0

Jezus Christus, de Gekruisigde Dieter Landersheim Stichting Da-ath

Colofon Titel: Jezus Christus, de Gekruisigde © 2022 Dieter Landersheim Website: biblischelehre.de Alle rechten voorbehouden Nederlandse vertaling: Rita Buurveld-Jansen Uitgave: Stichting Da-ath, Capelle aan den IJssel, da-ath.nl Verschijningsdatum: juni 2022 Vormgeving & technische realisatie: Evangelie Om Niet Foto cover © ImagineGolf via Canva ISSN 2772-8803 NUR 707

INHOUD pagina 1. De zeven kruiswoorden 2. Valstrik van het kruis 3. Vijanden van het kruis 7-20 21-24 25-29 5

Met schriftelijke toestemming van Dieter Landersheim. Bijbelteksten: werkvertaling, gebaseerd op de Herziene Statenvertaling (HSV), Bron: herzienestatenvertaling.nl en de Nederlandse Concordante Vertaling (NCV), Bron: ncv-bijbelstudie.nl 6

1. De zeven kruiswoorden De zeven Kruiswoorden van Jezus Christus (Mattheüs 27; Marcus 15; Lucas 23; Johannes 19) De mensen in Israël verwonderden zich over de woorden van Jezus. Want Hij onderwees als iemand, die volmacht heeft, niet als hun schriftgeleerden. Dat riep jaloezie bij de Farizeeën en religieuze leiders op. Bij gesprekken met de schriftgeleerden trokken die steeds aan het kortste eind. Jezus vertelde hen bijvoorbeeld de gelijkenis van de bouwers in de wijngaard. Zij doodden de zoon van de wijngaardenier. Hij sprak daarin over de steen die de bouwlieden verworpen hadden maar die tot hoeksteen werd. Toen beseften ze, dat Hij over hen sprak en zochten Hem te doden Mat.21:33-46. Zij probeerden Hem ook te doden, omdat Hij op de sabbat zieken genas en Zich dus niet aan hun sabbatsvoorschriften hield. Maar vooral omdat Hij God Zijn Vader noemde en Zich daarmee in zekere zin aan God gelijkstelde Joh.5:18. Simon Petrus werd inzicht gegeven, dat Jezus de Christus, de Messias is, de Zoon van de levende God. En toen kon de Heer Zijn discipelen op het lijden van de Messias opmerkzaam maken, zoals dat in de Hebreeuwse heilige Schriften staat in Psalm 22 en Jesaja 53. 7

Jezus zei tegen Zijn discipelen, dat Hij naar Jeruzalem moest gaan en door de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden veel zou lijden. En dat Hij gedood moest worden en op de derde dag opgewekt Matt.16:21. Later vertelde Hij ze meer details; dat Hij aan de natiën zou worden overgegeven om bespot, gegeseld en gekruisigd te worden Matt.20:19. Toen was het zover. De hogepriesters en oudsten van Israël hadden Jezus gevangen laten nemen. Het verhoor voor het Sanhedrin schoot niet erg op. En opgestaan zei de hogepriester tot Hem: ‘Antwoord jij níets op wat dezen tegen jou getuigen?’. Jezus nu was stil. En de hogepriester antwoordde en zei tot Hem: ‘Ik bezweer jou op de levende God opdat jij het ons zegt indien jíj de Christus bent, de Zoon van God’. Tot hem zei Jezus: ‘Jíj zegt het. Bovendien zeg Ik jullie, vanaf nu zullen jullie de Zoon des mensen zien, zittend aan de rechterhand van de Kracht en komend op de wolken van de hemel’. Toen1 scheurde de hogepriester zijn bovenkleding open, zeggend: ‘Hij lastert! Wat voor behoefte hebben wij nog aan getuigen? Zie, nu hebben jullie zijn lastering gehoord! Wat menen jullie?’ Zij nu antwoordden en zeiden: ‘Vervallen tot de dood is hij!’ Toen spuwden zij in Zijn aangezicht en stompten Hem Matt.26:63-67 NCV. Dat was in de nacht van de 13e Nisan, de eerste maand van het jaar, op woensdag. Op de eerste avond van deze dag (de dag begon in Israël om 18.00 uur ’s avonds) at de Heer als herinnering aan de uittocht uit Egypte het Pèsach met Zijn discipelen. Hij wees hen er daarbij op, dat het brood Zijn overgegeven lichaam en de wijn Zijn vergoten bloed 1 Letterlijk: destijds 8

