet van de natuur tegenkomen, verraadt een Ontwerper. Zoals een piano, een computer of een muziekstuk een meesterlijk brein veronderstellen. Het is ronduit bizar te moeten aannemen dat dit ‘vanzelf zou kunnen ontstaan’. Slechts vooroordeel en (academische!) indoctrinatie kan mensen zover brengen. Maar de mensen “zonder God”, waar Paulus in zijn dagen op doelde, waren geen atheïsten. Die bestonden toen niet. Nee, de mensen “zonder God” waren doorgaans juist zeer religieus. Men diende vele goden, maar juist daarom was men “zonder God in de wereld”. Want er is of één God of géén God. Zou er meer dan één God zijn (één, twee, drie… of duizend), dan betekent dit dat iedere god zijn macht moet delen met andere godheden. Wat de één besluit, zou de ander weer ongedaan kunnen maken. Meerdere goden zijn per definitie beperkt in hun vermogen en dus niet werkelijk God. Slechts één God kan absoluut zijn. Die alles beschikt en Die nooit mistast! 72

Efeze 2:13 – “in Christus Jezus” Maar nu, in Christus Jezus, zijn jullie, die eens ver weg waren, dichtbij gekomen in het bloed van de Christus. In enkele schetsen had Paulus de situatie geschilderd van de natiën, bezien vanuit de exclusieve voorrechten die aan Israël waren toebedeeld. Maar dat was inmiddels verleden tijd. De positie “ver weg” was veranderd in “dichtbij”. Niet doordat zij zich als proselieten bij Israël hadden gevoegd door besnijdenis of een ander ritueel. Nee, door geloof in het Goede Bericht zoals Paulus dit verkondigde onder de natiën. De gelovigen uit de natiën waren ook niet in Israël ingelijfd maar “in Christus Jezus”. Eén lichaam met hem! Ze maakten nu deel uit van “de Christus”. De Christus waar het volk Israël naar uitkeek. Maar die ook door het volk officieel was afgewezen en gekruisigd. “Het bloed van de Christus” spreekt daarvan. Maar de Christus is opgewekt uit de doden en verheerlijkt. En nú worden gelovigen uit de natiën in hem, “in Christus Jezus”, ingelijfd! Het contrast kan niet groter. Israël als volk vergoot het bloed van Christus en nu worden mensen uit de natiën, “die eens ver weg waren”, vereenzelvigd met Christus Jezus, de verhoogde aan Gods rechterhand! 73

Efeze 2:13 – het bloed van Christus Maar nu, in Christus Jezus, zijn jullie, die eens ver weg waren, dichtbij gekomen in het bloed van de Christus. Het bloed van Christus verwijst naar “het bloed van het kruis”. Kol.1:20 Naar hoe hij werd geslacht en doodbloedde. Maar waar men doorgaans denkt dat de betekenis van het bloed van Christus eindigt, daar begint het volgens de Schrift juist. Bloed speelde een grote rol in de offerdienst. Een lam of een bokje werd geslacht, maar altijd met het oog op de functie na de slachting. Na de slachting werd het dier geofferd. De slachting spreekt uiteraard van het kruis. Het offer daarentegen dat daarna opsteeg, spreekt van de opgewekte Christus. ‘Bloed’ in de Schrift verwijst naar het slachtoffer, dat wil zeggen: naar de gestorven en (wat meer is!) de opgewekte Christus. Het bijzondere van het lammetje dat geslacht is, is dat het staat. Op.5:6 Hij is namelijk opgestaan! Het bloed van Christus spreekt niet van een dode, nee, het spreekt van Hem die uit de dood is opgestaan! Het is “in het bloed van de Christus” dat wij, die eens ver weg waren, dichtbij zijn gekomen. Zeker, daarvoor moest hij eerst sterven. Maar niet een dode maar de levende Christus brengt ons nabij God! 74

Efeze 2:14 – hij is onze vrede Want hij is onze vrede, die de beiden één maakt en de tussenmuur van de afscheiding afbreekt … In het voorgaande beschreef Paulus de grote religieuze kloof tussen jood en heiden (dat wil zeggen: de natiën); tussen ‘de besnijdenis’ en ‘de voorhuid’. Deze scheiding wordt gesymboliseerd in de “tussenmuur van de scheiding”, de zogenaamde soreq. Wie naar Jeruzalem ging om de tempel te bezoeken stuitte als vanzelf op deze muur. Binnen deze muur bevond zich het deel van de tempel dat uitsluitend mocht worden betreden door hen die uit ‘de besnijdenis’ waren. De natiën stonden daar letterlijk en figuurlijk buiten. Op straffe van de dood zelfs. Zo waren de bepalingen in Gods woonplaats “in het vlees”. Ef.2:11 Maar “in de geest” Ef.2:22 is van deze “tussenmuur van scheiding” totaal geen sprake meer. Afkomst speelt geen rol. Gewijde plaatsen en rituelen evenmin. Wat “in het vlees” scheiding maakt en ook een voortdurende bron van conflicten is, dat speelt in ‘het lichaam’ (dat wil zeggen: de ekklesia; Efeze 1:22) van de opgewekte en verheerlijkte Christus geen enkele rol. Een jood in deze ekklesia is niet méér en een ‘heiden’ is niet minder. Want “hij is onze vrede”. Christus Jezus brengt eenheid op het hoogste niveau tot stand. Op hemels niveau! 75

Efeze 2:14,15 – de vijandschap in zijn vlees … die de beiden één maakt en de tussenmuur van de afscheiding afbreekt, de vijandschap in zijn vlees, de wet van de voorschriften … De gangbare vertalingen maken het ons hier niet altijd even gemakkelijk. Dat is niet helemaal onbegrijpelijk want Paulus bedient zich van nogal lange zinnen. Om te verstaan wat hij schrijft, moeten we daarom vooral aandachtig lezen. Woord voor woord en zinsdeel voor zinsdeel. Paulus verwijst naar de beroemde muur rond de tempel waarbinnen alleen Joden mochten komen, de “tussenmuur van de afscheiding”. Die muur was een embleem van verdeeldheid. De afbakening tussen jood en heiden werd geregeld door “de wet van de voorschriften”. Toen Jezus op aarde rondwandelde was hij uitsluitend gezonden tot het huis van Israël. Mat.15:24 En wanneer hij als jood de tempel binnenging, liet hij daarmee de natiën buitenstaan. De onderlinge vijandschap tussen jood en heiden zien we dus ook “in zijn vlees” uitgedrukt. Wij uit de natiën, zijn ook niet met de Jezus van vóór het kruis in aanraking gekomen. Dat zou niet eens hebben gekund. Wij kennen Christus niet naar het vlees, 2Kor.5:16 maar als de opgewekte en verheerlijkte. Als Christus Jezus zoals hij zich aan Paulus heeft geopenbaard. In oogverblindende hemelse glorie! 76

Efeze 2:15 – de wet van de voorschriften … de wet van de voorschriften, in officiële besluiten bestaande, buiten werking stelt, om de twee, in zichzelf, tot één nieuwe mens te scheppen … “De wet van de voorschriften” die de jood afbakende van de heiden, is buiten werking gesteld. Leest u dat goed? In de ene “nieuwe mens” speelt deze wet geen enkele rol. Ongeacht of dat nu sabbat betreft, hoogtijden, voedselvoorschriften, besnijdenis of welk voorschrift ook. Kol.2:16 van Christus (!) zijn dat totaal geen items. Het meest kenmerkende van de nieuwe mens waarin “de twee” (jood en heiden) één zijn geworden, is dat de tussenmuur is weggebroken. Alles waarin de jood zich onderscheidde van de natiën, is in de “nieuwe mens” verdwenen. Daar wordt niet de wet, die richtinggevend was voor Israël, voorgelezen. Daar neemt men elkaar evenmin de maat over de sabbat. Daar speelt het besnijdenis-ritueel geen rol. Of iets wat voor deze zaken in de plaats zou zijn gekomen (doop, zondag, enzovoort). De nieuwe formatie die God heeft gecreëerd is geen religieuze gemeenschap. Religies onderscheiden zich door speciale dagen, hoogtijden en rituelen. Maar in de “nieuwe mens” is dat niet aan de orde. Daar heerst geen wet, maar genade. Vreugde om niet! Binnen het lichaam 77

Efeze 2:15 – officiële besluiten … de wet van de voorschriften, in officiële besluiten bestaande, buiten werking stelt … In de nieuwe mens die God heeft geschapen speelt “de wet van de voorschriften” geen rol meer. Ook geen afgebakende plaats meer voor de jood. Vandaar dat “de twee” – jood en heiden – één zijn geworden. Paulus schrijft hier over “de wet van de geboden” die “in officiële besluiten” bestaat. Over welke besluiten heeft hij het? In het Grieks wordt hier hetzelfde woord (dogma) gebruikt als voor de ‘besluiten’ die waren genomen tijdens de apostelvergadering in Jeruzalem. Hand.16:4 Tijdens die vergadering was besloten dat de natiën vrijgesteld zijn van “de wet van de voorschriften”. Maar tegelijkertijd bleef daarmee “de wet van de voorschriften” voor Israël gehandhaafd. Hand.21:21-25 Gedurende het boek Handelingen had Israël een bijzondere en vooraanstaande rol. Als het volk tot bekering zou komen, zou de Messias in die generatie terugkeren en zijn Koninkrijk op aarde vestigen. Hand.3:19-21 Maar Israël kwam niet tot bekering en in Handelingen 28 wordt medegedeeld dat dit ook niet meer kon. Sindsdien is Israëls bijzondere plaats (voorlopig) voorbij. En nu, vanuit de gevangenis, belicht Paulus deze nieuwe situatie. Geen muur meer tussen jood en heiden. Afkomst doet niet ter zake. Er is eenheid in Christus! 78

Efeze 2:15,16 – vrede en verzoening … om de twee, in zichzelf, tot één nieuwe mens te scheppen, terwijl hij vrede maakt, en de beiden wederzijds te verzoenen in één lichaam met God, door het kruis, de vijandschap daarin dodend. De twee worden één. Dat is het grote onderwerp in deze passage. Dat is ook wat verzoenen betekent: vrede maken. Het is het opheffen van vijandschap en vervreemding. Kol.2:21 Die vijandschap is gericht naar twee kanten. Verticaal, naar God toe. Ef.2:12 heiden onderling. Ef.2:11 ook de verzoening werkt naar twee kanten. In het kruis komen de verticale en de horizontale lijn bijeen. Het kruis is het embleem van Israëls verwerping van de Messias. Door die verwerping is de boodschap van “de verzoening der wereld” Rom.11:15 via Paulus bij de natiën terecht gekomen. Israël als volk, is tijdelijk op een zijspoor gezet en sindsdien is er sprake van een nieuwe formatie: het ene lichaam van Christus, de ekklesia. Zonder onderscheid in afkomst. Maar het kruis bewijst bovenal via welke weg God vrede maakt. De wereld nagelde Gods Zoon aan het kruis, maar God wekte hem op ten derde dage, om aan diezelfde wereld het Leven te geven. Tegen zulke liefde is geen vijandschap opgewassen! En horizontaal, de vijandschap tussen jood en Vandaar ook “wederzijds verzoenen”: 79

Efeze 2:17 – Christus evangeliseert En komende, evangeliseert Hij vrede aan jullie die ver weg zijn en vrede aan die nabij zijn … Velen verstaan dit vers zo, dat Jezus bij zijn komst op aarde vrede evangeliseerde aan de natiën en aan Israël. Maar hoe is dat te rijmen met het gegeven dat Jezus naar eigen zeggen slechts gezonden was tot de verloren schapen van het huis Israëls? Mat.15:24 Zeker, hij had daarbij ook oog voor de Israëlieten in het buitenland. De schapen “die niet van deze stal zijn”. Joh.10:16; Eze.34:12 In Galaten 1:16 lezen we van Paulus dat God hem had afgezonderd om Zijn Zoon in hem te onthullen, opdat hij hem zou evangeliseren te midden van de natiën. God onthulde Zijn Zoon … in Paulus! In Paulus evangeliseerde Christus onder de natiën. Alles wat Christus vandaag te melden heeft onder de natiën heeft hij via Paulus bekend gemaakt. Paulus werd geroepen om Christus’ woordvoerder te zijn onder de natiën. Toen Israëls ‘nee’ tegen de Messias steeds harder klonk, werd Saulus geroepen op de weg naar Damascus. Saulus werd Paulus. Vanuit de hemel werd Paulus ge-update. En in het Goede Bericht van vrede, dat hij – veraf en dichtbij – wereldkundig mocht maken, werd Christus’ eigen stem vernomen! 80

Efeze 2:18 – toegang tot de Vader … want door hem hebben wij de toegang, beiden, in één geest, tot de Vader. Eerst was er sprake van een tempel, waar de natiën door een tussenmuur slechts buitenstaanders waren. Ef.2:14 toegang voor zowel de jood als de heiden. Niet omdat de natiën nu dezelfde rechten hebben gekregen als Israël in de tempel. Het betekent oneindig veel meer! Voor beiden. Ook Israël had maar zeer beperkte toegang in het heiligdom. In “het heilige” mochten slechts priesters komen en alleen de hogepriester mocht één keer per jaar in “het heilige der heiligen” naderen tot God. Nu daarentegen, hebben beiden, jood en heiden, toegang tot de Vader. Niet om ‘op audiëntie te komen’, maar om non-stop bij God te vertoeven in dezelfde verhouding als waarin de Heer Jezus Christus tot Hem staat. Ef.1:3 In deze sfeer bestaan geen fysieke belemmeringen. Er is geen muur die scheiding maakt of een gordijn dat hindert. Er behoeft ook geen pelgrimsreis naar Jeruzalem voor ondernomen te worden. Want “in één geest” hebben we de toegang. Het is een geestelijke eenheid. Tussen jood en heiden, die samen “één lichaam” vormen Ef.2:16 en delen in de positie van het Hoofd. Dichter bij God kun je nooit komen! Nu is er vrije 81

Efeze 2:19 – medeburgers en huisgenoten Dus dan zijn jullie geen gasten en bijwoners meer, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God … De natiën waren ooit buitenstaanders. Kwamen ze in de stad Jeruzalem, dan was daar de tussenmuur die hen zorgvuldig op afstand hield van het heiligdom. Paulus’ gevangenschap (van waaruit hij nu schrijft; Efeze 3:1) was begonnen met de beschuldiging dat hij een heiden de tempel zou hebben binnengebracht. Die aanklacht was vals, maar “in de geest” was dat precies wat Paulus onderwees. De natiën zijn niet langer slechts gasten, maar huisgenoten. Geen bijwoners meer maar medeburgers! “Medeburgers van de heiligen” betekent niet dat de natiën nu zijn ingelijfd bij Israël. Nee, er is sprake van een nieuwe formatie, een “nieuwe mens”. Ef.2:15 Gelovigen uit de natiën en gelovigen uit Israël zijn beiden in Christus ingelijfd. Letterlijk: in het lijf, dat wil zeggen: in het lichaam van Christus geplaatst. Want dat is de ekklesia: het lichaam van Christus. In het begrip ‘medeburgers’ ligt besloten: samen burgers van één stad (polis). Bij ‘huisgenoten’ is de sfeer nog veel intiemer: samenleven in één huis. Het huis van God zonder bordjes ‘verboden toegang’; de plaats waar God als Vader woont en toegankelijk is voor allen die daar thuis zijn. 82

Efeze 2:20 – het fundament van de apostelen en profeten … gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten … De ekklesia wordt in deze verzen vergeleken met een huis. In de dubbele zin van het woord. In vers 19 als aanduiding van de huisbewoners (zoals in de zin “ik en mijn huis, wij zullen de Heer dienen”). En in vers 20 is het huis het gebouw waarin men woont. In beide gevallen is de ekklesia een tempel, het huis namelijk waar God Zelf woont. Het fundament van het bouwwerk waarvan Paulus spreekt, is gelegd door “de apostelen en profeten”. Uiteraard niet de profeten van het ‘Oude Testament’, want in dat geval zouden zij als eerste zijn genoemd (zie ook Efeze 3:5). De ekklesia is begonnen met “de apostelen” (zie ook 1 Korinthe 12:28: “ten eerste apostelen”). Het woord ‘apostelen’ betekent ‘afgevaardigden’ en het verwijst naar de mannen die door de opgewekte Christus werden afgevaardigd. 1Kor.9:1; 15:7 Naast ‘afgevaardigden’ zijn de fundament-leggers ook ‘profeten’; mensen die rechtstreeks woorden van God mochten doorgeven. Zij allen droegen zorg voor de solide basis van de ekklesia. Hoogstpersoonlijk door Christus zelf afgevaardigd. Paulus was de laatste van hen. 1Kor.15:8; 9:1 In de eerste generatie werd het fundament gelegd. Eenmalig. Het Woord is gesproken en zwart-op-wit aan volgende generaties doorgegeven. Daarop kunnen we bouwen! 83

Efeze 2:20 – de uiterste hoeksteen … gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, waarbij de uiterste hoeksteen Christus Jezus zelf is … Bij “uiterste hoeksteen” wordt vaak gedacht aan de sluitsteen. De top van het bouwwerk, op de gevel. De bekroning dus. Maar vermoedelijk denkt Paulus bij het woord ‘hoeksteen’ aan de basis, waarop het bouwwerk is gefundeerd. Dat was ook het onderwerp eerder in de zin. Paulus refereert aan meerdere plaatsen in de Hebreeuwse Bijbel. Zoals aan Psalm 118:22: “De steen die de bouwlieden verworpen hebben, is tot een hoeksteen geworden. Van JAHWEH is dit geschied, het is wonderlijk in onze ogen!” Israëls leidslieden mogen dan hun Messias hebben verworpen, God heeft hem niettemin gemaakt tot hoeksteen. De eerste steen van een ander, geestelijk bouwwerk: de ekklesia in onze dagen. Dat had Israël niet voorzien en vandaar ook de woorden: “… het is wonderlijk in onze ogen!” Naast Psalm 118, zinspeelt Paulus ook op de profetie in Jesaja 28:16. Daar verklaart God: “… zie Ik fundeer in Sion een steen, een beproefde steen, een kostbare hoeksteen …”. In Jeruzalem werd de ‘steen’ beproefd, maar daar was het ook dat God Zijn Zoon deed opstaan uit de doden. Als Eersteling. Daarmee werd hij de kostbare hoeksteen waarop heel Gods bouwwerk is gegrondvest! 84

Efeze 2:20,21 – verbinding in hem … waarbij de uiterste hoeksteen Christus Jezus zelf is, in wie ieder gebouw samen verbonden wordt, groeiend tot in een heilige tempel in [de] Heer. Het is in Christus Jezus, de hoeksteen, dat de ekklesia haar samenhang vindt. Dat geldt niet alleen voor de ekklesia in onze dagen. Het is waar voor “ieder bouwwerk” dat bestemd is om Gods tempel te zijn. God heeft meer ‘bouwprojecten’ dan alleen de huidige ekklesia. In de nabije toekomst zal God de draad weer oppakken met Israël. Het volk zal tot erkenning komen van haar Messias en hij zal zijn Koninkrijk vestigen in Jeruzalem. En God zal wonen te midden van Zijn volk als in een tempel. En ook dan zal Jezus Christus degene zijn die samenvoegt en verenigt. Hij zal het volk bijeen brengen vanuit de natiën. Het is een universele waarheid dat door Christus eenheid tot stand komt. Ware verbinding en eenheid is geen mensenwerk. De ekklesia die God vandaag uitroept is geen instituut of organisatie. Het heeft ook geen ledenlijst of menselijk bestuur. De ekklesia is een organisme dat groeit en het vormt een geestelijke eenheid. Bestuurd vanuit het Hoofd in de hemel. Niet ‘iets’ maar Iemand verbindt hen. De uiterste hoeksteen! 85

Efeze 2:21,22 – woonplaats van God in geest … de uiterste hoeksteen Christus Jezus zelf is, in wie ieder gebouw samen verbonden wordt, groeiend (…) in wie ook jullie samen gebouwd worden tot een woonplaats van God in geest. Christus Jezus is de hoeksteen. Met hem staat of valt Gods woonplaats. Dat is geen fysieke tempel, zoals die ooit in Jeruzalem stond en zoals die daar in de toekomende aeon ook weer zal staan. Maar nu is het een woonplaats van God “in geest”. Geestelijk dus. Niet gebonden aan een geografische plaats. Onzienlijk en een verborgen realiteit. Gods werk vandaag is de bouw van een geestelijke woonplaats. Niet gebouwd met bakstenen maar met mensen als “levende stenen”. 1Pet.2:5 Waarbij het God Zelf is, Die dit bouwwerk tot stand brengt. Vandaar dat er staat, dat we als gelovigen “worden gebouwd”. Hij voegt ‘stenen’ toe aan dit bouwwerk. En Hij plaatst ze op “het fundament van de apostelen en profeten, de uiterste hoeksteen, Christus Jezus zelf”. Waar het voor ons als gelovigen op aankomt, is om op dit fundament te blijven staan. Standvastig en onwankelbaar. Ons niet te laten afbrengen “van de hoop van het Goede Bericht”. Wat ‘men’ of mensen ook mogen menen, voelen, zeggen of beweren. Dat is slechts “wind van leer”. 86

Ongekende Hoogte EFEZE 3 87

88

Efeze 3:1 – gevangene van Christus Jezus Ten gunste van dit, ben ik Paulus, de gevangene van Christus Jezus, ten behoeve van jullie, de natiën. Paulus had in het voorgaande hoofdstuk de enorme voorrechten uiteengezet die aan de natiën ten deel zijn gevallen. Gebracht in het heiligdom en de intieme sfeer van het huis van God, de Vader. Deel uitmakend van “de nieuwe mens”, een nieuw gezelschap, met een hemelse bestemming. Eén gemaakt met Christus Jezus, die het Hoofd van hen is. En vanwege dit alles is Paulus nu een gevangene. En inderdaad, zo wordt het ook uitgebreid beschreven in het boek Handelingen. Toen Paulus in Jeruzalem was, Hand.21 brak er een enorme rel uit omdat hij ene Trofimus, een Griek, in de tempel zou hebben gebracht. Hij zou de tussenmuur – en het verbod dat daarop stond geschreven – , hebben genegeerd. Zeker, die beschuldiging was niet waar, maar “in de geest” is dit precies wat Paulus verkondigde. De tussenmuur is weggebroken! Israëls bevoorrechte plaats is (tijdelijk) voorbij. Gelovigen in Christus Jezus zijn één, ongeacht hun achtergrond. Let op dat Paulus niet schrijft een gevangene van de Romeinen te zijn. Nee, ook als gevangene is hij geheel voor rekening van Christus Jezus. Verzekerd van zijn hemelse zorg! 89

Efeze 3:1,2 – breaking! Ten gunste van dit, ben ik Paulus, de gevangene van Christus Jezus, ten behoeve van jullie, de natiën. Jullie hebben immers gehoord van het beheer van de genade van God … Dat heel Efeze 3 (na vers 1) in feite een tussenzin is, is bekend bij de uitleggers. In hoofdstuk 4 pakt Paulus de draad weer op die hij na Efeze 3 vers 1 had losgelaten. Efeze 3 is een onderbreking in Paulus’ betoog. Maar wat de meeste uitleggers ontgaat is dat Paulus daarmee als een ware stilist te werk gaat. In stijl drukt hij uit wat hij schrijft. In Efeze 3 beschrijft Paulus hoe aan hem “het beheer van de genade van God” is toevertrouwd. Een geheim dat in voorgaande generaties niet bekend was gemaakt. Wat God via de apostel Paulus aan de natiën (zonder onderscheid) bekend laat maken, was verborgen bij Israëls profeten. De natiën worden nu niet gezegend door Israëls herstel (zoals was voorzegd) maar door Israëls val. Het werk dat God vandaag tussen de eerste en tweede komst van Christus doet, is een onderbreking in Zijn plan. Straks zal Hij de draad alsnog oppakken met Israël. Hij verlaat immers niet wat Zijn hand begon. Maar nu, ‘breaking news’: we schakelen over naar … Paulus! 90

