Nederlands English
Dit blaadje kun je samen met een begeleider doornemen. Het gaat over het onderwijs van God; de dingen die in de Bijbel staan. Dat heeft altijd met liefde te maken, omdat God Zelf liefde is. Je leert op Gods manier met andere mensen omgaan, maar dat kun je niet van jezelf. Daarom krijg je genade-training (Tit.2:11,12). Bij de genade krijg je iets voor niets en daar word je blij van. God maakt je op een andere manier gelukkig en dat geluk gaat nooit meer voorbij.

Onderwerpen in deze uitgave: Het onderwijs van God (1Tes.4:9); Als eerste uitgekozen (2Tes.2:13a); Als je boos bent (Ef.4:26-27); Als je bezorgd bent (Fil.4:6-7a); ‘Gewoon’ jezelf zijn? (Ps.139:4-5)

Genade-training deel 1


Page 0
Page 18
ALS EERSTE UITGEKOZEN 2 Tessalonicenzen 2:13a Wat betekent ‘een geluksvogel zijn’? … Een ‘geluksvogel’ is geen nieuwe vogelsoort, maar het is iemand die vaak geluk heeft. Nu is ‘geluk hebben’ natuurlijk wel leuk, alleen dat is meestal maar eventjes zo. Bij Gods genade-training is dat anders. Hij maakt je op een andere manier gelukkig en dat geluk gaat nooit meer voorbij. De apostel Paulus schreef veel brieven en die brieven zijn later bijbelboeken geworden. Dat komt omdat hij deze dingen van God en de Heer aan de volken moest vertellen. In één van deze brieven staat: 16 “Vrienden, de Heer houdt van jullie. Ik dank God altijd voor jullie, ik kan niet anders. Want God heeft jullie als eersten uitgekozen om gered te worden.” 2Tes.2:13a [BGT] Hier heeft Paulus het erover dat God mensen uitkiest. Dus je boft maar als God je als eerste heeft uitgekozen. Je bent een geluksvogel als je nu al mag geloven dat de Here Jezus gestorven is en opgestaan en leeft. En dat je, samen met alle andere gelovigen, als eerste aan de beurt komt om dat leven ook te krijgen. Maar uiteindelijk zal God alle mensen redden. Iedereen zal bij God thuiskomen en daar gaat Hij de gelovige mensen voor gebruiken. VERHAALTJE uit de praktijk ‘Papa, u vertelde ons de vorige keer dat u genadetraining krijgt van God,’ zegt Sara. ‘Ja, dat klopt, Sara,’ zegt Benjamin, ‘ik ben ook nog aan het leren.’ ‘Wat was u ook alweer aan het leren, papa?’ vraagt Joas. ‘Ik weet het nog, pap. Mag ik het zeggen?’ ‘Oké, vertel het dan maar, Sara.’ ‘U vertelde dat God u door de genade leert, hoe u op Zijn manier met andere mensen om kan gaan.’ 17
Page 24
Sara en Joas denken na. Ja, daar hebben ze wel eens van gehoord. ‘En dat is de Here Jezus, hè mama?’ zegt Sara. ‘Inderdaad,’ zegt Naomi, ‘en dat heeft God tweeduizend jaar geleden al gedaan.’ ‘Is dat al zo lang geleden?’ vraagt Joas. Naomi knikt. ‘Ja, en daardoor zijn wij nu rijk geworden.’ ‘Maar hoe dan, mama?’ vraagt Sara. ‘Omdat de Heer gestorven is en opgestaan en leeft!’ ‘Dus wij zijn rijk omdat de Here Jezus is opgestaan? Hoe kan dat dan, mama?’ vraagt Joas. ‘Dat komt,’ zegt Naomi, ‘omdat de Heer nooit meer dood zal gaan.’ ‘Maar wat hebben we daar dan aan?’ vraagt Sara. ‘Nou, wat God met de Here Jezus heeft gedaan, dat zal ook met álle andere mensen gaan gebeuren.’ 22 ‘Dus iedereen krijgt een keer zo’n leven, net zoals de Here Jezus?’ ‘Ja,’ zegt Naomi, ‘dat klopt Joas, alleen niet alle mensen tegelijk. Want de mensen die nu al geloven, komen het eerste aan de beurt.’ ‘O, dan boffen wij,’ zegt Sara. ‘Helemaal waar,’ zegt Naomi, ‘wij zijn enorme bofkonten, omdat God ons als eersten heeft uitgekozen. En we krijgen nog veel meer, allemaal rijkdom in de hemel.’ ‘Maar natuurlijk niet omdat we zelf zo goed zijn,’ zegt Benjamin, ‘want bij de genade krijg je …?’ ‘Ik weet het, papa,’ zegt Joas, ‘bij de genade krijg je iets voor niets en daar word je blij van.’ ‘Precies,’ zegt Benjamin, ‘en als je gelooft dat de Here Jezus gestorven is en opgestaan en leeft, dan heeft God daarvoor gezorgd.’ ‘Ik denk dat ik het helemaal snap,’ zegt Joas. ‘O ja, Joas?’ vraagt Benjamin. ‘Kun je dat uitleggen?’ ‘Nou Pietje, mijn parkietje, hebben we ook uitgekozen in de winkel, pap.’ ‘Dat is waar, Joas, en wilde je daar nog wat meer over vertellen?’ ‘Ja, want op dezelfde manier heeft God ons ook uitgekozen. En daarom zijn wij geluksvogels.’ ‘Wat een mooi voorbeeld, Joas. Je hebt er goed over nagedacht,’ zegt Benjamin. 23
Page 28
2. Als je gelooft dan ben je rijk: A) omdat je het dan nooit moeilijk zult hebben. B) omdat je weet dat God je hetzelfde leven gaat geven als Hij aan de Here Jezus gaf. 3. Je komt als eerste aan de beurt om gered te worden: A) omdat God je uitgekozen heeft. B) omdat je zelf voor de Here Jezus hebt gekozen. 4. Je bent een geluksvogel: A) omdat je nooit pech hebt. B) omdat je nu al mag geloven dat de Here Jezus gestorven is en opgestaan en leeft. 5. God gaat er voor zorgen dat: A) alleen de mensen die nu al geloven bij Hem thuis zullen komen. B) alle mensen bij Hem thuis zullen komen en daar gebruikt Hij de gelovige mensen voor. 26 NAPRATEN Heeft iemand jou wel eens iets heel moois beloofd? … En wat werd je daarvan? … Als iemand je iets heel moois belooft, dan kun je daar erg blij van worden. En dat heeft God ook gedaan. Hij heeft je iets heel moois beloofd, want Hij gaat met jou hetzelfde doen als wat Hij met de Here Jezus heeft gedaan. Hij zal er voor zorgen dat je hetzelfde leven krijgt als de Here Jezus heeft gekregen. Zullen we God, onze Vader, daarom bedanken voor wat Hij allemaal beloofd heeft? ANTWOORDEN Vraag 1: Het goede antwoord was antwoord B) Door de genade krijg je blijdschap in je hart omdat je door de genade gaat begrijpen hoe gelukkig je bent. Vraag 2: Het goede antwoord was antwoord B) Als je gelooft ben je rijk omdat je weet dat God je hetzelfde leven gaat geven dat Hij aan de Here Jezus gaf. Vraag 3: Het goede antwoord is antwoord A) Je komt als eerste aan de beurt om gered te worden omdat God je uitgekozen heeft. 27
Page 32
“Als je boos bent, ga dan geen verkeerde dingen doen. Laat de zon niet ondergaan terwijl je dat nog bent. Geef de duivel geen kans om invloed op je krijgen.” Ef.4:26-27 [BGT+] Het is beter dat de dag niet voorbij gaat, voordat je je boosheid bij God hebt gebracht. Vertel het maar gewoon aan God, de Vader. Dan zal Hij ervoor gaan zorgen, dat de duivel geen kans krijgt. Want dat doet de tegenstander graag: hij wil je in de war brengen met dingen die niet waar zijn en dat lukt hem veel beter als je boos bent. VERHAALTJE uit de praktijk ‘Mama, u vertelde ons de vorige keer dat God ons rijk heeft gemaakt,’ zegt Sara, ‘maar dat Hij dat niet met geld doet, hè?’ ‘Dat klopt, Sara,’ zegt Naomi, ‘God heeft ons rijk gemaakt door de Here Jezus. Want omdat de Heer nooit meer dood zal gaan, zullen alle mensen een keer levend gemaakt worden. Maar omdat God ons heeft uitgekozen, zijn wij het eerste aan de beurt. Niet omdat we zelf zo goed zijn, maar omdat Hij ons geloof gegeven heeft. En we krijgen nog veel meer van God, allemaal rijkdom in de hemel.’ ‘Maar wat heb je daar dan aan, mama, als God je rijk heeft gemaakt?’ vraagt Joas. ‘Want je kunt er geen dingen van kopen die je leuk vindt.’ 30 ‘Nou, daar heb je heel veel aan, Joas,’ zegt Naomi. ‘Want als je gaat begrijpen hoe rijk je bent, dan ga je daardoor anders leven.’ ‘Hoe komt dat dan?’ ‘Dat komt omdat je dan weet dat je een geluksvogel bent.’ ‘O ja,’ zegt Joas, ‘net zoals Pietje, mijn parkietje.’ ‘Precies, en als je weet hoe gelukkig je bent, dan kun je beter met dingen die gebeuren omgaan. Dingen die misschien wel helemaal niet zo leuk zijn.’ ‘Mama, ik voelde mij vandaag helemaal geen geluksvogel, maar juist een grote pechvogel.’ Naomi gaat naast Joas zitten. ‘Is dat zo, Joas?’ ‘Ja, ik ging vanmiddag naar de training van de voetbal en we hadden helemaal geen geluk. We hadden juist heel veel pech.’ 31
Page 36
‘En hoe doet God dat dan?’ wil Sara weten. ‘Nou, dat doet Hij door de genade, Sara, God leert ons alles door de genade.’ ‘O ja, want daarom heet het genade-training.’ Benjamin knikt. ‘En daar moet ik nog iets bij vertellen. Want de genade-training die we krijgen, is óók niet altijd leuk.’ Dat begrijpen Sara en Joas wel. ‘Maar door de oefeningen die we van God krijgen, leren we wel het meest,’ zegt Benjamin. ‘Net zoals bij de voetbal, pap?’ ‘Ja, daar lijkt het wel een beetje op, Joas, maar dan op een andere manier.’ ‘Bent u ook wel eens teleurgesteld en boos, pap, als u genade-training krijgt?’ ‘Ja, Joas, soms ben ik het er niet mee eens. Dan wil ik dat God het anders doet.’ 34 ‘Dus u begrijpt het wel als ik mij soms geen geluksvogel voel, maar een grote pechvogel?’ ‘Ja, Joas, dat begrijp ik.’ Joas denkt even diep na. ‘Dat is fijn, pap, dat u het begrijpt. En dat het ook niet erg is dat ik mij zo voel.’ ‘Dat is helemaal niet erg, Joas, want dat hoort er allemaal bij. En het is heel goed van je dat je hierover met ons wilt praten.’ Joas kijkt alweer wat vrolijker, hij is een beetje opgelucht. ‘En zo is het ook bij God, Joas,’ zegt Benjamin. ‘Het is heel goed als we met Hem praten over dingen die we moeilijk vinden.’ ‘Begrijpt God dat dan ook, papa?’ ‘Zeker Joas! Hij begrijpt het veel beter dan we het zelf begrijpen.’ ‘O,’ zegt Joas, ‘dus ik kan alles aan God vertellen?’ ‘Ja Joas, dat kan altijd. En dat is ook heel belangrijk.’ ‘Waarom is dat belangrijk dan?’ ‘Nou, je weet toch wie de tegenstander is van God?’ Joas knikt. ‘Ja, dat is de duivel.’ ‘Heel goed, Joas, en de duivel wil het liefst dat we boos blíjven.’ ‘En waarom wil hij dat dan, papa?’ ‘Als we boos blijven dan kan hij ons beter in de war brengen met dingen die niet waar zijn.’ ‘In de war brengen, wat is dat, pap?’ 35
Page 44
De apostel Paulus schreef veel brieven en die brieven zijn later bijbelboeken geworden. Dat komt omdat hij deze dingen van God en de Heer aan de volken moest vertellen. In één van deze brieven staat: “Maak je geen zorgen, maar vraag God alles wat je nodig hebt. Bid tot God, wat er ook gebeurt. En dank Hem altijd. Dan zal God Zijn vrede aan jullie geven.” Fil.4:6 [BGT] Jezelf zorgen maken is niet fijn. Maar God kan er voor zorgen dat we ons geen zorgen maken, daar gaat het volgende verhaal over. Het gaat niet over de vrede van mensen maar over de vrede van God. VERHAALTJE uit de praktijk ‘Papa?’ vraagt Joas, ‘u vertelde toch dat u iedere dag wat leert op school bij God?’ vraagt Joas. ‘Dat klopt,’ zegt Benjamin, ‘dat heb ik inderdaad wel eens gezegd. Maar waarom vraag je dat, Joas?’ ‘Nou, dan bent u wel snel klaar, pap, als u iedere dag maar één ding leert. Op de gewone school moeten we veel meer dingen leren op één dag.’ ‘O, bedoel je dat?’ zegt Benjamin. ‘Maar het zit toch een beetje anders dan jij denkt, Joas. Want we kunnen heel de dag wat van Gods liefde leren.’ ‘Hè?’ zegt Joas verbaasd, ‘heel de dag?’ 42 ‘Ja,’ zegt Benjamin. ‘Kun je op de genadeschool dan ook ’s avonds leren?’ wil Sara weten. ‘Ja hoor,’ zegt Benjamin, ‘dat kan. En ook ’s morgens vroeg, als je wakker wordt.’ ‘En midden in de nacht, papa?’ vraagt Joas. Benjamin knikt. ‘Ook dan kun je genade-training krijgen.’ ‘Maar hoe kun je dan ’s nachts getraind worden?’ ‘Dat zal ik aan jullie uitleggen,’ zegt Benjamin. ‘Het gebeurt wel eens dat iemand niet zo goed kan slapen, omdat die persoon zich zorgen maakt …’ ‘Wat zijn dat, papa? Zorgen?’ vraagt Joas. ‘Nou, mensen maken zich wel eens zorgen, als ze denken dat iets verkeerd gaat aflopen,’ zegt Benjamin. ‘Iedereen wil dat het goed afloopt.’ ‘Dat heb ik ook,’ zegt Joas. ‘Ik wil óók dat het goed 43
Page 46
afloopt als ik een wedstrijd bij de voetbal speel.’ ‘Ja,’ zegt Benjamin. ‘En dat gaat binnenkort gebeuren, hè Joas? Je eerste echte wedstrijd tegen een andere club.’ Joas knikt. ‘Alle mensen maken zich toch wel eens zorgen, pap?’ vraagt Sara. ‘Ik denk het wel,’ zegt Benjamin, ‘alleen grote mensen maken zich vaak veel meer zorgen dan kinderen.’ ‘Dat is dan niet zo mooi,’ zegt Joas peinzend, ‘voor die grote mensen.’ ‘Nee, zeker niet,’ zegt Benjamin. ‘Maar als grote mensen gaan begrijpen dat God altijd voor ze zorgt, weten jullie wat ze dan worden?’ ‘Worden ze dan nog groter, pap?’ ‘Nee, dat niet, Joas, eigenlijk meer het tegenovergestelde.’ 44 ‘Hoezo dan, papa?’ vraagt Sara. ‘Nou, als grote mensen gaan begrijpen dat God altijd voor ze zorgt, dan worden ze weer een beetje kind.’ ‘Hè?’ zegt Sara verbaasd. ‘Ha, ha, dat is grappig!’ roept Joas. Sara denkt diep na. ‘En mogen we God dan ook ‘Papa’ noemen? Onze hemelse Papa, omdat Hij voor ons zorgt?’ Benjamin knikt. ‘Je hebt er goed over nagedacht, Sara. Ja, God is onze Vader en we mogen Hem zelfs ‘Papa’ noemen. Is dat niet bijzonder?’ Sara en Joas knikken. ‘Dus onze hemelse Papa kan er voor zorgen, dat we ons geen zorgen meer over iets maken?’ vraagt Joas. ‘Zeker,’ zegt Benjamin, ‘en dat doet Hij door ons Zijn vrede te geven, want die hebben we niet van onszelf.’ ‘En wat gebeurt er dan als we die vrede krijgen?’ ‘Nou, daar worden we Heer-lijk rustig van, Sara.’ ‘Worden we dan net zo rustig als de Here Jezus?’ ‘Ja, Joas. Want omdat de Heer weet dat er bij God nooit iets misgaat, maakt Hij Zich nergens zorgen over.’ ‘Dus bij God gaat er nóóit iets mis?’ ‘Precies, Joas. En omdat God ons vanbinnen verandert, zullen we steeds meer op de Heer gaan lijken.’ 45
Page 48
‘Papa?’ vraagt Joas. ‘Maakt u zich dan nooit meer zorgen?’ ‘Soms nog wel Joas, maar nu ik begrijp dat God, de Vader, voor mij zorgt, is het wel veel minder geworden.’ Joas lacht. ‘Dus dan bent u ook weer een beetje kind geworden.’ ‘Ja,’ zegt Benjamin, ‘dat klopt.’ ‘Maar wat doet u dan, papa? Als u zich wél zorgen maakt?’ vraagt Sara. ‘Nou, dan lees ik in de Bijbel en praat ik daarover met God. En dan dank ik Hem ook.’ ‘Waarom bedankt u Hem dan?’ ‘Ik bedank Hem omdat Hij onze Vader is.’ ‘Aha,’ zegt Joas, ‘en wat gebeurt er dan?’ ‘Dan word ik rustig vanbinnen, want dan krijg ik vrede van God.’ 46 ‘En kunt u dan ook goed slapen, pap?’ Benjamin knikt. ‘Ja, want dan is het niet meer zo onrustig mijn hoofd, Joas.’ ‘Wat is dat dan, papa? Onrustig in uw hoofd?’ ‘O, dat gebeurt als er een heleboel gedachten zijn. Dan denk ik: als er maar niet ‘dit’ gebeurt, of ‘dat’. Misschien herkennen jullie dat wel? En al die zorgen bij elkaar, maken je dan onrustig.’ ‘Natuurlijk kun je wel met mensen praten, als je jezelf zorgen maakt. Maar als je je zorgen aan God vertelt, dan helpt dat toch het beste,’ zegt Benjamin. ‘Ja papa? En waarom helpt dat dan het beste?’ vraagt Sara. ‘Omdat je de vrede die je van Hem krijgt, niet van mensen krijgen kunt.’ ‘O, dus die kun je alleen van God krijgen?’ ‘Inderdaad, want de vrede van God is heel bijzonder. Denken jullie maar aan een leger dat een kasteel beschermt. Een leger dat door níemand te verslaan is, zodat er geen vijanden kunnen binnenkomen. En zo beschermt God dan je hart en je gedachten.’ ‘Ik zou ook wel die vrede van God willen krijgen, papa,’ zegt Sara, ‘als ik mij zorgen maak over een repetitie.’ ‘Ik ook,’ zegt Joas, ‘want wij willen heel graag winnen met onze club en daar maak ik mij best wel zorgen over.’ 47
Page 54
Het is heel fijn als je Gods vrede krijgt, want dan word je rustig vanbinnen en kun je beter slapen. En dan hoef je niet meer steeds te denken: als er maar niet ‘dit’ gebeurt, of ‘dat’. Zullen we God, onze Vader, daarom bedanken voor Zijn vrede die zo bijzonder is, dat we die van onszelf niet kunnen begrijpen? ANTWOORDEN Vraag 1: Het goede antwoord was antwoord B) Als grote mensen gaan begrijpen dat God altijd voor ze zorgt dan worden ze weer een beetje kind. Vraag 2: Het goede antwoord was antwoord A) Onze hemelse Papa kan er voor zorgen dat we ons geen zorgen meer maken over iets omdat Hij ons Zijn vrede kan geven. Vraag 3: Het goede antwoord was antwoord A) Van de vrede van God worden we Heer-lijk rustig, net zo rustig als de Here Jezus. Vraag 4: Het goede antwoord was antwoord B) We zullen steeds meer op de Heer gaan lijken omdat God ons verandert. Vraag 5: Het goede antwoord was antwoord B) De vrede die je van God krijgt is heel bijzonder heel bijzonder, want geen mens kan je die vrede geven. 52 ‘GEWOON’ JEZELF ZIJN? Psalm 139:4-5 Op de afbeelding staat een tekst die in het Engels geschreven is. Daar staat: “Gewoon jezelf zijn” en daar gaat het in dit hoofdstuk over. Wat is ‘gewoon jezelf zijn’ en waarom zou dat belangrijk kunnen zijn? … ‘Jezelf zijn’ dat is écht zijn, dan doe je jezelf niet anders voor dan je bent. Het is belangrijk om jezelf te zijn, maar dat is helemaal niet zo ‘gewoon’ als het lijkt. Want het kan best moeilijk zijn als je jezelf niet veilig voelt. Dan wil je misschien niet laten zien dat je verdrietig bent. En er zijn ook mensen die zich schamen voor hun tranen … 53