representeerden. In de nacht was Hij in de hof van Gethsémané gevangengenomen. Daar had Hij gebeden: ‘Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan! Maar niet zoals Ik wil, maar zoals U wil’ Matt.26:39. Het was niet mogelijk. Het moest gebeuren. Het hing op dat moment helemaal van de onbuigzame wil van de Vader en de gehoorzaamheid van de Zoon af, of de redding van het al uit zonde en dood zou plaatsvinden. De Heer Jezus Christus overwon Zichzelf, werd gehoorzaam tot de dood, ja de dood van het kruis Fil.2:8. De Joden voerden Jezus af en gaven Hem over aan de stadhouder Pontius Pilatus. Die vond geen schuld in Hem, boog echter onder de druk van de opgehitste menigte, die schreeuwde: ‘Kruisig Hem!’ Het was voorbereiding van het Pascha, rond het 6e uur Joh.19:14, de 13e Nisan, tegen 12 uur ’s middags. De soldaten van de stadhouder geselden Jezus, deden Hem een purperen mantel om, zetten Hem een doornenkroon op Zijn hoofd, gaven Hem een riet in Zijn rechterhand en bespotten Hem dan als de Koning van de Joden. Toen trokken ze Hem Zijn kleding weer aan en voerden Hem af om gekruisigd te worden. En zij kwamen aan op een plaats, genaamd Golgotha, dat is de zogenaamde Schedelplaats, voor de poorten van Jeruzalem. En zij sloegen Hem aan een paal. Het kruis was een paal, waaraan Hij door de polsen en de voeten heen vastgespijkerd werd. Het was het derde uur, ongeveer 9 uur, van de dag van het Pèsach, de 14e Nisan. Met Hem kruisigden ze ook twee rovers, Lucas duidt ze aan als misdadigers, de ene links van Jezus, de ander rechts. Pilatus had 9

een opschrift geschreven en boven aan de paal laten aanbrengen met de beschuldiging. In Hebreeuws, Latijn en Grieks was te lezen: ‘Jezus de Nazoreeër, de Koning van de Joden’ Joh.19:19. Jezus’ eerste uitspraak De eerste woorden van Jezus waren: Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen Luc.23:34. Onze Heer handelde daarmee volgens Zijn eigen woorden: Zegent die jullie vervloeken, bidt voor wie jullie smalen! Luc.6:28. Was de vergeving van de grootste zonde van de mensen: het ombrengen van de Zoon van God, de al aan Eva beloofde Redder, überhaupt wel mogelijk? Ja, want onze Heer Jezus had Israël verhard door de vervulling van het profetenwoord van Jesaja, zodat zij zagen en toch niets waarnamen en hoorden en toch niet begrepen Jes.6:9,10; Matt.13:13-15. Wie echter per vergissing of in onwetendheid zondigde, die kon volgens de wet van Mozes vergeven worden Lev.4:1; Num.15:29,39. Voor opzettelijke en met volmacht begane zonden echter, was geen vergeving vgl. Hebr.10:26. Zo is er ook voor Israël geen vergeving voor de verdere verwerping van hun Heer en Koning in de tijd van de Handelingen van de apostelen. Dat was nadat Jezus Christus was opgestaan in de kracht van de geest van God en Hij bewezen was Zoon van God te zijn. Deze zonde tegen de heilige geest – tegen het getuigenis van de geest van God in de tijd van Handelingen – wordt hun niet vergeven; de toorn van God blijft op het ongelovige deel van Israël gericht Matt.12:32. 10

Het verzoek van onze Heer Jezus Christus werd verhoord. Want Petrus, aan wie de sleutels van het koninkrijk der hemelen gegeven waren Matt.16:19, mocht de deur om het koninkrijk van Israël binnen te gaan, openen. En dat op het feest van de eerstelingen, pinksterfeest Ex.34:22; Lev.23:15,16, dat op de 50e dag na het feest van de ongezuurde broden Ex.12:18 plaatsvond. Petrus zei: Hebt berouw en laat eenieder van jullie gedoopt worden in de naam van Jezus Christus tot vergeving van jullie zonden en jullie zullen het geschenk van de heilige geest ontvangen Han.2:38. En velen geloofden. Petrus verzekerde het volk na de genezing van de verlamde man in de tempel: En nu, broeders, weet ik dat jullie in onwetendheid dit bedreven hebben, evenals ook jullie oversten2 Han. 3:17. Ook Saulus, die met genoegen de dood van Stefanus zag, handelde in onwetendheid. Zo kon Stefanus, toen zij hem stenigden, naar het voorbeeld van de Heer nog uitroepen: Heer, laat deze zonde niet tegen hen staan Han.7:60. En Paulus getuigt: … ik, die eerder een lasteraar en vervolger en mishandelaar was, maar mij werd barmhartigheid bewezen, omdat ik het onwetend deed, in ongeloof 1Tim.1:13. Aan het eind van de Handelingentijd doet de apostel de deur voor Israël, dat in meerderheid het getuigenis van de heilige geest afwijst, weer dicht Han.28:24-28, door nog een keer te wijzen op Jesaja 6. Daarom kan tot nu toe niemand het koninkrijk van Israël binnengaan. 2 NCV: vorsten, Grieks: archontes 11