Efeze 3:2 – het beheer van Gods genade Jullie hebben immers gehoord van het beheer van de genade van God, dat aan mij gegeven wordt voor jullie … Paulus is een gevangene, ten behoeve van de natiën. Ef.3:1 Maar waarom hij? Het antwoord is: aan Paulus was “het beheer van de genade van God” gegeven met het oog op de natiën. Waaraan hebben we te denken bij ‘beheer’? Het woord dat achter ‘beheer’ schuil gaat is in het Grieks oikonomia, waarin we gemakkelijk ons woord ‘economie’ herkennen. Sommige vertalingen spreken van ‘rentmeesterschap’ en weer anderen van ‘huishouding’. Van Erastus lezen we in Romeinen 16:23 dat hij de “beheerder/rentmeester van de stad” was. Een huisbeheerder is niet de eigenaar of bezitter, maar wel de manager van de huishouding. Hij geeft de aanwijzingen. Toen God op de berg Sinaï aan Israël de wet gaf, koos Hij als beheerder Mozes uit. Joh.1:17 Wel, wat Mozes voor Israël betekende, dat is Paulus nu voor de natiën. Aan hem werd “het beheer van de genade van God” gegeven. Wat Gods genade inhoudt en hoe verstrekkend dit is, is via Paulus bekend gemaakt. Hij maakt duidelijk hoe genade het huis Gods vandaag beheerst. Heb je vragen daarover? Dan moet je bij Paulus zijn. Hij is de beheerder. 91

Efeze 3:2,3 – het geheim aan Paulus onthuld … het beheer van de genade van God, dat aan mij gegeven wordt voor jullie, dat naar onthulling het geheim aan mij is bekend gemaakt, zoals ik tevoren in het kort schreef … Het is alsof Paulus een sleutel had ontvangen van een schatkamer waartoe niemand eerder ooit toegang toe had. De genade Gods, waarvan hij beheerder was, was als een geheim speciaal aan hem onthuld. Het geeft aan hoe bijzonder de waarheden zijn die juist hij mocht bekendmaken. Het is vooral in zijn brieven vanuit de gevangenis (zie ook de Kolosse-brief) dat Paulus uitgebreid over “het geheim” schrijft. In de eerdere brieven stipte hij dat slechts kort aan. Maar ook reeds in de Romeinen-brief schreef hij, evenals hier, dat het geheim, dat aeonen lang verzwegen was, nu is geopenbaard. Paulus spreekt in dat verband van “mijn Evangelie”. Rom.16:25 De enorme voorrechten die via Paulus’ bediening ten deel vallen aan de natiën, waren voorheen onbekend. Het was ook verborgen in het Oude Testament. De volkenwereld zou gezegend worden via en vanuit een hersteld Israël. Dat was bekend vanuit de profetie. Maar nu is Israël op een zijspoor gezet … en nog veel grotere zegeningen komen tot de natiën! Wie had dat kunnen denken?! 92

Efeze 3:4 – het geheim van de Christus Daarnaar kunnen jullie, al lezende, mijn inzicht verstaan in het geheim van de Christus … Aan Paulus is een geheim bekend gemaakt. Juist aan hem, die zich “de geringste van alle heiligen” noemt, Ef.3:8 omdat hij de vervolger van de ekklesia was. Hij is het levende bewijs van Gods genade en daarom ook geschikt voor “het beheer van Gods genade”. Geheel in overeenstemming daarmee werd aan hem niet slechts een geheim geopenbaard maar het geheim: “het geheim van de Christus”. In vooral vers 6 zal Paulus uitleggen wat dit geheim inhoudt. Het heet niet “het geheim van de Christus” omdat Christus Jezus het aan Paulus heeft bekend gemaakt. Dat is op zich wel waar, Gal.1:12 maar het is niet de verklaring van de term. “Het geheim van de Christus” is dat “de Christus” niet één persoon is maar een gezelschap van mensen! Het is de ekklesia die het lichaam vormt waarvan Christus Jezus het Hoofd is. Alles wat hij ontvangen heeft in het hemelse, is ook het deel van de ekklesia. Ef.1:3 “Het geheim van de Christus” is niet dat we delen in de zegeningen van Israël op aarde, maar dat we één gemaakt zijn met Christus Jezus in de hemel! 93

Efeze 3:5 – het geheim onthuld … in het geheim van de Christus, dat in andere generaties niet werd bekend gemaakt aan de zonen der mensen, zoals het nu werd onthuld aan Zijn heilige apostelen en profeten … De voorrechten die de natiën nu ten deel vallen, staan in groot contrast tot vroeger. Toen waren ze immers zonder God en buitenstaanders van Zijn dienst en van de beloften. Ef.2:12 De voorrechten die zij nu genieten, zijn echter niet alleen nieuw, ze waren tevoren ook onbekend. Het was verhuld Ef.3: 9 en verzwegen vanaf de aeonen. Rom.16:25 Wat Paulus mocht onthullen was in eerdere generaties onbekend. Ook de andere apostelen en profeten hadden er geen weet van. Aan hen was eerder “het Evangelie van de besnijdenis” toevertrouwd en zij waren daarom helemaal gericht op het herstel van Israël in hun dagen. Via die weg zou de zegen de natiën bereiken. Maar de openbaring die Paulus had ontvangen maakte duidelijk dat God vandaag een werk onder de natiën doet, juist vanwege Israëls ongeloof. Paulus’ gevangenschap was daarvan het embleem. De apostelen hoopten op de vervulling van wat de profeten hadden geopenbaard. En nu kwam Paulus een geheim vertellen, waarvan ze geen idee hadden. Wat een omschakeling in het denken, om dat te verstaan! 94

Efeze 3:6 – mede-lotbezitters … in geest zijn de natiën mede-lotbezitters en medeleden en mede-deelhebbers van de belofte in Christus Jezus … Nu dan, in dit vers komt het hoge woord er uit. Wat is de inhoud van het geheim waar Paulus het over heeft? In de eerste plaats dit: het ligt in de sfeer van geest – niet van vlees. “In vlees”, Ef.2:11 buitenstaanders. Maar nu “in geest” Ef.2:22 allerhoogste niveau verheven. qua fysieke afkomst, waren de natiën zijn ze tot het Om de positie van de natiën te beschrijven, gebruikt Paulus drie keer het woord ‘mede’ (letterlijk: ‘samen’). Horizontaal: de natiën met elkaar. Maar bovenal verticaal: samen met Christus. Zoals Paulus in Romeinen 8:17 zegt: “medelotbezitters met Christus”. De meeste vertalingen spreken van (mede-)erfgenamen. Maar oorspronkelijk heeft het woord de gedachte in zich van een lot dat iemand ten deel valt. Dat kán inderdaad een erfenis zijn, Luc.20:14 maar dat hoeft niet per se. Zo ontvingen de stammen van Israël letterlijk door loting hun land. Wat is het lotbezit dat de natiën ontvangen? Dit: dat alles wat Christus Jezus beloofd is aan hen toevalt! “… in hem, in wie ook ons lotdeel werd toebedeeld …”, schreef Paulus eerder. Ef.1:11 Want God heeft ons daartoe voorbestemd. Als een lot uit de loterij valt het ons ten deel! 95

Efeze 3:6 – mede-leden … in geest zijn de natiën mede-lotbezitters en medeleden en mede-deelhebbers van de belofte in Christus Jezus, door het Evangelie … Om de inhoud van “het geheim van de Christus” samen te vatten, gebruikt Paulus drie keer het woord ‘mede’ of letterlijk ‘samen’. Als tweede kenmerk noemt hij “medeleden” of letterlijk ‘samen-lichaam’. De gelovigen uit de natiën vormen samen één lichaam met Christus Jezus. Ze zijn in zijn lichaam begrepen: ingelijfd (geïncorporeerd). Zij zijn daarom ook mede-deelhebbers van de belofte in Christus Jezus. Wat Christus Jezus is beloofd, daaraan hebben zij mede deel. De eenwording met Christus Jezus, en het delen in zijn positie en in zijn hemelse heerlijkheid, is het meest karakteristieke van de ekklesia. We stierven samen met Christus, we werden samen met hem begraven en samen met hem opgewekt. We zijn ook samen met hem gezet te midden van de hemelsen, om straks ook samen met hem in heerlijkheid te verschijnen. Toen David profeteerde dat Christus aan Gods rechterhand zou worden gezet Ps.110:1 worden onderworpen, Ps.8 of dat alles aan zijn voeten zou was de ekklesia daarin begrepen (slot Efeze 1). Zó is de ekklesia verborgen in het Oude Testament. Wat een enorme positie heeft de ekklesia in Gods ogen! Het is duizelingwekkend – één met Christus! 96

Efeze 3:7 – door het Goede Bericht … zijn de natiën mede-lotbezitters en mede-leden en mede-deelhebbers van de belofte in Christus Jezus, door het Evangelie, waarvan ik een dienaar werd naar het geschenk van de genade van God … De samenvatting van “het geheim van de Christus” verwoordt Paulus in dit vers. De natiën delen samen met Christus Jezus het lotbezit (= erfenis). Ze vormen samen met hem één lichaam en zij hebben samen deel aan de belofte die aan hem is gedaan. Maar hoe krijgen de natiën deel aan deze heerlijkheid? Het antwoord luidt kort en bondig: door het Goede Bericht waarvan Paulus een dienaar werd. Paulus was geroepen om een diaken of bediende te zijn van het Goede Bericht dat gekenmerkt wordt door de genade van God. In Efeze 1:13 lezen we dat de Efeziërs het Goede Bericht van hun redding hadden gehoord en dit geloofden en daardoor waren ‘verzegeld’ met Gods geest. Het Goede Bericht is dat “de genade van God is verschenen: redding voor alle mensen!”. Tit.2:11 God redt alle mensen, puur om niet. Dat is het Evangelie. Een mededeling. En Paulus was geroepen om dat als een heraut onder de natiën uit te bazuinen. Wat een voorrecht dit te mogen vernemen. Zegt het daarom voort! 97

Efeze 3:8 – aan mij, de allergeringste … aan mij, de allergeringste van alle heiligen, werd deze genade gegeven, aan de natiën te evangeliseren … Van alle heiligen is Paulus “de allergeringste”. Dus nog minder dan de geringste. Die formulering gaat nog verder dan in 1 Korinthe 15:9 waar hij zich “de geringste van de apostelen” noemt. Hij heeft als geen ander de ekklesia van God vervolgd en daarom is hij het niet waard ‘een apostel’ te heten. En evenmin is hij het waard om onder ‘de heiligen’ te worden gerekend. Zoals water altijd de laagste plaats zoekt, zo zoekt genade per definitie degene, die er geen aanspraak op kan maken. Maar juist omdat Paulus “de allergeringste van alle heiligen” is, werd aan hem de genade gegeven om aan de natiën te evangeliseren. Paulus noemt zich “de geringste van de apostelen”. De “allergeringste van alle heiligen”. Maar het sterkst drukt hij het uit in 1 Timoteüs 1:15. Daar schrijft hij dat Christus Jezus in de wereld kwam om zondaren te redden, waaronder hij de eerste plaats innam. De hint moet duidelijk zijn. Als Gods genade “de eerste van de zondaren” vermag te redden, dan is er hoop voor alle zondaren! Dát is wat alle natiën moeten weten. 98

Efeze 3:8 – evangeliseren … aan mij, de allergeringste van alle heiligen, werd deze genade gegeven, aan de natiën te evangeliseren … Evangelie betekent: goed bericht. Dat het een ‘bericht’ heet, geeft aan dat het een mededeling is. En dat het ‘goed’ heet, betekent dat het verheugend nieuws is. Een goed bericht heeft een prikkel in zich om doorgegeven te worden. Om een voorbeeld te geven: wie geslaagd is voor een zwaar examen, zal dit goede nieuws graag aan anderen willen vertellen. Deze prikkel in een goed bericht, zien we ook terug in het werkwoord. Evangeliseren is meer dan alleen het Evangelie doorgeven. Evangeliseren verwijst niet alleen naar een activiteit, maar bovenal naar wat het Evangelie ook doet. De uitgang -iseren is via het Bijbelse Grieks (-izo) in onze taal terecht gekomen. Het verwijst naar wat het werkwoord veroorzaakt of uitwerkt. Kristalliseren wil zeggen: tot kristal maken. Demoniseren betekent: tot demon maken. Enzovoort. In het werkwoord ‘evangeliseren’ ligt besloten wat het Evangelie uitwerkt: de ander wordt tot evangelist gemaakt! Want wie een goed bericht hoort en gelooft, zal het zelf met vreugde vervolgens doorgeven! Voorwaarde is: het moet echt een goed bericht zijn. En dat had Paulus. De genade Gods is verschenen: redding voor alle mensen! 99

Efeze 3:8 – de onnaspeurlijke rijkdom van Christus … aan mij, de allergeringste van alle heiligen, werd deze genade gegeven, aan de natiën te evangeliseren, de onnaspeurlijke rijkdom van de Christus … Paulus zou aan de natiën evangeliseren: ‘aansteken’ met het Goede Bericht van “de onnaspeurlijke rijkdom van Christus”. Dat deze rijkdom onnaspeurlijk is, bevestigt wat we al eerder zagen Ef.3:5 en ook nog zullen zien. Ef.3:9 Het was voorheen verborgen en via Paulus geopenbaard. Rijkdommen genoeg in deze brief. Zoals “de rijkdom van genade”, Ef.1:7 lotdeel” Ef.1:18 in de komende aeonen. Ef.2:7 “de rijkdom van de heerlijkheid van zijn en “de overtreffende rijkdom van Zijn genade” Gods plan is alomvattend en ‘werk in uitvoering’. Aeonen zullen nog volgen en pas “in de volheid van de tijdperken” zal alles zijn samengevat in de Christus. Ef.1:10 Het onnaspeurlijke van “de rijkdom van de Christus” is in deze brief hierin gelegen: de Christus, dat is het Hoofd samen met zijn lichaam, de ekklesia. God is vandaag bezig een gezelschap uit te roepen, dat Hij heeft voorbestemd om deel uit te maken van de Christus. Bestemd om vanuit de hoogste positie, “te midden van de hemelsen”, Ef.2:7 bestemming brengen. Ef.1:22 het heelal tot haar Heel de schepping is voorbestemd tot heerlijkheid, maar de hoogste plaats, letterlijk en figuurlijk, is weggelegd voor de ekklesia! 100

Efeze 3:8,9 – het beheer van het geheim … aan mij, de allergeringste van alle heiligen, werd deze genade gegeven, aan de natiën te evangeliseren de onnaspeurlijke rijkdom van de Christus, en allen te verlichten, wat het beheer van het geheim [inhoudt], dat verhuld werd vanaf de aeonen in God, Die het al schiep … Wereldtijdperken gingen voorbij. God had Zich Israël verkozen en maakte aan hen Zijn woorden bekend. En toch, al die tijd verzweeg Hij iets dat in Zijn hart was. Hij verhulde het en hield het verborgen, totdat Hij eindelijk aan Paulus het geheim bekendmaakte. De Schepper van hemel en aarde met Zijn alomvattend voornemen verkoos daartoe … “de allergeringste”. Om via hem, “allen te verlichten”. Jood en heiden – alle natiën. Wat de inhoud van het geheim is, had Paulus zojuist verteld. Ef.3:6 Maar nu gaat het Paulus erom, “allen te verlichten wat het beheer van het geheim inhoudt”. Het beheer (of de huishouding) dat aan hem was toevertrouwd. Ef.3:20 Als beheerder maakt hij vanuit de gevangenis duidelijk hoe het vandaag toegaat in Gods huis. De aparte positie van Israël is niet langer aan de orde. De tussenmuur tussen jood en heiden is weggebroken. “De wet der geboden” geldt niet langer als huisregel, Ef.2:15 maar het licht van “de genade Gods”! Ef.3:2 101

Efeze 3:10 – wat de ekklesia nu mag doen … opdat nu bekend gemaakt zal worden aan de overheden en de autoriteiten te midden van de hemelsen, door de ekklesia, de veelkleurige wijsheid van de God … Paulus was geroepen “allen te verlichten, wat het beheer van het geheim inhoudt”. Ef.3:9 Met als doel dat nu, door de ekklesia, de veelkleurige wijsheid van God bekend gemaakt zou worden aan hemelse overheden en autoriteiten. Over deze overheden en autoriteiten had Paulus eerder geschreven, dat de opgewekte Christus boven hen een plaats heeft ontvangen. Ef.1:21 deelt met de ekklesia, zijn lichaam. Ef.1:22 Maar ook dat hij deze superieure plaats Tot op vandaag is dat verborgen en pas in de toekomende aeonen zal dit openbaar worden. Waar het om gaat, is dat alle gelovigen zouden worden verlicht en zo hun positie in Christus gaan verstaan. Want alleen dan, kan de ekklesia dat ook bekendmaken. En bedenk: de ekklesia is maar niet de som van alle gelovigen in Christus Jezus, nee, het is hun vergadering. Als zij nu bijéén zijn (vergelijk Efeze 3:18) en verklaren wat aan hen is toegezegd, dan wordt dat vernomen in de hemelse regionen. De overheden en autoriteiten aldaar zouden vernemen wie boven haar staan. “Of weten jullie niet dat wij engelen zullen oordelen?”, vroeg Paulus. 1Kor.6:3 102

Efeze 3:11 – de veelkleurige wijsheid van God … de veelkleurige wijsheid van de God, naar [het] voornemen van de aeonen dat Hij maakte in de Christus, Jezus, onze Heer … Paulus was geroepen om allen te verlichten Ef.3:9 zodat nu door de ekklesia de veelkleurige wijsheid van God zou worden bekend gemaakt. De ekklesia is als een prisma: als ze verlicht wordt, weerspiegelt ze het gehele kleurenspectrum. Het is in de diversiteit van alle leden van het lichaam, dat de veelzijdige wijsheid van God wordt uitgestald. Dat is ook één van de redenen waarom we als gelovigen samenkomen. We horen bij elkaar als één familie en “samen met alle heiligen” Ef.3:18 zijn we in staat de rijk gevarieerde wijsheid van God te vernemen en te beleven. Veelkleurigheid is eigen aan Gods wijze van doen. Dat zien we in Zijn scheppingswerken gedemonstreerd. Alle kleuren komen daarin aan bod. Niets is zonder betekenis en alles heeft een functie. Gods wijsheid blijkt daarin, dat alle details met elkaar samenhangen. Ze vormen een Goddelijk design. Veelkleurigheid zien we bovenal als een boog aan de hemel, die heel de aarde omspant. Het is het embleem van Gods trouw waar niets en niemand buiten valt. Omdat God, de Schepper, een alomvattend voornemen heeft, dat verankerd is in Christus Jezus! 103

Efeze 3:11 – het voornemen der aeonen … de veelkleurige wijsheid van de God, naar [het] voornemen van de aeonen dat Hij maakte in de Christus, Jezus, onze Heer … Als ergens de veelkleurige wijsheid van God wordt gedemonstreerd, dan is het wel in “het voornemen” of “het plan der aeonen”. Voordat de aeonen aanvingen, had God Zijn plan reeds gereed liggen. Gedurende wereldtijdperken zou Hij Zijn voornemen ‘uitrollen’. Zoals een architect en een bouwkundige in hun gemaakt bestek tot in de finesses alles hebben uitgewerkt. Met de bouwtekening als leidraad en een nauwkeurig tijdpad waarin alles wordt gerealiseerd. Op velerlei wijzen brengt Paulus “de aeonen” in deze brief ter sprake. Hij schrijft over “de voorbije aeonen”, “de tegenwoordige aeon”, “de toekomende aeon”, “de komende aeonen” en “de aeon der aeonen”. De gangbare bijbelvertalingen hebben van ‘aeon’ een eindeloze eeuwigheid gemaakt. Dat is rampzalig! Want daarmee maakt men het de bijbellezer onmogelijk om ook maar iets te verstaan van Gods “voornemen der aeonen”. Toorn, oordeel en straf voor de aeon worden dan eindeloos. En dat ontneemt niet alleen het zicht op Gods voornemen, maar ook op het Evangelie. Want dan kan Christus Jezus onmogelijk meer “de Redder der wereld” zijn. Nee, aeonen beginnen bij God maar eindigen ook in Hem! 104

Efeze 3:12 – door zijn geloof … Christus, Jezus, onze Heer, in wie wij de vrijmoedigheid en toegang hebben, in overtuiging door zijn geloof. De gangbare vertalingen spreken hier van “het geloof in Hem”. Dat is onjuist. Hier is geen sprake van ons geloof in Christus, maar van zijn geloof. Op nog zes andere plaatsen in Paulus’ brieven lezen we van het geloof van Christus Jezus. Maar helaas, in de gangbare, modernere vertalingen is dat wegvertaald. Men heeft van “geloof van Christus”, “geloof in Christus” gemaakt. Dat is niet alleen taalkundig fout, het is ook inhoudelijk een wereld van verschil! Het is het geloof van Christus op basis waarvan een mens gerechtvaardigd wordt. Gal.2:16; Rom.3:22 Zoals elk mens een zondaar is door ongeloof van één mens (Adam), zo worden alle mensen ook gerechtvaardigd door het geloof van één mens. Rom.5:18 Doordat één mens, Christus – “de laatste Adam” – , gehoorzaam was tot de dood van het kruis, is de toegang tot de levende God geopend. Daarom hebben we vrijmoedigheid “in overtuiging”. Ons eigen geloof wankelt maar al te gemakkelijk. Maar het is het geloof van Christus dat een absolute garantie is van toegang tot God. Het is zijn geloof – en daar geloven we in! 105

Efeze 3:13 – moedeloos?!? Daarom verzoek ik niet moedeloos te worden in mijn verdrukkingen ten behoeve van jullie, want dat is jullie heerlijkheid. Zoveel heerlijkheid had Paulus in het voorgaande van deze brief opgetekend. Over de hemelhoge positie die God, voor de geboorte van de wereld reeds, had toegedacht aan de ekklesia. Over de geestelijke eenheid die tussen heiden en jood tot stand is gebracht en de tussenmuur – de wet van de geboden – die hen verdeelde en die afgebroken is. Over het Goddelijke geheim dat via Paulus werd bekend gemaakt en “het voornemen van de aeonen” dat God als Schepper van alle dingen uitwerkt. Paulus was een gevangene. Maar in zijn ogen straalde het licht van het Goede Bericht dat hij mocht uitdragen! Hoe wonderlijk klinkt zijn verzoek: hij vraagt aan zijn lezers niet moedeloos te worden van zijn verdrukkingen. De moeiten van zijn verdrukkingen maakten Paulus zelf in elk geval niet mistroostig of somber. En zijn lezers zouden zich daar evenmin door moeten laten terneer drukken. Paulus’ gevangenschap betekende dat deuren waren dichtgegaan. Maar waar de mens een deur sluit, daar opent God een venster. Vanuit de gevangenis mocht Paulus perspectieven tonen die nog nooit door iemand waren gezien. Heerlijkheid, ongekend! 106

Efeze 3:14 – gebogen knieën Ten gunste van dit buig ik mijn knieën voor de Vader … Wat Paulus zojuist had opgetekend, is zo groots en indrukwekkend, dat het hem op de knieën brengt. Wie besef krijgt van “Gods voornemen van aeonen” en het geheim dat Paulus mocht onthullen, kan niet anders dan de knieën buigen voor de Degene, Die de oorsprong van dit alles is. Niet slechts om de Vader te danken voor wat Hij geeft. Maar meer nog: om Hemzelf te loven voor Wie Hij is. Dat zijn twee dingen. Danken doe je voor de gaven die je ontvangt. Loven en aanbidden doe je om Wie de Gever Zelf is. Toch speelt in deze passage nog een ander motief waarom Paulus zijn knieën buigt. Paulus knielt om te bidden voor zijn lezers. In het voorgaande had hij beschreven wat hen allemaal ten deel valt. Maar daar is Paulus niet tevreden mee. Hij knielt ten behoeve van hen neer, opdat ze ook de volle rijkdom van hun lotdeel zouden beseffen. Het woord voor ‘zegen’ in het Hebreeuws (barak) is hetzelfde woord als voor ‘knie’ en ‘knielen’. Die diepe eenheid tussen beide begrippen is veelzeggend: de zegen van alles is gelegen in het knielen voor de Vader! 107

Efeze 3:15 – vaderschap Ten gunste van dit buig ik mijn knieën voor de Vader, uit Wie elk vaderschap in hemelen en op aarde wordt genoemd … Paulus schrijft hier in één zin over ‘Vader’ (Grieks: pater) en ‘vaderschap’ (Grieks: patria). De meeste vertalingen spreken hier van ‘familie’ of iets dergelijks, maar in de Schrift valt dat samen. Familieleven is gebaseerd op vaderschap (> patriarchaal). Want de vader is degene die verantwoordelijk is en zorg draagt voor de familie. Ieder vaderschap, of dat nu hemels of aards is, is genoemd naar de Vader, voor Wie Paulus hier neerknielt. God als Vader is niet vernoemd naar ons vaderschap. “God de Vader” is geen metafoor, ontleend aan ons vaderschap. Het is precies omgekeerd! God is de Vader, en het vaderschap dat wij hier kennen is naar Hem vernoemd. Laten we niet onze ervaringen met vaderschap projecteren op God. Het is andersom. God als Vader is het origineel en het model. Hij is de oorsprong en draagt zorg voor elk afzonderlijk werk van Zijn handen. Hij staat garant voor de goede afloop van alles. Ieder creatuur kan altijd van Hem op aan. Zijn liefde is onvoorwaardelijk. Want Hij is God én Vader. Ieder vaderschap op aarde, zou zich aan Hem spiegelen! 108

