Nederlands English
Op één lijn 64

Op één lijn 64


Page 2
Colofon Oplage 2280 exemplaren Hoofd-/eindredactie Babette Doorn Redactieleden Hendrik Jan Vunderink, Stephan van den Brand, Eefje de Bont, Lisette Verheijen en Babette Doorn Doelgroep Huisartsen Limburg en Brabant, aios en alumni, afdelingen MUMC+ & overige relaties E-mail op1lijn@maastrichtuniversity.nl Postadres Vakgroep HAG Universiteit Maastricht Postbus 616 6200 MD Maastricht Bezoekadres P. Debyeplein 1 6229 HA Maastricht Ontwerp/druk The Creative Hub – Maastricht University, UM-190079 Fotografie Made in Maastricht (7), Oratie Jochen (8-9), promotie Kirsten Peetoom (11), door Philip Driessen Foto Joost (26) door Loraine Bodewes Standaard portretten (3, 4, 10, 25, 27, 28, 33 en 35) door CANON Oud-aios (35), foto op de grote markt in Breda door Edwin Wiekens Deadline volgend nummer 1 november 2019 © Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Inhoudsopgave Algemeen Van de redactie – Babette Doorn Van de voorzitter – Jean Muris Huisarts en huisdier: Pruim Stellen zich voor Lotte Keijsers, promovendus Huisartsgeneeskunde Miriam Notermans, gedragswetenschapper huisartsopleiding Nathalie Beelen, Huisartsbegeleider jaar 3 Made in Maastricht Onderzoek Bruikbare Oratie ‘Komt een test bij de huisarts’ – Babette Doorn Volop in de prijzen – Babette Doorn Promotie Kinderen met koorts op kinderdagverblijven – Kirsten Peetoom Sepsis: wees paraat! – Gideon Latten en Patricia Stassen Coeliakie in de dagelijkse praktijk – Maxine Rouvroye en Gerd Bouma CVA-zorg voor huisartsen: wat is er veranderd? – Maria Kerckhoffs-Hanssen OOK en de Witte Raven – Redactie De Quickscan - Jerôme van Dongen en Wim Goossens Laat de eerste lijn geen KODAK zijn! – Guy Schulpen 100 jaar Sjniedesj – Babette Doorn en Gitte Snijders WESP-en: E-meedenkconsulten Interne Geneeskunde – Anke Spreeuwenberg Horizontaal verwijzen in de urogynaecologie – Anne Gerritsen Gezonde Basisschool van de Toekomst heeft ook thuis invloed – Corina de Gier Diagnostiek en morfologie bij calcificerende tendinopathie – Corlieke van de Kar 3 4 5 6 6 6 7 8 10 11 12 14 15 15 16 18 19 20 20 21 21 Therapeutische opties voor calcificerende tendinopathie van de schouder – Juliët Op ‘t Veld 22 Allergisch voor antibiotica? Of voor de bijwerkingen? – Kitty De Clercq Chlamydia diagnostiek in de huisartsenpraktijk – Sygriet Rinsma 22 23 Het leren van complexe ouderenzorg: hoe worden huisartsen in opleiding bekwaam? – Puk Meijs Schouderpatiënten in de anderhalvelijnszorg – Gil Schulte Diagnostiek bij de ‘frozen shoulder’ – Kim Akkersdijk Huisartsopleiding Uit het hoofd: Nou tabé dan – Bas Maiburg Werving werpt zijn vruchten af! – Joost Dormans Het nieuwe hoofd stelt zich voor – Matthijs Limpens Equilibre. Kwaliteit opleiders – Marieke Kools en Arie de Jong Weten is eten: CVRMinestrone – Hendrik Jan Vunderink In de leer: Procrastinatie gedrag – Arianne Beckers Diabetes en kunstmatige zoetstoffen, op weg naar een suikertaks? – Jeroen Smeets Oud-aios: “Is dat niet die arts van de wiet???” – Ronald Roothans Voetbalwedstrijd Hart-tegen-hart in Bocholtz – Marieke Kools en Gaston Peek Column: Huisartsgeneeskunde verandert, nu de beleidsmakers nog – K.O.E.K. Wous Gezondheidsrechtelijke kwesties: nieuwe wet zorg en dwang – Arie de Jong 23 24 24 25 26 27 28 30 32 33 34 36 37 38 2 Van de redactie CAROTA et emergo Potjeslatijn, we zijn er dol op. Op kookpotjes al helemaal. Redactielid Hendrik Jan en ik kunnen uren kletsen over recepten, kookgerei en eetbare paddenstoelen. CVRMinestrone was dan ook snel verzonnen door ons PVVclubje. PVV staat voor Partners Van Vegetariërs. We vonden het broodnodig om daar een praatgroep voor op te richten. Weten is eten. Op de receptie na afloop van de inauguratie van Jochen Cals, sprak ik oud-collega en redactielid Henk Goettsch. Henk tuiniert tegenwoordig en deelde zijn nieuwe vegalijfspreuk ‘Ik wortel en kom boven’ met me. Proestend keek ik om naar de ietwat rossige Jochen, die eerder die middag opbiechtte, dat hij een wortelallergie heeft. Het klonk wel als een typisch gevalletje Bruikbare Wetenschap: Jochen kwam hierachter tijdens carnaval toen hij in groentenpèkse met een bos wortelen om zijn nek had rondgelopen en al knagend steeds roder werd. Ik vond het een mooi verhaal. Naast deze flauwekul kunnen we ook serieuze zaken melden. Veel wetenschap weer: een prachtige oratie, fraaie wetenschapsprijzen, een nominatie, veel leuke en slimme WESP-en, sepsis, coeliakie, CVA-zorg en een promotie van Kirsten Peetoom. Het diagnostische cluster van onze onderzoeksgroep is sterk vertegenwoordigd. Eindelijk ook de ‘Quickscan interprofessioneel samenwerken’. Met het schaamrood op onze kaken, moesten we Jerôme van Dongen bekennen, dat we zijn artikel de vorige keer totaal vergeten waren. En zoals altijd kunnen we weer nieuwe medewerkers aan u voorstellen. Huisarts en huisdier onderging opnieuw een metamorfose: de voorziene hond werd een slak. De laatste keer werd de beoogde hamster een hond, dus als u een huisarts bent die met liefde over zijn huisdier wil schrijven: heel graag! Voor de laatste keer een stukje van Bas Maiburg, hoofd huisartsopleiding Maastricht. Na de zomervakantie mag hij ook gaan tuinieren (of iets anders). Matthijs Limpens volgt hem op en stelt zich aan u voor. Bas mag trots zijn op de opleiding die hij achterlaat. De werving loopt goed en de staf ook. Sommige mensen strijden liever, op het voetbalveld in Bocholtz. Elk jaar weer. Tot nu toe wonnen altijd de aios. Wie huisarts is en goed kan voetballen (v/m): word opleider! Naast strijdende aios hebben we ook schrijvende aios: columnist Arianne Beckers. Als oud-aios vonden we Ronald Roothans bereid te schrijven. Geen moestuin, maar wietteelt. Weer eens wat anders! Made in Maastricht: ‘slechts’ één groep pas afgestudeerde huisartsen. Onder hen AIOTHO Ruud Verhees. Ik noem hem even apart omdat hij als boegbeeld op onze website staat om de opleiding (in Eindhoven) te promoten. Nu hij klaar is, zoeken we een nieuwe eerstejaars aios die graag als online ‘persona’ wil fungeren. Huisarts Jeroen Smeets zal die online taak als huisarts op zich nemen als opvolger van Kirstin Ponse. Dit keer een stukje van Jeroen als kaderhuisarts diabetes in opleiding. Kaderopleidingen zijn minder goed bekend bij studenten en basisartsen. Voor sommige sollicitanten kan dit aantrekkelijk zijn om te weten, omdat zij bijvoorbeeld een voortraject in een andere specialisatie als arts of onderzoeker hebben gedaan en dat graag willen meenemen naar de huisartsgeneeskunde. Vaste rubriek ‘Equilibre’ voor huisartsopleiders besteedt aandacht aan de kwaliteit van opleiders. Medeauteur Arie de Jong schreef daarnaast zijn vaste rubriek Gezondheidsrechtelijke Kwesties, over de nieuwe Wet zorg en dwang. Zeer actueel dus en praktisch toepasbaar nu de politiek procrastineert. Tot slot de blik op de toekomst van de huisartsgeneeskunde: geen Woudschoten themadeel, maar wel een persoonlijke visie door directeur Guy Schulpen van zorgroep ZIO uit Maastricht. K.O.E.K. Wous maakte zich daar zó druk om, dat hij vanuit zijn vakantieadres nog driftig een column instuurde. CAROTA et emergo! Fijne vakantie! Babette Doorn 3 op één lijn 64
Page 4
op één lijn 64 2e uitgave 2019 Van de voorzitter Wij zijn zichtbaar en laagdrempelig benaderbaar DOOR JEAN MURIS, VOORZITTER VAKGROEP HUISARTSGENEESKUNDE UM Klinkt dit bekend? De doktersassistente belt: ‘de Universiteit’ is aan de lijn. Willen we meedoen aan een interessant onderzoek? Wie is de Universiteit? Dat kunnen allerlei vakgroepen zijn binnen en buiten het MUMC+. De vakgroep Huisartsgeneeskunde van de UM regelt al vanaf 1989 het academische verkeer tussen de academie en het veld. Aanvankelijk om stageplekken voor opleiden te faciliteren en het toenemend aantal verzoeken aan huisartsen om mee te doen aan wetenschappelijk onderzoek te stroomlijnen. De vakgroep heeft voortdurend aandacht voor het verkleinen van de afstand tussen wetenschap en praktijk. Er is veel veranderd in die 30 jaar. De stages, zoals het coschap en de GEZP-stage, worden door het basiscurriculum georganiseerd. De stageplekken voor aios regelt de Huisartsopleiding. In Maastricht is de onderlinge samenwerking goed geregeld. Praktijken die met ons opleiden, liggen verspreid over Noord-Brabant en Limburg. Een groot aantal Limburgse huisartspraktijken is aangesloten op het registratienet huisartspraktijken (voorheen RNH, nu RNFM). Zij verzamelen geanonimiseerde patiëntgegevens waarmee onderzoek gedaan wordt. Los van het registratienet, lopen er nog tal van onderzoeksprojecten die ‘iets met het huisartsgeneeskundige veld’ doen. Praktijken nemen op vrijwillige basis deel aan die onderzoeken. Hiervoor kan de hele regio binnen ons postcodegebied (4800-6500) gevraagd worden. De praktijken weten door ons ‘keurmerk’ dat het onderzoek relevant is voor de praktijk en dat het onderzoek behoorlijk (ethisch en wetenschappelijk) getoetst is. De vakgroep overlegt met de zorggroepen of zij onderzoeken willen faciliteren door vermelding van hun ondersteuning op de wervingsbrief of e-mail. Alle 1400 huisartsen en praktijken in onze regio zitten in het relatiebeheer systeem genaamd Family. Alle relaties ontvangen ook dit magazine ‘Op één Lijn’ (sinds 1999) waarin over al onze activiteiten gerapporteerd wordt. We worden door veel onderzoekers binnen en buiten het UMC gevraagd om te helpen bij hun onderzoeksvragen en werving. Dit doen wij graag: hoe eerder in het traject, hoe liever. Niets vervelender dan een gehonoreerde onderzoeksaanvraag waarbij tijdens de uitvoering blijkt, dat de realiteit anders is dan vooraf werd gedacht. Vroegtijdig huisartsgeneeskundige expertise betrekken bij projectgroepen en subsidieaanvragen kan beter. We willen geen restpost op de begroting zijn en zeker niet vergeten worden op de begroting van de onderzoeker. We hebben huisartsen op de gang op DEB 1 werken die zelf ook onderzoek doen en kunnen meedenken. Daarnaast weten wij welke huisarts beschikt over speciale expertise zoals COPD, bewegingsapparaat, prikkelbare darmen, HartVaat, palliatieve zorg et cetera. Voor sommige onderzoeksvragen zijn megagrote trials nodig. Onze vakgroep is deel van het consortium Huisartsgeneeskunde Nederland waarbij alle acht universitaire vakgroepen zijn aangesloten. In overleg wordt besloten hoeveel vakgroepen meedoen aan zo’n groot onderzoek. Onderzoek doen we klein waar het kan en groot waar het moet. Bij de werving bespreken we welke huisartsen we gaan vragen, wanneer en hoe. Daarbij krijgt een onderzoeker feedback op en over de communicatie(-middelen). Gedurende de werving en dataverzameling houden de onderzoeker en de vakgroep Huisartsgeneeskunde contact over het verloop en de resultaten. De vakgroep werkt actief mee aan het naar de praktijk brengen van resultaten van wetenschappelijk onderzoek (denk aan CRP-meting als sneltest in de huisartspraktijk). Mocht u niet weten bij wie u terecht kunt voor uw vraag, neem dan voor alle vragen contact op met ons algemene informatieloket. Dat kan via op1lijn@maastrichtuniversity.nl of met het contactformulier op www.huisartsgeneeskundemaastricht.nl. 4 2e uitgave 2019 Huisarts & huisdier Pruim DOOR HENDRIK JAN VUNDERINK, HUISARTSREDACTIELID Achter de brandweerkazerne van Süsterseel in de Selfkant staan in de bosrand wat fruitbomen kriskras verspreid. Omdat alles wat je zelf vindt, kweekt, teelt, plukt of vangt tien keer lekkerder is dan wanneer je het uit de winkel haalt, nam ik een aantal jaar geleden mijn toen 7-jarige kleindochter mee op strooptocht, mandje aan de arm. De pruimen bleken op dat moment eetbaar en smakelijk, de oogst was goed. Plots slaakte Lizje een blij verraste uitroep: “Opa, een slak!” Op de door haar zojuist geplukte mirabelle bleek zich een slakje te bevinden van maximaal 2 mm groot, maar helemaal compleet, inclusief huisje en in- en uitschuifbare steeltjesoogjes. Liz was verrukt en stond erop om het diertje mee naar huis te nemen. Natuurlijk moest het beestje een naam krijgen. Ik dacht meteen aan Escargootje, maar mijn kleindochter zag het verband met het mooie liedje van Wim Sonneveld niet, over zijn kleine Margootje. Het werd dus kort en krachtig Pruim, naar de vindplaats. Zo gaat dat wel vaker bij vondelingen. Een paar dagen later vertrokken we voor een weekje naar Noordwijk, en natuurlijk maakte Pruim deel uit van ons reisgezelschap. Hij voelde zich ongetwijfeld wel in zijn glazen potje, met een dagelijks ververste voorraad zorgvuldig geselecteerd bladgroen. De zeelucht deed hem goed, hij groeide voorspoedig en mat inmiddels zeker 3 mm. Zoals dat gaat bij 7-jarige meisjes op vakantie vergat Lizje op zekere dag om het dekseltje weer dicht te doen na het voederen. Pruim bleek te beschikken over een behoorlijke intelligentie en maakte onmiddellijk gebruik van de gelegenheid. Toen ik hem ontdekte, was hij al net over de rand van het potje gekropen. Omdat hier een pedagogisch verantwoord leermoment opdoemde, riep ik Liz erbij om haar op een en ander te wijzen. Ze schrok, en zonder aarzelen pakte ze de deksel en schroefde die in één beweging stevig vast. Mijn kreet van afgrijzen kwam te laat, Pruim bleek geplet. Het verdriet van kleine Liz heeft lang geduurd, en is stom genoeg nooit helemaal weggeëbd. De eerste dagen had ze werkelijk ontroostbare momenten, met veel tranen en afgewisseld met boosheid op opa die haar zo dringend geroepen had. Daardoor voelde ze zich opgejaagd en daar was Pruim het slachtoffer van: “Jouw schuld!” Ik heb mijn rol in haar rouwproces manmoedig op mij genomen, het hielp ongetwijfeld. Wat me nog steeds raakt, is, dat ik zag wat voor band een kind met een slak kan hebben. Er is geen verschil met hond, kat, goudvis of kanarie: als ze doodgaan is het verdriet precies hetzelfde. Ik heb wel patiënten op het spreekuur gehad met dat verdriet, en heb ze gelukkig altijd serieus genomen, ondanks, dat ik het niet echt begreep. Nu wel. Dankjewel Liz. 5 op één lijn 64
Page 6
op één lijn 64 2e uitgave 2019 Welkom! Nieuwe collega's stellen zich voor Lotte Keijsers Promovendus Huisartsgeneeskunde Miriam Notermans Gedragswetenschapper huisartsopleiding Ik ben Lotte Keijsers en sinds 15 maart 2019 ben ik gestart als promovendus bij de vakgroep Huisartsgeneeskunde in Maastricht. Ik ben geboren in Venlo (Limburg), maar woon sinds het begin van mijn bachelor Gezondheidswetenschappen in het mooie Maastricht. Gedurende mijn onderzoeksproject word ik begeleid door Onno van Schayck, Jean Muris en Annerika GiddingSlok. Ik doe onderzoek naar een ziektespecifieke module voor hartfalen. Hiermee sluit ik aan bij het project van de uitbreiding van de Ziektelastmeter naar chronische aandoeningen (COPD, astma en diabetes type 2). De Ziektelastmeter dient als communicatietool tussen patiënt en zorgverlener. Door het in kaart brengen, visualiseren en koppelen van ervaren ziektelast aan de behandeling, wordt door middel van shared decision making, gepersonaliseerde zorg voor mensen met hartfalen en andere chronische aandoeningen mogelijk. Op dit moment richt ik me op het ontwikkelen van deze module aan de hand van literatuuronderzoek, expertmeetings en interviews met zorgverleners en mensen met hartfalen. Twee jaar geleden heb ik de master Work, Health and Career afgerond. Momenteel leg ik de laatste hand aan mijn scriptie voor de master Healthcare Policy, Innovation and Management. In mijn vrije tijd lees ik veel en breng ik graag tijd door met mijn familie en vrienden. Sinds mei van dit jaar werk ik als GW-er bij de Huisartsopleiding. Langere tijd werkte ik gecombineerd in loondienst en in mijn eigen psychotherapiepraktijk in Maastricht, sinds 2016 enkel volledig in mijn eigen praktijk. Ik zocht wat meer afwisseling in mijn werkweek en toen de vacature als GW-er bij de huisartsopleiding op mijn pad kwam, heb ik direct gesolliciteerd. Het lijkt mij leuk om bij te dragen aan de ontwikkeling van jonge mensen, die zich het vak van huisarts willen eigen maken. Ik ben geboren en getogen Maastrichtse. Ik hou ervan om op vakantie te gaan en stedentripjes te maken. Verder geniet ik van het samenzijn met vrienden en vriendinnen, een terrasje te pikken of naar de film te gaan. Van muziek hou ik ook: in een ver verleden speelde ik dwarsfluit en een beetje gitaar, ik zat op zangles en speel af en toe piano. Ik woon samen met mijn hond Bo, een cockerspaniël van 10 maanden oud. Ik heb nooit geweten dat het opvoeden van een pup zó’n intensieve bezigheid was, maar het is heerlijk om lekker met hem bezig te zijn en wandelingen te maken. Ik heb een zoon van 26 jaar, die al heel wat jaartjes op zichzelf woont. Ik kijk uit naar een plezierige samenwerking bij de huisartsopleiding! 6 2e uitgave 2019 en staat er nu nog steeds! Met veel plezier denk ik terug aan die tijd en ook aan mijn huisartsopleiding daarna. Na de huisartsopleiding was ik eerst in Afghanistan voor Artsen zonder Grenzen. Daarna werd ik huisarts in ’s-Hertogenbosch. Recent heb ik de kaderopleiding ouderengeneeskunde afgerond. Als kaderhuisarts werk ik ook enkele uren per week voor zorggroep Chronos in ’s-Hertogenbosch. Kwetsbare ouderen, maar eigenlijk kwetsbare burgers hebben mijn speciale interesse. Nathalie Beelen Huisartsbegeleider jaar 3 Sinds 1 mei werk ik als docent aan de huisartsopleiding Maastricht, locatie Eindhoven. Ik ben in juni begonnen met een derdejaars groep, samen met Merijn van de Laar. Verrassend was het om in mei te gaan kennismaken met nieuwe collega’s in Maastricht, op Randwyck. Daar zette ik 34 jaar geleden mijn eerste voetstappen als geneeskunde student, het gebouw lag toen nog midden in de maïsvelden Ik woon in Vught met mijn man Maurice en onze drie puberzonen Tobias, Jonathan en Benjamin. Wij zijn reislustig en hebben al heel wat (verre) reizen gemaakt. Verder probeer ik in mijn vrije tijd te fotograferen en te racefietsen. Ik vind het ontzettend leuk om terug te zijn waar ik ooit begon en hoop met mijn kennis en ervaring een bijdrage te kunnen leveren aan de vorming van enthousiaste professionele nieuwe collega’s. Made in Maastricht Afstudeersessie 11 juni 2019 | Ruud Verhees, Chantal Reemers, Jorne Knegt, Klara van der Schuit, Charelle Cardinaal, Gerard Greijdanus, Hamed Naisas en Wieke van Bussel. 7 op één lijn 64
Page 8
op één lijn 64 2e uitgave 2019 Bruikbare Oratie Over sprookjes, Aristoteles en over diagnostiek DOOR BABETTE DOORN, REDACTIE In deze bijdrage vindt u dit keer geen selectie wetenschappelijke artikelen van Maastrichtse makelij. De reden is dat de vaste auteur van deze rubriek, Jochen Cals, op 28 juni 2019, zijn inaugurele rede hield getiteld ’Komt een test bij de huisarts’. Zijn leerstoel is ‘Effectieve Diagnostiek in de Huisartsgeneeskunde’. Een dubbel probleem: geen vaste rubriek en ‘of we even de oratie willen samenvatten’. Hoogleraren kunnen bij uitstek delegeren, zelfs Jochen Cals. Zijn oratie staat niet op papier. Zijn dia’s bevatten enkel afbeeldingen en animaties. Gelukkig is de oratie voor eenieder terug te kijken op de mediasite1 van de Universiteit Maastricht. Maar als u zich net als ik op het internet begeeft en op social media, dan kan u zijn oratie niet zijn ontgaan. Zijn oratie en boodschap gingen ‘viral’, zoals een echte infectieziekte, veroorzaakt door de drager van het virus: hijzelf. Zijn lezing begon met een sprookje, om aan te tonen dat zelfs ruim 100 jaar geleden de eerste röntgenfoto niet nodig was om de dokter gerust te stellen, maar de patiënt. Het beste diagnosticum is immers de dokter zelf. Maar soms ook de patiënt, liet Cals weten. Denk bijvoorbeeld aan terugkerende urineweginfecties bij vrouwen. Diagnostiek heeft communicatieve waarde en beslissen over hoe daarmee om te gaan, doe je samen met de patiënt. Er is vaak sprake van overdiagnostiek, van ‘effe diagnostiek’ in plaats van ‘effectieve diagnostiek’. ‘De kunst van het nee zeggen’ wordt steeds belangrijker en daarmee ook het omgaan met onzekerheid. Cals legde uit hoe een huisarts dagelijks te werk gaat in zijn of haar spreekkamer. ‘Listen to your patient, he is telling you the diagnosis’ (Sir William Osler) In de verfijningsfase van het diagnose stellen, is uitsluiten een belangrijk onderdeel. Tijd (‘beloop’) is ook belangrijk een diagnosticum voor de huisarts. Aanvullende testen kunnen ook een rol spelen, en daar gaat zijn leerstoel ook over. 1 https://mediasite.maastrichtuniversity.nl/Mediasite/Play/ ba1bf5e2d739466f9bc90eb7683d21ed1d Huisartsen hebben de laatste jaren veel meer toegang tot verschillende vormen van diagnostiek gekregen. Sneltesten, ook wel point-of-care testen genoemd, zijn enorm in opkomst. Echter, er is maar weinig goed onderzoek naar die testen gedaan, naar patiëntuitkomsten wordt amper gekeken en naar kosteneffectiviteit al evenmin. Maastricht doet dat wel, getuige het onderzoek naar de CRP-sneltest. Het proces van goed onderzoek doen tot en met de invoering in de spreekkamer, duurt 10 jaar. De komende vijf jaren gaan Cals en zijn team zich focussen op acute aandoeningen, want huisartsen willen juist die sneltesten gebruiken bij hun beleid. Infectieziekten en acute cardiale en pulmonale aandoeningen zijn speerpunten omdat huisartsen daarmee worstelen. Pijn op de borst is zo’n voorbeeld. De belangrijke zeeffunctie van de huisarts waarover André Knottnerus in 1987 al publiceerde in H&W, werd bevestigd door het cum laude proefschrift van Robert Willemsen in 2018 (‘de goede patiënten doorsturen en de goede patiënten thuishouden’ zei Cals). Ook de invloed van diagnostiek op de behandelstrategie zit in zijn onderzoekslijn. Bekend voorbeeld is het onderzoek van huisarts Ramon Ottenheijm naar echografie bij schouderklachten. De rol van de huisarts en de patiënt dienen ook bij onderzoek betrokken te worden. ‘Daar waar diagnostiek royaal beschikbaar is, ligt overmatige diagnostiek ook op de loer’, zei Cals vervolgens. Hij citeerde het artikel Wetenschap uit Trouw van 15 juni 2019 getiteld ‘Baat het niet, dan schaadt het mogelijk wel’. Je vindt bij veel mensen altijd wel wat en als je wat vindt, dan moet je daar vervolgens wat mee. Misschien had je dat liever niet 8 2e uitgave 2019 willen weten achteraf gezien. Overdiagnostiek kan leiden tot overbehandeling. Huisartsen worden daarom getraind in (snel)diagnostiek. Cals wil ook in de basisopleiding tot arts meer bewustwording voor overdiagnostiek. Verwachting van diagnostiek is niet alleen belangrijk voor dokters, maar ook voor patiënten. Cals liet een animatie zien die zo in elke wachtkamer vertoond zou kunnen worden. De huisartsgeneeskunde als academische werkplaats kwam ook ter sprake: het verbinden van onderwijs, onderzoek en patiëntenzorg. ‘Duidelijkere diagnostiek voor betere beslissingen’. Voorbeelden van dergelijke nieuwe projecten zijn chlamydiadiagnostiek in de huisartspraktijk, samen met de GGD. Ook juist gebruik van d-dimeren voor trombose en longembolie staat hoog op het verlanglijstje. ‘Want vroegdiagnostiek gebeurt bij voorkeur niet in het ziekenhuis’, aldus Cals. Huisartsen kunnen in de regio Sittard e-meedenkconsulten aanvragen bij de specialist in het ziekenhuis, zodat onnodige verwijzingen worden voorkomen. Tot slot: sepsis, bloedvergiftiging. Sepsis is ernstig. Vroegtijdig herkennen en behandelen is cruciaal. De ademfrequentie schijnt daarbij een belangrijke voorspeller te zijn. Alleen meten huisartsen dat amper, laat staan dat het wordt vastgelegd. Cals is blij met de samenwerking met de SEH’s van Maastricht en Zuyderland want ook in de spoedzorgketen is goede diagnostiek nodig. Maar ook mildere infecties in de gewone huisartspraktijk dienen onderzocht te blijven worden. De urinestick is volgens Cals de imperfecte test en die test wordt dagelijks in elke huisartspraktijk gedaan en dat moet beter. Samen met Eefje de Bont gaat hij daarnaar kijken. Zo produceren we Bruikbare Wetenschap voor de dagelijkse praktijk. En uiteraard blijft Jochen Cals ‘gewoon’ huisarts, in Sittard, de bakermat voor zijn onderzoek. Om zoveel mogelijk spreekkamers te bereiken, schuwt hij de (social) media niet. Alleen op die manier komt de spreekkamer ook naar de vakgroep met hun ideeën en wensen, is zijn mening. Daarnaast wil hij ook dat de spreekkamer een ‘speeltuin’ wordt voor observatie en onderzoek door alle aios, niet alleen AIOTHO’s. Niels Beurskens en Mark Spigt zijn al begonnen met de rubriek ‘De aios zoekt het op’. “Verbaas, verdiep en schrijf” wil Jochen Cals de aios meegeven. Hij pleit niet voor meer wetenschap, maar voor een meer wetenschappelijke benadering in de huisartsopleiding. Huisartsen behandelen individuele patiënten niet volgens de algemene NHG-richtlijnen. Aristoteles benoemde naast kennis ook de phronese. Vertaald door Cals: praktische wijsheid. Pluis-/niet-pluis (PNP) onderzoek zoals dat van Erik Stolper valt daaronder. Als er dan toch een test naar de huisarts komt, dan zoekt de patiënt juist ten tijde van toenemende digitalisering, een praktische gids. Dat is de huisarts. Met kennis, kunde en praktische wijsheid plaatst deze alles in een context. En daarom wordt de kunst van het nee zeggen steeds belangrijker, want u als huisarts herkent de phronese. Die phronese dient met de jaren ervaring te rijpen en leidt tot beroepstrots. ‘Trots heb je, maar eer moet je krijgen’. Beroepseer krijg je volgens Cals van patiënten. De 15.000 landelijke fans geven de huisarts gemiddeld een 8. Afsluiter “Meestal vertelt de patiënt ons de diagnose en heel soms hebben we diagnostiek nodig. Deze is het meest effectief als we die met kennis, kunde en praktische wijsheid inzetten om die ene patiënt verder te helpen. Huisarts is het mooiste vak van de wereld.” 9 op één lijn 64
Page 10
op één lijn 64 2e uitgave 2019 Hulde Volop in de prijzen DOOR BABETTE DOORN, REDACTIE Eefje Tijdens de NHG-Wetenschapsdag op 21 juni in Nijmegen won Eefje de Bont de NHG Wetenschapsprijs 2019 voor haar onderzoek naar het effect van een voorlichtingsboekje voor ouders van kinderen met koorts. De jury noemde haar onderzoek ‘methodologisch sterk en origineel opgezet’. In Medisch Contact verscheen hierover een artikel. Door die prijs mag Eefje naar de NAPCRG in Toronto (North American Primary Care Research Group) waar ze een award winning plenary mag presenteren. Maar er was meer. Ook bij de uitreiking van de Telesphorusprijs voor beste proefschrift stonden twee onderzoekers uit Maastricht in de top 3: wederom Eefje én Robert Willemsen, die cum laude promoveerde op een onderzoek naar pijn op de borst in de eerstelijn. Maar ook hier ging uiteindelijk Eefje er met de prijs vandoor. Eerder in mei won Eefje ook nog eens de CaRe Award 2019 voor beste proefschrift 2018 van alle 318 proefschriften samen van alle landelijke eerstelijns onderzoeksinstituten waaronder CAPHRI. Onno van Schayck, hoogleraar preventieve geneeskunde Huisartsgeneeskunde en CAPHRI, is een van de zes genomineerden voor de Huibregtsenprijs 2019. De Huibregtsenprijs gaat naar een recent onderzoeksproject dat wetenschappelijk vernieuwend is met duidelijk maatschappelijke relevantie. Of het project van Onno ‘Voorkomen is beter dan genezen – Preventieakkoord’ gaat winnen, wordt bekend op 7 oktober. In dit rijtje vermelden we ook trots de AKO-WESP-studenten Sygriet Rinsma en Kitty de Clercq, omdat zij tijdens de Mosa Conference in de prijzen vielen voor respectievelijk beste presentatie (‘Chlamydia diagnostiek in de huisartspraktijk’) en beste poster (‘Registratie van antibiotica allergieën’). Sygriet en Kitty Op die Mosa Conference kregen alle 300 studentonderzoekers na afloop het boek ‘Effective scientific writing and publishing. A quick guide in English, Dutch and German.’ namens hoogleraren Jochen Cals & Daniel Kotz van de vakgroep Huisartsgeneeskunde. Het boek is te bestellen via op1lijn@maastrichtuniversity.nl. 10 2e uitgave 2019 Promotie 26 april 2019 “Fever management in children under 4 years in childcare centres and well-child clinics” DOOR KIRSTEN PEETOOM, PROMOVENDUS Huisartsen ervaren een hoge werkbelasting door kinderen met koorts op de huisartsenpost en zien, dat een toenemend aantal ouders de huisartsenpost bezoekt op advies van het kinderdagverblijf. Onderzoek onder kinderdagverblijfleidsters toonde aan dat het advies ‘‘om toch even naar de huisarts te gaan’’ is gebaseerd op de ervaring van leidsters en niet op basis van medische scholing. Uit vragenlijstonderzoek onder ouders bleek daarnaast, dat bijna alle kinderen op het kinderdagverblijf een of meer infectieklachten had gehad in een wintermaand, waarvan een derde niet verschenen was op het kinderdagverblijf en het merendeel van de zieke kinderen niet was gezien door de huisarts. Om leidsters en ouders te ondersteunen in hun beslissingen rondom een kind met koorts, hebben wij educatiematerialen ontwikkeld op basis van de stapsgewijze aanpak van Intervention Mapping. Naast scholing van leidsters onder leiding van een huisarts kregen leidsters en ouders een leidraad op basis van een stoplichtsysteem (wel/niet naar huis, advies paracetamol, advies huisarts ja/nee), het informatieboekje ‘’Mijn kind heeft koorts’’ en een kort filmpje. Het effect hiervan is geëvalueerd binnen 18 locaties van een grote kinderdagverblijforganisatie in Zuid-Limburg (MIK). Op de 9 locaties die met de materialen werkten, zagen we dat het gebruik niet leidde tot een significante afname in absentie ten opzichte van de controlegroep. Wel zagen we een toename van kennis onder leidsters, een vermindering van hun angst ten aanzien van koorts en een significante afname in hun intentie om ouders te adviseren naar de huisarts te gaan. 11 op één lijn 64
Page 12
op één lijn 64 2e uitgave 2019 Onschuldige infectie of…? Sepsis: wees paraat! DOOR GIDEON LATTEN, SEH-ARTS ZUYDERLAND MC EN PROMOVENDUS EN PATRICIA STASSEN, INTERNIST-ACUTE GENEESKUNDE EN ONDERZOEKER Bacteriën zijn net als teken. Ze wachten geduldig af tot een nietsvermoedende gastheer voorbijkomt. Vaak nemen ze een lift via uw handen of het stoepje waaraan u zich stoot. Bacteriën zijn dol op kwetsbare mensen, waarvan er steeds meer zijn. Onze regio veroudert, voorheen dodelijke ziektes worden steeds vaker chronisch en gewrichten worden vervangen door implantaten. Er zijn dus steeds meer mensen vatbaar voor infecties. Oude mensen, van voor de Tweede Wereldoorlog, maakten de introductie van antibiotica mee. Daarvoor gingen gezonde mensen zomaar dood aan een longontsteking of een nare wond. De meesten sloegen zich er echter zonder kleerscheuren doorheen. Ook nu zie je dat infecties – een van de meest voorkomende problemen in uw praktijk – vaak een goede afloop hebben. Een deel leidt echter tot problemen, tot sepsis. Sepsis is een ernstig ziektebeeld met orgaanfalen en sterfte als gevolg. Sepsis komt meer en meer voor nu kwetsbaarheid toeneemt. Het goede nieuws is dat we iets kunnen doen aan sepsis! Hoe sneller we bij deze patiënten starten met antibiotica, des te beter is de prognose. Het ziekteproces kunnen we met antibiotica een halt toe roepen voordat de lawine losbarst. De vraag is en blijft echter: wie hebben sepsis en wie heeft een relatief onschuldige infectie? Het is een soort ‘Waar is Wally?’ Ze lijken allemaal op elkaar, maar hoe vis je de ziekste eruit? De focusgroep Acute interne geneeskunde van het Netwerk Acute Zorg Limburg (NAZL) zal op Wereld Sepsis Dag 13-092019 op verschillende manieren Sepsis onder de aandacht brengen van professionals en patiënten. Er wordt informatie gedeeld over Sepsis, hoe Sepsis te herkennen en hoe te handelen bij een verdenking op Sepsis. Meer informatie op: www.nazl.nl/world-sepsis-day-13-september-2019. Bereid u dus voor op sepsis! 12 2e uitgave 2019 Vraag 1 Sepsis is te diagnosticeren door een CRP te meten Ja A B Nee Vraag 2 Bij sepsis vinden we meestal een verwekker Ja A B Nee Vraag 3 Sepsis kun je onderscheiden van een mildere vorm van infectie op basis van de bloeddruk Ja A B Nee Vraag 4 Een oude, vitale, vrouw heeft een symptomatische urineweginfectie. Zij is verward en heeft een ademhaling van 24/min. Heeft zij sepsis? A B Ja Nee Vraag 5 Een man van 24 jaar heeft hoge koorts (39.2), hoest groen sputum en heeft een ademhalingsfrequentie van 28/min. Hij is helder en adequaat. Welk van de gegevens is het meest onderscheidend om de ernst van de infectie vast te stellen? A B Temperatuur Ademfrequentie Antwoorden Vraag 1. Antwoord B. Meting van het CRP helpt niet bij het onderscheiden van patiënten met een goede of een slechte afloop. Vraag 2. Antwoord B. Bij slechts 33% van de SEH patiënten met sepsis kunnen we een micro-organisme kweken. Vraag 3. Antwoord A. De systolische bloeddruk is een van de nieuwe zogenaamde quick SOFA (Sepsis-Related Organ Failure) criteria. Als een patiënt twee van de volgende criteria heeft, dan is de verdenking op sepsis hoog: systolische bloeddruk ≤100 mm Hg, EMV ≤14 (bijv. delier) en een ademfrequentie van ≥22/min. Ook gebruiken we de ‘oude’ sepsis (SIRS (Systemic Inflammatory Response Syndrome)) criteria: afwijkende temperatuur (<36.0 of >38.0), ademfrequentie >20/min, pols >90/min, afwijkend leukocytengetal (<4 of >12). Zoals u kunt zien, kunt u dus ook in uw praktijk de diagnose sepsis waarschijnlijker maken; alleen het leukocyten aantal ontbreekt. Vraag 4. Antwoord A. Zij heeft een verlaagde EMV-score en een verhoogde ademfrequentie in de context van een infectie. Dit laatste is belangrijk omdat een steriele inflammatie (bijv. een pancreatitis) of een inspanning ook kunnen leiden tot afwijkende vitale functies. Vraag 5. Antwoord B. Uit de Huisarts Koortsweek die wij dit jaar op twee HAPs (Heuvelland, Oostelijke Mijnstreek) hebben gedaan, bleek dat u vooral patiënten herkende en naar het ziekenhuis verwees die een verhoogde ademfrequentie hadden. Kennelijk vond u deze patiënten het ziekst. U deed dit overigens min of meer onbewust. U noteerde vaak niet zelf de ademfrequentie, dat deden onze student-onderzoekers achteraf. 13 op één lijn 64
Page 14
op één lijn 64 2e uitgave 2019 Coeliakie in de dagelijkse praktijk Wat doet u hiermee? DOOR MAXINE ROUVROYE, ARTS-ONDERZOEKER EN GERD BOUMA, HOOGLERAAR EN MDL-ARTS AMSTERDAM1 Coeliakie is een chronische immuungemedieerde ziekte van de dunne darm, die kan ontstaan bij mensen met een genetisch risicoprofiel wanneer zij gluten eten. In Europa is de geschatte prevalentie van coeliakie 1%. Hiervan is echter, variërend per land, maar 6 tot 24% gediagnosticeerd. Klassieke symptomen die kunnen optreden bij coeliakie zijn diarree, gewichtsverlies en buikpijn. Veel patiënten hebben echter extra-intestinale symptomen of zijn asymptomatisch. Dit maakt coeliakie moeilijk te diagnosticeren. Het uitblijven van een behandeling, bestaande uit een levenslang strikt glutenvrij dieet, kan leiden tot diverse medische gevolgen. De diagnose wordt bij volwassenen gesteld door het bepalen van het tissue-Transglutaminase IgA (tTGA), gevolgd door een gastroduodenoscopie met dunne darm biopt afgenomen door de MDL-arts. Bij kinderen wordt de diagnose altijd door de kinderarts gesteld. Vaak voldoet enkel het tTGA. In Nederland is er weinig bekend over de kloof tussen gediagnosticeerde coeliakie en de totale prevalentie van coeliakie. Daarom proberen we het diagnostische gedrag van huisartsen met betrekking tot coeliakie in kaart te brengen. Dit hebben we gedaan via een enquête met casuïstiek en kennisvragen verspreid onder huisartsen in de regio Maastricht, Amsterdam en Haarlem. Daarnaast hebben we alle coeliakie of gluten gerelateerde contacten onderzocht van het jaar 2016, in 49 praktijken in Amsterdam. In totaal hebben 105 huisartsen de vragenlijst afgerond. Gemiddeld hebben zij 12 jaar ervaring en heeft 46% voorheen op de afdelingen interne geneeskunde, kindergeneeskunde of MDL gewerkt. Bij de casuïstiek viel op, dat coeliakie dikwijls in de differentiaaldiagnose staat, maar dat meestal geen diagnostiek volgt. Bij de eerste casus (postmenopauzale vrouw met een sterk verhoogd tTGA) gaf 22% van de respondenten aan, dat hiermee de diagnose coeliakie rond is, maar 54% stuurt de patiënt door naar de MDL-arts. Eenendertig procent koos ervoor 1 Afdeling Maag-, Darm-, Leverziekten, Vrije Universiteit Amsterdam, Amsterdam UMC, AG&M research institute om de patiënt direct te verwijzen voor een darmonderzoek, waarbij 39% een coloscopie zou aanvragen in plaats van een gastroduodenoscopie. Bij een casus van een coeliakiepatiënt zonder klachten viel op, dat veel huisartsen geen glutenvrij dieet aanraadden. Uit alle bestudeerde coeliakie gerelateerde consulten van 49 praktijken (207.200 patiënten) was er een grote variabiliteit in de frequentie en soort diagnostiek voor coeliakie. In totaal zijn er 21 nieuwe coeliakiepatiënten gediagnosticeerd; een incidentie van 0.01% gediagnosticeerde coeliakie. Met behulp van ICPC-codes in probleemlijsten is er een prevalentie berekend van 0.19%. Deze prevalentie ligt veel lager dan de geschatte Europese prevalentie van 1%. Onze resultaten sluiten meer aan bij een oude Nederlandse studie, waarbij een gediagnosticeerde prevalentie van 0.016% werd gevonden en een gescreende prevalentie van 0.35%. Dit betreft echter een 25 jaar oude studie, de verwachting is, dat de prevalentie van coeliakie is gestegen in de afgelopen kwart eeuw. Een nieuwe screeningstudie moet uitwijzen of dit werkelijk het geval is. 14 2e uitgave 2019 CVA zorg voor huisartsen Wat is er veranderd? DOOR MARIA KERCKHOFFS-HANSSEN, STAFADVISEUR NAZL Ook bij een negatieve FAST-test kan op basis van andere symptomen een verdenking op een beroerte bestaan. Vraag daarom naar plotselinge visusstoornissen, coördinatiestoornissen en het optreden van acute hoofdpijn. Vraag bij iedere patiënt met een verdenking op een beroerte (mag bij een reële verdenking zonder fysieke beoordeling van de huisarts vooraf) naar: • Het tijdstip van het ontstaan van de klachten. • Indien onbekend, tijdstip van last seen well. • Als de klachten <24 uur geleden zijn ontstaan (of <24 uur last seen well) insturen met ambulance (A1) naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis. Vervolg: • Binnen 4,5 uur na ontstaan van de symptomen komt in aanmerking voor intraveneuze trombolyse (IVT). • Binnen 6 uur na ontstaan van de symptomen komt in aanmerking voor reguliere intra-arteriële therapie (IAT). • Tussen 6 en 24 uur kan op basis van bepaalde kenmerken (ernst van de uitval, radiologische kenmerken van kleine infarctkern en grote penumbra (te redden hersenweefsel)) ook in aanmerking komen voor reguliere IAT. • Tussen de 6 en 24 uur overig kan in aanmerking komen voor deelname aan de MR CLEAN LATE (een wetenschappelijk onderzoek dat de effectiviteit van IAT tussen de 6 en 24u onderzoekt). • Ook geringe klachten of ‘bijtrekkende’ klachten worden met spoed beoordeeld. Bij volledig herstel klachten is er sprake van een TIA. Advies: direct starten met een plaatjesremmer (ascal of clopidogel) en de patiënt aanmelden voor de TIA-service. Overleg met de neuroloog voor direct insturen is een optie. Contra-indicaties voor behandeling met IVT/IAT bepaalt het ziekenhuis. Let op: • Er is geen bovengrens qua leeftijd, de ondergrens voor behandeling is 16 jaar. • Het gebruik van orale antistolling en DOAC’s is geen absolute contra-indicatie. Hiervoor verricht de SEH specifiek labonderzoek. Take-home message: kijk verder dan alleen FAST test. Alle functie uitval, zoals spraakstoornissen, kan duiden op een CVA. Binnen 24 uur na ontstaan altijd insturen, tenzij al volledig herstel heeft plaatsgevonden. Dan starten met clopidogrel en insturen voor TIA-poli. Informatie staat ook op: www.nazl.nl/focusgroepen/CVA OOK en de Witte Raven De Witte Raven Club kwam onlangs bijeen op DEB1. Op de overlegtafel stonden prachtige bloemen, een witte raaf en een foto van Yvonne van Leeuwen. Yvonne, oud lid van deze groep, overleed op 1 mei op 67-jarige leeftijd in een hospice. Tijdens haar ziekte, zocht ze OOK altijd naar Onuitstaanbare Onverklaarde Klachten. Het was een wens van haar dat de laatste casus, zoals beschreven in het vorige nummer (‘Geen hartfalen, wat dan wel?’), opgenomen werd in ons blad. De casus gaat namelijk over voormalig huisarts en lid van de Witte Raven, Paul Höppener. Het juiste antwoord was (dan OOK): pectus excavatum. Winnaar is huisartsdocent Johan Evers van het Skillslab, van de Universiteit Maastricht. Naast het juiste antwoord, citeerde Johan uit het boek ‘Chest Wall Deformities’. Hij stelde OOK wedervragen over het effect van nitroglycerine. Chapeau! Een nieuwe casus vanuit de Witte Raven Club hopen we weer in het volgende nummer van ‘Op één Lijn’ te presenteren. 15 op één lijn 64
Page 16
op één lijn 64 2e uitgave 2019 Interprofessionele samenwerking De Quickscan DOOR JERÔME VAN DONGEN, DOCENT-ONDERZOEKER VAKGROEP HUISARTSGENEESKUNDE EN WIM GOOSSENS DOCENT ZUYD HOGESCHOOL Professionals van verschillende disciplines, zoals de huisarts, de praktijkondersteuner, de wijkverpleegkundige, de maatschappelijk werker en de fysiotherapeut werken steeds meer samen rondom de hulp- of zorgvraag van een individu. Lokaal wordt daar verschillend invulling aan gegeven. De samenwerking tussen de disciplines wordt interprofessionele samenwerking genoemd en is, gezien de toenemende complexiteit van zorgvragen, belangrijker dan ooit. Interprofessionele samenwerking kent in de eerste lijn vele vormen: • het multidisciplinair overleg (MDO) • het hometeam • het sociaal team • het wijkteam of • het ronde tafel overleg (RTO). Interprofessionele samenwerking verloopt niet vanzelf vlekkeloos (van Dongen, 2017). Dit soms tot grote ergernis van de huisarts of praktijkondersteuner, die de onderlinge samenwerking meestal vanuit de huisartspraktijk in gang zet. Vaak ontbreken een duidelijke en gezamenlijke visie op samenwerking en structuur. Daarnaast is onduidelijk wie wat moet doen en handelen professionals vanuit hun eigen perspectief. Reflectie op de samenwerking kan helpen het functioneren te verbeteren (Schmutz, 2017). Uit eigen promotieonderzoek is bekend, dat interprofessionele teams in de praktijk weinig tot geen aandacht besteden aan reflectie. Teams zijn vooral bezig met de inhoudelijke bespreking van patiënten (vooral complexe casuïstiek). Ze nemen geen tijd om te reflecteren op het (groeps)proces en op de effectiviteit van de samenwerking. Waar die reflectie wel plaatsvindt, wordt het vaak niet goed gedaan. Daarnaast lijkt de continu veranderende samenstelling van de eerstelijnsteams de reflectie te belemmeren. Ook ervaren tijdsdruk en het lastig inplannen van een gezamenlijk moment zijn belemmerende factoren. Onderzoek laat zien dat teams met een hoge mate van reflectie een grotere effectiviteit, betere samenwerking, cohesie en innovatiekracht vertonen (de Haan, 2017). Bovendien 16 beschrijft Edmondson (2018) dat deze reflectieve teams een hogere mate van psychologische veiligheid kennen, waardoor er meer ruimte ontstaat om fouten te onderkennen en te verbeteren. Hiervoor hebben we een hulpmiddel ontwikkeld: de QuickScan Interprofessionele Samenwerking. Wat is de QuickScan Interprofessionele Samenwerking? De QuickScan is een instrument voor interprofessionele teams en/of netwerken om belangrijke aspecten van samenwerking in kaart te brengen. Hiermee kunnen teams reflecteren op hun samenwerking en de resultaten benutten om samenwerking te optimaliseren. Het team vertaalt de uitkomsten van de scan in een ontwikkel- of leertraject. De QuickScan is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek en expertise op het gebied van interprofessionele samenwerking (in teams) en groepsdynamica. Het kan worden ingezet als zelfbeoordelingsinstrument om de kwaliteit van de samenwerking in het team te beoordelen en input te verzamelen voor reflectie en optimalisatie. In de QuickScan worden aan de hand van vijf categorieën (box 1) stellingen voorgelegd om te beoordelen op een schaal van 1 (niet aanwezig) tot 5 (excellent aanwezig) en aan te geven of het een ontwikkelpunt is voor het team of netwerk. De scan eindigt met vier open vragen. Het invullen kan digitaal via de smartphone, tablet of laptop en duurt ongeveer 15 minuten. 2e uitgave 2019 Box 1. De vijf categorieën van de QuickScan Voor de uitwisseling en reflectie in subgroepen wordt het CCC-model gehanteerd (Constateren, Conclusies Consequenties) om te komen tot een gezamenlijk ontwikkel- of verbeterplan. Gemeenschappelijke waarden (Shared Values) Bij interprofessionele samenwerking is het van belang dat de leden samen dezelfde kernwaarde, visie en uitgangspunten hebben en deze ook uitdragen. Context Diverse contexten zijn van invloed op de samenwerking. Het gaat hier onder andere over de opdracht vanuit de organisatie, expertise, achtergrond en belangen van de individuele teamleden. Bewustwording van ieders context blijkt de effectiviteit van de samenwerking positief te beïnvloeden. Structuur en organisatie Effectieve interprofessionele samenwerking blijkt ook te maken te hebben met de wijze waarop deze is georganiseerd. Het is van belang om duidelijke afspraken te maken over onder andere werkprocedures, rolverdeling en de manier van evaluatie. Groepsdynamica en interactie Interprofessionele samenwerking wordt effectiever als de onderlinge betrekkingen tussen de leden goed zijn en er een open sfeer en groepsklimaat is, waarin leden elkaar van feedback kunnen voorzien en op constructieve wijze kunnen reflecteren. Ondernemendheid en bedrijfsvoering Inzicht in de randvoorwaarden voor effectieve samenwerking is van belang. Denk hierbij aan kennis van recente wet- en regelgeving, de aandacht voor PR en marketing en de aanwezigheid van een helder bedrijfsplan. Toepassing Gestart wordt met een intakegesprek met praktijkhouder, teamleider en/of voorzitter(s) van het team. Daarna volgt observatie van het interprofessionele overleg en wordt de QuickScan geïntroduceerd. Na analyse van de resultaten, worden deze in het team gepresenteerd. Het team gaat dan reflecteren en interpreteren. De reflectie begint individueel, waarbij elk teamlid wordt gevraagd om 5 items te kiezen die door het team moeten worden opgepakt. Zelf aan de slag met de QuickScan? Wilt u zich als team verder ontwikkelen? Bent u benieuwd naar uw ontwikkelpunten of op zoek naar ontwikkelthema’s om op te reflecteren? Dan is de QuickScan Interprofessionele Samenwerking misschien wel iets voor u. Neem dan contact met ons op. Referenties • van Dongen, J. J. J., van Bokhoven, M. A., Daniëls, R., Lenzen, S. A., van der Weijden, T., & Beurskens, A. (2016). Interprofessional primary care team meetings: a qualitative approach comparing observations with personal opinions. Family practice, cmw106. • van Dongen, J. J. J. (2017). Interprofessional collaboration in primary care teams: development and evaluation of a multifaceted programme to enhance patientcentredness and efficiency (Doctoral dissertation, Maastricht University). • Schmutz, J. B., & Eppich, W. J. (2017). Promoting learning and patient care through shared reflection: a conceptual framework for team reflexivity in health care. Academic Medicine, 92(11), 1555-1563. • Haan E. de (2017), Teamcoaching, Gezamenlijke reflectie als motor voor prestatie, Boom, Amsterdam • Edmondson, A. C. (2018). The Fearless Organization: Creating Psychological Safety in the Workplace for Learning, Innovation, and Growth. Wiley. Het promotieonderzoek van Jerôme van Dongen werd begeleid door de promotoren Sandra Beurskens en Trudy van der Weijden en copromotoren Loes van Bokhoven en Ramon Daniëls. Contact Jerôme van Dongen Docent-onderzoeker Lectoraat Wijkgerichte Zorg (Zuyd Hogeschool) Onderzoeker Vakgroep Huisartsgeneeskunde (Universiteit Maastricht) jerome.vandongen@zuyd.nl 06-50231385 Wim Goossens Expert docent (Zuyd Hogeschool) wim.goossens@zuyd.nl 17 op één lijn 64
Page 18
op één lijn 64 2e uitgave 2019 De (digitale) toekomst van de (huis)arts Laat de eerste lijn geen KODAK zijn! DOOR GUY SCHULPEN, MEDISCH DIRECTEUR ZORGGROEP ZIO MAASTRICHT Het is 2019. De Nederlander kan online een vakantie boeken, online bankieren, online een huis kopen en verkopen, enzovoort. Maar diezelfde Nederlander kan zijn zorgdossier niet inzien, niet beheren, kan vaak geen digitale vragen stellen of digitale afspraken maken. En dat is niet logisch en niet wenselijk, zo dacht het Ministerie van VWS in elk geval. Met het Informatieberaad Zorg is een agenda voor digitalisering gemaakt. Met ambitieuze doelstellingen! Zo moet iedere patiënt medio 2020 toegang hebben tot zijn eigen zorgdossier. Er dient uiteindelijk een markt te komen voor persoonlijke gezondheidsomgevingen (zogenaamde PGO’s), waar de patiënt ook zelf gegevens aan kan toevoegen. Een andere ontwikkeling is dat er steeds meer technologie in de zorg ter beschikking komt. Zo kennen we het voorbeeld van dr. Watson. Dit is een soort supercomputer, die in staat is om ongestructureerde informatie te ordenen en intelligente dingen mee te doen. Een bedrijf als Skype is ver op weg om de zogeheten Turing test1 te gaan halen. Bent u er nog? Menig arts haakt namelijk af bij dit soort retoriek en moeilijke terminologie. Maar wat betekent dit nu eigenlijk? Deze laatste twee voorbeelden betekenen het volgende. In experimenten met dr. Watson in topklinische ziekenhuizen in Duitsland, is deze Watson computer in staat de status van de verwijzend arts te ‘lezen’, de diagnostiek te interpreteren, vervolgens alle wetenschappelijke output ter wereld daartegenover te zetten én daarna met een behandelplan te komen. Nauwkeuriger dan welke dokter dan ook (die immers onmogelijk in staat is om alle literatuur te volgen). Gelukkig, denken sommige artsen, zal het gesprek met de patiënt nog steeds essentieel zijn. Ter geruststelling, dat is ook zo, om de patiënt uit te vragen naar beleving en symptomen. 1 Turingtest: genoemd naar Alan Turing in 1936. Een computer slaagt voor de Turing test wanneer het voor de ondervrager niet gemakkelijker wordt om de bedrieger te ontmaskeren. Bron: Wikipedia. Maar Skype is dus zo ver met ‘chatbots’ (chat-computers met kunstmatige intelligentie) dat je als mens bijna niet merkt, dat je met een computer praat. Hoe je ook je best doet! Combineer die twee technologieën en waar blijft de dokter dan? Een terechte vraag voor sommige vakgebieden denk ik. Als we zien hoe effectief een simpel instrument als thuisarts.nl al werkt in het voorkomen van zorgvragen, kunnen we alleen maar speculeren wat ‘slimmere’ technologie de patiënt kan bieden aan zelfdiagnostiek, zelfhulp. Toch maak ik me geen zorgen voor de huisarts. Juist in het generalisme van de huisarts, de complexiteit van de verschillende leefdomeinen die de ervaren gezondheid beïnvloeden, zal, mijns inziens, de huisarts als gids een centrale rol kunnen blijven vervullen. En de boodschap is dan ook, dat we ons daar niet tegen moeten willen verzetten. Dat we niet moeten doen of dit de zorg niet gaat raken. Onze maatschappij omarmt in het dagelijks leven digitalisering op grote schaal. Dat zal toch zeker ook gaan gebeuren in de zorg? Waarom zou het niet gaan worden omarmd, althans door een groot deel van de patiënten? Kodak dacht ooit dat ze fotorolletjes verkochten, maar hun klanten wilden foto’s. Toen de digitale camera kwam, was er geen vraag meer naar fotorolletjes. Laat de eerstelijnszorg geen Kodak zijn! Prima dat patiënten toegang tot hun dossier krijgen. Prima dat zij verwachten dat op de HAP de gegevens van overdag beschikbaar zijn. De eerste lijn voegt iets toe aan wat digitaal kan of mogelijk gaat worden. Dat is en blijft onze kracht. Maar dan moeten we wel wakker worden en snel deze ontwikkelingen gaan omarmen. Want we weten allemaal hoe het eindigde met Kodak... 18 Jubileumviering voor goed doel 100 jaar Sjniedesj DOOR BABETTE DOORN, REDACTIE EN GITTE SNIJDERS, HUISARTS IN LANDGRAAF Huisartsenpraktijk Snijders uit de wijk Nieuwenhagen in Landgraaf, bestaat 100 jaar. In 1919 startte Pierre ‘Pake’ Snijders de familiepraktijk. Anno 2019 is Gitte Snijders praktijkhouder. Eerder in Op één Lijn nummer 531 in het themanummer ‘All in the Family’ over huisartsenfamilies, schreven zij over hun bijzondere familie. Om dit heuglijke feit te vieren, organiseerde Gitte een feestelijk evenement op zaterdag 29 juni, een zonovergoten dag. Met allerlei activiteiten haalden zij geld op voor een goed doel: de gezonde basisschool van de toekomst. Als gastspreker nodigden zij de aan dit project verbonden hoogleraar Onno van Schayck uit om een speech te houden. Ben je de enige huisarts in de praktijk? “Ik heb een solo-praktijk, maar ook twee hele goede en fijne vaste waarnemende huisartsen die ieder twee dagen waarnemen: Judith Brouns en Sanne Gullikers. Zij zijn naast deskundig en accuraat, ook hele fijne collega’s om mee samen te werken.” Wat heb je die zaterdag zoal georganiseerd? “We hebben een gezamenlijke warming up met zumbadanseres Simone Lucchesi en de geweldige sambaband Razzemetazz georganiseerd. Daarna vond de ‘Snijders’-run met leuke, kindvriendelijke obstakels plaats. Ondanks de hitte was de opkomst geweldig! Op het Sunplein was de hele dag een gezondheidsmarkt met leuke attracties, een geweldig praatje van hoogleraar Onno van Schayck, optredens van lokale sportverenigingen zoals Benito Deane dansschool, turnvereniging Olympia, SVN 50+ walkin voetbal, zang van Paul van Loo maar ook de coverband ‘The recipe’. De dag werd gepresenteerd door Freed Janssen, de lokale wethouder van Landgraaf. Daarnaast vond er een heuse, enthousiaste rollatorrace plaats met tien deelnemers. De dag was een groot feest! “ Wat vonden de aanwezigen ervan, de patiënten? “Ze vonden het magnifiek om te zien dat we zoveel moeite gedaan hebben om zoveel leuks te organiseren. We zijn geen evenementenorganisatie, maar ze stonden 1 Archief op onze website www.huisartsgeneeskundemaastricht.nl/ over-ons/op-één-lijn versteld van hetgeen we gepresteerd hebben; een heel fijn compliment.” Wat vond je het leukste op die dag? “Het leukste was dat het geheel bij iedereen een glimlach op het gezicht gaf, of het nou de optredens waren, de run, de rollatorrace: ik zag de mensen genieten! Daarnaast was het zeer bijzonder om een erepenning te krijgen van de burgemeester Raymond Vlecken, een enorme eer voor onze hele familie!” Jullie kozen de Gezonde Basisschool als goed doel, heeft het wat ‘opgeleverd’? “We zijn de sponsorzaken nog aan het verrekenen. Het wordt een mooi bedrag, maar de boodschap is veel belangrijker. We willen dat het project de Gezonde Basisschool van de toekomst blijft bestaan in Landgraaf. En dat we dit project gezamenlijk gaan dragen. De verantwoordelijkheid voor een bewustere en gezondere aankomende generatie moeten we samen dragen. Onno van Schayck vond het geweldig dat wij ons als huisartsen zo proactief inzetten voor de lokale gemeenschap. We hadden het immers ook kunnen afdoen met een gewoon feestje. Op deze wijze werd voor iedereen duidelijk dat we meer willen doen; we willen de lokale gemeenschap op een leuke, originele wijze een boodschap van bewustwording en toekomstvisie meegeven, zonder te zitten preken.” “ Voor zover ik weet is het uniek in Nederland dat een huisartspraktijk al 100 jaar van vader op zoon, op zoon, op dochter overgaat! De generaties Snijders zetten zich met hart en ziel in voor hun wijk Nieuwenhagen en dat wordt zeer gewaardeerd. Vroeger was het vooral voor de stoflongen, maar na het sluiten van de mijnen is het nu vooral om het gezondheidsgerelateerd gedrag te verbeteren. Fantastisch dat Gitte en haar collegae de Gezonde Bassischool van de Toekomst zo ondersteunen. Zo werken we samen aan een gezond Landgraaf en op en duur aan een gezond Limburg!” Onno van Schayck. 19 op één lijn 64
Page 20
2e uitgave 2019 1 e uitgave 2014 WESP-student Anke Spreeuwenberg E-meedenkconsulten Interne Geneeskunde BEGELEIDERS: JOCHEN CALS EN DENNIS MURIS Vraagstelling Een huisarts kan een patiëntgerelateerde vraag over een voor de specialist onbekende patiënt telefonisch stellen, of de patiënt hiervoor verwijzen. Niet alle vraagstellingen vereisen echter een polibezoek en telefonisch overleg heeft ook nadelen. In de Westelijke Mijnstreek werden e-meedenkconsulten ingevoerd tussen huisartsen en internisten om patiëntgerelateerde vragen te stellen via Zorgdomein. Studiedesign Observationele studie waarbij 762 e-meedenkconsulten uit 2018 tussen huisartsen en internisten in de Westelijke Mijnstreek werden geëvalueerd. Na exclusie van patiënten die al onder specialistische behandeling waren, werden 619 consulten geanalyseerd. Primair resultaat en conclusie Bijna 80% van de huisartsen gebruikte het e-meedenkconsult. Meer dan 75% van de patiënten bleef na het e-meedenkconsult in de eerste lijn. We vroegen huisartsen of ze de patiënt in afwezigheid van e-meedenkconsulten verwezen zouden hebben en konden zo een substitutiepercentage berekenen: 70% van de initiële verwijzingen werd vermeden. WESP-student Anne Gerritsen Horizontaal verwijzen in de urogynaecologie BEGELEIDERS: DENNIS MURIS & JOCHEN CALS Vraagstelling In het kader van horizontaal verwijzen is in 2018 een kaderhuisarts urogynaecologie gestart in de Westelijke Mijnstreek. We onderzochten patiënt tevredenheid en de hoeveelheid voorkomen verwijzingen naar de tweede lijn voor het plaatsen van spiraaltjes. We evalueerden daarnaast faciliterende factoren en barrières voor horizontaal verwijzen in de urogynaecologie onder huisartsen. Studiedesign We combineerden kwantitatief en kwalitatief onderzoek. Verwijs data van 1.282 patiënten werden verzameld 20 over drie jaar uit verschillende informatiesystemen. Vragenlijstonderzoek onder 49 patiënten en interviews onder vier huisartsen vonden plaats. Primair resultaat en conclusie De kaderhuisarts heeft 92 spiralen geplaatst in 2018 en gezorgd voor een hoge patiënt tevredenheid. Gelijktijdig werd voor het eerst in 2018 een dalende trend gezien in spiralen geplaatst door de tweede lijn. We concluderen dat deze studie inzicht geeft in voordelen van horizontaal verwijzen in de urogynaecologie. op één lijn 64 2e uitgave 2019 WESP-student Corina de Gier Gezonde Basisschool van de Toekomst heeft ook thuis invloed BEGELEIDERS: ONNO VAN SCHAYCK, MAARTJE WILLEBOORDSE EN CARLIEN SCHOUTEN Vraagstelling Op de ‘Gezonde Basisschool van de Toekomst’ krijgen alle kinderen iedere dag een gezonde lunch en een uur beweging onder begeleiding aangeboden. We onderzochten welke impact dit op de kinderen en hun ouders in de thuissituatie had, met betrekking tot gezonde voedings- en sportgewoonten. Studiedesign In totaal doen acht scholen mee met het grote project ‘De Gezonde Basisschool van de Toekomst’. Wij hielden 8 semigestructureerde interviews met ouders van de twee volledige interventiescholen en werkten deze uit met NVivo12 tot categorieën volgens een inductieve inhoudsanalyse. Naast deze twee volledige interventiescholen waar wij onderzoek deden, zijn er ook twee scholen met alleen een beweegprogramma en vier controlescholen. Primair resultaat en conclusie Door de Gezonde Basisschool is de kennis van de kinderen en hun ouders over gezonde voeding en beweging toegenomen. Tevens zijn ze allebei bewuster geworden van voedselkeuzes, eten ze thuis gevarieerder en vaak gezondere producten. Daarnaast zijn de kinderen mee gaan bepalen in de voedselkeuzes van het gezin. WESP-student Corlieke van de Kar Diagnostiek en morfologie bij calcificerende tendinopathie BEGELEIDER: RAMON OTTENHEIJM Vraagstelling Calcificerende tendinopathie (CT) is de meest voorkomende specifieke subacromiale schouderaandoening en kenmerkt zich door verschillende stadia. Beeldvorming is nodig om deze aandoening te diagnosticeren, maar de vraag is welke beeldvorming de hoogste diagnostische waarde heeft. Daarnaast hebben we gekeken of er een relatie is tussen de morfologie (bij beeldvorming) en symptomatologie. Studiedesign Een systematic review gebaseerd op 18 studies, waarbij de risk of bias en toepasbaarheid van de studies zijn beoordeeld. 21 Primair resultaat en conclusie Echografie heeft de hoogste diagnostische waarde voor het diagnosticeren van CT met een gepoolde sensitiviteit en specificiteit van respectievelijk 93.5 (89.3 – 96.4 en 99.4 (98.7 – 99.8). Boogvormige calcificaties komen vaker voor bij asymptomatische patiënten en niet-boogvormige calcificaties bij symptomatische patiënten. Echografie heeft de voorkeur indien beeldvorming is gewenst bij patiënten met een subacromiaal pijnsyndroom. op één lijn 64
Page 22
2e uitgave 2019 1 e uitgave 2014 WESP-student Juliët Op ‘t Veld Therapeutische opties voor calcificerende tendinopathie van de schouder BEGELEIDER: RAMON OTTENHEIJM Vraagstelling Calcificerende tendinopathie, een veelvoorkomende oorzaak van schouderklachten in de dagelijkse praktijk, karakteriseert zich door een evolutionair beloop. Er zijn diverse nietoperatieve therapieën beschikbaar en onderzocht in de literatuur. Echter, welke is het meest effectief en wordt er rekening gehouden met het natuurlijke beloop van de aandoening? Studiedesign Systematische review gebaseerd op 24 studies van lage tot matige kwaliteit (13 systematische reviews en 11 randomized controlled trials). Primair resultaat en conclusie Barbotage en hoogenergetische shockwave blijken veilige behandelingen met een gelijke effectiviteit en effectiever dan andere niet-operatieve behandelingen. Radiale shockwavetherapie lijkt minder effectief, maar is wellicht een goedkoper alternatief, omdat dit door fysiotherapeuten kan worden toegepast. Er is geen onderzoek van voldoende kwaliteit beschikbaar over de relatie tussen de therapie en het beloop van de aandoening. WESP-student Kitty De Clercq Allergisch voor antibiotica? Of voor de bijwerkingen? BEGELEIDERS: EEFJE DE BONT EN JOCHEN CALS Vraagstelling Maar liefst 90% van de geregistreerde antibiotica allergieën blijken geen potentieel levensbedreigende, type-I allergieën te zijn. Deze onterechte registraties leiden tot minder behandelopties en meer antibioticaresistentie, aangezien meer tweede keus en breedspectrum antibiotica worden gebruikt bij patiënten met een geregistreerde allergie. Maar wat zijn de oorzaken van deze onterechte registraties? Studiedesign Aan de hand van een kwalitatieve studie met vier focusgroepen werden de ervaringen van 34 huisartsen en 22 10 apothekers omtrent mogelijke oorzaken van onterechte registraties en verbetermogelijkheden in kaart gebracht. Primair resultaat en conclusie Huisartsen en apothekers ervaren dat weinig registraties terecht of volledig zijn, waardoor zij sceptisch zijn tegenover huidige registraties. Hoofdoorzaken voor onterechte registraties zijn ICT- en communicatiebarrières, onvoldoende kennis en praktische tools. Betere registratie is mogelijk door lokale werkafspraken, betere ICT-koppeling, opschoning van huidige registraties en beschikbaar stellen van een FTOmodule. op één lijn 64 2e uitgave 2019 WESP-student Sygriet Rinsma Chlamydia diagnostiek in de huisartsenpraktijk BEGELEIDER: JOCHEN CALS Vraagstelling In Nederland worden de meeste SOA’s gediagnosticeerd door de huisarts. Hierbij zijn chlamydia-infecties de meest voorkomende. We onderzochten hoe het staat met de kennis, attitude en dagelijks handelen in de praktijk met betrekking tot (anorectale) chlamydia diagnostiek bij huisartsen. Tevens hebben we gekeken naar eventuele bevorderende en/of belemmerende factoren hierin. Studiedesign We hebben een digitaal vragenlijstonderzoek opgezet bestaande uit 50-vragen. De vragenlijst werd via verschillende netwerken (vakgroep huisartsgeneeskunde, seksHAG, kaderhuisartsen urogynaecologie en AHON Groningen) per mail verspreid onder huisartsen in heel Nederland. Primair resultaat en conclusie Uiteindelijk is de vragenlijst door 388 huisartsen compleet ingevuld. De helft van de huisartsen koos het verkeerde antibioticum bij anorectale chlamydia en hertesten worden niet regelmatig uitgevoerd. Hieruit blijkt dat kennis en handelen van huisartsen bij anorectale chlamydia en re-infecties van chlamydia in het algemeen verbeterd moet worden. WESP-student Puk Meijs Het leren van complexe ouderenzorg: hoe worden huisartsen in opleiding bekwaam? BEGELEIDERS: KRISTA KOETSENRUIJTER, WEMKE VELDHUIJZEN EN JEAN MURIS Vraagstelling Onze vergrijzende populatie zorgt voor een grotere rol voor de huisarts in het leveren van complexe ouderenzorg. Aangezien huisartsen zich hier niet altijd bekwaam in voelen, willen we met deze studie de leerprocessen van huisartsen in opleiding die ten grondslag liggen aan het leren van complexe ouderenzorg meer inzichtelijk maken. Studiedesign In dit kwalitatieve onderzoek zijn diepte-interviews afgenomen bij verschillende betrokkenen rondom de huisartsenopleiding, met als overkoepelend thema ‘succesvolle leerervaringen’. De interviews zijn open gecodeerd en geanalyseerd met Atlas.ti 8. Primair resultaat en conclusie Het leren van complexe ouderenzorg is een cyclisch proces, waarbij ervaring centraal staat en wordt ondersteund door voorbereiding en verwerking. Beschikbaarheid van ‘mentale ruimte’ is een voorwaarde voor dit leerproces en verschillende persoonlijke- (bijvoorbeeld een positieve houding t.o.v. ouderen) en onderwijskarakteristieken (bijvoorbeeld een competente opleider) zijn helpend. 23 op één lijn 64
Page 24
2e uitgave 2019 1 e uitgave 2014 WESP-student: Gil Schulte Schouderpatiënten in de anderhalvelijnszorg BEGELEIDERS: RAMON OTTENHEIJM, DENNIS MURIS Vraagstelling Schouderklachten staan op de tweede plaats van verwijzingen naar de tweede lijn. Echter, schouderoperaties worden niet vaak meer uitgevoerd. Om patiënten de ‘juiste zorg op de juiste plek’ te bieden, werd een anderhalvelijnscentrum in Zuid-Limburg geïntroduceerd. Deze studie onderzocht de ‘Triple Aim’: effectiviteit van zorg, patiënttevredenheid en substitutie van zorg. Studiedesign Observationele studie met 236 schouderpatiënten in het Anders Beter Centrum (ABC) en het Zuyderland ziekenhuis met een follow-up van 6 maanden. Primair resultaat en conclusie Bij schouderpatiënten in het ABC werd een klinisch relevante en statistisch significante afname van klachten vastgesteld en de patiënten gaven het rapportcijfer 8,9 voor de geleverde zorg. Bovendien zagen we een reductie van verwijzingen naar de tweede lijn met 91,2%. Anderhalvelijnszorg voor schouderpatiënten zorgt voor effectieve substitutie van zorg en tevreden patiënten. WESP-student: Kim Akkersdijk Diagnostiek bij de ‘frozen shoulder’ BEGELEIDER: RAMON OTTENHEIJM Vraagstelling Het doel was om de diagnostische waarde van echografie bij de ‘frozen shoulder’ te onderzoeken en de mogelijkheid om deze echografische bevindingen te correleren aan de verschillende stadia van de ziekte. Studiedesign Een systematische review van bestaande literatuur tot en met maart 2019, uitgevoerd volgens de PRISMA-richtlijnen. Primair resultaat en conclusie Echografisch kunnen verschillende kenmerken onderzocht worden, met een redelijk tot zeer hoge diagnostische waarde voor de ‘frozen shoulder’. Een combinatie van statische en dynamische bepalingen lijkt hiervoor het beste te zijn, met een sensitiviteit en specificiteit van respectievelijk 100 en 87 procent. Gezien het ontbreken in de bestaande literatuur van studies met deze onderzoeksvraag, is meer onderzoek nodig naar de correlatie van deze parameters aan de verschillende stadia van de ‘frozen shoulder’. 24 op één lijn 64 Uit het hoofd Nou tabé dan! DOOR BAS MAIBURG, HOOFD HUISARTSOPLEIDING MAASTRICHT Een wisseling van hoofd geeft altijd wat onrust. We zijn er op tijd bij, mijn opvolger staat te trappelen. De opleiding staat er goed voor: de aios stromen naar wens binnen en het coördinatoren-, docenten- en ondersteuningscorps staat, en staat zijn en haar mannetje. Tijd om te gaan. Eén-en-dertig jaar Universiteit Maastricht, waarvan een paar jaar nog Rijksuniversiteit Limburg. Van hab tot hoofd bij de huisartsopleiding. In oktober 65 jaar jong, een mooi moment om mijn carrière af te sluiten. Natuurlijk gaat het nemen van zo’n beslissing niet over één nacht ijs. Met het vinden van een prima opvolger in de persoon van Matthijs Limpens is het wel makkelijker. De ervaring van Matthijs als huisarts, opleider, huisartsbegeleider en bestuurder komt vanaf oktober volledig ten goede aan de huisartsopleiding. Er rest nog een pittige overdrachtstijd, en dan is het voor mij als hoofd gedaan. Kijkend naar en levend in het hier en nu kunnen we als Managementteam en opleiding als geheel stellen, dat we er gezond voor staan. Goede meerjaren afspraken met de Universiteit Maastricht op financieel vlak, en een kersvers contract met de SBOH over onze tweede opleidingslocatie Strijp-Z in Eindhoven, ondertussen een volwaardige onderwijslokatie. Aan die gezonde situatie draagt natuurlijk het aantal nieuw instromende aios in hoge mate bij. Vierentachtig eerstejaars aios in 2019, dat is een absoluut recordaantal. De groei in het aantal aanmeldingen voor Maastricht en Eindhoven krijgen we niet zomaar in de schoot geworpen. Daar gaat een uitgekiende werving van kandidaten aan vooraf. Van lunches aan het eind van het coschap, via (de persona’s van) de vernieuwde website tot een heuse theatertour. Het kan niemand meer ontgaan zijn, dat we nu een coördinator werving en selectie hebben, in de persoon van Joost Dormans. Samen met Babette Doorn en Marleen van den Bogaart intensief bezig met het over de streep trekken van anios en basisartsen voor de opleiding. Noblesse oblige. Meer aios betekent ook inzet van meer opleiders. Geografisch gezien nog weleens een puzzel. Nieuwe opleiders uit al onze geaffilieerde windstreken blijven hard nodig. Wij bieden ze – gecoördineerd door Marieke Kools en Arie de Jong, onze haocoördinatoren, en Lilian Aarts, onderwijscoördinator – aios huisartsgeneeskunde, in afwisseling met coassistenten en zo nu en dan aios die coassistenten begeleiden (aiosco project). En kunnen faciliteren bij aniosschappen huisartsgeneeskunde (zie vorige ‘Op één lijn’ of kijk op onze website). Een blik in de glazen bol van de toekomst levert enigszins paradoxale vergezichten. Zorg omtrent de beschikbare huisartsenzorg levert de opleiding waarschijnlijk een hogere, door de minister te bepalen capaciteit op. En in de nieuwe strategische agenda van Huisartsopleiding Nederland wordt een stevige lans gebroken voor werving en selectie, maar moet de nieuwe ‘governance’, alias de wijze van besturen, nog zijn beslag krijgen. Best roerige tijden, waarbij de Huisartsopleiding Maastricht een hoog feniks-gehalte vertoont. Zo wordt de opleiding als voorbeeld genomen voor de goede lokale samenwerking met de opleidersvereniging, een van de uitgangspunten uit de landelijke strategische agenda. Door groei en natuurlijk verloop heeft de opleiding - naast opleiders - steeds behoefte aan nieuwe docenten. Onze headhunting-activiteiten werpen hun vruchten daarbij af. Zo mogen we binnenkort Jeroen Smeets, huisartsopleider in Maastricht, verwelkomen als nieuwe huisartsbegeleider in jaar 1 en Kirstin Ponse, HIDHA en docent bij het coschap, als huisartsbegeleider in het Blok Klinische Zorg van jaar 2. Beiden eerder onder andere actief bij de selectie van kandidaten voor de opleiding. Recent is Nathalie Beelen, huisarts in ’s-Hertogenbosch, aan ons docentencorps toegevoegd als huisartsbegeleider van een jaar 3 groep. Zij was destijds een van de eerste aios die de differentiatie praktijkmanagement volgde. En aan de kant van de gedragswetenschappers is met Miriam Notermans, ervaren psychotherapeut in Maastricht, een welkome uitbreiding van onze keur aan psychologen bij de opleiding gerealiseerd. 25 op één lijn 64
Page 26
op één lijn 64 2e uitgave 2019 Maar er vertrekken ook docenten, door nieuwe uitdagingen buiten de opleiding. Bij het uitkomen van deze ‘Op één lijn’ zwaaien we Nicole Schuttelaar als gedragswetenschapper in het Psychisch Blok uit en bewaren we onze uitzwaaizakdoekjes nog even voor het vertrek van Maartje Vinken uit het Blok Klinische Zorg. Nu ik zie, dat docenten bij ons binnenkomen die ik meer dan twintig jaar geleden heb begeleid bij differentiaties, denk ik opnieuw ‘tijd om te gaan’. Met mijn keuze voor Maastricht in 1988 voelde en voel ik me geenszins een “koloniaal” (de titel van dit stuk verwijst naar het “afscheidslied van den Koloniaal”). De huisartsopleiding heeft mij veel en ver gebracht. Daar wil ik iedereen die daaraan bijgedragen heeft voor bedanken. Maastricht, ik groet u en wens u, met de woorden van Yvonne van Leeuwen, nog heel veel ‘passion for education’. Gestage groei Werving werpt zijn vruchten af! DOOR JOOST DORMANS, COÖRDINATOR BEDRIJFSVOERING HUISARTSOPLEIDING De afgelopen 2 jaar is de opleiding actiever gaan werven en dat werpt z’n vruchten af. In 2019 zullen maar liefst 84 aios starten en daarmee groeit de opleiding in Maastricht/Eindhoven gestaag en steviger dan andere huisartsopleidingen in Nederland. We leiden maar liefst 12 aios per jaar meer op dan het Capaciteitsorgaan berekende op basis van bevolkingsaantal. We komen in 2020-2021 op circa 250 aios! Er is ook veel belangstelling voor huisartsgeneeskunde. Dat zagen en hoorden we tijdens de Pubquiz, bezocht door 65 basisartsen en zesdejaars Geneeskunde studente. Tijdens de Theatertour met huisarts cabaretier Ernst van der Pasch in Eindhoven en Maastricht, hadden we maar liefst 250 bezoekers. Daarnaast waren we eind mei ruimschoots vertegenwoordigd op de Medische Carrièredag van medische studentenvereniging Pulse. We gaven een workshop samen met ouderengeneeskunde en spraken met veel –met name bachelor- studenten op de beursvloer. Aios, inclusief AIOTHO’s, dragen hieraan hun steentje bij. We zijn blij met de toename van aios, omdat het goed is voor de regio’s: wegwerken huisartstekort, werkdruk en zorgen voor continuïteit in de eerstelijnszorg. Daarnaast is het ook goed voor de opleiding zelf. Een zekere omvang is nodig om alle ontwikkelingen bij te houden. 26 Groei kan alleen gerealiseerd worden als er voldoende huisartsopleiders en stageplaatsen zijn, niet alleen in aantal maar ook in kwaliteit. Binnen de vakgroep Huisartsgeneeskunde wordt goed samengewerkt tussen het basiscurriculum, de huisartsopleiding en de onderzoekers. Maar ook alle (huisarts)opleiders die het opleiden uitdragen, leveren een flinke bijdrage. Zorggroepen in de regio ondersteunen deze aanpak waar mogelijk. Werving is zoveel meer dan een kekke poster bedenken of een film organiseren. Werving is gewoon continu hard werken, offline en online. Het gaat om oprechte, persoonlijke aandacht voor en interesse in jonge mensen én het delen van enthousiasme voor onderwijs en het vak! ANIOS Huisartsgeneeskunde In het vorige nummer van ‘Op één Lijn’ hebben we uitgebreid aandacht besteed aan de ANIOS Huisartsgeneeskunde. We ontvingen tal van reacties van huisartsen als ook van geïnteresseerde potentiële ANIOS. Wil je meer weten over het ANIOS-schap, ook als huisarts, dan kun je contact opnemen met Joost Dormans (joost.dormans@maastrichtuiversity.nl) of huisarts Donna Lenders (d.lenders@ezorg.nl) van praktijk Medisch Centrum West Kerkrade. HOOFDzaken Gedreven en enthousiast DOOR MATTHIJS LIMPENS, AANKOMEND HOOFD HUISARTSOPLEIDING MAASTRICHT Op de Staf-tweedaagse van 3 en 4 oktober nemen we afscheid van Bas Maiburg en op 6 oktober volg ik hem op als Hoofd van de Huisartsopleiding Maastricht. Toen ik gevraagd werd voor deze functie, heb ik eerst moeten nadenken of ik het werk als huisarts al los kan laten. Ik heb getwijfeld of ik nog 1 dag in de week in de praktijk zou blijven werken, maar heb uiteindelijk de knoop doorgehakt. Op 1 januari 2020 stop ik weloverwogen als huisarts in Hoensbroek en ga voltijds voor mijn nieuwe functie. Wat breng ik mee? Het antwoord is: vooral enthousiasme! Ik ben gedreven en ze zeggen dat mijn enthousiasme aanstekelijk werkt. Ik breng ook mijn ervaring mee: 25 jaar huisarts, actief betrokken geweest bij de vorming van de regionale huisartsenorganisatie HOZL en 20 jaar huisarts-opleider, waarvan de laatste 3 jaar als HAB op het instituut in Maastricht. Ik kom dus uit het veld en vind de balans in de driehoek AIOS – opleider – instituut erg belangrijk. Die is bij ons goed, maar kan waar mogelijk nog versterkt worden. Omdat ik altijd op het instituut in Maastricht werkzaam ben geweest, ken ik iedereen daar al goed. Maar ik wil ook het team in Eindhoven snel beter leren kennen en ben van plan om vanaf januari één dag in de week op Strijp-Z te zijn. Zelf heb ik mijn opleiding Geneeskunde in Nijmegen genoten. Ik vind het dan ook bijzonder om de samenwerking met de Nijmeegse huisartsopleiding op Strijp-Z op te pakken. Ook in Nijmegen is net een nieuw Hoofd begonnen, Claudia Lobo. Op de werkconferentie van Huisartsopleiding Nederland (HN) hebben we al kennisgemaakt. HN zit zelf organisatorisch in een overgangsfase. Vooruitlopend op mijn nieuwe functie heb ik al kunnen deelnemen aan de werkconferenties in Utrecht ter voorbereiding van de strategische agenda. Mijn eigen opleiding tot huisarts heb ik in Utrecht gevolgd. Het deed mij goed om nog enkele gezichten tegen te komen uit deze opleidingstijd. Ik heb 24 jaar met veel plezier als huisarts in Hoensbroek gewerkt. Onze jongste zoon Tom is er geboren. Samen met mijn vrouw Jacqueline en onze zonen Huib, Ivo en Tom woonden we naast de praktijk. Na diverse carrièreswitches zijn mijn vrouw en ik uiteindelijk allebei in het onderwijs terechtgekomen. Zij werkzaam voor het Talencentrum van de Universiteit en ik bij de Huisartsopleiding. Na jaren actief te zijn geweest in de hockeysport, zowel zelf spelend als in bestuurlijke functies, ligt mijn passie buiten het werk nu in een zelf aangelegde hoogstamboomgaard. Vormsnoei, hart- en gesteltakken, waterscheuten en plantenziekten hebben nu mijn aandacht. Het onderhouden van mijn kleine gaard is een heerlijke manier om te ontspannen! En een mooi tegenwicht straks tegen de dagelijkse beslommeringen van het Hoofd, waar ik wel met veel plezier naar uitkijk. Aios Referatendag De winnaars Siamack Sabrkhany, Bas Stevens en Jean-Marie Peeters waren dit voorjaar de winnaar van de publieksprijs én de juryprijs met hun referaat over het bufferen van lidocaïne. Zij lieten zien, met een eigen aanvullende meta-analyse, dat het verminderen van de zuurgraad van lidocaïne een vermindering geeft van pijnklachten bij injectie. Hoewel dit in andere vakgebieden schijnbaar al wordt toegepast, is het binnen de huisartsgeneeskunde geen usual practice. 27 op één lijn 64
Page 28
op één lijn 64 2e uitgave 2019 Equilibre: rubriek voor huisartsopleiders Kwaliteit opleiders DOOR MARIEKE KOOLS EN ARIE DE JONG, COÖRDINATOREN HUISARTSOPLEIDERS De LOVAH benoemt in het plan “Veilig opleiden” een aantal actiepunten, waaronder transparante, toegankelijke en uniforme kaders voor potentieel onveilige opleidingssituaties. Met name op het vlak van disfunctioneren, onvoldoende beoordeling en no-go advies en ontkoppeling. Bij huisartsopleiding Maastricht ontbreken de kaders voor disfunctioneren nog, de overige blijken voldoende afgebakend. De wens van de LOVAH is dat: “…Ieder instituut beschikt over één protocol dat wordt gehanteerd bij het constateren van een ‘vermeend disfunctioneren’ van aios, huisartsopleider, stagebegeleiders, promotoren, docenten of andere instituut-medewerkers…” Recentelijk is er veel aandacht voor veilig werken op universitaire instituten, ook de UM heeft een veilige werkomgeving hoog op de agenda gezet. Ook vanuit de basisopleiding (IOH-B) wordt er gewerkt aan kwaliteitsverbetering en borging bij opleiders, met speciale aandacht voor disfunctioneren. Echter, hier ontbreken eveneens duidelijke kaders. De LOVAH pleit bij Huisartsopleiding Nederland voor: A. Het stimuleren van een ‘open kaart’ benadering B. Transparante, toegankelijke en uniforme kaders voor potentiële probleemsituaties De opleiding in Maastricht onderschrijft de ‘open kaart’ benadering en gaat zich de komende tijd bezighouden met dit onderwerp. Het HAO-team gaat zich richten op het opleidersdeel van dit protocol. Focus op goed functioneren van opleiders Kwaliteit van opleiders is vanuit verschillende visies te benaderen. Wij kiezen voor de focus op ‘goed functioneren’ en volgen benadering van hoogleraar Kiki Lombarts (AMC). 28 2e uitgave 2019 Zij spreekt bij ‘professional performance1’ over drie pijlers: 1. Het continu streven naar excellentie: door intrinsiek gemotiveerd en bescheiden te zijn, verbeteringsgericht en toegewijd aan kennis 2. Handelen vanuit medemenselijkheid: behandel zoals je zelf behandeld wil worden 3. Rekenschap geven: je houden aan professionele standaarden/gedragscodes en bereid zijn zich hierop te laten toetsen (voer uit of leg uit) Kwaliteit bereik je niet met een transparant protocol, dat is alleen handig als het misgaat. We moeten echter met zijn allen proberen te voorkomen, dat het misgaat. Kwaliteit is niet een zaak voor een instituut, instelling of een persoon, maar een breed gedragen visie, waarbij we op elkaar letten en elkaar beschermen, voordat het fout loopt. Echter, risico’s kunnen zich op verschillende vlakken voordoen. In onderstaande tabel vind je een overzicht van factoren, waarop we op kunnen letten. Bij ons zelf en bij de ander. Individuele factoren Fysieke en mentale gezondheid Persoonlijkheid en gedrag Persoonlijke keuzes Kennis en houding Werkomgeving Organisatie/RvB Maatschap/vakgroep Werkdruk/-last/-sfeer Opleiding en professionele ontwikkeling Suboptimaal functioneren uit zich in: Onderwijs en opleiding Aandacht voor professional performance (CANMEDS) Incidenten Calamiteiten Schade aan de patiënt Klachten Claims Tuchtrecht Kenmerken van disfunctioneren Structureel (bij herhaling) Schade of potentieel schade aan de patiënt Niet corrigeerbaar Voortbestaan disfunctioneren door: Cultuur Structuur Gebrek aan professionele normen en adequate juridische context Individuele verantwoordelijkheid Gebrek aan leiderschap Mocht het onverhoopt toch misgaan, dan zal binnenkort een transparant protocol beschikbaar zijn om de ontstane problemen tot een goed einde te brengen. Voorlopig blijft het HAO-team zich richten op goede scholing voor opleiders. Recent hielden we weer een trainingsdag in Urmond met Chris Rietmeijer, waarbij de nadruk ook lag op het elkaar (opleider-aios) observeren, met elkaar in gesprek gaan en goede feedback geven. Naast scholing gaan we door met de voortgangsgesprekken op de werkplek en de geleide intervisie op de reguliere terugkomdagen. Daarnaast houden we goed contact met de opleidersvereniging Maastricht (VHAO-UM) en staan we open voor ideeën van alle opleiders. Professional performance; risico’s2 Het helpt om open te staan voor feedback in algemeen, maar ook om het in een vroeg stadium te geven. Dit kan door het structureel in te plannen, bijvoorbeeld door een feedbackcarrousel te introduceren in de praktijk of op de werkvloer. Gebruik hierbij het Johari-venster en probeer samen hokje 4 zo klein mogelijk te maken. 1 MJMH Lombarts, Professional performance van artsen: tussen tijd en technologie, Rotterdam: 2010 2 C. Wagner, K. Lombarts, P. Mistiaen en M. de Bruijne. De problematiek van disfunctionerende artsen: zelfreinigend vermogen moet beter. KIZ: Tijdschrift over Kwaliteit en Veiligheid in Zorg: 2015, 25(1), 23-26 29 op één lijn 64
Page 30
op één lijn 64 2e uitgave 2019 Weten is eten CVRMinestrone DOOR HENDRIK JAN VUNDERINK, HUISARTS, REDACTIELID In de volgende Landelijke Huisartsgeneeskundige Kennistoets verwacht ik de volgende vraag: De huisarts wil bij een 69-jarige patiënt aanvullend onderzoek inzetten, en wel een bepaling van de weefselconcentratie van het enzym PCSK9. Welke aandoening heeft deze patiënt in zijn voorgeschiedenis: a. Multiple sclerose b. COPD c. Myocardinfarct d. Familiair priapisme U begrijpt wellicht waarom ik deze vraag verwacht: de nieuwe NHG-standaard Cardiovasculair Risico Management. En voornoemd enzym speelt een belangrijke rol bij het gekrakeel dat losgebarsten is over de daarin verordonneerde bovenwaarde voor het LDL-c van 1,8 mmol/liter. Deze waarde is zo laag, dat die alleen te bereiken is met remmers van het PCSK9-enzym en die zijn nieuw, duur en nog onder patent. En nu blijkt, dat er zich onder de cardiologen die betrokken zijn bij het opstellen van de richtlijn, collega’s bevinden die aantoonbaar banden hebben met de farmareuzen die de ‘onmisbare’ middelen produceren. Die geneesmiddelen, de zogenaamde PCSK-9-remmers, zoals bijvoorbeeld Repatha, zijn echter bewezen onwerkzaam op harde eindpunten en onbewezen veilig.1 Een marketingoffensief voor deze PCSK-9-remmers is dus al gestart met onbekende gezondheidsgevolgen en ongekend grote financiële consequenties. Aldus huisarts Hans van der Linde, die zich al jaren bezighoudt met beïnvloeding van artsen door de farmaceutische industrie. Hoofd afdeling Richtlijnontwikkeling & Wetenschap van het NHG Lex Goudswaard geeft ook ruiterlijk toe dat dit advies in de nieuwe standaard geen schoonheidsprijs verdient. ‘De IDEAL-studie2 laat zien dat een hogere dosis niet beter werkt, maar wel veel meer bijwerkingen geeft. Het is opmerkelijk dat dit advies dan toch doordringt in de richtlijn.’ 30 Ik denk er dus met gefronste wenkbrauwen het mijne van, en richt mijn aandacht voor nu liever op de nietmedicamenteuze adviezen die in de nieuwe standaard gelukkig ook nog steeds een prominente plek innemen. Onder andere Voeding: adviseer een voedingspatroon volgens de Richtlijnen Schijf van Vijf, met het doel (recidief) hart- en vaatziekten te voorkomen. En dan blijkt het overheerlijke mediterrane dieet wederom een klapper te zijn, inclusief evidence!3 Uit de duizenden mogelijkheden die die keuken biedt, kies ik voor de minestrone, de ‘grote soep’ waarvan elke Italiaanse mamma haar eigen geheime recept heeft, en vindt, dat die de beste is. Omdat Sardinië bekend staat als 1 van de 5 ‘blue zones’, gebieden waar mensen meetbaar langer leven, maken we de Sardijnse variant, met heel veel groente. En dan maar hopen, dat de ‘farmamaffia’ geen belangen in de olijfolie heeft! De zomerminestrone met verse groenten is volkomen vegetarisch. Je moet er wel even de tijd voor nemen: 1,5 kilo groenten schoonmaken en kleinsnijden! Een muziekje erbij dus. Het recept vond ik in het 8 cm dikke boek La Cucina Regionale Italiana in oltre 5000 ricette onder het hoofdstuk Sardinië. Het heet Minestrone estivo, dus zomerse minestrone en is gemaakt van alleen groenten, vers en geurig. 1: FOURIER-studie met de PCSK-9-remmer Praluent (evolocumab). 2: IDEAL-studie met Lipitor (atorvastatine). 3: Estruch R, et al. Primary prevention of cardiovascular disease with a Mediterranean diet. New England Journal of Medicine. 2013 Apr 4;368(14):1279-90. 2e uitgave 2019 INGREDIËNTEN VOOR 6 PERSONEN: 1,5 kilo vers geoogste groenten (courgettes, wortelen, zomerkool, aardappels, sperziebonen, erwten, verse borlotti bonen) 150 gr korte gedroogde pasta Sugo: 1 dl olijfolie 1 klein gesneden ui halve stengel bleekselderij, kleingesneden 300 gram tomaten (zonder vel, zonder zaadjes en zonder sap) Garnering: een bosje platte peterselie 1 fijngesneden teen knoflook 4 kleingesneden blaadjes basilicum Geraspte pecorino om te bestrooien Bereiding: 1. Maak de groenten goed schoon, was ze in stromend water en snijd ze in plakjes of blokjes. Doe ze in een pan met dikke bodem, doe er zoveel water bij dat ze bedekt zijn, breng aan de kook en laat de groenten op laag vuur in een half uur gaar worden. 2. In een ander pannetje verhit je de olijfolie en bak je de fijngehakte ui. Zodra deze bruin begint te worden voeg je de bleekselderij en de stukjes tomaat toe, roer en laat ongeveer 10 minuten pruttelen. 3. Doe vervolgens deze geurige sugo in de soeppan, gevolgd door de pasta. 4. Terwijl de soep op het vuur staat hak je de knoflook samen met de peterselie en basilicum fijn. Voeg die een paar minuten voordat je de pan van het vuur haalt, aan de soep toe. 5. Laat de soep rusten tot de hitte eraf is, serveer de minestrone lauwwarm en geef er versgeraspte pecorino bij. 31 op één lijn 64
Page 32
op één lijn 64 2e uitgave 2019 In de Leer Procrastinatie gedrag DOOR ARIANNE BECKERS, TWEEDEJAARS AIOS EN KAPITEIN-MILITAIR ARTS Het zonnetje schijnt en ik vertoon dit weekend procrastinatie gedrag. Procrastiwat? Juist. Ik stel mijn taken uit. Ik heb net het eerste jaar met een dubbel gevoel afgesloten. Met veel plezier kijk ik terug, maar ik laat ook een hoop arts-, patiënt- en collegarelaties en onbeantwoorde vragen achter. Als afleiding mag ik gelijk de dag daarna mijn tas inpakken voor jaar twee. Ik vertrek immers voor zes weken naar het Verenigd Koninkrijk voor mijn stage in het Princess Alice Hospice (Esher). Weer dat dubbele gevoel. Het is een mooie kans, maar ik laat ook een thuisfront achter. Zelfs een militair kan last hebben van heimwee. Ik heb er echter bewust voor gekozen om naar het Verenigd Koninkrijk te gaan voor de eerste 6 weken van mijn chronische stage. Engeland staat hoog aangeschreven als het aankomt op palliatieve zorg. En ondanks veel aandacht in de opleiding rondom het thema ‘de dood’, blijft er nog altijd een taboe op heersen. Wat ik best vreemd vind voor het enige onderwerp in het leven waar geen twijfel over bestaat. Dood gaan we allemaal. Maar wat is het dan wel? Is het de angst voor de dood? Is het de angst van het verliezen? De angst om de ander te kwetsen wanneer het bespreekbaar wordt gemaakt? Ik heb de wijsheid niet in pacht. Dag één in het hospice begint meteen confronterend. Gemetastaseerd longcarcinoom. Eindstadium hart-/ nierfalen. ALS. En zo kan ik (helaas) nog wel even doorgaan. Allerlei ziektes in een stadium waarbij de dood niet lang op zich zal laten wachten. Waar de eindbestemming echter voor eenieder hetzelfde is, is dit geheel anders voor de reis ernaartoe en de manier van ermee omgaan. Om nog maar niet te spreken over de tijd die ermee gepaard gaat. Gezien de actualiteit en het (letterlijk) levenslang persisteren van het thema ‘de dood’ lijkt het me juist als HAIO goed om hier tijdens de opleiding al over na te denken. Wat doet het met jou als dokter en als mens? Wat gaat onze rol als huisarts in spe hier in zijn of worden? In tegenstelling tot in Nederland is euthanasie en palliatieve sedatie in het Verenigd Koninkrijk verboden. Patiënten kunnen in de terminale fase van hun ziekte worden verwezen naar een hospice. De redenen hiervoor lopen uiteen. De een wordt verwezen voor palliatieve zorg tot de dood. De ander voor symptoombestrijding waarna terugverwijzing naar huis, verpleeghuis of ziekenhuis volgt. Het is een flinterdunne lijn met palliatieve sedatie zoals we die in Nederland kennen, maar hier ligt de nadruk op ‘het hanteerbaar maken van de symptomen expliciet zonder sedatie’. Door middel van het titreren van medicatie en aandacht voor de holistische geneeskunde (sociaal, spiritueel, mantelzorg, voeding, beweging). Dat klinkt nogal zweverig, maar de patiënten en hun familie lijken hier vrede mee te hebben. Sterker nog (en wat mij betreft het belangrijkste): ik krijg sterk het gevoel dat de patiënt en/of diens familie zeer tevreden zijn over deze behandelingsvorm(en). De dood is niet langer iets om voor weg te rennen. Iets wat je maar beter zo snel mogelijk achter de rug kunt hebben. Het wordt een goed voorbereide reis waar eenieder met een verdrietig, maar goed gevoel op terug kan kijken. Hoe bereid jij je patiënt voor op de dood? En hoe ver ga jij samen op met je patiënt? Gooien we in Nederland te snel de handdoek in de ring? Of laten we de patiënten in het Verenigd Koninkrijk juist te lang lijden? Ik sluit niet af met antwoorden. Sterker nog. Ik sluit af met nog meer vragen. Het is nou eenmaal een onderwerp waarbij een hoop vragen onbeantwoord zullen blijven. Hoe ver weg het nu misschien nog lijkt in onze opleiding. Je kunt niet vroeg genoeg beginnen om erover na te denken. Voor je het weet sta je zelf voor deze moeilijke keuze. Palliatief procrastinatie gedrag of niet? Oordeel zelf. 32 2e uitgave 2019 Een opiniërende beschouwing Diabetes en kunstmatige zoetstoffen, op weg naar een suikertaks? DOOR JEROEN SMEETS, HUISARTS IN GC HEER MAASTRICHT EN KADERARTS DIABETES I.O. Wat is bekend? Niet-calorische kunstmatige zoetstoffen (NKZ) zijn meer dan een eeuw geleden ontdekt en toegevoegd aan ons voedsel om het voedsel zoet(er) te maken, zonder toevoeging van hoogcalorische suikers. NKZ verwierven snel populariteit vanwege de lage kostprijs, lage calorieintake en vermeende gezondheidswinst bij het streven naar gewichtsverlies en normalisering van bloedglucose spiegels. Vanwege deze redenen worden NKZ toenemend in onze voedselproducten, zoals frisdranken, ontbijtproducten en suikervrije desserts, verwerkt. NKZ worden aangeraden bij het streven naar gewichtsverlies, voor personen met een gestoorde glucosetolerantie en personen met type 2 diabetes mellitus. Er zijn studies bekend die bij gebruik van NKZ gezondheidswinst laten zien, maar er zijn ook studies die een associatie aantonen tussen het gebruik van NKZ en gewichtstoename en een toegenomen risico op type 2 diabetes mellitus. De meest gebruikte NKZ zijn aspartaam, cyclamaat, sacharine en sucralose. Deze NKZ passeren het spijsverteringskanaal zonder te worden opgenomen. De commensale microbiële flora van de darm komt deze NKZ wel tegen. De samenstelling en de functie van het menselijk microbioom in de darm wordt gemodificeerd door NKZ, zowel bij personen met een gezond gewicht als bij personen met obesitas en diabetes mellitus; veranderingen in het microbioom zijn geassocieerd met de ontwikkeling van het metabool syndroom. Een studie in Israël in 2014 liet zien, dat er een significante correlatie was tussen consumptie van NKZ en diverse parameters van metabool syndroom, zoals: gewichtstoename, hoger nuchter bloedglucose spiegel en een hoger HbA1c. NKZ zijn aan ons dieet toegevoegd met de intentie om calorie-inname te reduceren en bloedglucosewaarden te normaliseren voor zoetekauwen. Samen met andere veranderingen in het menselijke dieet, gaat deze toename in consumptie van NKZ gepaard met een dramatische toename 1 Literatuurlijst opvraagbaar bij de redactie via op1ijn@maastrichtuniversity.nl of bij auteur in de obesitas- en diabetesepidemie. Mogelijk hebben NKZ juist paradoxaal bijgedragen om deze epidemieën te versterken. Op weg naar een suikertaks? In Noord-Amerika zijn er al landen die de obesitas- en diabetesepidemie te lijf willen gaan met maatregelen op het gebied van voeding. In Mexico gaf starten met een suikertaks een 7,6% afname van frisdrankverkopen en een 2,1% stijging in suikertaksvrije drankverkopen. In Philadelphia (USA) gaf de implementatie van een suikertaks wet (op suikerhoudende en NKZ-gezoete frisdranken) in 2017 significant hogere prijzen van frisdranken en een significante afname van volume van verkochte frisdranken. De verkoop van gezoete frisdranken en NKZ-houdende frisdranken ging buiten het suikertaks gebied licht omhoog. Discussie Gebruik van NKZ in voedsel is wijdverbreid. Er zijn studies die een voordelig effect op de gezondheid laten zien, maar er zijn meer studies die (trends van) het tegendeel laten zien. De invoering van een suikertaks kan behulpzaam zijn bij het terugdringen van de verkoop van suikerhoudende frisdranken en NKZ-gezoete frisdranken. Het is onduidelijk of deze vermindering in de verkoop zal leiden tot een vermindering van het voorkomen van obesitas of diabetes mellitus. De rem op de verkoop van dit soort dranken zou een aanzet kunnen zijn tot een verandering van de leefstijl van onze bevolking. Het is duidelijk dat de suikertaks daartoe een kleine bijdrage zou kunnen leveren. Meer onderzoek op dit gebied is nodig. Reageren: jeroen.smeets@maastrichtuniversity.nl 33 op één lijn 64
Page 34
op één lijn 64 2e uitgave 2019 Oud-aios: hoe vergaat het ze? “Is dat niet die arts van de wiet???” DOOR RONALD ROOTHANS, PRAKTIJKHOUDEND HUISARTS IN BREDA We go way back! Een jaar of 16 geleden alweer, maar nog altijd denk ik met warme gevoelens terug aan mijn keuzestage onder leiding van professor Geert-Jan Dinant bij de vakgroep Huisartsgeneeskunde. Tropenambitie Het plan was aanvankelijk om weer naar het buitenland te gaan voor een coschap, maar door terreurdreiging in Tanzania werd het Maastricht. Ik had het plan om eerst tropenarts te worden, daarna zou ik wel verder zien. Geert-Jan stelde daarom voor om onderzoek te doen naar hoe oud-studenten van de UM met tropenervaring terecht waren gekomen. Zodoende kwam ik in gesprek met deze dokters en tijdens vele leuke gesprekken kwam ik erachter, dat zij uiteindelijk allemaal huisarts geworden zijn. Hun enthousiasme voor het huisartsenvak werkte erg aanstekelijk en in 2007 mocht ik mezelf trotse eigenaar noemen van Het Huisartsenteam Roothans. Praktijk Het Huisartsenteam is een ondernemende zorggroep waar kwaliteit hoog in het vaandel staat en dat sprak me erg aan. Het hielp dat ik tijdens mijn opleiding de differentiatie praktijkmanagement had gevolgd en samen met Jasper Trietsch en Marc Munnik had uitgedacht hoe de huisartspraktijk van de toekomst eruit zou moeten gaan zien. Een kleine praktijk met veel persoonlijke aandacht en een faciliterende organisatie om bestuurlijk gedoe aan over te laten. In een notendop bleek dat ongeveer de businesscase van Het Huisartsenteam te zijn, dus de keuze was snel gemaakt toen ik in Breda ging wonen. ‘Vrije’ dag per week Om iedere dag van de week als huisarts te werken met alle diensten erbij zag ik niet zitten, dus hield ik 1 dag per week vrij om wat aan te rommelen. Dat gaf me tijd om de praktijk te accrediteren en mijn steentje bij te dragen aan de zorggroep. Kwaliteit, organisatie, communicatie en innovatie vond ik erg boeiend. Daarom ben ik in Leiden de kaderopleiding Beleid en Beheer gaan doen. Super leerzaam en een aanrader voor iedereen die de dagelijkse beslommeringen in de complexe huisartsenwereld wil begrijpen en beheersen. Het gaf me de mogelijkheid om 34 mijn praktijk zo te organiseren dat ik een bijdrage kon leveren aan het opleiden van een verpleegkundig specialist, aan het bestuur van Platform Medisch Leiderschap, aan het bestuur van de Kring… en aan een tevreden patiëntenpopulatie! Maatschappelijk handelen Hoe word je dan “die arts van de wiet”? Dat komt door een daklozen-barbecue. Een goede vriend vroeg of ik met hem dit event wat muzikale aankleding wilde geven. Daar hebben we ‘Tuna’-liedjes gespeeld. De Tuna is een Maastrichtse studentenmuziekvereniging en heel leuk voor feestjes en partijen. De organisator van de BBQ bleek een bijzondere man; een ondernemende strafrechtadvocaat met SP-bloed. We kwamen aan de praat over verslaving en andere problemen die we beiden beroepsmatig herkenden, zij het vanuit een verschillend perspectief. Toen de regering in 2017 met het plan kwam om het cannabisbeleid in Nederland te verbeteren, heb ik samen met hem en een politicus (die dezelfde problematiek weer vanuit een ander perspectief zag) een manifest opgesteld. Hierin hebben we na vele discussies en literatuuronderzoek weergegeven hoe, in onze optiek, het “Experiment gesloten coffeeshopketen” vorm zou moeten krijgen, onderbouwd met een voorbeeldbusinesscase voor de regio Breda en Tilburg. Voor mij was het vooral erg belangrijk dat het roken van cannabis (met tabak) zoveel mogelijk ontmoedigd wordt en dat er goede voorlichting komt in coffeeshops, waar goed opgeleid personeel problematisch gebruik kan herkennen en de consument kan verwijzen naar hulpverlening. Inmiddels zijn we erachter dat onze ideeën breed gedragen worden en dat veel van ons gedachtengoed in het experiment is opgenomen. Deel 1 van onze missie is geslaagd. Of deel 2 gaat slagen hangt ervan af of ons project wordt geselecteerd om ook daadwerkelijk te participeren in dit experiment, dat weten we volgend jaar rond deze tijd. Huisarts zijn Intussen ga ik ook gewoon door met huisarts zijn en het opzetten van een multidisciplinair medisch centrum waar ik als AIOS al van droomde. Een huisartspraktijk samen met zo’n beetje alle eerstelijns disciplines (apotheek, thuiszorg, fysiotherapie, logopedie en diëtetiek), het sociale domein (WMO, Maatschappelijk werk, Centrum voor Jeugd & Gezin 2e uitgave 2019 en consultatiebureau) en een eerstelijns laboratorium met een divers aanbod aan functieonderzoeken, echo- en röntgen-faciliteit. In oktober kan waarschijnlijk de eerste schop de grond in en met een beetje mazzel kunnen we vóór de kerst van 2020 een openingsfeestje vieren… mét muzikale aankleding door de Tuna van Maastricht! Huisarts zijn; de onuitputtelijke variatie, de lach en de traan van het menselijk contact, het medisch-technisch handelen, het puzzelen op complexe vraagstukken, het verbinden van patiënten, hulpverleners en -instanties, het coachen, de vrijheid om te organiseren en innoveren, het werken in een fijn team en ga zo maar door. Huisarts zijn is het leukste vak ter wereld! Contact Wil je meer weten? Stuur me een berichtje via LinkedIn of bekijk een van deze websites https://www.linkedin.com/in/roothans/ www.roothans.hethuisartsenteam.nl www.platformmedischleiderschap.nl www.project-cannabis.com www.tunademaastricht.com 35 op één lijn 64
Page 36
op één lijn 64 2e uitgave 2019 Hart-tegen-hart in Bocholtz …de strijd der doelmannen DOOR MARIEKE KOOLS EN GASTON PEEK, TEAM OPLEIDERS Op vrijdagavond 24 mei, was het weer zover: de voetbalwedstrijd aios tegen de hao’s. Op het prachtigst gelegen voetbalveld van Nederland: dat van de Rooms Katholieke Voetbal Vereniging in Bocholtz. Met een nog mooiere naam: “Wilskracht Doet Zegevieren”. Met een gemiddelde leeftijd van 45, tegen een tegenstander van gemiddeld 28, was het voor de huisartsopleiders ook meer op doorzettingsvermogen en techniek dat ze moesten gaan winnen. Er was voor hun een beker terug te halen, na de nederlaag van vorig jaar. Trotse clubvoorzitter en oud-Huisartsbegeleider Huub Schepers had, zoals altijd voor de nodige randvoorwaarden gezorgd. Een prachtig (half) veld, tenues voor beide teams, een strenge-doch-rechtvaardige scheids, broodjes gezond voor na de wedstrijd, liefdevol gemaakt door eega Miets en prachtig, stralend weer. Na wat korte opwarmoefeningen van beide teams, werd om 19.30 uur de bal afgetrapt. Ook dit jaar waren er, onder leiding van Marieke, weer vele supporters op komen dagen om onze voetbalhelden aan te moedigen. Na de terechte nederlaag van de opleiders op voetballend niveau vorig jaar, was nu de gedegen voorbereiding zichtbaar in het veldspel van deze ‘ouderen’. Er werd gekozen voor een andere tactiek, opbouwen vanuit de verdediging. Daar kan Koeman nog wat van leren! De balcontrole was beter, de looplijnen waren nauwkeurig uitgezet én de fitheid en blessureloosheid van het opleidersteam zorgden voor een enerverend en gelijkwaardig voetbalduel. Behoudens een kopstoot met het veld van Michel Emonts en een halve beenbreuk van Björn Plaisier werd ons verder fysiek leed bespaard. De verdediging bestaande uit Sander Jongschaap, Pepijn Aarts en Koen VanWersch stond als een Italiaans blok te tackelen, met daaromheen zwervend, in ‘vissenkomopstelling’, Björn, Freek Leenders en Michel. Natuurlijk waren er kansjes voor de aios, al waren deze op één hand te tellen. Met Micha Lutgens als loopwonder op het middenveld, opkomende back met gouden voorzet Peter Meulesteen en het voetballend inzicht van Simon Kleijkers, werden de nummer 10 Stephan en spitsen Martijn Verhoeckx & Gaston regelmatig bereikt. Oké, de afronding kan beter (binnenkant paal in plaats van buitenkant!), maar wie houdt er dan ook rekening met AIOS Robin Hundscheid op doel? Deze geweldenaar, concurrent voor Jasper Cillissen, hield elke onmogelijke bal uit de verre hoek. Over keepers gesproken... Aldus Cruijff: ‘Goeie voetballers bij opleiders hoeven geen goeie keepers te zijn…’. Laten we het daar maar bij houden! De uitslag (0-3 AIOS) is geflatteerd, daar zijn we het over eens. Wederom tijd voor revanche, hopelijk volgend jaar met een échte keeper in het opleidersdoel. De vacature staat uit. “Meedoen is belangrijker dan winnen”, zullen we maar zeggen. We hebben er nog gezellig op gedronken, op kosten van ‘de zaak’ en met uitzicht op de ondergaande zon aan het plateau. Volgend jaar weer! PS: We maken ons als opleiding wel enigszins zorgen over het leervermogen van onze aios, zeker over diegenen die er vorig jaar ook bij waren, toen de beker vlak onder hun neus verdween. Want waar is ook dit jaar de beker gebleven? 36 2e uitgave 2019 Column Huisartsgeneeskunde verandert, nu de beleidsmakers nog DOOR K.O.E.K. WOUS Twee jaar geleden had ik zowaar eens een positieve ervaring met Dr. Google! Een patiënte kwam bij me, omdat ze al enkele jaren aanvalsgewijs blauwe verkleuring van de vingers kreeg, die na enkele uren tot een dag weer spontaan verdween. De vingertoppen deden niet mee. Ik kon haar geruststellen dat het niks ernstigs kon zijn, maar wat het precies was, kon ik niet vertellen. We spraken af dat ik dit na het spreekuur zou googelen, waarbij ik mijn zoekcriteria vermeldde aan deze hoogopgeleide vrouw. Toen ik enkele uren later opbelde en kon vertellen dat het beeld paste bij de diagnose Syndroom van Achenbach, haalde mevrouw opgelucht adem. Zij had ook gezocht op internet en was tot dezelfde conclusie gekomen. Verdere uitleg was niet nodig volgens haar. Helaas pakt zo’n zoekactie op internet maar zelden goed uit. Veel vaker zie ik de keerzijde ervan. Ongeruste mensen die op allerlei fora de meest verschrikkelijke en exotische diagnoses tevoorschijn toveren, mij eerst op de proef stellen of ik dat uit eigen beweging ook zou kunnen bedenken, om vervolgens het konijn uit de hoge hoed te toveren. Waarna ik dan kan praten als Brugman, om hen duidelijk te maken dat ze het niet bij het rechte eind hebben. Vaak gaan ze miskend, in plaats van opgelucht, de spreekkamer uit. Of er moet allerlei (onnodig) onderzoek plaats vinden om mijn argumentatie kracht bij te zetten. En dat alles in 10 minuten. En dan heb ik het nog helemaal niet over de apps die dagelijks op de markt komen om mensen over hun gezondheidstoestand te informeren. Wie kan daar tussen de bomen het bos nog zien? Ik niet, in ieder geval. In al mijn achterdocht vraag ik me af waarom deze apps ontstaan. Is het puur altruïsme, of is het verdienen van geld de drijfveer? Wie is er bij het ontstaan van deze app betrokken geweest? Welke huisarts? En welke app houdt rekening met de complexe zorg die huisartsgeneeskunde in toenemende mate aan het worden is? Over niet al te lange tijd is meer dan de helft van de Nederlandse bevolking ouder dan vijftig jaar. Hoe ouder de mens, hoe groter de kans op verschillende chronische ziekten. Wat is wanneer belangrijk? Guy Schulpen betoogt elders in deze ‘Op één lijn’, dat het vak van huisarts de komende tijd zal veranderen en dat we daarin mee moeten gaan, willen we bestaansrecht blijven behouden. Hij is geen huisarts, bij mijn weten, anders zou hij dat zo niet opschrijven, denk ik. Ons vak is al bijna 20 jaar enorm aan het veranderen. Van branden blussen naar goed georganiseerde en geprotocolleerde chronische zorg, toenemende preventieve zorg, verbeterde palliatieve zorg, en de transitie van taken van de tweede naar de eerste lijn is pas in prille aanleg. Ondertussen vergrijst onze populatie en zijn steeds meer mensen in de huisartsenpraktijk nodig om al deze taken uit te voeren. De praktijk van 20 jaar geleden is een bedrijf geworden, inclusief manager. Als één specialisme in de geneeskunde heeft laten zien, dat het kan veranderen, dan is het huisartsgeneeskunde wel. Maar wat niet verandert, zijn onze kerntaken. Dat is goede zorg leveren aan mensen die hun vertrouwen aan ons schenken. Er voor hun zijn op het moment dat zij en hun dierbaren ons nodig hebben. Niet alleen door de juiste diagnoses te stellen, de juiste therapie voor te schrijven, maar vooral ook door aandacht te schenken. Door te beseffen wat het betekent om deze ziekte of aandoening te hebben. En onze patiënten te coachen in de keuzes die zij maken in het leven, zodra die hun gezondheid beïnvloeden. Dat dit niet in een tienminutenconsult kan, zal uiteindelijk ook bij beleidsmakers moeten doordringen. Afgelopen week zei ik tegen een AIOS, dat kwaliteit leveren tijd kost. En tijd is geld. Willen we in de samenleving c.q. de ziektekostenverzekering, dat we kwaliteit blijven leveren, dan zal er tijd vrij gemaakt moeten worden en geld bij moeten. De huisartsgeneeskunde heeft bewezen te kunnen veranderen, nu de beleidsmakers nog. Met eHealth alleen creëren we geen gezondere of gelukkigere mensen. Meer taken voor hetzelfde geld kan alleen een achteruitgang in kwaliteit opleveren. Dat willen we toch niet? Dus beste beleidsmakers: hou op met het bedenken van oplossingen via ‘meer, meer, meer’, maar kijk nog eens goed waar huisartsgeneeskunde voor staat en ondersteun dat. 37 op één lijn 64
Page 38
op één lijn 64 2e uitgave 2019 Gezondheidsrechtelijke kwesties Nieuwe wet zorg en dwang, nu ook dwangzorg in de thuissituatie mogelijk! DOOR MR. ARIE DE JONG, HUISARTS EN JURIST Over een half jaar is het zover: dan treedt de nieuwe Wet zorg en dwang (Wzd) in werking. In ‘Op één Lijn’ 42, ‘Dwang en drang in de geneeskunde’, werd al bericht dat, onder de vlag van de WGBO, de huisarts onder bepaalde omstandigheden, vrijheidsbeperkend kon werken,1 mits dit niet tot daadwerkelijke vrijheidsbeneming zou leiden. Met de komst van de nieuwe Wzd, die per 1 januari 2020 van kracht wordt, worden deze mogelijkheden wettelijk verruimd omdat de vrijheidsbenemende maatregelen patiëntvolgend2 worden en niet meer instellingsafhankelijk zullen zijn. Wat heeft dit voor gevolgen voor de huisarts? Welke dwangzorg mag? Onder welke voorwaarden? Hoe zit het met de verantwoordelijkheden in de thuissituatie? Veel vragen die tot de deadline van het inleveren van dit stukje nog niet duidelijk door de Minister zijn ingevuld. Historie Vrijheidsbeneming kan in de westerse wereld alleen op basis van een wettelijke regeling. Voor opgelegde zorg of dwangzorg is destijds de Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) in het leven geroepen. Voor verzorgingshuizen volgde al snel een ‘artikel 60 afdeling’, waarmee een gesloten afdeling kon worden gecreëerd voor (meestal) psychogeriatrische patiënten (PG-patiënten). De Wet Bopz is tweemaal geëvalueerd, de laatste keer in 2003, waarin toen al werd geconcludeerd dat deze wet ontoereikend is voor PG-patiënten en voor patiënten met een verstandelijke beperking. Ondanks deze duidelijke conclusie, is er pas in 2009 een wetvoorstel tot herziening van de Wet BOPZ ingediend. Na een voorbereidingstijd van 10 jaar3, is op 23 januari 2018 de Wzd aangenomen in de eerste Kamer, speciaal voor PG-patiënten en patiënten met een verstandelijke beperking. Daarnaast is voor de psychiatrische patiënten de Wet verplichte GGZ (Wvggz) aangenomen4 ter vervanging van de Wet Bopz. 1 Een tijdelijk bedhekje, een alarmmatje, even vasthouden om een injectie te geven 2 De Wzd spreekt steeds van cliënt, maar ik houd het op patiënt gezien het onvrijwillige aspect 3 In juni 2009 is de wet ingediend, in september 2013 was de Tweede Kamer akkoord na flinke aanpassingen, mede door de casus van Brandon in 2011 (de 18-jarige jongen met een verstandelijke beperking, die van tijd tot tijd aan de muur werd vastgebonden). Na 2013 is de wet nog op diverse punten aangepast door harmonisatie met de Wet verplichte GGZ, die ook de Wet BOPZ vervangt 4 Tevens een Wet forensische zorg (Wfz) voor de forensische psychiatrie 38 Ambulante dwang in de nieuwe wet Omdat de Wet verplichte GGZ zich richt op intramurale zorg, zal ik mij in dit stukje vooral richten op de Wzd en dan met name op de gevolgen voor de huisarts. Dat is al lastig genoeg, omdat er nog veel uitgewerkt moet worden in ministeriële regels en algemene maatregelen van bestuur (AMvB), maar we doen een poging. Het belangrijkste van de Wzd is, dat deze wet niet meer gebonden is aan specifieke aangemerkte woonlocaties van zorgaanbieders, maar patiëntvolgend is. Daar waar de patiënt zich bevindt, kan de Wzd worden toegepast, dus ook thuis en op de dagbehandeling. Het gaat dan om de volgende negen vormen van onvrijwillige zorg: • Toediening van vocht, voeding en medicatie en het verrichten van controles, medische handelingen en overige therapeutische maatregelen • Beperken van de bewegingsvrijheid • Insluiten • Uitoefenen van toezicht op de patiënt • Onderzoek aan kleding of lichaam • Onderzoek op de woon- of verblijfsruimte op gedrag beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen • Controle op de aanwezigheid van gedrag beïnvloedende middelen • Aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat de patiënt iets moet doen of nalaten waaronder begrepen het gebruik van communicatiemiddelen • Beperken van het recht tot het ontvangen van bezoek De eerste vragen die bij dit rijtje onvrijwillige zorg opkomen, hoe zijn de veiligheid en haalbaarheid hiervan in de thuissituatie en: hoe zit het met de verantwoordelijkheid en het toezicht? Instellingen onder de BOPZ moesten voldoen aan hoge eisen betreffende geschoold personeel, die beschikbaar en bereikbaar moesten zijn, naast veiligheid van ruimten en materialen. Het zijn zaken die in de thuissituatie lastig te realiseren zijn. Komt deze rol nu toe aan familie en mantelzorgers? En kan een zorgverantwoordelijke deze belastbaarheid inschatten? Zijn de zorgverantwoordelijke, de zorgaanbieder en, indien betrokken, de huisarts verantwoordelijk voor deze inschatting als het achteraf misloopt? 2e uitgave 2019 Daarnaast mag onvrijwillige zorg natuurlijk niet zomaar en zijn er voorwaarden vooraf en controles tijdens en achteraf. Voorwaarden voor ambulante dwang De eerste voorwaarde is, dat het Centrum Indicatie Zorg (CIZ) een indicatie vaststelt voor zorg zoals bedoeld in de Wet langdurige zorg (Wlz) vanwege een PG-aandoening of een verstandelijke handicap. Dit mag ook een verklaring zijn van een ‘ter zake kundige arts’ waaruit blijkt dat de patiënt in verband met een PG-aandoening of verstandelijke handicap is aangewezen op: verzorging, verpleging, behandeling, begeleiding, bescherming, beveiliging of onvrijwillige zorg. Deze ‘ter zake kundige arts’, ook de Wzd-arts genoemd, heeft al geleid tot een reparatiewet en nu is het een Wzd-functionaris. Met deze wijziging kan nu ook een orthopedagooggeneralist, een gezondheidszorgpsycholoog of een verpleegkundige deze rol vervullen, naast een specialist ouderengeneeskundige of een psychiater.5 Deze Wzd–functionaris is, naast het afgeven van een verklaring voor dwangzorg, ook belast met het toezicht op de dwangzorg. Omdat de meeste thuiszorginstellingen doorgaans geen Wzd-functionarissen in dienst hebben, is het de vraag hoe dit toezicht gaat werken in de praktijk. Het grote gevaar is hier, dat de huisarts het vangnet gaat worden bij gebrek aan voldoende gespecialiseerde zorg en voldoende Wzd-functionarissen. Zijn wij voldoende ‘ter zake kundig’ om deze taak uit te voeren? De LHV vindt van niet.6 Los van deze twee ingangsvoorwaarden dient er ook een indicatie te zijn om over te gaan tot dwangzorg en moet alles verantwoord worden in een zorgplan en regelmatig worden getoetst aan de noodzaak tot voortzetting van de dwangzorg. Indicaties van dwangzorg zijn in de Wzd omschreven onder ‘ernstig nadeel’. Daarvan is sprake bij het bestaan van of een aanzienlijk risico op: • Levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische, materiële, immateriële of financiële schade, ernstige verwaarlozing of maatschappelijke teloorgang, ernstig verstoorde ontwikkeling voor of van de patiënt of een ander • Bedreiging van de veiligheid van de patiënt, al dan niet doordat hij onder invloed van een ander raakt • De situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van een ander oproept • De situatie dat de veiligheid van personen of goederen in gevaar is 5 De KNMG heeft hierover, onder het motto “geen dwang zonder medische toets” al schriftelijke vragen aan de Minister gesteld. De KNMG (i.s.m. LHV, NVAVG, NVvP en Verenso) heeft grote zorgen over het inzetten van niet-medische geschoolde functionarissen bij het inschatten en toezicht houden op dwangzorg en vindt dat een tekort aan Wzd-artsen geen reden mag zijn om niet-artsen in te zetten. 6 De Dokter 1, 2019, “de huisarts gaat niet over dwangzorg thuis”, pag. 20-22 39 Samenloop met WGBO Zoals al gesteld in de inleiding, konden vroeger de WGBO en de Wet BOPZ naast elkaar bestaan en gelijktijdige werking hebben. Onder de Wzd was het de bedoeling, dat er geen samenloop meer zou zijn. Na de behandeling in de Eerste Kamer is dit voornemen deels gesneuveld en zou de Wzd gelden voor dwangzorg en de WGBO voor vrijwillige zorg bij de doelgroep. Ook dit is niet helemaal gelukt, dus gelden bepalingen in de Wzd ook voor vrijwillige zorg aan PG-patiënten en patiënten met een verstandelijke beperking.7 Ook dwangzorg aan patiënten die zich niet verzetten (en dus vrijwillige zorg is) zou dan weer onder de WGBO vallen. Ook hier nog veel onduidelijkheid waar de Minister nog op moet reageren. Stappenplan voor het zorgplan Als aan de voorgaande voorwaarden is voldaan, dient een zorgplan opgesteld te worden. Hieraan zijn nogal wat voorwaarden verbonden, zie stappenplan op de volgende pagina's. Conclusie Er is nog veel onduidelijk. Ook ontbreekt nog steeds een praktische handleiding om de Wzd in de praktijk goed uit te voeren. Er is door diverse organisaties al gepleit om de Wet uit te stellen, maar ook daar is nog geen duidelijkheid over. Een praktische handreiking voor nu is: handel volgens de WGBO en gezond verstand. Motiveer in het medisch dossier waarom er voor een bepaalde maatregel is gekozen, met wie is overlegd en welk doel het dient. Met het bovenstaande stappenplan in gedachten en de indicaties voor dwangzorg moet dat lukken. We staan iedere dag in de loopgraven van de eerste lijn en er moet gewoon gewerkt en beslist worden, ook morgen weer. Huisartsen moeten pragmatisch blijven. Wij kunnen ons niet de tijd veroorloven die politici nodig hebben om zaken te regelen zoals bij de Wzd, ruim 16 jaar na de tweede evaluatie van de BOPZ. 7 Onder andere het hebben van een zorgplan, het hebben van een cliëntvertrouwenspersoon en de wettelijk vertegenwoordiging van cliënten (dat in de Wzd net iets anders is dan onder de WGBO) op één lijn 64
Page 40
op één lijn 64 2e uitgave 2019 ZORGPLAN OPSTELLEN (artikel 7 WZD) Het zorgplan • Het zorgplan wordt z.s.m., maar uiterlijk binnen 6 weken na start van de zorg opgesteld. • Het zorgplan houdt zo veel mogelijk rekening met de wensen en voorkeuren van de cliënt. • Als dat niet mogelijk is, laat de zorgverantwoordelijke de cliënt2 bouwd weten waarom niet. • De zorgverantwoordelijke bespreekt het zorgplan met de cliënt. Ontstaat er (risico op) ernstig nadeel? Constateert de zorgverantwoordelijke/vertegenwoordiger dat het zorgplan niet voldoet aan de zorgbehoefte en dat er een risico bestaat op ernstig nadeel voor de cliënt en/of zijn omgeving? Doorloop dan onderstaand stappenplan. Evaluatie zorgplan • 4 weken na inwerkingtreding. • Daarna min. 1x per 6 maanden. • Onvrijwillige zorg in zorgplan: evaluatie door (uitgebreid) deskundigenoverleg. schriftelijk en onderRechten cliënt • Begrijpelijke informatie over zorg. • Periodieke evaluatie zorgplan. • Advies en bijstand van een cliëntenvertrouwenspersoon. • Zo nodig: bijstand van een tolk. • Mogelijkheid om klacht in te dienen. STAP 1: ONDERZOEK NAAR ALTERNATIEVEN (artikel 9 WZD) De zorgverantwoordelijke bespreekt met minimaal 1 andere deskundige: • Hoe groot is het risico op ernstig nadeel? • Wat zijn de oorzaken van het gedrag? • Heeft de omgeving invloed op het ontstaan van ernstig nadeel? • Zijn er alternatieven die voor deze cliënt vallen onder vrijwillige zorg? • Als de cliënt thuis woont: is de thuissituatie geschikt voor toepassing van de alternatieven? Cliënt heeft recht om bij het overleg te zijn. Onvrijwillige zorg is zorg waartegen de client zich verzet en kan bestaan uit: • Toedienen vocht, voeding en medicatie, medische controles/ handelingen vanwege de VB of dementie. • Beperking van bewegingsvrijheid. • Insluiting. • Toezicht (inclusief domotica). Geen alternatieven gevonden? Naar stap 2 • Ontstaat toch risico op ernstig nadeel? • Verzet de cliënt zich tegen de alternatieven? Naar stap 2 Alternatieven gevonden? Vrijwillige zorg opnemen in zorgplan. • Onderzoek aan kleding of lichaam. • Onderzoek van de woon­ of verblijfsruimte op middelen die het gedrag beïnvloeden en op gevaarlijke voorwerpen. • Controle op middelen die gedrag beïnvloeden. • Beperking van vrijheid om eigen leven in te richten, waardoor de cliënt iets moet doen of laten (incl gebruik communicatiemiddelen). • Beperking op het ontvangen van bezoek. 40 2e uitgave 2019 STAP 2: ONVRIJWILLIGE ZORG IN ZORGPLAN (artikel 10 WZD) De zorgverantwoordelijke bespreekt met deskundigen3 : • Zijn er nieuwe inzichten over de bespreekpunten uit stap 1? • Staat onvrijwillige zorg in verhouding tot het (verwachte) ernstig nadeel (proportionaliteit)? • Wat is de impact op de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van de cliënt en op zijn participatie? Met welke aanvullende zorgvuldigheidseisen vermindert of verdwijnt die impact? • Als de cliënt thuis woont: is de thuissituatie geschikt voor de maatregel(en)? Denk bijvoorbeeld aan toezicht. Betrokkenen bij het overleg • Zorgverantwoordelijke. • Minimaal 1 andere deskundige van een andere disicpline. • Overweegt men beperking in bewegingsvrijheid, insluiting of medische handelingen, dan moet een arts toestemming geven. • Cliënt heeft recht aanwezig te zijn. Geen alternatieven gevonden? Zorgverantwoordelijke zet in zorgplan: • Situaties, vorm, duur en frequentie van onvrijwillige zorg. • Wie de onvrijwillige zorg toepast. • Termijn (max. 3 maanden). • Afbouwplan. • Aanvullende zorgvuldigheidseisen. • Continuïteit in zorg voor de cliënt. • Toezicht en kwaliteitsbewaking door zorgaanbieder en WZD­arts. WZD­arts beoordeelt zorgplan en laat zo nodig aanpassingen doorvoeren. Verzet cliënt zich (alsnog) tegen de uitvoering van het zorgplan? Naar stap 3 Onvrijwillige zorg afbouwen Lukt het niet onvrijwillige zorg af te bouwen in de afgesproken termijn? • Overleg met deskundige3 die nog niet bij de zorg is betrokken. Lukt het daarna nog niet om onvrijwillige zorg af te bouwen? Naar stap 3 Alternatieven gevonden? Vrijwillige zorg opnemen in zorgplan. Blijkt vrijwillige zorg onvoldoende om ernstig nadeel te voorkomen? Herhaling stap 2 Beoordeling en toezicht Bij opname onvrijwillige zorg in zorgplan beoordeelt WZD­arts of: • Onvrijwillige zorg zo veel mogelijk voorkomen is (onvrijwilige zorg = ultimum remedium). • Zorgplan geschikt is om ernstig nadeel zo veel mogelijk te voorkomen. Voor de eerste toepassing van onvrijwillige zorg informeert de zorgverantwoordelijke de cliënt en de WZD­arts. Zorgverantwoordelijke en WZD­arts houden toezicht op de uitvoering onvrijwillige zorg. STAP 3: EXTERN ADVIES OVER (AFBOUW NAAR) VRIJWILLIGE ZORG (artikel 11 WZD) Deskundigenoverleg met externe deskundige3 • Zijn er (nieuwe/andere) alternatieven? • Kunnen veranderingen in de omgeving (inclusief interactie met zorgverleners) de situatie verbeteren? Verlenging onvrijwillige zorg In afwachting van het advies van een externe deskundige kan de termijn voor onvrijwillige zorg eenmalig met 3 maanden worden verlengd. Geen alternatieven gevonden? • In zorgplan opnemen hoe advies externe deskundige is toegepast. • Zorgplan aanpassen zoals beschreven in stap 2. Naar stap 2 • De termijn voor onvrijwillige zorg is nu telkens maximaal 6 maanden. Alternatieven gevonden? Vrijwillige zorg opnemen in zorgplan. Beoordeling en toezicht WZD­arts beoordeelt zorgplan (zoals beschreven in stap 2). Zorgverantwoordelijke en WZD­arts houden toezicht op de uitvoering van onvrijwillige zorg. 41 op één lijn 64
Op één lijn 63