In 1 Corinthiërs 1 en 2 spreekt Paulus over het reddende woord van het kruis en over de wijsheid van God, die in Jezus Christus en Die gekruisigd, is, en schrijft dan: …die niemand van de vorsten van deze eon heeft gekend, want indien zij haar kenden, zouden zij de Heer van de heerlijkheid niet gekruisigd hebben 1Cor.2:8. Toen verdeelden de soldaten Jezus’ kleding onder elkaar door te loten, opdat de Schrift vervuld zou worden, die zegt: Zij verdelen Mijn kleding onder elkaar en zij werpen het lot om Mijn gewaad. Psa.22:19 De met open mond toekijkende menigte en de oversten spotten en hoonden de Heer en zeiden: Anderen heeft Hij gered, laat Hij zichzelf redden, indien deze de Christus is van God, de Uitgekozene! Luc.23:35. (Daarbij gaven ze ongewild met vermelding van de redding van anderen een goed getuigenis over Hem af). Soldaten bespotten Hem door wat zij via het opschrift wisten: Indien jij de Koning van de Joden bent, red jezelf Luc.23:37. Jezus’ tweede uitspraak Op dezelfde wijze hoonden Hem ook de misdadigers, die samen met Hem gekruisigd waren. Mogen deze twee ons er goed aan herinneren, dat ook wij samen met Christus gekruisigd zijn. Toen, op Golgotha, werd aan onze oude mens het rechtvaardige oordeel voltrokken: de dood Rom.6; 2Cor.5:14. Eén van de twee misdadigers bedacht zich. 12

Toen de andere van de gehangen misdadigers lasterde: ‘Ben jij zeker niet de Christus? Red jezelf en ons!’ berispte de ander hem: ‘Vrees jij evenmin God, ziende dat jij in hetzelfde oordeel bent? En wij inderdaad rechtvaardig, want wij krijgen terug wat gepast is voor wat wij bedreven hebben, Deze echter heeft niets onbehoorlijks bedreven.’ Toen zei hij tegen Jezus: ‘Herinner mij Heer, wanneer U ook komt in Uw koninkrijk.’ Jezus antwoordde hem: ‘Amen, Ik zeg jou heden, met Mij zal jij in het paradijs zijn.’ Luc.23:39-43. Deze misdadiger had geloof én werken. Hij geloofde, dat Jezus de beloofde Koning van Israël is. Zijn werk bestond uit zijn mondelinge belijdenis. Zo kon hij volgens het evangelie van het koninkrijk, dat onze Heer en de twaalf apostelen aan het volk Israël verkondigden, gered worden. Op dat moment, precies op dat moment, in zo’n verschrikkelijk lijden, in deze meest vernederende en vreselijke toestand, werd hem het paradijs beloofd, de plek van vreugde en geluk. ‘Paradijs’ (Perzisch voor: park) is de populaire uitdrukking voor het koninkrijk van God. Jezus’ derde uitspraak Bij het kruis van Jezus stonden Zijn moeder, de zuster van Zijn moeder, Maria, de vrouw van Klopas, en Maria van Magdala. Toen Jezus Zijn moeder zag en de discipel, die Hij liefhad, bij haar staande, zei Hij tegen Zijn moeder: ‘Vrouw, zie jouw zoon’. Daarna zei Hij tegen de discipel: ‘Zie jouw moeder’. En van dat uur af nam de discipel haar in zijn eigen huis Joh.19:25-27. De discipel, die Jezus bijzonder liefhad, is Johannes Joh.13:23. In zijn huis mag de moeder van 13

Jezus nu wonen en troost voor haar gewonde hart vinden. Want zo werd vervuld wat de oude Simeon bij de presentatie van Jezus als baby in de tempel tegen Maria zei: Door jouw eigen ziel zal een sabel komen Luc.2:35. Vanaf het zesde uur kwam duisternis over het hele land tot aan het negende uur. Het zesde uur duurt van 11 tot 12 uur, het negende van 14 tot 15 uur. De zon bleef weg. Die duisternis is aanwijzing dat de wereldbeheerser van deze duisternis, de geestelijke machten van de boosheid, onze Heer kwelden, zoals geschreven staat: Vele stieren hebben Mij omringd, sterke stieren van Basan hebben mij omsingeld. Zij hebben hun muil tegen mij opengesperd als een verscheurende en brullende leeuw Psa.22:13,14. Jezus echter overwon deze machten Col.2:15. De eerste drie kruiswoorden van Jezus lieten Zijn liefde voor de mensen zien. Het vierde centrale woord betreft de verhouding tussen de Vader en de Zoon. Jezus’ vierde uitspraak Omstreeks het negende uur riep Jezus met luider stem: ‘Eloi, Eloi, lema sabachthani!’, dat is: ‘Mijn God, Mijn God, waartoe hebt U Mij verlaten’ Matt.27:46; Mar.15:34 NCV. Onze Heer Jezus Christus verheerlijkte met deze woorden Zijn Beschikker, in onwankelbaar geloof. Hij huldigde Zijn Onderschikker in volkomen vertrouwen. Want bij God is niets ongerijmd, niets zonder zin en doel en Hij leidt alles naar heerlijke voleinding. 14