Efeze 3:16 – naar de rijkdom van Zijn heerlijkheid … opdat Hij jullie zou geven, naar de rijkdom van Zijn heerlijkheid, in kracht gesterkt te worden door Zijn geest, tot in de innerlijke mens … Al in het eerste hoofdstuk schreef Paulus over “de rijkdom van de heerlijkheid van zijn lotdeel te midden van de heiligen”. Ef.1:18 Dat is de heerlijkheid die God voor ons heeft bestemd. Daar hoefde Paulus uiteraard niet voor te bidden. Dat is immers ons gegarandeerde bezit! Paulus’ gebed gaat over wat God daarmee in ons zou doen. Het is één ding om “de rijkdom van Zijn heerlijkheid” te bezitten. Maar als het daarbij blijft, dan is het in de praktijk slechts ‘dood kapitaal’. Dan ben ik als een onwetende multimiljonair die zijn bestaan in armoede doorbrengt. Is dat niet zonde? – letterlijk en figuurlijk. Waar het op aankomt is dat we gaan beseffen wat “de rijkdom van Zijn heerlijkheid” is. Want de maat waarin we die rijkdom kennen, is evenredig met de kracht die we in ons leven zullen ervaren (vergelijk Kolosse 1:10-11). Kracht “in de innerlijke mens”. Dat is niet in de buik maar in het hart. Kracht die ons sterk en vitaal maakt. Dat begint met kennis en besef. 109

Efeze 3:17 – geworteld en gefundeerd … dat de Christus door het geloof in jullie harten woont, in liefde geworteld en gefundeerd zijnde … Paulus vervolgt zijn gebed. Hij wil dat Christus door het geloof in de harten van zijn lezers zou wonen. Hij heeft het niet over ‘Jezus’ maar over “de Christus”. Jezus is de naam die is gekoppeld aan zijn aardse bestaan. Christus daarentegen is de titel die bij hem hoort als de opgewekte en verheerlijkte mens. Ef.1:20 “De Christus” is in deze brief vooral ook de titel van hem die het Hoofd is van het lichaam, de ekklesia. Ef.1:22 Fysiek gezien woont hij nu in de hemel. Want daarheen is hij opgevaren. Ef.4:8 wonen. Iedere gelovige is “in Christus”. De vraag is: woont hij ook in het hart van iedere gelovige? Dat kan alleen “door het geloof” – dat is het beamen van Gods beloften en toezeggingen. Want Hij doet het. Hij maakt het – Hij alleen! Wanneer Christus zo “door het geloof” in ons hart woont, hebben we vastheid gevonden. Als een huis dat is gefundeerd. Of als een boom die vast is geworteld en voeding vindt in … liefde. Agapē – dat is Gods liefde die alomvattend en onvoorwaardelijk is. Maar “door het geloof” kan hij in onze harten 110

Efeze 3:18 – in staat zijn te vatten … … opdat jullie in staat zouden zijn, te vatten, samen met alle heiligen, wat de breedte en lengte en hoogte en diepte is … Paulus’ gebed gaat niet over aardse omstandigheden, welstand of gezondheid. Dat was al lang geen onderwerp van gebed meer voor Paulus. Ooit was hem verzekerd: “mijn genade is jou genoeg”. Zo maakte bidden bij hem plaats voor danken. Paulus’ gebed gaat niet over problemen. Het gaat over de onvoorstelbare geestelijke rijkdom die ons bezit is. Ik herhaal: die ons bezit is. Maar wat valt er nog te bidden over rijkdom die we al hebben? Het antwoord is: Paulus bidt dat we de rijkdom zouden gaan (be)vatten. Al zijn arbeid was er op gericht om te vertellen, uiteen te zetten en op te tekenen, wat onze geestelijke zegeningen in Christus zijn. Ef.1:3 Meer lag niet binnen zijn vermogen. Er is er slechts Eén, Die ogen en harten van mensen kan openen en besef daarvan kan geven. En daarom boog Paulus zijn knieën. Opdat zijn lezers zouden (be)vatten hoe schathemelrijk ze zijn! De rijkdommen die ons toevallen, bezitten we “samen met alle heiligen”. Als een gemeenschappelijk bezit en gezamenlijke toekomst. Daarom zoeken we elkaar op: om dat alles te leren bevatten! 111

Efeze 3:18 – breedte, lengte, hoogte en diepte … opdat jullie in staat zouden zijn, te vatten, samen met alle heiligen, wat de breedte en lengte en hoogte en diepte is … In het voorgaande had Paulus geschreven over Gods geheimen die aan hem waren bekendgemaakt. Dat deed hem zijn knieën buigen voor de Vader met de bede dat zijn lezers, samen met alle heiligen zouden vatten wat daarvan de breedte, lengte, hoogte en diepte is. De breedte heeft te maken met de reikwijdte van Gods werk. Die is alomvattend en niemand uitsluitend. Ze is breed als de (volken)zee! De lengte bepaalt ons er bij dat, lang voordat de aarde bestond, Gods plannen al gereed waren. Maar ook hoe tot in lengte van aeonen, alles tot een volmaakt einde zal worden gebracht: God alles in allen! De hoogte spreekt van de hemelse hoogte waar God de Christus – Hoofd en lichaam – verheven heeft. Aan Zijn rechterhand! De diepte daarentegen verwijst naar het dodenrijk, waartoe Christus zich vernederde: “tot de dood, ja, de dood van het kruis”. Fil.2:8 In Job 11:7-9 lezen we: “Kun jij de geheimen Gods doorgronden? Zij zijn hoog als de hemel (…) dieper dan het dodenrijk (…) langer dan de aarde is hun maat en breder zijn zij dan de zee.” 112

Efeze 3:19 – de liefde van Christus … en te kennen de liefde van de Christus, die de kennis overtreft … Op het eerste gezicht heeft deze bede iets van een innerlijke tegenstrijdigheid. Hoe kun je immers iets kennen dat de kennis overtreft? En toch, bij nader inzien is dat wel degelijk mogelijk. Vergelijk het met een emmertje dat je onderdompelt in de oceaan. Dan is dat emmertje gevuld met de oceaan. Maar is de oceaan daarmee in dat emmertje? Uiteraard niet, onmogelijk! De liefde van Christus wordt beschreven als “de liefde van God die in Christus Jezus is”. Rom.8:35, 39 Want in Christus Jezus wordt de liefde van God tot uitdrukking gebracht. Zoals Paulus eerder schreef: “God echter bewijst Zijn liefde jegens ons, dat [toen] wij nog zondaars waren, Christus ten behoeve van ons stierf.” Christus stierf door zondaars maar tegelijkertijd ook voor zondaars. Hij stierf voor die wereld, die hem aan het kruis nagelde. Het is de liefde van Christus die Paulus drong. 2 Kor.5: 14 wel: niet de liefde voor Christus, maar de liefde van Christus. Let Omdat eens voor altijd de liefde Gods bewezen werd, toen “één voor allen stierf”. Die liefde – agapē – is onvoorwaardelijk, universeel, nooit eindigend en alles overtreffend. Het zal alle vijanden met God verzoenen! Kol.1:20 113

Efeze 3:19 – vervuld tot in al de volheid van God … en te kennen de liefde van de Christus, die de kennis overtreft, opdat jullie vervuld worden tot in al de volheid van God. Het doel van het kennen van de liefde van Christus – die we onmogelijk helemaal kunnen kennen – is dat we vervuld zouden worden tot in al de volheid van God. De redenen die Paulus noemde waarom hij zijn knieën boog voor zijn lezers, bereiken hier een absoluut hoogtepunt: “… vervuld worden tot in al de volheid van God”. In Kolosse 2:9 lezen we dat “al de volheid van de Godheid” in Christus lichamelijk woont. Dat betekent: heel de Godheid woont in de lichamelijk opgewekte Christus. Compleet en ten volle. Maar het gaat nog verder: want als Paulus over Christus lichamelijk schrijft, dan denkt hij bovenal ook aan de ekklesia, het lichaam van Christus. Stelt u zich eens voor: de volheid van God … in Christus en dus ook in ons! Dat is waartoe God ons bestemd heeft. Paulus’ bede is dat de volheid van God die ons wacht (straks in ons vernieuwde lichaam), ons nu reeds zou vervullen. Weliswaar nog niet vervuld worden met, maar wel vervuld worden tot in al de volheid van God. Als een groeiproces tot onze zekere bestemming! 114

Efeze 3:20 – superlatieven Aan Hem, Die bij machte is uitermate overdadig te doen boven alles wat wij bidden of denken, in overeenstemming met de macht die inwerkt in ons, aan Hem de heerlijkheid … De dingen waarvoor Paulus zojuist bad zijn duizelingwekkend groots. We zouden denken dat het onmogelijk is voor een mens op aarde om dit te beleven. Te hoog gegrepen. Naar de mens gesproken is dat ook zo. Maar juist daarom ook boog Paulus zijn knieën voor de Vader. Want God is wel bij machte te doen wat wij bidden. Of wat we niet durven te bidden maar wel in ons hart denken. Hij is zelfs bij machte alles te doen wat wij bidden of denken! Ja, Hij is bij machte te doen, boven alles wat wij bidden of denken. Wat zeg ik? Hij is bij machte overdadig alles te doen, boven wat wij bidden of denken. Nee, het is nóg sterker: Hij is bij machte meer dan overdadig te doen, boven alles wat wij bidden of denken! Wij klagen zo gemakkelijk over ons eigen onvermogen. Maar waarom zouden we? Kijk omhoog! Besef dat er Eén is, Die alvermogend is, voor Wie niets onmogelijk is. Van Hem kan een mens nooit teveel verwachten! 115

Efeze 3:21 – de aeon der aeonen … aan Hem de heerlijkheid, in de ekklesia en in Christus Jezus, tot in al de generaties van de aeon der aeonen. Amen! Paulus’ gebed eindigt in een ode aan de alvermogende God. Aan Wie anders dan Hem zou alle heerlijkheid toekomen? Te midden van de ekklesia, het uitroepsel dat God Zich vandaag verzamelt en in hem die van dat gezelschap het Hoofd is, Christus Jezus. En deze lofzang aan God zal klinken alle generaties door tot in “de aeon van de aeonen”. In deze brief was reeds eerder sprake van de voorbije aeonen, Ef.3:9 wereld”, Ef.2:1 komende aeonen”. Ef.2:7 “de toekomende aeon”, Ef.1:21 “de aeon van deze maar ook “de De komende aeonen zijn de wereldtijdperken waarin Christus zal heersen. Luc.1:34 Eerst zal straks op deze aarde het Millennium Ze overtreffen al de aeonen die er aan vooraf gingen. Daarom heten ze ook vrijwel standaard “de aeonen der aeonen”. Op.11:15 aanbreken, “de duizend jaren”. Op.20 Daarna zal Christus’ heerschappij zich voortzetten op een nieuwe aarde in de aeon die daarop volgt. Op.21 Niemand zal dan meer sterven. Die aeon zal nog weer heerlijker zijn dan de voorgaande. Daarom heet ze “de aeon der aeonen”. Telkens weer overtreffende heerlijkheid. Dat is de toekomst die ons wacht! 116

Efeze 3:21 – alles overtreffend! … aan Hem de heerlijkheid (…) tot in al de generaties van de aeon der aeonen. Amen! We kennen “het lied der liederen”, dat is het hoogste lied. Of “de koning der koningen”, dat is de hoogste koning. Of “het heilige der heiligen”, dat is het allerheiligste. Zo is “de aeon der aeonen” de meest overtreffende aeon. Christus zal heersen tot in “de toekomende aeonen”. Ef.2:7; Op.11:15 Eerst tijdens het Millennium op deze aarde. Daarna volgt het gericht bij de “grote witte troon” waar alle doden zullen opstaan die tot dusver dood waren. Degenen van wie de namen niet staan in het boek des levens worden in “het meer van het vuur” geworpen. Ze sterven een “tweede dood”. En dan volgt de laatste aeon, “de aeon der aeonen”. Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Op.21 Christus heerst daar nog. Velen zijn dan ook nog (voor de tweede keer) dood. Christus moet heersen totdat hij de dood als laatste vijand zal hebben teniet gedaan. 1Kor.15:22-28 Dat doet hij door alle mensen levend te maken en het léven te geven dat hij als Eersteling aan het licht bracht! Geen mens zal ontbreken. En een volmaakt Koninkrijk zal de Zoon aan zijn Vader teruggeven. 117

118

Ongekende Hoogte EFEZE 4 119

120

Efeze 4:1 – een waardige wandel! Ik roep jullie dan op broeders, ik de gevangene in de Heer, waardig te wandelen der roeping, waarmee jullie werden geroepen. Paulus pakt hier de draad weer op, die hij in Efeze 3:1 losliet. De rest van Efeze 3 was een onderbreking. Zoals ook het geheim dat aan hem was onthuld, een onderbreking in de geschiedenis betreft. Dat hij “de gevangene in de Heer” is, typeert de bediening die aan hem was toevertrouwd. Hij was gevangen genomen in Jeruzalem vanwege zijn boodschap onder de natiën. In de eerste drie hoofdstukken had hij uitgebreid uiteengezet met welke roeping wij zijn geroepen. Bestemd om op het hoogste, hemelse niveau, als het lichaam van Christus, de overtreffende rijkdom van Gods genade te betonen. Dat is waartoe we geroepen zijn voor de komende aeonen. Ef.2:7 Maar wat kunnen we daar vandaag mee in onze wandel? Het antwoord is: heel veel! Want als we ons bewust zijn van de waarde van onze roeping, krijgt iedere stap die we hier zetten, een bijzondere glans. Onze wandel, gaan en staan, doen en laten, zal de waarde reflecteren van onze roeping. Het maakt alle verhoudingen waarin we zijn geplaatst, waardevol. Want de hoop van onze roeping zal er doorheen schitteren. Dat is waardig! 121

Efeze 4:2 – nederigheid en bescheidenheid … waardig te wandelen der roeping, waarmee jullie werden geroepen, met alle nederigheid en bescheidenheid, met geduld elkaar verdragende in liefde … De logische consequentie, maar ook het voorrecht van de roeping waarmee we als gelovigen zijn geroepen, is dat we de waarde daarvan mogen reflecteren in onze wandel. Om nu reeds te demonstreren wat we straks zullen zijn. Bestemd voor de troon en de heerschappij over hemel en aarde! Maar de hoge positie die voor ons is weggelegd, is geen enkele reden om ons daarop te laten voorstaan. Ze is ons namelijk ten deel gevallen in genade. Om niet en dus zonder enige verdienste. Ef.2:8 Vandaar dat Paulus schrijft: “met alle nederigheid”. Hoe hoog de roeping ook is waarmee we werden geroepen, nooit zouden we vergeten dat die positie niet door ons is verworven maar als een lot ons ten deel viel. Die wetenschap maakt bescheiden (= zachtmoedig) naar elkaar. De nederigheid en bescheidenheid waar Paulus over spreekt komt bovenal tot uitdrukking in het elkaar geduldig verdragen. De ander aanvaarden met al zijn of haar onhebbelijkheden. Juist waar we de meeste moeite hebben met een ander, thuis, op de werkvloer of in de geloofsgemeenschap, dient de perfecte gelegenheid zich aan, om Gods liefde te demonstreren. 122

Efeze 4:3 – de eenheid van de geest … met geduld elkaar verdragende in liefde, beijverend de eenheid van de geest te bewaren, in de samenbinding van de vrede. “De eenheid van de geest”, dat is de geestelijke eenheid die gelovigen samen vormen. Alle gelovigen zijn verzegeld met Gods geest, vanaf dat ze geloven in het Evangelie van hun redding. Ef.1:13 Dat is het Goede Bericht dat God hun Redder is! Het is Gods geest die alle gelovigen tot één smeedt. Daar komt geen organisatie, menselijk bestuur of ledenlijst bij kijken. Deze eenheid kan niet, maar behoeft ook niet, gemaakt te worden; ze is er al! Daarom schrijft Paulus ook dat we deze eenheid zouden bewaren. Iedere poging om een organisatorische eenheid tot stand te brengen, negeert in de praktijk de geestelijke eenheid die reeds een feit is. Paulus’ oproep is dat we ons in het bewaren van “de eenheid van de geest” zouden beijveren. Dat vraagt dus inzet van onze kant. Want juist bij verschillen van inzicht of botsende karakters, dreigt het gevaar dat we ‘vleselijke’ verschillen laten prevaleren boven geestelijke eenheid. Vandaar dat we alles zouden doen om de geestelijke eenheid te koesteren en te bewaren. Om zó de onderlinge band te beleven in een sfeer van vrede! 123

Efeze 4:4 – één lichaam, één geest, één hoop Eén lichaam en één geest, zoals jullie ook werden geroepen in één hoop van jullie roeping … Gelovigen zouden “de eenheid van de geest” die ze tezamen vormen, “bewaren in de band van de vrede”. Deze eenheid is een bestaande realiteit; ze hoeft niet gemaakt maar slechts bewaard te worden. In zevenvoud beschrijft Paulus deze eenheid. Om te beginnen: “één lichaam”, zoals hij ook al eerder schreef. Ef.2:16 Jood en heiden zijn tot één lichaam verbonden. De besnijdenis-gelovigen namen eerst een bevoorrechte positie in terwijl de natiën slechts als gasten werden beschouwd. Maar volgens het geheim dat aan en via Paulus is bekendgemaakt, is dat verschil verdwenen. De muur tussen beiden – namelijk “de wet van voorschriften” – is afgebroken. De twee zijn één gemaakt en vandaar: “één lichaam”. Het is ook “in één geest” dat jood en heiden toegang hebben tot de Vader. Ef.2:18 Omdat we “één lichaam” vormen in “één geest”, is het ook “één hoop” die ons wacht. Ook daarin geen tweeheid, maar slechts één glorieuze hoop. Geroepen tot een kolossale taak. Om straks, in de komende aeonen, de overtreffende rijkdom van Zijn genade te betonen. Ef.2:7 Kijk eens omhoog op een heldere nacht en besef dan: dáár ligt mijn toekomst! 124

Efeze 4:5 – één Heer, één geloof … Eén lichaam en één geest, zoals jullie ook werden geroepen in één hoop van jullie roeping, één Heer, één geloof, één doop … Het getal één staat in deze verzen centraal. Zeven keer noemt Paulus het. De nadruk ligt niet op het feit dat er een lichaam of Heer of geloof is. Nee, het accent ligt op het unieke karakter van deze zaken: slechts één lichaam, slechts één Heer, slechts één geloof, enzovoort. Taalkundig uitgedrukt: geen onbepaald lidwoord maar een bepaald telwoord! De ekklesia kent slechts één gezagsinstantie want: “één Heer”. We zijn zijn eigendom en alleen hij heeft het voor het zeggen. Geen paus of synode, kerkvader of charismatisch leider, belijdenisgeschrift of kerkenraad kan die plaats claimen. De eenheid waarvan Paulus in deze brief getuigt, is een realiteit die hij eerst nu, vanuit de gevangenis ten volle kan openbaren. Gedurende de Handelingen-tijd was er het geloof van “de besnijdenis” en het geloof van “de natiën”. Twee richtingen en twee verwachtingen. Maar sinds Israël zich niet meer kan bekeren Hand.28 geldt nog maar “één hoop” en “één geloof”. Deze geweldige nieuwe eenheid kunnen we alleen verstaan, wanneer we ons oor te luisteren leggen bij Paulus en het geheim dat hij bekendmaakt. 125

Efeze 4:5 – één doop Eén lichaam en één geest, zoals jullie ook werden geroepen in één hoop van jullie roeping, één Heer, één geloof, één doop … Vanuit de gevangenis beschrijft Paulus in deze verzen in zevenvoud “de eenheid van de geest”. Het staat in contrast met de tweeheid die voorheen kenmerkend was. Ef.2:14-16 Met enerzijds ‘de besnijdenis’ (Israël) en anderzijds ‘de voorhuid’ (de natiën). In het boek Handelingen zien we ‘de twaalf’ die met het oog op Israëls bekering prediken. En Paulus, die zich tot de natiën wendt vanwege Israëls ongeloof. In het slot van Handelingen zien we dan dat het doek voor Israël valt. Tot aan die tijd echter zien we twee bedieningen, twee verwachtingen maar ook twee verschillende dopen. Een doop in water zoals Johannes daar ooit mee begon. En een doop in de geest, zoals Christus dat zou doen. Beide dopen functioneren naast elkaar. Zelfs Paulus heeft nog enkelen in water gedoopt, hoewel hij zich ervan bewust was dat Christus hem daartoe niet had gezonden, zie 1 Korinthe 1. Nu Paulus vanuit de gevangenis voluit het geheim bekend maakt Ef.3:3 zien we dat (Israëls) rituelen er niet langer toe doen. Slechts “één doop” is nog beslissend. Geen doop in water, maar de doop in Christus! 126

Efeze 4:6 – één God … één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, Die is boven allen en door allen en in allen. Geen waarheid zó fundamenteel als die van de ene God. Ook al is er inderdaad een menigte aan goden, 1Kor.8:6 voor ons is er maar één God in de absolute zin des woords. Eén, Die alles plaatst en een plek geeft. Want dat is wat ‘God’ in het Grieks (Theos) betekent: Plaatser. Aan Jezus werd ooit gevraagd welk gebod het eerste van alle is. En zijn antwoord luidde: “Hoor Israël, JAHWEH onze God, JAHWEH is één.” Mar.12:28-29 Het woord voor ‘God’ in het Hebreeuws (Elohim) heeft de vorm van een meervoud. Wellicht omdat Hij gekend wordt in velerlei gedaanten en gestalten (vergelijk Hebreeën 1:1). Maar ondanks deze meervoudsvorm, verwijst het naar Eén. Dat blijkt onmiskenbaar uit de werkwoordsvorm. Elohim spreekt, luistert, schept, enzovoort. Allemaal enkelvoud. God is een Híj – ook weer enkelvoud. Eén, geen twee of drie. Zoals de Schriftgeleerde reageerde op Jezus’ antwoord: “Inderdaad, Meester, naar waarheid hebt u gezegd, dat Hij Eén is en dat er geen ander is dan Hij.” Mar.12:32 hoeksteen van alle ware ‘theologie’. Dit is de 127

Efeze 4:6 – één God en Vader … één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, Die is boven allen en door allen en in allen. De ene God van de Schriften is Vader. Wat wij op aarde kennen als ‘vaderschap’ is vernoemd naar God, de Vader. Ef.3:15 Hij is de oorsprong van elk creatuur en ook boven hen allen verheven. Want Hij is hun aller God. Hij draagt zorg voor de schepping in het geheel en voor ieder schepsel afzonderlijk. Hij kent hen – want Hij is hun aller Vader. God is uniek en Zijn schepping is met recht een ‘uni-versum’. Letterlijk betekent dat: gekeerd tot één. Dat is tevens een belofte! Het Hebreeuwse woord voor ‘Vader’ is Abba. Dat zijn drie letters: alef, beth, alef. In het Hebreeuws zijn dat ook drie cijfers: 1-2-1. De alef (1) is het getal van God. Hij is de Alef ! De beth (2) is het getal van de schepping. Gekenmerkt door dualiteit. Beth betekent ook ‘huis’. Dat is waar de schepping voor ontworpen is: om Gods huis te zijn. God wil en zal ook in allen wonen. Het begon bij Hem (alef) en het eindigt bij Hem. Hij is Abba, Vader. Van allen, boven allen, door allen en in allen! 128

Efeze 4:7 – eenheid en verscheidenheid Maar aan een ieder van ons werd de genade gegeven naar de maat van het geschenk van de Christus. In de voorgaande verzen schreef Paulus over de eenheid die er is tussen al de gelovigen. Het is de eenheid in het belijden zoals aangereikt door de apostel, met als hoogtepunt de ene God en Vader van allen, boven allen, door allen en in allen. Ef.4:6 Allen hebben we deel aan dezelfde eenheid. Daarin is geen verschil. Maar … aan iedere gelovige afzonderlijk is genade gegeven naar een specifieke maat. Die maat heet hier: “de maat van het geschenk van de Christus”. “De Christus”, dat is het Hoofd van het lichaam, de ekklesia. Hij is degene die schenkt en de genade geeft aan iedere gelovige afzonderlijk naar de gouden standaard die hij daarvoor hanteert. De genade, die ieder in het bijzonder ontvangt, werkt verschillend uit. Want de genade is precies toegesneden op de aanleg en de behoeften van ieder afzonderlijk. Een fluit produceert ander geluid dan een trompet of saxofoon, ook al wordt in elk dezelfde lucht ingeblazen. Maar het is juist deze verscheidenheid aan instrumenten waardoor de eenheid gediend wordt. Dat is de verscheidenheid in de ekklesia. Georkestreerd door Christus zelf! 129