Op één lijn 63


Page 2
Colofon Oplage 2260 exemplaren Hoofd/eindredactie Babette Doorn Redactieleden Hendrik Jan Vunderink, Stephan van den Brand, Eefje de Bont, Lisette Verheijen en Babette Doorn Doelgroep Huisartsen Limburg en Brabant, aios en alumni, afdelingen MUMC+ & overige relaties E-mail op1lijn@maastrichtuniversity.nl Postadres Vakgroep HAG Universiteit Maastricht Postbus 616 6200 MD Maastricht Bezoekadres P. Debyeplein 1 6229 HA Maastricht Ontwerp/druk The Creative Hub – Maastricht University, UM-13772 Fotografie Kaft, pagina 6,7, 8 en 9 gemaakt door Jonathan Vos Pagina 18, 19 en 20 gemaakt door Joey Roberts Pagina 22, 23 en 24 gemaakt door Loraine Bodewes Pagina 26 en 27 gemaakt door Philip Driessen Pagina 33, afbeelding "Hoe vaak komt geweld voor" een peiling onder 1000 leden, bron: NVDA Utrecht Deadline volgend nummer 28 juni 2019 © Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Inhoudsopgave Algemeen Van de redactie – Babette Doom Van de voorzitter – Jean Muris In memoriam Harry Crebolder – Babette Doorn Special ANIOS in de huisartspraktijk in Kerkrade – Donna Bosch-Lenders en Matthijs Peeters ANIOS in de huisartspraktijk in Landgraaf – Stefan van der Eerden en Vico Leeters Stellen zich voor Monique Wijers, gedragswetenschapper Huisartsopleiding Helène Dassen, huisartsbegeleider jaar 1 Esther Maes, gedragswetenschapper Huisartsopleiding Huisarts & huisdier – Mardi Onderzoek Bruikbare Wetenschap – Jochen Cals TENDER-studie – Bram Beckers StopWijzer – Daniëlle Zijlstra RNFM – Huibert Tange, Jos Boesten en Annemiek Nijholt OOK en de Witte Raven – Simon Kleijkers Boekrecensie: wat is er met de dokter gebeurd? – Yvonne van Leeuwen WESP-en: Sociale omgeving en sociale steun bij succesvol stoppen met roken – Puck Nagtzaam Observeren van aios – Floor Minkels Mening van huisartsen ten aanzien van influenzavaccinatie – Roy Snellings Het diagnostische proces van atriumfibrilleren – Sanne van de Moosdijk Gezonde Basisschool van de Toekomst – Remco van Ginkel Reproduceerbaarheid van urinesticks en de Uriscreen – Anne Winkens Atriumfibrilleren in de huisartsenpraktijk – Karlijn Costongs Onderzoek Chlamydia diagnostiek Ouderengeneeskunde Niet alleen bij leken is ons specialisme onbekend – Noortje Ficken Huisartsopleiding Uit het (plaatsvervangend) hoofd – Joost Dormans Equilibre. Het leergesprek – Marieke Kools en Arie de Jong Made in Maastricht Weten is eten: Goudkoorts – Hendrik Jan Vunderink In de leer. TLC – Eleana Zhang In de leer. Mag ik deze dans van u? – Arianne Beckers Column. Van alle tijden – K.O.E.K. Wous Eveline schrijft – Stá voor je assistente Gezondheidsrechtelijke kwesties – Arie de Jong 3 4 5 6 8 10 10 11 11 12 14 14 15 16 17 18 18 19 19 20 20 21 21 22 24 25 26 28 30 31 32 33 34 2 Van de redactie Afko’s Eind jaren 90, toen ‘de Millennials’ werden geboren (generatie Y), werd ook dit blad bedacht. Het idee was om alle losse stenciltjes, die toen vanuit elk project naar de huisartsen in de regio werden gestuurd, te vervangen door één periodiek blad genaamd ‘Op één Lijn’. De eerste editie verscheen in 1999. Sindsdien is het blad trouw verschenen en zodoende voor velen het gezicht van de vakgroep Huisartsgeneeskunde in Maastricht geworden. Aangezien ik er van meet af aan bij betrokken was (ik durfde mezelf geen hoofdredacteur te noemen in die tijd), weet ik, dat u onze acroniemen niet zo op prijs stelt. De co, de haio en de agnio gingen nog wel, maar de absurdistische afkortingen van onderzoeksprojecten, daar heeft de doorsnee huisarts geen voeling mee. “Zeg liever waarover het gaat”, zei u dan. Een AMUSE associeert u immers met een lekker hapje en niet met D-dimeer testen en longembolie. En toen kwam de AIOTHO. Deze Japanse auto kostte veel tijd om uit te leggen. De haio en de vaio waren inmiddels vervangen door aios en dat ging nog nèt. Maar de combinatie met een promotietraject en haio, dat is nog steeds een ingewikkeld gedoe. En toch is er momenteel heel veel belangstelling voor een dergelijk combinatietraject, ook van AKO-studenten. De afko AKO staat voor Arts Klinisch Onderzoeker. Ook AKO’s worden graag ‘gewoon’ dokter. En om de cirkel rond te maken: de agnio werd ANIOS. Wie het weet mag het zeggen. AGNIO’s zagen we overal, vooral in de tweedelijn. Het zijn de productiedokters die vooral het ziekenhuis helpen draaiende houden. Waar we geen ANIOS zagen, was in de huisartspraktijk. Totdat ... ‘Maastricht’ ermee begon, net zoals destijds met de eerste AIOTHO’s. Een primeur, u leest erover in dit nummer. Na deze uitvoerige intro, is er minder ruimte om de rest van de inhoud te etaleren. Gelukkig kent u alle afko’s, en hoef ik niet toe te lichten wat WESP-en zijn. U leest wat ze hebben gedaan, zonder acroniemen. De onderzoekers die schrijven, konden hun afko nog niet loslaten helaas. Het gaat over hulp bij stoppen met roken en dyspepsie. Bruikbare Wetenschap door Jochen Cals en een update over ons registratienet RNFM door Huibert Tange, kunnen de wetenschappelijke honger stillen. De Witte Raven club heeft OOK weer een nieuw raadsel voor jullie. Welke aandoening zoeken we? ‘Huisarts & huisdier’ is er weer bij. Er was een cavia voorzien, maar het werd een hond. Nieuw is ook het geluid van de assistente, Eveline en een boekrecensie door Yvonne van Leeuwen. Zoals altijd zijn er weer nieuwe medewerkers die zich aan u voorstellen. ‘The future is old’: de titel van de campagne om de opleiding tot specialist ouderengeneeskunde in Maastricht (vanaf september 2019) te promoten. De afko is SO, dus niet te verwarren met de geriater. Aios Noortje Ficken, dochter van een huisarts, is het gezicht van deze campagne. Joost Dormans schreef, als plaatsvervangend hoofd van de huisartsopleiding, over luizenmoeders en Gauloises. Het opleiden van de huisartsen verloopt ‘equilibrisch’. We etaleren drie groepen afgestudeerde huisartsen. En vaste columnist en huisartsjurist Arie de Jong is uiteraard ook van de partij met een update van het Tuchtrecht. Net als aios Arianne Beckers, die graag met patiënten danst. Onze voormalige aios-columnist Eleana Zhang beloofde ons om nog één keer haar stukje ‘In de leer’ te schrijven als ze terug was van zwangerschapsverlof. Inmiddels is ze niet alleen bevallen, maar ook gepromoveerd op 8 februari jl. op een ziekte van de kleine bloedvaten in de hersenen, afgekort cSVD. Eind mei hoopt ze haar huisartsopleiding af te ronden. Made in Maastricht! De griepgolf is nu ten einde, maar de goudkoorts is net begonnen. Vaste schrijver ‘Weten is eten’ Hendrik Jan Vunderink meende een luchtig onderwerp gevonden te hebben in de anosmie-asperge-aspiraties (AAA). Het stukje was klaar en opgeschreven. Maar nog niet bereid en opgediend. Dus ook geen foto. En toen… viel Hendrik Jan van zijn paard in de lappenmand en kreeg ik de opdracht om ‘er even een leuk plaatje bij te zoeken’. Verleden, heden, toekomst. Ik zit op één lijn met K.O.E.K. Wous. Gelukkig heb ik geen nare nasmaak, hooguit een na-geur, als ik asperges heb gegeten. Happy reading, Babette Doorn 3 op één lijn 63 Zie pag. 5
Page 4
op één lijn 63 1 e uitgave 2019 Van de voorzitter Vermaatschappelijking van de academie DOOR JEAN MURIS, VOORZITTER VAKGROEP HUISARTSGENEESKUNDE UM Prof. André Knottnerus zei in zijn afscheidsrede in 2018: “Ik dank de talloze patiënten en vrijwilligers, zonder wie mijn onderzoek niet mogelijk zou zijn geweest. Dat geldt evenzeer voor de vele huisartsen, praktijkassistenten, specialisten, verloskundigen en andere zorgverleners die het Maastrichtse onderzoek droegen en dragen. Jullie bijdragen onderstrepen dat het niet alleen ging over academisering van de eerste lijn, maar vooral ook over vermaatschappelijking van de academie1.” De vakgroep Huisartsgeneeskunde in Maastricht heeft vanaf begin jaren tachtig de verbinding gemaakt tussen praktijk, het onderwijs, het opleiden en het wetenschappelijk onderzoek. Om deze verbinding te maken, zijn er in het verleden vele projecten opgezet. Van gezamenlijke consulten met specialisten tot en met de hedendaagse diagnostiek zoals de CRP. Onze mooie regio is al langere tijd goed georganiseerd in zorggroepen. We lopen hier voorop met zorginnovatie (‘proeftuinen’) en daaraan gekoppeld wetenschappelijk onderzoek samen met de universiteit. Voor ons was het een logische ontwikkeling dat zorggroepen zelf zijn gaan ‘academiseren’. Elke zorggroep heeft een groep kernpraktijken waarin naast de reguliere taken op het gebied van (huis)artsen opleiden en meedoen aan onderzoek, ook aan zorginnovatie wordt gedaan. Onze vakgroep koestert alle 1400 huisartsen in deze regio (Limburg en Zuidoost Brabant), u bent ons adherentiegebied, wij zien u als een waardevolle en gewaardeerde relatie. Daarom ontvangt u bijvoorbeeld ook al 20 jaar dit tijdschrift ‘Op één Lijn’. Samen met de bestuurders van de zorggroepen zoeken we naar een (al dan niet virtuele) vorm c.q. werkplaats voor deze vermaatschappelijking van de academie. Hierin gaan praktijk, beleid, onderzoek en onderwijs hand in hand. Vakgroep en zorggroepen trekken al redelijk samen op in opleiden voor en door de regio, wetenschappelijk onderzoek en registratie in de zorg. Voor dat laatste beschikt de vakgroep ook over een registratienetwerk van huisartspraktijken in Limburg, het RNFM (www.rnfm.nl). Momenteel bestaat het registratienet uit 27 praktijken. Op pagina 15 vindt u een uitgebreid artikel. Een groot deel ervan is pluspraktijk in de eigen zorggroepregio. Daarnaast worden ook HIS-gegevens tussen regionale praktijken en universiteit uitgewisseld en van de nodige feedback (spiegelinformatie) voorzien op verzoek van een zorggroep. Ook kunnen wetenschapsstudenten (WESPen) worden ingezet bij onderzoek naar zorginnovaties zoals de anderhalvelijnszorg. Ik vraag jullie vertrouwen in onze werkplaats. Een vertaling zou kunnen zijn dat als we u vragen om mee te doen aan onderzoek, dat u dan zeker weet dat er goed naar de onderzoeksvraag is gekeken door zowel (huisarts) onderzoekers als huisartsen uit de regio. We kunnen dan nog beter op het nut en de waarde voor de praktijk letten is mijn verwachting. Belangrijkste is we samenwerken in netwerken en dat ook de belangen van de huisartspraktijken als die van de zorggroepen zijn verzekerd. Ook zoeken we de samenwerking met de andere academische werkplaatsen van het MUMC+. Welke dat zijn en wie wat doet, daar kom ik een volgende keer graag op terug. 1 Groot A de, Knottnerus JA. Academisering van de eerste lijn of vermaatschappelijking van de academie? Medisch Contact 1982; 37: 37-9. 51 4 1 e uitgave 2019 In memoriam Harry Crebolder 'Such is life' DOOR BABETTE DOORN, REDACTIE Maandagmorgen 1 april. Een dag zonder kantoorgrap. Wel een triest bericht. Hoogleraar emeritus Harry Crebolder, oud vakgroepvoorzitter en voormalig huisarts en medeoprichter van het GC Withuis in Venlo, overleed afgelopen weekend op 81-jarige leeftijd. Zijn enorme staat van dienst laat ik even voor wat het is, we zouden er een blad mee kunnen vullen. Graag sta ik stil bij onze relatie met dit blad, de vakgroep en de regio. Alsof Harry wist dat ik over het 20-jarig bestaan van dit blad zou schrijven. Alsof hij wist dat ik zou vergeten te vermelden, dat hij ooit op de cover van het allereerste nummer stond. En dat hij toen zei: “Laat ik beginnen met de wens dat het blad Op één Lijn zal fungeren als een bindmiddel tussen de universitaire capaciteitsgroep in Maastricht en de vele professionele relaties binnen de universiteit en in het bijzonder de huisartsen in de regio.” Check. “Ik hoop dat de periodiek een spreekbuis zal zijn voor eenieder met wie wij samenwerken.” Check. “Ik wens de redactie heel veel creativiteit, doorzettingsvermogen, inspiratie en geluk!”. De laatste zin ging over Harry zelf. Het is geen leugen wanneer ik zeg dat na het verschijnen van elke (!) editie tot nu toe, ik een email van hem kreeg, met de complimenten én een inhoudelijke vraag. Bij zijn afscheid in 2002 (‘Leren in de eerste lijn’) kreeg hij een koninklijke onderscheiding. In editie 14 sierde hij met zijn vrouw Emma Crebolder opnieuw de cover. Harry was een pittig mens en baas, zo eentje waar je een haatliefde-verhouding mee kon hebben. Saai was het allerminst. De telefoon onnodig laten rinkelen, daar kon hij woedend om worden. Roken op kantoor werd echter gedoogd. Ik ontmoette Harry voor het eerst in 1995 toen ik onderzoek zou gaan doen naar ‘zijn’ academisering van de huisartsgeneeskunde. Hij droeg een vlinderdas herinner ik me, een nondejuke. ‘Zo ziet een professor er dus uit’ dacht ik toen. Hij keek je altijd indringend aan en wist vlijmscherpe (‘waarom?’) vragen te stellen. Op het intimiderende af. Gelukkig kon hij dat goed compenseren met zijn zachte kant. Had je een vraag en liep je bij hem binnen, dan zat hij op een groezelig bankstelletje in de hoek van zijn kamer te lezen (slapen?). Hij klopte dan op de zetel naast hem, maar zij die het bankje kunnen herinneren weten, dat je dat liever afsloeg. Niet vanwege #metoo, maar vanwege het bankje zelf. E-mailen en redigeren in Word (‘van papier leer je het meest!’) leerde hij zichzelf aan, met een beetje hulp van Seniorenweb. Ook bracht hij je het belang van praktijkbezoeken bij, het verlaten van de ‘ivoren toren’. Je moest de huisartsen opzoeken en weten hoe het eraan toe ging in de praktijk. Ik zeg het nog steeds tegen onderzoekers en studenten. Zo ontstond in Maastricht al vroeg de belangstelling voor de doktersassistenten. Ook waren het de academische praktijken die als eerste een praktijkondersteuner hadden. En bij alles bedacht Harry een al dan niet bestaand theoretisch model. Ritjes in zijn oude Rover door Limburg, in de sneeuw of in de hitte (hij had in Afrika gewoond en nergens last van), de boterhammen op schoot, maar soms ook stoppen voor een (gedeeld) patatje op ‘De Viersprong’ aan de Napoleonsbaan. Als ik liet blijken bezorgd te zijn over zijn rijstijl, dan stelde hij me gerust door te zeggen, dat hij jarenlang dagelijks op en neer reed naar Venlo. Dat hielp niet echt. Harry was van voor het digitale tijdperk. Voor foto’s moest ik de oude dozen induiken. In die tijd hadden we nog dagjes uit en veel feestjes. En ja, Harry was altijd van de partij. Letterlijk en figuurlijk. Dan was hij op zijn best, of het nu om speechen, eten of dansen ging. Ja, echt dansen mensen, niet zoals je ziet op een NHG-congresfeest (dat zijn niet mijn woorden). Als de eerste deuntjes van ‘Love is in the air’ klonken, dan schoten zijn armen omhoog en zijn heupen los. Zijn secretaresse Ine Siegelaer werd vastgepakt op een manier die anno nu niet meer mag, en dan ging hij los. Zo ook op zijn afscheidsfeest op Fort Sint-Pieter. Het waren gouden tijden. Harry, nu pas gaan we je echt missen. Love is in the air Everywhere I look around Love is in the air Every sight and every sound And I don’t know if I’m being foolish Don’t know if I’m being wise But it’s something that I must believe in And it’s there when I look in your eyes 5 op één lijn 63
Page 6
op één lijn 63 1 e uitgave 2019 ANIOS huisartsgeneeskunde in Kerkrade ANIOShuisartsgeneeskunde DOOR DONNA BOSCH-LENDERS, HUISARTS EN PRAKTIJKHOUDER IN KERKRADE EN ANIOS MATHIJS PEETERS Sinds september 2018 werkt in Medisch Centrum West Kerkrade een ANIOS-huisartsgeneeskunde. Een ANIOS in de huisartsenpraktijk? Kan dat ook al? Wat is dat eigenlijk? Hoe regel je dat? Wat is de meerwaarde voor praktijk en de ANIOS? Zo maar wat vragen die we hebben voorgelegd aan ANIOS Mathijs Peeters en Donna BoschLenders, huisarts en praktijkhouder in Medisch Centrum West Kerkrade. Wat is een ANIOS-huisartsgeneeskunde? Een ANIOS is een arts niet in opleiding tot specialist, werkzaam binnen de huisartsgeneeskunde in dit geval. Het meest waarschijnlijke is dat een ANIOS uiteindelijk in opleiding wilt komen, dus een AIOS wil worden om daarna als huisarts verder door het leven te gaan. Wat was de reden om een ANIOShuisartsgeneeskunde aan te nemen? Donna: In 2016 heb ik de praktijk over genomen van Frank en Marianne Soomers en Hans van der Ploeg, een grote praktijk met 8 huisartsen. In de eerste twee jaren merkte ik dat het hebben van waarnemers voor de korte vakantieperiodes fijn was om de topdrukte weg te nemen, maar dat de spreekuren van de collega’s die er wel waren, overvol bleven. Patiënten willen vooral meer continuïteit bij bekende artsen. De ervaring met AIOS in de praktijk is dat patiënten het wel goed vinden dat iemand er voor een jaar is, en in dat jaar ook wel een band kunnen opbouwen met de arts. Dat zagen we minder bij de waarnemers, die vaak maar enkele weken aanwezig waren. Het opleiden van een Verpleegkundig Specialist lag binnen de mogelijkheden, maar daar hadden we nog niet meteen een geschikte kandidaat voor. Daarnaast wilden we graag in de weken dat alle artsen aanwezig waren, ook een arts vrij plannen voor andere taken, namelijk als callcenter arts en directe vraagbaak voor de assistentes. Dat kon alleen als de ontstane gaten zouden worden opgevuld. In januari 2018 vroeg Stefan van der Eerden, huisarts MC Putstraat in Landgraaf, of wij interesse hadden om te starten met een ANIOS. Zij wilden dat als praktijk gaan doen en waren op zoek naar anderen die ook interesse hadden. Op dat moment was Mathijs bij ons werkzaam als semiarts en wij waren zeer tevreden over zijn functioneren en 6 collegialiteit en patiënten waren ook erg tevreden over hem. Dus vroeg ik hem om na zijn opleiding geneeskunde een jaar bij ons te komen werken als ANIOS. Waarom ANIOS-huisartsgeneeskunde? Mathijs: Ik wist na mijn coschap huisartsgeneeskunde zeker dat ik huisarts wilde worden, vandaar ook mijn keuze om mijn GEZP- en WESP-stage te kiezen in dit vakgebied. Na mijn afstuderen kreeg ik de aanbieding om als ANIOShuisartsgeneeskunde te komen werken. Een functie, die op dat moment nog niet in de regio bestond. Ik heb geen moment getwijfeld en ben de uitdaging aangegaan. Hoe zit dat met verantwoordelijkheden en werkgeverschap? Een ANIOS is een BIG-geregistreerde basisarts. In het geval van Mathijs had hij bij de start nog niet zelfstandig gewerkt als arts. We hebben als team vooral gekeken hoe we het zo veilig mogelijk konden inbedden in de dagelijkse praktijk. Samen met collega Huisarts Philippe Le Doux begeleiden en superviseren we hem. De eerste weken ging dat zoals bij een AIOS: samen spreekuur doen, veel meekijken, veel overleg en veel tijd inplannen. De assistentes hebben instructies gekregen welke ingangsklachten hij wel en niet kan zien. Zelfstandig visites rijden hebben we in het begin niet gedaan. Aangezien hij vaak meeging met een van ons, wisselen we nu soms wel visites af, omdat we overtuigd waren dat het kon en afspraken hadden vastgelegd. Net als bij een aios zal de ene begeleider gedurende het gehele jaar alle patiënten in het dossier nakijken. De ANIOS werkt in loondienst en is, conform de Cao Huisartsenzorg, ingeschaald als verpleegkundig specialist, omdat de werkzaamheden overeenkomen. De LHV heeft hier eerder een schrijven over uit laten gaan. Het komt ongeveer overeen met wat een AIOS verdient. Eventuele werkervaring kan je laten meetellen in de trede bepaling. Alle andere werkgeverslasten zijn zo ook makkelijk te regelen. Omdat er in de regio nog geen afspraken zijn over de dienststructuur, kan de ANIOS niet mee naar de HAP zoals een aios dat wel kan. Misschien dat daar in de toekomst verandering in komt, omdat op enkele huisartsenposten in Nederland al meerdere ANIOS-en aan het werk zijn, zoals in Uden. 1 e uitgave 2019 Ervaring tot nu toe als ANIOS-huisartsgeneeskunde: Sinds ik werk als ANIOS, heb ik veel ervaring opgedaan en richt ik mij vooral op de kleine kwalen binnen de huisartsgeneeskunde. Ik heb een duidelijke groei laten zien. Hierdoor ben ik in staat veel van de kleine kwalen zelfstandig af te handelen. Hoe regel je een ANIOS? Wij hebben het geluk gehad dat wij een goede kandidaat hadden die we zelf hebben gevraagd. In het voortraject heb ik wel gesproken met Joost Dormans van de huisartsopleiding Maastricht, met het voorstel om de huisartsopleiding een soort loket te laten fungeren tussen geïnteresseerde ANIOS en geïnteresseerde praktijken. Dat is nog niet geformaliseerd maar informeel werkt het wel. Daarnaast kan je ook een vacature uitschrijven, wat tegenwoordig via social media snel verspreid, vooral als je daarbij gebruik maakt van aios of coassistenten in je praktijk. Wat is de meerwaarde voor de praktijk? Doordat Mathijs vier dagen in de praktijk werkt, hebben wij meer tijd om andere zaken op te pakken. Daarnaast is het altijd fijn om jonge enthousiaste collega’s te hebben, die met hun frisse blik soms hele verrassende wendingen aan een lastige casus kunnen geven. De patiënten zijn blij met een vast gezicht, en accepteren Mathijs als arts. Al met al creëert het rust, omdat je met je vaste artsenteam werkt, waarbij in vakantieperiodes nog maar zelden losse waarnemingen geregeld hoeven worden. Wat is de meerwaarde voor de ANIOShuisartsgeneeskunde? Het heeft mij de mogelijkheid gegeven om binnen de huisartsgeneeskunde te blijven werken zodat ik me verder kon ontwikkelen voor ik begin aan de huisartsopleiding. Verder kan het een meerwaarde zijn voor basisartsen die twijfelen over de keuze voor een bepaald specialisme. Ik merkte tijdens mijn coschappen, dat veel studenten het coschap huisartsgeneeskunde erg leuk vonden, maar in die periode te weinig konden zien van het vakgebied om te solliciteren voor de opleiding huisartsgeneeskunde. Bij andere vervolgspecialismen is de ANIOS-functie vanzelfsprekend en is het de start om te solliciteren voor een opleidingsplek. Het is voor geneeskunde studenten die twijfelen, een logische keuze om een tijdje als ANIOS te gaan werken binnen een specialisme waarover ze nadenken, waarbij ze vaak blijven ‘plakken’. Tot voor kort kon dit nog niet binnen de huisartsgeneeskunde, nu wel. standpunt huisartsopleiding Maastricht over de Anioshuisartsgeneeskunde “Als huisartsopleiding zien we het aniosschap als een goede manier om potentiële AIOS-huisartsgeneeskunde nader kennis te laten maken met het vak (de huisarts in zijn voorbeeldrol) en de werkdruk van huisartsen te verlichten waar mogelijk en mag. Voor de ‘zoekende’ anios is het een opstap naar een medische vervolgopleiding. De anios is geen huisarts en zal dus onder supervisie werken. In het ziekenhuis vinden we de anios heel gewoon, maar in de huisartspraktijk niet. Het is interessant om te verkennen of de anios een plek kan verwerven in de huisartsgeneeskunde.” Foto? 7 op één lijn 63
Page 8
op één lijn 63 1 e uitgave 2019 Komt er een volgende ANIOS? Alle artsen binnen MCWK zijn erg blij met de ANIOS in de huisartsenpraktijk. Wij hebben er veel aan en ik denk de ANIOS ook. Mathijs is enorm gegroeid in zijn rol als arts. Hij heeft heel veel zelfstandigheid gekregen en heeft een empathische houding naar patiënten toe die heel prettig is. Ik hoop hem over enkele jaren als collega huisarts te mogen begroeten. In het tijdperk waarbij de drukte in de praktijk toeneemt, is de ANIOS een mogelijke invulling binnen de dagelijks praktijk, waarbij er ruimte en tijd wordt gecreëerd voor een passend tarief. Wel denk ik dat het verstandig is om een ANIOS aan te nemen voor minimaal een jaar en maximaal twee jaar. Korter dan 9 maanden lijkt niet wenselijk, omdat de tijdsinvestering in het begin te weinig oplevert. Mathijs heeft gesolliciteerd voor de huisartsenopleiding en wij zijn ervan overtuigd dat hij een goede kans maakt om door de sollicitatie heen te komen. Mocht dat zo zijn, dan zoeken wij voor september 2019 een nieuwe ANIOS, want we willen er graag mee doorgaan. Heeft u vragen, dan kunt u contact opnemen via d.lenders@ezorg.nl of m.peeters@ezorg.nl ANIOS huisartsgeneeskunde in Landgraaf Al doende leert men DOOR STEFAN VAN DER EERDEN, HUISARTS IN LANDGRAAF EN VICO LEETERS, ANIOS Aanleiding Afgelopen jaar spraken Joost Dormans van de huisartsopleiding Maastricht en huisarts Stefan van der Eerden van MC Putstraat uit Landgraaf elkaar over een dreigend tekort aan huisartsen (in opleiding). Het leek erop, dat veel ANIOS-sen in het ziekenhuis blijven ‘hangen’ en niet meer terugstromen naar de eerstelijn. Zo ontstond het idee om een ANIOS-Huisartsgeneeskunde in het leven te roepen en in dienst te nemen, met als doel basisartsen enthousiast te maken voor het huisartsenvak en de huisartsopleiding. Op dat moment was semiarts en inmiddels basisarts Vico Leeters werkzaam in de praktijk. Hij wil de huisartsopleiding gaan volgen en was direct geïnteresseerd in deze nieuwe functie. De ANIOS (Vico) “Vanaf april 2018 werk ik als ANIOS (arts niet in opleiding tot specialist) bij huisartsenpraktijk Medisch Centrum Putstraat in Landgraaf. Deze nieuwe en innovatieve functie is zeer geschikt voor basisartsen die de ambitie hebben om huisarts te worden. Als coassistent maak je kennis met de huisartsenpraktijk, maar echt meedraaien in de praktijk is heel anders. Het geeft je de kans om van dichtbij te ervaren hoe het is om te werken in een huisartsenpraktijk met een hecht team wat op één lijn staat om de best mogelijke patiëntenzorg te leveren. Daarnaast zorgt de langere periode van een jaar ervoor, dat je veel meer inzicht krijgt in wat er 8 allemaal speelt binnen een huisartsenpraktijk en wat er bij het huisartsenvak komt kijken. In het begin heb ik samen met de huisartsen en praktijkmanager Judith Steuns moeten zoeken naar de juiste invulling voor deze nieuwe functie. De insteek van de functie was aanvankelijk om een soort ‘vliegende kiep’ te zijn en flexibel ingezet te worden op actuele zorgvragen. Bijvoorbeeld een patiënt met pijn op de borst, iemand met een snijwond, maar ook een ongeruste longpatiënt die laagdrempelig ‘naar zijn longen wilt laten luisteren’. Voor mij veel uitdaging en variatie en voor de huisartsen minder 1 e uitgave 2019 patiënten tussen het spreekuur door. Ik kan de patiënt in alle rust te woord staan en onderzoeken en daarna is er tijd om met de huisarts te overleggen en na te bespreken. Het bleek geen dagvullende taak om mij als ANIOS zo in te zetten. Al doende ontstond het idee om ook een regulier spreekuur te creëren, waarbij ik relatief eenvoudige problematiek ging zien op mijn spreekuur. Ook zou ik beschikbaar zijn voor algemene vragen van assistentes en kreeg ik enkele administratieve taken. Daarnaast was er nog voldoende tijd en ruimte voor mijn eigen interesses, bijvoorbeeld meedoen met de geplande kleine chirurgische ingreepjes en intra-articulaire injecties zetten. Een breed takenpakket maakt deze functie interessant. Als coassistent ben je vooral medisch inhoudelijk bezig en met het ontwikkelen van diagnostische vaardigheden. Als ANIOS heb je meer taken die een huisarts ook heeft en zo groei je meer in je rol als dokter onder gesuperviseerde zelfstandigheid.” De huisarts (Stefan) “Door de ANIOS een “vliegende kiep” te laten zijn in de huisartsenpraktijk is het mogelijk om het vak van huisarts in de volle breedte te leren kennen. Door supervisie van de huisarts is er extra aandacht voor het breder diagnostisch denken. Wat is de vraag van de patiënt? Wat heeft de patiënt nodig? Is het alleen somatisch? De Universiteit Maastricht steunt deze vorm van werken.” De ANIOS “Een juiste verdeling vinden was een proces van geregeld overleg en aanpassen. Na enkele weken hadden we een goede balans tussen het aantal plekken voor reguliere consulten en spoedplekken. De assistentes zijn geïnstrueerd wat bij mij gepland mocht worden. Enkele voorbeelden: hoestklachten, keelklachten, diarree, kleine trauma’s, kinderen met koorts, buikpijn, pijn op de borst en hechtwonden. Vooral in het begin had ik veel supervisie en overleg nodig om mijn consulten af te handelen. Hier was gelukkig altijd genoeg ruimte en tijd voor. Door veel patiënten te zien en veel zelf te doen, heb ik mijn kennis en vaardigheden op het gebied van de huisartsgeneeskunde verder kunnen ontwikkelen. Na verloop van tijd kon ik op regelmatige basis consulten zelfstandig afhandelen. Nu mijn laatste maand is aangebroken, kijk ik terug op een zeer leerzame tijd, hoe het is om samen te werken met een hecht team met laagdrempelige communicatie met respect over en weer. Na deze ervaring wil ik dan ook vol enthousiasme en motivatie opgeleid worden tot huisarts zodat ik later hopelijk zelf ook als praktijkhouder dit mooie vak mag en kan uitoefenen”. De huisarts “De ANIOS is in dienst van de huisartsenpraktijk. Voorafgaand aan het in dienst nemen van een ANIOS hebben wij contact gehad met de VvAA. Zij hebben advies gegeven over de benodigde verzekeringen en de inschaling in het CAO Huisartsenzorg. Voor de praktijk is het ten aanzien van de werkgeverskosten en verzekering voor 9 tweederde kostendekkend. Het overige wordt gezien als een investering voor het vak en de opleiding, we maken basisartsen enthousiast voor het vak. Nu het jaar van Vico bijna afloopt, zijn wij weer op zoek naar een nieuwe ANIOSHuisartsgeneeskunde!” op één lijn 63
Page 10
op één lijn 63 1 e uitgave 2019 Welkom! Nieuwe collega's stellen zich voor Monique Wijers Gedragswetenschapper Huisartsopleiding Helène Dassen Huisartsbegeleider jaar 1 Vanaf 1 maart 2019 ben ik werkzaam als docent aan de huisartsopleiding in Maastricht. Ik volg Cecile Henquet op als maatje van Gerrie Waagenaar en verzorg onderwijs in het derde jaar. Met een nostalgisch gevoel fietste ik de afgelopen weken richting het P. Debyeplein 1. Dit is namelijk het gebouw waar ik als kersverse student in 1985 startte met mijn opleiding Gezondheidswetenschappen aan de toenmalige Rijksuniversiteit Limburg. Inmiddels ben ik klinisch psycholoog en psychotherapeut. Ik ben sinds 1993 werkzaam geweest binnen verschillende GGZ-instellingen in de regio Zuid-Limburg. Steeds in de specialistische GGZ vanuit het referentiekader cognitieve gedragstherapie en schematherapie. Vanaf 2017 werk ik met een aantal collega’s vrijgevestigd onder de noemer Perspectief Psychotherapie Maastricht. Trauma-gerelateerde problematiek heeft door de jaren steeds mijn speciale aandacht gehad. Ik deel mijn kennis, kunde en passie voor het vak graag. Daarom verzorg ik bij verschillende opleidingsinstellingen (na)scholing aan professionals, ben ik supervisor en leertherapeut. Ik woon samen met mijn partner Rob in Maastricht. Samen proberen we onze pubers Sam (16) en Ava (14) een beetje in het gareel te houden. We maken met ons gezin graag verre, avontuurlijke reizen. Vooral Tibet en Afrika hebben mijn hart gestolen. Tijdens de stafdag in Maastricht heb ik me warm ontvangen gevoeld, al veel nieuwe collega’s ontmoet en oude bekenden teruggezien. Dat smaakt naar meer! 10 Mijn naam is Helène Dassen en in februari ben ik gestart als huisartsbegeleider voor de regio noord, jaar 1. Ik ben in de luxepositie dat ik het komende half jaar mag meedraaien in de groep van Marieke Strijker en Marjolein Oerlemans, met het vooruitzicht dat ik in september met een eigen groep start. In 2003 ben ik gestart met de opleiding psychologie in Utrecht, nadat ik was uitgeloot voor geneeskunde. Het jaar daarna kon ik gelukkig toch starten met de geneeskunde opleiding in Rotterdam. Daar heb ik met veel plezier acht jaar gewoond, gestudeerd en gewerkt. Vervolgens volgde ik de huisartsopleiding in Amsterdam aan het AMC-UvA en rondde deze in juni 2016 af. Hoe ben ik in Eindhoven beland? Daar is alles begonnen: ik woonde tot mijn 18e in deze stad en ik ben weg gegaan met de gedachte hier niet meer terug te keren. Echter, de liefde (Jan-Willem) en het gemis van Brabant heeft me toch teruggebracht. Een half jaar geleden ben ik bevallen van Julian, een heerlijk actief kereltje, die mijn vrije tijd goed opslokt. Daarnaast besteed ik mijn tijd aan familie, vrienden die her en der in het land wonen en zoveel mogelijk buiten zijn. Het sporten is nu op een lager pitje gekomen, maar ik ga weer vol goede moed starten aan de bootcamp. 1 e uitgave 2019 Ik ben opgeleid als psychotherapeut, als zodanig momenteel werkzaam bij Co-eur (een specialistische GGZ-instelling voor mensen met eetstoornissen) en ik zie het als een mooie uitdaging om nu ook op een andere manier met mijn vak bezig te mogen zijn. Esther Maes Gedragswetenschapper Huisartsopleiding Mijn naam is Esther Maes en ik ben sinds februari gestart als gedragswetenschapper bij de huisartsopleiding, een voor mij nieuwe functie waar ik heel veel zin in heb! Ik vind mijn werk belangrijk en haal daar veel energie uit. Daarnaast vergeet ik niet te genieten van al het moois dat het leven verder te bieden heeft. Ik hou ervan om sportief bezig te zijn, doe aan hardlopen en moderne dans en ben altijd te enthousiasmeren om samen een sportieve uitdaging aan te gaan. Reizen, nieuwe restaurantjes uit proberen, lezen, borrelen met vrienden zijn dingen die ik leuk vind om te doen. Ik doe dat niet alleen, ik ben getrouwd en samen hebben we 2 kleine, vrolijke mannetjes van 3 en 5 jaar oud. Ik kijk uit naar een leuke, mooie en leerzame nieuwe uitdaging bij HAG! Huisarts & huisdier Een eigenwijs stukje dynamiet!! DOOR INGEBORGH HOLDORP, HUISARTS IN PEY-ECHT Dit is Mardi van de Kribbelkamp, geboren op een dinsdag in juni 2016. Verloren was ik bij mijn bezoek aan het nestje van vier kleine Epagneuls Breton. Dit ras heeft vier kleuren: Oranje-wit (meest voorkomend), Citron-wit, Maron-wit (chocoladebruin) en Zwart-wit. Vaak ook met kleine vlekjes ofwel schimmelplaten. Ze zijn afkomstig uit Frankrijk, uit het hart van Bretagne. Een jachthond met een korte of zelfs ontbrekende staart. Mardi is een Maron met bruine schimmelplaten. Uiterlijk valt de energie, de dynamiek en de intelligente uitstraling op. Het lichaam is iets gedrongen (cob), lijkt door haar kleur op een kleine Munsterlander of Heidewachtel, is krachtig en atletisch. Het is een kleine staande jachthond met een voortreffelijke neus. Het is een hond voor de jager. Hij wijst de jager met zijn neus het wild aan en staat stokstijf voor. Mardi heeft een pittig temperament, maar is ook zachtaardig en betrouwbaar. Het zijn gezonde honden die weinig verzorging nodig hebben. Mardi leeft bij ons buiten, zij heeft een buitenverblijf. We hebben een grote tuin grenzend aan het bos waar ze veel bewegingsvrijheid heeft. Met Mardi loop ik gemakkelijk 5 tot 10 km op een dag, dat heeft ze nodig om stoom af te blazen, om haar energie goed kwijt te kunnen. Ook heerlijk voor de baas om in de natuur het hoofd leeg te maken en daarna met nieuwe energie verder te gaan. Het is een hond met een stevig karakter. Slaagt de opvoeding, dan gaat ze voor je door het vuur. Dat laatste is wel een dingetje… Mardi is erg eigenwijs. Ze is momenteel weer op cursus. Gaat ze achter haar neus aan in het veld, dan kan ze me erg op de proef stellen…. 11 op één lijn 63
Page 12
op één lijn 63 S 1 e uitgave 2019 A Bruikbare wetenschap Betere diagnostiek en goed onderzoek DOOR JOCHEN CALS, HUISARTS IN SITTARD EN HOOGLERAAR AAN DE VAKGROEP HUISARTSGENEESKUNDE B In deze bijdrage vindt u een selectie wetenschappelijke artikelen van Maastrichtse makelij. Hiervoor selecteren wij artikelen die direct bruikbaar kunnen zijn voor de dagelijkse praktijkvoering. Multimorbiditeit over de tijd Met alle berichten en aandacht voor kwetsbare ouderen vergeten we wel eens dat er ook fitte 80-plussers vrolijk op het spreekuur komen vertellen dat ze een cruise in Alaska gaan maken. ‘Nu kan het nog dokter...’ Ik vraag me dan af wat ze gaan doen als ze 90 zijn. Maar ondertussen verzamelt de alsmaar ouder wordende patiënt ook wel een breed pallet aan aandoeningen. Marjan van den Akker, dit jaar hoogleraar geworden in Frankfurt, keek met haar Vlaamse team naar de prevalentie van multimorbiditeit en polyfarmacie tussen 2000 en 2015 in een database met ca. 160.000 personen per jaar. In 2015 had 23% van de populatie multimorbiditeit (2 of meer chronische aandoeningen) en 20% had polyfarmacie (5 of meer verschillende geneesmiddelen in een jaar). In de loop van 15 jaar stegen het percentage patiënten met multimorbiditeit en polyfarmacie, voor beide geslachten en in alle leeftijdsgroepen. Vanzelfsprekend waren de percentages het hoogste in de oudste patiënten (>60% met multimorbiditeit in de 75-plussers), toch was de meeste stijging te zien in de groep patiënten jonger dan 50 jaar. Dat kan volgens de auteurs vele oorzaken hebben, die we allen zullen herkennen. Betere diagnostiek, maar toch ook wel waarschijnlijk betere codering in de HISsen van chronische aandoeningen. Daarmee kan de stijging dus ook verklaard worden door ander klikgedrag van dokters, onder andere aangejaagd door de chronische zorgprogramma’s van het laatste decennium. In toekomstige analyses zou ik uitkijken naar een uitsplitsing van de verschillende morbiditeiten, aangezien de ziektelast en complexiteit van verschillende chronische aandoeningen sterk kan wisselen. Presbyacusis heeft een andere impact op een geplande rondvaart op de Rijn (of in Alaska) dan decompensatio cordis. Gezamenlijke besluitvorming bij borstkanker Samen beslissen, en de term shared decision making, staat in de volle aandacht. Dusdanig dat je soms kunt afvragen of iedereen de term goed begrijpt. Een aios in de praktijk schreef bij elke P-regel de afkorting SDM als teken dat het door de dokter gemaakte plan was besproken met de 12 patiënt. Samen beslissen behelst toch echt iets meer. Trudy van der Weijden en promovendus Wilma Savelberg keken in borstkankerteams in het ziekenhuis hoe samen beslissen tot stand komt. Juist bij deze aandoening is het werkveld al relatief ver in de uitvoering van samen beslissen inclusief het gebruik van keuzehulpen. In een kwalitatieve analyse interviewden ze 9 chirurgen, 11 nurse-practitioners en 7 verpleegkundigen. De deelnemers onderkenden allen dat shared decision making een teaminspanning vereist. Toch werden de accenten verschillend ervaren. Chirurgen keken toch wat meer naar de verpleegkundigen als het ging om het doorspreken van opties en gebruik van de beslishulp. Daarnaast waren er ook wel deelnemers die het gevoel hadden dat het (medische) MDO de beste behandeling voorstelde. Het meenemen van de voorkeuren van de patiënt kon leiden tot inferieure behandeling, of juist tot verwarring bij patiënten. Het artikel is het lezen waard. Juist omdat borstkankerteams worden gezien als ‘early adopters’ van shared decision making. Je leest dat het hele proces van samen beslissen soms volledig wordt omarmd en als team wordt uitgevoerd, maar er blijft ook wel misconceptie, paternalisme, en scepsis onder de deelnemers en teamleden. Reden te meer waarom samen beslissen nog meer aandacht mag blijven krijgen en het is goed om te merken dat artsen in spe het nu in de opleiding tegenkomen. Sepsis – vertraging geeft ongelukken Een myocardinfarct te laat herkennen is de schrik van elke dokter. Hoe ernstiger het beeld, hoe minder graag we het willen missen. Sepsis heeft een duizelingwekkende mortaliteit, en hoe later adequate behandeling wordt ingesteld, hoe slechter de overlevingskans. Patiënten met sepsis gaan vaak nog langs een aantal afdelingen – van SEH naar IC en soms naar de afdeling – en overlijden vaak niet direct. Daardoor zien we onvoldoende het vroegtijdig herkennen van de ernstige infectie niet zo keihard terug als het missen van een myocardinfarct. Het blijft echter net zo’n lastige materie. Gideon Latten, B S C R W R U N T I D A K M A S E R E T E E E T N E G N S R C H I A H P U A T S E H K I U SEH-arts in Zuyderland, hoopt op het onderwerp te promoveren. In een van zijn deelstudies bestudeerde hij de medische dossiers van 440 patiënten met ernstige infecties, en hij keek met name ook naar de prehospitale fase. Van deze groep patiënten had 41% al voor de dag van verwijzing contact met de huisarts gehad, blijkend uit het feit dat 23% al antibiotica gebruikte. De mediane duur van symptomen was maar kort (3 dagen). Van de 440 patiënten had 5% een ‘adverse event’, dat wil zeggen overlijden of een IC-opname. Deze kleine groep was minder vaak via de huisarts op de SEH terecht gekomen (vaak via 112 melding) en had wel hogere sepsis scores bij binnenkomst (qSOFA en SOFA scores). De prehospitale fase biedt veel kansen voor vroegtijdige herkenning van sepsis. Maar hoe dan? Dat blijft lastig en hopelijk bieden aankomende studies nog nadere handvatten daarvoor. De ademhalingsfrequentie tellen én vastleggen lijkt al een belangrijke. En als je aan een sepsis denkt, meldt dat dat zeker bij aanmelding op SEH en meldkamer. Daarmee krijgt de patiënt snelle en gepaste behandeling in de spoedketen. Noem je alleen maar algemene malaise of iets dergelijks, dan kan het zijn dat de patiënt kostbare tijd verliest in de wachtkamer of op de gang van de SEH. De broodnodige bruikbare wetenschap van de toekomst “Het meeste wetenschappelijke onderzoek kan zo in de prullenbak in”, wordt weleens door vooraanstaande wetenschappers beweerd. Ik ben minder sceptisch, maar goed onderzoek begint wel met de goede vragen stellen. Voor ons vak is de Nationale Onderzoeksagenda Huisartsgeneeskunde het afgelopen jaar ontwikkeld. Die agenda moet inspiratie bieden aan onderzoekers, financiers, beleidsmakers en patiëntenorganisaties voor toekomstig huisartsgeneeskundig onderzoek. In een uitvoerig proces werden de bestaande kennislacunes bij de NHG Standaarden aangevuld door bovenstaand genoemde partijen. De geprioriteerde onderwerpen vormen een uitermate waardevolle lijst met bijna 800 items. En dat zijn nu net de vragen waarop we het antwoord in de spreekkamer nog niet weten. Het team wist de ontwikkeling ook internationaal te publiceren, maar de kennisvragen zijn ook online gewoon te raadplegen. Gebruik de QR-code om de PDF te openen. Referenties • Trends in multimorbidity and polypharmacy in the FlemishBelgian population between 2000 and 2015. van den Akker M, Vaes B, Goderis G, Van Pottelbergh G, De Burghgraeve T, Henrard S. PLoS One. 2019 Feb 12;14(2):e0212046. doi: 10.1371/journal. pone.0212046. eCollection 2019. PMID: 30753214 • Characteristics of the prehospital phase of adult emergency department patients with an infection: A prospective pilot study. Latten GHP, Claassen L, Jonk M, Cals JWL, Muris JWM, Stassen PM. PLoS One. 2019 Feb 7;14(2):e0212181. doi: 10.1371/journal. pone.0212181. eCollection 2019. PMID: 30730990 • Does lack of deeper understanding of shared decision making explains the suboptimal performance on crucial parts of it? An example from breast cancer care. Savelberg W, Boersma LJ, Smidt M, Goossens MFJ, Hermanns R, van der Weijden T. Eur J Oncol Nurs. 2019 Feb;38:92-97. doi: 10.1016/j. ejon.2018.12.004. Epub 2018 Dec 15. PMID: 30717943 • Development of a research agenda for general practice based on knowledge gaps identified in Dutch guidelines and input from 48 stakeholders. Burgers JS, Wittenberg J, Keuken DG, Dekker F, Hohmann FP, Leereveld D, Ligthart SA, Mulder JA, Rutten G, van der Wouden JC, van Balen JAM, Knottnerus JA. Eur J Gen Pract. 2019 Jan;25(1):19-24. doi: 10.1080/13814788.2018.1532993. Epub 2018 Nov 26. PMID: 30474455 13 op één lijn 63
Page 14
op één lijn 63 1 e uitgave 2019 Behandeling van overgevoelige maag Nortriptyline bij functionele dyspepsie DOOR BRAM BECKERS, ARTS-ONDERZOEKER MDL, MUMC+ Definitie Dyspeptische symptomen, waaronder pijn in de maagstreek en een opgeblazen gevoel, komen in de Westerse populatie vaak voor (incidentie tot 40%). Meestal betreft dit dyspeptische klachten zonder aanwijsbare oorzaak (70%) waarbij men spreekt van functionele dyspepsie. Aangezien er geen biomarkers bestaan, is de diagnose functionele dyspepsie gebaseerd op klinische criteria. Volgens de Rome lV criteria, de huidige standaard, is functionele dyspepsie gedefinieerd als “het hebben van een bezwaarlijk vol gevoel na de maaltijd, vroege verzadiging of pijn/branden in de maagstreek, zonder dat er bewijs is voor een organische aandoening.” Waarom onderzoek? Functionele dyspepsie komt vaak voor en brengt aanzienlijke zorgkosten en verlies aan arbeidsproductiviteit met zich mee. Helaas is er op dit moment geen duidelijk effectieve behandeling beschikbaar. Nieuwe behandelstrategieën zijn zeer wenselijk. Er zijn aanwijzingen dat laag gedoseerde tricyclische antidepressiva de klachten kunnen verminderen. Goed opgezet onderzoek om dit aan te tonen ontbreekt echter nog. Bovendien is er enige terughoudendheid om deze middelen te gebruiken gezien het label ‘antidepressiva’. Ook kunnen bezwaarlijke bijwerkíngen optreden. Wat is het doel van het onderzoek? Het doel is het onderzoeken van de effectiviteit van nortriptyline, een tricyclisch antidepressivum, bij functionele dyspepsie. Nortriptyline is een tweede generatie tricyclisch antidepressivum met minder anticholinerge bijwerkingen dan de eerste generatie middelen uit dezelfde klasse (zoals amitriptyline). Bovendien wordt nortriptyline via één enzymatische stap gemetaboliseerd. Hierdoor is de medicijnafbraak veel beter te voorspellen op basis van polymorfismen. Hiertoe zal vooraf aan de start van de behandeling een genotypering van het betrokken enzym verricht worden. Om hinderlijke bijwerkingen te verminderen en de effectiviteit te verbeteren, mogen alleen patiënten met een normale medicijnafbraak deelnemen. Samenwerking huisartsgeneeskunde Het project wordt gesteund door de vakgroep Huisartsgeneeskunde van de Universiteit Maastricht. Mede daarom werden in januari 2019 de huisartsen in de regio Zuidoost Limburg reeds benaderd voor deelname aan het onderzoek. Maar er is meer nodig. Op dit moment doen zes ziekenhuizen uit heel Nederland mee aan het onderzoek. Omdat een groot deel van de beoogde patiëntenpopulatie vooral gezien wordt in de eerstelijn, is de hulp van u als huisartsen hard nodig. Meer informatie? Herkent u deze veelvoorkomende klacht? Ziet u het belang van een werkzame behandeling? Mail of bel ons dan voor meer informatie over het project, via Bram Beckers telefoonnummer 043-3881844 of per email via tender-intmed@maastrichtuniversity.nl. Oproep StopWijzer Stoppen met roken is succesvoller bij gebruik van gedragsmatige hulp, maar veel rokers maken er geen gebruik van. De nieuw ontwikkelde StopWijzer geeft inzicht in effectieve stopmethoden en waar deze te vinden zijn. In mei start de Universiteit Maastricht met een proef onder huisartsenpraktijken waarin ‘De StopWijzer’ wordt getest en zoekt nog deelnemers. Wilt u meer weten? Neem dan contact op met Daniëlle Zijlstra via stopwijzer@maastrichtuniversity.nl 14 1 e uitgave 2019 Registratie huisartspraktijken Het Registratienet nieuwe stijl DOOR HUIBERT TANGE, JOS BOESTEN EN ANNEMIEK NIJHOLT, REGISTRATIETEAM In 1988 werd het RegistatieNet Huisartsen (RNH) opgericht als infrastructuur voor huisartsgeneeskundig onderzoek aan de toenmalige Rijksuniversiteit Limburg. Het RNH was niet de eerste een database met zorggegevens uit de eerste lijn, maar wel uniek in zijn soort. Het werd namelijk gebruikt voor zowel epidemiologisch onderzoek als patiëntgebonden onderzoek. In de loop der jaren heeft het RNH 282 publicaties en 52 promoties opgeleverd, vooral op het gebied van chronische gezondheidsproblemen in de eerste lijn. De database bevat op dit moment de gegevens van 166.000 patiënten, waarvan 80.000 nog steeds elke 3 maanden worden geactualiseerd. Ook op andere universiteiten zagen eerstelijns registratienetten het licht. Voor het RNH, nu meer dan 40 jaar oud, gold inmiddels de wet van de remmende voorsprong. Een goede reden voor vernieuwingen. Vorig jaar al werd de naam van het RNH veranderd in Research Network Family Medicine (RNFM). Veel veranderingen tegelijk De belangrijkste veranderingen hebben plaatsgevonden op het technische vlak. Sinds dit jaar maken we deel uit van de ‘Intercity-groep’. Dit is een samenwerkingsverband van eerstelijns registratienetten van vijf Nederlandse universiteiten. Binnen dit samenwerkingsverband wordt gezamenlijk onderhandeld met derde partijen. Het meest tastbare resultaat is dat we nu op een uniforme manier de gegevens uit de aangesloten EPD1’s kunnen halen. Dit bespaart ons bij toekomstige software-updates ervan veel ontwikkelwerk. Bovendien wordt nu de complete dataset van medische gegevens meegenomen, inclusief meetwaarden (lab, ketenzorg), waardoor het RNFM interessanter wordt voor onderzoekers. We moesten hiervoor de manier van data-opslag harmoniseren met die van de Intercity-groep. Zo kunnen we straks nog beter gegevens delen. De personele samenstelling van het RNFM-team is veranderd. Marjan van den Akker is hoogleraar in Frankfurt geworden. Haar rol is overgenomen door Huibert Tange. Ons team bestaat momenteel uit: hoogleraar en huisarts Jean Muris (voorzitter), onderzoeker Huibert Tange (coördinator onderzoek), huisarts Jos Boesten (coördinator data), huisarts Annemiek Nijholt (coördinator huisartsen) en Judith Janssen 1 Elektronisch Patiënten Dossier (secretariaat). De technische ondersteuning van het team blijft liggen bij het MEMIC, het facultaire centrum voor dataen informatiemanagement. Tegelijk met deze technische en organisatorische veranderingen werd ook de Algemene Verordening Gegevensbescherming van kracht. Hierdoor moesten we ook allerlei procedures en overeenkomsten aanpassen. Dat kostte de nodige moeite. Huidige stand van zaken We zijn bijna toekomstbestendig. De MicroHIS-praktijken (vroeger een eis) zitten als eerste in de nieuwe database. De andere HIS-sen kunnen we nu ook bedienen. De meeste overeenkomsten zijn aangepast; aan enkele wordt nog gewerkt. Er staan zes onderzoeksgroepen klaar om met ons samen te werken. Verder zijn negen nieuwe huisartsenpraktijken bereid om zich aan te sluiten, onder andere de Plus-praktijken uit de regio Oostelijk Zuid-Limburg, zodat het totaal op 27 praktijken komt. In principe kan elke praktijk uit Zuid- en Midden-Limburg aansluiten, mits ze voldoen aan de kwaliteitseisen van de ADEPD-richtlijn. Blik naar de toekomst Wat kunnen we verwachten van het nieuwe RNFM? De uitgebreidere dataset biedt nieuwe mogelijkheden voor onderzoekers. Het RNFM wordt hierdoor interessant voor alle eerstelijnsonderzoek. Dus niet alleen voor studies naar chronische gezondheidsproblematiek, maar bijvoorbeeld ook voor onderzoek naar kinderen met koorts, point-of-care diagnostiek en andere klinisch relevante onderwerpen. Onze grote hoeveelheid data wordt interessant voor big data onderzoekers die met zelflerende algoritmen causale verbanden en risicoprofielen kunnen ontdekken, die we met traditionele onderzoeksmethoden over het hoofd zouden zien. Zeker als ze via het Intercity-verband de beschikking kunnen krijgen over landelijke patiëntenpopulaties. Maar zover zijn we nog niet, het zijn nog ideeën. De aangesloten huisartsen kunnen we in de toekomst beter van dienst zijn. Andere registratienetten leveren al langer spiegelinformatie aan huisartsenpraktijken. Het RNFM kan dat in de toekomst ook gaan doen. We voeren op dit moment oriënterende gesprekken met de Zuid-Limburgse huisartsenorganisaties om de behoefte hieraan te peilen. De band tussen de academie en de praktijk wordt zo verder verstevigd. We houden u op de hoogte. Website: www.rnfm.nl 15 op één lijn 63
Page 16
op één lijn 63 1 e uitgave 2019 Geen hartfalen, maar wat dan wel? OOK en de Witte Raven DOOR SIMON KLEIJKERS, HUISARTS IN GEZONDHEIDSCENTRUM HOENSBROEK-NOORD De Witte Raven is een groep ervaren huisartsen die zich richt op het zoeken van de oorzaak van Onuitstaanbaar Onverklaarde Klachten (OOK). De term ‘witte raaf’ is nog wel enigszins bekend, maar de afkorting OOK een stuk minder. Simon is het jongste lid van de Witte Raven groep. Casus De nieuwe casus betreft patiënt A, een 58-jarige, sportieve man. Hij meldt zich bij zijn huisarts met recente klachten over hartkloppingen en dyspnoe d’effort. Volg de QR-code voor een beschrijving van de casus en twee röntgenfoto’s. Vorige casus De diagnose van de vorige casus is nefrotisch syndroom, met als doodsoorzaak een longembolie. Via de QR-code kunt u de trefwoorden en digitale zoektocht inzien. De prijs gaat dit keer naar Gusta van Zwieten (AIOTHO). Van harte gefeliciteerd! De Witte Raven groep in Maastricht bestaat uit de volgende leden: Yvonne van Leeuwen, Irene Soeters, Tonnie van Kessel, Geert-Jan Dinant, Paul Höppener, Simon Kleijkers, Raymond Leclercq en Erik Stolper. Doel: zoeken naar de oorzaak van Onuitstaanbaar Onverklaarde Klachten (OOK). De groep bestaat uit huisartsen met een mix van ervaring, zowel klinisch als wetenschappelijk. Werkwijze: de groep krijgt door collegae of anderen een papieren casus aangereikt die mogelijk verdacht is voor een zeldzame aandoening, waarvan eerder specialistisch onderzoek niets heeft uitgewezen. De inbrenger heeft echter het stellige vermoeden dat de oorzaak een zeldzame ziekte is. De wijze van zoeken, gericht op zeldzame aandoeningen, leidt tot een advies aan de inbrenger. Zoektocht Er waren geen aanwijzingen voor hartfalen, cardiomyopathie of pulmonale hypertensie. Maar wat dan wel? Voor een adequate verklaring van de inmiddels sterk invaliderende klachten van deze patiënt zaten huisarts en specialisten acht jaar na de eerste presentatie op dood spoor. Het was de patiënt zelf die kwam met een verrassende suggestie na een zoektocht op internet. Antwoorden insturen naar: simonkleijkers@gchoensbroeknoord.nl Verloop van deze casus Leeftijd 58 Behandelaar HA 61 64 65 HA, CARD CARD Geen verbetering; dyspnoe verergert na inspanning, bij voorover bukken en na de maaltijd 66 LA CARD Toelichting bij de afkortingen: 16 HA = huisarts LA = longarts Klachten nemen geleidelijk toe. Inspanningstolerantie neemt af; toenemende vermoeidheid. Kan niet plat liggen bij slapen. CT-thorax en longen: normaal. Longfunctie: normaal Fietsergometrie: normaal Echo en cardio-CT: normaal. Coronair angio: normale kransslagaders; lichte aortaklepsclerose. Paroxysmale AVNRT en frequente VES; soms bigeminie. INT = internist CARD = cardioloog Voorgeschiedenis Leeftijd 10 18 32 47 HA, LA Behandelaar Klacht / symptomen Hoesten; dyspnoe; koorts Keuringsarts Afgekeurd voor militaire dienst INT INT Septisch beeld Buikpijn Bevindingen / symptomen Besnier-Boeck; lymfeklieren hilus Matige pectus excavatum Amoebenabces lever Ulcus duodeni Klacht / symptomen/ etc Bevindingen / symptomen Hartkloppingen; dyspnoe d’effort Stopt met werk wegens aanhoudende klachten Geleidelijke toename klachten; medicatie helpt niet Paroxysmale AVNRT 220/min R/ Sotalol; Verapamil X-thorax : geen afwijkingen Echo hart: geen afwijkingen. Inspanningstest: normaal, maar wel frequente VES. Thalliumscan: geen ischaemie Ablatie op één lijn 63 Boekrecensie Wat is er met de dokter gebeurd? DOOR YVONNE VAN LEEUWEN, HUISARTS N.P. Boek B. Van Engelen, GJ. van der Wilt, M. Levi: Wat is er met de dokter gebeurd? Ervaringen en bespiegelingen vanuit de medische arena. Bohn Stafleu van Loghum, Houten 2018. Inleiding Soms waardeer je een boek omdat het verwoordt wat jij ook al dacht, soms omdat het nieuwe inzichten aandraagt. Dit boek doet beide. Vooral het begin komt bekend voor: de patiënt raakt verdwaald in ons moderne gezondheidszorgsysteem, de techniek woekert en ook de dokter raakt vermalen. Een zucht die vele huisartsen slaken. Wel fijn dat het goed bij elkaar is gezet. Maar hoe komen we eraf en eruit. Ook mensen ‘van buiten’ komen aan het woord: filosofen, kunstenaars, ondernemers. Dan wordt het spannend. To read or not to read Degenen die de rust of tijd niet hebben om dit boek te lezen: kijk door je oogharen naar de titel en bedenk dat het veelzeggend is, dat dit boek, nu, op deze plaats verschijnt. Dat er een rebelsheid uit spreekt (‘sta je op het punt om coassistent te worden, doe het niet!’) en een meerstemmig geluid dat het echt anders moet en kán. Nu! Degenen die de tijd en rust nemen om te lezen: ga er echt voor zitten. Het is geen bedlectuur. De grondslagen van de geneeskunde, inclusief de wetenschapsfilosofie, komen aan de orde, maar dan in herkenbare schetsen. Zowel het perspectief van de patiënt, als van de arts, het ziekenhuis als de maatschappij, worden belicht. Het boek helpt je richting kiezen. Accepteren van imperfectie Over artsen valt het nodige te zeggen: we hebben een (te) hoog streefniveau, we willen pleasen en we houden onze grenzen slecht in de gaten. Eén auteur, piloot, houdt arts en patiënt voor: het vliegtuig is altijd een beetje kapot, het gaat erom of het TE kapot is voor een veilige vlucht. Gezondheidzorginstituties hebben de afslag genomen naar het efficiëntie-denken en die weg blijkt dood te lopen (“teveel tellen, te weinig vertellen”). We zijn ergens uitgekomen waar we niet willen wezen. Waarheen nu? Niemand van de schrijvers pretendeert hét antwoord te kennen, maar samen komen ze tot een concept waar wij chocola van kunnen maken. Weer door mijn oogharen kijkend zie ik als Leitmotiv wat de eindredacteuren ook in hun slotwoord benadrukken: accepteren van imperfectie, - in patiënt, lichaam en arts - en jongleren daarmee, als een zwerm spreeuwen creatief maar gecoördineerd koers kiezend. Als ik een punt van kritiek mag noemen: er staan niet veel praktijkvoorbeelden in. Maar de geboeide lezer kan ze er moeiteloos bij bedenken. Oratie Prof. Dr. Jochen W.L. Cals Op 6 juni is huisartsonderzoeker Jochen Cals (1980) benoemd tot hoogleraar 'Effectieve Diagnostiek in de Huisartsgeneeskunde'. Cals promoveerde in 2009 cum laude op onderzoek naar infectieziekten en het gebruik van de CRP-sneltest. Hij is en blijft huisarts in Sittard, de bakermat voor zijn Bruikbare Wetenschap. Wanneer Vrijdag 28 juni 2019 om 16:30uur Waar Aula Universiteit Maastricht Minderbroedersberg 4-6, Maastricht 17
Page 18
1 e uitgave 2019 2014 WESP-student Puck Nagtzaam Sociale omgeving en sociale steun bij succesvol stoppen met roken BEGELEIDERS: ONNO VAN SCHAYCK EN FLOOR VAN DEN BRAND Vraagstelling Er is weinig bekend over de rol van de sociale omgeving in het stoppen-met-roken-proces. Ook wordt weinig aandacht besteed aan sociale steun. Ik onderzocht wat de invloed was van beide fenomenen op succesvol stoppen met roken. Tevens keek ik of partners van gestopte rokers zelf ook stopten met roken. Studiedesign We gebruikten de ingevulde vragenlijsten van de zogeheten CATCH-studie. Deze zijn ingevuld door 587 rokende werknemers in Nederland. Zij kregen een stoppen-metroken training met een 12-maanden follow-up. Primaire uitkomstmaat was continue abstinentie gemeten met een CO-monitor. Primair resultaat en conclusie Het hebben van rokers in de omgeving bleek negatief geassocieerd met lange-termijn-abstinentie. Steun van collega’s kan wél stoppogingen effectiever maken. Steun van partners was positief voor de korte-termijn-abstinentie. Succesvol-gestopte deelnemers hadden meer abstinente partners (73,2%) dan niet succesvol-gestopten (43,7%). Het is wenselijk om de sociale omgeving, waaronder partners, meer te betrekken bij stoppogingen. WESP-student Floor Minkels Competentieontwikkeling van een AIOS BEGELEIDERS: ANGELIQUE TIMMERMAN EN LAURY DE JONGE Vraagstelling Observeren is een manier om de competentieontwikkeling van een AIOS te monitoren in het leveren van patiëntenzorg. Om aanbevelingen te kunnen formuleren voor een optimale inzet hiervan, hebben wij onderzocht hoe een AIOS en opleider de rol van observeren op de werkplek afstemmen en dit vertalen naar de dagelijkse praktijk. Studiedesign Kwalitatieve studie via een Grounded Theory Approach. Hiervoor hebben we vijf AIOS-opleider koppels van de 18 huisartsopleiding Maastricht geïnterviewd, eerst individueel en daarna samen, waarna deze data zijn geanalyseerd. Primair resultaat en conclusie De rol van het observeren in de opleidingspraktijk wordt vooral afgestemd tussen AIOS en opleider, waardoor de inzet van observaties niet optimaal is. Geadviseerd wordt om de rol van het observeren herhaaldelijk te bespreken tussen AIOS en opleider en observaties structureel in te plannen in de opleidingspraktijk. op één lijn 63 1 e uitgave 2019 WESP-student Roy Snellings Mening van huisartsen ten aanzien van influenzavaccinatie BEGELEIDERS: RUUD VERHEES & GEERT-JAN DINANT Vraagstelling De influenza-epidemie is een regelmatig terugkerend fenomeen. Net als influenza lijkt ook telkens de discussie over het nut van de griepvaccinatie terug te keren. We onderzochten de meningen en opvattingen van huisartsen ten aanzien van een aantal aspecten van griepvaccinatie. Specifiek: het eigen vaccinatiegedrag, de verplichtstelling van influenzavaccinatie onder zorgverleners, effectiviteit van influenzavaccinatie, een nieuwe trial hiernaar, de ernst van influenza onder ouderen en de leeftijdsgrens als indicatie. Studiedesign We deden digitaal vragenlijstonderzoek. De enquête werd via het netwerk van de vakgroep huisartsgeneeskunde per mail verspreid onder huisartsen in de regio’s Zuid-Nederland, Groningen en Amsterdam. Primair resultaat en conclusie De respons was 35%, dat waren 550 complete vragenlijsten in totaal. De antwoorden op de vragen bleken niet significant te verschillen tussen de regio’s. Een meerderheid van de huisartsen is zelf gevaccineerd tegen influenza, voornamelijk om het virus niet op (risico-)patiënten over te dragen. Er blijft nog veel twijfel bestaan over de effectiviteit van het vaccin. Een meerderheid vindt een nieuwe trial hiernaar wenselijk. WESP-student: Sanne van de Moosdijk Het diagnostische proces van atriumfibrilleren (AF) BEGELEIDERS: NICOLE VERBIEST, JELLE STOFFERS Vraagstelling Gezien de vergrijzende populatie zullen huisartsen steeds meer betrokken raken bij de detectie van atriumfibrilleren (AF). Vroege detectie is belangrijk vanwege adequate antitrombotische behandeling ter preventie van beroertes. We beschreven daarom de diagnostische route (waar, hoe en door wie) waarlangs nieuw AF wordt gediagnosticeerd in Nederland. Studiedesign In deze cross-sectionele studie gebruikten we data van patiënten ≥65 jaar, zonder gediagnostiseerd AF, verkregen uit huisartsinformatiesystemen van 49 Nederlandse huisartsenpraktijken verspreid door Nederland. Primair resultaat en conclusie Deze studie benadrukt het multidisciplinaire karakter van het diagnostische proces van AF. Zowel de huisartsen, cardiologen als specialisten (met name SEH-artsen, internisten, neurologen) spelen een belangrijke rol in het vermoeden op en het diagnosticeren van AF. Bij tweederde van de patiënten, werd de diagnose van AF bevestigd door de huisarts of cardioloog. Interdisciplinaire samenwerking is daarom van groot belang. 19 op één lijn 63
Page 20
1 e uitgave 2019 2014 WESP-student Remco van Ginkel Gezonde Basisschool van de Toekomst BEGELEIDERS: ONNO VAN SCHAYCK & MAARTJE WILLEBOORDSE Vraagstelling Hoe gaan kinderen en hun ouders om met het gezondheidsgedrag (inclusief voeding en lichaamsbeweging) in de thuissituatie sinds ze deelnemen aan De Gezonde Basisschool van de Toekomst (GBvdT)? En hoe verklaren we dat? Studiedesign We deden kwalitatief onderzoek via de zogeheten Grounded Theory Approach, een pragmatische benadering gecombineerd met wetenschappelijke analyses om zo tot een realistische verklaring te komen. De ouders van de twee GBvdT werden hiervoor geïnterviewd op semigestructureerde wijze. Als WESP hield ik vijf interviews in november en december 2018. Primair resultaat en conclusie Kinderen en hun ouders zijn op verschillende manieren bezig met het gezondheidsgedrag in de thuissituatie door de GBvdT. De meeste veranderingen zijn terug te zien in voeding en deels in beweging. Zo proeven kinderen eerder nieuwe producten en helpen ze vaker met koken. Ouders bieden eerder gezonde snacks aan en ze willen een rolmodel zijn voor hun kinderen. Om een nog completer beeld te krijgen en goede conclusies te kunnen trekken, zou de onderzoeksgroep nog veel meer interviews moeten houden. WESP-student Anne Winkens Reproduceerbaarheid van urinesticks en de Uriscreen BEGELEIDER: GEERT-JAN DINANT Vraagstelling De diagnostiek van urineweginfecties gebeurt in de eerste lijn vooral met een urinestick. Deze test is echter niet op elk vlak optimaal. Mogelijk biedt de Uriscreen, een onbekendere test, een oplossing. Dit leidde tot de vraag: wat is de reproduceerbaarheid van de urinestick? Hoe verhoudt deze zich met de Uriscreen? Studiedesign In een betrouwbaarheidsonderzoek binnen drie praktijken in Maastricht zijn 52 urinemonsters door praktijkassistenten onderzocht op erytrocyten, nitriet en leukocyten. Resultaten 20 werden vergeleken met een fotospectrometer. Tevens werden Uriscreen resultaten vergeleken. Primair resultaat en conclusie Gemiddeld was de reproduceerbaarheid voor de Uriscreen en nitriet (urinestick) uitstekend (kappa >0.8). De Uriscreen scoorde zeer hoog (kappa 0.92-1). De reproduceerbaarheid van de resultaten voor leukocyten en erythrocyten was matig (kappa 0.40-0.59) tot gemiddeld (kappa 0.60-0.79). De Uriscreen is voor de diagnostiek van urineweginfecties mogelijk een nuttige toevoeging. op één lijn 63 1 e uitgave 2019 WESP-student Karlijn Costongs De behandeling van nieuw gediagnosticeerd atriumfibrilleren in de Nederlandse huisartsenpraktijk BEGELEIDER: JELLE STOFFERS Vraagstelling Adequate antistolling bij patiënten met atriumfibrilleren verlaagt het risico op een CVA met 60%. Een juiste behandeling van deze patiëntengroep is dus van groot belang. Wij hebben onderzocht hoe huisartsen nieuw gediagnosticeerd atriumfibrilleren behandelen en in welke mate zij de NHG-standaard volgen bij het voorschrijven van antitrombotica en het verwijzen naar de cardioloog. Studiedesign We hebben een cross-sectionele cohortstudie (als deelstudie van de D2AF-studie) uitgevoerd. De data hebben we verzameld uit de huisartsinformatiesystemen van 96 huisartspraktijken verspreid over Nederland. Primair resultaat en conclusie Nederlandse huisartsen behandelen wat betreft antitrombotische therapie de meerderheid van de patiënten volgens de NHG-standaard. Dit onderzoek benadrukt het belang van (lokale) werkafspraken tussen huisartsen en cardiologen, aangezien de cardioloog bij bijna de helft van de patiënten die gediagnosticeerd zijn door de huisarts, betrokken was bij het voorschrijven van antitrombotica. Chlamydia diagnostiek - wie doet wat en waarom? Chlamydia diagnostiek is in ontwikkeling. We horen graag hoe u het aanpakt in de praktijk. Samen met SOAIDS Nederland, GGD Zuid-Limburg en de vakgroep huisartsgeneeskunde MUMC+, is er een korte vragenlijst opgesteld om de (anorectale) chlamydia diagnostiek, zoals die op dit moment binnen de huisartsenpraktijk wordt toegepast, in kaart te brengen. Binnenkort ontvangen huisartsen in onze regio een e-mail om de vragenlijst in te vullen. Wie niet kan wachten: de link staat al op HaWeb. 21 Vragen? Mail dan zeker naar soa-hag@maastrichtuniversity.nl Sygriet Rinsma, WESP-onderzoeker Jochen Cals, huisarts en hoogleraar Huisartsgeneeskunde Maastricht op één lijn 63
Page 22
op één lijn 63 1 e uitgave 2019 In de leer Niet alleen bij leken is ons specialisme onbekend DOOR NOORTJE FICKEN, ARTS IN OPLEIDING TOT SPECIALIST OUDERENGENEESKUNDE In 2016 studeerde ik af voor geneeskunde aan de Universiteit Maastricht. Kennissen die ik sprak, feliciteerden mij en vroegen meer dan eens “dus dan ben je nu huisarts?”. Ik antwoorde dan ontkennend en zei dat ik verder wilde studeren voor specialist ouderengeneeskunde. Een enkeling reageerde “oh, dus dan word je geriater?”. Weer een ontkennend antwoord. Niet alleen bij leken is het specialisme relatief onbekend merkte ik al tijdens de geneeskunde opleiding. Als ik met collega coassistenten de keuzecoschappen besprak, zag ik regelmatig vragende blikken als ik vertelde dat ik naar het verpleeghuis ging. Vrijwillig nota bene. Ik heb de indruk dat het verpleeghuis vooral wordt geassocieerd met incontinentiemateriaal, weinig medische actie en een houding van ‘pappen en nathouden’. Waarschijnlijk komt het naïef over, maar toen ik de keuze voor ouderengeneeskunde maakte, heb ik hier niet eens aan gedacht. Ik zag vooral de uitdaging van complexe casuïstiek, de hoeveelheid tijd die een arts kan besteden aan patiënten en de grote hoeveelheid aan mogelijkheden om je werkzaamheden in te richten. Een specialist ouderengeneeskunde kan binnen het verpleeghuis werken op een geriatrische revalidatie afdeling, een psychogeriatrische afdeling, een somatische afdeling of een hospice. Buiten het verpleeghuis is het mogelijk om consulten te doen in het ziekenhuis of in de eerste lijn. Een ander motief voor deze beroepskeuze (wat ik vaker hoor) betreft de werk-privé balans en de mogelijkheid om naast het werk tijd voor hobby’s te hebben. Geen slecht argument lijkt mij. Ervaringen die buiten het werk opgedaan zijn kunnen een arts beroepsmatig helpen. Denk aan het gevoel voor samenwerken als je aan teamsport doet of het ontspannen aan de werkdag kunnen beginnen omdat je een goede muziek-repetitie hebt gehad. Wat de motivatie ook is om voor een specialisme te kiezen, uiteindelijk gaat het er om dat je als persoon goed in je vel zit en dat je een vak met plezier uitoefent. Ik hoop dat het me lukt om wat van mijn plezier op dit papier (en in de campagne) over te brengen. En als ik dan ook meer informatie de wereld in kan sturen over mijn mooie vak, dan is dat mooi meegenomen! 22 1 e uitgave 2019 23 op één lijn 63
Page 24
op één lijn 63 1 e uitgave 2019 Uit het (plaatsvervangend) hoofd Tussen luizenmoeders en Gauloises blonde bleu DOOR JOOST DORMANS, PLAATSVERVANGEND HOOFD HUISARTSOPLEIDING MAASTRICHT Ik ben bang voor ‘de dokter’. Nu is bang een groot woord, maar als je de hele dag werkt tussen dokters en er intussen al meer dan 1000 hier opgeleid zag worden, dan zou je verwachten dat angst niet nodig is. Echter, na lang aandringen van mijn vrouw, ja ja, ik ben er zo een, zat ik in een gepimpte VT-wonen wachtkamer gevuld met blijigheid van ‘luizenmoeders’ om me heen. De angst zit ‘m in een soort van rekening gepresenteerd te krijgen. Nu weet ik dat goede huisartsen niet oordelen, maar de subtiele afkeuring in de ogen die je krijgt als roker (vanaf 16), alcoholist (>2 glazen wijn per dag), geen sport (wandel wel en 1 appel per week), ‘nul ziekteverzuim en mailapp bereik 24/7’, dan ligt het ‘zie-je-wel-gehalte’ toch op de loer. Gezond leven in de gepropageerde moderne vorm is niet aan mij besteed. Als ik straks samen met een POH’er in een ballongrafiekje moet gaan aflezen hoe ik ervoor sta… Nee, ik ga nog liever dood en 70 jaar is voor mij prima. In de opleiding bekijken we al tijdens de sollicitatiegesprekken hoe het gesteld is met zelfzorg. Zelfzorg in de vorm van het geven van voorbeelden waaruit de sollicitant blijk gaf van een goede werk-privébalans, grenzen stellen, heldere haalbare afspraken maken, gezond leven en werken. Klinkt allemaal top, toch merk ik dat ‘dokters’ zelf huiverig zijn om naar de ‘dokter’ te gaan als er iets speelt. Een collega-huisarts, die door zijn vrouw naar de huisarts werd gestuurd, kwam blij terug om te declameren dat hij de bevestiging kreeg van wat hij zelf al dacht. Tuurlijk je zou er zelf eens naast zitten, waarop een collega-huisarts vrolijk opmerkte dat gelet op de klachten misschien wel iets heel anders aan de hand is dan de twee naar elkaar bevestigden. Positief opleiden begint ook met in de spiegel kijken als rolmodel. Hoe gezond wil ik zijn (in hoofd en lijf)? Hoeveel ‘ongezondheid’ sta ik mezelf toe? Tot hoever vertrouw ik op de factor ‘geluk hebben’? De guilty pleasures zijn meestal zichtbaar als er na 3-4 glazen wijn buiten een sigaretje wordt gebietst van die ene roker en de avocado’s verschrompelen in een mandje. We zien bij de recentere instroom van aios relatief veel verzuim als het gaat om ‘zelfzorg’. De huisartspraktijk heeft naast de vele mooie momenten ook rauwe kanten (werkdruk, agressie/eisende patiënten, intens leed). Over huisartsgeneeskunde heerst een te romantisch beeld. Het onderschatten van de weidsheid van het vak en het omgaan met onzekerheid spelen menig jonge aios parten. Verder stapelen life-events zich op in de vorm van trouwen, kinderen en zelfs verhuizen (oh hemel). Zelfzorg bestaat denk ik voor een groot deel uit keuzes maken en leren door af en toe op je bek te gaan. Het is aan ons om zuinig om te springen met getalenteerde kostbare jonge mensen en hen hierin te begeleiden en te laten zien dat het eelt op je ziel is gekweekt op misschien wel dezelfde manier als waar zij mee worstelen. Ik kreeg van m’n huisarts wat pillen, 2 weken, en als het niet werkt dan echo of x. Altijd weer blij als ik met alleen een pillenstrip buiten sta. Mijn collega zegt: “Wel doen hè Joost?“ waarop ik denk: “En, wanneer ga jij zelf eens naar de dokter, vriend? “. 24 1 e uitgave 2019 Equilibre: rubriek voor huisartsopleiders Het leergesprek DOOR MARIEKE KOOLS EN ARIE DE JONG, COÖRDINATOREN HUISARTSOPLEIDERS Vaardighedencarrousels zijn een leuke didactische werkwijze. Leuk, omdat het kort en krachtig is en de vaart erin houdt, iets wat huisartsen gewend zijn. Wij kunnen relatief veel didactische vaardigheden kwijt in de carrousels, zeker die eerder uitvoerig aan bod kwamen op tweedaagses en trainingsdagen. Regelmatig ‘opfrissen’ staat telkens op onze agenda. Daarom is besloten om op iedere hao-trainingsdag in januari een didactische vaardighedencarrousel te organiseren. Zo ook afgelopen januari in Urmond. Alle opleiders gingen in het kader van het thema ‘Het Leergesprek’ in een carrousel aan het werk. Het taakgerichte-, persoonsgerichte en procesgerichte leergesprek waren verwerkt in vijf stations met concrete vaardigheden: STAMPPOT, Leerdoelen in een IOP, Model van Gedragsverandering, ALOBA en Oplossingsgericht werken. Typische valkuilen van opleiders werden uitvergroot neergezet in een ludiek toneelstukje. Dat het heel herkenbaar was, hoorde je aan de lach in de zaal. Onze boodschap dat opleiders meer aandacht mogen hebben voor de kop en staart van hun leergesprekken, hoefde daarna slechts ingekopt te worden. Bovendien was het een handig bruggetje naar de didactische vaardigheden: wanneer gebruik je als opleider nu welke tool? We kwamen daar goed uit met elkaar. Op EleUm is een handig overzicht voor jullie te vinden, evenals al het materiaal van de workshops. ‘s Middags was er ruimte voor het opleiders-docenten overleg, een belangrijk onderdeel van de hao-terugkomdag, dat op wens van opleiders zelf ook steeds op het programma staat. Mooi om te zien hoe er, ondanks een intensieve trainingsdag, toch nog goed stilgestaan kan worden bij de ontwikkeling van de aios, ons aller corebusiness. Vooruitblik op trainingsdagen dit jaar Voor de hao-trainingsdag in mei staat ‘observeren van vaardigheden’ op de planning. Een nieuw onderwerp uit de hoek van recent onderzoek. Dit past uitstekend bij ons doel om steeds in mei aan te sluiten op actuele Evidence-Based Medicine (EBM) en theorie in de opleidingspraktijken te brengen. Chris Rietmeijer1, huisarts en onderzoeker aan het Amsterdam UMC, locatie VUmc, neemt ons mee in zijn onderzoek naar het observeren van vaardigheden bij het opleiden van een aios. Waarom gebeurt het nog te weinig? Welke overwegingen van opleiders en aios spelen daarbij een rol? En als het dan gebeurt, zoals in een gezamenlijk spreekuur, hoe begeleiden opleiders dan hun aios wanneer het een vaardigheid betreft? Een onderwerp waarover veel te zeggen, uit te wisselen en, in onze ogen, ook te leren valt. Tenslotte dan nog de twee trainingsdagen in ‘Kapellerput’ in Heeze, oftewel onze welbekende tweedaagse in november. Doel daarvan is, om steeds een inspirerend samenzijn met alle opleiders te organiseren, zowel inhoudelijk als verbindend. Ook dit jaar hebben we een inspirerende spreker gevonden, die een goed verhaal gaat neerzetten, wat de huisarts en de opleiders zeker zal aanspreken. Professor Erik Heineman, arts en onderzoeker aan het UMC Groningen, gaat vertellen over drijvende krachten achter het leren, zoals nieuwsgierigheid, mindset en motivatie. We zijn al volop bezig om workshops te ontwikkelen die hierop aansluiten. Onder het motto ‘Opleiders Got Talent’, zoeken we voor het avondprogramma ‘verborgen’ talenten. In het café van Kapellerput krijgt iedereen de kans dat te etaleren. Eén aanmelding hebben we al binnen: een opleider gaat met zijn aios optreden. Ben of ken jij zo’n verborgen talent, meld het ons! 1 Patterns of direct observation and their impact during residency: general practice supervisors’ views 25 op één lijn 63
Page 28
op één lijn 63 1 e uitgave 2019 Weten is eten Goudkoorts DOOR HENDRIK JAN VUNDERINK, REDACTIELID Was het echt voorbij met de mijnbouw in Limburg in 1974? Welnee! Nog steeds trekken elk voorjaar Poolse koempels de velden in om het witte goud te delven. Ik zie ze altijd graag komen. Elk jaar, na de carnaval, begint de lust naar de slanke asperge langzaam toe te nemen. Tot ik begin april mijn slag sla, klasse AA van de volle grond rond Echt. De mysterieus-heerlijke asperge: behalve met de onvergelijkelijke smaak, prikkelt ze ook ons reukvermogen. Niet alleen op het bord, maar ook uren later. Want als de maaltijd gezakt is, komt de herinnering boven bij het eerstvolgende toiletbezoek. Althans… als je behoort tot de 40% mensen die niet “geurdoof” is voor de karakteristieke geur van je plas. Het houdt mij elk voorjaar weer bezig, dat mijn vrouw mij verbaasd en licht wantrouwig aankijkt, als ik terug van de wc, gewag maak van de bekende, en voor mij niet onaangename, geur die mij nog even doet mijmeren over het zojuist genoten feestmaal. Ook wetenschappers blijken gefascineerd! In het Kerstnummer van het British Medical Journal uit 2016 publiceerden L.A. Mucci et al. hun onderzoek naar aspergegeur onder de titel “Sniffing out significant “Pee values”: genome wide association study of asparagus anosmia1”. Dit alles onder het kopje “Food for Thought”. Uit hun onderzoek onder ruim 6000 proefpersonen was de conclusie: 1 www.bmj.com/content/355/bmj.i6071 Zoals het een goed onderzoek betaamt, doet het weer vele vragen rijzen. Want in het reukvermogen blijkt dus de nodige variatie aanwezig, maar hoe zit het met de productie van de geurstoffen? Ook daar schijnt niet ieder mens identiek in te functioneren. Suggestie van het BMJ voor een ander vervolg: “Future replication studies are necessary before considering targeted therapies to help anosmic people discover what they are missing”. Laten wij in ieder geval besluiten om, asperge-anosmie of niet, ook dit seizoen niets te gaan missen van de grote variatie aan recepten. Combinaties met zalm en/of garnalen zijn altijd erg smakelijk. Omdat er na de Pasen soms nog wat hardgekookte eieren rondslingeren, doen we die er ook maar bij. Smakelijk eten, en geniet met mij na, als je ook tot de “happy sniffers” behoort! 28 “A large proportion of people have asparagus anosmia. Genetic variation near multiple olfactory receptor genes is associated with the ability of an individual to smell the metabolites of asparagus in urine.” En wat ruik je dan, als je tenminste op chromosoom 1 de juiste genensamenstelling hebt? Asperges produceren de zwavelhoudende stof asparagusinezuur, waarschijnlijk als verdediging tegen vraat van aaltjes in de bodem. In het menselijk lichaam wordt die stof afgebroken tot vluchtige zwavelverbindingen, die snel via de nieren worden geloosd. En die stoffen hebben een stevige geur. RECEPT, VOOR 4 PERSONEN Asperges met dille-mayonaise Zalm tartaartje Gamba tartaartje Mimosa eieren Nieuwe aardappeltjes, aardappelgratin, of rozemarijnaardappeltjes uit de oven. Begin met de gerechtjes die vooraf bereid gemaakt en koel bewaard kunnen worden. ZALM TARTAARTJE - 100 g gerookte zalm - 200 g verse zalmfilet - kappertjes, peper en zout - 2 tl geraspte mierikswortel (potje) - 125 ml crème fraîche - Peper, zout, citroensap, evt. poedersuiker Crème fraîche losroeren met de mierikswortel, op smaak afmaken met citroensap, peper, zout en evt. wat poedersuiker. Hak de zalm heel fijn (evt. keukenmachine), meng met de kappertjes, zout en peper. Druk aan in een vormpje, bestrijk met mierikswortelcrème. Versier, bijv. met nepkaviaar en/of kappertjes. GAMBA TARTAARTJE - 500 g gamba’s, gepeld - 1,5 el zonnebloemolie - 1 teentje knoflook, fijngesneden - 1 tl zout - Versgemalen peper - 15 g dille, fijngesneden - 10 g dragon, fijngesneden - 100 g mayonaise - 30 g zoetzure augurken, in kleine stukjes Dep de gamba’s goed droog. Verwarm de zonnebloemolie in een koekenpan op hoog vuur. Wanneer de olie goed heet is, mogen de gamba’s in de pan. Bak ze aan beide kanten ongeveer drie minuten of tot ze mooi roze zijn. Voeg als laatste de knoflook toe. Bak deze nog even mee. Strooi wat zout en peper over de gamba’s. Doe de gamba’s samen met het vet en aanbaksels uit de pan in een keukenmachine. Voeg dille, dragon en mayonaise toe. Pulseer een paar keer, zodat alle ingrediënten vermengd zijn, maar niet te lang, het moet een grove tartaar worden. Doe de gambatartaar in een kom en roer er de augurk doorheen. Proef of er nog wat zout bij moet. Maak er, net zoals bij de zalmtartaar, “poefjes” van. MIMOSA EIEREN - azijn - 4 eieren - 50 g roomboter (zacht) - 20 g slagroom - peper en zout - snuf cayennepeper - voor de garnering: peterselie, dille, erwtjes, bieslook, kappertjes, bacon, enz. Kook de eieren in 10 minuten hard in water met een scheutje azijn. Laat ze schrikken en schil ze. Snijd ze doormidden, leg de witjes apart op een plank. Doe de dooiers in een zeef en druk ze erdoorheen in een kom (dat lijkt op mimosa). Mix de boter met wat scheutjes slagroom glad. Voeg de kruiderij toe. Doe dan de mimosa erbij. Mix goed door, voeg eventueel nog een drup room toe. Pak een bord, leg er de witjes op. Neem een spuitzak, vul met het mengsel en maak mooie rozetjes op de eischuitjes. De mogelijkheden om te garneren zijn onbeperkt DILLE-MAYONAISE - 2 el goede mayonaise (of zelf maken) - 0,5 el room - 2 tl grove mosterd - flink wat gehakte dille - Witte peper en zout Roer de mosterd en de dille door de mayonaise, iets verdunnen met de room. Peper en zout naar smaak. Maak de asperges klaar, zoals je dat gewend bent. Ik kook de asperges samen met de schillen en de houtige uiteindjes gedurende 5 minuten, en laat ze dan van het vuur af nog 5 tot 10 minuten staan, afhankelijk van de dikte. Maar ik houd van een beetje bite, dus doe vooral je eigen ding. En dan van dit alles een creatief bordje opmaken, want het oog wil ook wat, naast de smaakpapillen en de reukzenuw: kijk, smak en snuif! 29 op één lijn 63
Page 30
op één lijn 63 1 e uitgave 2019 In de leer TLC DOOR ELEANA ZHANG, GEPROMOVEERD HUISARTS Iedere keer als ik op een nieuwe ziekenhuisafdeling kom, gaat er een nieuwe wereld van afkortingen voor me open. Zo ook tijdens mijn keuzestage Gynaecologie. De afkortingen SROM, AROM of PIH kende ik nog wel van mijn coschap in Zuid-Afrika, maar ik heb behoorlijk met mijn oren staan klapperen toen de lading aan Nederlandse afkortingen aan mij voorbijtrok. Terwijl mevrouw X doorgeleid moest worden wegens MHVW, werd mevrouw Y opgenomen vanwege verminderde KB. Ik betrapte mezelf erop dat ik dagelijks, tussen de ochtendoverdracht en mijn ochtendpoli door, afkortingen aan het opzoeken was: MHWV staat voor meconiumhoudend vruchtwater, en KB kindsbewegingen. Lang leve Uncle Google. Daarnaast waren er afkortingen die zo ‘normaal’ zijn dat ze niet terug te vinden zijn op internet maar wel gebruikt worden als werkwoorden: tijdens de kennismaking vroeg een verloskundige me of ik mijn zoontje heb gesppaavd1 (spontaan bevallen met het kindje in achterhoofdsligging achterhoofd voor): uiteraard. Eén afkorting is me echt bijgebleven. Mevrouw D beviel na langdurige weeën en persen, een episiotomie én een poging tot vacuümextractie, uiteindelijk via een sectio omdat het kindje maar niet vorderde. “Het gaat goed met het kindje, maar mevrouw heeft psychisch wel een deuk opgelopen”, 1 Spontane partus Achterhoofdsligging achterhoofd voor (SppAav) vertelde de verpleegkundige tijdens de ochtendoverdracht. Hierop reageerde de gynaecoloog met “Vandaag maar wat extra TLC”. Nu ken ik TLC alleen als de televisiezender die voornamelijk gericht is op vrouwen in de leeftijdscategorie 25 - 50 jaar. Ergens kan ik me moeilijk voorstellen dat de gynaecoloog die patiënte TV wil laten kijken om de bevalling te laten verwerken. Zelfs voor mijn half ontwaakte brein om kwart voor acht in de ochtend klonk dat niet logisch. Maar wat hield deze veelbelovende behandeling dan in? De verloskundige naast me gaf het bevrijdende antwoord: “Tender loving care”. Tender loving care, oftewel TLC, wordt (volgens Wikipedia, bij gebrek aan een betere bron) gedefinieerd als ‘zorg met aandacht en compassie’, en het ‘kan worden ingezet als er geen andere behandeling beschikbaar is’. Terugblikkend op het afgelopen jaar realiseer ik me dat TLC – ondanks zijn goedkoop-klinkende benaming – erg waardevol kan zijn in de huisartsenzorg. In het huisartsenvak maken we soms best heftige dingen mee. En niet zelden heb ik mezelf maar ook collega’s horen verzuchten dat er ‘niet veel’ was wat we konden doen voor een patiënt. Want wat kun je doen voor een patiënt van wie de echtgenote net overleden is in het kraambed? Of een veertigjarige die een gezin met drie kinderen achterlaat als gevolg van kanker? Of als je hoort dat een patiënte haar echtgenoot gesuïcideerd thuis aantreft? Ons vak kent grote en kleine drama’s die we niet ‘beter kunnen maken’. Maar, een van de dingen die ik geleerd heb het afgelopen jaar is, dat je als huisarts juist ook in deze moeilijke situaties iets voor je patiënt kunt betekenen. Mensen de ruimte geven voor hun boosheid en verdriet, laten weten dat je met ze meeleeft, een keer extra langsgaan. Aan het begin van mijn derde jaar vroeg ik me af wat voor huisarts ik wil worden. Aan het einde van de opleiding zeg ik: een kundige arts die in ieder geval oog heeft voor de patiënt en de mensen eromheen, en die zorg uitdraagt met de nodige TLC. 30 op één lijn 63 1 e uitgave 2019 In de leer Mag ik deze dans van u? DOOR ARIANNE BECKERS, EERSTEJAARS AIOS Zomer 2013. Als 24-jarige kersverse dokter betrad ik de kasseien van de Koninklijke Militaire Academie voor een drie maanden durende specialistenopleiding. Eerst ‘groen’ vormen, voordat de opleiding tot militair arts echt van start zou gaan. Tot de ‘groene vorming’ behoort ook het exerceren, ofwel: in het gelid voortbewegen. Het was mijn favoriete onderdeel omdat onze sergeant-majoor frequent schreeuwde: “Beckers, loop je nou al weer uit de maat?”. Het is de story of my life. Ik ben geboren en gezegend met het talent om uit de maat te kunnen lopen én dansen! Nu ik sinds enkele maanden in opleiding ben tot huisarts, valt me op dat dit vak ook een soort dans is. De huisartspatiënt relatie volgens het paternalistische, informatieve, deliberatieve en interpretatieve model. Respectievelijk de tango, de chachacha, de breakdance en de vogeltjesdans. Zoveel dansstijlen, zoveel verschillende patiënten en evenveel verschillende dokters. Door mijn werkervaring als militair arts dacht ik, dat ik ‘wel even’ een ‘goed’ consult kon voeren. De basispasjes had ik dan wel aardig onder de knie, maar ik moet retrospectief toegeven dat ik toch wat tenen pimpelpaars gekleurd heb. Soms kwam dat door de lengte van de tenen (het is altijd makkelijker om de schuld buiten jezelf te zoeken en te leggen), maar soms ook door mijn eigen dansstijl c.q. wijze van consultvoering. In de afgelopen maanden heb ik verschillende danspasjes bijgeleerd. Ik durf te zeggen dat ik meer dansstijlen onder de knie heb gekregen. De Maas-Globaal is hierbij een mooie leidraad. Ook de begeleiding en het terugkijken van eigen consulten hebben hieraan bijgedragen. Danspasjes zijn nou eenmaal makkelijker aan te leren, als je in de spiegel kunt kijken. In de spreekkamer is het toneel vrij. Afhankelijk van de muzieksoort en het dansgezelschap, kan de dansstijl tijdens de hele dans hetzelfde zijn, maar het kan ook ieder moment fluctueren. Dat maakt het uiteindelijk tot een mooie voorstelling ofwel een ‘goed’ consult. Ik heb de afgelopen maanden heel wat afgedanst. Spierpijn, vermoeid, maar ook een voldaan gevoel over het behaalde resultaat tot nu toe. Mijn talent om uit de maat te dansen beheers ik nog steeds. Het heeft me parten gespeeld, maar ook geholpen. Mijn doel is niet om een perfecte danseres 31 te worden. Ik wil me graag scholen, maar uiteindelijk wil ik me kunnen redden in elke dansvorm. Zoals een excentrieke danseres, die volle zalen trekt, entertaint, maar vooral zo nu en dan de gevoelige snaar raakt. Ik heb het plezier en de uitdaging in deze nieuwe ‘hobby’ gevonden. Ik word niet langer onzeker als er opeens een andere muzieksoort wordt opgezet of wanneer ik uit onverwachte hoek een andere danspartner krijg. Sterker nog, ik vraag nu elk kwartier: ‘Mag ik deze dans van u?’.
Page 32
op één lijn 63 1 e uitgave 2019 Column Van alle tijden DOOR K.O.E.K. WOUS Afgelopen maandag kreeg ik een telefoontje van een medewerkster van de ambulancedienst. In het weekend was er namelijk een 112 oproep geweest voor een patiënt van me. Hij zou in regen en wind op blote voeten buiten hebben gelopen. Dronken. Zij vond dit een zorgelijke situatie en wilde dit met me delen. Ik wist natuurlijk meteen over wie dit gesprek ging. Inclusief geboortedatum, adres en postcode. Hij was afgelopen week nog tweemaal op het spreekuur geweest, met zijn begeleider vanuit de plaatselijke GGZ-instelling, vanwege zijn door het alcoholgebruik ernstig gestoorde labwaardes. Het was een laatste poging om hem tot inzicht te brengen. Na viermaal klinisch gedetoxificeerd te zijn, waarna hij telkens binnen drie weken weer laveloos in de goot lag, wilde de plaatselijke GGZ-instelling hier alleen nog aan beginnen als meneer zelf tot inzicht was gekomen. Dat lukte na twee consulten, in totaal ruim een uur, niet. Hij zei: “Dan ga ik maar dood”. Wat moet je dan als dokter? Ik moest tijdens het telefoongesprek meteen denken aan een artikel van Joost Zaat in Huisarts & Wetenschap van december 2018. Daarin werden drie opties gegeven voor de praktische invulling van de taken van de huisarts: Traditioneel, Huidig en Trendvolgend. Ik las Verleden, Heden, Toekomst. Bij Traditioneel werd de solopraktijk beschreven, bij Huidig een groepspraktijk en bij Trendvolgend is de huisarts onderdeel van een sociaal-medisch netwerk samen met wijkteams en wordt de huisarts medeverantwoordelijk voor het zorgaanbod. Terwijl ik hieraan dacht, schrok ik. Er was door dit artikel een denkproces in mij in gang gezet. Hierbij vroeg ik me af hoe ik me die rol moest voorstellen, wat er van de huisarts van de toekomst wordt verwacht en hoe ik dat dan vorm moest geven. Maar dat was nog niet afgerond. En nu werd ik door dit telefoontje en het contact met de begeleider van de plaatselijke GGZ-instelling in één klap in de toekomst gesleurd. Een toch wel wat surrealistische gewaarwording. Prompt gingen mijn gedachten naar een andere recente casus. Een patiënte van me, met een obsessief compulsieve stoornis bij haar paranoïde schizofrenie, had zichzelf zo verwaarloosd dat ze, vanwege onmeetbaar weinig vitamines in het lijf, vocht was gaan vasthouden bij een Hb van 3,8 mmol/L. Ondanks alle pogingen van mij om samen met de thuiszorg dit vitaminegebrek te couperen, ging het steeds slechter met haar. Ik heb haar naar de polikliniek van de internist verwezen met het verzoek haar op te nemen. In al zijn wijsheid heeft hij dat niet gedaan. Er werd alleen aanvullend onderzoek ingezet. De volgende dag kreeg ik een telefoontje dat de uitslagen toch wel héél slecht waren en dat mevrouw opgenomen moest worden, maar hij kreeg haar niet te pakken. Of ik het even wilde regelen. Ik ben daar ’s middags twee uur mee bezig geweest, maar kreeg haar ook niet aan de telefoon. Ook maakte ze de deur niet open. Wel had ik voor de volgende dag een plekje op de MPU geregeld. De volgende ochtend heb ik contact met haar kunnen leggen, ben op bezoek geweest en heb ik haar uiteindelijk min of meer gedwongen met de ambulance naar het ziekenhuis laten brengen waar zij zich ‘vrijwillig’ heeft laten opnemen. Weer anderhalf uur tijd ‘kwijt’. Blijkbaar stopt de toekomst van de zorg bij de muren van het beste streekziekenhuis in de buurt. Wel heb ik alle lof voor de MPU, die heel plezierig met me meedacht. Hoe kunnen we medeverantwoordelijk zijn voor het zorgaanbod, als wij geen invloed hebben op het vervolgbeleid? Kijk naar de wachttijden bij de GGZ, het zorgaanbod vanuit de tweede lijn, of de onwil van de patiënt (of is het dan cliënt?) om zijn levensstijl aan te passen! Waar halen we de tijd vandaan, die nodig is om deze zorg goed te leveren? Ik voelde me door het telefoontje van de ambulancemedewerkster licht onder druk gezet door de verwijtende ondertoon; ik had moeten voorkomen dat deze man zo over straat liep. Gelukkig kon ik vertellen dat deze man in ons vizier was, maar dat onze handen gebonden waren. Toch gaf het gesprek me wel een nare nasmaak. Vooral vanwege de onmacht die ik voelde. 32 Eveline schrijft: agressie Stá voor je assistente! DOOR EVELINE, ASSISTENTE IN EEN HUISARTSPRAKTIJK Zeven, ja echt, zéven scholingen op het gebied van communicatie heb ik in de afgelopen drie jaar gevolgd. Want, zo is de gedachtegang onder veel managers en huisartsen, maar ook van patiënten: ‘als die assistentes nou maar goed zijn in communicatie, dan valt die agressie ook wel mee’. Ik heb nieuws: die agressie valt niet mee! Afgelopen week verscheen de uitkomst van een onderzoek naar agressie jegens doktersassistentes uitgevoerd door de NVDA1. De uitkomst vond ik niet verrassend, wel schokkend! Bijna tweederde van de doktersassistentes die werkzaam zijn op de huisartsenpost of een huisartsenpraktijk geeft aan te maken te hebben met agressie. Hoe agressie gedefinieerd wordt is nogal uiteenlopend. In dit onderzoek gaat het over spugen, slaan en schoppen tot vernielingen en zelfs bedreiging met mes of vuurwapen. Gedrag wat we in ons huis niet zouden tolereren, toch? 1 Nederlandse Vereniging Van Doktersassistenten En toch overkwam het mij ook. Een patiënt die ik goed ken veranderde, voor mijn gevoel zomaar uit het niets, in een agressor. Iemand die mij letterlijk naar het leven stond. Mijn veilige plekje, mijn ‘thuis’, veranderde in een omgeving waar ik niet veilig was. En ik kon er niets tegen doen. Ik had niets fout gedaan, had zelfs amper een woord gewisseld met die patiënt. Daarom een oproep aan alle werkgevers van doktersassistentes: stá voor je assistente. Help haar (of hem) zich veilig te voelen. Dit kan door kleine dingen die ik niet voor hoef te zeggen, maar die jullie met elkaar goed kunnen bespreken. Misschien kost het wat geld, maar dat is een investering die iedere werkgever met liefde zou moeten willen doen. Want, zoals ik al eerder vroeg, in huis zou je agressie tegen je gezinsleden ook niet toelaten. Toch? Natuurlijk is het een goed idee om je assistente naar een cursus te laten gaan over agressie. Maar lieve huisarts, wil je zelf dan niet eens meegaan? Eén van ‘mijn’ huisartsen heeft het gedaan; wat was dat fijn! Ik voel me weer veilig op mijn werk, mijn ‘thuis’ voor 3 dagen per week. Bron: NVDA Utrecht 33 In de gevolgde communicatiecursussen heb ik absoluut veel zinnige dingen geleerd. Zo helpt het echt om een telefoontje te beginnen met de vraag: ‘wat kan ik voor u doen?’, in plaats van alleen je naam of die van de praktijk te zeggen. Het helpt in veel gevallen om een bange/boze/gefrustreerde patiënt te vertellen dat je hem begrijpt en wil helpen. Toch is het niet altijd genoeg. De achterstandswijk waar ik werk, kent heel veel verschillende culturen en kleuren. Er heerst veel armoede, de politie kent heel veel mensen bij naam en de geweldsdelicten zijn bijna niet nieuwswaardig meer. Je zou dus kunnen zeggen dat de mogelijkheid dat je met agressie te maken krijgt daar groter is, dat het iets is, waar je voor kiest. Toch was dat voor mij niet zo. Ik werk al jaren op dezelfde plek, en ik voelde me daar veilig. Het voelt een beetje als mijn thuis. Ik ken bijna alle patiënten en zij kennen mij. Boosheid komt veel voor, is niet leuk, maar vaak wel af te handelen en in goede banen te leiden. op één lijn 63
Page 34
op één lijn 63 1 e uitgave 2019 Gezondheidsrechtelijke kwesties Wijzigingen in het tuchtrecht voor hulpverleners1 DOOR MR. ARIE DE JONG, HUISARTS EN JURIST De laatste jaren krijgt het tuchtrecht in de gezondheidszorg veel aandacht. Enerzijds vanuit de juridische hoek over de wenselijkheid van aanpassingen en anderzijds vanuit de beroepsgroepen die onderworpen zijn aan het medisch tuchtrecht1. Sinds de wet BIG in werking trad in 1997, is hij tweemaal geëvalueerd (in 2002 en 20132). In deze evaluaties zijn voorstellen gedaan tot aanpassing van de wet, maar die zijn pas in 2016 tot een wetvoorstel verwerkt en in 2018 aangenomen door de Tweede en de Eerste Kamer. De vermoedelijke ingangsdatum van de nieuwe regeling van het tuchtrecht in de gezondheidszorg is april 2019. Het primaire uitgangspunt van het tuchtrecht is nog steeds het bewaken en verbeteren van de kwaliteit van de beroepsuitoefening, al wordt het steeds meer als een lichte vorm van strafrecht beleefd. Overzicht van de aanpassingen De belangrijkste aanpassingen in het tuchtrecht voor hulpverleners betreffen de invoering van de tuchtklachtfunctionaris en het griffierecht, het afschaffen van het standaard publiceren van berispingen en boetes. De voorzitter van het tuchtcollege krijgt de bevoegdheid om een voorzittersbeslissing te nemen. Daarnaast zijn er nog wat kleine wijzigingen, zoals het verplicht bekend maken van het BIG-nummer, het onmiddellijke beroepsverbod, de reikwijdte van het tuchtrecht en een mogelijke wijziging in maatregelen. Ook zijn er gesprekken gaande over de reorganisatie en herlocatie van de Regionale Tuchtcolleges. Tuchtklachtfunctionaris De tuchtklachtfunctionaris is een nieuwe functionaris die met inhoudelijke kennis en sociale vaardigheden moet zorgen dat de klager op het juiste adres de klacht deponeert. Veel klachten horen niet thuis in het tuchtrecht, maar in de klachtenprocedure van de Wkkgz. Daarnaast kan er geholpen worden met het formuleren van de klacht om misverstanden3 en vertragingen4 te voorkomen. 1 Martin Appelo; “Verslagen door het tuchtrecht”, oktober 2018, Boom. 2 Bijna 70 aanbevelingen uit 2002 waren in 2013 nog niet opgevolgd. 3 Klagers die denken de geldboetes zelf te kunnen krijgen 4 Uitgebreide klaagschriften zonder kop of staart terugbrengen naar een overzichtelijke klacht waarop een reactie mogelijk is. Griffierecht Het griffierecht van 50 euro is bedoeld als drempel tegen bagatelklachten. Mogelijk weerhoudt dit ook klagers met klachten, die wel in het belang zijn van de kwaliteit van zorg. De administratie omtrent het innen en terugbetalen bij een gegronde klacht komt bij de regionale tuchtcolleges te liggen. Bij een gegrondverklaring van de klacht kan de zorgprofessional ook nog worden veroordeeld in de kosten die de klager heeft moeten maken om de klacht aanhangig te maken5. Het blijft wat vreemd om klagers te laten betalen voor het bewaken en verbeteren van de beroepsuitoefening. Het afschaffen van het standaard publiceren van berispingen en boetes Deze wijziging wordt als de meest prettige wijziging gezien door zowel de beroepsgroepen als de leden van de tuchtcolleges. Het was destijds een politieke beslissing van minister Schippers die werd doorgevoerd, ondanks protest van diverse beroepsorganisaties én ledenberoepsgenoten en juristen van de tuchtcolleges. De publicatieplicht had niets meer met de kwaliteit van de gezondheidszorg te maken en werd als extra straf ervaren. Het is geen taak van de tuchtcolleges om professionals in de gezondheidszorg aan de schandpaal te nagelen. Dit neemt niet weg dat in bepaalde gevallen dit nog steeds mogelijk is, als het publieke belang (patiëntveiligheid) en daarmee de kwaliteit van de gezondheidszorg, boven het privacybelang van de zorgprofessional moet gaan6. Voorzittersbeslissing Vanaf april 2019 mag de voorzitter van het tuchtcollege een voorselectie maken en kan hij zaken zonder zitting als ongegrond afdoen. Voorheen waren dit allemaal raadkamerzaken die door het college beoordeeld werden. Nog steeds zal er, als er medisch inhoudelijke zaken spelen, een beroepsgenoot meekijken. 5 Dit is nu gelijk aan het civiele recht 6 Denk bijvoorbeeld aan ‘misbruik’, ‘kwakzalverij’, of zoals recent het ongeoorloofd maken van opnames in de onderzoeksruimte (als deze zaken al niet leiden tot een schorsing of ontzetting uit het beroep). 34 1 e uitgave 2019 Onmiddellijke onthouding van beroepsactiviteiten In de wijziging van de Wet BIG wordt opgenomen, dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) een last tot onmiddellijke onthouding van de beroepsactiviteiten (LOB) kan opleggen en daarmee een voorlopig verbod van beroepsuitoefening afdwingt tot de uitspraak van het Tuchtcollege. Hier kan ook vermeld worden dat, als een ingetrokken klacht wordt voortgezet om ‘redenen van algemeen belang’, op basis van de nieuwe wet BIG, voor het vervolg van de zaak de IGJ aangemerkt wordt als klager. Hier kan ook vermeld worden dat, als een ingetrokken klacht voortgezet wordt, om ‘redenen van algemeen belang’, op basis van de nieuwe wet BIG voor het vervolg van de zaak de IGJ aangemerkt wordt als klager. Reikwijdte van het tuchtrecht De reikwijdte van het tuchtrecht onder de nieuwe wet BIG zal zich ook in de privésfeer begeven7. Onbetamelijk privégedrag van BIG-geregistreerde zal na april onder het tuchtrecht vallen. Ze moeten dan wel ongeoorloofd zijn in het licht van de beroepsuitoefening. Het zal gaan om beroepsbeoefenaren die een gevaar voor de patiënten vormen of het vertrouwen in de beroepsuitoefening ernstig schaden. Ook in artikel 1 van de nieuwe Wet BIG is er uitbreiding van de reikwijdte te vinden door de toevoeging van “het aanbrengen, modificeren, herstructureren en wegnemen van weefsel bij een persoon”, als dat is voor andere doeleinden dan het genezen van een ziekte. Hierdoor vallen cosmetische handelingen nu ook onder de Wet BIG. Ook nieuw is dat de voorzitter partijen kan oproepen ter verschijning. Op basis van de nieuwe wet BIG zijn ze dan ook verplicht te verschijnen. Wijzigingen in mogelijke maatregelen Vanaf april 2019 kan de tuchtrechter ook een tuchtrechtelijk beroepsverbod opleggen als er sprake is van een ernstig gevaar voor de patiënt. Waar vroeger alleen een doorhaling in het BIG-register mogelijk was, waardoor de zorgverlener nog in opdracht en onder toezicht zou kunnen werken, vervalt deze mogelijkheid onder de nieuwe Wet BIG. Verder is de mogelijkheid, iets wat in de praktijk al bestond, om een klacht gegrond te verklaren, zonder het opleggen van een maatregel nu gecodificeerd. Met name als het gaat om “…de geringe ernst van het handelen of nalaten, de omstandigheden waaronder het handelen of nalaten hebben plaats gevonden. Dan wel omstandigheden die zich nadien hebben voorgedaan”. Bekendmaken van BIG-nummer Het BIG-register is openbaar en met naam en adres kan een BIG-geregistreerde snel gevonden worden. Vanaf april 2019 moet een arts zijn BIG-nummer, indien gevraagd, bekend maken aan de patiënt. Geografisch wijzigingen Waarschijnlijk worden na april 2019 ook nog de tuchtcolleges gereorganiseerd. Er zullen colleges worden samengevoegd en er zal relocatie plaatsvinden. Zoals nu in de planning staat, gaan Groningen en Zwolle samen in Zwolle, zal Den Haag fuseren met Amsterdam en verder gaan in Utrecht. Eindhoven zal verplaatst worden naar Den Bosch. Het Centraal Tuchtcollege blijft in Den Haag. De planning om dit te realiseren ligt in 2020. Het laatste woord is hierover echter nog niet gezegd. 7 Door een aanpassing van de tweede tuchtnorm: “enig ander handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijke beroepsbeoefenaar betaamt.” Dit is een aantal wijzigingen waar we de effecten de komende jaren van zullen zien. Het beste is om weg te blijven bij de tuchtcolleges. Mocht het je toch overkomen, besef dan dat een gegronde klacht en een maatregel alleen iets zegt over het tekortschieten in één bepaalde situatie. Je bent nog steeds een goed hulpverlener, zolang je niet geschorst of uitgeschreven wordt. Het is daarom goed dat de publicatieplicht van boetes en berispingen is vervallen. 35 op één lijn 63
Op één lijn 61