Waaruit bestond de verlatenheid? - De verlatenheid bestond uit de overlevering (Rom. 4:25) in de handen van hen, die Hem pijnigden; - Ze bestond uit het prijsgeven aan, het ontnemen van de bescherming en de gunst, zoals de Psalmist zegt: … ver van mijn verlossing, de woorden van mijn jammerklacht? ... Allen die mij zien bespotten mij, zij trekken de lippen op, zij schudden het hoofd en zeggen: Hij heeft het op Jahweh gewenteld - laat Die hem bevrijden, laat Die hem redden, als Hij hem genegen is ... Want honden hebben mij omsingeld, een horde kwaaddoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorboord. Al mijn beenderen kan Ik tellen ... Zij verdelen Mijn kleding onder elkaar en werpen het lot om Mijn gewaad. Maar U, Jahweh, blijf niet ver weg; Mijn sterkte, kom mij spoedig te hulp! … Verlos mij uit de muil van de leeuw en van de horens van de wilde ossen! Psa.22:2b,8,9,17,18a,19,20,22 hSV - Van God verlaten zijn wil zeggen, dat het Gods raadsbesluit was Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem doen lijden Jes.53:10. - Verlaten zijn betekent voor Hem, die de zonde niet kende, door God voor ons tot zonde, tot zondoffer gemaakt te zijn 2Cor.5:21; - God maakte Hem ook tot Drager van de vloek, die de wet van Mozes over alle zondaren uitspreekt, zoals geschreven staat: een gehangene is door God vervloekt Deut.21:23; Gal. 3:13; 15

- De verlatenheid bestond eruit het oordeel van God te moeten ondergaan, want God veroordeelde de zonde in het vlees van Zijn Zoon Rom.8:3. Ook onze zonde werd daar veroordeeld – wij zijn vrij! - Verlatenheid is het tegendeel van geborgenheid en betekent kort samengevat de overlevering aan verdrukkingen. God heeft Zijn Zoon prijsgegeven. Waartoe verliet de Vader Zijn Zoon? - Opdat Hij onze zonden in Zijn lichaam op het hout zou wegdragen 1Pe.2:24: - Opdat Israël vrede en genezing van de ergste wond: de zonde, zou ontvangen Jes.53:5; - Opdat men in de toekomst het wedergeboren en gelovige Israël de gerechtigheid van God bekend zal maken Ps.22:32. Waartoe? Hier horen wij het antwoord! - Nog een antwoord: Alle einden van de aarde zullen eraan denken en zich tot de Heer bekeren; alle geslachten van de natiën zullen zich voor uw aangezicht neerbuigen. Psa.22:28 - Waartoe verliet God Zijn Zoon? Opdat aan de Zoon voor Zijn lijden veel gerechtvaardigden als overwinningskrans toebedeeld worden, tot Zijn verheerlijking Jes.53:10-12; 16

- Opdat de Zoon Zelf door Zijn gehoorzaam lijden volkomen gemaakt wordt en Hij voor allen, die Hem gehoorzamen de oorzaak van eonische redding is Heb.2:10; 5:9; - Opdat Gods liefde erkend wordt, die Hem, Zijn geliefde Zoon, voor Zijn schepselen aan de schandpaal, aan het vloekhout, liet overgeven. Later mocht de apostel Paulus nog meer verkondigen waartoe Jezus verlaten werd: - Wij zijn in Zijn voor ons vergoten bloed, dus door Zijn lijden en sterven, van alle zonden gerechtvaardigd Rom.5:9; - Wij zijn door de dood van de Zoon van God met Hem verzoend Rom.5:10; - Tot redding van alle mensen uit zonde en dood werd onze Heer verlaten 1Tim.4:10; - Door het bloed van Jezus Christus zal zelfs het al weder(zijds) met God verzoend worden Kol.1:20. Jezus’ vijfde uitspraak De lichamelijke pijnen waren onuitsprekelijk zwaar. Hij, die gezegd had: Ingeval iemand dorst heeft laat hij naar Mij toe komen en drinken! Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt, uit zijn onderlijf zullen rivieren vloeien van levend water Joh.7:37,38, verlangde hevig naar gewoon water voor Zijn geschonden lichaam. David had al door 17