Efeze 4:8 – een dubbelzinnig citaat uit de Psalmen Daarom zegt Hij: opgaand in de hoogte, neemt Hij de gevangenschap gevangen en geeft Hij gaven aan de mensen. Christus schenkt genade aan alle gelovigen afzonderlijk. En daarvoor citeert Paulus David in Psalm 68:18. Daar wordt voorzegd hoe God, in de Messias, zal opgaan naar Sion. Hoe Hij verhuist van Sinaï naar Sion. Ps.68:16-17 Het spreekt van de overgang van het oude verbond (Sinaï) naar het nieuwe verbond (Sion). Maar het opgaan naar Sion is dubbelzinnig. Het verwijst letterlijk naar de berg, die de Messias straks zal beklimmen om zijn zetel in te nemen. In het verborgene echter verwijst het naar hoe Hij ten hemel zou opvaren. Naar Sion als type van het hemelse Jeruzalem. Heb.12:22 Met het opgaan naar Sion neemt Christus de gevangenschap gevangen. Letterlijk wordt dit vervuld wanneer Hij de ballingschap van Israël zal keren, het volk zal brengen naar het beloofde land en hen rijkelijk gaven zal toedelen. Maar in het verborgene verwijst dit naar de tegenwoordige tijd. Hoe de ekklesia – die in ballingschap (gevangen) is in deze wereld – door Christus is meegenomen naar de hoogte in de hemel. En op die hoge plaats draagt Hij zorg voor de ekklesia en deelt Hij gaven uit! 130

Efeze 4:9 – de lagere delen van de aarde Echter het “Hij gaat op”, wat is dat indien Hij ook niet afdaalde tot in de lagere delen van de aarde? Paulus borduurt hier voort op het vers uit psalm 68 dat hij zojuist citeerde. In die psalm wordt profetisch gesproken van het opgaan van de Messias. Paulus vraagt zich af: wat betekent dat ‘opgaan’ anders dan dat hij ook is ‘afgedaald’? Het doet denken aan wat hij schrijft in Filippi 2:5-11: Christus heeft zich vernederd en de gestalte van een slaaf aangenomen en werd gehoorzaam tot de dood, ja, tot de dood van het kruis. En daarom heeft God hem ook uitermate verhoogd. Toch spreekt Paulus hier niet alleen over een morele verhoging en vernedering. Nee, want Christus voer ook letterlijk omhoog vanaf de Olijfberg. Maar dat niet alleen. Wist u dat het meer van Galilea, de rivier de Jordaan en de Dode Zee, het laagst gelegen gebied van de hele wereld is? Ongeveer tweehonderd tot vierhonderd meter beneden de zeespiegel. Jezus’ bediening begon met zijn doop in de Jordaan en daarna verhuisde hij van Nazareth naar Kapernaüm, aan het meer van Galilea. Mat.4:13 Daar begon zijn vernedering en daalde hij letterlijk af naar “de lagere delen van de aarde”. 131

Efeze 4:10 – het al tot volheid brengen Hij die afdaalde, hij is het ook die opging boven alles van de hemelen, opdat hij het al tot volheid zou brengen. Op aarde ging Jezus in vernedering zijn weg om uiteindelijk de meest vernederende dood te sterven. Vanaf de derde dag in het graf begon zijn verhoging. Paulus benadrukt in zijn gevangenis-brieven de tegenwoordige, verborgen positie van de opgewekte Christus, aan Gods rechterhand. Die plaats daar “boven alles van de hemelen” onttrekt zich volkomen aan het oog. Wetenschappers en nieuwsrubrieken kunnen er niets mee. Politici evenmin. Dat is ook niet de bedoeling. Christus is verborgen en dat kenmerkt de tegenwoordige tijd. Vandaar dat Paulus elders aan gelovigen schrijft: “het leven van jullie is verborgen, samen met Christus in God”. Kol.3:3 Vandaag verzamelt God Zich, uiteraard óók in het verborgene, een uitroepsel (ekklesia) – om “het lichaam van Christus” te zijn. Om straks in zijn positie te delen en hemel en aarde te gaan beheren. Het Hoofd is daar reeds “… opdat hij het al tot volheid zou brengen”. God denkt groots en alomvattend. Wat zouden we anders van Hem verwachten?! “Het al” zal door Christus tot volheid worden gebracht. Dat is hoog als de hemel en wijd als de zee! 132

Efeze 4:11 – het fundament is gelegd En Hij heeft inderdaad de apostelen gegeven, zowel de profeten, zowel de evangelisten, zowel de herders en leraars … Al eerder schreef Paulus dat apostelen en profeten het fundament hebben gelegd. Ef.2:20 Het woord ‘apostel’ betekent letterlijk ‘afgevaardigd’. Het duidt op hen die Jezus Christus als de Opgestane, hoogst persoonlijk hebben gezien en door hem zijn gezonden. Dat zijn in de eerste plaats ‘de twaalf’ en als laatste ook Paulus. Allemaal mensen uit de eerste generatie. De gaven die hier worden genoemd houden verband met de tijd dat de ekklesia onmondig was. In de navolgende verzen maakt Paulus duidelijk dat ze gegeven zouden worden “totdat” de fase van onmondigheid voorbij zou zijn. Ef.4:13 De gaven waarvan hier sprake is, zijn allemaal ‘fundamenteel’ – het fundament betreffend. De apostelen en profeten legden het fundament. Het Woord van God hebben ze met gezag doorgegeven en te boek gesteld. Dat deden ze als “evangelisten”. Denk daarbij aan Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes. Maar ook als “herders en leraars” hebben ze het Woord Gods onderwezen en de kudde geweid. Zo is in hun dagen het Woord gecompleteerd en zwart op wit vast gelegd. Wat zij ons hebben nagelaten is algenoegzaam. Meer hebben we niet nodig! 133

Efeze 4:12 – de toebereiding van de heiligen … om de toebereiding van de heiligen, tot werk van bediening, tot opbouw van het lichaam van Christus … We zagen en zullen zien dat de vijf bedieningen die Paulus noemde, Ef.4:11 allen verband houden met de tijd van “de apostelen en profeten”. De generatie waarin het Woord werd gepredikt en te boek werd gesteld. De eerste reden waarom deze gaven werden gegeven is “om de toebereiding van de heiligen”. Het woord voor ‘toebereiding’ wordt elders vertaald met ‘in orde brengen’, of ‘gereedmaken’. Zo wordt het in Matteüs 4:21 gebruikt voor de zonen van Zebedeüs die bezig waren hun visnetten in orde te brengen. Het idee is dat Christus de gaven gaf om “de heiligen” (zij die apart gezet zijn) gereed te maken. Vergis u niet: “de heiligen” moesten worden ‘gereset’ nu Israëls bekering in die tijd niet had plaatsgevonden. Zoals visnetten voor hergebruik dienen te worden hersteld, zo moesten “de heiligen” opnieuw worden ingesteld voor een nieuw ‘programma’. Dat is “het geheim” dat Paulus vanuit de gevangenis bekendmaakt. Een afgebakend Israël, gescheiden van de natiën, maakte plaats voor “het lichaam van Christus”, waarin de twee (jood en heiden) tot één zijn gemaakt. Christus heeft zijn ekklesia toegerust om hen voor deze nieuwe formatie gereed te maken! 134

Efeze 4:13 – de eenheid van het geloof … totdat wij allen de eenheid van het geloof zouden bereiken … Paulus schrijft vanuit de gevangenis over de gaven die de opgevaren Christus gaf aan de ekklesia. Die gaven zou hij niet blijven geven; hij geeft ze “totdat” ze hun functie zouden hebben vervuld. Zoals bouwsteigers verdwijnen wanneer het gebouw gereed is. Sinds Christus’ hemelvaart tot aan de tijd waarin deze brief werd opgetekend, was een tijd van onmondigheid. Ef.4:14 De ekklesia had nog leiding nodig van mannen die door Christus zelf waren afgevaardigd. Veel van wat als Woord Gods was gepredikt, was slechts lokaal bekend. Hier een brief, daar een essay en weer elders een boek. Bovendien was nog niet alles van Gods Woord vastgelegd. Kol.1:25 De geloofswaarheid die “de heiligen” tot dusver ter beschikking stond was fragmentarisch en incompleet. Maar … zo zou het niet blijven. Degenen die Christus daartoe had afgevaardigd, zouden “het geloof” (= het Woord dat geloofd zou worden) verenigen. Eenmaal gereed, zouden de geschriften in één ‘bibliotheek’ worden opgenomen. Dat is wat ‘de Bijbel’ is: een bibliotheek (> biblia = boeken). Godzijdank hebben de apostelen aan het einde van hun leven hun geschriften verzameld als hun nalatenschap. 2Tim.4:13; 2Pet.1:15 Daarin vinden we “de eenheid van het geloof”! 135

Efeze 4:13 – het besef van de Zoon van God … totdat wij allen de eenheid van het geloof zouden bereiken en van het besef van de Zoon van God … De gaven, waarvan in vers 11 sprake was, zouden worden gegeven “totdat”. Niet totdat de ekklesia van het aardse toneel zou zijn verdwenen, zoals meestal wordt gedacht. Maar totdat de ekklesia niet langer onmondig zou zijn, of heen en weer bewogen zou behoeven worden in elke wind van leer. Ef.4:14 Met andere woorden: wanneer alles wat nodig is te weten, aan haar bekend gemaakt zou zijn. De voltooide Schriften! Niet langer een fragmentarische geloofskennis, maar “de eenheid van het geloof”. Het tweede “totdat” is, dat wij allen – de ekklesia als geheel – zouden bereiken “het besef van de Zoon van God”. Het gaat hier om wat de Zoon van God zelf beseft, wat hij kent en waar hij zich van bewust is. Hoe zouden wij dat anders kunnen bereiken, dan doordat de Zoon van God ons zelf daarvan op de hoogte stelt? En dat is ook precies wat hij deed toen hij zich vanuit de hemel openbaarde aan Paulus en aan hem zijn diepste gedachten meedeelde en zijn woorden aan hem toevertrouwde. Dit alles is bekend gemaakt en op Schrift gesteld. Opdat wij zouden weten! 136

Efeze 4:13 – een volwassen man … totdat wij allen de eenheid van het geloof zouden bereiken, en van het besef van de Zoon van God, tot een volwassen man, tot een maat van statuur van de volheid van Christus. De gaven die Paulus noemde in vers 11 werden gegeven met een “totdat”. Als eenmaal de toestand bereikt zou worden die in vers 13 wordt beschreven, dan hebben deze gaven hun functie gehad en zullen dan dus ook ophouden. Zoals we ook in 1 Korinthe 13 lezen over de gaven van kennis, profeteren en ‘spreken in talen’ die zouden ophouden zodra “de volwassenheid” zou aanbreken. 1Kor.13:10 Datzelfde woord voor ‘volwassenheid’ gebruikt Paulus hier ook. De ekklesia begon zoals ons leven als mens ook ooit eens begon: in onmondigheid. Een stadium waarin we nog leiding nodig hadden en waarin we ons ontwikkelden. We dachten, voelden en spraken als een kind. Maar eenmaal volwassen, legden we dat kinderlijke af. Zo begon de ekklesia ook. In aanvang waren daar de gaven, zoals apostelen en profeten die met Goddelijk gezag het Evangelie bekend maakten, onderwijs gaven en zo de kudde weidden. Maar toen het Woord Gods compleet was, waren die gaven niet langer nodig. Sinds dat moment is de ekklesia een “volwassen man”! 137

Efeze 4:14 – geen onmondigen meer Opdat wij niet meer onmondigen zouden zijn, op en neer golvende en rondgedragen wordend in elke wind van leer, in de willekeur van de mensen, in sluwheid, met het oog op de methodiek van de dwaling. In de voorgaande verzen maakte Paulus duidelijk dat de gaven die werden gegeven, zoals die van de apostelen en profeten, slechts tijdelijk van aard waren. Ze dienden om de ekklesia tot volwassenheid te brengen. Zou eenmaal die fase zijn aangebroken, dan zouden de gelovigen niet langer onmondig behoeven te zijn, en heen en weer bewogen worden in elke wind van leer. Want alles wat nodig is te weten, zou dan inmiddels geopenbaard zijn en beschikbaar zijn voor alle gelovigen. Deze geopenbaarde en beschikbare kennis vinden we in de voltooide Schriften. Dat is wat tot stand gebracht werd in de generatie van apostelen en profeten. Zwart op wit vastgelegd. Een stabiele basis voor de generaties die zouden volgen. De gaven zelf verdwenen omdat de mannen van het eerste uur zijn overleden. Maar wat zij ons achterlieten is een compleet en geboekstaafd Woord van God. De verzamelde Schriften, een Goddelijke bibliotheek als onfeilbare maatstaf. Een rots in de branding, bestand tegen elke golfslag en “wind van leer”! 138

Efeze 4:14 – de methodiek van de dwaling Opdat wij niet meer onmondigen zouden zijn, op en neer golvende en rondgedragen wordend in elke wind van leer, in de willekeur van de mensen, in sluwheid, met het oog op de methodiek van de dwaling. Christus heeft in de tijd van de apostelen en profeten gaven gegeven om de ekklesia definitief toe te rusten voor de tijd die op aarde zou resten. De gaven zelf zouden weliswaar wegvallen (overlijden) maar hun nalatenschap (de voltooide Schriften) zou als onfeilbaar kompas dienen. Als maat en norm. Niet als overbodige luxe maar noodzakelijk om te midden van elke wind van leer en van de waan van de dag, koersvast te blijven. “Wind van leer” verwijst bovenal naar leringen die in de christenheid zouden opkomen. Immers, daar zou men de gezonde leer niet meer verdragen, zie 2 Timoteüs 4. Sneaky, in sluwheid, zou de dwaling worden gesystematiseerd. Het Griekse woord methodeia (methodiek) duidt op stelselmatige en strategische misleiding. Misleiding die in bolwerken van kennis zijn ondergebracht. In universiteiten en hogescholen. Beschermd door intellectuele titels. Vastgelegd in geleerde boeken en dogmatieken. Zo maakt dwaling indruk. Alleen wie gewapend is met “er staat geschreven” weet beter. Dat Woord stelt perfect in staat elke leugen door te prikken. 139

Efeze 4:14,15 – waarheid in liefde … in sluwheid, met het oog op de methodiek van de dwaling. Maar waarheidsgetrouw zijnde, in liefde, zouden wij in dit al groeien tot Hem, die het Hoofd is, Christus … Nog steeds is Paulus’ onderwerp hier, het doel van de gaven aan de ekklesia. Ef.4:11 Nadat de apostelen het Woord van God hadden gecompleteerd, en zwart op wit hadden vastgelegd, was de ekklesia volwassen geworden. Niet langer om als onmondig kind geleid te worden maar in staat om zelfstandig te zijn. Georiënteerd op de voltooide Schriften. De volwassenheid van de ekklesia waarover Paulus schrijft, is dus geen fase die pas aanbreekt in hemelse volmaaktheid. Integendeel, juist te midden van leugens, sluwheid en dwaling hier op aarde, zou de ekklesia haar volwassenheid beleven. Sinds de ekklesia is toegerust met het complete Woord van God, is ze in het bezit van de waarheid. De waarheid van wat “er staat geschreven”. Eigen opinies en meningen brengen slechts verdeeldheid, maar bewezen waarheid maakt één. Dáár vinden we elkaar. “Indien we in het licht wandelen … zo hebben we gemeenschap met elkaar.” 1Joh.1:7 In dat licht beleven we de liefde en groeien we in toenemend besef van Hem, die het Hoofd is. De opgewekte Christus! 140

Efeze 4:16 – contact van voorziening … vanuit wie, heel het lichaam, samen verbonden – en verenigd wordende, door elk contact van voorziening, naar inwerking in maat van een ieders deel, de groei van het lichaam wordt gedaan, tot in opbouw van zichzelf, in liefde … Op het eerste gezicht lijkt dit een tamelijk ondoorzichtige zin. Toch is de algemene strekking duidelijk. Het gaat over “heel het lichaam” – de ekklesia dus – dat via het Hoofd (Christus) met elkaar verbonden en verenigd is. “Ieders deel” dat wil zeggen, dat alle gelovigen individueel in “de groei van het lichaam” worden betrokken. Maar hoe dan? Paulus zegt (letterlijk vertaald): “door elk contact van voorziening”. Het idee is dat heel het lichaam voortdurend voorzien wordt van voedsel, water, zuurstof, enzovoort. En die voorziening (verstrekking) vindt plaats door “contact” van de lichaamsdelen. Van het Griekse woord dat Paulus daarvoor gebruikt, is ons woord ‘haptonomie’ afgeleid. Letterlijk betekent dat ‘aanraking’. Hoe voorziet het Hoofd Christus, de leden van het lichaam van voedsel? Door onderling contact tussen de gelovigen. Zij vormen samen een gemeenschap en zoeken daarom met elkaar in aanraking te komen. Deze gezonde, organische aandrang maakt dat we elkaar kunnen aanmoedigen en opbouwen. Hoe anders dan door het Woord Gods, in liefde met elkaar uit te wisselen?! 141

Efeze 4:17 – zinloosheid van denken Dit zeg ik dan en betuig in de Heer, niet langer te wandelen zoals ook de natiën wandelen, in zinloosheid van hun denken … Ging het voorgaande over de onderlinge verhoudingen binnen “het lichaam van Christus”, het vervolg handelt over de verhouding van de gelovigen tot de natiën. Zoals eerder in Efeze 2:1, herinnert Paulus zijn lezers er aan dat ook zij vroeger wandelden zoals de natiën. Maar sinds zij Christus hebben leren kennen, is alles anders geworden. Ef.4:20 Wanneer Paulus schrijft over de wandel van de natiën dan somt hij niet in de eerste plaats allerlei misdragingen op. Die komen later aan de orde, maar dat is niet het meest kenmerkende. Wat er mis is aan de wandel van de natiën, zit ’m niet aan de buitenkant maar aan de binnenkant. Menselijk gedrag wordt aangestuurd door denken. En aangezien de natiën God niet kennen, wordt hun denken gekenmerkt door zinloosheid. Tot op vandaag is de gangbare ‘filosofie’ dat het bestaan zinloos is. Men spreekt wel over ‘zingeving’ om te verhullen dat het bestaan (volgens hen) geen zin heeft. Triest. Maar hoe geweldig is het daarom te mogen wandelen in het besef dat er een God is, bij Wie nooit iets tevergeefs plaatsvindt! 142

Efeze 4:17,18 – verduisterd en onwetend … zoals ook de natiën wandelen, in zinloosheid van hun denken, verduisterd in het denkvermogen, vervreemd van het leven van God vanwege de onwetendheid die in hen is, vanwege de verharding van hun hart. Paulus wijst hier de kern aan van wat er mis is met de wandel van de natiën. Het is de zinloosheid van het denken, omdat men God niet als God dankt en eert. Rom.1:21 Daardoor mist men een vaste oriëntatie en houvast in het denken. En hoe ontwikkeld het denkvermogen of IQ ook moge zijn, het is verduisterd. Het licht en uitzicht dat het besef van God met zich meebrengt, ontbreekt. En dus wordt het onvermijdelijk donker van binnen. God is er en Hij is de levende God, maar deze wetenschap zijn de natiën kwijtgeraakt. Ook de praktijk van de wetenschapsbeoefening is principieel “zonder God”. Men rekent slechts met wat men kan waarnemen, en de logica dat er een Schepper moet zijn, wordt in ongerechtigheid ten onder gehouden. Men wil het niet weten. “Het is donker geworden in hun onverstandig hart.” Hoe groot is het contrast God wel te kennen, zodat het leven wèl zin en doel heeft. En om in dat besef elke dag te mogen wandelen! 143

Efeze 4:19 – afgestompt Afgestompt zijnde, hebben zij zichzelf overgeven in losbandigheid, tot werkzaamheid van elke onreinheid, in hebzucht. In het voorgaande vers beschreef Paulus hoe de natiën God zijn kwijtgeraakt, zodat hun wandel gekenmerkt wordt door zinloosheid, verduisterd denkvermogen en bewust gekozen onwetendheid. Dat alles karakteriseert de binnenkant. In dit vers laat Paulus zien wat de uitingen daarvan zijn in het gedrag. Opmerkelijk dat hij als eerste “afstomping” noemt. Waar men God wegredeneert, en daarmee de zin van het bestaan ontkent, resteert slechts zinnelijkheid. Daaraan geeft men zich dan ook over. Om de zinloosheid van het bestaan vooral maar niet te hoeven voelen, verdooft men zich met drank en bedwelmende middelen. En dat gaat hand in hand met seksueel vermaak zonder onvoorwaardelijke trouw. Al deze uitingen vallen onder het kopje ‘losbandigheid’: zonder binding of maat. Het is bovendien ‘big business’. Want de honger naar plat amusement, hoererij, drank en drugs is onverzadigbaar. Het geeft immers geen echte bevrediging (wel een kater!) en daarom zoekt men naar nóg meer … surrogaat. Ach, de wereld weet niet beter. Wanneer jij en ik God kennen; wij wel. Wat een voorrecht om in dat stralende Licht te mogen wandelen! 144

Efeze 4:20 – het grote verschil! Maar zo leerden jullie niet de Christus [kennen]. Jullie hoorden hem immers en jullie werden in hem onderwezen … Ooit hadden Paulus’ lezers het Woord vernomen en daardoor Christus leren kennen. Dat betekende voor hen een totale ommekeer. Wandelden ze ooit in de zinloosheid van hun denken, nu had hun wandel doel en richting gekregen. Waren ze ooit verduisterd in hun verstand, nu was hun denken helder en verlicht. Onwetend en versteend in hun hart, verdoofden ze zich in losbandigheid en onreinheid. Maar nu hun hart was aangeraakt door Goddelijke liefde, hadden ze geen verdoving meer nodig. Want ze hadden met recht een leven gekregen! Het grote verschil tussen toen en nu, was dat ze Christus hadden leren kennen. Niet ‘iets’ maar Iemand. Léven, de opgewekte Christus. De Efeziërs hadden maar niet over de Christus gehoord. Ze hadden hemzelf gehoord. Door wat Paulus hen bekendmaakte, vernamen ze Christus Jezus’ eigen Woord. Ef.2:17 Paulus was immers geroepen vanuit de hemel door Christus Jezus en van hem had hij het Goede Bericht zowel ontvangen als geleerd. Met dat Woord was Paulus afgevaardigd naar de natiën. Gal.1:12, 16 horen we Christus Jezus zelf en vernemen we zijn eigen onderwijs! In dat Woord 145

Efeze 4:21 – jullie hoorden hém … Maar zo leerden jullie niet de Christus [kennen]. Jullie hoorden hem immers en jullie werden in hem onderwezen, zoals waarheid is in Jezus … Paulus spreekt van de grote omwenteling sinds de Efeziërs de Christus hebben leren kennen. ‘Christus’ dat is de titel van hem die door God werd opgewekt uit de doden als de Eersteling. Hij leeft! En dat maakt alles anders. Hem hoorden zij toen ze hem leerden kennen. In het Grieks staat het sterker dan in veel vertalingen. Dan maakt men er van: “jullie hoorden van hem.” Maar dat is te zwak. Er staat: “jullie hoorden hem.” In het Woord dat door Paulus was gepredikt vernamen de Efeziërs Christus’ eigen stem! En dat is maar niet ‘bij wijze van spreken’. Paulus sprak en onderwees het Woord van de opgewekte en verheerlijkte Christus. Hij had het Paulus immers hoogstpersoonlijk geopenbaard. Gal.1:12 De Efeziërs hadden Christus gehoord en waren in hem onderwezen … “zoals waarheid is in Jezus”. Of letterlijk: de Jezus. De Jezus namelijk die hier op aarde van de waarheid had getuigd en daarom was gestorven en begraven. Die Jezus hadden zij leren kennen als de Christus, de opgewekte Levensvorst. Geen filosofie maar een levende persoon! 146