Page 56
Over David heb je misschien wel eens gehoord? Hij schreef veel psalmen die in de Bijbel staan. Die psalmen werden ook door hem gezongen en dan speelde hij erbij op zijn harp. In één van die psalmen staat: “Voordat ik mijn mond opendoe, weet U al wat ik wil zeggen. U bent voor mij en achter mij, U bent om mij heen. Uw hand houdt me vast.” Ps.139:4-5 [BGT] Bijzonder hè, dat God je zo goed kent? Hij weet álles en begrijpt wat je denkt en voelt. Ook als je het soms moeilijk vindt om jezelf of écht te zijn. Daar kan Hij je bij helpen. Want als je weet dat God voor je zal zorgen en dat je bij Hem veilig bent, dan wordt het steeds minder belangrijk wat de mensen van je vinden. VERHAALTJE uit de praktijk ‘Mama, er zijn toch kinderen die geen ouders hebben om voor ze te zorgen?’ vraagt Sara aan haar moeder. ‘Ja Sara,’ zegt Naomi, ‘het is niet vanzelfsprekend om ouders te hebben.’ ‘Wat is dat, mama? Vanzelfsprekend?’ vraagt Joas. ‘Nou, je vindt iets vanzelfsprekend als je het héél gewoon vindt dat je iets hebt.’ ‘O, ik vind het heel gewoon dat ik een stuiterbal heb.’ 54 ‘Ja, dat kan, maar als je hem kwijtraakt mis je ’m,’ zegt Naomi. ‘Dat is logisch, mam, omdat ik er dan niet mee kan spelen.’ ‘Precies, Joas! Dus dan ga je snappen dat het helemaal niet vanzelfsprekend is om een stuiterbal te hebben.’ Joas knikt. ‘Er is gelukkig één ding dat we zeker mogen weten,’ zegt Naomi. ‘We hebben altijd Iemand die van ons houdt en voor ons zorgt en dat is God, onze Vader.’ ‘Dat is fijn om te weten, mam,’ zegt Sara, ‘want God is onze hemelse Papa, hè?’ Naomi knikt. ‘Zo is het. Daar hebben we het wel eens eerder over gehad en dat heb je goed onthouden.’ ‘Maar moeten we dan altijd vrolijk zijn van God?’ vraagt Sara. 55
Page 60
‘Dat is inderdaad belangrijk,’ zegt Naomi. ‘Alleen “gewoon jezelf zijn” is best moeilijk als je jezelf niet veilig voelt.’ ‘Maar waarom voelen de mensen zich dan niet veilig, mama?’ vraagt Joas. ‘Nou, soms hebben mensen veel meegemaakt. En dan kan het moeilijk voor ze zijn geworden om hun verdriet te laten zien.’ ‘Dat lijkt me heel erg mama, voor die mensen,’ zegt Joas. ‘Zeker, dat is het ook,’ zegt Naomi. ‘En er zijn ook mensen die zich schamen voor hun tranen.’ ‘Dat heb ik ook wel eens,’ zegt Sara. ‘Dan wil ik niet dat andere kinderen zien dat ik eigenlijk moet huilen.’ Naomi slaat haar arm om Sara heen. ‘Dat is naar voor je, Sara. Als je hierover met mij of je vader wilt praten, dan kan dat altijd. En je kunt ook altijd bij God terecht.’ 58 Sara knikt. ‘Dat is fijn om te weten, mam.’ Het is even stil in de kamer. ‘Mama?’ vraagt Joas dan. ‘Kan God de mensen dan niet helpen om zichzelf te zijn?’ ‘Gelukkig wel, want bij onze hemelse Vader zijn we veilig. Voor Hem hoeven we onze tranen niet in te houden. Bij Hem mogen we altijd komen zoals we zijn.’ ‘Dus bij God kun je altijd jezelf zijn?’ ‘Ja Sara, want Hij weet precies hoe wij zijn.’ ‘Kent Hij ons dan zo goed?’ ‘Inderdaad, God kent ons het allerbeste. Hij weet zelfs al wat wij gaan zeggen, voordat we het bedacht hebben.’ ‘O, maar dán begrijp ik het!’ ‘Wat begrijp je dan, Joas?’ vraagt Naomi. ‘Nou, waarom God precies weet of iets écht of nep is.’ 59
Page 68
In de geschiedenissen van het Oude Testament, zouden wij zoeken naar wat verborgen ligt. Onder de oppervlakte van deze geschiedenissen zien, dat is onder-zoeken. In dit boek komen de geschiedenissen van Simson aan de orde. Simson is met name een uitbeelding van de Heer Jezus Christus, die kwam als mens. Anders gezegd: van Jezus van Nazareth. Van Simson lees je dan ook dat hij een Nazireeër zou zijn (Rich.13:5). 
Simson is vooral een type van Jezus in Zijn eerste komst en niet zozeer van de Messias die Zijn Koninkrijk zou vestigen. Van Simson lees je dan ook dat hij een begin zou maken met de verlossing van Israël (13:5). Feitelijk is dat ook de grote lijn in het boek Richteren. Het speelt zich af in de periode die voorafgaat aan de tijd vóórdat Israël een koning krijgt. 
Een bekend beeld van Israël bij de bijbelse profeten is, dat Israël wordt voorgesteld door een ontrouwe of overspelige vrouw. In het korte verslag van het leven van Simson, is maar liefst drie keer sprake van zo’n vrouw: een mislukt huwelijk (Rich.14), een hoer (Rich.16) en Delilah, die zijn liefde niet beantwoordt, maar hem overlevert aan de Filistijnen (Rich.16).
En dan zijn er natuurlijk nog de geschiedenissen met het raadsel op de bruiloft, het verslaan van duizend man met een ezelskaak, het platbranden van de oogst van de Filistijnen door twee vossen aan elkaar te binden met een fakkel tussen hun staarten. En natuurlijk de laatste keer dat Simson zijn kracht van God terugkreeg. Bij de gebeurtenis waarbij hij om het leven kwam, deed hij de tempel van de Filistijnse god Dagon instorten en behaalde hij zijn grootste overwinning.

Simson - Profetische vergezichten


Page 0
Page 4
INLEIDING ........................................................................................................... 7 Richteren 13:1 Verlossing na veertig ...................................................... 9 Richteren 13:2 Leven uit de dood ........................................................... 11 Richteren 13:4-5 Simson, een Nazireeër ............................................. 13 Richteren 13:6-7 Vanaf de moederschoot tot aan zijn dood ........ 16 Richteren 13:8-14 Twee keer, twee helften… ..................................... 19 Richteren13:15-20 Een wonderlijke gebeurtenis ............................. 22 Richteren13:21-24 En zij noemde zijn naam Simson ...................... 25 Richteren13:25 Simson geïnspireerd .................................................... 27 Richteren14:1 Simson gaat tot een vrouw .......................................... 29 Richteren14:2-4 Gods oogappel .............................................................. 31 Richteren14:5-6 De verscheurde leeuw ................................................ 33 Richteren14:7-9 Honing uit de verscheurde leeuw ......................... 36 Richteren14:10-11 Simsons dertig metgezellen .............................. 39 Richteren14:12-13 De zevende dag ........................................................ 42 Richteren14:14 Simsons raadsel ............................................................. 44 Richteren14:15-17 Simsons raadsel ontfutseld................................ 46 Richteren14:18 Wat is zoeter dan honing? .......................................... 49 Richteren14:18 Wat is sterker dan een leeuw? ................................. 52 Richteren14:19-20 Simson trekt zich terug in het huis van zijn vader .................................................................................................................... 55 Richteren15:1 In de dagen van de tarweoogst ................................... 57 Richteren15:1 Met een geitenbokje ........................................................ 59 Richteren15:2-5 Simson vangt 300 vossen ........................................ 61 Richteren15:4-5 Fakkels en vossen ........................................................ 64 Richteren15:6-8 Simson op de hoogte .................................................. 67 Richteren15:9-13 Simson overgeleverd door Juda ......................... 69 Richteren15:14-15 Duizend man verslagen ........................................ 72 Richteren15:15-16 Met een ezelskaak ................................................... 74 Richteren15:17-20 Een bron van levend water ................................. 77 Richteren16:1 Simson bezoekt een hoer ............................................. 79 5 Richteren16:2 De poort gesloten ............................................................. 82 Richteren16:3 Simson staat op en breekt de stadspoort uit ....... 84 Richteren16:3 Simson naar de top van de berg ............................... 86 Richteren16:4 Simson en Delilah ........................................................... 88 Richteren16:5-9 Simson overgeleverd voor zilverstukken ......... 90 Richteren16:10-15 Simson verbreekt de banden ........................... 93 Richteren16:16-19 Als een schaap dat stom is voor zijn scheerders ......................................................................................................... 96 Richteren16:20-21 Door God verlaten? ................................................ 99 Richteren16:21-22 En zijn haar begon weer te groeien… ......... 102 Richteren16:23-25 Simson in de tempel van Dagon ................... 104 Richteren16:26-30 Simsons grootste overwinning ..................... 107 Richteren16:31 … en hij richtte Israël, twintig jaren (slot) ...... 110 NOTEN ............................................................................................................. 113 Bijbelteksten: er werd gebruik gemaakt van Interlinear Scripture Analyzer (bron: scripture4all.org) en Geschriften (geschriften.nl), tenzij anders aangegeven. 6
Page 6
Slechts vier hoofdstukken beschrijven de geschiedenis van Simson in het boek Richteren. Toch is Simson één van de bekendere personages in de bijbel. Wellicht komt dit, omdat zijn figuur zo tot de verbeelding spreekt. Zijn onmenselijke kracht, de verscheurde leeuw en het verraad van Delilah, zijn ingredie nten voor een mooi verhaal. Maar de geschiedenis van Simson is niet slechts een spannend verhaal, maar is een vooruitwijzing naar Jezus Christus. Simson is met name een uitbeelding van de Heer Jezus Christus, die kwam als mens. Anders gezegd: van Jezus van Nazareth. Van Simson lees je dan ook dat hij een Nazireeër zou zijn (13:5). Simson is vooral een type van Jezus in Zijn eerste komst en niet zozeer van de Messias die Zijn Koninkrijk zou vestigen. Van Simson lees je dan ook dat hij een begin zou maken met de verlossing van Israe l (13:5). Feitelijk is dat ook de grote lijn in het boek Richteren. Het speelt zich af in de periode die voorafgaat aan de tijd vo o rdat Israe l een koning krijgt. Zoals bij zoveel bijbelse geschiedenissen kom je niet ver als je de geschiedenis wilt lezen door een ethische bril. Dan is Simson wellicht een slecht voorbeeld. Maar laten we een goed voorbeeld nemen aan Paulus (1 Kor.10,6,11; Gal.4:24) en zien waar Simson een type van is en wat hij uitbeeldt. Een bekend beeld van Israe l bij de bijbelse profeten is, dat Israe l wordt voorgesteld door een ontrouwe of overspelige vrouw. In het korte verslag van het leven van Simson, is maar liefst drie keer sprake van zo’n vrouw: een mislukt huwelijk (Rich.14), een 7 hoer (Rich.16) en Delilah, die zijn liefde niet beantwoordt, maar hem overlevert aan de Filistijnen (Rich.16). En dan zijn er natuurlijk nog de geschiedenissen met het raadsel op de bruiloft, het verslaan van duizend man met een ezelskaak, het platbranden van de oogst van de Filistijnen door twee vossen aan elkaar te binden met een fakkel tussen hun staarten en natuurlijk die laatste keer, dat Simson zijn kracht van God terugkreeg. En natuurlijk de laatste keer dat Simson zijn kracht van God terugkreeg. Bij de gebeurtenis waarbij hij om het leven kwam, deed hij de tempel van de Filistijnse god Dagon instorten en behaalde hij zijn grootste overwinning. Geweldige geschiedenissen om te bespreken en dat wil ik dan ook doen in de hierna volgende hoofdstukken. Te beginnen bij Simsons geboorte in Richteren 13. 8
Page 8
De uitspraak: “hij deed wat kwaad was in de ogen van JAHWEH” (‘des Heeren’) is bekend uit de boeken 1 en 2 Koningen. We vinden die uitspraak als een refrein in de opsomming van de vele goddeloze koningen die Israe l en Juda hebben gehad. Maar ook in Richteren komen we deze uitspraak diverse keren tegen. Richteren 13 1 En de zonen van Israe l gingen voort te doen wat kwaad is in de ogen van JAHWEH, en JAHWEH gaf hen in de handen van de Filistijnen, veertig jaren. Zevende keer Hier betreft het de zevende keer in het boek Richteren dat we deze opmerking lezen (2:11; 3:7,12; 4:1; 6:1; 10:6). Het kwaad dat Israe l bedreef, wordt in Rich.13:1 niet vermeld, maar in veel van de andere vermeldingen betreft dit het dienen van andere goden. Beproeving God geeft Israe l veertig jaren over in de hand van hun vijand, in dit geval de Filistijnen. Veertig is een getal dat spreekt van beproeving. Bij de zondvloed regende het veertig dagen en nachten (Gen.7:12), Jezus had veertig dagen en nachten gevast, bij de verzoeking in de woestijn (Matth.4:2) en Israe l zwierf 9 veertig jaar door de woestijn (Num.14:33; Hebr.3:9) voordat ze het beloofde land ingingen. Een geboorte Daarvoor was het volk Israe l in slavernij geweest in Egypte voor een periode die gerekend wordt als vierhonderd jaar (Gen.15:13; Hand.7:6), het tienvoudige van veertig. Na deze periode wordt Israe l verlost uit Egypte en wordt als het ware geboren (Hos.11:1). Inderdaad, net als bij een natuurlijke geboorte door wateren die breken na veertig weken. De dertiende letter van het Hebreeuwse alfabet is de letter Mem. Deze heeft een getalswaarde van 40 en heeft als betekenis water. De geboorte van een verlosser Ook hier in Richteren 13 komt de verlossing na de veertig. God geeft een verlosser: Simson, uit een bijzondere geboorte, zoals we nog zullen zien. Deze verlosser is een voorafschaduwing van de Ware Verlosser die eens zou komen: Jezus Christus. 10
Page 10
In de verzen die volgen, wordt de geboorte van Simson aangekondigd. In eerste instantie aan zijn moeder, van wie we haar naam niet te weten krijgen, en later aan Manoach, de vader van Simson. De gebeurtenissen worden uitgebreid beschreven en doen ons ook aan andere bijbelse geschiedenissen denken. Richteren 13 2 En er was een man uit Zora, uit de familie van de Danieten, en zijn naam was Manoach en zijn vrouw was onvruchtbaar en zij baarde niet. 3 En een boodschapper van JAHWEH verscheen aan de vrouw en hij zei tot haar: Zie alstublieft, jij bent onvruchtbaar en jij baarde niet; maar jij zult zwanger worden en een zoon baren. Bijen en honing Zora betekent wesp. Opmerkelijk, want de wesp is de natuurlijke vijand van de bij, die we later nog tegen zullen komen in de geschiedenis van Simson, als zich in het lichaam van de door Simson verscheurde leeuw, een bijenzwerm bevindt (14:8), die honing voortbrengt. Daar zullen we dan ook later nog op terug komen. Zora markeert het begin van de geschiedenis van Simson en het einde (16:31). 11 Simson is een uitbeelding van Jezus van Nazareth, die kwam in een vijandige wereld, die geregeerd wordt door de god van deze aeon (2 Kor.4:4). Zora schijnt ook nog te maken te hebben met metzorah dat melaats betekent, een uitbeelding van zonde. Gericht Manoach betekent rust en er wordt vermeld dat hij uit de stam van Dan was. Dit bijbelboek heet Richteren (>rechters) en dat is ook wat Dan betekent: rechter. Manoach had een onvruchtbare vrouw, zoals JAHWEH later onder het oude verbond door een huwelijksverbond verbonden was aan het volk Israe l (Jer.31:32). Toch kwam hieruit een zoon voort: Simson, die een type is van Jezus Christus aan wie de Vader heel het oordeel (>gericht) gegeven heeft (Joh.5:22). Maria en Jezus Als we vers 3 zouden lezen, zonder dat we weten welk vers we lezen, zouden we al snel denken dat we in het Lukas evangelie zijn aangekomen, waar de geboorte van Jezus wordt aangekondigd aan Maria. De vrouw van Manoach is dan ook een uitbeelding van Maria. Van Maria lezen we niet dat ze onvruchtbaar was, maar zij had geen gemeenschap met een man, dus zowel Maria, als de vrouw van Manoach, hadden geen gemeenschap waaruit leven voortkomt. Het kind dat hieruit voortkomt is dan ook een naar de mens onmogelijke geboorte. Breder gezien zijn zowel Maria, als de vrouw van Manoach ook een uitbeelding van Israël, een onvruchtbaar volk, dat niet in gemeenschap leefde met de Man (>God). Nieuw leven We kennen in de bijbel nogal wat vrouwen die onvruchtbaar waren, maar toch een kind kregen. Denk aan Sarah (Gen.11:30), Rebekka (Gen.25:21) Rachel (Gen.29:31) en Hannah (1 Sam.1:5). Van Sarah lezen we dat zij verstorven was (Rom.4:19). De geboorte van nieuw leven uit een onvruchtbare vrouw is een wonder, er wordt leven voortgebracht uit de dood! 12