de geest van God daarvan gesproken: Mijn hart is als was, het is gesmolten diep in mijn binnenste, mijn kracht is verdroogd als een potscherf, mijn tong kleeft aan mijn gehemelte. U legt mij in het stof van de dood Psa.22:16. Jezus zei, opdat de Schrift volkomen vervuld zou zijn: Ik heb dorst Joh.19:28. De Schrift zegt: In Mijn dorst hebben ze Mij zure wijn laten drinken Psa.69:22. Omdat bij de plaats van terechtstelling een vat met azijn (edik) stond, stak iemand een in azijn gestoken spons op een stok en hield die aan Zijn mond. Jezus’ zesde uitspraak Toen Jezus de azijn genomen had, riep Hij uit: Het is volbracht! Joh.19:39. Over Zijn doop in het lijden zei de Heer: Maar Ik moet met een doop gedoopt worden, en hoe beklemt het Mij, totdat het volbracht is Luc.12:50, hSV. Nu was het voleindigd, en daarmee was alles volbracht wat nodig was om de zonde en de dood en al haar gevolgen uit het al te verbannen en allen en alles naar heerlijkheid te leiden. Zo verheerlijkte Christus Zijn God en Vader, zoals Hij ook gebeden had: Ik heb U op aarde verheerlijkt het werk volbracht, dat U aan Mij gegeven hebt, opdat Ik het zou doen Joh.17:4. Het was echt Zijn voedsel, Zijn vervulling, om de wil te doen van Hem, die Hem gezonden had, en Zijn werk te volbrengen Joh.4:34.. Christus was al voor de nederwerping van de wereld – toen de aarde tohu va bohu (woest en leeg) werd Gen.1:2 – als het onberispelijke Paaslam, als het ware Offerlam, tevoren gekend 1Pe.1:19,20. Vanaf de nederwerping van de wereld zag God Hem als geslacht Op.13:8. Toen Hij in de wereld kwam, had Hij gezegd: Zie, Ik kom om Uw wil te doen, o God! Heb.10:9. Deze 18

wil was nu gedaan, de lange weg was voltooid, het doel was bereikt, de overwinning was behaald – tot redding van allen en tot openbaring van het hart van God. Jezus’ zevende uitspraak Een soldaat nam een lansspits en doorboorde de zijde van Jezus; er kwam bloed en water uit Matt.27:49. Tegelijk riep Jezus met luide stem: Vader in Uw handen beveel Ik Mijn geest! Luc.23:46. Na deze woorden blies Hij de laatste adem uit. Dit gebed is door Psalmist eerder gezegd: In Uw hand beveel ik mijn geest Psa.31:6. De Auteur van het leven was dood. Jullie, Israëlieten, hebben Hem gedood, zei Petrus later Han.3:15. De dood is de omkering van het scheppingsproces, waarover wij lezen: Toen vormde Jahweh Elohim (de Heer God) de mens uit stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen3 Gen.2:7. Neemt God Zijn geest terug, dan keert het lichaam terug tot de aardbodem en de ziel – het bewustzijn – is niet meer Pred.9:5,10;12:7; Psa.104:29;115:17;146:4; Jes.63:16; Dan.12:13; Luc. 8:55. Op het moment van de ‘doodsteek’ gaf Jezus Zijn geest aan God terug. Zijn ziel was niet meer, zoals bij elk mens die sterft. Zijn lichaam zou geen ontbinding zien Psa.16:10. Net als onze Heer had ook Stefanus niet zijn ziel maar zijn geest aan God toevertrouwd; hij riep stervend uit: Heer Jezus, ontvang mijn geest! Han.7:59. Over de steek met de lans sprak de profeet Zacharia: Over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik de geest van de 19