Efeze 4:22 – paasbest! … dat jullie afleggen (naar het vroegere gedrag), de oude mens die bederft, naar de begeerten van de misleiding … Twee zaken worden hier door Paulus tegenover elkaar gezet. Enerzijds “de oude mens” die aan bederf onderhevig is en anderzijds “de nieuwe mens” die jong en fris is en ook blijft. De oude mens heeft haar oorsprong in Adam. Het is de mensheid zoals we die kennen in de wereld en waar ook onze roots liggen. De nieuwe mens daarentegen begon met de opgewekte Christus, “de laatste Adam”. Gedrag wordt door Paulus nogal eens in zijn brieven vergeleken met een kledingstuk dat je verwisselt. In bovenstaand vers gaat het om het afleggen van het ‘kleed’ dat hoort bij de oude mens. Hier zijn dat de misleidende begeerten waar de wereld vol van is. Daar regeert de leugen en het zet mensen op het verkeerde been. Het afleggen van de oude mens is voor Paulus geen strijd. Laconiek vergelijkt hij het met het uittrekken van een kledingstuk. Wat niet passend is, trek je uit. Zo simpel is dat. En vervolgens verwissel je het oude kleed met het nieuwe dat wèl passend is. Geen misleiding maar waarheid. Geen bederf maar Leven. Op z’n paasbest! 147

Efeze 4:23 – verjongd worden … en verjongd worden in de geest van jullie denken… Tegenover het gedrag dat past bij de oude mens Ef.4:22 staat het gedrag dat hoort bij de nieuwe mens. Terwijl de oude mens continue aan bederf onderhevig is, wordt de nieuwe mens voortdurend verjongd. De nieuwe mens vindt immers haar oorsprong in “de laatste Adam, een levendmakende geest”. 1Kor.15:45 Dat is de opgewekte Christus, die de dood heeft overwonnen. Dit feit is de garantie dat uiteindelijk de dood teniet zal worden gedaan en alle mensen eens voor altijd levend gemaakt zullen worden! 1Kor.15:22-28 Dat is het Goede Bericht en door dat te geloven, leren we een vitale levenskracht kennen, die “de geest van het denken” dagelijks verjongt. De wereld is vergankelijk en wordt beheerst door de dood. Dat zet een allesbeheersende stempel op het denken van de mens. Ook als hij dat gegeven probeert weg te drukken en als motto voert “laten we eten en drinken, want morgen sterven we”. YOLO – you only live once. Maar dat is geen léven, dat is langzaam doodgaan. Leven is dat wat Christus in onvergankelijkheid aan het licht bracht toen de steen van het graf werd afgewenteld. Definitief. Dat feit en die garantie vitaliseert ons denken! 148

Efeze 4:23,24 – de nieuwe mens aantrekken … en verjongd worden in de geest van jullie denken, en de nieuwe mens aantrekken, die overeenkomstig God wordt geschapen, in rechtvaardigheid en rechtschapenheid van de waarheid. Zoals gelovigen de kledij van de oude mens zouden uittrekken, zo zouden zij ook de kledij van de nieuwe mens aantrekken. Het betekent dat we het gedrag aanpassen aan onze nieuwe identiteit. Paulus stelt het onbekommerd voor als het verwisselen van een jas. Daar is niets gecompliceerds aan. Het vergt geen cursus en evenmin een therapeutisch traject. Het begint met een verjongingskuur in de geest van ons denken. Ons denken wordt vernieuwd door ‘input’ van Boven. We leren wie we zijn in Christus. Zo transformeert het Woord van God ons van binnenuit. Rom.12:2 Het geeft richting, motiveert en bekrachtigt daartoe. De nieuwe mens is de mensheid die begon bij “de laatste Adam”. Sinds Christus’ opstanding als Eersteling, zijn er twee soorten mensen op aarde. De oude, die dateert vanaf Adam en is slechts ‘beperkt houdbaar’. Sterfelijk. De nieuwe daarentegen is de definitieve creatie van God. “De eerste mens” (aards) diende slechts om “de tweede mens” (hemels) te introduceren. 1Kor.15:47 Dát is de nieuwe mens: volmaakt, rechtvaardig, rechtschapen en gekenmerkt door waarheid! 149

Efeze 4:25 – waarheid versus leugen Daarom, terwijl jullie de leugen afleggen, spreekt waarheid ieder met zijn naaste, omdat wij leden van elkaar zijn. Zoals je in de regel geen twee jassen tegelijk kunt dragen, zo kun je ook niet tegelijkertijd de oude en de nieuwe mens aandoen. Het is het één of het ander. Telkens als Paulus zegt dat we iets zouden afleggen, draagt hij tevens het alternatief aan. Wie de waarheid spreekt met zijn naaste, legt daarmee automatisch de leugen af. Paulus’ aansporingen zijn positief. Je hoeft geen energie te steken in iets niet meer doen, je focust je op iets wèl te doen. Het woord ‘negatief’ kunnen we heel letterlijk nemen. Het is afgeleid van het werkwoord ‘negeren’, dat wil zeggen: ergens geen aandacht aan geven. Met succes iets negeren, kan alleen wanneer je een alternatief hebt. Het alternatief voor de leugen is uiteraard de waarheid. Leugens mogen op korte termijn dan vaak voordelen opleveren, uiteindelijk is de vrucht altijd wrang. Ze komen namelijk aan het licht. Leugens gaan voorbij, maar de waarheid is blijvend. De leugen hoort daarom bij de oude mens die vergankelijk is. Waarheid daarentegen hoort bij de nieuwe mens die onvergankelijk is. Dáár vinden we elkaar en beleven we de eenheid. Blijvend! 150

Efeze 4:26,27 – boos, maar hoe? Zijn jullie boos, zondigt dan niet, laat de zon niet ondertussen ondergaan over jullie ontstemming en geeft geen plaats aan de diabolos. De nieuwe mens Ef.4:24 zoals Paulus deze beschrijft wordt gekenmerkt door het spreken van waarheid. Ef.4:25 Een ander kenmerk is de rechte boosheid. Boosheid kan heel nuttig wezen maar, zoals altijd waar emoties in het geding zijn, het gevaar is dat ze onbeheerst wordt geuit. En dan gaat het mis. Dan is men boos om een verkeerde reden of in onjuiste mate, of niet op de juiste tijd of niet voor het juiste doel. Dan wordt de boosheid per definitie zondigen, dat wil zeggen: doel missen. Beheerste toorn wordt ook gekenmerkt door kortstondigheid. Dat is bij God ook zo. “Een ogenblik duurt Zijn toorn”, zegt de psalmist. Ps.30:6 Gods toorn en Zijn oordelen kunnen heftig zijn, maar duren altijd relatief kort. Het spreekwoord zegt terecht: “Kwaad worden is menselijk, maar kwaad blijven is duivels.” Daarom is de leer dat Gods toorn eindeloos zou voortduren, zonder twijfel een duivelse uitvinding. Als de zon ondergaat en we gaan slapen, dan zouden we alles hebben bijgelegd. Zodat we ons in vrede te ruste kunnen leggen en de volgende dag in vreugde kunnen opstaan! 151

Efeze 4:28 – stelen of delen? Wie een dief was, stele niet meer, maar spanne zich veeleer in om met zijn handen goed werk te verrichten, opdat hij iets kan mededelen aan de behoeftige. Ook hier zien we een fraai voorbeeld van hoe in de praktijk “de oude mens” onbekommerd vervangen wordt door “de nieuwe mens”. Stelen wordt niet als een psychische aandoening gezien (kleptomanie) waar men alleen door een langdurige behandeling mogelijk van afgeholpen zou kunnen worden. Nee, diefstal is een logische uiting van hoe “de oude mens” in elkaar steekt. Die is gericht op zichzelf en ook overgeleverd aan zichzelf. Meent hij te kort te komen dan vergrijpt hij zich (desnoods) aan wat hem niet toekomt. Haaks daarop staat “de nieuwe mens”. Die is gericht op God in de wetenschap dat Hij altijd Zijn gunst bewijst. Vanuit dat besef mogen we “navolgers van God” zijn. Ef.5:1 niet, dan geven we. Niet eens omdat stelen niet mag (“gij zult niet stelen”), maar vanuit Gods genade die nooit moe wordt, uit te delen in overvloed. Dat motiveert van binnenuit om ons in te spannen. Dan worden stelende handen, (mee)delende handen. Dat is wat Gods genade in een mensenleven vermag uit te werken! Dan nemen we 152

Efeze 4:29 – woord dat verschil maakt Laat geen bedorven woord uit jullie mond uitgaan, maar een goed [woord] tot opbouw van de behoefte, opdat het genade zou geven aan hen die horen. Alle praktische richtlijnen die Paulus hier geeft hebben tot doel om de waarde van zijn onderwijs in de wandel te vertolken. Ef.4:1 vers gaat het om de mond en wat daarvan uitgaat. Om ‘woord’ dus. De oude mens is sterfelijk en aan bederf onderhevig. Ef.4:22 Daarbij schetst hij telkens het contrast tussen de oude en de nieuwe mens. Ging het in het voorgaande vers om het gebruik van de handen – stelen versus delen – , in dit Dat staat ook model voor het woord dat de oude mens spreekt. Het is bedorven. Het staat in contrast met de nieuwe mensheid die begint bij de opstanding van Christus en daarmee bij de overwinning op de dood. Het woord van de oude mens betekent afbraak. Dat van de nieuwe mens is goed en bouwt op. Woord van de oude mens is ijdel en leeg. Het spreken van de nieuwe mens daarentegen voorziet in behoeften. Woord van de oude mens deprimeert. Maar woord van de nieuwe mens geeft genade aan de luisteraars. Vreugde om niet. Dat maakt blij! 153

Efeze 4:30 – de heilige geest bedroeven? En bedroeft de geest, de heilige, van God niet, in welke jullie werden verzegeld tot de dag van vrijkoping. Men zou zich kunnen afvragen of dit vers gelinkt moet worden aan het voorafgaande (“bedorven woord”) of het navolgende (“bitterheid en woede”). Maar waarom een keuze maken? Iedereen die gelooft in het Evangelie van de redding (Efeze 1:13 = de Redder van alle mensen!) is verzegeld met de heilige geest van God. Die geest is een onderpand en aanbetaling van de erfenis (lotdeel) die ons wacht. Het is het leven van de nieuwe mens dat weliswaar thuishoort in de nieuwe schepping (“de dag van de vrijkoping”) maar nu al door ons geleefd kan worden. Deze geest is ons gegeven als een voorschot. Zou dat slechts ‘dood kapitaal’ blijven, dan bedroeven we daarmee Gods geest. We zouden ons juist onderscheiden (> heilig) om door deze geest daadwerkelijk geleid te worden. De geest, namelijk de heilige geest van God, is Gods eigen, persoonlijke geest. Het is geen aparte persoonlijkheid náást God, evenmin als mijn geest een aparte persoonlijkheid is, onderscheiden van mijzelf. Mijn geest, dat ben ikzelf in mijn geestelijke hoedanigheid. Geest is bovenal ook leven. En heilige geest is het nieuwe, onvergankelijke leven van de opstanding! 154

Efeze 4:31,32 – bitter of beter? Alle bitterheid en woede en boosheid en getier en lastering, laat het weggenomen worden van jullie, samen met alle kwaadaardigheid. Maar wordt naar elkaar vriendelijk, innerlijk welwillend, genade bewijzend aan elkaar, zoals God in Christus genade bewijst aan jullie. Opnieuw wordt een contrast geschilderd tussen de oude en de nieuwe mens. Hier betreft het de omgang met elkaar. De oude mens kenmerkt zich daarbij door bitterheid, een smaak die (evenals ‘zuur’) met bederf en dood in verband wordt gebracht. Bitterheid bederft alle verhoudingen omdat zelfs het goede en aangename negatief wordt uitgelegd. Het komt naar buiten door boosheid, getier en laster. Wie bitter is ziet overal een kwade aard (kwaadaardig). De meeste vertalingen zeggen dat deze eigenschappen uit het midden gebannen zouden worden of iets dergelijks. Als een actieve daad. Maar zo schrijft Paulus er niet over. En zo werkt het ook niet. Het is passief: laat het worden weggenomen. Hoe dan wel? Door naar elkaar vriendelijk, welwillend en genade bewijzend te zijn. Positief. Wanneer we ons daarop richten, worden als vanzelf bitterheid, woede, getier en laster weggenomen. Precies zoals duisternis als vanzelf verdwijnt waar het licht aangaat. Het licht van Gods levende Woord, verdrijft alle duistere gedachten en praktijken! 155

Efeze 4:32 – charizomai Maar wordt naar elkaar vriendelijk, innerlijk welwillend, genade bewijzend aan elkaar, zoals God in Christus genade bewijst aan jullie. De meeste vertalingen spreken in bovenstaand vers van ‘elkaar vergeven’ zoals God ons ‘vergeeft’. Maar ‘vergeven’ is een ander woord in het Grieks. Het woord charizomai hier, betekent ‘genade bewijzen’. Het is afgeleid van het Griekse woord charis dat genade of gunst betekent; vreugde om niet. Als er onderlinge grieven zijn, dan is het al heel mooi wanneer we dat kunnen loslaten zonder het de ander aan te rekenen. Al was het maar, om zelf niet langer met verwijten te blijven rondlopen. Maar charizomai gaat veel verder! Iets de ander niet aanrekenen is nog negatief. Maar charizomai is positief: de ander blij maken. Charizomai is niet ‘des mensen’. Het is zoals God Zich in Christus opstelt naar ons. Niet slechts door het niet aanrekenen van alles wat ons valt te verwijten. Nee, God bewijst een wereld die Zijn Zoon doodde, Zijn gunst, door hen het Leven te garanderen. Tegen zoveel ‘onredelijke’ gunst is geen vijandschap opgewassen. De oude mens kan zomaar, zonder reden boos zijn. De nieuwe mens daarentegen is standaard, zonder bijzondere reden vriendelijk en genade bewijzend! 156

Ongekende Hoogte EFEZE 5 157

158

Efeze 5:1 – navolgers van God Wordt dan navolgers van God, als geliefde kinderen … Het woordje “dan” leidt hier een conclusie in. Paulus had zijn lezers geschreven over hoe God een nieuwe mensheid creëert Ef.4:24 met eigenschappen die Hem volledig uitdrukken. Dat moeten we uiteraard eerst weten, alvorens we God daarin kunnen navolgen. Iedere ouder met enige ervaring weet dat het opvoeden van kinderen niet in de eerste plaats bestaat uit raadgevingen en instructies. Ouderschap begint, nog voordat het kind ook maar iets begrijpt, met het bewijzen van liefde. Een kind is je kind en wat het ook doet, dat blijft zo. Deze basis van onvoorwaardelijke liefde (agapē) ligt ten grondslag aan alle opvoeding. Het tweede principe is dit: ouders moeten geen voorbeeld zijn voor hun kinderen, ze zijn het. Kinderen imiteren vader en moeder, meestal zonder dat zelf door te hebben. Ze zien het gedrag van hun ouders en ze nemen dat over: hun houding, hun spraak, hun gewoonten, hun reacties, enzovoort. Wanneer we ons “geliefde kinderen” van God weten, nemen we kennis van Wie Hij is, wat Zijn plannen zijn, wat Hij doet en hoe Hij dat doet. Deze kennis van Vader God, wordt sturend in ons leven. Zó worden we navolgers van God! 159

Efeze 5:1,2 – wandelt in de liefde Wordt dan navolgers van God, als geliefde kinderen, en wandelt in liefde, zoals ook Christus ons liefheeft … Liefde raakt de zin van ons bestaan. Logisch, want het is het wezen van God Die liefde is. 1Joh.4:8, 16 van de meest miskende en omlaag getrokken begrippen. Het hierboven gebruikte woord voor ‘liefde’ is in het Grieks agapē en onderscheidt zich van eros (> erotiek) en phileo (genegenheid). Agapē is de liefde van een vader en moeder voor hun kind. 1Joh.3:1 Die liefde is niet gebaseerd op verdiensten of op aantrekkelijkheid, maar op een onlosmakelijke en onvoorwaardelijke eenheid. Want wat je kind ook doet, het is en blijft je kind. Agapē-liefde is onvoorwaardelijk en dat typeert de liefde Gods. Agapē-liefde is niet gebaseerd op emoties. Het heeft niets van doen met Valentijn, rozengeur en maneschijn. Met zulke gevoelens is niets mis, maar ze komen en gaan weer. Agapē-liefde daarentegen vergaat nimmer! 1Kor.13:8 God heeft al Zijn schepselen lief. Waarom? Omdat het Zijn schepping is, “werk van Zijn handen”. Dat kán Hij niet laten varen. Deze liefde werd bewezen aan het kruis van Golgotha. Zelfs als de wereld Zijn Zoon aan het hout spijkert, dan nóg is Zijn liefde onverminderd! Het is trouwens ook één 160

Efeze 5:2 – offergave en slachtoffer … en wandelt in liefde, zoals ook Christus ons liefheeft en zichzelf heeft overgeleverd ten behoeve van ons, als offergave en slachtoffer aan God, tot een welriekende geur. Onderwerp hier is Gods liefde voor ons die in Christus is bewezen. Christus heeft zichzelf namelijk overgeleverd ten behoeve van ons “als offergave en slachtoffer”. Gewoonlijk denkt men dan aan Golgotha, de plaats waar Christus geslacht werd. Dat is op zichzelf juist, maar onvolledig. Want op het kruis vond de slachting plaats, niet het offer. Christus’ offer is wat plaatsvond na Zijn slachting. Zoals een offerdier eerst werd geslacht om daarna op het altaar te worden verhoogd en in vuur en rook op te stijgen. Het eerste spreekt van Golgotha, het tweede spreekt van Christus’ verhoging en verrijzenis. Het spreekt van het nieuwe leven dat in zijn opwekking uit de doden (als Eersteling!) aan het licht trad. Dát is de welriekende geur voor God. Christus stierf … om op te kunnen staan. En om dat Leven aan de mensheid te geven. Leven dus voor een wereld van stervelingen, die Christus aan het kruis sloeg. Als dat geen liefde is?! En in die liefde en de welriekende geur van zijn offer, mogen wij wandelen! 161

Efeze 5:3 – zoals het heiligen betaamt Maar laat hoererij en alle onreinheid of hebzucht zelfs niet genoemd worden onder jullie, zoals het heiligen betaamt … Voortdurend beschrijft Paulus de wandel in termen van contrast. In de voorgaande verzen was sprake van de liefde Gods waarin we zouden wandelen. Gekenmerkt door onvoorwaardelijkheid, overgave en welriekendheid. In dit vers daarentegen benoemt hij de duistere keerzijde daarvan. Om te beginnen op het gebied van seksualiteit. Later in dit hoofdstuk zal Paulus positief ingaan op wat de diepgaande betekenis is van het “één vlees”-zijn van man en vrouw. Hoererij (Grieks: porneia) slaat op seksuele gemeenschap met een ander dan de eigen man of vrouw. Onreinheid wordt dikwijls in één adem genoemd met hoererij en wijst op het onzuivere denken dat daarachter schuilgaat. Rom.1:24 Hebzucht (in dit verband), duidt op het begeren van iemand die een ander toebehoort. Zo gewoon als dit alles in de wereld moge zijn, zo logisch is het ook dat onder gelovigen in Christus, hiervan geen sprake zou zijn. “… zoals het heiligen betaamt …”, zo motiveert Paulus kort en bondig. “Heiligen” dat zijn mensen die apart gezet zijn om straks met Christus, het Koninkrijk van God te beheren. Ef.5:5 Geroepen tot een koninklijke taak. Daarbij past koninklijke waardigheid. Want adeldom verplicht … 162

Efeze 5:4 – veeleer dankzegging … noch schande, noch dom gepraat of insinuatie, dingen die niet gepast zijn, maar veeleer dankzegging. In het voorgaande vers noemde Paulus drie voorbeelden op het seksuele vlak die haaks staan op wat “heiligen betaamt”. In dit vers noemt hij drie voorbeelden op het verbale vlak – de tong dus. Bij schande hebben we te denken aan aanstotelijk en schunnig taalgebruik. Wat dom gepraat is behoeft nauwelijks toelichting: het verwijst naar inhoudsloos, smakeloos en onzinnig spreken. Het Griekse woord dat hier is weergegeven met ‘insinuatie’ en in het Nieuwe Testament alleen hier voorkomt, duidt op het maken van laaghartige toespelingen. Iedereen voelt wel aan dat al dit soort spreken ongepast is. En sowieso niet de “heiligen betaamt”. Paulus doet niet eens moeite om dat aan te tonen; hij acht het vanzelfsprekend. Maar ook hier plaatst Paulus er weer iets positiefs tegenover: dankzegging. Dankzegging is in het Grieks eucharistia en is samengesteld uit de woorden voor ‘goed’ en ‘vreugde (om niet)’ oftewel ‘genade’. Dankzegging is niet schandelijk maar verheugend. Niet dom maar rijk aan inhoud en zinnig. Niet insinuerend maar opbouwend. Dankzegging wijst naar omhoog. Dankzegging maakt bewust van God. Dankzegging maakt blij omdat het de mens naar boven doet kijken! 163

Efeze 5:5 – lotbezit in het Koninkrijk Want hiermee zijn jullie bekend en weten dat geen hoereerder of onreine of hebzuchtige, dat is een afgodendienaar, lotbezit heeft in het Koninkrijk van Christus en van God. In meerdere passages van zijn brieven onderstreept Paulus het belang van bovenstaande waarheid. God is vandaag bezig een volk te verzamelen dat bestemd is om straks, samen met Christus, te regeren in zijn Koninkrijk. En degenen die daartoe geroepen worden, die worden daartoe ook bekwaamd. Ook al waren ze ooit hoereerder, een onreine of hebzuchtige, daarvan worden ze gereinigd. Dat kan niet missen. Want God doet geen half werk. Paulus schrijft in 1 Korinthe 6:11: “En sommigen van jullie waren dat, maar jullie werden schoongewassen, jullie werden geheiligd, jullie werden gerechtvaardigd in de naam van de Heer Jezus Christus.” Het is waar, ook gelovigen kunnen in dit soort praktijk vallen, maar als hun roeping echt is, zullen ze daarvan worden schoongewassen. Zo niet, dan is er voor hen geen lotbezit in het Koninkrijk. Komt daarmee hun uitzicht op redding te vervallen? Uiteraard niet. God redt uiteindelijk alle mensen; dat is het Evangelie! Maar regeren in zijn Koninkrijk gedurende de komende aeonen, is niet weggelegd voor iedereen. Dat is een exclusief voorrecht voor zijn ekklesia. 164

Efeze 5:6,7 – misleidende lege woorden Laat niemand jullie misleiden met lege woorden, want vanwege deze dingen komt de toorn van de God over de zonen van de ongezeglijkheid. Wordt dan geen mede-deelhebbers van hen. Paulus is nog bezig met het onderwerp van de voorgaande verzen. Met “deze dingen …” doelt hij op de praktijken zoals die van een hoereerder, onreine of hebzuchtige. Wie deze dingen praktiseert zal geen lotdeel hebben in het Koninkrijk van God. Paulus is daar resoluut over. Onder het motto van Gods genade en dat Hij de “Redder is van alle mensen” (wat, zonder twijfel, het hart is van Paulus’ Evangelie!) zou men gemakkelijk kunnen redeneren dat ‘iemands levensstijl daarmee onbelangrijk zou zijn’. Regelmatig had Paulus met deze dwaling te dealen. Rom.6:1,15 Sterker nog: de bewering werd Paulus zelfs in de mond gelegd. Rom.3:8 Maar het zijn misleidende “lege woorden”. Gods toorn mag dan inderdaad niet het laatste woord hebben en relatief kort duren Ps.30:6 ; ze is wel een realiteit. Wie ongezeglijk is en niet rekent met Gods Woord, komt Hem absoluut tegen. Hij laat niet met zich spotten. En in het komende Koninkrijk zullen deze praktijken niet worden getolereerd. Mensen die bestemd zijn voor de troon, zouden ook dát moeten weten! 165

Efeze 5:8 – kinderen van licht Want jullie waren eens duisternis, maar nu licht in de Heer. Wandelt als kinderen van licht! Eerder, in Efeze 4:18, had Paulus er al op gewezen dat we ooit wandelden zoals de natiën, namelijk “verduisterd in het denkvermogen”. Onwetend en vervreemd van het leven van God. Waar duisternis heerst, ontbreekt zicht. Daar is geen wezenlijk inzicht en evenmin werkelijk uitzicht. Dan zie je het niet meer (… zitten). Dan wordt het dus donker in het hart van de mens. Totdat … de knop om gaat en het licht van Gods Woord gaat schijnen. Dan maken duisternis en onwetendheid plaats voor licht en besef. Voor visie en een geopend venster! Dat is geen mensenwerk, het is God, Die ogen opent en verlicht! Het is geweldig om deze overgang van duisternis naar licht uit ervaring te kennen. Dan mag het in de wereld nog zo donker zijn, Gods Woord en Zijn beloften doen onze ogen stralen. Dat is een automatisch effect van licht. Licht geeft altijd uitstraling. Wie dit licht kent, mag ook wandelen in het licht. Zodat je zicht hebt op waar je vandaan komt en waar je naar toe gaat. En zicht op wat er om je heen gebeurt. Dat maakt onze wandel waardevol! 166