Page 12
De aankondiging van de geboorte van Simson is bijzonder, want de engel spreekt tot een onvruchtbare vrouw. Daarnaast doet deze aanzegging sterk denken aan de engel die verscheen aan Maria en de geboorte van Jezus aankondigde. Maar ook wat de engel verder nog vermeldt, is bijzonder. Richteren 13 4 En nu, neem uzelf in acht en drink geen wijn en sterke drank, en eet niet iets dat onrein is, 5 Want zie, je zult zwanger worden en een zoon baren en geen scheermes zal op zijn hoofd komen, want van de moederschoot af zal de jongen een Nazireee r van God zijn. En Hij zal een begin maken met het verlossen van Israe l uit de hand van de Filistijnen. Geen wijn Bij de aankondiging van Simsons geboorte wordt gezegd dat hij een Nazireee r zal zijn. De voorschriften van het Nazireee rschap worden beschreven in Numeri 6. Wat een bijbelkenner misschien wel het meest opvalt in deze verzen, is dat een Nazireee r geen wijn zou drinken. Wijn is een uitbeelding van nieuw leven en heeft een geweldige positieve betekenis in de Schrift. Maar een Nazireee r past het niet, omdat de Nazireee r, in dit geval Simson, een uitbeelding is van de mens Jezus van Nazareth in Zijn eerste 13 komst. Simson is ge e n beeld van de opgewekte Christus en daarom had hij geen deel aan de wijn, die de uitdrukking is van opstandingsleven. Dat ging ver, want ook de vruchten van de wijnstok, druiven of gedroogde druiven, mocht hij niet eten. Als er een einde komt aan het Nazireee rschap, zegt Num.6:4 dan ook: en daarna zal de Nazireeër wijn drinken. Lang haar Ook het lange haar is een uitbeelding van de mens Jezus, die kwam in vernedering. Paulus schrijft dat lang haar voor een man oneer (>zonder eer) is (1 Kor.11:14). Het lange haar van Simson spreekt van Hem, die kwam in oneer door zich te vernederen, de gedaante van een slaaf aan te nemen en de mensen gelijk te worden (Fil.2:5-8). Hij heeft vanwege de vreugde (>wijn) die vóór Hem lag, het kruis verduurt en de schande (>lang haar) veracht (Hebr.12:2). Begin van verlossing Simson is eigenlijk de enige waarvan we specifiek lezen dat hij een Nazireee r was. We lezen weliswaar van Samue l dat zijn moeder Hanna aan God een belofte doet, dat als zij een kind krijgt, er geen scheermes op zijn hoofd zal komen (1 Sam.1:11), maar daar wordt niets over de wijn gezegd. En in Handelingen zien we dat Paulus te maken krijgt met vier mannen die een gelofte hebben gedaan, waarschijnlijk de gelofte van een Nazireee r (21:23-24), maar het wordt niet zo genoemd. Hoe dan ook, Simson is een bijzondere Nazireee r, omdat het van hem specifiek vermeld wordt e n omdat hij het is vanaf zijn geboorte. Simson is een uitbeelding van Jezus, vanaf Zijn geboorte tot Zijn dood. Vandaar dat Simson een begin zou maken met de verlossing van Israe l. 14
Page 14
David en de Zoon van David Wie was het dan die het volk Israe l definitief zou verlossen? Dat antwoord wordt later gegeven in 2 Sam.3:18: Door de hand van David, Mijn dienaar, zal Ik Mijn volk Israël redden uit de hand van de Filistijnen en uit de hand van al hun vijanden. David brengt de definitieve verlossing. Maar hij is natuurlijk een type van de Zoon van David, de opgewekte Christus, die zal zitten op de troon van Zijn vader David en alle vijanden zal onderschikken! 15 Wie geschiedenissen als die van Simson, maar bijvoorbeeld ook die van Jozef of Danie l leest, zal het opvallen dat beschrijvingen van gebeurtenissen herhaald worden. Denk bijvoorbeeld aan de dromen van Farao die Jozef uitlegde, of de droom van Nebukadnezar, die Danie l verklaarde. Het verhaal wordt dan twee keer, en soms wel drie keer, verteld. Ook bij Simson vinden we iets soortgelijks. De vrouw vertelt wat zij gezien heeft aan haar man en alles wordt nog eens herhaald. Richteren 13 6 En de vrouw kwam en zij zei tot haar man, zeggend: Een man van God kwam tot mij en zijn verschijning was als de verschijning van een boodschapper van God, uitermate vreeswekkend. En ik vroeg hem niet van waar hij was. En hij vertelde mij zijn naam niet. 7 En hij zei tot mij: Zie, jij zal zwanger worden en een zoon baren. En drink geen wijn en sterke drank en eet niets onreins, want de knaap zal Nazireee r van God zijn, vanaf de moederschoot tot aan de dag van zijn dood. Verborgen De vrouw van Manoach voegt aan haar relaas toe dat zij niet 16
Page 16
gevraagd heeft waar de boodschapper van God vandaan komt, hoewel haar dat toch wel duidelijk was, want ze noemt hem een man van God. De boodschapper vertelde zijn naam niet, die blijft verborgen. Later komt de boodschapper nog terug op zijn naam (:18). Van geboorte tot dood In vers 5 zagen we al dat Simson een Nazireeër zou zijn van de moederschoot af. Hier wordt duidelijk dat de boodschapper daar nog meer over heeft gezegd. Hij zou Nazireeër van God zijn, vanaf de moederschoot tot aan de dag van zijn dood. Simson is een uitbeelding van Jezus van Nazareth, vanaf Zijn geboorte tot aan Zijn dood. Anders gezegd: in Zijn eerste komst. Opmerkelijk in dit geval is ook de overeenkomst tussen het woord Nazireeër en Nazareth. De Heer wordt in de evangelie n ook wel genoemd: Jezus, de Nazarener of Nazoreeër (Grieks: Nazoraios), omdat Hij afkomstig is uit Nazareth (Matth.2:23; Luk.18:37). Afgezonderde Het Hebreeuwse woord nezir (H5139), dat in Rich.13:5 en Num.6:2 wordt vertaald met Nazireeër, wordt in Gen.49:26 en Deut.33:16 weergegeven met afgezonderde, of uitverkorene. In Matth.2:23 staat dat toen Jezus ging wonen in Nazareth, dit een vervulling was van wat de profeten gesproken hebben. Hiermee verwijzend naar Jes.11:1, waar het woord netzer (H5342) wordt vertaald met scheut of loot. Het zou een lang en nogal technisch verslag worden als ik deze uiteenzetting nog uitbreid, maar ik denk hiermee genoeg te hebben aangereikt voor degenen die dit zelf eens willen onderzoeken. Voor nu volsta ik met het belangrijkste. Duidelijk mag zijn dat er verband is tussen deze woorden en dat ze verwijzen naar Jezus van Nazareth, die door God was afgezonderd en uitverkoren om te komen naar deze aarde. Hij zou de troon van Zijn vader David herstellen en nieuw leven voortbrengen uit de afgehouwen stronk van het koningshuis van David! 17 Dit eerste hoofdstuk is inleidend en gaat erg langzaam. In tegenstelling tot de drie hoofdstukken over Simson die nog volgen, want daarin volgen de gebeurtenissen elkaar in rap tempo op. Het verhaal van de aankondiging van Simsons geboorte is eigenaardig en ook enigszins vermakelijk. Een boodschapper van God is verschenen aan de vrouw van Manoach, maar Manoach was daar niet bij en vraagt aan God om de engel nog eens te sturen. In het volgende gedeelte komt de man van God, maar we e r eerst tot de vrouw. En als zij Manoach er dan bijhaalt, heeft hij niets anders te melden dan bij zijn eerste verschijning. Richteren 13 8 Toen smeekte Manoach tot JAHWEH en hij zei: O, mijn Heer, de man van God die U zond, laat hem alstublieft opnieuw tot ons komen en dat hij ons onderricht wat wij zullen doen voor de knaap die geboren zal worden. 9 En God hoorde naar de stem van Manoach en de boodschapper van God komt opnieuw tot de vrouw als zij zit in het veld, en Manoach, haar man, was niet met haar. 10 En de vrouw haastte zich en zij rende en zij vertelde het aan haar man en zij zei tot hem: zie, de 19
Page 18
man die op die dag aan mij verscheen, kwam tot mij. 11 En Manoach stond op en hij ging achter zijn vrouw aan en hij kwam bij de man. En hij zei tot hem: Bent u de man die tot de vrouw sprak? En hij zegt: Ik ben het. 12 En Manoach zei: Nu zullen uw woorden komen. Wat zal de gewoonte van de knaap worden en zijn daad? 13 En de boodschapper van JAHWEH zei tot Manoach: Voor alles wat ik sprak tot de vrouw zal zij zich in acht nemen. 14 Van alles wat uitgaat van de wijnstok zal zij niet eten en wijn en sterke drank zal zij niet drinken, en niets onreins eten. Alles wat ik haar als instructie gaf zal zij in acht nemen. Nadruk Het lijkt wat vreemd dat de boodschapper twee maal verschijnt aan Simsons ouders. Op Simsons geboorte en de aankondiging daarvan, komt daardoor veel nadruk te liggen. Dat is omdat Simson een uitbeelding is van Jezus, van Zijn geboorte tot aan Zijn dood (13:7). Maar ik denk dat hier nog meer achter steekt. De boodschapper geeft twee keer instructies en dat bepaalt ons bij het feit dat ook God twee keer Zijn instructies gaf op de stenen tafelen. Twee keer gaf God Zijn wet, in het Grieks: deutero-nomium. Het is een uitbeelding van het tweede verbond1, het nieuwe verbond dat God zou geven en waarin Hij al Zijn beloften zou vervullen. Twee Wie de geschiedenis van Simson aandachtig leest, wordt erbij bepaald dat de twee (keer) een grote rol speelt in het verhaal van Simson. Zonder hierin volledig te zijn: Simson gaat twee keer naar Timna (14:1,5), de leeuw wordt in tweee n gescheurd (14:6) 20 en Simson geeft een tweeledig raadsel (14:14) met een tweeledig antwoord (14:18). Maar er zijn ook twee raadsels, want het antwoord op het raadsel is ook een raadsel (14:18). Er is sprake van twee nieuwe touwen (15:13), twee koperen ketenen (16:21) en twee vossen met de staarten aan elkaar gebonden (15:4). Simsons beide ogen worden uitgestoken (16:21) en er is ook twee keer sprake van een Nazireee rschap, want Simsons haar groeide weer aan nadat Delilah het had afgeknipt en hij ontving een tweede keer kracht. En dan zijn er nog wat voorbeelden, die minder voor de hand liggen, zoals het kaakbeen waarmee Simson duizend man versloeg. Een kaak bestaat immers ook uit twee delen: een onder- en bovenkaak. Enz. enz. Eerste en tweede komst Eerder liet ik al zien dat Simson een uitbeelding is van Jezus van Nazareth in Zijn eerste komst. Alle dubbelen en tweevouden zijn verwijzingen naar dat er meer moet zijn. Er zou nog een tweede (komst) moeten komen. Of anders gezegd: Zijn komst zou worden onderbroken. Tussen de twee helften bevindt zich iets. Bij de leeuw is dit honing. Bij de ezelskaak stroomt er water uit. Beiden zijn uitbeeldingen van het levende woord van God en verwijzend naar de opgewekte Christus. Dat vinden we dus ook verborgen in deze geschiedenissen, maar Simson is vooral een type van de Heer in Zijn eerste komst, waarin Hij een begin maakte met de verlossing van Israe l (13:5) 21
Page 20
Manoach had God gevraagd om bevestiging en om de boodschapper nogmaals te sturen. Dat gebeurt. De engel verschijnt weer aan de vrouw van Manoach en zij haalt hem erbij. In de volgende verzen vinden we het gesprek tussen Manoach en de engel. Ook hierbij is de overeenkomst met de aankondiging van de geboorte van Jezus opmerkelijk. Ook die engel verscheen aan de vrouw en aan de man: Maria en Jozef. Richteren 13 15 En Manoach zei tot de boodschapper van JAHWEH: Alstublieft, laat ons u hier houden, dan bereiden wij voor uw aangezicht een geitenbokje. 16 En de boodschapper van JAHWEH zei tot Manoach: Indien jij mij ophoudt, ik zal niet eten van jouw brood, maar indien jij het bereidt, offer het als brandoffer aan JAHWEH. Want Manoach wist niet dat hij een boodschapper van JAHWEH was. 17 En Manoach zei tot de boodschapper van JAHWEH: Wat is uw naam? Wanneer uw woorden uitkomen, dan verheerlijken wij u. 18 En de boodschapper van JAHWEH zei tot hem: Waarom vraag jij naar mijn naam? Die is wonderbaar. 19 En Manoach nam een geitenbokje en het spijsoffer, en hij offerde het op de rots aan JAHWEH. En er gebeurde iets wonderbaarlijks. En Manoach 22 en zijn vrouw zien toe. 20 En het gebeurt bij het opgaan van de vlam vanaf het altaar naar de hemelen, dat de boodschapper van JAHWEH opgaat in de vlam van het altaar. En Manoach en zijn vrouw zien toe, en zij vallen op hun gezichten op de aarde. Gods naam Manoach vraagt naar de naam van de boodschapper, maar hij geeft zijn naam niet. Of toch wel? Zijn antwoord is namelijk: die is wonderbaar. Het doet denken aan de geschiedenis van Jakob, die ook vroeg naar de naam van de man waarmee hij worstelde. Ook die man blijkt een vertegenwoordiger van God te zijn en geeft zijn naam niet. En ook Mozes vroeg ooit naar Gods naam en God antwoordde, die is: Ik ben die Ik ben (Ex.3:14), maar ook dat klinkt nogal cryptisch. God is niet in e e n naam te duiden. Als we Hem benoemen, zijn we altijd onvolledig. Wonderbaar Het woord dat in Rich.13:18 vertaald is met wonderbaar, wordt door de profeet Jesaja gebruikt in de bekende profetie over het geboren kind en de gegeven Zoon, de Messias: Jesaja 9 6 Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder. En men zal Zijn naam noemen: Wonderbaar, raadgevende God, Machtige, Vader van de toekomst, Overste van de vrede. Opmerkelijk is dat in een ander gedeelte van Jesaja, in 29:14, dat handelt over het ongeloof van Israe l, dit woord wonderbaar ook gebruikt wordt en maar liefst drie keer. Ook het ongeloof van Israe l en het verwerpen van de door God verzonden Verlosser, is 23
Page 22
een thema dat we nog diverse keren in de geschiedenis van Simson geï llustreerd zullen vinden. Het offer Bij de wonderlijke gebeurtenis die volgt, wordt dit woord nog een keer gebruikt (:19). De boodschapper geeft aan van Manoachs brood niet te eten en het geitenbokje dat Manoach wil bereiden, zou hij offeren. Het geitenbokje wordt bereid (>geslacht) en geofferd op de rots, ook al een uitbeelding van Christus (1 Kor.10:4). Deze geschiedenis illustreert de dood en opstanding van Christus, het ware Offer. Alles in deze geschiedenis spreekt van Hem, die komen zou. Op een wonderbaarlijke manier identificeert God zich met dit offer. De boodschapper van JAHWEH stijgt op in de vlam van het offer naar de hemel. Een schitterende illustratie van de opstanding van Christus en Zijn hemelvaart. 24 Manoach had een wijze vrouw, blijkt uit het navolgende. Zelf kende hij de Schriften weliswaar en concludeert dat zij zullen sterven, omdat zij God hebben gezien (Ex.33:20), vertegenwoordigd in een boodschapper. Maar zijn vrouw wijst hem erop dat dit onlogisch zou zijn. God had hun offers aanvaard en hen de belofte van een zoon gegeven. Waarom zou Hij hen dan doden? Richteren 13 21 En de boodschapper van JAHWEH verscheen niet opnieuw aan Manoach en aan zijn vrouw. Toen wist Manoach dat hij een boodschapper van JAHWEH was. 22 En Manoach zei tot zijn vrouw: Wij zullen sterven, ja sterven, want wij hebben God gezien. 23 En zijn vrouw zei tot hem: Stel dat JAHWEH ons had willen doden, dan zou Hij uit onze hand toch geen brandoffer aannemen en een spijsoffer en dan laat Hij ons al deze dingen niet zien en liet Hij ons, als de tijd daar is, al deze dingen niet horen? 24 En de vrouw baarde een zoon en zij noemden zijn naam Simson. En de knaap werd groot en JAHWEH zegende hem. 25
Page 24
De zon De naam Simson vertaalt men over het algemeen met van de zon of: zon-achtig. Dan is het afgeleid van het Hebreeuwse shemesh, dat zon betekent. Het spreekt van Jezus Christus, die kwam als het licht van de wereld (Joh.1:9; 8:12; 9:5). De naam Anderen zeggen dat de naam Simson is afgeleid van shem, dat naam betekent. Dat bepaalt ons bij ha shem, de Naam. Zoals het Joodse volk ook nu nog spreekt van ha shem, als men het heeft over JAHWEH, de naam van God. Simson zou dan zoiets betekenen als de verdeelde naam of een deel van de naam. Dat past ook perfect in het plaatje dat Simson een uitbeelding is van Jezus van Nazareth, die een begin zou maken met de verlossing van Israe l. Het is een deel van het verhaal en ook Simsons naam verwijst er dan naar dat er meer is, zoals de komst van de Heer ook verdeeld is in twee helften. Israe l wacht nog op haar definitieve verlossing! 26 Na een uitgebreide beschrijving van de aankondiging van Simsons geboorte, wordt er geen verslag gegeven van zijn kindertijd, maar alleen vermeld dat hij groot werd. Direct wordt er overgesprongen naar het optreden van Simson als richter. Ook dat doet denken aan de bediening van Jezus. Van Hem weten we immers ook nauwelijks iets van Zijn kindertijd. Richteren 13 25 En de geest van JAHWEH begon hem onrustig te maken in Machane-Dan, tussen Zorah en tussen Esthaol. In geloof Veel commentaren leggen de nadruk op de in hun ogen zondige levenshouding van Simson. Maar in de Schrift vind je nergens een veroordeling van zijn gedrag of leefwijze. Van Simson lezen we wel dat vooral de dingen van het vlees hem bezig hielden. Hij is hierin een voorafschaduwing van Jezus van Nazareth, die kwam in gelijkenis van zondig vlees (Rom.8:3). Hij werd mens en was naar het vlees uit het zaad van David (Rom.1:3). En ook Simson was door God gezonden. Het was dan ook de geest van God die hem aandreef tot de dingen die Hij moest doen, lezen we hier. En Simson wist dit, want hij handelde in geloof en wordt daarom ook genoemd in het overzicht van “oudtestamentische geloofsgetuigen” in Hebr.11:32. 27