genade en van de gebeden uitstorten. Zij zullen Mij aanschouwen, die zij doorstoken hebben Zach.12:10. Zo schrijft de apostel Johannes: zie Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem zien, ook wie Hem gestoken hebben, en zij zullen zich op de borst slaan over Hem, alle stammen van het land Op.1:7. Toen de Heer Jezus Christus stierf scheurde de voorhang in de tempel in twee stukken, van boven naar beneden. Het gordijn had het allerheiligste verborgen en Israël op gepaste afstand van God gehouden. Maar nu was het gescheurd, nu mochten de gelovige Joden door het bloed van Jezus grote vrijmoedigheid hebben om binnen te gaan in de tegenwoordigheid van God. Jezus was voor hen de levende weg via het gordijn geworden Hebr.10:19,20. Toen de Romeinse hoofdman het hele gebeuren had waargenomen, verheerlijkte hij God, terwijl hij zei: Werkelijk, deze mens was rechtvaardig! Luc.23:47 en Waarachtig deze mens was Gods Zoon! Marc.15:39. Dat is ook mijn getuigenis: Jezus Christus is de Zoon van God! De apostel Petrus getuigde: Deze Jezus heeft God doen opstaan Han.2:32. Zo geloof ik, dat de Heer Jezus Christus om onze krenkingen werd overgegeven (dus: verlaten), om onze rechtvaardiging opgewekt Rom. 4:24,25. En weet ik mij geroepen om als geliefd kind nu navolger van God te worden en in liefde te wandelen zoals ook Christus jullie liefheeft en Zichzelf ter wille van ons als naderingsgeschenk en offer voor God heeft overgegeven, tot een aangename geur Efe.5:1,2. 20

2. Valstrik van het kruis Het leek zo te zijn, dat de ijveraars voor de besnijdenis beweerden dat Paulus, net als zijzelf, ook de besnijdenis verkondigde. Kort en bondig schrijft Paulus: Maar ik, broeders, indien ik nog besnijdenis verkondig, waarom word ik nog vervolgd? Gal.5:11 Zij vervolgen hem, en zo is dit gerucht weerlegd. De haat van de Joden tegen het kruis alleen uitte zich in haat tegen Paulus. Als Paulus het kruis van Christus zou leren plus iets dat van de trotse mens aantoonbaar is, zou hij niet vervolgd worden, zoals hij vaststelt: Al wie er goed willen uitzien in het vlees, dezen noodzaken jullie besneden te zijn, alleen opdat zij niet voor het kruis van Christus Jezus vervolgd worden. Gal.6:12 Ook vandaag de dag vinden gelovigen, die genade alleen verkondigen – de bijzondere boodschap van Paulus – bij vleselijke gelovigen geen gehoor; vaak zelfs verachting. Wij lezen in Galaten 5:11: Dus (als Paulus nog besnijdenis zou verkondigden) is de valstrik van het kruis van Christus buiten werking gesteld. 21

Niet het kruis als zodanig is de valstrik, want dat is het geloofsgoed van alle heiligen. De valstrik is: het volledig voldoende zijn van het kruis voor God tot redding van de mensheid. Dat de mens naar het evangelie van de apostel Paulus niets, maar dan ook helemaal niets – geen ritueel, geen werk – aan zijn redding kan bijdragen, is de ergernis. Dit feit maakt ons echter blij: aan het kruis werd alles volbracht! Christus alleen is onze gerechtigheid! Paulus schrijft: Want het woord van het kruis is voor wie omkomen inderdaad dwaasheid, maar voor ons die gered zijn is het kracht van God. 1Cor.1:18 Dat voor ongelovigen het kruis niets betekent, is begrijpelijk. Maar het woord van het kruis wordt vaak niet bij gelovigen tot een in alle levensomstandigheden dragende, vastheid gevende en blij makende kracht van God. Dat maakt ons bedroefd. Want zij bouwen niet alleen dáárop. Wie zich naast het kruis voor God nog op iets anders laat voorstaan, leeft niet uit genade, is uit de genade gevallen. Men kan zulke gelovigen zelfs vijanden van het kruis noemen. Hoe zit dat? We lezen: Word gezamenlijk-navolgers van mij, broeders, en let op hen die wandelen zoals jullie ons tot voorbeeld hebben; want velen, over wie ik jullie vaak sprak, spreek ik nu echter ook wenend, wandelen als vijanden van het kruis van Christus. Hun voleinding is ondergang, hun god is het onderlijf en hun heerlijkheid is in hun schande; zij zijn op het aardse gezind. Fil.3:17-19 22

Hierover schreef broeder A.E. Knoch in Unausforschlicher Reichtum 13, 1944, blz. 152: ‘Hoe tegenstrijdig het ook lijkt, de meeste vrienden van Christus zijn toch vijanden van Zijn kruis. Zij zijn bereid om zich van hun zonden en boosheden te laten afscheiden en Hem als Redder aan te nemen. Maar zij willen niet van hun persoonlijke voorkeuren of kwaliteiten afzien en alleen in Hem gevonden worden. Zij erkennen niet, dat de manier waarop de dood van Christus tot stand kwam, een einde maakt aan al wat de religieuze mens in zichzelf is. Zij wensen nog iemand te zijn en dit maakt hen vijandig gezind tegen het kruis van Christus. Hun houding vermomt zich in diverse, prachtig klinkende benamingen, die een verborgen hoogmoed op hun afkomst of karakter onthullen. Of ze onderstrepen hun prestaties naar het vlees. Dit alles verzet zich tegen het kruis.’ Het kruis heeft met het vlees korte metten gemaakt. Het woord van het kruis zegt immers, dat de oude mens mede gekruisigd is, volkomen afgedaan heeft. Het kan niets van zichzelf tot redding bijdragen. Wie meent, dat God tevreden mag zijn met hem, omdat hij alle christelijke plichten vervuld heeft, slaat de genade in het gezicht. Zelfs eigen inspanningen zijn door de genade bewerkt 1Cor.15:10. Ook de vrucht die wij voortbrengen is niet uit ons, maar van de geest van onze Heer Gal.5:22. Christus wordt alleen gewonnen in die mate waarin men de eigen ‘voortreffelijke eigenschappen en prestaties’ uitschakelt, erkennend, dat die aan het kruis allang smadelijk werden weggedaan. Wie nu niet al het eigen ... in de dood geeft – er is toch niets uit ons, maar alles is 23