Op één lijn 62


Page 2
Colofon Oplage 2280 Hoofd/eindredactie Babette Doorn Redactieleden Hendrik Jan Vunderink, Stephan van den Brand, Eefje de Bont, Lisette Verheijen en Babette Doorn Doelgroep Huisartsen Limburg en Brabant, aios en alumni, afdelingen MUMC+ & overige relaties E-mail op1lijn@maastrichtuniversity.nl Postadres Vakgroep HAG Universiteit Maastricht Postbus 616 6200 MD Maastricht Bezoekadres P. Debyeplein 1 6229 HA Maastricht Ontwerp/druk The Creative Hub – Maastricht University, UM-13420 Fotografie Kaft, pag 3, 16, 17, 18 en 26 gemaakt door Loraine Bodewes Pag 6, 7, 11 en 35 gemaakt door Joey Roberts Pag 14 (Kelemework en Solomon) en 15 (Eefje) gemaakt door Philip Driessen Pag 21 gemaakt door Britt Hameleers, stagiaire MUMC+ Pag 24 gemaakt door Luc Lodder Pag 30 Appie Derks Deadline volgend nummer 22 maart 2019 © Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Inhoudsopgave Algemeen Van de redactie – Babette Doorn Van de voorzitter – Jean Muris Huisarts en huisdier – Jeroen Smeets Marjan van den Akker benoemd tot hoogleraar – redactie Afscheid André Knottnerus – Geert-Jan Dinant Stellen zich voor: Esther Boudewijns, promovendus Danny Claessens, promovendus Stijn Duijn, promovendus Jessica Verster-de Snoo, huisartsbegeleider Maurice Lucassen, huisartsbegeleider Yvonne van Baars, gedragswetenschapper Onderzoek Bruikbare Wetenschap – Jochen Cals CAPHRI-posterprijs – Karin van Leersum OOK en de Witte Raven – Simon Kleijkers Zeldzameziektendag 2019 3 4 5 5 6 8 8 8 9 9 9 10 11 12 12 Promoties Stephanie Lenzen – Self-management goal setting and action planning in primary care 14 Angel Schols – Diagnostics at the point-of-care in general practice: acute cardiopulmonary symptoms Kelemework Adane Asmare – Tuberculosis in Ethiopian Prisons Ies Dijksman – TeleScreen as a novel internet-based tool for classifying mental disorders presented in primary care 14 14 15 Solomon Shiferaw Yesuf – Phone-based applications improve maternity services in Ethiopia 15 Eefje de Bont – Childhood fever in out-of-hours general practice 15 Themadeel opleiding ouderengeneeskunde Inleiding themadeel – Anne van den Brink Projectgroep Ouderengeneeskunde Maastricht Stelt zich voor als coördinator – Mariëlle van der Velden-Daamen Een extra opleiding is hard nodig – Jos Schols Kom eens kijken in het verpleeghuis! – Shennah Austen Moeilijk om de juiste zorg te vinden – Janine Collet Gezondheidsrechtelijke kwesties: Euthanasie bij dementie – Arie de Jong In de media Contact Ouderengeneeskunde Column: Zorgen doe je samen – K.O.E.K. Wous Huisartsopleiding Uit het adjuncthoofd – Joost Dormans Weten is eten: Mijn vrouw eet geen vlees meer – Hendrik Jan Vunderink Equilibre: opleiders tweedaagse – Marieke Kools en Arie de Jong Genomineerde huisartsen ‘Clinicus van het Jaar’ – redactie Opleidingspraktijken gezocht – Lilian Aarts WESP: Bas Beniers: De invloed van weersomstandigheden Alzheimer onderzoek In de leer. Als je baret maar goed zit – Arianne Beckers Oud aios: hoe vergaat het ze? – Paul Roos Aios Referatendag – Niels Beurskens Made in Maastricht 2 16 17 18 18 20 21 22 24 24 25 26 27 28 30 30 31 31 32 33 34 35 Van de redactie Oud is nieuw Vlak voordat de bomen dit jaar hun laatste bladeren verloren, maakten we de foto’s voor de cover en het katern over ouderengeneeskunde. Het was de dag waarop de projectgroep ‘opleiding tot specialist ouderengeneeskunde in Maastricht’ hier bijeenkwam voor de officiële start. We zijn erg blij dat we per 1 september 2019 mogen starten met een eerste groep aios ouderengeneeskunde in Maastricht. Goed voor de regio, de basisartsen (in opleiding) en onze vakgroep. Waarom dat is en wat we gaan doen, proberen we in het katern te beschrijven. Specialist ouderengeneeskunde Mariëlle van de Velden-Daamen is de coördinator van onze nieuwe opleiding. Oud is nieuw! Zoals altijd nemen we ook weer afscheid van medewerkers. Professor André Knottnerus hield zijn afscheidsrede, maar liep de week daarna als vanouds rond op de gang. Marjan van den Akker is een ‘oude’ bekende, maar ze gaat ons verlaten om een hoogleraarschap in Frankfurt te aanvaarden. Kersvers hoogleraar Jochen Cals kon de afgelopen weken zijn toga flink inwijden (zie promoties). Zijn rubriek ’Bruikbare Wetenschap’ schoot er bijna bij in. En promovendus Karin van Leersum sleepte de CAPHRI posterprijs binnen. Oktober was de maand van een zestal promoties. De laatste in die reeks was huisarts Eefje de Bont. Eefje, tevens redactielid, blijft bij ons werken als postdoc onderzoeker. De lege plekken op de gang zijn sinds kort weer ingevuld door nieuwe onderzoekers: zij stellen zich aan u voor. Net als twee nieuwe HABs bij de huisartsopleiding. Ook Jessica is een jonge oude bekende (WESPstudent in 2009 en later als aios). Eveneens nieuw: Yvonne van Baars, gedragswetenschapper bij de huisartsopleiding. In dit nummer slechts één WESP: Bas Beniers. Voor de anderen was het net te vroeg om over resultaten te schrijven. De vorige keer schreef ik over het ‘passion beest’ alias Yvonne van Leeuwen, de opper Witte Raaf. Hun groep heeft nieuwe leden gevonden waardoor dat erfgoed bewaard blijft. Oud is nieuw. Simon Kleijkers heeft een nieuwe casus voor jullie. En passant brengen we nog even de Euregionale Zeldzameziektendag 2019 onder uw aandacht. Vaste columnisten Arie de Jong (‘Euthanasie bij dementie; wees overtuigd’) en K.O.E.K. Wous (‘Zorgen doe je samen’), zijn dit keer terug te vinden in het katern over ouderengeneeskunde. Eind 2018 wordt het boekje met alle columns van Arie (Gezondheidsrechtelijke kwesties) geactualiseerd en gratis via onze website aangeboden.1 Plaatsvervangend hoofd Joost Dormans beschrijft het vervellen van de huisartsopleiding. Oud wordt ook nieuw. Hendrik Jan Vunderink heeft sinds kort AOW, maar blijft nog even doorwerken om zijn vrouw (makreel) en aios (snert) van eten te voorzien, en ons van heerlijke recepten. U hoort mij niet klagen. Nog veel meer positieve gezondheid werd voorgeschoteld aan alle opleiders van aios tijdens de Tweedaagse in Heeze. Om nieuwe opleiders lekker te maken, voegen we flink wat foto’s bij van de sfeervolle dagen. En ja, we zoeken nieuwe opleiders, vooral zij die nog willen beginnen bij het coschap Huisartsgeneeskunde. En doe dat, want wie weet wordt u de nieuwe werkplekbegeleider van het nieuwe jaar! De aios referatendag vond plaats op 30 oktober. Huisartsdocent Niels Beurskens schrijft hierover. De dag wordt volgend jaar omgedoopt in Wetenschapsdag. Leuke spin-off is de rubriek ‘de aios zoekt het op’ op onze website. Gaat het zien. Nieuwe aios-in-de-leer is Arianne Beckers geworden. Sommigen kennen haar misschien van columns uit Medisch Contact. We waren dus heel blij dat zij als militair arts solliciteerde voor de huisartsopleiding en aangenomen werd. Als jij ook eerstejaars aios bent en aios-columnist wil worden: laat het ons weten, je bent welkom. Paul Roos vonden we bereid om als pas afgestudeerde oudaios te vertellen hoe het is om de praktijk van je vader over te nemen. Sommige patiënten kenden zijn opa nog als huisarts. Sommige assistentes kennen hem nog als kind… je moet maar durven! In september kregen 21 aios hun diploma uitgereikt in Rijckholt. Half december is de laatste uitreiking van 2018. Benieuwd wie we dan zien! We wensen u fijne feestdagen met oud is nieuw, Babette Doorn 1 www.huisartsgeneeskundemaastricht.nl/over-ons/brochures 3 op één lijn 62
Page 4
op één lijn 62 3e uitgave 2018 Van de voorzitter Gezondheidsakkoord Limburg DOOR JEAN MURIS, VOORZITTER VAKGROEP HUISARTSGENEESKUNDE UM In mijn vorige column ging ik in op de gezondheidsverschillen tussen hoog- en laaggeletterden en ook op het feit dat de gezonde levensverwachting in Limburg gemiddeld drie jaar onder het Nederlandse gemiddelde ligt. Het verschil tussen arme en rijke burgers is nog wranger: de twintig procent inwoners met de hoogste inkomens in Nederland wordt ongeveer negen jaar ouder dan de laagste twintig procent. Heel opmerkelijk, omdat in Nederland de toegang tot medische zorg veel minder inkomensafhankelijk is dan, bijvoorbeeld, in de Verenigde Staten. De oorzaak heeft deels te maken met de prijzen in de supermarkt. Zo was vers fruit in 2017 maar liefst 28% duurder dan in 2007. Suiker, snoep en ijs zijn zelfs goedkoper dan tien jaar geleden. De prijs van groente en fruit is echter niet het enige probleem voor lage inkomens. Mensen met financiële problemen kampen vaak met constante en langdurige stress. En dit type stress heeft een negatief effect op het vermogen om verstandige keuzes te maken. Ongezonde gewoonten zoals roken, alcohol drinken of vet- en suikerrijk eten, helpen op korte termijn om de stress te hanteren: ‘comfort’-food. Die stress gaat zeker bij laagopgeleiden door op het werk; zij ervaren weinig autonomie en dus weinig controle over hun eigen leven. In die situatie is het fijn om ‘s avonds thuis wel te kunnen bepalen wat je eet en drinkt. De huizen van laagopgeleiden staan veelal in wijken met minder groen om in te bewegen en zijn vaker onveilig, waardoor mensen eerder binnen blijven. Bovendien is in achterstandswijken de concentratie cafetaria’s, shoarmatenten en andere fastfoodzaken vaak hoger waardoor de verleiding groter is om voor slecht voedsel te kiezen. Het blijkt dat in wijken met veel woningen met een lage WOZ-waarde ruim twee keer zoveel diabetespatiënten wonen dan in ‘betere’ wijken. Uit onderzoek van de Gezondheidsraad blijkt, dat alleen voorlichting geven niet helpt. Voorlichting houdt geen rekening met persoonlijke omstandigheden en problemen. Mensen die in armoede leven, hebben bijvoorbeeld vaker contact met schuldhulpverlening, opvoedingsondersteuning of jeugdgezondheidszorg. Het is veel zinvoller naar de persoonlijke leefomstandigheden te kijken. De huisarts, getraind in holistische gezondheidszorg en goed contact met het wijkteam, kan hier een prominente rol vervullen in het verduidelijken van de rol van leefomstandigheden, bewegen en voeding. Op landelijk overheidsniveau zouden de verleidingen moeten worden aangepakt waar consumenten de hele dag aan blootstaan. Wat heeft het voor zin om te discussiëren over gezond eten als mensen de hele dag worden geprikkeld tot ongezond gedrag? Denk bijvoorbeeld aan de inrichting van supermarkten met chocola en snoep bij de kassa en cola op de koppen van de schappen. Een herinrichting van de openbare ruimte is de meest voor de hand liggende maatregel: een limiet stellen aan het aantal fastfoodzaken in het centrum van een stad bijvoorbeeld en hoge belasting op ongezond eten (suiker/vettaks). Dat de overheid binnenkort de btw op alle voeding verhoogt, is in dit kader een gemiste kans. Als het tarief alleen voor ongezond voedsel omhoog zou gaan, dan heeft dat direct invloed op het eetpatroon van mensen. De invoering van belasting op suikerhoudende frisdranken in Groot-Brittannië blijkt een groot succes. Is dat betutteling? Ik vind van niet. De omstandigheden van mensen verbeteren, zodat ze zelf gemakkelijker beter keuzes maken, is m.i. niet betuttelend. Betutteling vind ik eerder de neerbuigende houding jegens arme mensen die ongezond gedrag vertonen. Het is duidelijk dat de gewenste aanpak de spreekkamer van de huisarts overstijgt, ondanks de voortreffelijke programma’s zoals Blauwe Zorg, MijnZorg, AndersBeter, Gezonde Basisschool van de Toekomst, LIME, 4Limburg etc. De dit voorjaar actief geworden initiatiefgroep Gezondheidsakkoord Limburg (André Knottnerus is hier lid van), stelt voor om langs een aantal programmalijnen acties in te zetten: gezonde jeugd, gezonde wijk en gezonde en vitale arbeid en arbeidsmarkt. Het initiatief wordt breed gedragen en verdient een eerlijke kans op uitwerking. De slogan ‘Limburg, je zal er maar wonen’, krijgt dan een nog positievere connotatie. 4 Huisarts & huisdier Flatcoated retrievers DOOR DE ROEDEL VAN DE FAMILIE SMEETS Dit zijn Boots (rechts), Engelse uitspraak, vriendje van Dora in Dora The Explorer, kinderserie en Badu (links), spreek uit Badoe, wat ‘trots’ betekent in het Afrikaans, niet de Badoe van de televisie. Het zijn twee reutjes en het zijn allebei flatcoated retrievers. Dit zijn retrievers net zoals de golden retriever of de labrador retriever. Ze worden echt chagrijnig als ze voor Ierse setter worden ‘uitgescholden’. Flatcoats kun je tegenkomen in de kleuren zwart of liver (=bruin). Flatcoats werken graag voor hun baas, zijn onvermoeibaar in het halen van balletjes of stokken. Ze zwemmen heel graag en zijn helemaal gek op het strand en de zee. Ook hebben ze veel beweging nodig en zijn ze ‘eager’ om te trainen voor, bijvoorbeeld, de jacht. Er zijn ook flatcoats die worden ingezet in aardbevingsgebieden, om mensen op te sporen onder het puin. Ook medisch houden ze ons bezig. Zo werd Boots twee jaar geleden heel moe en werd zijn vacht dof. Na veel onderzoek (lichamelijk onderzoek, laboratoriumdiagnostiek, röntgenfoto’s en een echo) bleek dit te komen door een ingekapselde (calciumoxalaat) blaassteen die een chronische blaasontsteking gaf. Na een operatie ging het snel beter met Boots en geniet hij weer als vanouds. Het zijn helaas geen goede bewakers: ze blaffen bijna niet. We zeggen weleens: “als er een inbreker komt dan helpen ze mee de spullen naar buiten te dragen”. Benoeming Marjan van den Akker benoemd tot hoogleraar Epidemioloog Marjan van den Akker van de vakgroep Huisartsgeneeskunde Maastricht, vertrekt naar het Institut für Allgemeinmedizin aan de Goethe-Universität in Frankfurt am Main. Zij wordt daar vanaf 2019 hoogleraar met als leerstoel “Multimedikation und Versorgungsforschung”. Marjan begon in 1992 bij de vakgroep Huisartsgeneeskunde in Maastricht en promoveerde in 1999 op een onderzoek naar multimorbiditeit. Ze schreef vele publicaties en begeleidde tal van promovendi. Ze zat in de eerste redactie van ‘Op één Lijn’ (vanaf 1999). Jarenlang was ze werkzaam voor het RegistratieNet Huisartsen (RNH), dat nu RNFM (www.rnfm.nl) heet. Ze werkte nauw samen met de Vlaamse huisarts en hoogleraar Frank Buntinx en daardoor werkte ze ook geregeld in Leuven. Marjan blijft nog bij de Maastrichtse en Leuvense vakgroepen betrokken voor lopende promotietrajecten. 5 op één lijn 62
Page 6
op één lijn 62 3e uitgave 2018 Afscheid André Knottnerus Gegroet André, we gaan je missen! DOOR GEERT-JAN DINANT, HOOGLERAAR ONDERZOEK Het scheelde niet veel of de stoet gladiatoren (=hoogleraren) was lang genoeg om het traject tussen het amfitheater (beter bekend als ‘De Berg’) en de arena (= de Sint Janskerk) volledig te vullen met toga’s uit binnen en buitenland. Meer dan 100 professoren, sommigen een beetje moegestreden van al die promoties en oraties, togen (weten we ook waar het woord toga vandaan komt) naar de arena (de kerk dus) om André Knottnerus te eren, die op die dag officieel afscheid nam van de wetenschap. De gladiatoren hadden voor de gelegenheid hun zwaarden (lees: moeilijke vragen en laudaties) thuisgelaten. Bij het binnentreden van de kerk wachtte hen stemmige muziek en stonden Caesar (alias de Gouverneur van onze provincie) en andere hoofdrolspelers de lange stoet op te wachten. Aansluitend sprak André vanaf de kansel, daarmee terecht hoogverheven boven de menigte, alle aanwezigen toe met een zeer wijze en inspirerende afscheidsrede. Maar voordat het zo ver was, vond in de arena een overigens goedaardig debat plaats over de voor- en achterkanten van evidence; een illustratie door vier sprekers van wat wel en niet waar is en waarom. Wetenschappelijker kun je het haast niet hebben. Het ging daarbij om de relatie tussen onderzoek, praktijk en beleid. Om in de stemming te komen, was er voorafgaande aan de presentaties, een lunch in het nabijgelegen museum. Aldaar werd genoemde relatie getest in de vorm van een welhaast perfecte N=1 studie: alle wel en niet gladiatoren mochten op 1 toilet per geslacht hun nerveus gevulde blazen leegmaken. Sommigen hadden, inmiddels wanhopig geworden, een bypass gevonden en gingen ‘stiekem’ even in de arena naar de wc. Anderen moesten hun blaas streng toespreken. De broodjes waren overigens heerlijk en de stemming zat er goed in. Na de afscheidsrede van André en diverse lovende woorden en suggesties van anderen, togen de gladiatoren en vele anderen weer naar het amfitheater om de middag af te drinken en elkaar nog even af te tasten, soms letterlijk. Alsof dat nog niet genoeg was, ging het daarna nog uren vrolijk door in de oude stadsarena, beter bekend als de Bonbonnière. Met volop lekker eten, drinken en gezellig bijpraten. Sommigen waren alweer lang geleden door oppergladiator André opgeleid in de wetenschap en na al die jaren nog steeds opvallend gezond en actief. Het werd al met al een soort familiereünie, maar dan veel leuker. Twee gerenommeerde clowns op leeftijd zetten alle evidence nog even letterlijk op de kop en aansluitend kreeg André zijn, door anderen geschreven, memoires aangeboden. Het was eigenlijk een soort proefschrift, bestaande uit heel veel korte ongepubliceerde hoofdstukken met per hoofdstuk de nodige figuren en tabellen. En met dat laatste leek de cirkel van de dag rond, ware het niet dat er nog gedanst werd op muziek uit de tijd van kort na Caesar. Wie denkt dat het verhaal hiermee uit is, heeft het mis. André gaat gewoon door met de wetenschap, maar dan vanuit huis en onder deskundig toezicht van echtgenote Ria. Zij zal ervoor zorgen dat de oppergladiator ook eens gaat doen waar alle pensionados om bekend zijn: grasmaaien en met de kleinkinderen spelen. Hopelijk komt hij dan af en toe nog eens een kopje van onze overheerlijke automatenkoffie van ‘de gang’ drinken en bijpraten met, onder andere, Ine Siegelaer, nadat zij is bijgekomen van het e-mailen met honderden gladiatoren, die met succes naar de grote dag van André werden gelokt. Het waren overigens drie supermanagers die alle voorbereidingen op zich hadden genomen. Naast Ine waren dat Marjan van den Akker en Trudy van der Weijden, welke laatste tot heel kort voor de grote plassessie, nog de allerlaatste instructies rondstuurde. Last but not least was het Jean Muris, die alle onderdelen van de grote dag aan elkaar verbond en zelfs het begrip evidence van enige humor wist te voorzien. 6 op één lijn 62 Tans penning en Facultaire kleinood voor André Knottnerus André Knottnerus, hoogleraar Huisartsgeneeskunde aan de Universiteit Maastricht, ontving bij zijn afscheid op 26 oktober de hoogste UM-onderscheiding, de Dr. J.G.H. Tans penning. Ook ontving hij het facultair kleinood uit handen van de vice-decaan, prof. dr. Nanne de Vries. André Knottnerus (1951) studeerde geneeskunde aan de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam, waar hij ook de huisartsopleiding voltooide. In 1982 kwam hij naar Maastricht. In 1986 promoveerde hij op de ontwikkeling en toepassing van klinisch epidemiologische onderzoeksmethoden op het gebied van de diagnostiek. Twee jaar later werd hij hoogleraar. Van 2001 tot 2010 was hij voorzitter van de Gezondheidsraad en van 2010 tot 2017 was voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). André begeleidde 69 promovendi, is (co-)auteur van meer dan 450 internationale wetenschappelijke artikelen op het gebied van de geneeskunde en de volksgezondheid en schreef diverse boeken en meer dan 300 artikelen in nationale tijdschriften. Zijn verdienste voor de huisartsgeneeskunde In de jaren tachtig was het beroep van huisarts ondergewaardeerd ten opzichte van andere medisch specialisten. Het handelen van huisartsen werd gebaseerd op onderzoeken die in ziekenhuispopulaties werden uitgevoerd, terwijl de patiënten in een huisartsenpraktijk heel andere karakteristieken hebben. Knottnerus versterkte gedurende zijn loopbaan de epidemiologische aanpak in het huisartsgeneeskundig onderzoek. Afscheidsrede De hoogleraar sprak in zijn afscheidsrede onder andere over de overtuigde vaccinatieweigeraars en het feit dat het percentage volledig gevaccineerde tweejarigen in Nederland de afgelopen jaren daalde van 95% naar 90,2%. Hij noemt het ‘verdedigbaar om bewust niet gevaccineerde kinderen niet op dezelfde crèches toe te laten als andere kinderen, ook als ultiem motiverend signaal’. Verder hamert hij op de basisvoorwaarden ‘kwaliteit, integriteit, en onafhankelijkheid’ voor elke wetenschapper anno 2018. 7
Page 8
op één lijn 62 3e uitgave 2018 Welkom! Nieuwe collega's stellen zich voor Promovendi Esther Boudewijns Ik ben Esther Boudewijns, 23 jaar en sinds augustus 2018 werk ik als PhD-student op de afdeling Huisartsgeneeskunde. Ik heb hiervoor gezondheidswetenschappen en epidemiologie gestudeerd. Tijdens mijn PhD-traject werk ik aan de verdere ontwikkeling van de Ziektelastmeter COPD, die al eerder ontwikkeld is door Annerika Gidding-Slok. De Ziektelastmeter is ontwikkeld om gemakkelijker te bespreken met een zorgverlener wat de patiënt zelf belangrijk vindt en om gezamenlijk persoonlijke doelen op te stellen. Omdat de Ziektelastmeter COPD positief is ontvangen in het klinische veld, willen we deze uitbreiden voor patiënten met Diabetes Mellitus type 2 en astma. De komende vier jaar zal ik bezig zijn met de ontwikkeling van de tool, de validatie, en het testen van de effectiviteit door het uitvoeren van een RCT. Ik werk hierbij samen met Danny Claessens. Ik zal me hierbij vooral bezig gaan houden met de kosteneffectiviteit. In mijn vrije tijd houd ik van lezen, loop ik graag rond in de Dominicanen-kerk, reis ik veel op en neer naar Utrecht (waar m'n vriend woont), en vind ik het heerlijk om een rondje te wandelen door de stad of door het bos. Danny Claessens Ik ben Danny Claessens, 25 jaar en in augustus 2018 ben ik gestart als PhD-student bij de afdeling Huisartsgeneeskunde. Hiervoor heb ik de master ArtsKlinisch Onderzoeker (AKO) afgerond. Mijn project richt zich op de ontwikkeling van de Ziektelastmeter voor mensen met een chronische aandoening, als uitbreiding van de Ziektelastmeter 8 COPD van onder andere Annerika Gidding-Slok. We breiden uit naar astma en diabetes, als opstapje naar een ziektelastmeter voor de meest voorkomende chronische aandoeningen. Het doel van dit instrument is om meer inzicht te krijgen in de last die iemand ervaart en hoe hier met persoonlijke doelen en plannen aan gewerkt kan worden, om zo gepersonaliseerde zorg te leveren. Met andere woorden: wat is voor déze patiënt nú belangrijk, en hoe gaan we daar samen aan werken? In vier uitdagende jaren gaan we dit instrument ontwikkelen, valideren, en de effectiviteit evalueren middels een trial. Dit doe ik samen met Esther Boudewijns. Ik ga me richten op de implementatie van het instrument in de zorg. In mijn vrije tijd lees ik veel en ben ik graag sportief bezig. Het liefst in de natuur. Ik ben dan ook altijd te porren voor een rondje op de crossfiets. Stijn Duijn AIOTHO in spe Ik ben Stijn Duijn, 27 jaar. In augustus 2018 heb ik mijn studie geneeskunde in Maastricht afgerond. Meteen daarna ben ik begonnen als promovendus bij de vakgroep Huisartsgeneeskunde. Vanaf maart 2019 word ik AIOTHO, aangezien ik net ben aangenomen bij de huisartsopleiding in Maastricht. De samenwerking met andere disciplines wordt voor een huisarts steeds belangrijker. Er is een toename van mensen met diverse chronische ziekten en er is een verschuiving van tweede- naar eerstelijnszorg. Hierdoor houden steeds meer mensen vanuit verschillende disciplines zich bezig met patiënten. Echter, het is een bekend gegeven dat veel professionals in interprofessionele samenwerkingsvormen minder goed samenwerken dan dat ze denken. Ze zijn, zoals dat heet, onbewust onbekwaam. 3e uitgave 2018 Daarom ga ik samen met Loes van Bokhoven, Jean Muris, Anneke van Dijk (alleen vakgroep Huisartsgeneeskunde Maastricht), Diane Dolmans (SHE) en Nynke Scherpbier (Radboudumc, vakgroep Eerstelijnsgeneeskunde) voor huisartsen in opleiding een toolbox ontwikkelen, om hun competenties met betrekking tot interprofessioneel samenwerken te verbeteren. Juist bij dit onderzoek is de meerwaarde groot om zowel als onderzoeker en arts in opleiding te werken. De ervaringen die ik opdoe in de praktijk, kan ik weer toepassen in het onderzoek en vice versa. Mijn vrije tijd vul ik vooral met hardlopen, wielrennen en zwemmen. Daarnaast ben ik ook altijd in voor een avondje ouderwets bordspellen spelen. Jessica Verster-de Snoo huisartsbegeleider Per 1 augustus ben ik gestart als huisartsbegeleider (HAB) van het Acute Blok in Eindhoven. Na in Maastricht geneeskunde en de huisartsopleiding te hebben afgerond, ben ik sinds 2012 werkzaam als waarnemer in de regio Eindhoven/Helmond. Naast drie vaste werkdagen in twee huisartsenpraktijken draai ik veel diensten op de huisartsenpost. Hoewel me dit uitstekend bevalt, begon het afgelopen jaar toch te kriebelen: tijd voor een nieuwe uitdaging! Terwijl ik me afvroeg wat, zag ik de vacature voor een HAB; plots vielen alle stukjes op hun plaats. Ik vind het enorm leuk om onderwijs te verzorgen waarbij spoedeisende zorg mijn speciale belangstelling heeft. De septembergroep is inmiddels gestart. Tot mijn grote plezier kan ik melden dat het invullen van mijn rol als HAB nog leuker is dan ik al had gehoopt! Ik kijk ernaar uit dit nog lange tijd te doen. Ik woon met mijn man en twee zoons van 2,5 jaar en 7 maanden in Geldrop waar we regelmatig mooie wandelingen maken in het bos en op de hei. Al dan niet met vrienden gaan we graag weekendjes weg naar, bijvoorbeeld, de Ardennen of Zuid-Limburg, waarbij we genieten van de geneugten des levens, zoals lekker koken en eten. Maurice Lucassen huisartsbegeleider Ik ben Maurice Lucassen, sinds augustus werkzaam als docent/ groepsbegeleider van het psychische blok in het tweede jaar van de huisartsenopleiding. 9 Ik doe dit samen met gedragswetenschapper Nicole Schuttelaar op de locatie Eindhoven. Inmiddels ben ik met onze eerste gezamenlijke groep halverwege de drie maanden durende GGZ-stage; ik groei geleidelijk in deze voor mij nieuwe rol en het bevalt mij tot nu toe erg goed! Ik studeerde geneeskunde in Utrecht, deed de huisartsopleiding in Nijmegen en werk inmiddels alweer ruim 19 jaar in Huisartsenpraktijk Antoniusveld in Venray. Sinds 2010 ben in aan de huisartsopleiding verbonden als opleider, tot nu toe voor eerstejaars aios. Ik ben 50 jaar, woon samen met mijn vriendin Sanne en heb twee dochters; Imke (18) en Noor (16). Wij wonen in Venray, de plaats waar ik ook ben opgegroeid. Mijn affiniteit met de GGZ is onvermijdelijk; Venray heeft één van de oudste en grootste psychiatrische instellingen in Nederland (“enkeltje Venray” is een begrip in de regio), en mijn beide grootvaders, mijn beide ouders, alsook mijn vriendin werk(t)en in dit Vincent van Gogh instituut. In mijn vrije tijd ben ik een gepassioneerd saxofonist. Op dit moment maak ik deel uit van een projectmatige bigband (The Score Jazz Orchestra) en van een Dire Straits tribute band (Boom, like that!), waarmee ik door de Nederlandse theaters tour. Yvonne van Baars gedragswetenschapper In 2007 ben ik afgestudeerd in de neuropsychologie aan de Universiteit van Nijmegen en Tilburg. Na een korte poos werkzaam te zijn geweest in het Catharina ziekenhuis, kwam ik erachter dat mijn hart ligt in de behandeling van persoonlijkheidsstoornissen en andere complexe beelden. Vandaar dat ik de psychotherapieopleiding ben gaan volgen bij de RINO Zuid, heel leuk! Als psychotherapeut heb ik een eigen praktijk: van Baars Psychotherapie te Eindhoven. Ben trots op de inmiddels mooie praktijk en het team van vier dames. Privé: samen met Mandy (vriendin) en Jackie (hond). Hobby: paardrijden. Belangrijkste eigenschap: Humor. Moeite met: korte stukjes schrijven over mezelf. op één lijn 62
Page 10
op één lijn 62 3e uitgave 2018 Bruikbare wetenschap Welk werk doet u? DOOR JOCHEN CALS, HUISARTS IN SITTARD EN HOOGLERAAR AAN DE VAKGROEP HUISARTSGENEESKUNDE In deze bijdrage vindt u een selectie wetenschappelijke artikelen van Maastrichtse makelij. Hiervoor selecteren wij artikelen die direct bruikbaar kunnen zijn voor de dagelijkse praktijkvoering. Het hellende vlak van nierfunctie We zien nogal wat nierfuncties langskomen bij het bestuderen van de dagelijkse labuitslagen. Een echte knik in nierfunctie wordt snel herkend, maar wat is nu het risico op cardiovasculaire aandoeningen bij een geleidelijk dalende eGFR? Marjan van den Akker ging met haar Vlaamse collegae op zoek in een groot bestand van bijna 20000 patiënten met tenminste vier eGFR metingen over vijf jaar tijd. Ze keken naar cardiovasculaire events (myocardinfarct, TIA/CVA, perifeer vaatlijden, acute hartfalen) over de daaropvolgende 5 jaar. Ze verdeelden de patiënten in categorieën, waarbij de eGFR natuurlijk stabiel kon blijven (-1 tot +1 ml/min), maar ook kon toe- of afnemen (<-5, --5 tot -3, -3 tot -1 ml/ min per jaar). In de referentiegroep van patiënten met een stabiel blijvende eGFR, kreeg 7,8% een cardiovasculair event tijdens de 5 jaar follow-up. Dit percentage was naarmate de nierfunctie daalde aanzienlijk hoger, tot 12% in de groep met een daling van meer dan 5 ml/min per jaar. Uiteindelijk bleek, dat vanaf een jaarlijkse eGFR daling met tenminste 3 ml/min het risico op een cardiovasculair event significant toeneemt. Wellicht niet heel opzienbarend, want de relatie tussen nierfunctie en cardiovasculair risico is natuurlijk bekend. Het meest opzienbarend vind ik dat deze relatie losstaat van de uitgangswaarde. De meeste patiënten met een dalende eGFR hadden bij aanvang gewoon een eGFR van boven de 60 ml/min, maar die dalende eGFR met tenminste 3ml/min per jaar bleef significant geassocieerd met een verhoogd cardiovasculair risico. Aardig voor de gesprekken met de praktijkondersteuner CVRM in de praktijk en dus goed om niet enkel naar een knik in eGFR te kijken, maar ook om die helling in de gaten te houden. Huisarts en werk-gerelateerde klachten; werk aan de winkel Kees de Kock, huisarts uit Deurne, publiceerde een fraaie trial naar het effect van een training voor huisartsen op het gebied van omgaan met en bespreken van werkgerelateerde klachten in de spreekkamer. Hij randomiseerde 32 huisartsen van wie de helft een vijf uur durende training 10 volgde met aandacht voor een aantal componenten: de relatie tussen werk en gezondheid, werkgerelateerde problemen en mogelijkheden om de normale zorg hiervoor te verbeteren, wet- en regelgeving en de samenwerking met de bedrijfsarts, en consultatievaardigheden bij patiënten met werkgerelateerde problemen en stress. De huisartsen kregen na de lange training ook nog twee booster sessies. De huisartsen in de studie includeerden in totaal 1306 patiënten met werkgerelateerde klachten waarvan 640 patiënten de vragenlijst invulden voor het eerste consult, echter slechts 281 ook na follow-up. Een derde van de patiënten gaf aan dat de gezondheidsklachten mogelijk werkgerelateerd waren. De primaire uitkomstmaat op patiëntniveau was een vragenlijst waarmee de ‘Return To Work Self-Efficacy’ werd gemeten. Helaas bleken de patiënten, die waren gezien door getrainde huisartsen hierop niet anders te scoren dan patiënten, die waren gezien door een huisarts in de normale zorg groep. De ICPC-code Z05 ‘probleem met werksituatie’ werd gedurende de studie wel vaker gebruikt, maar dat was niet significant verschillend tussen beide groepen. Registratie van het beroep verdubbelde zelfs, maar eveneens in beide groepen. Al met al mogelijk niet wat de onderzoekers hadden verwacht, maar het is een boeiend artikel om te lezen en eens op te reflecteren. Patiënten waarderen het enorm als er wordt gevraagd welk werk ze doen en het kan interessante nieuwe inzichten bieden op de ervaren klachten en de impact daarvan op het werk. Koorts en infecties bij kinderen; we zien de ijsberg (gelukkig) niet Regelmatig hebben we, met name tijdens diensten op de huisartsenpost, het idee dat we worden overspoeld met kinderen met koorts en infectieklachten. We weten dat dat mogelijk alleen het topje van de ijsberg is, want een klein kind krijgt gemiddeld 8 infectie episodes per jaar. Kirsten Peetoom onderzocht op 21 kinderdagverblijven van MIK in Limburg via een vragenlijst hoe vaak kinderen jonger dan 4 jaar koorts en andere infectieklachten hebben. Ze verzamelde gedurende 4 weken (februari 2016) gegevens over infectiesymptomen bij 515 kinderen en ouders hielden een dagboekje bij. Slechts 13 (!) van de 515 kinderen waren 4 weken volledig infectieklachtenvrij. Maar liefst 55% van de kinderen had tenminste 1 dag koorts, waarbij koorts verantwoordelijk was voor een totaal van 3e uitgave 2018 987 ziektedagen (mediaan van 3 per kind). Maar liefst 81% had tenminste 1 dag een snotneus en 73% van de kinderen had hoestklachten. Van al deze kinderen met koorts en/ of infectieklachten bezocht 73% de huisarts níét. Kinderen met oorpijn bezochten de huisarts relatief het meest (38%), van de kinderen met (ook) koorts bezocht 31% de huisarts(enpost). Deze studie bevestigt wat we al weten: baby’s, peuters en kleuters snotteren, hoesten wat af. Tijdens diensten is het wellicht goed om te beseffen, dat ouders voor het merendeel van de klachten ons helemaal níet contacteren. Collega huisartsonderzoeker Eefje de Bont, in november gepromoveerd op haar proefschrift naar kinderen met koorts op de huisartsenpost, toonde al aan, dat wanneer ouders telefonisch contact opnemen met de HAP vanwege koorts bij hun kind, dat dan de kans 70% is dat ze ook daadwerkelijk in de spreekkamer belanden, met name dankzij de (te?) defensieve NTS-triage. Pneumonie of toch nie? Ofschoon een ernstige infectie zowel in de top als de basis van de ijsberg zeer zeldzaam is, zijn er natuurlijk wel kinderen met bijvoorbeeld een pneumonie die je niet wilt missen. Aiotho Marjolein Schot zocht samen met Jochen Cals en andere onderzoekers via een literatuurstudie uit, welke gegevens uit anamnese en lichamelijk onderzoek nu het beste voorspellen voor een longontsteking bij kinderen. Ze doorzochten maar liefst 4655 publicaties, waarvan er 17 geschikt bleken voor deze vraagstelling. Zoals verwacht waren alle studies verricht in de tweedelijn, overigens soms wel in vergelijkbare settings zoals de huisartsenpost. In de studies waarbij minder dan 10% van de populatie een pneumonie had, bleken enkel een zieke indruk en een saturatie <94% goede voorspellers. In de 10 studies waarbij meer dan 10% van de kinderen een pneumonie had, bleken naast de saturatie ook aanvullende bloedtests zoals CRP en leukocyten differentiatie nog wel waarde te hebben. Let wel, juist deze groepen kinderen zien wij juist niet. Opvallend was dat men in het buitenland regelmatig gebruik maakt van de echografie om infiltraten op te sporen en dat deze techniek een goede positief en negatief voorspellende waarde heeft en natuurlijk geen röntgenbelasting oplevert voor het zieke kind. Zo levert een berg aan artikelen in dit geval maar een zeer beperkte boodschap op voor de dagelijkse praktijk. Uit eerder (Vlaams) onderzoek blijkt dat het onderbuikgevoel van de dokter en dat van de ouder heel belangrijk is in het herkennen van ernstige infecties. Deze variabele was helaas in geen van deze studies meegenomen. Meer over koorts bij kinderen is te lezen in het verslag over de promotie van Eefje de Bont elders in dit nummer. Referenties • Is there a correlation between an eGFR slope measured over a 5-year period and incident cardiovascular events in the following 5 years among a Flemish general practice population: a retrospective cohort study. Van Pottelbergh G, Mamouris P, Opdeweegh N, Vaes B, Goderis G, Van Den Akker M. BMJ Open. 2018 Nov 12;8(11). doi: 10.1136/ bmjopen-2018-023594. • Training GPs to improve their management of workrelated problems: results of a cluster randomized controlled trial. de Kock CA, Lucassen PLBJ, Bor H, Knottnerus JA, Buijs PC, Steenbeek R, Lagro-Janssen ALM Eur J Gen Pract. 2018 Dec;24(1):258-265. doi: 10.1080/13814788.2018.1517153. • Diagnostic value of signs, symptoms and diagnostic tests for diagnosing pneumonia in ambulant children in developed countries: a systematic review. Schot MJC, Dekker ARJ, Giorgi WG, Hopstaken RM, de Wit NJ, Verheij TJM, Cals JWL. NPJ Prim Care Respir Med. 2018 Oct 26;28(1):40. doi: 10.1038/s41533-018-0104-8. • Most preschool children with fever and common infection symptoms do not consult the family physician. Peetoom K, Crutzen R, Dinant GJ, Cals J Family Practice, cmy079. doi.org/10.1093/fampra/cmy079 CAPHRI prijs voor Karin van Leersum Promovendus Karin van Leersum (links op de foto) ging na de CAPHRI Research Dag op 6 november 2018 met bloemen en een bronzen penning naar huis. Het publiek beloonde haar voor haar poster ‘What matters to me: Developing and improving a web-based tool for clients in long-term care’ met de derde prijs. Van de jury ontving ze de eerste prijs voor haar poster én de pitch. In totaal waren er 66 abstracts ingediend, waarvan er 36 geselecteerd werden voor de postersessie. Hieruit werden 12 promovendi gekozen om te mogen pitchen. 11 op één lijn 62
Page 12
op één lijn 62 3e uitgave 2018 Doodsoorzaak gezocht OOK en de Witte Raven DOOR SIMON KLEIJKERS, HUISARTS IN GEZONDHEIDSCENTRUM HOENSBROEK-NOORD De Witte Raven is een groep ervaren huisartsen die zich richt op het zoeken van de oorzaak van Onuitstaanbaar Onverklaarde Klachten (OOK). De term ‘witte raaf’ is nog wel enigszins bekend, maar de afkorting OOK een stuk minder. Simon is het jongste lid van de Witte Raven groep. Vorige casus Dank voor de vele reacties op de voorgaande casus. Het goede antwoord is systeemsclerose. Via de zoektermen ‘Raynaud, anemia, finger amputation’ is de tweede hit bij googlescholar.com het goede antwoord. Bij findzebra.com is het de zesde treffer. Mooi om te zien is dat er een aantal inzendingen was met het goede antwoord. Huisarts Luuk Schulkes uit Goirle is degene die het goede antwoord het snelst verstuurde. Van harte gefeliciteerd! De Witte Raven groep in Maastricht bestaat uit de volgende leden: Yvonne van Leeuwen, Irene Soeters, Tonnie van Kessel, Geert-Jan Dinant, Paul Höppener, Simon Kleijkers, Raymond Leclercq en Erik Stolper. Doel: zoeken naar de oorzaak van Onuitstaanbaar Onverklaarde Klachten (OOK). De groep bestaat uit huisartsen met een mix van ervaring, zowel klinisch als wetenschappelijk. Werkwijze: de groep krijgt door collegae of anderen een papieren casus aangereikt die mogelijk verdacht is voor een zeldzame aandoening, waarvan eerder specialistisch onderzoek niets heeft uitgewezen. De inbrenger heeft echter het stellige vermoeden dat de oorzaak een zeldzame ziekte is. De wijze van zoeken, gericht op zeldzame aandoeningen, leidt tot een advies aan de inbrenger. Zeldzameziektendag 2019 Zeldzame aandoeningen zijn vaak erfelijk, chronisch, progressief en meestal levensbedreigend. Tijdens de internationale Rare Disease Day (zeldzameziektendag) wordt jaarlijks op 28 of 29 februari aandacht besteed aan de uitdagingen voor zeldzame aandoeningen. In 2019 is deze dag in Maastricht. Noteer dus 28 februari 2019 van 9.30 – 17.30 uur in Maastricht in uw agenda. Inschrijving en programma zijn binnenkort beschikbaar op www.emradi.eu. Deze dag is een kans om kennis en ervaringen over grensoverschrijdende zorg voor zeldzame ziekten te delen 12 en te bespreken hoe grensoverschrijdende zorg voor zeldzame ziekten in Europa toegankelijker gemaakt kan worden. Daarnaast wordt geprobeerd om de volgende vraag te beantwoorden: Hoe kunnen we de zorg en de levenskwaliteit van patiënten met zeldzame ziekten in de Euregio Maas-Rijn, in andere grensregio’s en op Europees niveau verbeteren? Simultaanvertolking in het Duits, Nederlands en Frans Certificaat van deelname voor alle deelnemers Accreditatiepunten voor artsen uit België en Duitsland zijn aangevraagd. 3e uitgave 2018 Casus De volgende casus betreft een man van 29 jaar die bekend is met obesitas en roken. Hij werkt als vertegenwoordiger. Hieronder staat een samenvatting van 3,5 maand ziektegeschiedenis. Wat is jullie diagnose en wat is de doodsoorzaak van deze man? Antwoorden insturen naar simonkleijkers@gchoensbroeknoord.nl Datum 15-06 26-06 29-06 04-07 Wie /wat? HA HPost HA HA Klachten en gebeurtenissen vermoeidheid laatste maand oedeem benen; last van enkel erg moe na inspanning idem lab uitslagen1 Symptomen, bevindingen en acties geen bijzondere bevindingen T 150/90 pols 100/m perifeer oedeem; obesitas, gewicht: 107 kg hart en longen: geen afwijkingen. T 140/80 nog licht oedeem eiwit totaal: 52* albumine: 31* TSH: 4,7* vrij T4: 14,4* normale kreatinine / glucose / leverfuncties 12-07 HA lab uitslagen2 eiwit totaal: 51* albumine: 27* TSH: 7,3* vrij T4: 13,7 18-07 05-08 HA WN geleidelijk meer klachten nog steeds hetzelfde, nog steeds licht oedeem onderbenen. T 125/90 meer vocht in de benen pretibiaal oedeem ++/++ T 154/105 T 154/105 longen: geen afwijkingen gewicht: 115 kg 07-08 15-08 HPost HA patiënt denkt vocht achter de longen te hebben lab uitslagen3 blijvende klachten hart en longen: geen afwijkingen perifeer oedeem eiwit totaal: 44* albumine 21* TSH: 5,3* vrij T4: 12,8 05-09 16-09 INT T-HA eerste consult bij internist patiënt belt praktijkassistente September (bijna 3 maanden later) klachten: hart sneller, duizelig, kortademig. Benauwd? Antwoord: nee Druk op borst? Antwoord: nee Eerste keer? Antwoord: ja 16-09 17-09 20-09 26-09 27-09 28-09 T-HA HPost T-HA HA HA/INT T-PRA T-PRA huisarts belt zelf terug angstig, nerveus en gespannen “onrustig slapen door spanning” patiënt uitgenodigd voor B12 injectie huisarts heeft brief van de internist ontvangen 14:30 “weer snel ademen” 14:53 “benauwd” 15:00 ambulance komt en brengt patiënt met spoed naar het ziekenhuis Toelichting bij de afkortingen: HA consult bij Huisarts THA telefonisch consult bij Huisarts * afwijkende laboratorium uitslag “extra uitleg gegeven aan patiënt” “beoordeeld en gerustgesteld” “nogmaals uitleg gegeven” huisarts noteert als voorlopige diagnose: XXXX diagnose volgens internist: advies aan patiënt: “probeer tot rust te komen, snel terugbellen als het niet over gaat” advies aan patiënt: “112 bellen” patiënt met tachypnoe, ernstige dyspnoe, zeer angstig. Onderweg ademstilstand, reanimatie lukt niet. OVERLEDEN IN AMBULANCE T-PRA telefonisch contact met praktijkassistente WN consult bij waarnemer HPost consult bij huisartsenpost INT consult bij internist 13 op één lijn 62
Page 14
op één lijn 62 3e uitgave 2018 Promoties Angel Schols Diagnostics at the point-of-care in general practice. Acute cardiopulmonary symptoms Stephanie Lenzen ‘Self-management goal setting and action planning in primary care.’ Huisartsen zouden graag meer sneltesten willen gebruiken, met name ter ondersteuning van de besluitvorming bij patiënten met acute cardiopulmonale klachten. Echter, op dit moment is er beperkt en geen overtuigend bewijs dat het gebruik van sneltesten door huisartsen bij patiënten met acute cardiopulmonale klachten leidt tot meer correcte diagnoses en het beleid beïnvloedt. De Marburg Heart Score, een eenvoudige klinische beslisregel, kan een acuut coronair syndroom niet veilig uitsluiten in een daarvan verdachte verwezen populatie. Wij stellen dat toekomstig onderzoek naar het diagnosticeren van patiënten met acute cardiopulmonale klachten zich zou moeten richten op een strategie waarbij een klinische beslisregel wordt gecombineerd met een sneltest. ‘Defensieve zorg leidt niet automatisch tot verbetering van de zorg’. Het proefschrift geeft inzicht in de complexiteit en perspectieven voor het verbeteren van het opstellen van doelen en actieplannen met chronisch zieke patiënten. Het onderzoek laat zien dat er weinig aandacht en weinig ervaring is met het opstellen van persoonlijke doelen met patiënten. Wat wenselijk en nodig is: een gezamenlijke visie op zelfmanagement, ‘samen beslissen’ in de huisartspraktijk en maatwerk bij het toepassen van interventies. ‘Bij patiënten met een of meer chronische aandoeningen moet gezamenlijke besluitvorming beginnen met het gezamenlijk opstellen van (persoonsgerichte) medische, sociale en/of emotionele doelen’. Promotie Kelemework Adane Asmare Tuberculosis in Ethiopian Prisons Tuberculose komt in Ethiopische gevangenissen dusdanig vaak voor dat gedetineerden naast hun gevangenisstraf, ook tuberculose als straf krijgen. Een scholingsprogramma onder gevangenen leidde tot snellere opsporing en behandeling. Hopelijk leidt dit uiteindelijk ook tot een lagere prevalentie van tuberculose in gevangenissen in Ethiopië. ‘Empowering the prisoners has a significant impact on TB control in prisons and could be the best option in resource-limited areas’. 14 3e uitgave 2018 Ies Dijksman TeleScreen as a novel internet-based tool for classifying mental disorders presented in primary care De huisarts is vaak het eerste aanspreekpunt voor mensen met psychische stoornissen en samen met de huisarts maakt de patiënt de eerste beslissingen over het behandeltraject. Vaak heeft de huisarts echter onvoldoende kennis of tijd om deze eerste inschatting goed te doen. Veel psychische stoornissen worden daardoor gemist of anders gelabeld, waardoor mensen niet de juiste hulp krijgen. Wij onderzochten een nieuw eDiagnostiek systeem, TeleScreen genaamd, die de huisarts ondersteunt bij het in kaart brengen van psychische problemen. De patiënt doorloopt online een diagnostisch proces, om de klachten uitgebreid in kaart te brengen. De huisartsen en patiënten blijken tevreden over de TeleScreen en het gebruik van deze online manier van diagnosticeren bleek valide te zijn. ‘Patients, general practitioners and practise nurses are positive about eDiagnostics; they do not favour face-to-face contact over interaction with a computer’. Promotie Solomon Shiferaw Yesuf Phone-based applications improve maternity services in Ethiopia Eefje de Bont Childhood fever in out-of-hours general practice Koorts is de meest voorkomende reden voor ouders om met hun kind bij de huisarts te komen. De koorts wordt meestal veroorzaakt door een onschuldige (virus)infectie waarbij afwachtend beleid voldoende is. Toch krijgen veel kinderen met koorts alsnog antibiotica. Op de huisartsenpost, waar kinderen steeds vaker terecht komen doordat meer ouders overdag allebei werken en de temperatuur in de vroege avond piekt, ligt het percentage antibiotica nog hoger. Wij toonden in een onderzoek onder meer dan 25.000 kinderen met koorts op Nederlandse huisartsenposten aan, dat het voorlichten van ouders, met behulp van een interactief boekje over koorts en veelvoorkomende infectieklachten, het aantal antibioticavoorschriften op de huisartsenpost vermindert. Ouders geven ook aan dat ze in de toekomst minder snel teruggaan voor dezelfde klachten. Het boekje werd ontwikkeld samen met ouders, dokters, verpleegkundigen en is veelbelovend om onnodige antibioticavoorschriften tegen te gaan. De promotie van Eefje vond plaats tijdens de World Antibiotic Awareness Week (12-18 November 2018), zie www.who.int/campaigns/world-antibiotic-awarenessweek/en/. Slechts weinig aanstaande moeders in Ethiopië krijgen gestructureerde, kwalitatief voldoende zorg waardoor de perinatale comorbiditeit en mortaliteit hoog is. De inzet van een lokaal ontwikkelde smartphone app leidde tot een verbeterde toegang tot zorg. Hierdoor konden vrouwen vaker in een centrum bevallen, in plaats van thuis. Belangrijk daarbij was, dat vrouwen wel overtuigd moesten worden van het belang van moderne gezondheidszorg. ‘Equipping health workers with appropriate cellphone based solutions could empower them with up-to-date knowledge and make a difference in ensuring better maternity service utilization’. 15 ‘Het gebruik van een stoplichtsysteem door huisartsen om ouders gericht te informeren over koorts en infectieklachten bij kinderen leidt tot minder antibioticavoorschriften en een kleinere kans dat ouders in de toekomst de huisartsenpost opnieuw consulteren voor deze klachten’. op één lijn 62
Page 16
Themadeel opleiding ouderengeneeskunde | op één lijn 62 3e uitgave 2018 Inleiding op het themadeel Ouderengeneeskunde, het specialisme van NU DOOR ANNE VAN DEN BRINK, HOOFD VOSON1, RADBOUDUMC NIJMEGEN “Als specialist ouderengeneeskunde heb je een dynamisch vak. Je lost complexe medische vraagstukken op, maar zet ook je communicatieve vaardigheden in. Je werkt multidisciplinair en voert de regie. Het specialisme is uniek in de wereld en volop in ontwikkeling. Daar kun je helemaal in meegroeien. En door het groeiend aantal ouderen, blijft de vraag naar specialisten ouderengeneeskunde toenemen. Dit maakt ouderengeneeskunde het specialisme van nú!” (www.ouderengeneeskunde.nu ) We moeten meer artsen opleiden tot specialist ouderengeneeskunde om het huidige tekort op te lossen én om te kunnen voldoen aan de groeiende vraag. Daarom is met ingang van 1 januari 2018 de capaciteit van de vervolgopleiding tot specialist ouderengeneeskunde uitgebreid van 128 naar maar liefst 186 plaatsen per jaar. De groeiende vraag heeft verschillende oorzaken. Allereerst komen er steeds meer kwetsbare ouderen. De meeste van hen blijven zo lang mogelijk thuis wonen, ook als er problemen ontstaan. Dit vraagt om extra versterking van de medische zorg voor zelfstandig wonende ouderen. De specialist ouderengeneeskunde speelt hierin een belangrijke rol als consulent voor de huisarts en/of als (mede) behandelaar. Daarnaast wordt de zorg in verpleeghuizen complexer. Alleen de meest kwetsbare en hulpbehoevende ouderen komen nog in aanmerking voor opname in een verpleeghuis. Dit vraagt om een intensievere betrokkenheid van de specialist ouderengeneeskunde. Tot slot groeit ook het aantal jongere patiënten met complexe chronische aandoeningen dat een beroep doen op de expertise van de specialist ouderengeneeskunde. De hier beschreven ontwikkelingen vragen ook om aanvullende kennis en vaardigheden van de specialist ouderengeneeskunde, zowel medisch inhoudelijk als bijvoorbeeld op het gebied van consultatie en medisch leiderschap. De specialist ouderengeneeskunde ontwikkelt meer en meer specialistische competenties zonder daarbij de brede generalistische basis te verliezen. 1 VervolgOpleiding tot Specialist Ouderengeneeskunde Alle betrokken partijen in de ouderenzorg voelen zich verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat de totale capaciteit van de vervolgopleiding ook daadwerkelijk benut wordt. Eensgezind voeren zij campagne om medisch studenten en basisartsen kennis te laten maken met de ouderengeneeskunde. Wij merken dat ‘onbekend maakt onbemind’ kan veranderen in ‘ik wist niet dat ouderengeneeskunde zo’n uitdagend vak was’. Juist hierom is het belangrijk dat alle UMC’s structureel en substantieel in het basiscurriculum aandacht besteden aan ouderengeneeskunde, bijvoorbeeld in de vorm van een coschap. Daarnaast zal uitbreiding van het aantal UMC’s met een vervolgopleiding de benutting van de opleidingscapaciteit waarschijnlijk positief beïnvloeden. De Samenwerkende Opleidingen tot specialist Ouderengeneeskunde Nederland (SOON) is het samenwerkingsverband van de drie opleidingsinstituten. SOON juicht uitbreiding van het aantal UMC’s met een vervolgopleiding toe. De uitbreiding van de opleidingscapaciteit biedt nu ruimte. Daarom heeft SOON de Maastrichtse hoogleraar Ouderengeneeskunde Jos Schols benaderd om de belangstelling voor een vervolgopleiding tot specialist ouderengeneeskunde in Maastricht te peilen. En die belangstelling bleek er te zijn. Om door de Registratiecommissie Geneeskundig Specialisten (RGS) erkend te worden als zelfstandig opleidingsinstituut, is degelijke voorbereiding nodig. Hiervoor is de samenwerking gezocht met de VOSON, die sinds 1995 de opleiding verzorgt met opleiders en opleidingshuizen in de regio Zuidoost Nederland. Voor de VOSON kwam deze vraag op een goed moment. Vanaf mei 2016 worden aios opgeleid op basis van een nieuw landelijk opleidingsplan. Hiervoor is een volledig nieuw curriculum ontwikkeld. Hier is enorm veel tijd en energie in gestoken door alle medewerkers van de VOSON. Naast aanpassingen op de inhoud door alle ontwikkelingen in de ouderenzorg, zijn er ook onderwijskundige vernieuwingen doorgevoerd. Nu dit bijna is afgerond, komt er weer ruimte voor andere ontwikkelingen. De uitbreiding van de opleidingscapaciteit heeft nu de hoogste prioriteit. 16 3e uitgave 2018 Naast allerlei activiteiten waarbij we medisch studenten en (basis)artsen informeren over ons prachtige vak, zijn we in de hele VOSON-regio de mogelijkheden aan het onderzoeken om meer aios op te leiden. We kijken hierbij naar organisaties die nog geen opleidingsplaatsen hebben en naar extra opleidingsplaatsen binnen opleidingshuizen door extra opleiders of door opleidingsgroepen. Ook zoeken we naar nieuwe stageplaatsen in ziekenhuizen, in de GGZ en bij huisartsen. Wij zien de samenwerking tussen de VOSON en Maastricht als een win-win situatie. We brengen kennis en ervaring van de VOSON als opleidingsinstituut, van de afdeling huisartsgeneeskunde in Maastricht en van de lokale netwerken, waaronder de Academische Werkplaats Ouderenzorg Zuid-Limburg, bij elkaar. Door de financiële ondersteuning van de SBOH (de werkgever van onder andere artsen in opleiding tot huisarts en specialist ouderengeneeskunde) hebben we een sterk projectteam kunnen samenstellen dat deze ontwikkeling een enorme boost kan geven. We streven naar een eerste opleidingsgroep in Maastricht per 1 september 2019, zonder krimp van het aantal Nijmeegse aios. Een hele uitdaging, maar we gaan ervoor! Amsterdam Gerion (Amsterdam UMC)* met een instroomcapaciteit van 70 plaatsen per jaar Nijmegen VOSON (Radboudumc) met een instroomcapaciteit van 70 plaatsen per jaar Leiden SOOL (LUMC) met een instroomcapaciteit van 46 plaatsen per jaar * Gerion heeft een dependance in Groningen (UMCG) Projectgroep Ouderengeneeskunde Maastricht Radboudumc Nijmegen • Anne van den Brink, specialist ouderengeneeskunde, hoofd VOSON • Paul Geelen, adjuncthoofd VOSON • Marianne Geurts, gedragswetenschapper, projectleider MUMC+ Maastricht • Jos Schols, hoogleraar ouderengeneeskunde • Mariëlle van de Velden-Daamen, specialist ouderengeneeskunde, coördinator opleiding • Babette Doorn, projectmanager • Joost Dormans, coördinator bedrijfsvoering Contact Voor nadere informatie kunt u contact opnemen met Babette Doorn, projectmanager vakgroep Huisartsgeneeskunde UM, 043-388 21 51. Correspondentie graag via SO@maastrichtuniversity.nl, meer informatie en solliciteren: www.ouderengeneeskunde.nu vlnr: Anne, Marianne, Jos, Mariëlle, Paul, Babette en Joost 17 Themadeel opleiding ouderengeneeskunde | op één lijn 62
Page 18
Themadeel opleiding ouderengeneeskunde | op één lijn 62 3e uitgave 2018 Stelt zich voor Mariëlle van der Velden-Daamen coördinator opleiding specialist ouderengeneeskunde Maastricht we elkaar mooi aanvullen vanuit ieders eigen expertise en kwaliteiten. Ik heb er in ieder geval zin in! Per 1 september 2019 starten we hopelijk met de eerste groep aios de opleiding tot specialist ouderengeneeskunde (SO) in Maastricht. Vooralsnog doen we dat onder de vlag van de Vervolgopleiding tot Specialist Ouderengeneeskunde Nijmegen (VOSON). Een goede voorbereiding daartoe is essentieel. Eind oktober ben ik daarom gestart als coördinator van de SO-opleiding binnen de vakgroep huisartsgeneeskunde voor 1 dag per week. Mijn belangrijkste taken zijn het bekend maken en werven van opleidingsplaatsen, opleiders en basisartsen om een eerste opleidingsgroep te kunnen starten. Daarnaast zal het onderwijs, zoals vastgelegd in het curriculum, goed neergezet moeten worden. We maken gebruik van het curriculum van Nijmegen, welke afgeleid is van het landelijk opleidingsplan tot specialist ouderengeneeskunde. Na drie jaar zal gekeken worden of Maastricht als opleidingsinstituut zelfstandig verder kan. We hopen ook iets ‘eigens’ aan het curriculum toe te voegen. Gelukkig hoef ik dit niet allemaal alleen te doen, maar maak ik deel uit van een enthousiaste projectgroep waarin Naast deze rol als coördinator ben ik werkzaam als specialist ouderengeneeskunde bij Cicero Zorggroep in Brunssum. Behalve directe patiëntenzorg, zowel in de intramurale zorg als in de geriatrische revalidatie zorg, houd ik me ook bezig met wetenschappelijk onderzoek en ben ik een schakel tussen de Academische Werkplaats Ouderenzorg (AWO) en de praktijk. Mijn verbondenheid met de AWO dateert al vanaf de start van mijn promotieonderzoek naar hartfalen bij verpleeghuisbewoners. In 2016 ben ik gepromoveerd bij hoogleraar Jos Schols, tevens lid van het projectteam dat de opleiding opzet in Maastricht. Als nevenactiviteiten zit ik in de Werkgroep Richtlijn Ontwikkeling van Verenso (de beroepsgroep van de specialisten ouderengeneeskunde) en ben ik redactielid van het Tijdschrift voor Ouderengeneeskunde (TvO), het vakblad van de beroepsgroep. Tot slot nog iets over mezelf. Ik ben getrouwd en heb drie kinderen (een uitwonende dochter van 23 jaar en twee zonen van 17 en 18). Mijn vrije tijd besteed ik graag aan sporten (fitness en skiën) en geniet ik van lange wandelingen met onze twee honden door ons prachtige Limburgse landschap. De opleiding ouderengeneeskunde in Maastricht ‘Een extra opleiding is hard nodig’ DOOR JOS SCHOLS, HOOGLERAAR OUDERENGENEESKUNDE Zo’n 10 jaar geleden, op vrijdag 26 september 2008, aanvaardde ik het ambt van bijzonder hoogleraar verpleeghuisgeneeskunde aan de Universiteit Maastricht met het uitspreken van de rede: ‘Verpleeghuisgeneeskunde al langer officieel erkend; 18 maar ook herkend en erkend?’ In deze rede bracht ik het uitdagende werk van de verpleeghuisarts over het voetlicht en brak ik een lans voor een verbetering van de samenwerking tussen verpleeghuisartsen, huisartsen en geriaters e/o internisten ouderengeneeskunde. 3e uitgave 2018 Nu, 10 jaar later, is er heel veel gebeurd: de naam ‘verpleeghuisarts’ is veranderd in ‘specialist ouderengeneeskunde’ (SO) en we starten een vervolgopleiding tot SO in Maastricht. benut en ontstaan extra mooie kansen voor onderlinge samenwerking en scholing tussen artsen in opleiding tot een van beide beroepen. De Maastrichtse leerstoel, inmiddels een reguliere leerstoel ouderengeneeskunde, heeft zich de afgelopen jaren vooral gericht op het verrichten van onderzoek in verpleeghuizen omdat dit onderzoek in ons land destijds echt nog in de kinderschoenen stond. Inmiddels is het onderzoek stevig verankerd binnen de Academische Werkplaats Ouderenzorg (AWO) Zuid-Limburg en wordt ook onderzoek verricht in samenwerking met diverse andere Maastrichtse, landelijke en buitenlandse onderzoekspartners. Verder is van meet af aan vanuit de leerstoel bijgedragen aan het Maastrichtse onderwijs voor artsen in opleiding én huisartsen in opleiding. Voordat de leerstoel verpleeghuisgeneeskunde er kwam in Maastricht, waren er al vergelijkbare leerstoelen in Amsterdam, Nijmegen en Leiden. Later is er nog eentje bijgekomen in Groningen. De drie universiteiten die Maastricht voorgingen, hebben al veel langer een specialisatieopleiding. Aangezien deze opleidingen lange tijd moeite hadden om steeds volledig bezet te zijn, werd destijds in goed overleg afgesproken dat Maastricht toen niet met een opleiding ouderengeneeskunde zou beginnen. Anno 2018 ligt dat anders: de tijden zijn veranderd. Een extra opleiding is hard nodig en mogelijk. Het tekort aan specialisten ouderengeneeskunde neemt toe door de vergrijzing en door ontwikkelingen in de ouderenzorg zelf. Kwetsbare ouderen blijven veel langer in hun eigen woonomgeving, omdat de overstap naar een verzorgingshuis of verpleeghuis niet langer vanzelfsprekend is. Dit vraagt om extra versterking van de medische zorg voor zelfstandig wonende ouderen. Daarnaast wordt de zorg in verpleeghuizen complexer. Alleen de meest kwetsbare en hulpbehoevende ouderen komen nog in aanmerking voor opname in een verpleeghuis. De specialist ouderengeneeskunde is de medisch expert in de zorg voor deze kwetsbare en hulpbehoevende ouderen, niet alleen in het verpleeghuis, maar ook voor de huisarts die steeds meer ouderen met complexe problemen ziet. Daarnaast kan de SO in samenwerking met de huisarts en klinisch geriater/internist ouderengeneeskunde ook een rol spelen in de preventie van onnodige ziekenhuisopnames van ouderen. Daarom is het ook niet meer dan logisch dat de opleiding tot SO wordt ondergebracht bij de vakgroep Huisartsgeneeskunde in Maastricht waar ook de driejarige specialisatie tot huisarts wordt aangeboden. Zo kan de aanwezige infrastructuur optimaal worden 19 De grootste uitdaging zal zijn om jonge basisartsen te interesseren voor ons mooie beroep. Wij richten ons op het bieden van betekenisvolle medische zorg aan de meest kwetsbare en hulpbehoevende ouderen. Deze groep is gekenmerkt door multimorbiditeit, polyfarmacie en een grote mate van zorgafhankelijkheid, waarbij de juiste balans gezocht moet worden tussen cure en care. Het gaat niet zozeer om het toevoegen van dagen aan het leven, maar om het toevoegen van leven aan de dagen. Er zal ook extra energie gestoken worden in het basiscurriculum geneeskunde in Maastricht, want die studenten moeten vroegtijdig met dit mooie vakgebied kennis maken. De eerste jaren zal de Maastrichtse opleiding verzorgd worden onder auspiciën en regie van de Vervolgopleiding tot Specialist Ouderengeneeskunde Nijmegen (VOSON) van het Radboudumc, die deze opleiding sinds 1995 verzorgt. Daarna hoopt het nieuwe enthousiaste Maastrichtse team op eigen kracht verder te kunnen. Na een gedegen voorbereiding hopen we in september 2019 in Maastricht met een eerste groep van 10-12 artsen in opleiding (aios) te kunnen starten. Voor mij een belangrijke mijlpaal, maar voor de kwetsbare ouderen die de zorg van de SO nodig hebben, bittere noodzaak. Themadeel opleiding ouderengeneeskunde | op één lijn 62
Page 20
Themadeel opleiding ouderengeneeskunde | op één lijn 62 3e uitgave 2018 Interview met een aios ouderengeneeskunde Kom eens kijken in het verpleeghuis! DOOR SHENNAH AUSTEN, ARTS IN OPLEIDING TOT SPECIALIST OUDERENGENEESKUNDE Wie ben je? Mijn naam is Shennah Austen en ik ben 32 jaar. Ik ben geboren en getogen in Zuid-Limburg. Momenteel woon ik in Nuth met mijn man Michèl, onze dochter van 2,5 jaar en onze hond Hummer. Ik ben specialist ouderengeneeskunde in opleiding bij Cicero Zorggroep en werk in verpleeghuis Schuttershof in Brunssum. De opleiding volg ik via de Vervolgopleiding tot Specialist Ouderengeneeskunde Nijmegen (VOSON). In mijn vrije tijd breng ik graag tijd door met mijn familie en vrienden. Ik houd van tuinieren, klussen en lezen. Hoe kwam je in opleiding en wat vind je leuk? Dat is wel een verhaal. Ik heb in het vijfde jaar van mijn opleiding tot orthopedisch chirurg de bewuste keuze gemaakt om te stoppen met de opleiding. Orthopedie is nog steeds een prachtig vak, maar past niet goed bij mij als mens en als arts. Mijn hart ligt niet bij opereren maar bij de dagelijkse zorg voor de kwetsbare oudere. Ik vind het fijn om een langdurige en persoonlijke behandelrelatie te kunnen opbouwen met patiënten. Daarnaast is het interessant om bezig te zijn met een breed spectrum aan complexe problemen, waarbij niet alleen lichamelijke factoren aan bod komen, maar de hele mens. Ik voel me thuis binnen de ouderengeneeskunde. Ik ben praktisch en generalistisch bezig met een specifieke patiëntengroep waarbij de insteek curatief kan zijn, gericht op kwaliteit van leven maar ook op begeleiden van het levenseinde. Hierbij werk ik een hecht team waarbij het prettig is dat alle disciplines samenkomen. Daarnaast spreekt het mij aan dat het vak in beweging is en dat ik daaraan positief kan bijdragen. Hoe kwam je met de ouderengeneeskunde in aanraking? Helaas niet binnen de reguliere studie geneeskunde. Eigenlijk omdat ik zoekende was naar wat ik wilde na het stoppen met de Orthopedie. Op de website van Cicero staat: “Wij zijn altijd op zoek naar enthousiaste basisartsen”. Ik heb er eerst gewerkt als basisarts en inmiddels ben ik in opleiding. Is er werk als je klaar bent en valt er wat te kiezen? Er is zeker werk als ik klaar ben, er is een tekort aan specialisten ouderengeneeskunde. Je kan kiezen op 20 het gebied van regio en organisatie, als ook binnen het specialisme: psychogeriatrie, somatiek, revalidatie, palliatieve zorg, consulten in de eerstelijn. Er zijn ook mogelijkheden om wetenschappelijk onderzoek te doen. Welke richting ga je uit denk je? Dat maakt me eigenlijk niet zoveel uit, ik houd van de afwisseling. Sommige dingen moet ik ook nog in mijn opleiding gaan ondervinden. Als het maar gecombineerd wordt met een afdeling psychogeriatrie. Ook wil ik graag in de toekomst weer wetenschappelijk onderzoek gaan doen. Wat zou je tegen artsen in opleiding willen zeggen? Kom eens kijken in het verpleeghuis en loop eens mee met een specialist ouderengeneeskunde. We zijn praktische generalisten voor een hele specifieke patiëntengroep. De teams waarin je werkt zijn in het algemeen erg hecht en er heerst een veilig en open leerklimaat. Het is een relatief jong vak waar van alles mogelijk is. Waar hoop je later te gaan werken? Bij een organisatie met een prettig en open werkklimaat, waarin in ik de ruimte krijg om te groeien en mezelf verder te ontplooien. Waar de patiënten centraal staan en waar maatwerk geleverd wordt. Het liefst ook in een organisatie waarin alle facetten van de ouderengeneeskunde aanwezig zijn. Jij komt zelf uit de regio Zuid-Limburg. Als je nu nog moest kiezen, wat betekent ons aanbod in Maastricht voor jou? Ik woon in Nuth, ben opgegroeid in Hoensbroek en heb gestudeerd aan de UM. Wat uitmaakt is reisafstand, zeker met een jong gezin. Binnen de opleiding zijn er vaak gastdocenten en specialisten uit de regio van de opleiding. Ik ben eigenlijk wel benieuwd wie deze aanspreekpunten kunnen zijn in mijn eigen regio, contacten leggen dus. Als het aanbod binnen de opleiding verschillend zou zijn of een verschil aan leerstijl, dan zou dat mijn keuze ook beïnvloeden. Wat wil je ons meegeven in Maastricht? Haal input bij je AIOS. Waar hebben ze behoefte aan en wanneer? Maak het niet te schools, bepaalde kaders zijn noodzakelijk, maar het blijft volwassenenonderwijs. Complexe ouderenzorg nader onderzocht Moeilijk om de juiste zorg te vinden DOOR JANINE COLLET, SPECIALIST OUDERENGENEESKUNDE EN PROMOVENDUS Wat een mooi nieuws, dat de opleiding tot specialist ouderengeneeskunde ook in Maastricht van start gaat! Ik denk dat huisartsen en specialisten ouderengeneeskunde elkaar nodig hebben om kwetsbare ouderen en chronisch zieken met complexe somatische en psychosociale problematiek te kunnen behandelen. De specialist ouderengeneeskunde kan patiënten in de hele zorgketen ‘bedienen’: zowel in de extramurale zorg, als medebehandelaar in nauwe samenwerking met huisarts, POH, wijkverpleegkundige of casemanager, als in de intramurale zorg als hoofdbehandelaar in een multidisciplinaire setting. Hij/zij is actief bij herstelzorg (revalidatie) na acute situaties, al dan niet na een ziekenhuisopname. Daarnaast liggen er taken voor specifieke zorg bij chronische patiëntgroepen, zoals de palliatieve zorg, de beademingszorg, de zorg voor patiënten met niet aangeboren hersenletsel (NAH) en Korsakov patiënten. Specialisten ouderengeneeskunde werken vanuit hun eigen praktijk, vanuit groepspraktijken, of in dienst van een verpleeghuisorganisatie, een ziekenhuis of een psychiatrische instelling. Vanwege mijn ‘liefde’ voor patiënten met multimorbiditeit met zowel lichamelijke als psychiatrische aandoeningen, werk ik al 16 jaar in de ouderenpsychiatrie..Als specialist ouderengeneeskunde met specifieke kennis van psychogeriatrische en gerontopsychiatrische patiënten met ernstige gedragsproblematiek, word ik vanuit de GGz regelmatig door huisartsen voor een consult gevraagd. In de praktijk zie ik dat de zorg hapert of stagneert, wanneer er sprake is van ernstige gedragsproblemen of wanneer een psychiatrische patiënt in de thuissituatie extra lichamelijke klachten krijgt. Er ontstaat vaak discussie over waar en van wie de patiënt het beste zorg kan krijgen. Voor een patiënt met een borderline persoonlijkheidsstoornis én ALS, of voor de NAH-patiënt met ernstige gedragsproblemen is het vaak moeilijk de juiste zorg te vinden of te organiseren. Ook de oudere psychiatrische patiënt met een bipolaire stoornis én een dementie past niet in het standaard zorgindicatieplaatje. Als de mantelzorg, de thuiszorg en de dagbesteding aan het eind van hun Latijn zijn, blijkt het organiseren van een opnameplek soms een helse klus. Het verpleeghuis geeft aan de gedragsproblematiek niet aan te kunnen en de GGz kan de somatische zorg niet bieden. Het lijkt dus van belang om de samenwerking tussen GGzinstellingen of andere psychische hulpverleners en V&Vinstellingen beter vorm te geven en te verankeren. Er is behoefte aan een intramurale zorgmogelijkheid, waar GGz én verpleeghuiszorg geleverd worden voor deze specifieke groep patiënten met een dubbele zorgvraag (DZV-patiënten). Wetenschappelijk onderzoek over deze specifieke doelgroep is uitermate schaars. We kunnen ‘practice based’ aanbevelingen doen, maar het wetenschappelijk bewijs ontbreekt. Daarom onderzoek ik binnen het project Specific Care on the Interface of Mental health and Nursing home (SpeCIMeN) zowel binnen de GGz als binnen het verpleeghuis de exacte kenmerken en zorgbehoeften van deze DZV-patiënten én de kenmerken van hun professionele verzorgers. Deze kennis is noodzakelijk om een adequaat (keten)zorgaanbod voor DZVpatiënten te ontwikkelen. In 2019 hoop ik op dit onderzoek te promoveren. Uit de voorlopige resultaten blijkt, dat DZV-patiënten vragen om innovatieve zorgvormen, met gedeelde verantwoordelijkheid en goede afstemming over wie wat doet en meer adequate c.q. passende financieringssystemen. "Huisartsen en specialisten ouderengeneeskunde hebben elkaar nodig" 21 Themadeel opleiding ouderengeneeskunde | op één lijn 62
Page 22
Themadeel opleiding ouderengeneeskunde | op één lijn 62 3e uitgave 2018 Gezondheidsrechtelijke kwesties Euthanasie bij dementie, wees overtuigd! DOOR MR. ARIE DE JONG, HUISARTS EN JURIST Over (kwetsbare) ouderen, machtigingen, schriftelijke wilsverklaringen, levenstestamenten en advanced care planning. Inleiding In de vorige ‘Op één Lijn’ (nummer 61) schreef ik een artikel over wilsverklaringen. Dit jaar veroorzaakte het onderwerp ‘euthanasie bij dementerenden’ veel onrust onder artsen1. De wilsverklaring speelt hierbij ook een rol. Vandaar dit nieuwe artikel. Voor het eerst dit jaar is er namelijk sprake van een daling van het aantal euthanasiegevallen2. Daarnaast zijn notarissen euthanasieverklaringen op gaan stellen voorzien van dementieclausules, afgegeven door de huisarts. Zelf heb ik dit jaar meermalen het verzoek gehad om te beoordelen of een schriftelijke wilsverklaring wel juridisch ‘waterdicht’ is, vooral bij dementie. Daarbij zag ik allerlei slimme tekstconstructies langskomen om alle mogelijke obstakels te vangen, zoals akkoord gaan met vooraf sederen bij onrust, doorgaan bij afweer of verzet, tot en met het vergelijken van de eigen situatie met die van een geliefd huisdier die een levensbeëindigend spuitje krijgt. In tijden van verwarring en lastige beslissingen, is back to basics een goede manier om weer overzicht te krijgen, zoals het ABCD in de acute geneeskunde. Back to basics betekent terug naar ‘hoe zat het ook alweer?’ en ‘welke stappen moet ik nemen om zorgvuldig en overtuigd te zijn in mijn beslissing?’. Euthanasie algemeen Euthanasie staat nog steeds in het Wetboek voor Strafrecht omdat het feitelijk nog steeds ‘moord met voorbedachten 1 Artikel in Trouw 8 maart 2018, OM start vier nieuwe onderzoeken naar mogelijk strafbare euthanasie. Uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege in Den Haag, over euthanasie bij dementie van 24 juli 2018. 2 Aantal euthanasiegevallen koerst voor het eerst in jaren af op daling. Het aantal gevallen van euthanasie is in de eerste negen maanden van dit jaar met 9 procent afgenomen, naar 4600. Dit meldt Trouw. Volkskrant, 16 oktober 2018. Bij het afronden van dit artikel bleek op 9 november 2018 dat het OM opnieuw een strafrechterlijkonderzoek instelt naar de handelswijze van een verpleeghuisarts die al eerder was berispt door het Tuchtcollege 22 rade’ is. Alleen als je het erg zorgvuldig uitvoert, is er geen strafvervolging. Los van het strafrecht kijkt er een Toetsingscommissie mee en staat het tuchtrecht open voor klachten op dit terrein. Er staat nergens in de wet dat een wilsverklaring nodig is om tot euthanasie over te gaan. De inhoud van een euthanasieverklaring doet er dus feitelijk niet toe. Echter, bij wilsonbekwame patiënten en vergevorderde dementie, waarbij de patiënt het zelf niet meer kan zeggen, kan het wel als ‘bewijs’ dienen voor het euthanasieverzoek. Heeft de patiënt in zijn wilsverklaring ook een ‘voorwaardelijke clausule’ (vergelijkbaar met ‘behandelverbod’; je mag niet verder gaan tot er aan de clausule is voldaan) heeft opgenomen, dan moet daar uitdrukkelijk rekening mee gehouden worden (dit was het geval van de zaak die bij het tuchtcollege is behandeld). Om euthanasie zorgvuldig uit te voeren, is er in de wet een aantal zorgvuldigheidseisen opgenomen. De zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 293, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, houden in dat de arts: a. de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt; b. de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt; c. de patiënt heeft voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevond en over diens vooruitzichten; d. met de patiënt tot de overtuiging is gekomen dat er voor de situatie waarin deze zich bevond geen redelijke andere oplossing was; e. ten minste één andere, onafhankelijke arts heeft geraadpleegd, die de patiënt heeft gezien en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in de onderdelen a tot en met d; en f. de levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding medisch zorgvuldig heeft uitgevoerd. Zoals te lezen is, staat er nergens dat er een schriftelijke wilsverklaring nodig is. Je moet als arts overtuigd zijn. Als je verschillende gesprekken met een patiënt hebt gehad en daarvan goed verslag hebt gedaan in jouw dossier, dan is dat voldoende. Je moet de SCEN-artsen vooraf en de toetsingscommissie achteraf kunnen overtuigen dat je het 3e uitgave 2018 zorgvuldig gedaan hebt. Je mag natuurlijk een schriftelijke wilsverklaring gebruiken, maar je zal moeten aantonen dat er ook daadwerkelijk over gesproken is. Het is verstandig om een elders opgesteld euthanasieverzoek grondig te lezen, om te weten of er geen voorwaardelijke clausules zijn opgenomen. Om met de rechter te spreken: ‘een euthanasieverzoek moet kraakhelder zijn’ en ‘er mag geen ruimte voor interpretatie bestaan’. ‘Vrijwillig’ wijst op het uitsluiten dat het onder druk van anderen (of door anderen) is opgesteld. ‘Weloverwogen’ wil zeggen dat de patiënt wilsbekwaam is ten tijde van het verzoek. Bij dementie moet je er dus op tijd bij zijn. ‘Weloverwogen’ houdt ook in dat de patiënt een goed beeld heeft van zijn ziekte, de prognose en eventuele alternatieven. Daarnaast is er ook nog de overtuiging dat er sprake is van een ondraaglijk en uitzichtloos lijden (lastig als de patiënt het zelf niet meer weet/beseft/lijdt?) en dan nog de overtuiging dat er geen redelijke andere oplossing is. Je moet kunnen aantonen dat er gesproken is over de huidige situatie en de vooruitzichten en dat er tenminste één andere, onafhankelijke arts, heeft mede beoordeeld. Als het dan tot uitvoering komt, moet dit volgens de geldende protocollen. Er staat ook nergens dat er sprake moet zijn van een herhaald verzoek om euthanasie; een eenmalig verzoek is voldoende. Een eenmalig gesprek over euthanasie zal echter niet erg overtuigend overkomen. Ook over actualiseren van het euthanasieverzoek staat nergens iets geschreven in de wet. Maar regelmatig nagaan of de patiënt er nog hetzelfde over denkt en ongewijzigd achter het verzoek staat, zal de overtuiging van de arts alleen maar vergroten. In mijn praktijk kwam het regelmatig voor dat een verzoek werd bijgesteld of dat er (voor)waarden voor ‘ondraaglijk’ en ‘uitzichtloos’ werden toegevoegd. De waarde van een schriftelijke wilsverklaring De waarde van een schriftelijke wilsverklaring is dus beperkt en strikt genomen niet nodig. Maar dan moet wel het een en ander in het dossier vastgelegd worden. Is er wel een wilsverklaring, lees deze dan goed en bespreek dat met de patiënt. Focus dan op de opgenomen voorwaardelijke clausules. Maak helder wat voor deze patiënt ondraaglijk en uitzichtloos is. Als dat er niet in staat, laat het dan aanvullen of in het dossier zetten. Actualiseren is strikt genomen niet nodig, maar een tien jaar oude wilsverklaring, zonder dat er daarna nog over gesproken is, zal niet overtuigend werken. Bij een vergevorderde dementie kan een schriftelijke wilsverklaring, die eerder vrijwillig en weloverwogen is opgesteld, dienen als verzoek om euthanasie. Deze wilsverklaring kan dan ook als bewijs dienen voor de SCEN-arts en de Toetsingscommissie Euthanasie als de situatie van ondraaglijk en uitzichtloos lijden zich voordoet, euthanasie wordt overwogen en als aan de andere voorwaarden is voldaan. Euthanasie bij wilsonbekwaamheid Euthanasie bij wilsonbekwaamheid maakt het lastiger omdat het een weloverwogen verzoek moet zijn, wat impliceert dat een patiënt wilsbekwaam moet zijn. In het stappenplan wilsbekwaamheid van de KNMG3 staat dat “als de hulpverlener (comorbide) psychiatrische problematiek vermoedt, dan moet bij belangrijke beslissingen ook een algemeen psychiatrisch onderzoek plaatsvinden”. Euthanasieverzoeken bij een comorbide depressie behoren tot deze categorie. Van belang is het toetsen van begrijpen, waarderen en toepassen van informatie, het redeneren en het maken van een keuze. Euthanasie bij dementie Bij de diagnose dementie ben je niet automatisch wilsonbekwaam. Voor dementen geldt, net als bij iedereen, dat de wilsbekwaamheid moet worden beoordeeld ten aanzien van de vraag die voorligt. In de woorden van de tuchtrechter: ”een demente patiënt raakt het recht om over diens eigen leven te beschikken niet kwijt”. Daarnaast kan het overtuigd zijn van uitzichtloos en ondraaglijk lijden moeilijk worden, maar ook hier geldt dat als daar duidelijk sprake van is door bijvoorbeeld; angst, onrust verdriet en het niemand meer herkennen, dit overtuigend kan zijn. Euthanasie bij (vergevorderde) dementie is dus mogelijk als: • Er een ‘kraakheldere’ wilsverklaring is, in welke vorm dan ook, die niet voor meerderlei uitleg vatbaar is; • Er sprake is van ondraaglijk en uitzichtloos lijden; • Er geen andere oplossing voor het probleem is’; • Er tenminste één andere onafhankelijk arts mee beoordeelt; bij dementie is dat bij voorkeur een geriater of een specialist ouderengeneeskunde en • De euthanasie zorgvuldig wordt uitgevoerd volgens de geldende richtlijn. Hulp bij zelfdoding Voor hulp bij zelfdoding gelden voor een hulpverlener dezelfde zorgvuldigheidseisen als bij euthanasie. Voor de wet is dit een ‘variant van euthanasie’. Daarnaast zijn er richtlijnen voor specifieke situaties4. Conclusie Euthanasie bij (vergevorderde) dementie is mogelijk mits aan de zorgvuldigheidseisen is voldaan. Dat deze zorgvuldigheidseisen bij wilsonbekwaamheid en dementie voor iedereen (arts-patiënt-familie-Toetsingscommissie en eventueel de tuchtrechter en het Openbaar ministerie) heel overtuigend moeten zijn, moge uit het bovenstaande duidelijk zijn. 3 Van Wet naar Praktijk, deel 2, informatie en toestemming, pag. 117 e.v. Utrecht 2004, In de richtlijn ‘omgaan met het verzoek om hulp bij zelfdoding door patiënten met een psychiatrische stoornis’ Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie 2009 wordt het standpunt van de KNMG meer gespecificeerd. 4 Zie noot 3 23 Themadeel opleiding ouderengeneeskunde | op één lijn 62
Page 24
Themadeel opleiding ouderengeneeskunde | op één lijn 62 3e uitgave 2018 In de media Vergrijzend Limburg krijgt specialisatie ouderengeneeskunde Mariëlle van de Velden (links op de foto) Opleiding tot specialist ouderengeneeskunde start ook in Maastricht Het Radboudumc en de Universiteit Maastricht gaan samen een opleiding tot specialist ouderengeneeskunde in Maastricht aanbieden. Nederland kent een groot tekort aan specialisten ouderengeneeskunde. Daarom wordt het aantal opleidingsplaatsen fors uitgebreid. Vanaf september 2019 kunnen artsen starten met de opleiding specialist ouderengeneeskunde aan de Universiteit Maastricht (UM). De uitbreiding van dit opleidingsaanbod verbreedt en versterkt bovendien het aanbod van medische vervolgopleidingen binnen het MUMC+. Het tekort aan specialisten ouderengeneeskunde neemt jaarlijks toe door de vergrijzing en door ontwikkelingen in de ouderenzorg zelf. Kwetsbare ouderen blijven langer thuis wonen, omdat de overstap naar een verzorgingshuis of verpleeghuis niet langer vanzelfsprekend is. Alleen de meest kwetsbare en hulpbehoevende ouderen komen nog in aanmerking voor opname in een verpleeghuis. Deze patiënten hebben vaak een complexe zorgvraag. Dit vraagt om verdere versterking van de medische zorg voor zelfstandig wonende ouderen. De specialist ouderengeneeskunde is de medisch expert in de zorg voor deze kwetsbare en hulpbehoevende ouderen. In het verpleeghuis, maar ook als adviseur voor de huisarts. De opstartfase van de opleiding tot specialist ouderengeneeskunde in Maastricht wordt financieel ondersteund door de Stichting Beroeps Opleiding Huisartsen (SBOH) (werkgever van huisartsen én specialisten ouderengeneeskunde in opleiding). De opleiding wordt ondergebracht bij de vakgroep Huisartsgeneeskunde in Maastricht, waar al de driejarige specialisatie tot huisarts wordt aangeboden. Zo wordt de aanwezige infrastructuur optimaal benut. Ook ontstaan mooie kansen voor onderlinge samenwerking tussen artsen in opleiding en scholing voor basisartsen om zich al tijdens de opleiding Geneeskunde te bekwamen in dit vakgebied. De eerste jaren wordt de Maastrichtse opleiding verzorgd onder verantwoordelijkheid en regie van de Vervolgopleiding tot Specialist Ouderengeneeskunde Nijmegen (VOSON) van het Radboudumc. Op termijn wordt bekeken of de opleiding in Maastricht zelfstandig verder kan. Voor nadere informatie kunt u contact opnemen met: • Babette Doorn, projectmanager vakgroep Huisartsgeneeskunde UM, 043-388 21 51 • Anne van den Brink, hoofd VOSON, 024-361 81 81 • Correspondentie via SO@maastrichtuniversity.nl Of kijk op www.ouderengeneeskunde.nu of www.ouderengeneeskundemaastricht.nl Meerdaagse Nascholing Ouderengeneeskunde Kom naar de 12e editie van het congres ‘Ouderengeneeskunde Maastricht 2.0’ op 10, 11 en 12 april 2019 in de Bonbonnière in Maastricht. Accreditatie: 18 uur. Onderwerpen o.a. dementie bij migranten, geriatrische revalidatie, nieuwe vormen van geriatrische zorg, waaronder hospital@home, trombo-embolieën en kanker, nieuwe ontwikkelingen bij diabetes mellitus, de wet zorg en dwang, oncologie bij ouderen en palliatieve zorg. Info: www.stichting-postacademische-nascholingen.nl /maastricht 24 Column Zorgen doe je samen DOOR K.O.E.K. WOUS Terwijl ik het hospice uitloop vraag ik me af: hoe krijgt ze het toch weer voor elkaar? Op de een of andere manier is weer de mix van emoties ontstaan die ik bijna altijd heb ervaren in het contact met haar. Een mix van machteloze compassie en frustratie. En het erge is: dit doet ze niet alleen met mij. Haar overige hulpverleners, al dan niet beroepshalve, hebben mij ook al gebeld, omdat ze bij hen dezelfde emoties teweegbrengt. Je wil haar zo graag helpen, maar merkt, dat alles wat je probeert, niks oplevert. En des te harder je werkt, des te minder je bereikt. Zij is de ideale patiënt om mensen van hun hulpverlenerssyndroom af te helpen. Maar nu gaat ze naar alle waarschijnlijkheid binnenkort dood. Hoewel ze ook nu weer haar behandelende medici tart, door al veel langer te leven dan verwacht, ondanks een abstinerend beleid. En ook nu weer doet ze met haar medicatie wat zij wil, met alle verpleegadviezen wat zij wil, doet ze met alle voedingsadviezen wat zij wil. En ze blijft tegelijkertijd om hulp vragen. Maar ik zie helaas dat het ook helemaal niet goed met haar gaat! Ik zie haar lijden! En dat doet mij telkens wanneer ik haar bezoek pijn. Ik zucht maar eens heel diep. Mijn maat, die met me mee is geweest op bezoek, kijkt me aan en knikt. Voordat we in de auto stappen gaan we even op een bankje zitten en bespreken wat we het afgelopen uur weer gezien en gehoord hebben en wat het met ons doet. Ik heb een hele fijne maat, realiseer ik me maar weer eens. Maar zeg ik dat ook wel vaak genoeg tegen haar? De vraag stellen is hem beantwoorden, vrees ik. Dat het belangrijk is om een fijne collega in je buurt te hebben, is me de afgelopen weken helaas weer te vaak duidelijk geworden. In korte tijd was het vanochtend alweer de derde patiënt die kwam vertellen, dat ze zich op haar werk ziek gemeld had, omdat ze de werkdruk en –sfeer niet meer aan kon. De leidinggevende die ten koste van het personeel carrière wil maken is de wel vaker gehoorde katalysator van ellende. Waarbij ook het personeel elkaar niet steunt, of zelfs hakken zet om in het gevlei van hun leidinggevende te komen. Dan wordt het op de werkvloer een heel eenzame strijd om te overleven. Gedoemd om slachtoffers te maken. Helaas begin ik deze negatieve geluiden over het werk ook te horen van collega’s werkzaam in het beste streekziekenhuis in de buurt. Ook daar hebben managers de ‘macht’ gegrepen en zij bepalen steeds meer wat de dokter moet doen en laten en wanneer. Bij ons huisartsen proberen de zorgverzekeraars, soms via DBC afspraken met de zorggroep, steeds meer zeggenschap te krijgen over ons medisch handelen en zijn de herregistratie eisen strenger geworden. Naast de toename van taken in de afgelopen jaren, bepaalt dat vooral de toegenomen werkdruk. Niet alleen voor ons, maar ook voor onze medewerkers. Praktijkhouders hebben de keus wat ze wel en wat niet willen aanbieden aan hun patiënten in de praktijk. Zoals mijn maat zegt: “Huisartsen kunnen alles, maar willen we dat ook?” Onze medewerkers moeten hierin met ons mee. Gelukkig kunnen we de werksfeer in onze praktijk samen met onze medewerkers en collega’s zelf bepalen. Ik heb het geluk gehad van begin af aan met een hele fijne collega een duo praktijk te hebben. Waarmee ik aan het eind van de dag de moeilijke, maar ook mooie momenten die zijn gebeurd kan bespreken. En dat doen wij niet alleen met elkaar, maar ook met onze medewerkers. Bovendien zijn we het ook roerend met elkaar eens dat we regelmatig iets leuks moeten doen met zijn allen. Niet alleen ons jaarlijkse praktijkuitje, maar ook af en toe een hapje eten samen, of borrelen. Zij is ook een collega die met me aan het eind van de dag samen naar een patiënt gaat kijken die in een hospice is opgenomen en me keer op keer emotioneel weet te raken. Zoals ik dat ook voor haar zou doen. Voordat ik in mijn auto stap bedank ik haar dat ze met me mee is gegaan. 25 Themadeel opleiding ouderengeneeskunde | op één lijn 62
Page 26
op één lijn 62 3e uitgave 2018 Uit het hoofd De huisartsopleiding vervelt DOOR JOOST DORMANS, PLAATSVERVANGEND HOOFD HUISARTSOPLEIDING MAASTRICHT Al heb ik niets met slangen, ik vind het wel wonderlijke beesten in de zin dat zij hun oude vel afstropen, zodat wordt plaatsgemaakt voor een nieuwe huid. De huisartsopleiding is in dat opzicht net een slang: een cyclus van voortdurend herboren worden door natuurlijk verloop en gecontroleerde groei. De esculaap is duidelijk zichtbaar bij de huisartsopleiding. “De opleiding vervelt” staat voor het instromen van veelbelovende huisartsen en psychologen uit het veld die graag hun opgedane kennis overdragen en groeien in hun rol als docent. Ervaren docenten schuiven door naar coördinerende functies en het afscheid nemen van ‘vaste waarden’ hoort erbij. Er is een soort estafette gaande binnen praktijken waarbij huisartsen het opleidingsstokje doorgeven en de opleidingscapaciteit ook nog groeit. Steeds meer praktijken hebben meer dan één aios, maar ook Nurse Practitioners in opleiding, praktijkondersteuners in opleiding enzovoorts. Ze zijn met recht ‘opleidingspraktijken’ te noemen. Afgelopen zomer is de verzameling proefschriften, scripties en jaarverslagen uit het studielandschap in de papiercontainer terecht gekomen. Digitale zilvervisjes hebben het analoge papier opgevroten. Sommige huisartsen uit de eerste lichtingen (beginjaren 70) kon ik verblijden met hun afstudeerscriptie van destijds. Ik kon het niet laten om bij sommigen op de scriptie “voldoende” of “ga zo door!” te zetten. De statistieken en teksten uit oude jaarverslagen zijn veelzeggend als het gaat om voortdurende herboren worden en groei. Het jaarverslag van 1983 rept van 27 huisartsen-inopleiding en 30 opleidingspraktijken. In 1999 waren er al 134 huisartsen-in-opleiding en 103 actieve opleiders. Van de actieve opleiders was 92% man en de helft solist. Vorig jaar telden we 219 huisartsen-in-opleiding en 223 huisartsopleiders (waarvan bijna de helft vrouw) en leverden we 68 huisartsen af. Maar liefst een verachtvoudiging ten opzichte van 1983, dat noem ik nog eens vervellen in rap tempo. Geen evolutie, maar revolutie... In 2019 gaat de opleiding wederom een tandje bijzetten: afgaande op het bevolkingsaantal (in Limburg en Zuidoost Brabant) mogen we 72 aios opleiden, maar we gaan voor 26 maar liefst 82 aios. We horen de roep van ‘het veld’ om meer hidha’s, waarnemers en praktijkopvolgers. In 2021 groeien we naar bijna 250 huisartsen-in-opleiding. Om dit te realiseren, is actief en ludiek werven en het promoten van het vak nodig. Ga en blijf in gesprek met studenten en anios; niet alleen over het vak, maar ook over de leefomgeving, regio en wat deze te bieden heeft. De beste reclame bent u zelf! Om terug te komen op de slang waarmee ik begon: vervellen weerspiegelt de gezondheid van de slang, zo ook bij de opleiding. Als de voeding is verstoord of de leefomgeving niet goed is, vervelt de slang slecht en wordt hij ziek. Bureaucratische Medusa’s kunnen het vervelproces verstoren. De huisartsopleiding gedijt en groeit goed in een omgeving met ontwikkelingsruimte en autonomie in beleid en bestedingsruimte. Op naar de 250! www.huisartsgeneeskundemaastricht.nl word huisarts! Veel opleidingsplekken Afwisselende baan Familie Smets Laatst gezien 13:45 Baangarantie Goed salaris én een privé leven Bedankt voor alle goede zorgen, ook namens Emma! 14:23 We zoeken nu 42 aios, start september 2019 in Eindhoven of Maastricht. Jij mag kiezen! Scan de QR-code of bel/app Joost 06-41144460 of Babette 06-40427811 Solliciteer NU! van 1-12-2018 t/m 31-1-2019 Weten is eten Mijn vrouw eet geen vlees meer DOOR HENDRIK JAN VUNDERINK, HUISARTS-DOCENT EN REDACTIELID Het was geen besluit van het ene moment op het andere, maar een geleidelijk proces. Aanstichters waren de Belgische abattoirs, de vogelgriep, de megastallen (al dan niet afgebrand), de varkenspest, mond- en klauwzeer en al die andere vormen van dierenleed. Met niet in de laatste plaats ook de door de ongeremde carnivoor achtergelaten ecologische voetafdruk. En ondanks dat ik zelf wat behoedzamer ben bij het nemen van drastische dieetmaatregelen, kan ik mijn vrouw niet helemaal ongelijk geven. Het Voedingscentrum adviseert ons om niet meer dan 500 gram vlees per week te nuttigen, waarvan maximaal 300 gram rood vlees, met de volgende argumentatie: “Rood vlees is al het vlees dat komt van runderen, schapen, geiten en varkens. Eet je veel rood vlees, dan heb je meer kans op darmkanker, beroerte en diabetes type 2 (suikerziekte). Rood vlees belast het milieu ook meer dan wit vlees (kip of ander gevogelte), vis en ei”. “Wat nu, zei Pichegru?” en ik zeg het hem na. Met name het naderende Kerstfeest moet voedingstechnisch op de schop. Geen varkenshaas, haarwild, kalkoen of ander vederwild. Dan maar ongebreideld slempen met cashewnoten en luzernescheuten? Dat klinkt niet lekker. En wat voor wijn trek je daarbij open? De redding komt uit de zee, want mits voorzien van MSCkeurmerk, kan mijn vrouw nog altijd genieten van vis in alle soorten en maten. Goddank, want ik citeer nog maar eens het Voedingscentrum: “één keer per week vis eten is een echte aanrader. Vooral vette vis zoals makreel, haring, Atlantische zalm, bokking, sardines. Lekker op brood, door salade en bij het avondeten”. Cardiovasculair zit je met vette vis gebeiteld. Stampvol eicosapentaeenzuur en docosahexaeenzuur, beide omega 3-vetzuren. En dat zijn preventieve wondermiddelen: ze verlagen de kans op sterfte aan hart- en vaatziekten, verlagen de systolische bloeddruk, zorgen voor een mooie hersenontwikkeling bij het ongeboren kind, en ze helpen mogelijk bij slecht leergedrag, depressie en dementie (helaas wel tegenstrijdige onderzoeksresultaten). Wat wil een mens, en ook een dokter, nog meer? Nou, dat de vis niet te duur betaald wordt en bij voorkeur smakelijk bereid. Daarom suggereer ik u bij wijze van voorgerecht deze mooie mousse de macquereaux, presentation discutable. Makreel scoort groen op de VISwijzer, is niet duur, zit vol vetzuren en smaakt geweldig. Het recept is wat bewerkelijk, inclusief de discutabele opmaak van het bord, maar het goudglanzende vel past toch mooi in de Kerstsfeer. Fijne feestdagen gewenst! RECEPT Mousse de Macquereaux, voor 4 personen 300 gr gerookte makreelfilets (van 4 kleine makrelen) 180 gram visbouillon 4 gram agar agar poeder 120 gram room Zout en peper uit de molen Nori vellen (uit het tokoschap van de supermarkt) Snijd de staarten ruim van de makrelen af, en leg ze apart. Neem de resterende makreel uit het vel (voorzichtig!) en ontdoe ze van de graten en graatjes. Pureer het visvlees met de bouillon en de agar agar in de keukenmachine, en breng op smaak met zout en peper. Klop de room stijf en spatel luchtig door de mousse. Leg nu het makreelvel met de glanzende zijde onder op een bamboematje, en bedek met een half vel nori. Leg een dikke reep mousse in de lengte op de nori en rol met behulp van het matje stevig op. Even in de koelkast laten opstijven, en daarna met een vlijmscherp mes in stukken van ongeveer 5 cm snijden. Maak hiermee de borden op, zet de staarten rechtop in een lekker saus (saffraan, of groene kruiden), leg de mousserolletje op een bedje zeewiersalade en schik er wat alfalfa en of kruiden omheen. Eventueel opsmukken met wat garnalen doet het ook altijd leuk. Serveer uit binnen een dag, want daarna verliest de agar agar zijn bindingskracht. 27 op één lijn 62
Page 28
op één lijn 62 3e uitgave 2018 Equilibre: rubriek voor huisartsopleiders Positieve gezondheid DOOR MARIEKE KOOLS & ARIE DE JONG, HAO-COÖRDINATOREN Inspiratie op de Tweedaagse In november was het weer zover: alle opleiders ( jaar 1, 2 en 3) van de huisartsopleiding kwamen op de Kapellerput in Heeze bijeen voor de welbekende Tweedaagse. Dit keer stond het thema Positieve Gezondheid centraal. Machteld Huber, van oorsprong huisarts, promoveerde in 2014 op het onderwerp ‘positieve gezondheid’, een thema dat ze zelf bedacht. Machteld presenteerde in Heeze de ontwikkeling van het concept en de groei die het doormaakt in Nederland en daarbuiten. Met sprekende voorbeelden illustreerde ze hoe positieve gezondheidszorg de autonomie van de patiënt ondersteunt en deze helpt bij het denken over welke stap(pen) hij of zij wil zetten. Net als ‘aios in de lead’, nu ook de ‘patient in de lead’. Misverstanden werden weggenomen: Machteld maakte duidelijk dat zelfmanagement van de patiënt geen ‘zoek-het-zelf-maaruit-management’ is. Het is een hulpmiddel voor huisartsen om een ander gesprek met de patiënt op gang te brengen. Een gesprek, dat verrassend kan zijn voor beide partijen en nieuwe inzichten kan geven. Opmerkelijk was dat hoogopgeleiden en beleidsmakers ver afstaan van de visie van de patiënt op de vraag welke aspecten zij onder ‘gezondheid’ vinden vallen. Figuur 1 hieronder laat dit mooi zien. Huisarts Hans-Peter Jung liet vervolgens in een inspirerend persoonlijk verhaal zien, hoe hij tot een geïntegreerde aanpak van positieve gezondheidszorg kwam en wat het kan betekenen voor een patiënt. ‘PIM-men’ (Positief Incident Melden) als werkwijze om het werkplezier van de huisarts en zijn team te vergroten. Dit was een van de ideeën die enthousiast ontvangen werd door het publiek. De drie inspirerende pitches van onze eigen opleiders Ylva Onderwater en Micha Lutgens droegen hieraan bij. Docent Oda Bauhuis liet de enthousiaste ‘vibe’ door iedereen voortzetten door in te zoomen op een persoonlijk sprankelmoment. De regie en keuze aan de patiënt: als dokter je mond houden en niet voor de patiënt keuzes maken op basis van diens 28 3e uitgave 2018 vlnr: Carolien Geurten, Katrien de Bruijn en Huub L'Ortye spinnenweb. Een uitdaging voor menigeen. We werden gerustgesteld: het maakt niet veel uit. Als je op één domein iets aanpakt, gaan de andere domeinen van die patiënt vanzelf in positieve richting mee. Hoe dit aan te pakken, werd ’s middags in kleine groepen geoefend in de workshop ‘het andere gesprek’. Het ‘vijf minuten zwijgen’ werd als moeilijk en soms kunstmatig ervaren door de luisteraar. De verteller daarentegen voelde zich juist goed gehoord. Daarna werd het thema ‘positieve gezondheid’ doorgetrokken naar de praktijk: van persoonlijke kernwaarden naar praktijkvoering. Vol ideeën en gedachten sloten we daarmee de eerste trainingsdag af. De opleidersvereniging VHAO-UM nam het over met hun algemene ledenvergadering en het avondprogramma: teambuilding op Expeditie Robinson-achtige wijze, geleid door Herold Dat. Er werd veel gelachen om elkaars competitiedrang en inventiviteit. De volgende dag stond ‘Positief Opleiden’ centraal. Oda Bauhuis en Paul Schrijver trapten af met positieve psychologie en oplossingsgericht werken. In workshops gingen we aan de slag met oplossingsgerichte gespreksvoering. Het bleek een toevoeging voor opleiders om op een andere manier het leergesprek te voeren. Praten over oplossingen in plaats van problemen. Het was een goede oefening en zeker een onderwerp wat we op trainingsdagen voor huisartsopleiders terug zullen laten komen. De opleiders van de jaar-2 stages waren ook dit keer weer enthousiast aanwezig. De interactie met de huisartsen en de kennismaking met de manier van denken over artspatiëntcontact in de eerstelijn was voor velen een heel positieve ervaring. Een stimulans voor ons om zo door te gaan. 29 op één lijn 62
Page 30
op één lijn 62 3e uitgave 2018 Clinicus van het jaar verkiezing Wie zijn de genomineerde huisartsen bij het coschap? Studentenvereniging MSV Pulse organiseert al vele jaren de ‘Clinicus van het jaar’ verkiezing. De huisartsgeneeskunde Winnaars vorig jaar: Floor Seveke en Gaspard Knops wordt daarbij niet vergeten. Net als vorig jaar zijn er drie genomineerde huisartsen bij het coschap die in de race zijn om de beste werkplekbegeleider 2017-2018 te worden. De genomineerden huisartsen zijn (in willekeurige volgorde): Marloes Beljaars-Van Der Does uit Eindhoven, Joep Lautenschutz uit Maastricht en Jeroen Kuijpers uit Berlicum. Laatstgenoemde werd vorig jaar ook genomineerd. Op 21 januari 2019 wordt tijdens de uitreiking in het azM bekend wie er met de hoogste eer vandoor gaat en de prijs: een zilveren stethoscoopspeldje en een geldprijs, aangeboden door de Stichting Sint Annadal uit Maastricht, dat besteed dient te worden aan een onderwijsdoel. Gezocht: nieuwe opleidingspraktijken Stap nu in bij het coschap huisartsgeneeskunde DOOR LILIAN AARTS, ONDERWIJSCOÖRDINATOR Het aantal aanmeldingen voor de Huisartsopleiding zit weer in de stijgende lijn. In maart 2019 starten wij maar liefst met drie groepen aios. Dat betekent ook dat we opleiders gelukkig weer meer continuïteit kunnen bieden. In maart 2019 starten ook 10 opleiders met hun eerste aios na geruime tijd coassistenten te hebben begeleid. Daarom is er extra werk in de opleidingswinkel: we zoeken minimaal 10 praktijken zonder onderwijservaring en die in 2019 kunnen starten met het begeleiden van coassistenten. U maakt echt het verschil: door uw begeleiding op de werkplek maakt u studenten enthousiast voor het vak. 30 Bovendien draagt u eraan bij dat alle coassistenten tijdens de master (360 per jaar) de kans krijgen om stage te lopen bij een huisarts. Zo krijgen zij een goed beeld van de Nederlandse gezondheidszorg. Een tekort aan stageplaatsen huisartsgeneeskunde, wordt ingevuld met stageplaatsen in de ouderengeneeskunde, om te voorkomen dat studenten studievertraging oplopen. Dus, doet u nog niet mee om welke reden dan ook, kijk dan op onze website voor meer informatie: www.huisartsgeneeskundemaastricht.nl/ opleiding-geneeskunde/opleiden. Aanmelden kan via lilian.aarts@maastrichtuniversity.nl 3e uitgave 2018 WESP: Bas Beniers De invloed van weersomstandigheden BEGELEIDERS: MAARTJE WILLEBOORDSE EN ONNO VAN SCHAYCK Vraagstelling Binnen het project “De Gezonde Basisschool van de Toekomst”, wordt gekeken naar de gezondheid van kinderen in de regio Parkstad. Hierin is onder andere de fysieke activiteit in kaart gebracht met behulp van beweegmeters. We hebben geprobeerd te achterhalen of er een verband bestaat tussen de weersomstandigheden en de mate van activiteit van de kinderen binnen de baselinemetingen, welke plaatsvonden tijdens de herfstmaanden van 2015. Studiedesign Tijdens de baselinemetingen hebben acht basisscholen deelgenomen aan het onderzoek. Met behulp van multivariabele regressie hebben we een model gemaakt die zo goed mogelijk de fysieke activiteit kan voorspellen. Primair resultaat en conclusie Van alle weersomstandigheden heeft ‘regen’ de grootste invloed op de activiteit van kinderen. Binnen het gevormde model heeft de hoeveelheid regen een positief effect, terwijl de duur van de regen een negatief effect heeft. De maximale temperatuur heeft een negatieve invloed. De studie laat geen effect zien van de gemiddelde temperatuur en zonuren op de fysieke activiteit van kinderen. “Dokter, ik vergeet zoveel … word ik dement?” Wij zijn benieuwd naar de afwegingen die patiënten met geheugenklachten, naasten en de huisarts hebben bij het besluit of en hoe geheugenklachten verder onderzocht zullen worden. Wij willen deze informatie gebruiken om een keuzehulp te ontwikkelen die de gezamenlijke besluitvorming ondersteunt. Het uiteindelijke doel is dat we met de opbrengsten van het project huisartsen in staat kunnen stellen om elke patiënt met geheugenklachten een diagnostisch traject op maat aan te bieden. Oproep! Wij zijn op zoek naar huisartsen die willen deelnemen aan dit onderzoek. U werft 2-3 patiënten met geheugenklachten voor deelname aan het onderzoek. Zij vullen tweemaal een aantal vragenlijsten in en worden uitgenodigd voor een interview. U vult zelf eenmalig een vragenlijst in over uw algemene opvattingen ten aanzien van een (vroeg)diagnostiektraject bij geheugenklachten. Verder vult u per deelnemende patiënt een korte vragenlijst in. Als dank ontvangt u een kleine attentie voor uw deelname en een cadeaubon t.w.v. € 20 per geïncludeerde patiënt. U wordt ook uitgenodigd voor deelname aan een vrijblijvende focusgroep waarin we u kunt meedenken over de ontwikkeling van de keuzehulp. Er zal accreditatie worden aangevraagd voor deze focusgroep. Meer informatie vindt u op: www.alzheimercentrumlimburg.nl/sdecided. U kunt uzelf ook aanmelden via deze website. Vragen? U kunt contact opnemen met Nadine Appelmans en Julia Frijling. Telefonisch: 043-3881022 of s-decided@maastrichtuniversity.nl. 31 op één lijn 62
Page 32
op één lijn 62 3e uitgave 2018 In de leer Als je baret maar goed zit DOOR ARIANNE BECKERS, EERSTEJAARS AIOS Vol goede moed en met veel plezier ben ik 3 september 2018 gestart met de huisartsopleiding Maastricht, locatie Eindhoven. Een bewuste keuze. Naast huisarts in opleiding, ben ik militair arts. Het mocht de komende twee jaar wel even wat dichter bij huis. Die wens is uitgekomen. De eerste negen maanden werk ik 22 kilometer van mijn woonadres en heb ik één terugkomdag per week, eveneens op 22 kilometer van huis. Dat is andere koek dan de afstanden die ik de afgelopen jaren heb afgelegd. Wat bevalt dit goed! Vanaf het eerste moment voelde ik me welkom. Er was veel belangstelling voor mijn achtergrond: ‘Wat houdt militair arts zijn in?’ en ‘Ben je dan ook uitgezonden?’. Daarnaast was er sprake van een aanname: ‘Dan zal je wel veel ellende gezien hebben’. Er werd oprechte interesse getoond. Voor wat betreft de aanname: Gelukkig ben je als militair arts in Nederland geen M.A.S.H.1 figurant. De poster ‘Komt een peuter samen met oma hondje en zijn brandweerauto… bij de dokter’ kennen we allemaal. Daar zou je zo een militair arts poster van kunnen maken: ‘’Komt een soldaat samen met zijn collega en zijn tankwagen met rook in de cabine en een druiper, met een vriendin die hoogzwanger is, op uitzending moet en nog moet worden voorzien van alle vaccinaties bij de dokter’’.2 Kortom: Het grootste deel van het werk als militair arts speelt zich af in een spreekkamer en is net als huisarts zeer divers. In grote lijnen vertoont het zelfs alleen maar overeenkomsten. Ter vergelijking: • Op dag één van de Koninklijke Militaire academie kreeg ik te maken met enkele afkortingen3: KiKaDiWoDo, LUPA, MGD, Hiba, MBV. • Op dag één van de huisartsopleiding was dit niet anders: IOP, ALOBA, KPB, MAAS-globaal, SMART. 1 Amerikaanse televisieserie Mobile Army Surgical Hospital tussen ’72 en ’83. Ook vóór mijn tijd, maar wel zoals civiele collega’s het werk als militair arts grofweg inschatten. 2 Ik heb natuurlijk wat overdreven. Niet elke militair heeft een SOA (gehad). 3 De lijst met afkortingen: 1. Kind kan de was doen 2. Lunchpakket 3. Militaire geneeskundige dienst 4. Hindernisbaan 5. Militaire basisvaardigheden. Niet elke uitdrukking is door mijzelf verzonnen. Mede dank aan mijn onderwijsgroep voor de inspiratie. 32 • Bij Defensie werken we met een computersysteem dat te vergelijken is met MS DOS. In de huisartsenpraktijk zijn het mooi ontwikkelde systemen met een hoop mogelijkheden. Helaas lopen die net zo goed vast en kennen ook diverse mankementen. • Bij Defensie krijg je te maken met meerderen in rang. Die dien je met een goed verhaal te benaderen, anders word je afgesnauwd. Als huisarts in opleiding heb je dezelfde ervaring als je een specialist in het ziekenhuis met een flutverwijzing belt. • Bij Defensie worden er vragen gesteld over inheemse pathologie en welke vaccinaties iemand nodig heeft op uitzending. In de huisartsenpraktijk komen er vragen over Meningokokken type W en het wel of niet vaccineren van zwangeren tegen kinkhoest. • Militairen doen er lang over om zich te ontkleden voor het lichamelijk onderzoek met al die kleding en bepakking. Ouderen in de civiele praktijk kunnen er ook wat van met diverse laagjes en een vertraagde motoriek. • De automatenkoffie van Defensie smaakt niet anders dan de automatenkoffie op de SEH. • Bij Defensie moet je regelmatig ‘nee’ verkopen als het gaat om de uitgifte van bepaalde medicamenten zoals Valsartan, Thyrax, Bacicoline B oordruppels, etc. Helaas geheel conform civiele omstandigheden. Het is dus geen vreemde vervolgstap om als militair arts de huisartsopleiding te gaan volgen. Het staat zelfs minder ver van elkaar dan dat het in eerste instantie doet vermoeden. Sommige collega militair artsen kiezen ervoor om Defensie te verlaten en civiel de huisartsopleiding te volgen. Ik heb er bewust voor gekozen om in dienst te blijven en over twee jaar terug te keren als majoor-huisarts. Ik zie namelijk nog steeds de meerwaarde van Defensie. De korte lijntjes met het Centraal Militair Hospitaal. De tijd die je mag en kan nemen voor de patiënt. De kosten waar je (voor de patiënt) geen rekening mee hoeft te houden (alles wordt in principe vergoed). De kameraadschap. De collegialiteit en professionaliteit. De mogelijkheden. In mijn persoonlijk ontwikkelingsplan staan SMART leerdoelen die ik graag wil ontwikkelen. Met behulp van mijn collega huisartsen in opleiding, opleiders en begeleiders heb ik er alle vertrouwen in dat ik deze ga behalen. 3e uitgave 2018 Ik hoop echter ook een stukje ‘militair zijn’ aan de opleiding en het vak als huisarts te mogen meegeven: ‘Never leave a man behind’. Als het even moeilijk is of tegen zit, staat er altijd een collega voor je klaar. Zeker in de huidige maatschappij waar we veel burn-out zien, gezondheidszorgpersoneel bij uitstek, vind ik het belangrijk om hier aandacht voor te vragen. Gelukkig hebben we hier tijdens onze opleiding onze wekelijkse ‘therapiesessies’ voor. Zonder dollen. Het is goed om af en toe even stil te staan bij wat je doet of meemaakt. Des te harder kan je daarna weer verder hollen. Niet alleen gedurende de opleiding. Immers, alleen wanneer je goed voor jezelf zorgt, kan je goede zorg leveren. Het is een privilege om als militair arts of als huisarts je vak uit te mogen oefenen. Met de nodige overeenkomsten en slechts enkele verschillen. Ik ga hoe dan ook genieten van de opleiding. Genieten van het feit dat ik me iedere ochtend druk moet maken om mijn kleding en haren in plaats van om mijn baret. Genieten van het feit dat ik met de fiets naar mijn terugkomdag kan gaan. Ook al word ik hierin in mijn ‘kleine-meisjes-syndroom’ versterkt als ik word ingehaald door een moeder met kind voorop (e-bike!). Genieten van alles wat komen gaat. En dat gun ik iedereen. Het vak als huisarts: laat maar komen! Oud aios: hoe vergaat het ze ‘Erg bijzonder om dit samen met mijn vader te doen’ Mijn naam is Paul Roos, ik ben 29 jaar en ik heb vrijwel meteen na mijn opleiding tot huisarts in Maastricht een praktijk overgenomen. In juni 2018 heb ik de huisartsopleiding afgerond. Tijdens het laatste jaar van mijn huisartsenopleiding kreeg ik de mogelijkheid om een praktijk over te nemen. Ik heb er nooit een geheim van gemaakt dat het mijn ambitie was om, na mijn opa en mijn vader, de praktijk Roos in Brunssum voort te zetten. In de HOED, waar mijn vader als huisarts werkt, besloot een collega te stoppen. Niet toevallig kwam de vraag van de vertrekkende huisarts of ik interesse had om deze praktijk over te nemen. Dat kwam opeens wel heel erg snel. Ik had wel het geluk dat mijn vader er ook nog geruime tijd zal werken waardoor we samen de uitdaging aan kunnen om de praktijk over te nemen en samen te voegen tot één praktijk Roos. Bovengenoemd balletje begon halverwege mijn laatste jaar van de opleiding te rollen. In eerste instantie was dat wel erg spannend. Ben ik er wel klaar voor? Wat zal er dan allemaal op me afkomen? Maar na behoorlijk wat goede gesprekken met mijn vader en mijn opleider, raakte ik steeds overtuigd dat dit een unieke kans was om samen iets moois op te bouwen. Na het afronden van de opleiding heb ik twee weken waargenomen. Daarna heb ik nog een mooie reis naar India gemaakt als medisch begeleider van een groep middelbare scholieren. Daarna was het zover: beginnen als huisarts in Brunssum. Aanvankelijk was het wennen en hard doorwerken om de patiënten en personeel te leren kennen. Maar vanaf de start bevalt het prima. De patiënten lijken het allemaal wel goed te vinden. Soms vinden ze me nog wel een erg jonge knul, maar de meeste reacties zijn erg leuk. Zeker van de patiënten die mijn opa ook nog als huisarts gehad hebben. Natuurlijk was het spannend om naast de patiëntenzorg ook opeens ‘baas’ te zijn. Wat te doen als een assistente ziek is? Wie ga je bellen? Hoe laat je het dagprogramma door lopen? Gelukkig sta ik er wat dat betreft niet alleen voor; ik kan terugvallen op mijn collega/vader en de ervaring van de assistentes. Ik moet zeggen dat ik het wel leuk vind om naast de patiëntenzorg ook met organisatorische zaken bezig te zijn. Het helpt natuurlijk dat er een goede sfeer is en een prettige samenwerking met de assistentes en praktijkondersteuners. Een aantal assistentes ken ik al van kleins af aan uit de tijd dat mijn vader praktijk aan huis had. Erg leuk om nu met ze samen te werken! Al met al ben ik dus erg blij dat dit op mijn pad is gekomen en werk ik met veel plezier in onze praktijk in Brunssum. Ik vind het vooral erg bijzonder dat ik dit samen met mijn vader mag doen. 33 op één lijn 62
Page 34
op één lijn 62 3e uitgave 2018 Aios referatendag “Are you nuts?” DOOR NIELS BEURSKENS, HUISARTS EN EBM DOCENT Op 30 oktober werd de traditionele referatendag gehouden, door en voor derdejaars aios. Onder toeziend oog van de vakjury, bestaande uit Jelle Stoffers, Jean Muris, Mark Spigt en Karen Konings, werden tien referaten gepresenteerd. Dagvoorzitter was Hendrik Jan Vunderink. De onderwerpen van de referaten waren uit de praktijk gegrepen en boden in veel gevallen ook concrete adviezen en handvatten om de volgende dag in de praktijk toe te passen. Graag leg ik nogmaals uit wat het idee achter de referatendag is. Voor de onbekende toehoorder lijkt een referaat een opsomming van kenmerken van een artikel en in sommige gevallen was dit ook zo. Toch bewezen de meeste aios, dat ze een onderwerp op een wetenschappelijke manier prima kunnen uitdiepen en kritisch kunnen kijken naar de bestaande manier van werken. De winnaars van zowel de vakjury als de publieksjury demonstreerden dit bijzonder goed: Suzan Eikholt, Joyce Felix, Kristel Geelen en Gerard Greijdanus. Zij toonden met hun referaat “Are you nuts?” aan, dat vroege introductie van pindakaas (bij 4 maanden) leidt tot minder pinda-allergieën op de kinderleeftijd. Dat ze zich goed in het onderwerp hadden verdiept en dat ze zich gedegen hadden voorbereid was goed zichtbaar in hun vloeiend lopende presentatie. Daar zit ook het grootste leereffect: als je je niet goed voorbereidt, is het onmogelijk om in 15 minuten een goed wetenschappelijk onderbouwd verhaal te houden en daarna nog 10 minuten de discussie aan te gaan. Het houden van een referaat lijkt geen vaardigheid voor de dagelijkse praktijk. Echter, door het formuleren van een vraag, het zoeken van literatuur, het kritisch beschouwen van een artikel en dit aan collega’s te presenteren, stimuleren we een wetenschappelijk kritische houding bij onze aios. Zoals ik al eens eerder citeerde: “Individual practitioners … need to be able to find and use evidence themselves – a 21st century clinician who cannot critically read a study is as unprepared as one who cannot take a blood pressure or examine the cardiovascular system”.1 Daarbij wil ik opmerken dat, volgens mij, evidence-based werken zich niet beperkt tot het zoeken en kritisch lezen van literatuur, maar dat juist de winst zit in het gebruiken van deze informatie in het dagelijks werk, de bruikbare wetenschap. Net zoals je van een betere vraagverheldering een betere dokter wordt, word je dat ook met betere ‘evidence’. Voor de volgende keer, in het voorjaar van 2019, wordt de naam omgedoopt tot ‘wetenschapsdag’ en zullen we de voorbereiding en het format op enkele punten aanpassen. Hiermee kunnen we de aios nog meer stimuleren om een onderwerp goed uit te diepen, zonder vast te houden aan het bespreken van een ‘droge’ Critical Appraisal of a Topic (CAT). 1 Glasziou P, Burls A, Gilbert R. Evidence based medicine and the medical curriculum. BMJ. 2008;337(sep24 3):a1253-a1253. doi:10.1136/bmj.a1253. De rubriek "De aios zoekt het op" met alle eerder verschenen artikelen is te vinden op de nieuwe website: www.huisartsgeneeskundemaastricht.nl/de-aioszoekt-het-op/ 34 3e uitgave 2018 De afgestudeerden in beeld Made in Maastricht Afstudeersessie 4 september 2018 | V.l.n.r.: Judith Donners, Lotte Theunissen, Iris Duijsens, Katie Postma, Annika Dijkman, Tim de Rechter, Sarah Schiffers, Amina Abdulkadir, Gijs Laudij, Suzanne Hendriks, Merel van Gelderen Afstudeersessie 13 december 2016 Afstudeersessie 18 september 2018 | V.l.n.r.: Linda Vonken, Sietske Bosman, Sandra Wuijten, Anne Nieuwelink, Lobke Kerstens, Carlie van den Borne, Lizet Jetten, Ester de Moed, Anne Ooijen en Jiska Verschuren. Afstudeersessie 13 december 2016 35 op één lijn 62
Op één lijn 61