Page 26
Tussen Zorah en Esthaol Het hoofdstuk eindigt met een plaatsbeschrijving. Als deze ons al iets zegt en de kaarten die wij nu hebben kloppen, kunnen we aanwijzen op de kaart wa a r Simson door Gods geest gedreven werd. Maar wat zegt dit ons nu eigenlijk en waarom wordt dit zo vermeld? Simson wordt door Gods geest gedreven naar MachaneDan en dat bevindt zich tussen Zorah en Esthaol. Begin en einde Ook hier wordt door het noemen van twee plaatsnamen en e e n daartussen, verwezen naar twee helften in de komst van de Heer, of een eerste en tweede komst van Jezus Christus. Het is de plaats waar Simsons openbare optreden begint en hij geest ontvangt, een uitbeelding van leven. Maar het is ook de plek waar hij na zijn dood wordt begraven (16:31). Ook dit is weer een bevestiging van waar Simson een uitbeelding van is: Jezus van Nazareth, vanaf Zijn geboorte tot Zijn dood. 28 We komen nu in het tweede hoofdstuk van de geschiedenissen van Simson en hier begint zijn optreden. Dit vangt aan met te vertellen dat Simson een vrouw ziet onder de Filistijnen. Voor wie de profetie kent, is dit een bekend beeld: de Man (>God) die komt tot een vrouw (>Israe l). In de geschiedenis van Simson vinden we dan ook maar liefst drie keer dat er sprake is van een vrouw. Richteren 14 1 En Simson daalde af in de richting van Timnah en hij zag een vrouw in Timnah van de dochters van de Filistijnen. Lotsdeel Timnah betekent: toegewezen deel, lotsdeel. Simson daalde af naar Timnah en het zal ongetwijfeld lager hebben gelegen dan de plek waar Simson vandaan kwam. Dat hoogteverschil is niet zonder betekenis. Het afdalen van Simson naar Timnah is een uitbeelding van de Heer die kwam tot het Zijne (Joh.1:11), het volk Israe l. Hij heeft Zichzelf ontledigd, de gedaante van een slaaf aangenomen, is de mensen gelijk geworden en heeft Zichzelf vernederd (Fil.2:7-8). Hij kwam tot Zijn lotsdeel: Israe l. 29
Page 28
Juda en Thamar In Genesis 38 vinden we de geschiedenis van Juda en Thamar. Thamar verkleedde zich als hoer en ging zitten aan de weg naar Timnah. Juda heeft gemeenschap met haar en later blijkt Thamar zwanger te zijn. Uiteindelijk bevalt ze van een tweeling: Peres en Zerah. Deze geschiedenis illustreert hoe door de val van het Joodse volk (Juda), doordat zij hoereren met andere goden, er een onderbreking komt in Gods handelen met Israe l. Peres betekent breuk en bij de geboorte van de tweeling, lijkt Zerah eerst te komen, maar wordt zijn komst onderbroken door Peres. De plaatsnaam Timnah wijst ons dus ook op deze onderbreking in Gods handelen met Zijn volk. Huwelijk Simson gaat tot een vrouw en het is de bedoeling dat er een huwelijk tot stand komt, maar het loopt uit op een debacle. Het huwelijk is in de Schrift een bekend beeld van het oude verbond. De man is een representatie van God (Jes.54:5) en de vrouw is een uitbeelding van Israe l (Jer.3:20). Het oude verbond is het huwelijksverbond tussen God en Zijn volk Israe l (Jer.31:32). En ook het nieuwe verbond wordt voorgesteld als een huwelijksverbond (Hos.2:6,15). Ontrouw Israe l wordt in de profetie voorgesteld als hoer (Hos.1:2) en ontrouwe vrouw (Ez.20:30). In de volgende hoofdstukken zullen we nog zien dat Simson een hoer bezoekt en natuurlijk ook nog de geschiedenis met Delilah, de vrouw die hem overleverde aan de Filistijnen. Het nieuwe verbond komt voor Israe l niet tot stand, het huwelijk wordt niet gesloten. God stuurde Zijn Zoon om hen die onder de wet waren te verlossen (Gal.4:4-5), maar de vrouw erkent de man niet als Man. Daar is Simson de uitbeelding van in deze geschiedenis. 30 Simson heeft zijn oog laten vallen op een Filistijnse vrouw en gaat naar zijn ouders om te zeggen dat hij haar tot zijn vrouw wil nemen. Blijkbaar was het de gewoonte in die tijd dat deze zaak werd geregeld tussen de ouders van beide partijen. Richteren 14 2 En hij ging op en hij vertelde aan zijn vader en aan zijn moeder, en hij zei: Ik zag op weg naar Timnah een vrouw, van de dochters van de Filistijnen, en nu, nemen jullie haar voor mij tot vrouw. 3 En zijn vader en zijn moeder zeiden tot hem: Is er niet onder de dochters van jouw broeders en in heel mijn volk een vrouw, dat jij een vrouw gaat nemen van de onbesneden Filistijnen? En Simson zei tot zijn vader: Neem haar voor mij, want zij is goed in mijn ogen. 4 En zijn vader en zijn moeder wisten niet dat het van JAHWEH was, dat Hij gelegenheid zocht tegen de Filistijnen; en in die tijd heersten de Filistijnen in Israe l. Goed in mijn ogen We weten dat de vrouwen waarop Simson zijn oog liet vallen, menselijkerwijs gesproken, niet de beste keuze waren, maar zijn verklaring is kort: “zij is goed (>lett: recht) in mijn ogen”. Ook van 31
Page 30
het volk dat God had uitgekozen en waarop Hij Zijn oog had laten vallen, weten we dat het ontrouw was en toch noemt Hij het volk Israe l Zijn oogappel (Deut.32:10; Zach.2:8). Onbesneden De onbesneden Filistijnen zijn dan ook de representatie van het Joodse volk. In Jeremia 6 wordt Israe l (>de dochter van Sion) voorgesteld als een bekoorlijke en wellustige vrouw (:2) en wordt van haar gezegd: Jeremia 6 10 …. zullen zij luisteren? Zie, onbesneden is hun oor en zij kunnen niet luisteren. Zie, het woord van JAHWEH is hen tot smaad, zij scheppen geen behagen in Hem. Het hart De besnijdenis aan het vlees is een uitbeelding van ‘de besnijdenis van het hart’, zoals ook Paulus dat naar voren brengt. De werkelijke besnijdenis is een geestelijke zaak, niet in vlees, maar in geest (Rom.2:28-29). Het ongelovige Israe l is onbesneden van hart (Lev.26:41; Jer.9:26), er ligt een bedekking op het hart, en toch heeft God juist dit volk uitverkoren. Ook Simsons keuze van het nemen van een vrouw uit ‘die onbesneden Filistijnen’ blijkt een zaak die door God beschikt is. Want Hij werkt in alles naar de raad van Zijn wil (Ef.1:11)! 32 Nadat Simson zijn oog heeft laten vallen op een Filijstijnse vrouw, neemt hij zijn ouders mee naar Timnah, blijkbaar om hen aan elkaar voor te stellen. Kennelijk neemt Simson een andere weg, of loopt voor zijn ouders uit, of achter hen, want wat er nu gebeurt, vindt plaats buiten het zicht van zijn vader en moeder. Richteren 14 5 En Simson daalde af, met zijn vader en zijn moeder, naar Timnah, en zij kwamen tot aan de wijngaarden in de buurt van Timnah, en zie, een jonge leeuw brulde hem tegemoet. 6 En de geest van JAHWEH was voorspoedig op hem, en hij verscheurt het zoals men het bokje verscheurt; en er was niets in zijn hand. En hij vertelde zijn vader en zijn moeder niet wat hij deed. Wijngaarden De geschiedenis met de leeuw vindt plaats bij de wijngaarden in de buurt van Timnah (>lotsdeel). Simson mocht als Nazireee r niet eten en drinken van (de vrucht van) de wijnstok (Num.6:14). Simson is een uitbeelding van Jezus van Nazareth in Zijn eerste komst in het vlees, en wijn en de vrucht van de wijnstok zijn een type van geest, van opstandingsleven. Maar hier bevindt Simson zich toch bij de wijngaarden. De belofte van nieuw leven is als het ware erg dichtbij. Ook Israe l wordt voorgesteld als een 33
Page 32
wijngaard (Jes.5:7) en de Here Jezus verkondigde aan Israe l dat het Koninkrijk van de hemelen nabij gekomen was (Matth.4:17). Ook later in de geschiedenis van Simson zullen de wijngaarden nog een rol spelen (15:5). De geest van JAHWEH Dat Simson de leeuw verscheurt is een zaak van JAHWEH. Het is Zijn geest die dit bestuurt en dus een geestelijke zaak. Vandaar dat deze geschiedenis ook een geestelijke (>diepere) betekenis heeft. We vinden maar liefst vier keer in de geschiedenis van Simson vermeld dat hij werd aangedreven door de geest van God (13:25; 14:6,19; 15:14). De leeuw Simson verscheurt een jonge leeuw. Letterlijk staat er zoiets als een beschutte of bedekte (Hebreeuws: kaphir) leeuw, vermoedelijk wijzend op de manen van de mannetjesleeuw. Manen zijn lange nekharen en dat doet ons denken aan het lange haar van Simson. Want de leeuw is, net als Simson ook een uitbeelding van de Messias en Zijn koningschap: de leeuw uit de stam van Juda (Gen.49:9; Opb.5:5). Als een bokje Simson verscheurt (of: kliefde) de leeuw, zoals men het bokje verscheurt, staat er. Het wordt beschreven alsof het verscheuren van een bokje gangbaar zou zijn. Maar dat is natuurlijk niet zo. Het gaat erom dat het verscheuren van de leeuw dezelfde betekenis heeft als het verscheuren van het bokje. Het verwijst naar de vele offers die we vinden in de Schrift, die allen een verwijzing zijn naar het offer van Christus. Merk ook op dat er staat het bokje, want het verwijst naar he t Offer. En ook offerdieren werden in stukken gedeeld (o.a. Ex.29:17). De Leeuw uit de stam van Juda is dezelfde als het geslachte Lam. 34 Openbaring 5 5 En e e n van de oudsten zegt tegen mij: Huil niet, zie: de leeuw uit de stam van Juda, de wortel van David, overwint, om de boekrol te openen, en om haar zeven zegels los te maken. 6 En ik zag: in het midden van de troon, en van de vier dieren, en in het midden van de oudsten, een Lammetje, staande als geslacht (…) Eigendomsakte In Openbaring 5 gaat het over de vraag wie het recht heeft de boekrol te openen. Deze boekrol is hier de eigendomsakte van het land (Israe l). Er is er slechts Ee n die daarvoor is bestemd en dat is de Messias. Ee n van de oudsten zegt dan ook dat Hij de leeuw is uit de stam van Juda, maar wanneer Hij wordt gezien, dan is Hij het geslachte Lam, dat staat: Hij stierf, maar stond op en leeft! Verborgen In de geschiedenis van Simson is de leeuw ook een uitbeelding van de Leeuw van Juda. Hij werd verscheurd en stierf, maar daarmee is het verhaal van de leeuw nog niet af, zullen we zien. De leeuw zou, hoewel gestorven, toch iets voortbrengen: honing. Raadsels zullen nog een rol spelen in de rest van het hoofdstuk en ook hier zien we al dat de geschiedenis van de leeuw voor de ouders van Simson verborgen bleef. Er zouden wonderlijke dingen gebeuren en Israe l zou er geen weet van hebben. 35
Page 34
Nadat Simson de leeuw heeft verscheurd en gedood, zegt hij dit niet tegen zijn ouders. Vervolgens gaat hij voor de tweede keer naar Timnah, dit keer om de vrouw tot zijn vrouw te nemen en ook deze keer vergezellen Simsons vader en moeder hem. Richteren 14 7 En hij daalde af en hij sprak tot de vrouw en zij was goed in de ogen van Simson. 8 En na enkele dagen keerde hij terug om haar te nemen; en hij trok zich terug om de gevallen leeuw te bezien, en zie, er was een zwerm bijen in het lichaam van de leeuw, en honing. 9 En hij nam die in zijn handen, en hij ging heen, gaande en etend. En hij ging naar zijn vader en naar zijn moeder, en hij gaf aan hen en zij aten. En hij vertelde hen niet dat hij de honing uit het lichaam van de leeuw had genomen. Twee helften Eerder wees ik al op de talloze tweevouden in de geschiedenis van Simson, die wijzen op de twee komsten of de verdeelde komst van Christus. Daartussen bevindt zich een onderbreking. Ook de leeuw spreekt hiervan. De leeuw is uiteengescheurd (>gekliefd) en van de verscheurde leeuw zagen we al dat hij een type is van de Messias, de leeuw van Juda. De Heer kwam naar deze aarde 36 als de door God in de Schriften aangekondigde Koning, maar Hij werd ‘verscheurd’ en gedood. In de leeuw bevinden zich nu bijen en honing. Natuurlijk sprekend van leven dat voortkomt uit de dood. Maar ook als uitbeelding van de verborgenheden van het woord van God, die we vinden tussen de eerste en tweede komst van Christus. Deborah en dabar Hoewel de leeuw dood is, brengt hij leven voort. Er was een zwerm bijen in de leeuw. Het woord voor bij is deborah (>net als de richteres), dat direct verwant is aan het woord dabar, dat woord betekent. De bij heeft dan ook alles met het woord te maken. Het woord bepaalt ons altijd bij Christus, Hij is het woord dat vlees werd (Joh.1:14) en in Openbaring wordt Hij genoemd: het Woord van God (Opb.19:13). Er zijn dan ook vele bijzondere kenmerken van bijen en hun gedrag dat ons wijst op de Heer Jezus Christus. Zoek maar eens op internet, of richt u eens tot iemand die zich met bijen bezighoudt, zoals een imker. Ik wil een paar voorbeelden geven, zonder te pretenderen dat ik er veel vanaf weet. De bij spreekt van Christus De dar (>mannetjesbij) wordt geboren uit een onbevrucht eitje. In de biologie wordt deze maagdelijke voortplanting parthogenese2 genoemd. Natuurlijk verwijzend naar de maagdelijke geboorte van de Here Jezus uit Maria (Jes.7:14; Matth.1:31). In het najaar vindt er in een bijenvolk de darrenslacht3 plaats. Daarbij worden de darren verstoten en uitgeworpen door hun eigen volk en gedood. Herkennen we hierin niet de Heer die door Zijn eigen volk werd verworpen en stierf buiten de legerplaats (Hebr.13:12-13)? En tenslotte: uit de eitjes die de bijen leggen, komt na drie dagen4 een larf. Nieuw leven op de derde dag! Dat verwijst natuurlijk naar de opstanding van Christus. 37
Page 36
Honing Het woord voor honing is dabash. Net als de bij spreekt honing van het woord van God. Later, met het raadsel van Simson, zullen we hier nog op terugkomen. Honing wordt in verband gebracht met het gehemelte (Ps.119:103; Spr.24:13) en spreekt van de hemelse aspecten van het woord van God. Het geeft verlichte ogen (1 Sam.14:27) en dat heb je ook nodig om de hemelse positie van Christus en Zijn lichaam te verstaan (Ef.1:18)! 38 Simson gaat op weg naar Timnah, met de bedoeling een huwelijk te sluiten met de vrouw. Eerder zagen we al dat bij de Hebreeuwse profeten het huwelijksverbond een bekend beeld is van het nieuwe verbond dat God zal sluiten met Zijn volk (Hos.2:15). Richteren 14 10 En zijn vader daalde af naar de vrouw en Simson maakte daar een feestmaal, want zo doen de uitgekozen jonge mannen. 11 En het gebeurde wanneer zij hem zagen, dat zij dertig metgezellen namen en zij met hem waren. Huwelijk of feestmaal? Het woord dat hier vertaald wordt met feestmaal, wordt in de Statenvertaling weergegeven met bruiloft. Uit het vervolg blijkt wel dat het gaat om een feest(maal) dat vooraf gaat aan de daadwerkelijke huwelijkssluiting, want het huwelijk tussen Simson en de vrouw komt uiteindelijk niet tot stand. Het woord heeft ook met (wijn) drinken te maken (Ezra 3:7; Dan.1:5,8,10,16) en dat is wat men op een feest meestal ook doet. Het huwelijk van Simson en de vrouw beeldt de komst van het nieuwe verbond uit. Nieuw leven (>wijn) ligt voor het grijpen, maar het eindigt in een fiasco, zoals we nog zullen zien. 39
Page 38
Dertig metgezellen De dertig metgezellen van Simson spelen een belangrijke rol in deze geschiedenis. Merk op dat het hier gaat om metgezellen (>naasten) van Simson en niet van de vrouw. Het zijn de metgezellen aan wie Simson een raadsel geeft. In de taal van Paulus: hij spreekt met hen in geheimen of verborgenheden. Deze metgezellen zijn een uitbeelding van het gezelschap dat Christus rond Zich verzamelt. Het getal dertig Het zou een hele studie door de Schrift kunnen zijn om te bezien waar er nog meer sprake is van een gezelschap van dertig, of waar het getal dertig zoal nog meer voorkomt. Voor hier wil ik het houden bij een aantal voorbeelden. Eerst een tweetal andere voorbeelden van een gezelschap van dertig. Saul en David Voordat Saul daadwerkelijk koning wordt, heeft hij een maaltijd met dertig genodigden (>geroepenen) en die maaltijd wordt gehouden op een hoge plaats (1 Sam.9:13,22,25). Herkennen we daarin niet Christus en de ecclesia, die met Hem gezet is in de hemel (Ef.2:6) en deelt in Zijn positie, voordat Hij Koning is over Israe l? David, was voordat hij koning werd, hoofd over een gezelschap van vierhonderd mannen (1 Sam.22:1-2). Maar binnen dat gezelschap bevonden zich dertig mannen, waarvan gezegd wordt dat zij hem bijstonden bij de verwerving van zijn koninkrijk. Zij kregen dan ook hoge posities in het koninkrijk van David (2 Sam.23:8 vv). Een uitbeelding van Christus en Zijn ecclesia, die met Hem zal worden geopenbaard in heerlijkheid (Kol.3:3) en zal heersen over de hele schepping (Rom.8:17; Ef.1:10) 40 Dertig in Richteren Ook in het boek Richteren komen we de dertig nogal eens tegen. Bijvoorbeeld bij Jaï r, wiens naam betekent Hij zal verlichten, met afgeleide betekenissen (Rich.10:3-4) als: Hij zal tonen/illustreren. Hij had dertig zonen, die reden op dertig ezels en dertig steden hadden. Natuurlijk toont/illustreert ook deze Jaï r ons Christus en zij die delen in Zijn positie. En Ezban, een man uit Bethlehem(!), die dertig zonen en dertig dochters had (Rich.12:8-9). De dertig spreekt ook van verborgenheid. Zowel Jozef als David waren dertig jaar oud, toen zij koning werden. Toen werd openbaar wie zij daadwerkelijk waren. Allemaal schitterende plaatjes van de komende Koning: Christus Jezus! 41