Efeze 5:9 – de vrucht van het licht Want de vrucht van het licht is in alle goedheid en rechtvaardigheid en waarheid … Paulus gebruikt in deze brief meerdere malen het contrast van licht en duisternis. Eerder waren jullie, zo schrijft hij, “verduisterd in het verstand” Ef.4:18 vanwege de onwetendheid. Maar wanneer God Zich openbaart, dan heet dat licht. “Want al wat openbaar maakt, is licht.” Ef.5:13 de Bijbelse definitie van wat licht is. Dat is Licht is in de Schrift altijd gekoppeld aan leven (“het licht des levens”). Zoals duisternis verband houdt met dood (“schaduw des doods”). We zien dat als in het vroege voorjaar de dagen gaan lengen en de zon aan kracht wint, ook het leven ontluikt. Eerst zien we knoppen, dan bloemen en uiteindelijk vrucht. Dat is wat licht produceert en dat is geestelijk ook zo. Waar God Zich bekend maakt (namelijk in het Woord) brengt dat vrucht voort “in alle goedheid en rechtvaardigheid en waarheid”. Niet als een van boven opgelegde wet maar als een natuurwet. Het licht is bovenal het Goede Bericht van de dood die is overwonnen en de verschijning van onvergankelijk Leven. Toen de steen wegrolde bij het aanbreken van de nieuwe dag. Dat licht doet een mens stralen! 167

Efeze 5:9,10 – toetsen wat de Heer welgevallig is Want de vrucht van het licht is in alle goedheid en rechtvaardigheid en waarheid, terwijl je toetst, wat de Heer welgevallig is. Gelovigen zijn “kinderen van het licht” en worden daarom geacht te wandelen in het licht. Ef.5:8 het Woord van de opgewekte Christus. Ef.5:14 Met licht doelt Paulus op En zoals zonlicht in de natuur, leven en vrucht voortbrengt, zo is het in geestelijke zin ook. Gods levend Woord verlicht ons, doet ons stralen en leven en het brengt vrucht voort. Die vrucht wordt hier beschreven als een innerlijke gesteldheid, een houding. Gods licht transformeert ons “in alle goedheid”, dat betekent dat het ons richt op wat opbouwt en heilzaam is. En ook op wat recht en waar is. Deze eigenschappen zijn als het ware het DNA van “de vrucht van het licht”. Welk concreet woord of daad er ook uit voortkomt, het is altijd goed, recht en waar. Door in het licht te wandelen toetsen we wat de Heer welgevallig is. Dat zijn geen twee dingen, het is één. Toetsen betekent beproeven, vaststellen, ondervinden. Door in het licht van het levende Woord te wandelen, zijn we in staat op te merken wat ertoe doet. Oftewel wat de Heer welgevallig is! 168

Efeze 5:11 – de leugen ontmaskeren En neemt geen deel aan de onvruchtbare werken van de duisternis, maar ontmaskert ze veeleer. “De aeon van deze wereld” Ef.2:2 is boosaardig. Dat is karakteristiek voor het huidige wereldtijdperk sinds Noach. In “de tegenwoordige boze aeon” Gal.1:4 onder gehouden. Rom.1:18 wordt de waarheid ten Alles wat in deze wereld voor ‘waar’ wordt versleten is in werkelijkheid verdraaid. Informatie die via de media (kranten, tijdschriften, televisie, enzovoort) tot ons komt is gemanipuleerd. Gefilterd. Alleen wat dienstbaar is aan de belangen van hen die achter de schermen opereren, mag worden vertoond. De rest wordt verduisterd. In Efeze 6:12 wordt gesproken over de “wereldbeheersers (letterlijk: kosmokraten) van de duisternis”. We zouden als “kinderen van het licht” Ef.5:8 geen deel hebben aan deze duistere en onvruchtbare praktijken. Integendeel, “ontmasker ze!”, schrijft Paulus. Niet door kruistochten daartegen te organiseren. Dat is onbegonnen werk en daarmee ook onvruchtbaar. Het is nu eenmaal nacht in de wereld en daar valt niets aan te veranderen. De Dag breekt pas aan als straks “de Zon der gerechtigheid” over deze wereld zal opkomen. Niet eerder. Wij strijden niet tegen de leugen. We strijden voor de waarheid. En stellen haar onder bewijs. Zo schijnen we als lichtende sterren. 169

Efeze 5:12,13 – al wat openbaar maakt is licht Want de dingen die verborgen onder hen geschieden, zijn zelfs schandelijk om te zeggen. Alles nu wat wordt ontmaskerd, wordt openbaar door het licht. Want al wat openbaar maakt is licht. Als kinderen van het licht vertellen we de waarheid. Waarheid staat los van meningen en opinies. Waarheid gaat over feiten. Wat bewezen kan worden en wat voor ieder zuiver geweten ook onloochenbaar is. 2Kor.4:2 Het bekend maken van het Goede Bericht, en het onderwijzen van de Schriften, is geen propaganda of reclame. Nee, door naar voren te brengen wat “er staat geschreven” demonstreren we hoe de Schriften zichzelf bewijzen, uitleggen en verklaren. Paulus beveelt hier niet aan om undercover te infiltreren in schandalige praktijken. Het zou ons denken nodeloos besmetten en onze standaards verlagen. We hoeven de leugen niet te leren kennen om haar te herkennen. Wie de waarheid kent, herkent de leugen. Hoe beter je weet hoe echt geld er uitziet, des te gemakkelijker herken je vals geld. Aan schandalige praktijken in het geniep wilde Paulus geen woord vuil maken. Zijn missie was positief. Hij mocht in het licht stellen wat voorheen verborgen was Ef.3:9 en nu door Goddelijke openbaring aan hem was bekend gemaakt. Ef.3:3 170

Efeze 5:14 – goede morgen! Daarom zegt Hij: Ontwaak, jij slapende! En sta op vanuit de doden! En de Christus zal, als het morgenlicht, over jou lichten. Eigenaardig dat Paulus hier refereert aan diverse teksten uit Jesaja – onder andere Jesaja 60:1 – waar Israël wordt opgeroepen te ontwaken en op te staan. Tot op vandaag bevindt Israël zich in een doodstoestand. Haar ogen zijn toegesloten. Maar de oproep zal eenmaal gehoor vinden en dat betekent “leven uit de doden”! Rom.11:15 Dan breekt een nieuwe dag aan en de Christus zal (letterlijk) vanuit het oosten als het morgenlicht over haar opgaan. Maar de oproep om te ontwaken geldt ook vandaag, maakt Paulus duidelijk. Het is in de wereld nacht. Duistere praktijken hebben vrij spel. De waarheid (= licht; Efeze 5:13) wordt ten onder gehouden. Maar ook vandaag klinkt een boodschap van opwekking: de haan kraait. De haan kondigt de nieuwe dag aan terwijl het nog donker is. En haar boodschap is: opstaan! Het verwijst naar hem die ooit aan het begin van de nieuwe dag verrees uit de doden. Elke morgen wanneer we gewekt worden en opstaan, is dat een type van nieuw leven en opstanding. Dat besef is ‘met het goede been uit bed opstaan’. En dan hebben we reden om te zeggen: goedemorgen! 171

Efeze 5:15,16 – wandelen als wijzen Ziet dan nauwkeurig toe hoe jullie wandelen, niet als onwijzen maar als wijzen, de gelegenheid uitkopend omdat de dagen boosaardig zijn. Terwijl de wereld in de duisternis wandelt en, als in een roes, geen idee heeft van wat er gaande is, zouden wij als kinderen van het licht ons juist daarin onderscheiden. Om wakker en alert te onderkennen in welke dagen we ons bevinden. Dagen die boos van aard zijn en elders dan ook “de tegenwoordige boze aeon” heet. Gal.1:4 Om daarin onze weg te vinden, dienen we nauwkeurig toe te zien op onze wandel. Niet op wat we wel of niet mogen, maar om te wandelen als wijzen. Wijsheid in de wandel komt tot uiting in het uitkopen van de gelegenheid. Vergelijken we dit met Kolosse 4:5, waar we een soortgelijke oproep aantreffen, dan blijkt Paulus daarbij te doelen op het spreken van het Woord naar hen die buiten staan. Dat ons woord altijd in genade zou zijn. En dat we weten hoe we aan ieder het juiste antwoord zouden geven. Dat we alert zijn en weten wanneer, waar, aan wie en hoe we wat zouden zeggen. Hoe geweldig om juist in duistere tijden, Gods licht te mogen laten schijnen! 172

Efeze 5:17 – begrijpen wat de Heer wil Wordt daarom niet onverstandig maar begrijp wat de wil van de Heer is. De dagen waarin we leven zijn boosaardig, zo stelde Paulus in het voorgaande vers vast. Om daarin de juiste koers te varen is wijsheid nodig. Ook en vooral om de gelegenheid uit te kopen en anderen te bereiken met het Woord. Want hoe zouden zij kunnen geloven als men niet eerst hoort? Paulus gaat er vanuit dat zijn lezers verstandig zijn en niet meegaan in het onverstand om hen heen. De natiën beschreef hij eerder als “verduisterd in het denkvermogen”. Ef.4:17 Tegenover onverstandig staat begrijpen. Namelijk “begrijpen wat de Heer wil”. Dat gaat veel verder dan weten wat de Heer wil. Zijn wil begrijpen is verstaan waarom Hij iets wil. In Efeze 1 lazen we reeds over “het geheim van zijn wil”. Ef.1:9 Het heeft te maken met Gods voornemen om tot in de volheid van de tijdperken ‘het al’ samen te vatten in de Christus Ef.1:10 want Hij heeft ieder creatuur op het oog. En omdat Hij God is en in alles werkt “naar de raad van Zijn wil” Ef.1:11 is succes verzekerd. Begrijpen wat de Heer wil, verlicht ons hart, geeft inzicht en een weids uitzicht op Gods voornemen! 173

Efeze 5:18 – geestrijk! En bedrink jullie niet aan wijn, waarin liederlijkheid is, maar wordt vervuld in geest … De Bijbel heeft niets tegen het drinken van wijn. Sterker nog: over de wijnstok en de vrucht daarvan wordt dikwijls lovend gesproken. Wijn is een type van het nieuwe leven dat uit de dood voortkomt. Ooit ging het als druivensap in de (graf)kelder, terwijl het als ‘geestrijk vocht’ er uit kwam. Paulus waarschuwt niet voor het drinken van wijn, maar voor het zich bedrinken daaraan. Dat wil zeggen: er dronken van worden. Dronkenschap is een toestand waarin men geen controle meer heeft over eigen gedragingen. Paulus spreekt van ‘liederlijkheid’ in dat verband. Letterlijk betekent het Griekse woord (asotia): ontreddering. Tegenover het zich bedrinken aan wijn plaatst Paulus: “wordt vervuld in geest”. Wijn is weliswaar een type van geest en beiden worden gekoppeld aan vreugde, maar er is ook een groot verschil. Bij vervuld zijn van drank gaat men onzinnig (‘bezopen’) denken en spreken. En lopen wordt waggelen. Bovendien: “Drank maakt meer kapot dan je lief is.” Wie daarentegen vervuld wordt in geest (= het Woord van Christus; Kolosse 3:16), wordt niet alleen blij (‘geestig’) maar tevens helder en nuchter. En het spreken wordt opbouwend en de wandel koersvast. Zonder kater … 174

Efeze 5:18,19 – de tongen los En bedrink jullie niet aan wijn, waarin liederlijkheid is, maar wordt vervuld in geest, sprekend tot julliezelf in psalmen en lofzangen, en geestelijke liederen zingend en muziek makend in jullie hart voor de Heer … Het is bekend: wijn – en alcoholische drank in het algemeen – verhoogt de stemming en gezelligheid. Het eerste effect van alcohol is dat het de tong losser maakt. Mensen gaan gemakkelijker spreken en ook zingen. Daarin vertoont de werking van wijn, een gelijkenis met de vervulling in Gods geest. Want ook deze vervulling leidt er toe dat mensen onder elkaar gaan spreken en zingen “in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen”. Oftewel “muziek makend in hun hart voor de Heer”. Het woord voor ‘muziek maken’ is in het Grieks psallo (> psalm) en duidt op een ode aan God begeleid met een (snaar)instrument. Muziek is een type van het Woord van God dat klinkt. Het is een Goddelijke taal van harmonie en akkoorden. Waar Efeze 5:18 spreekt van “vervuld worden in geest”, daar spreekt het parallelvers in Kolosse 3:16 over “het Woord van Christus dat rijkelijk in ons zou wonen”. Geest en Woord zijn één. Het Woord van Christus is geestrijk en maakt de tongen los. In dat Woord zit muziek! 175

Efeze 5:20 – danken over alles … en muziek makend, in jullie hart voor de Heer, terwijl jullie altijd danken over alles, in de naam van de Heer van ons, Jezus Christus, tot de God en Vader … Paulus schreef: “wordt vervuld in geest”. Ef.5:19 dan door het Woord van Christus, Kol.3:16 “Mijn woorden zijn geest en leven.” Joh.6:63 Hoe anders die ooit verklaarde: Het eerste effect van deze vervulling is dat het een mens laat zingen. Niet zo vreemd: het Woord klinkt immers als muziek in de oren en logisch dat het zo ook naar buiten komt. Het tweede effect dat Paulus noemt, sluit daar naadloos op aan. Vervulling “in geest” maakt dat we ook gaan danken. Ja, “… over alles”, voegt Paulus er aan toe. Jazeker, zelfs over moeite, verdriet en pijn. Natuurlijk zijn dat ‘minnen’ in ons leven en vanzelfsprekend zouden we ze liever niet zien. Maar Gods Woord leert ons dat Hij alles ten goede keert en dat Hij van alle ‘minnen’, ‘plussen’ maakt. Het is dát besef dat dankbaar stemt. In plaats van te mopperen leren we akkoord te gaan met wat God plaatst in ons leven. Dan hebben we harmonie te midden van alles wat plaatsvindt. En dus danken we God als Vader! 176

Efeze 5:20 – dóór de Zoon, tot God, de Vader … terwijl jullie altijd danken over alles, in de naam van de Heer van ons, Jezus Christus, tot de God en Vader … We stonden eerder stil bij het “danken over alles”. Maar het zou ons evenmin mogen ontgaan hoe we in gebed gaan. Paulus schrijft dat we “God de Vader” zouden danken in de naam van onze Heer, namelijk Jezus Christus. Deze manier van formuleren komen we telkens weer in de brieven tegen. We bidden tot de ene God, te weten de Vader. We bidden dus niet tot de Zoon. Nee, de Zoon is degene door wie we tot God naderen. De Schrift leert met nadruk: “er is één God en één middelaar van God en mensen, namelijk de mens Christus Jezus”. 1Tim.2:5 God Zelf is onzienlijk. Maar Hij drukt Zich uit in Zijn icoon, Zijn beeld: Christus Jezus. God komt tot de mens via hem. In hem zien we God. Als middelaar vertegenwoordigt hij God naar de mensen toe. Maar als middelaar vertegenwoordigt hij ook de mensen naar God toe. Hij is als Hogepriester in het hemels heiligdom, die de zijnen op zijn schouders en borst draagt. In die erkenning naderen we tot God, de Vader! 177

Efeze 5:21 – onderschikking … zich onderschikkend aan elkaar, in vrees van Christus. In de Griekse grondtekst kun je duidelijk zien, dat vers 18 tot en met 21 één zin vormt. Vervuld worden in geest (Gods) wordt herkend in drie dingen. In de eerste plaats in het zingen en de muziek in het hart voor de Heer. In de tweede plaats in het God, de Vader, danken over alles. En hier dan het derde kenmerk: onderschikking aan elkaar. Dit vers is tevens de overgang naar een nieuw gedeelte (Efeze 5:22 - Efeze 6:9) waarin Paulus spreekt over verhoudingen binnen het huwelijk, Ef.5:22-33 en op het werk. Ef.6:5-9 Op al die terreinen zijn er gezagsverhoudingen waarin de één zich zou onderschikken aan de ander. Vrouwen aan hun mannen, kinderen aan hun ouders en slaven aan hun heren. ‘Autoriteit’ en ‘onderschikking’ zijn begrippen die tegenwoordig totaal niet meer begrepen worden. Logisch, want gezag komt van boven en op het hoogste niveau dus bij God Zelf vandaan. Daarom: ‘geen God, geen meester’, zoals het motto luidde van de Franse Revolutie. In 1 Korinthe 11:3 laat Paulus vier treden van de hiërarchie zien: bovenaan God, dan Christus, daarna de man en dan de vrouw. Christus zelf erkent zijn plaats van onderschikking aan God. Een mooier voorbeeld kun je niet bedenken! het gezin Ef.6:1-4 178

Efeze 5:22 – onderschikken als aan de Heer Laten de vrouwen zich onderschikken aan hun mannen, als aan de Heer. Bovenstaande woorden klinken zeker niet modern, geëmancipeerd of ‘gender-neutraal’. In de wereld wordt ons het idee bijgebracht dat de mens zich tot een steeds hoger niveau ontwikkelt en nu dus een veel betere (lees: geëmancipeerde) kijk heeft op de rol van mannelijk en vrouwelijk, dan dat men vroeger had. In werkelijkheid is het precies omgekeerd. Het licht dat we hadden is gedoofd, met als gevolg dat we geen idee meer hebben van wat ooit nog vanzelfsprekend was. In de Schrift weerspiegelt het verschil tussen mannelijk en vrouwelijk het onderscheid tussen Schepper en schepping, zie Romeinen 1. God is mannelijk, een Hij. En de schepping (vrouwelijk) is uit Hem voortgekomen. De schepping is ook ‘in blijde verwachting’ omdat de Schepper haar liefheeft en door opstanding nieuw leven in haar heeft verwekt. De Schepper is verantwoordelijk voor de schepping. Van het sekseverschil gaat een geweldige sprake uit, dat getuigt van de Schepper, Die tevens Redder is. Als de vrouw zich onderschikt aan haar man demonstreert ze: de Heer zorgt, Hij leidt en Hij stuurt. Dat geeft ook rust. Want in plaats van conflict kun je je dan schikken en is er overgave. 179

Efeze 5:23 – hoofd van de vrouw zoals … Want de man is het hoofd van de vrouw zoals ook Christus Hoofd van de ekklesia is, Hij is de redder van het lichaam. In dit gedeelte plaatst Paulus de relatie tussen een man en zijn vrouw in hemels licht. De verhouding tussen Christus en de ekklesia wordt ten voorbeeld gesteld aan de man en zijn vrouw. Let op: het is niet omgekeerd. Het huwelijk staat niet model voor de betrekking tussen Christus en de ekklesia. Christus en de ekklesia worden niet als getrouwd voorgesteld en al helemaal niet als bruidegom en bruid. Christus en de ekklesia staan in verhouding tot elkaar als Hoofd en lichaam. Een onverbrekelijke eenheid en gemeenschap. Dat Christus Hoofd is van de ekklesia, zijn lichaam, betekent dat hij voorop gaat. Als Hoofd draagt hij zorg voor de ekklesia, ja, hij is haar redder. Want waar het lichaam in gevaar is, zorgt het hoofd voor bescherming. Zo behoedt en beschermt Christus de ekklesia. Hij geeft zich volledig aan haar over en voorziet in alles wat ze behoeft. Welnu, wat Christus is en betekent voor de ekklesia, wordt aan de man ten voorbeeld voorgesteld in verhouding tot zijn vrouw. Als een hemels model! 180

Efeze 5:24 – de ekklesia ondergeschikt aan Christus Maar zoals de ekklesia zich onderschikt aan Christus, zó ook de vrouwen aan de mannen in alles. We zouden in de verleiding kunnen komen meteen de schijnwerpers te zetten op het tweede deel van de bovenstaande zin. Maar dan zouden we geen recht doen aan de vergelijking. Paulus’ conclusie is gebaseerd op deze vaststelling: de ekklesia onderschikt zich aan Christus. Maar wat bedoelt hij daarmee? De ekklesia is niet de optelsom van alle individuele gelovigen. Nee, de ekklesia is de vergadering van gelovigen. De ekklesia is waar gelovigen samenkomen rond Christus als Hoofd. Heel het volk wordt daar aanwezig geacht. Vandaar dat een ‘ekklesia’ ook een volksvergadering is Hand.19:39, 41 : het totale volk wordt daar aanwezig gerekend. Als gelovigen samenkomen rond hun Hoofd Christus, dan is hij degene die spreekt met gezag. Daar klinkt zijn Woord. En de samengekomen gelovigen luisteren naar zijn stem. Dát is wat de ekklesia is: zonder hem als Hoofd zou zij immers niet eens ekklesia zijn! Welnu, zoals vergaderde gelovigen slechts willen luisteren naar wat hun Hoofd te zeggen heeft, zó zouden ook vrouwen zich opstellen naar hun mannen toe. Zij zouden zich aan hen als leidinggevend onderschikken en hun stem als beslissend erkennen. 181

Efeze 5:25 – mannen, heb je vrouw lief Mannen, hebt [jullie] vrouwen lief, zoals ook Christus de ekklesia lief heeft en zichzelf overlevert ten behoeve van haar … In de voorgaande verzen werden de vrouwen aangesproken. Hen werd de houding van de ekklesia voorgehouden, als voorbeeld van onderschikking. Meer wordt van hen niet gevraagd. Vanaf dit vers worden de mannen aangesproken. Hun voorbeeld is Christus, die immers het Hoofd is van de ekklesia. Wat van mannen verwacht wordt is daarom zoveel meer. Mannen zouden hun vrouwen liefhebben, dat wil zeggen: onvoorwaardelijk (agapē) liefde bewijzen. Dat is heel wat anders dan lief vinden. Dat laatste is slechts een gevoel en bovendien volledig afhankelijk van wat de vrouw oproept bij de man. Omdat hij haar bijvoorbeeld aardig, aantrekkelijk, sexy of leuk vindt. Dat zijn mooie ‘cadeautjes’, maar met ‘liefhebben’ heeft het niet veel van doen. Liefhebben vindt haar bron niet in de eigenschappen of in het gedrag van de ander. Ware liefde wordt ook niet minder wanneer die eigenschappen verdwijnen. Een man zou zijn vrouw liefhebben omdat het zijn vrouw is. Zij is aan hem gegeven zolang hij leeft. Christus heeft de ekklesia lief. Hij houdt van zijn volk dat rondom hem vergaderd is en bewijst dat door al wat zij behoeft aan haar te geven. 182

Efeze 5:26 – reinigend in het waterbad … zoals ook Christus de ekklesia lief heeft en zichzelf overlevert ten behoeve van haar, opdat Hij haar zou heiligen, reinigend in het waterbad, in [zijn] uitspraak … Christus heeft de ekklesia lief. De ekklesia is (zoals we zagen) maar niet de optelsom van alle afzonderlijke gelovigen, nee, het zijn de gelovigen die vergaderd zijn rondom hem. Die daarmee ook uitdrukking geven aan hun eenheid. Dát gezelschap heeft Christus lief en hij levert zichzelf compleet over voor haar. Deze verzen spreken over wat Christus vandaag doet. Hij vergadert zich een volk en wijdt zich volledig om haar te heiligen (lees: apart te stellen) en te reinigen. Hoe anders dan door haar te baden in wat hij uitspreekt? In zijn Woord dus. Want wat hij uitspreekt is “geest en leven” Joh.6:63 nodig heeft. en heeft alles in zich wat de ekklesia Een mooi plaatje hiervan zien we in de opperzaal waar de Heer vergaderd was met de zijnen. Joh.13:12-17 Niet op de begane grond (de aarde) maar boven. En daar deed hij zijn bovenkleding uit om zich met een linnen doek te omgorden en met een waskom de voeten van zijn leerlingen te wassen. Ziedaar de liefde van Christus voor de ekklesia! 183