Op één lijn 61


Page 2
Colofon Oplage 2280 Hoofd/eindredactie Babette Doorn Redactieleden Hendrik Jan Vunderink, Stephan van den Brand, Eefje de Bont, Lisette Verheijen en Babette Doorn Doelgroep Huisartsen Limburg en Brabant, aios en alumni, afdelingen MUMC+ & overige relaties E-mail op1lijn@maastrichtuniversity.nl Postadres Vakgroep HAG Universiteit Maastricht Postbus 616 6200 MD Maastricht Bezoekadres P. Debyeplein 1 6229 HA Maastricht Ontwerp/druk The Creative Hub – Maastricht University, CBS 13093 Fotografie Portretfotografie pagina 3, 4, 20, 22 en 28: Canon The Creative Hub Foto Jochen Cals pagina 6 en 12: Jonathan Vos Made in Maastricht 19 juni: Philip Driessen Made in Maastricht 12 juni: Joey Roberts Deadline volgend nummer 26 oktober 2018 © Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Inhoudsopgave Algemeen Van de redactie – Babette Doorn Van de voorzitter: huisartsentaal door de app? – Jean Muris ‘RNFM’: daar zit muziek in! – Babette Doorn Huisarts & huisdier – Stephan van den Brand Jochen Cals benoemd tot hoogleraar – redactie Basisarts op de ambulance? – Huub Gubbels Een nieuwe website en meer – Babette Doorn Stellen zich voor: Jolijn Bohnen, AIOTHO Lennart van der Burg, AIOTHO Monique van der Meulen, secretaresse huisartsopleiding Hanny Prick, medewerker studentzaken Huisartsopleiding Sarah Wijen, gedragswetenschapper huisartsopleiding Onderzoek Bruikbare wetenschap – Jochen Cals OOK en de Witte Raven – Simon Kleijkers Hulp bij palliatieve zorg – Marieke van den Beuken WESP-en: Jasmien Jaeken: Limited Joint Mobility en Diabetes Iris Kurcaba en Christianne Smulders: Schouderpijn bij DM type II patiënten July Kroeg: Voorschrijfgedrag huisartsen regionaal longformularium Jasper van Geel: Aios en samen beslissen Fatma Erkan & Darwin Röhlinger: De relevante barrières en behoeftes van huisartsen in opleiding voor het toepassen van Samen Beslissen Mathijs Peeters: financiële beloning stoppen met roken (CATCH) Stage overig: Fiorella Huijgens: Communicatie met laaggeletterden vaak lastiger dan gedacht Huisartsopleiding Hoofdzaken: Voorwaarts! – Bas Maiburg Aios referatendag – Niels Beurskens Equilibre: rubriek voor huisartsopleider – Marieke Kools & Arie de Jong ‘Diagnostiek en management van orofaciale pijn (OFP) en temporomandibulaire disfunctie (TMD): een update’ Voetbalwedstrijd aios-opleiders – Gaston Peek Weten is eten: menu met en slakkengang – Hendrik Jan Vunderink Made in Maastricht Voorlichting en werving; Elk kwartaal anders – Babette Doorn Gezondheidsrechtelijke kwesties: Uw wil geschiede – Arie de Jong Column – K.O.E.K. Wous 3 4 5 6 6 7 8 10 10 11 11 11 12 14 15 16 16 17 17 18 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 31 2 Van de redactie Passion beest The great migration. Ik schreef al eerder over. Niet zozeer de grote uittocht voor de zomervakantie, maar collega’s die vertrekken gezien hun leeftijd. De laatste weken was het opnieuw raak: gemiddeld 2 keer per week een borrel. U hoort mij niet klagen over de borrels, zeker niet die onder werktijd. Wat minder leuk is, is dat er heel veel ervaring en kennis in rap tempo verdwijnt. De babyboompensionado’s in spe hebben hun piek bereikt. Een enkeling weet nog wat werktijd erbij te rekken en dat vinden we helemaal niet erg. ‘Weet je nog toen…?’ Ook studenten lijken verhalen van vroeger niet erg te vinden. Het lijkt allemaal zo vanzelfsprekend wat er is, maar dat is niet zo. Niet voor niets dat afscheidnemers hard hun best doen om hun culturele erfgoed over te dragen of ergens onder te brengen. Ik geef ze groot gelijk. Ook bij een afscheid komt ons bijna 20-jarige 'Op één lijn' archief goed van pas! Het is een generatie die veel heeft uitgedacht, opgezet en nagelaten. Dank allen. Zonder anderen te kort te willen doen, wil ik één iemand nog speciaal noemen. Iemand naar wie ik in de titel verwijs: Yvonne van Leeuwen. Ze is al even met pensioen, maar er was nog geen officieel afscheid geweest door allerlei omstandigheden. Het officiële afscheid vond plaats op 27 juni. Vakgroepvoorzitter Jean Muris schrijft erover in zijn stukje. Na afloop van de bijeenkomst kregen we een roos met daaraan een mee-naar-huis-neem-bericht. ‘Education should be passion based’ stond op het kaartje. Van Yvonne, organisator en jarenlang hoofddocent van de kaderopleiding Hart-en Vaatziekten, neem ik zo’n boodschap wel aan. Ze liet al eerder kleinere tips achter in zogeheten ‘onderwijsjes’. Haar passie werkt aanstekelijk en we proberen dat weer door te geven aan anderen. U kunt ook meedoen, als u nog geen opleider bent. Of houdt onze docentvacatures in de gaten. Heel veel WESP-stukjes deze keer. Puffend brachten ze hun stagetijd door op de warme wespenkamer. Ook veel nieuwe medewerkers. Ze zijn niet allemaal nieuw, sommigen kennen we nog als voormalig student, aios of medewerker elders. Witte Raven en Bruikbare Wetenschap ontbreken eveneens niet. De grondlegger van onze Bruikbare Wetenschap, Jochen Cals, is inmiddels benoemd tot hoogleraar. Daar zijn we trots op! Het gaat niet alleen goed met de onderzoekers, maar ook met het netwerk van registrerende huisartspraktijken. RNH heet nu RNFM Maastricht en als u nieuwsgierig bent, leest u het hele artikel in dit blad. En de stijgende lijn is ook terug te vinden in het artikel over onze communicatie- en wervingsactiviteiten. Huisarts en huisdier: we weten allemaal dat velen van jullie minstens één huisdier hebben en daar gek op zijn. Wij zien toch ook het bureaublad van uw laptop, ipad of smartphone? En toch durft niemand voor ons te schrijven over deze ‘guilty pleasures’. Waarom niet? Redactielid Stephan doet een poging om u te inspireren en aanmoedigen dat wel te doen. Interesse? Mail dan naar op1lijn@maastrichtuniversity.nl en verdien een beloning voor uw passiebeest. Het gaat prima bij de huisartsopleiding. Er gebeurt van alles, binnen (aios referatendag en terugkomdagen) en buiten (voetbalwedstrijd, afstudeerdagen). Het gaat zo goed, dat hoofd Bas Maiburg voorzichtig het woord ‘afbouwen’ in de mond nam tijdens een praatje op de zomerstafdag. Tot mijn grote spijt geen artikel van ‘In de leer’ columnist Eleana Zhang, derdejaars aios. Drukte was voorheen geen excuus voor haar om niet te schrijven, al zat ze aan de andere kant van de aardbol. Maar nu is ze niet alleen net verhuisd en aan het afstuderen als huisarts, maar ook aan het promoveren en bijna-bevallen. We hopen dat ze volgend jaar de leercirkel nog een keer rondmaakt in een afscheidscolumn. Weten is eten: menu met een slakkengang. Slow food op verzoek van pensionado en voormalig redactielid Henk Goettsch. Onze huidige redactie is na Stephan van den Brand verder versterkt met collega taalliefhebber Lisette Verheijen. Tot slot, zoals gebruikelijk, de column van Arie de Jong. Zijn wil geschiede. Columnist T.E. Grijs heeft een waardige opvolger gerkregen in de persoon van K.O.E.K. Wous. Voor wie -net als ik- nog op vakantie gaat: geniet ervan. En voor wie net terug is: veel leesplezier. Het wordt vanzelf Kerst. Babette Doorn 3 op één lijn 61
Page 4
op één lijn 61 2e uitgave 2018 Van de voorzitter De meerwaarde van taal-apps en training DOOR JEAN MURIS, VOORZITTER VAKGROEP HUISARTSGENEESKUNDE UM Eind juni was ik bij het afscheidscollege voor en door Yvonne van Leeuwen. Ze was 32 jaar Universitair Hoofd Docent bij de vakgroep Huisartsgeneeskunde Maastricht. Na Vic Dubois en Paul Höppener, werd zij hoofd van de huisartsopleiding Maastricht. Wie Yvonne kent, weet dat zij niet houdt van lange terugblikken. Zij gaat voor focus en inhoud. Om die reden stuurde zij mij tevoren haar ‘alternatieve’ CV. Tijdens haar ‘college’ ging ze hier dieper op in. Het symposium was opgebouwd rond de thema’s kaderen, feedback en ongelijkheid. Daarnaast kwam ook de levendige belangstelling van Yvonne voor filosofie, cultuurwetenschap, poëzie en sociologie in relatie tot geneeskunde naar voren. In deze column wil ik het door haar gekozen thema ongelijkheid bespreken. De gezondheidsverschillen tussen laag- en hoogopgeleiden (de politiek spreekt van praktisch en theoretisch opgeleiden) zijn enorm: laagopgeleiden hebben maar liefst 18 minder gezonde jaren, en leven gemiddeld 7 jaar korter dan hoogopgeleiden. Ik zie het ook terug in rapportages van de Provincie Limburg. Uit de informatie op hun website blijkt, dat de gezonde levensverwachting in Limburg gemiddeld 3 jaar onder het Nederlandse gemiddelde ligt. Yvonne verwees naar het boek “Oude en nieuwe ongelijkheid” van Kees Vuyck die in 2018 de Socratesbeker won. Vuyck beschrijft, dat steeds minder laagopgeleiden kunnen terugvallen op mensen uit hun eigen omgeving voor hulp bij onder andere administratieve zaken. Dit komt, doordat steeds meer kinderen uit laag-sociale milieus toegang verkrijgen tot middelbaar en sociaal onderwijs en daarna uitvliegen. Collega professor Maria van den Muijsenbergh gaf het probleem al aan in haar oratie “Verschil moet er zijn”. Zij voorzag de tekst van haar oratie van een samenvatting in 5 pagina’s in eenvoudig Nederlands. Dit niveau, B1, begrijpt bijna iedere Nederlander die kan lezen. Ook voor mensen met een hoger leesniveau leest B1 prettig. Elke tekst is te schrijven op dit niveau, ook een bijsluiter voor een medicijn. Een duidelijk leerpunt voor ons allemaal. De vraag is nu wat dit betekent voor de eerstelijn? Wat kan/doet de huisarts hiermee? Ik voorzie dat door de digitalisering en het leervermogen van supercomputers, we als huisartsen in de toekomst minder bezig hoeven zijn met diagnostiek en beleid. We zullen meer worden aangesproken 4 op ons communicatievermogen en op de gidsfunctie voor onze patiënten. Ik denk aan patiënten die op het spreekuur komen, omdat ze niet begrepen wat de medisch specialist op de poli heeft verteld. Ze vragen, of wij het nog eens duidelijk kunnen uitleggen. Of wat te denken van patiënten die een folder meekregen om ‘thuis eens rustig door te lezen’? Als de arts niet weet, dat die patiënt laaggeletterd is, komt hier natuurlijk weinig van terecht. Wat kunnen we doen? We moeten eenvoudige taal in het consult gebruiken. De teksten op onze praktijkwebsites kunnen we via een speciale app controleren op leesbaarheid en begrijpelijkheid. Dit geldt ook voor de ‘wachtverzachter’, het informatiescherm dat de meeste huisartsen in hun wachtkamer hebben voor patiënten. Samen met de apotheek zullen we ook moeten kijken hoe we taal hanteren. “Driemaal daags gebruiken” wordt slechter begrepen dan “3 keer per dag 1 pilletje doorslikken met een slokje water”. Of de assistente die zegt “neemt u maar plaats in de wachtkamer”. Meld liever: “gaat u maar zitten op een van de stoelen in de wachtkamer om de hoek”. Vuyck constateerde al, dat de sociologie van de buurt en de interactie tussen hoog- en laaggeletterden is veranderd. We zouden meer gebruik kunnen maken van buddy’s die mensen begeleiden bij het aanvragen van visites of bij elk ander contact met de huisarts. Van iedereen in de huisartspraktijk mogen we verwachten, dat ze in staat zijn het taalverschil te overbruggen. Onmacht, niet kunnen verwoorden waarom je in de wachtkamer staat, kan al snel tot woedende en schijnbaar onhandelbare patiënten leiden. Indien gewenst zou een workshop ‘Begrijpen en bereiken op maat’ voor het huisartsenteam beschikbaar moeten komen. Deze training gaat uit van de recente onderzoeksuitkomst, dat 36% van de Nederlanders lage of beperkte gezondheidsvaardigheden heeft. Dit betekent dat ruim 1 op de 3 moeite heeft met het begrijpen, beoordelen en gebruiken van medische informatie. Je leert via de workshop hoe beperkte gezondheidsvaardigheden doorwerken in het contact met de patiënt, onder andere via het Spel van Gezondheidsvaardigheden. Hiervoor wordt een trainingsacteur van Pharos1 ingezet. Als huisartsen kennen we de taal van de patiënt, maar taal-apps en training hebben een duidelijke meerwaarde voor toegang tot zorg en het werkelijke ‘verstaan” van kwetsbare mensen. 1 Zie elders het stageverslag van Fiorella Huygens 2e uitgave 2018 Nieuws uit het registratienetwerk ‘RNFM’: daar zit muziek in! DOOR BABETTE DOORN, PROJECTMANAGER HUISARTSGENEESKUNDE Historie In 1988 werd het RegistratieNet Huisartsen (RNH) opgericht. Dat werd gedaan door huisartsen die al vroeg overstapten van de groene kaart op de computer. Huisartsen die zijn aangesloten op het RNH, registreren de gegevens van hun patiënten en relevante zorggegevens zoals ziekte en medicatie1 op uniforme wijze. Deze gegevens worden gepseudonimiseerd opgeslagen bij de Universiteit Maastricht. Het databestand is geschikt voor onderzoekers die meer willen weten over de eerstelijnspopulatie. Veel publicaties en proefschriften kwamen tot stand met behulp van de RNH-data. Een aantal RNH-huisartsen promoveerde op onderzoek gebaseerd op deze gegevens en de hypothesen die op basis daarvan werden geformuleerd. Denk aan onderwerpen als het vallen van ouderen of het gebruik van slaap- en kalmeringsmiddelen. Na 30 jaar ligt er een schat aan gegevens, een goudmijn voor onderzoek. Naamswijziging Engels is de voertaal in de onderzoekswereld, ook in Maastricht. De staf binnen wetenschappelijke organisaties is steeds vaker internationaal, ook binnen de UMC’s. Daarnaast werken we samen met universiteiten in het buitenland. De naam RNH is daarom recent gewijzigd in Research Network Family Medicine (RNFM) Maastricht. Via www.rnfm.nl komt u direct op de juiste informatie binnen op de website van de vakgroep Huisartsgeneeskunde Maastricht. Daar is een Engelstalige flyer te vinden en een animatie over het RNFM Maastricht. Deelnemende praktijken Door technologische ontwikkelingen kan het registratienet tegenwoordig uit bijna alle HIS-sen gegevens ophalen, verzamelen en analyseren. Dit is fijn, want nieuwe praktijken willen zich graag bij ons netwerk aansluiten. Deelname aan het netwerk betekent registreren conform onze richtlijnen, feedback daarop krijgen en je eigen gegevens vergelijken met die van anderen in het netwerk. Goed registreren is voor een huisarts belangrijk voor zijn praktijkvoering. Zeker 1 Niet vanaf het begin in 1988; medicatie als onderdeel van de dataverzameling is er ongeveer 10 jaar later bij gekomen als je kijkt wat andere partijen tegenwoordig willen weten. Uniform registreren binnen praktijken wordt door deelname aan het RHFM bevorderd. Gebruik van de data Tegenwoordig hanteren wetenschappelijke organisaties steeds vaker het FAIR-principe. FAIR staat voor Findable, Accessible, Interoperable, Reusable. Met andere woorden: gegevens moeten vindbaar, toegankelijk, onderling bruikbaar, nogmaals bruikbaar en duurzaam opgeslagen zijn. Het MUMC+ heeft onder andere hiervoor een samenwerkingsverband tussen azM en universiteit ingesteld: Datahub. De metadata van het RNFM Maastricht zullen daar straks ook te vinden zijn. Het RNFM Maastricht is een goede afspiegeling van de Nederlandse huisartsenzorg en representatief voor Limburg. Het RNFM Maastricht wordt bijvoorbeeld door het RIVM gebruikt als peilstation. Extra interessant voor onderzoekers is de aanwezigheid van woonsituatie en medicatievoorschriften in de dataset. Een onderzoeker kan een complexe vraag voorleggen en snel een geschikte dataset krijgen tegen een niet-commercieel tarief. Soms is het nodig om aanvullend onderzoek te doen met echte patiënten. Deze worden om privacy redenen altijd via de eigen huisartspraktijk uitgenodigd. Meer weten? Wil u meer weten over het RNFM Maastricht, of deelnemen aan ons netwerk, stuur dan een bericht naar rnfm@maastrichtuniversity.nl. Gratis rondkijken in het openbare deel van ons datawarehouse kan via de site www.rnfm.nl. 5 op één lijn 61
Page 6
op één lijn 61 2e uitgave 2018 Huisarts & huisdier Een hond om te knuffelen! DOOR STEPHAN VAN DEN BRAND, HUISARTS IN HEERLEN Dit is Huck, van Huckleberry, maar gezien ons beroep ook een beetje Huxtable. Huck is een Welsh Corgi, een koninginnelijke hond, gezien de voorliefde van koningin Elisabeth, en nog wel een Corgi met een staart. De meeste soortgenoten worden namelijk zonder staart geboren. Opvallender zijn de korte brede poten die ervoor zorgen dat zijn achterwerk als een ware salsadanser beweegt. Dit opvallende voorkomen maakt wandelen met hem een bijzonder sociale bezigheid. Mensen spreken ons aan of we niet te ver met hem gewandeld hebben, omdat de poten zo zijn afgesleten. Maar het kan ook zomaar zijn dat mensen van hun fiets stappen, of zelfs uit de auto komen omdat ze hem willen aaien, wat onze verbaasde zoon onlangs overkwam toen hij hem uit liet. Huck zelf vindt het volkomen normaal dat men hem leuk vindt. Hij weet dat elke voetganger en fietser een nieuwe kans op bevestiging van zijn eigen gelijk is. Wanneer hij in de gaten heeft, dat er iemand aankomt, gaat hij het liefst zitten en wachten om die ander de kans te geven hem aan te halen. Want als hij iets waardeert, is het wel om geknuffeld te worden. Zijn ochtend kan ook pas beginnen na een uitgebreide begroeting waarbij hij luidruchtig piepend en kreunend geniet van de handen die door zijn vacht gaan. Ook voor het slapen gaan moet er even gestoeid worden. Corgi’s lachen altijd en de meeste mensen lachen terug. Het blijft dan ook leuk om de gezichten van mensen te zien als ze hem in de gaten krijgen. Zelfs de oudste knorrepot is niet bestand tegen zijn charmes. Daarom is onze Huck een serotonine-machine: iedereen krijgt goede zin. Benoeming Huisarts Jochen Cals benoemd tot hoogleraar Op 6 juni is huisartsonderzoeker Jochen Cals (1980) benoemd tot hoogleraar 'Effectieve Diagnostiek in de Huisartsgeneeskunde'. Cals promoveerde in 2009 cum laude op onderzoek naar infectieziekten en het gebruik van de CRP-sneltest. Hij is en blijft huisarts en praktijkhouder in Sittard (met Anouk Machielsen en Sjoerd Hobma), de bakermat voor zijn en onze Bruikbare Wetenschap. Jochen is getrouwd met Birgit Berk en samen hebben zij 3 kinderen. De inaugurele rede staat gepland voor 2019. 6 2e uitgave 2018 Traineeship ambulance Basisarts op de ambulance? DOOR HUUB GUBBELS, PROJECTONDERSTEUNING BASISARTS AMBULANCEZORG LIMBURG NOORD Aanleiding Al in 2016 kampte AmbulanceZorg Limburg-Noord met een structurele onderbezetting van ambulanceverpleegkundigen. Naast krapte op de arbeidsmarkt, duren opleidingstrajecten van verpleegkundige tot ambulanceverpleegkundige lang. Daarom heeft AmbulanceZorg Limburg-Noord het wervingen selectiebeleid en het opleidingsprogramma aangepast. Hierbij is ook gekeken wie in relatief korte tijd opgeleid zou kunnen worden tot ambulanceverpleegkundige en wie voor langere tijd inzetbaar is. Overeenkomstig de uitgangspunten van de BIG-Picture1 zochten we verbinding met andere partners in het zorglandschap. Eén van de mogelijkheden was het werven van (basis) artsen voor de ambulancezorgverlening. Een kersverse, BIG-geregistreerde basisarts, kan versneld opgeleid worden voor de taken die een ambulanceverpleegkundige in de volle breedte uitvoert. Het gaat vooral om verpleegkundige handelingen. Daarnaast verricht een ambulanceverpleegkundige geneeskundige handelingen, waarvan deels voorbehouden medische handelingen. Naast verpleegkundige zorgverlening, doen we ook een beroep op de wetenschappelijke kennis, vaardigheden en professionele houding van de basisarts. Hierdoor biedt de functie voor een basisarts genoeg uitdaging. Bovendien biedt het pas afgestudeerde artsen kansen binnen de acute zorgverlening. 1 De BIG-Picture is een nieuwe kijk op zorgverlening en de mogelijke rol en positie van ambulancezorg daarin. Het draait in de BIG Picture om verbinding van zorg, om de vraag hoe we met elkaar betere en efficiëntere zorg kunnen leveren. Als ze zich verder bekwamen, kunnen zij opteren voor een A(G)NIO-plek. Zo snijdt het mes aan twee kanten. Traineeship voor de basisarts AmbulanceZorg Limburg-Noord is met toestemming van VWS, gestart met traineeships voor de BIGgeregistreerde professional die wil gaan werken als ambulanceverpleegkundige. Dat traineeship is opgebouwd volgens het 70–20-10 principe. Er wordt vooral geleerd op de werkplek (70%) waarbij leren van en met elkaar (20%) een belangrijke plek heeft. Daarnaast zijn er 6 trainingsdagen en één assessment dag (10%). Tijdens iedere training zijn er praktijk- en voorbereidingsopdrachten. Vorig jaar is de eerste basisarts opgeleid tot ambulanceprofessional. Hij heeft nu een combicontract met het ziekenhuis, waarin hij een opleiding tot SEH-arts volgt. Een tweede basisarts is in 2018 gestart met het traineeship en een derde heeft zich al gemeld. Een trainee zei: “Arts op de ambulance is heel wat anders dan arts in een ziekenhuis. Je wordt uit je comfortzone gehaald; het is een echte uitdaging”. Meer weten? In ons evaluatierapport over de basisarts staat alles over de achtergronden en de opleiding tot basisarts op de ambulance. Wie open staat voor een uitdaging als hulpverlener in de acute zorg: neem dan contact op met AmbulanceZorg Limburg-Noord, Folker Ronda, afdeling P&O, fronda@ambulancezorgln.nl 7 op één lijn 61
Page 8
op één lijn 61 2e uitgave 2018 Communicatiezaken Een nieuwe website en meer DOOR BABETTE DOORN, PROJECTMANAGER HUISARTSGENEESKUNDE Het voelt raar om in een papieren blad onze digitale ontwikkelingen toe te lichten. Een papieren blad wordt tegenwoordig ‘offline aanwezigheid’ genoemd. U kent de termen misschien uit vragenlijsten waarin wordt gevraagd naar uw offline koopgedrag. Of u ‘het’ nog wel doet. Het voelt als de wereld op zijn kop. En dat is het ook. Nog wel. Aan internet en email is iedereen wel zo’n beetje gewend. Recent werd in de hele EU de AVG van kracht. Denk u trouwens net als ik bij AVG ook nog ‘gewoon’ aan Artsen voor mensen met een Verstandelijke Beperking? Voorlopig zal de behoefte aan lezen op papier niet verdwijnen. Op één Lijn bestaat volgend jaar maar liefst 20 jaar. Met dank aan de toenmalige vakgroepvoorzitter prof. Harry Crebolder die daar het nut van in zag en het mogelijk maakte. De populariteit is met de jaren alleen maar toegenomen. Het blad is een herkenbaar onderdeel van onze externe communicatie. Daarnaast hebben we al vele jaren een website www.huisartsgeneeskundemaastricht.nl. In 2012 werd deze website vernieuwd en meer gericht op onze buitenwereld. We hanteerden daarom de slogan ‘Join our Family’. De vorige vakgroepvoorzitter prof. Job Metsemakers hecht aan het begrip ‘Family’ (Medicine), gezien zijn vele internationale rollen. Maar ontwikkelingen gaan snel. Websites worden steeds minder op een desktopcomputer en scherm bekeken. Denk aan het toenemend gebruik van smartphones en tablets. ‘Mobile first’ is nu het credo. Lezen op kleine schermpjes is niet fijn, zeker niet, omdat onze ogen daardoor hard achteruitgaan. Omdat we steeds kippiger worden, raken we digitaal steeds visueler ingesteld. Dit verklaart mede het succes van Facebook, Instagram en andere ‘social media’. Een groot deel van onze doelgroep maakt gebruik van de sociale kanalen. Het werd tijd dat Huisartsgeneeskunde aan die platformen ging deelnemen, zeker als het gaat om werving van aios (en andere ‘klanten’). Maar hoe doe je dat als non-profit instelling? De behoefte om te onderzoeken wat werkt om nieuwe doelgroepen aan te boren, ontstond pakweg 2 tot 3 jaar geleden. Hoezeer we ons best deden, de aanmeldingen voor de huisartsopleiding en de kaderopleiding Hart8 en vaatziekten bleven ver achter bij de verwachtingen. Verwachtingen worden steeds vaker eisen. Zonder betalende klanten, geen onbeperkt bestaansrecht. Als vitale processen bedreigd worden, dan heeft dat een sneeuwbaleffect, ongeacht het seizoen. Houden we genoeg huisartsen in deze regio? Behouden we onze goede docenten? We besloten om meer ‘crossmediaal’ te gaan werken. Je kan nog zo’n goede website hebben, maar als niemand weet dat die er is of waar, dan wel er amper op kijkt, dan moet het anders. Wat werkt wel en hoe? We zochten naar de juiste mix van online- en offlineactiviteiten. Het werd een project waar mijn collega Joost Dormans van de huisartsopleiding en ik samen met de huidige voorzitter prof. Jean Muris een conceptplan voor bedachten. Als samenwerkingspartner werd Canon gekozen. Dat was eind 2016. Een andere website moest er sowieso komen gezien de huidige mobiele eisen. Een hippe consultant noemde dat ‘basishygiëne’. Al onze middelen (digitaal en niet digitaal) werden bestudeerd op effect en bereik. Als nieuwe insteek werd geadviseerd om met persona’s (dat zijn archetypes) te gaan werken. We hielden denksessies waarbij de ouderwetse papieren flipover zijn dienst meermalen bewees. Gaandeweg ontstond het plan om met echte persona’s de potentiële doelgroep op maat te gaan bedienen. Intussen ging het gewone werk door. Ook de werving. We bedachten een leuke ‘superheld’ postercampagne en er werd volop aangeplakt en geflyerd door half Nederland. Geen Calimero-aanpak, integendeel: onze posters waren veel te groot voor de meeste borden. Via LinkedIn kregen studenten en basisartsen ons steeds beter in hun vizier. We voerden de campagne ook digitaal. Onze volgers gingen snel en laagdrempelig allerlei vragen stellen. Parallel organiseerde Huisartsopleiding Nederland een speciale filmavond voor geïnteresseerden in de huisartsopleiding. Het liep storm! Eindelijk waren we volop in contact met heel veel jonge (bijna) dokters. Ook zagen we elke 10 weken weer alle coassistenten bij hun afsluiting van het coschap Huisartsgeneeskunde door ze een lunch te brengen en ze te voorzien van informatie, door in gesprek te gaan en te flyeren. 2e uitgave 2018 De multimediale aanpak gaf veel energie en de inspanningen werden beloond met resultaten. Deze aanpak konden we op andere terreinen ook toepassen, zoals voor ons registratienetwerk (www.rnfm.nl). Nu waren we wel multimediaal, maar nog niet crossmediaal. Hoe kunnen we berichten elkaar laten aanvullen en versterken? Hiervoor hebben we de al eerdergenoemde persona’s nodig. We bedachten een pilot met 3 echte persona’s: Kirstin (Ponse), Ruud (Verhees) en Ramon (Ottenheijm). Dit zijn echte medewerkers met ieder een eigen persoonlijkheid en netwerk. Twee huisartsen en een aios (Ruud). U kunt ze vinden op de homepage van onze nieuwe website die half mei de lucht in ging. Het idee is dat anderen hen kunnen volgen via persoonlijke mediakanalen zoals LinkedIn en Facebook. Zo kunnen bezoekers/ geïnteresseerden laagdrempelig in contact komen met iemand die hen aanspreekt. Letterlijk, want de persona’s zijn zelf actief met posten van berichtjes over dingen waar zij mee bezig zijn. Wij bieden dus geen starre website meer aan die bol staat van de teksten. Voor de dynamiek kunt u beter onze social media kanalen volgen. Wilt u dat niet: geen probleem. We blijven overal fysiek aanwezig waar mogelijk en in december komt de volgende ‘Op één lijn’ weer uit. Papier is geduldig. U ook? Wat vindt Ramon er zelf van? Toen ik gevraagd werd om ‘persona’ te worden voor de vakgroep, heb ik wel even moeten nadenken. Het is leuk en eervol om gevraagd te worden, ijdelheid is ook mij niet vreemd. Mijn bedenking zat hem in moeten communiceren via verschillende sociale media. Zo was ik bijvoorbeeld nog niet actief op Facebook of Twitter. Duimpje omhoog of duimpje omlaag, daar zit en zat ik niet op te wachten. Al snel zag ik ook een groot voordeel. Ik kan nu sneller bepaalde ontwikkelingen of activiteiten onder de aandacht brengen. Zo heeft mijn eerste ‘post’ over de anderhalvelijnszorg orthopedie meteen geleid tot reacties uit het land, waarbij ik gevraagd ben om andere huisartsorganisaties te adviseren op dit gebied. Toch maar een duimpje omhoog! En Kirstin? Op de vraag of ik persona wilde zijn, kon ik alleen maar volmondig ja zeggen. Het is natuurlijk ontzettend leuk om mijn vak (als huisarts en docent) te promoten. Na een stoomcursus van Canon, was ik op de hoogte van de ins en outs van social media. Maar ook de achterliggende gedachte op welke manier je je boodschap wil overbrengen. Maar toen kwam het: wat ga ik op social media plaatsen? Willen mensen echt weten wat ik allemaal doe? Trekt dat toekomstig collega’s over de streep om huisarts of docent te worden? Gaandeweg vind ik hier mijn weg in en merk ik vooral hoe leuk het is. Louter positieve reacties worden gegeven en de reacties van de toekomstig huisartsen blijven niet uit. We gaan de komende maanden zien wat het ons oplevert, voor mij is het in ieder geval een hele leuke ervaring! Voetnoot redactie: Kirstin is daarnaast ook in het echt actief voor de werving zoals bij de Pub Quiz in Maastricht waar zij quizmaster was. Meer lezen over Ruud, Ramon en Kirstin? Kijk dan op de vernieuwde website: www.huisartsgeneeskundemaastricht.nl of ga direct naar hun persoonlijke mediakanalen: Ruud Facebook: /ruudverhees.hagmaastricht LinkedIn: /ruud-verhees-hag Kirstin: Facebook: /kirstinponse.hagmaastricht LinkedIn: /kirstin-ponse-hag Ramon: Facebook: /ramonottenheijm.hagmaastricht LinkedIn: /ramon-ottenheijm-hag/ 9 op één lijn 61
Page 10
op één lijn 61 2e uitgave 2018 Welkom! Nieuwe collega's stellen zich voor Jolijn Bohnen Arts in opleiding tot huisarts en onderzoeker (AIOTHO) Ik ben Jolijn Bohnen, 27 jaar en afgelopen maart gestart als AIOTHO bij de vakgroep Huisartsgeneeskunde in Maastricht. Momenteel werk ik één jaar fulltime aan mijn onderzoek en vanaf maart 2019 zal ik dit combineren met de huisartsopleiding. In samenwerking met de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) doe ik onderzoek naar polyfarmacie bij 60-plussers in de huisartsenpraktijk. Ik word begeleid door Trudy van der Weijden (UM), Marjan van den Akker (UM) en Petra Denig (RUG). Het belangrijkste doel van dit onderzoek is de patiënttevredenheid omtrent hun medicatielijst te verbeteren. In deze Randomized Controlled Trial (RCT) bekijken we de potentiële voordelen en bruikbaarheid van twee ‘hulpmiddelen’ ten opzichte van huidige zorg: 1. Een op richtlijnen gebaseerd computerprogramma ‘Clinical Rules Engine’ (CRE) dat problemen met betrekking tot medicatievoorschriften signaleert, gebaseerd op diagnoses, patiëntkarakteristieken, laboratoriumuitslagen en medicatie. 2. Een gespreksinstrument ‘Outcome Prioritization Tool’ (OPT) waarmee patiënten kunnen aangeven wat hun wensen en voorkeuren zijn. Deze visueel analoge schaal bestaat uit vier universele gezondheidsuitkomsten: ‘langer leven’, ‘onafhankelijk zijn’, ‘minder pijn’ en ‘minder andere klachten’. Naast patiënttevredenheid zal worden gekeken naar het type en aantal medicatie alerts van het computerprogramma, veranderingen in medicatie voorschriften, therapietrouw en kwaliteit van leven. De planning is maart 2019 te starten met de interventie, waarbij we 10 huisartsenpraktijken in de regio Limburg en 8 in de regio Groningen zullen rekruteren. Mijn keuze om de huisartsopleiding te combineren met wetenschappelijk onderzoek komt onder andere voort uit mijn achtergrond als gezondheidswetenschapper en 10 opleiding tot arts-klinisch onderzoeker (A-KO). Bovendien is mijn enthousiasme voor het onderzoek gegroeid tijdens mijn wetenschappelijke stage (WESP) bij de vakgroep Huisartsgeneeskunde. Ik ben ervan overtuigd dat ik de competenties, die ik de komende jaren op zowel persoonlijk als professioneel vlak zal ontwikkelen, later als huisarts kan blijven inzetten. In mijn vrije tijd ben in regelmatig te vinden in de Crossfit box of op de racefiets en breng ik graag tijd door met familie en vrienden. Lennart van der Burg Arts in opleiding tot huisarts en onderzoeker (AIOTHO) Mijn naam is Lennart van der Burg, ik ben 29 jaar en sinds maart 2018 werkzaam als AIOTHO bij de vakgroep Huisartsgeneeskunde in Maastricht. Vier dagen in de week volg ik de opleiding tot huisarts, waarvan één terugkomdag voor onderwijs, en één dag voor mijn onderzoek. Veel ballen tegelijktijdig in de lucht, maar voor mij de perfecte afwisseling van mijn werkweek. Meer en meer wordt van de medisch professional verlangd dat hij/zij alert is op arbeid als determinant van gezondheid. Met andere woorden, we kunnen niet alleen oog hebben voor het medische en zullen ook meer aandacht gaan besteden aan (arbeids)participatie. U denkt misschien: ook dat nog erbij? Er is al zoveel om aan te denken in uw spreekkamer. Daarom probeer ik, onder begeleiding van prof. Annelies Boonen (afd. Reumatogie) en prof. Geert-Jan Dinant, in mijn huidige project te voorspellen welke mensen risico lopen om in het komende jaar langdurig te gaan verzuimen. In het bijzonder zijn wij geïnteresseerd hoe dit zit bij mensen met klachten van het bewegingsapparaat. Het doel is om deze personen tijdig te identificeren om via preventie de indirecte ziektekosten voor de maatschappij te verlagen. We hopen een klinische beslisregel te ontwikkelen, vergelijkbaar met de Wellsscore longembolie, die in de praktijk door ons en andere 1 e uitgave 2018 professionals kan worden toegepast. Wat deze interventie precies moet zijn, is nog volop onderwerp van discussie. In januari 2015 rondde ik mijn geneeskundeopleiding af in Maastricht. Na een paar jaar met veel plezier uitgewaaid te zijn naar Leiden, ben ik sinds oktober 2017 weer terug in Maastricht. In mijn vrije tijd ben ik regelmatig op de wielrenfiets, met hardloopschoenen aan of in het zwembad te vinden. Daarnaast ben ik een fervent reiziger, kan ik erg genieten van de kookkunsten van mijn vriendin of het lezen van een goed boek. Monique van der Meulen secretaresse huisartsopleiding Mijn naam is Monique van der Meulen en als herintredende moeder was het mijn grote wens weer terug te keren in het arbeidsproces. In januari 2017 begon ik als vrijwilliger bij de huisartsopleiding in Maastricht. De open sfeer en de directheid onder de collega’s maakten het dat ik me direct thuis voelde. Al snel kreeg ik steeds meer taken en uren toebedeeld, wat uiteindelijk resulteerde in een vaste aanstelling als secretaresse. Voor een aantal van jullie ben ik een aanspreekpunt voor allerlei administratieve werkzaamheden en secretariële en facilitaire ondersteuning. Sinds kort ben ik verantwoordelijk voor de organisatie en het in goede banen leiden van de feestelijke afsluitingen, dat is de dag waarop de aios hun huisartsdiploma ontvangen. Ik werk op dinsdag en donderdag en op woensdagochtend. Ik woon in Maastricht en ben moeder van een zoon van 16 jaar, een dochter van 19 jaar en trots baasje van mijn trouwste vriend: labradoodle Sjuul. Mijn vrije tijd besteed ik vooral aan gezellige sociale activiteiten, zoals uit eten en/of borrelen met de kinderen, vriendinnen en familie, naar de bioscoop, het theater en concerten. Ik ga graag op vakantie en zo nu en dan kan ik genieten van een stedentrip. Hanny Prick medewerker studentzaken Huisartsopleiding Nee hoor, ik ben geen nieuwe medewerker, maar ik ben toch gevraagd om me weer voor te stellen. Onlangs ben ik, na ruim 25 jaar op de derde etage van het Debyeplein 1 gewerkt te hebben, verhuisd naar de begane grond, naar de Huisartsopleiding. Ik ben nu werkzaam bij het domein toetsing en zal mij vooral gaan bezighouden met de organisatie/administratie van de consulttoetsen. 11 Sarah Wijen gedragswetenschapper huisartsopleiding Ondertussen ben ik niet meer echt een ‘nieuwe’ medewerker… Ik ben in januari 2018 gestart als gedragswetenschapper in een derdejaars groep aan de huisartsenopleiding, locatie Eindhoven. De overige dagen van de week ben ik werkzaam als GZ-psycholoog bij GGzE op een afdeling voor jongvolwassenenpsychiatrie. Daarvoor werkte ik in verschillende instellingen voor gespecialiseerde GGZ, waaronder de verslavingszorg en de forensische psychiatrie. Ik heb vooral affiniteit met persoonlijkheidsproblematiek en (complex) trauma en ben me hierin door middel van scholing verder aan het specialiseren. Naast mijn werk als behandelaar, begeleid ik ook psychologen in het kader van hun opleiding. Dit is erg leuk om te doen en vormt een mooie brug naar mijn huidige twee functies. Ik woon samen met mijn vriend in Eindhoven. In mijn vrije tijd volg ik pilateslessen en ik onderneem graag dingen met vrienden en familie. Intussen is er al bijna een half jaartje verstreken bij de huisartsenopleiding en ben ik onverminderd enthousiast! Ik heb mijn draai gevonden in mijn nieuwe rol als groepsbegeleider. In het team in Eindhoven voelde ik me al snel welkom en voor de Maastricht-collega’s geldt hetzelfde. Ik kijk uit naar het aankomende half jaar vol nieuwe en leuke uitdagingen. Eén van mijn taken zal zijn het meehelpen bij de implementatie van het Codific systeem waarin de consulttoetsen in de toekomst digitaal georganiseerd gaan worden. Ik woon samen met mijn echtgenoot aan de rand van Maastricht-West, dichtbij de Dousberg waar golfclub ‘De Maastrichtsche’ haar domein heeft. Sinds een aantal jaren probeer ik deze sport onder de knie te krijgen. Het eerste jaar was ik voornamelijk boos op het balletje, dat maar niet de swing maakte die ik in gedachten had. Maar nu ben ik helemaal om: ik ben er zo vaak mogelijk te vinden om een rondje te lopen en probeer ook aan clubwedstrijden mee te doen. Ik deel kamer A0.042 met drie andere collega’s. Ik ga veel samenwerken met aios en docenten. Loop gerust eens binnen om nader kennis te maken als je in de buurt bent! op één lijn 61
Page 12
op één lijn 61 2e uitgave 2018 Bruikbare wetenschap ‘Diagnostiek is zinvol als we begrijpen wat we doen.’ DOOR JOCHEN CALS, HUISARTS IN SITTARD EN HOOGLERAAR AAN DE VAKGROEP HUISARTSGENEESKUNDE In deze bijdrage vindt u een selectie wetenschappelijke artikelen van Maastrichtse makelij. Hiervoor selecteren wij artikelen die direct bruikbaar kunnen zijn voor de dagelijkse praktijkvoering. Breekbare botten Mensen van middelbare leeftijd en ouder willen nog weleens een bot breken. Zo’n fractuur is op zich weer risicoverhogend voor het krijgen van een nieuwe fractuur. Eigenlijk verdien je dan een sticker ‘breekbaar’. In vele ziekenhuizen plakt men die sticker er letterlijk op, want patiënten die een bot braken, krijgen automatisch een oproep voor een osteoporose- of fractuurpreventiepoli. Eén van de uitkomsten kan zijn, dat er manifeste osteoporose is en dat bisfosfonaten geïndiceerd zijn. Tineke van Geel bestudeerde een groot databestand met 5011 patiënten > 50 jaar die een fractuur hadden en daarvoor een fractuurpoli in Schotland bezochten. De zorg die de mensen daar ontvangen is goed vergelijkbaar met de Nederlandse situatie. Maar liefst 50,7% van de patiënten had een indicatie voor een bisfosfonaat, bovenop de standaard calcium met vitamine D. Tineke en haar team volgden de patiënten en keken naar voorspellers voor zowel nieuwe fracturen als mortaliteit. Het vrouwelijk geslacht, toenemende leeftijd, een slechte T-score op de DEXA-scan en roken waren de niet-verrassende, onafhankelijke voorspellers voor nieuwe fracturen. Een alcoholinname van meer dan 5 glazen per dag bleek ook voorspellend te zijn. Bisfosfonaatgebruik bleek juist beschermend te werken. Bij de mortaliteit kwamen echter de grootste bevindingen. Daar bleek dat bisfosfonaatgebruik de mortaliteit verminderde over 96 maanden follow-up. Reden te meer om goed te kijken hoe we de matige therapietrouw bij bisfosfonaten kunnen optimaliseren. Leven met multimorbiditeit De discussies over multimorbiditeit gaan vaak meer over de verschillende aandoeningen zelf, dan dat het gaat over het leven van die patiënten. Tiny van Merode en Marjan van den Akker voerden een kwalitatieve studie uit onder Nederlandse en Belgische patiënten met multimorbiditeit om hun ervaringen te vangen, specifiek gericht op de behandellast (‘treatment burden’). De onderzoekers interviewden 22 patiënten van 45-91 jaar oud. Zij vonden vele factoren geassocieerd met de behandellast van hun chronische aandoeningen. Deze factoren konden in 4 domeinen worden ingedeeld: 12 1. organisatie van zorg (wachttijden, communicatie met hulpverleners, medische fouten, geen of onvoldoende nazorg); 2. medicatie (bijwerkingen, interacties, vergoedingen); 3. de patiëntrol (acceptatie, afhankelijkheid, je eigen dokter zijn, weerstand tegen doktersbezoeken, gevoel van hopeloosheid); 4. impact op dagelijks leven (medicatie onderweg of op reis, dieet, paramedische ondersteuning inpassen in dagelijks leven, vergoedingenprocedures). Nu zal niemand opkijken van de genoemde factoren, maar het is wel nuttig om het artikel hierover te lezen. Juist omdat we in de praktijk vaak de neiging hebben om de ‘disease’ voorop te stellen en de ‘illness’ wat te vergeten. Het hebben van meer dan één ziekte maakt het niet alleen voor dokters complex: die ziektelast voor patiënten is nóg complexer. SOA-nazorg Huisartsen doen de meeste SOA-diagnostiek in Nederland. Zij vinden dan ook de meeste gevallen van chlamydia in Nederland. Op SOA-poli’s wordt bij een positieve chlamydia of gonorroe test ook nog nazorg geleverd. Naast het advies voor partnerwaarschuwing (kan eenvoudig anoniem via www.partnerwaarschuwing.nl) krijgen patiënten ook de uitnodiging om zich na een half jaar nogmaals te laten testen. Dan blijkt 30% wederom positief. Julien Wijers bekeek in de regio Maastricht en Heuvelland of patiënten die in de huisartsenpraktijk een positieve SOA-test hebben, zich opnieuw laten testen, al dan niet op vraag van hun huisarts. In 48 huisartsenpraktijken waren er in 5 jaar tijd 622 positieve chlamydia-infecties. Een kwart daarvan onderging binnen 1 jaar een hertest, bij gonorroe lag dat percentage lager, namelijk op 15%. Wel kwamen patiënten met gonorroe in 25% van de gevallen terug voor een test-of-cure binnen 3 maanden. Gezien de toenemende resistentie van de gonokok is dat internationaal ook het advies. Bij chlamydia is het juist níet aangeraden om binnen een aantal weken een test-of-cure te doen, omdat de azitromycine prima werkt. Daarnaast is er grote kans op een fout-positieve uitslag door de originele infectie. Momenteel werkt de vakgroep huisartsgeneeskunde samen met de GGD aan een project om de SOA-nazorg in de huisartsenpraktijk te optimaliseren door materialen van de SOA-poli door te ontwikkelen, en zo huisartsen te ontzorgen. 2e uitgave 2018 Pijn op de borst Zoals eerder in Op één Lijn te lezen was, promoveerde Robert Willemsen dit jaar cum laude op zijn proefschrift naar pijn op de borst in de huisartsenpraktijk. Zijn team deed ook onderzoek naar de percepties van huisartsen over de incidentie en presentatie van patiënten met pijn op de borst: hoe ze omgaan met klinische onzekerheid en welke gedachtes ze hebben bij nieuwe diagnostiek in deze populatie. De Nederlandse en Vlaamse huisartsen hadden het gevoel dat de echte acuut coronaire syndromen onder patiënten met pijn op de borst afnemen, terwijl de aspecifieke thoracale pijn toeneemt. Huisartsen gaven aan dat de anamnese, het lichamelijk onderzoek en hun eigen onderbuikgevoel al snel een inschatting geven of de patiënt ingestuurd moet worden. Laagdrempelig insturen zagen ze vaak als een deel van de verantwoordelijkheid voor hun patiënt. Wat betreft aanvullende diagnostiek waren veel huisartsen tevreden met het huidige arsenaal. De overtuiging was, dat de klinische presentatie het belangrijkste blijft. Eventuele sneltesten moeten zich eerst bewijzen. Sommigen zagen dat wel zitten, maar dan samen met een beslisregel. Juist in acute situaties plaatsen veel huisartsen vraagtekens bij een rol voor het ECG, terwijl het in minder acute situaties wel werd ingezet om patiënten gerust te stellen. 1-2 doe maar een ECG Dezelfde Robert Willemsen begeleidde samen met Karen Konings en Jelle Stoffers, WESP studente Sofie Compiet bij haar wetenschapsstage naar de interpretatie van ecg's door huisartsen. Dit team legde negen casus voor aan 50 huisartsen die ecg's maakten in de eigen praktijk, 8 huisartsen die dit niet deden, en 12 cardiologen. De casus beschreven een scala aan aandoeningen zoals atriumfibrilleren, bradycardie, stabiele angina pectoris, acuut coronair syndroom, en screening na een plotse dood van een familielid. Bij deze vignetten zijn ecg's volgens de richtlijnen al dan niet geïndiceerd. De respondenten konden bij een casusbeschrijving aangeven of ze een ECG zouden maken en keken naar de door de respondenten beschreven ECG afwijkingen. De diagnostische betrouwbaarheid van de huisartsen ECG-beoordelaars was goed bij vermoeden op AF, sick sinus, oud myocard infarct en een linker bundel tak blok. Bij een linker anterieur fasciculair blok scoorden de huisartsen beduidend minder: 11% van de respondenten classificeerde dit correct. Nu hoor ik u denken: ‘Dat zou ik ook niet herkennen’. Enige geruststelling mag zijn dat ook slechts 25% van de cardiologen deze afwijking herkende. Het is een originele studie en het geeft stof tot nadenken. Huisartsen volgden vaker niet de richtlijnen om een ECG te maken bij ACS, sportkeuring, of bij plotse hartdood van een familielid vaker niet. Ze gaven wel toe dat het ECG in deze gevallen ook niet bijdroeg aan het beleid. Voor iedereen die meer wil leren over ecg's kan ik het boek van Willemsen en Konings (Ecg's beoordelen en begrijpen – de ECG 10+ methode) aanbevelen en de serie (met vragen!) die maandelijks in Huisarts & Wetenschap verschijnt. Diagnostiek is tenslotte enkel zinvol als we ook begrijpen wat we doen. Referenties • Reduced mortality and subsequent fracture risk associated with oral bisphosphonate recommendation in a fracture liaison service setting: A prospective cohort study. Van Geel TACM, Bliuc D, Geusens PPM, Center JR, Dinant GJ, Tran T, van den Bergh JPW, McLellan AR, Eisman JA. PLoS One. 2018 Jun 1;13(6):e0198006. doi: 10.1371/journal. pone.0198006. eCollection 2018. PMID: 29856795 • Patients with multimorbidity and their treatment burden in different daily life domains: a qualitative study in primary care in the Netherlands and Belgium. Van Merode T, van de Ven K, van den Akker M. In: J Comorb. 2018 Mar 8;8(1):9-15. doi: 10.15256/ joc.2018.8.119. eCollection 2018. PMID: 29651408 • Test of cure, retesting and extragenital testing practices for Chlamydia trachomatis and Neisseria gonorrhoeae among general practitioners in different socioeconomic status areas: A retrospective cohort study, 2011-2016. Wijers JNAP, van Liere GAFS, Hoebe CJPA, Cals JWL, Wolffs PFG, Dukers-Muijrers NHTM. PLoS One. 2018 Mar 14;13(3):e0194351. doi: 10.1371/journal. pone.0194351. eCollection 2018. PMID: 29538469 • Competence of general practitioners in requesting and interpreting ecg's - a case vignette study. Compiet SAM, Willemsen RTA, Konings KTS, Stoffers HEJH. In: Neth Heart J. 2018 Jun 7. doi: 10.1007/s12471-018-1124-2. [Epub ahead of print]. PMID: 29882041 • Managing chest pain patients in general practice: an interview-based study. Biesemans L, Cleef LE, Willemsen RTA, Hoorweg BBN, Renier WS, Buntinx F, Glatz JFC, Dinant GJ. In: BMC Fam Pract. 2018 Jun 2;19(1):80. doi: 10.1186/s12875018-0771-0. PMID: 29859536 Geplande promoties Huisartsgeneeskunde Maastricht • 10 oktober 2018 om 14.00 uur: Stephanie Lenzen ‘Self-management goal setting and action planning in primary care.’ • 11 oktober 2018 om 11.00 uur: Ies Dijksman ‘TeleScreen as a novel internet-based tool for classifying mental disorders presented in primary care.’ • 24 oktober 2018 om 12.00 uur: Kelemework Adane Asmare (Kelem) ‘Tuberculosis in Ethiopian prisons. Epidemiology, risk factors and best practices for improving the case detection.’ • 24 oktober 2018 om 14.00 uur: Solomon Yesuf Shiverav (Solomon) ‘Phone-based applications improve maternity services in Ethiopia.’ 13 op één lijn 61
Page 14
op één lijn 61 2e uitgave 2018 Gewricht OOK en de Witte Raven DOOR SIMON KLEIJKERS, HUISARTS IN GEZONDHEIDSCENTRUM HOENSBROEK-NOORD De Witte Raven is een groep ervaren huisartsen die zich richt op het zoeken van de oorzaak van Onuitstaanbaar Onverklaarde Klachten (OOK). De term ‘witte raaf’ is nog wel enigszins bekend, maar de afkorting OOK een stuk minder. Simon is het jongste lid van de Witte Raven groep. Dank voor de vele reacties op de voorgaande casus. Het goede antwoord is idiopathische intracraniële hypertensie. Trefwoorden die ik gebruikt heb zijn ‘headache’, ‘papilledema’ en ‘vision loss’. Bij PubMed en Findzebra is de eerste hit bovenstaande diagnose, bij google scholar de tweede hit. De winnaar van de loep is huisarts Hanka Zwanikken! Gefeliciteerd! Nieuwe casus Hierbij de uitdagende, nieuwe casus. Oplossingen kunnen wederom verstuurd worden naar simonkleijkers@gchoensbroeknoord.nl Casus Simon Kleijkers en winnaar van de vorige keer: Hanka Zwanikken Een 50-jarige vrouw, in de voorgeschiedenis bekend met roken, bezoekt het spreekuur van de huisarts met sinds enkele maanden pijnklachten van digitus I van de rechterhand (zie afbeelding). Zij is hierbij niet ziek en heeft ook geen koorts. Wel bestaat er al jaren een op en af gaande witte en pijnlijke verkleuring van de vingers. Onder verdenking van een panaritium wordt patiënte verwezen naar de eerste hulp. Hier toont labonderzoek een anemie. Er wordt gestart met antibiotica aangezien de SEH-arts ook denkt aan een panaritium. Vanwege uitbreidende necrose vindt er na 1 maand uiteindelijk een amputatie van digitus I plaats. Opvallend: onderzoeken van de vaatchirurg zijn niet afwijkend. Wat is jullie diagnose? 14 De Witte Raven groep in Maastricht bestaat uit de volgende leden: Harry Crebolder, Geert-Jan Dinant, Paul Höppener, Simon Kleijkers, Raymond Leclercq, Yvonne van Leeuwen en Erik Stolper. Doel: zoeken naar de oorzaak van Onuitstaanbaar Onverklaarde Klachten (OOK). De groep bestaat uit huisartsen met een mix van ervaring, zowel klinisch als wetenschappelijk. Werkwijze: de groep krijgt door collegae of anderen een papieren casus aangereikt die mogelijk verdacht is voor een zeldzame aandoening, waarvan eerder specialistisch onderzoek niets heeft uitgewezen. De inbrenger heeft echter het stellige vermoeden dat de oorzaak een zeldzame ziekte is. De wijze van zoeken, gericht op zeldzame aandoeningen, leidt tot een advies aan de inbrenger. 2e uitgave 2018 Wat is de klachtenlast van patiënten? Hulp bij palliatieve zorg DOOR MARIEKE VAN DEN BEUKEN, HOOGLERAAR PALLIATIEVE ZORG Patiënten met een ongeneeslijke aandoening (kanker, COPD, hart- of nierfalen) hebben vaak veel gelijktijdig voorkomende klachten. Via een nieuw project, MuStPC1 geheten, willen we zorgverleners ondersteunen bij de behandeling van deze klachten, met behulp van een digitale tool. Het project is onderdeel van het ZonMwprogramma ‘Palliantie. Meer dan zorg’. Het signaleren van de totale klachtenlast is een eerste stap. Uw hulp is nodig Van 10 tot en met 14 september en van 24 tot en met 28 september aanstaande vinden daarom twee landelijke meetweken plaats. Meedoen kan op één of meer dagen. Huisartsen, verpleegkundigen en praktijkondersteuners worden gevraagd patiënten met een ongeneeslijke ziekte te benaderen om eenmalig en anoniem een vragenlijst over hun klachtenlast in te vullen. Deze vragenlijst hanteert het ‘Utrecht Symptoom Dagboek’, waarbij de patiënt de mate van zijn of haar klachten aangeeft op een schaal van 0-10. Daarnaast worden enkele achtergrondvragen gesteld. Voor deelname kunt u patiënten benaderen: • bij wie u niet verbaasd zou zijn wanneer uw patiënt over 12 maanden is overleden (de zogeheten surprise question) • die ouder dan 18 jaar zijn • met elke onderliggende ziekte (hartfalen, COPD, nierziekten, oncologische ziektebeelden, neurologische ziektebeelden, et cetera). De vragenlijsten zijn op papier of digitaal beschikbaar. Ingevulde vragenlijsten stuurt de patiënt zelf aan de onderzoekers terug. Waarom de MuSt-PC? De huidige richtlijnen voor palliatieve zorg gaan vooral over losse klachten. We weten inmiddels dat patiënten met een ongeneeslijke ziekte vaak last hebben van meer dan één klacht tegelijk binnen verschillende dimensies van de palliatieve zorg (de fysieke, psychische, sociale en/ of de spirituele dimensie). Klachten en behandeling kunnen 1 Multidimensional Strategy for Palliative Care elkaar onderling (negatief) beïnvloeden. Patiënten en hun naasten geven aan dat klachten in de palliatieve fase onvoldoende erkend en behandeld worden. Dat betekent dat symptoombestrijding in deze fase dus complex en de klachtenverlichting veelal niet optimaal is. Deelname Meer informatie over is te vinden op www.must-pc.nl. U kunt zich aanmelden bij arts-onderzoeker Lotte van der Stap: must-pc@lumc.nl of 071-5296703. Zij kan ook uw overige vragen beantwoorden. Of bel het regionaal consultatieteam palliatieve zorg: 0900-7255486. We rekenen op uw hulp! De MuSt-PC meetweken: Kent u de klachtenlast van uw patiënten met een ongeneeslijke ziekte? Wanneer? Door wie? 10 tot en met 14 september en 24 tot en met 28 september 2018. Artsen, verpleegkundigen, verpleegkundig specialisten, physician assistants, praktijkondersteuners in heel Nederland. Wat? Doel? Onderzoek naar klachten in de palliatieve fase met een patiëntvragenlijst. Kom te weten welke klachten uw patiënten met een ongeneeslijke ziekte hebben en draag bij aan zorgverbetering voor deze patiënten. Voor wie? Hoe? Patiënten met een ongeneeslijke aandoening, zie hiernaast de in- en exclusiecriteria. Geef uw patiënt een patiëntinformatiefolder en vragenlijst (digitaal/papier). Uw patiënt beslist of hij/zij deelneemt en vult de vragenlijst in, niet u. Meer informatie www.must-pc.nl Aanmelden? Bij Lotte van der Stap (artsonderzoeker) via must-pc@lumc.nl 15 op één lijn 61
Page 16
2e uitgave 2018 1 e uitgave 2014 WESP: Jasmien Jaeken Limited Joint Mobility en Diabetes BEGELEIDER: RAMON OTTENHEIJM, HUISARTSONDERZOEKER Vraagstelling Naast reeds bekende micro- en macrovasculaire complicaties, blijken diabeten ook een verhoogd risico te hebben op klachten van de bovenste extremiteiten, gekend als Limited Joint Mobility (LJM). We onderzochten de prevalentie van LJM en evalueerden of huisartsen en praktijkondersteuners bekend zijn met deze complicatie. Studiedesign Een cross-sectioneel RNFM (Research Network Family Medicine Maastricht) database onderzoek om de prevalentie te analyseren. Tevens een vragenlijstonderzoek onder huisartsen en praktijkondersteuners (regio Meditta, ZIO en Huisartsen OZL) om de bekendheid met LJM te evalueren. Primair resultaat en conclusie Eén op de zes diabeten (16%) ontwikkelt een vorm van LJM tegenover 11% onder niet-diabeten (P<0.0001). Verder blijkt dat 70% van de huisartsen en 76% van de praktijkondersteuners diabetes niet relateren aan LJM. 25% van de huisartsen vindt dat er periodiek gescreend moet worden op LJM, tegenover 63% van de praktijkondersteuners. WESP-en: Iris Kurcaba en Christianne Smulders Schouderpijn bij DM type II patiënten BEGELEIDERS: RAMON OTTENHEIJM EN LOGIN ALABDALI Vraagstellingen Wat is de prevalentie van specifieke schouderaandoeningen bij patiënten met type II diabetes en schouderpijn? Wat is de diagnostische waarde van het lichamelijk onderzoek van de schouder bij patiënten met type II diabetes en schouderpijn? Studiedesign Het betreft een tweefasen onderzoek onder een dwarsdoorsnede van de doelgroep. In fase 1 van het onderzoek ontvangen patiënten met type II diabetes, die op periodieke controle bij de POH komen, een vragenlijst over klachten van het bewegingsapparaat. In fase 2 krijgen geïnteresseerde patiënten met schouderpijn langer dan vier weken, een lichamelijk en echografisch onderzoek van de schouders. Voorlopig resultaat We zijn nog bezig met het includeren van proefpersonen. Daarom moeten deze voorlopige resultaten met voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. Momenteel hebben we 29 proefpersonen kunnen analyseren. Bij 96.6% (95% C.I. 90.0-100%) van de proefpersonen vinden we echografisch specifieke pathologie. Calcifiërende tendinopathie en tendinopathie zijn de meest voorkomende aandoeningen. De supraspinatuspees is het meest aangedaan. Daarnaast is BMI geassocieerd met subacromiale schouderaandoeningen met een OR van 1.42 (95% C.I. 1.08-1.88). Gezien de kleine steekproef kunnen we over de diagnostische waarde van het lichamelijk onderzoek nog geen voorlopige resultaten presenteren. 16 op één lijn 61 2e uitgave 2018 WESP: July Kroeg Voorschrijfgedrag huisartsen regionaal longformularium BEGELEIDER: ANNA HUIZING (ZIO) Vraagstelling Wat is het effect van het implementeren van het regionaal longformularium op het voorschrijfgedrag van huisartsen in de regio Maastricht-Heuvelland? Studiedesign Descriptief onderzoek waarbij declaratiedata van VGZ gebruikt zijn en in één huisartspraktijk een casestudie is uitgevoerd waarbij afleverdata van de apotheek met voorschrijfdata uit het HIS vergeleken werden. Primair resultaat en conclusie Bij 31% van de nieuwe voorschriften voor inhalatiemedicatie werd in de regio in de periode kwartaal 4 2016 tot en met kwartaal 4 in 2017 conform longformularium afgeleverd. De implementatie van het longformularium lijkt een stijgende lijn te vertonen, maar er zijn nog verbeterpunten. Uit de casestudie is gebleken dat declaratiedata niet geschikt zijn om het voorschrijfgedrag van huisartsen te monitoren. Het afleverpercentage conform formularium bedroeg in de betreffende praktijk 33% in kwartaal 1 2018, terwijl het daadwerkelijke voorschrijfpercentage van de huisarts 88% bedroeg. Dit verschil kan verklaard worden door een aantal factoren. Allereerst werd bij 28% van de nieuwe recepten iets anders afgeleverd door de apotheek dan voorgeschreven. Daarnaast beperken verschillende factoren het in kaart brengen van het voorschrijfproces: bij 17% was sprake van een herhaalrecept en bij 14% een recept voorgeschreven door een medisch specialist. Mogelijk verloopt de implementatie bij huisartsen dus beter dan verwacht, maar meer onderzoek is nodig om dit te bevestigen. WESP: Jasper van Geel Aios en samen beslissen BEGELEIDERS: TRUDY VAN DER WEIJDEN, ANOUK BAGHUS & ESTHER GIROLDI Vraagstellingen Wat is het huidige niveau van Samen Beslissen van huisartsen in opleiding (aios)? Hoe verhoudt het niveau zoals dit door de aios gerapporteerd wordt met wat door de patiënt gerapporteerd wordt? Wat is de invloed van demografische karakteristieken van de aios/patiënt op het niveau van het Samen Beslissen? Studiedesign Aios van verschillende opleidingsinstellingen in Nederland zijn gevraagd om video-opnames van consulten aan te leveren, welke gescoord zullen worden met de OPTION5. De OPTION5 is een in Amerika ontwikkeld instrument waarmee een onafhankelijk onderzoeker de mate van Samen Beslissen in een consult kan scoren. Verder zijn de aios en patiënten gevraagd de SDM-Q9 en de SDM-Q-doc in te vullen. De SDM-Q9 en SDM-Q-doc zijn in Duitsland ontwikkelde gevalideerde vragenlijsten waarmee arts en patiënt de mate van Samen Beslissen kunnen rapporteren. Daarnaast hebben we demografische gegevens verzameld van aios en patiënt om te kijken of deze van invloed kunnen zijn op de mate van Samen Beslissen. Primair resultaat en conclusie Uit de literatuur blijkt dat artsen lang niet zo goed zijn in Samen Beslissen als dat ze zelf rapporteren en dit lijkt ook op te gaan voor artsen in opleiding. Helaas zullen we nog even moeten wachten op onze eigen resultaten. 17 op één lijn 61
Page 18
2e uitgave 2018 1 e uitgave 2014 WESP-en: Fatma Erkan & Darwin Röhlinger Aios en Samen Beslissen BEGELEIDERS: TRUDY VAN DER WEIJDEN, ANOUK BAGHUS EN ESTHER GIROLDI Vraagstelling Het bovengenoemde project is een deelonderzoek van een groter onderzoek vanuit de Universiteit Maastricht dat probeert het huidige onderwijsprogramma van de aios huisartsgeneeskunde te verbeteren wat betreft samen beslissen. Samen beslissen of SB is een onderwerp dat steeds meer in de belangstelling staat. Gebleken is, dat er veelal geen ‘beste’ optie is voor alle patiënten, omdat zij kunnen verschillen in hun voorkeuren. Het is onduidelijk hoe dit principe van SB het beste in de praktijk kan worden toegepast, mede door onvoldoende inzicht in de barrières en behoeftes van aios. Studiedesign Om achter de behoeftes van aios te komen, hebben wij door het hele land consultopnames gemaakt en spreekuren van eerste- en derdejaars aios bijgewoond. Aan de hand hiervan hebben wij stimulated-recall interviews gehouden waarbij aios moesten reflecteren op hun gedrag omtrent SB. Op deze WESP: Mathijs Peeters CATCH-project stoppen met roken BEGELEIDERS: FLOOR VAN DEN BRAND EN ONNO VAN SCHAYCK Vraagstelling We zijn momenteel bezig met een economische evaluatie binnen het Continues Abstinence Through Corporate Healthcare (CATCH) project met de volgende vraagstelling: Is het toevoegen van een financiële beloning aan een stoppen-met-roken groepstraining kosteneffectief bij werknemers die roken? Studiedesign De economische evaluatie wordt uitgevoerd in de vorm van een kosteneffectiviteitsanalyse (CEA) en kostenutiliteitsanalyse (CUA). Dit zowel vanuit een maatschappelijk oogpunt als uit het oogpunt van de werkgever. 18 Primair resultaat en conclusie We zijn momenteel bezig met de analyses, daarom kunnen we helaas nog geen resultaten presenteren. De uiteindelijke resultaten zullen informatie geven over de toepasbaarheid en kosteneffectiviteit van het toevoegen van een financiële beloning aan een stoppen-metroken groepstraining bij werknemers. Mogelijk kan dit leiden tot aanbevelingen om een financiële beloning in combinatie met een stoppen-met-roken groepstraining te implementeren binnen bedrijven. manier hebben we de barrières en behoeftes van aios in kaart gebracht. Primair resultaat en conclusie Wij vinden het opvallend dat de meeste aios niet precies weten wat SB inhoudt. Tijdgebrek wordt gezien als een belangrijke barrière. Andere barrières zijn: niet weten wanneer en hoe SB toegepast kan worden, lastige situaties en consulten zonder open sfeer. Daarnaast worden taalbarrières en mensen met een beperking genoemd. Er zijn ook behoeftes naar voor gekomen. Aios vinden bijvoorbeeld dat SB longitudinaal onderwezen moet worden en dat het belangrijk is dat zij geconfronteerd worden met hun eigen besluitvormingsgedrag. Kortom, er zijn veel factoren die invloed hebben op het vermogen van de aios om goed samen te kunnen beslissen in de dagelijkse praktijk. Het is belangrijk dat de beïnvloedbare factoren de basis gaan vormen van het trainingsprogramma, dat in een later stadium van het hoofdonderzoek ontwikkeld zal worden. op één lijn 61 2e uitgave 2018 Stage: Fiorella Huijgens, derdejaars bachelor Gezondheid & Leven, VU Amsterdam Communicatie met laag-geletterden vaak lastiger dan gedacht BEGELEIDERS: JOLANDA VAN DER VELDEN (PHAROS1) EN PETRA VERDONK (VU) Vraagstelling In Nederland wonen 2,5 miljoen laaggeletterden. De communicatie tussen hen en zorgverleners verloopt vaak moeizaam met onder andere gezondheidsproblemen als mogelijk gevolg. Daarom heb ik onderzoek gedaan om een antwoord te vinden op de volgende vraag: Verbetert de training ‘Effectief communiceren met laaggeletterden’ ontwikkeld door Pharos de competenties en het gedrag van eerstelijnszorgverleners met betrekking tot laaggeletterdheid? Studiedesign Eerstelijns zorgverleners stuurde ik een online vragenlijst om zicht te krijgen op het verschil in kennis, attitude en 1 Pharos expertisecentrum gezondheidsverschillen, Utrecht communicatievaardigheden tussen degenen die de training wel, en die de training niet gevolgd hebben. Ook het verschil in hun gedrag, gerelateerd aan laaggeletterdheid wilde ik zo in beeld brengen. Primair resultaat en conclusie De communicatietraining draagt bij aan het creëren van bewustwording rondom laaggeletterdheid en aan het zelfverzekerder worden in het herkennen van laaggeletterden. Het gebruik van de teach-back methode (terugvraagmethode) is laag in beide groepen en vereist meer aandacht. Aanvullende e-learning en het verbreken van het taboe rondom laaggeletterdheid zouden effectieve communicatie kunnen bevorderen. Annerika Slok-Gidding ontvangt van de organisatie haar prijs Ziektelastmeter COPD wint Science Award In de ‘Week van de longen’ werd op 11 april 2018 tijdens een ceremonie de tweejaarlijkse ‘Netherlands Respitory Society (NRS) Science Award’ uitgereikt. Een prijs voor een buitengewone prestatie op het gebied van onderzoek naar longziekten. De prijs werd gewonnen door postdoc onderzoeker Annerika Slok-Gidding en Onno van Schayck voor de Ziektelastmeter COPD. 19 op één lijn 61
Page 20
op één lijn 61 2e uitgave 2018 Hoofdzaken Voorwaarts! DOOR BAS MAIBURG, HOOFD HUISARTSOPLEIDING MAASTRICHT Net als de hernieuwde erkenning als opleidingsinstituut kwamen de uitkomsten van de NIVEL-enquête in april als warme zonnestralen over ons heen. Met als kers op de wervingstaart de toewijzing van maar liefst 45 aios voor september. En ook in landelijke ontwikkelingen blazen we ons partijtje mee. We kunnen weer even vooruit. De teerling is nog niet geworpen (zie de vorige Hoofdzaken) of de eerste nieuwe aios-troepen marcheren er al overheen. Een uniek cohort van maar liefst 45 aios! Het starten van twee grote groepen in Maastricht en ruim anderhalve groep in Eindhoven per september betekent dat de inzet van meer opleiders nodig is en geworven moet worden voor nieuwe docenten. Met plezier natuurlijk. De map met goede kandidaten uit eerdere sollicitatierondes blijkt een nog steeds enthousiaste gedragswetenschapper te bevatten, via mond-tot-mond reclame of - zo u wilt - “headhunting” komen andere kandidaten in het vizier en de vacature-site Academic Transfer doet de rest. Bovendien is deze laatste vacature (voor docent Acute Blok) bij ruim 900 huisartsen op de digitale deurmat gevallen. We waren ondertussen erg nieuwsgierig geworden naar de landelijke NIVEL-enquête over de huisartsopleiding onder alle aios huisartsgeneeskunde. De stand van het land, met voor Maastricht – zo werd gefluisterd – gunstige uitkomsten. En de uitkomsten mogen er zijn: bij ongeveer 2 op de 3 vragen is Maastricht terug te vinden in de top 3 van best scorende instituten! Met dank aan de aios, voor hun positieve beoordeling van onder andere de huisartsopleiders uit jaar 1 en jaar 3 en gedragswetenschappers en huisartsbegeleiders uit respectievelijk jaar 3 en jaar 1. Voeg daar de hoge scores voor inspraak en veiligheid binnen de opleiding bij plus de constatering dat de terugkomdagen de praktijk goed ondersteunen, en er ontstaat een prettig verteerbare mix van onderwijsactiviteiten van de kant van de opleiding. Zeker, er worden ook verbeterpunten aangereikt. De begeleiding bij het opstellen van het individueel opleidingsplan (IOP) door stage- en groepsbegeleiders in jaar 2 dient nog eens goed afgestoft te worden. Ook EleUM krijgt niet echt de handen op elkaar (red.: inmiddels is de nieuwe, sterk verbeterde EleUM-site in de lucht). De resultaten van de NIVEL-enquête vormen ook een onderdeel van de GEAR-audit1 die in juni op het programma stond in Maastricht. Onder leiding van onze kwaliteitscoördinator Marie-Louise Schreurs hebben onze andere coördinatoren hard gewerkt aan het becommentariëren van een reeks indicatoren over het curriculum, de leeromgeving en toetsing. Samen met een reflectie op de verbeterpunten van de vorige GEAR-ronde én de aios-scores uit de enquête hangen deze resultaten nu te rijpen in de ‘cloud’ van Huisartsopleiding Nederland. Zelf zijn we goed te spreken over deze oogst. Om in digitale sferen te blijven hangen: half mei is de vernieuwde site van de vakgroep huisartsgeneeskunde (www.huisartsgeneeskundemaastricht.nl) de lucht in gegaan. Een verademing voor wie zich snel wilt oriënteren en niet door lange teksten wil blijven scrollen. Een met Canon ontworpen format waar de frisheid vanaf straalt. Puntige teksten, goed beeldmateriaal en geheel nieuw gebruik van sociale media via persona’s. Type de URL in uw browser en overtuig uzelf! Sociale media kwamen ook aan de orde tijdens het thema over PR en Werving in het hoofdenoverleg. Of beter gezegd, niet aan de orde: géén van de instituten bleek deze middelen in te zetten voor wervingsactiviteiten. Waar de handen in dit kader meer en meer voor op elkaar te krijgen zijn, is het anios-schap huisartsgeneeskunde. Met de LHV gaat gekeken worden hoe we dit goed kunnen uitwerken en met de RGS kijken we hoe dit kan leiden tot verkorting van de opleiding. En dan denkt de opleiding landelijk ook mee over de verdere implementatie van het Landelijk Opleidingsplan (LOP). Donkere leerlijnwolken dreigden aan de lucht door druk vanuit onder andere de CGS over toevoegen van leerlijnen rond doelmatigheid, diversiteit en leiderschap. Door de opleiding aangezette en door anderen onderschreven conclusie: een bord met een spaghetti aan leerlijnen 1 Gecombineerde Evaluatie en Audit Ronde: een onderlinge kwaliteitsaudit van de 8 huisartsopleidingen. 20 2e uitgave 2018 bevordert de leer- en onderwijslust geenszins. Handhaaf de huidige thema’s en KBA’s voor het toewerken naar de competenties uit het competentieprofiel van de huisarts (zie ComBel) en laten we actuele onderwerpen hierbij onderbrengen. Een vertrouwd recept met hier en daar wat frisse kruiden. We gaan er, kortom, op vele manieren de komende tijd op vooruit. Dat neemt niet weg dat we op korte termijn afscheid moeten nemen van een aantal ervaren docenten. Als u dit leest zijn Yvonne van Leeuwen, Ria Huygen en Suzanne Teunisse definitief uitgezwaaid. Hun opvolgers hoop ik u de volgende keer te mogen introduceren. Referatendag 15 mei 2018 Wetenschappelijk bewezen: doe het zelf! DOOR NIELS BEURSKENS, COÖRDINATOR EBM Op 15 mei was de eerste referatendag voor derdejaars aios op locatie Eindhoven. Het was nu de beurt aan de Maastrichtse aios om af te reizen naar het (zonnige!) noorden van onze opleidingsregio. Helaas leek het reizen naar Eindhoven een belemmerende factor voor het formeren van een vakjury, die dit keer verstek moest laten gaan. Aan de publieksjury dus de taak om de referaten te beoordelen en de geldprijs toe te kennen aan het beste referaat van de dag. Deze eer ging met stip naar het referaat van Linda Vonken, Sandra Wuijten, Pieternel van der Linden en Anne Nieuwelink over de behandeling van IBS met pepermuntolie. Zij lieten zien, dat behandeling met pepermuntolie buikklachten met 46% kan verminderen, met als mogelijke bijwerking een frisse adem. Tevens maakten zij van de gelegenheid gebruik om het middel te testen op de aanwezigen. In hoeverre dit de resultaten van de jury heeft beïnvloed en of hierbij sprake is geweest van selectiebias, observatiebias, responsbias of sponsoring door de farmacie blijft echter ongewis… Door het grote aantal groepen (11 referaten) en een harde eindtijd was het nodig om dit keer de duur van de presentaties te beperken tot 10 minuten plus 10 minuten discussie. Alle groepen hadden zich hier goed op voorbereid en wisten uitstekend om te gaan met deze tijdslimiet. Of was het toch het strakke dagvoorzitterschap van Hendrik Jan Vunderink? Hoe het ook zij, de snellere doorloop hield het levendig en afwisselend. Een mogelijk nadeel was echter wel dat er minder gelegenheid was om de gebruikte studies uitgebreid toe te lichten. Voor de beoordeling misschien wat lastiger, maar de beste referaten wisten in beperkte tijd de belangrijkste punten voor het voetlicht te brengen. Van de diagnostische waarde van PSA-meting (is de standaard nog up-to-date?) gingen we naar muziek als 21 interventie bij primaire insomnie (helpt een beetje, kan geen kwaad) en de meerwaarde van antivirale middelen naast prednisolon bij Bellse parese (te overwegen, met name bij ernstige klachten). Voor een blokkade van het ganglion stellatum bij overgangsklachten is vooralsnog toch echt te weinig evidence en bij kinderen met astma heeft het geven van extra vitamine D geen effect op het aantal astmaexacerbaties. Voor de liefhebbers van Samen Beslissen: continue behandeling bij onychomycose blijft de voorkeur, maar pulse therapie lijkt een goede concurrent en geeft dus ruimte voor shared-decision making. Bij referaat 8 lieten de aios zien dat langwerkende PDE-5 remmers niet beter werken dan kortwerkende. Een belangrijk leerpunt werd en passant meegegeven: een kritische houding ten aanzien van een expert opinion (in dit geval de cardioloog), en het zelf opzoeken van de evidence kan je eigen beleid kan versterken, werkt kostenbesparend, met behoud van effectiviteit! Het betreft hier overigens erectiemiddelen. De point of care Hb test bleek onnauwkeurig bij lage waarden, maar wellicht wel nuttig voor het uitsluiten van een anemie. Wat betreft zelftesten van chlamydia, deze zijn minder betrouwbaar. Van de laatste groep kregen we het advies om onszelf, als medewerkers in de zorg, tegen griep te laten vaccineren om zo de mortaliteit bij patiënten te verminderen. Dit referaat kreeg nog een speciale vermelding van de aanwezige EBM docenten. Zoals u hebt gelezen, waren de onderwerpen zeer afwisselend en toepasbaar in de dagelijkse praktijk: een hele dag vol met bruikbare wetenschap! Op naar 30 oktober in Maastricht! op één lijn 61
Page 22
op één lijn 61 2e uitgave 2018 Equilibre Rubriek voor huisartsopleider DOOR MARIEKE KOOLS & ARIE DE JONG, HAO-COÖRDINATOREN We doen het goed in Maastricht. Dat vinden wij niet alleen, maar ook onze aios, zo blijkt uit de landelijke NIVEL-enquête. Aios zijn bijzonder tevreden over onze koppelingsprocedure. Landelijk scoren wij het hoogst op de items: ‘Het koppelingsproces biedt ruimte aan..’: • ‘kandidaten om zich te presenteren zoals zij dat zelf willen’ • ‘de leerwensen van de kandidaten’ • ‘het vinden van een goede klik met de opleider’ • ‘inzicht in de leermogelijkheden in de praktijk’. Interessant genoeg is er een groot verschil tussen onze locaties Maastricht en Eindhoven als het gaat om de transparantie in het koppelingsproces. Maastricht scoort hier landelijk het hoogst, maar Eindhoven het laagst. Hoe komt dat? Dit komt door verwachtingen in die regio waaraan wij niet tegemoet konden komen zoals opleiders ‘aan hun kant van Eindhoven’. Dit benadrukt het belang van transparantie, toch al een speerpunt van ons. Vandaar onze recente mailing met het document “uitgangspunten opleiderscurriculum”, met een overzicht van informatie gebaseerd op de meest voorkomende vragen van opleiders. We doen nu een greep uit de onderwerpen die ons momenteel bezig houden met betrekking tot het curriculum. HAO-curriculum Maatwerk vinden we belangrijk. We springen in op de leerbehoefte van onze opleiders. Daarom kiezen we ieder jaar thema’s voor de eerstvolgende trainingsdagen zoals in Urmond en de tweedaagse in Heeze. Dat maakt ons flexibel. Het leuke daaraan is, dat we ook kunnen inspringen op landelijke ontwikkelingen die jullie bezighouden, zoals positieve gezondheid. Dat thema staat voor de tweedaagse in november op de agenda. Keerzijde van die aanpak is, dat we redelijk ‘ad hoc’ moeten werken en vaak het wiel zelf moeten uitvinden door nieuwe workshops te ontwikkelen. Landelijk is gelukkig veel te halen, bij collega’s die ook trainingen voor hun opleiders ontwikkelen. Hier maken we gebruik van bij de langetermijnplanning. Ons voornemen is om een vijfjarenplan op te stellen voor onze trainingsdagen. 22 2e uitgave 2018 We streven naar ‘onderwijs voor hao’s, door hao’s’. Enerzijds door jullie aangedragen thema’s, geformuleerd als leerwensen in jullie IOP’s, anderzijds workshops door jullie zelf ontwikkeld op basis van persoonlijke (medischeof didactische) expertise. We sparren hierover met het bestuur van jullie opleidersvereniging (LHOV-Maastricht). We hebben alle groepsbegeleiders gevraagd om de thema’s te inventariseren die in jullie recente IOP-workshop naar boven kwamen. Hierop kunnen we trainingen prioriteren en optimaal aansluiten bij jullie leerbehoefte. Trainingsdag pluis/niet-pluis (PNP) en klinisch redeneren Eén van de genoemde onderwerpen was klinisch redeneren en hoe daar meer zicht op te krijgen bij jullie aios. En de vragen: hoe kan ik daar variatie en verdieping in aanbrengen? De NHG-standaarden ‘doorwerken’ in een leergesprek, stuit menigeen tegen de borst. Terecht vinden wij, want het is droge kost en suboptimaal qua leerrendement. Standaarden gaan pas leven als je er casuïstiek bij betrekt. De aios voorbeelden laten zien bij welke patiënt je bewust afweek van de standaard en waarom, dat is een mentale kapstok die blijft hangen voor de aios en later te gebruiken is. De hao-trainingsdagen in Urmond op 29 en 31 mei stonden in het teken van klinisch redeneren bij diagnostische onzekerheid met als focus het pluis-niet pluis gevoel. Huisarts Erik Stolper, die op dit onderwerp promoveerde, maakte ons wegwijs in het bevragen van het pluis/nietpluis gevoel en het toepassen ervan in het leergesprek via de PNP-vragenlijst. Uit onderzoek van Erik naar diagnostische leergesprekken bleek, dat daar nog winst te behalen is. Met de PNP-vragenlijst en de voor jullie bekende methoden ‘STAMPPOT’ en ‘One Minute Preceptor’, hebben we mogelijkheden om variatie en verdieping in het diagnostische leergesprek aan te brengen. De dag werd positief geëvalueerd: men was blij met dit onderwerp op de agenda, en met de concrete handvatten die er geboden zijn. Wij zien dit graag terug in jullie leergesprekken met de aios. Maatjesmiddag Naast met jullie, hebben aios ook te maken met collegahuisartsen, de zogeheten maatjes. Recent hebben we weer scholingsmiddagen voor maatjes georganiseerd in Eindhoven en in Urmond. Een ervaringsronde leverde veel inzichten op zoals ‘mag ik formeel maar een halve dag per week de opleider vervangen’? Via vragen gingen we dieper in op het leerproces van de aios. Wij verwachten van de maatjes vooral nabesprekingen van het spreekuur in een taakgericht leergesprek. Op de maatjesmiddag kwamen drie typen leergesprekken aan bod, het model van gedragsverandering en hebben we de STAMPPOT-methode getraind. Gezien de grote belangstelling, gaan we dit voortaan twee keer per jaar organiseren. Blijf elkaar en ons inspireren. Voel je uitgenodigd om je collega’s iets te leren! Multidisciplinaire nascholing chronische aangezichtspijn ‘Diagnostiek en management van orofaciale pijn (OFP) en temporomandibulaire disfunctie (TMD): een update’ Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie (MKA) Doelgroep: Datum: Locatie: Kosten: tandartsen, huisartsen en specialisten uit Limburg vrijdag 23 november 2018 van 9.00-17.00 uur Buitenplaats Vaeshartelt Maastricht €75,Accreditatie wordt aangevraagd Info: s.van.aerssen.lardenoije@mumc.nl 23 op één lijn 61
Page 24
op één lijn 61 2e uitgave 2018 Voetbaltreffen opleiders- aios 8 juni 2018 Zo gewonnen, zo geronnen DOOR GASTON PEEK, ORGANISATIE EN MARIEKE KOOLS, COACH OPLEIDERS Op vrijdagavond 8 juni 2018 was het weer zover: het jaarlijkse voetbalfestijn tussen de aios huisartsgeneeskunde en de huisartsopleiders. Een beladen wedstrijd, met vooraf al veel speldenprikjes op fysiek en vocaal niveau tussen beide groepen. Er stond dan ook wat op het spel! De opleiders hadden een titel te verdedigen, die zij vorig jaar, na vier jaar zonder prijzen, eindelijk hadden veroverd. Na afloop sprak ik met opleiderscoach Marieke Kools, de hoofdcoach van het opleidersteam. Een terugblik op de veelbesproken wedstrijd vanuit haar oogpunt. Hier sta je weer met de beker, hoe voelt dat? Geweldig! Het was weer een spannende wedstrijd, een enorme euforie na vele tenenkrommende momenten. Het team heeft zich kranig (en krakend) verweerd tegen een sterk en vitaal aios-team. Na afloop is de ontlading dan ook groot. Jullie begonnen niet best, wat gebeurde er? Al na 30 seconden raakte onze aanvoerder en sterspeler Gaston geblesseerd door een uitstekend polletje, een enorme aderlating voor het team! Nog geen minuut later moest ook onze flankbestrijker René met een ernstige kuitblessure het veld verlaten. Het duurde dus even voordat ik de organisatie weer op orde had. Bovendien misten we opeens twee wisselspelers. Dit deed natuurlijk een enorm appèl op het uithoudingsvermogen van mijn spelers, vooral tegen de fitte aios, gemiddeld toch 20 jaar jonger. Kun je ons iets meer vertellen over de doelpunten? Gelukkig is voetbal een teamsport en kan de keeper er dus ook niks aan doen… Door matig verdedigen bij hoge ballen kwamen de aios met geluk op voorsprong. De 2-0 viel nog in de eerste helft, een mooi bekeken schot van de opkomende middenvelder. Houdbaar voor de keeper? Neen absoluut niet! Keeper Stephan dook voor iedere bal alsof z’n leven ervan af hing! Eind tweede helft is hij zelfs nog als stormram in de spits gaan staan. De inzet en verbetenheid was er. Wat heb je in de rust gezegd? Dat blijft binnen de kleedkamers. Maar je zag mijn woorden 24 1 Met dank aan de onoplettende aios. Gefeliciteerd, volgend jaar revanche! terug in de tweede helft, in de inzet en agressie bij mijn spelers. Pepijn Aarts en Sander Jongschaap zaten er kort op, zeer huisartsopleider-waardig! Daarnaast zag ik Freek en Peter meer diepgang zoeken op de flanken. Koen (voormalig HAB) en Martijn (alias De Kromme) speelden een stuk balvaster en Björn kwam ook steeds meer in zijn spel. En dit wierp zijn vruchten af?! Jazeker! Na de aansluitende 1-2 werd het gauw 1-3 voor aios, maar door een prachtige afdruk van Micha zeilde de bal in de linkerbovenhoek. Onhoudbaar voor de keeper: 2-3! Welk tactisch plan heeft uiteindelijk voor de overwinning gezorgd? We hadden veel meer balbezit en we hebben goed druk gezet op de verdediging van de aios. Echter, door gebrek aan wisselmogelijkheden (en het geringe leeftijdsverschil) sloeg uiteindelijk de vermoeidheid toe op de stramme kuitjes van mijn mannen. We creëerden kansen maar konden deze niet afmaken. Eindstand op het veld: 2-4 voor de aios. De derde helft echter hebben we dit weer ruimschoots ingehaald: met heerlijke broodjes gezond bereid door Miets Schepers, fris bier (met dank aan Huub Schepers), een lekker lentezonnetje en het enthousiaste publiek werd er gezellig na-geborreld. Uiteindelijk verlieten de opleiders als winnaars de velden van WDZ in Bocholtz! Dit begrijp ik niet, winnaars? Met deze eindstand? Jazeker, mèt de beker1! Weten is eten Menu met een slakkengang DOOR HENDRIK JAN VUNDERINK, HUISARTS-DOCENT EN REDACTIELID File op de A2. Het scherpe oog van mijn kleindochter ontwaart al van verre de niet te missen grote gele M naast de weg. Een uur later is de file opgelost en bezweer ik mezelf en mijn kleindochter voor de laatste keer: “dit was de laatste keer!” Tegen grote gele M’s en andere schreeuwerige uithangborden, is in 1986 in Italië de slowfood beweging opgericht, door Carlo Petrini, ter gelegenheid van de plaatsing van zo’n grote gele M naast de Spaanse Trappen in Rome. Misschien had hij geen kleindochter, maar het concept spreekt mij wel heel erg aan: het koesteren, beschermen en propageren van duurzame, lokaal geteelde producten. Een boodschap die zich in de praktijk niet zo makkelijk in daden laat omzetten. Want de aanbevolen producten zijn er in twee hoedanigheden. De meeste gepropageerde lekkernijen bevolken de ‘Ark van de Smaak.’ Ze vormen een lijst van zo’n 1750 artikelen wereldwijd. Binnen dat reservoir worden streekproducten aangemerkt als ‘cultureel erfgoed en drager van biodiversiteit, die op authentieke wijze geproduceerd worden.’ In Nederland zijn nu ongeveer 150 producten met een toelatingsbewijs voor de Ark van de Smaak, waaronder de Oosterscheldekreeft, Friese droge worst, Goudse oplegkaas, de platte Zeeuwse oester, Westlandse tafeldruiven en, jawel, Limburgse stroop. De boodschap is niet makkelijk te verkopen. Misschien helpt het al richting een beter, verantwoorder consumptiepatroon, dat bijvoorbeeld de Van der Valk-restaurants zich zijn gaan inlaten met lamsschouders, varkensnekken en zeebaars in plaats van schnitzels, biefstuk en zalm. Met andere woorden: voor een merkbare verandering in het consumptiepatroon kom je er niet door de zeldzame Lakenvelder koe heilig te verklaren of het gebruik van Limburger stroop te propageren. Door dat wel te doen loopt de Slow Food beweging het gevaar als elitair afgeserveerd te worden. Kijk maar eens hoe bij sommige handelaars in ambachtelijke, duurzame of anderszins onberispelijke producten de klandizie per Range Rover arriveert voor de weekendboodschappen… Het symbool van de slowfood beweging is, niet erg origineel, maar wel vanzelfsprekend, de slak. En die wordt in Limburg en Noord-Brabant op meerdere plekken, dus lokaal, duurzaam geteeld. Daarom een recept, en dan eens wat anders dan die gloeiend hete kauwgom, pruttelend in de knoflookboter in eigen huisje. Neem de tijd, agendeer eens een lange lunch en geniet van deze Omelette Bourguignonne. RECEPT Open een blik slakken van 125 gram uitlekgewicht, spoel ze goed af en snij ze in 2 of 3 stukjes. Smelt 25 gram boter en fruit ze hierin, samen met 2 teentjes gehakte knoflook, zout en peper. Neem de pan van het vuur en roer er 30 gram gehakte walnoten en 2 eetlepels fijngehakte peterselie door. Klop 5 eieren los met zout en peper, en giet voorzichtig in een andere bakpan, waarin al boter gesmolten is. Laat even stollen, en roer dan het slakkenmengsel er doorheen. Laat de omelet op het vuur, totdat de bovenkant nog wat sappig is. Houdt de pan schuin, vouw dubbel met behulp van een pannenkoekenmes en laat op een voorverwarmde schaal glijden. Kleine hapjes nemen, mooi brood erbij, een fonkelend glas Chianti en een goed gesprek: Carlo Petrini zal meegenieten! 25 op één lijn 61
Page 26
op één lijn 61 2e uitgave 2018 De afgestudeerden in beeld Made in Maastricht Afstudeersessie 19 juni 2018 | V.l.n.r.: Stephan van der Brand (HAB), Monique Poortvliet, Paul Roos, Janine van ‘t Wout Hofland, Géraldine Jansen, Wout Deblois, Cynthia Worms-Janssen, Ellen Schoorel, Verena Lambermont, Matthijs van Gink, Lizzie Vuurman en Ria Huygen-Kools (GW-er). Afstudeersessie 13 december 2016 Afstudeersessie 12 juni 2018 | V.l.n.r.: Lieke Jansen, Richard Eliëns, Leonie de Bock, Teun Gubbels, Angelique Smulders, Lieke Delemarre, Annelies Pastoors, Tirza Wagenvoort, Dagmar Hendrix en Marit Dirkx. Afstudeersessie 13 december 2016 26 Veel opleidingsplekken Laat zien wie je echt bent! Twijfel niet langer! Afwisselende baan Voorlichting en werving Elk kwartaal anders DOOR BABETTE DOORN, TEAM WERVING We schreven er al eerder over: het belang van zichtbaarheid van de huisarts(geneeskunde) tijdens de opleiding tot basisarts. Niet met de boodschap dat iedereen huisarts moet worden, maar wel dat iedere arts (in opleiding) weet wat een huisarts is en doet. Dat kan op heel veel manieren. De vakgroep huisartsgeneeskunde ‘levert’ verschillende docenten aan het basiscurriculum. Zowel binnen de bachelor als in de master. Van een relatief eenvoudige, uitvoerende rol tot het maken en bedenken van onderwijs. Juist als studenten nog heel veel in de theorie zitten, is een praktijkervaring een enorme inspiratiebron, het motiveert ze om te leren. Meelopen (dag of avond op de HAP) met een huisarts is een prachtige gelegenheid om uit te leggen wat je ziet, doet en hoort en hoe je met weinig toeters en bellen een feilloze diagnose weet te stellen. Dan snapt de student, waarom het huisartsenvak niet makkelijk is, maar misschien wel het mooiste. ‘Magisch!’ zeiden sommige bachelorstudenten. Buiten het curriculum om, doen we ook mee aan activiteiten van Medische Studenten Vereniging Pulse. Eind mei stonden we op hun Medische Carrièredag met een standje met voorlichtingsmateriaal, waarbij aios Nina van de Rijdt en Siamack Sabrkhany de vragen van studenten beantwoordden. Daarnaast werden we uitgenodigd om een workshop over huisartsgeneeskunde te geven. We kregen ruim een uur de tijd en de inhoud was vrij. Huisartsgeneeskunde is populair, er was massaal ingetekend. Huisarts Jonas Göbbels uit Maastricht en ik deden samen de workshop. Jonas vertelde over zijn ervaringen en ik kon wat zeggen over de driejarige huisartsopleiding. Wat we vooral deden: vragen beantwoorden, in gesprek gaan. Hartstikke leuk. Word Huisarts! We zoeken 40 aios voor de Huisartsopleiding Eindhoven/Maastricht start maart 2019 Scan de QR-code of Joost 06-41144460 of Babette 06-40427811 www.huisartsgeneeskundemaastricht.nl Bezoek onze nieuwe website: Baangarantie Goed salaris én een privé leven Opvallend vind ik dat studenten tegenwoordig hardop ‘durven’ te zeggen dat ze huisarts willen worden en ook waarom. Studenten oriënteren zich ook steeds eerder op hun latere beroepskeuze zo lijkt het. Ze stelden goede vragen, waren voorbereid en geïnteresseerd. Een week later was er weer een speeddate avond met specialisten. Namens huisartsgeneeskunde deed Jean Muris mee. En op het moment van schrijven zijn we activiteiten voor de facultaire introductie eind augustus aan het bedenken. Omdat we al jaren meedoen, kunnen we ook de studenten volgen in hun ontwikkeling en zij ons. Uiteindelijk heeft ook dit allemaal bijgedragen aan de succesvolle werving voor de huisartsopleiding. Begin juni maakten we kennis met de nieuwste groepen aios, deels ‘eigen kweek’, deels van buiten. Half juni studeerden weer 2 groepen aios af tot huisarts (zie ‘Made in Maastricht’). Ervaren huisartsen worden weer opleider, het stokje wordt doorgegeven. De dokters van de toekomst. Ze hebben er zin in. Net zoals de eerste lichtingen die begonnen te studeren in Maastricht, de mensen die nu net met pensioen zijn of gaan. De ervaren dokters krijgen op hun beurt weer energie van de nieuwe lichtingen. De cirkel is en blijft rond. Van jong tot oud, zoals de huisartsgeneeskunde zelf. Speeddaten met Jean Muris (rechts) 27 op één lijn 61 Solliciteer v NU! an 1 juni 2018 t/m 31 juli 2018
Page 28
op één lijn 61 2e uitgave 2018 Gezondheidsrechtelijke kwesties Uw wil geschiede? DOOR MR. ARIE DE JONG, HUISARTS IN GOIRLE EN JURIST Over (kwetsbare) ouderen, machtigingen, schriftelijke wilsverklaringen, levenstestamenten en advanced care planning. Inleiding De hele ‘Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst’1 (WGBO) is gebaseerd op de autonomie van de patiënt: artikel 450 lid 1, “Voor verrichtingen ter uitvoering van een behandelingsovereenkomst is de toestemming van de patiënt vereist.” Kwetsbare groepen zoals minderjarigen en wilsonbekwamen2 zijn extra beschermd. Vanaf de leeftijd van 12 jaar, mag er, naast de gezaghebbende ouders, meebeslist worden als men dit weloverwogen kan doen. Als er schade op zou kunnen treden bij de minderjarige, mag de BIG-geregistreerde behandelaar de minderjarige volgen, onder uitsluiting van de gezaghebbende ouders. Vanaf 16 jaar is iemand voor de WGBO meerderjarig en beslist een persoon zelf, tenzij wilsonbekwaam. Wat als je het zelf niet meer aan kan geven door (tijdelijke) wilsonbekwaamheid? Of je hebt een wens met betrekking tot het levenseinde en je wil dat vooraf vastleggen? Of je hebt voor jezelf een grens tot hoever behandelaars mogen gaan? Hoe geef je dat aan? Niets geregeld, toch vertegenwoordigd Als je niets hebt geregeld en je raakt wilsonbekwaam door een ongeval of ziekte, dan heeft de wetgever in de WGBO vastgelegd wie jou mag vertegenwoordigen en wie de hoogste in rang is. Achtereenvolgens in volgorde van de hoogste in rang: • De wettelijke vertegenwoordigers, door de rechter benoemd, de curator of de mentor (de curator mag naast de zorg ook de zakelijke belangen behartigen) • De persoonlijk schriftelijk gemachtigde (de door jou zelf aangewezen persoon die naar jouw oordeel jouw belangen het beste kan vertegenwoordigen) • De niet benoemde vertegenwoordiger volgens de WGBO – Echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel – Vader, moeder, broer of zus of kinderen Als er helemaal niemand is die in dit rijtje past, of diegene is niet bereikbaar, of in noodsituaties, mag de BIGgeregistreerde behandelaar handelen volgens de algemeen geldende standaard. Dat is doen wat iedere professional in die omstandigheden ook zou doen. Er zijn grenzen aan wat en waarover vertegenwoordigers mogen beslissen. Zeer persoonlijke zaken, zoals orgaandonatie en euthanasie, zijn uitgesloten. Andersom is, bij het maken van de nieuwe donorwet, wel bedongen dat nabestaanden bezwaar kunnen maken tegen orgaandonatie als de donor dit wel zo heeft aangegeven3. Vertegenwoordigers en behandelaars worden geacht in de geest van de wilsonbekwame te handelen. Omdat te kunnen, zijn wilsverklaringen een handige en nuttige aanvulling. Schriftelijke wilsverklaringen Uit een onderzoek in 20154 bleek dat 80 % van de inwoners van Utrecht geen testament heeft, landelijk lag dat gemiddelde op 60%, met levenstestamenten liggen deze percentages nog hoger. In 2018 bleek dat 75% er weleens van gehoord heeft, maar slechts 18% weet wat het inhoudt; 6% bleek een levenstestament te hebben en 15% was van plan dit te gaan regelen.5 1 Voor juristen Boek 7, bijzondere overeenkomsten, titel 7 opdracht, afdeling 5, de overeenkomst inzake geneeskundige behandeling. 2 Wilsonbekwaam is iemand die niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen die aan de orde zijn. Zie ook voor zeer uitgebreide informatie: Wilsonbekwaamheid in de medische praktijk, van Irma Heins en Adger Hondius (red.), De Tijdstroom, Utrecht, 2018, ISBN 9789058980649. 3 Mits er een zwaarwegend belang is, zie ook Op een Lijn nummer 60, april, 2018 4 Het is opvallend dat uitvaartorganisaties deze onderzoeken doen, dit was een onderzoek van Coöperatie DELA met Hoekstra en Partners notarissen in 2015 5 Yarden Afscheidsmonitor 29-01-2018 28 Vaak is onbekendheid een reden om niets te regelen. Een testament treedt in werking als men is overleden, een levenstestament treedt in werking als men nog leeft, maar niet meer zelf aan kan geven wat er moet gebeuren, als men dus wilsonbekwaam is. Het is voor iedereen verstandig om iets te regelen voor het geval je het zelf niet meer kan aangeven. Voor (kwetsbare) ouderen is het extra verstandig en voor BIGgeregistreerde hulpverleners extra verstandig als men weet hoe het verder moet bij wilsonbekwaamheid en met welke vertegenwoordiger men moet overleggen. Wat mij betreft behoort minimaal een schriftelijk persoonlijk gemachtigde bij advanced care planning, liefst nog een levenstestament met aanvullende aanwijzingen hoe de betrokkene behandeld wil worden. Voor handelingen en verrichtingen conform de WGBO is een simpele, handgeschreven verklaring voldoende, de zogenaamde machtiging6. Als daar een datum op staat, er in staat wie de vertegenwoordiger is, wat de vertegenwoordiger mag beslissen of waarvoor hij of zij gemachtigd is en deze is ondertekend, zo nodig door beiden, dan is dat voor zorg onder de WGBO voldoende. Wil je de gemachtigde ook rechtshandelingen laten verrichten dan is een notariële machtiging nodig (al dan niet gekoppeld aan een levenstestament). Verder kan iedereen een wilsverklaring opstellen met wensen en verboden, de zogenaamde negatieve of positieve wilsverklaringen die gebruikt kunnen worden in het geval men wilsonbekwaam wordt. Ook aan wilsverklaringen zitten inhoudelijke en procedurele eisen. Deze zijn te vinden op de websites van diverse organisaties. Wat betreft de inhoud: • Een titel die aangeeft waar de verklaring over gaat (euthanasieverklaring, behandelverbod) • Naam en geboortedatum van de opsteller • Ondertekening, plaats, datum en handtekening van de opsteller • Specificatie van de wilsverklaring (nadere uitwerking van omstandigheden waarop de wilsverklaring van toepassing is) • Persoonlijke aanvulling (bijvoorbeeld wat deze persoon verstaat onder ondraaglijk lijden) • Dat de opsteller bewust is van en de consequenties aanvaardt bij uitvoering van de wilsverklaring (uit vrije wil en weloverwogen) • Eventueel herroepen van eerdere verklaringen • Eventueel een volmacht, wie als gemachtigde is aangewezen • Zorgen dat belanghebbenden op de hoogte zijn, zoals de huisarts, andere zorgverleners en wie daarvoor zorgdraagt. Wat betreft de procedurele kant: • Bij voorkeur heeft de patiënt de verklaring vooraf besproken met de huisarts7 • De gemachtigde en de zorgverleners hebben een kopie van de wilsverklaring (verantwoordelijkheid van de patiënt) • Het document moet actueel zijn, dus zo nodig herbevestigen, als men jong en gezond is hoeft dat niet jaarlijks, maar bij kwetsbare ouderdom is dat wel verstandig. Bijstelling van het document mag ook. Ook hier ligt de verantwoordelijkheid bij de patiënt, maar een reminder mag altijd 6 Machtigingen kunnen ook verstrekt worden aan derden, bijvoorbeeld verzekeringsmaatschappijen, of ARBO- artsen, ten behoeve van inzage in het medisch dossier 7 KNMG, Handreiking Tijdig spreken over het levenseinde, ook als E-book 29 op één lijn 61
Page 30
op één lijn 61 2e uitgave 2018 Handreiking voor de huisartsenpraktijk: • Scan de wilsverklaring in, in het HIS, en koppel aan ICPC A20 • Maakt zo nodig een attentie- of memoregel aan • Bewaar de originele, getekende, wilsverklaring in het archief • Zorg dat het bekend wordt op de HAP • Bij verwijzing naar de tweede lijn, episode Wilsverklaring meesturen • Bericht aan HAP na overlijden van patiënt Negatieve wilsverklaring Een negatieve wilsverklaring houdt een weigering in van de patiënt om behandeld te worden. In beginsel dienen behandelaars deze verklaring8 te respecteren. Voorbeelden van negatieve wilsverklaring zijn een niet-reanimeren verklaring en een behandelverbod op bijvoorbeeld langdurige beademing of opname in een ziekenhuis. Positieve wilsverklaring Een positieve wilsverklaring of verzoek tot een bepaalde behandeling is het verzoek van een patiënt om bepaalde handelingen uit te voeren (bijvoorbeeld euthanasie), een behandeling te starten (bijvoorbeeld altijd te reanimeren) of voort te zetten (bijvoorbeeld door te gaan met beademing). De behandelaar is niet verplicht deze verzoeken te volgen en mag beoordelen of hij of zij aan deze verzoeken kan voldoen. Als er sprake is van medisch zinloos handelen, mag de behandelaar het verzoek negeren (wel onderbouwen). Voorbeelden van positieve wilsverklaringen zijn de euthanasieverklaring en de levenswensverklaring. Een donorverklaring kan zowel positief als negatief zijn, al naar gelang de keuze die gemaakt wordt om wel of geen donor te zijn. Advanced care planning Van de huisarts wordt een proactieve en anticiperende houding verwacht, zeker bij kwetsbare ouderen en bij palliatieve zorg. Een levenseindegesprek (zie noot 7) is dan een goed begin bij advanced care planning. Het voordeel voor de huisarts is dat een eventuele vertegenwoordiger vroegtijdig kan worden vast gelegd door de patiënt zelf. Dat voorkomt gedoe als er meerdere vertegenwoordigers binnen dezelfde rangorde zijn (meestal bij veel kinderen) en ze niet op één lijn zitten. Daarnaast is het prettiger werken als bekend is wat de patiënt wil, zodat er in de geest van die patiënt kan worden beslist in het geval van wilsonbekwaamheid. Leg dit dan ook zoveel mogelijk vast in het dossier na het (levenseinde)gesprek. Door het vast te leggen kan ook een eventuele vertegenwoordiger, die niet in de geest van de patiënt handelt, aangesproken worden en zo nodig worden genegeerd9. Heeft u al aan uw eigen advanced care planning gedacht? Wie van uw naasten is van uw wensen op de hoogte en wat is er vastgelegd? De brochure "Gezondheidsrechtelijke kwesties" met alle eerder verschenen artikelen is te vinden op de nieuwe website: www.huisartsgeneeskundemaastricht.nl/ over-ons/brochures/ 8 De behandelaar moet dan wel op de hoogte zijn. Daarnaast kan de behandelaar om gegronde redenen afwijken. Bijvoorbeeld als hij twijfelt aan de echtheid van de verklaring, of als het een ondeugdelijke verklaring is. 9 De WGBO stelt dat de vertegenwoordiger de zorg van een goed vertegenwoordiger moet betrachten. 30 2e uitgave 2018 Column Het dier in de mens DOOR K.O.E.K. WOUS Gisteren was ik met mijn gezin en schoonmoeder in Amsterdam. Naar de musical ‘The Bridges of Madison County’. Eén van de acteurs is bevriend met onze dochter, vandaar. Wellicht hebt u jaren geleden de gelijknamige film met Meryl Streep en Clint Eastwood in de hoofdrol gezien? Of zelfs het boek gelezen? Beide heb ik destijds aan me voorbij laten gaan, dus liep ik, nietsvermoedend, het DeLaMar Theater in om van de voorstelling te genieten. En genoten heb ik! Met een kleine cast werd heel ingetogen, met prachtig acteerwerk en goede muziek, het verhaal verteld. Een vrouw blijft achter op de boerderij, omdat haar echtgenoot met de kinderen op reis gaat. In die periode komt er toevallig een vreemde aan haar deur om de weg te vragen. Ze raken in gesprek en in de ban van elkaar. De vonk slaat over en totdat haar man en kinderen terugkomen, brengen ze enkele dagen met elkaar door. Ze zijn erg verliefd op elkaar, maar de vrouw kan haar gezin niet in de steek laten. Ze houdt te veel van hen. Haar man komt de affaire nooit te weten. Zo kan liefde de liefde in de weg staan. Dit verhaal bracht mijn gedachten terug naar een moeder van niet één, maar twee tweelingen, die ze in nog geen anderhalf jaar tijd had gekregen. Jaren geleden zat ze tegenover me in de spreekkamer. Dankzij de hulp van alle beschikbare grootouders en haar partner, redde ze het de drukke eerste jaren. De kinderen gaan intussen naar school en ze heeft haar werk weer parttime opgepakt. Na wat omzwervingen kwam de ware aard van haar consult naar voren. Ze wilde een SOA-test. Mevrouw was na (of tijdens?) een met alcohol doordrenkt personeelsfeestje vreemdgegaan met een collega. Ik zag oprecht berouw tegenover me. Schaamte, maar ook de angst haar gezin te verliezen, om haar man een ziekte te bezorgen, maar meer nog de pijn die het hem en hun kinderen zou doen, als ze er weet van zouden krijgen. Pas geleden sprak ik een vrouw, die haar anticonceptie wilde bespreken. Ze had klachten door de pil. Alle opties passeerden de revue, inclusief een sterilisatie van haar partner. Ik moet bekennen dat ik dat wel een faire deal vind. De vrouw krijgt de kinderen en zorgt in de gezinsplanning jarenlang voor de gewenste anticonceptie. Dan is het, in mijn ogen, niet meer dan billijk, dat wanneer het gezin compleet is, de partner de technisch veel eenvoudigere definitieve anticonceptie regelt door zich te laten steriliseren. Dit was dan wellicht wel zo, was het antwoord, maar ze kon het onmogelijk ook van haar minnaar vragen. Een sterk argument, vond ik… Als pas getrouwde AGNIOS werkzaam in een klein perifeer ziekenhuis, hoorde ik van een kinderarts, dat voor het voortbestaan van de mensheid, het divers houden van onze genenpool cruciaal is. Dus ook het wisselen van partner en vreemdgaan. Echter, een stabiele relatie maakt de kans dat de moeder haar kroost in veiligheid groot kan brengen het grootst. Dat maakt dat er altijd een spanningsveld tussen beide gegevens blijft. Een conflict tussen het dier in de mens en de mens in het dier, zogezegd. Ik vond dat toen een schokkende mededeling, maar hoe ouder ik word, des te duidelijker ik zijn gelijk zie. Dat hij me dit destijds vertelde, zorgt er nog steeds voor dat ik zonder te oordelen dit soort gesprekken kan aangaan met vrouwen. Zij hebben geluisterd naar het dier in de mens. Het dier, dat het voortbestaan van de soort waarborgt. Terwijl we na de musical naar buiten liepen, spraken mijn kinderen, adolescenten, en schoonmoeder hun waardering uit over het verhaal. Dat zoiets in werkelijkheid kan gebeuren. En dat het conflict tussen onverenigbare liefdes zo goed uitgewerkt was. U begrijpt, de ruim twee uur durende terugreis, inclusief de onvermijdelijke file, vloog om. Het was de laatste voorstelling van de musical ‘The Bridges of Madison County’ in Amsterdam. In het najaar gaat hij toeren door heel Nederland. Een aanrader! 31 op één lijn 61