Page 40
Simson heeft een vrouw gezien die hem bevalt en organiseert een feestmaal dat moet leiden tot de bruiloft. Het is een uitbeelding van de Heer Jezus Christus, die als de Bruidegom (Matth.9:15; 25:1,5,6,10) kwam tot Zijn volk. Maar… het huwelijk zou niet plaatsvinden. Richteren 14 12 En Simson zei tot hen: alsjeblieft, ik leg aan jullie een raadsel voor. Indien jullie het mij vertellen, ja vertellen in de zeven dagen van het feestmaal en jullie vinden het, dan geef ik aan jullie dertig hemden en dertig wisselklederen. 13 En indien jullie het mij niet kunnen vertellen, dan geven jullie aan mij dertig hemden en dertig wisselklederen. En zij zeiden tot hem: Leg jouw raadsel voor en wij zullen het aanhoren. 30 metgezellen Voordat het huwelijk plaatsvindt, is er een bijzonder gezelschap dat zich ophoudt in de nabijheid van Simson: zijn dertig metgezellen. Zij zijn een uitbeelding van de kring die Christus rond Zich verzamelt, voordat het huwelijksverbond met Israe l gesloten wordt. Zij delen in het raadsel (>geheim, verborgenheid). 42 De zevende dag Het huwelijk zou plaatsvinden na zeven dagen. De zevende dag is de sabbat en de dagen van de week corresponderen met de dagen van duizend jaar (2 Petr.3:8) waarin God Zijn heilsplan uitwerkt. Israe l zal na zes dagen, op de zevende dag, haar sabbatsrust ingaan (Hebr.4:9). Dan zal de Messias komen op de wolken van de hemel met grote kracht en heerlijkheid (Matth.24:30) en zal het nieuwe verbond, een huwelijksverbond, gesloten worden tussen Hem en Zijn volk (Jes.62:4-5). Komst in vernedering Maar Simson is een uitbeelding van de eerste komst van de Heer in vernedering. Het nieuwe verbond zou voorlopig niet gesloten worden, het huwelijk gaat niet door. En dat heeft alles te maken met het raadsel van de verscheurde leeuw, dat hij zou delen met zijn gezelschap. 43
Page 42
Nu komt het moment dat Simson zijn raadsel gaat voorleggen. Een ieder die bekend is met de verhalen uit de bijbel kent het raadsel zoals de Statenvertaling en de NBG-vertaling dit weergeven: spijze ging uit van de eter en zoetigheid ging uit van de sterke. Zo ken ik het zelf ook en dat is dan ook de reden dat ik het hier zo vermeld. Er is ook niets mis met die weergave, maar het is natuurlijk wat Oudnederlands en het is goed om iets dat zo vast in onze gedachten zit, eens anders weer te geven. Richteren 14 14 En hij zei tot hen: Uit de eter gaat voedsel uit en uit de sterke gaat zoet uit. En zij konden het raadsel in drie dagen niet vertellen. Twee helften Hier vinden we dan de zoveelste tweevoud: het raadsel bestaat uit twee delen. Het is een parallellisme, twee zinsdelen die min of meer hetzelfde zeggen. Het zou ook in e e n zin kunnen worden gezegd: uit de sterke eter gaat zoet voedsel uit. Later zullen we het nog over het antwoord op het raadsel hebben, dat ook uit twee delen bestaat. En we zullen zien dat het ‘antwoord’ gegeven wordt in de vragende vorm en dus ook een raadsel is, waardoor er sprake is van twee raadsels. Simson is een type van de Heer in Zijn eerste komst, maar door te spreken over een eerste, volgt er logischerwijze nog een tweede. 44 Of anders gezegd: Zijn komst zou onderbroken worden en worden verdeeld in twee helften. De derde dag Het feit dat zij het raadsel niet konden verklaren in drie dagen lijkt een nogal vreemde opmerking en de commentaren weten daar meestal niet zo goed raad mee. De metgezellen hadden immers zeven dagen de tijd om het raadsel op te lossen (14:12,17). De verklaring ligt in de symboliek. Het raadsel houdt verband met de derde dag! Simson is hier de uitbeelding van de Heer, die kwam tot Zijn volk om met hen in een huwelijksverbond te treden. Maar de bruiloft ging niet door. Deze bruiloft, die een uitbeelding is van het nieuwe verbond, zou plaatsvinden op de derde dag (vergelijk Joh.2:1). Het herstel van Israe l zou zijn na twee dagen, op de derde dag: Hosea 6 2 Hij zal ons levend maken na twee dagen, in de derde dag zal Hij ons oprichten en wij zullen leven voor Zijn aangezicht. Na tweeduizend jaar Het is Petrus die, inmiddels bijgepraat door Paulus (2 Petr.3:1516), de oplossing van dit raadsel geeft. Wanneer zou Israe l herstellen, wanneer zou het nieuwe verbond aanbreken, de bruiloft van het Lam? Na twee dagen, op de derde dag, maar dan gerekend in dagen van duizend jaren (2 Petr.3:8). En wij staan nu aan de vooravond van dat deze dingen z’n beslag krijgen! 45
Page 44
Als we de geschiedenis van Simson bestuderen, zien we dat bepaalde dingen zich herhalen. Zo zijn er meerdere vrouwen die in het leven van Simson een rol spelen. Hier in Richteren 14 vinden we dat de vrouw Simson onder valse voorwendselen zijn raadsel afneemt en hem verraadt. In Richteren 16 is het Delilah, die Simson het geheim van zijn grote kracht ontfutselt en hem overlevert aan de Filistijnen. Telkens krijgen we door een ander venster een plaatje te zien van God, die Zijn Verlosser zond, maar de vrouw (>Israe l) leverde Hem over en beroofde Hem van Zijn kracht (>doodde Hem). Het nieuwe verbond (>de bruiloft) ging niet door. Richteren 14 15 En het was op de zevende dag dat zij tot de vrouw van Simson zeiden: Haal jouw man over, zodat hij ons het raadsel vertelt, opdat wij niet jou en het huis van jouw vader met vuur verbranden. Jullie hebben toch niet tot ons geroepen om ons berooid te doen worden? 16 En de vrouw van Simson huilde bij hem en zij zei: Jij haat mij zeker en jij hebt mij niet lief. Het raadsel heb jij voorgelegd aan de zonen van mijn volk en je hebt het niet aan mij verteld. En hij zei tot haar: Zie, aan mijn vader en aan mijn moeder vertelde ik het niet, zal ik het aan jou vertellen? 17 En zij huilde bij hem op de zevende van de dagen 46 waarin zij hun feestmaal hadden. En het gebeurde in de zevende dag dat hij het haar vertelde, omdat zij hem beklemde. En zij vertelde het raadsel aan de zonen van haar volk. Stad en tempel verbrand Hier wordt de vrouw nog bedreigd dat zij en het huis van haar vader met vuur verbrand zullen worden. In 15:7 zien we dat dit ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Israe l leverde haar Messias over en doodde Hem, maar pas decennia later in het jaar 70 na Chr. werden de stad Jeruzalem en de tempel verwoest en volledig in de as gelegd. Dat is hier in de geschiedenis bij Simson nog niet het geval. Eerst volgt nog de geschiedenis van Simson met de 300 vossen. Een slechte relatie Vanaf de aanvang zat de relatie niet goed tussen Simson en deze vrouw. Simson zegt dat hij het raadsel ook niet aan zijn vader en moeder heeft verteld, dus waarom zou hij het haar vertellen? Terwijl een huwelijk nu juist inhoudt dat een man zijn vader en moeder zou verlaten en zijn vrouw zou aanhangen (Gen.2:24). En de vrouw is bereid verraad te plegen onder de druk van haar volksgenoten. Ze had ook tegen Simson kunnen zeggen wat er speelde en erop kunnen vertrouwen dat hij het zou oplossen. Later versloeg Simson in zijn eentje heel wat meer Filistijnen dan waartegen hij het hier zou moeten opnemen. Of kende de vrouw van Simson zijn kracht niet? Was zij net als Israe l later met betrekking tot Jezus niet op de hoogte met wie zij werkelijk te maken had? Simsons liefde Hoe het ook zij, Simson die we kennen van zijn enorme kracht, was blijkbaar in een andere zin zwak, want hij deelt zijn raadsel met de vrouw. Zij bleef aandringen, letterlijk: beklemde (>of: benauwde) hem. Exact dezelfde woorden vinden we later ook in 47
Page 46
de geschiedenis met Delilah (16:16). Vanwege de grote liefde die Simson had voor deze vrouw maakte hij zijn raadsel bekend, zoals hij later bij Delilah zijn hart uitstortte en het geheim van zijn kracht bekend maakte. Het kost hem hier zijn huwelijk, bij Delilah uiteindelijk zijn leven. Zoals het ook bij de Heer Zijn leven zou kosten dat Hij uiteindelijk bekendmaakte wat Hij tot dan toe verborgen had gehouden (Matth.26:63-64). 48 Uiteindelijk vertelt Simson het raadsel aan zijn vrouw en zij vertelt het door aan haar volksgenoten die nu bij Simson komen om hem, op de laatste dag, voordat de zon ondergaat, de oplossing mee te delen. Het feest eindigt in een anticlimax. Vanwege de ontrouw van de vrouw verdwijnt Simson en is er geen huwelijksgemeenschap. Richteren 14 18 En de mannen van de stad zeiden hem in de zevende dag, voordat de zon onder gaat: Wat is zoeter dan honing en wat is sterker dan een leeuw? Twee raadsels Bijzonder is natuurlijk dat het antwoord op het raadsel gesteld wordt in de vragende vorm. En zo krijgen we een tweede raadsel voorgeschoteld. En ook weer een raadsel met een dubbele vraag. De dertig metgezellen spreken net als Simson in verborgenheden (>raadselen). Zoals we al zagen zijn zij een uitbeelding van de ecclesia. Op het raadsel van Simson wisten wij als lezers het antwoord al. We hadden gelezen van de verscheurde leeuw, die honing had voortgebracht. Op het raadsel dat we hier krijgen, geeft de Schrift ook antwoord. Weliswaar niet in deze geschiedenis, maar wel op andere plaatsen. 49
Page 48
Zoet is het tegenovergestelde van bitter (Jak.3:110). In de Schrift wordt bitter onder andere in verband gebracht met kwaad (Jer.2:19), met rouw (Jer.31:15) en dood (Opb.8:11). Honing wordt voortgebracht door de bij (>dabar) en we zagen al dat dit spreekt van Christus en van Zijn woord. Zoals ook de verscheurde leeuw spreekt van de Leeuw van Juda, die stierf en leven voortbracht. Psalm 19 In Psalm 19 wordt het antwoord gegeven op de vraag: wat is zoeter dan honing? Deze Psalm kan worden onderverdeeld in twee delen. Het eerste deel spreekt over het getuigenis van de schepping. Over hoe de hemelen, door de hemellichamen en de sterren(beelden), spreken van Gods machtige daden. In deze beschrijvingen van het uitspansel worden termen gebruikt die je zou verwachten bij het spreken van woord. Er worden uitdrukkingen gebruikt als: verhalen, vertellen, sprake, woorden, stem, enz. Het tweede deel van de Psalm gaat over het getuigenis van de Torah (de Schriften). En daar vinden we juist allerlei formuleringen die verwijzen naar de schepping. Het verlicht, verkwikt, is begeerlijker dan goud, ja, als schitterend goud. Kortom: de schepping spreekt van Gods heerlijkheid, en de Schrift verlicht degene tot wie het komt. En dan wordt er gezegd: Psalm 19 9 (…) De verordeningen van JAHWEH zijn waarheid, ze zijn geheel en al rechtvaardig, 10 meer begeerd wordend dan goud, ja, dan schitterend goud, en zoeter dan honing en honingzeem uit de raat. 50 Wat is zoeter dan honing? Het woord van God! Het verkwikt, geeft wijsheid, is betrouwbaar (:7), het verheugt, verlicht de ogen (:8) en is de waarheid (:9). Gods woord wijst ons telkens weer op Hem, die bij machte is meer dan overvloedig te doen boven alles wat wij verzoeken of denken (Ef.3:20)! 51
Page 50
Nadat we het eerste deel van het antwoord op het raadsel hebben bekeken, kijken we naar de tweede vraag: wat is sterker dan een leeuw? Daar zijn meerdere antwoorden op te vinden in de Schrift, maar uiteindelijk wijzen al die antwoorden toch weer op de Ene. Ik heb vier bijbelse figuren kunnen vinden die op een of andere manier een leeuw versloegen. Ze wijzen alle vier op de vijfde: Jezus Christus! Simson Eerst het meest voor de hand liggende antwoord in de context van deze geschiedenis: Simson is sterker dan een leeuw. Hij versloeg immers de leeuw en doodde hem (Rich.14:6). David Een andere bekende bijbelse figuur waarvan we weten dat hij de leeuw heeft verslagen, is David. Als David voorstelt om Goliath tegemoet te treden, geeft Saul aan dat David geen partij is voor Goliath. Hij is te jong en de reus is te groot en te ervaren. David geeft als antwoord dat hij als herder te maken heeft gehad met de leeuw en de beer, die schapen wegroofden en dat hij ze dan achterna ging en het schaap redde uit de muil van de leeuw en de leeuw daarbij doodde. Zowel leeuw als beer had David verslagen (1 Sam.17:32-36). David is een type van de Zoon van David, de Goede Herder. Overigens spreekt het verslaan van de leeuw en beer profetisch ook van de toekomst waarin een laatste wereldrijk van Babel met kenmerken uit eerdere wereldrijken 52 door de Zoon van David zal worden verslagen (Dan.7:4-5; Opb.13:2). Benaja Iemand die veel minder bekend is, maar waarvan ook wordt gezegd dat hij een leeuw heeft verslagen is Benaja. Hij wordt genoemd in de rij van Davids helden vanaf 2 Sam.23:8. Van hem wordt gezegd: 2 Samuël 23 20 (…) En hij daalde af en hij sloeg de leeuw, in de kuil, in de dag van de sneeuw. Benaja betekent zoon van JAHWEH. Herkent u hierin ook de Heer Jezus Christus, de Zoon van God, die neerdaalde in de kuil (>graf) en de leeuw versloeg? De leeuw, die hier een beeld is van Satan, de brullende leeuw (Ps.22:14,22; 1 Petr.5:8). Schitterend is dan ook wat er verder nog gezegd wordt over deze Benaja. 21 En hij sloeg een Egyptische man neer, die een man van aanzien was. En in de hand van de Egyptenaar was een speer. En hij daalde naar hem af met een knuppel en hij griste de speer uit de hand van de Egyptenaar en hij doodde hem met zijn eigen speer. Doet ons dat niet denken aan David en Goliath? Hier betreft het weliswaar geen Filistijnse reus, maar een Egyptenaar, een man van aanzien. Het woord voor knuppel is elders de koningsscepter van de Messias (Ps.2:9; Gen.49:10). Net als Goliath door David werd gedood met zijn eigen zwaard, wordt deze Egyptenaar, gedood met zijn eigen wapen. Satan heeft de macht van de dood en door te sterven, overwon de Zoon van JAHWEH de dood, want 53
Page 52
God wekte Hem op. Dit is de garantie dat de dood volledig zal worden teniet gedaan (1 Kor.15:26; 2 Tim.1:10)! Daniël Ook van Danie l weten we dat hij in zekere zin de leeuw versloeg. In Danie l 6 lezen we de bekende geschiedenis van Danie l in de leeuwenkuil. Danie l wordt in de leeuwenkuil geworpen en op de kuil wordt een steen gelegd (6:18). Normaal gesproken zou dit een zekere dood inhouden, want geen mens verliet levend deze kuil. Maar de volgende dag, vroeg in de morgen (6:20) wordt de steen weggewenteld en wordt een levende Danie l opgetrokken uit de kuil (6:23). Een schitterende illustratie van de dood en opstanding van Christus. Het moge duidelijk zijn, of het nu gaat om Simson, David, Benaja of Danie l, allen wijzen zij naar Hem waar heel de Schrift van spreekt. De grote Overwinnaar, Christus Jezus! 54 In het slot van deze episode van het mislukte huwelijk van Simson vinden we voor de derde keer dat de geest van JAHWEH voorspoedig werd over Simson (13:25; 14:6). Wat hij hier doet, is geleid door God. Simson werd geïnspireerd. Richteren 14 19 En de geest van JAHWEH was voorspoedig over hem en hij daalde af naar Askelon en hij sloeg van hen dertig mannen neer. En hij nam hun bovenkleding en hij geeft de wisselklederen aan hen die het raadsel vertelden. En zijn boosheid was ontbrand. En hij ging op naar het huis van zijn vader. 20 En Simsons vrouw werd van zijn naaste, die zijn partner was. Verplaatsing van heerlijkheid Simson had zich een vrouw uitgezocht, maar deze vrouw was ontrouw aan hem. Het huwelijk gaat niet door en Simson lost zijn schuld in door de dertig wisselklederen van dertig inwoners van Askelon te nemen en ze aan de dertig metgezellen te geven. Kleding spreekt van heerlijkheid en positie. Zoals Jozef nieuwe kleding kreeg toen hij verhoogd werd aan het hof van Farao 55