Efeze 5:26,27 – glorieus en stralend … opdat Hij haar zou heiligen, reinigend in het waterbad, in [zijn] uitspraak, opdat Hijzelf zou presenteren, voor zichzelf, glorieus, de ekklesia, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, maar opdat zij zou zijn, heilig en smetteloos. Onderwerp is hier de liefde van Christus voor de ekklesia (volksvergadering), voor het samengekomen volk van God. Overal waar gelovigen samenzijn rondom hun Hoofd (al zijn het er maar twee of drie) en luisteren naar wat hij te zeggen heeft, dáár is de ekklesia. Daar wordt het gehele volk aanwezig gerekend. En dáár verricht hij zijn werk aan haar: heiligend en reinigend. Dat doet hij door zijn Woord (als een waterbad) aan haar te bedienen. En zó presenteert hijzelf de ekklesia: glorieus en zonder vlek of rimpel of iets dergelijks. Let er op dat de ekklesia hier slechts lijdend voorwerp is. Het is Christus’ Woord dat al het werk aan haar doet. Het gaat in deze verzen over het tegenwoordige werk van Christus. Hij maakt de ekklesia glorieus; door zijn Woord (= licht) doet hij haar stralen. Zoals de zon de maan laat schijnen. En de onregelmatigheden? Ze worden niet meer gezien. Elke vlek of rimpel verdwijnt waar zijn lichtglans verschijnt! 184

Efeze 5:28 – liefhebben als hun eigen lichaam Zo zijn ook de mannen verschuldigd hun vrouwen lief te hebben, als hun eigen lichamen. Wie zijn eigen vrouw liefheeft, heeft zichzelf lief. Wat Paulus in het voorgaande schreef over de liefde van Christus voor de ekklesia stond niet op zichzelf. Nee, de beschrijving diende als voorbeeld voor de mannen naar hun vrouwen toe. Christus heeft de ekklesia onvoorwaardelijk lief en wijdt zich geheel aan haar om haar te doen stralen. Welnu, zó zijn mannen verschuldigd hun vrouwen lief te hebben. De vrouwen worden dus niet opgeroepen te stralen voor hun mannen, nee, de mannen worden geacht hun vrouwen te laten stralen. De liefde (agapē) van de man voor zijn vrouw, zoals Paulus die beschrijft, kent geen voorwaarden. Ze is zo vanzelfsprekend als de liefde voor zijn eigen lichaam. Hier al zegt Paulus dat de getrouwde vrouw als één vlees (lichaam) beschouwd wordt met haar man, om straks Ef.5:32 het “grote geheim” daarachter te laten zien. De liefde van de man voor zijn vrouw is daarmee een logisch gegeven. Afstand van haar doen is even bizar als afstand doen van het eigen lichaam. Dat doet Christus ook niet. Sterker nog: hij kán het zelfs niet. Is dat geen stoere liefde?! 185

Efeze 5:29,30 – niemand haat zijn eigen vlees Want niemand haat ooit zijn eigen vlees maar hij voedt het en koestert het, zoals ook de Christus de ekklesia, omdat wij leden zijn van zijn lichaam. Nergens in de Schrift wordt de mens opgeroepen zichzelf lief te hebben. De reden daarvoor is dat deze liefde als een vanzelfsprekendheid verondersteld wordt. Zichzelf liefhebben is normaal en natuurlijk. Vandaar dat een mens zijn naaste lief zou hebben “als zichzelf”. Gal.5:14 Tot het eerste wordt opgeroepen, het tweede wordt als vanzelfsprekend aangenomen. Zou een mens zichzelf niet liefhebben, dan zou daarmee tevens de basis van liefde voor de naaste vervallen. Het is altijd weer de religie, die wat natuurlijk is, verdacht maakt. In de Schrift is de natuur nooit zondig. Integendeel, wat zondig is, is het tegennatuurlijke. Rom.1:26 De Schrift kent geen zondige natuur, in die zin dat de natuur zelf zondig zou zijn. Ook roept de Schrift nooit op om het eigen vlees te haten. Dat doet niemand, zegt Paulus, en zo hoort het ook. Alleen mensen die verknipt zijn streven zoiets na. Je voedt en koestert het eigen lichaam. Zo hoort dat. En dat is ook precies wat Christus vandaag doet met de ekklesia, zijn eigen lichaam. 186

Efeze 5:31 – tot één vlees zijn … omdat wij leden zijn van zijn lichaam. Daarom: een mens zal zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen en de twee zullen tot één vlees zijn. We naderen het hoogtepunt van Paulus’ uiteenzetting. De oproep aan de mannen motiveerde hij vanuit het gegeven dat Christus de ekklesia liefheeft, die zijn lichaam is. Daarin ligt de gedachte besloten dat de vrouw vergeleken wordt met de ekklesia, Christus’ lichaam. Om zijn punt daarin duidelijk te maken neemt Paulus ons mee naar het boek Genesis. Nadat Adam in een diepe slaap was gebracht, neemt God uit zijn lichaam een ‘zijde’ en bouwt dit tot een vrouw en bracht haar tot hem. Gen.2:23 En Adam zei: “dit is vlees van mijn vlees” en noemde haar “mannin” (uit de man genomen). En dan citeert Paulus het bovenstaande vers uit Genesis 2:24, dat de basis is van wat ‘het huwelijk’ heet. Een man die zijn vrouw aanhangt (aankleeft) en met haar tot één vlees wordt. Dit “één vlees” slaat op de geslachtsgemeenschap waarin twee lichamen één worden. 1Kor.6:16 Maar voor niemand was dit “één vlees”-zijn zo uniek en waar, als voor Adam en zijn ‘Mannine’ (= Eva). Zij waren altijd al “één vlees”. Hierin ligt een grote verborgenheid …! 187

Efeze 5:32 – dit geheim is groot! Dit geheim is groot, maar ik zeg dit met het oog op Christus en de ekklesia. Nadat Paulus Genesis 2:24 heeft geciteerd, roept hij uit: “dit geheim is groot!” In deze brief speelt de openbaring van geheimen een grote rol3 . Ze waren, zoals Paulus schreef, aeonen lang verborgen, maar zijn nu via Paulus geopenbaard. Ef.3:3 Geheimen (of verborgenheden) houden verband met het werk van God in onze dagen, namelijk de uitroeping van de ekklesia uit de natiën, het lichaam van Christus. Het feit dat deze geheimen voorheen verborgen waren, betekent niet dat ze niet terug te vinden zijn in het Oude Testament. Integendeel zelfs, juist omdat ze verborgen waren in het Oude Testament, zijn ze daar wél terug te vinden. Eén zo’n geheim ligt verborgen in Genesis 2:24. Paulus noemt het geheim zelfs “mega”, het Griekse woord voor ‘groot’. In het feit dat geheimen, die Paulus openbaart, verborgen liggen in het Oude Testament, ligt voor ons een geweldige aansporing besloten om op onderzoek daarin uit te gaan. Want onder de oppervlakte van de Hebreeuwse Bijbel, blijken verborgen schatten te liggen die wijzen op Christus en de ekklesia. Wie zoekt, die zal vinden. Jazeker, bij het licht van Paulus’ openbaring, is het Oude Testament een ware goudmijn! 3 Ef.1:9; 3:3-4, 9; 6:19 188

Efeze 5:32 – met het oog op Christus en de ekklesia Dit geheim is groot, maar ik zeg dit met het oog op Christus en de ekklesia. Wat Paulus hier naar voren brengt is dat ‘Mannine’ (Eva) een type is van de ekklesia. Het idee is niet dat de ekklesia als bruid in afwachting is van de bruiloft, waar Christus haar man wordt. De bruidsgedachte is weliswaar Bijbels, maar van toepassing op Israël, niet op de ekklesia. Israël zal in de toekomst als bruid worden gehuwd. Hos.2:18 En het Messiaanse rijk op aarde zal als een bruiloft zijn met de volken als bruiloftsgasten. Maar de ekklesia is geen bruid en ze behoort evenmin tot de gasten. De ekklesia staat in een oneindig veel intiemere verhouding tot Christus. De ekklesia is het lichaam van de Bruidegom! De eenheid en gemeenschap tussen Christus en de ekklesia, wachten niet in de toekomst, maar zijn nu reeds realiteit. Eva is de enige echtgenote in de Schrift die nooit een bruid is geweest. Zij leefde al in gemeenschap met Adam, voordat ze er was. Zij was altijd al “vlees van zijn vlees” en daarom is Eva zo’n uitnemend type van de ekklesia. Geliefd door Christus, “de laatste Adam” – en deel uitmakend van zijn lichaam! 189

Efeze 5:33 – ontzagwekkende liefde Evenwel ook jullie, laat ieder de eigen vrouw zo liefhebben als zichzelf, en opdat de vrouw de man zou vrezen. Zojuist was Paulus tot de climax gekomen van de betekenis van “één vlees” in Genesis 2:24. Hij had daarbij gewezen op Christus en de ekklesia. Die vormen samen één lichaam. Als Christus dus de ekklesia liefheeft, dan heeft hij zichzelf lief. Christus zelf is het verheven voorbeeld voor getrouwde mannen. Mannen zouden hun vrouwen liefhebben als zichzelf. Misschien dat de man grote moeite heeft met zijn vrouw, met haar opstelling of gedrag. Of misschien met haar ziekte of handicap. Het kan zijn dat daardoor van gevoelens van verliefdheid weinig overblijft. Maar over zulk gevoel heeft Paulus het ook niet. Hij heeft het over ‘liefhebben’, niet over ‘lief vinden’. Liefhebben is geen gevoel maar een daad waarin onvoorwaardelijke liefde wordt bewezen; agapē. Juist als romantiek ontbreekt, kan deze liefde zich bewijzen! Wanneer de man zó van zijn vrouw houdt, dwars door alles heen, niet aflatend, dan is dat ontzagwekkend. Er staat niet – zoals sommige vertalingen weergeven – dat de vrouw voor haar man moet vrezen (= ontzag hebben). Nee, de man zou zijn vrouw zó liefhebben opdat zij ontzag voor hem zou hebben. 190

Ongekende Hoogte EFEZE 6 191

192

Efeze 6:1 – gehoorzaamt jullie ouders Kinderen, gehoorzaamt jullie ouders in de Heer, want dit is rechtvaardig. Eerder schreef Paulus zijn lezers aan, zich aan elkaar te onderschikken. Ef.5:21 Dat betekent dat iedereen in een ondergeschikte positie zich ook als ondergeschikt zou opstellen. Dat wil zeggen: de ander als leidinggevend te erkennen. Vrouwen zouden zich onderschikken aan hun mannen Ef.5:22 en daarmee hen erkennen als degenen die voorop gaan en een beslissende stem hebben. In gezonde verhoudingen worden besluiten in overleg en harmonie genomen. Maar stel, er is sprake van een patstelling of conflict. Dan zou er iemand zijn die de knopen doorhakt. In een huwelijk is dat de man en in een gezin zijn dat de ouders. Ouders zijn niet (zozeer) de baas over hun kinderen, ze zijn verantwoordelijk voor hun kinderen. Gaat het de kinderen in huis niet goed, dan zijn de ouders daarop aanspreekbaar. Met deze zware verantwoordelijkheid van ouders, is het niet meer dan billijk en recht dat kinderen de ouders als hun meerderen erkennen. De ouders zorgen voor hun kinderen en betalen voor hen 2Kor.12:14 en de kinderen op hun beurt erkennen het gezag van hun ouders door gehoor te geven aan wat zij zeggen. Heel simpel, meer wordt van kinderen niet gevraagd. 193

Efeze 6:2,3 – veelbelovend! Eer je vader en moeder (dat is een eerste voorschrift in belofte) opdat het je wel zou gaan, en dat je een lange tijd op de aarde zou zijn. Kinderen zouden hun ouders gehoorzaam (letterlijk: onderhorig) zijn. Dat is alles wat van kinderen wordt gevraagd. Ef.6:1 Paulus ondersteunt dit met een citaat uit de wet van Mozes: “eer je vader en moeder”. Dat is het eerste voorschrift in de wet dat aan kinderen wordt gegeven. Het is waar, dit voorschrift maakt deel uit van de wet die slechts aan Israël werd gegeven. Toch is de morele strekking ervan universeel. Bovendien is het een “voorschrift in belofte”, schrijft Paulus, “opdat het je wel zou gaan …”. Voor Israël gold zelfs dat het eerbiedigen van het voorschrift hen lang zou laten leven in het land dat God hen zou geven. Ex.20:12 slechts één simpel en billijk ding gevraagd. Het is nog veelbelovend ook, want daardoor zou het hen wel gaan! Waar kinderen hun ouders respecteren, zullen ze zelf het beste functioneren. Dat is dus een win-win situatie. Wat een voorrecht voor kinderen (en hun ouders!) als ze beseffen hoe eenvoudig hun taak is, maar ook hoe veelbelovend dat is! Van kinderen wordt 194

Efeze 6:4 – opvoeden En vaders, verbittert jullie kinderen niet, maar voedt hen op in discipline en attendering van de Heer. Werden in de voorgaande verzen de kinderen aangesproken in hun houding naar hun ouders toe, nu richt Paulus zich specifiek tot de vaders. Als ‘heer van het huis’ lopen zij gauw het gevaar zich autoritair en veroordelend op te stellen. Waardoor de kinderen verbitterd raken omdat ze nooit aan de eisen kunnen voldoen. Dat is het tegenovergestelde van kinderen opvoeden “in belofte”. Ef.6:2 Waar Gods belofte leidraad is, heerst vertrouwen dat God altijd voorziet en geeft wat nodig is. Dat besef maakt relaxed en dankbaar en schept een sfeer van vreugde in het huis. Vaders zijn eindverantwoordelijk voor de opvoeding van de kinderen. ‘Opvoeden’ betekent letterlijk: voorzien van voeding. Niet alleen fysiek maar bovenal geestelijk. Ervoor zorg dragen dat de kinderen sterk worden, weerstand ontwikkelen en groeien. In de eerste plaats uiteraard door hen vertrouwd te maken met het Woord van God. Hen de Schriften voor te houden en in te prenten. Door hen te tonen wat een bron van wijsheid, verwachting en vreugde daarin is. Wat een zegen als kinderen dat in hun ouders ook voorgeleefd zien! 195

Efeze 6:4 – discipline en attenderen En vaders, verbittert jullie kinderen niet, maar voedt hen op in discipline en attendering van de Heer. Op vaders in het bijzonder, rust de taak de kinderen op te voeden. “In discipline” staat er. Andere vertalingen spreken van “tucht”. In het Grieks (paideia) staat er een woord waar ons woord ‘pedagogiek’ van afgeleid is. Discipline is een eigenschap waarbij men doet wat men behoort te doen. Nakomen wat gezegd of afgesproken is. Ongeacht of men daar zin in heeft of niet. Is dat niet één van de essenties van de opvoeding? In feite komt discipline neer op betrouwbaarheid. Discipline begint bij de ouders zelf doordat zij doen wat ze zeggen en beloven. Geen betere opvoeding in discipline, dan ouders die doen wat zij behoren te doen. Wat in het vervolg is weergegeven met ‘attendering’ wordt gewoonlijk vertaald met ‘terechtwijzen’. Maar het grondwoord (nouthesia) heeft te maken met: voor de aandacht brengen. Attenderen. Dat kan een corrigerend element hebben, maar dat hoeft niet. Paulus schrijft dat vaders hun kinderen attent zouden maken op wat van de Heer is. Dat is zoveel vriendelijker dan alleen ‘terechtwijzen’. Wat een pracht taak om kinderen attent te maken op Hem die Heer van allen is! 196

Efeze 6:5 – in eenvoud van hart Slaven, gehoorzaamt jullie heren naar het vlees met vrees en beven, in eenvoud van jullie hart, als aan Christus … Hier spreekt Paulus een groep mensen aan die we in de moderne westerse wereld (formeel) niet meer kennen. Werknemers staan een deel van hun tijd in dienst van hun werkgever. Slaven daarentegen zijn 24/7 lijfeigenen van hun heer. Nooit wordt in de brieven actie ondernomen tegen slavernij. Het Evangelie is geen politiek program om de wereld te veranderen of te verbeteren. De bestaande situatie wordt als gegeven aanvaard. Niet slavernij wordt bestreden, maar het Evangelie verandert zowel de slaven als hun eigenaren. Van binnenuit! Omdat slaven lijfeigenen zijn van hun heer, zijn zij hen volstrekte gehoorzaamheid verschuldigd. Paulus bindt ze dat ook op het hart. Maar fijntjes relativeert hij de verhouding door de heren “jullie heren naar het vlees” te noemen. Met andere woorden: de autoriteit van de heren strekt zich niet verder uit dan hun lijf. Gelovige slaven daarentegen kennen een “Heer in de hemelen” die over alles en iedereen gaat! Ef.6:9 Het besef wie echt Heer is, in de absolute zin des woords, maakt de situatie voor een gelovige slaaf zoveel relaxter. Die wetenschap motiveert om zonder wanklank iedere instructie op te volgen. 197

Efeze 6:6,7 – met goed humeur! Slaven, gehoorzaamt jullie heren naar het vlees (…) niet met ogenslavernij, als mensenbehagers, maar als slaven van Christus de wil van God doende, vanuit [jullie] ziel, met goed humeur slaaf zijn, als voor de Heer en niet voor mensen … De positie van slaaf brengt met zich mee, dat je altijd in dienst staat van je eigenaar. Ongetwijfeld waren onder de eigenaars lieden die misbruik maakten van hun rechten. Hoe moeilijk maakten zij het dan voor hun slaven om gehoorzaam te zijn. Toch instrueert Paulus dat te doen. Het is immers God, Die ieder van ons in een bepaalde positie plaatst in de maatschappij. Maar dan óók het vermogen geeft om dat naar behoren te vervullen. En dat niet slechts voor het oog of om in het gevlei van mensen te komen. Nee, “met een goed humeur slaaf zijn”. Dat kan alleen wanneer je als slaaf een echt goed bericht kent! In dat besef doe je niet slechts de wil van je heer “naar het vlees”, nee, je doet de wil van God. Dan dien je Christus, de “Heer van allen”. Met hart en ziel! Dat is wat Gods genade vermag uit te werken in een mensenleven. Wat een sprake gaat daarvan uit! 198

Efeze 6:7,8 – waardering die echt telt … met goed humeur slaaf zijn, als voor de Heer en niet voor mensen, die weten dat een ieder, die goed doet dit zal terugkrijgen bij de Heer, het zij slaaf, hetzij vrije. Onderwerp is nog steeds de houding die de gelovige slaaf aan de dag zou leggen ten opzichte van zijn heer. Hij zou niet met een lang gezicht commando’s opvolgen maar met een goed humeur. Daarmee dient hij niet primair zijn aardse heer maar de Heer boven. Daar komt bij dat “heren naar het vlees” Ef.6:5 gemakkelijk de goede dingen van hun slaven over het hoofd zien. Of niet willen zien. Hoe anders is het met de Heer Christus. Hij weet al het goede dat gedaan wordt naar waarde te schatten. Niet wat maar hoe we de dingen hebben gedaan, dát telt. Met welke instelling. De Bijbelse gedachte is dat na het bereiken van de eindstreep van dit leven de ‘medailles’ zullen worden uitgedeeld. Niet om wat wij hebben gedaan, maar voor wat God in en door ons heeft kunnen verrichten. Dán zal de waardering die er echt toe doet, ons ten deel vallen. Wie je ook bent. Dat is de “onvergankelijke erekrans”. 1Kor.9:25 199

Efeze 6:9 – hun en jullie Heer En heren, doe hetzelfde naar hen toe. Laat het dreigement na. Jullie weten dat hun en jullie Heer in de hemelen is en bij Hem is geen aanzien des persoons. De waarheid die Paulus zojuist aan gelovige slaven voorhield, geldt net zo goed ook voor gelovige heren (= eigenaren). Hun maatschappelijke positie moge dan heel verschillend zijn, de overeenkomst is toch dat beiden dezelfde Heer in de hemelen hebben. Wat Paulus daarmee feitelijk zegt is dat ook de ‘heren’ zelf slaven zijn. De ‘heren’ hoeven zich dus niets te verbeelden. Het Evangelie beoogt geen maatschappelijke structuren te veranderen, maar het verandert harten van mensen. Heren leren zichzelf zien als slaven van de “Heer in de hemelen”. Wie dat beseft dreigt niet langer met geweld. De wetenschap om zelf een Heer te hebben maakt blij, maar ook bescheiden en inlevend. De waarheid dat bij de Heer “geen aanzien des persoons” is, wordt vaak herhaald in het Nieuwe Testament. Het betekent dat Hij niet partijdig is of afgaat op afkomst, maatschappelijke positie of de buitenkant. Hier betekent het: voor de ene Heer is een slaaf niet minder dan zijn eigenaar. Hoe anders wordt onze kijk op zaken, wanneer we het leren bezien vanuit Gods perspectief! 200

Efeze 6:10 – wordt bekrachtigd in de Heer Voor het overige, wordt bekrachtigd in de Heer en in de macht van zijn sterkte. Uit de woorden “voor het overige” blijkt dat de brief hier wordt voortgezet met een nieuw onderwerp. Het gaat over kracht, macht en sterkte dat te vinden is in de Heer. Eerder in Efeze 1:19, lazen we ook over “de macht (of kracht) van Zijn sterkte”. Toen ging het over Gods vermogen waarmee Hij Christus uit de doden opwekte en plaatste aan Zijn rechterhand, boven alle overheid en macht. Maar dat niet alleen. Diezelfde “macht van Zijn sterkte” plaatst ook ons in die positie. Hij is daar te midden van de hemelsen en ook onze plaats als gelovigen is daar. Bestemd voor een alomvattende taak in “de komende aeonen”. Ef.2:7 grote onderwerp van deze brief: de ekklesia die als één lichaam is verbonden met Christus, het Hoofd. Zijn positie is de onze. Uit deze enorme waarheid zouden we onze kracht putten en sterk worden. Beseffend wie we zijn en wat onze bestemming is. Gelovigen nu vormen de voorhoede, de eerstelingen. Alles is er aan gelegen dat zij staan en blijven staan op hun ‘erfdeel’ en zich daarvan niet laten afbrengen. Want er zijn kapers op de kust … Dit raakt het 201

Efeze 6:11 – standhouden Trekt aan de hele wapenrusting van God, zodat jullie kunnen standhouden tegen de methodieken van de diabolos … Dit gedeelte over de wapenrusting is bij velen bekend. We moeten echter bedenken dat deze passage niet op zichzelf staat; het kan slechts verstaan worden in samenhang met de totale brief. Paulus heeft uitgebreid geschreven over Christus’ plaats “boven alle overheid en macht” en die van de gelovigen in Hem. Want: zijn positie is onze positie. Wat in dit gedeelte over de wapenrusting wordt verondersteld, is dat we deze positie in de praktijk ook innemen. Dat we stáán op ons lotdeel, wat gegarandeerd strijd oplevert. Want voor de overheden en machten, die nu nog achter de schermen de wereld beheersen, zijn wij rivalen. Omdat wij in de komende aeonen hun taken overnemen. Met Christus aan het Hoofd zijn wij gesteld tot heerschappij “te midden van de hemelsen”. Geen macht die dat ongedaan kan maken. Waar we echter wél mee van doen hebben zijn “de listen van de duivel” of letterlijk “de methodieken van de diabolos” (de door-één-werper). Om daartegen stand te kunnen houden, dienen we de hele wapenrusting Gods aan te trekken. Deze strijd is defensief. Weerstand bieden om staande te kunnen blijven. 202

Efeze 6:11 – de wapenrusting van God Trekt aan de hele wapenrusting van God, zodat jullie kunnen standhouden … Met “de hele wapenrusting” doelt Paulus hier op twee maal drie onderdelen die hij gaat noemen. De gordel, het borstharnas en het schoeisel als kledingstukken. En het schild, de helm en het zwaard als wapenonderdelen. Bij “wapenrusting van God” zouden we kunnen denken dat ze van God afkomstig is. Dat is op zichzelf waar, maar niet direct de betekenis van de uitdrukking. Van bijna alle onderdelen die Paulus noemt, blijkt God Zelf deze wapenrusting te dragen. Ze worden stuk voor stuk genoemd in het boek Jesaja. Het is dus letterlijk “de wapenrusting van God”, die straks in triomf via de Messias zal verschijnen. Bekleed met gerechtigheid als een pantser en met de helm van redding. Jes.59:17 omgord hebben Jes.11:5 zwaard, Jes.49:2 Dan zal Hij zijn lendenen en zijn mond opendoen als een scherp daarbij de voeten geschoeid met het Evangelie van de vrede. Jes.52:7 De wapenrusting verwijst in alle onderdelen naar Christus die straks in overwinning zal verschijnen en zijn Koninkrijk zal vestigen. En aangezien wij zijn lichaam zijn, is het daarmee ook onze wapenrusting. De wapenrusting verwijst profetisch naar de verschijning van Christus in heerlijkheid – samen met ons! 203