Op één lijn 60


Page 2
Colofon Inhoudsopgave Oplage 2280 Hoofd/eindredactie Babette Doorn Redactieleden Hendrik Jan Vunderink, Stephan van den Brand, Eefje de Bont en Babette Doorn Doelgroep Huisartsen Limburg en Brabant, aios en alumni, afdelingen MUMC+ & overige relaties E-mail op1lijn@maastrichtuniversity.nl Postadres Vakgroep HAG Universiteit Maastricht Postbus 616 6200 MD Maastricht Bezoekadres P. Debyeplein 1 6229 HA Maastricht Ontwerp/druk Canon Design Studio, CBS 12809 Fotografie Pag 3: Loraine Bodewes Pag 4 + 18: Johannes Timmermans Pag 5: Alf Mertens Foto pag 6 onderaan: Joey Roberts Pag 15: Appie Derks Pag 25: Picture People Alle afstudeerfoto’s Made in Maastricht: Joey Roberts Deadline volgend nummer 22 juni 2018 © Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Algemeen Van de redactie – Babette Doorn Van de voorzitter: Effectiever stoppen met roken – Jean Muris Clinicus van het jaar – Babette Doorn Huisarts & huisdier – Sandrien Wansink Loes van Bokhoven benoemd tot UHD – redactie In Memoriam: Jo Baggen – Hendrik Jan Vunderink Stellen zich voor: Annemieke Fastenau, docent huisartsopleiding Nicole Schuttelaar, gedragswetenschapper huisartsopleiding Dennis Muris, projectmanager Omnes Elsje Kuijper, docent huisartsopleiding Onderzoek Bruikbare wetenschap – Jochen Cals WESP-en: Merel Keulen: Gezonde basisschool ook op andere scholen? Hicham Greven: Concentreren gaat het beste in de ochtend OOK en de Witte Raven – Simon Kleijkers Promotie Pijn op de borst – Robert Willemsen Een vroege diagnose bij dementie – Julia Frijling et al MijnBreincoach project – Irene Heger Huisartsopleiding Hoofdzaken – Bas Maiburg LOVAH-congres: ‘wij zijn de basis’ – Marloes Engelhard Oud-aios: Dokter aan zee – Raymond Mookhram Staf tweedaagse – Hendrik Jan Vunderink Equilibre: rubriek voor huisartsopleiders – Arie de Jong Weten is eten – Hendrik Jan Vunderink In de leer: Tranen van betrokkenheid – Eleana Zhang Afgestudeerd maar niet uitgeleerd – Koen van Helmond Made in Maastricht 6 maart 2018 Beeldig stageverslag – Kimberly Cox-Limpens Gezondheidsrechtelijke kwesties: de nieuwe donorwet – Arie de Jong Made in Maastricht 12 december 2017 Made in Maastricht 19 december 2017 + 13 maart 2018 3 4 5 6 6 7 8 8 9 9 10 12 12 13 14 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 30 31 2 Van de redactie Driedubbele woordwaarde In de titel had ook ‘antibioticaresistentie’ kunnen staan. Scrabblefans, van het kartonnen bordspel, associëren zo’n woord al gauw met mijn titel. Redactielid Eefje de Bont, recent afgestudeerd als huisarts, vroeg me hoe we een bijdrage kunnen leveren om ‘ABR’ tegen te gaan. Het eerste vakjargon waarmee ik ABR associeer, is de Algemene Bedrijfs-Reserve; niet iets om per definitie te bestrijden. Antibiotica ging het dus om, en het voorkomen van resistentie. Wij vinden het meer dan zinnig. Eefje is coördinator van het ‘Limburgs Infectiepreventie en antibioticaresistentie NetwerK (LINK)’. Vandaar dat hun nieuwsbrief als losse bijsluiter in de omslag zit. En u weet, waarom het lezen van de bijsluiter… Enfin: ‘daar wordt iedereen beter van’. Een ander ‘weetje’ is de nieuwe Donorwet. We krijgen er allemaal mee te maken, de huisarts al helemaal. Arie de Jong, tegenwoordig ook lid van het huisartsopleidersteam, praat u bij. Ook volop in de media: roken. Het ging als een lopend vuurtje door het land. En waar rook is, zijn onze onderzoekers, onze voorzitter, huisarts en bijzonder hoogleraar astma/COPD, incluis. Vroegsignalering Alzheimer is het derde weetje, wat we u niet willen onthouden. Blije huisartsen bij het coschap: wat zijn ze trots dat ze door studenten zo hoog gewaardeerd worden! Degene die het beste het huisartsenvak kan promoten, dat bent u zelf. Wij doen er als afdeling alles aan, maar samen doen we het nog veel beter. Hulde aan alle genomineerden en de winnaars Floor Seveke en Gaspard Knops! We feliciteren ook huisarts Loes van Bokhoven met haar benoeming tot UHD. Dat zal hond Ruby trouwens worst zijn, hij is zorgeloos van nature. Heeft u ook een bijzonder huisdier? Laat het ons weten, dan zetten we uw beest in de schijnwerpers. Het is een komen en gaan. Nieuwe medewerkers ziet u op pagina 8 en 9. Wie niet meer onder ons is, is voormalig huisarts te Brunssum Jo Baggen (1929-2018). Een zeer bijzonder mens, berucht en beroemd. De meesten zullen hem kennen van de oogheelkundige diagnostiek, de Baggen-cursus. De cursus is ondergebracht bij de Stichting STOOHN. Jo leerde artsen zien èn kijken. Jo was 38 jaar de levenspartner van voormalig docent en hoofd huisartsopleiding dr. Yvonne van Leeuwen. In het vorige nummer (59) besteedden we aandacht aan haar pensioen in ‘Bijna 40 jaar onderwijs’. Robert Willemsen, volgde Yvonne op als coördinator van de tweejarige Kaderopleiding Hart- en Vaatziekten. Op 7 maart 2018 ging een nieuwe groep van start in Roermond. Robert promoveerde daarna op 23 maart in Maastricht op een onderzoek naar Pijn op de Borst in de eerstelijn. Huisartsonderzoeker Jochen Cals is weer van de partij met zijn rubriek ‘Bruikbare Wetenschap’: wat kunt u meenemen in de dagelijkse praktijkvoering? Onze andere huisartscolumnist, T.E. Grijs, was de laatste keer afwezig door ziekte. Hij zou weer gaan schrijven, maar hij heeft dapper besloten om zijn pen in de geraniums te hangen om van zijn pensioen te genieten. OOK gezond, vinden we. OOK: kent u die onuitstaanbare afkorting nog? Er is weer een nieuwe casus en prijsvraag. Stuur Simon Kleijkers uit Hoensbroek tijdig uw goede antwoord. Het bruist weer volop in de Maastrichtse huisartsopleiding! ‘De teerling is geworpen’, aldus het hoofd, nieuwe aios weten Maastricht te vinden. Aios studeren volop af: vier groepen ‘Made in Maastricht’! Oud-aios Raymond Mookhram laat van zich horen vanuit Vlissingen. Koen van Helmond is net klaar met zijn ‘leertijd’ als aios. Hij zwaait af als columnist, de tijd is omgevlogen zo lijkt het! De andere aios in de leer, Eleana Zhang, ging op vakantie naar de andere kant van de wereld. Een ander continent dan ze had gepland, maar gelukkig kwam op de valreep alsnog een prachtige column die ze op haar smartphone schreef. De landelijk bekende coassistent en nu bijna afgestudeerd huisarts Ernst van der Pasch, zong de aios toe op het LOVAH-congres. It’s all in the Family! De Maastrichtse family heeft pas weer een meerdaags stafuitje achter de kiezen, met gezond eten en bewegen. Hendrik Jan Vunderink verdiept zich nog wat verder in het voedsel van een bekende ‘blue zone’ op aarde: Sardinië. Man Bijt Hond zou vragen: wanneer at u voor het laatst octopus? Geen garantie dat u 90 of zelfs 100 jaar wordt, maar het is het proberen waard lijkt mij! Babette Doorn 3 op één lijn 60
Page 4
op één lijn 60 1 e uitgave 2018 Van de voorzitter Effectiever stoppen met roken: huisarts en overheid DOOR JEAN MURIS, VOORZITTER VAKGROEP HUISARTSGENEESKUNDE UM Het Kabinet-Rutte III heeft in haar regeerakkoord de ambitie voor een ‘Rookvrije Generatie’ omarmd door de aanpak van roken tot focus van het Preventieakkoord te maken. Er is brede steun voor het streven om kinderen te laten opgroeien zonder blootstelling aan tabaksrook en verleiding om te roken. Met ruim 20.000 tabaksdoden per jaar is de urgentie onverminderd hoog. Nog steeds raken iedere week honderden kinderen verslaafd aan roken. Een Rookvrije Generatie kan worden gerealiseerd als iedereen zijn aandeel levert. Er is een belangrijke rol weggelegd voor de eerstelijn, maar ook voor de overheid. De keuze voor de instrumenten moet niet moeilijk zijn. Effectiviteit is aangetoond voor: rookverboden, verkoopbeperkingen en substantiële verhoging van accijnzen op tabaksproducten. Campagnes zijn van groot belang om het beleid te ondersteunen, want dit zorgt voor draagvlak onder de bevolking. En als er draagvlak is, hebben beperkingen meer effect. Intensieve persoonlijke begeleiding in de eerstelijn bij stoppen met roken maakt het effect optimaal. In Nederland roken 3,2 miljoen mensen. Op jaarbasis zien we relatief weinig stoppogingen onder Nederlandse rokers: 80% van de rokers wil stoppen, maar elk jaar doet minder dan een kwart een stoppoging. Dit is relatief weinig vergeleken met het buitenland. Er zijn in Nederland onvoldoende stoppen-met-roken campagnes die gericht zijn op het stimuleren van stoppogingen. De huisarts vervult door het veelvuldige contact met rokers en het feit dat sommige farmacotherapie, mijns inziens terecht, alleen op recept te krijgen is, een centrale rol. Er bestaat bij artsen echter nog te veel terughoudendheid om het onderwerp stoppen met roken te bespreken, hoewel dit langzaam wel lijkt te verbeteren. Rokers uit sociaaleconomisch zwakke bevolkingsgroepen hebben meer moeite om te stoppen met roken. De huisarts is bij uitstek in staat om laagopgeleide rokers te bereiken. Tabaksverslaving is een chronische ziekte, stoppen met roken is een langdurig en doorlopend proces. Uit internationaal onderzoek is bekend dat ex-rokers meerdere, en soms veel stoppogingen nodig hadden, voordat ze uiteindelijk van hun tabaksverslaving af kwamen. Langdurende ondersteuning en behandeling wordt in het Nederlandse systeem onvoldoende gefaciliteerd: slechts één stoppoging per jaar wordt vergoed. Stoppen met roken programma’s zijn niet vrijgesteld van eigen 4 risico. Zorgverzekeraars hebben wel de mogelijkheid om dit te doen, maar slechts een handvol doet dit ook. Veel rokers stellen hun stoppoging uit tot het einde van het jaar als het eigen risico betaald is. Dit is niet het meest kansrijke moment om een stoppoging te ondernemen. Het sluit ook niet aan bij het doorlopende proces waar een roker die van z’n verslaving af wil, zich in bevindt. De farmacotherapie voor stoppen met roken wordt in de meeste gevallen niet verstrekt via de eigen apotheek, maar via een internetapotheek. Mensen die onder begeleiding van een zorgverlener al met een stopproces zijn gestart, moeten vaak te lang wachten op hun medicatie, soms wel weken. Elk jaar veranderen zorgverzekeraars hun beleid ten aanzien van het stoprokenpakket en het al dan niet ten laste komen van het eigen risico. Dit schept onnodige verwarring bij iedereen. Wat moet er gebeuren? Vanuit verschillende organisaties moeten we een pakket maatregelen doorvoeren. Niet alleen gericht op stoppenmet-roken, maar ook op verandering van de normen ten aanzien van roken en stoppen-met-roken. We zien steeds meer maatschappelijke initiatieven die ertoe bijdragen dat rookvrij de norm wordt. Denk daarbij aan sport- en speelomgevingen, zorginstellingen en gemeenten die concrete stappen zetten. Stoppen met roken wordt gepromoot zoals via ‘Stoptober’. Zorgverleners gaan een actievere rol spelen bij het realiseren van een rookvrije samenleving. De overheid kan deze initiatieven versnellen en verbeteren door ze te ondersteunen. De overheid zou met de huisartsen in moeten zetten op: • meer campagnes om rokers te ondersteunen bij het stoppen faciliteren van gemeentes om maatschappelijke initiatieven door te zetten • vergoeding stoppen-met-roken betere afstemmen op het stopproces • zorgverleners activeren om structureel stopadviezen en begeleiding te geven Door verschillende maatregelen tegelijk uit te voeren, ontstaat synergie. Er is nu volop gelegenheid en toenemend draagvlak voor een samenleving die steeds meer rookvrij wordt en waar kinderen rookvrij kunnen opgroeien. 1 e uitgave 2018 Clinicus van het jaar 2016 – 2017 ‘Go-co’ DOOR BABETTE DOORN, PROJECTMANAGER HUISARTSGENEESKUNDE Uitreiking Maandag 29 januari 2018 werden de jaarlijkse onderwijsprijzen uitgereikt door de MSV Pulse, de vereniging van de Maastrichtse geneeskundestudenten. Deze Clinicus van het Jaar verkiezing wordt gehouden om specialisten en arts-assistenten die zich bovengemiddeld inzetten voor coassistenten, in het zonnetje te zetten. Het gaat om waardering. De beste werkplekbegeleider van Huisartsgeneeskunde ontbrak uiteraard niet in dit geheel. Werkwijze Studenten lopen hun verplichte coschap Huisartsgeneeskunde/Sociale Geneeskunde op het eind van alle coschappen. We hebben gebruik gemaakt van de studentevaluaties in EPASS, het digitale portfolio dat studenten zelf bijhouden. Coassistenten vullen in EPASS een aparte evaluatie in over werkplek(begeleider) Huisartsgeneeskunde. Helaas is het invullen van die evaluatie niet verplicht, maar gelukkig konden we beschikken over voldoende evaluaties van een groot aantal werkplekken. Hoe vonden we onze genomineerden? We keken over de periode 1-9-2016 tot 1-9-2017. Studenten scoren op 4 onderdelen: organisatie, leerzaamheid, begeleiding en leerklimaat. Het gemiddelde van alle huisartsgeneeskundige plekken op alle onderdelen, was een 8,2. Met dat cijfer zijn wij zeer tevreden, maar goed is om te vermelden, dat de top 3 van alle stageplekken, onze genomineerden, tussen het rapportcijfer 9.4 en een 9.8 zat! Daarnaast geven studenten ook veel narratieve feedback (tops & tips). Dit is vaak nog leuker dan de rapportcijfers. Onze toppers 1. Floor Seveke en Gaspard Knops, Valkenburg 2. Jeroen Kuijpers, HOED-praktijk Berlicum 3. Sander Veeger, groepspraktijk Stramproy/Ell Valkenburg won dit jaar nipt de verkiezing van Berlicum. Het duo ging er met de zilveren stethoscoop vandoor, en een geldprijs van €500,- geschonken door het Annadalfonds. Dit bedrag dient aan onderwijsdoelen besteed te worden. Sander Veeger scoorde zelfs een 10 gemiddeld op het onderdeel ‘leerklimaat’, dus dat is een meteen opsteker 5 voor de hele praktijk. Ondanks de reisafstand voor sommige huisartsen, waren alle genomineerden aanwezig bij de uitreiking. Chapeau! Leukste TOP van een student over de winnaars “Ontzettend lieve mensen, ze gaven me veel vrijheid om zelfstandig dingen te doen. Voelde me erg welkom en lid van het team. Briljant dat ze patiëntcontacten met een Go-Pro opnemen, zodat je op je echte consult beoordeeld wordt.” Het verbaasde ons niet dat de geldprijs van de winnaars meteen werd verzilverd in een nieuwe educatieve gadget: een video otoscoop waardoor er meteen op een beeldscherm meegekeken kan worden met de student. op één lijn 60
Page 6
op één lijn 60 1 e uitgave 2018 Huisarts(geneeskunde) & huisdier Zorge(n)loze Ruby DOOR SANDRIEN WANSINK, MEDEWERKER VAKGROEP HUISARTSGENEESKUNDE UM Dit is Ruby. Is ze een hond? Ze lijkt er wel op, maar voor mij is ze meer. Ik praat tegen haar, we hebben het samen gezellig, ik moet om haar lachen en ze vindt mij leuk. Opgegroeid met honden, katten, kippen, konijnen, een volière vol dieren, is dierenliefde me met de paplepel in gegoten. Als kind ging ik al met mijn moeder mee de dierenhokken schoonmaken in Kasteelpark Born. Ik wilde graag een hond, maar hoe kon ik dat combineren met werk en veel afspraken buitenshuis. Tot je ineens een hond(je) krijgt. Door omstandigheden kon mijn moeder zelf niet meer voor haar hond zorgen. Zo kwam Ruby bij mij terecht. Het is een gouden greep geweest. Uiteindelijk heeft de zorg voor haar zichzelf opgelost. Een vriendin die veel thuiswerkt, is blij met een beestje in huis. Nu gaat Ruby drie dagen in de week in een mandje achterop mijn fiets naar Gertha. Daar lever ik haar ’s morgens af en eind van de werkdag haal ik haar weer op. De vergelijking met een kind zal ik hier maar niet maken. Dat ligt gevoelig voor ouders. Maar voor mij is Ruby toch een soort kind. Ik heb ontzettend veel lol met en om haar. Ze heeft iets waardoor zelfs mensen die bang zijn voor honden, voor haar zwichten. Dit alles ondanks haar forse onderbeet, het Rob de Nijs spleetje in haar ondergebit en baardhaar. Ruby houdt van gezelligheid en van mensen. Zodra het kan ga ik even het heuvelland in of maak een wandeling rondom Kanne en de Cannerberg. Daardoor heb ik allerlei buurtbewoners leren kennen. Het meest moet ik om haar lachen als ik ’s avonds naar bed ga. Ja, ze ligt op bed. Maar daar kan ze niet zelf opspringen. Het is te hoog voor haar. Dus til ik haar op het bed. Iedere avond weer gaat zij precies op mijn helft liggen. Dan hoef ik alleen maar te wijzen naar de andere helft en dan gaat ze met veel tegenzin, zich zwaar uitrekkend een centimeter verderop liggen. Dan pak ik haar op en leg haar een halve meter verder. Onder veel gekreun gaat ze met haar rug naar me toe liggen. Zo val ik elke avond met een glimlach in slaap. Wat zou er toch in dat hondenbrein omgaan? Benoeming Huisarts Loes van Bokhoven is per 1 februari 2018 benoemd tot Universitair Hoofd Docent (UHD) bij de vakgroep Huisartsgeneeskunde Maastricht. Zij studeerde cum laude af in Maastricht in 1998. Daarna begon ze als docent bij het Skillslab, in combinatie met met een baan als arts bij het revalidatiecentrum Hoensbroek. Later dat jaar begon zij als AIOTHO aan haar huisartsopleiding (afgerond in 2004) in combinatie met het VAMPIRE onderzoek. Dat onderzoek ging over diagnostiek van onbegrepen (vage) klachten in de eerste lijn, tegenwoordig SOLK geheten. In 2008 promoveerde ze. Ze kreeg voor het proefschrift verschillende prijzen, waaronder die van het NHG en de landelijke onderzoeksschool CARE. De NHG prijs wordt eens per twee jaar uitgereikt aan een huisartsonderzoeker. De eerste prijs van CaRe is extra bijzonder, want er waren 100 proefschriften waaruit gekozen kon worden. Vanaf 2006 werkt Loes van Bokhoven als academisch huisarts in huisartsenpraktijk Dorine Verschure in Elsloo. Daarnaast heeft ze tot op heden altijd diverse rollen en functies in het onderwijs gehad en onderzoek gedaan. Haar werk concentreert zich tegenwoordig op interprofessioneel samenwerken. Loes is getrouwd en moeder van twee kinderen. 6 1 e uitgave 2018 In Memoriam Flying Doctor in Limburg DOOR HENDRIK JAN VUNDERINK, REDACTIELID In de tuin van het mooie vakwerkhuis in Ransdaal, waar oud-huisarts Jo Baggen woonde, ligt als ornament een wat verbogen vliegtuigpropeller. Getuige van één van de vele, vele zaken waar Jo zich tijdens zijn mooie en inspirerende leven mee bezighield: dwars door Europa aan de stuurknuppel. Op 23 februari is er na 88 jaar een einde gekomen aan dat mooie leven, en we willen daar nu even bij stilstaan, niet in het minst vanwege zijn verdiensten voor de huisartsgeneeskunde in het algemeen en voor de Maastrichtse huisartsopleiding in het bijzonder. Jo is in 1929 in Schinveld geboren, als vijfde kind in het gezin van de schoolmeester. Hij studeerde in Nijmegen en vestigde zich vanaf 1963 als huisarts in Brunssum. Daar heeft Jo een eigen visie op het vak ontwikkeld, die pas jaren later breed werd gedeeld. Op basis van die visie werd hij berucht en beroemd om zijn strijd voor meer diagnostiek in eigen beheer. De deelgebieden waarin hij zich samen met zijn associé Thijs Vaessen heeft bekwaamd: hart- en vaatziekten, ziekten van de luchtwegen, oogziekten, ziekten van keel, neus en oor en diabetes mellitus. Voor al deze gebieden werd instrumentarium aangeschaft en zo nodig aangepast en er werden protocollen geformuleerd. De huisartsgeneeskunde van nu is deels aan zijn denken ontsproten. Hij schreef, preekte en gaf les, ook aan de vele aios die hij in zijn praktijk opleidde. Eén daarvan was Yvonne van Leeuwen, voormalig hoofd van de Huisartsopleiding, met wie hij 38 jaar lief en leed deelde. Op het gebied van de oogheelkunde ontwikkelde Jo speciale expertise en in 1990 promoveerde hij, een jaar voor zijn afscheid van de praktijk, op het proefschrift Oogheelkunde in de Huisartspraktijk, bij de oogarts prof. Wiel Lamers en de welbekende prof. Frans Huygen, hoogleraar huisartsgeneeskunde in Nijmegen. Natuurlijk implementeerde Jo één en ander in de praktijk: hij ontwikkelde een oogheelkundecursus voor de eerstelijn en trok met de “optomobiel” door het land. Ook vele generaties Maastrichtse aios stonden in de rij voor de Baggencursus in jaar 3! In 1999 heeft de vakgroep Huisartsgeneeskunde in Maastricht Jo een symposium aangeboden met de titel: Met het oog op de meester. In het naderhand uitgegeven boekje beschrijft hij de inzichten door hem opgedaan in de voorbije veertig, vijftig jaar. Die gaan over wijsbegeerte, neurowetenschappen, natuurwetenschappen, besliskunde en het theorema van Bayes. Steeds weer getoetst aan de functie van de huisarts en zijn interactie met de patiënt. De strenge leermeester had ook een andere kant: uiterst gastvrij onthaalde hij velen op heerlijke maaltijden, prachtige wijnen en een scala aan fantastische verhalen. Verhalen die hij eerst aan zijn kippen voorlegde om te zien, of zij ze wel goedkeurden. Helaas liet zijn geest het geleidelijk afweten, en uiteindelijk is hij overleden in het verzorgingshuis in Valkenburg waar hij zijn laatste jaar doorbracht. Zijn kennis vervloog, zijn humor en blijheid bleven. En alles wat hij ons meegaf om te gebruiken en weer door te geven. 7 op één lijn 60
Page 8
op één lijn 60 1 e uitgave 2018 Welkom! Nieuwe collega's stellen zich voor Annemieke Fastenau Docent Huisartsopleiding Eigenlijk ben ik geen nieuwe medewerker, maar een ‘opnieuwe’ medewerker. Ik heb van 2006 tot en met 2014 bij de vakgroep Huisartsgeneeskunde gewerkt als onderzoeker. In 2015 ben ik gepromoveerd op het onderwerp ‘Exercise training and physical activity in patients with mild to moderate COPD in primary care’. Daarna heb ik even genoten van een iets rustiger leven na mijn promotietraject, om me vervolgens in het onderwijs te storten. Eerst heb ik als docent bij de vakgroep Bewegingswetenschappen gewerkt en in juli 2017 ben ik overgestapt naar de Huisartsopleiding waar ik nu docent ‘Preventie, bewegen en bewegingsapparaat’ ben. Op wetenschappelijk gebied is inmiddels veel bekend over het effect van bewegen bij veel (chronische) aandoeningen, maar in het onderwijs en in de praktijk wordt deze kennis nog nauwelijks geïmplementeerd. Daarom ben ik zeer verheugd dat ik nu de kennis over bewegen mag inzetten om het onderwerp meer op de kaart te zetten, o.a. in de themagroep Preventie. Bovendien mag ik me ook bezig houden met ‘bewegen in brede zin’, zowel voor AIOS als stafleden voor het bevorderen van een gezonde organisatie. Naast deze werkzaamheden voor de vakgroep Huisartsgeneeskunde ben ik ook werkzaam als fysiotherapeut in Fysiotherapiepraktijk ‘de Heerderrein’ in de wijk de Heeg en ben ik betrokken bij landelijke en regionale werkgroepen en nascholingen COPD. Samen met Yves en mijn 8-jarige dochter Yfke woon ik in Maastricht. Naast mijn beroepsmatige interesse voor bewegen, ben ik uiteraard in mijn vrije tijd ook graag met sporten en bewegen bezig. Nicole Schuttelaar Gedragswetenschapper Huisartsopleiding sinds 1 november 2017 ben ik in Eindhoven actief in het mooie Strijp-Z gebouw om het psychisch blok te verzorgen voor de tweedejaars aios. Ik volg hiermee Ria Huygen-Koolen op en heb inmiddels samen met Suzanne Teunisse onze eerste groep afgesloten. Ik kijk er met veel voldoening op terug en heb alweer zin in de nieuwe onderwijsgroep die op 7 maart gaat starten! Ik heb klinische psychologie en persoonlijkheidsleer gestudeerd in Nijmegen (afgestudeerd 1994) en ben daarna achtereenvolgens Eerstelijns psycholoog en GZ-psycholoog geworden. Sinds 20 jaar heb ik mijn eigen praktijk in de generalistische basis GGZ waarvan de laatste tien jaar in Boxtel samen met een collega. Daarnaast heb ik op de PAAZ, bij SGGZ instellingen, bij een obesitascentrum en nog diverse andere werksettingen ervaring opgedaan. Ik ben verder actief als visiteur voor het NIP en ben betrokken bij de NZA-pilot over de nieuwe vergoedingenstructuur in de GGZ die in 2020 geïmplementeerd wordt. Onderwijs geven is voor mij redelijk nieuw hoewel ik wel regelmatig trainingen binnen mijn vakgebied heb verzorgd. Ik woon samen met mijn vriend en twee katten in het mooie dorpje Liempde. In mijn vrije tijd tennis ik en doe ik graag dance-workouts zoals Zumba. Verder ben ik (stief) moeder van een zoon van 21 jaar en een dochter van 19 jaar en een groot dierenliefhebber. Tijdens de gezellige staf tweedaagse in Wittem heb ik al een heel aantal nieuwe collega’s (beter) leren kennen. Al met al een leuke en gevarieerde club mensen die een warm soort familiegevoel uitstralen. Ik kijk er dan ook naar uit jullie weer te ontmoeten in Eindhoven, Maastricht of elders! 8 1 e uitgave 2018 Dennis Muris Projectmanager Elsje Kuijper Docent huisartsopleiding En zo zit ik na ruim vier jaar weer op de oude vertrouwde universiteit van Maastricht. Sinds november 2017 werk ik namelijk iedere dinsdag bij de vakgroep huisartsgeneeskunde. De andere dagen ben ik werkzaam als projectmanager bij MCC Omnes. MCC Omnes is een regionale organisatie voor samenwerking tussen huisartsen en specialisten in de Westelijke Mijnstreek. Het doel van deze intensieve samenwerking is om zinnige en zuinige samenwerking te stimuleren. In 2014 verliet ik de universiteit van Maastricht na een periode van bijna 10 jaar. Tijdens de opleiding Gezondheidswetenschappen, raakte ik erg geïnteresseerd in wetenschappelijk onderzoek, waardoor de keuze voor een promotieonderzoek snel was gemaakt. Van 2010 tot en met 2014 heb ik een promotieonderzoek uitgevoerd op de afdeling Interne Geneeskunde in samenwerking met de Maastricht Studie (afgerond in 2015). Tijdens het promotieonderzoek merkte ik echter dat ik een ‘expert’ werd op een klein gebied. Hierdoor begon ik me af te vragen hoe het zou zijn om een ‘generalist’ te worden, waarbij ik met veel verschillende onderwerpen en mensen te maken zou hebben. Om die reden heb ik de overstap gemaakt naar beleidsmatige functies, waarbij heb ik gewerkt als beleidsadviseur in het Catharina Ziekenhuis Eindhoven en in Zuyderland Medisch Centrum en nu dus als projectmanager bij MCC Omnes. Nu heb ik dus de mogelijkheid, als projectmanager bij MCC Omnes die voor één dag in de week gedetacheerd wordt aan huisartsgeneeskunde, om beide werelden bij elkaar te voegen. Een hele uitdaging! Het doel van de samenwerking met de vakgroep huisartsgeneeskunde is enerzijds het uitvoeren van praktijk onderzoek, op vragen ontstaan in de eigen beroepspraktijk, om zo zinnige en zuinige samenwerking te stimuleren bij huisartsen en specialisten. Anderzijds is het doel van de samenwerking met de vakgroep huisartsgeneeskunde om de monitoring van de anderhalvelijnszorg in de Westelijke Mijnstreek uit te voeren. Hierbij zal de anderhalvelijnszorg vergeleken worden met de reguliere tweedelijnszorg op de ‘triple aim’ doelstellingen (minder kosten, betere (ervaren) kwaliteit van de zorg en toegenomen gezondheidsniveau van de populatie). Het komende jaar zal ik met vele van jullie spreken waardoor we samen hopelijk een mooie invulling kunnen geven aan deze functie. Ik ben Elsje Kuijper en per 1 november werkzaam als docent aan de huisartsopleiding van Maastricht op de locatie Eindhoven. Ik begeleid nu nog eerstejaars huisartsen in opleiding, vanaf maart ga ik de derdejaars huisartsen in opleiding begeleiden en onderwijs geven. Ik heb er erg veel zin in om mijn enthousiasme voor het huisartsen vak over te kunnen brengen aan de toekomstige huisartsen. Ik ben anderhalf jaar geleden naar Eindhoven verhuisd in verband met het werk van mijn man. Hij is internist in het Maxima Medisch Centrum in Eindhoven. Ik heb 8 jaar als huisarts gewerkt in een stadspraktijk in het centrum van Utrecht. Dit combineerde ik met onderwijs geven aan het basiscurriculum geneeskunde van de Universiteit Utrecht en ik gaf ook onderwijs aan verpleegkundigen aan de hogeschool van Utrecht. Dit heb ik een aantal jaren met veel plezier gedaan. Momenteel ben ik werkzaam als waarnemend huisarts in verschillende praktijken rondom Eindhoven. Ik hoop uiteindelijk een vaste plek te vinden als huisarts hier in de regio. Ik ben getrouwd, we hebben 2 dochters, de oudste is zes en de jongste is vier jaar oud. Ik ben graag creatief bezig samen met de kinderen en in de avonduren spring ik graag op mijn racefiets of ga ik hardlopen. Dennis hield een voordracht tijdens een lunchreferaat van Huisartsgeneeskunde. Deze is terug te kijken op: https://youtu.be/BWNRJdTszIM 9 op één lijn 60
Page 10
op één lijn 60 1 e uitgave 2018 Bruikbare wetenschap Vertrouw op uw stethoscoop DOOR JOCHEN CALS, HUISARTS IN SITTARD EN UNIVERSITAIR DOCENT VAKGROEP HUISARTSGENEESKUNDE In deze bijdrage vindt u een selectie wetenschappelijke artikelen van Maastrichtse makelij. Hiervoor selecteren wij artikelen die direct bruikbaar kunnen zijn voor de dagelijkse praktijkvoering. Zeg nee tegen CRP (bij kinderen) De CRP sneltest heeft een snelle opmars gemaakt in vrijwel elke praktijk en huisartsenpost. De keerzijde van toegang tot diagnostiek is echter dat een diagnostische test dan ook wel eens wordt ingezet terwijl daar (nog) geen bewijs voor is. Vooralsnog is er geen wetenschappelijk bewijs dat het inzetten van de CRP sneltest bij kinderen enig effect heeft op antibioticavoorschriften. En zeg eens eerlijk, prikt u niet stiekem af en toe ook bij kinderen? Na de studie van Marieke Lemiengre en Maastrichts voormalig hoogleraar Frank Buntinx mag u dat definitief gaan laten. Want zij evalueerden in een fraaie trial met vier groepen zowel het effect van het inzetten van de CRP sneltest bij kinderen met niet-ernstige infecties, alsook het effect van een korte communicatieve interventie met 3 vragen voor de ouders: ’Maakt u zich zorgen? Waarover maakt u zich zorgen? En waarom maakt u zich hierover zorgen?’. Praktijken maakten gebruik van beide interventies, een van beiden, of geen enkele interventie. Van de 2227 geïncludeerde kinderen kreeg circa 26% een antibioticum voorgeschreven. De CRP sneltest had geen enkel effect op het voorschrijfpercentage. Paradoxaal ging het voorschrijfpercentage in de groep huisartsen die de 3 vragen stelden omhoog (met een odds ratio van 2). Vragen naar zorgen wordt dus mogelijk door ons toegedekt met een voorschrift, terwijl het doel van de auteurs was om juist een vangnet aan ouders te bieden. Wat mij betreft mag uw eigen vangnet na het lezen van dit stukje vooral zijn dat u de CRP sneltest niet moet inzetten bij kinderen. Het komend jaar volgen de resultaten van een Utrechts-Maastrichtse trial naar de sneltest bij hoestende kinderen. Crepitatie, rhonchi of piepen: lost in translation De stethoscoop blijft het (status)symbool van de meeste dokters, en toch denken we allemaal wel eens aan het avondeten als we de thorax ausculteren, zeker als de anamnese al voldoende richting gaf aan de differentiaal diagnose. Heeft u wel eens de proef op de som genomen met uw collega, aios of coassistent, door beiden een patiënt 10 te ausculteren en onafhankelijk van elkaar de gehoorde longgeluiden te beschrijven? Ik durf u te voorspellen dat de gebruikte en beschreven termen zullen verschillen. Noren houden wel van innovatieve diagnostiek en zij betrokken mij in een studie waarbij ze ausculatiegeluiden opnamen met een speciale microfoon in de stethoscoop. Ze legden deze geluiden blind voor aan 28 dokters uit 7 landen, waaronder 4 huisartsen uit het Op1Lijn gebied. Deze artsen beschreven vervolgens de ausculatiegeluiden van 20 patiënten met bij elke patiënt steeds 6 opnames, overeenkomend met de posities waar je je stethoscoop neerzet. We waren benieuwd naar de inter-observer overeenkomst en die bleek voor crepitaties en piepen redelijk goed (0,86) met een kappa van 0,49. De Nederlandse deelnemers deden het erg goed vergeleken met de expert groep. Verder viel vooral op dat de deelnemende (Noorse) longartsen veel lager scoorden. Heb dus vertrouwen in uw stethoscoop! De digitale opname van de longgeluiden geeft denk ik zeer fraaie mogelijkheden voor onderwijsmomenten en bij het bespreken van patiënten met auscultatieve afwijkingen. Shared-decision praktijkondersteuning Het nadeel van fraaie concepten in de gezondheidszorg is dat de term vervolgens ook veel gebruikt en regelmatig misbruikt wordt. Ik zie aios de term shared decision making noteren in dossiers en op momenten waar op geen enkele 1 e uitgave 2018 manier sprake is van shared decision making. Juist in situaties waar er een beperkt aantal preferentiegevoelige opties zijn voor de patiënt, heeft het een grote meerwaarde. Vooralsnog werden de meeste studies naar shared decision making (SDM) in curatieve settings uitgevoerd. Promovendus Stephanie Lenzen ging samen met huisarts Loes van Bokhoven en hoogleraren Trudy van der Weyden en Sandra Beurskens op onderzoek uit naar SDM bij onze praktijkondersteuners. In een procesevaluatie gebruikten ze vragenlijsten en interviews om te evalueren, hoe de ervaringen en attitudes van praktijkondersteuners waren ten opzichte van SDM. Voor degenen onder ons die de praktijkondersteuner coachen en geen fan zijn van de ‘protocollitis’ die in vele spreekkamers (noodgedwongen) heerst, is het artikel een aanrader. Het blijkt dat de praktijkondersteuners enthousiast zijn, maar het nog lastig vinden om naar een meer coachende rol te gaan. Ook kunnen ze SDM nog lastig kunnen integreren in de meer geprotocolleerde, biomedisch gerichte consulten die ze gewend zijn. Dit wordt ongetwijfeld vervolgd, en ik hoop dat het kan bijdragen aan minder protocol-gericht en meer patiëntgericht werk door de praktijkondersteuners. Eindhoven de gekste (en beste) Luc Gidding ontwikkelde samen met de Stichting Gezondheidscentra Eindhoven de PsyScan, een online tool die de huisarts en patiënt ondersteunt om bij patiënten met psychische klachten een goed behandeltraject te kiezen. PsyScan is een schoolvoorbeeld van een interventie die werd ontwikkeld met het werkveld, en daarom is de gerandomiseerde interventiestudie, die ze bij de SGE uitvoerden, meer dan het lezen waard. In totaal 176 patiënten ondergingen de PsyScan (met de 4DKL en een distress score) om beter te differentiëren tussen depressie, angst, stress of somatisatie, terwijl 160 patiënten met psychische klachten het normale zorg traject volgden. De patiënten die de PsyScan invulden, hadden na 1 jaar minder gerapporteerde klachten (bij 60% was sprake van succesvolle behandeling vs. 32% in de normale zorg groep), een betere kwaliteit van leven en dit alles ging niet gepaard met hogere kosten. Een mogelijke verklaring voor dit grote effect is dat door de snelle en efficiënte diagnostiek op het toppunt van de klachten – want dan presenteren de meeste patiënten zich toch in onze spreekkamers – meteen een goed vervolgplan konden maken. Al met al een trial met zeer positieve uitkomsten voor zowel patiënt als huisarts. De gekozen bottom-up benadering van de SGE met de vakgroep verdient alle lof, en ongetwijfeld een vervolg. Betere begeleiding coassistenten door extra reflectie Coassistenten begeleiden geeft telkens weer een prettige twist aan je spreekuren. Althans, dat ervaar ik zo, maar mijn lijst aan coassistenten is nog niet lang. Nu proberen we de coassistent altijd te stimuleren tot het maken van leerdoelen, liefst SMART en in ePass, maar hoe stellen we zelf eigenlijk doelen als begeleider? Marion van Lierop en Laury de Jonge onderzochten welke componenten gewaardeerd en effectief kunnen zijn om zelf als begeleider ook SMART verder te komen. Ze vroegen 20 ervaren begeleiders van coassistenten (overigens wel veel mannen van middelbare leeftijd, want maar liefst 95% was man en 55% was ouder dan 50 jaar) om een zelfevaluatie in te vullen, en de huisartsen kregen ook de evaluaties die studenten invulden over de ervaren begeleiding. Tien huisartsen namen aanvullend deel aan een 1,5 uur durende sessie met collega opleiders en een supervisor van de opleiding. Op basis van deze twee of drie componenten mochten de huisartsen hun plannen formuleren voor de begeleiding van volgende coassistenten. Ofschoon alle componenten door de begeleiders werden gewaardeerd, maakten de huisartsen die alle componenten hadden gedaan, dus inclusief de aanvullende intervisie, concretere en betere plannen om het klinisch onderwijs te verbeteren. Kortom, intervisie werkt, ook als het gaat om de huisarts als begeleider en docent. Referenties • Reducing inappropriate antibiotic prescribing for children in primary care: a cluster randomised controlled trial of two interventions. • • • Lemiengre MB, Verbakel JY, Colman R, De Burghgraeve T, Buntinx F, Aertgeerts B, De Baets F, De Sutter A. In: Br J Gen Pract. 2018 Mar;68(668):e204-e210. doi: 10.3399/ bjgp18X695033. Epub 2018 Feb 12. International perception of lung sounds: a comparison of classification across some European borders. • Aviles-Solis JC, Vanbelle S, Halvorsen PA, Francis N, Cals JWL, Andreeva EA, Marques A, Piirilä P, Pasterkamp H, Melbye H. • In: BMJ Open Respir Res. 2017 Dec 18;4(1):e000250. doi: 10.1136/ bmjresp-2017-000250. eCollection 2017. • What makes it so difficult for nurses to coach patients in shared decision making? A process evaluation. • • Lenzen SA, Daniëls R, van Bokhoven MA, van der Weijden T, Beurskens A. In: Int J Nurs Stud. 2017 Dec 16;80:1-11. doi: 10.1016/j. ijnurstu.2017.12.005. [Epub ahead of print] • PsyScan e-tool to support diagnosis and management of psychological problems in general practice: a randomised controlled trial. • • Gidding LG, Spigt M, Winkens B, Herijgers O, Dinant GJ. In: Br J Gen Pract. 2018 Jan;68(666):e18-e27. doi: 10.3399/ bjgp17X694109. Epub 2017 Dec 18. • Peer group reflection on student ratings stimulates clinical teachers to generate plans to improve their teaching. • van Lierop M, de Jonge L, Metsemakers J, Dolmans D. • in: Med Teach. 2017 Nov 28:1-8. doi: 10.1080/0142159X.2017.1406903. [Epub ahead of print] 11 op één lijn 60
Page 12
1 e uitgave 2018 2014 WESP: Merel Keulen Gezonde basisschool ook op andere scholen? BEGELEIDERS: MAARTJE WILLEBOORDSE EN ONNO VAN SCHAYCK Vraagstelling 'De Gezonde Basisschool van de Toekomst' (GBT) is een project vanuit de Universiteit Maastricht dat op innovatieve en brede wijze gezondheid in de schooldag integreert. Vanwege interesse vanuit andere scholen, onderzochten wij bereidheid, motivatie en behoeften van betrokken stakeholders voor deelname aan gezondheid bevorderende en preventieve programma onderdelen van de GBT. Studiedesign We ontwikkelden een needs-assessment tool voor de beoordeling van het draagvlak bij ouders/verzorgers en professionals voor gezondheidsbevorderdende componenten. Om data te verzamelen zijn vragenlijsten uitgezet en interviews in focusgroepen uitgevoerd. Resultaten en conclusie Zowel de werkzame professionals op school, als ouders/ verzorgers in het thuisfront vinden aandacht vanuit de school voor gezondheid van de kinderen tijdens de schooldag erg belangrijk. Hierin zien zij veel ruimte voor verbetering. Er moet meer aandacht, tijd en moeite voor zijn. De GBT-componenten kunnen hierbij een belangrijke rol spelen. WESP: Hicham Greven Concentreren gaat het beste in de ochtend BEGELEIDERS: MAARTJE WILLEBOORDSE EN ONNO VAN SCHAYCK Vraagstelling Wat is de invloed van het bioritme op leerprestaties, attentieniveau, slaperigheid en welzijn van leerlingen op basisscholen met een aangepaste dagindeling? Wat zijn de ideale tijden voor intellectuele prestaties bij basisschoolleerlingen? Studiedesign Een literatuurstudie via gestructureerde zoektermen en semigestructureerde interviews met leraren. Waar: op interventiescholen van het project ‘De gezonde basisschool van de toekomst’ die sinds een aantal jaren het bioritmemodel toepassen. Primair resultaat en conclusie Uit zowel de literatuurstudie als uit de interviews met leraren bleek dat het bioritme-model in de ochtend een duidelijk effect heeft en dat leerlingen zich vooral van 10 tot 12 uur goed kunnen concentreren. Wat betreft de middag is er nog veel onduidelijkheid en is verder onderzoek noodzakelijk. 12 op één lijn 60 1 e uitgave 2018 Hoofdpijncasus OOK en de Witte Raven DOOR SIMON KLEIJKERS, HUISARTS IN GEZONDHEIDSCENTRUM HOENSBROEK-NOORD De Witte Raven is een groep ervaren huisartsen die zich richt op het zoeken van de oorzaak van Onuitstaanbaar Onverklaarde Klachten (OOK). De term ‘witte raaf’ is nog wel enigszins bekend, maar de afkorting OOK een stuk minder. Simon is het jongste lid van de Witte Raven groep. Dank voor de vele reacties op de casus in het voorgaande nummer van ‘Op één Lijn’ (nummer 59, pagina 17). Het goede antwoord was: sarcoïdose, met onder meer cardiale en cutane uitingen. De winnaar van de loep is de Maastrichtse huisarts in opleiding Marielle van der Burgt! Zij verstuurde binnen één dag het goede antwoord. Gefeliciteerd! Nu de nieuwe casus; goede antwoorden kunnen wederom verstuurd worden naar s.kleijkers@gmail.com. De Witte Raven groep in Maastricht bestaat uit de volgende leden: Harry Crebolder, Geert-Jan Dinant, Paul Höppener, Simon Kleijkers, Raymond Leclercq, Yvonne van Leeuwen en Erik Stolper. Doel: zoeken naar de oorzaak van Onuitstaanbaar Onverklaarde Klachten (OOK). De groep bestaat uit huisartsen met een mix van ervaring, zowel klinisch als wetenschappelijk. Werkwijze: de groep krijgt door collegae of anderen een papieren casus aangereikt die mogelijk verdacht is voor een zeldzame aandoening, waarvan eerder specialistisch onderzoek niets heeft uitgewezen. De inbrenger heeft echter het stellige vermoeden dat de oorzaak een zeldzame ziekte is. De wijze van zoeken, gericht op zeldzame aandoeningen, leidt tot een advies aan de inbrenger. Casus Een 55-jarige patiënt, in de voorgeschiedenis bekend met slecht gereguleerde diabetes mellitus type II, bezoekt het spreekuur van de huisarts met sinds 3 maanden nieuwe hoofdpijn. Hij heeft hierbij het gevoel alsof het achterhoofd ‘opgezwollen’ is. Verdere anamnese toont geen alarmsymptomen. Lichamelijk onderzoek levert geen bijzonderheden op. Vanwege een niet pluis gevoel verwijst de huisarts de patiënt naar de neuroloog. Een MRI-scan van de hersenen toont geen afwijkingen. De waarschijnlijkheidsdiagnose spierspanningshoofdpijn wordt gesteld. Twee maanden later bezoekt de patiënt wederom het spreekuur van de huisarts met persisterende hoofdpijnklachten met sinds één maand visusklachten. De huisarts krijgt een ‘OOK-gevoel’. Visus ODS is 0,25; correctie geeft geen verbetering van de visus. Fundoscopie toont het volgende beeld: Wat is jullie diagnose? 13 op één lijn 60
Page 14
op één lijn 60 1 e uitgave 2018 Cum Laude promotie Pijn op de borst bij de huisarts DOOR ROBERT WILLEMSEN, HUISARTSONDERZOEKER Nu het bijna hora est, wil ik graag met u delen wat ik de afgelopen jaren heb gedaan ‘op HAG’. Ik heb daar onderzoek gedaan en dat heeft geresulteerd in het proefschrift ‘Assessing Chest Pain in Primary Care’, dat ik op 23 maart zal verdedigen. Onderzoek doe je niet alleen, ik deed dat samen met de professoren Dinant, Buntinx en Glatz, met de onderzoeksassistentes Hilde Bours en Evie van Severen en met de WESP-en Beatrijs Hoorweg en Lotte Cleef. Aan het gezelschap lag het dus niet. Verderop in dit stukje zal ik dan ook overstappen van eerste persoon enkelvoud naar eerste persoon meervoud. Maar eerst nog een persoonlijke ontboezeming. In dit stuk wil ik u in enkele paragrafen vertellen over de diverse aspecten van pijn op de borst bij de huisarts die we onderzocht hebben. Deze fase van het onderzoek heeft daarmee qua schrijfwerk dan ook een tamelijk ‘eind goed, al goed gehalte.’ Nu kan ik kort en bondig opschrijven, wat in een eerdere fase een lange weg van schrijven en herschrijven bleek te zijn. Onderzoek doen, en vooral het opschrijven daarvan, kenmerkt zich immers door lange schrijfrondes met ernstig door Word’s ‘wijzigingen bijhouden’ gecontamineerde bestanden. Dat geldt voor ieder onderzoek, zelfs voor onderzoek naar sneltesten met de bijnaam ‘RAPIDA-studie’. En ja, ik haast mij natuurlijk in alle oprechtheid te zeggen, dat het daar uiteindelijk beter van wordt. Ook al voelt het soms als een bordspel om steeds weer terug naar ‘AF’ te moeten. Ik zeg het vooral op deze plek om de jonge onderzoekers op HAG te ontslaan van de gedachte dat het ‘aan hen ligt.’ Want dat is niet zo, het hoort erbij. Hopelijk twijfelt u er intussen niet aan dat ik gewoon een hele leuke tijd heb gehad en dat onderzoek doen mijn werk als huisarts enorm verbreed en verdiept heeft! Want dat is een feit. En hieronder deel ik graag nog wat andere geconstateerde feiten . ASSESSING CHEST PAIN IN PRIMARY CARE ROBERT WILLEMSEN Pijn op de borst bij de huisarts: wat is het probleem? Aan het beoordelen van pijn op de borst in de huisartsenpraktijk kleven verschillende uitdagingen. In enkele representatieve casus hebben we deze uitdagingen beschreven. De meeste patiënten met pijn op de borst bij de huisarts hebben geen hartinfarct, maar sommigen wel. Onderscheid maken tussen deze twee groepen is niet altijd makkelijk. Verwijzen lijkt veilig, maar het is daarbij goed een zekere drempel aan te houden vanwege patiëntcomfort, kosten en belasting van de tweedelijn. Verder laten we vanuit het perspectief van de huisarts zien hoe het is om een ernstig hartprobleem te missen en onderbouwen we waarom een diagnose soms achteraf een stuk duidelijker is, dan vooraf. Ook voor de cardioloog is het beoordelen van pijn op de borst niet altijd makkelijk. Dankzij troponinetesten kunnen de meeste patiënten goed en veilig gediagnosticeerd worden door de cardioloog, maar we beschrijven ook een casus waarbij een verhoogd troponine niet door een hartinfarct komt. Pijn op de borst bij de huisarts: incidentiecijfers In 2016 verrichtten we een observationele studie naar patiënten die zich bij de huisarts presenteren met pijn op de borst. Voor deze studie hebben we 118 huisartsen in Nederland en België gevraagd om gedurende twee weken álle patiëntencontacten te registreren. Patiënten met pijn op de borst werden daarbij in detail geregistreerd én gevolgd tot minimaal 30 dagen na het consult. Aldus registreerden de huisartsen samen 22.294 patiëntcontacten. Tijdens 281 patiëntcontacten ging het om pijn op de borst. We maakten uit deze studie op dat pijn op de borst bij de huisarts nog steeds frequent voorkomt (1,26% van de consulten gaat over pijn op de borst), dat de meest voorkomende einddiagnose musculoskelataal van aard is (33,1%), dat ernstig onderliggend lijden meestal niet aan de orde is, maar ook niet zeldzaam is (8,4% van de patiënten had een ernstige cardiovasculaire ziekte), dat er veel onderzoek gedaan wordt bij álle pijn op de borst patiënten om het beeld nader te kunnen duiden (512 diagnostistische tests in eerste en tweedelijn bij 281 patiënten), dat de huisarts veiligheidshalve 'over-verwijst' (de huisarts verwijst 40% van de pijn op de borst patiënten) en dat de huisarts (daardoor) 14 weinig ernstige diagnoses mist (0,7%). Met dit onderzoek werd eens te meer de omvang én relevantie van het aan de huisarts gepresenteerde probleem pijn op de borst geïllustreerd. Pijn op de borst bij de huisarts: wat vindt de huisarts er zelf van? Eveneens in 2016 interviewden we 27 Belgische en Nederlandse huisartsen. Zij gaven unaniem aan dat de incidentie van pijn op de borst als reden voor consultatie van de huisarts niet afneemt. Wel meenden zij dat het acuut coronair syndroom onder patiënten met pijn op de borst minder dan voorheen lijkt voor te komen en dat er meer ‘atypische klachten’ voor in de plaats komen. Daardoor neemt de diagnostische onzekerheid onder huisartsen toe. De huisartsen verklaarden vooral op hun eigen klinisch oordeel te varen. Nieuwe diagnostische middelen achtten zij alleen nuttig, wanneer de diagnostische meerwaarde ervan is bewezen. Huisartsen lijken niet bang te zijn om een aanzienlijk aantal patiënten met pijn op de borst dat uiteindelijk geen ACS heeft, te verwijzen. Zij stellen dat dat veilig is en dat diagnostische onzekerheid nu eenmaal een belangrijk onderdeel van het huisartsenvak is. Pijn op de borst bij de huisarts: wat kost het en wat kunnen we daaraan doen? In een andere studie hebben we samengewerkt met gezondheidseconomisch onderlegde collega's (prof. Kusters in Den Bosch en Michelle Kip in Enschede). We analyseerden het effect van een toekomstige klinische beslisregel (KBR) - waarvan een sneltest deel uitmaakt - op zorgkosten. We schatten de gegenereerde kosten van verwezen, maar uiteindelijk ACS negatieve patiënten met pijn op de borst (de zogenaamde ‘valspositieven’) op € 1,448 per patiënt, met aldus een totale jaarlijkse kostenlast van meer dan € 165 miljoen in Nederland. Met een minimale reductie van 29% aan 'valspositieven' en een kostprijs van een sneltest van € 25 zou een KBR inclusief sneltest kosteneffectief zijn. Een additionele € 16,4 miljoen wordt jaarlijks in Nederland bespaard met elke verdere 10% daling aan ‘valspositieven.’ Pijn op de borst bij de huisarts: bestaat er een ideale sneltest? Welke sneltest zou de klus nu kunnen klaren? Het ligt voor de hand ernaar te streven de troponine test, zoals die in de tweedelijn gebruikt wordt, te vangen in een sneltest die direct resultaat geeft en waarvoor slechts een druppel bloed nodig is. Troponine-testen in een dergelijke vorm en met een accuratesse die de ziekenhuistesten benadert zijn echter niet voorhanden. Daarom is er de laatste jaren aandacht geweest voor Heart-type fatty acid binding protein (H-FABP). Gebaseerd op gegevens uit de literatuur, ontstond de hypothese dat deze biomarker met een lage afkapwaarde wellicht van meerwaarde zou kunnen zijn. We hebben daarom een studie gedaan in een tweede lijnsomgeving met patiënten met pijn op de borst. Bij deze patiënten werd veneus bloed afgenomen en de H-FABP spiegel bepaald. Hieruit bleek dat H-FABP met een afkap van 4.0 ng/ml als grens tussen positief en negatief gelijkwaardig presteerde, als hoog sensitief troponine. Daarnaast bleek het mogelijk een sneltest te produceren met deze afkapwaarde, waarvoor slechts een vingerprik nodig is. Pijn op de borst bij de huisarts: het daadwerkelijk onderzoeken van een bestaande sneltest Mede gebaseerd op de eerder genoemde studies hebben we een diagnostische studie in de huisartsenpraktijk opgezet. We hebben daarbij een H-FABP sneltest gebruikt die positief kleurt bij een H-FABP waarde in een druppel bloed (verkregen middels vingerprik) van 4 ng/ml of meer. We includeerden aldus 303 patiënten in deze studie. De sensitiviteit en negatief voorspellende waarde van de H-FABP sneltest waren 25.8%, respectievelijk 91.6% voor ACS. De sensitiviteit van de sneltest viel dus tegen. Een KBR, waarbij een aantal symptomen werden gecombineerd met het resultaat van de sneltest, deed het niet beter dan de huisarts zonder extra diagnostische hulpmiddelen. Met de KBR nam het aantal gemiste ACS-diagnoses wat af, maar het aantal 'vals positieven' nam juist toe. Pijn op de borst bij de huisarts: de toekomst Eens te meer blijkt uit ons onderzoek dat het complexe proces van aantonen en uitsluiten van acuut coronair syndroom niet makkelijk is te vervangen door een klinische score met een eenvoudige sneltest. Mogelijk zullen er - met het verder verbeteren van sneltesten - nieuwe kansen ontstaan. Mogelijk wordt de zorg op andere manieren efficiënter omdat de cardioloog steeds sneller te werk kan gaan met de troponinetesten in de tweedelijn. Voorlopig is het in elk geval goed dat onze geïnterviewde huisartsen boven alles op hun eigen klinisch oordeel varen. 15 op één lijn 60 op één lijn 59
Page 16
op één lijn 60 1 e uitgave 2018 Een vroege diagnose bij dementie Wie zou het willen weten? DOOR JULIA FRIJLING, CLAIRE WOLFS, RUDOLF PONDS EN CARMEN DIRKSEN, ONDERZOEKERS Dementie kan door medisch-technische ontwikkelingen steeds vroeger worden vastgesteld. Dit geldt in het bijzonder voor de ziekte van Alzheimer. Patiënten met milde geheugenklachten en relatief weinig interferentie in het dagelijks leven kunnen hierdoor al een diagnostiektraject overwegen. Een belangrijke reden voor patiënten en hun naasten om vroeg te starten met een diagnostiektraject, is dat de oorzaak van de geheugenklachten achterhaald kan worden en zodoende beslissingen voor de toekomst genomen kunnen worden. Maar er zijn ook nadelen: een vroege diagnose dementie kan bij sommige patiënten leiden tot angst, onzekerheid en stigmatisering. De vraag is of een dergelijke diagnose in zulke gevallen niet beter op een ‘tijdig’ in plaats van een vroeg moment moet worden gesteld. Dit houdt in dat er pas gestart wordt met een diagnostiektraject wanneer de patiënt er op dat moment ook daadwerkelijk zelf de meerwaarde van ziet. Waarom een onderzoek? In januari 2018 hebben onderzoekers van MUMC+ in samenwerking met Radboud UMC Nijmegen een onderzoek gestart dat zich richt op gezamenlijke besluitvorming rondom diagnostiek van dementie in de huisartspraktijk (zie ook Op één lijn, 3e uitgave 2017). De huisarts speelt namelijk een belangrijke rol bij de beslissing om wel of niet te starten met een diagnostiektraject. Vaak beslissen de patiënt en de huisarts hier samen over, waarbij er naast de medischinhoudelijke argumenten ook nadrukkelijk rekening wordt gehouden met de voorkeuren, wensen en behoeften van de patiënt en diens naasten. Toch zijn de behoeften, wensen en voorkeuren niet altijd duidelijk voor de huisarts. Ook kunnen bepaalde verwachtingen van de patiënt de beslissing om voor een diagnostiektraject te kiezen, beïnvloeden. Wellicht herkennen huisartsen de onderstaande scenario’s. Wat is het doel van het onderzoek? Het doel van dit onderzoek is om een keuzehulp te ontwikkelen en te evalueren die gezamenlijke besluitvorming in de huisartspraktijk ondersteunt. Hoe de keuzehulp precies toegepast zal worden in de praktijk is afhankelijk van de wensen en behoeften 16 ….. “Mijn moeder had dementie en ik vertoon dezelfde geheugenproblemen, kunnen we dit onderzoeken?” ….. “Ik heb gelezen dat ze nu in het hersenvocht kunnen zien of ik de ziekte van Alzheimer heb. Kunt u mij doorsturen naar een geheugenpoli, want mijn geheugen wordt er niet beter op. En wat kunnen ze dan doen?” ….. “Heeft het wel zin vader vroeg te laten testen op dementie, want ik begrijp dat er geen pillen zijn die het beter maken?” van de patiënt en de huisarts. De informatie in de keuzehulp kan bijvoorbeeld handvatten bieden voor de huisarts, wanneer de verschillende mogelijkheden bij aanvullende diagnostiek worden besproken met de patiënt. Een andere optie is, dat de huisarts, patiënt en een naaste de uitkomsten van de keuzehulp samen bespreken, wanneer er een beslissing rondom vervolgonderzoek wordt genomen. De onderzoekers verwachten dat mensen die zich met geheugenklachten melden bij de huisarts, door de beschikbaarheid en het gebruik van een keuzehulp minder onzekerheid ervaren bij het maken van moeilijke beslissingen op het gebied van dementie. Stand van zaken? Het project is besproken met de vakgroep Huisartsgeneeskunde van de Universiteit Maastricht en de onderzoekers zullen in april 2018 huisartsen in de regio Zuidoost-Nederland gaan benaderen voor deelname aan het eerste deel van het onderzoek. Het eerste deel richt zich uitsluitend op het inventariseren van de behoeften, voorkeuren en wensen van mensen met geheugenklachten, hun naasten en van de huisarts. Huisartsen zullen binnenkort een informatiebrief ontvangen waarin beschreven wordt wat deelname aan het onderzoek inhoudt. Meer informatie? Als u mee wilt doen of meer informatie over dit project wilt ontvangen, neem dan contact op met Julia Frijling via het telefoonnummer 043-388 10 22 of per mail via s-decided@maastrichtuniversity.nl. 1 e uitgave 2018 Alzheimer Centrum Limburg MijnBreincoach project DOOR IRENE HEGER, PROMOVENDUS ALZHEIMER CENTRUM LIMBURG Op 17 maart heeft het Alzheimer Centrum Limburg een bewustwordingscampagne gelanceerd rond het onderwerp hersengezondheid, samen met de app ‘MijnBreincoach’. Het kan zijn dat u vanwege deze campagne vragen krijgt van patiënten naar aanleiding van de campagnefolder, social media of een poster in een wachtruimte. Het is daarom goed om weet te hebben van het bestaan van de campagne en de strekking van de boodschap. Mensen kunnen altijd naar de campagnewebsite verwezen worden voor meer informatie. Ook kunnen ze gewezen worden op de app, als ze inzicht willen krijgen in hun eigen hersengezondheid en ermee aan de slag willen. Het aantal mensen met dementie neemt wereldwijd sterk toe. In Nederland wordt in de komende 25 jaar een verdubbeling verwacht van dit aantal tot meer dan een half miljoen mensen met dementie. Dit leidt niet alleen tot toenemende zorgkosten voor dementie (een stijging van 3% per jaar) maar ook tot een verminderde kwaliteit van leven voor zowel de persoon zelf, als ook voor naasten. Ondanks tijdrovend en kostbaar wetenschappelijk onderzoek, is er nog steeds geen medicijn dat dementie kan genezen. Onlangs heeft farmacieconcern Pfizer aangekondigd te stoppen met onderzoek naar de ziekte van Alzheimer, omdat grote doorbraken uitblijven. In het wetenschappelijk onderzoek is er in toenemende mate aandacht voor preventie van dementie. Uit onderzoek blijkt dat 30% van het aantal gevallen van dementie voorkomen kan worden, vooral door het kiezen voor een gezonde leefstijl. Ondanks dat dit veelbelovende aanknopingspunten zijn om dementie te voorkomen of uit te stellen, blijkt echter uit recent Limburgs onderzoek dat nog maar de helft van de mensen op de hoogte is dat een gezonde leefstijl kan leiden tot gezondere hersenen. Het Alzheimer Centrum Limburg heeft in samenwerking met de Limburgse GGD’s en de Provincie Limburg, een bewustwordingscampagne gelanceerd, genaamd ‘’We zijn zelf het medicijn’’. De aftrap van deze provinciale campagne was tijdens de Brain Awareness Week op 17 maart 2018 bij het Museumplein Limburg te Kerkrade. Het doel van deze campagne, die tot eind januari 2019 duurt, is om het begrip ‘hersengezondheid’ op de kaart te zetten en mensen te informeren over het verband tussen dementie en leefstijl. Het campagnemateriaal is in de Provincie Limburg beschikbaar via zorginstellingen, medische diensten en openbare voorzieningen. Ook heeft een aantal bedrijven en instellingen zich aangesloten bij de campagne, bijvoorbeeld door lokale acties op te zetten. Denk aan groenten in de aanbieding in een supermarkt of korting op een fitnessabonnement. De gratis app ‘MijnBreincoach’ (www.mijnbreincoach.eu) geeft mensen inzicht in hun persoonlijke hersengezondheid en helpt om kleine en haalbare stappen te zetten naar een gezondere leefstijl, en daarmee gezondere hersenen. Huisartsen of praktijkondersteuners die vragen hebben kunnen contact opnemen met het campagnebureau via de website www.wezijnzelfhetmedicijn.nl, of met contactpersoon Irene Heger, vakgroep Psychiatrie en Neuropsychologie van de Universiteit Maastricht, irene.heger@maastrichtuniversity.nl. Gezonde hersenen Download de MijnBreincoach app! Verkleinen aardbeien de kans op dementie? Hoe dan? we zijn zelf het medicijn.nl Gezonde hersenen Download de MijnBreincoach app! Dit is een campagne van Alzheimer Centrum Limburg i.s.m. vele partners. Verkleint wandelen de kans op dementie? Hoe dan? we zijn zelf het medicijn.nl Dit is een campagne van Alzheimer Centrum Limburg i.s.m. vele partners. 17 op één lijn 60
Page 18
op één lijn 60 1 e uitgave 2018 Hoofdzaken Alea iacta est! 1 DOOR BAS MAIBURG, HOOFD HUISARTSOPLEIDING MAASTRICHT Een onvoorwaardelijke, nieuwe erkenning als opleidingsinstituut voor vijf jaar is een feit. We mogen weer even van de RGS. Uitdagingen genoeg, in de vorm van het werven van voldoende kandidaten voor de opleiding in Maastricht en Eindhoven én het op peil houden van de financiën van de opleiding. Het voelde als het telefoontje over de uitslag van je eindexamen. Je denkt dat het wel goed zit, maar die onrustkriebel in je onderbuik wil er pas uit na het verlossende telefoontje van de RGS. Erkenning als opleidingsinstituut tot januari 2022. Een fraai resultaat van de inzet van coördinatoren, docenten, opleiders en aios bij de visitatie, en een pluim op het werk van alle betrokkenen. Even tijd om adem te halen tot de volgende RGS-visitatie. Die gaat er overigens heel anders uitzien. Toezicht op afstand van de RGS, verantwoording door het instituut gebeurt dan schriftelijk aan de hand van een verslag van de “interne kwaliteitsevaluatiecyclus die aansluit bij de erkenningseisen en het kwaliteitskader”. Dat kostte even tijd om goed tot me door te laten dringen. Interessant nieuwigheidje: het instituut gaat in de nieuwe systematiek de opleiders erkennen! Veel tijd en ademruimte wordt ons niet gegund, de GEARvisitatie staat alweer voor de deur. GEAR, een onderlinge visitatie van de instituten, met als thema’s in juni het curriculum, de toetsing en de leeromgeving. Bijkomende omstandigheid: GEAR wordt gezien als het kwaliteitskader in de nieuwe erkenningsprocedure. Oefenen voor de toekomst dus! Bij de GEAR-visitatie zelf wordt weer de nodige inbreng van aios, opleiders en docenten verwacht. Uw sollicitatie hiervoor is zeer welkom.Met al de gedane inspanningen voor de staf kwam het stafuitje eind januari op het juiste moment. Tijd om aan de gezonde mens te werken. Starten met balansoefeningen om de opleidingszaken goed in evenwicht te kunnen houden. Workshops over geluk, bewegen tijdens het werk, slaap (buiten het werk), stressvermindering en koken spreken voor zich. Daarnaast toonde de staf de flexibiliteit en creativiteit om met een flink aantal suggesties voor het beleid van de afdeling voor de komende tijd te komen. Om nog maar niet te spreken over de creativiteit van de “pèkskes” waarin stafleden zich tijden het “Back to School- feest” ‘s avonds vertoonden. Een uitgelezen kans voor nieuwe stafleden om hun collega’s van alle kanten te leren kennen. Alle recent gestarte nieuwe docenten waren dan ook aanwezig. Eén van hen, Sarah Wijen, is in deze rubriek nog niet langsgekomen. Zij is begin januari gestart als jonge gedragswetenschapper 18 met de begeleiding van één van onze derdejaars groepen in Eindhoven. Ambitieus, en met goede papieren als GZ-psycholoog. Na de erkenning vergt het werven van de nodige aios alle aandacht. In de vorige aflevering moest ik het schamele resultaat melden voor het aantal startende aios in maart. Die ervaring heeft de wervingsraderen in een hogere versnelling gezet. Naast het bespreken met de LOVAH Maastricht van de aios-kant van solliciteren voor de opleiding, hebben wij, samen met Huisartsopleiding Nederland, twee nieuwe acties ondernomen. Mogelijk bent u het superman-affiche met de tekst “durf te kiezen” (voor huisarts) zelf al tegengekomen. De voorpremière van de film “Médecin de campagne”, met borrel na afloop, was met name op potentiële kandidaten voor de opleiding gericht. Met dubbel succes: twee volle filmzalen in Maastricht en Eindhoven, en meer dan een verdubbeling van het aantal kandidaten met eerste keuze Maastricht! Een sterk staaltje van ons wervingstrio Babette (Doorn), Marleen (van den Boogaart) en Joost (Dormans). Het ziet er naar uit dat we in september met twee volle zuid-groepen kunnen starten. Dat is goed nieuws voor een aantal opleiders die noodgedwongen in de wacht stonden om aios op te leiden. Zij kunnen weer aan de slag in het opleidingsveld. Een afwisselende inzet voor coassistenten (naast of als alternatief als er even geen aios) is, indien praktisch goed haalbaar, ook voor de huisartsopleiding van groot belang: een goed coschap doet wonderen voor de motivatie om huisarts te worden! Die feedback kregen we ook van de studenten en basisartsen terug. Verstevigen van de samenwerking met het basiscurriculum is voor 2018 één van de speerpunten van de opleiding. Naast de inzet voor de opleiding in verschillende fasen, wordt hierbij ook het aios-co project nieuw leven ingeblazen. Ook wordt goed gekeken naar gezamenlijke docentprofessionalisering voor beide geledingen. En we zijn aanwezig bij het symposium van elke groep coassistenten die het coschap Huisartsgeneeskunde en Sociale Geneeskunde afsluiten. We bieden een lunch aan en geven informatie over de vervolgopleiding. In de serie pluspunten verdient ook het financiële resultaat over 2017 een plaats. Bijna op de cent break-even, dat geeft ons moed. We hebben de teerling geworpen. Zo’n kleine tweeduizend jaar geleden ging dat letterlijk niet zonder slag of stoot. Tegen een stootje kunnen we wel, dat hebben de afgelopen jaren wel bewezen. 1“De teerling is geworpen”. Toegeschreven aan Julius Cesar, maar mogelijk al afkomstig uit de Griekse literatuur. 1 e uitgave 2018 LOVAH congres 2018 “Wij zijn de basis….” DOOR MALOU ENGELHARD, INMIDDELS EX-AIOS HUISARTSGENEESKUNDE Op 26 januari vond het tiende LOVAH congres plaats in ‘DeFabrique’ in Utrecht. Voor mij was het helaas mijn laatste congres als aios, dus des te meer reden om te gaan. Tijd voor een lustrum, tijd voor een feestje en tijd voor Familie. “It’s all-in the Family” was deze keer dan het thema. Het programma was gevarieerd met praatjes over vaccinaties, een goede dood, functionele urologie, zwangerschap, antibioticabeleid, een debat over medisch tuchtrecht en nog veel meer. Naast leerzame sessies was er volop tijd om bij te praten met collega’s en lekker te eten en drinken. Zo weet ik nu dat mijn toekomstige kinderen al vanaf de vierde maand van hun leven kennis gaan maken met pindakaas, want dat schijnt een pinda-allergie in de meeste gevallen te voorkomen en al helemaal als ze aanleg hebben voor eczeem. Als afsluiter was er een swingend feest met allerlei muzikale hits mede mogelijk gemaakt door de band Groove Department. Een aparte vermelding waard, was dagvoorzitter Ernst van der Pasch. Waar sommige mensen hem wellicht nog kennen als voormalig presentator van het TV-programma Het Klokhuis of als cabaretier: momenteel is hij laatstejaars aios huisartsgeneeskunde aan de VU in Amsterdam. Ernst bracht op het LOVAH-congres een bijzonder lied ten gehore getiteld: ‘De dokter die iedereen kent’. Hier ben ik verder ingedoken. Na een korte research via internet, blijkt hij het lied al in 2011 als coassistent op de Manifestatie Huisartsenzorg voor het eerst te hebben gespeeld. In die tijd zat ik nog volop in het studentenleven, laat staan dat ik bezig was met bezuinigingen binnen de zorg, maar goed. Van de mensen die ik erover gesproken heb, vinden sommigen het grenzen aan zelfverheerlijking van de huisarts, anderen vinden het juist datgene waar de huisartsenzorg voor staat. De waarheid ligt waarschijnlijk ergens in het midden? Laten we hopen dat hetgeen hij zingt een van de redenen is dat we huisarts willen worden of zijn geworden en ook in de toekomst nog steeds willen zijn! Het refrein luidt: Wij zijn de basis, het fundament Wij zijn de dokter die iedereen kent Met een luisterend hart, met een luisterend oor Wij zijn de dokter die iedereen hoort Wij zijn betrouwbaar, wij zijn gewoon Wij maken stinkende wonden weer schoon Voor elke ziekte, voor elke patiënt Wij zijn de dokter die iedereen kent. 19 op één lijn 60
Page 20
op één lijn 60 1 e uitgave 2018 Oud-aios: hoe vergaat het ze? Dokter aan zee DOOR RAYMOND MOOKHRAM, HUISARTS IN VLISSINGEN Hoe is het mij vergaan na de opleiding in Maastricht sinds mijn afstuderen in 2005? Eigenlijk heel goed. Ik heb in Maastricht de vaardigheden geleerd om als huisarts succesvol aan de slag te gaan. Ik heb mezelf beter leren kennen, ik weet waarvoor ik sta en ik weet ook voor wat voor soort zorg ik sta. Ik ben gewoon een heel ouderwetse dokter in een erg modern jasje. Persoonlijke zorg via een zachtaardige autoriteit die daarbij geholpen wordt door even gemotiveerde solide professionals. Ze zijn allemaal persoonlijk geselecteerd en zelf opgeleid, waarbij ze allemaal in een andere dienstverlenende sector al de nodige levenservaring hebben opgedaan en nu het team in de Badhuisstraat 47 te Vlissingen in een statig herenhuis tot een groter geheel maken. Wij dragen samen de zorg voor 3200 patiënten. Wellicht kent u mijn collega’s al qua functies, maar ik ga ze toch maar noemen, omdat ik niet zonder ze kan. Elke dag mogen we tot in de puntjes van informatie voorzien worden door een ruime bezetting van drie vriendelijke, doch gedecideerde doktersassistentes die het hele logistieke reilen en zeilen voor hun rekening nemen. Er is echter nog een vierde persoon en deze bezoekt ook regelmatig de kwetsbare oudjes om een vinger aan de pols te houden en die mij of de casemanager dementie inschakelt, als er signalen zijn, dat er meer zorg nodig is. We hanteren het adagium ‘If it ain’t broke, don’t fix it’ oftewel vinger aan de pols houden, vooral van afblijven als het goed gaat en snel interveniëren als het mis gaat. Ook is er een strenge POH-somatiek, althans, zo heb ik me laten vertellen door de patiënten. Dat doet me goed, want ik als dokter ben soms te laks in de handhaving van het braaf zijn: ‘Ach mevrouw Janssen, ik zeg maar zo, je kunt beter dood gaan aan een teveel dan aan een tekort. Eh ja, u mag zeker af en toe zondigen met slagroomtaart.’ Ik vermoed dat de kerk gelijk had: braaf zijn en niet zondigen maken dat je meer kans hebt op een langer leven. Op tijd naar bed gaan, regelmaat, goed ontbijten, ijverig en volgens planning werken, voldoende bewegen, samen eten, niet roken, niet drinken, een vaste partner, alles met mate. Maar natuurlijk houden we ons als moderne mens daar niet aan: drank, seks, drugs en rock and roll. Terugkeer naar de orde van de dag en braaf zijn, is inmiddels ook onderdeel van mijn functie als vertrouwenspersoon en persoonlijk adviseur. Als het wat zwaardere GGZ-kost betreft, dan trek ik op met onze jonge mannelijke POH-GGZ/ psycholoog; onze gecombineerde aanpak maakt dat we niet overspoeld worden en het grootste deel van de patiënten van adequate eerstelijnszorg voorzien. Zo kunnen we 1.5 maal een normpraktijk van goede zorg voorzien in een stadspraktijk met stadse problematiek, fulltime 5 dagen werken, waarneming, 42 ANW diensten. Daarnaast ben ik ook papa van twee Zeeuwse meisjes (Celeste, 10 jaar en Olivia 7 jaar) en partner van Sandra (Limburgse schone en psycholoog). Deze naasten kan ik binnen 30 seconden zien, want ik woon boven de praktijk. Dit betekent geen files, geen gedoe en 2-3 dagen per week samen lunchen. Het leven van een huisarts wordt ook deels bepaald door ‘externen’. Een daarvan is de zorggroep. In het verleden heb ik samen met Frank Soomers, Wim Herberichs, Leon Bejas en de inkopers van CZ een franchise deal tot stand gebracht met de oude HOZL (Huisartsen Oostelijk Zuid Limburg), waardoor 15 praktijken in Zeeland in één klap goed georganiseerde ketenzorg kregen. Zaken als fundusfotografie en bloed prikken in de eigen praktijk gingen daardoor een stuk makkelijker. Het enige dat daarvoor nodig was, was een soort ‘gentleman’s agreement’: we vertrouwden elkaar en klaarden de klus met een simpel en overzichtelijk contract. 20 1 e uitgave 2018 Deze tijden zijn intussen geweest. Na 5 succesvolle jaren op deze manier gewerkt te hebben, werd (mede door mij) de experimentele zorggroep KANSO opgericht. Het grootste compliment dat je als zorgstartup mag ontvangen is: ’we kunnen jullie niet goed plaatsen, jullie zijn toch anders dan de rest’. Dat is in de startup-wereld een goed teken, je bent dan namelijk een nieuwe categorie aan het maken. Zo in het midden van mijn carrière terugblikkend, heb ik al behoorlijk wat op mijn kerfstok, wat mij voornamelijk positieve kwalificaties oplevert, als ‘innovatief’, ‘extreem hoge eisen’ en ‘goede dokter’. Wat mij echter het meest zou verblijden, is het mogen ontmoeten van mijn opvolgers (ik ben geen opleider); niets is voor eeuwig en jonge dokters die het beter zullen doen dan ik en mijn generatie, zijn hard nodig. Het leven in de stad Vlissingen is fijn, omdat je omgeven bent door de elementen, maar ook door een gemêleerde en liberale populatie waarin ruimte is voor diverse leefwijzen. Het wordt klein Rotterdam genoemd, de schaal is hier echter behapbaar en maakt dat je jezelf, je gezin en je visie op zorg kunt ontplooien. We hebben hier behoefte aan betrokken huisartsen die voor het maatschappelijk belang, hun vak, praktijk en gezin gaan. Ik hoop veel respons te mogen ontvangen op het strand van Vlissingen, opdat we elegante, toekomstbestendige zorg mogen helpen realiseren. BACK TO SCHOOL Staf tweedaagse Huisartsopleiding DOOR HENDRIK-JAN VUNDERINK, HUISARTSDOCENT Als je al sinds 1974 bestaat, zijn er tradities tot ontwikkeling gekomen. Zo reisden docenten en ondersteunende staf van de Huisartsopleiding op 25 januari weer af, dit keer naar Wahlwiller, om daar 2 dagen, en niet te vergeten een lange avond, met elkaar door te brengen, ten behoeve van veel teambuilding en een beetje docentprofessionalisering. Zo’n samenzijn vindt eens in de twee jaar plaats, en is nog nooit niet geslaagd geweest. Dit keer stond “Gezond leven’ centraal, dus workshops over bewegen, ‘Lijf in Balans’, ‘Levenskunst’, ‘Slapen’ en ‘Van Stress naar Relax’. De kookworkshop in de ochtend stond garant voor een heel gezonde, lekkere en uitgebalanceerde lunch. Hoofd Bas Maiburg heeft ons tussendoor nog bijgepraat over de stand van de managementzaken, zodat we ook vanuit dat oogpunt weten waar we het allemaal voor doen. Na een mooi diner is iedereen teruggegaan in de tijd om een daverend schoolfeest los te laten barsten. Een wandeling naar klooster Wittem is dan de volgende ochtend buitengewoon heilzaam. In die passende omgeving heeft Ruut Veenhuizen, geluksprofessor, ons uitgebreid verteld over zijn “database of happiness”. Daarna in de kloostertuin nog bewegen onder leiding van twee gymnastiekleraren, lunch, wandeling terug en afscheid van elkaar. Opbrengst? Niet meetbaar, heel erg voelbaar: alles en iedereen krijgt weer een boost! In ere houden, deze traditie! 21 op één lijn 60
Page 22
op één lijn 60 1 e uitgave 2018 Equilibre Rubriek voor huisartsopleiders DOOR ARIE DE JONG, HUISARTSBEGELEIDER EN NIEUW LID HAO-TEAM Wisseling van de wacht Sinds januari dit jaar heeft het HAO-team (huisartsopleiders) een andere coördinator voor het opleiderscurriculum: Arie de Jong. Arie heeft al jaren een vaste column ‘Gezondheidsrechtelijke kwesties’ in Op één Lijn, maar in deze rol stelt hij zich opnieuw voor. Voor diegene die mij nog niet kennen: ik ben Arie de Jong, sinds 1 januari dit jaar na 36 jaar, gestopt als huisarts en na 23 AIOS gestopt als opleider. Ik ben al enkele jaren huisartsbegeleider (HAB) en maak al enkele jaren deel uit van het HAO-team. Omdat de hartstocht van Paul Schrijver, huisartsopleider in Eindhoven, toch meer lag bij het praktisch bezig zijn met opleiders en ik meer affiniteit heb bij het organiseren, beleidsstukken, planning en regelgeving, is er binnen het team wat geschoven met de taken en ben ik nu opleiderscoördinator samen met Marieke. Paul heeft daardoor meer tijd voor bijvoorbeeld het trainen van beginnende opleiders, het geven van workshops bij opleidersterugkomdagen en de individuele begeleiding in de vorm van de voortgangsgesprekken. Zo houden we een goed functionerend team toch bij elkaar. Ik zie het als een uitdaging om het nieuwe landelijke plan “Scholing en toetsing huisartsopleiders” te beoordelen naar inhoud en relevantie en het te vertalen naar de Maastrichtse situatie. Inhoudelijk moeten we aan de eisen blijven voldoen, maar wij kiezen voor een vraaggerichte, zoveel mogelijk aanpak op maat. Dat zal steeds zorgen voor veranderingen. Een belangrijke boodschap waar ik voor sta: Opleiden is vrijwillig, maar niet vrijblijvend. Wij stellen eisen aan jullie en ook landelijk zijn er ontwikkelingen gaande. Ik merk dat door huisartsopleiders met toch al een volle agenda, nieuwe zaken snel als ‘te veel’ worden ervaren. Zoals bij alle veranderingen roept dat weerstand op en dreigt er een ‘wij tegen zij’-sfeer. Dat willen wij niet. Het HAO-team wil het graag samen doen en daar hebben we jullie input voor nodig. Een van de zaken waar Maastricht zich hard voor wil maken is maatwerk om 22 opleiders en AIOS te bieden wat ze nodig hebben. Om dat maatwerk te kunnen leveren overleggen we met de opleidersvereniging, doen we aan voortgangsgesprekken in de praktijk en intervisie op de terugkomdagen. Daarvoor hebben we, net als jullie zelf voor je persoonlijke ontwikkeling, leerdoelen nodig om daar de ondersteuning op af te stemmen. We hebben al een start gemaakt op de laatste trainingsdag in Urmond, door jullie een eigen IOP te laten maken. We willen daar op de terugkomdagen vervolg aan geven om tot maatwerk te komen in het curriculum van de opleiders en uitdagingen en verdieping te bieden voor startende en (zeer) ervaren opleider. Als opleiderscoördinator wil ik op korte termijn ook iedere opleider een opleiderscurriculum overzicht sturen waarin het doel en de uitgangspunten voor het scholingstraject voor opleiders worden uitgelegd aan de hand van het competentieprofiel opleiders. Op basis hiervan kan iedere opleider nog duidelijker zijn IOP afstemmen op de individuele behoeften en kunnen wij nog meer maatwerk bieden in de ondersteuning. Gelijktijdig ontvangen alle opleiders bericht aan welk lid van het HAO-team men is gekoppeld en tot wie men zich kan wenden bij vragen of problemen. Ik zie uit naar een voortzetting van de prettige samenwerking zoals ik die de laatste jaren mocht ervaren. 1 e uitgave 2018 Weten is eten Wie zoet is, krijgt lekkers DOOR HENDRIK JAN VUNDERINK, HUISARTS-DOCENT EN REDACTIELID Het heeft er veel van weg, dat we de smaakpapillen voor zoet en zout hebben meegekregen als beproeving. Die andere 3 smaken (zuur, bitter en umami) leiden in elk geval niet tot het soort verslaving waarvan wij dokters de ellendige gevolgen maar weer moeten zien te corrigeren. Suiker staat de laatste tijd toenemend in de belangstelling als ziekteverwekker. Alleen blijkt het niet eenvoudig om de mensheid zoet te houden met producten zonder die heerlijke toevoeging. Honing is al sinds mensenheugenis een begeerd product, waarvoor bijvoorbeeld door stammen in Nepal halsbrekende toeren worden uitgehaald om het te bemachtigen. En al die zoetekauwen hebben zoete kindjes die bij hun ouders zoete broodjes bakken, als ze niet alles voor zoete koek willen slikken. Mochten ze dan honger krijgen, dan maakt die rauwe bonen zoet. INGREDIËNTEN: 2 FLINKE OCTOPUSSEN Zoet is dus fijn en lekker en gewenst. Maar behalve een bonk calorieën heeft suiker verder bitter weinig te bieden. En van die calorieën worden we alsmaar dikker: in 2016 had 50% van de Nederlandse volwassenen overgewicht! En ruim 44% van alle diabetes is weer toe te schrijven aan overgewicht! Nog even wat cijfers, lees en huiver: Per persoon eten we 122 gram suiker per dag, waarvan 71 gram toegevoegd door onszelf en de voedingsindustrie. Per gram suiker levert dat 4 kcal. Frisdrank is nog steeds de grootse suikerleverancier, en dat zal er ongetwijfeld toe bijdragen, dat kinderen per dag nog 30 gram toegevoegde suikers meer nuttigen dan volwassenen. Dat moet dus echt omlaag, maar hoe is nog helemaal niet uitgemaakt. Onder het onverslaanbare motto “verbeter de wereld, begin bij jezelf”, zou je er al naar kunnen streven om je eten zoveel mogelijk zelf klaar te maken, en aan de basisingrediënten zo weinig mogelijk E-nummers toe te voegen. - Doe de octopussen in een pan met dikke bodem, deksel erop, en op matig vuur zetten. Niets erbij verder, dus! - Laat ze 1 – 1 1/2 uur stoven, af en toe controleren, en indien nodig even schudden tegen vastkoeken. Zie hoeveel vocht er vrij komt! - Controleer na 1 uur regelmatig, of ze al gaar zijn: een vleesvork moet met nauwelijks druk in het dikste gedeelte zakken. Pas vooral op, dat de octopus niet zo gaar wordt, dat de tentakels er vanzelf afvallen! - Dan van het vuur af en na afkoelen met de onderkant boven insnijden tussen elke 2 tentakels, tot aan het mondstuk. Tentakels dan zo lang mogelijk afsnijden. Kopstuk ook in plakjes. - Leg dan de tentakels in de lengte in een langwerpige schaal, een patévorm bijv., Stapel ze mooi op elkaar, vul op met de plakjes. - Druk is nu heel belangrijk, dus sluit af met bijv. een passend plankje met daarop een gewicht (pak suiker). - Na 24 uur geleren en opstijven in de koelkast de terrine lossnijden langs de kanten en daarna uit de vorm kloppen. Mag met enig geweld… Een heel smakelijk begin van dat goede voornemen kan deze Sopprosalto di Polpo zijn: een terrine van octopus uit Sardinië. Daar gaat alleen maar octopus en octopus in en verder niets, zelfs geen toegevoegd water. Probeer het maar eens. Met een salade van aardappeltjes en olijfjes een heerlijk lentegerecht! - In dunne plakjes snijden, borden mooi opmaken en de oh’s en ah’s van je gasten over je heen laten komen! 23 op één lijn 60
Page 24
op één lijn 60 1 e uitgave 2018 In de leer Tranen van betrokkenheid DOOR ELEANA ZHANG, DERDEJAARS AIOS "Ik hoop dat jij dit niet vaak hoeft te doen." Zijn wijze, vredige ogen keken me vanaf het hoofdeinde van het hoog-laagbed aan toen hij deze woorden uitsprak. De heer P. was een eigenzinnige negentig-plusser die door de zorg van een trouwe hulp nog zelfstandig kon wonen. Uit zijn ogen sprak een lange levenservaring en zijn scherpzinnigheid liet al bij een eerste ontmoeting een glimlach na. Een doorleefde man, die zijn vrouw vijftien jaar geleden heeft moeten afgeven aan kanker, maar wier aanwezigheid nog terug te vinden was in de vele schilderijen door het hele huis. De heer P was een man die wist wat hij wilde, die het heft graag in eigen hand nam. Daarnaast was hij ook een vriendelijke man met veel gevoel voor humor. Een combinatie die ongetwijfeld heeft bijgedragen aan de succesvolle ondernemingen in zijn leven. Twee keer ben ik bij de heer P geweest, toen mijn opleider me vertelde over zijn euthanasiewens. Al meer dan tien jaar wist de heer P, dat hij uitgezaaide prostaatkanker had. Een paar jaar geleden kwam daar ook darmkanker bij. Tegen alle verwachtingen in bleef zijn ziekte lang stabiel. Nu kwam echter het keerpunt: hij werd septisch en icterisch. Hoewel we niet zeker wisten wat dit heeft veroorzaakt - en de heer P absoluut niet naar het ziekenhuis wilde om het te laten onderzoeken - konden we zonder twijfel inschatten, dat de prognose infaust was. Het kwam dan ook niet als een verrassing, toen de heer P zijn wens kenbaar maakte. Eu-thanatos betekent in het Grieks 'goede' of 'gelukkige' dood. Nou, één ding kan ik je zeggen, ik vind er niks gelukkigs aan. In mijn eerste jaar heb ik onder supervisie van mijn eerstejaarsopleider het proces van euthanasie al een keer zelf doorlopen. Het is mij dus niet onbekend. Toch blijft euthanasie een vreemd iets. Dit keer, bij de heer P, merkte ik het aan mezelf, doordat ik niet meteen vroeg om mee te gaan naar alle visites voorafgaand aan de dag van de euthanasie, nadat mijn opleider me bij deze casus had betrokken. Niks voor mij. Normaal ga ik juist zo vaak mogelijk bij de terminale patiënten langs, omdat ik het belangrijk vind, dat ze een bekend gezicht aan hun bed hebben in deze precaire tijd. Ik vroeg me af: wat maakt het, dat ik dat nu afhoud? Op de zonnige zaterdagochtend waarop de euthanasie ging plaatsvinden, liepen mijn opleider en ik de slaapkamer van de heer P binnen. Het was een volle kamer: de kinderen, hun partners, een kleinzoon en de hulp stonden om het bed heen waarin de heer P lag. Op de heer P en de hulp na, waren het allemaal onbekende gezichten voor me. Enerzijds schaamde ik me, dat ik de meesten voor het eerst zag, anderzijds realiseerde ik me waarom ik de ontmoetingen onbewust had afgehouden: iemand helpen doodgaan voelde zo onnatuurlijk, dat ik hoopte hiermee het hele proces en met name het verdriet eromheen op een afstand te kunnen houden. Op de rustige toon waarop hij altijd spreekt, vroeg mijn opleider aan het bed van de heer P of hij zeker wist, dat hij dit wilde. De heer P zei heel droog "Nee", en doorbrak zo met een laatste grapje de beladen sfeer van dat moment. Na het beamen van zijn wens, werd het infuus opengezet. De heer P viel in slaap en nog geen twee minuten later stopte hij met ademen. Door de chronische conjunctivale roodheid van mijn opleider twijfelde ik even, maar ik zag, dat zijn ooghoeken zich subtiel vulden met tranen: tranen voor een patiënt die hij al meer dan tien jaar kende en bij wie hij intensief betrokken was geweest, tranen omdat hij het toeliet dat de patiënt en zijn familie bekenden werden en dat hij geraakt werd. Een euthanasie uitvoeren zal voor mij altijd heel dubbel, beladen en ongemakkelijk blijven. Die zaterdagochtend leerde ik wat het verschil is tussen iemand behandelen en iemand echt raken als dokter. Een zoon zei bij het afscheid tegen mijn opleider, dat hij, als hij dichterbij zou wonen, hem als huisarts zou willen hebben. Want, “de dokters in het westen van het land (waar hij woont), hebben geen tijd voor de patiënt". De dochter gaf mij - een wildvreemde dokter - een knuffel, ongetwijfeld, omdat ze zo blij was met de betrokkenheid van mijn opleider. Dat is niet alleen behandelen, dat is mensen echt raken. Voordat het infuus aan werd gezet en de heer P insliep, keek hij me aan. Het leek, alsof hij wist hoe ik me voelde. "Ik hoop dat jij dit niet vaak hoeft te doen," zei hij vriendelijk. "Ik hoop het ook niet", antwoorde ik met een brok in mijn keel. Maar als het nodig is, zal ik er zijn. En het is oké om een traan te laten. 24 1 e uitgave 2018 In de leer Afgestudeerd maar niet uitgeleerd DOOR KOEN VAN HELMOND, DERDEJAARS AIOS Het is de avond voor mijn diploma-uitreiking. Het verzoek van de redactie om een extra lange column te schrijven wegens een digitale storing bij mijn collega Eleana op een ander continent, komt mij dan ook helemaal niet slecht uit. Het is voor mij de ideale gelegenheid om de balans van 2,5 jaar huisartsopleiding in Maastricht op te maken en een soort resumé te schrijven. Na mijn eerste column over de charme en symboliek van de ouderwetse dokterstas (“Size does matter”), ben ik aan de slag gegaan in Gezondheidscentrum Heer onder de bezielende leiding van Jeroen Smeets. Als eerste AIOS in die praktijk heb ik de vrijheid gekregen om mijn weg te vinden in huisartsenland. En geloof me, dat was ook wel nodig. Na anderhalf jaar in het ziekenhuis te hebben rondgelopen, zat ik in een modus van constante bewijsdrang, haantje de voorste en met een grote mond op de eerste rij bij de overdrachtsmomenten. Ik geef toe dat het wellicht wat overdreven is, maar ik denk dat velen onder u snappen wat ik bedoel. Op de terugkomdagen stond er onder leiding van Henk Goettsch en Katrien Boots een mooie mix van medische kennis en communicatie op het programma. Ook hier was eigenlijk het overkoepelende thema voor mij “loskomen van het ziekenhuis en af en toe mijn klep houden”. De supervisie in jaar 1 heeft hier voor mij ook heel veel aan bijgedragen, mede door de kleinschaligheid van de groep en de begeleiding door Angélique Timmerman. Sowieso vind ik het concept van terugkomdagen voor een arts in opleiding een bijzonder goed. Van mensen om mij heen die een vervolgopleiding tot klinisch medisch specialist volgen, hoor ik geregeld terug dat er nauwelijks aandacht is voor communicatie, het uitwisselen van ervaringen of laat staan de balans tussen werk en privé. Zoals een chirurg in opleiding stelde “hoezo werk èn privé, ik heb mijn werk toch?” Tja, wat moet ik daar aan toevoegen? Ik ben in ieder geval heel blij dat ik in opleiding ben tot medisch specialist huisartsgeneeskunde en niet tot klinisch medisch specialist. Jaar 2 duurde voor mij maar een half jaar en bestond uit 3 maanden ouderenpsychiatrie en 3 maanden chronische zorg in de Plataan in Heerlen. Het grote nadeel aan deze stages was dat ze maar 3 maanden duurden en daarmee kwam het een beetje over als een soort coschap, maar dan met meer verplichtingen. Als coassistent moest je weer weg op het moment dat je het net een beetje begon te snappen. Dat gevoel had ik hierbij soms ook een klein beetje. Het betekent overigens niet dat ik er niets van geleerd heb. Verre van, ik heb me prima vermaakt in deze twee keer 3 maanden. Zo weet ik nu veel meer van de rechterlijke machtiging, de verschillende psychofarmaca, hoe je goed een gesprek over een palliatief traject voert en welke automaat bij Mondriaan de lekkerste koffie geeft. Deze zaken vallen echter allemaal in het niet bij hetgeen me echt heeft gevormd in dat tweede jaar, namelijk de geboorte van mijn zoontje. Niet voor niets heb ik hier ooit een column aan gewijd (“En? Bevalt het?”), want het heeft me echt heel erg veel geleerd over mezelf als dokter en als mens. Niet alleen ben ik iets rustiger geworden en ben ik nog meer gaan genieten van de kleine geluksmomenten in het leven, ik ben ook een stuk relaxter met kleine kindjes op mijn spreekuur. Ik begrijp de ouders beter, de zorgen die ze hebben, de slapeloze nachten, de twijfels en noem het allemaal maar op. Tussen haakjes: het is best lastig om met je zoontje naar de huisarts te gaan en je als patiënt te gedragen terwijl je zelf al de diagnose gesteld hebt. 25 op één lijn 60
Page 26
op één lijn 60 1 e uitgave 2018 En toen kwam het derde en laatste jaar. Na een 1-op-1 koppeling kwam ik terecht in Sittard bij Sjoerd Hobma. Na een maand wennen aan elkaar, de praktijk, de sociale kaart en het computersysteem, konden er dan eindelijk meters gemaakt worden. Mijn haat-liefde verhouding met de LHKtoetsen begon steeds meer om te slaan naar de “haat-kant”, maar gelukkig is dat met een mondelinge toets netjes afgerond. Daarmee was een belangrijk vinkje afgerond, maar toch bleef er hier en daar wel wat te verbeteren over. In jaar 3 ging het vooral om verdieping in de complexere medische problematiek, zoals pathologie, levenseindeproblematiek, multipele morbiditeit, gespreksvoering met de niet alledaagse patiënt en een stukje praktijkmanagement. Daarnaast was er halverwege het jaar, mede dankzij de hulp van mijn begeleiders Gerrie Wagenaar en Cécile Henquet, een soort wake-up call dat ik er in dat laatste half jaar nog even flink de schouders onder moest gaan zetten. De laatste puntjes moesten op de spreekwoordelijke “i” gezet. Maar goed, in het laatste half jaar zijn alle zaken nog even strak op de rit gezet en hiervoor moet ik toch wel oprechte credits geven aan opleider Sjoerd die mij heeft klaargestoomd voor het echte werk. Het streven was om mij aan het einde van het laatste jaar zover te hebben dat hij zelf met vakantie zou kunnen en ik de praktijk kon runnen in zijn afwezigheid. Tijdens mijn laatste zelfstandige week is dit beter gelukt en ik voelde me er goed bij. Ik ben er klaar voor! Laat die toekomst maar komen. Beste lezers, het was mij een waar genoegen om de afgelopen jaren mijn ervaringen met jullie te delen. Ik ben dankbaar voor de vele leuke reacties die ik heb mogen ontvangen en wellicht tot ziens in huisartsenland. De afgestudeerden in beeld Made in Maastricht Afstudeersessie 6 maart 2018 | V.l.n.r.: Malou Engelhard, Bart Groen, Eefje de Bont, Ilse Mattheij, Yon Dhooge, Koen van Helmond, Carlijn Giesbers, Jack Pham, Marieke Crouzen, Frank Attema, Rachel Klinkenberg, Vivian Hendrix, Sabah Hoummadi Afstudeersessie 13 december 2016 26 Beeldig stageverslag TWEEDEJAARS AIOS KIMBERLEY COX DOET KEUZESTAGE IN WERELD VAN BELEID EN BESTUUR Eén van de werkruimtes van het LHV hoofdkantoor 6 -weekse keuzestage Beleid & Bestuur vanuit het LHV hoofdkantoor in Utrecht #ssssssst #workingprogress #nétverbouwd #hardworkpaysoff #beleidinthemaking #waaranders #backstage #hoewerktdehuisartsenzorg #domusmedica #utrecht Mee op praktijkbezoek in Amsterdam bij huisarts & e-Health innovator Vladan Ilic Met Margriet Niehof (LHV lobbyist) naar de TweedeKamer #hetlandinmetdelhv #zonderdokterassistentes #zokanhetdusook #meertijdvoordepatientdoorehealth #amsterdam #wherethemagichappens #denhaag #eerstelijnzorgdebat #aanrader Mijn stage & eindpresentatie zitten erop, klaar voor de toekomst Nog nooit zo veel in de trein gezeten #elknadeelhebzunvoordeel ##coffeeplease #justgo #datkrijgjealsjeinlimburgwoont ##coffeeplease #zinin #watvoorhuisartswordjij #ready #waarommoeilijkdoenalshetsamenkan Meer weten? Je kunt me altijd bereiken via LinkedIn: Kimberly-CoxLimpens 27 op één lijn 60
Page 28
op één lijn 60 1 e uitgave 2018 Gezondheidsrechtelijke kwesties De nieuwe donorwet: andere rol voor de huisarts? DOOR MR. ARIE DE JONG, HUISARTS IN GOIRLE EN JURIST Op 13 februari heeft de eerste kamer het initiatiefwetsvoorstel tot invoering van een actief donorregistratiesysteem (ADR) aangenomen. Per 1 juli 2020 zal deze wet inwerking treden. Wat gaat dit concreet betekenen voor iedereen boven de 18 jaar in Nederland? Welke keuzes kunnen zij maken? Wat is de rol van hun nabestaanden? Hoe zit het minderjarigen? Wat is de rol van de (huis)arts en gaat die veranderen? hoe actief bent u in het bespreken van donatie? Overzicht van veranderingen Orgaandonatie en weefseldonatie is nu geregeld in de Wet op de Orgaandonatie, in 2020 wordt dat de nieuwe wet Actieve Donor Registratie (ADR). De nieuwe donorwet regelt, dat vanaf 2020 iedereen vanaf 18 jaar in Nederland geregistreerd wordt in het donorregister. Het doel van de nieuwe donorwet is om uiteindelijk meer geschikte donororganen te verkrijgen doordat iedereen die geen bewuste keuze maakt (zie onder voor de mogelijkheden), geregistreerd zal worden als ‘geen bezwaar’. Deze persoon heeft dan zelf geen actieve keuze geregistreerd, men gaat er dan vanuit dat die persoon geen bezwaar heeft tegen donatie. In de behandeling van deze wet heeft dat tot veel discussie geleid omdat dit schuurt met het recht op de onaantastbaarheid van ieders lichaam en de artsen hier te veel doorzettingsmacht door zouden krijgen. In de plenaire behandeling van deze wet is uitgebreid stilgestaan bij de positie van nabestaanden bij de situatie van ‘geen bezwaar’. Nabestaanden houden, nu geborgd, de mogelijkheid om donatie tegen te houden als men het aannemelijk kan maken dat de overledene echt geen donor had willen zijn. Zie ook verder bij de rol van nabestaanden. Een ander juridisch knelpunt is de vergewisplicht voor artsen om vast te stellen of de overledene ten tijde van de registratie wilsbekwaam was. In de praktijk kan dit op problemen stuiten. In de Memorie van Antwoord heeft de initiatiefneemster van de wet er eerder op gewezen dat de vergewisplicht een inspanningsverplichting is, die er bijvoorbeeld uit kan bestaan dat de arts contact opneemt met de huisarts van de patiënt. In de uitleg aan de Eerste Kamer is voorgesteld om de vergewisplicht nader in te vullen door middel van een protocol, zoals het Modelprotocol Orgaan- en Weefseldonatie. 28 Tevens wordt in de nieuwe wet vastgelegd dat voor gemeenten de wettelijke verplichting ontstaat om bij afgifte van paspoort en rijbewijs de aanvrager te informeren over orgaandonatie. Als men al geregistreerd stond in het donorregister dan blijft die registratie gewoon geldig. Actieve donor registratie keuzemogelijkheden Het donorregister geeft de volgende keuze mogelijkheden voor meerderjarigen1: 1. Ja, ik geef toestemming - Ik stel mijn organen en weefsels na mijn overlijden beschikbaar voor transplantatie. - Het gaat om de volgende organen en weefsels: alvleesklier, bloedvaten, botweefsel/kraakbeen/pezen, darmen, hart, hartkleppen, huid, lever, longen, nieren en oogweefsel (met de mogelijkheid om bepaalde organen niet te doneren). 2. Nee, ik geef geen toestemming - Ik stel mijn organen en weefsels na mijn overlijden niet beschikbaar voor transplantatie. 3. Mijn partner of familie beslist Mijn partner of familie beslist na mijn overlijden of mijn organen en weefsels beschikbaar zijn voor transplantatie. - Bij verschil van mening tussen uw nabestaanden vindt er geen donatie plaats. - Is er geen partner of familie2 en heeft u uw keuze niet geregistreerd in het Donorregister, dan bent u geen donor. 4. De door mij gekozen persoon beslist Ik kies zelf een persoon die na mijn overlijden beslist of mijn organen en weefsels beschikbaar zijn voor transplantatie. Deze persoon kan ook woonachtig zijn in het buitenland. Rol nabestaanden Over de rol van de nabestaanden is lang gediscussieerd, met name in de Eerste Kamer. In een ultieme poging de wet door de Eerste Kamer te loodsen houden nabestaanden nu het laatste woord. Staat de overledene geregistreerd als ‘geen bezwaar', dan houden nabestaanden de mogelijkheid om donatie tegen te houden als men het aannemelijk kan maken dat de overledene echt geen donor had willen zijn. Ook bij kinderen onder de 16 jaar kunnen nabestaanden 1 e uitgave 2018 Criteriakaartje Procedure bij overlijden Stap 1 Stap 1 JA Zijn er contra-indicaties of valt patiënt niet binnen criteria? NEE Raadpleeg Donorregister Stap 2 Noteer op donatieformulier: Geen donatie vanwege contraindicaties of (leeftijds-)criteria Controleer de criteria en de contra-indicaties voor donatie Er hoeft niet geraadpleegd te worden indien: nooit wilsbekwaam geweest vanaf het 12e levensjaar onbekende identiteit langer dan 24 uur overleden jonger dan 12 jaar Stap 2 JA Check: Donorregister = bezwaar? NEE Voer familiegesprek over donatie Stap 3 Noteer op donatieformulier: Geen donatie vanwege bezwaar in register Raadpleeg altijd voorafgaand aan het familiegesprek het Donorregister via de Nederlandse Transplantatie Stichting (NTS): via 071 - 579 57 95. Benodigde gegevens: Gegevens arts/aanmeldend functionaris: BIG-registratienummer, of naam en geboortedatum, en telefoonnummer waarop u bereikbaar bent. Gegevens patiënt: BSN, naam, voorletters, geboortedatum, geslacht, adres. Stap 3 Indien geen bezwaar aangetroffen: vraag instemming/ toestemming aan de nabestaanden. Indien Ja-registratie: informeer nabestaanden over wens overledene (instemming). Indien beslissing bij nabestaanden: vraag toestemming. Check: is er instemming of toestemming van de nabestaanden? JA Stap 4 Bel met het Orgaancentrum om de donor aan te melden Noteer op donatieformulier: Geen donatie vanwege geen toestemming/ instemming nabestaanden Stap 5 Vul het donatieformulier in en zorg dat dit bij de donor aanwezig is Houd de sociale en medische voorgeschiedenis, medicatiegebruik en reisgedrag (laatste 12 maanden) bij de hand. NEE Stap 4 Organen: Meld de donor aan bij de dienstdoende transplantatiecoördinator via het Orgaancentrum van de NTS. Weefsels: Meld de donor aan bij het Orgaancentrum van de NTS. via 071 - 579 57 95 (24 uur/dag) Stap 5 Vul het donatieformulier in en zorg dat dit bij de donor aanwezig is. Bel bij twijfel met het Orgaancentrum van de NTS Meer informatie staat in het Modelprotocol postmortale orgaan- en weefseldonatie op transplantatiestichting.nl Criteriakaartje - januari 2018 altijd de donatie tegenhouden. Als de overledene staat geregistreerd als orgaandonor, dan kunnen nabestaanden alleen bij ‘zwaarwegende redenen ’ bezwaar maken tegen orgaandonatie. Als nabestaanden niet op tijd kunnen worden bereikt mag niet tot orgaandonatie worden overgegaan. Ook mogen nabestaanden de keuze voor donatie maken als de overledene dat zo heeft vastgelegd in het donorregister. Als de overledene in het donorregister heeft vastgelegd dat hij of zij geen organen wil afstaan, dan kunnen nabestaanden dit niet ongedaan maken. Rol (huis)arts Een arts heeft volgens de procedure altijd een gesprek met de nabestaanden over orgaan- of weefseldonatie. Maar is dat in de praktijk ook zo? Als er tot donatie zal worden overgegaan zal dit gesprek zeker plaats vinden, maar hoe vaak is het niet lastig om dit gesprek te voeren als iemand net is overleden? Hoe moeilijk is het als je er in een dienst op een huisartsenpost voor komt te staan? Ook hier is winst te behalen door artsen te scholen in dit soort gesprekken en er tijd voor vrij te maken en te honoreren. Voordat een orgaantransplantatie plaatsvindt zijn artsen verplicht onderzoek te doen of een orgaan geschikt is voor transplantatie. Sinds juli 2013 mag de arts dit onderzoek ook doen voordat een patiënt overlijdt, ook als de patiënt niet geregistreerd staat. Blijkt het orgaan geschikt, dan kan de arts sneller toestemming vragen voor transplantatie aan de nabestaanden. Ook dit maakt donatie en transplantatie van organen vaker mogelijk. Naast leeftijdscriteria zijn er ook specifieke criteria die bepalen welke organen en weefsels en onder welke voorwaarden gedoneerd kunnen worden. Is er bij (huis)artsen voldoende bekend wat de procedures zijn bij orgaan- en weefseltransplantatie? Kennen we als artsen de criteria en contra-indicaties voor donatie. Wie 29 op één lijn 60
Page 30
op één lijn 60 1 e uitgave 2018 raadpleegt bij ieder overlijden het Donorregister? Onbekend maakt onbemind, dus wil de ADR daadwerkelijk meer donororganen en donorweefsel opleveren dan moeten (huis)artsen op de hoogte zijn van de procedures en criteria. Een overzicht van alle criteria en contraindicaties met betrekking tot orgaan- en weefseldonatie. In het stroomschema is de procedure in één overzicht te zien. De informatie op pagina 29 is per december 2017 uitgebreid. Het zakkaartje is hierdoor 4 pagina's lang geworden. Een taak die lastiger is voor artsen, en ook onderkend door de KNMG, is het vaststellen of iemand wilsbekwaam was op het moment van het vastleggen van de keuze in het Donorregister, hopelijk gaat het modelprotocol daar meer duidelijkheid verschaffen hoe ver deze inspanningsverplichting gaat. Conclusie Wil de ADR meer donaties opleveren dan zullen ook (huis) artsen meer aandacht moeten hebben voor de problematiek van donortekorten en bereid zijn dit nog meer bespreekbaar te maken en alert te zijn op de mogelijkheid van donatie. Om deze lastige gesprekken makkelijker te maken helpt het om op de hoogte te zijn van de procedures en de criteria te kennen. 1 In de Wet op de orgaandonatie staat dat iedereen vanaf 12 jaar (mits wilsbekwaam) toestemming kan geven voor donatie na overlijden en zich dus kan registreren, of daartegen bezwaar kan maken. Kinderen jonger dan 12 jaar kunnen geen keuze in het Donorregister vastleggen. De arts vraagt in dat geval toestemming aan ouders of voogd. Bij overlijden tot 16 jaar kunnen de ouders of voogd de geregistreerde donatietoestemming van de jongere herroepen. De donatie gaat dan niet door. Zijn beide ouders of de voogd afwezig of onbereikbaar, dan mag de donatie wel. Heeft de jongere 'nee' geregistreerd, dan kunnen de ouders of voogd dit niet negeren en wordt de jongere geen donor. 2 Onder ‘(uw) partner’ wordt verstaan uw echtgenoot/echtgenote, geregistreerd partner of andere levensgezel die op het moment van overlijden met u samenwoont. Onder ‘uw familie’ wordt verstaan uw meerderjarige bloedverwanten tot en met de tweede graad (ouders, grootouders, kinderen, kleinkinderen, broers en zussen) en uw meerderjarige aanverwanten tot en met de tweede graad (ouders of een broer of zus van uw echtgeno(o)t(e) of partner, of echtgeno(o)te of partner van uw broer of zus). 3 Een nabestaande kan bijvoorbeeld in zware psychische nood raken als de donatie zou doorgaan 4 Er is een brochure “weefseldonatie in de huisartspraktijk” van de Nederlandse Transplantatie Stichting (NTS) en een ‘Modelprotocol postmortale orgaan- en weefseldonatie’ De afgestudeerden in beeld Made in Maastricht Afstudeersessie 12 december 2017 | V.l.n.r.: Maud Vallinga, Anouk Geenen, Stephan Widjaja, Marca Dortmans, Anne Scheel, Lieke Sanders en Ludmila Gubina Afstudeersessie 13 december 2016 30 1 e uitgave 2018 De afgestudeerden in beeld Made in Maastricht Afstudeersessie 19 december 2017 | V.l.n.r.: Teike van der Aa, Thomas Meurs, Lindy Frielink, Sjoerd Rutten, Tamara van Eerd, Sander Gloudemans, Nicolle Hesselmans, Maurice Monfrance en Erwin Theuniszen Afstudeersessie 13 december 2016 Afstudeersessie 13 maart 2018 | V.l.n.r.: Nathalie Claassen, Noortje Tabak, Sanne Quaedflieg, Mariska Vork, Liza Walet, Jacqueline Liebregts en Joey van Empel Afstudeersessie 13 december 2016 31 op één lijn 60