Page 54
(Gen.41:42). Of Elia die aan zijn opvolger Elisa zijn mantel gaf (1 Kon.19:19). Verwisseling Simson gaat naar de onbesneden Filistijnen (1 Sam.17:26), die een uitbeelding zijn van het volk Israël dat onbesneden was van hart (Deut.10:16). Hij neemt hun wisselklederen en geeft die aan de dertig metgezellen. Het is een uitbeelding van hoe de positie en heerlijkheid van Israe l werden afgenomen en aan een ander volk werden gegeven (Matth.21:43). Het kwam terecht bij de gelovigen onder de natie n, de ecclesia. De betekenis van de plaatsnaam Askelon onderschrijft dit, want dat betekent: verhuizing, migratie. Opgaan Na het mislukte huwelijk ging Simson op naar het huis van zijn vader. Eerder daalde hij af (14:1) naar Timnah. De Heer daalde af tot Zijn volk, maar toen zij ontrouw bleken te zijn, ging Hij op naar het huis van Zijn Vader (Joh.14:2). Dit woord opgaan wordt elders ook vertaald met offeren (Gen.22:13; Ex.40:29). Zoals een offerdier na de slachting werd verhoogd op het altaar en opsteeg tot een liefelijke reuk voor JAHWEH, zo ging Simson op naar het huis van zijn vader. En nadat Israe l de Heer had overgeleverd en gedood, stond Hij op en ging Hij op naar de hemel. 56 We komen nu in het volgende hoofdstuk en er wordt een kleine sprong in de tijd gemaakt. Het huwelijk was niet tot stand gekomen en Simson had zich teruggetrokken in het huis van zijn vader. Na (enige) dagen besluit hij echter om terug te keren tot de vrouw. Richteren 15 1 En het gebeurde na enige dagen, in de dagen van de tarweoogst, dat Simson zijn vrouw bezocht, (…) en hij zei: Ik zal tot mijn vrouw komen, in de kamer… Wel of geen huwelijk Hoewel de vrouw aan een ander wordt gegeven (14:20), noemt Simson haar nog steeds mijn vrouw. Zoals de Filistijnen later in het hoofdstuk Simson ook de schoonzoon van de Timniet noemen (15:6). Het blijft wat onduidelijk of Simson en de vrouw nu wel of niet verbonden zijn door het huwelijk. Zoals we dat ook zien in de Handelingen periode. Het volk Israe l had haar Messias verworpen en gedood en de Heer ging op naar het huis van Zijn Vader (Hand.1:9). Maar daarna wordt aan Israe l gepredikt, dat als zij zich als volk zouden bezinnen en bekeren, de Messias zou terugkomen en het nieuwe verbond zou worden gesloten (3:1921). 57
Page 56
In de dagen van de tarweoogst Simson keert enige dagen later terug om zijn vrouw te bezoeken. Dat is in de dagen van de tarweoogst, staat erbij. De tarweoogst bepaalt ons bij Pinksteren. Vanaf de dag van de eerstelingschoof (van de gersteoogst) zou men zeven sabbatten tellen (Lev.23:1516) en na 7 x 7, op de vijftigste, zou voor Israe l het begin aanvangen van de tarweoogst. Pinksteren betekent vijftigste. Pinkstervuur Wat we in de navolgende geschiedenis beschreven vinden, is Simson die door middel van 300 vossen de oogst van de Filistijnen platbrandt. Het is een illustratie van Pinksteren, een plaatje van wat beschreven wordt in het boek Handelingen. De geschiedenis van Handelingen speelt zich af tussen twee Pinksterfeesten. Het bekende Pinksteren in Hand. 2 met het uitstorten van de geest, de toespraak van Petrus, het spreken in talen en de tongen van vuur. Daar is het Koninkrijk aanstaande en de situatie voor Israe l veelbelovend. In vlammen op Later, in Hand. 20:16 is Paulus op weg om met Pinksteren in Jeruzalem te zijn. Daar zal hij worden gevangengenomen en het boek Handelingen eindigt met dat er vanwege het ongeloof van het Joodse volk een einde is gekomen aan de voorkeurspositie van Israe l (Hand.28:23-29). Het land leek klaar voor de oogst (Joh.4:35). De Sterke Held, die de dood had overwonnen, werd aan Israe l gepredikt door de apostelen (Hand.2:36; 3:19-21), maar de bruid was niet beschikbaar en de oogst ging in vlammen op. Uiteindelijk zijn dan ook in het jaar 70 na Chr. de stad Jeruzalem en de tempel door de Romeinen verwoest en verbrand. 58 Als Simson na het debacle van het mislukte huwelijk enige dagen later de vrouw bezoekt, neemt hij een geitenbokje mee. Ongetwijfeld zal dit door Simson bedoeld zijn als een geschenk om verzoening tussen hem en de vrouw tot stand te brengen. Richteren 15 1 (…) dat Simson zijn vrouw bezocht, met een geitenbokje, en hij zei: Ik zal tot mijn vrouw komen, in de kamer. Maar haar vader stond hem niet toe binnen te komen. Drie keer Het is de derde keer in de geschiedenis van Simson dat er sprake is van een (geiten)bokje. De eerste keer was in Richteren 13:15 en 19, waar Manoach een geitenbokje wil slachten en bereiden voor de engel die de geboorte van Simson aankondigt. Het antwoord van de boodschapper is dat Manoach het zou bereiden (>slachten) e n offeren aan JAHWEH. Bij het offeren werd het geitenbokje gelegd (>verhoogd) op het altaar en steeg het op tot een liefelijke reuk voor JAHWEH (o.a. Ex.29:18). Het is een uitbeelding van de opstanding van Christus: God wekte Hem op uit de dood en verhoogde Hem aan Zijn rechterhand. 59
Page 58
Hét Offer De tweede keer in de geschiedenis van Simson dat er gesproken werd over een geitenbokje, was bij het verscheuren van de leeuw. Daar lazen we: … zodat hij die uiteenscheurde, zoals men een bokje uiteenscheurt (14:6). Het uiteenscheuren of klieven is een term die ook wordt gebruikt in verband met de offerdienst (Lev.1:17). Het verscheuren van de leeuw heeft dezelfde betekenis als het klieven van een offerdier. Het verwijst naar hét Offer. Ook ons Pascha (>Paaslam) werd voor ons geslacht (1 Kor.5:7) om vervolgens door God te worden opgewekt uit de dood! Hij is “het Lam, staande als geslacht” (Opb.5:5). De Opgewekte Christus Deze derde keer dat er in het verslag van het leven van Simson wordt gesproken over een geitenbokje, vinden we als hij na enige dagen terugkeert tot de vrouw. Het is een uitbeelding van de Heer, die na Zijn opstanding opging naar het huis van Zijn Vader en na enige dagen, Israe l (>de vrouw), bezocht als de Opgewekte (>geitenbokje). In Handelingen vinden we beschreven hoe door de Twaalf aan het volk Israe l de opgewekte Christus verkondigd werd. Maar zij kregen geen gehoor, het huis van Israe l verwierp ook de Opgewekte. Zoals de vader van de vrouw hier Simson niet toelaat om binnen te komen. 60 Simson wordt niet toegelaten in het huis van de vrouw. Zij is aan een ander gegeven. Het is een uitbeelding van Israe l dat de Messias afwees en Hem niet toeliet in het huis. In de toekomst zal het volk Israe l zich we l verbinden aan een ander. Het is immers de Heer Zelf die zegt dat men iemand zal aannemen die komt in zijn eigen naam (Joh.5:43) en zich zal voordoen als de Christus. Wat nu volgt, speelt zich af in de dagen van de tarweoogst en dat valt samen met Pinksteren (Lev.23:15-22). Richteren 15 2 En haar vader zei: Ik zei, zeggend, dat jij haar hatend haatte en ik gaf haar aan jouw metgezel. Is haar jongere zuster niet beter dan haar? Alstublieft! Zij zal voor jou zijn, in haar plaats. 3 En Simson zei tot hen: Ditmaal ben ik onschuldig aan de Filistijnen, wanneer ik hen kwaad doe. 4 En Simson ging en hij greep driehonderd vossen. En hij nam fakkels en hij keerde ze staart aan staart. En hij plaatste e e n fakkel tussen de twee staarten, in het midden. 5 En hij stak de fakkels in brand en hij zond ze heen in het staande koren van de Filistijnen en hij stak het in brand, vanaf de schoof tot aan het staande koren en tot aan de wijngaard en olijfgaard. 61
Page 60
De vrouwen De bruid is niet meer beschikbaar en Simson krijgt de jongere zuster aangeboden. Als de vrouw een uitbeelding is van Israe l, is haar jongere zuster dat ook, maar dan een andere generatie, e e n die later komt. Ik denk dat dit spreekt van de toekomst waarin het huwelijk tussen de Messias en de vrouw, als uitbeelding van het nieuwe verbond, we l gesloten zal worden. In deze geschiedenis gebeurt dit niet, want Simson is een type van de Heer in Zijn eerste komst. Driehonderd Van het getal 300 was al eerder sprake in het boek Richteren. Het was Gideon die met een groep van driehonderd mannen de overwinning behaalde. Deze driehonderd mannen worden afgezonderd van Israël en treden samen met Gideon op als één man (6:16) en behalen met hem de overwinning (Rom.8:37). Zij zijn een uitbeelding van Christus en de ecclesia. Het getal drie spreekt van opstanding en het is opvallend hoe dit getal op verschillende niveaus een rol speelt in de geschiedenis van Simson. Het getal drie op zichzelf, maar ook in tientallen, honderdtallen en duizendtallen: • 3 dagen: in drie dagen konden zij zijn raadsel (>verborgenheid) niet verklaren (14:14) • 30 metgezellen: Simson had op zijn feest dertig metgezellen (14:11) • 300: Simson neemt driehonderd vossen (15:4) • 3000: drieduizend man uit Juda komen tot Simson om hem over te leveren aan de Filistijnen (15:11) 3 – 30 – 300 – 3000 Het getal drie wijst ons op de derde dag, waarop Christus opstond. De opstanding van Christus was omgeven door een geheim en dat geheim betreft onze heerlijkheid (1 Kor.2:6-7), zegt Paulus. Wij zouden delen in de heerlijkheid van Christus. Die 62 verborgenheid wordt uitgedrukt in de verschillende niveaus waarin het getal drie genoemd wordt in de geschiedenissen van Simson. Eerder zagen we al dat de dertig metgezellen van Simson een uitbeelding zijn van de ecclesia. Het raadsel bleef drie dagen verborgen. En in 15:11 zullen we zien dat de drieduizend mannen uit Juda een uitbeelding zijn van het Joodse volk dat haar Messias overleverde. Daardoor werd het Joodse volk terzijde gesteld en ging redding naar de natie n, vanwege Israëls misstap (Rom.11:11). Dat de natie n via een gelovig Israe l zouden worden gezegend, was bekend in de Hebreeuwse Schriften, maar dat de natie n vanwege Israëls verwerping deel zouden krijgen aan de Messias, was een verborgenheid die Paulus mocht bekendmaken (Ef.3:6; 8-9). Pinksteren In verband met Pinksteren wordt het getal drieduizend ook genoemd in het boek Handelingen (2:41). Toen God de stenen tafelen van het oude verbond aan Mozes gaf, stierven er drieduizend man (Ex.32:28). Bij de uitstorting van de geest op de Pinksterdag in Handelingen werden er drieduizend man gedoopt, een uitbeelding van opstandingsleven. Deze Pinksterdag markeert de komst van het nieuwe verbond dat aanstaande was. Dat werd onder andere gedemonstreerd door tongen als van vuur (Hand.2:3). Dit vuur is een uitbeelding van het nieuwe verbond en van geest (2 Kor.3:6). Pinkstervuur Op het eerste Pinksteren in Handelingen 2 ziet het er hoopvol uit voor Israe l. Er is sprake van Pinkstervuur: de geest wordt uitgestort, velen worden gedoopt en komen tot bezinning en er gebeuren grote tekenen (2:43). Maar het boek eindigt in een anticlimax. Paulus die met Pinksteren op weg is naar Jeruzalem (20:16), wordt daar gevangengenomen (Hand.21). Israe l verwerpt de opgewekte Christus en uiteindelijk zal in 70 na Chr. de stad Jeruzalem en de tempel in vlammen opgaan. Ook Pinkstervuur dus… 63
Page 62
Simson was blijkbaar niet alleen sterk, maar ook slim, want hij vangt driehonderd vossen. Sommige commentatoren hebben hier moeite mee, omdat vossen solitaire dieren zijn en lastig zijn te vangen. Daarom vervangen zij de vossen voor jakhalzen, want die leven in groepen en dan heb je er eerder driehonderd te pakken. Dan lijkt het me nog steeds een hele klus om er driehonderd te vangen. Mijn verklaring is een simpele: als God wil dat Simson driehonderd vossen vangt, dan vangt hij driehonderd vossen. Richteren 15 4 En Simson ging en hij greep driehonderd vossen. En hij nam fakkels en hij keerde ze staart aan staart. En hij plaatste e e n fakkel tussen de twee staarten, in het midden. 5 En hij stak de fakkels in brand en hij zond ze heen in het staande koren van de Filistijnen en hij stak het in brand, vanaf de schoof tot aan het staande koren en tot aan de wijngaard en olijfgaard. Valse leraren Als we erop naslaan wat de bijbel zegt over vossen, komen we tot de conclusie dat zij een uitbeelding zijn van valse leraren. In deze geschiedenis verbranden de vossen de oogst en ook in Hooglied wordt er gesproken over ...vossen, die de wijngaarden verderven, 64 nu onze wijngaarden in bloei staan (2:15). Het boek Klaagliederen handelt over de verwoesting van de stad Jeruzalem en de tempel en daar staat: …hierom zijn onze ogen verduisterd: om de berg Sion, die woest ligt, waarop de vossen ronddolen (5:18). Ook hier gaat het, net als in de geschiedenis van Simson over het ongeloof van het Joodse volk en haar leiders. Sion staat voor het Messiaanse rijk en het nieuwe verbond. Zoals ook de wijngaarden dat uitbeelden. Die werden verdorven vanwege Israe ls geestelijke leiders, de vossen, zoals dat ook in deze geschiedenis van Simson gebeurt. Het meest sprekend in dit verband is wat Ezechie l hierover zegt: Ezechiël 13 4 Israe l, jouw profeten zijn als vossen in verlaten plaatsen. Herodes In het nieuwe testament wordt deze betekenis bevestigd. Als in Lukas 13 enige Farizeee n tot Jezus komen en zeggen dat Herodes Hem wil doden, zegt Hij: “Ga, en zeg tegen deze vos…” In die tijd was er naast de stroming van de Farizeee n en Sadduceee n, sprake van een beweging van de Herodianen (Matth.22:13; Marc.12:13). Zij geloofden dat de Messias uit het koningshuis van Herodes zou komen. Herodes was de heerser over de Romeinse provincie Judea en in die zin “de koning der Joden”. Deze Herodianen wilden Gods beloften dan ook verwezenlijken via een politieke weg. Herodes liet zich dit blijkbaar graag welgevallen en vandaar dat de Heer hem noemt: deze vos. Anticlimax In deze geschiedenis met de driehonderd vossen wordt uitgebeeld hoe de veelbelovende dagen in het begin van Handelingen, waar de geest wordt uitgestort en er veel wonderen en tekenen geschieden, uitlopen op een anticlimax. Israe ls 65
Page 64
leidslieden verwierpen niet alleen Jezus als Messias door Hem te kruisigen, maar ook zij die de opgewekte Christus verkondigden, werden vervolgd en gedood. Dit wordt bijvoorbeeld duidelijk bij de steniging van Stefanus in Handelingen 7. Het verhaal van de afwijzing van Israël van de Messias speelt zich in het boek Handelingen af tussen twee Pinksterfeesten, in Hand. 2 en Hand.20:16. Vuur en geest Al eerder in het boek Richteren, in de geschiedenis van Gideon, was er sprake van driehonderd(!) fakkels. In deze geschiedenis gaat het om honderdvijftig fakkels, een getal dat niet vaak voorkomt in de bijbel, maar in ieder geval, net als hier, in verband wordt gebracht met oordeel (Gen.7:24; 8:3). Een fakkel is een lichtdrager en een uitbeelding van het woord van God en van verlossing (Jes.62:1). En zoals de tongen als van vuur (Hand.2:3) een representatie zijn van geest, zijn de fakkels dit ook. Maar het hoopvolle Pinkstervuur, blijkt uit te lopen in een vuur (>gericht) dat de oogst in vlammen doet opgaan. Zoals de vossen door Simson gebonden worden, waren de leidslieden van Israe l ook gebonden door hun eigen overleveringen en de wet. De oogst werd verwoest, het nieuwe verbond brak niet aan. 66 Nadat hun oogst is platgebrand door de list van Simson met de vossen, zijn de Filistijnen op zoek naar de schuldige. Blijkbaar was makkelijk te achterhalen dat Simson dit gedaan had. Hij had immers ook aangekondigd dat hij de Filistijnen kwaad zou aandoen (:3). Richteren 15 6 En de Filistijnen zeiden: Wie heeft dit gedaan? En zij zeiden: Simson, de schoonzoon van de Thimniet, want deze nam zijn vrouw en hij gaf haar aan zijn metgezel. En de Filistijnen gingen op en zij verbrandden haar en haar vader in het vuur. 7 En Simson zei tot hen: als jullie doen als dit, zal ik mijzelf veel meer wreken op jullie. En daarna zal ik ophouden. 8 En hij sloeg hen neer, been over dij, een grote slag. En hij daalde af en hij woonde op de hoogte van de rots van Etam. Verwoest en verbrand De oogst is verbrand en de Filistijnen koelen hun woede op de vrouw en haar vader door hen te verbranden met vuur. Het beeldt uit dat het nieuwe verbond niet tot stand kwam en hoe Jeruzalem en de tempel opgingen in vlammen in het jaar 70 na 67
Page 66