genade – zal ondervinden, dat het voor het erepodium (bêma) van Christus verbrandt 1Cor.3:10-15. Zo zal ook het einde van de vijanden van het kruis de ondergang van hun vermeende pluspunten en werken voor het erepodium (bêma) van Christus zijn. Alleen wie helemaal uit genade leeft, zal goede, aanvaardbare werken doen, ja overvloedig zijn in het werk van de Heer. 24

3. Vijanden van het kruis Word gezamenlijk-navolgers van mij, broeders, en let op hen die zo wandelen zoals jullie ons tot voorbeeld hebben. Want velen over wie ik jullie vaak sprak, nu echter spreek ik ook wenend, wandelen als vijanden van het kruis van Christus. Hun voleinding is ondergang, hun god is het onderlijf en hun heerlijkheid is in hun schande; zij zijn op aardse dingen gezind. Fil.3:17-19 De oproep van Paulus: word gezamenlijk-navolgers van mij is uiterst belangrijk. Paulus weent over de wandel van veel gelovigen. Paulus huilt en zucht over het gedrag van veel heiligen. Waarom? Omdat hun wandel niet georiënteerd is op het kruis van Christus. Zij zijn, wat het kruis van Christus betreft, onverschillig. Zij kennen de betekenis van het kruis niet, en/of wijzen onderwijs daarover af. Daarom verbinden zij geen consequenties aan het (woord van het) kruis voor hun wandel. Laten we ons geen illusies maken: het zijn er veel, zoals Paulus zegt. De meeste gelovigen zijn echt vrienden van de Heer Jezus Christus, maar velen zijn vijanden van het kruis van Christus. Wat betekent het kruis van Christus voor onze wandel in geloof? Het houdt in, dat onze oude mens, die tezamen met Christus 25

gekruisigd werd Rom.6:6, is weggedaan. De oude adamitische kern heeft zijn oordeel ontvangen; het is ongeschikt voor alle ware aanbidding van God. Het staat de echte godsdienst, die in geest Fil.3:3, alleen maar in de weg. Wij verkondigen Christus als gekruisigd, dat is voor de Joden beslist iets aanstotelijks en voor de natiën dwaasheid. Voor ons echter, de geroepenen, zou dit Gods kracht en Gods wijsheid zijn 1Cor.1:23,24. Wie echter trots is op zichzelf, op zijn goede prestaties en goede bedoelingen, verheft zich tegen God. Wie zichzelf niet als gekruisigd ziet, maar iets voor zichzelf houdt, en naar eigen wijsheid iets wil bijdragen aan de voortgang van het evangelie in de wereld, is een bolwerk tegen God 2Cor.10:4. Met het kruis van Christus is elk hoogte die zich verheft tegen de erkenning van God, verwijderd 2Cor.10:5. De erkenning van God is alleen in het aangezicht van Jezus Christus, de Gekruisigde, mogelijk 2Cor.4:6. Hoe komt een heilige er dan toe om zichzelf hoog in te schatten? Het kruis heeft toch aan alle eigendunk een einde gemaakt? Wie de betekenis van het kruis erkend heeft, die wéét dat men alleen uit de genade, gefundeerd in Christus Jezus de Gekruisigde, gered en geroepen is 2Tim.1:9. En die weet, dat heel de wandel tot Gods eer slechts uitwerking van die genade is 1Cor.15:10. En diegene beseft alleen voor de genade, voor het tonen van de genade, vooral in beide toekomstige eonen, bestemd te zijn Efe.2:6,7. Genade wordt aan onwaardige mensen gegeven. De oude mensheid, het vlees, is in vijandschap tegen God. Gelovigen, die zich volgens de oude mens gedragen, die uit eigen overtuiging 26