Op één lijn 59


Page 2
Colofon Inhoudsopgave Oplage 2280 Hoofd/eindredactie Babette Doorn Redactieleden Hendrik Jan Vunderink, Stephan van den Brand, Eefje de Bont en Babette Doorn Doelgroep Huisartsen Limburg en Brabant, aios en alumni, afdelingen MUMC+ & overige relaties E-mail op1lijn@maastrichtuniversity.nl Postadres Vakgroep HAG Universiteit Maastricht Postbus 616 6200 MD Maastricht Bezoekadres P. Debyeplein 1 6229 HA Maastricht Ontwerp/druk Canon Design Studio, CBS 12625 Fotografie Kaft, pagina 3 onderaan + pag 10,11 en 18: Joey Roberts Pagina 3 bovenaan: Loraine Bodewes Pagina 8: Appie Derks MUMC+ Pagina 4, 22 + 34: Johannes Timmermans Deadline volgend nummer © Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Algemeen Van de redactie – Babette Doorn Van de voorzitter: Praktijkverkleining – Jean Muris In Memoriam: Wim Brouwer – Jean Muris Afscheid Mieke Winten – Laury de Jonge Huisarts & huisdier – Eefje de Bont Afscheid Yvonne van Leeuwen – Hendrik Jan Vunderink Facultaire Introductie – Babette Doorn Onderzoek De griepnaald in de hooiberg – Babette Doorn Made in Maastricht – Afgestudeerden 12 september 2017 Bruikbare wetenschap – Jochen Cals MINC jaarkalender 2018 – redactie WESP-en: De diagnostiek van ADHD bij kinderen – Lonne Walraven Adoptiepatiënt project huisartsopleiding – Mathijs Weijnen DEGAM congres – Daniel Kotz en Jochen Cals OOK en de Witte Raven – Simon Kleijkers Promotie Jerôme van Dongen – redactie Made in Maastricht – Afgestudeerden 19 september 2017 Fietstocht HAG – Kirsten Peetoom Een vroege diagnose bij dementie: Wie zou het willen weten? – Rudolf Ponds en Claire Wolfs ECG 10+ methode – Karen Konings Huisartsopleiding Hoofdzaken – Bas Maiburg Meer aios huisartsgeneeskunde nodig – Joost Dormans Oud-aios: van Zuid-Limburg naar Zweden – Marije Galavazi Oud-aios: uit de spagaat – Merijn Godefrooij Weten is eten: een opgeblazen gevoel – Hendrik Jan Vunderink Differentiatiecoördinator – Felix Punt Onderwijsdifferentiatie: BijzOnderwijs – Maurice Monfrance Opleiders Tweedaagse – Marieke Kools Equilibre: Doosje in een doosje – Marieke Kools en Paul Schrijver Aios referatendag – Hendrik Jan Vunderink In de leer: Elk jaar is het weer vaste prik – Koen van Helmond De knuffeldokter – Eleana Zhang Gezondheidsrechtelijke kwesties: Dossier, informatie en toestemming – Arie de Jong 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 2 Van de redactie SMART en STARR Waarschijnlijk denkt u bij de titel meteen aan de verengelsing van onze taal, maar die kant wilde ik niet op. De termen zijn gangbare acroniemen in mijn hedendaagse werkwereld. Onze onderzoekers maken ook graag acroniemen van hun lange projectnamen, maar wij weten dat u niet dol bent op die afkortingen. U weet liever waar het over gaat. Ik ook. Terug naar de inhoud. SMART staat niet voor de auto die in Born wordt gemaakt, maar voor Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden. We gebruiken die term bij de functioneringsgesprekken als we afspraken moeten maken. Het is zeker verstandig en smart om dat te doen, maar of het altijd SMART is? Hetzelfde leren wij onze studenten als het gaat om leerdoelen: hanteer de SMART-methode, anders zijn het geen leerdoelen, maar voornemens. En goede voornemens, die kennen we wel. En wat te denken van een SMART-phone? Ik heb me door een collega laten overhalen om hier ook aan te beginnen, anders zou ik niet meekunnen in de digitale ontwikkelingen, die we nu van plan zijn in te gaan zetten om onze wervingsactiviteiten te verbeteren. Binnenkort word ik aangesloten op dit ‘communicatieapparaat’. Maar of ik dit ook SMART, ik bedoel slim, ga vinden? Moet ik naast beppen, nu ook gaan appen? En wat zal de invloed zijn op mijn schrijfvaardigheden? Had ik niet beter halsSTARRig kunnen blijven? Zo’n bruggetje verzin je enkel op een vrijdagmiddag als je naar het weekend verlangt. Tenminste, dat is mijn ervaring. En bij die ervaringen leren we studenten aan, om die volgens de STARR methode in hun portfolio te omschrijven. Begin met de Situatie, dan de Taak(opvatting), daarna de Actie om tot het Resultaat te geraken. En die andere R hoor ik u denken? Inderdaad: Reflectie! Het valt niet mee voor eerstejaars om zich deze methode eigen te maken, maar dat komt meestal door gebrek aan (geschikte) ervaringen. Hoe anders dan de sollicitanten die op gesprek mogen komen voor de Huisartsopleiding! Ze worden door assessoren geïnterviewd aan de hand van de STARR methode. Ik kan u verklappen: dat valt niet mee, niet voor de interviewers, noch voor de kandidaten. Genoeg over het moderne, terug naar de ‘goede, oude tijd’. Professor Wim Brouwers, één van de grondleggers, overleed dit najaar op 92-jarige leeftijd. We hebben een In Memoriam. Dan twee zeer bijzondere vrouwen: Yvonne van Leeuwen en Mieke Winten, ooit praktijkcollega’s in Neerbeek. Nu allebei (zogenaamd) met pensioen. Lees onze interviews geschreven door naaste collega’s. Om niet te lang te treuren, brengen we ook wat luchtige artikelen over fietstochten, huisdieren, WESP-en en Witte Raven. Leuk onderzoek krijgt u ook traditiegetrouw voorgeschoteld: het DEGAM congres, Bruikbare Wetenschap en een verslag uit de praktijk. Nog meer ontboezemingen kunt u vinden in het prachtige boek de ECG 10+ methode van onze ijverige huisartsdocenten Karen Konings en Robert Willemsen. Niet vergeten: onderzoek naar vroege dementiediagnose: wilt u het weten? Dan de immer ijverige Huisartsopleiding: de leiding heeft veel zorgen aan het hoofd, maar dat betreft enkel de werving van nieuwe aios. Inhoudelijk zit het allemaal prima: de visitatie is net weer achter de rug. Veel van deze inhoud werd ook daar gepresenteerd. Helaas niet de rivierkreeftjes van Hendrik Jan Vunderink. Onze aios Eleana en Koen zijn al flink opgeschoten in hun leertijd: we genieten weer van hun kijk op het leven en onze opleiding. Deze keer hebben we ook twee oud-aios bereid gevonden om een stukje te schrijven over hoe het ze vergaat. Uit alles blijkt maar weer, dat we in Maastricht altijd al aan differentiatie deden. Nu is het ook nog geformaliseerd, zo blijkt uit de artikelen van Felix Punt en Maurice Monfrance. En T.E. Grijs? Ach, hij is ziek. We wensen hem van harte beterschap! We sluiten dit dossier met de vaste rubriek van Arie de Jong: we zijn weer bijgepraat. Fijne feestdagen gewenst, STARRING, Babette Doorn 3 op één lijn 59
Page 4
op één lijn 59 3e uitgave 2017 Van de voorzitter Praktijkverkleining DOOR JEAN MURIS, VOORZITTER VAKGROEP HUISARTSGENEESKUNDE UM De hoogste tijd voor een drastische vermindering van het aantal patiënten per huisarts De toegankelijkheid van de huisartsenzorg staat onder druk. Vacatures voor huisartsen blijken steeds lastiger te vervullen. Dat geldt met name voor vacatures in de achterstandswijken. Veel mensen die daar wonen kampen niet alleen met sociale, maar ook veel met lichamelijke en psychische gezondheidsproblemen. Nog steeds nemen de gezondheidsverschillen in Nederland toe. Het verschil in gezonde levensverwachting tussen laagopgeleide en hoogopgeleide mensen bedraagt bijna 19 jaar, blijkt uit de laatste Verkenning Toekomst Volksgezondheid van het RIVM (2014). Goed toegankelijke zorg is juist voor de groepen met een lage sociaaleconomische status van groot belang om dreigende gezondheidsproblemen vroegtijdig te signaleren en te behandelen voordat ze escaleren. Een belangrijke reden voor de moeilijk te vervullen vacatures in de achterstandswijken is de toegenomen werkbelasting in de huisartspraktijk. Die toename van werkbelasting wordt door diverse factoren bepaald. In de afgelopen decennia is er veel zorg overgeheveld vanuit ziekenhuizen en GGZ instellingen naar de eerstelijn. Dat werkt in opzet prima, en het past bij de wens van onze overheid en patiënten om zorg zo dicht mogelijk bij huis te leveren, maar dan moeten huisartsen wel tijd en ruimte krijgen om die zorg ‘erbij’ te doen. Naast deze substitutie van zorg speelt ook mee, dat de bevolking vergrijst en dat kwetsbare ouderen steeds langer thuis wonen en meer en langer zorg nodig hebben van de huisarts dan voorheen het geval was. Een last, but not least factor die in de gehele zorg bijdraagt aan de werkbelasting, is de toegenomen administratieve druk. Kortom, de Nederlandse huisarts dreigt te bezwijken onder de werkbelasting. Dat maakt dat vacatures in achterstandswijken maar nauwelijks ingevuld kunnen worden, want welke huisarts kiest voor een plek waar een burn-out op de loer ligt ten gevolge van de vaak drukke en lange werkdagen, gevuld met ingewikkelde problemen? Uit onderzoek weten we, dat meer tijd voor een zorgvuldige evaluatie van de problematiek, en voor goede communicatie tussen arts en patiënt de efficiëntie en kwaliteit van de zorg verbeteren. Het wordt daarom hoog tijd om huisartsen meer tijd voor hun patiënten te geven door het aantal patiënten per praktijk te verminderen. De normpraktijk per voltijds werkende huisarts wordt per 1 januari 2018 weliswaar terug gebracht van 2168 naar 2095, maar die daling is absoluut onvoldoende om zowel het extra werk als gevolg van de substitutie als de gestegen werkdruk ten gevolge van de complexere problematiek op te vangen. Het is tijd voor een drastische verkleining van de praktijken, niet mondjesmaat maar substantieel zodat de huisarts zorg heeft voor gemiddeld 1700-1800 patiënten. Die verkleining is zeer urgent in achterstandswijken en dient daar snel te worden ingevoerd. Alleen zo kan de Nederlandse huisarts de zorg blijven bieden die nodig is, aan alle Nederlanders, en vooral aan hen die de zorg het hardst nodig hebben. 4 3e uitgave 2017 In Memoriam Wim Brouwer DOOR JEAN MURIS, VAKGROEPVOORZITTER HUISARTSGENEESKUNDE MAASTRICHT Op 8 september 2017 overleed Wim Brouwer in de leeftijd van 92 jaar. Hij behoorde tot de Founding Fathers van de Universiteit Maastricht. Begin 1974 werd Wim Brouwer hoogleraar huisartsgeneeskunde. Hij was lid van de kernstaf van wat toen nog de Medische Faculteit Maastricht i.o (MFM) heette. De belangrijkste taak betrof het ontwikkelen van een curriculum voor de studenten die in september 1974 zouden aantreden. Ook moest hij een vakgroep (toen capaciteitsgroep geheten) Huisartsgeneeskunde opbouwen. Daarnaast nam hij het initiatief om in oktober 1974 te beginnen met de medische vervolgopleiding tot huisarts (destijds Beroepsopleiding geheten). Initieel stroomden alleen afgestudeerde artsen van elders in, vooral uit Utrecht. Voor de opbouw van de vakgroep zocht Wim Brouwer contact met enkele huisartsen uit de regio die bereid waren om in deeltijdmedewerker van de universiteit te worden. Hiermee werd het voorwerk gedaan en de basis gelegd voor het latere netwerk van academische huisartsenpraktijken. In het probleemgeoriënteerde curriculum speelden de eerstelijns gerichtheid en daarmee algemeen geneeskundige kennis en vaardigheden een belangrijke rol. Op voorstel van Wim Brouwer werd in een van de blokken van jaar 1 expliciet aandacht besteed aan vaardigheden. Hij stimuleerde Leon Lodewick om de training ‘lichamelijk onderzoek’ als een apart programma op te zetten. Na de eerste goede ervaringen werd besloten om deze ‘vaardigheidstrainingen’ door de opleidingsjaren heen te organiseren. Het Skillslab was daarmee een feit. Al snel werd het losgekoppeld van de vakgroep Huisartsgeneeskunde en ondergebracht bij de Faculteit Geneeskunde. Een ander belangrijk initiatief betrof het samen met Tonja Mol en Peter Bouhuijs ontwikkelen van een 12-weekse stage in de huisartspraktijk tijdens de coschappen: het Praktisch Medisch Onderwijs in de Huisartspraktijk (PMO-H). Ook hier stonden de algemeen geneeskundige kennis en vaardigheden centraal. Vandaar ook de naam van de stage. De stage met aanvankelijk twee terugkommiddagen en later een wekelijkse terugkomdag werd een groot succes en diende als voorbeeld voor stages elders in het land en voor andere coschappen. Toen de opbouw van het onderwijscurriculum vorm kreeg, richtte Wim Brouwer zijn aandacht meer op de ontwikkeling van het wetenschappelijk onderzoek. Daarvoor werden in eerste instantie enkele sociale wetenschappers geworven, zoals Frans van der Horst. Later droeg Wim de uitbouw van het wetenschappelijk onderzoek over aan de latere hoogleraren Cees de Geus en André Knottnerus. De aandacht van Wim Brouwer ging ook uit naar de gezondheidszorg, specifiek die van de eerstelijn, de ontwikkeling van de huisartsgeneeskunde, zorginnovatieprojecten en de samenwerking van huisartsen met het ziekenhuis. Een uiterst belangrijk wapenfeit in dit kader is dat hij het initiatief nam voor het Diagnostisch Centrum in Maastricht, waarbij huisartsen toegang kregen tot de diagnostische faciliteiten van het ziekenhuis (laboratorium en röntgen). Het zijn de eerste tekenen van de ontwikkeling van de Transmurale zorg die in heel Nederland vorm heeft gekregen. De samenwerking met de huisartsen bouwde Wim uit binnen het concept Academisering. Wim vond dat de verwevenheid tussen gezondheidszorg, innovatie in de zorg, onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, zoals die ook binnen het Academisch ziekenhuis bestond, eveneens in een aantal huisartspraktijken/gezondheidscentra tot stand moest komen. Dat was geen eenvoudige opgave. Toen Wim in 1986 met emeritaat ging, waren de academiseringscontracten met Gezondheidscentrum Withuis te Venlo en Huisartspraktijk Geulle gerealiseerd. Naast zijn voorzitterschap van de Vakgroep Huisartsgeneeskunde, heeft Wim allerlei rollen functies vervuld binnen de MFM, later Rijksuniversiteit Limburg. Hij maakte van 1981 tot 1983 deel uit van het Faculteitsbestuur. Tevens vervulde hij de functie van vice-decaan. Wim was een zeer aimabele man die goede persoonlijke verhoudingen belangrijk vond. Hij was helder in zijn opvattingen, en standvastig in zijn mening. We zijn Wim erg veel dank verschuldigd voor de grote inzet die hij bij de opbouw van de Vakgroep Huisartsgeneeskunde, de Medische Faculteit, en de academische eerstelijns gezondheidszorg heeft getoond. 5 op één lijn 59
Page 6
op één lijn 59 3e uitgave 2017 Afscheid van Mieke Winten “ Enthousiasme, kundigheid en betrokkenheid” INTERVIEW DOOR LAURY DE JONGE, HOOFD ONDERWIJS BASISCURRICULUM HUISARTSGENEESKUNDE Mieke Winten (1951) studeerde geneeskunde in Utrecht en volgde daarna de toen tweejarige Huisartsopleiding in Maastricht (1978-1979). Ze werkte 30 jaar als huisarts in Gezondheidscentrum Neerbeek, in dezelfde praktijk waar Yvonne van Leeuwen ook als huisarts werkte. Allebei bevlogen docenten. Mieke heeft heel veel coassistenten het ‘huisartsenlicht’ laten zien. In haar rol als HAB bij het coschap kreeg ze diverse keren de prijs voor ‘beste clinicus van het jaar’. Ze inspireerde veel jonge artsen, zonder enige dwang, maar puur uit enthousiasme, om ook huisarts te worden. Haar laatste onderwijsrol bij de vakgroep was die van coördinator van de GEZP-stages (18-weeks zorgstage in jaar 6). In ‘Op één Lijn’ nummer 501 met als thema 40-jaar huisartsopleiding Maastricht, beschrijft ze hoe in haar tijd ‘een vrouwelijke dokter nog een noviteit was’. Met ingang van 13 september 2017 is ze met pensioen bij de UM, maar ze is niet gestopt met werken. Je hebt herhaaldelijk gezegd, dat je het raar vindt aanvoelen om te stoppen met werken, en dus met het geven van onderwijs. Wat vind jij zo raar aan stoppen met werken, als je de pensioengerechtigde leeftijd bereikt hebt? De kalender bepaalt dit moment, maar het gevoel van enthousiasme voor het vak van huisarts en het geven van onderwijs blijft onverminderd aanwezig. Ik beschouw dit moment dan ook als een aanleiding om eens stil te staan bij de rol van werken in mijn leven na bijna 40 jaar. Toen ik noodgedwongen ten gevolge van mijn borstkanker stopte met mijn praktijk als huisarts, had ik geen keus. Nu ligt dat heel anders: ik voel me uitstekend en kom tijd tekort om alles wat mij interesseert en bezighoudt te kunnen doen. Het is dan ook een bewuste keuze om te stoppen met mijn werk als docent. Vanaf nu ga ik me als vrijwilliger inzetten voor de Borstkankervereniging en het Kankeronderzoekfonds. Ik heb door mijn ervaringen logischerwijs een sterke affiniteit met (borst)kanker en wil mijn energie nu aanwenden ten gunste van mensen met kanker. Verder biedt het leven nog zoveel moois, dat ik het heerlijk vind om nu eens mijn agenda helemaal zelf in te vullen. 6 1 Terug te vinden op onze website www.huisartsgeneeskundemaastricht.nl/wie-zijn-wij/op-een-lijn.html Ik herinner me nog van mijn eigen opleiding tot huisarts het programma wat jij verzorgde over gynaecologie. Behalve, dat ik de inhoud van dat programma heel nuttig vond, is me altijd bijgebleven hoe jij je opstelde als docent: kundig, betrokken en enthousiast. Die drie kwalificaties hoor ik ook regelmatig terug van studenten over het onderwijs wat je in het basiscurriculum hebt gegeven. Wat drijft jou om onderwijs te geven? Het allerleukste van het geven van onderwijs is het kunnen overdragen van je eigen ervaringen uit de praktijk. Ik leer studenten vooral die dingen die je niet in studieboeken of op internet vindt. Juist de ervaringen die niet volgens het boekje lopen zijn uiterst leerzaam. Ik probeer hen uitleg te geven over de valkuilen in ons vak. Ook laat ik hen zien, dat er veel humor is in het omgaan met patiënten. Het is erg interessant om met het kleurrijke palet van zoveel verschillende mensen te mogen omgaan. Alle leeftijden, diverse culturen, alle rangen en standen, vreugde en verdriet, acuut en chronisch, alles passeert dagelijks de revue. Dit is zo verrijkend en geeft diepgang aan je leven! Verder is het leuk om met studenten te discussiëren, juist vanuit hun jeugdige onbevangenheid die voor mij weer leerzaam is. Eén van je glansrollen was die van facultair begeleider voor coassistenten. Om die rol werd je vele malen verkozen tot HAB van het jaar. Wat is het geheim van je succes? 3e uitgave 2017 Je hebt het eigenlijk al genoemd: enthousiasme, kundigheid en betrokkenheid. Dit zijn m.i. de pijlers van goed onderwijs. Ook het aspect van het coachen van studenten hoort natuurlijk bij het geven van onderwijs. Als je laat merken oprecht geïnteresseerd te zijn in studenten, komen ze geregeld met vragen over hun persoonlijke leven, carrièreplanning en toekomstmogelijkheden. Dit geeft je als docent het gevoel meer te kunnen betekenen voor je leerlingen dan alleen kennis overdragen, mede door je levenservaring als huisarts, maar ook als moeder en dit wordt blijkbaar erg gewaardeerd. De afgelopen jaren was je ook verantwoordelijk voor het vormgeven van terugkommiddagen voor zesdejaars studenten, die een 18 weken durende keuze stage (GEZP) in de huisartspraktijk doorliepen. Wat vind jij belangrijk om studenten in de laatste fase van hun opleiding te leren? De terugkommiddagen bestonden uit het delen van ervaringen op de diverse stageplekken (huisartsgeneeskunde, maar ook ouderengeneeskunde en AVG), het bespreken van problemen bij door hen ingebrachte casus die vaak teruggevoerd werden tot hun eigen aandeel of rol in het verloop van de behandeling, ook in relatie tot collega’s of ondersteunende medewerkers. Door intervisie hielpen ze elkaar met het vinden van antwoorden op allerlei vragen en problemen. De boodschap die ik in deze fase altijd meegeef is: durf je kwetsbaar op te stellen en emoties, teleurstellingen of conflicten te delen met collega’s of andere betrokkenen. Alleen door dit te doen kun je in balans blijven en een burn-out voorkomen. Docent Communicatieonderwijs (CORE), facultair begeleider van coassistenten en GEZP-studenten, trainer klinisch redeneren, mentor en nog veel meer: als docent ben je van vele markten thuis geweest. Welke rol heeft je het meest aangesproken? Dat is moeilijk te zeggen: elke rol had zijn specifieke elementen. Wat als een rode draad door alles heenloopt, is toch wel het intermenselijke contact en de groepsprocessen die ik erg interessant vond. Verder vond ik het uitwisselen van ervaringen met collega’s altijd erg prettig en leerzaam. Helaas is dat aspect de laatste jaren sinds de invoering van het nieuwe coschap veel minder en dat benadeelt dan ook het “teamgevoel”, erbij te horen. Deze verandering maakt het voor mij nu ook makkelijker om mijn werk los te laten. Oproep Huisarts en Huisdier DOOR EEFJE DE BONT, REDACTIE Niets is zo mindful als een dier. Levend in het moment, blij met kleine dingen en altijd daar om de mens van liefde, verwondering of soms zelfs angst te voorzien. Iets dat in mijn hoofd meteen naar boven borrelde toen Job Metsemakers op het Duitse DEGAM congres de zaal de vraag stelde: “Hoe goed zorgt de huisarts voor zichzelf en hoe beschermen we ons als professional in deze veeleisende tijden?” Wij weten wel een antwoord: met een huisdier. Dieren zijn verwonderlijk. Onze aan- of afwezigheid van liefde voor dieren zegt iets over ons als individu. Het zijn deze details die de mens en dus ook ons uniek maken. Het zijn deze details waar wij als redactie nieuwsgierig naar zijn, omdat ze ons verbinden als “Family”. Ik hou persoonlijk van alle dieren, maar niets is zo groots als mijn liefde voor honden. Het woord hond was volgens mijn ouders bij de tien eerste woordjes die ik leerde. Deze liefde is de laatste jaren alleen maar groter geworden omdat het onze chihuahua Penny is die me met haar grote ogen na een lange dag werken of een drukke dienst met warmte aankijken. Vragend om een aanraking of vragend om een van die mooie wandelingen waarmee mijn hoofd zo weer leeg is en in dit moment. En ja mensen, chihuahua’s zijn honden. Ze wandelen met gemak vijftien kilometer en gaan zelfs mee hardlopen als ze goed afgericht worden. Penny vliegt mee naar Griekenland, Penny kijkt net als ik liever (eerst) de kat uit de boom (maar dan ook letterlijk) en Penny was ringdrager op mijn trouwdag. De ’Man bijt hond vraag van vandaag’: Wij zijn benieuwd naar de huisdieren achter u als huisarts. Of het nu Jimmy de wandelende tak is of Karel de kater, we horen het graag. Omdat we jullie nog beter willen kennen en omdat we nu eenmaal van dieren houden. Dus stuur ons je mooiste dierenkiekjes, je gekste verhaal en laat ons weten wat uw dier voor u betekent (heeft) in het leven van alledag. 7 op één lijn 59
Page 8
op één lijn 59 3e uitgave 2017 Bijna 40 jaar Onderwijs Yvonne van Leeuwen met pensioen DOOR HENDRIK JAN VUNDERINK, REDACTIELID Zo lang praktijk en onderwijs aan de UM: is dat nog leuk? Ja, het bleef leuk voor haar, al die dagen en jaren. En meer dan dat: het was een bron van inspiratie en creativiteit. Hoe leren mensen, hoe inspireer je mensen…. Eerst maar eens een overzicht van de activiteiten die Yvonne op huisartsgeneeskundig gebied heeft ontplooid in Maastricht en wijde omstreken. Na haar geneeskundestudie in Groningen verhuisde ze 500 km naar het zuiden om in 1978 de huisartsopleiding te gaan doen in Maastricht, vanuit de Brunssumse praktijk van ene Jo Baggen. Eénmaal huisarts ging ze aan de slag bij de vakgroep Onderwijsontwikkeling en –Onderzoek. Daar leerde ze met mes en vork eten wat betreft toetsing, wat resulteerde in een eerste publicatie: Toetsstenen en Struikelblokken, de basis voor haar latere proefschrift. In 1982 werd ze door toenmalig hoofd Vic Dubois bij de huisartsopleiding binnengehaald als hab. Op het instituut doorliep ze in de loop der jaren zo’n beetje alle functies, om uiteindelijk in 1998 hoofd te worden. Die klus klaarde ze tot 2005 (gelukkig voor mij, want zo kon ze mij nog als hab in dienst nemen in 2004). Overigens was ze gedurende 25 jaar tussendoor ook altijd nog huisarts in Gezondheidscentrum Neerbeek. Na het hoofdschap keerde ze terug naar haar passie: het onderwijs, ontwikkeling en uitvoering. Met name op het gebied van de ogen, het gehoor en de ouderenzorg. Maar ook heeft ze de opleiding tot kaderhuisarts Hart- en Vaatziekten van de grond getild. Haar inhoudelijke speerpunten waren altijd de zintuigen, m.n. visus en gehoor. En dan in het bijzonder nog de problemen met die zintuigen bij het ouder worden. Samen met haar vroegere opleider en inmiddels al heel lang levenspartner Jo Baggen, schreef ze het handzame boekje Oogheelkunde in de serie Practicum huisartsgeneeskunde, in 2002. Later, de 3e, druk verscheen in 2016, samen met o.a. oogarts Marianne van den Maegdenbergh, voor huisartsen het standaardwerk Oogheelkunde. De laatste 20 jaar zag ze de huisartsgeneeskunde een enorme vlucht nemen. Kennis en kunde van huisartsen hebben een forse verdieping doorgemaakt, en de huisarts van nu bezit dus een ongekende deskundigheid. Een 8 grote zorg voor Yvonne is de dreigende achteruitgang van die deskundigheid. Bedreigingen in haar ogen zijn de toenemende werklast, het accent op protocollen waardoor minder ruimte voor creativiteit, en de verparttiming van het vak. En dat terwijl het vak steeds meer vraagt aan lef, creativiteit en inzet. Ook alle maatschappelijke ontwikkelingen hebben grote invloed op het werk van de huisarts, omdat veel patiënten die niet meer kunnen bijbenen en daardoor in een achterstandspositie terechtkomen. Met name de mensen met een lagere sociaaleconomische positie hebben 19 gezonde levensjaren minder dan hoger gesitueerden. Om dat als huisarts straks aan te kunnen, pleit Yvonne ervoor om in de opleiding niet alleen kennis en kunde aan te leveren, of ad hoc coaching, maar om ook een levensinstelling mee te geven aan aios waardoor zij als huisarts verder in de toekomst kunnen en durven kijken. Daar ligt een belangrijke rol voor de huisarts-opleider, maar Yvonne zou ook graag op elk instituut een paar visionairs hebben rondlopen die sturing kunnen geven aan dit proces. Mensen die over de dag van vandaag heen kunnen kijken en aios kunnen voorbereiden op een wereld die ze zelf wellicht niet meer zullen meemaken. Aios kunnen dan ieder voor zich inventariseren wat ze wel en niet willen en kunnen. Waarbij het “ambacht” nooit vergeten mag worden. Dat is het fundament waarop visie wordt gebouwd. Aandacht besteden aan die visie is vele malen zinvoller, aldus Yvonne, dan eindeloos indelingen maken in leerdoelen, eindtermen, competenties en kenmerkende beroepsactiviteiten. Aios hebben er in elk geval niets mee. Belangrijkste inspiratiebron is voor Yvonne altijd de vraag geweest: “hoe leren mensen?” Ze wil docenten stimuleren om die vraag altijd in het achterhoofd te houden, de lol in het onderwijs geven krijgt er dan een extra dimensie bij. En pensioen of niet: Yvonne gaat tot nu toe gewoon door met onderwijs maken. Laatste product, heet van de naald, is het spel Hoge Ogen, gebaseerd op het bekende Triviant. Al spelend krijg je een goed beeld van de eerstelijns oogheelkunde, en je kunt nog wat winnen ook. 3e uitgave 2017 Het is er helaas nog niet van gekomen om het grootse afscheid te organiseren, dat Yvonne verdiend heeft. Nog maar kort geleden heeft ze een heel intensieve en zware behandeling moeten ondergaan vanwege haar ziekte, m. Kahler. Die behandeling heeft ze goed doorstaan, maar het opkrabbelen vraagt de tijd die er voor staat. Naar omstandigheden gaat het haar niet slecht, en ze heeft haar gezicht al weer een paar keer laten zien op het instituut. Hoezo dus, pensioen? Daarom wil ik nu nog geen afscheid nemen, maar afsluiten met een voor haar karakteristieke opmerking, waar iedereen, van staflid tot aios, wat mee kan: “De huisartsopleiding is geen cursus bloemschikken. Je kunt het er niet even bij doen, je moet ervoor gaan. En dan haal je er enorm veel energie uit!” Facultaire Introductie 2017 “ Een goede dokter heeft een dokter” DOOR BABETTE DOORN, PROJECTMANAGER Nathalie Broens en Holger Trompetter De laatste maandag van augustus is al jaren De Dag van de Facultaire Introductie voor studenten van de UM. Na een week (of langer) van feesten, begint de kennismaking met de universiteit. De vakgroep Huisartsgeneeskunde is altijd vertegenwoordigd als beroepsgroep. Hoe we dat kunnen doen, is afhankelijk van de universitaire organisatie. Dit jaar lag de organisatie in handen van het evenementenbureau van de Faculteit, in ons geval de Faculty of Health, Medicine and Life Sciences (FHML). Het idee was een infomarkt waar studenten vrijblijvend konden kiezen om zich te laten informeren. Hoe anders dan de afgesproken mentorgroepen die we afgelopen jaren een heel uur te zien en spreken kregen in een afgesloten collegezaal! Naast de bezuiniging in tijd, was er ook een positieve kant: we kregen nu wel de kans om met ALLE studenten contact te hebben, hoe vluchtig ook. We bedachten een geschikte locatie, materialen en bemensing. Als lokker werd de dienstauto van de Huisartsenpost (HAP) met chauffeur ingezet. De HAP had kilo’s regionaal fruit ingekocht om weg te geven. Daarnaast hebben zij tweetalige flyers voor studenten (niet alleen geneeskunde) over de HAP en het nut van een lokale huisarts. Vanuit Huisartsgeneeskunde deelden we een ‘kiss of life’ uit, een beschermend beademingsmasker. Promoteam: aios huisartsgeneeskunde en drie medewerkers. De locatie bij het nieuwe Sportcentrum van de UM was perfect: we stonden buiten en toch overdekt en alle studenten kwamen na de rondleiding door het sportcentrum onder leiding van een promoteamer van UM Sport naar buiten. We kregen ze letterlijk in de armen geworpen. We moesten snel weten welke Bachelor studenten we voor ons hadden, of het in het Engels of in het Nederlands moest en dan volgde de boodschap op maat. Voor iedereen gold: schrijf je in bij een lokale huisarts, en we legden uit waarom. Voor geneeskunde studenten: een goede dokter heeft een dokter. Onze aios lieten weten dat zij nu in opleiding tot huisarts waren, maar dat zij dat aan het begin van hun studie nóóit verwacht hadden. De planning van de FHML was helaas niet opperbest, waardoor sommigen in tijdnood zaten (‘ze wachten bij ons op het Skillslab’) of ver na de afgesproken eindtijd arriveerden, zoals de studenten van het International Track Medicine. Op dat moment was de auto van de HAP alweer elders dienst aan het draaien. Het was warm, druk en hectisch. Waren we tevreden? Ja, want we hebben heel veel studenten gezien en laten weten dat we er zijn en de lokale fruitboer blij gemaakt. Daarnaast hopen we dat veel studenten nu een lokale huisarts hebben en niet onnodig naar de HAP of EHBO gaan. We zijn ook trots op onze flexibele en enthousiaste aios! Minder tevreden: de slechte planning en het haastwerk. Maar of de jonge en oververmoeide studenten dat ook erg vonden? Ik denk het niet. 9 op één lijn 59
Page 10
op één lijn 59 3e uitgave 2017 Wetenschap in praktijk ‘ De griepnaald in de hooiberg’ DOOR BABETTE DOORN, REDACTIE De Maastrichtse huisarts Jeroen Smeets van GC Heer had een idee: screening op Atriumfibrilleren (AF) bij zestigplussers tijdens de jaarlijkse griepprik. AF is een belangrijk expertisegebied van de vakgroep Huisartsgeneeskunde Maastricht, i.c. huisartsonderzoekers Jelle Stoffers en Robert Willemsen. Beiden zijn tevens docent bij de Kaderopleiding Hart- en Vaatziekten die Maastricht aanbiedt. Daarnaast is Nicole van Gurp-Verbiest, AIOTHO,1 onderzoeker op het grootschalige D2AF project naar het opsporen en diagnosticeren van AF. Niet zo vreemd dus, dat wetenschap en praktijk snel schakelden. Het moest ook snel: binnen twee weken moesten alle patiënten worden geïnformeerd over deze actie, want de griepvaccinaties in Heer stonden gepland op vrijdag 27 oktober 2017. De jaarlijkse griepvaccinatie is sowieso een fenomeen in elke praktijk, dat hoef ik u niet uit te leggen. Daarbij neemt elk jaar de aandacht van de media toe rondom het nut van deze vaccinaties. Die berichtgeving zelf is soms ook net een virus: hardnekkig en onvoorspelbaar. Journalisten die vragen hoe rijk u ervan wordt, maar minder geïnteresseerd lijken in richtlijnen van de beroepsgroep of de Gezondheidsraad. ‘Follow the money’ lijkt mode. Kortom: het leek me leuk om tijdens deze middag (14.00-17.30 uur) op bezoek te gaan in Heer om met eigen ogen te zien hoe de screening op die dag zou verlopen, wat patiënten en hulpverleners ervan vonden en niet onbelangrijk: wat het opleverde. In nieuw opgespoorde AF-patiënten welteverstaan. Ik kwam rond 14.30 uur in de buurt van de praktijk. Je kon van verre zien dat er wat te doen was . Wie niet beter wist, zou denken dat het om de uitverkoop van de Bijenkorf ging. De rij begon buiten al, gelukkig was het droog. Taxibusjes stonden dubbel geparkeerd. Ik wurmde me langs de balie en zwaaide naar de assistente. Niemand passeert haar ongezien, want ze nam de formulieren van de patiënten aan. De patiënt boven de zestig kon kiezen: de screening in combinatie met de griepprik erna, of meteen doorlopen naar de griepprikkamer zonder onderzoeksdeelname. De temperatuur binnen was hoog, de patiënten vonden dat heerlijk, de hulpverleners wat minder. 1 Arts In Opleiding Tot Huisarts Onderzoeker 10 In de eerste kamer naast de assistente zat het zenuwcentrum van het onderzoek: hier werden scores verzameld, griepspuiten gemaakt en ECG’s uitgelezen en beoordeeld. Via een tussendeur kon je daar de ECG kamer betreden. In de gang waren de eerste twee kamers ingericht om te screenen op AF. Patiënten die wilden meedoen konden kiezen in welke ruimte ze naar binnen gingen. In kamer 1 zat een huisarts met een assistente. Tegenover hen waren drie stoelen (en sticks) om plaats te nemen voor de screening. In kamer 2 zat een AF-verpleegkundige en een assistente en daar waren twee stoelen beschikbaar. Gedurende de middag ontstond zo het idee om de bevindingen van beide kamers ook te vergelijken. De screening bestond uit het met beide handen vasthouden van een zogeheten MyDiagnostick2 gedurende één minuut. In die tijd voelde de arts of assistente de pols, vroegen ze de patiënt nogmaals naar hun leeftijd en wat ze van het onderzoek vonden. Dat liep als een speer. Ging het groene lampje branden, dan was er niets aan de hand. Bij rood moest de stick meteen worden uitgelezen en werd aanvullend een ECG gemaakt en een check up gedaan met behandelplan. Na de screening haalden de patiënten een griepspuit in één van de twee kamers aan het eind van de gang. Hier werd ook hard gewerkt door een andere huisarts, de aios, de praktijkondersteuner en de praktijkassistenten. De spuiten en pleisters waren niet aan te slepen. De opkomst was erg hoog, misschien kwam dat door de combinatie met het onderzoek? Ik ging helemaal op in deze hectiek. Als ik (=leek) me nuttig kon maken, hielp ik door mensen te weg te wijzen, te helpen met een jas aantrekken, pleisters op te halen of een drankje voor de medewerkers brengen. Maar vooral: gezellig praten met patiënten. Ik heb geen ontevreden patiënt gezien of gesproken, of het moesten degenen zijn die teleurgesteld waren ‘dat het zo snel voorbij was’. Voor velen leek het een uitje waar ze naar uit hadden gekeken. Slechts een handvol mensen moest na het verschijnen van het rode lampje nader onderzocht worden. Alhoewel het de bedoeling was om nieuwe AF-patiënten te ontdekken, werden ook personen met bekend AF gevonden. 2 mydiagnostick.eu 3e uitgave 2017 Huisarts Gaston Peek en aios Tyas Hanssen Patiënt en assistente Marion Frijns Dat waren patiënten die de uitslag van het ziekenhuis niet vertrouwden. Er was één uitzondering: een toevallige bezoeker wilde de stick ook uitproberen, tegelijk met mij, op een rustiger moment. Zo gezegd, zo gedaan. Laat bij mijn buurman nu wél het lampje op rood gaan. Helaas voor de studie was deze man te jong, maar hij kreeg wel dezelfde uitvoerige screening inclusief behandelplan. Achteraf was hij wel opgelucht dat hij het gedaan had op dat moment. Of het zinvol was om te doen?3 Dat weten we nog niet. Ik denk dat als je die ene patiënt (of meer, dat moet nog 3 De praktijk liet later weten dat er 368 bezoekers gescreend zijn, waarvan 5 positief bevonden, nieuwe AF patiënten (exclusief de bezoeker); totaal opgekomen griepvaccinatie: 600 patiënten blijken) zou vragen of het nuttig was, dat hij ‘ja’ zou zeggen. Dat was de griepnaald in de hooiberg. Of het kosteneffectief is op een grotere populatie? Laten we dan ook de uitkomsten afwachten van andere praktijken die een vergelijkbare studieopzet hebben gekozen. En natuurlijk is er de grote onderzoeksgroep van de D2AF-studie. Die evidence laat wat langer op zich wachten. Net als de uitkomsten van onze andere onderzoekers Ruud Verhees. AIOTHO en diens begeleider Geert-Jan Dinant. Zij onderzoeken momenteel de griepvaccinaties naar het effect op het voorkomen van sterfte. Ook zij nemen ethische aspecten mee. En in de wetenschap dat dat tijd kost, kijken we voor nu terug op een boeiende middag in de praktijk! De afgestudeerden in beeld Made in Maastricht Afstudeersessie 12 september 2017 | V.l.n.r.: Kimberly Everaerts, Michael Ummels, Mariëlle Bakker, Chris Habets, Bjorn Bekkers, Lotte van Kleef, Brechtje Wissink, Charlotte Stevens en Elmar Kooijman. Afstudeersessie 13 december 2016 11 op één lijn 59
Page 12
op één lijn 59 3e uitgave 2017 Bruikbare wetenschap Razende reporter DOOR JOCHEN CALS, HUISARTS IN SITTARD EN UNIVERSITAIR DOCENT VAKGROEP HUISARTSGENEESKUNDE In deze bijdrage vindt u een selectie wetenschappelijke artikelen van Maastrichtse makelij. Hiervoor selecteren wij artikelen die direct bruikbaar kunnen zijn voor de dagelijkse praktijkvoering. Pulmocheck: passend transmuraal zorgpad voor kinderen met mogelijk astma Dit keer schrijf ik de Bruikbare Wetenschap een keer vanaf locatie. Ik ben op het jaarlijkse Wenckebach symposium waar huisartsen uit de regio Parkstad samen met specialisten van het Zuyderland ziekenhuis nascholen. Heel praktisch, goede interactie en boordevol bruikbare wetenschap is mijn indruk. Een uitstekende formule die niet voor niets al jaren wordt gehouden. Eén van de sessies gaat over de Pulmocheck. In het Journal of Asthma beschrijven Jean Muris en zijn team de resultaten die dit zorgpad in de jaren 2011-2013 hebben opgeleverd. Het idee is eenvoudig en interdisciplinair: huisartsen kunnen kinderen met astma-achtige symptomen naar de kindergeneeskunde verwijzen waar zij een 1-daagse check-up krijgen inclusief diagnostiek. De kinder(long)arts geeft daarop een eventuele diagnose en behandeladvies aan de huisarts. Het zorgpad bestaat momenteel in de regio Westelijke Mijnstreek onder auspiciën van MCC Omnes. Huisartsen verwezen 121 kinderen in deze periode voor de Pulmocheck. Uiteindelijk kreeg 59,5% van deze kinderen een nieuwe astma diagnose. En wellicht nog belangrijker: bij de andere kinderen kon de diagnose worden verworpen. Deel van deze kinderen gebruikten al medicatie, en deze kon worden stopgezet. Sowieso was het opvallend dat de kinderarts bij 91% van de kinderen een gericht behandeladvies kon geven aan de huisarts, aanvullend aan de reeds ingezette therapie. Dit betrof overigens zowel farmacologisch als non-farmacologisch advies. In het kader van de hippe term anderhalvelijnszorg: in 81% van de verwezen kinderen kon een formele verwijzing naar de kinderarts worden vermeden. Pijn op de borst De brede DD bij pijn van de borstkas kent elke lezer, en de uitdaging die dit kan geven bij diagnostiek en verwijzen ook. WESP-studenten Beatrijs Hoorweg en Lotte Cleef gingen onder begeleiding van kaderhuisarts hart- en vaatziekten Robert Willemsen op zoek naar de workload die dit teweeg brengt in de dagelijkse praktijk. Ze vroegen 118 Belgische 12 en Nederlandse huisartsen om gedurende 2 weken bij te houden hoeveel patiëntencontacten ze hadden en daarbij mochten de contacten met pijn op de borst uitvoerig worden uitgewerkt. Zo vonden ze uit, dat deze vlijtige dokters maar liefst 23.000 contacten hadden, waarvan uiteindelijk 281 contacten (1,26%) voor pijn op de borst waren. Uiteindelijk verwezen ze 40,2% van deze groep naar de tweedelijn, vaak met de diagnose acuut coronair syndroom in het achterhoofd. De Belgische dokters deden dat overigens wat vaker dan de Nederlandse collegae. Uiteindelijk bleek slechts 8,4% van de patiënten met pijn op de borst (22 van de 263 patiënten waarbij de definitieve diagnose bekend was) een levensbedreigende diagnose te hebben, waaronder 1 longembolie en 21 patiënten met een acuut coronair syndroom). Zo bevestigt dit onderzoek dat circa 1 procent van de contacten die we wekelijks hebben (consult, visite of telefoon) voor pijn op de borst is. Het verwijspercentage ligt met 40% relatief hoog, maar dat is gezien de mogelijk duistere diagnoses niet vreemd. Slechts de minderheid (8%) heeft een van die diagnoses. Vooralsnog hebben we de specialist vaak nodig om veilig uit te sluiten. Snelle testen bij borstkasklachten Maar het wordt al jaren geroepen: er komen sneltesten die huisartsen kunnen ondersteunen bij patiënten met klachten van de borstkas (pijn op de borst en dyspnoe). Juist in situaties, waar die duistere diagnoses zoals infarcten en embolieën op de loer liggen. Ze zijn weliswaar zeldzaam, maar vaak in vermomming en dus lastig, zoals we ook aan het verwijspercentage hierboven zien. Promovendus Angel Schols onderzocht in een systematisch literatuuronderzoek welke ‘point of care’ testen voor cardiopulmonaire klachten in de huisartsenpraktijk geëvalueerd zijn, en dan specifiek op uitkomsten die relevant zijn voor de patiënt, zoals betere diagnoses, of gerichtere verwijzingen naar de goede plek. De oogst was toch relatief mager. We vonden slechts 9 artikelen die data presenteerden van 7 studies, die verschillende point of care testen bekeken, zoals de troponine, H-FABP, D-dimeren en BNP. Een gouden test zat er duidelijk niet tussen. De D-dimeren is veelbelovend, en overigens sterk leunend op mooi onderzoek dat in Nederland is verricht, maar de sneltest moet vooral wel in combinatie met een beslisregel worden gebruikt, conform het advies in de NHG Standaard DVT en longembolie. Een troponine trial 3e uitgave 2017 in Zweden toonde aan dat het verwijspercentage in de troponine groep (25%) lager lag dan bij de normale zorg groep (43%). Maar daar stonden wel 2 gemiste cases in de troponine groep tegenover. We zijn er duidelijk nog niet met de sneltesten, met name wanneer het missen van de index diagnose nogal duistere consequenties kan hebben. We zijn dan veel strenger als het gaat om foutmarges die de sneltest mag hebben. De toekomst zal toch vooral zijn dat sneltesten onze eigen klinische foutmarge wellicht kunnen verkleinen. Wordt ongetwijfeld vervolgd. Is arm en kwetsbaar dubbel pech? Kwetsbaarheid bij ouderen leidt tot een verhoogde kans op hospitalisatie en ook mortaliteit. Maar zou het nu zo kunnen zijn dat het hebben van voldoende (financiële) middelen het verder ontwikkelen van kwetsbaarheid (frailty) kan vertragen? Sandra Beurksens keek met haar team in een groot cohort van 2400 ouderen over een periode van 2 jaar naar het beloop van kwetsbaarheid, door hen elke 6 maanden vragen voor te leggen, ook over inkomen en leefsituatie. Ze vonden niet geheel verrassend dat ook in dit cohort de ouderen die kwetsbaarder waren ook een hogere kans hadden op ziekenhuisopname en mortaliteit. Ze konden echter niet aantonen dat het hebben van minder middelen enig moderend effect had op deze relatie. Het zijn toch opmerkelijke bevindingen, maar tegelijkertijd zet het zeker ook aan tot denken. Kwetsbaar zijn in een flatje driehoog geeft hetzelfde risico op narigheid als kwetsbaarheid in de vrijstaande villa. Stoppen met roken: intensief is niet perse beter Varenicline ter ondersteuning bij het stoppen met roken is aardig ingeburgerd in de meeste praktijken. Zelf verwijs ik patiënten die ik heb weten te motiveren, of die zelf komen met het verzoek, met plezier naar onze POH die de patiënt een aantal keren ziet tijdens het stop-traject. De groep van Daniel Kotz, aangevoerd door Carolien van Rossem, randomiseerde in Eindhoven 295 rokers om ofwel varenicline te krijgen na een eenmalig kort consult door de huisarts, ofwel varenicline te krijgen in combinatie met een intensiever traject bij de praktijkondersteuner. De belangrijkste uitkomst was het percentage stoppers na een half jaar. Ze deden dit overigens zeer slim door ook een biochemisch stofje te meten (cotinine) waarmee je kunt zien of iemand echt gestopt is. De uitkomsten zullen onze POHs niet tevreden stemmen. 39% van de patiënten die medicatie kregen na een kort consult bij de huisarts bleek na een half jaar gestopt versus 32% van de patiënten die ook medicatie kregen en de intensievere begeleiding van de POH. Daarmee valt het dus goed te overwegen om de patiënt die wilt stoppen, na goede voorlichting in de eigen spreekkamer, gewoon de varenicline voor te schrijven. Meer aandacht is niet altijd beter, blijkt ook nu. Referenties • J Asthma. 2017 Oct 13:1-6. doi: 10.1080/02770903.2017.1363893. [Epub ahead of print] • Point-of-care testing in primary care patients with acute cardiopulmonary symptoms: a systematic review. • Schols AMR, Stakenborg JPG, Dinant GJ, Willemsen RTA, Cals JWL. • Fam Pract. 2017 Jul 23. doi: 10.1093/fampra/cmx066. • Can resources moderate the impact of levels of frailty on adverse outcomes among (pre-) frail older people? A longitudinal study. • Op Het Veld LPM, Ament BHL, van Rossum E, Kempen GIJM, de Vet HCW, Hajema K, Beurskens AJHM. • BMC Geriatr. 2017 Aug 17;17(1):185. doi: 10.1186/s12877-017-0583-4. • Frequency of chest pain in primary care, diagnostic tests performed and final diagnoses. • Hoorweg BB, Willemsen RT, Cleef LE, Boogaerts T, Buntinx F, Glatz JF, Dinant GJ. • Heart. 2017 Nov;103(21):1727-1732. doi: 10.1136/heartjnl-2016-310905. Epub 2017 Jun 20. Maastricht INfection Center (MINC) Jaarprogramma 2018: save the dates 22 februari 2018 Infectieziekten overgebracht door muggen “De mug slaat de infectiebrug” 21 juni 2018 Infecties hart en circulatie “Het gaat ons aan het hart” 4 oktober 2018 Bacteriofagen, klassieke antibiotica, pro-, pre- en synbiotica “Forward to the past?” 13 december 2018 One Health “One planet, one Health and one microbiology” ABC1 geaccrediteerd door Huisartsgeneeskunde Maastricht | Lokatie: Vander Valk Maastricht 17:45 uur - 21:30 uur | www.minc.eu 13 op één lijn 59
Page 14
1 e uitgave 2014 3e uitgave 2017 Lonneke Walraven, WESP-student kindergeneeskunde MUMC+ De diagnostiek van ADHD bij kinderen BEGELEIDER: BIRGIT LEVELINK, KINDERARTS MUMC+ Vraagstelling De diagnose ADHD kan door verschillende beroepsgroepen worden gesteld. Er bestaan meerdere nationaal erkende richtlijnen, echter een gouden diagnostische standaard ontbreekt. Mede gezien de toegenomen zorgvraag en de recentelijke transitie in de jeugdgezondheidszorg, is het zinvol te onderzoeken op welke manier de diagnose ADHD bij kinderen momenteel wordt gesteld door verschillende Nederlandse zorgprofessionals. Studiedesign Door middel van een cross-sectioneel vragenlijstonderzoek hebben wij huisartsen, jeugdartsen, kinderartsen, kinderen jeugdpsychiaters en psychologen ondervraagt over hun diagnostiek, hun betrokkenheid hierbij en gebruik van instrumenten hiervoor. Resultaten en conclusie Van de 166 respondenten gebruikte meer dan de helft een richtlijn, één op de drie respondenten gebruikte een nationaal erkende richtlijn. Huisartsen en jeugdartsen lijken zelf nog maar weinig diagnostiek uit te voeren. De meeste diagnostiek vindt plaats in de GGZ en lijkt conform de huidige erkende richtlijnen te verlopen. WESP student: Mathijs Weijnen Adoptiepatiënt project huisartsopleiding BEGELEIDERS: JEAN MURIS EN KRISTA KOETSENRUIJTER Vraagstelling Het adoptiepatiënt project in het derde jaar van de huisartsopleiding bestaat 8 jaar. Het project is bedoeld om AIOS de kneepjes van de complexe ouderenzorg bij te brengen. Hierbij adopteren AIOS een aantal complexe oudere patiënten. Tijdens mijn WESP-stage heb ik gefocust op: hoe en wat leren AIOS van dit project en wat helpt hen hierbij? Studiedesign Er werd een kwalitatief onderzoek opgezet waarbij documentanalyse, etnografische observaties en semigestructureerde interviews werden gecombineerd. In totaal zijn er 4 interviews en 4 observaties tijdens de terugkomdagen rondom dit thema gedaan. Primair resultaat en conclusie AIOS lijken inderdaad een groei door te maken ten aanzien van ouderenzorg. Tegelijkertijd lijken ze minder uit het programma te halen dan zou kunnen. Ondersteuning van de HABs bij de uitvoering van het programma en ondersteuning van de AIOS bij het kiezen van geschikte patiënten zouden het leerrendement vermoedelijk verbeteren. 14 op één lijn 59 3e uitgave 2017 Huisartsencongres in Duitsland Der Mensch im Mittelpunkt? Science slam DOOR DANIEL KOTZ EN JOCHEN CALS, SENIOR ONDERZOEKERS Het DEGAM congres is het jaarlijkse, wetenschappelijk congres van de Deutsche Gesellschaft für Allgemeinmedizin und Familienmedizin.1 Het congres vond van 21 tot 23 September 2017 in Düsseldorf plaats en had als overkoepelend thema: “Der Mensch im Mittelpunkt? Hausärztliches Handeln zwischen Ansprüchen und Alltag”. Het congres werd voorgezeten door Stefan Wilm, huisarts en directeur van het Institut für Allgemeinmedizin (IFAM) Düsseldorf, en mede georganiseerd door Daniel Kotz (oudmederwerker van de Afdeling Huisartsgeneeskunde (HAG) Maastricht en nieuw-IFAM medewerker). Hij promoveerde in 2008 in Maastricht en werd in 2015 hoogleraar in Düsseldorf. Daarnaast bleef hij ook verbonden aan de vakgroep Huisartsgeneeskunde Maastricht. Internationaliseren was één van de speerpunten van het congres. Daarom werd met de Universiteit Maastricht voor het eerst een buitenlandse gastuniversiteit op een DEGAM congres gepresenteerd. Internationale samenwerking wordt vooral in de wetenschap, maar ook in het onderwijs, in toenemende mate belangrijk. Nederland is traditioneel nauw verbonden met de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen, en de onderzoeksgroepen in Maastricht en Düsseldorf liggen zowel geografisch als ook inhoudelijk dicht bij elkaar. Het IFAM ontwikkelt daarom sinds een paar jaar een strategische samenwerking met HAG. Centraal staat hierbij de uitwisseling tussen medewerkers op het gebied van wetenschap en onderwijs, het ontwikkeling van gemeenschappelijke onderzoeksprojecten en nascholing betreffende methodiek en statistiek van eerstelijnsonderzoek. Op het DEGAM congres presenteerden onderzoekers van HAG hun onderzoeksresultaten in 12 verschillende (Engelstalige) sessies, inclusief workshops en symposia. Prof. André Knottnerus kreeg de Michael Berger Award2 uitgereikt (zie foto). In zijn praatje met als titel “Where care and 1 www.degam2017.de 2 www.uniklinik-duesseldorf.de/unternehmen/institute/abteilung-fuerallgemeinmedizin/michael-berger-gedaechtnis-vorlesung/ research come together” ging hij in op de relatie tussen wetenschap en praktijk. Prof. Job Metsemakers hield een keynote lezing met als titel “Yes, we care - for patients, families, communities, and ourselves”. Jochen Cals, huisarts in Sittard en Universitair Docent aan de vakgroep in Maastricht, was een van de deelnemers aan het DEGAM congres: “Ik was echt enorm positief verrast door de veelzijdigheid van het congres en de verschillende sessies, maar ook over de inhoudelijke discussies die werden gevoerd. Regelmatig wordt het zorgsysteem in Duitsland afgeschilderd als een lappendeken en lastig te overzien, omdat huisartsen niet de traditionele poortwachtersfunctie hebben zoals in Nederland. Het is daar bijvoorbeeld heel normaal dat orthopeden, gynaecologen of kinderartsen gewoon hun ‘Privatpraxis’ ergens in de stad hebben, buiten het ziekenhuis”. Cals zag gaandeweg het congres daar ook wel voordelen van: “Ik heb de indruk dat de Duitse huisarts daardoor ook wel gedwongen wordt om wat inventiever te zijn. Zo vond ik het enorm opvallend dat toen wij vroegen wie er echografie in de praktijk had, zo’n beetje 75% van de zaal de arm omhoog stak.” De internationale mix beviel ook de Duitse collegae goed. “Je spreekt wellicht vooral de collegae die enthousiast zijn, maar ik kreeg de indruk dat onze inbreng hen stimuleerde om out-of-the-box te denken. Zo was er een zeer intensieve sessie over euthanasie, waarbij Nederlandse en Duitse standpunten en zienswijzen over en weer werden uitgewisseld. Psychiater Andrea Ruissen en ethicus Guy Widdershoven leidden die sessie. Ik heb er veel collegae over gehoord, juist omdat het thema in Duitsland veel minder besproken en bespreekbaar is”. Is een internationale inbreng dan een optie voor de Nederlandse congressen? Daarover twijfelt Cals niet: “Ik denk dat dat zeker goed zou zijn. De DEGAM is een soort mix tussen NHG Wetenschapsdag en het grote NHG Congres. Ik zie een internationale tak het eerst gebeuren bij de NHG Wetenschapsdag. Engelse parallelsessies of lezingen zullen daar geen probleem zijn. In elk geval zou ik de ‘Science Slam’ willen kopiëren naar onze Wetenschapsdag. Dat was een zinderende afsluiting van één van de DEGAM dagen. Ik zal er niet teveel over vertellen, dat moeten we gewoon hier gaan doen, dan kan iedereen dat ervaren” 15 op één lijn 59
Page 16
op één lijn 59 3e uitgave 2017 Wie ziet ze? OOK en de Witte Raven DOOR SIMON KLEIJKERS, HUISARTS IN GEZONDHEIDSCENTRUM HOENSBROEK NOORD De Witte Raven is een groep ervaren huisartsen die zich richt op het zoeken van de oorzaak van Onuitstaanbaar Onverklaarde Klachten (OOK). De term ‘witte raaf’ is nog wel enigszins bekend, maar de afkorting OOK een stuk minder. Als jongste lid van de Witte Raven, zal ik jullie informeren over onze werkwijze en wat u er aan kan hebben. Tot slot een casus die we als quiz inbrengen. Onder de goede antwoorden verloten we een prijs! Tijdens het lezen van de Amerikaanse krant The Washington Post, viel mijn oog op een interessante rubriek. Het ging over verhalen van patiënten met zeldzame aandoeningen, die al veel specialisten hadden bezocht en bij wie uiteindelijk pas na jaren de juiste diagnose gesteld werd. Wat opviel aan deze verhalen was het gemis van een huisarts die de leiding had kunnen nemen en overkoepelend kan denken, vooral bij onbegrepen lichamelijke klachten. Wij herkennen allemaal het gevoel van de patiënt die de wachtkamer verlaat, waarna je totaal geen verklaring voor de klachten hebt. Je hebt een machteloos gevoel, maar ook een gevoel dat hier iets niet klopt. Er zijn verschillende termen binnen de huisartsgeneeskunde om bepaalde gevoelens of klachten uit te drukken, zoals PNP (Pluis Niet-Pluis) en SOLK (Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten). Voor bovenstaand beschreven gevoel bestond nog geen term. Lid van de Witte Raven groep en inspirator Yvonne van Leeuwen, heeft daarvoor de term OOK bedacht: Onuitstaanbaar Onverklaarde Klachten. Dat ‘onuitstaanbaar’ is belangrijk. U heeft het gevoel dat het niet klopt, maar u kunt er geen duidelijke verklaring voor geven. Er is een verschil tussen OOK en SOLK. OOK betitel ik als vreemd, opmerkelijk en neigt tot verder zoeken. SOLK is vaag en hier moet de arts juist stoppen met verder zoeken naar een verklaring. De Witte Raven gebruiken bestaande zoekmachines zoals Google, Google Scholar, Pubmed en FindZebra om deze onverklaarde klachten te herleiden tot (zeldzame) diagnoses. U vraagt zich misschien af waar de tijd voor dit zoeken vandaan moet komen. Na ieder spreekuur reflecteer ik over de geziene patiënten: welke klachten waren vreemd en opmerkelijk? Die noteer ik. Thuis start ik de digitale zoektocht. Eenmaal getraind kost dit slechts enkele minuten. 16 Onze visie en werkwijze presenteren we op verschillende manieren. Zo gaven wij een workshop tijdens het NHG congres in Leeuwarden in 2016. Ook presenteerden wij in maart 2017 tijdens het lunchreferaat ‘Broodje Verstand’ van de vakgroep Huisartsgeneeskunde over onze werkwijze. Deze presentatie is online terug te kijken op https://youtu.be/BZvBVJRJ9Vg. Deze verwijzing staat ook op onze website www.witte-raven.net. Mocht u dus een patiënt hebben met OOK: aarzel niet en schakel de Witte Raven in! Wij gaan hier graag mee aan de slag. Op onze website www.witte-raven.net kunt u onze suggesties lezen over een goede aanpak van een digitale zoekmethode. Om jullie enthousiast te maken voor het digitaal zoeken, presenteren we vanaf nu in ieder nummer van ‘Op één lijn’ een casus. Aan jullie de taak om met behulp van een digitale zoektocht tot de diagnose te komen. Antwoorden kunnen gestuurd worden naar s.kleijkers@gmail.com. Onder de goede antwoorden verloten we een leuke prijs. Veel succes! De Witte Raven groep in Maastricht bestaat uit de volgende leden: Harry Crebolder, Geert-Jan Dinant, Paul Höppener, Simon Kleijkers, Raymond Leclercq, Yvonne van Leeuwen en Erik Stolper. Doel: zoeken naar de oorzaak van Onuitstaanbaar Onverklaarde Klachten (OOK). De groep bestaat uit huisartsen met een mix van ervaring, zowel klinisch als wetenschappelijk. Werkwijze: de groep krijgt door collegae of anderen een papieren casus aangereikt die mogelijk verdacht is voor een zeldzame aandoening, waarvan eerder specialistisch onderzoek niets heeft uitgewezen. De inbrenger heeft echter het stellige vermoeden dat de oorzaak een zeldzame ziekte is. De wijze van zoeken, gericht op zeldzame aandoeningen, leidt tot een advies aan de inbrenger. 3e uitgave 2017 Casus / quiz De 35- jarige mevrouw S. heeft van de cardioloog een pacemaker gekregen wegens een recent ontstaan totaal AV-block, oorzaak onbekend. Morgen komt zij op je spreekuur om dit te bespreken. Wat doe je met deze Onuitstaanbaar Onverklaarde Klacht? Leeftijd 35 37 40 47 47 48 49 50 Klacht / aandoening 3e graads AV-block (totaal) Frequente VESsen Jicht Uterusextirpatie Hypercholesterolemie Toename aritmie (VES) BPPD Livide verkleuring neus wisselt in intensiteit Zie foto BMI: 29 Holter: sporadisch “treintjes” van ventrikeltachycardie (NVST) Toelichting Trefwoord Verwijzing cardioloog; pacemaker DDD implantatie Echo cor geen afwijkingen. Normale linkerventrikel ejectiefractie. Verwijzing reumatoloog 51 54 55 Trigger finger waarvoor injectie Nog steeds pacemaker; frequente VES en korte periode van bigeminie Naar cardioloog; nieuwe bevinding Linkerventrikel ejectiefractie gedaald tot 40% definitieve diagnose en aangepaste behandeling 17 op één lijn 59
Page 18
op één lijn 59 3e uitgave 2017 Promotie Jerôme van Dongen Op vrijdag 15 december 2017 om 10.00 uur promoveert Jerôme van Dongen op: “Interprofessional collaboration in primary care teams. Development and evaluation of a multifaceted programme to enhance patient-centredness and efficiency”. Jerôme startte in 2012 met zijn promotietraject bij Zuyd Hogeschool (lectoraat Autonomie en Participatie van chronisch zieken) en de vakgroep Huisartsgeneeskunde van de UM. Het doel van dit onderzoek was om zorgprofessionals toe te rusten met methodieken, interventies en technologieën om in de eerste lijn de interprofessionele samenwerking te verbeteren. Met ingang van 1 september jl. is hij voor een halve dag in de week aangesteld bij de vakgroep Huisartsgeneeskunde om het team van Loes van Bokhoven en Trudy van der Weijden als onderzoeker te versterken. Hij zal een aantal vragen vanuit zijn promotietraject verder gaan onderzoeken en de link naar het onderwijs proberen te maken. De afgestudeerden in beeld Made in Maastricht Afstudeersessie 19 september 2017 | V.l.n.r.: Maxime Rozestraten, Jorge Gomez Cortes, Eline Haans, Olga Sampers, Marieke van Dongen, Mieke Deckers, Marieke Verhulsdonk, Veronique Demarteau, Nienke de Haan Afstudeersessie 6 december 2016 18 HAG Fietst Van koeienvlaai tot slagroomtaart DOOR KIRSTEN PEETOOM, FIETSENDE PROMOVENDUS HAG In het keukentje, de wandelgangen en in voorstelmails gaat het regelmatig over fietstochten, op de racefiets, mountainbike, in binnen-en buitenland. Het werd dus hoog tijd voor een HAG-fietstocht! Op zondag 29 oktober verzamelden 6 HAG’ers zich voor de ingang van UMsport voor een fietstocht over ongeveer 60 km. Het ‘HAG peloton’ bestond uit: Mark Spigt, Piet Portegijs, Floor van den Brand, Marjolein van Rooijen, Ruud Verhees en wegkapitein Kirsten Peetoom. Niet onbelangrijk: Piet reed mee op zijn 25 jaar oude hybride fiets en dito gewicht – terwijl de anderen op racefietsen waren – dus petje af! We vertrokken met de wind vol in de rug over de Molenweg richting Moerslag voor de eerste klim van de dag. Het praattempo zakte iets op de klim, maar iedereen kwam vrolijk en in ‘het peloton’ boven. Daarna vervolgden we onze weg via een kuitenbijtertje richting Mheer. Mark plaatste een demarrage om bovenop zijn windjack uit te kunnen doen. Het ging vervolgens op en af richting Noorbeek voor de langste klim van de dag. Hier ‘brak het peloton’ en koos Piet zijn eigen tempo omhoog in gezelschap van Kirsten . Na de beklimming reden we een stuk over het plateau en net toen Piet bezig was met een natuurkundige verhandeling over hoe mijn fietsband ooit had kunnen ontploffen in de auto, hoorden we ineens ‘’pzzzzz’’ gevolgd door ‘’lek!’’. De voorband van Ruud was lek en na een grondige inspectie van de buitenband, kreeg Ruud een nieuw binnenbandje van Mark, bandenlichters van Kirsten en assistentie van Piet bij het verwisselen van de band.1 De tocht ging verder met een schitterend uitzicht op het bos bij Teuven. Voor Marjolein (alleen fietservaring rond Amsterdam) was het haar eerste kennismaking met fietsen in Limburg/Voerstreek en ze had het idee, dat ze de hele tijd op vakantie was. Daarna gingen we unaniem voor de lange variant van de fietsroute en doken we de afdaling in richting Aubel. Onderaan moesten we even kort stoppen voor een nieuw technisch probleempje, de voorrem van Piet haperde en hij moest verder met alleen een achterrem. Met de wind vol tegen, reden we via Route du Val Dieu, Moelingen en Withuis naar Mesch voor een stuk slagroomtaart, koffie of limonade bij Mark thuis. Toen de energiereserves weer op peil waren, vertrokken we voor het laatste stuk richting Maastricht. Het was een ontzettend leuke tocht samen, de sfeer zat er goed in en het is zeker voor herhaling vatbaar. Tot in het HAG peloton! 1 De band zat vol met koeienstront, aldus Ruud (redactie) 19 op één lijn 59
Page 20
op één lijn 59 3e uitgave 2017 Een vroege diagnose bij dementie Wie zou het willen weten? DOOR RUDOLF PONDS EN CLAIRE WOLFS, ONDERZOEKERS VAKGROEP NEUROPSYCHOLOGIE MUMC+1 In januari 2018 starten onderzoekers van het MUMC+ in samenwerking met Radboud UMC Nijmegen met een studie om gezamenlijke besluitvorming rondom diagnostiek van dementie in de huisartspraktijk te verbeteren. Veel oudere mensen met klachten over het geheugen vragen zich af of dit het begin van dementie kan zijn. Een deel van de mensen wacht af wat de tijd zal brengen. Anderen gaan actief op zoek naar een antwoord. Dit begint met een bezoek aan de huisarts. Samen met de huisarts zal dan worden gekeken of een nader onderzoek bij een van de vele geheugenpoli’s wenselijk is. Op een geheugenpoli kan worden vastgesteld of er mogelijk sprake is van de ziekte van Alzheimer. Dit kan al in een zeer vroeg stadium, waarbij de patiënt weliswaar geheugenklachten heeft, maar daar nog maar in zeer beperkte mate door wordt gehinderd. De vraag is of een dergelijke vroege diagnose voor iedereen wel even belangrijk is of mogelijk zelfs schadelijk is. Waarom dit onderzoek? Een veel gedeelde mening is dat een vroege diagnose van Alzheimer in een voorstadium of zeer mild stadium voordelen heeft. Zo kunnen mensen zekerheid krijgen over de oorzaak van de geheugenklachten en kunnen zij zich beter voorbereiden op toekomstige beslissingen die ze moeten nemen. Een vroege diagnose heeft ook nadelen, zoals angst of stigmatisering. Mensen hebben verschillende overwegingen bij het wel of niet starten van een diagnostiektraject. Het is van belang deze vroeg te bespreken, bij voorkeur in de huisartsenpraktijk. Dit moet leiden tot een ‘tijdige’ diagnose, waarbij het diagnostiektraject begint op het moment dat de oudere met geheugenklachten daar ook zelf aan toe is. Gedeelde besluitvorming kan hierbij helpen. Dit houdt in dat huisarts, patiënt en familie gezamenlijk beslissen, waarbij zij naast medisch-inhoudelijke argumenten ook nadrukkelijk de voorkeuren van de patiënt en naasten meenemen. Doel van dit onderzoek is om een keuzehulp te ontwikkelen en te evalueren, die deze gezamenlijke besluitvorming ondersteunt. De onderzoekers verwachten dat mensen die zich met geheugenklachten melden bij de huisarts, met deze keuzehulp tot een weloverwogen besluit komen om wel of niet te starten met een diagnostiektraject. 20 Wat willen we onderzoeken? Mensen met geheugenklachten en hun familie worden geconfronteerd met beslissingen die ze moeten nemen met ingrijpende consequenties. Dit zijn beslissingen die vooral bij de huisarts genomen worden: wil ik wel of geen verdere diagnostiek, wat betekent het voor mij om de diagnose dementie nu te weten. In dit project willen we onderzoeken hoe we deze personen en hun familieleden en de huisartsen optimaal kunnen begeleiden. Het onderzoek bestaat uit drie onderdelen: • Een inventarisatie van de afwegingen die mensen met geheugenklachten, hun familie en huisartsen maken, welke wensen ze hebben en wat ze als voor- en nadelen zien bij een genomen besluit. • Onderzoeken hoe mensen onderling verschillen in het maken van deze afwegingen en waar dit mee samenhangt. Denk daarbij aan verschillen in persoonlijkheid of leeftijd. • Op basis van de kennis over de afwegingen die mensen met geheugenklachten en huisartsen maken ontwikkelen we een keuzehulp die getoetst zal worden op effectiviteit. Wat is de rol van de huisarts in dit onderzoek? Voor dit onderzoek willen we medewerking vragen aan een groot aantal huisartsen in de regio zuidoost Nederland. We willen de huisartsen vragen om ouderen die zich voor de eerste keer met geheugenklachten in hun praktijk melden, aan te melden voor deelname aan onze studie. Daarbij inventariseren we bij de persoon met geheugenklachten, familie, huisarts en praktijkondersteuner welke afwegingen er zijn geweest om wel of niet een diagnostiektraject bij een geheugenpoli te starten. Daarnaast vragen we huisartsen en/of huisartsondersteuners deel te nemen aan focusgroepinterviews waarbij gediscussieerd wordt over het belang van vroegdiagnostiek en gezamenlijke besluitvorming. Wat is de belasting voor de deelnemers? Deelname voor de mensen met geheugenklachten en hun familie houdt in dat we ze bij aanmelding voor het onderzoek en na 6 maanden vragen een aantal vragenlijsten in te vullen over o.a. over het besluitvormingsproces, kwaliteit van leven en welbevinden). Dit invullen kan online of m.b.v. een 3e uitgave 2017 papieren versie. De keuze ligt bij de deelnemer. Dit zal per keer 60-75 minuten in beslag nemen. Deelname voor de huisartsen houdt in dat we ze kort (5-10 minuten) een aantal vragen (telefonisch of via de mail) willen stellen over hun diagnostische overwegingen nadat ze iemand met geheugenklachten hebben aangemeld. Deelname aan een focus-groep interview (indien gewenst) duurt maximaal 2 uur (eenmalig). Meer informatie? Wilt u nu al meer weten over de studie of u aanmelden voor deelname aan de focusgroepen, neem dan contact op met Rudolf Ponds (r.ponds@maastrichtuniversity.nl) of Claire Wolfs (claire.wolfs@maastrichtuniversity.nl). Claire Wolfs Rudolf Ponds ECG’s beoordelen én begrijpen De ECG10+methode DOOR KAREN KONINGS, HUISARTS EN DOCENT KADEROPLEIDING HART- EN VAATZIEKTEN In dit boek draait alles om één van de leukste klinische onderzoeken: het ECG. In rijk geïllustreerde hoofdstukken komt alles helder aan bod: • Indicaties: in welke situaties maak je een ECG, wanneer juist niet? • Techniek: de basale elektrofysiologie en het maken van het 12-afleidingen ECG. • Begrijpen: stapsgewijze uitleg hoe het ECG te vertalen is naar een kloppend hart. Al snel zie je in de elektrische activiteit op papier een 3D-‘filmpje’ van het hart ontstaan en begrijp je waaróm afwijkingen er uitzien zoals ze er uitzien. • Beoordelen: met de in dit boek geïntroduceerde ECG 10+-methode leer je de onderdelen van een ECG systematisch te beschrijven in tien stappen. In het ‘+’-onderdeel van ECG10+ komen patiënt en ECGbeeld samen in een conclusie en beleid. • Kliniek en leerstof voor geïnteresseerden: in aparte kaders meer over de klinische betekenis van ECGafwijkingen én verdere verdieping. • Oefenen: in het werkboek kun je uitgebreid oefenen aan de hand van alledaagse casuïstiek. Dankzij de ECG10+-checklist en de samenvatting (De Kern) in het leerboek grijp je daarbij snel terug op de theorie. • Handige hulpmiddelen: Naast de ECG10+-checklist, en kernpunten, helpen overzichtsplaten, schema’s en een ECG10+-App om overzicht te houden en routine te krijgen. Dit boek is bedoeld voor alle beginnende en gevorderde ‘niet-cardiologen’ die ECG-vaardig willen worden en blijven. Wie nog meer wil leren: u kunt zich nog aanmelden voor de NHG Kaderopleiding Hart- en Vaatziekten. Start maart 2018. Info: www.huisartsgeneeskundemaastricht.nl/wat-bieden-wij/ nascholing/hart-en-vaatziekten 21 op één lijn 59
Page 22
op één lijn 59 3e uitgave 2017 Hoofdzaken Opleiden in tijden van cholera? DOOR BAS MAIBURG, HOOFD HUISARTSOPLEIDING MAASTRICHT Op de stafdag in oktober kon ik de behaalde doelstelling van een financieel gezonde organisatie – één van de speerpunten voor 2017 - presenteren aan de staf. Amper een week later doen zich echter nieuwe ziektekiemen voor in de vorm van de toewijzing van beduidend minder aios dan gebruikelijk aan de huisartsopleiding Maastricht. Netto een groep aios minder voor de start van de opleiding in maart 2018. Schrikken? Niet als je kijkt naar het totaalaantal aanmeldingen en de voorkeuren die kandidaten voor de opleiding opgaven bij hun aanmelding. Maar de harde cijfers voor Maastricht zijn wel zorgelijk. Niet op zijn minst voor de opvolging van huisartsen in de regio Limburg/ Zuidoost Brabant. Elders in deze uitgave van Op één Lijn geeft Joost Dormans een overzicht van de analyse van het instroomprobleem van aios en de acties die vanuit de Huisartsopleiding Maastricht en Huisartsopleiding Nederland zijn ondernomen. Eén ding is evident: er is zowel lokaal als landelijk werk aan de winkel op het gebied van werven van aios voor de opleiding. Op onze stafdag in oktober spatte overigens de vitaliteit ervan af. Bij de opening door onze zangmeester Felix Punt presteerde de staf het om, in een soort meta-provinciale canon, tegelijkertijd het lied van Hertog Jan en het Bronsgroen Eikenhout ten gehore te brengen. We leiden immers op twee locaties op. Toen dat eruit was, lag de weg open voor een aantal stevige trainingen rond observeren van aios, lean werken, omgaan met de balans werk/privé en reflectie op de eigen waarden rond werk, ontwikkeling en privé. En bij de afsluiting in een Eindhovens tapasrestaurant bleek er, naast gezonde kritiek op sommige elementen van het diner, over het geheel genomen ook sprake van een gezonde eetlust van de staf. Naast enkele bij het seizoen passende snotneuzen, waren er op de HAO-Tweedaagse in Heeze weinig ziektekiemen te bespeuren. Wel waren er de kiemen aanwezig van een ontluikende nieuwe kijk op toetsen en beoordelen van aios. Volgens de key-note speaker van dit onderdeel over thema’s en KBA’s is er niet echt veel nieuws onder zon: (goede) oude wijn in nieuwe zakken. Inderdaad, het holistische expertoordeel van de opleider over de aios staat in de toetswereld fier overeind. Voor de verantwoording van dit oordeel, het expliciteren ervan, zijn de thema’s en KBA’s wel degelijk handige nieuwe elementen. Ze leveren de taal en inhoud voor 22 de narratieve feedback waar de aios echt mee verder kan. Saillant detail van deze presentatie: de beschrijving van de positieve, warme sfeer waarin de spreker zich terecht gekomen voelde in Heeze! Als u dit stukje leest hebben we de visitatie van de RGS net achter de rug. Deze vijfjaarlijkse exercitie, bedoeld voor de hernieuwing van de erkenning als opleidingsinstituut, is voorafgegaan door een stevige najaarsschoonmaak van allerlei documenten en plannen van de opleiding. De nodige zaken zitten weer in een nieuw verfje, maar toch is het meer dan ”window dressing”. Het samenvallen van de nodige nieuwe regelgeving begin 2017 (nieuw landelijk opleidingsplan, toetsplan en format voor het instituutsreglement) en de visitatie nu in november heeft geleid tot een flink aantal compleet nieuwe stukken. En een van de “windows” van de opleiding, de elektronische leeromgeving EleUM, heeft ook een gedaanteverandering ondergaan. De vitaliteit van de opleiding moge ook blijken uit de start van een aantal nieuwe huisartsbegeleiders en gedragswetenschappers bij de opleiding. Na het afscheid van Jos Sleijpen, zijn zijn begeleiderstaken bij de opleiding overgenomen door Cristel Achterberg, een ervaren psychotherapeute uit Maastricht die voor ons in Eindhoven gaat werken. Ook is in Eindhoven Els Kuijper begonnen. Door haar brede ervaring met onderwijs aan de Universiteit Utrecht en als opleider voor de huisartsopleiding Utrecht is zij nu ook voor ons breed inzetbaar. Verder komt Nicole Schuttelaar als zeer ervaren GZ-psycholoog onze gedragswetenschappelijke geledingen in Eindhoven versterken. En sprekende over vitaliteit, of beter nog veerkracht, kan ik niet om Yvonne van Leeuwen heen. Emeritus hoofd van de opleiding en onderwijskundig denker. Ze stond begin november na een, eufemistisch gesteld, ingrijpende behandeling weer bij de opleiding. Ambitieus genoeg om het door haar ontwikkelde, fraaie oogheelkunde spel aan de man en vrouw te brengen bij de verschillende huisartsopleidingen. De huisartsopleiding bloeit, maar groeien is een ander punt. De ruim 200 aios die onze opleidingsgangen bevolken vormen qua aantal een voorlopig hoogtepunt. Consolideren door gerichte werving is de uitdaging. Een mooi voornemen voor 2018! 3e uitgave 2017 Meer aios huisartsgeneeskunde nodig Denk mee: wat kunnen we nog meer doen? DOOR JOOST DORMANS, COÖRDINATOR BEDRIJFSVOERING, WERVING AIOS EN PLAATSVERVANGEND HOOFD Vanaf 2010 is de huisartsopleiding Maastricht flink gegroeid. Die groei was hard nodig om de eerstelijnszorg in Limburg en Zuidoost-Brabant te borgen. Vanaf 2011 hebben we ingezet op terugkomdagonderwijs op twee locaties, Eindhoven én Maastricht, en praktijkonderwijs dicht op de regio met als achterliggende gedachte dat we opleiden voor de regio waar je in opleiding bent. Het landelijke Capaciteitsorgaan berekende, dat 72 opleidingsplaatsen nodig zijn voor Limburg en ZuidoostBrabant. In 2017 lukt het voor het eerst niet om alle opleidingsplaatsen gevuld te krijgen. Hoe kan dat? De kwaliteit van de opleiding is goed, onze reputatie is goed, onze docenten vervullen een rolmodel en we beschikken over voldoende stageplaatsen voor aios met ervaren opleiders uit praktijken die onderwijsminded zijn. De basis is goed en toch lukt het niet om alle opleidingsplaatsen te vullen. Wat is er aan de hand? Waar schort het aan? Huisartsgeneeskunde als specialisme is als gewenste vervolgopleiding populair onder studenten en basisartsen. De redenen om te kiezen voor huisartsgeneeskunde zijn bekend. Waarom zien we dat dan niet terug in de aanmeldcijfers? De pool basisartsen (ca 5000) in Nederland is immers gigantisch. Steeds minder studenten kiezen direct na het afstuderen voor een vervolgopleiding. Basisartsen blijven langer anios, want er is voldoende werk in de klinieken. Helaas is de jonge arts daardoor langer uit het vizier van huisartsgeneeskunde. Er zijn immers geen anios Huisartsgeneeskunde. Als je het positief bekijkt, zou je kunnen zeggen dat jonge artsen zich langer oriënteren en dus bewuster kiezen voor een vervolgopleiding. De pensioenleeftijd schuift gestaag op, er is tijd genoeg om te kiezen. De zekerheid dat er in de toekomst voldoende werk is, is er, helemaal, als de wens om verlaging van de normpraktijk doorzet. Sussen we onszelf in slaap door ons te troosten met de gedachte, dat het aantal aanmeldingen op termijn wel goed komt? De huisarts die nu op zoek is naar een opvolger, de huisarts die graag een deel van z’n diensten wil verkopen of (meer) parttime wil werken en een vaste hidha zoekt, die koopt daar weinig voor. Wat kunnen we zelf doen? Allereerst zorgen, dat de regio op de kaart blijft door onverminderd door te gaan met innovatieve projecten, inspirerende samenwerkingsverbanden op te zetten en vooral door daar jonge artsen bij te betrekken. Niet alleen de ‘gevestigde orde’ dus, maar een mooie mix die garant staat voor reuring en dynamiek. Nodig studenten en anios uit en laat zien hoe de huisartspraktijk anno nu werkt en wijs ze op de mogelijkheden om je als huisarts te ontwikkelen. Een tegeltjeswijsheid als ‘goed voorbeeld, doet goed volgen’ is in de fase dat basisartsen en studenten kiezen heel belangrijk, zo blijkt steeds weer. De opleiding blijft zich inzetten voor het leveren van goede kwaliteit en zal zich inspannen, via de vakgroep en commissies, om huisartsgeneeskunde goed in het geneeskundecurriculum terug te laten komen. Natuurlijk blijven we ook meeloopdagen organiseren, werken we mee aan activiteiten van de medische studentenvereniging MSV Pulse, congressen, komt er een nieuwe website in een cross-mediale opzet, staan we op de OOR-ZON website en denken we na over “wilde plannen” als een aniosplaats in huisartspraktijken waar huisartsopleiders even geen aios hebben. Voor hen die denken: ik ben geen huisarts, wat kan ik doen… gewoon blijven ademen! We moeten samen zorgen dat Limburg ‘sexy’ blijft om in te wonen, te leven, te werken. Op de toekomst en een gelukkig 2018! European General Practice Research Network (EGPRN) EGPRN Lille-Frankrijk, 10-13 mei 2018 Thema: “Changing Doctors for a Changing World” Abstracts online insturen vóór 15 januari 2018 via: meeting.egprn.org Info op meeting.egprn.org of mail naar hanny.prick@maastrichtuniversity.nl 23 op één lijn 59
Page 24
op één lijn 59 3e uitgave 2017 Oud-aios: hoe vergaat het ze? Van Zuid-Limburg naar Zweden Mijn naam is Marije Galavazi, ik ben getrouwd met Michiel en moeder van Hylke, Aafke en Mette. Ik werk als huisarts in Örebro, Zweden. ”Hoe vergaat het je?” werd mij gevraagd. Vertel ik dan over meren, bossen, elanden en winters met heel veel sneeuw? Of over het werk in een praktijk met 14.000 patiënten? Of dan toch meer mijn eigen persoonlijke verhaal? Ik kies voor het laatste. Al ruim voor het afronden van mijn opleiding tot huisarts in 2008 in Maastricht, hadden mijn man en ik plannen om naar Zweden te vertrekken. We woonden toen met twee kinderen in Valkenburg aan de Geul. Voor de rust hoefden we niet weg te gaan, het was het avontuur dat lokte. We hoorden via een collega van Michiel dat ze in Örebro een gastro-enteroloog en huisartsen zochten. In de donkerste dagen van het jaar zijn we gaan kijken. Hoewel het die dagen alleen maar geregend heeft, waren we er al snel uit. Want wanneer krijg je nou de kans om in een ander land te wonen, een nieuwe taal te leren en dat alles met het veilige vooruitzicht van een baan voordat we überhaupt vertrokken waren? Doen dus. Oktober 2008 vertrekken we naar Zweden. De eerste tijd is alles top, spannend, leuk en eigenlijk redelijk makkelijk. Je bent al snel “knap” als je de taal een beetje leert beheersen. Mede dankzij de flexibele kinderopvang is het dagelijkse geregel meestal goed te doen, ook nadat de derde werd geboren. Ik ging weer 2 jaar in opleiding om mij ook hier huisarts te mogen noemen. Inmiddels zijn de regels veranderd en kun je je in Zweden direct als huisarts inschrijven. Het huisartsenvak is in de kern hetzelfde als in Nederland hoewel er ook zeker verschillen zijn. De ziektebeelden van mensen zijn niet anders. Hoewel die ene patiënt met “de hazenpest”1 wel bijzonder was. Wat anders is, is dat ik de zorg als minder persoonlijk ervaar. Door de grotere praktijken verlies je deels de kracht van de huisarts en assistent die al hun patiënten kennen. Om de mensen die snel beoordeeld moeten worden te kunnen zien, hebben we een soort dienst overdag. Dat brengt met zich mee dat je veel patiënten van collega’s ziet en vice versa. Degenen die vaker zorg nodig hebben leer je wel redelijk snel kennen natuurlijk. Ook palliatieve zorg zoals ik dat in Nederland heb meegekregen, wordt hier niet geboden door de huisarts. Je bent betrokken bij de start van het proces, 1 http://www.rivm.nl/Onderwerpen/T/Tularemie 24 Marije in het midden maar dat wordt overgenomen door een palliatief team. Visites worden in principe niet gereden, behalve het eerste gesprek rond starten van palliatieve zorg. De zorg over zowel verzorgals verpleegtehuizen ligt dan weer wel bij de eerstelijn. Ook het ‘ziek schrijven’ voor mensen die langer dan 7 dagen thuis zijn hoort bij de taak van de behandelend arts. Daar zit je niet zelden met lastige dilemma’s en gesprekken. In het algemeen is het een wat logger, onpersoonlijker apparaat met als gevolg, dat het door patiënten ook moeilijker wordt ervaren om contact te krijgen met de huisarts. Het voordeel van de grote praktijken is het dagelijks werken in een groter team en het kunnen delen van de werkdruk met meerdere collega’s. Kort samengevat: jullie doen het in Nederland gewoon heel erg goed! Mocht je nog meer willen weten over het werk als huisarts in Örebro, dan vertel ik er graag meer over.2 Op een gegeven moment is het nieuwe er wel vanaf. Ongeacht waar ter wereld we zouden wonen, de dagen draaien toch vooral om kinderen, werken, wat eten we vandaag, bezoek, het huis en alle activiteiten die de voorafgaande zaken met zich mee brengen. Alles gaat z’n gangetje. Weer wat later gaat het soms moeizamer. Door te emigreren zijn we meer op onszelf en elkaar aangewezen. En hoe lang blijft het leuk om te horen dat je zo goed Zweeds spreekt? Met de jaren wordt het een bevestiging, dat je dus nog steeds hoort, dat ik niet Zweeds ben. Ik ga me bij vlagen storen aan de soms gesloten en moeilijk te bereiken collega’s. En die winters zijn wel heel lang en donker. Gek genoeg voel ik me ook steeds Nederlandser, wat dat dan ook precies mag zijn. Noch positief of negatief eigenlijk maar wel de realisatie, of tenminste het gevoel, dat je er toch net niet helemaal bij hoort. Maar ja, in Nederland hoor ik er ook niet meer bij. Oftewel, een emigratie-dip. Na een aantal serieuze gesprekken hier thuis met als hamvraag “Gaan we terug?”, besluiten we te blijven. Juist vanwege die omstandigheden die maken dat we het hier in het dagelijkse leven naar onze zin hebben: kinderen die het fijn hebben, leefruimte, nooit file en de mogelijkheid om naast het werk ook op reis te blijven gaan. Wel ben ik daarna op zoek gegaan naar veranderingen in mijn werk situatie. Ik ben ruim twee jaar geleden minder in de praktijk gaan werken om bij een obesitas kliniek aan de slag te gaan en 2 Correspondentie kan via de redactie op1lijn@maastrichtuniversity.nl ik start daar nu met wetenschappelijk onderzoek als eerste stap richting promoveren. Onlangs heb ik ook de grote praktijk verruild voor een van de kleinste met “slechts” 7000 patiënten. Inmiddels wonen we hier al ruim 9 jaar. Tevreden in Örebro, Zweden. En oh ja, ik ben vorige week tijdens het hardlopen nog achterna gezeten door een eland. Iets wat me in Valkenburg nooit is gebeurd. Typisch 'Zweeds': de lange winter onvluchten Oud-aios: hoe vergaat het ze? Uit de spagaat DOOR MERIJN GODEFROOIJ, HUISARTS IN HELMOND In september 2008 begon ik met de huisartsopleiding in Maastricht. In het tweede jaar van mijn opleiding kwam er een interessante vacature voorbij voor een AIOTHO-plek, een combinatietraject van de huisartsopleiding en een promotieonderzoek. Ik heb daar toen op gesolliciteerd, en werd, tegen mijn verwachting in, aangenomen. In de daaropvolgende jaren heb ik met veel plezier mijn opleiding tot huisarts gecombineerd met het doen van onderzoek. Ik deed dat binnen een warm en gedreven team op de vakgroep huisartsgeneeskunde, o.a. Mark Spigt, Geert-Jan Dinant en André Knottnerus. Toen ik in 2013 afstudeerde van de huisartsopleiding, had ik nog anderhalf jaar “onderzoekstijd” voor de boeg. Ik heb dat in 2013 en 2014 gecombineerd met parttime werken als waarnemer. Dat beviel prima, al merkte ik wel dat ik veel ballen tegelijkertijd moest hooghouden: een gezin met drie jonge kinderen, onderzoeken, publiceren en voldoende beschikbaar zijn voor mijn waarneem-opdrachtgevers. Het was enorm leuk om eigen baas te zijn en – binnen de ruimte die er was – zélf te kunnen kiezen hoe mijn weken eruit zagen. Via Geert-Jan Dinant, destijds mijn promotor, kwam ik in contact met Huisartsenpraktijk Leonardus in Helmond. GeertJan werkte daar één dag per week. Hij vertelde, dat er een vacature voor een praktijkovername kwam en vroeg of ik mee wilde solliciteren. Na lang twijfelen heb ik besloten om dat toch te doen. Bij kennismaking met de maten klikte het direct. Naarmate ik verder kwam in de sollicitatieprocedure merkte ik, dat ik het steeds liever wilde. Nadat ik binnen de praktijk was begonnen, heb ik de moeilijke knoop doorgehakt om te stoppen met mijn onderzoek. Een keuze die niet voor de hand lag: enerzijds omdat het onderzoek al in een gevorderd stadium verkeerde en anderzijds, omdat ik deze nieuwe baan juist aan mijn promotor te danken had. Tegelijkertijd merkte ik, dat ik er enorm tegenop zag om nog één tot twee jaar in een spagaat te leven, waarbij ik aan de ene kant een veeleisend onderzoek probeerde af te ronden en aan de andere kant een fulltime praktijk met ruim 2600 patiënten op naam probeerde op te bouwen. Het nemen van deze moeilijk beslissing luchtte achteraf gezien enorm op. Inmiddels ben ik ruim drie jaar verder. Ik zit lekker in de praktijk. We hebben een geweldige maatschap met Wim Heres, Marieke Huibers en Inge Mehagnoul. We zijn grote veranderingen binnen de praktijk aan het doorvoeren zoals een nieuwe managementstructuur, LEAN werken, opstarten van praktijkaccreditering en veranderingen in de roosterplanning. Ik merk, dat het leiden van een team een hele nieuwe dynamiek vergt, waar ik vooraf wellicht idealistische ideeën over had. Het hebben van een droom/ visie als maatschap, betekent niet automatisch dat deze ook door het hele team gedragen wordt. Veranderingen zijn voor iedereen moeilijk, maar ook uitdagend. We zien bij ons personeel talenten ontpoppen waarvan we ons eerder niet bewust waren. Naast het werken als huisarts en het managen van mijn eigen praktijk, ben ik ook actief als bestuurslid van de Regionale Huisartsen Vereniging Helmond en omstreken. Helmond is een unieke regio met korte lijnen tussen de verschillende zorgaanbieders en één ziekenhuis (Elkerliek Ziekenhuis) met een duidelijk omschreven adherentiegebied. Dat biedt unieke kansen tot samenwerking en het is leuk om vanuit de RHV te proberen de zorg in onze regio voor iedereen leuker en beter te maken. Terugkijkend zie ik, dat ik altijd op zoek ben geweest naar manieren om mijn werk als huisarts, naast de consulten en visites, meer inhoud en verdieping te geven. Eerst was dat wetenschap, nu meer beleidsmatig werken. In de toekomst lijkt onderwijs me een leuke vorm van verdieping. Helaas zitten er maar 24 uur in een dag… 25 op één lijn 59
Page 26
op één lijn 59 3e uitgave 2017 Weten is eten Opgeblazen Gevoel DOOR HENDRIK JAN VUNDERINK, HUISARTS-DOCENT EN REDACTIELID Onlangs zag ik in de supermarkt een heel schap met glutenvrije producten, in de aanbieding. Waarbij gesuggereerd werd, dat die producten goed pasten bij een gezond voedingspatroon en natuurlijk voor mensen met glutenallergie. Ik krijg daar vreselijke jeuk van. Want, ongetwijfeld ook op commerciële gronden, wordt gluten in het verdomhoekje gezet, terwijl het niet gaat om een allergie, maar om een intolerantie die maar bij ongeveer 1 % van de mensen voorkomt. Het mooie interview met hoogleraar dermato-allergologie André Knulst in de NRC van 31 oktober1 jongstleden was dan ook spekkie naar mijn bekkie. De schrijver scheidt hierin op heel toegankelijke wijze de feiten van de fabels over voedingsallergieën. Het is waar, dat het aantal mensen met een allergische ziekte, eczeem/astma/hooikoorts enz., in de westerse wereld 3 tot 4 keer zo hoog is als 40 jaar geleden. De oorzaak is onduidelijk, mogelijk doordat we te schoon zijn en minder infectieziekten doormaken. Echte voedselallergie zien we bij 2 tot 4 procent van de volwassenen en 4 tot 6 procent van de kinderen. Maar inmiddels denkt 25% van de volwassenen en 17% van de kinderen allergisch te zijn voor koemelk, kippeneiwit, schaal- en schelpdieren, brood (gluten!) of wat dan ook! Knulst denkt, dat dat komt, doordat mensen graag oorzakelijke verbanden leggen en een verklaring zoeken voor hun buikpijn, misselijkheid of hoofdpijn. En dan kunnen ze iets dóen. Hij weet, dat het erg lastig is om mensen deze ideeën uit het hoofd te praten, maar vindt wel, dat ze recht hebben op de uitleg, dat voedselallergie altijd een acute reactie is op aanraking met het allergeen. En dat hun chronische klachten daar dus niet bij passen. 1 www.nrc.nl/nieuws/2017/10/31/je-denkt-dat-u-allergisch-bent-voorkoemelk-of-kippenei-waarschijnlijk-is-het-onzin-13775220-a1579389 Het lijkt mij een kolfje naar de hand van de optimaal APCgeschoolde huisarts! Voor de echte voedselallergie bestaat helaas nog geen therapie, behalve een allergeenvrij dieet. Knulst heeft nu wel in vijf landen een groot onderzoek lopen naar een nieuwe vorm van immunotherapie. De resultaten, zeker bij kinderen, zijn hoopgevend: 50% verbetering na een jaar, 80% na drie jaar. En zonder ernstige bijwerkingen. Vanwege al dat opgeblazen fake-news rond voedingsallergieën, geef ik u daarom graag het recept mee van een prachtige soufflé met rivierkreeftjes. Mooi voorgerechtje bij een feestelijk diner, stampvol koemelk- en kippeneiwitten, en schaaldierallergenen. Maar daar heeft 96 tot 98 procent van u helemaal geen last van! SOUFFLÉ MET RIVIERKREEFTJES Verwarm de oven voor tot 190 graden. Smelt 40 gram boter in een pannetje en gaar 40 gram bloem een minuutje mee. Voeg geleidelijk 3 dl melk toe en laat dit al roerend even doorkoken tot de saus dik is. Neem de pan van het vuur en klop er 1 voor 1 3 eidooiers door, en 1,5 dl zure room. Daarna 300 gr rivierkreeftjesstaarten, 1 eetlepel citroensap en 1 eetlepel gehakte dille of peterselie er door heen scheppen. Laat dit afkoelen. Er waren nog 3 eiwitten over: klop die stijf in een absoluut vetvrije schaal. Vouw het eiwit dan voorzichtig met een spatel door het vismengsel. Doe het mengsel in 4 beboterde souffléschaaltjes en bak de soufflés gedurende 45 tot 50 minuten tot ze mooi gerezen en goudbruin zijn. Annemiek Nijholt (zittend uiterst links) Snel versieren en meteen opdienen! 26 3e uitgave 2017 Over het differentiëren in jaar 3 Maastricht maakt verschil DOOR FELIX PUNT, DIFFERENTIATIECOÖRDINATOR Per 1 maart jongstleden heb ik de begeleiding van derdejaars aios die opteren voor een differentiatie, op mij genomen. Voorheen werd die taak uitgevoerd door Henk Goettsch, die nu van zijn pensioen geniet. “Differentiëren”, what’s in a name? De Dikke van Dale omschrijft het als: “zich verschillend ontwikkelen”. Met dit in het achterhoofd, is er overkoepelend gekozen voor een actief stimuleringsbeleid ten aanzien van verscheidenheid. Alle aios, dus niet alleen de excellenten, krijgen tijdens de tweede stageperiode in de huisartsenpraktijk de kans om de eigen aanleg dan wel interesse verder te ontplooien. Het uitgangspunt is “ja, tenzij …”, en precies dát spreekt mij ook zo aan: eenieder (!) te helpen bij het realiseren van de eigen, bijzondere kleur! Hoe krijgt het differentiëren concreet vorm? Ik verwijs u meteen naar de nieuwe nota (te vinden op ons interne onderwijsplatform Eleum) over het Differentiëren in jaar 3. Te zien valt, dat het differentiëren een lichte en een zwaardere variant kent. De lichte variant – het zogeheten “keuzetraject” - kan in principe door iedere aios worden opgepakt. Het keuzetraject heeft een maximale omvang van 7 hele of 14 halve terugkomdagen en vormt geen belasting voor aanwezigheid op het stageadres. Voorbeelden? In het verleden heeft een aios een website rondom waarneembemiddeling ontwikkeld. Een ander vergeleek de huisartsenzorg in België met die van Nederland. Een derde deed onderzoek naar vaginaal bloedverlies. Een vierde leert momenteel een onderwijsprogramma te ontwikkelen om deze expertise vervolgens in te kunnen zetten ten behoeve van de huisartsenzorg in Suriname. Kortom: het zijn interessante uitstapjes die gemaakt mogen worden mits de aios een goed plan schrijft met duidelijke doelen en een heldere uitwerking van de route daarnaartoe. En natuurlijk: mits het normale opleidingstraject niet in gevaar komt. De zwaardere variant van differentiëren heet “landelijke differentiatie” en daarvan bestaan er tien, gekoppeld aan de Kaderopleidingen. Op ieder instituut zijn ook nog twee andere differentiaties mogelijk: Wetenschappelijk Onderzoek respectievelijk Onderwijs. Op de site van Huisartsopleiding Nederland valt te lezen dat de differentiatie “… een maximale opleidingsduur (kent) van drie maanden”, uitgesmeerd over 6, 9 of 12 maanden. Zij bestaat uit landelijke terugkomdagen, zelfstudie en praktijkopdrachten. De ervaring leert, dat de benodigde investering nooit drie hele maanden is, maar wel beduidend meer dan het keuzetraject. De aios moet dat wel kunnen opbrengen, wat we proberen te borgen door in ieder geval te verlangen, dat het eerstejaars portfolio over de hele lijn voldoende is. De ervaringen tot nu toe Ten eerste: de aios zijn unaniem enthousiast over de mogelijkheid om te differentiëren. Zij die het landelijk zoeken, beamen de woorden van Huisartsopleiding Nederland: “de differentiatie maakt het dagelijkse werk boeiender, je kunt je onderscheiden ten opzichte van je collega’s, het kan je voorbereiden op een eventuele kaderopleiding”, en “het is een pluspunt op mijn CV”. Ten tweede: ja, het differentiëren kost tijd, zeker bij een landelijke differentiatie en als een aios er het maximale uit wil halen. Toch horen we geen enkele opleider klagen over het feit, dat zijn of haar aios minder inzetbaar is. Het is zelfs zo, dat een aios die vanuit het differentiëren kritisch naar de praktijk kijkt en verbeteringen uitzoekt en uitvoert, veel kan bijdragen aan de praktijk zodat een win-win situatie ontstaat. Denk bijvoorbeeld aan een verbeterplan voor de begeleiding van diabetespatiënten. Denk aan onderwijs aan praktijkassistenten. Denk aan een plan voor het begeleiden van ouderen met een verhoogd valrisico. Ten derde: het is zaak dat alle betrokkenen vooraf goede afspraken maken over het differentiëren en de verwachtingen op elkaar af stemmen. Dat maakt inzichtelijk hoeveel praktijktijd de differentiatie gaat kosten. Of wat de aios vanuit de differentiatie concreet in de praktijk denkt te kunnen gaan “neerzetten”. Wat is mijn rol als coördinator? Ik houd spreekuur op een vast moment in de week. Alle aios die denken over differentiëren worden door mij gezien. Ik toets de degelijkheid van de voornemens en het daadwerkelijke plan en begeleid de uitvoering daarvan. Ik ben beschikbaar voor vragen en advies, ook van en voor de opleiders. Ik poog meer aios enthousiast te krijgen om te gaan differentiëren. Gewoon omdat ik er in geloof. Want ik hou wel van een beetje kleur. 27 op één lijn 59
Page 28
op één lijn 59 3e uitgave 2017 Onderwijsdifferentiatie BijzOnderwijs DOOR MAURICE MONFRANCE, AIOS Het is 7 uur ’s ochtends. Er staan veel mensen om mij heen, maar toch heerst er stilte. Iedereen leeft in zijn eigen bubbel. Ik hoor alleen het getjilp van de vogels en laat de eerste zonnestralen op mijn gezicht vallen. Waar ik ben? Op het station. Waar ik heen ga? Naar Utrecht voor mijn differentiatieonderwijs over onderwijs. Ik zal even kort uitleggen wat een differentiatie eigenlijk inhoudt. Een differentiatie biedt aios de mogelijkheid om extra competenties te verwerven op een specifiek vakgebied in de huisartsgeneeskunde. Hierdoor kan de aios zich profileren binnen een team en wordt de aios voorbereid op een eventuele functie als kaderarts. Er bestaan momenteel tien differentiatiemodules die aan één van de acht opleidingsinstituten worden aangeboden. Aan de Universiteit Maastricht is dit de differentiatie Hart- & Vaatziekten. Daarnaast is er een tweetal modules die aan elk instituut worden aangeboden: Onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek. Een differentiatiemodule beslaat drie maanden in het derde jaar van de huisartsenopleiding. De differentiatie onderwijs is opgebouwd uit acht onderwijsdagen te Utrecht en een praktijkdeel. Dit praktijkdeel mag in goed overleg vrijwel volledig naar eigen wensen worden ingericht door de aios. De inrichting van het praktijkdeel is afhankelijk van de competenties die de aios als docent zou willen ontwikkelen. Deze ontwikkelingen worden geregistreerd in een portfolio. Dit portfolio kan vervolgens een start zijn voor het behalen van een BKO-certificering (Basis Kwalificatie Onderwijs). De tijd die in een dergelijke differentiatie gaat zitten, is absoluut de moeite waard, voor wie zichzelf graag wil ontwikkelen. Belangrijker is, dat de differentiatie onderwijs vooral ontzettend leuk, leerzaam en zeer bruikbaar is in de praktijk (toetsgroep onderwijs, onderwijs aan doktersassistentes, begeleiding van coassistenten /aios). Tijdens de differentiatie leer je samen met enthousiaste collega aios, dat onderwijs zoveel meer is dan 'een praatje over een onderwerp'. Je maakt op de onderwijsdagen kennis met belangrijke aspecten als: leren en motiveren, onderwijsprogramma opstellen, werkvormen kiezen, begeleiden van individuele studenten, groepsdynamica, 28 toetsen en beoordelen, onderwijs ontwikkelen & de toepassingen van nieuwe media. Deze aspecten worden uiteraard direct toegepast in de onderwijsbijeenkomsten te Utrecht. Het mooie hiervan is, dat je samen met je groepsgenoten steeds meer elementen begint te herkennen en leert inzien hoe belangrijk sommige aspecten binnen het onderwijs kunnen zijn. Je gaat op een hele andere manier naar onderwijs kijken. Wat is goed onderwijs? Voor mij is goed onderwijs in essentie doelgericht. Om deze doelen te bereiken, wordt gebruik gemaakt van de juiste toegepaste en afwisselende werkvormen. Denk hierbij ook aan verschillen in opzet: passief - activerend, individueel - groep, prikkeling van meerdere zintuigen. Daarnaast dient de spreker voldoende vaardig te zijn om de stof over te brengen en om de aandacht van de studenten vast te houden. Het gaat hierbij om simpele trucs als: loop eens rond wanneer je onderwijs geeft, of probeer niet te voorspelbaar te zijn. Het zijn écht de kleine dingen die grote verschillen kunnen maken. Onderwijs is een manier om mensen te inspireren en motiveren, iedere huisarts kan het verschil maken. Het is een effectieve vorm om te reflecteren en meer inzicht te krijgen in je eigen kennishiaten. Maar het leukst is misschien nog wel de creatieve vrijheid die je krijgt om met je vak aan de slag te gaan. Je krijgt de mogelijkheid om je vak eens heel anders te benaderen en bekijken. Met de opkomst van de nieuwe media zullen de creatieve mogelijkheden voor een docent alleen maar groeien. We zullen als docenten mee moeten gaan in deze ontwikkelingen en onze technische rol, net zoals we onze controlerende, sociale en pedagogische rol moeten gaan accepteren. Leuke en interessante uitdagingen staan ons te wachten! “Geachte reizigers, over enkele minuten komen wij geheel volgens dienstregeling aan op station Utrecht”. Aan de slag met onderwijs! Zou onderwijs ook iets voor jou kunnen zijn?! 3e uitgave 2017 De Tweedaagse 2017 in Heeze Nieuw: alle opleiders samen DOOR MARIEKE KOOLS, OPLEIDERSCOÖRDINATOR HUISARTSOPLEIDING De tweedaagse ‘…voor huisartsopleiders’, wilde ik schrijven, maar dat klopt niet helemaal. Dit jaar hebben we naast de huisartsen ook de stage-opleiders uitgenodigd die aios in hun tweede jaar begeleiden. Psychiaters, SEH-artsen, kinderartsen en Specialisten Ouderengeneeskunde waren ook vertegenwoordigd op de woensdag en zij trokken samen op met de huisartsopleiders. Onder de titel “Opleiden is een vak”, werkten ze in workshops met Kenmerkende Beroepsactiviteiten (KBA’s): praktische uitwerkingen van wat het beroep van huisarts allemaal behelst. Een jaar-2 begeleider uitte zijn verwondering dat dat nogal veel was. Een ander vroeg zich hardop af, of dit gezien de grote opkomst een landelijke bijeenkomst was: ‘zijn er zoveel huisartsen betrokken bij de opleiding?!’ En dan te weten dat we landelijk één van de kleinste opleidingen zijn! Het samenwerken pakte erg leuk uit: over en weer was er veel uitwisseling, ook bij de informele momenten, men was geïnspireerd en kreeg inzicht in wat we van aios verwachten, bij alle betrokkenen. Aan de hand van vier thema’s hebben we geoefend met concrete voorbeelden naar aanleiding van een beschreven casus, een videofragment uit de praktijk, of een live gespeeld consult. De borrel na afloop was welverdiend. Na een heerlijk driegangendiner werden de overnachters weer terug naar de bar gedirigeerd door het bestuur van de opleidersvereniging; ze hadden een pub-quiz georganiseerd. De muziekvragen leverden goede zingmomenten en veel competitiviteit op en er kwamen kwaliteiten naar boven bij mensen die je in de opleiding nooit zou hebben vermoed: de K3-kennis bij Resi, de blote bast van Ad of het bierpullenschuiftalent van Manfred. Je had erbij moeten zijn! De tweede dag begon voor een enkeling met yoga in het prachtige bos rondom de Kapellerput, en voor de meesten met mindfulness: Hugo Alberts nam ons mee in de achtergronden (‘je traint eigenlijk een aandachtsspier’), wetenschappelijke bevindingen (zoals positieve effecten op wondgenezing) en de praktijk (‘ogen dicht en richt je aandacht op je ademhaling’). Het bleek een onderwerp dat leeft, zowel bij de uitoefening van het huisartsenvak, als bij het opleiderschap: ‘hoe begeleid ik een aios die perfectionistisch is?’ Ook mooi om te zien hoe een spreker met een persoonlijk verhaal zijn publiek een hele ochtend weet te boeien. Op de evaluaties werd dit onderdeel door velen genoemd als een ‘top!’. Met ons allen in ‘mindful mood’, gingen we onder leiding van Paul Ram oefenen met ‘observeren en feedback geven’. Leuk om te zien hoe je met de welbekende Maas-Globaal de opleiders toch nog kunt verrassen. Opschrijven welk gedrag je ziet en in je feedback de verbanden zichtbaar maken tussen de interventies van de arts. Na het docentenoverleg met de eigen groep ging men veelal moe maar voldaan weer huiswaarts. Voor mij gold hetzelfde. 29 op één lijn 59
Page 30
op één lijn 59 3e uitgave 2017 Equilibre Doosje in een doosje DOOR MARIEKE KOOLS EN PAUL SCHRIJVER, OPLEIDERSCOÖRDINATOREN HUISARTSOPLEIDING Werkend bij en met de huisartsopleiding, kom je het begrip ‘doosje in een doosje’ nogal eens tegen. Het verwijst naar parallellen op verschillende niveaus: de onderwijzer laat vaardigheden zien die de leerling te leren heeft. In de huisartsopleiding zien wij als variant van het doosje-in-een-doosje, de rolmodelfunctie van de huisartsopleider naar de aios toe: de opleider leeft gedrag voor en laat een beroepsattitude zien die als goed voorbeeld dient van wat we de aios willen zien (leren) doen. Deze voorbeeldfunctie ligt voor de hand voor de uitoefening van het huisartsenvak zelf. Echter, minstens zo belangrijk vinden we jullie voorbeeldfunctie als voortdurend lerende professional. Het opleiderschap, een vak apart zoals we op de recente tweedaagse centraal stelden, wordt jullie ‘on-the-job’ aangeleerd. Zoals jullie de afgelopen jaren al steeds meer gemerkt hebben, creëren we als hao-team zoveel mogelijk ‘doosjesin-doosjes’ tussen hoe we met jullie werken en hoe we willen dat jullie met je aios werken. Een greep uit de doos met ‘doosjes’. Het meest voor de hand liggend is jullie docentenoverleg; een vorm van ‘uitwisselen van ervaringen’ zoals de aios dat iedere terugkomdag op hun programma hebben staan. Net zoals bij aios blijft deze uitwisseling van ideeën en ervaringen bij hao’s het hoogst gewaardeerde programmaonderdeel van de terugkomdag. Dat ervaringsleren naar aanleiding van eigen, echte (leer) vragen trekken we door in de geleide intervisie met hao’s, waarin we qua aanpak proberen voor te leven hoe je als hao kan werken met je aios en diens leervragen in de dagelijkse leergesprekken. ALOBA als hulpmiddel om vraaggericht concrete en constructieve feedback te geven. Toegepast en voorgeleefd door de groepsbegeleider; ook weer zo’n voorbeeld van doosjes. Verder hebben we met het hao-team de afgelopen jaren ingezet op directe- en indirecte (video-) observatie van opleiders. In de voortgangsgesprekken observeren we ‘live’ een leergesprek tussen hao en aios, zoals we willen dat hao’s ‘live’ consulten van hun aios meekijken. Aios nemen consulten op, hao’s nemen leergesprekken op voor geleide 30 intervisie. We kijken wat er daadwerkelijk gebeurt, zodat feedback ook gaat waarover het moet gaan. Het is trouwens leuk om te zien hoe opleiders, net als aios, zichzelf verrassen in wat ze wel of niet daadwerkelijk deden vergeleken met wat ze dachten te hebben gedaan; je bewust zijn van je eigen gedrag en dit goed interpreteren is voor menigeen een uitdaging. Minder voor de hand liggende doosjes-in-doosjes waarvoor we gekozen hebben, is het vragen van feedback: zoals aios geacht worden hun opleider om feedback te vragen en dit zichtbaar te maken met behulp van bijvoorbeeld een KPBformulier, willen we dat hao’s feedback vragen aan hun aios met de Leo-H. Daarnaast krijgen startende opleiders in hun eerste jaar als opleider na ongeveer 8 maanden op basis van alle vergaarde informatie (indrukken begeleider vanuit hao-team, beoordeling eigen consulten, feedback groepsbegeleiders, leo-H, beoordeling geobserveerd leergesprek, evt. uitslag LHK) een beoordeling (go/ go-mits/ no-go), net zoals de aios. Momenteel wordt landelijk hard gewerkt aan een nieuw doosje-in-een-doosje: net zoals de aios al een aantal jaar werkt met het elektronisch (e-)portfolio, gaat begin volgend jaar het e-portfolio voor opleiders in de lucht. Een welkome vervanging van onze papieren dossiers; iets wat je je in de huisartsenpraktijk van tegenwoordig ook niet meer kan voorstellen. Doel van dit e-portfolio is dat de opleider alles wat met het opleiderschap te maken heeft, kan verzamelen, overzien maar ook aansturen: de leo-H bijvoorbeeld kan middels een elektronische uitnodiging naar de aios gestuurd worden en gefinaliseerd in de juiste map gezet worden. Iets als het leerwerkplan kan de opleider zelf gericht aanpassen als er iets verandert en zaken zoals LHK-uitslagen, verslagen van voortgangsgesprekken en dergelijke kunnen door ons in een instituutsmap gezet worden. Dit alles biedt legio voordelen en kansen, maar belangrijker: als opleider word je zelf eigenaar van je portfolio en daardoor meer zichtbaar verantwoordelijk voor je ontwikkeling als opleider. Het ligt voorde hand om als opleider voornemens en leerdoelen in het kader van het opleiderschap in een individueel opleidingsplan (IOP) te 3e uitgave 2017 formuleren, net zoals dit aan aios gevraagd wordt. We verwachten van aios dat ze hun leerdoelen expliciteren en verzamelen in een IOP, als hulpmiddel om het eigen leren ter hand te nemen en zichzelf bij de les te houden. Het zou gek zijn als diens rolmodel, de hao dus, dit niet kan of wil. Dit is iets waarmee we met jullie aan de slag willen: in navolging van de workshop ‘IOP-van-je-aios’ van 2 jaar terug op de tweedaagse, bereiden we momenteel een workshop ‘IOP-van-de-hao’ voor. Ongetwijfeld komen we met de opleiders in dezelfde discussies over de zin-en-onzin van leerdoelen maken terecht als dat we nu jaarlijks (of vaker) voeren met onze aios; in dit geval een omgekeerd, ‘doosje-uit-doosje’effect. Al verwachten we dat de mate van discussie met de aios omgekeerd evenredig is aan de overtuiging van onze opleiders over de zin ervan. Et voilà: de reden dat een praktijkgerichte opleiding als de onze bol staat van doosjes-in-doosjes. Referatendag Huisartsopleiding What the *peep*?! DOOR HENDRIK JAN VUNDERINK, REDACTIELID EN DAGVOORZITTER1 Na een paar seizoenen afwezigheid bleek, dat de aios1 referatendag, als kroon op het EBM-onderwijs in jaar 3, door iedereen gemist werd. De reprise op 7 november jongstleden was dan ook meteen een groot succes. Bij elkaar presenteerden een aantal teams van derdejaars aios in totaal 7 referaten. Deze werden beoordeeld door het publiek en door een vakjury. De vakjury bestond uit de volgende medewerkers van de vakgroep Huisartsgeneeskunde Maastricht: Trudy van der Weijden (hoogleraar Implementatie van Richtlijnen), Karin Konings (Kaderhuisarts Hart- en Vaatziekten en docent), Mark Spigt en Jelle Stoffers (beide Universitair Hoofd Docent). De literatuurstudies werden geïnspireerd door casuïstiek uit de praktijk van alle dag. Een overzicht: • Helpt de tolk de diabeet? • Zwijgen is zilver, spreken is goud: consultafhandeling nieuwe stijl • Het effect van kinkhoestvaccinatie tijdens de zwangerschap • Frequentie van klachten bij Raynaud met nifedipine versus losartan • Leiden ademhalingsoefeningen in de spreekkamer tot een significant lagere RR? • What the *peep* • Het gebruik van quetiapine bij slaapklachten van gezonde personen 1 Voorheen was Henk Goettsch, eveneens oud redactielid, jarenlang dagvoorzitter van dit evenement Het referaat met de meest intrigerende titel won zowel de publiekprijs als die van de vakjury: ‘What the *peep*’ door Dagmar Hendrix, Liza Walet en Mariska Vork. Zij onderzochten de waarde van een aantal studies naar de effectiviteit van een tamelijk duur apparaat (€3.000) tegen tinnitusklachten. Uit hun zorgvuldige onderzoek bleek de betrouwbaarheid van die onderzoeken erg dubieus. Namens de publieksjury ontvingen zij uit de handen van collega-aios Lobke Kerstens het boek ‘Dodelijke medicijnen en georganiseerde misdaad: achter de schermen van de farmaceutische industrie’ van de Deense psychiater Peter C. Gotzsche. Van de vakjury kregen zij, naast eeuwige roem, een geldprijs van €300 en een ticket voor de landelijke referatenwedstrijd om de Jan van Es prijs. Een fijne dag, en Niels Beurskens, huisarts-docent en verantwoordelijk voor ons EBM-onderwijs, maakt zich al op voor de volgende: 15 mei 2018. 31 op één lijn 59
Page 32
op één lijn 59 3e uitgave 2017 In de leer Elk jaar is het weer vaste prik DOOR KOEN VAN HELMOND, DERDEJAARS AIOS Wanneer de eerste bladeren zijn gevallen, komt dezelfde vraag naar voren bij vooral de oudere patiënten in de praktijk. “Zijn ze er al, dokter?” De eerste keer dat ik met deze vraag werd geconfronteerd, was ik coassistent in Ulvenhout. Jawel, vanuit Maastricht werd ik voor dit coschap gedetacheerd naar een voorstadje van Breda. Enkele malen per week reisde ik af naar de praktijk aan het dorpsplein, waar je op woensdagmiddag niet mocht parkeren vanwege de markt. Nou ja markt….., een groentekraam, een viskraam en een busje met gegrilde kippen en gebakken aardappeltjes waar ik menig terugreis in de file goed op heb doorstaan. Maar goed, “zijn ze er al, dokter?”, zo luidde de vraag van deze dame. Zonder te weten wat deze mevrouw precies bedoelde, gingen er onbewust diverse antwoorden door mijn hoofd. Bedoelde ze misschien de gegrilde kippen? Het was toch pas woensdagochtend? Of wellicht de pepernoten die toen ook al in september in de winkel lagen? Bij navraag bleek, dat ze de griepspuit bedoelde. Die kwam ze namelijk elk jaar trouw halen, want je wist immers maar nooit wat er in de winter kon gebeuren. Ze verklapte glimlachend overigens ook, dat er nog nooit een winter voorbij was gegaan, dat ze niet de griep had gekregen, maar dat terzijde. Wat is nou precies de reden dat ik terug moet denken aan mijn coschap huisartsgeneeskunde? Welnu, de overeenkomsten tussen een Brabantse dorpspraktijk en een Sittardse stadspraktijk zijn behoorlijk treffend. Ik zal ze hieronder de revue laten passeren aan de hand van enkele korte anekdotes. Ik geef onmiddellijk toe dat er met n=2 niet bepaald een wetenschappelijk verantwoorde grondslag is voor mijn analyse, maar wellicht dat er bij u, en dan misschien vooral de meer ervaren collegae onder u, ook een blijk van herkenning is wanneer u dit leest. Patiënten zitten op de dag zelf soms al meer dan een uur voor aanvang te wachten in de hal en of wachtkamer. Waarom is mij een raadsel, want ze weten meestal toch wel dat er niet eerder begonnen gaat worden met vaccineren. Is het misschien een prestigekwestie om de eerste spuit te krijgen? Of is het gewoon een sociaal samenzijn waarbij er toevallig ook een prik gezet wordt? Ik ben zelf van plan om er volgend jaar gewoon bij te gaan zitten in de wachtkamer om erachter te komen waarom iedereen er zo op tijd bij is. 32 Patiënten zijn in de veronderstelling dat ze, nu ze er toch zijn, gelijk nog even een plekje op de huid kunnen laten zien of even de laatste lab-uitslagen kunnen navragen. Het is natuurlijk heel verleidelijk om dan snel even te zeggen dat het plekje er goedaardig uit ziet, maar toch denk ik dat het niet verstandig is. Zoals ik in mijn vorige column schreef, draait het om “kwali-tijd” voor de patiënt en die is er onvoldoende voor overige vragen tijdens de griepvaccinatie. Een middag vaccineren maakt hongerig. Het is dan ook een ideale gelegenheid om de hele praktijk mee te nemen voor een gezellig etentje. Een blijk van waardering voor al het personeel en uitermate gezellig. Ontspannen na zo’n drukke werkdag gaat probleemloos samen met een hapje en een drankje. Tot zover deze korte bloemlezing over de jaarlijkse, al dan niet herkenbare, griepspuit-periode die een hoop geregel, lichte stress en gezelligheid met zich meebrengt. Het geeft verbinding in de periode van stamppotten, autoruiten krabben, de donkere dagen voor kerst en natuurlijk aanhoudend hoesten, snotteren, verhoging, malaise en niezen. Gezondheid! 3e uitgave 2017 In de leer De Knuffeldokter DOOR ELEANA ZHANG, TWEEDEJAARS AIOS In mijn eerste jaar van de huisartsopleiding was ik meer bezig met het beroep in de strikte zin van het woord: mezelf de kunde eigen maken om patiënten te zien, relevante vragen te stellen, tot een conclusie te komen en een behandelplan op te stellen. Ik kon helemaal opleven bij het zien van een eerste glue ear, of de hele dag stralen omdat het me was gelukt het eerste spiraaltje te plaatsen. Niet dat het dit jaar heel anders is: ik vertel ‘s avonds bij het eten trots hoe ik een CTS-injectie heb gezet, of dat ik na het meekijken een volgende keer zelf een Implanon hoop te kunnen verwijderen. De kleine succesjes worden nog dagelijks gevierd. Toch is dit jaar, jaar drie, niet helemaal hetzelfde. Ik werd in mijn eerste week geconfronteerd met de vraag: Wat voor dokter wil ik worden? Niet eens zo’n gekke vraag nu ik het zo neerpen, maar voor mij voelde het als een soort frontale botsing met een vijftig kilometer per uur rijdende tegenligger: een A1-waardige toestand. Tot voor kort wist ik niet dat er echt grote verschillen bestonden tussen huisartsen. Ja, natuurlijk heb je een diversiteit aan persoonlijkheden, maar wat je concreet doet als huisarts verschilt niet heel veel van arts tot arts. Althans, dat dacht ik. In mijn eerste jaar kon ik me gelukkig prijzen met een opleider die medisch gezien veel wist en kon. Hij gaf me de vrijheid om dingen te doen en ik voelde me als een vis in het water. Hij was ook een goede econoom en wij hadden gesprekken over hoe een praktijk eigenlijk ook een bedrijf is, met alles wat daarbij komt kijken. De professionele afstand die hij tot zijn patiënten bewaarde, vatte ik op als een voorwaarde voor een goede werk-privé balans. Nu, bij het aanbreken van het derde jaar, kom ik er achter dat ik een knuffeldokter als opleider heb. Dagelijks gaat hij langs bij palliatieve patiënten, ook op de zaterdagen en de zondagen. Hij stelt zich ’s avonds en ‘s nachts beschikbaar voor de ernstig zieken om ze de rompslomp van de huisartsenpost te besparen. Ongevraagd loopt hij bij kwetsbare ouderen binnen om te kijken hoe het met ze gaat. En inderdaad, sommige patiënten geven hem bij het afscheid standaard een knuffel. Zelfs wanneer hij op vakantie is, belt hij nabestaanden op vanuit het buitenland als hij hoort dat één van zijn patiënten overleden is. En dat allemaal terwijl hij ook met zijn vrouw een zeskoppig huishouden bestiert, om maar niet te beginnen over de voor mij nog onduidelijke hoeveelheid huisdieren. Ik heb in mijn eerste week met mijn ziel onder mijn arm rondgelopen in die praktijk. Het voelde alsof iemand mijn wereldbeeld in de wastrommel had gegooid en toen op de extra-centrifugeren-knop heeft gedrukt. Is het normaal dat een huisarts dat doet? Ik wist niet dat je zo’n dokter kán zijn én een druk sociaal leven ernaast kunt hebben. Of ik ook een knuffeldokter wil worden? Wie weet kan ik het je over een jaar zeggen. 33 op één lijn 59
Page 34
op één lijn 59 3e uitgave 2017 Gezondheidsrechtelijke kwesties Dossier, informatie en toestemming DOOR MR. ARIE DE JONG, HUISARTS IN GOIRLE EN JURIST Haken en ogen in het omgaan met informatie en dossier van nu tot 2020 De nieuwe ‘Wet Cliënten rechten bij elektronische verwerking van gegevens’ ( Wcbevvg) wordt gefaseerd ingevoerd. De wet is ingegaan op 1 juli 2017 en kent een uitloop naar 1 juli 2020. Het is tijd om alles met betrekking tot dossiervoering en informatieverstrekking op een rij te zetten. We beginnen met een overzicht van komende en gaande wetten. Waarom deze nieuwe wet is ingevoerd, wat er verandert en wat de consequenties voor de dagelijkse praktijk zijn, zal ik achtereenvolgens beschrijven. Overzicht van wetten (voor de ‘diehards’) Het begon allemaal met een ambitieus plan van de Minister om alles betreffende patiënten rechten te regelen in één wet, de zogeheten ‘Wet cliëntenrechten zorg’. Na jaren proberen bleek dit een onmogelijk opgave. Per 14-02-2013 is deze wet gesplitst in vijf delen die stapsgewijs ingevoerd zouden worden: • Klachten en geschillen, vast gelegd in de WKKgz1 • Kwaliteit (WKKgz) • Goed bestuur en medezeggenschap • Aanpassing WGBO2 • Aanpassing WTZi3 Veel zaken waren al in de jurisprudentie geregeld en werden/worden verder gecodificeerd. De aanpassingen in de nieuwe ‘Wet cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens’ (verder “de wet”) is bedoeld ter versterking van de patiëntrechten in het kader van kwaliteit en medezeggenschap. Deze wet regelt dat iedereen zelf mag bepalen met welke zorgverlener het dossier elektronisch gedeeld mag worden en welke informatie wel of niet mag worden gedeeld. Daarnaast bepaalt deze wet dat de patiënten recht hebben op elektronische inzage en afschrift en het moet zichtbaar zijn voor de patiënt wie het dossier bekeken heeft. De nieuwe wet is onderdeel van de ‘Wet gebruik Burgerservicenummer in de zorg’. Aangezien het inmiddels niet meer alleen gaat om het gebruik van 1 Wet kwaliteit, Klachten en Geschillen Zorg, zie Op één lijn maart 2016 2 Zie Op één lijn Juni 2017 3 Wet toelating zorginstellingen 34 het Burgerservicenummer, is deze wet per 1 juli 2017 omgedoopt in de ‘Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg’. Om het makkelijk te maken wordt de ‘Wet bescherming persoonsgegevens’ (Wbp) per 25 mei 2018 vervangen door de ‘Algemene Verordening Gegevensbescherming’ (AVG)4. De nieuwe wet wordt inwerking gesteld door het ‘Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders’5, welke met enige vertraging is ingevoerd. Belangrijk is dat ‘de wet’ gefaseerd wordt ingevoerd: het eerste deel per 1 juli 2017 en de rest per 1 juli 2020. De reden hiervoor is, dat het nogal wat vraagt van de ICT ontwikkelaars zoals we verderop zullen zien. In dit overzicht mag de ‘Wet inlichtingen en veiligheidsdiensten’ (Wiv) niet ontbreken. Deze wet is beter bekend onder de naam ‘aftapwet’ of ‘sleepwet’6. In principe zou deze wet ook betrekking kunnen hebben op de vertrouwelijke communicatie tussen arts en patiënt, maar ik laat dat nu verder buiten beschouwing. Reden van invoering Wat is nu de diepere gedachte achter de invoering van deze wet? Het gaat uiteindelijk om de versterking van de patiënten rechten en de nieuwe eisen voor de beveiliging van patiënten gegevens. Op basis van het beroepsgeheim zijn BIG-geregistreerden verplicht om zorgvuldig om te gaan met medische gegevens. Door de toename van ICT mogelijkheden, digitaal berichtenverkeer en patiëntportalen, worden er (ook Europees) strengere eisen gesteld7 aan de beveiliging. Verder moet het voor patiënten duidelijk zijn wie wat mag zien en het moet achteraf controleerbaar zijn. 4 Dit is dan in lijn met de Europese privacywet General Data Protection Regulation, ( GDPR) 5 Wie behoefte heeft aan een historisch overzicht vanaf 2012 verwijs ik naar de kamerstukken wetsvoorstel 33509, echt iets voor een regenachtige dag. 6 Zo genoemd omdat de inlichtingendiensten gegevens ongericht mogen verzamelen (sleepnetmethode) en ook versleutelde informatie mogen ontsleutelen. 7 Zie noot 4, GDRP 3e uitgave 2017 Wat wordt er nu anders? Patiënten krijgen nauwelijks meer rechten, maar kunnen hun rechten wel beter waarborgen en controleren. We zetten de patiëntrechten met betrekking tot het dossier en informatie op een rij en kijken daarna wat en wanneer er iets verandert. Patiëntrechten met betrekking tot hun dossier en informatie: • Inzage • Afschrift ( tegen geringe vergoeding als het veel is) • Recht op aanvulling/ correctie ( van de feiten) • Recht op verwijdering/ vernietiging8 • Recht op afscherming (bepalen wie iets wel of niet mag zien) • Moet toestemming geven voor uitwisseling van gegevens • Inzien registratie (‘logging’) gegevens (Wbp art. 35) Wat moeten zorg verleners nu al met betrekking tot het dossier op basis van de WGBO? • Aangeven welke persoonsgegevens worden verwerkt (Wbp, wordt AVG) • Toestemming vragen voor uitwisselen medische info (WGBO) • Goed medische dossier bij houden (WGBO) • Vast leggen van acties in het medisch dossier (logging Wbp art. 35) • Voldoen aan eisen van veiligheid bij elektronische gegevensuitwisseling (Wbp) Wat gaat er dan veranderen? Er komen nieuwe rechten voor de patiënt met betrekking tot het dossier: • Inzage, per juli 2020:gratis elektronische inzage • Afschrift, per juli 2020: gratis elektronische afschrift • Recht op aanvulling/correctie (feiten): geen verandering • Recht op verwijdering/vernietiging: geen verandering • Recht op afscherming: per juli 2017 moet het gelogd worden • Moet toestemming geven voor uitwisseling van gegevens: per juli 2020: differentiatie in welke gegevens en welke zorgverleners • Inzien logging gegevens: per juli 2020 gespecificeerde logging gegevens Er komen nieuwe verplichtingen voor de zorg verlener met betrekking tot het dossier: • Welke persoonsgegevens worden verwerkt: per juli 2017 moet de zorgverlener de patiënt informeren over rechten en de werking van informatie uitwisselsystemen • Toestemming vragen voor uitwisselen medische info: per juli 2017 uitdrukkelijke opt-in en vanaf 2020: gespecificeerde en gedifferentieerde toestemming 8 Behoudens argumenten om niet te verwijderen: Wettelijk voorschrift. Een ander dan de patiënt heeft een aanmerkelijk belang ( erfelijke ziekte, verwekking met donorzaad, gerechtelijke procedure). Goed hulpverlenerschap staat vernietiging in de weg (mishandeling, in belang van de behandelrelatie, toetsbaarheid) • Goed medische dossier bij houden: per juli 2017 patiënt informeren als er nieuwe zorgverleners gebruik maken van systeem, vanaf 2020 een registratie bijhouden van verleende toestemmingen • Vastleggen van acties in het medisch dossier (logging), per 2020: elektronische logging (wie, wat, wanneer) • Voldoen aan eisen van veiligheid bij elektronische gegevensuitwisseling: vanaf 2020: NEN 7510, NEN 7512, NEN 7513 (veiligheidsnormen ICT)9 Consequenties voor de dagelijkse praktijk van juli 2017 tot juli 2020 Voor de meeste rechten van de patiënt en plichten voor de zorgverlener gaat er niet veel veranderen behalve dat het allemaal formeler wordt. Er moet meer worden vastgelegd en gedocumenteerd, hetgeen deels zal gaan met ICT ondersteuning maar het moet wel eerst geregistreerd worden. Omdat het allemaal formeler wordt moet de volgende aanpassingen per praktijk worden gedaan vanaf 202010: • Iedere instelling moet een Functionaris gegevensbescherming (FG) benoemen • Eisen van NEN 7510-7512 en 7513 moeten in het HIS zijn geïmplementeerd (HIS leverancier) Consequenties van deze eisen zijn: • Alleen UZI passen op naam! • Geen teamviewer-achtige oplossing voor thuiswerken • Medewerkers opschonen en juiste rollen toekennen • FG benoemen (praktijk, maatschap, cluster) Conclusie Er gaat dus niet zo veel veranderen met betrekking tot de rechten van de patiënt of de verplichtingen van de zorgverlener. Echter, het wordt allemaal wel een stuk formeler en voor de patiënt inzichtelijker en controleerbaarder. De achterliggende gedachte is kwaliteitsverbetering. Ook moeten we er als zorgverlener rekening mee houden dat het allemaal sneller gaat. Als een patiënt nu een kopie van zijn dossier wil, moet hij daar om vragen. Nu hebben we nog tijd om te kijken wat er staat. Bij online verbindingen is die ruimte er niet meer. De patiënt heeft straks direct toegang tot zijn of haar dossier, dat vraagt ook een aanpassing van de werkwijze en verslaglegging. We hebben van de wetgever drie jaar de tijd gehad om hier rekening mee te houden. Een groot deel van de aanpassing zal plaatsvinden binnen de ICT van het HIS en is dus voor de HIS-leverancier, maar ook wij als zorgverleners zullen aanpassingen moeten doen. Dus aan de slag, want uiteindelijk ligt de verantwoordelijkheid voor het naleven van de privacy wetgeving bij de zorgaanbieder! 9 NEN 7510, norm voor beveiliging van gegevens, NEN 7512, norm voor uitwisseling van gegevens, NEN 7513, norm voor logging van de toegang tot gegevens 10 Eisen uit besluit elektronische gegevensverwerking ( pas 2020) 35 op één lijn 59