Chr. Deze verwoesting vinden we dan ook aangekondigd door de schrijvers van het nieuwe testament (Hebr.10:27; 2 Petr.2:1-9). Een grote slag Simson neemt wraak op de Filistijnen en sloeg hen neer, been over dij, staat er letterlijk. Wat er precies mee bedoeld wordt, weet ik niet. De vertalingen lopen hier ook nogal uiteen. De NBG heeft meer een uitleg, als ze weergeeft met: hij sloeg hun de ruggengraat stuk. De Herziene Statenvertaling ook: sloeg hun…. de botten stuk. De Statenvertaling heeft: den schenkel en de heup. In ieder geval was het een grote slag. Etam Men zegt dat Etam de betekenis heeft van: plaats van een roofdier. Het woord is afgeleid van een woord dat havik of roofvogel betekent en omdat bepaalde roofvogels nestelen op overhangende rotsen, is het dan de rots Etam. Hoe dan ook, Simson trekt zich terug op een hoge plaats, nadat de vrouw en haar huis geoordeeld zijn. Het is een illustratie van de Heer, die gezet werd aan Gods rechterhand in de hemel en zich terugtrok en verborg. Zoals Simson al eerder terugkeerde naar het huis van zijn vader (14:19). We zien keer op keer dezelfde zaken geï llustreerd in deze geschiedenissen, vanuit een ander perspectief. De rots De rots is in de Schrift altijd een uitbeelding van Christus. Een rots die vaste grond onder de voeten geeft (2 Sam.22:3), een rots die ons plaatst in de hoogte en overzicht geeft (Rich.15:8), het steentje dat de grote tegenstander versloeg (1 Sam.17:4), de steen waarop Jakob zijn hoofd neerlegde om te rusten (Gen.28:11), de steen die van de berg afkwam, het beeld van Nebukadnezar verpulverde en de hele aarde vulde (Dan.2:4445), of de spelonk van Adullam waar David en zijn manschappen verbleven (1 Sam.22:1-2), alles spreekt van de Rots: de Christus (1 Kor.10:4). 68 De geschiedenissen van Simson zijn gemakkelijk op te delen in een aantal verhalen. Je zou kunnen zeggen dat het voorgaande in Richteren 15 de geschiedenis is van Simson die driehonderd vossen bindt en dat er vanaf vers 9 een nieuw gedeelte begint, de gebeurtenis waarin Simson met een ezelskaak duizend Filistijnen verslaat. Maar omdat deze geschiedenis in het verslag een reactie is op Simsons actie met de vossen, begint er hier geen nieuw hoofdstuk. Richteren 15 9 En de Filistijnen gingen op en zij legerden zich in Juda; en zij verspreidden zich bij Lechi. 10 En de mannen van Juda zeiden: Waarom gingen jullie op tegen ons? En zij zeiden: Om Simson te binden gingen wij op, om met hem te doen zoals hij met ons deed. 11 En drieduizend mannen van Juda daalden af naar de rots van Etam en zij zeiden tot Simson: Weet jij niet dat de Filistijnen over ons heersen? En waarom deed jij ons dit aan? En hij zei tot hen: Zoals zij met mij deden, zo deed ik met hen. 12 En zij zeiden tot hem: Wij daalden af om jou te binden, om jou in de hand van de Filistijnen te geven. En Simson zei tot hen: Zweert tot mij, dat jullie mij niet neerstoten! 13 En zij spraken tot hem, zeggend: Nee, want wij 69
Page 68
binden, ja binden jou, en wij zullen jou in hun hand geven. Maar wij zullen jou zeker niet ter dood brengen. En zij binden hem met twee nieuwe touwen. En zij trokken met hem op vanaf de rots. Lechi De Filistijnen houden de mannen van Juda verantwoordelijk voor Simsons daden en zij trekken op tegen hen bij de plaats Lechi. Dat betekent kaak. In verband met wat verderop in de geschiedenis gebeurt, is dat belangrijk om te weten. Simson zal immers met een ezelskaak de Filistijnen verslaan. Het woord voor kaak en de aanduiding van de plaats Lechi, is hetzelfde woord. Simson overgeleverd Blijkbaar wordt er onderhandeld en de mannen van Juda gaan Simson halen om hem over te leveren aan de Filistijnen. In plaats van Simson te accepteren als hun verlosser van de Filistijnen, geven zij hem aan hen over. Eerder wees ik al met betrekking tot het getal drieduizend op de link met de geschiedenis van Pinksteren in Handelingen 2. Daar werden drieduizend man gedoopt, terwijl er bij de komst van het oude verbond drieduizend man stierven (Ex.32:28). Ook in de geschiedenis van Simson komen we het nog een keer tegen, als vermeld wordt dat in de tempel van Dagon zich ongeveer drieduizend mannen en vrouwen bevonden, die stierven samen met Simson (16:27). Niet bindend Simson wordt gebonden met twee nieuwe touwen. Weer een tweevoud. Het woord binden komen we nogal eens tegen in dit hoofdstuk en het volgende. Maar wat men ook probeerde, touwen, verse pezen, ketenen, of de stadspoorten van Gaza, niets kon hem vasthouden. Het is een uitbeelding van de Heer, die weliswaar door God aan Zijn vijanden werd overgeleverd en gedood, maar door de dood niet kon worden vastgehouden. 70 Handelingen 2 24 God deed Hem opstaan, de barensweee n van de dood ontbonden hebbende, omdat het niet mogelijk was, dat Hij daardoor zou worden vastgehouden. 71
Page 70
Simson wordt door de mannen van Juda gebonden met twee nieuwe touwen en overgeleverd aan de Filistijnen. Dan lezen we voor de vierde keer in het verslag van Simson dat de geest van JAWHEH hem aanspoort (13:25; 14:6,19). Geest is een synoniem voor leven en het spreekt ook in deze geschiedenis van opstandingsleven. Richteren 15 14 Als hij kwam tot aan Lechi juichten de Filistijnen hem tegemoet. En de geest van JAHWEH werd voorspoedig over hem. En de touwen die om zijn armen zijn, zijn als vlas dat door vuur verbrand is. En zijn banden versmolten van zijn handen. 15 En hij vond een vers kaakbeen van een ezel, en strekte zijn hand uit en hij nam het en hij sloeg er duizend mannen mee neer. Geest en vuur Niet alleen lezen we dat de geest van JAHWEH voorspoedig wordt over Simson, ook is er weer sprake van vuur. De touwen waarmee Simson wordt gebonden, versmelten en zijn als vlas(stengels) die door vuur verbrand worden. Ook hier weer een verwijzing naar het Pinkstervuur uit de Handelingen periode. Met een optimistische verwachting voor Israe l in het begin van dit tijdperk, met gaven van de geest, zoals tongen van vuur, maar 72 uiteindelijk uitlopend in oordeel dat over het Joodse volk kwam, toen de stad Jeruzalem en de tempel werden verwoest en door vuur verbrand. Vlas De touwen versmolten als vlas (meervoud) of vlasstengels. Vlas wordt gebruikt om linnen van te maken. Linnen bepaalt ons bij de opstanding van Christus (Luk.24:12; Joh.13:4-5). En daarom ook bij de kleding van de hogepriester onder het oude verbond (Lev.6:10), die een type is van de Hogepriester die komen zou, de opgewekte Christus (Hebr.8:10). Christus werd ook na Zijn opstanding door het Joodse volk verworpen en zoals de hogepriester onder het oude verbond de tabernakel inging en onzichtbaar was voor het volk, zo is Christus de hemelen binnengegaan en is daar nu verborgen (Hebr.8:1-2; 9:24). 1000 Duizend is een getal dat typerend is voor de openbaring van het Koninkrijk van de Messias. Dat zal immers aanvangen wanneer Satan duizend jaar gebonden wordt (Opb.20:2). In deze geschiedenis worden de duizend neergeslagen als uitbeelding van het Koninkrijk dat niet openbaar wordt. Israe l wordt terzijde gesteld (>neergeslagen). 73
Page 72
Simson sloeg duizend man neer met een ezelskaak. Die lag daar blijkbaar en was voor Simson ’toevallig’ het wapen dat hij gebruikte. Het zet ons op het spoor van de ezel, die een bijzondere betekenis heeft in de Schrift. En de kaak van de ezel bepaalt ons bij het spreken van de ezel en een ook een sprekende ezel komen we in de bijbel tegen, in de geschiedenis van Bileam (Num.22:28). Richteren 15 15 En hij vond een vers kaakbeen van een ezel, en strekte zijn hand uit en hij nam het en hij sloeg er duizend mannen mee neer. 16 En Simson zei: Met het kaakbeen van de ezel, ezel, ezels, met het kaakbeen van de ezel sloeg ik duizend mannen neer. Overwinning uit de dood Dat Simson hier de overwinning behaalt met het kaakbeen van een dood dier, is een uitbeelding van de Heer die stierf, maar opstond uit de dood en de dood overwon. Zoals dat ook bijvoorbeeld het geval is met de ramshoorn. Dat is de hoorn van een geslacht dier, maar het brengt toch geluid voort, het spreekt en dus leeft het: het Lam, staande als geslacht (Opb.5:6). Ook de kaak, als onderdeel van de mond, is bedoeld om te spreken. 74 De naam des HEEREN Het geluid dat een ezel voortbrengt, is ia of ija en dat is de afkorting van de naam van God: JAHWEH. Deze afkorting komen we dan ook vaak tegen in Hebreeuwse namen, zoals: Zacharia en Zefanja. Maar we kennen ook een ezel in de bijbel die nog wel wat meer te zeggen had (Num.22:28-30). De ezel van Bileam zag geestelijke dingen (>een engel) die Bileam niet zag en die Bileam pas zag toen God ook zijn ogen opende (Num.28:31). De ezel met geopende ogen en die de naam van de HEERE (JAHWEH) aanroept, is een uitdrukking van geloof. Ook Israe l zal in de toekomst de naam van JAHWEH aanroepen. Zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots (Rom.9:32), maar zullen zich in de toekomst niet voor de tweede keer stoten aan dezelfde Steen. Een vernederd paard Over ezels valt nog veel meer te zeggen, want we komen ze nogal eens tegen in de Schrift. Wanneer de Heer komt om Zijn Koninkrijk te openbaren en vestigen, komt Hij op een paard (Opb.19:11), want een paard is een uitbeelding van verhoging en heerlijkheid. Maar toen de Heer hier op aarde was, werd Hij gereden op een ezel, als symbool van Zijn vernedering (Matth.21:2-7; Joh.12:14-16). De ezel wordt wel eens een vernederd paard genoemd en spreekt van de Heer Jezus Christus in Zijn vernedering. Wist u dat een ezel zelfs een kruis op zijn rug draagt? Ezels, en met name oorspronkelijke wilde ezels, hebben een streep op hun rug, die een aalstreep5 wordt genoemd. Het is een donkere gekleurde lijn in de vacht over de volledige lengte van de rug van een dier. Omdat primitieve ezels ook een lijn hebben die afdaalt richting de voorpoten, vormt dit samen een kruis. Verse ezelskaak De verse ezelskaak is een kaak die vocht bevat en nog niet verdroogd is. Vocht (>water) als uitbeelding van het levende 75
Page 74
woord van God. Normaal bevindt zich ook water in de kaak, namelijk speeksel en dat heeft alles te maken met spreken. De dode ezel spreekt van de overwinning. De vochtige ezelskaak spreekt van het woord van de Heer in Zijn vernedering die stierf, maar zou herleven. Vertaalproblemen Vers 16 geeft nogal wat problemen bij de vertalers. Vier keer vinden we het Hebreeuwse woord voor ezel, namelijk chamor (H2543). De Statenvertaling zegt: …met een ezelskinnebakken, een hoop, twee hopen, met een ezelskinnebakken heb ik duizend man geslagen. Chamor kan ook de betekenis van een hoop hebben. Simson zou zijn slachtoffers dan verdeeld hebben in twee hopen. Wat overigens zou passen in de verhaallijn van Simson, want op tweevouden en dubbelen heb ik al meerdere malen gewezen. Daar zijn er velen van. Ezel als scheldwoord? De NBG vertaling geeft wel erg vrij weer met: …met een ezelskaak sloeg ik dat ezelstuig, met een ezelskaak duizend man. Daarbij gaat men er blijkbaar vanuit dat Simson duizenden jaren geleden eenzelfde gebruik had als wij, dat we het woord ezel als scheldwoord gebruiken. Dat sluit natuurlijk niet aan op de betekenis van de ezel in de Schrift. De ezel, ezel, ezels De beste verklaring die ik kan bedenken, is dat als de ezel spreekt van Christus en Zijn vernedering, de andere ezels spreken van zij die delen in Zijn positie. Toen de Heer zijn overwinning behaalde, werd het Koninkrijk niet geopenbaard, maar Hij nam wel een gezelschap mee in Zijn overwinning (Rom.8:37), de ecclesia. Zij is nu verborgen met Hem (Kol.3:3) en deelt in Zijn vernedering. Wat dat betreft zijn wij als gelovigen dus ook ezels. Het geloof is uit het horen (Rom.10:17). en daarom heeft de ezel ook van die grote oren… 76 Simson verslaat duizend man met een ezelskaak en dat is een uitbeelding van de Heer, die in vernedering kwam tot Zijn volk, maar niet aanvaard werd als Verlosser. De duizend mannen zijn een uitbeelding van het Israe litisch Koninkrijk dat niet openbaar zou worden. Zij worden neergeslagen (>terzijde gesteld). Maar toch is daar in de droogte een bron van levend water beschikbaar! Richteren 15 17 En het gebeurde toen hij klaar was met spreken, dat hij het kaakbeen uit zijn hand weggooide. En hij noemde die plaats Ramat-Lechi. 18 En hij had uitermate veel dorst en hij riep tot JAHWEH en hij zei: U, U gaf deze grote redding in de hand van Uw dienaar, maar nu sterf ik van de dorst en val ik in de hand van de onbesnedenen. 19 En God spleet de holte open die in Lechi is en daaruit ging water, en hij dronk. En zijn geest keerde terug en hij leefde. Daarom noemde hij haar naam En-Hakkore, die in Lechi is tot aan deze dag. 20 En hij richtte Israe l in de dagen van de Filistijnen, twintig jaren. 77
Page 76
Een bron van water Simson noemt de plaats van dit voorval Ramat-Lechi. Dat betekent Hoogte van de kaak. Dan heeft hij dorst en staat er letterlijk God spleet de holte die in het Lechi is open. Maar Lechi betekent kaak, dus als we Lechi ook vertalen, staat er: God spleet de holte die in de kaak is open. Er ontstond een bron van water uit de ezelskaak, want Simson noemde de waterstroom: En-Hakkore, dat is: Bron van de roepende. Geest en leven Hier gaat natuurlijk een geweldige sprake van uit. Het spreekt van onze tijd. Christus, kwam in vernedering, rijdend op een ezel en is gehoorzaam geworden tot de dood van het kruis (Fil.2:8). Maar nu bevindt Hij zich in de hoogte (Hebr.1:3). God heeft Zijn aangezicht verborgen (Deut.31:18) en deze wereld is in duisternis. Of anders gezegd: er is droogte (vergelijk Ez.37:11) en Israe l is afgesneden. God spreekt (>de ezelskaak) nu tot ons in Zijn Zoon en dat is een bron van levend water, want Zijn woorden zijn geest en leven (Joh.6:63). In Rich.15:19 lezen we dan ook: …en zijn geest keerde terug en hij leefde. Twintig jaren Een opvallend detail dat we lezen in vers 20, is dat Simson Israe l twintig jaren richtte. Dit wordt doorgaans vermeld bij de afsluiting van de geschiedenis van een Richter. Dat lezen we bijvoorbeeld bij Jeftha (12:7), maar ook bij Simson, want een hoofdstuk verder vinden we deze mededeling nogmaals (16:31). Het lijkt hier op het eerste gezicht dan ook niet helemaal op z’n plaats. Maar ook dat heeft natuurlijk een betekenis. De twintig jaren zijn een uitbeelding van de huidige tussentijd van 2000 jaar, waarin Israe l is afgesneden, de Messias Zich bevindt in de hoogte en er een bron van levend water beschikbaar is. Het is dezelfde periode als Jakob in het buitenland verbleef (Gen.31:38), of de twintig jaren die er verstreken voordat Jozef zijn broeders, het huis van Jakob weerzag. 78 We komen in een nieuw hoofdstuk, het laatste hoofdstuk van de geschiedenis van Simson en ik aarzel altijd even om het weer te geven zoals het er staat: Simson die een hoer bezoekt. Maar het staat er als een mededeling en er wordt verder geen oordeel over gegeven in de Schrift. Richteren 16 1 En Simson ging naar Gaza en hij zag daar een vrouw, een hoer, en hij kwam tot haar. In geloof In Hebreee n 11:32 wordt Simson genoemd als e e n van de voorbeelden uit de Hebreeuwse bijbel van hen die geleefd hebben in geloof. Eerder lazen we al in het verslag van Richteren: …en Simson daalde af naar Timnah en hij zag een vrouw in Timnah, van de dochters van de Filistijnen (14:1). Daar wordt erbij gezegd dat dit zo beschikt was door God (14:4). De overeenkomst tussen beide gedeeltes is groot. In allebei betreft het een Filistijnse stad en bezoekt Simson een vrouw, die ontrouw of hoer blijkt te zijn. Gaza Gaza betekent: versterkt, vesting. Het is een uitbeelding van deze wereld met haar wetten en regels, die in de Schrift worden genoemd: de eerste beginselen van de wereld (o.a. Kol.2:20). 79
Page 78