Efeze 6:11,12 – geen conflict tegen bloed en vlees Trekt aan de hele wapenrusting van God, zodat jullie kunnen standhouden tegen de methodieken van de diabolos, want het is voor ons geen conflict tegen bloed en vlees … De strijd waarover Paulus hier spreekt is er niet één die we zelf starten. We voeren geen ‘jihad’, we worden bestreden. Waar wij simpelweg staan op ons lotdeel in Christus, zullen methodieken worden ingezet om ons daarvan af te brengen. Zodat we niet langer daarop staande blijven. Het gaat hier over de listen van de door-één-werper. Degene die zich van ouds heeft bekwaamd om Gods Woord te verdraaien. Hij beweegt zich (lees: kronkelt) onder andere op het terrein van de filosofie en theologie. Dat doet hij al vanaf den beginne. Met als strategie eerst Gods Woord te betwijfelen om vervolgens dit regelrecht tegen te spreken. Hoe vreedzaam alles ook moge lijken, het is oorlog. Het conflict dat we hebben, is niet gericht tegen mensen. Weliswaar bedient de diabolos zich van mensen, maar deze zijn zich van niets bewust. Ze zijn een speelbal van machten en krachten zonder dat te weten. Slechts door te blijven staan op wat “er staat geschreven” zullen we standhouden! 204

Efeze 6:12 – kosmokraten van de duisternis … want het is voor ons geen conflict tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke [krachten] van de boosheid, te midden van de hemelsen. Eerder in deze brief schreef Paulus over “de overste van de macht der lucht”. Ef.2:2 Dat is de diabolos, die aan de top van een hiërarchie staat en de geestelijke atmosfeer in de wereld beheerst. Achter de overheden op aarde bevinden zich machten “te midden van de hemelsen”. Zij zijn de wereldbeheersers (kosmokraten) die alles in het werk stellen om het licht – dat wil zeggen: de waarheid – ten onder te houden. Dát is wat deze wereld duister en daarmee ook boos maakt. Het feit dat deze wereldbeheersers zich bevinden “te midden van de hemelsen” verklaart hun conflict met ons. Want wanneer “de mannelijke zoon” (= Christus inclusief de ekklesia) zal worden weggerukt tot God en Zijn troon, vlak voor de aanvang van Israëls verdrukking, zullen zij uit de hemel worden geworpen. Op.12:5-9 Wij gaan hun plaats innemen. Voor hen zijn wij rivalen en hun dagen zijn geteld. Nu nog beheersen zij de wereld in duisternis. Maar in de aeonen die gaan komen is de heerschappij aan “de Christus”: Hoofd en lichaam! 205

Efeze 6:13 – oorlogstijd Daarom dan, neemt op de gehele wapenrusting van God, opdat jullie bij machte zijn te weerstaan in de boosaardige dag, en, alles uitwerkend, te [blijven] staan. Als gelovigen bevinden we ons (naar het vlees gesproken) op vijandig gebied. De wereldbeheersers die nu nog achter de schermen de dienst uitmaken, hebben het op ons gemunt. Want hun termijn loopt bijna af en dat betekent dat zij hun positie moeten afstaan aan ons. Wanneer wij (fysiek) naar boven gaan, gaan zij naar beneden. Hardhandig. Onze promotie is hun degradatie. We leven in oorlogstijd en daarom spreekt Paulus over “de boosaardige dag”. Wij zijn van Godswege gesteld in de positie van heerschappij “te midden van de hemelsen”. Waar het vandaag op aankomt, is dat we op die plaats ook gaan stáán. Ons bewust zijn van wie we “in Christus” zijn. Onze positie is vast en zeker, maar zonder besef daarvan zullen we de kracht en rijkdom daarvan in onze dagelijkse praktijk niet beleven. Om te blijven staan, en dus ook alle listen te weerstaan, is het noodzakelijk de gehele wapenrusting van God op te nemen. Elk onderdeel van de wapenrusting die Paulus gaat opsommen is noodzakelijk om staande te blijven. Geen element is overbodige luxe. 206

Efeze 6:14 – omgord in waarheid Sta dan, terwijl jullie lendenen omgord zijn in waarheid en jullie het borstharnas van de rechtvaardigheid hebben aangetrokken … De wapenrusting die Paulus beschrijft dient als metafoor voor het vermogen om staande te blijven te midden in de wereld. Het eerste beeld dat hij gebruikt is dat van lendenen die omgord zijn. De gordel of de riem dient om paraat te zijn en tijdig in actie te kunnen komen. Waarbij de gordel hier staat voor waarheid. Zoals de soldaat zich in de gordel bevindt, zo zouden wij “in waarheid” omgord zijn. Het is typerend dat Paulus waarheid als eerste noemt in de wapenrusting. Het gezegde luidt, dat in tijden van oorlog de waarheid als eerste sneuvelt. Dat is in de geestelijke strijd ook zo. De wereldbeheersers die zich opstellen als vijanden heten “de wereldbeheersers van de duisternis”. Dat betekent dat verduisteren hun core-business is. Men houdt de waarheid ten onder. De feiten worden gemanipuleerd en in een vals daglicht gesteld. ‘Fake news’ heet dat tegenwoordig, maar dat is bepaald geen moderne uitvinding. Tegenover de leugen waardoor de wereld wordt geregeerd, staat de waarheid van God. Die waarheid kennen is de beste remedie om de leugen te herkennen. De lendenen omgord wil zeggen: Gods waarheid paraat hebben! 207

Efeze 6:14 – borstharnas van rechtvaardigheid Sta dan, terwijl jullie lendenen omgord zijn in waarheid en jullie het borstharnas van de rechtvaardigheid hebben aangetrokken … Na de gordel noemt Paulus het borstharnas. Het eerste staat voor waarheid, het tweede voor rechtvaardigheid. Die twee vormen een onlosmakelijk koppel. Elders schrijft Paulus dat waarheid in onrechtvaardigheid ten onder wordt gehouden. Rom.1:18 De liefde in 1 Korinthe 13:6 verblijdt zich niet over onrechtvaardigheid maar is blij met de waarheid. Onrechtvaardigheid is een ander woord voor ‘de leugen dienen’. Rechtvaardigheid wil zeggen: recht doen. Dat is in de eerste plaats recht doen aan de waarheid. De gordel van waarheid wordt in één adem genoemd met het borstharnas van de rechtvaardigheid. De waarheid kennen stelt ons in staat van paraatheid in een duistere wereld. Maar rechtvaardigheid maakt dat we de waarheid ook spreken en betrachten. Het één kan niet zonder het ander. Zonder kennis van de waarheid stelt rechtvaardigheid niets voor. Dan is er immers niets om recht aan te doen. Maar alleen de waarheid kennen zonder daarvoor uit te komen, stelt uiteraard ook niets voor. Eerder in deze brief Ef.5:9 noemde Paulus “rechtvaardigheid en waarheid” als de vrucht van het licht. In een duistere wereld mogen we het licht laten schijnen: uitkomen voor Gods waarheid! 208

Efeze 6:15 – de voeten geschoeid … en de voeten geschoeid in gereedheid van het Goede Bericht van de vrede … De lendenen omgord met de waarheid, spreekt van de waarheid kennen en haar paraat hebben. Het schoeisel waarvan hier sprake is, heeft eveneens met paraatheid te maken. In dit geval zijn het de voeten die gereed zijn, dat wil zeggen: geschoeid en dus paraat om te gaan. Met onze mond vertellen we het Goede Bericht maar onze voeten brengen het. Eerder schreef Paulus in deze brief dat Christus vandaag vrede evangeliseert aan hen die veraf en hen die dichtbij zijn. Ef.2:17 Het verwijst naar het Evangelie dat Paulus onder de natiën mocht brengen. Zonder onderscheid. Een boodschap van vrede en verzoening. Het is het Goede Bericht dat God door het bloed van het kruis vrede maakt en alle vijanden – hetzij in de hemel, hetzij op de aarde – met Zich verzoent. Kol.1:20 Leest u het goed? God maakt van iedere vijand een liefhebber van Hem! Klinkt het niet vreemd dat “het Goede Bericht van de vrede” een onderdeel is van een wapenrusting? Inderdaad, maar dat is nu juist de clou. Om staande te blijven is goed schoeisel onontbeerlijk. En dat schoeisel is dit “Evangelie van de vrede”. Dát mogen we brengen. Overal! 209

Efeze 6:16 – het schild van het geloof … terwijl jullie bij dit alles opnemen het deurvormige schild van het geloof, waarmee jullie al de brandende projectielen van de boosaardige zullen kunnen uitdoven. Ging het bij de voorgaande drie onderdelen om (kleding) aantrekken, Ef.6:14 nu volgen twee onderdelen die als wapens zouden worden opgenomen. Eerst is daar het schild. Letterlijk staat er een woord dat van ‘deur’ is afgeleid. Dit vanwege de rechthoekige vorm en het manshoge formaat. Een soldaat kon zich daarachter geheel verschuilen. Dit schild is uiteraard defensief, puur ter verdediging. Maar strikt noodzakelijk. Want wat heb je aan een gordel, een borstharnas of goed schoeisel in een omgeving waar levensgevaarlijke, brandende projectielen op je worden afgevuurd? Slechts “het deurvormige schild” biedt daartegen bescherming. Het deurvormige schild waarachter men geheel veilig is, is “het geloof”. Dat wil zeggen: het vertrouwen op God en het beamen van wat Hij zegt. Hebreeën 11:1 legt uit dat geloof de aanname (hupostasis = onder-stelling) is, van wat verwacht wordt. In de geestelijke oorlog die gaande is krijgen we te maken met boosaardige aanvallen van “brandende projectielen”. Dat zijn alle redeneringen of beschuldigingen die ons gemakkelijk uit het veld kunnen slaan. Alleen achter “het deurvormige schild van het geloof” vinden we daartegen beschutting. 210

Efeze 6:17 – de helm van de redding En ontvangt de helm van de redding … Eerder memoreerden we dat de onderdelen van de wapenrusting die Paulus noemt, verwijzen naar het boek Jesaja. Zo ook hier. Jes.59:17 Jesaja spreekt over de Messias die zijn Koninkrijk zal vestigen en daarin triomfeert over zijn vijanden. En wat draagt hij zo al? Een “harnas van rechtvaardigheid”. En “een helm van redding (Hebreeuws: jesjoea!) was op zijn hoofd”. Christus, die in triomf uittrekt, draagt een wapenrusting en die wapenrusting wordt ons hier door Paulus voorgesteld. Want aangezien we bestemd zijn om samen met Christus alle vijandige machten te vervangen – om te beginnen “te midden van de hemelsen” – , dragen we ook dezelfde wapenrusting als hij. Van het deurvormige schild (= geloof) wordt gezegd dat we deze zouden opnemen. Ef.6:16 Maar de helm van de redding daarentegen ontvangen we. Dat verschil is niet voor niets. Dat geldt ook voor de volgorde van wapenonderdelen. Wanneer wij ons hebben omgord in waarheid en het borstharnas hebben aangetrokken van rechtvaardigheid en geschoeid zijn in gereedheid van het Evangelie van vrede en bij dit alles ook het schild opnemen van geloof … dan ontvangen wij ook de helm van redding. Ons hoofd (lees: denken) vindt bescherming in de gegarandeerde redding! 211

Efeze 6:17 – het zwaard van de geest En ontvangt de helm van de redding en het zwaard van de géést, dát is Gods uitspraak. Als laatste metafoor van de wapenrusting noemt Paulus “het zwaard van de geest”. In de grondtekst kun je zien dat het woordje ‘dat’ (of ‘welke’) niet verwijst naar ‘zwaard’ maar naar ‘geest’. Dus het zwaard van de géést, dát is Gods uitspraak. De veelgehoorde tweedeling tussen Woord en geest loopt stuk op zo’n mededeling. Want Gods geest kennen en herkennen we juist in wat Hij zegt. Wanneer we staan op ons geestelijk lotdeel, is strijd onvermijdelijk. De tegenstand die we daarin ondervinden pleit niet tégen ons maar vóór ons. Hoe pareren we vragen die ons worden gesteld? Wat zou onze reactie zijn op kritiek die ons raakt? Het antwoord lezen we in bovenstaand vers. Het is het laatste onderdeel van de wapenrusting dat beslissend blijkt. Het is het geestelijk zwaard: Gods uitspraak. Toen Jezus in de woestijn verzocht werd door “de listen van de diabolos”, was zijn reactie steevast: “Er staat geschreven!” Nooit liet hij zich verleiden tot redeneringen over Gods Woord, maar altijd citeerde hij vanuit Gods Woord. Niets is krachtiger, scherper en trefzekerder dan Gods eigen uitspraken. “Er staat geschreven!” 212

Efeze 6:18 – nr. 7 in de wapenrusting En bid door alle gebed en smeekbede heen, bij elke gelegenheid (in geest ook daartoe wakende), in alle volharding en smeekbede omtrent al de heiligen … Met deze instructie benoemt Paulus het zevende en tevens laatste onderdeel van de wapenrusting. Ze neemt een aparte plaats in doordat hier geen metafoor gebruikt wordt zoals bijvoorbeeld een zwaard of schild. Tot dusver zouden we de gedachte kunnen hebben dat onze strijd louter individueel is. Staande blijven is een persoonlijke strijd. En dat is waar, maar we staan niet alleen op het slagveld. “Al de heiligen” vormen een leger. Ons verblijf in deze wereld is maar geen gezellige picknick; het is oorlog! En dat besef is belangrijk omdat dit ons geestelijk alert (wakend) maakt. Zo belangrijk als alle eerder genoemde onderdelen van de wapenrusting zijn, zó belangrijk is het ook om door alles heen, te blijven bidden en te smeken omtrent “al de heiligen”. Uiteraard niet om God van gedachte te doen veranderen (alleen het idee al!), maar opdat het ons zou veranderen. Het doordringt ons van het besef dat we bij elkaar horen en dat we allemaal staande zouden blijven op wat ons in Christus is toegevallen. Opdat we allen “verlichte ogen” zouden hebben! Ef.1:18; 3:18 213

Efeze 6:19 – het openen van de mond … en ten behoeve van mij, opdat aan mij woord gegeven zou worden in het openen van mijn mond, in vrijmoedigheid bekend te maken het geheim van het Goede Bericht … Het laatste onderdeel van de wapenrusting is het gebed voor “al de heiligen”. In dit vers wordt dit gebed heel concreet omdat Paulus voorbede vraagt voor zichzelf. Het is daarbij heel kenmerkend dat hij geen gebed vraagt om vrijlating vanuit de gevangenis. Of voor verbetering van zijn omstandigheden. Paulus had geleerd om met alle omstandigheden genoegen te nemen. Als slaaf vertrouwde hij er op dat zijn Heer volledig zorg droeg voor hem. Niet Paulus’ persoonlijke omstandigheden zouden onderwerp van gebed zijn voor zijn lezers. Nee, waar hij om vraagt is voorbede dat hij “in vrijmoedigheid” zijn mond zou openen. Om “het geheim van het Goede Bericht” bekend te maken. Want dát is waar het in de strijd om gaat. Om het mededelen van een goed bericht. En dus om woord. En hoe zou dat anders kunnen, dan door het openen van de mond? Het Evangelie moet verteld worden. Want geloof is door het horen van het Woord. Rom.10:17 Staande blijven in de strijd betekent ronduit te spreken van het Goede Bericht! 214

Efeze 6:20 – ambassadeur in een keten … in vrijmoedigheid bekend te maken het geheim van het Goede Bericht, ten behoeve waarvan ik een ambassadeur ben in een keten, om daarin vrijmoedig te zijn, zoals het mij bindend is te spreken. Paulus is een gezant of ambassadeur. Een ambassadeur is iemand die zijn regering in den vreemde vertegenwoordigt. Zo iemand bemoeit zich niet met de binnenlandse aangelegenheden van het land waarin hij te gast is. Hij heeft maar één missie en dat is de regering van zijn land waardig te representeren. In het internationale recht is een ambassadeur ‘diplomatiek onschendbaar’. Zou een gastland een ambassadeur gevangen nemen, dan is dat niet minder dan een oorlogsverklaring. Paulus is zo’n ambassadeur … in een keten. Maar verklaart Paulus nu de oorlog? Integendeel! Vrijmoedig maakt hij juist “het geheim van het Goede Bericht” bekend waarvoor hij een ambassadeur is. Paulus’ voeten zijn geschoeid met “het Evangelie van de vrede”. Ef.6:15 In 2 Korinthe 5:19-20 zegt hij een ambassadeur van Christus te zijn aan wie “het woord van de verzoening” is toevertrouwd. God verzoent; Hij maakt van vijanden vrienden. Zie daar “het geheim van het Goede Bericht”. God maakt vrede door het bloed van het kruis, door alle vijanden met Zich te verzoenen! Kol.1:20 215

Efeze 6:20 – bindend om te spreken … in vrijmoedigheid bekend te maken het geheim van het Goede Bericht, ten behoeve waarvan ik een ambassadeur ben in een keten, om daarin vrijmoedig te zijn, zoals het mij bindend is te spreken. In de voorbede die hier ter sprake komt vormt de bekendmaking van het Goede Bericht het speerpunt. Dat ligt in de aard van het Goede Bericht besloten. Een bericht of mededeling vraagt om doorgegeven te worden. Want ja, hoe zou men kunnen geloven als het niet eerst wordt verteld? Rom.10:14 Het geheim van het Goede Bericht waarvan Paulus ambassadeur is, is het woord van verzoening dat aan hem was toevertrouwd. 2Kor.5:20 schreef: hun verwerping (namelijk van Israël) is de verzoening der wereld. Rom.11:15 Zoals Paulus in de Romeinen-brief Nu Israël vanwege ongeloof tijdelijk terzijde staat, zou de boodschap klinken van “de verzoening der wereld”! Al is de wereld vijandig (Paulus was geketend!), de boodschap die we hebben spreekt van de ene God, Die vijandschap omzet in vrede! Al slaat de wereld Gods Zoon aan het hout, God rekent het niet toe. Hij gaat aan elk mensenkind het Leven geven dat Christus aan het licht bracht in zijn opstanding. Niemand uitgezonderd. Dát woord was voor Paulus bindend om te spreken. 216

Efeze 6:21,22 – geluk! Opdat jullie nu ook zouden weten de dingen die mij aangaan en wat ik doe, zal Tychikus, mijn geliefde broeder en bediende in de Heer, jullie alles bekend maken, die ik naar jullie zend om die reden, opdat jullie zouden weten de zaken omtrent ons en hij jullie harten zou bemoedigen. We zijn inmiddels aan het slot van de brief gekomen. Paulus noteert nog enkele persoonlijke overwegingen en stuurt Tychikus met deze brief naar de geadresseerden. Het feit dat dit slot als twee druppels water lijkt op wat we lezen in Kolosse 4:7-8, geeft aan dat beide brieven tegelijkertijd zijn geschreven en verzonden. De inhoud van beide brieven onderstreept dat alleen maar. De naam Tychikus (dat ‘gelukkig’ betekent!) komen we tegen in het boek Handelingen als medereiziger van Paulus, Hand.20:4 maar ook nog diverse andere keren in zijn brieven. Paulus wilde graag dat zijn lezers ook op de hoogte zouden zijn van de dingen die hem aangingen. Dat hij een gevangene was, in een keten, dat wisten ze. Maar als ze van Tychikus zouden vernemen hoe het Paulus verging, dan zou dat hen bemoedigen. Is dat niet prachtig? Het betekent dat Paulus een geluk kende dat ver boven alle omstandigheden uitgaat! 217

Efeze 6:23,24 – onze Heer … in onvergankelijkheid Vrede aan de broeders en liefde met geloof, van God de Vader en van de Heer Jezus Christus. De genade is met allen die onze Heer, Jezus Christus, in onvergankelijkheid liefhebben. De brief eindigt zoals ze begon. Genade heerst van het begin tot het eind. Het heeft het eerste en het laatste woord en ook stilistisch brengt Paulus dat tot uitdrukking. Het is karakteristiek voor de apostel die werd afgevaardigd om “het Goede Bericht van de genade Gods” onder de natiën bekend te maken. En aan wie ook “het beheer van de genade Gods” was gegeven. Ef.3:2 De vrede en genade zijn hier ook geen wens of gebed van Paulus. Ze zijn een vaststelling. Afkomstig van God, de Vader, en door de Heer Jezus Christus ons deel. Geweldig hoe de brief eindigt met uitzicht op onze Heer “in onvergankelijkheid”. Dit gaat niet over Jezus op aarde die kwam om te sterven. Nee, het wijst naar boven. Naar hem die, na zijn sterven en begrafenis, opgewekt werd uit de doden en als Eersteling, Leven en onvergankelijkheid aan het licht bracht. 2Tim.1:10 Dat is de basis van het Goede Bericht. In hem hebben we de garantie dat de dood volkomen teniet gedaan zal worden! 218

goedbericht.nl GoedBericht wijst op de ene GOD, Die alles beschikt en bij Wie nooit iets mis gaat. Zij wijst op Jezus Christus als Redder der wereld. Jazeker, van alle mensen. Omdat GOD nooit laat varen de werken van Zijn handen! Uitgangspunt is de Bijbelse boodschap zoals Paulus dit als “apostel en leermeester van de natiën” heeft mogen bekendmaken. GoedBericht wil uitsluitend wijzen op wat “er staat geschreven”. Want “de Schrift” bewijst én verklaart zichzelf. 219

1 Online Touch

Index

  1. 1
  2. 2
  3. 3
  4. 4
  5. 5
  6. 6
  7. 7
  8. 8
  9. 9
  10. 10
  11. 11
  12. 12
  13. 13
  14. 14
  15. 15
  16. 16
  17. 17
  18. 18
  19. 19
  20. 20
  21. 21
  22. 22
  23. 23
  24. 24
  25. 25
  26. 26
  27. 27
  28. 28
  29. 29
  30. 30
  31. 31
  32. 32
  33. 33
  34. 34
  35. 35
  36. 36
  37. 37
  38. 38
  39. 39
  40. 40
  41. 41
  42. 42
  43. 43
  44. 44
  45. 45
  46. 46
  47. 47
  48. 48
  49. 49
  50. 50
  51. 51
  52. 52
  53. 53
  54. 54
  55. 55
  56. 56
  57. 57
  58. 58
  59. 59
  60. 60
  61. 61
  62. 62
  63. 63
  64. 64
  65. 65
  66. 66
  67. 67
  68. 68
  69. 69
  70. 70
  71. 71
  72. 72
  73. 73
  74. 74
  75. 75
  76. 76
  77. 77
  78. 78
  79. 79
  80. 80
  81. 81
  82. 82
  83. 83
  84. 84
  85. 85
  86. 86
  87. 87
  88. 88
  89. 89
  90. 90
  91. 91
  92. 92
  93. 93
  94. 94
  95. 95
  96. 96
  97. 97
  98. 98
  99. 99
  100. 100
  101. 101
  102. 102
  103. 103
  104. 104
  105. 105
  106. 106
  107. 107
  108. 108
  109. 109
  110. 110
  111. 111
  112. 112
  113. 113
  114. 114
  115. 115
  116. 116
  117. 117
  118. 118
  119. 119
  120. 120
  121. 121
  122. 122
  123. 123
  124. 124
  125. 125
  126. 126
  127. 127
  128. 128
  129. 129
  130. 130
  131. 131
  132. 132
  133. 133
  134. 134
  135. 135
  136. 136
  137. 137
  138. 138
  139. 139
  140. 140
  141. 141
  142. 142
  143. 143
  144. 144
  145. 145
  146. 146
  147. 147
  148. 148
  149. 149
  150. 150
  151. 151
  152. 152
  153. 153
  154. 154
  155. 155
  156. 156
  157. 157
  158. 158
  159. 159
  160. 160
  161. 161
  162. 162
  163. 163
  164. 164
  165. 165
  166. 166
  167. 167
  168. 168
  169. 169
  170. 170
  171. 171
  172. 172
  173. 173
  174. 174
  175. 175
  176. 176
  177. 177
  178. 178
  179. 179
  180. 180
  181. 181
  182. 182
  183. 183
  184. 184
  185. 185
  186. 186
  187. 187
  188. 188
  189. 189
  190. 190
  191. 191
  192. 192
  193. 193
  194. 194
  195. 195
  196. 196
  197. 197
  198. 198
  199. 199
  200. 200
  201. 201
  202. 202
  203. 203
  204. 204
  205. 205
  206. 206
  207. 207
  208. 208
  209. 209
  210. 210
  211. 211
  212. 212
  213. 213
  214. 214
  215. 215
  216. 216
  217. 217
  218. 218
  219. 219
  220. 220
Home


You need flash player to view this online publication