Op één Lijn 58


Page 2
Colofon Inhoudsopgave Oplage 2280 Hoofd/eindredactie Babette Doorn Redactieleden Hendrik Jan Vunderink, Sjef Swaans, Eefje de Bont en Babette Doorn Doelgroep Huisartsen Limburg en Brabant, aios en alumni, afdelingen MUMC+ & overige relaties E-mail op1lijn@maastrichtuniversity.nl Postadres Vakgroep HAG Universiteit Maastricht Postbus 616 6200 MD Maastricht Bezoekadres P. Debyeplein 1 6229 HA Maastricht Ontwerp/druk Canon Design Studio, Maastricht, CBS 12312 Fotografie • Pag 4, 21 en 32 gemaakt door Johannes Timmermans • Pag 5 HVD fotografie www.hvdfotografie.nl • Pag 18, 19 (bovenaan) en 27 gemaakt door Joey Roberts Deadline volgend nummer 27 oktober 2017 © Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Algemeen Van de redactie – Babette Doorn Van de voorzitter: Voorziet regiofinanciering in betere substitutie – Jean Muris Oratie Jako Burgers – Raoul Hermanns De familievertrouwenspersoon – Truus Bijker Wanneer word je coschap opleider – Maarten Gering Uitgelijnd – Babette Doorn Stellen zich voor: Oda Bauhuis, GW-er jaar 3 Karin van Leersum, promovendus Stefan van der Brand, huisartsbegeleider Marjolein van Rooijen, Promovendus Onderzoek In de prijzen: CaRe-Award voor Annerika Slok – Redactie Prof. Huygen prijs voor Nicole van Gurp – Redactie De smartphone gebruiken om meer te bewegen? Dat kan! – Renée Verwey Bruikbare wetenschap – Ruud Verhees en Jochen Cals WESP-en: Samen beslissen bij borstkanker – Raoul Hermanns Zelfmanagement bij ouderen met multimorbiditeit – Maxime van Kemenade Intuïtie van patienten over hun eigen gezondheid of die van hun kind – Ulrike Schuck Diagnostische waarde echografie bij voorste kruisband letsels – Dorieke Haase en Manon Breukers Arts-patiënt relatie bij SOLK patiënten – Geertje Diepens en Anke Steverink Promoties: COPD – Eva van Eerd Diagnostiek van tuberculose in Ethiopië – Mark Spigt en Eefje de Bont Aandacht voor psychisch functioneren is belangrijk bij langdurige slapeloosheid – Eefje de Bont Huisartsopleiding ‘Rondom sterven’ – Ingrid van der Heijden Hoofdzaken – Bas Maiburg Equilibre – Marieke Kools en Paul Schrijver Startdatum Kaderopleiding Hart- en Vaatziekten uitgesteld In de leer: Tijd vliegt niet; we willen teveel – Koen van Helmond Tijd – Eleana Zhang Dilemma's bij wilsonbekwaamheid – Daniëlle Bisschops De afgestudeerden in beeld; Made in Maastricht Voetbalwedstrijd: nagelbijten in Bocholtz – Gaston Peek en Jean-Marie Peeters Weten is eten – Hendrik Jan Vunderink Congres Arts en Voeding 16 juni 2017 – Door Birgit Spoorenberg Gezondheidsrechtelijke kwesties – Arie de Jong À bout de souffle – T.E. Grijs 3 4 5 6 7 7 8 8 9 9 10 10 11 12 14 14 15 15 16 16 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 30 31 32 35 2 Van de redactie De klant is koning(in1) In ons koninkrijk voelen we ons niet altijd de koning te rijk. Ik schrijf dit niet omdat het zo lekker klinkt. Ik bedoel hiermee dat we in een heel prettige omgeving wonen en werken, maar dat we het niet al te best verkopen. Dat gebeurt al tijdens de studie Geneeskunde. Maastricht is -net als Groningen- bijna hofleverancier van basisartsen gezien de grote aantallen die we opleiden. We bieden een fantastisch curriculum, een internationaal spoor en andere alternatieve trajecten die allemaal kunnen leiden tot hetzelfde fraaie product dat basisarts heet. Wat lijkt ondergesneeuwd, is het Nederlandse topproduct ‘huisarts’. Een mooi vak met ruime opleidingsfaciliteiten, hoge kans om aangenomen te worden en af te studeren met voldoende uitzicht op werk, waar je maar wil. Toen de beroepsgroep zelf nog volop klaagde over allerlei werkomstandigheden, boden we nog wel stages vanaf jaar 1 (de snuffelstage Oriëntatie Eerste Lijn), de Adoptiestage in wat nu de Bachelor-fase heet en een langdurig coschap. Je wist als student in elk geval dat je huisarts kon worden. Nu zitten we alleen nog achteraan in de Masterfase. Op zich niet erg, want in die fase kiezen studenten vaak wat ze willen worden. Er is echter een ‘maar’. Jonge mensen moeten heel lang doorwerken. Ze stellen het ‘volwassen worden’ uit zo lijkt het. Ze gaan als basisarts aan de slag als anios en ze vergeten gemakshalve dat er ooit gespecialiseerd dient te worden. Er is ook volop werk voor anios. De reden laat zich raden. Gelukkig behouden we wel onze opleidingsplekken, zowel landelijk als lokaal. Klanten werven blijft dus belangrijk, helemaal voor deze regio want behalve dat je er prima kan wonen, leren en werken: er is relatief nog weinig werk voor partners werkzaam in andere sectoren dan de geneeskunde. We moeten nog meer aan de bak om onze smoel te laten zien aan studenten. Daarnaast dient iedereen zich bewust te zijn van zijn of haar klantvriendelijkheid: we zijn allemaal levende visitekaartjes. We moeten bereikbaar zijn voor studenten en voor ze klaar staan. Zonder studenten is er geen universiteit. Ook hebben we hulptroepen 1 Tegenwoordig is het merendeel van de studenten geneeskunde vrouw ingehuurd om Maastricht weer op de kaart te zetten voor de opleiding en het eventuele nablijven in de regio. Dat de A2-tunnel nu af is helpt: we zien het licht weer schijnen! Wat hebben we voor u deze zomer? Nieuwe collega’s, promoties, afzwaaiende WESP-studenten en veel vaste rubrieken zoals ‘In de leer’, gewonnen prijzen, een sportevenement, Bruikbare Wetenschap, afgestudeerde huisartsen, opleidersrubriek Equilibre, de column van T.E. Grijs, Weten is Eten en de Gezondheidsrechtelijke kwesties. Het lijkt zo vanzelfsprekend, maar het is een geweldige prestatie dat u en ik telkens weer op onze collega’s kunnen rekenen. Ik dank ze hiervoor nogmaals oprecht! Vrije inzendingen krijgen we ook binnen. Over deelname aan een symposium bijvoorbeeld. Ditmaal van aios Daniëlle Bisschops over ‘wilsonbekwaamheid’, van huisartsdocent Birgit Spoorenberg over voeding en van huisartsdocent Ingrid van der Heijden over het KNMG symposium ‘Rondom sterven’. Geen thema waar je vrolijk van wordt, maar wel enorm actueel. Sowieso goed om te zien dat de KNMG Limburg weer nieuw leven heeft ingeblazen gekregen door een jongere generatie huisartsen. Alles hangt met elkaar samen: dus ook deze ontwikkeling en de aantrekkelijkheid van de regio. Altijd weer vertrekken er mensen. Uit praktijken en uit de afdeling: met pensioen. Pensioen is geen synoniem voor niets doen, maar dat wist u al lang. Wel missen we steeds vaker de enorme ervaring van de ‘oude garde’. Onze redactie ziet helaas weer iemand vertrekken: huisarts(docent) Sjef Swaans. Zijn opvolger Stephan van den Brand zal wellicht ook diens redactierol gaan vervullen en dat is goed nieuws. Neemt niet weg dat we hem zullen missen. Sjef: je afscheidslunch is geweest, je laatste afstudeersessie van aios in Ryckholt ook. En na het verschijnen van dit nummer houden we nog één keer een redactietentje met jou erbij. We zullen ons dan zeker de koning(in) te rijk voelen! Babette Doorn 3 op één lijn 58
Page 4
op één lijn 58 2e uitgave 2017 Van de voorzitter Voorziet regiofinanciering in betere substitutie? DOOR JEAN MURIS, VOORZITTER VAKGROEP HUISARTSGENEESKUNDE UM De overheid zette de afgelopen jaren fors in op substitutie van zorg van tweede naar eerstelijn. Het ministerie van VWS pleit voor zorg in de buurt en vroeg daarbij de huisartsenzorg, waar mogelijk, om zorg uit de tweedelijn over te nemen. De vraag om deze substitutie gaat zo ver dat typisch huisartsgeneeskundige taken weggehaald worden, zodat huisartsen meer tijd hebben voor substitutie. Zo is er zelfs voor gepleit om een voorziening voor de opvang van alledaagse klachten in te richten, los van de huisarts. In de toekomstvisie 2022 is op basis van een inventarisatie onder huisartsen gesteld, dat de ambitie om het aanbod aan huisartsenzorg te vergroten bij de beroepsgroep groot is. Waar kiezen wij als huisartsen dan voor? • Het toevoegen van de monitoring van veelvoorkomende ziekten aan het basisaanbod • Het uitbreiden van het aanbod met verlengde arm consulten van specialisten • Uitbreiding van het GGZ-aanbod op voorwaarde van meer ondersteuning door een praktijkondersteuner GGZ Bij substitutie gaat het om zorg die minstens zo goed, maar tegen lagere kosten in de eerste lijn, dicht bij de patiënt geleverd kan worden, zoals zorg voor mensen met veel voorkomende chronische aandoeningen, het verrichten van diagnostiek in eigen praktijk (point of care diagnostiek) en het doen van veel voorkomende kleine ingrepen. Substitutie is mogelijk bij aandoeningen/ ingrepen waarvoor de vereiste kennis en vaardigheden aanwezig zijn bij de huisarts en die ook onderhouden kunnen worden. Als randvoorwaarden zijn gesteld: bemensing en middelen. Het gaat dan om huisartsen, hun ondersteunend personeel en middelen. Hierbij spreekt men een voorkeur uit voor verkleining van de normpraktijk, d.w.z. minder patiënten per fte huisarts. Wat ik zie is dat er redelijk wat ‘stille’ substitutie is waarover niet echt afspraken zijn gemaakt, maar toch de kant op komt van de huisartspraktijk. In 2018 zou voor 75 miljoen euro aan substitutie zijn voorzien. De beroepsorganisaties lijken het volume aan substitutie niet makkelijk te kunnen monitoren, en zeker niet in de individuele praktijk. En deze ontwikkeling staat haaks op de campagne om meer tijd voor de patiënt te mogen nemen. 4 Op dit moment is de constatering dat het beleid nog steeds is gericht op substitutie waar dat maar enigszins mogelijk is. Tegelijkertijd geven de huisartsen aan, dat aan de randvoorwaarden niet wordt voldaan en dat het bord van de huisarts overvol is. Dit beleid, en met name de mogelijkheden voor en wenselijkheid van verdere substitutie, is matig onderbouwd. Bovendien ontbreekt een implementatieplan en zicht op invulling van randvoorwaarden. Mijn vrees is dat op termijn waar overbelasting ontstaat, de veiligheid in de huisartspraktijk in het geding is. Denk maar eens aan de medicatiebeoordeling: als daar te weinig tijd voor is gaan er ongewenste situaties ontstaan. Naast een betere planning van de substitutie zouden vooral zorggroepen projecten moeten initiëren (bijv. lokale formularia, elektronische voorschrijfsystemen) om aan het vraagstuk van de basale veiligheid in de praktijk tegemoet te komen. Gelukkig zie ik in onze regio, dat daar al aanzetten voor worden gegeven, waarbij ook de tweedelijn wordt betrokken. Een goed plan voor de invoering van noodzakelijke substitutie heb ik nog niet gezien. Maar ik hoop dat de regio sterker wordt op deze punten en en dat de regiofinanciering geconsolideerd kan worden. Laat maar weten waar we als vakgroep kunnen ondersteunen, bijvoorbeeld in het zoeken naar en formuleren van 'best practices'. Oratie in Maastricht Wetenschappelijk Maastricht door de ogen van een jonge academicus DOOR RAOUL HERMANNS, STUDENT GENEESKUNDE De afgelopen 18 weken heb ik mijn wetenschapsparticipatiestage (WESP) bij huisartsgeneeskunde gedaan. Om eerlijk te zijn wist ik voor de start van deze stage niet goed wat ik kon verwachten van het wetenschappelijke wereldje. Tot dan toe kende ik alleen studenten die een WESP afgerond hadden en niet zo positief waren. Maar toen kende ik de HAG-WESP-en nog niet, want die zijn wel gemotiveerd. Als enthousiaste student begon ik vol goede moed met mijn stage over de implementatie van Samen Beslissen (Shared Decision Making) in de borstkankerzorg, onderdeel van het promotietraject van drs. Wilma Savelberg en onder begeleiding van prof. Trudy van der Weijden. Door de goede begeleiding, prettige werksfeer, en het voorspoedig verloop van mijn onderzoek, kwam ik in de ban van de onderzoekswereld en was ik al snel opzoek naar meer. Daarom was ik ook meteen erg enthousiast toen Trudy mij uitnodigde deel te nemen aan een onderzoek naar de patiëntgerichtheid van multidisciplinaire team meetings (MDTM). Vanaf dat moment begon ik voor het eerst te fantaseren over het doen van een promotietraject en natuurlijk, ambitieus als ik ben, het worden van professor… Een aantal weken later nodigde Trudy mij uit voor het symposium en de oratie van prof. Jako Burgers. Het onderwerp persoonsgerichte zorg in richtlijnen sloot enorm goed aan bij mijn WESP en ik dit was mijn kans om een oratie mee te maken. Hier moest ik bij zijn! De oratie zelf beloofde ook op voorhand al een feestelijke, en uiterst boeiende dag te worden. Huisarts Jako Burgers is werkzaam bij het NHG en de Universiteit Maastricht en het gebeurt niet elke week dat een huisarts hoogleraar wordt. Het thema: ‘Persoonsgerichte zorg in richtlijnen: contradictie of paradox?’, raakt iedere zorgprofessional. In de aanloop naar het symposium was ik erg onder de indruk van het bonte, hooggeleerde gezelschap. Ik kende eigenlijk niemand, maar heb toch met verschillende postdoc’s gepraat, en begon me al snel aardig thuis te voelen. Vervolgens startte het symposium en volgden vier uiterst interessante lezingen, relevant voor mijn toekomst als arts, waaruit ik diverse kernboodschappen heb opgepikt: • Kwaliteit is een moreel concept, waardoor kwaliteitsverbetering eindeloos is. Daarom moeten we Jako Burgers ons richten op gedeelde waarden: solidariteit, compassie, autonomie en pluriformiteit • We moeten de verschillen in onze samenleving accepteren, ervan leren en samen verder gaan • Goede communicatie tussen arts en patiënt is essentieel om tot weloverwogen beslissingen te komen. Na het symposium was er een uurtje pauze, dus dat gaf me de tijd een cappuccino te drinken met mijn vriendin op een terras, terwijl ik haar de voordrachten beschreef. Ze was een beetje sceptisch over het ‘kwaliteit is een moreel concept’punt, maar ik heb het nog een keer uitgelegd tot ze zei; ‘ah, zo.’ En daar moest ik het mee doen. Een uurtje later begaf ik me naar de oratie, waar ik ruim op tijd plaats nam in de banken. Toen diverse professoren in toga de zaal in kwamen, was dat het moment, waarop iedereen plechtig ging staan. En daar was hij dan: prof. Jako Burgers. De oratie die volgde was fantastisch. De hele uitvoering had wat van een religieuze plechtigheid, waarbij de gehele zaal als in trance hing aan de lippen van de kersverse hoogleraar. Dit was ook niet meer dan terecht, want wat er gezegd werd was ontzettend interessant, relevant en intens oprecht. Wat mijzelf het beste is bijgebleven: niet de richtlijnen bepalen wat goede zorg is, maar de dialoog tussen patiënt en de arts. Hier bleef ik lang over nadenken. In mijn ogen is dit fundamenteel voor goede zorg, maar helaas kan dit in de klinische praktijk nog wel eens anders verlopen. Ik vind het echter fantastisch om dit te horen van een professor in richtlijnen, en misschien opent dit wel een nieuw hoofdstuk voor de patiëntgerichte zorg. Kortom, deze oratie is tot nu toe het hoogtepunt van mijn leven als jonge academicus. Ik vond het een prachtige ervaring, en het lijkt me heerlijk om een expert en vraagbaken te worden rond een bepaald onderwerp. Daarom zal ik proberen het voorbeeld van Jako en Trudy met passie te volgen, om zo mijn eigen vorming als academicus en medische professional te beginnen met een uitstekend fundament. Wie meer wil weten over deze dag, kan het nalezen op de website van het NHG: www.nhg.org/actueel/nieuws/terugblik-op-symposium-enoratie-prof-dr-jako-burgers 5 op één lijn 58
Page 6
op één lijn 58 2e uitgave 2017 Ondersteuning voor naasten van psychiatrische patiënten De familievertrouwenspersoon DOOR TRUUS BIJKER, FAMILIEVERTROUWENSPERSOON Truus Bijker (links op de foto) Binnen ggz-instellingen is de familievertrouwenspersoon niet meer weg te denken. Nieuw is dat deze vertrouwenspersoon zijn werkveld uitbreidt buiten de instellingsmuren. Midden-Zuid Limburg is één van de proeftuinregio’s waar familievertrouwenspersonen naasten van mensen met psychiatrische of verslavingsproblemen ondersteunen, ongeacht of en waar de patiënt in behandeling is. Daardoor kan de familievertrouwenspersoon meer naasten ondersteunen: óók die van mensen die zorg mijden of die in behandeling zijn bij de huisarts, in de basis of openbare ggz. En bij wisseling van behandelaar, kan de familievertrouwenspersoon nu een constante factor zijn voor naasten. Voor wie? Een moeder die er helemaal doorheen zit omdat haar dochter psychotisch is. Een echtgenoot van een vrouw met depressie die zijn gezin draaiende moet houden. Soms zit de wachtkamer vol met mensen die lijden aan zorgen om een ander. Familie en naasten in de ggz vinden het vaak moeilijk om hulp voor zichzelf te vragen. Door schuldgevoel, schaamte of angst om het vertrouwen van de patiënt te schaden. De familievertrouwenspersoon is er voor de naasten van psychiatrische patiënten. Waarom naasten ondersteunen? Voor de patiënt is familie meestal het belangrijkste of zelfs enige netwerk. Om dat netwerk in stand te houden is ondersteuning nodig, want naasten hebben het zwaar. Ze krijgen vaak zelf klachten zoals stress, overbelasting of een depressie. Naasten hebben bovendien vaak als enige nog het vertrouwen van de patiënt. Via ondersteuning van familie lukt het soms om de patiënt in te laten zien dat hij zich moet laten behandelen. Wat biedt de familievertrouwenspersoon? Een luisterend oor voor naasten en hulp om hun eigen positie te versterken: hoe kun je het beste omgaan met de patiënt, hoe stel je grenzen om zelf overeind te blijven en waar kun je een cursus volgen? Daarnaast maakt de familievertrouwenspersoon naasten wegwijs in de ggz en kan deze een rol vervullen in het verbeteren van de relatie tussen familie en hulpverleners. Wie is de familievertrouwenspersoon? Familievertrouwenspersonen zijn hbo-opgeleide professionals. Ze zijn bekend met psychiatrische 6 ziektebeelden, wet- en regelgeving in de zorg en de sociale kaart van de regio. Wat is het verschil met andere vertrouwenspersonen? Familievertrouwenspersonen richten zich specifiek op naasten van psychiatrische patiënten en hebben ggzexpertise. Ze werken vanuit een vertrouwensrelatie waarbij de vraag van de familie leidend is. Familievertrouwenspersonen zijn in dienst van de Landelijke Stichting Familievertrouwenspersonen (LSFVP). Daarmee zijn ze onafhankelijk en onderdeel van een landelijk netwerk. Wat kunt u doen? Als u als huisarts of POH-ggz vermoedt dat naasten behoefte hebben aan ondersteuning, dan kunt u voortaan een folder over de familievertrouwenspersoon meegeven. Een naaste: “Alleen al het idee dat ik de familievertrouwenspersoon kan bellen, is een enorme steun.” Casus Met mijn zoon is ‘niets aan de hand’ “Mijn zoon Jorrit heeft een persoonlijkheidsstoornis, maar vindt zelf dat er niets met hem aan de hand is. Omdat hij het alleen niet redde, heb ik hem maar weer in huis genomen. Daarop verbrak mijn dochter het contact. Ze was er op tegen. Nu zie ik ook mijn kleinkinderen niet meer. ’s Nachts lag ik te tobben. Via de huisarts had ik gesprekken met de POH-ggz. Daar heb ik veel aan gehad, maar dat aantal gesprekken is beperkt. De POH wees me op de familievertrouwenspersoon. Die is geen behandelaar, maar geeft praktische adviezen en ondersteuning. Ik kon er gelukkig snel terecht. De familie-vertrouwenspersoon hielp me om mijn verantwoordelijkheid te nemen en sterkte me om het gesprek met Jorrit aan te gaan. Hij heeft zich nu ingeschreven als woningzoekende en zich aangemeld bij maatschappelijk werk. Er zit beweging in de situatie. Daardoor is er nu ook weer voorzichtig contact met mijn dochter.” Voor meer informatie en voor het aanvragen van folders kunt contact opnemen met: Truus Bijker,06 -1115113, t.bijker@lsfvp.nl, www.lsfvp.nl. 2e uitgave 2017 Na de praktijkovername Wanneer word je coschap opleider? DOOR MAARTEN GERING, HUISARTS IN UBACHSBERG Mijn naam is Maarten Gering, ik ben getrouwd en vader van 3 dochters en ik ben sinds 3 jaar huisarts. Ik ben oorspronkelijk gezondheidswetenschapper (afstudeerrichting milieugezondheidskunde). Na deze studie ben ik de opleiding geneeskunde in Maastricht gaan volgen. Mijn coschap huisartsgeneeskunde heb ik destijds in een huisartsenpraktijk in de wijk Sint Pieter in Maastricht gelopen. Na de studie Geneeskunde heb ik de huisartsenopleiding in Maastricht gevolgd. Hierna ben ik gedurende 1,5 jaar in een gezondheidscentrum gaan werken, alvorens ik de overstap maakte richting de praktijk in Ubachsberg. Hier heb ik afgelopen 1,5 jaar gewerkt als waarnemend huisarts. Vanaf 1 juli 2017 neem ik deze praktijk over samen met huisartscollega Annemiek Vincken. Keuze om in deze praktijk verder te gaan als huisarts is de kleinschaligheid van een dorpspraktijk, de continuïteit van zorg die je hierbij kunt bieden maar met de kwaliteit anno 2017. Ik vind het erg belangrijk dat je als huisarts een band opbouwt met je patiënten en dat je de sociale context goed kent binnen de gezinnen. Vanaf 2018 ga ik als opleider aan de slag. Mij lijkt het erg leerzaam en verdiepend om jonge aanstaande collega’s te begeleiden in hun opleiding, net zoals mijn voorgangers. Ik wil daarbij graag mijn eigen enthousiasme voor het huisartsenvak overbrengen op aanstaande (huis)artsen. Uitgelijnd Redactionele missers en respons DOOR BABETTE DOORN, HOOFDREDACTEUR Missers Het vorige nummer was speciaal gewijd aan de Kaderopleiding Hart- en Vaatziekten. Laat nu net in dat artikel op pagina 5 door Yvonne van Leeuwen, de laatste alinea niet daar thuishoren, maar op pagina 8. In het artikel van haar opvolger, Robert Willemsen. De digitale versie op onze website is wel correct. Heeft u de quiz op pagina 6 nog gemaakt? Respons op de speciale kaft De speciale hoes om de kaft met een hart erin gestanst trok uw aandacht. We kregen heel veel positieve reacties op dit (eenmalige) glossy jasje. Het nadeel was dat door dit speciale hoesje het blad veel later verscheen dan gepland. Hierdoor was de inhoud niet altijd actueel. Hendrik Jan Vunderink wenste u met terugwerkende kracht “Vrolijk Pasen”. WESP-en De WESP-en met hun foto’s trekken altijd de aandacht van andere studenten. Als we exemplaren ter inzage meenemen naar carrièremiddagen en voorlichtingsavonden, dan zijn er altijd mensen die zeggen “hé, die ken ik”. WESP Eline Meijs (pag.21) werd door Jochen Cals en Angel Schols begeleid; de naam van Eefje de Bont stond hier onterecht tussen. Tot slot Kregen we een bedankje van Henk Goettsch, voormalig redactielid, nu met pensioen. Hij was vereerd met het afscheidsartikel dat we voor hem schreven. 7 op één lijn 58
Page 8
op één lijn 58 2e uitgave 2017 Welkom! Nieuwe collega's stellen zich voor Oda Bauhuis Gedragswetenschapper jaar 3 Huisartsopleiding Mijn naam is Oda Bauhuis. Sinds 1 juni werk ik twee dagen per week als gedragswetenschapper voor jaar 3 van de Maastrichtse Huisartsopleiding in Eindhoven. Daarnaast heb ik een eigen psychologenpraktijk en ben ik hoofddocent in de opleiding tot GZ-psycholoog. Ik ben van huis uit kinder- en jeugdpsycholoog en heb me in de loop der tijd verder geschoold in de gedragstherapie, oplossingsgerichte therapie en systeemtherapie. Ik heb gewerkt binnen het onderwijs, de GGD en de GGZ. In mijn eigen praktijk werk ik nog steeds voornamelijk met kinderen en gezinnen, maar inmiddels ook met volwassenen. In mijn praktijk heb ik veel contact met huisartsen; als verwijzer natuurlijk, maar soms ook als cliënt of ouder. Sinds 2008 geef ik onderwijs en supervisie in de postmaster opleidingen tot GZ-psycholoog, cognitief gedragstherapeut en kinder- en jeugdpsycholoog. Het opleiden en ontwikkelen van professionals vind ik een inspirerende aanvulling op het uitvoerende werk. Ik leer ervan, heb het gevoel dat ik kan bijdragen aan het vergaren van kennis, maar vooral ook het aan het ontwikkelen van beroepsattitude en zelfvertrouwen. Ik hoop in mijn rol als gedragswetenschapper bij de huisartsenopleiding mijn enthousiasme, inhoudelijke kennis, ervaring met opleiden en ontwikkelen van professionals en praktijkervaring samen te brengen. Ik ben getrouwd en moeder van een dochter van 16 en een zoon van 14. Ik hou van hardlopen, eten met vrienden en tuinieren. Ik hou niet van autorijden dus je zult me vooral op de fiets tegenkomen onderweg naar het werk. Karin van Leersum Promovendus Vanaf april 2017 werk ik met veel plezier bij de vakgroep huisartsgeneeskunde. Voordat ik hier begon, heb ik zowel ‘Technische Geneeskunde’ als ‘Philosphy of Science, Technology and Society’ gestudeerd aan de Universiteit Twente. Maastricht is voor mij dus ook een hele nieuwe omgeving, die ik deels heb kunnen verkennen tijdens de hardloopwedstrijd Maastrichts Mooiste. Tot nu toe bevalt het goed! Onder begeleiding van prof. dr. Trudy van der Weijden, prof. dr. Judith Wolf, dr. Albine Moser en dr. Ben van Steenkiste zal ik de komende drie jaar onderzoek doen binnen het project ‘Ontwikkeling en evaluatie van een keuzehulp voor cliënten in de langdurige zorg.’ Uit voorgaand onderzoek blijkt dat eigen regie van cliënten en de betrokkenheid van hun naasten tijdens het keuzeproces gewenst is. Mensen weten vaak niet eens dat er iets te kiezen valt. Er zijn wel indicatoren om zicht te krijgen op de kwaliteit van de langdurige zorg, maar deze informatie wordt niet of nauwelijks gebruikt door cliënten. Er wordt eerder intuïtief gekozen dan op basis van rationele overwegingen. Het doel is om een gebruiksvriendelijke keuzehulp te ontwikkelen voor cliënten en hun ondersteuners om ze te helpen bij het formuleren van persoonlijke doelen, wensen en voorkeuren. Hierop kan de keuze voor een zorgvorm gebaseerd worden. Oorspronkelijk kom ik uit Den Haag, maar ik verhuisde voor mijn studie naar Enschede. Na twee mooie studies heb ik in Afrika vier maanden als vrijwilliger onderwateronderzoek gedaan bij de Seychellen en vervolgens nog een reis gemaakt naar Madagaskar en Zuid-Afrika. Duiken en reizen zijn niet mijn enige passies, want in mijn vrije tijd sport ik graag en veel. Na veel jaren open water wedstrijdzwemmen heb ik een uitstapje gemaakt naar het hardlopen en langzamerhand gaat fietsen ook steeds beter. Veel sporten is voor mij vooral ontspanning, maar ooit hoop ik een iron man te volbrengen. Deze zomer was voor mij de kwart triathlon een klein opstapje richting deze lange afstand. 8 2e uitgave 2017 Stephan van den Brand Huisartsbegeleider huisartsopleiding Marjolein van Rooijen Promovendus Soms moet je een kans pakken als je kan. Dat heb ik nu gedaan en ben, bijna 51 jaar oud, gestart als huisartsbegeleider van een groep in jaar 3 in Maastricht. Ik heb namelijk al lang heel veel plezier in het opleiden van jonge professionals. Kort na mijn afstuderen als arts in Nijmegen heb ik onderwijs gegeven aan coassistenten. Niet omdat het moest, maar omdat het kon. Later heb ik gewerkt in de Vroedvrouwenschool, die toen nog in Kerkrade was, en op de SEH in Roermond. Twee plekken waar ook van mij verwacht werd dat ik onderwijs gaf en waarvan ik heb genoten. De huisartsopleiding heb ik in Maastricht gedaan. In 1998 ben ik huisarts geworden. Samen met mijn collega en echtgenote Brigitte heb ik me een jaar later gevestigd in Heerlen. We zijn daar een nieuwe praktijk gestart. En een gezin. We hebben 3 kinderen. Na enkele coassistenten opgeleid te hebben ben ik in 2009, nadat we samen met twee andere praktijken het Gezondheidscentrum Heerlen-Zuid hebben gevormd, gestart als huisartsopleider. Een absolute verrijking voor mij in het uitoefenen van mijn vak. Bovendien heb ik dat jaar de kaderhuisartsopleiding Palliatieve Zorg afgerond. Ik zorg er dan ook voor dat elk jaar in de regionale bijscholing een workshop over palliatieve zorg op de agenda staat. Wat meer op de achtergrond ben ik beleidsmatig met de palliatieve zorg in de regio bezig. Ik hou ervan om mezelf te blijven uitdagen. Nieuwe prikkels te zoeken. “Verandering van spijs doet eten”, zegt men. Die nieuwe prikkels zoek ik ook buiten het werk, zo verander ik om de paar jaar van sportactiviteit. Tegenwoordig voetbal ik weer bij de veteranen. Al weer de derde periode. Tussendoor ben ik gestopt omdat ik cricket wilde spelen. Hiervoor heb ik samen met een paar enthousiastelingen, inmiddels goede vrienden, de crickettak van de toenmalige Heerlense Hockey Club heropgericht en met mensen van diverse nationaliteiten kennis gemaakt. Een culturele wereldreis, zonder het land uit te hoeven gaan. Later heb ik een paar jaar in het doel gestaan bij de hockeyveteranen. Maar het is ook de tweede reden waarom ik gestart ben als huisartsbegeleider. Het begeleiden van een groep mensen zie ik als een heel andere tak van sport dan het in de praktijk begeleiden van een AIOS. Gelukkig heb ik al een heleboel inspirerende collega’s ontmoet tijdens mijn inwerkperiode, zodat ik vol vertrouwen er naar uit kijk om samen met Ria Huygen-Koolen de juni groep in Maastricht te stimuleren om er samen een leerzaam en leuk jaar van te maken. Half maart 2017 ben ik gestart met mijn promotieonderzoek aan de Universiteit Maastricht en Zuyd Hogeschool. Het onderzoek richt zich op het optimaliseren van de implementatie van meetinstrumenten die de kwaliteit van zorg voor mensen met nietaangeboren hersenletsel anders te meten. Met anders doelen we op de zachtere kant van zorg. Het is essentieel dat de theorie goed aansluit bij de vraag die in de praktijk ligt, en daarom ben ik één dag in de week bij Stichting Gehandicaptenzorg Limburg (SGL) aanwezig om feeling te krijgen met de cliëntengroep en begeleiders, en hun wensen. SGL geeft specialistische zorg en ondersteuning aan mensen met hersenletsel, mensen met een (zware) fysieke handicap en mensen die afhankelijk zijn van ademhalingsondersteuning. Het onderzoek voer ik uit onder begeleiding van Sandra Beurskens en Albine Moser. Ik ben geboren in Abcoude, heb Gezondheidswetenschappen aan de Vrije Universiteit in Amsterdam gestudeerd en als master Global Health aan de Universiteit Maastricht. Na onderwijsperiodes in Nederland, Canada (McMaster University) en India (Manipal), had ik de kans om in Myanmar onderzoek te doen naar ‘Een geschikte vorm van zorgverzekeringen voor de bevolking van Myanmar’. Ik kom niet direct uit de collegebanken, maar heb nog anderhalf jaar in andere sectoren gewerkt. Eerst bij de firma “Independer” op de afdeling zorgverzekeringen, waar ik in aanraking kwam met mensen die door hun beperkingen geconfronteerd worden met hoge zorgkosten. Ondanks dat ik er van overtuigd ben dat Nederland één van de beste zorgsystemen ter wereld heeft, zijn ook hier mensen die achtergesteld zijn of raken zodra ze zorg gaan gebruiken. Omdat mijn interesses verder gingen dan alleen verzekeringen, solliciteerde ik bij VUmc op de functie van junior stafadviseur onderzoek, en met succes. Hier heb ik vanaf juni 2016 met veel plezier gewerkt. Ik hield me bezig met het faciliteren van het beleid en ondersteuning van onderzoek. Vele onderwerpen passeerden de revue, wat me motiveerde om op de zoek te gaan naar een specialisme waarin ik me verder kon ontwikkelen om op die manier zelf ook meer een ‘expert’ in plaats van generalist te worden. De kans om dit via promotieonderzoek in Maastricht te doen sloot daar heel goed op aan en ik ben daarom zeer verheugd met deze uitdaging! 9 op één lijn 58
Page 10
op één lijn 58 2e uitgave 2017 In de prijzen CaRe award & Prof. Huygenprijs Annerika Gidding-Slok wint CaRe award In 2016 verschenen 170 proefschriften onder de vlag van de landelijke researchschool CaRe. Researchinstituut CAPHRI maakt daar deel van uit. Uit al die proefschriften werden drie kandidaten genomineerd voor de CaRe Award, de prijs voor het beste proefschrift van dat jaar. Eén van de drie genomineerde poefschriften was dat van Annerika Slok uit Maastricht getiteld ‘Towards personalised management using the Assessment of Burden of COPD tool’, over de ziektelastmeter COPD die momenteel in de dagelijkse zorg wordt gebruikt. Op dit moment werkt ze ook aan een generieke ziektelastmeter. Annerika won de Award; dit jaar een gedeelde eerste plaats met Willemijn Schäfer van het Nivel voor haar proefschrift ‘ Primary care in 34 countries: perspectives of general practitioners and their patients’. De uitreiking vond plaats op vrijdag 19 mei in de Bonbonnière in Maastricht. Prof. Huygenprijs voor Nicole Verbiestvan Gurp De Prof. Huygenprijs wordt jaarlijks uitgereikt op het LOVAH1 congres door de Frans Huygen Stichting, van het NHG en de LOVAH. Deze prijs van € 2.000,- is bedoeld als stimulans voor huisartsen in opleiding om nieuw onderzoek op te starten. Op 24 Maart jl. werd de prijs toegekend aan Nicole Verbiestvan Gurp, Arts In Opleiding Tot Huisarts en Onderzoeker (AIOTHO) bij de Vakgroep Huisartsgeneeskunde, voor haar onderzoeksvoorstel ‘Current practice of Dutch general practitioners in detecting and diagnosing atrial fibrillation; a case vignette study’. Haar voorstel is een deelonderzoek van de D2AF studie, een landelijke gerandomiseerde studie naar de opsporing van atriumfibrilleren (AF) in de huisartsenpraktijk. Het deelonderzoek wordt uitgevoerd door een wetenschapsstudent (WESP) onder begeleiding van Nicole. Samen zullen ze de huidige gang van zaken in de huisartspraktijk rond de diagnostiek van AF in kaart brengen. Uit de resultaten zal blijken waar nog verbeteringen mogelijk zijn. Wellicht heeft u al een uitnodiging ontvangen voor deze vragenlijst? 1 LOVAH staat voor Landelijke Organisatie Van Aspirant Huisartsen 10 2e uitgave 2017 eHealth onderzoek De smartphone gebruiken om meer te bewegen? Dat kan! DOOR RENÉE VERWEY, ONDERZOEKER ZUYD HOGESCHOOL Deze huisartsenpraktijk doet mee aan het onderzoek: Dagelijks worden er nieuwe apps gelanceerd die claimen bij te dragen aan een gezonde leefstijl. Maar hoe weet je of die apps werken? Werken ze gemakkelijk? Zijn ze veilig? Gaat de huisartsenpraktijk gebruik van dergelijke apps aanraden? Goede vragen die in de praktijk niet makkelijk te beantwoorden zijn. In Engeland is de NHS begonnen met een proef, een website (apps.beta.nhs.uk) met aanbevolen apps. Ook in Nederland bestaat een initiatief dat patiënten kan helpen bij het maken van een keuze: de GGD appstore (ggdappstore.nl). In Limburg is specifiek voor het stimuleren van meer bewegen een keuzewijzer beweeg-apps ontwikkeld waarin 8 gratis apps zijn opgenomen die aanzetten tot meer bewegen: www.innovatiesindezorg.eu/programmas/zorg-enmonitoring-op-afstand/meer-bewegen-met-uw-smartphone/. Aanbeveling “Een mooi initiatief waarmee we patiënten kunnen wijzen op de mogelijke meerwaarde van het gebruik van zo’n app. Die mogelijke meerwaarde wordt wetenschappelijk onderzocht in dit project.” Niels Chavannes, hoogleraar Huisartsgeneeskunde LUMC, leerstoel eHealth-toepassingen in Disease Management. Dit onderz van een app op uw met uw Als u die bij u past. Uw De app stimuleert u om meer Meedoen aan h Meedoen aan he ervaringen o praktijk Meer informa Bij vr praktijk mail o keuz Voor het testen en verbeteren van de keuzewijzer zijn de onderzoekers nog op zoek naar praktijken die de keuzewijzer bij hun patiënten onder de aandacht willen brengen. Via zorggroepen zijn we momenteel praktijken aan het werven om mee te doen, maar u kunt zich ook rechtstreeks aanmelden bij de onderzoeker dr. Renée Verwey: renee.verwey@zuyd.nl. Voor meer informatie: http://www.innovatiesindezorg.eu/files/2514/9519/1525/ Werving_praktijken_website_EIZT.pdf European General Practice Research Network (EGPRN) Op 19-22 oktober 2017 is de 85e editie van het halfjaarlijkse EGPRN congres. Plaats: Dublin, Ierland. Thema: “Mental Health in primary care: increasing Public and Patient Involvement in Health Research” Website: meeting.egprn.org E-mail: Hanny.Prick@maastrichtuniversity.nl Accreditatie ABC1 wordt aangevraagd. � � � � ����� � � 11 � � op één lijn 58 � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � ��� � � � � � � �
Page 12
op één lijn 58 2e uitgave 2017 Bruikbare wetenschap Kort maar krachtig DOOR RUUD VERHEES, AIOTHO EN JOCHEN CALS, HUISARTS IN SITTARD EN UNIVERSITAIR DOCENT VAKGROEP HUISARTSGENEESKUNDE Ruud Verhees Jochen Cals In deze bijdrage vindt u een selectie wetenschappelijke artikelen van Maastrichtse makelij. Hiervoor selecteren wij artikelen die direct bruikbaar kunnen zijn voor de dagelijkse praktijk. Meer feedback, minder voorschriften? Recent kreeg de huisartsenzorg er 164 miljoen bij en kwam daarmee uit op een totaal budget van 3.5 miljard. De procentuele groei van zorgkosten is echter groter dan dat van het bruto nationaal product. Om de zorg betaalbaar te houden, zullen we dus moeten blijven zoeken naar mogelijkheden om kosten te besparen. Huisarts Jasper Trietsch en zijn team deden een poging daartoe en onderzochten via een cluster-RCT onder bijna 200 huisartsen, of feedback door deskundige collega’s kan leiden tot bewuster voorschrijfgedrag en minder onnodige labaanvragen. De huisartsen konden een selectie uit diverse thema’s aandragen, bijvoorbeeld anemie, maagklachten of prostaatklachten. Vervolgens kregen zij binnen deze thema’s in 6 bijeenkomsten met hun lokale apotheker of laborant feedback over hun voorschrijf- / aanvraaggedrag over de afgelopen 6 maanden. In tegenstelling tot wat de auteurs op basis van de beschikbare literatuur verwachtten, zagen zij geen significant verschil tussen beide groepen in het voor- / uitschrijfgedrag van de artsen. In tegendeel: beide namen zelfs toe, hoewel deze toename kleiner was in de interventiegroep. De onderzoekers stellen dat verschillende contextgerelateerde factoren verklarend kunnen zijn voor de teleurstellende resultaten. Al tijdens de trial bemerkten zij een gebrek aan vertrouwen in de trial. Ook zou de interventie te moeilijk en te ambitieus gevonden worden en werden de bijeenkomsten niet in duidelijke werkafspraken vertaald. Het feit, dat de studiegrootte te klein was om betrouwbare uitspraken te doen, doet hier weinig aan af; ze zagen immers een effect in tegengestelde richting. Juist nu het gebruik van spiegelcijfers in FTOs en met name DTOs weer in opkomst is, is het dus zinvol om op basis van die cijfers tot concrete werkafspraken te komen, en deze ook te evalueren met dezelfde groep. Regelmatig in de spiegel kijken dus. 12 Stoppen met roken is niet gevaarlijk Als ik digitaal blader door het farmacotherapeutisch kompas in de lijst van potentiele bijwerkingen van bupropion of varenicline, kan ik me moeilijk voorstellen, dat dergelijke medicatie bijdraagt aan de gezondheid van de roker die ik tegenover me heb zitten. Onterecht! Reeds in 2015 publiceerden Daniel Kotz en Onno van Schayck, dat deze medicijnen niet geassocieerd zijn met een verhoogd risico op ernstige cardiovasculaire of neuropsychiatrische uitkomsten in de algemene (rokende) populatie (The Lancet Respiratory Medicine) Omdat stoppen met roken de belangrijkste “behandeling” is voor patiënten met COPD (en de “algemene” patiënt niet bestaat), onderzochten zij, of dit ook geldt voor deze specifieke patiëntengroep. In een groot Engels cohort vergeleken zij daartoe de incidentie van cardiovasculaire en neuropsychiatrische events van patiënten met COPD die bupropion of varenicline gebruikten, versus COPDers die nicotinevervangende middelen (NVM) kregen voorgeschreven. Conclusie? Beide medicijnen geven geen hoger risico op de genoemde uitkomstmaten dan de nicotinevervangers. Confounding lag echter op de loer; de patiënten die nicotinevervangers gebruikten hadden immers een hoger risico op ernstige bijwerkingen, omdat ze gemiddeld ouder waren, ernstiger COPD hadden en meer comorbiditeit kenden. Omdat de bupropion en varenicline groep daarmee vergeleken werd, zouden zij mogelijk wel eens positiever uit kunnen vallen. De auteurs hielden hier in hun analyses echter rekening mee en achten de kans op vertekende resultaten klein. Mocht een COPD-patiënt u na het lezen van de bijsluiter enigszins bezorgd opbellen met vragen over die griezelige bijwerkingen die beschreven staan, dan kunt u de patiënt op basis van deze studie wellicht iets meer geruststellen.. Gonorroe: hulpverleners verschillen in hun werkwijze Patiënten kunnen gonorroe bij zich dragen zonder dat zij dit zelf opmerken. Dat het seksueel contact onveilig is geweest hebben ze wel gemerkt, dus vroeg of laat kan de patiënt toch op het spreekuur verschijnen om ons alsnog deelgenoot te maken van hun intieme avontuur. De brandende vraag is: blijft deze diplokok ook door ons onopgemerkt? In 2e uitgave 2017 Nederland wordt vrijwel alle SOA diagnostiek gedaan door huisartsen, de SOA-poli van de GGD en gynaecologen. Casper den Heijer en Jochen Cals onderzochten in welke mate deze verschillende professionals hetzelfde te werk gingen. Zij vergeleken over een periode van 4 jaar onder andere de ingezette diagnostiek, het aantal urogenitale en extragenitale diagnoses en het aantal gonorroe positieven dat opnieuw getest werd. Hieruit kwam een aantal opmerkelijke verschillen tussen professionals naar voren. Vrouwen vonden vaak de weg naar de huisarts (43%) terwijl de meeste mannen (71%) de hulp van de GGD inschakelden. Ongeveer de helft van alle gonorroe tests werd door de SOA klinieken aangevraagd en zij bleken nagenoeg de enigen die ook extragenitaal testen. Ook bleken huisartsen en gynaecologen, na een eerdere positieve test, opvallend minder vaak opnieuw een gonorroe test uit te voeren om zo hun behandeling te evalueren. Overigens begrijpelijk, want ons beleid van herhaaldelijk testen is gebaseerd op risicogedrag, terwijl de richtlijnen van de GGD voorschrijven dat iedereen met een positieve gonorroe opnieuw getest wordt. Conclusie: we laten mogelijk belangrijke kansen ter preventie van de verspreiding van gonorroe onbenut. Toch eens wat vaker overwegen om extragenitaal te testen (het lab heeft hiervoor speciale vegertjes) bij gonorroe valt te overwegen om 3-12 maanden na de positieve test opnieuw te testen. Astma: gegronde twijfel over de diagnose Piept, steunt of kreunt u ook wel eens, wanneer u twijfelt over de diagnose astma bij een patiënt? U bent niet alleen! Huisartsen hebben soms moeite de diagnose astma accuraat te stellen. Dit leidt tot zowel over- als onderdiagnostiek, met tevens teveel of juist te weinig puffers. Huisarts Jean Muris en zijn collega’s onderzochten daarom of een speciale “astmadiagnostiek en consultatieservice” huisartsen hierin kon ondersteunen. Ook keken ze in welke mate de werkdiagnose van huisartsen overeenkwam met die van de consultatieservice. Dit consultatiecentrum is ondergebracht in het Catharina Ziekenhuis Eindhoven en ontworpen als ‘one-stop-shop’. Patiënten worden hier, afhankelijk van eventueel ingezette aanvullende diagnostiek, eenmalig gezien en daarna terug verwezen naar de huisarts of doorverwezen naar een specialist. Huisartsen die twijfelden over de diagnose astma konden hun patiënten hier op eigen initiatief naar toe doorverwijzen. Uit de studie blijkt dat de twijfel van de huisartsen over hun werkdiagnose regelmatig juist was. Waar zij in 97% van de verwezen patiënten astma vermoedden, kon via dit consultatiecentrum in meer dan de helft van de verwezen patiënten de diagnose uitgesloten worden. Overigens is het natuurlijk normaal dat dit percentage omlaag zou gaan. Je verwijst tenslotte enkel patiënten waar je denkt aan astma naar een consultatieservice voor astmadiagnostiek. In 42% van de gevallen werd de diagnose wel bevestigd. Andere aandoeningen zoals rhinitis, gastro-oesofageale reflux, een post-infectieuze en rookgerelateerde hoest kwamen daarnaast in beide groepen frequent voor. Het lijkt erop, dat deze langdurige hoesters de huisartsen soms op een dwaalspoor hebben gebracht, waardoor de gedachte aan astma naar voren kwam. De auteurs merken terecht op, dat de resultaten van hun onderzoek niet zondermeer geëxtrapoleerd kunnen worden naar alle patiënten waarbij de huisarts twijfelt aan de diagnose astma. Immers, de huisartsen selecteerden zelf de patiënten die ze naar deze service verwezen hetgeen een representatieve weergave kan verhinderen. Deze studie bouwt mooi voort op het eerdere promotie onderzoek van Annelies Lucas naar een astma/COPD support service voor huisartsen, ook al in Eindhoven. Referenties • Effect of audit and feedback with peer review on general practitioners’ prescribing and test ordering performance: a cluster-randomized controlled trial. Trietsch J1, van Steenkiste B2, Grol R3, Winkens B4, Ulenkate H5, Metsemakers J2, van der Weijden T2. BMC Fam Pract. 2017 Apr 13;18(1):53. doi: 10.1186/s12875-017-0605-5. • Cardiovascular and neuropsychiatric risks of varenicline and bupropion in smokers with chronic obstructive pulmonary disease. Kotz D1,2,3,4, Viechtbauer W5, Simpson CR3, van Schayck OCP2,3, West R4, Sheikh A2,3,6. Thorax. 2017 May 4. pii: thoraxjnl-2017-210067. doi: 10.1136/thoraxjnl-2017-210067. [Epub ahead of print] • A comprehensive overview of urogenital, anorectal and oropharyngeal Neisseria gonorrhoeae testing and diagnoses among different STI care providers: a cross-sectional study. den Heijer CDJ1,2, Hoebe CJPA3,4, van Liere GAFS3,4, van Bergen JEAM5,6, Cals JWL7, Stals FS8, Dukers-Muijrers NHTM3,4. BMC Infect Dis. 2017 Apr 20;17(1):290. doi: 10.1186/s12879-017-2402-0. • The contribution of an asthma diagnostic consultation service in obtaining an accurate asthma diagnosis for primary care patients: results of a real-life study. Gillis RME1, van Litsenburg W2, van Balkom RH2, Muris JW3, Smeenk FW2. NPJ Prim Care Respir Med. 2017 May 19;27(1):35. doi: 10.1038/s41533-017-0027-9. Nascholing Infectieziekten in Maastricht “ Een bacterieel SOA kwartet” Altijd al meer willen weten over gonorroe, syfilis en chlamydia? Kom dan naar de eerstvolgende geaccrediteerde nascholing van de MINC (Maastricht Infection Center). Meer info: www.minc.eu Datum: Locatie: Kosten: 28 september 2017 18.30-21.00 uur NH Hotel Maastricht €65 inclusief buffet (vanaf 17.45 uur) en borrel na afloop Aios betalen slechts €45 en studenten €10. 13 op één lijn 58
Page 14
1 e uitgave 2014 2e uitgave 2017 WESP-student: Raoul Hermanns Samen Beslissen bij borstkanker BEGELEIDERS: TRUDY VAN DER WEIJDEN EN WILMA SAVELBERG Vraagstelling Patiënten met een vroeg stadium borstkanker hebben te maken met lastige keuzes. Zo moeten zij kiezen tussen behandeling met gelijke overleving, maar een verschillende behandellast. De persoonlijke voorkeur van patiënten zou een rol moeten spelen in het beslissingsproces. Het doel van deze studie was het exploreren van ervaringen van professionals bij de implementatie van Samen Beslissen en een keuzehulp. Studiedesign Dit is een kwalitatieve studie met semi-gestructureerd interviews met mammacare professionals uit Zuidoost Nederland. In totaal zijn 28 professionals uit 5 ziekenhuizen geïnterviewd. De gegevens zijn geanalyseerd via de zogeheten ‘directed thematic content analyse’. Primair resultaat en conclusie Het merendeel van de professionals is enthousiast over Samen Beslissen en de keuzehulp en probeert beiden te implementeren in de dagelijkse praktijk. Desondanks verloopt de daadwerkelijke implementatie nog moeizaam. WESP-student: Maxime van Kemenade Zelfmanagement bij ouderen met multimorbiditeit BEGELEIDERS: ALBINE MOSER EN BEN VAN STEENKISTE Vraagstelling Multimorbiditeit is, mede door vergrijzing, een toenemend probleem in de gezondheidszorg. Uit onderzoek blijkt dat zelfmanagement belangrijk is voor patiënten met multimorbiditeit en dat het sociale netwerk hierin een rol speelt, echter is nog onduidelijk hoe deze rol wordt vervult. Wij onderzochten daarom de rol van het sociale netwerk bij het zelfmanagement bij ouderen met multimorbiditeit. Studiedesign Acht oudere patiënten (met multimorbiditeit) en hun partners werden thuis, tijdens open interviews, bevraagd 14 over hun zelfmanagement strategieën inclusief de belemmerende en bevorderende factoren en de rol van het sociale netwerk. Primair resultaat en conclusie Ouderen met multimorbiditeit krijgen zowel praktische als emotionele ondersteuning van hun kinderen en zoeken hiervoor liever hun kinderen dan leeftijdsgenoten op. Wel zijn leeftijdsgenoten belangrijk als afleiding en dagbesteding. Men ervaart het verlenen van steun aan (andere) hulpbehoevenden als zeer waardevol, het zorgt voor voldoening. op één lijn 58 2e uitgave 2017 WESP-student: Ulrike Schuck Intuïtie van patiënten over hun eigen gezondheid of die van hun kind BEGELEIDERS: GEERT-JAN DINANT EN ERIK STOLPER Vraagstelling Het intuïtieve fenomeen van het pluis/niet-pluis (PNP) gevoel is bij huisartsen al goed onderzocht. Er ontbreekt nog inzicht in de intuïtie van patiënten over hun eigen gezondheid. Welke woorden gebruiken patiënten om intuïtie te omschrijven? Studiedesign Voor de dataverzameling zijn semigestructureerde interviews met patiënten gehanteerd. Deze 25 interviews vonden plaats op de huisartsenposten in Zwolle en Uden. Patiënten zonder levensbedreigende klachten en die goed Nederlands spreken werden geïncludeerd. Primaire resultaat en conclusie Patiënten gebruiken andere woorden dan de uitdrukking ‘Pluis-niet-pluis’ om hun intuïtie te omschrijven. Voorbeelden zijn: ”Ik vertrouw het niet”, “het klopt niet”, “hij is anders dan normaal”. Ouders, en dan met name moeders, geven soms aan dat dit een ander gevoel is dan de intuïtie over hun eigen gezondheid. WESP-studenten: Dorieke Haase en Manon Breukers Diagnostische waarde van echografie bij voorste kruisbandletsels BEGELEIDER: RAMON OTTENHEIJM Vraagstelling Een voorste kruisbandruptuur (VKB-ruptuur) is een veel voorkomend probleem bij jonge actieve patiënten. Het te laat diagnosticeren van totale VKB-ruptuur kan lijden tot secundaire problemen zoals meniscusletsel en kraakbeenschade. Volgens de huidige (internationale) richtlijnen wordt op dit moment gekozen voor een MRI om VKB-rupturen vast te stellen. MRI heeft een aantal belangrijke nadelen (hoge kosten, lange wachttijden etc.) en kan niet altijd worden uitgevoerd. Om deze reden is een alternatief aanvullend diagnostisch onderzoek wenselijk. Voor het diagnosticeren van meniscusletsels blijkt echografie effectief te zijn. Ons onderzoek is gericht op het vaststellen van de diagnostische waarde van echografie voor VKB-rupturen. Studiedesign We hebben een retrospectief observationeel onderzoek uitgevoerd. We verzamelden gegevens uit de database van een Orthopedisch Zelfstandig Behandelcentrum uit 2016. In dat jaar werden 1617 patiënten met knieklachten gezien. Patiënten met een intra-articulaire afwijkingen op de echo (ongeacht of dit een VKB-ruptuur was of niet) gevolgd door artroscopische evaluatie/behandeling werden geïncludeerd in ons onderzoek. Dit leverde een studiepopulatie op van 247 patiënten. Alle patiënten werden door één ervaren echografist onderzocht volgens een protocol waarbij ook dynamische testen werden gebruikt. De echo-uitslagen werden vergeleken met de uitkomsten van artroscopie. Resultaat en conclusie De (voorlopige) resultaten zijn nog niet bekend. 15 Manon Breukers Dorieke Haase op één lijn 58
Page 16
op één lijn 58 2e uitgave 2017 1 e uitgave 2014 WESP-studenten: Geertje Diepens en Anke Steverink Arts-patiënt relatie bij SOLK patiënten BEGELEIDERS: HÉLÈNE VAN DEN BESSELAAR EN LOES VAN BOKHOVEN Geertje Diepens Anke Steverink Vraagstelling Een goede arts-patiënt relatie zorgt voor meer tevredenheid onder patiënten met Somatisch Onvoldoende Verklaarde Klachten oftewel SOLK. Maar wat bepaalt deze goede artspatiënt relatie? Om dit uit te zoeken onderzochten we het volgende: Welke mondelinge interventies worden gebruikt door psychiaters, gespecialiseerd in SOLK, om een goede artspatiënt relatie te bewerkstelligen? En hoe wordt dit ervaren door deze psychiaters en hun patiënten? Studiedesign Op de CLK (complexe lichamelijke klachten) poli van de polikliniek psychiatrie Zuyderland includeerden we tot nu toe zes patiënten met SOLK klachten en hun artsen voor een semigestructureerd interview. Deze interviews werden uitgetypt, gecodeerd en geanalyseerd. Primair resultaat en conclusie De voorlopige resultaten leiden tot de volgende adviezen voor de spreekkamer: • Bespreek duidelijk wat het doel en de verwachtingen zijn van het gesprek. • Geef patiënten de ruimte voor hun verhaal. • Geef patiënten autonomie gedurende het gesprek. • Zie SOLK patiënten als gelijkwaardig. Let hierbij als arts op taalgebruik en intonatie. • Spreek empathie hardop uit. • Confronteer patiënten met slechte gewoontes, ze waarderen je mening. Promotie 14 juni 2017 Uitdagingen van stoppen met roken bij patiënten met COPD DOOR EVA VAN EERD, VOORMALIG AIOTHO, NU GEPROMOVEERD HUISARTS Roken is in de westerse wereld de belangrijkste veroorzaker van COPD en het heeft een nadelig effect op het beloop van deze ziekte. Desondanks roken er nog steeds veel patiënten met COPD en het percentage rokers onder hen lijkt hoger te liggen dan onder mensen zonder COPD. Het lijkt er dus op dat rokers met COPD meer moeite hebben te stoppen dan rokers zonder COPD. Patiënten met COPD ervaren wellicht specifieke problemen en hebben mogelijk andere behoeftes rondom het stoppen-met-roken. Eva van Eerd en Daniel Kotz Op dit moment zijn er geen specifieke stop-rokenbehandelingen voor patiënten met COPD. In de Cochrane 16 2e uitgave 2017 review die we uitvoerden kwamen we erachter, dat voor patiënten met COPD, evenals voor rokers zonder COPD, een combinatie van farmacotherapie en een gedragsmatige interventie het meest effectief is. Wij vonden het daarom belangrijk inzicht te krijgen in deze COPD-specifieke problemen en behoeftes van zowel patiënten als artsen rondom het stoppen-met-roken. Het uiteindelijke doel was om de informatie die hieruit voort zou komen, toe te passen op bestaande stop-rokenbehandelingen, resulterend in een stop-roken-interventie op maat voor rokers met COPD. Hiermee zou de effectiviteit van dergelijke interventies vergroot kunnen worden en zouden meer patiënten met COPD succesvol kunnen stoppen met roken. Dit proefschrift is één van de eerste exploraties in dit veld waarbij patiënt- en arts-gerelateerde problemen en behoeftes inzake stop-roken-behandelingen voor patiënten met COPD in kaart worden gebracht. Allereerst hebben we gekeken, of rokers met en zonder COPD verschillen op een aantal roken-gerelateerde factoren. Vervolgens hebben we ingezoomd op de rokers met COPD en gekeken naar voorspellende factoren voor succesvol stoppen-met-roken. Tot slot hebben we ons verdiept in arts-factoren die invloed hebben op de effectiviteit van stop-roken-behandelingen. In de eerste studies zagen we dat rokers met en zonder COPD veel overeenkomsten, maar ook een aantal verschillen vertoonden op bepaalde factoren die geassocieerd zijn met roken en stoppen-met-roken; rokers met COPD rapporteerden meer depressieve symptomen, een hogere mate van nicotine afhankelijkheid en een lagere mate van zelfredzaamheid om niet te roken in bepaalde situaties. Daarnaast leken rokers met COPD zich nog minder bewust van de gezondheidsrisico’s van roken en gaven zij aan, dat ze meer empathie verwachtten van hun arts. Ook bleken existentiële gedachten bij rokers met COPD van invloed te zijn op hun rookgedrag en hadden zij nog minder vertrouwen in de effectiviteit van hulpmiddelen bij het stoppen-met-roken. In een secundaire analyse keken we vervolgens naar voorspellers voor succesvol stoppen-met-roken bij patiënten met COPD. Drie kenmerken van rokers met COPD voorspelden succesvol stoppen; die kans was ruim 3 keer hoger bij rokers met een hoog opleidingsniveau dan bij rokers met een laag opleidingsniveau. Patiënten die hun eigen gezondheid hoger waardeerden hadden ook meer kans om te stoppen en patiënten die geen partner hadden, hadden bijna 4 keer meer kans om te stoppen in vergelijking met patiënten die een rokende partner hadden. Tot slot hebben we gekeken welke factoren interfereerden met de uitvoering van stop-roken-behandelingen door artsen. Deze secundaire analyse voerden we uit op data van focusgroep discussies gehouden in 7 verschillende landen in Oost- en West-Europa en Azië. De discussies werden 17 gehouden met huisartsen en longartsen. We identificeerden hieruit 3 thema’s; allereerst zagen we frustratie bij artsen over COPD patiënten die roken. Deze frustratie had invloed op de uitvoering van stop-roken-behandelingen en kon er toe leiden dat rokers met COPD minder goed werden begeleid. Ten tweede zagen we, dat er onder artsen beperkte kennis was en negatieve overtuigingen bestonden over stop-roken behandelingen. Dit bemoeilijkte de effectieve behandeling van rokers in het algemeen. Tot slot viel op, dat organisatorische factoren, zoals gebrek aan tijd en financiële vergoeding, alsmede roken niet als verslavingsziekte beschouwen, beïnvloedde hoe artsen stop-rokenbehandelingen uitvoerden. In dit proefschrift kwam naar voren dat er veel algemene roken-gerelateerde knelpunten en attitudes zijn bij zowel patiënten als artsen. Een aantal specifieke problemen bij rokers met COPD viel op. Daarom stellen we voor om bestaande stop-roken-interventies ook voor COPD patiënten na te volgen en daar COPD-specifieke elementen aan toe te voegen, zoals extra aandacht voor depressieve symptomen, mate van nicotineverslaving en zelfredzaamheid om te stoppen met roken. Daarnaast is het belangrijk dat artsen in hun communicatie met rokers met COPD meer aandacht besteden aan sociale interacties, gezondheidspercepties en morele agenda’s omtrent roken en stoppen-met-roken. Uiteindelijk zullen ook patiënten met andere chronische aandoeningen kunnen profiteren van een dergelijke aanpak, omdat ook zij bijvoorbeeld meer kans hebben om depressieve symptomen te ontwikkelen. Om artsen bij de uitvoering van stop-roken behandelingen te ondersteunen, adviseren we om een informatief stop-rokenonderwijsprogramma inclusief communicatie en ethiek te implementeren in de geneeskunde en vervolgopleidingen. Ook stigmatisatie en hoe dit interfereert met het geven van professionele stop-roken-ondersteuning zou in deze training aan bod moeten komen. Daarnaast zouden evidence based stop-roken-behandelingen moeten worden besproken en specifieke communicatievaardigheden worden geoefend. op één lijn 58
Page 18
op één lijn 58 2e uitgave 2017 Promotie Diagnostiek van tuberculose in Ethiopië DOOR MARK SPIGT, SENIORONDERZOEKER EN EEFJE DE BONT, REDACTIE Op 22 maart 2017 promoveerde Mala George Otieno in Maastricht op de diagnostiek van tuberculose (TBC) in Ethiopië. De redactie sprak nadien met Mark Spigt, zijn copromotor, over deze promotie en het begeleiden van een Afrikaanse promovendus. Wat zijn de belangrijkste bevindingen van dit proefschrift? Artsen in ontwikkelingslanden zoals Ethiopië houden zich vaak niet aan de (internationale) richtlijnen bij de diagnostiek en behandeling van TBC. Diagnostiek begint met een vermoeden op TBC gebaseerd op klinische symptomen, gevolgd door microscopie, verder bloedonderzoek, een longfoto en een kweek als gouden standaard. Dure diagnostische apparatuur kunnen Ethiopische ziekenhuizen zich niet veroorloven. Daarom wordt gewerkt met basale diagnostiek met een beperkte validiteit en betrouwbaarheid. Een groot probleem, want TBC komt in deze landen heel vaak voor. Eén van de conclusies was dat in deze landen de richtlijnen slecht worden gevolgd. Zo krijgt één op de drie van TBC verdachte patiënten geen longfoto wanneer de microscopische test negatief is en patiënten worden slecht opgevolgd. Ook ontving geen enkele patiënt breedspectrum antibiotica na een negatieve microscopie, terwijl dit wel geadviseerd wordt in de richtlijn. Tussen ziekenhuizen bestaan ook verschillen als het gaat om het volgen van richtlijnen. De dokters geven aan dat in hun setting bijna onmogelijk is om zich aan de richtlijnen te houden. Het belangrijkste dat ze missen zijn goede diagnostische middelen. In veel gevallen weten ze niet zeker of iemand TBC heeft. Moderne diagnostiek is niet beschikbaar en de procedures op het lab zijn waarschijnlijk inaccuraat. Deze beperkingen in de diagnostiek werden bevestigd. Bij patiënten met een positieve microscopische uitslag was het relatief eenvoudig. Het probleem is dat veel mensen met duidelijke symptomen van TBC, ook op een longfoto, een negatieve microscopische uitslag en kweek hadden (tot zelfs 85%). Wat doe je dan? Als de diagnostiek goed verloopt, ontbreekt optimale medicatie. De conclusie is dat betere diagnostische mogelijkheden en medicatie nodig zijn. Helaas is dat voorlopig niet beschikbaar in Ethiopië. Is dat geen heel treurige of frustrerende conclusie? Ja, het lijkt alsof een Afrikaans mensenleven minder waard is dan een Westers mensenleven. Alsof we accepteren dat de TBC behandeling in ontwikkelingslanden een bende is en dat er jaarlijks 1.3 miljoen mensen aan doodgaan. Als wij als Nederlander terugkomen uit Ethiopië en we blijken besmet te zijn met TBC, dan wordt alle diagnostiek ingezet om vast te stellen om welke bacterie het gaat en welke medicatie daarvoor nodig is. Hetzelfde zien we in andere projecten, bijvoorbeeld als het gaat over kindersterfte. Is het voor een moeder daar echt minder erg als haar kindje overlijdt? Is dat één van de redenen waarom je zo graag met Ethiopische promovendi werkt? Niet primair. De problemen van Afrika spelen wel op de achtergrond mee. In het dagelijkse werk gaat het meer om het plezier in de samenwerking. Ik vind Afrikanen fantastisch leuke mensen. Ze zijn zo vriendelijk, oprecht en warm. Bovendien werken we ondanks hun beperkte middelen met zeer slimme en gedreven mensen wat het mogelijk maakt de samenwerking voort te zetten. Hoe komt een Afrikaanse promovendus bij jullie terecht? Geert-Jan Dinant en ik zijn ongeveer 10 jaar geleden naar Ethiopië gegaan om daar stafleden van Ethiopische universiteiten onderzoeksvaardigheden te leren. Eenmaal daar bleek dat zij al heel goed wisten hoe ze onderzoek moesten doen. De kennis was er dan wel, maar de infrastructuur bleek te ontbreken. Hoe dien je bijvoorbeeld een manuscript in bij een gerenommeerd tijdschrift? In Maastricht hebben wij de editors op de gang zitten, dus die kun je zo om advies vragen. Het gat tussen de omstandigheden in Ethiopië en de moderne wetenschap is groot; alleen weten hoe het moet is onvoldoende. Via beurzen van de Nederlandse overheid (Nuffic) kunnen Ethiopische onderzoekers promoveren aan een Nederlandse universiteit, mits ze begeleid worden door een Nederlandse hoogleraar. Zij wilden dus graag samen met ons zulke beurzen aanvragen en dat hebben wij gefaciliteerd. Mala viel meteen op door zijn scherpe inzichten en toen hij ons benaderde om de beurs aan te vragen vonden wij dat een prima idee. Mala George Otieno en Geert-Jan Dinant 18 2e uitgave 2017 Hoe gaat het nu dan verder met Mala en andere Afrikaanse promovendi na hun promotie? Dat gaat heel goed, er is geen brain drain. Vrijwel iedereen die gepromoveerd is, wordt in Ethiopië direct aangesteld aan de universiteit. Vaak zelfs direct als vakgroep voorzitter, decaan of hoofd van het onderzoeksinstituut. De omstandigheden en mogelijkheden na een promotie zijn m.i. beter dan in Nederland. Het is wel uitdagend voor ze om bijvoorbeeld een onderzoeksschool te runnen op hun 32ste. En blijven jullie met ze samenwerken nadat ze zijn gepromoveerd? Dat proberen we. Het zou mooi zijn als we samen promovendi kunnen begeleiden, via een joint-PhD-agreement. Maar in de praktijk worden mensen daar dusdanig ondergedompeld in werk, dat het lastig blijkt om dit goed voort te zetten. Het contact is heel goed, we gaan er regelmatig heen en de beurzen vragen we gezamenlijk aan. Wat hebben “wij” eraan? Als iemand promoveert aan onze universiteit levert dat de universiteit zo’n €100.000 op. Daarnaast levert het veel Promotie Aandacht voor psychisch functioneren is belangrijk bij langdurige slapeloosheid DOOR EEFJE DE BONT, REDACTIE Op 3 mei 2017 promoveerde Merijn van de Laar in Maastricht op zijn proefschrift getiteld: Individual differences in insomnia; implications of psychological factors for diagnosis and treatment. Vanuit het Centrum voor Slaapgeneeskunde Kempenhaeghe waren prof. Dr. Dirk Pevernagie en Prof. Dr. Bert Aldenkamp zijn promotoren en was dr. Sebastiaan Overeem zijn copromotor. Merijn werkt als curriculumcoördinator en docent bij de huisartsopleiding Maastricht. Slapeloosheid is een veelvoorkomend probleem waar maar liefst één op de tien Nederlanders last van heeft. Wanneer deze slapeloosheid chronisch wordt, dan hebben patiënten baat bij individuele psychodiagnostiek. Door oog te hebben voor iemands persoonlijkheid en de manier van omgaan met de aandoening, kan de patiënt de slapeloosheid beter begrijpen. Dit kan bijdragen aan een betere kwaliteit van leven en de beoogde behandelresultaten beter voorspellen. In zijn proefschrift beschrijft Merijn verder de complexe relatie tussen slapeloosheid, psychiatrische aandoeningen en andere psychosociale factoren. Patiënten met bijkomende psychiatrische stoornissen vormen namelijk een grote en aparte groep in het spectrum van patiënten met slapeloosheid. Merijn vond in zijn onderzoek dat deze groep patiënten met een zogenoemde ‘comorbide psychiatrische stoornis’ slechtere behandeluitkomsten hadden dan verwacht. Hij adviseert voor deze groep patiënten het gelijktijdig inzetten van cognitieve gedragstherapie gericht op zowel de aanpak van de slapeloosheid als ook op de bijkomende psychiatrische stoornis, omdat dit zou leiden tot betere behandelresultaten. Toekomstig onderzoek zou zich kunnen richten op de voordelen van op maat gemaakte behandelingen voor deze groep patiënten. Voor de huisartsen onder ons geldt naar aanleiding van dit proefschrift vooral het advies om in de spreekkamer door te vragen naar de onderliggende oorzaak van slaapproblemen. Besteed daarbij ook specifiek aandacht aan het psychisch functioneren van de patiënt en betrek dit in uw uitleg. 19 publicaties op. Samenwerken met mensen uit een ander land verrijkt je leven. Dat laatste geldt zeker ook voor de Nederlandse studenten die we regelmatig naar Ethiopië sturen voor hun wetenschapsstage. Zijn we de enige universiteit/afdeling die dat doet (daar)? Nee, er is veel concurrentie. Ik herinner me een verkeerde planning waarbij de Ethiopische staf zich voortdurend moest opsplitsen tussen workshops van verschillende landen. Dat deden ze om hun weldoeners het idee te geven dat ze niet voor niets gekomen waren. De Ethiopische staf in Mekelle weet precies welke beurzen er zijn om te kunnen promoveren in het buitenland. Die beurzen worden vooral verstrekt vanuit Noorwegen, Amerika, Duitsland en Australië en Nederland. op één lijn 58
Page 20
op één lijn 58 2e uitgave 2017 Verslag van een symposium ‘Rondom sterven’ DOOR INGRID VAN DER HEIJDEN, HUISARTSDOCENT EN BESTUURSLID KNMG DISTRICT LIMBURG Op één van de warmste dagen in juni 2017 organiseerde KNMG district Limburg een symposium over de rol van artsen rondom het levenseinde. Dat dit een ‘hot topic’ is, blijkt wel uit de vele discussies en berichten in de landelijke media en in vakbladen. Ruim 85 huisartsen, medisch specialisten, specialisten ouderengeneeskunde, aios en studenten (geneeskunde en AKO) uit heel Limburg namen deel aan de interactieve sessies en wisselden van gedachten over dit thema. Nieuwe betekenis ‘goede dood’ Het team van transplantatiecoördinatoren uit het MUMC+ gaf uitleg over de nog relatief onbekende mogelijkheid voor orgaandonatie na euthanasie. Naast de praktische en juridische aspecten (die inmiddels al zijn vastgelegd in een handreiking) was er ook aandacht voor ethische overwegingen. Een van de deelnemers merkte op, dat er op deze manier aan euthanasie, dat letterlijk ‘goede dood’ betekent, nog een hele nieuwe betekenis wordt toegevoegd. In een andere workshop gaf hoogleraar Bela Kubat van het MUMC+ uitgebreid toelichting op haar vak: de forensische pathologie. Zij besprak de verschillen tussen obductie en forensische sectie, de uitvoering ervan en specifieke juridische aspecten. Daarnaast werden adviezen gegeven hoe een goede schouw uit te voeren en welke kenmerken doen denken aan een niet-natuurlijke dood. Tenslotte legde zij een aantal casus voor waarbij aan de hand van beeldmateriaal meegedacht kon worden over de oorzaak van overlijden en over uitwendige aspecten die kunnen passen bij (kinder)mishandeling. Klaar met leven en zelfgekozen dood Bart Spaetgens lichtte in zijn workshop toe welke rol de (huis-)arts kan hebben bij de zorg voor patiënten die weigeren te eten en te drinken om zo een einde aan het leven te maken, het ‘versterven’. (On-)mogelijkheden voor euthanasie bij dementie Constance de Vries (huisarts en SCEN-arts) is werkzaam bij de Levenseindekliniek. Zij schetste het beloop bij drie 20 dementerende patiënten met een euthanasiewens. Het toetsen, of een euthanasieverzoek voldoet aan de wettelijke criteria is complex. Dit werd bij drie verschillende fases van dementie aanschouwelijk gemaakt. Juriste Lisette Bongers maakte duidelijk welke mogelijkheden er zijn binnen de ‘Wet Toetsing Levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding’ en welke rol een wilsverklaring kan hebben. Medisch ethicus Rob Houtepen van de UM gaf na een korte introductie de aanzet tot een levendige discussie met de zaal. Interessant was de stelling dat (te) strenge selectie en afwijzing van euthanasie in een vergevorderd stadium van dementie kan leiden tot een euthanasiewens in een (te) vroeg stadium. Hernoem wilsverklaring naar wensverklaring Het is essentieel om tijdig in gesprek te gaan met patiënten over wensen en verwachtingen rondom het levenseinde. Daarnaast is het belangrijk om hiervan steeds goed verslag te doen in het dossier van de patiënt. Hierbij valt in latere fases van de ziekte ook te denken aan het gebruik van beeld- of geluidsopnames, waarin de patiënt zijn of haar wilsverklaring- of beter gezegd- ‘wensverklaring’ toelicht. Het gebruik van de term wensverklaring benadert beter de status van de verklaring: het betreft geen recht van de patiënt noch een plicht voor de arts. Het zou een geformaliseerde samenvatting moeten zijn van de concrete wensen van de patiënt rondom zijn of haar levenseinde. Enkele deelnemers vertelden over hun dilemma’s in het vaststellen van de ondraaglijkheid van het lijden, met name wanneer er sprake was van ‘anticiperend lijden’. Aanwezige huisartsen en specialisten ouderengeneeskunde benoemden de noodzaak tot betere onderlinge afstemming en overleg over patiënten met dementie en een euthanasiewens, die vanuit de huisartsenpraktijk opgenomen worden in een verpleeghuis. Samenwerken, maatschappelijk handelen en professionaliteit Vanaf dit najaar zal KNMG district Limburg weer nieuwe geaccrediteerde bijeenkomsten organiseren, waarbij zij platform biedt aan discipline-overstijgende thema’ s, toegankelijk voor alle leden. Mocht u nog suggesties hebben en/of zelf ook willen deelnemen, neem dan contact op: info@ knmglimburg.nl Hoofdzaken ‘Das Weib’ DOOR BAS MAIBURG, HOOFD VAN DE HUISARTSOPLEIDING “Was will das Weib?” ben je geneigd te denken als het gaat om de capaciteit van de huisartsopleiding. Van 750 naar 690 opleidingsplaatsen (volgens de staatssecretaris) of toch weer naar 750 plaatsen (volgens onze demissionaire Minister)? Maastricht zit op het vinkentouw, want het heeft gevolgen voor ons. Bij de eerste geluiden over capaciteitsverkleining was het plan dat ‘de Randstad’ plaatsen zou inleveren ten faveure van ‘de periferie’ (lees: Groningen, Nijmegen, Maastricht). Met de nieuwe selectieprocedure zou dat betekenen dat er meer aios richting de periferie komen. Maar de 750 plaatsen blijven gehandhaafd. Na ampel overleg hebben we daarom besloten om de capaciteit van Maastricht licht te verhogen. Een wat grotere zuid-groep in maart 2018 die ervoor moet zorgen dat alle potentiële Maastricht-gangers de goede kant op kunnen gaan: Maastricht. Onze wervingsactiviteiten gaan daarom onverdroten voort. Een geslaagde voorlichtingsmiddag in het basiscurriculum van de UM, een qua opkomst minder geslaagde informatieavond in Eindhoven. Onze website wordt vernieuwd, en we staan sinds kort eindelijk op de OOR-ZON site (zie www.oorzon.nl), naast de andere specialismen. Naast keuvelen en kibbelen over de capaciteit, hebben de hoofden regelmatig overleg. Maandelijks wordt een thema uitgespit, naast de bespreking van enkele kortere punten. Zo zijn de afgelopen maanden ‘interprofessioneel opleiden’ en ‘het stimuleringsfonds’ aan de orde geweest. Een batig fonds, opgebouwd door de gezamenlijke opleidingen, waarmee projecten gefinancierd kunnen worden. Daar moet je wel goede afspraken over maken. Over ‘interprofessioneel opleiden’ bleek nog veel discussie mogelijk, en tegelijkertijd lijkt het een noodzakelijke ontwikkeling. Het gaat dan niet alleen over het gezamenlijk opleiden van diverse medische disciplines, maar juist ook over opleiden over de medisch specialistische grenzen heen. Die grens zijn wij bij de samenstelling van ons docentencorps al gepasseerd. We hebben van oudsher onze gedragswetenschappers als vaste waarde bij de opleiding en ook al weer flink wat jaren een zeer gewaardeerde Specialist Ouderengeneeskunde, in de persoon van Rachele Arends, in ons midden. Maar een fysiotherapeut is nieuw, helemaal wanneer het een wetenschappelijk gelauwerde fysiotherapeut betreft. Annemieke Fastenau heeft die kwalificaties op het gebied van bewegen: vanuit haar vak en vanuit haar promotie in 2015 over het nut van bewegen voor patiënten met COPD. Als trouwe lezer van deze stukjes begrijpt u direct de link naar de “gezondheid-bevorderende organisatie” uit mijn vorig schrijven. Annemieke gaat, naast haar deelname aan de themagroep Preventie in het kader van het landelijk opleidingsplan, zich inzetten voor ‘bewegen in brede zin’, zowel voor aios als voor stafleden. Verder hebben we Stephan van den Brand als nieuwe huisartsbegeleider voor jaar 3 mogen verwelkomen. Gezien zijn ervaring als huisarts en opleider durfden we zo’n start in jaar 3 wel aan. De groep ‘loopt’ inmiddels. Hij begeleidt die samen met Ria Huijgen. Zij heeft het afscheid van Stephan’s voorganger, Sjef Swaans, het nodige cachet gegeven. Ze bracht zelfs haar gelukwensen over in het Swahili, een taal die zij beiden uit hun tijd in de tropen beheersen. Naast de momenten waarop we van stafleden afscheid nemen, is de stafdag zo’n moment waarop docenten uit Eindhoven en Maastricht en het secretariaat samen aan de slag gaan. In april bestond het programma met als titel “Olie op de raderen” uit een bewegingsworkshop (losmaken van de raderen), gevolgd door workshops waarbij de radertjes in de hersenen van de deelnemers op de proef gesteld werden. Van een Lagerhuisdebat over shared decision making, via time-management tot geweldloze communicatie. Ook waren er workshops waarbij de vele nieuwe docenten voorgelicht werden over afspraken, regels en procedures bij de opleiding. Natuurlijk ontbrak een onderwijskundige workshop niet. En dan komen we toch weer terug bij “das Weib” of wellicht “die Weiber”. Op de eerste plaats onze voorzitter van de Raad van Bestuur die met het Radboudumc een intentieverklaring, getiteld “De Academische Alliantie” heeft getekend. Beide centra gaan de krachten bundelen voor ‘excellente en duurzame zorg, onderwijs, opleiding en onderzoek’. (Nog) onbekende mogelijkheden en best spannend, de toekomst zal het leren. Tot slot een nieuwe versterking van onze gelederen: Monique van der Meulen. Ze werkt al enige tijd bij ons vanuit een vrijwilligersfunctie, maar begin augustus start zij bij ons als nieuwe secretaresse. Een zeer welkome ondersteuning van een flink aantal domeinen binnen ons team van secretariaatsmedewerkers. Kortom: het is het bekende liedje met “das Weib”: soms liggen ze dwars, meestal kun je niet zonder. Ik wens iedereen een fantastische vakantieperiode toe! 21 op één lijn 58
Page 22
op één lijn 58 2e uitgave 2017 Equilibre: rubriek voor huisartsopleiders Opleiden in Ketenzorg: wie doet wat? DOOR MARIEKE KOOLS EN PAUL SCHRIJVER, COÖRDINATOREN HUISARTSOPLEIDERS In mei stond op de opleidersterugkomdag in Urmond het thema ketenzorg op de agenda. Een complex onderwerp waar divers mee om wordt gegaan. De opleiding bekijkt momenteel samen met de zorggroepen hoe onderwijs over ketenzorg gegeven kan worden aan de aios. Tijd om nu te horen hoe opleidingspraktijken met dit thema omgaan en hoe opleiders aankijken tegen hun verantwoordelijkheden hierin ten opzichte van hun aios. De discussie rondom enkele stellingen maakte duidelijk, dat huisartsopleiders het grotendeels eens waren, dat zij de regie moeten houden over de ketenzorg. Of zijzelf de chronische patiënt jaarlijks moesten zien, gaf meer discussie. Over de verantwoordelijkheden en capaciteiten van de POH verschilden de meningen: de ene opleider was geneigd veel meer te delegeren naar de POH dan de andere. Het is een belangrijke taak van de opleider in de dagelijkse praktijk om de aios die regiefunctie in de ketenzorg te helpen ontwikkelen. In de leren aios het meest. De opleider is dus een belangrijk rolmodel voor de aios. Maar ook de aios en de huisartsopleiding spelen daarin een rol. We vroegen de opleiders hoe zij aankeken tegen die verantwoordelijkheid: wie heeft welke rol en wat zou de opleider, de aios, en het instituut concreet kunnen doen om de afstuderende huisarts beter bekwaam te maken in de ketenzorg? Hieronder een overzicht van de brainstorm, naar aanleiding van de vraag “Wat vinden jullie dat de huisartsopleiding, de aios en jullie zelf als opleider moeten doen om ketenzorg goed aan te leren?”. De huisartsopleiding: • Caspir- en Langerhans-cursus voor aios standaard in curriculum verwerken • De ‘adoptiepatiënt’: aios halverwege jaar 1 en in jaar 3 enkele patiënten met chronische problematiek onder hun hoede laten nemen • De functie en werkwijze van zorggroepen uitleggen • Terugkomdagen organiseren voor de POH, waarin opleiden van aios op de agenda staat • Management onderwijzen: toekomstige ontwikkelingen in de ketenzorg, financieel plaatje • Rol van zorgverzekeraar en de politiek toelichten 22 Hierop kunnen we al een aantal dingen zeggen: • De onderwerpen COPD en diabetes en het insulineinstellen staan al op het programma op terugkomdagen voor de aios. Jaar 3 aios krijgen een hele middag spirometrie van kaderhuisarts Robert Willemsen. In jaar 1 wordt één dagdeel, en in jaar 3 drie dagdelen gewijd aan diabetes door kaderhuisarts en huisartsopleider Jan Palmen. • Verder staat CVRM in jaar 1 op de tweedaagse hartcursus op het programma, en biedt Maastricht de differentiatie CVRM landelijk aan voor geïnteresseerde aios jaar 3. Het aanbod op aios-terugkomdagen is dus al aanzienlijk; wij beschouwen de opleidingspraktijk als de plek waar kennis en ervaring opgedaan moet worden door aios, eenvoudigweg door het veel te zien, doen en na te bespreken met de opleider. • De adoptiepatiënt, zoals dat nu in jaar 3 op terugkomdagen is ingebed, is hiervoor een goede stok achter de deur om het leren in de praktijk te stimuleren. De opleider draagt vier patiënten aan de aios over, die de aios kan vervolgen. Leermomenten zijn zo geborgd voor de loop van het jaar. Aios krijgen op terugkomdagen een introductie op de adoptiepatiënt en diverse checklists zijn beschikbaar op Eleum om mee te experimenteren in de praktijk. Rachele Arends, huisartsbegeleider in het chronische blok (jaar 2), komt in de jaar 3 groepen om chronische zorg te onderwijzen en aios geven aan het eind van het jaar een presentatie in hun groep over hun chronische patiënten. • Bij het thema ‘praktijkmanagement’ in jaar 1 was tot nu toe een presentatie over zorggroepen en ketenzorg ingepland van Kirsten Ponse (huisarts en oud- aios Maastricht met affiniteit voor dit thema). Dit onderwijs zal in jaar 3 gaan plaatsvinden omdat we merkten dat in jaar 1 ketenzorg voor aios minder leeft dan in jaar 3; heel begrijpelijk gezien de opbouw van de opleiding en het zwaartepunt qua complexiteit van problematiek vooral in jaar 3. • Terugkomdagen organiseren voor de POH is iets wat wij als hao-team heel zinvol vinden. We organiseren al jaarlijks een assistentenmiddag met als doel om de assistentes meer te betrekken bij de opleiding. De POH heeft eveneens een rol in de opleidingspraktijk maar we organiseren nog geen bijeenkomsten met hen. 2e uitgave 2017 Dat we dat nog niet gedaan hebben komt doordat het merendeel in loondienst is van de zorggroepen. Als we de POH ook naar deze terugkomdagen willen krijgen, dan zouden we accreditatiepunten moeten kunnen toekennen en daar zijn tevens kosten aan verbonden. Dat is een spoor dat wij als hao-coördinatoren gaan onderzoeken. Al met al komt datgene wat opleiders vinden dat het instituut moet doen, goed overeen met hoe het onderwijs op aios-terugkomdagen momenteel ingevuld wordt. De aios: • Leerkansen ketenzorg proactief benutten • Meekijken met de POH • Protocol rondom ketenzorg en werkwijze van de POH kennen • De POH superviseren: alle vragen van de POH beantwoorden • Jaarcontroles doen • Op de HAP telefoontjes over diabetes beantwoorden • Concrete leerdoelen formuleren m.b.t. regiefunctie ketenzorg: wat vindt de aios moeilijk en waarom? • Meedoen aan overleg tussen huisarts en POH De opleider: • Initiatieven van de aios m.b.t. ketenzorg faciliteren en aansturen, stimuleren • Aios meenemen naar bijscholingen over zorgprogramma’s door zorggroep • Aios MDO’s laten bijwonen en eventueel ook laten voorzitten • Chronische zorg op agenda leergesprekken zetten • Patiëntenaanbod stroomlijnen in samenwerking met assistente • Sociale kaart ketenzorg up-to-date hebben en aan aios geven • Uitleggen DBC aan de aios • Bedenken hoe je ketenzorg aantrekkelijk maakt voor de aios: eigen attitude t.o.v. ketenzorg kennen • Durven loslaten Onze reactie: Hoe de aios zich het managen van ketenzorg eigen maakt, zit in de wisselwerking tussen aios en opleider/ opleidingspraktijk. Bovenstaande punten kunnen zowel bij aios als bij de opleider staan, afhankelijk van waar het initiatief genomen wordt. Met een actief ondernemende aios kun je als opleider achterover leunen en de leerwensen van de aios centraal stellen. Gebeurt dit niet automatisch, dan zien we het als de verantwoordelijkheid van de opleider (en dat vinden jullie zelf gelukkig ook) om de aios er actief bij te betrekken. En gezien de gang van de dag en de veelheid aan onderwerpen die op de agenda staan, kan dit erbij inschieten. Goed om het daarom na deze discussies weer op het vizier te hebben en met je aios op de agenda te zetten! Zeker in jaar 3 zou het een terugkerend thema op de leeragenda moeten zijn. We vonden het een uiterst vruchtbare dag: de discussies waren levendig en opleiders gingen met concrete tips en ideeën naar huis. We zijn meer dan tevreden. Startdatum Kaderopleiding Hart- en Vaatziekten uitgesteld De vijfde editie van de Kaderopleiding hart- en vaatziekten zal niet, zoals eerder aangekondigd, in september 2017 starten. We stellen de start uit naar februari/maart 2018. Er zijn nu 10 deelnemers ingeschreven en we willen graag naar 20 deelnemers. Er zijn dus nog plekken beschikbaar. Heeft u interesse of kent u een geschikte collega? Schroom dan niet om contact op te nemen met: robert.willemsen@maastrichtuniversity.nl. Nieuw op de website! Om u te overtuigen om deel te nemen, hebben we een aantal bestaande kaderhuisartsen gefilmd op locatie. Ze vertellen kort waarom zij voor de opleiding kozen, hoe ze dat geregeld hebben en wat het ze heeft opgeleverd. Gaat het zien (en lezen)! Kijk op http://www.huisartsgeneeskundemaastricht.nl/wat-bieden-wij/nascholing/hart-en-vaatziekten/ervaringen.html 23 op één lijn 58
Page 24
op één lijn 58 2e uitgave 2017 In de leer Tijd vliegt niet; we willen teveel DOOR KOEN VAN HELMOND, DERDEJAARS AIOS Wanneer ik deze column schrijf, zit ik op een terras in Toscane en zie ik hoe de zon langzaam aan de hemel zakt. Rust en sereniteit zoals op dit moment zijn een unicum tijdens mijn vakantie. Immers, met een baby van 9 maanden die kruipt en af en toe gefrustreerd is omdat hij nog niet kan lopen, ben je eigenlijk continu in de weer. Het is voor mij een mooi moment om eens stil te staan bij de eerste drie maanden van mijn laatste opleidingsjaar. Het laatste jaar van mijn opleiding tot huisarts breng ik door in Sittard in een praktijk met drie huisartsen. Mijn opleider heeft veel ervaring, met name ook met derdejaars aios. Waar er in de eerste maand vooral tijd was om aan elkaar te wennen en de praktijk te leren kennen, is de weg naar verdieping nu toch definitief ingeslagen. Ik heb de intentie om mijzelf in dit laatste jaar klaar te stomen voor “het echte werk”. De vraag is natuurlijk wat dat “echte werk” nou precies inhoudt. Bij navraag onder huisartsen hoor je zaken als chronische zorg, levenseinde, praktijkmanagement, SOLK en ga zo maar door, de revue passeren. Deze zaken komen tijdens de terugkomdagen gelukkig ruimschoots aan bod. Iets wat ook steevast terugkomt is de 10 minuten die je straks als huisarts hebt voor elk consult. In die 10 minuten word je geacht de patiënt uit de wachtkamer te halen, de anamnese af te nemen, de hulpvraag te achterhalen, lichamelijk onderzoek te doen, de diagnose en/of het plan met de patiënt te bespreken en alles netjes vast te leggen in het dossier (inclusief de declaratie). Voor een ervaren huisarts blijkt dit al best een opgave, getuige de vele uitloop van de spreekuren. Hoe is dat voor de beginnende huisarts die de patiënten nog moet leren kennen? De 10 minuten consulttijd zijn de laatste maanden veel onderwerp van gesprek geweest in huisartsenland. Er loopt bijvoorbeeld een pilotstudie met 15 minuten per consult waarvan de eerste resultaten zeer gunstig zijn. Patiënten zijn meer tevreden en huisartsen ervaren minder druk. Ook komt naar voren in een proefschrift van oudhuisarts Frans Derksen (zie ook Medisch Contact nummer 24 van 2017) dat empathie en het achterhalen van “de vraag achter de vraag” meer tijd kost dan de 10 minuten die je nu hebt. In ditzelfde kader komt de praktijkgrootte naar voren. Immers, bij kleinere praktijken zou je meer tijd moeten krijgen voor de patiënt. Bijkomend voordeel hiervan zou zijn dat ANW-diensten op de huisartsenpost over meer praktijken verdeeld kunnen worden. De “vraag achter de vraag” in deze column is of je als huisarts in de toekomst vast moet blijven houden aan 10 minuten per patiënt. Ik wil hier absoluut niet pleiten voor een bepaald antwoord, maar ik wil jullie, de lezers, aanzetten tot nadenken over deze vraag. In het werkveld van de hedendaagse huisartsenzorg heb je te kampen met mondigere patiënten, patiënten met meerdere vragen, patiënten met voorkennis via internet (“op Wikipedia staat…”), oudere patiënten die langer thuis blijven wonen en meer zorg vragen, vastlopende computers, etc. Is 10 minuten dan nog wel reëel? 'Kwalitijd' voor patiënt en huisarts Ik nodig eenieder uit om hierover na te denken en erover te praten met collega’s. Het gaat tenslotte voor de patiënt om de kwaliteit van zorg; en als huisarts moet je zorgen voor die kwaliteit. 24 2e uitgave 2017 In de leer Tijd DOOR ELENA ZHANG, TWEEDEJAARS AIOS Ik heb van mevrouw S. – een patiënte in de hospice – een boek mogen lenen: Een glimp van de overkant van Henri Nouwen. Hierin vertelt de auteur hoe hij na een ongeluk op de intensive care kwam te liggen en ervoer wat er écht toe doet in het leven. Niet carrière maken, andermans mening of geld verdienen, maar vrede en tijd. Vooral tijd voor andere mensen, omdat iedereen, jong of oud, geheel afhankelijk of hoogbegaafd, belangrijk is. Nu, tijdens de chronische stage, krijg ik zelf de ruimte om met mensen te praten, ze te leren kennen en een band op te bouwen. En ik schrik van het beeld dat veel ouderen van zichzelf hebben. Oud-en-nutteloos lijkt één begrip te zijn geworden. Hoe vaak heb ik in deze korte periode al niet gehoord, dat ouderen vinden dat ze hun familie ‘tot last zijn’, dat ze ‘beter snel kunnen sterven’, omdat ze na drie maanden uit de hospice en naar huis moeten… En dus mensen weer ‘tot last zullen zijn’. Of dat ik niet zo lang bij ze hoef te zitten, want ik heb vast ‘betere dingen te doen’ dan hun ‘langdradige verhalen aanhoren’. Dat zij, die ene patiënt, maar ‘vervelend’ is, omdat haar ontlasting nog steeds niet goed onder controle is – alsof ze het met opzet doet. Dat hij aan het eind van een triest stuk levensverhaal zegt, dat ik zijn verhaal ‘maar moet vergeten’, alsof het niet belangrijk is. De oprechte blijdschap in haar ogen, als ik zeg, dat ik haar een keer voor wil lezen, omdat ze dol op boeken is en haar visus haar in de steek laat. Schuld, schaamte en een stukje ongeloof trekken door mij heen, terwijl ik deze woorden aanhoor. Niet, omdat ik heb genoten van de adrenaline en de snelheid van de SEH waar ik de stage zojuist achter de rug heb; wel over hoe ik door de snelheid van de SEH soms van binnen geërgerd heb gezucht, als een oudere patiënt maar langzaam uit bed kwam voor een looponderzoek. Of over hoe ik een patiënt naar huis heb gestuurd, omdat het somatisch verantwoord was, maar ik nu terugdenk aan hoe angstig hij misschien wel is geweest om de nacht alleen door te komen. Als ons vandaag iets overkomt, zullen onze partner, de mensen op het werk, of vrienden of familie met wie we iets hebben afgesproken, waarschijnlijk dezelfde dag nog opmerken, dat er iets niet klopt. Maar hoeveel ouderen 25 hebben die dagelijkse contacten met anderen níet? Ik zou ook angstig zijn, als ik weet, dat ik van de trap kan vallen, niet overeind kom en mogelijk drie dagen op de grond lig, voordat ik word gevonden. Deze angst is bij veel ouderen niet weg te denken. En in de hospice zie ik ze opbloeien bij dit stukje veiligheid en menselijk contact. Wat gun ik iedereen die basis! Maar met het verdwijnen van de verzorgingshuizen valt dit voor veel ouderen weg. Ik ken mensen die daarom hun ouders in huis nemen. Dat vind ik mooi. Als het even kan ben ik helemaal voor de eigen verantwoordelijkheid en de verantwoordelijkheden richting familieleden en vrienden. Maar wat, als dat niet gaat? Twee dagen nadat ik het boek van mevrouw S. heb geleend, bracht ik haar het boek terug. We praatten een tijdje over het boek, over haar ontlasting die maar blijft rommelen en ik bleef nog een tijdje bij haar zitten, om te luisteren naar wat ze me vertelde. Niet omdat het medisch noodzakelijk was, maar omdat ze belangrijk is. op één lijn 58
Page 26
op één lijn 58 2e uitgave 2017 Beslissen voor een ander Dilemma’s bij wilsonbekwaamheid DOOR DANIËLLE BISSCHOPS, EERSTEJAARS AIOS MAASTRICHT Mijn opleider Annemiek Nijholt, maakte mij enthousiast voor een symposium dat zij samen met een jurist, kinderarts, geestelijk verzorger, anesthesioloogintensivist, AVG-arts en kinderarts-intensivist had georganiseerd. De overkoepelende organisaties die meewerkten aan dit symposium waren het MUMC+, Maastricht University, Koraal Groep, onze praktijk Gezondheidscentrum Heer in Maastricht en het KNMG district Limburg. Ik werd betrokken doordat ze hierover vertelde en vroeg of ik het leuk zou vinden om erbij te zijn en te zien hoe zoiets gaat. Zo gezegd, zo gedaan. Voordat ik het wist zat ik op 6 juni jl. gewapend met fotocamera in de Greepzaal van het AZM als aandachtig toehoorder. Wat direct opviel tijdens de opening van het symposium, was de grote diversiteit aan belangstellenden. Artsen, maatschappelijk werkers, verpleegkundigen, management en verzorgers van Maasveld, een zorgorganisatie waar mensen wonen met een ernstige en complexe lichamelijk en of verstandelijke beperkingen. Zelfs tandheelkunde werd vertegenwoordigd. Het thema was wilsonbekwaamheid, een onderwerp voor grote ethische vraagstukken die vanuit verschillende hoeken belicht werden. Als het vast staat dat iemand wilsonbekwaam is en iemand anders dient te beslissen over jouw leven: hoe bepaal je dan bijvoorbeeld ‘kwaliteit van leven’? Dit vraagstuk kwam aan de orde bij de eerste casus en leverde direct een uitgebreide discussie op. Wie bepaalt wat de kwaliteit van leven is? Ouders? De behandelend artsen? Is kwaliteit van leven meetbaar? Staat hier iets over beschreven in de wet? Is kwaliteit van leven de afwezigheid van lijden? Moeilijke vragen waarop veelal geen eenduidig antwoord te geven is. Belangrijk in de casus was ook dat de wilsonbekwame patiënt een te verwachten verslechtering van ziekte doormaakt. Hier komt het begrip advanced care planning om de hoek kijken. Verschillende aanwezigen in de zaal, als ook de sprekers, gaven aan dat advanced care planning belangrijk is om de omgeving voor te bereiden op verslechtering in de toekomst. Te denken valt aan moeilijke beslissingen over het al dan niet uitvoeren van een behandeling of de vraag of behandeling opweegt tegen de kwaliteit van leven die daarmee gewonnen wordt. Binnen de huisartsgeneeskunde is advanced care planning ook een belangrijk thema. Er verschijnen genoeg mensen op 26 mijn spreekuur waarvan ik denk dat zij in de nabije toekomst meer zorg/hulp nodig gaan hebben. Bespreken wat wel en niet te doen in de toekomst is dan van belang. In de tweede casus werd een oudere vrouw besproken die wilsbekwaam is en thuis kwam na een IC-opname. Ons werd geadviseerd om de ‘surprise question’ aan onszelf te stellen: zou ik het vreemd vinden als deze patiënt binnen een jaar komt te overlijden? Als het antwoord nee is op deze vraag, is het van belang om met deze patiënte toekomstige zorg, maar ook beperkingen hierin te bespreken. Doordat er meer informatie beschikbaar is voor patiënten is het ook regelmatig zo dat zij de vragen over toekomstige zorgbehoeften en beperkingen zullen stellen op het spreekuur. Tijdens het symposium werd ook besproken wat de huisarts eigenlijk moet bespreken tijdens zo’n gesprek: bespreek het thema levenseinde, stel wilsbekwaamheid vast, definieer de ervaren kwaliteit van leven en registreer wensen/afspraken van de patiënt. Het was een geslaagd symposium met voldoende stof om over na te denken. Gelukkig gingen we niet met lege handen naar huis maar met een leesadvies voor een regenachtige dag. Annemiek Nijholt (zittend uiterst links) 2e uitgave 2017 De afgestudeerden in beeld Made in Maastricht Afstudeersessie 27 juni 2017 | V.l.n.r.: Kay Len Macco, Manon Oomen, Fransje Heijmans, Myrthe Berkhof, Anneloes van Dooren, Sanne Martens, Karen Willems, Janneke Simons, Wassimi Messoudi Drissi, Jan Gootjes, Job Gerver en Farah Leijten Afstudeersessie 6 december 2016 Afstudeersessie 13 juni 2017 | V.l.n.r.: Christa Stalmeijer-Willekens, Lieke Tobben, Caroline Botterweck, Germaine Schulmer, Ester Klaassen Afstudeersessie 13 december 2016 27 op één lijn 58
Page 28
op één lijn 58 2e uitgave 2017 Voetbaltreffen aios-opleiders Nagelbijten in Bocholtz DOOR GASTON PEEK, OPLEIDER EN JEAN-MARIE PEETERS, AIOS Vanuit de opleiders Nog nooit was het jaarlijkse voetbaltreffen tussen AIOS en opleiders zo spannend: 1-1 na 60 minuten voetbal en 2-2 na 80 minuten voetbal (of ja, langzaam werd het schoffelen). Penalty’s moesten de beslissing brengen op vrijdag 9 juni 2017 op veld 1 van WDZ. We are the champions! De zesde editie van deze jaarlijkse voetbalwedstrijd was een succes. Nog nooit stonden zoveel aios en opleiders bij elkaar op het voetbalveld. Nog nooit stonden er een dikke handvol toeschouwers met veel enthousiasme langs de kant. Nog nooit werden 170 consumpties genuttigd tijdens de gezellige derde helft in de kantine. Én eindelijk mochten de opleiders de mooie bokaal omhoog houden! Daar hebben we toch jaren op gewacht! Dit met veel dank aan Huub Schepers, onze pensionaris. Niet alleen vanwege het faciliteren van het strakke veld, de tenues, de sjeids en de lekkere broodjes gezond na afloop, maar vooral vanwege het fantastische keeperswerk waardoor de opleiders met de rug tegen de muur overeind wisten te blijven in de 28 verlenging, zelfs nadat eigen speler Simon een uppercut uitdeelde aan onze aanvoerder! De penalty’s waren wel wat veel van het goede voor Huub, maar topscoorder en tweede keeper Stephan (onze nieuwe derdejaars HAB) bleek een uitstekende stand-in keeper: alle penalty’s werden gestopt! De voorbereiding verliep voorspoedig, al snel waren 13 opleiders bereid hun spieren op te offeren voor deze glorieuze overwinning. Een verjongd team met een aantal startende opleiders (dat belooft veel goeds voor de titelverdediging!) én met dit jaar een echte coach: Marieke. De à-la-Krul keeperswissel bij de penalty’s was dan ook een groot succes: een gouden ingreep! Via de mail werden vooraf al tactieken besproken, al was daar op het veld weinig van te zien. Iets met drie verdedigers, een lopende middenvelder en een balvaste spits, maar deze was aan het begin van de wedstrijd nog niet bekend. Dit zorgde dan ook voor wat onrust, wie moest nou waar verdedigen en in welke zone? Daarnaast werden de opleiders op eigen helft goed opgejaagd door de (vrouwelijke) aios. Door verdedigende fouten werd het 1-0 voor de aios, maar de looplijnen kregen 2e uitgave 2017 meer vorm en de hierdoor groeide het vertrouwen en inzet. Vooraf wilden enkele ‘blessuregevoelige’ opleiders maximaal 10 minuten voetballen (‘ik begin wel langs de kant’) maar na een kwartiertje voetbal werd er al snel met tegenzin gewisseld, behalve als de accu leeg was. Deze teamspirit kreeg al snel vervolg door een flitsende aanval, onderschepping door Coen, inspelen naar Peter op het middenveld, Matthijs via links, Freek legt terug en Gaston schiet in het hoekje binnen. Een aanval uit het boekje. Na 2x 30 minuten reguliere speeltijd was de stand 1-1, maar het vertrouwen bij de opleiders was groot! Na de peptalk van onze coach gingen we door waar we gebleven waren. Inzet werd beloond! De corner van Micha belande bij de tweede paal voor de voeten van Stephan, die feilloos kon afronden. Ook na de 2-1 dienden kansen zich aan, maar de scherpte en conditie werden minder. Voetbal werd schoffelen, enkels werden geraakt (m/v). En dan het bekende verhaal: als je niet afrondt kun je hem tegen verwachten. Na enkele miraculeuze reddingen door Huub, werd in een onoplettend moment onze verdediging toch doorkruist en de eindstand na verlenging was 2-2. Een kleine mentale tegenslag… Dan: de keeperswissel, drie feilloos ingeschoten pingels, drie gestopte penalty’s. “We are the champions” werd luidkeels gezongen onder de douche! Het was een geslaagde editie van het jaarlijks voetbaltreffen tussen AIOS en opleiders! Hopelijk zetten we deze traditie voort en mogen we volgend jaar weer meer AIOS, opleiders en supporters verwelkomen! Vanuit de aios Een fris team met een uitdaging. Door de vele last minute aanmeldingen betraden wij als aios met een gevarieerd team van 12 het veld van voetbalclub WDZ (Wilskracht Doet Zegevieren) voor de jaarlijkse voetbalwedstrijd tegen de opleiders. Alle jaargangen en zowel mannen als vrouwen waren vertegenwoordigd. Met slechts 3 routiniers bestond het team uit: Frank Attema, Bjorn Beckers, Yon Dhooge, Joey van Empel, Kirsten Klop, Joep Kretsers, Jean-Marie Peeters, Mathijs Peeters, Yack Pham, Nina van de Rijdt, Sofie Compiet en Gusta van Zwieten. De moed zit er goed in, wij gaan de reeks van overwinningen voortzetten. Terwijl de opleiders begonnen met een professioneel uitziende opwarmingsreeks, werden aan onze kant enkele schoten op het doel gelost. Wij spaarden onze krachten. Op de valreep werden de tactieken doorgesproken. De opstelling bestond uit 3 verdedigers, 3 middenvelders en 1 diepe spits. Wij gaan ervoor! Het was vanaf het begin duidelijk dat het aan wilskracht op deze avond niet ontbrak. Van beide kanten werd geen seconde rust geboden. Na 60 minuten voetballen stond het 1-1. Dit was in ons voordeel: verlenging, nu doordrukken. De laatste krachtinspanningen tijdens de verlenging waren niet voldoende om het verschil te maken, we eindigden met 2-2. Op dat moment sloeg bij ons de twijfel toe. Wie gaat de penalty’s nemen? We konden toch niet verliezen en de traditie van voorgaande jaren verbreken? De mannen van het team vielen stil en staarden elkaar besluiteloos aan. Niemand durfde de verantwoordelijkheid te nemen. Kirsten doorbrak de stilte: “Wie heeft er hier in het verleden gevoetbald!?” Twijfelend gingen een paar handen omhoog. Smoesjes werden verzonnen zoals “ik neem normaal ook nooit penalty’s”. Aarzelend werden 3 ‘vrijwilligers’ uitgekozen. Na 3 van ons gestopte penalty’s en 3 treffers van de opleiders is het duidelijk: het mocht dit jaar niet zo zijn. Op deze avond hadden wij als aios meer te leren dan alleen het huisartsenvak van onze opleiders. De derde helft die houden we in ieder geval maar op een gelijk spel. Het zal u niet verbazen dat ondanks ons verlies, ook wij deze wedstrijd weer een groot succes vonden. Graag wil ik namens het aiosteam, het team van opleiders, hun aanvoerder Gaston Peek en hun coach Marieke Kools feliciteren. Voor de tweede keer in de geschiedenis van de jaarlijkse voetbalwedstrijd tussen aios en opleiders zijn zij erin geslaagd om de bokaal, in dit geval zonder grote oren, mee naar huis te nemen. Wij gaan ervoor om de traditie voort te zetten. Dus let volgend jaar april / mei op je mailbox want dan zal het jaarlijks ronselen van de aios weer beginnen. Hopelijk kunnen we dan de balans weer herstellen en onze voorsprong uitbreiden naar 5-2. Huub Schepers 29 op één lijn 58
Page 30
op één lijn 58 2e uitgave 2017 Weten is eten Leidens Ontzet DOOR HENDRIK JAN VUNDERINK, REDACTIE Tegenover het huis waar ik opgroeide stond de eerste Hilversumsche Huishoudschool. Langs het tuinpad van mijn vader zag ik de mooie meiden staan…. Mijn broer had het beter voor elkaar: vanuit zijn kamer had hij goed zicht op het grote keukenlokaal, waar de meiden de gezonde Hollandse pot leerden bereiden. Een elementaire vorm van voedingsonderwijs die verder op geen enkel ander schooltype in het curriculum was opgenomen. Ook in de geneeskundeopleiding blijkt er nu een snel groeiende behoefte te ontstaan aan meer voedingsonderwijs. Dat blijkt onder andere uit de ruime aandacht die Medisch Contact besteedde aan het 6e congres Arts en Voeding. Birgit Spoorenberg, vertelt u daar elders in dit nummer meer over. Twee uitkomsten zijn zo interessant, dat ik even in herhaling wil vallen. Als eerste trof mij de uitspraak “Pillen of Paprika’s”: het blijkt echt waar te zijn, dat insulineafhankelijke diabeten met de juiste voedingstherapie binnen de kortste keren van de spuit af kunnen zijn! Verder blijkt voedingsonderwijs in het basiscurriculum een zeer ondergeschoven kindje te zijn, waar volgens een onderzoek onder coassistenten wel grote behoefte aan bestaat, net als bij huisartsen. Onze aios krijgen gedurende de driejarige opleiding op de terugkomdagen tot nu toe geen gestructureerd onderwijs over voeding, hoewel incidenteel soms wat gebeurt. Er wordt nu wel wat ontwikkeld in het kader van het thema ‘Preventie’. Gezien de belangstelling voor en het belang van gezonde voeding en het bereiden daarvan, is het mij een raadsel, dat er noch landelijk noch bij ons op de Maastrichtse huisartsopleiding wat is gedaan met de uitkomsten van het proefschrift waar ons huidige hoofd Bas Maiburg cum laude op promoveerde. Op 25 juni 2003 wel te verstaan, 14 jaar geleden dus. Titel: “Computer-based Nutrition Education for General Practice”. Zijn eerste stelling luidde als volgt: “Huisartsen-in-opleiding verschillen in kenmerken van voedingsvoorlichtingsgedrag slechts weinig van ervaren huisartsen. Het volgen van het computerprogramma over voeding zal ook voor de laatsten leiden tot een aanzienlijke verbetering van hun praktijkhandelen op voedingsgebied”. Hoog tijd dus om eens serieus te kijken wat we in ons onderwijscurriculum kunnen doen met de al wat oudere, maar geenszins gedateerde aanbevelingen van Bas. En ik weet zeker, dat het Hoofd graag meedenkt. 30 Tja, en dan de titel van dit stukje, dat komt hierdoor: bij goed onderwijs hoort goede toetsing. En één van heilige toetsingshuisjes is de Landelijke Huisartsgeneeskundige Kennistoets (LHK). Sinds aios-heugenis is dat twee keer per jaar: op de eerste woensdag in april en in oktober. Volgend jaar gaat er een heilig huis omver, want in oktober is de LHK op maandag 1 oktober! Reden: op 3 oktober viert men in Leiden het Ontzet. Op die dag in 1574 bleken de belegerende Spanjaarden met gezwinde spoed vertrokken te zijn, op de vlucht voor de Watergeuzen die de dijken hadden doorgestoken. Een ketel met ‘rats, kuch en bonen’ was op een vuurtje achtergebleven, en redde meerdere Leyenaren van de hongerdood. Sindsdien eet men, ook op de Leidse Huisartsopleiding, hutspot met klapstuk. En een toets maken met een volle maag gaat nou eenmaal niet. Die Spaanse hutspot moet overigens nogal verschild hebben van de onze. Aardappels waren namelijk nog niet gearriveerd in de Oude Wereld in 1574. Daarom geef ik u hier het gereconstrueerde recept van wat men destijds waarschijnlijk heeft aangetroffen in die Spaanse veldkeuken. Eenvoudig doch voedzaam, en veel groente en vezels! “Originele” Leidse Hutspot INGREDIENTEN 4 PERSONEN 250 g gedroogde witte bonen (echt lekkerder dan uit een pot), 250 g mager rookspek, 500 g winterwortelen, 500 g pastinaken, 500 g uien, niet teveel zout, versgemalen peper. Voorbereiding Was de witte bonen, doe ze in een pan met ruim water en laat ze een nacht weken. Breng de volgende dag de bonen in het weekwater aan de kook en doe er het in dobbelstenen gesneden spek bij. Laat alles op een zacht vuur 20 min zachtjes koken. Bereidingswijze Maak intussen de groenten schoon en snijd ze in kloeke stukken, voeg alles met het zout bij het bonenspekmengsel en laat nog eens 45 min zachtjes doorkoken, giet de hutspot af en schep alles goed door elkaar. Breng op smaak met versgemalen peper. Lekker met grove mosterd erbij. 2e uitgave 2017 Congres Arts en Voeding 16 juni 2017 ‘Het gaat om veel meer dan voeding alleen’ DOOR BIRGIT SPOORENBERG, HUISARTSDOCENT HUISARTSOPLEIDING Meer artsen dan vorig jaar bij dit zesde congres Arts en Voeding, dit jaar in Rotterdam. Het onderwerp voeding lijkt steeds meer de interesse te wekken van artsen. Zoals duidelijk werd: het gaat om veel méér dan om voeding alleen. Beweging, potentiële stressoren zoals werk of relatie, financiën en woongenot, en bovenal ook zingeving. Het gevoel dat je leven een doel heeft. Al deze factoren zijn van invloed op gezondheid en ziekte, zo werd gesteld. Ik wil u graag vertellen welke onderdelen uit het programma voor mij belangrijk waren. Angelique Berg, directeurgeneraal Volksgezondheid VWS, gaf in een videopresentatie aan, dat het tijd wordt om artsen op te leiden die kennis hebben van deze leefstijlfactoren. En dat werd vanuit de zaal natuurlijk driftig beaamd. Prof. Ludwig, endocrinoloog en verbonden aan Harvard Medical School, vertelde over de rol van voeding bij obesitas. De conclusies waren niet nieuw, maar goed om weer eens op een rijtje te hebben: een calorie is niet een calorie; elke voedingsstof heeft een ander effect op het metabolisme. Calorieën tellen lijkt niet zinnig te zijn. Vet wordt ten onrechte gezien als een voedingsmiddel dat beter vermeden kan worden. Koolhydraten, met name de “snelle suikers” zoals zoetmakers of bewerkte granen (koekjes, brood, gebak, pasta etc), lijken juist beter sterk geminderd te kunnen worden. Vooral mensen met een metabool probleem hebben zoals diabetes of Metabool Syndroom, kunnen van deze voedingsmiddelen flinke nadelen ondervinden en ze beter vermijden. Endocrinoloog prof. Van Rossum vertelde voorts over de nadelen van een chronisch verhoogde activiteit van de stress-assen en hoe deze stress-assen ook worden getriggerd door diezelfde “snelle suikers”. Dit zorgt weer voor een chronische laaggradige inflammatie welke verband lijkt te houden met ontstekingsziekten en autoimmuunaandoeningen zoals Crohn, Sarcoïdose en MS. MDL arts Dr. Maljaars gaf aan dat voeding bij gastrointestinale problemen natuurlijk ook een belangrijke rol speelt, en hoogstwaarschijnlijk langs diezelfde inflammatoire weg die prof. van Rossum eerder schetste. In dezelfde lijn vertelde prof. Pijl later hoe aanpassingen in leefstijl bij verreweg de meeste mensen met diabetes type 2 snel tot een enorme vermindering van medicatiebehoefte leiden. Maaike de Vries, directeur van “Keer Diabetes2 Om” 31 benadrukte dit gegeven met haar bevinding dat patiënten die binnen twee dagen na het veranderen van leefstijl, van hun insuline af waren. Een aanwezige medewerkster van de stand van het Voedingscentrum, bekend van de Schijf van Vijf, zei: “wij kunnen ons vinden in iets meer dan de helft van wat hier gezegd wordt”. Zou het geen tijd zijn om de voedingsrichtlijnen toch wéér te herzien, omdat lijkt, dat deze flink zijn ingehaald door de praktijk? De klapper van de dag werd vervolgens door Wilma Oosthoek uitgedeeld, student aan het Erasmus MC. “Ik ben de arts van morgen, aangenaam. Ik werk van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, ren bij mijn patiënten langs om mijn administratie op tijd af te ronden. Mijn rolmodellen doen hetzelfde. Ik heb geen tijd voor een rustige, gezonde lunch of ontspanning. Reflecteren doe ik ’s nachts. Ik heb misschien last van mijn buik of hoofdpijn, maar daar heb ik geen tijd voor. Aangenaam, ik ben uw arts van morgen.” Een interessante dag, die best wat stof deed opwaaien. Zo was er veel media-aandacht voor het onderzoek, dat aantoonde, dat ook aios en huisartsen popelen om meer onderwijs over voeding en leefstijl. Onder andere in Medisch Contact van 20 juni jl.: “Co en huisarts hongerig naar Voedingsonderwijs”. Ik kijk ernaar uit dat dat soort onderwijs veel meer plek krijgt! Meer weten over het hoe en waarom van leefstijlinterventies? Op 30 september wordt voor de derde keer het Ancestral Health Symposium georganiseerd, dit keer op de medische faculteit in Maastricht! Meer info een aanmelden via www.ancestralhealth.nl Accreditatie wordt aangevraagd voor ABC1 op één lijn 58
Page 32
op één lijn 58 2e uitgave 2017 Gezondheidsrechtelijke kwesties Shared decision making in de WGBO1? DOOR MR. ARIE DE JONG, HUISARTS IN GOIRLE EN JURIST Inleiding ‘Shared decision making’ alias samen beslissen, wordt uitgewerkt in de Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst (WGBO). Voor mij persoonlijk maar ook voor andere juristen is shared decision making een onmogelijke term. De hele WGBO is namelijk gebaseerd op de autonomie van de patiënt, met als hoogste goed het zelfbeschikkingsrecht2. Zelfbeschikking wordt omschreven in drie varianten: 1. Zelfbeschikking als zelfontplooiing: aangeven wat de eigen normen en waarden zijn 2. Zelfbeschikking als keuzevrijheid: het zelf weloverwogen beslissen 3. Zelfbeschikking als afweerrecht: het weigeren van een behandeling Op basis hiervan beslist de patiënt dus uiteindelijk zelf, zoals ook in diverse wetten valt te lezen. WGBO Artikel 450 Voor verrichtingen ter uitvoering van een behandelingsovereenkomst is de toestemming van de patiënt vereist. Wet maatschappelijke ordening (WMO) Artikel 5.2.5 Een zorgverzekeraar en een zorgaanbieder als bedoeld in de Zorgverzekeringswet zijn, voor zover betrokkene daarvoor zijn ondubbelzinnige toestemming heeft verleend, bevoegd uit eigen beweging en desgevraagd verplicht aan het college kosteloos persoonsgegevens, waaronder persoonsgegevens betreffende de gezondheid, te verstrekken. Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding Artikel 2a De zorgvuldigheidseisen houden in dat de arts de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt. Ook in de Amerikaanse definitie beslist de patiënt zelf: As defined by Washington State, shared decision making is a process undertaken between a clinician and a patient with a 1 Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst, voor juristen, Afdeling 5 van Titel 7 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek 2 Thematische wetsevaluatie “zelfbeschikking in de zorg”, Den Haag: ZonMw, juni 2013 Reeks evaluatie regelgeving: deel 34 32 preference-Sensitive condition – a condition that has more than 1 clinically appropriate intervention or management strategy, such as stable ischemic heart disease or herniated disk – to help the patient decide among multiple acceptable health care choices in accordance with his or her preferences and values. A basic tenet of shared decision making is that clinicians are the experts in the evidence and patients are the experts in what matters most to them. Shared decision is een verkeerde term voor een mooi proces. Het gaat om goede informatie en beslishulpen die ‘patientcentered’ is. Daar was al een goede term voor: ‘Informed consent’. Dat informed consent beter moet is duidelijk. Dat is ook de reden dat de WGBO wordt aangepast: op naar informed consent 2.0! Wat gaat dat betekenen voor de huisarts en onze dagelijkse praktijkvoering? De belangrijkste thema’s die aangepast worden: • Wijzigingen ten behoeve van patiëntgerichte zorg – Samen beslissen (lees: verbeteren van het informed consent) – De patiënt als gesprekspartner • Aantekening in het medisch dossier van besluit tot ingrijpende verrichting • Aantekening in het medisch dossier van wilsonbekwaamheid • Verlenging bewaartermijn van medisch dossier • Inzagerecht voor nabestaanden Er zijn eenvoudige aanpassingen zoals de bewaartijd voor patiëntendossiers. Deze wordt naar 20 jaar verlengd (was 15 jaar). Andere aanpassingen zullen meer consequenties hebben zoals de dossiervoering (meer noteren) of ze zullen invloed hebben op de consulttijd (maatwerk in de spreekkamer). Vooruitlopend op de wetswijziging is het goed om hier alvast de aandacht op te richten omdat het ook consequenties zal hebben voor de praktijkgrootte en de toekomstige financiering als we aan de WGBO verplichtingen willen voldoen. Waarom wetsaanpassingen ten behoeve van de patiëntgerichte zorg? In de memorie van toelichting op de wetsaanpassingen staat een uitgebreide toelichting. De belangrijkste argumenten die daarin besproken worden zijn gebaseerd op het veranderde beeld van de zorg. Autonomie en zelfbeschikking zijn altijd de basis voor de WGBO geweest, maar nu wordt ook het beeld 2e uitgave 2017 van patiëntgerichte zorg verder uitgewerkt, met nadruk op het leveren van maatwerk. Voor maatwerk is het gesprek tussen hulpverlener en patiënt van essentieel belang. Niet langer kan worden volstaan met eenzijdige informatieverschaffing. Er zal in de WGBO opgenomen worden dat er een dialoog gevoerd dient te worden. In die dialoog moet naast informatie over de behandeling ook gesproken worden over de voor- en nadelen, alternatieven en de optie van niet behandelen. Onderstaande tekst uit de memorie van toelichting zie we dan ook bij letterlijk terug in de nieuwe wettekst: “De hulpverlener nodigt de patiënt in het gesprek uit om te vertellen in welke mate de patiënt betrokken wil zijn bij de besluitvorming en wat zijn persoonlijke voorkeuren met betrekking tot de behandeling of het onderzoek zijn. Hierdoor ontstaat een zo goed mogelijk beeld van de persoonlijke situatie en wensen van de patiënt. Op deze manier is samen beslissen maatwerk, waarbij het van belang is dat de hulpverlener in het gesprek aansluit bij de belevingswereld, het bevattingsvermogen (waaronder lees- en schrijfvaardigheden), culturele achtergrond en de behoefte en situatie van de individuele patiënt. Het is wenselijk dat de patiënt in dit overleg ook vragen kan stellen, dat een hulpverlener daar ook ruimte voor biedt en de tijd neemt om de vragen te beantwoorden. Ook door de patiënt verzamelde informatie (via internet, literatuur en behandelingen in het alternatieve circuit) en de daarop gebaseerde ideeën van de patiënt over bijvoorbeeld effectiviteit, risico’s en bijwerkingen, kunnen hierbij betrokken worden.” Artikel 448 (informatieplicht) van de WGBO wordt als volgt gewijzigd: Het eerste lid komt te luiden: 1. De hulpverlener licht de patiënt op duidelijke wijze in, passend bij diens bevattingsvermogen, en overlegt met hem over het voorgenomen onderzoek, de voorgestelde behandeling, de ontwikkelingen omtrent het onderzoek, de behandeling en diens gezondheidstoestand. De hulpverlener vraagt daarnaast of de patiënt schriftelijk, langs elektronische weg, of op andere wijze informatie wil ontvangen en verstrekt deze informatie desgewenst aan hem, tenzij het verstrekken van deze informatie in redelijkheid niet van de hulpverlener kan worden verlangd. In het kader van de zelfbeschikking3 mogen hier keuzehulpen en patiëntenrichtlijnen4 worden gebruikt om de kennisongelijkheid te helpen overbruggen. Daarnaast heeft de hulpverlener ook de inspanningsverplichting5 om na te gaan of de patiënt de informatie begrepen heeft. Zonder een goed begrip van de besproken informatie is zelfbeschikking lastig. 3 Thematische Wetsevaluatie Zelfbeschikking in de zorg’, ZonMw, juni 2013, Reeks evaluatie regelgeving: deel 34 4 Een patiëntenrichtlijn is een patiëntenversie van een kwaliteitsstandaard, waarbij de informatie in begrijpelijke taal is opgeschreven en/of in een korte film wordt toegelicht. 5 Inspanningsverplichting: het ‘nagaan of informatie is begrepen’ staat niet gelijk aan het verzekeren dat informatie ook echt begrepen is. Dit laatste is niet altijd mogelijk en valt niet onder de verantwoordelijkheid van de hulpverlener. Onverminderd blijft het recht van de patiënt bestaan om niet geïnformeerd te worden, ook dat is zelf beschikking. Ook de patiënt heeft een rol Voor de patiënt zal het eveneens wennen zijn. Is iedere patiënt in staat om de juiste vragen te stellen? Weet een patiënt wat belangrijk voor hem of haar is? Daarnaast is de patiënt al verplicht op grond van de WGBO, de hulpverlener naar beste weten de inlichtingen en medewerking te geven die deze redelijkerwijs nodig heeft voor het kunnen verlenen van goede zorg. Sommige patiënten willen liever niet geïnformeerd worden noch participeren in de besluitvorming. Als patiënten in het gesprek aangeven dat ze het aan de hulpverlener willen overlaten en daarom instemmen met wat de hulpverlener voorstelt, dan kan dat. Om dit proces van samen bepreken beter te laten verlopen worden er diverse instrumenten ingezet. Er worden beslishulpen en keuze instrumenten ontwikkeld, de WGBO zal gewijzigd worden en er komen bewustwordingscampagnes6. Het uiteindelijke doel is om het vertrouwen in en de relatie met de hulpverlener te verbeteren, te komen tot een betere behandeltrouw en betrokkenheid bij behandeling en de patiënten tevredenheid te vergroten. Wat gaat er verder nog veranderen? Aantekening in medisch dossier van besluit tot ingrijpende verrichting In de praktijk blijkt dat hulpverleners te makkelijk toestemming veronderstellen uit de omstandigheden, met name voor ingrijpende verrichtingen. Het wetsvoorstel houdt dus in dat er een verplichting komt om een aantekening in het medisch dossier te maken van de toestemming van de patiënt voor een ingrijpende verrichting (dit sluit ook aan bij het “samen beslissen”)7 Aantekening in medisch dossier van wilsonbekwaamheid Volgens de memorie van toelichting is er “... sprake van een inbreuk op het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt wanneer een arts een handeling van geneeskundige aard uitvoert zonder toestemming van de patiënt. Wanneer de patiënt wilsonbekwaam is, kan een in de WGBO bepaalde persoon (artikel 7:465 BW), zoals de mentor of de partner van een patiënt, als vertegenwoordiger in plaats van de patiënt toestemming geven voor het uitvoeren van een dergelijke handeling. Aangezien het hier om een grote inbreuk op het 6 Zoals de campagne ‘3 goede vragen’ van de Nederlandse Patiënten en Consumenten Federatie (hierna: ‘NPCF’) met de Orde van Medisch Specialisten (hierna: ‘OMS’) die er met name op is gericht om de patiënt te ondersteunen bij het gesprek met zijn hulpverlener. Een ander voorbeeld is de campagne ‘Verstandig Kiezen’. Hierin werken de OMS, de wetenschappelijke verenigingen en ZonMw samen om patiënten te ondersteunen bij gezamenlijke beslissingen over gepast gebruik van zorg. 7 Het kabinet meent dat wanneer sprake is van een verrichting van ingrijpende aard, de toestemming, tenzij sprake is van een bijzondere situatie (zoals spoed), niet verondersteld mag worden. Dergelijke verrichtingen betekenen immers een grotere inbreuk op de lichamelijke integriteit van de patiënt en brengen grotere risico’s met zich mee dan verrichtingen van niet ingrijpende aard. 33 op één lijn 58
Page 34
op één lijn 58 2e uitgave 2017 voornoemde recht van de patiënt gaat, is het van belang dat dit oordeel van de hulpverlener toetsbaar is en wordt vastgelegd in het medisch dossier..” Er komt dus een verplichting om een aantekening te maken in het medisch dossier dat een patiënt niet in staat is tot een redelijke afweging van zijn belangen ter zake. Tevens wordt genoteerd wie dan voor de patiënt optreedt als vertegenwoordiger. De wilsonbekwaamheid wordt vastgesteld ten aanzien van een bepaalde handeling. Dit betekent dus dat in beginsel per handeling moet worden beoordeeld of de patiënt ten aanzien van die handeling bekwaam is om toestemming te geven. Verlenging bewaartermijn van medisch dossier Het voorstel is om de bewaartermijn te verlengen van 15 naar 20 jaar. Tevens wordt voorgesteld dat de patiënt, na afloop van de bewaartermijn, aan de hulpverlener kan verzoeken om zijn dossier langer te bewaren8. Nu al bestaat de mogelijkheid voor een hulpverlener om een dossier langer te bewaren als daar belangrijke redenen voor zijn (zie noot 8). Inzagerecht voor nabestaanden Omdat het beroepsgeheim blijft gelden na de dood, was het voor nabestaanden soms moeilijk om inzage te krijgen na iemands overlijden, behalve in het geval van: • Een wettelijke plicht • Veronderstelde toestemming (reconstructie van de wil van de overledene) en een gerechtvaardigd belang (uit jurisprudentie) • Een zwaarwegend belang (uit jurisprudentie)9 • Een conflict van plichten situatie In de aan te passen WGBO wordt het voor nabestaanden, de voormalig wettelijk vertegenwoordiger en ouders van overleden kinderen tot en met 17 jaar in bepaalde gevallen makkelijker om inzage te krijgen na de dood. Voorgesteld wordt om nabestaanden inzagerecht te geven in een medisch dossier van een overleden patiënt wanneer: 1. De overleden patiënt bij leven schriftelijk of elektronisch toestemming heeft gegeven voor inzage na overlijden. 2. De nabestaande op grond van de Wkkgz een mededeling van een zorgaanbieder heeft ontvangen van een calamiteit of van geweld in de zorgrelatie. 8 Hiervoor geeft de Gezondheidsraad drie redenen: de goede zorgverlening aan de patiënt, een mogelijke zorgbehoefte van verwanten en het langer kunnen gebruiken van de gegevens voor medisch wetenschappelijk onderzoek. 9 Ad : zwaarwegend belang. De derde grond voor inzage is een ‘zwaarwegend belang’. In aansluiting op de jurisprudentie wordt voorgesteld te spreken van een zwaarwegend belang als aan de volgende twee voorwaarden wordt voldaan: 1. het belang van geheimhouding van informatie uit het medisch dossier moet worden gewogen tegen het zwaarwegende belang van de persoon die zich hierop beroept. Inzage wordt alleen gegeven wanneer aan de hand van voldoende concrete aanwijzingen wordt aangetoond dat het zwaarwegende belang geschaad zou kunnen worden; 2. inzage moet noodzakelijk zijn voor de behartiging van dit zwaarwegende belang. 34 3. De nabestaande een zwaarwegend belang heeft bij inzage, er voldoende concrete aanwijzingen zijn dat dit belang wordt geschaad en inzage noodzakelijk is voor de behartiging van dit zwaarwegende belang. Dit was al zo op basis van jurisprudentie, maar staat nu ook in de wet. Inzagerecht voormalig vertegenwoordiger Er was reeds jurisprudentie die het mogelijk maakte om als voormalig vertegenwoordiger inzage te krijgen in het medisch dossier na overlijden. In lijn met deze uitspraak wordt voorgesteld om voormalig vertegenwoordigers, net als nabestaanden, inzage te geven in het medisch dossier na overlijden als: • er een melding van een calamiteit of geweld in de zorgrelatie is ontvangen op grond van de Wkkgz. • dit nodig is om aan te tonen dat hij de zorg van een goed vertegenwoordiger heeft betracht en er tegen hem, in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger, een rechterlijke procedure aanhangig is gemaakt10. Inzagerecht ouders en voogd van een overleden kind tot en met zeventien jaar Inzagerecht is al mogelijk voor kinderen onder de 12 jaar, en zonder bezwaar van het kind of op basis van goed hulpverlenerschap tot de leeftijd van 16 jaar. Kinderen van zestien en zeventien jaar oefenen hun rechten op grond van de WGBO zelfstandig uit. Ouders of voogden hebben bij leven van deze kinderen – zonder toestemming van het kind – geen recht op inzage in het dossier, tenzij het kind wilsonbekwaam is. Deze ouders of voogden van kinderen die zestien of zeventien jaar waren, kunnen op grond van het onderhavige wetsvoorstel na overlijden inzage krijgen onder dezelfde voorwaarden als een andere nabestaande, of, indien het kind wilsonbekwaam is, als een andere voormalig vertegenwoordiger11. Conclusie De geplande aanpassingen van de WGBO gaan invloed hebben op de patiëntcontacten en zullen leiden tot ‘shared decision making 2.0’ waarin een wettelijke plicht ontstaat om informatie te verstrekken en te bespreken passend bij het bevattingsvermogen van de patiënt en deze informatie te verstrekken op gewenste wijze. Er dient nog meer dan anders aangetekend te worden in het dossier wanneer er sprake is van wilsonbekwaamheid. Als er sprake is van handelingen van ingrijpende aard, dan dient daar toestemming voor te zijn. Dossiers moeten langer bewaard worden en het inzagerecht na de dood wordt verruimd. 10 Opgemerkt wordt nog dat een deel van deze vertegenwoordigers ook nabestaande is. In een dergelijk geval hebben deze nabestaanden dus ook inzage in het dossier als zij als vertegenwoordiger optreden en aansprakelijk worden gesteld. 11 Voor zowel de nabestaande of voormalig vertegenwoordiger, die inzage krijgt op een van bovenstaande gronden, geldt dat alleen inzage kan worden verkregen: • voor zover dit nodig is om aan het doel van inzage tegemoet te komen; • als de persoonlijke levenssfeer van een derde niet wordt geschaad. 2e uitgave 2017 Ademloos À bout de souffle DOOR T.E. GRIJS Een paar weken geleden woonden we de H. Mis bij in de parochiekerk van het geboortedorp van mijn vrouw. De mis werd opgedragen als jaardienst voor haar ouders. De pastoor gebruikte adem als thema voor zijn preek. Bij de eerste zin van de priester kwam een patiënte van twintig jaar geleden in mijn gedachten. Liza Henrotte, 41 jaar oud, zat ineengedoken voor me op het spreekuur. Haar komst was al bij een ontmoeting in de supermarkt door haar moeder aangekondigd. “Het gaat slecht met onze dochter, dokter, ze eet niet, ze slaapt niet, ze is flink afgevallen, ze verwaarloost het huishouden en haar kinderen.” Ze gaf nog zorgen aan, die ik niet kon onthouden, ik moest per slot van zake ook de boodschappen onthouden. “U moet haar maar goed nakijken. We maken ons zorgen.” Ook mijn vrouw had al een duit in het zakje gedaan. “Ik zag Liza Henrotte” bij de bloemist. Wat ziet ze er slecht uit en wat heeft ze een trieste blik in haar ogen. Ik denk dat het goed mis is.” Gewaarschuwd door beide dames bood ik Liza een luisterend oor, maar er viel niet veel te luisteren, Liza zei geen woord. Ik nodigde haar opnieuw uit om te vertellen over de reden van komst. “Ik ben zo benauwd dokter”, begon ze aarzelend, “ik krijg geen adem. Moet ik de pompjes gaan gebruiken, die mijn dochter heeft?” Liza had het niet makkelijk. Haar man was een jaar geleden bij haar weggegaan. Ze zorgde alleen voor haar dochter van 15 en zoon van 17 jaar en dat bij een fulltime baan als onderwijzeres op de basisschool in het dorp. Ze kreeg wel hulp van moeder, maar ze wilde haar niet belasten. “En de kinderen, ze hebben een moeilijke leeftijd, ach u weet wel hoe dat gaat met kinderen in de puberteit, dokter.” Tja, daar had ik wel een beeld van, onze kinderen hadden bij haar kinderen in de klas gezeten. Op school ging het niet best. Ze had voortdurend het gevoel buiten adem te zijn, op het eind van de schooldag was ze doodmoe. Toch kwam ze ’s avonds slecht in slaap en was vroeg wakker, ook dat weet ze aan haar kortademigheid. Ze wilde nog leuke dingen ondernemen in de vrije tijd, zeker ook met de kinderen, maar ze had er de kracht en de fut niet voor. Ze maakte zich zorgen hoe het verder moest, hoe moest het met de kinderen gaan als zij niet voor hun kon zorgen. De anamnese van de tractus respiratorius leverde geen aanknopingspunten op, het lichamelijk onderzoek ook niet behalve dat ze mager was. Ik besloot haar naar de longarts te verwijzen. Zes weken later had ik de uitslag, er waren geen aanknopingspunten voor longlijden. Liza kwam terug op spreekuur. De klachten waren niet afgenomen. Ze gaf aan zich somber te voelen, ze piekerde, ze gaf zich de schuld dat de kinderen het niet goed bij haar hadden, ze had geen zin om dingen te doen, ze sliep niet, ze had geen eetlust, ze had last van obstipatie, kortom ze vertoonde tekenen van een vitale depressie. Ze ging akkoord met een behandeling met antidepressiva om te genezen, zodat ze voor haar kinderen kon zorgen. Ik verwees haar ook naar de psycholoog, die sinds een jaar spreekuur hield in ons centrum. Langzaam krabbelde Liza uit het diepe dal. Na een half jaar vertelde ze me, dat ze een relatie had gekregen met een weduwnaar. Het ging goed in deze relatie en ze was blij dat de man goed met de kinderen overweg kon. Ze heeft de medicatie afgebouwd en de begeleiding stopte. Ik heb haar zeker drie jaar niet gezien sindsdien. Op een morgen zat ze weer voor me. Eenzelfde beeld als drie jaar geleden, een magere, sombere vrouw. “Ik heb geen adem, dokter.” Ze vertelde me een triest verhaal. Haar zoon was gestopt met zijn studie in Amsterdam en was onder behandeling voor drugsverslaving. Ze had geen contact met de dochter die in Utrecht studeerde. Haar partner had haar twee maanden geleden verlaten. “Als je in het leven moet kiezen tussen een triest bestaan en geen bestaan, wat zou u kiezen dokter?” Ik schrok me rot, dit motto kende ik, want ik herinnerde me maar al te goed het lege bestaan, het bedrog van de naaste en het trieste einde van de kruimeldief Michel in de film van Godard. Ik heb de crisisdienst gebeld en Liza is dezelfde dag opgenomen in de psychiatrische kliniek. Drie weken later kregen we het bericht dat ze tijdens proefverlof van de twaalfde verdieping van een flat was gesprongen. De preek van de pastoor ging over adem. “De levensprocessen in ons lijf hebben zuurstof nodig. Zonder adem geen leven. De Bijbel spreekt over levende wezens als alles wat adem heeft. Maar ook onze ziel heeft adem nodig. Ook de ziel kan naar adem snakken. We houden de adem in als het te spannend wordt. Volhouden is een zaak van lange adem hebben of het krijgen van een tweede adem. We hebben daarna tijd nodig om op adem te komen. We kunnen het allemaal zelf of we hebben de adem Gods nodig.” Gaat het verhaal van de pastoor ook niet op voor onze psyche? Liza gaf het al in het eerste consult haarfijn aan, alleen zocht ik het in het begin in de verkeerde tractus. Nog houdt de vraag me bezig of we er alles aan gedaan hebben om haar adem te verschaffen? 35 op één lijn 58