vrede en gerechtigheid tot stand willen brengen, zijn vijanden van God. De betekenis van het kruis voor onze wandel blijkt ook uit wat Paulus elders schrijft: Moge het mij echter niet gebeuren te roemen, tenzij in het kruis van onze Heer Jezus Christus, waardoor de wereld voor mij gekruisigd is en ik voor de wereld Gal.6:14. Aan het kruis alleen is alles voor ons volbracht – zo roemen wij in de zegeningen van het kruis. Is de wereld voor ons gekruisigd? Betekent de wereld voor ons, die wel van de wereld gebruik maken 1Cor.7:31, werkelijk niets wezenlijks meer? Of proberen we met wereldse middelen, die voor de ziel aangenaam zijn, iets voor God te doen? Zijn wij voor de wereld gekruisigd? De wereld, vooral de religieuze, doet met ongekruisigd vlees alles wat ‘een goed christen’ betaamt. Als die religieuze wereld merkt, dat wij alle zegeningen al in het kruis hebben en voor de rest niets meer tot eigen eer doen, worden wij al snel vreemd gevonden en tellen niet meer mee. Voor eigen gerechtigheid is bij God geen ruimte; als wij onszelf gerechtigheid toekennen, verachten wij het kruis van Christus, dat ons Gods gerechtigheid gaf. Hoe beschreef Paulus de vijanden van het kruis van Christus in Filippenzen 3? - Ze vertrouwen op vlees (vers 4); - Ze bouwen op de voorrechten van het volk Israël (vers 5); 27

- Ze willen eigen gerechtigheid door het houden van de wet opbouwen (vers 6 en 9); - Hun God is het onderlijf (vers 19); hun dienst voor God dient in werkelijkheid tot welzijn van hun lichaam en strelen van de ziel; - Hun heerlijkheid ligt in hun schande (vers 19). De schande is het vlees, op basis waarvan ze hun vermeende heerlijkheid bouwen. Dat is precies het tegenoverstelde van genade en in strijd met het daaraan ten grondslag liggende kruis van Christus; - Zij zijn gezind op wat op aarde is (vers 19). Ja, velen gaat het om aanzien in deze wereld. Men kan niet een vriend van de wereld zijn en een vriend van het kruis. De gezindheid van het vlees is vijandschap tegen God Rom. 8:7. Tot zover deze typering van de vijanden van het kruis van Christus. 28

Dieter Landersheim biblischelehre.de Dit is een uitgave van Stichting Da-ath Opdat wij weten, wat God ons in genade schenkt! Gods Woord is leven. Getuigen van God en Zijn Woord. Da-ath is het Hebreeuwse woord voor ‘kennis’. Wat de Schrift in Kolossenzen 1:20 zegt, is dat God het al met Zich verzoent doordat Hij vrede maakte in het bloed van het kruis van Christus. da-ath.nl In samenwerking met: Evangelie Om Niet Het Evangelie spreekt van de ene God, Die OM NIET alle mensen redt, verzoent, levend maakt en rechtvaardigt! Gratis online boeken lezen, delen en downloaden (de publicaties zijn ook als uitgave op papier verkrijgbaar) evangelieomniet.nl

Meer publicaties van Dieter Landersheim: Leven in verwachting van Zijn komst Uitgave: Stichting Da-ath ISSN 2772-8811 Onderwerpen: In verwachting De opvoeding tot een mens van God, tot een mens naar Gods welbehagen, gebeurt niet zonder een naar voren gerichte blik. Thuis bij de Heer Dikwijls krijgt men te horen dat de gelovig gestorvene nu ‘thuis bij de Heer’ is. Deze formulering, die in tegenspraak is met heel het getuigenis van de Schrift, is gebaseerd op vluchtig lezen van 2 Corinthiërs 5:1-9. Hebben wij de verschijning van onze Heer lief? Wij zullen de verschijning van onze Heer toenemend liefhebben, als wij ons er meer van bewust worden, hoeveel Hij van ons houdt. Ons (op)hemels lotdeel Tot onze heerlijkheid behoort, dat wij in Christus Jezus met iedere geestelijke zegen te midden van de ophemelse schepselen gezegend zijn. En dat wij in de geest te midden van de ophemelsen gezet zijn. Wij verwachten - intens verlangend - ook lichamelijk daarheen verplaatst te worden.

1 Online Touch

Index

  1. 1
  2. 2
  3. 3
  4. 4
  5. 5
  6. 6
  7. 7
  8. 8
  9. 9
  10. 10
  11. 11
  12. 12
  13. 13
  14. 14
  15. 15
  16. 16
  17. 17
  18. 18
  19. 19
  20. 20
  21. 21
  22. 22
  23. 23
  24. 24
  25. 25
  26. 26
  27. 27
  28. 28
  29. 29
  30. 30
Home


You need flash player to view this online publication