Op één lijn 57


Page 2
Colofon Inhoudsopgave Oplage 2280 Hoofd/eindredactie Babette Doorn Redactieleden Hendrik Jan Vunderink, Sjef Swaans, Eefje de Bont en Babette Doorn Doelgroep Huisartsen Limburg en Brabant, aios en alumni, afdelingen MUMC+ & overige relaties E-mail op1lijn@maastrichtuniversity.nl Postadres Vakgroep HAG Universiteit Maastricht Postbus 616 6200 MD Maastricht Bezoekadres P. Debyeplein 1 6229 HA Maastricht Ontwerp/druk Canon Design Studio, Maastricht, CBS 12160 Fotografie • Pagina 3 gemaakt door Loraine Bodewes • Pagina 4, 13 (Luc Maartens), 23 en 36 gemaakt door Johannes Timmermans • Pagina 5 en 8 gemaakt door Appie Derks • Pagina 10 gemaakt door Sietske Goettsch • Pagina 13 (Suzanne Teunisse) gemaakt door www.ericvanhorrik.nl • Pagina 14 en 15 gemaakt door Joey Roberts Deadline volgend nummer 23 juni 2017 © Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Algemeen Van de redactie – Babette Doorn Van de voorzitter: Onderzoek dat ertoe doet – Jean Muris Kaderopleiding Hart- en Vaatziekten Nieuwe ronde, nieuwe kansen – Yvonne van Leeuwen De Hart- en Vaatziekten QUIZ De nieuwe cursuscoördinator – Robert Willemsen Uitgelijnd – Babette Doorn ‘Denkend aan Henk’ – redactie Jo Baggen prijs 2016 – Martin Brassé Clinicus van het jaar: Giel van Schoubroeck – Redactie Stellen zich voor Ineke Hussaarts, HAB jaar 3 Ruud Verhees, AIOTHO Suzanne Teunisse, HAB jaar 2 Luc Maartens, HAB jaar 3 Claudia Bartholomeus en Elles van Poortvliet, onderwijsplanners Korte lijntjes: boek verschenen – Redactie Afstudeersessies december 2016 Onderzoek Bruikbare Wetenschap – Jochen Cals Onderzoek doen kan je leren – Anouk Baghus Health in slums – Onno van Schayck WESP-en Kinderen met koorts – Rachèl Verhoeven en Jolijn Bohnen Gezonde Basisscholen en pesten – Eline Vere Urlings D-dimeer test – Eline Meijs ECG’s in het kader van CVRM – Niek van den Nieuwenhof Huisartsopleiding Hoofdzaken – Bas Maiburg Equilibre – Marieke Kools en Paul Schrijver In de leer: “Wie het oude niet eert, is het jonge niet weerd” – Koen van Helmond Ontwrichte toestanden – Eleana Zhang Wat niet weet, wat niet deert – TE Grijs Korte Lijntjes: Inauguratie Jako Burgers – Redactie Onbezorgd smullen van vlees, vis, groenten en fruit: kan dat nog? – Hendrik Jan Vunderink Weten is eten: Bodybuilding voor Senioren – Hendrik Jan Vunderink “Practice what you preach” – Rhea Heeringa Ervaringen van een HAB in een vluchtelingenkamp – Hendrik Jan Vunderink Ex-aios: hoe vergaat het ze? – Gideon den Ouden Gezondheidsrechtelijke kwesties – Arie de Jong en Jerôme van Dongen 3 4 5 6 8 9 10 11 11 12 12 13 13 14 14 15 16 18 19 20 20 21 21 22 24 Brengt de huisartsopleidingen van Nijmegen en Maastricht samen – LOVAH Eindhoven 25 Opleiders: het zijn net mensen – Laury de Jonge 26 27 28 29 30 31 32 33 33 35 36 2 Van de redactie Practice what you teach Op de redactievergadering voor dit nummer kregen de redactieleden een bord snert voorgeschoteld door Hendrik Jan Vunderink. Zomaar, omdat dinsdag 24 januari een koude dag was. We aten er roggebrood met spek bij. De soep had trouwens niets te maken met zijn nieuwe rubriek ‘Weten is eten’. Met mond en buik gevuld, verliep de vergadering vlotjes. Henk Goettsch: dit heb jij gemist. Niet getreurd: we hebben een speciaal afscheidsartikel voor je geschreven in dit nummer. We kwamen op diezelfde vergadering terug op de Masterclass Voeding van 16 december 2016 die wij hebben bijgewoond als ‘schrijvende pers’. Als kook- en eetliefhebbers herinnerden wij ons vooral de demonstraties van chefkoks op die dag. Al deze opnames kunt u trouwens terugkijken op het YouTube kanaal van de mediadienst Science Vision van Maastricht University. Nu ben ik geen dokter, maar mijn andere aanwezige collega’s zijn dat wel. Eén van hen, Rhea Heeringa, nam de moeite om haar grief over de sprekers met overgewicht op te schrijven onder de noemer ‘practice what you preach’. Hierop zei een andere huisarts: “ik houd spreekuur, geen preekuur”. Welk soort dokter bent u? Bent u van voorbeeldig gedrag? Zijn dokters ook niet nèt mensen? Deze discussie leverde mij wel de titel van dit redactioneel op: ”Practice what you teach”. Ik kwam erop toen ik recent de griep opliep. Zo’n ouderwetse griep met alles erop en eraan. Op de universiteit leren we studenten en aios het belang van zelfzorg. En wat doen we zelf? Inderdaad, ik lag ook met ipad op bed. Of wat te denken van ons CATCH project: stoppen met roken (tegen beloning!) voor bedrijven. Het project komt veel in de lokale en landelijke media. En welk bedrijf doet er niet mee denkt u? Inderdaad! Ondanks dit geneuzel kwam toch deze Op één Lijn net op tijd tot stand. Geen dun lentenummer zoals verwacht tijdens de snertvergadering. Veel nieuwe collega’s stellen zich voor. We hebben WESP-en en wetenschap. En de eerste column van de nieuwe voorzitter: ‘Onderzoek waar je beter van wordt’. Toeval? En Laury de Jonge constateerde ook al dat huisartsen(opleiders) nèt mensen zijn. We hebben de vaste rubrieken van aios in de leer, van Eleana Zhang en Koen van Helmond. Dank Koen dat je een selfie hebt gemaakt toen je door had, dat ik geen puf had om een nieuwe foto te maken. Je wordt vast een goede, begripvolle dokter! En we mogen weer genieten van de wijsheid van de senioren: bodybuilding voor senioren, de ‘Weten is eten’ rubriek van Hendrik Jan Vunderink. Preken voor eigen parochie noem ik dat. En meneer T.E. Grijs diept weer herinneringen op uit zijn grijze cellen. In de ‘middencategorie’ huisarts hebben we voor u twee jonge vaders. Ten eerste oud aios Gideon den Ouden die vertelt hoe het hem vergaat sinds zijn afstuderen als huisarts. Geheel anders zijn de belevenissen van Martijn Verhoeckx: hij ging kort voor Kerst 2016 twee weken helpen in een vluchtelingenkamp op Lesbos, via de Stichting Bootvluchteling. Deze kerstgedachte sluit aan bij de activiteiten van Onno van Schayck in India. Met het geld van een kerstcheque van onze vakgroep ging hij pionieren in de sloppenwijken van India. Wat is nou een kachelpijp op een gloeiende oven hoor ik u denken? Meer dan we soms denken. Armoedige omstandigheden zoals op Lesbos en in India nopen tot creativiteit en probleemoplossend gedrag. Dat leren wij er weer van. Practice what you teach, learn from practice. Speciale aandacht voor de nieuwe ronde van de Kaderopleiding Hart- en Vaatziekten. U kunt het niet missen. We proberen u lekker te maken met een quiz, u te verleiden voor deze bijzondere nascholing waarin u zich kunt verdiepen en bekwamen. Tot slot de vaste rubriek ‘Gezondheidsrechtelijke Kwesties’. Een mooi resultaat van interne samenwerking tussen Huisartsbegeleider mr. Arie de Jong en promovendus Jerôme van Dongen. Wat mag er wel en wat mag er niet binnen de kaders van het interprofessioneel overleg? In het kader van de zelfzorg maak ik in april een verre reis, naar Nieuw Zeeland. Offline, maar met mijn eigen papieren Kiwipedia dagboek. Ik hoop u uitgerust terug te zien in de zomer! Babette Doorn 3 op één lijn 57
Page 4
op één lijn 57 1 e uitgave 2017 Van de voorzitter Onderzoek waar je beter van wordt DOOR JEAN MURIS, VOORZITTER VAKGROEP HUISARTSGENEESKUNDE UM De financiële crisis van 2008 had in het hele land en zeker ook in Limburg en Zuidoost Brabant een flinke impact op de lokale economie en de gezondheid van de burgers. De Provincie Limburg investeert de laatste jaren veel in het bevorderen van de werkgelegenheid. Zij stimuleerde de samenwerking van partijen en investeerde ook in nieuwe verbindende ideeën. Er werd ingezet op gemeenteoverstijgende voorzieningen in de vorm van campussen. De Sociale Agenda Limburg bepaalt de richting voor een vitaler Limburg om in 2025 de eerste achterstanden in gezondheid en participatie van Limburgers ten opzichte van de rest van Nederland ingelopen te hebben. Hoewel Limburgers, als het gaat om gezondheid en participatie, er gemiddeld genomen op vooruit gaan, is er nog een structurele achterstand ten opzichte van het Nederlands gemiddelde. Daarnaast blijken Limburgers met een lage sociaaleconomische status gemiddeld 6 tot 6,5 jaar eerder te overlijden dan Limburgers met een hogere sociaaleconomische status. De ambitie is om hier een trendbreuk te realiseren. Samenwerking van kennisinstellingen, zorgverleners, burgers, overheid en bedrijfsleven is voor preventie en duurzame gezondheid essentieel. Te denken valt o.a. aan de Academische Werkplaatsen ( Publieke Gezondheid, Ouderenzorg, Duurzame Zorg) maar ook aan de onderzoekschools van onze Faculteit (FHML), Mosae Vita, de Maastricht Studie en de huisartsen en hun zorggroepen. De vakgroep Huisartsgeneeskunde onderhoudt banden met alle hierboven genoemde partijen en ondersteunt de ontwikkelingen ten behoeve van een betere ouderenzorg, anderhalvelijns zorg en interprofessioneel opleiden en leren. Wij willen dit niet vanuit een ivoren toren doen, maar via samenwerking. Voor dat laatste is deze regio bijzonder geschikt: de geografie (één universiteit, 3 ROC’s en 1 Hogeschool dichtbij elkaar), de proeftuinen (Anders Beter, MijnZorg, Blauwe Zorg), het project “De Gezonde Basisschool van de toekomst” en de broedplaats Heerlen vormen een dankbare en vruchtbare bodem voor doorontwikkeling en het bereiken van de hierboven genoemde ambities voor 2025. Nu ook de Gezondheidsraad dit jaar het rapport “Onderzoek waar je beter van wordt” heeft uitgebracht, komt een aantal lijnen nog sterker bij elkaar in Zuid-Limburg. Het volgende toekomstscenario wordt in dit rapport geschetst: het Universitair Medisch Centrum ontwikkelt zich tot de motor van onderzoek en innovatie van zorg en preventie in de volle breedte, met een sterk regionale functie. Dit impliceert een scherpe wijziging van de huidige koers die moet wordt gevaren door de UMC’s. Deze was voorheen vooral gericht op topklinische zorg en onderzoek. Het rapport pleit er juist voor dat de UMC’s steviger moeten inzetten op onderzoek naar kwaliteit en doelmatigheid van zorg en preventie. UMC’s investeren hiertoe substantieel menskracht en (eerste geldstroom) middelen in hun samenwerking met de aanbieders van intra- en extramurale zorg en preventie in de regio, met patiënten, gemeenten, GGD, hogescholen etc. Ze ontwikkelen zich tot een belangrijke dragende kracht van een regionaal netwerk met verleners van zorg en preventie. Om relevante vraagstellingen en maatschappelijke opgaven de ruimte te geven, bepalen beroepsbeoefenaren, patiënten en beleidsmakers in dit netwerk welk onderzoek prioriteit verdient. Zo kunnen onderzoeksresultaten goed in de praktijk van zorg en preventie worden toegepast. Onderwerpen als ziektelast, zorgkosten en prevalentie worden mede bepalend voor de keuzes van onderzoeksvragen. Wat betekent dit voor de huisartsgeneeskunde en de vakgroep Huisartsgeneeskunde? De Nederlandse huisarts wordt opgeleid tot een hoog kennisniveau, is communicatief sterk en heeft een duidelijke taakopvatting: het bieden van laagdrempelige huisartsenzorg op generalistische, continue en passende wijze. De huidige opleiding voorziet goed in de competentiegebieden: medisch handelen, communicatie, samenwerken en wetenschap en onderwijs. De vakgroep richt zich op al deze gebieden en stimuleert samenwerking tussen opleiding en onderzoek. Op het terrein van het onderwijs liggen de uitdagingen bij het interprofessioneel onderwijs; op het terrein van onderzoek liggen talloze onderwerpen en noden in de provincie Limburg. Samen optrekken met de huisartsen, de kaderopleidingen, de zorggroepen en stafleden van de vakgroep is ons doel. We doen al veel onderzoek op de genoemde terreinen, maar voor de verdere ontwikkeling van de wetenschapsagenda hebben we jullie aller inbreng hard nodig. Laat ons weten hoe we kunnen ondersteunen en verbinden. 4 1 e uitgave 2017 De kaderopleiding hart- en vaatziekten Nieuwe ronde, nieuwe kansen DOOR YVONNE VAN LEEUWEN, UNIVERSITAIR HOOFD DOCENT Eind 2006 begon ik, op verzoek van Job Metsemakers, aan het ontwerp van deze kaderopleiding: een groot blanco blad. Goed om een writer’s block van te krijgen. Maar in september 2007 lag er toch een tweejarig curriculum dat deelnemers zou gaan vormen tot hartvaat-expert, goed uitgerust voor onderwijs, overleg met specialisten, Standaarden-Commissies etc. Wie zou dat willen? Dat werd meteen duidelijk: ambitieuze mensen, niet bang voor (nog) wat meer werk en met een grote liefde voor het hart. Vlak voor de start was een ‘cadeautje’ uit de hemel gevallen: een huisarts in opleiding die daarvoor een paar jaar de opleiding tot cardioloog had gedaan: Karen Konings. Ze wilde wel meedoen! Ze werd mede-coördinator en deelnemer tegelijk. Ze is nog steeds kroondocent. Vanaf het begin zinderde het. Met gretigheid werd geleerd. Het was een hele toer om docenten uit te leggen wat voor soort toehoorders ze zouden krijgen. Achteraf waren ze steeds verbaasd over dit bijzondere ‘publiek’, dat hen overlaadde met vragen. Maar juist door dit vraag en antwoord-spel ontstond de ‘body of knowledge’ van de kaderopleiding. Terugkijkend ben ik heel tevreden over wat we hebben neergezet. Je ziet mensen in twee jaar groeien in expertise, onderwijs-vaardigheden en zelfverzekerdheid. Je ziet vooral de kritische blik scherper worden ten aanzien van alles wat gezegd en geschreven wordt. Wat nog beter kan? Een aantal zaken. Bijvoorbeeld, men zou nog meer kunnen uitstijgen boven wat Karen altijd noemt: cijferfetisjisme. Relativeren van risicotabellen en afkappunten. En meer accent op maatwerk bij preventie: levensstijl en familie – en gemeenschapscultuur. De verhalen over burgerinitiatieven in zijn dorp door de wethouder van Laarbeek, is – wat mij betreft – een hoogtepunt! In totaal zijn nu 4 groepen van gemiddeld 18 mensen opgeleid. Ook uit Den Helder, Appingedam en – echt waar! – uit Willemstad, Curaçao. Rond 60% is actief buiten de eigen praktijk. Nog altijd komen de ‘klaren’ twee maal per jaar in Roermond bij elkaar voor eigen scholing. In de tweede groep, K2, zat Robert Willemsen. Hij was nog huisarts in opleiding, maar had ook al een paar jaar als longarts in opleiding achter de rug. Hij ging als een speer, en nu, na een proefschrift over acute hartklachten, zal hij mijn taak overnemen. Daar ben ik heel gelukkig mee. Zijn expertise en flair zullen velen inspireren. Met Karen zal hij een mooi duo vormen. Anneke Germeraad verlaat met mij het podium. Karin Aretz neemt haar plaats in. We wensen hen vooral genieten toe van deze gretig lerende, boeiende mensen. V.l.n.r.: Karin Aretz, Anneke Germeraad, Yvonne van Leeuwen en Robert Willemsen 5 de kaderopleiding hart- en vaatziekten | op één lijn 57
Page 6
1 Al eeuwen worden er gevallen gemeld van een gebroken hart met fatale gevolgen. Eén aandoening past het best bij een dergelijk verhaal van ‘sterven van verdriet’. Deze aandoening is: A Takotsubo cardiomyopathie B Ventriculaire aritmie door Torsade de pointes C Het Brugada syndroom 2 Een artsenbezoeker wil u ervan overtuigen dat statines gecombineerd met cholesterolopnameremmers beter zijn dan statines alleen, bij patiënten met een doorgemaakt acuut coronair syndroom. Met welk getal biedt u het best weerstand tegen de mooie folder en dito grafieken die u voorgeschoteld krijgt? 3 Voor patiënten met lege artis gediagnosticeerd hartfalen, die als zodanig in het dossier van de huisarts vermeld staan, is de 5-jaars overleving: A 80% B 65% C 50% 4 Naast ST-elevaties op het ECG, bestaat er een ander kenmerkend, bijna pathognomonisch ECG-verschijnsel bij pericarditis. Dat verschijnsel is: A Spitse T-toppen B PTa-segment depressie C Osborn golven A Odds ratio B Relatieve risico reductie C ‘Number needed to treat’ Goede score bij de quiz? Verdiep je in het hart! In de quiz heeft u kunnen bewijzen hoe goed uw kennis is van hart- en vaatziekten. Nu bent u klaar voor de bijbehorende kaderopleiding! Ook al ging de quiz vlekkeloos, er is nog veel meer te leren. De kaderopleiding is bedoeld voor huisartsen die hun deskundigheid op het gebied van Hart- en vaatziekten (HVZ) willen vergroten. De kaderopleiding leidt deelnemende huisartsen op tot experts die worden opgenomen in het register van het College voor Huisartsen met Bijzondere Bekwaamheden (CHBB). Kijk voor ervaringen van collega’s die eerder de opleiding hebben gevolgd en meer informatie over aanmelden op de website http://goo.gl/kX180t of scan de QR Code met uw telefoon. 6 de kaderopleiding hart- en vaatziekten | op één lijn 57 Antwoordsleutel 1: A - 2: C - 3: C - 4: B - 5: A - 6: C - 7: B - 8: A - 9: C - 10: B De Hart- en Vaatziekten QUIZ 5 Bij het vermoeden op spierpijn ten gevolge van simvastatine, is verandering naar een ander statine mogelijk. Welke van de onderstaande drie opties verdient in dit geval de voorkeur boven de andere twee opties? A Fluvastatine B Atorvastatine C Lovastatine 6 Wanneer u de uitslag van een 24-uurs bloeddrukmeting wilt gebruiken om het hart- en vaatrisico af te lezen in de SCORE risicotabel, dan gebruikt u als systolische bloeddruk in de tabel bij voorkeur: A Het 24-uurs gemiddelde van de systolische bloeddruk B Het 24-uurs gemiddelde van de systolische bloeddruk + 5 mmHg C Het 24-uurs gemiddelde van de systolische bloeddruk + 10 mmHg 7 U diagnosticeert atriumfibrilleren bij een 88 jarige patiënte met een zeker valrisico. U wilt haar beschermen tegen het optreden van een CVA. De voorkeur gaat uit naar: A Clopidogrel B Orale antistolling (vitamine K antagonist of NOAC) C Aspirine 8 Een jonge patiënte (26 jaar) heeft een regelmatige smalcomplextachycardie met retrograde P-toppen op het ECG. Dit alles past het best bij: 9 Onstabiele ischemische cardiale problemen onderscheiden zich van stabiele ischemische problemen. Het belangrijkste verschil wordt veroorzaakt door: A Atherosclerotisch debris in de kransslagader B Spasme in de kransslagader C Stollingsactivatie in de kransslagader 10 Een bètablokker verlaagt de bloeddruk vooral door: A Vertraging van de hartslag en dus verlaging van het hartminuutvolume B Remming van het renineangiotensine-aldosteron systeem C Zowel A als B is juist 7 A AV-nodale re-entry tachycardie B Atriumflutter C Atriale tachycardie de kaderopleiding hart- en vaatziekten | op één lijn 57
Page 8
1 e uitgave 2017 Stelt zich voor De nieuwe cursuscoördinator DOOR ROBERT WILLEMSEN, HUISARTSONDERZOEKER In 2008 vond ik na ‘wat omzwervingen’ in de tweedelijn mijn plek in de huisartsgeneeskunde. Dankzij Gerrie Waagenaar en Yvonne van Leeuwen vond ik bijna parallel daaraan ook mijn weg naar de NHG Kaderopleiding Harten Vaatziekten. Die weg voerde naar Roermond, waar het allemaal gebeurt als het gaat om hart- en vaatziekten in de eerstelijn. Aldaar bleek de slogan van de gemeente (‘Roermond that’s all you need’) voor mij te kloppen. Gedurende twee jaar werkten we met 20 enthousiaste collega’s onder de bezielende leiding van Yvonne en Karen Konings aan het predicaat ‘kaderhuisarts hart- en vaatziekten’. De kaderopleiding bleek vakinhoudelijk het beste te zijn. Toponderwijs, diepgraven in onderzoek en kritisch kijken naar patiëntenzorg en richtlijnen - samen met ruimdenkende en bevlogen collega’s uit het hele land - vormden de ingrediënten daarvoor. En nu zijn we 9 jaar verder en gaat Yvonne met pensioen. Voor mij nog steeds een grotere contradictio in terminis dan een rond vierkant, maar het gaat er echt van komen. Eind 2017 start de vijfde kaderopleiding hart- en vaatziekten, voor het eerst zonder de ‘kader-moeder’ als coördinator. Ik ga dit van haar overnemen. Gelukkig blijft kroondocent Karen Konings wel. De ondersteuning krijgt dankzij de toevoeging van Karen Aretz (zij ondersteunt ook de Kaderopleiding Wetenschappelijk Onderzoek) aan het team nog een extra injectie. Het gaat voor mij een enorme uitdaging worden om de kwaliteit én sfeer die Yvonne heeft neergezet te waarborgen. De aanhoudend goede evaluaties van de opleiding maken dat consolideren mijn voornaamste doel zal zijn. Het hoge onderwijsniveau dat Yvonne met Karen heeft neergezet is onder meer te danken aan het selecteren van docenten en het durven breken met docenten die niet voldeden aan de wensen. Ik heb daarvan geleerd en zal de kwaliteit ‘Leeuwensiaans’ hoog proberen te houden. Ik hoop daarbij gebruik te kunnen maken van mijn eigen netwerk als huisartsonderzoeker en kaderhuisarts harten vaatziekten. En datzelfde netwerk gaat me hopelijk helpen om de onderwijsmodule statistiek en epidemiologie binnen de kaderopleiding verder te ontwikkelen. Verder is de kaderopleiding altijd een plaats geweest voor overzicht, ‘boven-de-stof-staan’ en debat. Zonder die elementen zou de kaderopleiding aan kwaliteit inboeten. Ook daar zal ik dus aan de bak moeten. Alleen dan zullen ook toekomstige kaderhuisartsen op weg van hun opleidingsdagen naar huis bevestigend knikken, wanneer ze voorbij zo’n Roermondse reclameposter wandelen. 8 de kaderopleiding hart- en vaatziekten | op één lijn 57 1 e uitgave 2017 Uitgelijnd Redactionele missers en respons DOOR BABETTE DOORN, HOOFDREDACTEUR Nu Henk is vertrokken uit de redactie, ben ik het laatste (maar niet het oudste) redactielid dat erbij was vanaf het begin in 1999. We maken het blad nog steeds met veel plezier en zijn altijd trots op onze uitgaves. Missers Er zijn ook wel missers, die vallen mij vaak meteen als eerste op, wanneer ik het papieren blad in handen heb. En geloof me, ik vind dat nog steeds niet leuk. Bij de artikelen maken we bijvoorbeeld 2 keer een kop: de chapeau en de titel. Dat is het format. Als een van beide ontbreekt, dan verzin ik de andere erbij. Soms gaat dat mis, zoals in het laatste nummer. Op pagina 37 schreef ik boven het mooie artikel van Abdelkader Bennaghmouch, huisarts in Roermond: ‘Dondersberg’. Met een s ertussen. Mijn fout liet ik weten aan de collega’s die geboren of werkzaam zijn in Roermond. En bij het schrappen in de eindredactie viel bij ‘Mijn Diabetes Profiel’ (pagina 14) het cruciale stukje ‘via de POH’ weg. Dit betrof de werving. De onderzoeker liet recent weten, dat de werving overigens goed verloopt. De afbeelding met de 3 cirkels bij Evidence Based Medicine (op pagina 28) hadden we heel bewust geschrapt vanwege de ruimte. Volgens auteur Niels Beurskens was dit beeld essentieel en ik beloofde hem via deze rubriek een herkansing aan. Bij deze: Respons We krijgen ook geregeld reacties van lezers, van jullie. Complimentjes vervelen nooit, maar nog leuker vinden we het, dat wanneer we een oproep doen aan de lezer, dat er dan echt serieuze reacties komen. Zoals op de oproep wie ons campagneteam wil versterken bij PR- en voorlichtingsbijeenkomsten. Dank! Oud WESP-en reageren ook geregeld. Dat is handig, want een groot deel wil huisarts worden en via deze lijntjes blijven we in contact. Zo stuurde een WESP een foto van haarzelf, terwijl ze ons blad las. Ze had net gesolliciteerd en was in afwachting van de plaatsing. Inmiddels is ze gestart als kersverse aios. En ik kreeg een foto uit Turkije van aios, inmiddels huisarts Candan Kendir (artikel pagina 8) waarin ze eindelijk de envelop met de papieren exemplaren had ontvangen. Bestellen van post is niet alleen daar een probleem. Ook bij een van onze aios die in Rotterdam woont en mailde, dat de bezorgers te lui zijn om een trap op te lopen en dan haar post terugsturen met de vermelding ‘geen brievenbus’. We besloten om het blad op te sturen naar de praktijk waar ze in opleiding is. Helaas kregen we (nog?) geen respons van de chef-kok van Beluga Hans van Wolde. Hij was spreker op de Masterclass op 16 december waarover in dit blad 2 artikelen staan. Hij begon over de beveroverlast en of er geen recept voor was. Aangezien Hendrik Jan Vunderink en ik in de zaal zaten en het laatste nummer met een beverstaartrecept (pagina 36) bij ons hadden, zijn we zo vrij geweest om hem persoonlijk een exemplaar te geven. De hoop, dat we van hem ooit wat horen, heb ik helaas laten varen… Beste lezers: blijf vooral reageren. We stellen het erg op prijs. 9 op één lijn 57
Page 10
op één lijn 57 1 e uitgave 2017 Onze taal, onze Henk ‘Denkend aan Henk’ DOOR BABETTE DOORN, SJEF SWAANS EN HENDRIK JAN VUNDERINK, TREURENDE REDACTIELEDEN Wie? Henk Goettsch. Begonnen bij de huisartsopleiding Maastricht op 1 maart 1988, werkzaam als gedragswetenschapper. Menig huisarts in opleiding werd door hem gevormd. Vanaf het begin (1999) was hij redactielid van Op één Lijn. Coauteur van ‘De Januskop’ (2002); een werkboek voor mannen voor de ontplooiing van hun gevoelsleven. Zo’n man dus. Henk was altijd betrokken bij de hele vakgroep Huisartsgeneeskunde, hij kende alle collega’s in het gebouw Debyeplein 1. Kwam trouw op de analoge fiets naar zijn werk, in weer en wind. Met zijn leren schooltas. Wie had vroeger niet zo’n leraar op de middelbare school? Maar die had waarschijnlijk niet zo’n onafscheidelijke bruine koffiemok! Henk bleef thuis vanaf 2017. Reden: pensioen. Op dinsdagmiddag 21 februari jl. was zijn afscheidsbijeenkomst. Al maanden van te voren kregen we een email van zijn naaste collega Priska Israel met het verzoek om een filmpje van maximaal één minuut op te nemen met een ‘herinnering aan Henk’. Het geheel werd, gemonteerd als “tearjerker”, aangeboden bij zijn afscheid. Het resultaat is onderdeel van ons Cultureel Erfgoed. Bij zijn afscheid nam Henk na het openingswoord snel de regie over. Wij gingen een vijf-gesprekkenmodel doen met vaste Psychisch Blok-acteur Cees Rullens op een zeepkist in de rol van patiënt. Mensen uit het publiek konden dokter spelen. Soms raakte de problematiek van de patiënt aan die van de dokter. En tussendoor was daar Henk, die samenvatte en de koers bepaalde. Even serieus als altijd, maar met een hoopvolle ondertoon. We blijven op de borrel tot het laatste eind, tot het grote licht wordt aangedaan. Het deed denken aan het einde van de zaterdagse dansavonden om middernacht. Het feest zit erop, het TL licht is onverbiddelijk. We moeten gaan. En Henk ook. Toch nog vlug een laatste afscheidscadeautje in de vorm van een gedicht in zijn favoriete rijmschema. Want taal was, zeg maar, zijn ding: Ollekebolleke voor Henk Gedreven zielknijper, Vaardige peuteraar Gaf ons zijn zaligheid Als rolmodel Sleet beste jaren als Huisartsenknutselaar Zonder te morren Voor ons op Deb1 Denkend aan Henk. We gaan zijn taalgevoeligheid missen. Of overgevoeligheid? Dat laatste in ieder geval aangaande correct taalgebruik. De discussies daarover waren zeer inspirerend. Het mooiste voorbeeld van wat taal kan: Henk vond een krantenkop: “Priester op non actief”… We gaan bij de redactie zijn rode potlood node missen… Denkend aan Henk. Ook bij het maken van dit voorjaarsnummer van Op één Lijn. In de hoop nog wat van Henk te horen, gooien we lijntjes uit via zijn privé-mail. Maar het blijft stil op die lijn. Henk lijkt er klaar mee. Wij nog niet met Henk. We denken nog een tijd aan Henk. Denken we. 10 Jo Baggenprijs 2016 Oogarts Marianne van den Maegdenbergh DOOR MARTIN BRASSÉ, HUISARTS TE VLODROP EN VOORZITTER STOOHN Op 7 december 2016 werd tijdens het oogheelkundig symposium voor huisartsen in Eindhoven voor de derde keer de Jo Baggen-prijs uitgereikt. De prijs werd uitgereikt door Martin Brassé, voorzitter van de “Stichting Onderwijs Oogheelkunde aan Huisartsen” (STOOHN). De prijs is vernoemd naar de grondlegger en initiator van de eerstelijns oogheelkunde: Jo Baggen. Jo was huisarts in Brunssum van 1961-1991 en promoveerde in 1990 op oogheelkunde in de huisartspraktijk en werkte jarenlang als bevlogen docent. Vanaf 1994 nam de STOOHN de organisatie van dit onderwijs over. Bijna 1000 huisartsen en 500 aios uit heel Nederland volgden een of meer van deze cursussen. De STOOHN heeft de prijs ingesteld voor personen die zich – net als Jo – op bijzondere wijze verdienstelijk hebben gemaakt voor de eerstelijns oogheelkunde. Vorige prijswinnaars zijn Prof. W.P.M.A. (Wiel) Lamers, emeritus hoogleraar oogheelkunde Maastricht en Paul Bergmans, huisarts te Geleen en voormalig voorzitter van de STOOHN. Op het drukbezochte symposium oogheelkunde voor huisartsen op 7 december 2016 werd de prijs deze keer uitgereikt aan Drs. Marianne C.A.J. Van den Maegdenbergh, oogarts Zuyderland Eyescan Oogzorgkliniek SittardGeleen. Tijdens de felicitatie toespraak werd zij geprezen voor haar inzet voor de eerstelijns oogheelkunde. Als huisoogarts is zij verbonden aan de STOOHN. Verder is zij mede inhoudsdeskundige bij de graderscursus die door de STOOHN i.s.m. Meditta tweejaarlijks wordt georganiseerd voor de graders fundusfotografie. Ze heeft meegewerkt aan meerdere boeken over oogheelkunde voor huisartsen: het bekende “rode boekje” oogheelkunde en aan het boek Oogheelkunde in de serie Praktische huisartsgeneeskunde. De prijs bestaat uit een glazen schaal voorstellende een vrije interpretatie van de oogfundus die gemaakt is door de glaskunstenaar Helma Brassé uit Roermond. We feliciteren Marianne nogmaals en hopen dat zij nog lang verbonden mag zijn aan de STOOHN. We hopen dat haar inzet een inspiratie mag zijn voor veel huisartsen om zich te verdiepen in de eerstelijns oogheelkunde. Clinicus van het Jaar: prijs beste huisarts Giel van Schoubroeck Giel van Schoubroeck met zijn vrouw Maandag 23 januari 2017 werden de jaarlijkse prijzen voor beste Clinici van het Jaar 2015-2016 uitgereikt door studentenvereniging MSV Pulse. In de categorie coschap “Huisartsgeneeskunde en sociale geneeskunde” werd huisarts Giel van Schoubroeck uit Tilburg uitgeroepen tot beste huisarts werkplekbegeleider. De praktijk aan het Korvelplein 10, de praktijk met collega huisarts Jeroen Rovers, heeft maar liefst 80 (!) coschappers een inspirerende stage geboden. Redactielid en AIOTHO Eefje de Bont liep destijds haar coschap in deze praktijk en herinnert zich deze plek als levendig, leerzaam en plaats waar coassistenten met veel enthousiasme worden ontvangen. 11 op één lijn 57
Page 12
op één lijn 57 1 e uitgave 2017 Welkom! Nieuwe collega's stellen zich voor Ineke Hussaarts Huisartsbegeleider huisartsopleiding Ik ben Ineke Hussaarts. Lang geleden vanuit de Randstad via Wageningen naar Maastricht gekomen omdat de onderwijsvorm mij aansprak. Gedurende mijn opleiding genoot ik erg van de kennismaking met Limburg: het leven en de natuur. Na omzwervingen in Tanzania en Guinee Bissau ben ik uiteindelijk in 1988 huisarts in Ospel geworden. Daar woon ik nu al bijna 30 jaar, heb er vier zonen groot gebracht en in al die jaren groeide de praktijk van klein naar groot, met steeds meer artsen, faciliteiten, personeel, zorgprogramma’s en management. Ik heb coassistenten in de praktijk begeleid, mijn collega aio’s en twee jaar geleden raakte ik enthousiast voor het onderwijs door een verpleegkundig specialist in de huisartspraktijk op te leiden. In mei jl. ontdekte ik dat ik te zeer vergroeid was met de praktijk en dat de uitdaging om te solliciteren naar de functie als HAB Jaar 3 op het goede moment kwam. Ik vind het heel bijzonder om als ervaren huisarts uit mijn comfortzone te komen en bewust onbekwaam te zijn. Het is een heel andere rol dan die in de spreekkamer maar erg inspirerend. Behalve met mijn werk in de praktijk heb ik mij ook bezig gehouden met bestuurswerk binnen de LHV, het initialiseren van de HAP in Weert, het opzetten van een zorgprogramma in onze groep. Ik ben kaderarts bewegingsapparaat, ben geregistreerd als huisarts met bijzondere bekwaamheid in de oogheelkunde en ben 9 jaar SCEN arts geweest. In mijn vrije tijd sport ik graag en dat kan van alles zijn: schaatsen, hardlopen, tennis, bergwandelen, fitness, skiën, wielrennen en sinds kort heb ik paardrijles. (Wat is dat moeilijk!!!) Ruud Verhees Arts in opleiding tot huisarts en onderzoeker (AIOTHO) Ik ben Ruud Verhees, 28 jaar en in december 2016 in de hoedanigheid van AIOTHO gestart op de onderzoekgang van de vakgroep Huisartsgeneeskunde. Recent rondde ik het 2e jaar van de huisartsopleiding af en ik heb nu 9 maanden om fulltime verder te gaan met mijn onderzoek. Onder begeleiding van prof. Geert-Jan Dinant, prof. André Knottnerus en dr. Carel Thijs doe ik onderzoek naar het verband tussen influenzavaccinatie bij 60-plussers en sterfte. We weten, dat influenzavaccinatie bij ca. de helft van de ouderen de griep kan voorkomen en dus effectief is. Tot op heden is echter onvoldoende goed onderzocht, of influenzavaccinatie ook sterfte onder ouderen voorkomt. Hiernaar zijn vele studies verricht. Geen van deze studies bevat echter een goede controlegroep, waardoor onduidelijk blijft, of het verschil in sterfte daadwerkelijk toe te schrijven is aan vaccinatie. Prospectief onderzoek op basis van goede randomisatie met lange follow-up ontbreekt en het opzetten van nieuwe gerandomiseerde onderzoeken wordt als onethisch beschouwd. In 1991/1992 werd in Maastricht een grote randomized controlled trial (RCT) naar de effectiviteit van influenzavaccinatie onder ouderen verricht. Mijn promotieonderzoek biedt me de gelegenheid om deze gegevens te gebruiken voor sterfteanalyse. Tijdens de eerste twee jaren van mijn huisartsopleiding heb ik een grote genealogische zoektocht uitgevoerd - van Rijksarchief Limburg tot Centraal Bureau voor de Genealogie en alles daartussenin - om deze trialgegevens aan te vullen met sterftegegevens. Dit stelt mij nu in staat om o.a. na te gaan of de sterfte binnen deze groep ouderen verband houdt met influenzavaccinatie. Daarmee zouden deze studieresultaten de huidige manier waarop naar de zin van vaccineren gekeken wordt, kunnen beïnvloeden. Promotieonderzoek aan de Vakgroep Huisartsgeneeskunde sprak me om tal van redenen aan. Los van het feit, dat het thema relevant is en de algehele populatie betreft, biedt het me ook de mogelijkheid diverse competenties te ontwikkelen die ik later in mijn carrière als huisarts wil blijven inzetten. 12 1 e uitgave 2017 Susanne Teunisse Huisartsbegeleider huisartsopleiding Luc Maartens Huisartsbegeleider locatie Eindhoven Ik ben pas 40 jaar geworden en werk inmiddels alweer enkele maanden met veel plezier bij de vakgroep HAG als huisartsbegeleider van het psychisch blok in jaar 2. Mijn roots liggen in Eindhoven en Nuenen en ik heb zelf 11 jaar geleden de huisartsopleiding in Maastricht afgerond. Daarvoor heb ik een jaar kindergeneeskunde gedaan in een klein perifeer ziekenhuis maar ik merkte al snel dat mijn hart lag bij het prachtige vak van de huisarts. Ik sta graag dicht bij mijn patiënten en ben nieuwsgierig naar de mens achter de mens. Trefwoorden hierbij zijn: compassie, verbinding, aandacht en respect. Opleiden van jonge collega’s beschouw ik als een waardevolle toevoeging en uitdaging! Na het afronden van mijn opleiding heb ik eerst drie maanden als huisarts gewerkt in Aruba om me daarna te vestigen in Brabant. Op dit moment werk ik als waarnemend huisarts in de regio Eindhoven/Helmond. Ik ben getrouwd met mijn lieve man Eric en samen hebben we twee jongens van 5 en 8 jaar oud. Een van mijn passies is reizen en ontdekken van andere culturen. Tijdens mijn basisopleiding heb ik onder andere drie maanden Primary Care in Nepal gedaan en ben ik met de rugzak door Thailand en Maleisië getrokken. Ook heb ik Australië, Afrika en diverse bestemmingen in Europa bezocht. Tegenwoordig doen we dat op kleinere schaal door fijn op pad te gaan met onze geweldige camper. Daarnaast houd ik van tuinieren, dansen, duiken, snowboarden, paardrijden en het bezoeken van festivals. In de toekomst zal ik vaak op woensdag en donderdag te vinden zijn op onze locatie in Eindhoven. Mijn naam is Luc Maartens. Ik ben huisarts in Eindhoven sinds 1984. Een oude man dus met een hopelijk wat minder verouderd gedachtengoed. Toen ik wilde gaan studeren kon ik nog niet kiezen voor Maastricht als medische faculteit. Uiteindelijk kwam ik voor het eerst terecht in Maastricht toen ik startte met mijn promotieonderzoek bij Andre Knottnerus in 1996. Daar werd de basis gelegd voor mijn huidige activiteiten. Verandering van spijs doet eten. Als je als jonge dokter in een beroep stapt waar je gedurende de daarop volgende decennia een redelijk vastgelegd toekomstperspectief hebt, wil je af en toe weer eens een uitdaging zoeken. Nadat ik een aantal AIOS in mijn praktijk had opgeleid besloot ik mijn onderwijskundige activiteiten uit te breiden als HAB. Daar ben ik per 1 maart 2016 mee begonnen. Ik heb samen met mijn vrouw Jolande 4 kinderen en ben inmiddels bijna voor de vierde keer opa. Ik houd erg van sport en probeer met name mijn duurprestaties met hardlopen en fietsen op een acceptabel niveau te houden. Ik ben medisch verantwoordelijk voor de afdeling tophockey van Oranje Rood in Eindhoven en ga heel graag op vakantie naar verre windstreken. Het wekelijkse contact met de AIOS en de collega’s van de opleiding heeft een verfrissend effect en werkt stimulerend op mijn huisarts-activiteit op de andere werkdagen. Ik werk hoofdzakelijk op Strijp-Z in Eindhoven, een schitterende nieuwe “Noord- locatie” van de Maastrichtse opleiding met prachtige faciliteiten voor optimale didactiek. Kortom: de nieuwe spijs smaakt mij goed en blijkt een goede keuze. 13 op één lijn 57
Page 14
op één lijn 57 V.l.n.r.: Elles van Poortvliet & Claudia Bartholomeus Elles van Poortvliet Planner Claudia Bartholomeus Planner Ik ben Elles van Poortvliet, 36 jaar. Vanaf 1 februari ben ik officieel in dienst bij de Huisartsenopleiding waar ik, samen met Claudia, inmiddels de planning verzorg. Daarbij is het de bedoeling, dat we alles rond het onderwijs, terugkomdagen, opleidersscholing, ruimtereserveringen enz. zodanig in de agenda verwerken, dat niemand elkaar in de weg zit, en dat iedereen weet waar hij wanneer moet zijn. Voorervaring hierin heb ik opgedaan bij het Onderwijsinstituut FHML waar ik coschappen heb gepland. Dat ging echter volgens een veel vaster stramien, hier is de planning wat vrijer en is soms wat improvisatie nodig. Ik ben hier aanwezig op maandag, dinsdag en donderdag. In mijn vrije tijd houd ik me graag bezig met mijn 2 kinderen, Janneke (6 jaar) en Bram (3 jaar). Wij houden allen erg van dieren waardoor we een kleine kinderboerderij thuis hebben: een hond, een kat, cavia’s, kippen en konijnen. Verder speel ik nog piano (net een stuk van Einaudi ingestudeerd) en vind ik het fijn om regelmatig uit eten te gaan, al dan niet tijdens vakantie. De opstart is geweest, het welkom was warm en inmiddels voel ik me al een beetje thuis op het instituut. Boek verschenen Graag attenderen wij u op het boek “Handboek effectieve communicatie in de huisartsenpraktijk”. Angelique Timmerman, docent bij onze huisartsopleiding is co-auteur van dit boek. Het boek is geschreven voor de praktiserende huisarts, maar is zeker ook bruikbaar voor aios, docenten en opleiders binnen de huisartsopleiding. Optimaal communiceren kan het consult en de praktijkvoering veel doeltreffender en plezieriger maken. Meer informatie op: www.prelum.nl/product/handboekeffectieve-communicatie-in-de-huisartsenpraktijk/ 14 Mijn naam is Claudia Bartholomeus en ik ben sinds 10 januari 2017 werkzaam bij de huisartsopleiding in de nieuwe functie van “planner”. Dat plannen doe ik samen met Elles van Poortvliet, ook nieuw in deze functie bij de huisartsopleiding. Hiervoor ben ik (o.a.) werkzaam geweest als secretaresse afdelingshoofd in het MUMC+, afdeling (vaat-)chirurgie. In deze functie werd er ook veel gepland en was het één van mijn taken om overzicht te hebben en allerlei activiteiten in te roosteren. Dit is ook de kern van mijn huidige functie en ik zie het daarom als een mooie uitdaging om er samen met Elles één geheel van te maken. Over mij persoonlijk: ik woon in Maastricht met m’n man Jerôme en 2 kinderen, Lori en Niek. In mijn vrije tijd ga ik er graag op uit en ontspan ik met familie en vrienden. Ik ben werkzaam op dinsdag, woensdag (ochtend) en donderdag. Ons gezamenlijk emailadres is: hao-planners@maastrichtuniversity.nl 1 e uitgave 2017 Pas afgestudeerd Made in Maastricht Afstudeersessie 6 december 2016 Afstudeersessie 6 december 2016 | V.l.n.r.: Elleke Cremers, Barbara Schiffelers, Femke Wouters, Rinske Hamers, Veerle Driesens, Myrthe Kersemaekers, Marlous van de Sande Afstudeersessie 13 december 2016 | V.l.n.r.: Ingeborg Heetman, Willemijn Zentjens, Jasper Vingerhoets , Dagmar Marcus, Ester Lemmink, Christianne Erens, Noud Dirckx, Sinh Din, Céline op den Kamp, Milou Schulten Afstudeersessie 13 december 2016 15 op één lijn 57
Page 16
op één lijn 57 1 e uitgave 2017 Bruikbare wetenschap Kort maar krachtig DOOR JOCHEN CALS, HUISARTS IN SITTARD EN UNIVERSITAIR DOCENT VAKGROEP HUISARTSGENEESKUNDE In deze bijdrage vindt u een selectie wetenschappelijke artikelen van Maastrichtse makelij. Hiervoor selecteren wij artikelen die direct bruikbaar kunnen zijn voor de dagelijkse praktijkvoering. MDO: beter goed geleid dan geregeld ontregeld Interprofessioneel samenwerken is een hippe term die u ongetwijfeld de komende jaren gaat terugvinden op de agenda’s van beleidsmakers en verzekeraars. U zult ook ongetwijfeld denken dat u dat al jaren doet, en dat klopt. De meeste praktijken hebben multidisciplinair overleg, vaak gericht op de ouderenzorg. Jerôme van Dongen en zijn team hebben een aantal MDOs nauwlettend gevolgd (met video opnames) en ook deelnemers geïnterviewd op een gestructureerde manier. Ze wilden daartoe het proces van interprofessionele samenwerking beter begrijpen door de observaties tijdens de opnames te vergelijken met de persoonlijke ervaringen van de teamleden. De observaties (van de onderzoekers) toonden aan dat het uiteindelijke doel van het MDO (het gezamenlijk ontwikkelen van een gedeeld plan voor de besproken patiënt, met persoonlijke doelen en acties) heel regelmatig niet werd gehaald. Opvallend daarbij was dat de professionals dit zelf niet herkenden en de bijeenkomsten ervaarden als gestructureerd en met de patiënt centraal. Het onderzoeksteam stelt voor dat de structuur van MDOs kunnen worden verbeterd door een goede voorzitter. Daarnaast zeggen ze ook dat hun bevindingen reden zijn om de verschillende deelnemers eerst bewust te maken van zaken die verbeterd kunnen worden, omdat de professionals deze zelf niet meteen zien. Het is een stellige conclusie en de bevindingen zijn nou niet meteen een pluim voor de deelnemende MDOs. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik het ook wel herken. Vaak is het MDO ook een gelegenheid om elkaar even bij te praten over zaken en patiënten. Dat geeft hectiek en dat draagt niet bij aan een goede structuur. Wellicht is het dan meer interprofessioneel samenzijn in plaats van samenwerken. Gaat u ook eens opletten hoe dit gaat bij uw volgende MDO? Veilig darmkanker uitsluiten Ondanks het bevolkingsonderzoek darmkanker en de iFOBT test blijven we natuurlijk mensen met buikklachten op het 16 spreekuur zien. Het is niet eenvoudig om te bepalen wie je voor een coloscopie moet sturen en wie vooral niet, met name omdat de klachten van darmkanker, diverticulitis, IBD en prikkelbare darm syndroom nogal overlappen. Jean Muris was betrokken bij een nationale studie waarbij de onderzoekers 18 verschillende diagnostische modellen toetsten op een groep van 810 patiënten met persisterende buikklachten uit de Nederlandse huisartsenpraktijk. Deze patiënten ondergingen allen endoscopie en 37 bleken darmkanker te hebben. Van de 18 modellen (welke bestonden uit bevindingen uit anamnese en lichamelijk onderzoek, en sommige een fecaal occult bloed test) bleken de meesten darmkanker aardig goed uit te sluiten met negatief voorspellende waardes tussen de 93 en 100%. Het beste model (NICE-1) bleek 59% van de patiënten met darmkanker uit te sluiten met een negatief voorspellende waarde van 100% bij een sensitiviteit van 96%. Dit NICE-1 model heeft de volgende variabelen: leeftijd (met grenswaarde bij 40 jaar en bij 60 jaar), geslacht, pre/postmenopauze, diarree langer dan 6 weken, rectaal bloedverlies, palpabele massa in de buik, palpabele massa bij rectaal toucher en anemie. Met dit soort gegevens zou het dus wel mogelijk zijn om een groot deel van de patiënten een scopie te onthouden. Echter, zoals de auteurs ook terecht stellen bestaat er juist de neiging (bij zowel huisarts als patiënt) om laagdrempeliger coloscopie aan te vragen. Zo toont onderzoek aan dat patiënten geneigd zijn dit invasieve onderzoek te ondergaan bij een kans van minder dan 1% op pathologie. Hoe dan ook stellen de auteurs terecht dat dit soort modellen – waarop ook onze NHG Standaard is gebaseerd – in ieder geval behulpzaam kunnen zijn om de hoog risico patiënten te prioriteren. Dat kan bij toenemende wachttijden voor coloscopie dan ook wel weer handig zijn. Patroonherkenning-in-opleiding Patroonherkenning is een term die nogal eens valt in de huisartsopleiding. Elke huisarts herkent de waarde daarvan, hoe ongrijpbaar het patroon of de herkenning ook soms is. In het beoordelen van aios zijn patronen wellicht ook belangrijk. Marjolein Oerlemans en haar team met veel bekende namen van de huisartsopleiding deden kwalitatief onderzoek onder ervaren huisartsopleiders en vroegen hen of zij consistent gedrag herkennen bij aios tijdens het observeren van meerdere consulten in de tijd. Tevens waren 1 e uitgave 2017 de onderzoekers benieuwd of dit ook bij excellente en matig presterende aios zo is. De lezende opleiders onder u zullen nu al JA zijn aan het knikken want de ervaren opleiders in deze studie bevestigden inderdaad dat een aios een patroon kan vertonen in zijn consulten. De onderzoekers deduceerden uit de interviews dat dit consistente gedrag (ofwel patroon) zowel in de arts-patiënt interactie kan optreden alsook op het gebied van medische expertise van de aios. Voor de doorgewinterde opleiders is het hele artikel het lezen waard. Ik ben vooral benieuwd welke effecten deze bevindingen zullen hebben op de manier waarop we aios en ook coassistenten beoordelen en toch ook op de manier waarop we opleiden. Maatwerk bij schouderpijn Vraagt u wel eens een echo van de schouder aan? En deed u dat 10 jaar geleden ook? Ik durf te beweren dat u dat de laatste jaren vaker doet. Echografie is in opkomst, ook doordat veel fysiotherapeuten het toepassen en we daarmee ook op ons spreekuur te maken krijgen. Kaderhuisarts bewegingsapparaat Ramon Ottenheijm zette een unieke trial op om te bepalen of het inzetten van echografie bij patiënten met acute schouderpijn (<3 maanden) huisartsen kon helpen om gerichter de juiste aandoening te behandelen met de beschikbare behandelmogelijkheden (fysiotherapie, injectie, eventuele verwijzing naar de orthopeed). Zo wil je bij een bursitis of tendinitis calcarea liever een subacromiale injectie geven en stuur je de patiënt bij een tendinopathie liever naar de fysiotherapeut. In deze MUST studie waaraan huisartsen uit de Westelijke Mijnstreek deelnamen werden uiteindelijk 129 patiënten geïncludeerd, waarvan er 111 konden worden gerandomiseerd. Bij de helft kreeg de huisarts de echo uitslag, bij de andere helft niet. Na 1 jaar bleek 60% van de patiënten in de controlegroep hersteld. In de groep waarbij de huisarts op basis van de echo uitslag maatwerk kon bieden was 72,5% hersteld. Dat was niet statistisch significant. Op basis van deze trial hoeft de huidige NHG Standaard dus (nog) niet te worden aangepast. Het is wel een fraai voorbeeld van een gedegen wetenschappelijke evaluatie van de klinische waarde van een aanvullende diagnostische test die al heel breed wordt ingezet in de dagelijkse praktijk, maar waarbij in dit geval het effect op harde uitkomstmaten voor de patiënt ontbreekt. Referenties • Interprofessional primary care team meetings: a qualitative approach comparing observations with personal opinions. van Dongen JJ, van Bokhoven MA, Daniëls R, Lenzen SA, van der Weijden T, Beurskens A. Fam Pract. 2017 Feb;34(1):98-106. doi: 10.1093/fampra/cmw106. • Published diagnostic models safely excluded colorectal cancer in an independent primary care validation study. Elias SG, Kok L, Witteman BJ, Goedhard JG, Romberg-Camps MJ, Muris JW, de Wit NJ, Moons KG. J Clin Epidemiol. 2017 Feb;82:149-157.e8. doi: 10.1016/j. jclinepi.2016.09.014 • Should we assess clinical performance in single patient encounters or consistent behaviors of clinical performance over a series of encounters? A qualitative exploration of narrative trainee profiles. Oerlemans M, Dielissen P, Timmerman A, Ram P, Maiburg B, Muris J, van der Vleuten C. Med Teach. 2017 Mar;39(3):300-307. doi: 10.1080/0142159X.2017.1270427. • Ultrasound imaging to tailor the treatment of acute shoulder pain: a randomised controlled trial in general practice. Ottenheijm RP, Cals JW, Winkens B, Weijers RE, de Bie RA, Dinant GJ. BMJ Open. 2016 Nov 21;6(11):e011048. doi: 10.1136/ bmjopen-2016-011048 17 op één lijn 57
Page 18
op één lijn 57 1 e uitgave 2017 Onderzoek doen kan je leren Van idee naar een onderzoeksopzet DOOR ANOUK BAGHUS, AIOTHO Als kersverse AIOTHO heb ik in september deelgenomen aan de Start Class van The International Primary Care Research Training Curriculum. De cursus, die onderdeel is van de NHG Kaderopleiding Wetenschappelijk Onderzoek, is bedoeld voor (huis)artsen en anderen die werkzaam zijn in de eerste en nuldelijn met nog weinig onderzoekservaring. Er namen dan ook niet alleen jonge onderzoekers deel, maar ook huisartsen met al tientallen jaren praktijkervaring die in hun eigen praktijk een project wilden opstarten. Omdat ik nog maar twee weken was gestart met mijn promotietraject, sloten de inhoud en het niveau van de cursus goed aan en was de week een goede voorbereiding om met mijn onderzoek van start te gaan. Alles wat nodig is om van een idee naar een goede onderzoeksopzet te komen kwam aan bod, zoals het opstellen van een onderzoeksvraag en het vinden van een passende methode. Ondanks dat niet alle onderwerpen die aan bod kwamen even relevant waren voor mijn eigen onderzoek, vond ik het nuttig om brede basiskennis over wetenschappelijk onderzoek op te doen. Bovendien was er volop aandacht voor onze individuele projecten, omdat de theoretische achtergrond door het interactieve karakter en de kleinschalige opzet meteen kon worden toegepast. Het meest leerzaam vond ik om dagelijks een aantal projecten in subgroepen te bespreken onder leiding van een ervaren onderzoeker. Dit heeft me geleerd om kritisch naar mijn eigen onderzoeksprotocol te kijken en mee te denken met de projecten van anderen. De sfeer was erg goed. Alle docenten en deelnemers waren erg gemotiveerd en Karin Aretz en Geert-Jan Dinant hebben vol enthousiasme de week in goede banen geleid. Ook het internationale tintje van de cursus zal hebben bijgedragen: er waren niet alleen deelnemers uit Nederland, maar ook uit België, Duitsland, Indonesië, Brazilië en Uganda. Tijdens de pauzes en een avondprogramma met een stadswandeling en diner in Maastricht was er dan ook genoeg om over te praten. Ik kan alle startende onderzoekers aanraden om de cursus te volgen. Het heeft mij enorm geholpen om goed van start te gaan met mijn onderzoek en om in contact te komen met andere onderzoekers. Binnenkort staat het tweede deel van de cursus, de Advanced Course, op het programma, waarvan wij als deelnemers zelf hebben mogen meedenken over de inhoud. Ik hoop weer net zoveel waardevolle kennis en vaardigheden op te doen als tijdens het eerste deel. Ook kijk ik er naar uit om te horen hoe de andere deelnemers van start zijn gegaan met hun projecten. Informatie: www.familymedicinemaastricht.nl/what-we-do/ courses/researchtraining/ 18 1 e uitgave 2017 Crossing borders Health in slums DOOR ONNO VAN SCHAYCK, HOOGLERAAR PREVENTIEVE GENEESKUNDE Tijdens een eerdere kerstborrel bij Huisartsgeneeskunde ontving Onno van Schayck (collega’s konden suggesties aandragen) een bijdrage namens de vakgroep Huisartsgeneeskunde voor zijn India pilotproject ‘Health in slums’. Intussen is hij zover dat hij graag over de voortgang rapporteert. In de afgelopen jaren is er in sloppenwijken in Bangalore in India gewerkt aan het vinden van een oplossing om de blootstelling aan rook door het koken op open vuur te verminderen. Blootstelling aan rook is volgens de WHO de belangrijkste doodsoorzaak bij kinderen die in sloppenwijken wonen. Moeders ontwikkelen op jonge leeftijd COPD of overlijden aan longkanker zonder ooit sigaretten gerookt te hebben. In sloppenwijken kan men nauwelijks buiten koken, vooral door ruimtegebrek. Daarom wordt binnen gekookt en wordt men vele uren per dag aan rook blootgesteld. In het verleden heeft de Indiase overheid geprobeerd om ovens te maken en te distribueren maar dat is mislukt. De ovens waren te duur voor sloppenwijkbewoners die vaak niet meer dan 1 euro per dag verdienen. Bovendien waren ze te klein voor de grote gezinnen in sloppenwijken en pasten ze niet bij hun kookgewoonten. In een uitgebreid proces van luisteren, feedback en creatief samenwerken zijn nu oventjes ontwikkeld die weinig tot geen rook produceren, zeer goedkoop zijn en voldoen aan alle wensen en verlangens van sloppenwijkbewoners. De prototypen zijn af en worden nu binnenkort getest in een grote randomized clinical trial gesubsidieerd door NWO, waarbij de helft van een sloppenwijk doorgaat met de traditionele wijze van koken en de andere helft de oventjes krijgt. De persoonlijke blootstelling aan fijnstof (PM2.5) en CO wordt 24 uur gemeten bij alle deelnemers en de longfunctie en klachten worden bij kinderen en moeders meerdere malen vastgesteld gedurende minimaal een jaar. Daarnaast wordt bij alle deelnemers goed geëvalueerd hoe tevreden ze met deze oplossing zijn. Radio 1 en het NOS journaal hebben verslag gedaan van het in gebruik nemen van deze oventjes. Op de foto zie je de opnamen van het NOS journaal. Inmiddels heeft de regering in Delhi gevraagd of wij advies willen geven ten aanzien van de luchtvervuiling. Delhi is momenteel volgens de WHO de meest vervuilde stad in de wereld. Meer informatie vindt u op www.healthinslums.nl Onno van Schayck (links\0 tijdens een interview door de NOS 19 op één lijn 57
Page 20
1 e uitgave 2014 2017 WESP-studenten: Jolijn Bohnen en Rachèl Verhoeven Paracetamolgebruik bij kinderen BEGELEIDERS: JOCHEN CALS, EEFJE DE BONT EN KIRSTIN PEETOOM Paracetamolgebruik bij kinderen met koorts na bezoek aan de huisartsenpost Vraagstelling Uit de praktijk en literatuur blijkt dat ouders hun kind vaak paracetamol geven wanneer het koorts heeft. Dit is echter niet altijd nodig of aanbevolen. Onderzoek laat zien dat onnodig geven van paracetamol nadelen kan hebben voor het herstel en het effect op algemeen welbevinden van een kind is nooit aangetoond. Richtlijnen adviseren daarom enkel bij pijn en ongemak paracetamol. Onderzoek naar paracetamolgebruik bij kinderen met koorts in de eerstelijn is schaars. Er is nog nooit onderzoek gedaan naar het gebruik van paracetamol bij kinderen met koorts na een bezoek aan de huisartsenpost. Hier worden echter de meeste kinderen gezien. Wij onderzochten dat wel. Studiedesign In deze studie hebben we 553 ouders van kinderen onder de 12 jaar met koorts twee weken na bezoek aan de huisartsenpost gebeld. Tijdens dit telefonische interview vroegen we naar paracetamolgebruik. Primair resultaat en conclusie 83,8% van de ouders gaf hun kind met koorts paracetamol na het bezoek aan de huisartsenpost. Gemiddeld werd in twee weken 11 tabletten paracetamol per kind gegeven, met uitschieters van 50 en 72 tabletten. Mogelijke verklaringen voor het frequent geven van paracetamol zijn angst van ouders voor ernstige complicaties en het vrij verkrijgbaar zijn van paracetamol in winkels. Bovendien hebben ouders het gevoel dat het algemeen welzijn van hun kind verbetert door paracetamol te geven en het idee dat ze daarmee iets kunnen doen voor hun kind. Het geven van paracetamol kan een manier zijn om met een ziek kind om te gaan in deze drukke, moderne maatschappij Deze studie laat zien dat we in de spreekkamer niet alleen dienen te letten op de juiste dosering paracetamol, maar ook op de juiste indicatie (pijn en ongemak). WESP-student: Eline Vere Urlings Pesten BEGELEIDERS: MAARTJE WILLEBOORDSE EN ONNO VAN SCHAYCK Pesten is een groot probleem met ernstige gevolgen. Er bestaan dan ook vele pestinterventies maar in geen van deze interventies komt een gezonde levensstijl terug. Tijdens ‘de gezonde basisschool van de toekomst’ (dGBvdT), waarbij een gezonde levensstijl wordt gerealiseerd, namen leerkrachten subjectief een afname in pesten waar. Wij onderzochten daarom de invloed van dGBvdT op pesten. Studiedesign Door middel van semigestructureerde interviews en een focusgroep met de directeur, projectleider en leerkrachten 20 van twee gezonde basisscholen zijn meningen over en ervaringen met pesten op school in kaart gebracht. Primair resultaat en conclusie De deelnemers zagen een afname in frequentie en ernst van pesten sinds dGBvdT. Dit leek te ontstaan door de structuur en professionaliteit die de pedagogisch medewerkers boden, een gevoel van samenhorigheid tijdens de gezamenlijke lunch en afname van verveling tijdens middagpauzes. Leerlingen lieten een verbeterde mentaliteit zien ten aanzien van pesten, en de rol van leerkrachten veranderde positief. op één lijn 57 WESP-student: Eline Meijs D-dimeertest BEGELEIDERS: JOCHEN CALS, EEFJE DE BONT EN ANGEL SCHOLS Gebruik van de bij trombo-embolische aandoeningen in de huisartsenpraktijk Vraagstelling Een D-dimeer point-of-care test (POCT) zou mogelijk een waardevolle toevoeging kunnen zijn aan het diagnostische arsenaal van de huisarts. Echter, alvorens de D-dimeer POCT in de huisartsenpraktijk te implementeren, is het zinvol om het huidige gebruik van de D-dimeertest in de diagnostische keten rondom longembolie en DVT in kaart te brengen. Studiedesign Een retrospectieve dossierstudie in een specifieke huisartsenpopulatie in de regio Sittard-Geleen; alle patiënten die in 2015 een DBC-code longembolie of DVT kregen of waarbij de huisarts een D-dimeer bepaalde werden geanalyseerd. Primaire resultaat en conclusie Ongeveer een derde van de met spoed verwezen patiënten naar de tweedelijn had een longembolie of DVT en bij circa een derde hiervan had de huisarts voorafgaand een D-dimeer bepaald. Van alle verwezen patiënten waarbij de huisarts geen D-dimeer had bepaald, had bijna 75% van de patiënten een longembolie of DVT. WESP-student: Niek van den Nieuwenhof ECG’s in het kader van CVRM BEGELEIDERS: JELLE STOFFERS, ROBERT WILLEMSEN, KAREN KONINGS Vraagstelling Wat is de kwaliteit van ECG beoordelingen door huisartsen in het kader van cardiovasculair risicomanagement (CVRM) en wat komt er uit deze ECG’s? Studiedesign Door middel van retrospectief dossieronderzoek bij 12 geselecteerde huisartsenpraktijken zijn er 852 in het kader van CVRM en DM zorg gemaakte ECG’s verzameld. 300 daarvan werden door een panel van experts (cardiologen en kaderartsen HVZ) geëvalueerd. Primair resultaat en conclusie Huisartsen achtten 53% van de totale 852 ECG’s normaal. De meest voorkomende afwijkingen waren: verdenking op oude infarcten en intraventriculaire geleidingsstoornissen. Het panel was het in 67% van de 300 gevallen volledig eens met de ECG interpretatie van de huisartsen. De meest voorkomende misinterpretaties waren oude infarcten en kamer hypertrofie. In 70% van de gevallen waren ze het ook eens met het gevoerde beleid. Deze resultaten kunnen gebruikt worden voor scholing. 21 op één lijn 57
Page 22
op één lijn 57 1 e uitgave 2017 Hoofdzaken Nieuwigheden BAS MAIBURG, HOOFD VAN DE HUISARTSOPLEIDING “Daar sta je dan. Je zag dit moment al zo vaak in je dromen, daar is ’t dan. De dag die je wist dat zou komen is eindelijk hier”. De eerste strofen van het Koningslied passen wel bij mijn overgang naar het hoofdschap. Per 1 januari was het zover: Jean Muris nieuwe vakgroepvoorzitter, Bas Maiburg nieuw hoofd van de huisartsopleiding. En ja, je voelt je wel een beetje staan. Eigen kweek – ik werk sinds 1991 bij de opleiding – en nu in een positie waarvan ik lang vond dat je die beter bij een andere opleiding zou kunnen gaan bekleden (“vreemde ogen”). Hoe is dat, als je formeel eindverantwoordelijk bent voor de opleiding? Hoe kijken je directe collega’s nu tegen je aan? Een beetje kroonprins voel je je ook wel als je gevraagd wordt voor zo’n functie. Het Koningslied vervolgt met: “Ben je er klaar voor? Kun je dat ooit echt zijn?”. Deze ietwat retorische vraag neemt niet weg dat ik me er aardig voor toegerust voel. Zeker na de afgelopen twee jaar de “hoofd-portefeuille” Personele Zaken behartigd te hebben. De nodige landelijke hoofdenoverleggen heb ik al meegemaakt en met Jean Muris heb ik de afgelopen vijf jaar nauw samengewerkt in een soort duo-hoofdschap. De evaluatie na twee maanden is in ieder geval positief. Er is al veel werk verricht, en de stemming en sfeer is goed. Niet op de laatste plaats door de soepele samenwerking binnen het managementteam van de opleiding. Met Gerrie Waagenaar – naast curriculumcoördinator nu ook adjuncthoofd van de opleiding – en Joost Dormans – coördinator logistiek en plaatsvervangend hoofd – is het goed toeven én werken. Samen met de overige coördinatoren wordt op daadkrachtige wijze aan het optimaal aansturen van de opleiding gewerkt. Waar wordt nu zoal aan gewerkt? Op de eerste plaats loopt het nodige beleid gewoon door, ondanks het aantreden van een deels nieuw managementteam. De werkgroepen blijven bezig met het vertalen van de nieuwe landelijke thema’s en KBA’s van het landelijk opleidingsplan naar een lokaal, Maastrichts en Eindhovens curriculum. De al eerder gegenereerde ideeën over de integratie van de diverse 22 sectoren binnen de vakgroep worden verder uitgewerkt. Ontwikkelingen staan nooit stil. Zo heeft de visie op Eindhoven rond de jaarwisseling een update gekregen. Streven naar een evenredige verdeling van opleidingsplaatsen over Maastricht en Eindhoven blijft van belang. Nieuw is dat we hierbij nu ook kijken hoe de voorkeuren van aios voor de twee opleidingslocaties van de huisartsopleiding Maastricht evolueren. En dat we toewerken naar een Noord- en Zuid team van docenten, afhankelijk van de locatie waar zij hun groepen begeleiden. De allocatie (=plaatsing van aios na het succesvol doorlopen van de selectieprocedure) speelt daarbij een rol. De hele procedure heeft niet de verwachte optimale verdeling en invulling van opleidingsplaatsen opgeleverd. Het is hard werken om voldoende aios in opleiding te krijgen. Desondanks toch enkele niet gevulde plaatsen, waardoor de werving van aios nog steviger aangezet gaat worden. Zo staat een duidelijkere positionering richting aios van de beide opleidingslocaties hoog op de agenda, en wordt er hard gewerkt aan de website en het inzetten van andere sociale media. En gaan we ons sterker profileren richting de groep basisartsen die in de diverse regionale ziekenhuizen werkzaam zijn, en bezig zijn hun definitieve keuze voor een vervolgopleiding te maken. Daarnaast heeft de allocatie van aios gevolgen voor de organisatie van opleidingsgroepen in Maastricht en Eindhoven. We willen complete (lees: driejarige) opleidingstrajecten van praktijk- en instituutsonderwijs aanbieden in Noord en Zuid. Logistiek gezien een behoorlijke uitdaging! Er is begin dit jaar meer veranderd dan het aantreden van de nieuwe vakgroepvoorzitter en het hoofd van de opleiding. Per 1 januari is nieuwe landelijke regelgeving voor de huisartsopleiding van kracht geworden. De CHVG heeft een nieuw kaderbesluit uitgebracht en ook het Besluit Huisartsgeneeskunde is op de schop gegaan. Belangrijke uitkomst hiervan is dat nog meer maatwerk voor aios in de opleiding mogelijk wordt. Zo is in het tweede jaar meer ruimte voor keuzestages en er lijkt meer inhoudelijke diversiteit mogelijk in de verplichte klinische stage van zes maanden. De CGS heeft het nieuwe landelijke 1 e uitgave 2017 opleidingsplan goedgekeurd, waardoor de nieuwe aios die in maart 2017 gestart zijn onder dit nieuwe plan met thema’s en KBA’s gaan werken. Zij krijgen te maken met de nieuwe programmatische toetsing: geaggregeerde beoordeling van kennis- en consulttoetsen, KPB’s, Zelfie’s en opleider- en mentorbeoordelingen. De vertaling van de landelijke plannen naar lokaal is nog een hele klus, waar we gestuurd door kwaliteitscoördinator Marie-Louise Schreurs, projectmatig mee aan de slag zijn gegaan. Niet alleen voor onszelf, want in november van dit jaar volgt een visitatie van de RGS waarbij de lokale plannen onder de loep genomen worden. Niet minder dan een onvoorwaardelijke herregistratie van het opleidingsinstituut voor vijf jaar is daarbij de inzet die we nastreven. Over de RGS gesproken, vanaf begin dit jaar gaan zij de herregistratie-voorwaarde wat betreft praktijkaccreditering handhaven. Onze HAO-coördinatoren Marieke Kools en Paul Schrijver zijn in dat kader al begonnen om de stand van zaken bij diverse opleidingspraktijken opnieuw te inventariseren. Inzet is om het verlies aan opleidingspraktijken door het eventueel niet voldoen aan deze herregistratie-voorwaarde tot een absoluut minimum te beperken. Ook op het eerder genoemde vlak van Personele Zaken zit de opleiding niet stil. Adriaan van de Sande gaat begin maart als huisartsbegeleider aan de slag met zijn eerste groep aios in Eindhoven. Cécile Henquet start op hetzelfde moment als gedragswetenschapper met haar eerste groep in Maastricht. Met Adriaan hebben we een ervaren huisarts in ons team erbij gekregen en met Cécile een ervaren psychotherapeut. Twee aanwinsten voor ons docententeam! De sollicitatieprocedure voor een nieuwe huisartsbegeleider per mei is in volle gang, en de inkt van de contracten van Oda Bauhuis (gedragswetenschapper, start 1 mei) en Cristel Achterberg (gedragswetenschapper per 1 augustus) is net droog. Beiden ervaren psychologen en therapeuten, van wie we de komst als docent met veel vertrouwen tegemoet zien. 23 Als nieuw hoofd van de opleiding wil ik graag een nieuw accent toevoegen aan de missie van de huisartsopleiding. Merkwaardig genoeg, in mijn ogen, ontbreekt daarin dat de huisartsopleiding een “gezondheid-bevorderende” organisatie is. Daarbij gaat het niet alleen over het opleiden van aios als nieuwe “gezondheid-bevorderaars”. Ook dient de opleiding als organisatie er oog voor te hebben dat aios op gezonde wijze opgeleid worden en medewerkers op gezonde wijze kunnen werken binnen de organisatie. Ik denk daarbij, naast een gezonde verhouding van werk en privé, aan zaken zoals voldoende afwisseling tussen staan en zitten (oeps, hoe lang zit ik nu al aan dit stukje te werken?), het nemen van pauzes en mail- en smartphone hygiëne. Het Koningslied eindigt met de regels: “Ik zal strijden als een leeuw, tot het jou aan niets ontbreekt, hou je veilig zo lang als ik leef “. Gaat wat ver als onderdeel van de functieomschrijving van hoofd. Een poging tot gezond houden, wil ik graag op mij nemen zolang ik hoofd ben. op één lijn 57
Page 24
op één lijn 57 1 e uitgave 2017 Equilibre Ons opleidersbestand: een dynamisch gegeven DOOR MARIEKE KOOLS EN PAUL SCHRIJVER, COÖRDINATOREN HUISARTSOPLEIDERS Deze keer twee thema’s in onze rubriek: de plaatsing van aios en feedback op de trainingsdag in januari. De koppeling van aios aan opleiders is geen sinecure. De aios, de hao en de opleiding hebben ieder hun eigen belangen. Ook fietst er regelgeving doorheen waar we ons aan moeten houden. Opleiders die teleurgesteld worden omdat ze geen aios krijgen, denken “Waarom ik?”, en “Hoe kan het, dat ze nog nieuwe opleiders aannemen, als ze er toch teveel hebben?”. Bij deze een poging om die vragen te beantwoorden en inzicht te geven in de dynamiek van ons opleidersbestand. Begin 2014 schreef Stijn de Vries hier ook al over in zijn ‘Lijn van Stijn’. Het ging toen om de wisselvalligheid tussen vraag en aanbod: het ene moment zijn er 14 opleiders tijdelijk zonder aios, terwijl enkele maanden later iedereen voorzien is. In dat laatste geval hopen we, dat er nergens een ontkoppeling plaatsvindt, want dan hebben we geen opleider meer achter de hand. Die golfbewegingen zijn er nog steeds: op het moment van schrijven hebben we in de regio noordoost slechts twee opleiders die onvrijwillig zonder aios zitten, waardoor ik een probleem heb bij een mogelijke ontkoppeling in het zuiden. Dit voelt erg krap. Daarentegen zijn er vanaf juni negen opleiders zonder aios, en dat is, in ieder geval voor mijn gevoel, teveel. Er zijn periodes waarin bijna al onze opleiders actief zijn en dat wijst er op dat we niet standaard te veel opleiders hebben. “Vroeger was dit anders”, denken de oudere opleiders. Dat klopt. In de tijd van continuïteit in het opleiden, zaten we in een groeiscenario: de opleiding (lees: aantal aios-plaatsen) groeide en er werd continu heel actief geworven om die vraag bij te benen. Omdat de groei van het aantal aios harder ging dan de aanwas van nieuwe opleidingspraktijken, moesten aios vaker dan nu verder reizen. Tegenwoordig zitten we in een consolidatiefase: De instroom van het aantal aios is stabiel. Een even stabiel aantal opleiders voldoet daarbij niet omdat: • de variatie in waar de aios wonen groot is en behoorlijk wisselt per startmoment (maart, juni, september en december). In totaal kunnen we genoeg opleiders hebben, maar een overschot in noord en een tekort in zuid. De middenregio proberen we zo veel mogelijk mee in te zetten, gericht op die noord-zuid variaties, maar daarmee heb je nog steeds niet altijd alle aios bediend. 24 • opleiders met pensioen gaan of voortijdig stoppen, waardoor opleidingspraktijken wegvallen, • opleiders zelf vragen om tijdelijk niet op te leiden, • aios met een parttime opleiding of tijdelijke uitval vanwege zwangerschapsverlof, een opleider langer dan 1 jaar bezig houden, we steeds meer op kwaliteit focussen, wat o.a. inhoudt dat we een spreiding nastreven van verschillende typen praktijken in onze regio’s. Dit alles maakt dat we speelruimte nodig hebben en dat we per periode bekijken of we voldoende opleiders hebben voor de volgende koppelrondes. Zeker weten we dat pas, als we weten waar de aios wonen, en daar zit een ander probleem: in de regio’s Midden-Limburg en Noordoost Brabant zitten de laatste tijd relatief minder aios. Ondanks dat we proberen de pijn wat te spreiden, is daardoor de discontinuïteit van het opleiden niet helemaal gelijk te verdelen en worden opleiders in die regio’s vaker teleurgesteld dan we willen. We hanteren zoveel mogelijk de reistijd van één uur voor de aios om praktijken te kunnen includeren, maar ook hier is het zoeken naar een balans. Laat duidelijk zijn: we gebruiken aios niet om goede opleiders te belonen en minder goede opleiders te straffen. Opleiders voelen dat soms zo, maar zo gaan we niet met hen om (ook al vinden sommige opleiders en aios dit best een gedachte om serieus te overwegen). Als iets niet goed is, vinden we, dat we dit duidelijk moeten maken, en dat we samen moeten kijken hoe het beter kan. En je kunt opleidersvaardigheden niet verbeteren, als we de aios weg houden waarmee je dat juist zou moeten oefenen en laten zien. Bovendien: welke criteria hanteer je om wel of niet die aios toe te kennen? Een gedachtenoefening waar je niet uit komt, want er zijn erg veel factoren die bijdragen aan de kwaliteit van een opleider en diens praktijk. Evaluatie trainingsdag voor opleiders januari 2017 Door Paul Schrijver We hebben de huisartsopleiders gevraagd om de trainingsdag van januari te evalueren. De respons was heel groot, waarvoor dank. Het was interessant om te zien, dat er een verschil van waardering zat tussen jaar 1 en 1 e uitgave 2017 jaar 3 opleiders betreffende de voordracht van Peter Lucassen over SOLK. De jaar 1 opleiders waren enthousiast, sommigen gaven wel aan dat het iets korter had mogen zijn. Jaar 3 opleiders gaven vaker aan dat de voordracht te lang was en sommigen onder jullie kenden de voordracht al van andere bijscholingen. Al met al werd de voordracht goed gewaardeerd. Ook de workshop SOLK kwam positief uit de evaluatie. Over het algemeen werden de rollenspelen en de aanwezigheid van aios zeer op prijs gesteld. EBM, of liever gezegd Academisch Opleiden, was de klapper van de dag! Nog nooit hebben we zulke leuke reacties van opleiders gehoord. Een greep uit de opmerkingen: ‘Verfrissend’ ‘Verrassend’ ‘Toepasbaar in de praktijk’ ‘Snelle manier om een artikel te doorgronden’ en als uitsmijter: ‘EBM gaat weer leven’! Academisch opleiden zal dus zeker een vervolg krijgen. Verder kwam naar voren dat kleine-groepen-onderwijs erg op prijs werd gesteld. Hier gaan we dan ook zeker mee door. De klimaatbeheersing was niet optimaal; dit hebben we al teruggeven aan van der Valk, omdat we de locatie voorlopig zullen handhaven. Erg prettig, zoveel evaluaties! Daarmee kunnen wij weer verder om ook in de toekomst de trainingsdagen nog uitdagender en praktischer te maken. Eindhovengroep Brengt de huisartsopleidingen van Nijmegen en Maastricht samen DOOR LOVAH EINDHOVEN Twee opleidingen met een Eindhovense stroming, één gezamenlijke locatie in Eindhoven, maar... nog twéé LOVAH afdelingen met ieder hun eigen activiteiten in Nijmegen en Maastricht. Vanuit de ‘Eindhoven groep’ ontstond steeds meer vraag naar leuke activiteiten, nascholingen en gezamenlijk onderwijs in en rondom Eindhoven om te zorgen voor meer binding tussen deze twee opleidingen. In augustus 2016 is een enthousiaste groep AIOS gestart met de oprichting van LOVAH Eindhoven. Op 14 oktober 2016 hebben we groen licht gekregen, we vormen nu de jongste afdeling van de LOVAH! Een unieke situatie, een afdeling vanuit twee verschillende opleidingsinstituten. Een belangrijk streven van LOVAH Eindhoven is om te zorgen voor een betere samenwerking tussen Maastricht en Nijmegen, met daarbij onder andere een betere stroomlijning van het onderwijs. Binnenkort zal bijvoorbeeld de eerste gezamenlijke onderwijsdag georganiseerd worden. Verder zetten we ons in om nieuwe geneeskunde studenten enthousiast te maken voor de huisartsenopleiding, met natuurlijk aandacht voor onze dependance in Eindhoven. Ook willen we leuke activiteiten en nascholingen in en rondom Eindhoven organiseren, waarbij ook weer de cohesie tussen AIOS uit Nijmegen en Maastricht nagestreefd wordt. Inmiddels hebben we een aantal geslaagde activiteiten achter de rug: de pubquiz met aanwezigheid van maar liefst een derde van alle Eindhovense AIOS, de eerste nascholing over melanomen en de LHK pubquiz, een gezellige voorbereiding op de halfjaarlijkse kennistoets. Komende maanden staan nog veel leuke activiteiten en nascholingen op het programma. Zo zal er deze maand een gezellige activiteit georganiseerd worden om de nieuwe AIOS welkom te heten, natuurlijk zijn de overige AIOS ook welkom! Om al het bovenstaande te kunnen bewerkstelligen, zijn we nog altijd op zoek naar enthousiaste leden voor onze LOVAH afdeling. Suggesties of ideeën zijn altijd welkom. Contactgegevens eindhoven@lovah.nl | www.lovah.nl www.facebook.nl/lovah.eindhoven 25 op één lijn 57
Page 26
op één lijn 57 1 e uitgave 2017 Onderzoek van onderwijs Opleiders: het zijn net mensen DOOR LAURY DE JONGE, HUISARTSONDERZOEKER “Aangezien de denkwijzen van mensen verschillen, zodanig dat sommigen gemakkelijker dan anderen de een of andere vorm van geloof omarmen, want wat de een leidt tot gebed kan de ander tot spotternij leiden, concludeer ik, dat iedereen vrij zou moeten zijn om voor zichzelf de basis van zijn overtuiging te kiezen, en dat geloof alleen zou moeten worden beoordeeld op de vruchten die het voortbrengt.” (Spinoza: Tractatus Theologico Politicus (1670)) Als begeleider van coassistenten of opleider van huisartsen in opleiding heeft u er vrijwel dagelijks mee te maken: de beoordeling op de werkplek. Werkplekbeoordelingen zijn belangrijk om een aantal redenen. Ten eerste omdat een beoordeling nuttige feedbackback kan genereren, wat het leren van een (huis)arts-in-opleiding kan sturen. Van goede feedback kan je immers (veel) leren: het kan wijzen op hiaten in medische kennis of verbeterpunten in communicatieve vaardigheden, kortom: op alles wat nog geleerd kan (of moet) worden. Ten tweede kan een beoordeling gebruikt worden om vast te stellen of een lerende “aan-de-maat” is. Daarmee heeft een opleider-beoordelaar een belangrijke rol in het adviseren of een lerende basis- of huisarts kan worden. Uit medisch onderwijskundig onderzoek blijkt dat de waarde van werkplekbeoordelingen niet zozeer afhangt van de kwaliteit van de beoordelingsinstrumenten of -methoden. De waarde hangt vooral af van de manier waarop deze instrumenten gebruikt worden. En dat hangt weer af van welke ideeën een opleider en lerende hebben over leren en beoordelen op de werkplek. Hier heb ik onderzoek naar gedaan. De deelnemers aan dit onderzoek waren beoordelaars die werkzaam in de praktijk of op de Universiteit waren, en huisartsen in opleiding. Hen werd gevraagd om stellingen over werkplekbeoordelen te sorteren. Een voorbeeld van een stelling was: “beoordelen moet vooral het leren van de AIOS sturen”. Deze, en nog 47 andere stellingen, moesten worden gerangschikt naar de mate waarin de beoordelaar het met de stelling eens of oneens was. De uitkomst zal u niet verbazen: de deelnemers verschilden in hun denkwijze. Door middel van factoranalyse kon een aantal groepen opleiders onderscheiden worden. Sommige opleiders vonden het prettig als een lerende zelf zijn leren stuurde, ook als dat betekende dat hij zelf in hoge 26 mate bepaalde waarop hij beoordeeld werd. Voor anderen ging dat te ver, zij vonden dat (ook) de opleider of het opleidingsinstituut zou moeten bepalen wat geleerd moet worden. Een tweede thema waarover opleiders van inzicht verschilden was de mate van standaardisering van een beoordeling. Sommige opleiders vonden het prettig om een scorelijst te hebben waarin precies staat waar een lerende aan moet voldoen. Anderen ervaarden ’de gedetailleerde scorelijst als een keurslijf; een beoordeling zou aangepast moeten kunnen worden aan de context van de beoordeling of aan de leervraag van de lerende. Zijn die verschillende denkwijzen een probleem? Of, om met Spinoza te spreken, beïnvloedt dit de kwaliteit van de vruchten die worden voortgebracht? Mijn antwoord : het hoeft geen probleem te zijn. Maar dan zullen opleider en lerende wel moeten spreken over verwachtingen en consequenties van gelijkeen verschillende denkwijzen over werkplekleren en-beoordelen. Het doel van zo’n gesprek zou zijn om te komen tot een gemeenschappelijk denkwijze; met ruimte voor eigenheid maar ook voor afstemming tussen de verschillende betrokkenen. Tijd dus om een leergesprek te wijden aan uw opvattingen over beoordelen en leren! Bent u geïnteresseerd in meer details? Het hele artikel staat online op: link.springer.com/article/10.1007/s10459-017-9760-7 Voetnoot Sjef Swaans, HAB en redactielid “ Het belang van de beoordeling op de werkplek kan niet genoeg benadrukt worden. Mijn ervaring als HAB is dat de opleider het meest van de AIOS ziet en daarom ook het best een beoordeling kan geven. Op welke manier dat gebeurt is van secundair belang en hangt ook af van de persoonlijkheid van HAO en AIOS. Maar: van cruciaal belang is dat alle beoordelingen feitelijk onderbouwd zijn. Dat aangegeven wordt op welke concrete gedragingen of gebeurtenissen de beoordeling gebaseerd is. Ook als de interpretatie van de observatie niet gedeeld wordt, of als de norm waaraan het gedrag moet voldoen niet erkend wordt , is toch het bespreken van de observatie de basis van de beoordeling. Dat is dan het gesprek waaraan in dit artikel gerefereerd wordt. Een eindbeoordeling bundelt diverse werkplekbeoordelingen en compenseert dan voor de verschillen in aanpak van de beoordelingen.” 1 e uitgave 2017 In de leer “ Wie het oude niet eert, is het jonge niet weerd” DOOR KOEN VAN HELMOND, TWEEDEJAARS AIOS Het is de avond voordat ik aan mijn laatste opleidingsjaar ga beginnen. Onder het genot van een glaasje whisky maak ik de balans van het afgelopen halfjaar op. Ik schrijf een halfjaar, want door mijn werkervaring op de spoedeisende hulp heb ik vrijstelling gekregen voor mijn acute zorgstage. Het was een half jaar in het teken van de oudere medemens door stages in de ouderenpsychiatrie en daarna in de revalidatie voor ouderen. Vooraf zag ik er best wel tegen op, want ouderen… ik had er eerlijk gezegd niet zoveel mee. Sterker nog, de enige oudere waar ik wat mee heb is mijn oma, een 93-jarige dame die ik eens in de twee weken op bel om even bij te kletsen. Dat was tot voor kort mijn enige referentiekader als het om ouderen ging en misschien is mijn oma niet helemaal representatief voor haar generatie; daar ben ik inmiddels wel achter. Zo woont zij nog zelfstandig zonder thuiszorg, gebruikt ze slechts 1 aspirientje per dag, fietst ze dagelijks twee keer twintig minuten op een roestige hometrainer (die ik hoogstpersoonlijk 17 jaar geleden in elkaar heb gezet) en leest ze twee kranten per dag. Toch heeft mijn oma ook zo haar problemen natuurlijk, dat zal ik niet ontkennen. Onlangs vertelde ze me nog dat ze een Ipad air had gekocht, want de gewone Ipad die ze had werd toch wat zwaar voor haar ietwat artrotische vingers. Tja, dat zijn inderdaad lastige dingen natuurlijk. Maar goed, zoals ik in de eerste alinea al stelde: “ik had niet zoveel met ouderen” en de nadruk ligt daarbij op had. Inmiddels, na een half jaar alleen maar patiënten van boven de tachtig jaar, ben ik oprecht anders over ouderen gaan denken. Ik ben er namelijk achter gekomen dat er maar bar weinig ouderen zijn zoals mijn oma. De meeste ouderen hebben namelijk geen Ipad en met slechts 1 aspirientje op een dag komen ze ook niet weg. Wellicht hebben ze thuis een hometrainer staan die wat minder roestig is, maar daar houdt het dan ook wel mee op. Als huisarts in opleiding zat ik overwegend ruim in mijn tijd voor de patiënt en ik heb dan ook deze kans aangegrepen om “de gemiddelde oudere” in Nederland te leren kennen. Ik heb gemerkt dat een hoop ouderen tevreden zijn over het leven dat ze nu leiden en dat ze meestal berusten in de fysieke ongemakken die met de leeftijd komen. Helaas heb ik ook een hoop ouderen gezien die het wat minder hebben. Ze kampen met het gemis van een partner of hebben geen familie in de buurt wonen die zomaar even op de koffie komt. Sommigen zijn afhankelijk van anderen voor bijvoorbeeld hun dagelijkse boodschappen of een bezoekje aan de kapper, maar ze voelen zich bezwaard om om hulp te vragen. Mijn ervaring in het afgelopen half jaar is dat sommige ouderen zichzelf wegcijferen omwille van het algemeen belang. Echter, zoals Albert Camus in zijn boek “De Pest” al schreef, wordt het algemeen belang gevormd door het geluk van ieder individu. In deze column wil ik een kleine lans breken voor juist díe kwetsbare ouderen in onze samenleving. Ze hebben het namelijk echt niet altijd makkelijk. Ik nodig c.q. daag iedereen uit om gewoon eens een keer met een oudere te praten en te luisteren naar hun verhaal. Hoeveel moeite is het om 1 keer per week een sociale visite en een ‘bakkie te doen’ bij een kwetsbare oudere? Een klein gebaar met een groots effect. Die ouderen… ik heb er wel wat mee! 27 op één lijn 57
Page 28
op één lijn 57 1 e uitgave 2017 In de leer Ontwrichte toestanden DOOR ELEANA ZHANG, TWEEDEJAARS AIOS Had je vroeger als kind ook het idee, dat je alles kon worden, als je het maar graag genoeg wilde? Nou, ik wel. Totdat ik er op mijn achtste achter kwam dat zangeres worden nogal problematisch werd met mijn krakende post-tonsillectomie klankkast. Of dat ik op mijn dertiende een bril kreeg en dus vaarwel moest zeggen tegen de vluchtige droom om piloot te worden. Niet dat ik er lang om heb gerouwd maar het is grappig om te bedenken dat zulke momenten er evengoed toe hebben geleid dat ik vandaag de dag huisarts in wording ben. Ook tijdens mijn SEH-stage had ik een soortgelijk moment. Mijn eerste week op de SEH vloog voorbij: afwisselend, lekker veel actie en van tijd tot tijd de nodige dosis adrenaline. Maar dan volgt dag één van week twee… De eerste patiënt van de dag: man, begin veertig, groot, pezig en met een massa van zo’n dertig kilo per ledemaat. En nu: schouder uit de kom. Zijn gezicht is verwrongen van de pijn, en hij blijft maar schreeuwen tijdens het maken van de röntgenfoto’s. Door de open, akoestische ruimte van de SEH worden mijn gehoorbeentjes om negen uur ’s ochtends dus al lekker losgetrild. Een bijzondere warming-up om de dag mee te beginnen. “Eleana, jij wilde trauma’s doen, toch?” vraagt mijn supervisor, nadat de foto’s zijn gemaakt en de patiënt de nodige pijnstilling heeft gehad. Ik gooi de laatste slok koffie achterover en snel naar Traumakamer 1, klaar om aan de slag te gaan. Ik heb er zin in. De SEH- arts staat bij het hoofd, houdt de patiënt op z’n plaats en zegt mij aan de geluxeerde arm te trekken. Het is negen uur ’s ochtends en ik als ochtendmens ben nu op mijn best: met bovendien een paar jaar gedateerde karate ervaring uit mijn studententijd ben ik ervan overtuigd, dat ik die arm er wel weer ingetrokken krijg. Ik sluit mijn handen en vingers om de onderarm van de patiënt en begin te trekken. Ik zet me af tegen de ondergrond, hang met mijn hele gewicht in de lengterichting van de arm, zet mijn kaken op elkaar, knijp nog iets harder in de onderarm om mijn grip niet te verliezen en trek alsof mijn leven ervan af hangt. Geen beweging in die schouder. Ik hou vol. Mijn perifere visus vervaagt, gevoelsmatig begint tetanie van mijn spieren in te treden en mijn ogen puilen uit door de intracraniële drukverhoging. Nog steeds geen verlossende klik. Ik ga door 28 maar krijg het warm en benauwd en bedenk nog net dat ik beter een dunner shirt had moeten aantrekken of in ieder geval mijn deo had moeten meenemen, wanneer de SEHarts de veelbetekenende woorden zegt: “Eleana, je mag al beginnen met trekken hoor…”. Als ik om me heen kijk, zie ik de vriendelijke reus van een verpleegkundige naast mij grinniken. Er zijn collega-artsen die hun roeping al hebben gevonden, toen ze nog rondliepen in hun rode Buurman en Buurman laarsjes of toen ze een vogelbekdier moesten nadoen tijdens de eerste balletles. Maar ik, ik ben er niet zo één. Ik moet dingen dóen om te weten. En al doende weet ik dat werken met grote botten niet mijn sterkste kwaliteit is (maar gelukkig ook dat het huisarts-zijn wel mijn ding is!). Later hoor ik – niet geheel tot mijn verbazing – dat de zwaargewichten van de SEH de hoogste succespercentages hebben met schouder- en heupluxaties, en reanimaties niet te vergeten. Met mijn een meter zestig ga ik ze natuurlijk never nooit evenaren, maar dat betekent niet, dat ik het niet kan proberen. De komende maanden vraag ik tijdens de koffiemomenten gewoon een groot stuk taart bij mijn cappuccino. 1 e uitgave 2017 Loyaliteiten Wat niet weet, wat niet deert DOOR T.E. GRIJS Dinsdagochtend, de ochtend van de psychosomatiek was ik dit spreekuur in de loop van de jaren gaan noemen. Al voor negen uur had ik onbegrepen hoofdpijn, onverklaarbare nekpijn en buikpijn zonder medisch verklaarbare oorzaak gezien. Een beetje moedeloos tjokte ik naar de wachtkamer en riep mevrouw Berends. Ze zat in elkaar gedoken in een hoekje, ze schrok op en liep vervolgens met een vinnige pas langs me heen, de weg kende ze namelijk goed. Ze zat al, voordat ik de deur van de spreekkamer gesloten had. In een keurig grijs mantelpakje gestoken en vanonder een onberispelijk kapsel keek ze me vanuit een spits gezichtje met een verwijtende blik aan. Aan een vraag wat ik voor haar zou kunnen betekenen kwam ik niet toe. Ze stak meteen van wal. Nee, de pillen hadden weer niet geholpen, dat had ze ook wel gedacht toen ze vorige week uit de spreekkamer wegging. Zo ging het echt niet langer, ze had alle vertrouwen in de Nederlandse specialisten verloren, maar bovenal in mij en nu zou de orthopeed in Genk wel uitkomst bieden. De afspraak was al gemaakt. Of ik maar even de verwijskaart kon schrijven. Ik schreef en gaf de verwijzing, met een diepe, hoorbare zucht. Met een tegelijk triomfantelijke en neerbuigende blik verliet ze de kamer. “Grijze muis”, dacht ik nog boos. Ik heb haar niet meer gezien op het spreekuur, wel vier maanden later haar echtgenoot Frans. Hij had maagklachten. Het was allemaal druk in zijn schildersbedrijf, dat hij tien jaar geleden van zijn vader had overgenomen. In het begin was het allemaal prima gegaan, maar het laatste jaar ging het moeilijk. Hij kon zich moeilijk concentreren en was op het eind van de middag doodop. Hij weet dit alles aan de moeilijkheden in de relatie met zijn vrouw. Na een lange dag in het bedrijf was er ’s avonds geen rust voor hem weggelegd. Niets deugde in de ogen van zijn vrouw, hij dacht alleen maar aan werken, en wat leverde dat op, te weinig, zo uitte ze zich geregeld. Een fatsoenlijke vakantiereis zat er niet in, het oude gammele huis van zijn ouders hadden ze al lang moeten inruilen. De puberzoon, zo verweet ze hem, was onhandelbaar, hij had ook geen steun van zijn pa. Van intimiteit tussen hem en zijn vrouw was geen sprake. “In de diepvries kan het niet kouder zijn dan in haar onderbuik”, verzuchtte Frans. Tja, ik kon het me voorstellen, maar ik heb er wijselijk niets over gezegd. Frans vroeg tabletten om zijn maagklachten te verminderen, “een van mijn schilders helpen ze goed en ach, thuis, laat maar zitten en verder onderzoek ook, zo’n vaart zal het niet lopen.” Ik schreef Frans een zuurremmer voor en maakte een vervolgafspraak over twee weken. Ik zag hem pas twee maanden later, vermoeid ogend, bleek, vermagerd. Onmiskenbaar helemaal mis. “Nee Frans, je krijgt geen hogere dosering van de medicatie! Ik bel vandaag nog de specialist.” Frans vond dat ik wel meteen kon bellen, hij zou wachten. Dezelfde middag kon hij terecht. Een week later had ik de MDL arts aan de lijn. Het was goed fout met Frans, een pancreascarcinoom met ingroei in de maagwand. Dat was de eerste reden van het telefoontje, een tweede was dat Frans ieder verder onderzoek en behandeling resoluut van de hand had gewezen, aan zijn lijf geen verdere polonaise. Maar er was nog iets, van Frans mocht de specialist geen mededeling doen aan zijn vrouw en zoon over de aard van de ziekte. Toch wel bizar vond de specialist, maar hij wilde het verder aan mij overlaten. De volgende dag zat Frans al op mijn spreekuur. Niks meer aan te doen, hij had het wel verwacht, twee pakjes sigaretten per dag, een halve fles jenever, dat kon gewoon niet goed blijven gaan, zo bekende hij. “Maar wat er precies aan de hand is, dat blijft tussen ons beiden dokter, geen woord over de ware aard van de ziekte naar mijn vrouw en zoon, het is een grote maagzweer en de genezing zal wel maanden op zich laten wachten en daar blijft het bij. Ik zou haar medelijden niet kunnen verdragen en wat niet weet, wat niet deert.” Twee dagen later legde ik een visite af bij Frans. Op de gang eiste zijn vrouw meteen, dat ik Frans dezelfde dag nog zou laten opnemen in het ziekenhuis. Frans hield resoluut de boot af, het zou beslist beter gaan als we de medicatie zijn werk zouden laten doen. Mevrouw kon het er niet mee eens zijn. Ik begreep haar, maar ik liet niets merken. Ik koos de kant van Frans. 29 op één lijn 57
Page 30
op één lijn 57 1 e uitgave 2017 De volgende ochtend belde de specialist met de mededeling dat Frans in de vroege ochtend in het ziekenhuis was overleden aan een inwendige bloeding. De dienstdoende assistent had mevrouw verteld dat Frans was overleden aan een bloeding in de buik, omdat de al langer bekende kwaadaardige tumor in een bloedvat was ingegroeid. Mevrouw was witheet, zonder verder een woord te zeggen, vertrokken. Met lood in de schoenen ging ik na het spreekuur op huisbezoek. De zoon maakte de deur open, keek me met een vernietigende blik aan en zei dat moeder geen prijs op een gesprek stelde en wierp de deur voor mijn neus dicht. Ik heb haar nog enkele malen in het dorp gezien, altijd wendde ze haar hoofd af. Korte tijd later verhuisde ze naar geboortedorp. Jaren later las ik de krant over een rechtszaak tegen de heer S. in Wintersveld. De man was aangeklaagd wegens misbruik van zijn twee dochters op jonge leeftijd. De heer S., zo ging door mijn hoofd, ze heette toch Schermer met haar meisjesnaam en kwam uit Wintersveld? Zou het…? Ik had de naam van de heer S. aan mijn broer kunnen vragen, hij was in die tijd raadslid in de gemeente waar Wintersveld deel van uitmaakt. Ik heb het er met hem nooit over gehad. Wat niet weet, ….. Symposium & oratie Jako Burgers 16 juni 2017 ‘ Persoonsgerichte zorg in richtlijnen: contradictie of paradox?’ ‘Persoonsgerichte zorg in richtlijnen: contradictie of paradox?’ is de titel van de oratie van prof. dr. Jako Burgers op vrijdag 16 juni 2017 in de Aula Minderbroedersberg 4-6 in Maastricht. Dit is een openbare lezing . Voorafgaand aan de oratie is er een symposium (op uitnodiging) over het thema. Richtlijnen zijn niet meer weg te denken uit de Nederlandse gezondheidszorg. Mede dankzij de richtlijnen die zijn ontwikkeld binnen het NHG-Standaarden programma, floreert de huisartsgeneeskunde in ons land. Toch is er de laatste jaren fundamentele kritiek, zodanig dat er zelfs gesproken wordt van een crisis. De principes van evidencebased medicine die ten grondslag liggen aan de richtlijnen zouden leiden tot een technocratische en prestatiegedreven geneeskunde die een persoonsgerichte, holistische benadering in de weg staan. Het symposium is op uitnodiging. De oratie (start 16.30 uur) is een openbare academische zitting. Deze lezing wordt opgenomen en is naderhand -net als de oratietekstopvraagbaar bij onze redactie. 30 1 e uitgave 2017 Symposium Onbezorgd smullen van vlees, vis, groente en fruit: kan dat nog? DOOR HENDRIK JAN VUNDERINK, REDACTIELID EN 60-PLUSSER Een intrigerende vraag, vond ook onze hoofdredactrice, en dus nam zij mij (als schrijvende pers) mee naar het symposium over voeding nu en in de toekomst, dat onder deze titel op 16 december 2016 gehouden werd in Maastricht. We zagen een paar bekende collega’s in de collegezaal.1 Na vele presentaties door professoren, voedingsdeskundigen, koks en zelfs een entomoloog is mijn antwoord op de beginvraag een volmondig ja! Alleen dat “onbezorgd” is een rekbaar begrip, want je moet wel op een aantal zaken letten, vooral als je al wat ouder bent. Of als je huisarts bent van een oudere. Over voeding voor ouderen en zorgbehoevenden werden veel, en zeker ook voor huisartsen belangwekkende zaken verteld door prof. dr. ir. Lisette de Groot, hoogleraar Voeding en Ouderen uit Wageningen, en door prof. dr. Luc van Loon, hoogleraar fysiologie van inspanning aan het MUMC+ te Maastricht. Veel van de informatie komt uit hun gezamenlijke ProMuscle studie. Van Loon liet zien, dat behoud van spiermassa en –functie afhankelijk is van 2 anabole stimuli, die elkaar beïnvloeden: eiwitintake (voeding) en spiercontractie (beweging). Per dag heb je een turnover van spierweefsel van 1 – 2 %, dus binnen 50 – 100 dagen hebben al je spieren zich vernieuwd. Daar is veel eiwit voor nodig, zo’n 1,5 gram/ kg lichaamsgewicht/dag. En als de intake goed verloopt, zijn de verorberde aminozuren al binnen 2 uur verwerkt in nieuwe spiermassa: “je bent wat je eet (of wat je zojuist gegeten hebt”). De tweede anabole stimulus is spiergebruik, en wel elke vorm van fysieke inspanning. Van Loon c.s. hebben aangetoond, dat bewegen vóór de maaltijd, maar ook daarna, ervoor zorgt, dat de aminozuren effectiever gebruikt worden bij de spiereiwitsynthese. Er bestaat synergie tussen de beide stimuli. Maar ook zonder fysieke inspanning worden aminozuren nog verwerkt tot spier. De andere kant van de medaille is, dat immobilisatie en insufficiënte voeding heel snel leiden tot spieratrofie en krachtsverlies: 1 week bedrust zorgt, zelfs bij een normaal voedingspatroon, voor een spiermassaverlies van 1,4 kg. En in een onderzoek van De Groot in Wageningen bleken ouderen zes maanden training 1 Een van hen, de pas afgestudeerde Rhea Heeringa, heeft ook een artikel over dit symposium geschreven nodig te hebben om die spiermassa weer terug te krijgen. Citaat van Van Loon: “wat je in één week verkloot, kost zes maanden om weer goed te maken!” De Groot liet in haar presentatie zien, dat voedingsdeficiënties bij veel senioren een probleem vormen bij het Gezond Ouder Worden. Dit laatste gedefinieerd als voorkómen en terugdringen van beperkingen in het functioneren. Naast voldoende eiwit gaat het ook om voldoende vitamine D. In 2015 waren er in Nederland drie miljoen 65-plussers, waarvan 95% thuis woonde. De helft van hen heeft één of meer chronische aandoeningen. In woon-, zorg- en welzijnsinstellingen verbleven in dat jaar 140.000 senioren. Van die groep lijdt 20% in meer of mindere mate aan ondervoeding! In ziekenhuizen ligt dat percentage tussen 25-40%. Maar ook die thuiswonende 95% zal niet nauwkeurig het door de Schijf van Vijf voorgeschreven, meer mediterrane dieet volgen, dus daar ligt zeker een taak voor de huisarts(praktijk). Let er bijvoorbeeld eens op, of ouderen in uw praktijk het suppletie-advies voor vitamine D volgen. Als zij de benodigde 20 microgram/dag halen, geeft dat 20%28 % fractuurreductie bij valincidenten! Maar dat halen de meeste niet, want uit voeding haal je zo’n 5 microgram, en bij lekker weer nog eens 7 microgram door het zonnetje op je huid. Dus suppleren: vrouwen van 50–70 jaar dagelijks 10 microgram, boven de 70 iedereen 20 microgram. Wat betreft de voeding voor ouderen adviseert De Groot om het door het Voedingscentrum voor een bepaalde leeftijd en geslacht (internet: De Schijf van Vijf voor jou) geadviseerde menu nog eens te verrijken met eiwit, bijvoorbeeld met eiwitshakes van de drogist. Samengevat luiden de adviezen van beide hooggeleerden ten behoeve van behoud van spiermassa en –functie bij ouderen: • Blijf zo actief mogelijk, beweeg waar mogelijk • Zorg voor meer eiwitrijke voeding • Verdeel die over de hoofdmaaltijden • Neem wat extra eiwit voor het slapen gaan Of het allemaal zo makkelijk in praktijk te brengen is, weet ik niet zeker, maar ik denk wel, dat het voor de gemiddelde huisarts goed is om te weten. Vandaar, dat ik u er bij deze deelgenoot van heb gemaakt. PS: in de rubriek “Weten is Eten” meer praktische tips voor een eiwitrijke voeding! 31 op één lijn 57
Page 32
op één lijn 57 1 e uitgave 2017 Weten is eten Bodybuilding voor senioren DOOR HENDRIK JAN VUNDERINK, REDACTIELID Eiwitrijke voeding, was dat niet iets voor topsporters, Schwarzeneggers en aanverwante types? Toch niet: tijdens de groei hebben kinderen en jongeren relatief meer eiwit in de voeding nodig, maar uit de ProMuscle studie van MUMC+ en WUR blijkt onomstotelijk, dat ook bij het klimmen der jaren een eiwitrijke voeding onontbeerlijk is om een beetje op de been te kunnen blijven (zie mijn artikel elders in dit blad). Het advies is een intake van 1,5 gram/kg lichaamsgewicht/dag. Voor een gemiddelde oudere van 75 kg wordt dat dan 112,5 gram eiwit per dag. Mijn volgende vraag, en natuurlijk ook de uwe, is meteen: wat is dat dan, eiwitrijke voeding? En valt daar nog iets smakelijks van te kokkerellen? Ik ben het gaan uitzoeken, en de opbrengst viel me niets tegen. Niet verrassend (want what’s in a name?) blijkt een ei het meeste eiwit per 100 gram te leveren: 27,3 gram! Dat komt voor een biologisch ei uit de M-klasse neer op 6 gram, waarvan 2/3 voor rekening komt van de dooier en niet van het wit... Ook kipfilet (altijd biologisch!) scoort hoog, 21,5 gram eiwit per 100 gram. Maar vis, en dan vooral zalm, scoort nog beter: 100 gram levert je 25 gram eiwit! En vergeet de zuivel niet: melk bevat 2 hoogwaardige eiwitten, wei en caseïne. Magere melk levert 3,9 gram eiwit per 100 gram (een glas is 200 gram), maar de wei is de grondstof voor al die poeiertjes en shakes die ik altijd alleen associeerde met de sportschool(types). Andere eiwitrijke voedingsmiddelen: peulvruchten, quinoa, schaal- en schelpdieren en allerhande noten, zaden en pitten. Genoeg houvast dus om de keuken mee in te gaan, en als oudere jongere had ik in een uurtje een smakelijke lunch op tafel voor 2 personen: spinazie-omelet met gerookte zalm. De omelet zelf levert in totaal 85,8 gram eiwit, dus 42,9 gram per persoon, wat al iets meer is dan 1/3 van de dagelijkse behoefte. Eigenlijk een heel goed idee voor de lunch na de anabole stimulans van het eieren zoeken: Vrolijk Pasen! Maak een mise-en-place van: - 4 eieren (24 gram eiwit) - 200 gram verse spinazie (10 gram eiwit) - 50 gram pijnboompitten (13,5 gram eiwit) - 10 gram gesnipperde bieslook (0,5 gram eiwit) (25 gram eiwit) Kluts de eieren, breng op smaak met peper en zout. Snijd de verse spinazie in reepjes en bak de groente met wat olie in de pan tot ze geslonken is. Schenk dan het eiermengsel erbij en bak de spinazie-omelet in c.a. 5-10 minuten gaar. Laat ‘m daarna een paar minuten afkoelen. Snijd in de tussentijd de bieslook fijn, en geef de pijnboompitjes een kleurtje door ze even te roosteren. Spreid een vel plasticfolie uit op het aanrecht en laat daar voorzichtig de omelet op glijden. Leg de plakken zalmfilet in het midden van de omelet. Verdeel hier de cottage cheese overheen, gevolgd door de fijngesneden bieslook en wat pijnboompitjes. Rol de omelet een beetje stevig op met behulp van het folie, draai de uiteinden dicht en laat hem body builden in de koelkast. Haal hem er na een half uurtje uit, verwijder de folie, snijd - 100 gram cottage cheese (12,8 gram eiwit) - 100 gram gerookte zalm in plakken in plakjes en serveer met wat tomaatjes en/of een frisse salade (avocado is ook heel eiwitrijk!) en wat lekker brood. En mocht je je willen voorbereiden op Maastrichts Mooiste, drink er dan een heerlijke eiwitshake bij uit de sportschoolpot. 32 1 e uitgave 2017 Ingezonden Practice what you preach DOOR RHEA HEERINGA, WAARNEMEND HUISARTS Na het symposium “onbezorgd smullen van vlees, vis, groenten en fruit; kan dat nog?”, ben ik teleurgesteld naar huis gegaan. De belangrijkste reden hiervoor: het falen van een rolmodel. Volgens de van Dale is een rolmodel: “iemand die op voorbeeldige manier voldoet aan een wenselijk geacht rollenpatroon”1. Als de meerderheid van de sprekers op een symposium staat te verkondigen wat gezonde voeding is terwijl ze zelf evident overgewicht hebben, dan vind ik dat op zijn minst gezegd geen voorbeeldige manier. Het maakt hun boodschap voor mij zelfs ongeloofwaardig. Weten we niet al jaren dat na-apen een belangrijke factor in opvoeding is? Het is een kwestie van volhouden: in de winkel zeg je iedere keer bedankt na het afrekenen van je boodschappen en warempel, op een dag bedankt je vierjarige dochter uit zichzelf de winkelier als ze haar mandarijntjes heeft betaald. Ik heb het gevoel dat we in ons werkende leven minder bewust bezig zijn met dit rolmodelschap of het effect van na-apen. Daar waar we weten dat rolmodellen ook in de geneeskunde en rol spelen2, zijn er nog steeds artsen die roken, overgewicht hebben of de hele dag op een stoel zitten. Gelukkig zijn er in ons vak, in mijn ogen, wel degelijk echte rolmodellen. Neem een huisarts die gaat wandelen met patiënten tussen de middag of een huisarts die 15 minuten per patiënt inplant omdat ze anders teveel stress ervaart. Een cardioloog die zich bewust is van het effect van na-apen en staand spreekuur houdt. Wat is het wenselijk geacht rollenpatroon? In hoeverre moeten we verantwoordelijkheid nemen? In welke mate kunnen we collega’s aanspreken op ongezond gedrag? Ik heb geen antwoorden op bovenstaande vragen maar vind het uitermate interessant en belangrijk om hier wel over in discussie te gaan met elkaar. Ben ik een goed rolmodel? Zeker niet altijd, maar ik ben me bewust van het effect van na-apen. Dus ga ik te voet of op de fiets mijn visites afleggen zodra dit ook maar een beetje kan qua afstand en tijdsplanning en geniet ik van de glimlach van de patiënten in het dorp waar ik regelmatig waarneem die de ‘wandelende dokter’ in de wijk inmiddels wel herkennen. Ik ben een voorstander van “practice what you preach”. Referenties 1 vandale.nl/opzoeken?pattern=rolmodel&lang=nn 2 Goed voorbeeld doet goed volgen: een zoektocht naar rolmodellen in het praktisch klinisch onderwijs; J.H. Stegeman NTVG Contextgeneeskunde, maar dan anders Ervaringen van een HAB in een vluchtelingenkamp INTERVIEW DOOR HENDRIK JAN VUNDERINK, REDACTIELID “Mijn meest indrukwekkende consult was, denk ik, een van mijn laatste consulten. Ik zag een meisje van 8 jaar uit Congo met buikpijn. Ik vond na onderzoek eigenlijk geen goede medische verklaring voor de buikpijn, dus vroeg aan haar tante hoe het verder met het meisje ging. Het bleek dat ze pas 3 dagen geleden met de rubberboot waren aangekomen vanuit Turkije. De smokkelaar in Turkije had een andere vluchteling op de boot met een pistool gedwongen om de buitenboordmotor te besturen, zo gaat dat altijd. 33 op één lijn 57
Page 34
op één lijn 57 1 e uitgave 2017 (maart 2016) zitten deze mensen zo goed als vast, want de immigratiediensten werken erg langzaam: per week worden ongeveer 100 vluchtelingen doorgeleid de EU in, maar in diezelfde week arriveren er 150 nieuwe. Dus is het kamp met ongeveer 5000 bewoners overvol, met getraumatiseerde mensen zonder uitzicht en ondergebracht in erbarmelijke omstandigheden, soms in containers, maar veelal in koepeltentjes met dunne matrasjes op de grond. In december dus, met ook op Lesbos nachtvorst en natte sneeuw. De gevolgen laten zich raden: veel lichamelijke klachten waaronder infectieziektes zoals scabiës, luchtweginfecties en veel psychische problematiek: slaapstoornissen, PTSS, paniekaanvallen, automutilatie, suïcidaliteit enz. Logisch dat de spanningen er regelmatig hoog oplopen, wat soms leidt tot opstootjes en verwondingen. De sfeer in het kamp is ook vaak geladen, er is continu politieaanwezigheid en er is zelfs een soort gevangenis op het terrein. Kort na vertrek was haar jongere zusje overboord gevallen en verdronken, omdat de bestuurder niet wist hoe hij met de boot moest draaien. Mijn patiëntje tegenover mij had dus haar zusje zien verdrinken. Geen wonder dat ze buikpijn had. Zoveel is een mensenleven waard op de grenzen van Europa.” Met dit verhaal begon het gesprek, dat ik had met Martijn Verhoeckx, huisarts en groepsbegeleider in het blok Acute Zorg in jaar 2 van de huisartsopleiding. In december jl. werkte hij 2 weken in vluchtelingenkamp Moria op Lesbos in Griekenland, voor de Stichting Bootvluchteling. Hij had zich aangemeld na het lezen van de oproep die een half jaar daarvoor circuleerde bij ons op het instituut. Het contact met en de begeleiding door de Stichting verliepen heel goed en professioneel. Bij aankomst op Lesbos kon Martijn zijn intrek nemen in de villa die beschikbaar is voor de tijdelijke medewerkers. Of villa… meer een studentenhuis: met z’n vieren op één kamer in wankele stapelbedden. Maar geen probleem, want het was een fijne, gemotiveerde groep van ongeveer 20 artsen, (GGZ-)verpleegkundigen en psychologen, ongeveer de helft uit Nederland, de rest uit Portugal, het UK, de USA en België. Deze groep verzorgde de eerstelijns spoedzorg tussen ’s middags 4 uur en ’s ochtends 9 uur. Overdag was Médecins du Monde verantwoordelijk. De zorg werd verleend vanuit twee cabins midden in het kamp, steeds door een team van 1 verpleegkundige voor triage en crowd control, 2 artsen en tolken uit het kamp zelf. Toen Martijn er was, bestond de kampbevolking voor ongeveer 50 % uit Syriërs, 15 % Irakezen, 15 % Afghanen, en de rest mensen uit Iran, Myanmar, Eritrea, Congo, Sierra Leone, Mali en Palestina. Een herkenbaar rijtje voor wie wel eens naar het journaal kijkt. Sinds de deal tussen de EU en Turkije 34 Het patiënten aanbod is een beetje vergelijkbaar met dat op de huisartsenpost in Nederland tijdens een avond-, nachtof weekenddienst, maar er zijn ook veel verschillen. Je ziet regelmatig mensen met on- of onderbehandelde chronische ziekten of lichamelijke klachten ten gevolge van geweld in het land waar men vandaan komt. Ook zijn er veel meer psychische klachten en het is veel moeilijker om te zorgen voor continuïteit van de zorg. Je moet veel improviseren, ook met medicatie dus dat zijn vaak interessante uitdagingen. Bij ernstiger casuïstiek worden de patiënten verwezen naar het ziekenhuis in de hoofdstad Mytilini, zo’n 20 minuten rijden verderop. Aan alles is wel te merken, dat de gezondheidszorg op het eiland volledig overbelast is. Het ziekenhuis beschikt bijvoorbeeld over maar één psychiater. Het geld, dat de EU beschikbaar heeft gesteld voor de opvang, was in december in ieder geval nog niet duidelijk aan verbetering van de omstandigheden op Lesbos besteed. Twee weken leverden een schat aan ervaringen en vaak heftige indrukken op en soms gevoelens van machteloosheid maar Martijn beschouwt het als een waardevolle tijd. Hij heeft het gevoel toch iets tastbaars te hebben kunnen doen voor de vluchtelingen. Hij overweegt ook zeker om nog een keer terug te gaan. Wie overweegt om zelf ook een bijdrage te gaan leveren kan voor meer praktische informatie of persoonlijke ervaringen contact opnemen met Reina Timmer, huisarts en medisch adviseur voor Stichting Bootvluchteling op Lesbos. Mail naar reinatimmer@hotmail.com of bel naar 0031-642268707. Martijn Verhoeckx is uiteraard ook bereikbaar voor het geven van verdere informatie via martijn.verhoeckx@maastrichtuniversity.nl 1 e uitgave 2017 Ex-aios: hoe vergaat het ze? Eindelijk een vaste stek DOOR GIDEON DEN OUDEN, HUISARTS IN ROERMOND Na een lange weg van herhaaldelijk uitloten voor de basisopleiding Geneeskunde, een jaar Nederlands Recht, HBO-Verpleegkunde en uiteindelijk het aanvechten van het niet meer mee mogen loten via de hardheidsclausule schrijven we juni 2014, eindelijk huisarts. Een nieuwe, spannende levensfase. Zal er wel genoeg werk zijn voor pas afgestudeerde huisartsen? Wordt het veel diensten doen? Of worden het korte dagwaarnemingen? Zal het me toch lukken een vaste stek te bemachtigen? Tijdens de laatste weken van mijn opleiding deed zich de kans voor een praktijk te gaan overnemen in Roermond. Helaas bleek dit net te vroeg te komen en waren er meerdere gegadigden waardoor uiteindelijk deze mogelijkheid aan mijn neus voorbij ging. De vaste stek moest even op zich laten wachten. Dan de overige opties maar exploreren. Via mijn laatste opleidingspraktijk kwam ik in contact met Medisch Centrum Elsloo, waar ik een langdurige ziektewaarneming kon doen. Gelijk een goede binnenkomer. Aan het begin van mijn opleiding was ik al eerder met mijn vrouw Mayke vanuit Maastricht naar Geulle verhuisd. Elsloo lag hier letterlijk om de hoek. Wat een geluk. In deze periode werd ook onze eerste zoon Samuël geboren. Toen het einde van deze waarneming naderde, deed zich de kans voor om als waarnemer aan de slag te gaan in Lindenheuvel te Geleen, bij huisartsenpraktijk Niessen. Ook direct voor langere tijd, zelfs met optie tot associatie, voor 3 dagen in de week. De overige dagen werden opgevuld met diensten en korte waarnemingen op andere plekken in de regio, zijnde Medisch Centrum Sittard Oost en Huisartsenpraktijk Munstergeleen. Via een oproep op het prikbord van de huisartsenpost Roermond kwam ik in contact met Huisartsenpraktijk G.H.M. ten Oever te Roermond. Collega ten Oever zocht een waarnemer en een mogelijke opvolger voor zijn praktijk. Het eerste jaar van mijn opleiding tot huisarts zat ik in een praktijk in Roermond, en in het ziekenhuis daar deed ik ook mijn spoedeisende hulpstage. Hierdoor voelde Roermond aan als thuiskomen. Er was direct sprake van een goede klik, niet alleen met collega ten Oever, maar ook met de assistentes en de rest van het ondersteunende personeel. Begin 2016 startte ik tevens met een mooi nieuw levensproject, de restauratie van een monumentale hoeve in Amby, Maastricht. Een jaar later, 1 januari 2017 volgde associatie, waarna in de nabije toekomst ook overname van de rest van de praktijk gaat komen. Hoe het allemaal kan lopen in een korte tijd, na een lange weg om huisarts te worden. En tijdens de afronding van dit artikel werd ook nog onze tweede zoon, Elíjah geboren. De praktijk in Roermond Gideon den Ouden, geboren 22-11-1978 te Tegelen Getrouwd met Mayke Janssens Twee kinderen, Samuël en Elijah den Ouden 35 op één lijn 57
Page 36
op één lijn 57 1 e uitgave 2017 Gezondheidsrechtelijke kwesties Interprofessioneel teamoverleg DOOR JERÔME VAN DONGEN, ONDERZOEKER BIJ ZUYD HOGESCHOOL EN VAKGROEP HUISARTSGENEESKUNDE1 Interprofessioneel teamoverleg: wat mag wel1 en niet rond het delen van patiënt informatie? Inleiding door Mr. Arie de Jong, huisarts in Goirle en jurist In “Op één Lijn” nummer 51 heb ik geschreven over het beroepsgeheim in het doolhof van het sociale domein. De overleg structuren zijn sindsdien niet minder geworden. Iedere huisarts of POH-S zit minimaal in een of meerdere overleg structuren. Recent heeft Jerôme van Dongen, gezondheidswetenschapper en onderzoeker (met name naar Interprofessioneel teamoverleg), samen met Loes van Bokhoven en mij een artikel geschreven, dat in de maand februari is gepubliceerd in het tijdschrift voor verpleegkundig experts: TvZ 1 (februari 2017). Gezien de relevantie van dit onderwerp publiceren we dit artikel ook in “Op één Lijn”. Achtergrond Door een toenemende vergrijzing die leidt tot een steeds groter wordende groep van mensen die te maken hebben met multimorbiditeit, neemt ook het aantal complexe zorgvragen toe (Campen van, 2011). Bovendien verandert de kijk op wat gezondheid eigenlijk is. Niet langer is dat ‘de afwezigheid van ziekte’. De nieuwe definitie van gezondheid impliceert, dat er vanuit een breder perspectief naar de patiënt wordt gekeken (lichaamsfuncties, mentale functies en beleving, spirituele en existentiële dimensie, kwaliteit van leven, sociaal-maatschappelijke participatie en dagelijks functioneren) (Huber et al., 2011). Zorg wordt dichter in de buurt van patiënten georganiseerd, waarbij zorg en welzijn goed op elkaar moeten worden afgestemd. Hierbij wordt er vanuit de huisartspraktijk steeds meer samengewerkt met zorgprofessionals van verschillende disciplines, maar ook andere betrokkenen zoals, bijvoorbeeld, welzijnswerk en woningbouwvereniging, wat ook wel interprofessionele samenwerking wordt genoemd. Een belangrijke schakel in die samenwerking is de verpleegkundige 1 i.s.m. dr. Loes van Bokhoven, huisarts in Elsloo en staflid vakgroep Huisartsgeneeskunde UM die als praktijkondersteuner samen met de huisarts interprofessioneel teamoverleg initieert. ‘Korte lijntjes’ tussen zorgverleners worden daarbij als succesfactor voor interprofessionele samenwerking ervaren (Cobben, van Dongen, van Bokhoven, & Daniels, 2016). Door deze ‘korte lijntjes’ kunnen zorgprofessionals op gemakkelijke wijze informatie uitwisselen, taken verdelen, elkaar gericht bevragen en adequaat verwijzen. Een diversiteit aan overlegvormen is de afgelopen jaren ontstaan. Voorbeelden hiervan zijn: het multidisciplinaire overleg (MDO), Hometeam, Sociaal Team, Wijkteam, en Interprofessioneel Teamoverleg. Al deze verschillende overlegvormen hebben een gemene deler, namelijk het afstemmen van zorg en delen van informatie rondom de hulpvraag van de patiënt. TEKSTBOX 1 geeft een beschrijving van de context van een dergelijk interprofessioneel teamoverleg. TEKSTBOX 1 Context Interprofessioneel Teamoverleg Een interprofessioneel team in de eerstelijn bestaat uit zorgprofessionals van verschillende disciplines, bijvoorbeeld huisarts, POH-ggz, POH ouderenzorg, maatschappelijk werker, fysiotherapeut, ergotherapeut en wijkverpleegkundige. Het team bespreekt regelmatig, bijvoorbeeld eens per maand, complexe zorgvragen. Denk aan kwetsbare ouderen en mensen met multimorbiditeit. Doel van het overleg is om samen te komen tot een gezamenlijk, integraal zorgplan. De voorzitter bereidt het overleg voor, maakt een agenda, bewaakt de tijd en structureert de bespreking. De teamleden brengen vooraf de te bespreken patiënten in, maar kunnen ook tijdens het overleg ad hoc acute zaken inbrengen. Bron: van Dongen et al. (2016) Voor het afstemmen van zorg en het delen van informatie, is uitwisseling van gegevens nodig. Voor het delen van patiënt-gerelateerde informatie zijn verschillende wetten en regels geldig. In dit artikel zetten we ze op een rijtje. Wanneer mogen we als team van zorgprofessionals 36 1 e uitgave 2017 patiëntgerelateerde informatie met elkaar delen? Patiëntgerelateerde informatie mag door zorgprofessionals niet zomaar worden gedeeld met anderen. Zorgprofessionals hebben namelijk een wettelijke geheimhoudingsplicht (KNMG, 2014). Op grond van artikel 88 Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (Wet BIG) en de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) hebben artsen, tandartsen, apothekers, gezondheidszorgpsychologen, psychotherapeuten, fysiotherapeuten, verloskundigen en verpleegkundigen een medisch beroepsgeheim. Voor verpleegkundigen en verzorgenden zijn ethische uitgangspunten voor de beroepsuitoefening, zoals geheimhoudingsplicht, verder uitgewerkt in de “Beroepscode van Verpleegkundigen en Verzorgden” (V&VN, 2015). Ook voor maatschappelijk werkers is de geheimhoudingsplicht geregeld in de vorm van een beroepscode. Voor Verpleegkundig Specialisten is dit geregeld in een overgangsregel en Algemene Maatregel van Bestuur (AmvB). Professionals in een team van BIGgeregistreerde zorgprofessionals, die allemaal rechtstreeks betrokken zijn bij de behandeling van de patiënt, mogen toestemming van de patiënt voor het uitwisselen van informatie veronderstellen, tenzij uitdrukkelijk verboden door de patiënt. Echter, wanneer een van de aanwezige professionals niet rechtstreeks betrokken is, of geen BIG-registratie heeft (bijvoorbeeld een ouderenadviseur van de gemeente), moet er volgens de wet toestemming worden gevraagd aan de patiënt om informatie uit te mogen wisselen. De patiënt (of diens vertegenwoordiger) kan de zorgprofessionals van hun beroepsheim ontheffen door hen toestemming te geven bepaalde informatie te delen met derden. Volgens de wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) dient deze toestemming vrijwillig, geïnformeerd en doelgericht gegeven te worden. Een patiënt kan slechts toestemming geven, als deze vooraf is ingelicht over het doel van de teambespreking, de inhoud en de mogelijke conseq