In smaller opzicht is natuurlijk de wet (van Mozes) aan e e n volk gegeven: Israe l. Hij zag een vrouw Als we letterlijk lezen wat er staat, zien we niet dat Simson op zoek was naar een hoer, maar dat hij een vrouw zag. Zo ook in Richteren 14, waar staat dat hij tot zijn ouders zegt dat zij haar voor hem tot vrouw moeten nemen, “want zij bevalt mij” (14:4). Deze vrouw in de geschiedenis van Simson is een type van Israe l en Simson is een uitbeelding van de Heer. God had Zijn oog laten vallen op een vrouw en wilde haar als Zijn vrouw (Jes.54:5; Jer.31:32). Het volk Israe l is Zijn oogappel (Deut.32:10; Zach.2:8). Een ontrouwe vrouw Maar deze vrouw bleek een ontrouwe vrouw te zijn en wordt daarom in de profetiee n voorgesteld als een hoer, een overspelige vrouw, of een ontrouwe vrouw (Jer.3:1,8). Het meest duidelijk in dit verband vind ik de profetie van de profeet Hosea, die van God de opdracht krijgt om een vrouw van hoererijen te nemen. Hosea 1 2 Het begin van het spreken van JAHWEH door Hosea. En JAHWEH zei tot Hosea: Ga! Neem voor jezelf een vrouw van hoererijen en kinderen van hoererijen, want het land bedrijft hoererij, ja hoererij, weg van JAHWEH. God en Israël Hosea moest een vrouw van hoererijen nemen, omdat hijzelf de uitbeelding is van JAHWEH en deze vrouw het land Israe l representeert dat hoererij bedrijft: het nalopen van andere goden. Toch zoekt God dit volk telkens weer op, want Hij houdt van haar. En dat vinden we terug in de geschiedenis van Simson. 80 Hij zoekt het bij vrouwen die wij wellicht zouden afraden, maar hij is hierin een uitbeelding van de Heer en Zijn liefde voor het volk Israe l. 81
Page 80
Simsons bezoek aan de hoer in Gaza is niet onopgemerkt gebleven. De inwoners van Gaza, die als Filistijnen vijandig staan tegenover Simson, krijgen lucht van zijn aanwezigheid en denken hun kans te kunnen grijpen om met Simson af te rekenen. Richteren 16 2 En het werd verteld aan de Gazieten, zeggend: Simson is hier gekomen. En zij sloten hem in en zij legden een hinderlaag voor hem, heel de nacht, in de poort van de stad. En zij hielden zich heel de nacht stil, zeggend: Tot het licht van de ochtend, dan doden wij hem. Binden Op verschillende wijzen vinden we in deze hoofdstukken dat men Simson probeert te binden. Eerder zagen we al dat men dat probeerde met nieuwe touwen (15:13) en vooral in het vervolg van Richteren 16, in de geschiedenis met Delilah, doen de Filistijnen pogingen om hem te binden (16:5-8; 10-13; 21 en 25). In deze geschiedenis sluiten de Filistijnen de deuren van de stadspoort (: 3), met de bedoeling om hem op te sluiten en hem te kunnen doden. 82 Vroeg in de morgen Simson is ook hier een type van de Heer Jezus Christus. Zij dachten Hem te doden, maar God heeft Hem opgewekt (o.a. Hand.2:23-24; 3:15). Hier in deze geschiedenis zeggen de Gazieten te wachten tot het morgenlicht en hem dan te doden. Van de Heer lezen we juist dat Hij vroeg in de morgen, toen de dag begon te lichten, was opgestaan. Marcus 16 2 En heel erg vroeg in de morgen, op de e e n van de sabbatten, komen zij, wanneer de zon opgaat, bij het graf, 3 en zij zeiden tot elkaar: Wie zal voor ons de steen afwentelen van de deur van het graf? De sterke Held De nacht is een uitbeelding van onze tijd, waarin de wereld in duisternis is (Rom.13:12; 1 Thess.5:2). Daarom vond het lijden van de Heer ook plaats in de nacht (Matth.26:31,34). Maar zoals de dood de Heer niet kon vasthouden of binden, zo kunnen de poorten van Gaza Simson ook niet tegenhouden. “Geen graf hield Davids Zoon omkneld, Hij overwon, die sterke Held”. Handelingen 2 24 God deed Hem opstaan, de barensweee n van de dood ontbonden hebbende, omdat het niet mogelijk was, dat Hij daardoor zou worden vastgehouden. 83
Page 82
In deze geschiedenis vinden we een voorbeeld van de fenomenale kracht die Simson van God ontvangen had. Simson was een mens, maar een mens met een buitengewone roeping. Hij is hierin een voorbeeld van de Heer Jezus Christus, die naar deze wereld kwam als mens, leefde uit geloof en buitengewone kracht (>opstandingskracht) ontving van Zijn Vader. Richteren 16 3 En Simson lag neer tot in het midden van de nacht. En hij stond op in het midden van de nacht. En hij greep de deuren van de poort van de stad en de twee deurposten en hij brak ze weg, met de vergrendeling… Heerschappij De poort is van oudsher de plaats waar politiek wordt bedreven. Denk aan Lot die zat in de poort van Sodom (Gen.19:1). Hij probeerde de goddeloze stad via politieke weg te verbeteren. Iets wat hem niet in dank werd afgenomen door de inwoners van Sodom (Gen.19:9) en ook door de Schrift niet iets is wat een gelovige wordt aangeraden (2 Petr.2:7), maar dat terzijde. De poort spreekt in de bijbel van heerschappij. 84 Heerschappij van de dood De poorten van Gaza zijn dan ook een illustratie van de poorten van het dodenrijk (Matth.16:18) en de heerschappij van de dood. Zoals Simson opstond en uitbrak uit Gaza door de poorten uit te breken en weg te nemen, zo kon de dood Christus niet vasthouden (Hand.2:24). Hij stond op en verbrak de banden van de dood en het dodenrijk (Ps.18:5-6). Een geopende poort Adam was degene waardoor zonde en dood de wereld binnenkwam. Hij zette als het ware die poort open. Elk mens is daardoor een zondaar en sterveling geworden (Rom.5:12). Maar Christus, de laatste Adam, verbreekt de banden van zonde en dood en brengt onvergankelijk leven aan het licht (2 Tim.1:10). Hij heeft als Eersteling de poort opengezet naar onvergankelijk leven door de dood te overwinnen. Hij is de garantie dat elk mens ook die poort zal doorgaan. 1 Korinthe 15 20 Maar nu , Christus is opgewekt uit de doden, de Eersteling van hen, die ontslapen zijn. 21 Want, omdat namelijk, de dood er is door een mens, zo is ook de opstanding van doden door een mens. 22 Want net zoals in Adam allen sterven, zo zullen in Christus allen levend gemaakt worden. 85
Page 84
Simson brak de stadspoort van Gaza uit en verdween. Maar dat is niet het hele verhaal, want er staat vervolgens ook nog wat hij met de stadspoorten doet. Hij neemt ze mee op zijn schouders en zet ze op een berg bij Hebron. Simson behaalt niet alleen de triomf, maar zet zijn tegenstanders openlijk te kijk (vergelijk Kol.2:15) Richteren 16 3 En hij greep de deuren van de poort van de stad en de twee deurposten en hij brak ze weg, met de vergrendeling. En hij legde ze op zijn schouders en hij deed ze opgaan naar de top van de berg die uitziet op Hebron. Heerschappij over de dood We zagen al dat de poorten van Gaza een uitbeelding zijn van de poorten van het dodenrijk waarover Christus heeft getriomfeerd. Simson legt de poorten op zijn schouders, wat in de bijbel staat voor heerschappij (Jes.9:6). De tegenstander had weliswaar “de macht van de dood” (Hebr.2:14), maar niet de macht over de dood. De tegenstander kan doden, maar niet levend maken, dat is aan God alleen. En Hij heeft Zijn Zoon opgewekt en zo de tegenstander met zijn eigen wapen verslagen en de overheden en machten in hun hemd gezet. 86 In de hoogte Simson neemt de stadspoorten mee naar een hoge plaats, een berg. Hij neemt het symbool van zijn overwinning mee in de hoogte, zoals Christus na Zijn opstanding en overwinning op de dood, ging zitten aan Gods rechterhand in de hemelen (Hebr.1:3; Ef.1:20; 4:8). Onder de natiën De afstand van Gaza tot Hebron waar Simson de stadspoorten naar toe brengt, bedraagt maar liefst bijna 60 kilometer! Hebron betekent verbond en is de plek waar de aartsvaders gingen wonen (Gen.13:18; 35:27). Het staat model voor de beloften en het nieuwe verbond. Het heeft ook alles met de natiën te maken, want Hebron werd het erfdeel van Kaleb, een heiden (Joz.14:14). Ook was het onder Israe l één van de vrijsteden (Joz.20:7), die toebehoorden aan de stam van Levi, die geen erfdeel hadden onder Israël. Met Hem gezet in de hemel Herkent u daarin ook de ecclesia die samen met Christus gezet is in de hemel (Ef.2:6)? Christus bevindt zich enerzijds in de hemel aan Gods rechterhand (Kol.3:1), maar anderzijds bevindt Hij zich onder de natiën (Kol.1:27). Hij heeft de dood overwonnen en degenen die dat nu al mogen zien, delen in Zijn positie. En zoals een Israe liet, die zijn naaste (>mede-Israe liet) had gedood in onwetendheid (Hand.3:17) kon vluchten naar een vrijstad en daar veilig was, zo kan de gelovige Israe liet zich nu wenden tot de Sterke Held “in de hoge plaats bij Hebron”, die de dood heeft overwonnen. Daar is hij veilig, wordt er voor hem gezorgd en wordt hij samen met Hem gezet in de hemel. 87
Page 86
Nu volgt de waarschijnlijk bekendste geschiedenis van Simson, die van Simson en Delilah. Het verhaal spreekt nogal tot de verbeelding en zal daarom niet snel ontbreken in kinderbijbels. Ook is het meerdere keren verfilmd. Het is de geschiedenis waarin Simson zijn geheim prijsgeeft aan de vrouw, die hij liefhad. Voor de meesten is de les die men trekt uit deze geschiedenis, dat het dom was van Simson, dat hij vanwege zijn liefde voor haar zijn geheim met haar deelde. Maar wat deed Simson dan verkeerd? Je kunt hem misschien verwijten dat hij naï ef was, maar weten we allemaal niet dat liefde blind maakt? Het is Delilah die kwade bedoelingen had. Zij leverde Simson over voor veel geld (>zilverstukken). Richteren 16 4 En het gebeurde daarna dat hij een vrouw liefhad in het dal van Sorek, en haar naam was Delilah. Wijnstok Sorek betekent wijnstok. Simson zou als Nazireee r geen wijn drinken, omdat dit een uitbeelding is van nieuw leven of opstandingsleven. Simson is vooral een type van Jezus van Nazareth, in Zijn eerste komst en niet van de opgewekte Christus. De wijnstok is datgene dat wijn zou voortbrengen en wordt in verband gebracht met Israël (Hos.10:1). Aan hen waren immers de woorden van God toevertrouwd (Rom.3:2). Sorek heeft dus 88 alles met Israe l te maken, zoals we ook zagen dat de vrouwen die we eerder tegenkwamen bij Simson, een uitbeelding zijn van Israe l. De zon gaat onder in de nacht Delilah is de enige van de drie vrouwen waarvan we haar naam kennen. Haar naam schijnt zoiets te betekenen als traag. Zij is een uitbeelding van Israe l dat haar Messias immers overleverde. Van hen wordt gezegd dat zij traag waren van hart en oren (Luk.24:25; Hebr.5:11) en niet geloofden. Maar Delilah is ook afgeleid van het woord laylah en dat betekent nacht. Simsons naam heeft met de zon (>shemesh) te maken. Deze geschiedenis is dan ook een illustratie van het licht van Israël (Jes.10:17), dat kwam tot Zijn volk, maar onderging in de nacht (Joh.9:5). 89
Page 88
Simson had Delilah erg lief. Later zal blijken dat zij Simson emotioneel tot het uiterste drijft door hem naar zijn kracht te blijven vragen en zal hij uiteindelijk zijn hart bij haar uitstorten. Maar hoewel Simson van haar hield, was dit niet wederzijds. Delilah leverde Simson over aan de Filistijnen voor zilverstukken. Richteren 16 5 En de stadsvorsten van de Filistijnen gingen op tot haar, en zij zeiden tot haar: Verleid hem en zie waarin zijn grote kracht is, en hoe wij de overhand over hem kunnen hebben. Dan binden wij hem om hem hulpeloos te maken; en wij zullen aan jou, elk, elfhonderd zilverstukken geven. 6 En Delilah zei tot Simson: Vertel mij alsjeblieft, waarin ligt jouw grote kracht? En waarmee zal jij gebonden worden om jou hulpeloos te maken? 7 En Simson zei tot haar: Indien zij mij binden met zeven verse pezen, die niet opgedroogd zijn, dan ben ik machteloos en ben ik als e e n van de mensen. 8 En de stadsvorsten van de Filistijnen brengen haar zeven verse pezen, die niet opgedroogd zijn. En zij bond hem er mee. 90 9 En de hinderlaag zat bij haar in de binnenkamer. En zij zei tot hem: De Filistijnen over jou, Simson! En hij scheurt de pezen los zoals het snoer van de vlasdraad wordt losgescheurd als het vuur ruikt. En zijn kracht wordt niet bekend. Zilverstukken Simson wordt door Delilah overgeleverd voor een bedrag van 1100 zilverstukken. Dat schijnt een enorm bedrag te zijn, maar met welk bedrag we het nu zouden moeten vergelijken, blijft natuurlijk gissen. Ze ontvangt dit bedrag van elk van de stadsvorsten van de Filistijnen, dus waarschijnlijk moet de hoeveelheid zilverstukken vermenigvuldigd worden met vijf (1 Sam.6:18). Over het getal elf (1100) valt veel te zeggen. Met betrekking tot de geschiedenis van Simson, volstaat het met op te merken dat elf, net geen twaalf is, en het getal twaalf staat voor heerschappij en de openbaring van het Koninkrijk. Dat Koninkrijk gaat God vestigen via Israe l, dat uit twaalf stammen bestaat. Elf spreekt dus van het Koninkrijk dat nog niet openbaar wordt en daar is Simson ook de uitbeelding van: de Heer in Zijn eerste komst. Met het overleveren van Simson door Delilah voor zilverstukken dringt de overeenkomst met de nieuwtestamentische geschiedenis zich op, waar we lezen dat de Heer door Judas (>Juda) werd overgeleverd voor (30) zilverstukken. Hij kwam tot het volk dat Hij liefhad, maar dat was niet wederzijds en zij besloten Hem over te leveren en te doden. Gebonden Simson maakt van Delilahs vragen een schertsvertoning. Simson wist immers wel dat hij niet te binden was (15:13). Maar Delilah stelt ook de verkeerde vraag. Zij gaat er vanuit dat er iets is waarmee Simson gebonden kan worden en vraagt hem waarmee ze hem kunnen binden, zodat hij bedwongen wordt. Simson wordt 91
Page 90
gebonden met zeven verse pezen, wat ongetwijfeld voor een complete binding staat, naar de mens gesproken dan. Als het vuur ruikt De verse pezen verbreken door Simsons kracht als vlasdraad dat verscheurt als het in contact komt met vuur. Het staat er wat vreemd: als het vuur ruikt. Reuk spreekt van onzichtbare, dus geestelijke dingen. Ze zijn waar te nemen, maar niet met de ogen. Denk in dit verband ook aan de betekenis van het reukofferaltaar in de tabernakel. Weer Pinkstervuur De rol van vuur is een telkens terugkerend fenomeen in de geschiedenis van Simson. Van het vuur dat de oogst van de Filistijnen verbrandde, zagen we dat dit een uitbeelding is van het Pinkstervuur in de Handelingen periode. Veelbelovend aan het begin, met gaven van de geest, zoals tongen van vuur, maar eindigend in een oordeel dat over het Joodse volk kwam, toen de tempel werd verwoest en met vuur verbrand. Ook de twee touwen waarmee Simson gebonden werd in Richt.15:14 versmolten als vlas dat door vuur verbrand is. Ook hier is sprake van vuur en ook hier wordt gesproken van vlas, de grondstof om linnen van te maken, dat spreekt van opstanding. Telkens vinden we weer verwijzingen naar Jezus, die door de banden van de dood niet vastgehouden kon worden, maar ze verbrak en geest ontving. God wekte Hem op uit de doden! 92 Eerder zagen we al in de geschiedenis rond het huwelijk van Simson, dat hij een geheim (>raadsel) had, dat door de vrouw werd ontfutseld (Richt.14). De geschiedenis herhaalt zich, want ook Delilah gaat op zoek naar Simsons geheim, het geheim van zijn grote kracht. Richteren 16 10 En Delilah zei tot Simson: Zie, jij bedroog mij en jij sprak leugens tot mij. Nu, vertel mij alsjeblieft waarmee jij gebonden kan worden. 11 En hij zei tot haar: Indien zij mij binden, ja binden met nieuwe touwen waarmee geen werk werd gedaan, dan ben ik machteloos en ben ik als e e n van de mensen. 12 En Delilah nam nieuwe touwen en zij bond hem er mee. En zij zei tot hem: De Filistijnen over jou, Simson! En de hinderlaag zat in de binnenkamer. En hij scheurt ze los van zijn armen als een draad. 13 En Delilah zei tot Simson: Tot nu toe bedroog jij mij en sprak je leugens tot mij. Vertel mij: waarmee zal jij gebonden worden? En hij zegt tot haar: Indien jij zeven haarvlechten van mijn hoofd weeft met het weefgetouw. 93
Page 92
14 En zij maakte ze vast met de pin en zij zei tot hem: De Filistijnen over jou, Simson! En hij ontwaakte uit zijn slaap en hij brak de pin uit de weverspoel en het weefgetouw. 15 En zij zei tot hem: Hoe kun jij zeggen: Ik heb je lief, maar jouw hart is niet met mij? Deze drie keren bedroog jij mij en jij vertelde mij niet waarin jouw grote kracht is. Drie Drie keer wordt Simson in deze geschiedenis gebonden. Drie keer stelt Delilah hem ook de vraag waarmee hij gebonden kan worden om hem te bedwingen. Maar er is niets waarmee Simson gebonden kon worden en wat hem kon vasthouden. Drie keer weet Simson zich te bevrijden van de binding. Simson ontwaakt uit zijn slaap en verbreekt de banden. Is dat geen schitterend plaatje van Christus, die op de derde dag werd opgewekt uit de doden en de banden van de dood verbrak? Nieuwe touwen Simson drijft de spot met Delilah, maar zoals gezegd: ze stelt ook tot drie keer toe de verkeerde vraag. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat Simson een glimlach op zijn gezicht moet hebben gehad toen hij zich door Delilah liet binden met nieuwe touwen. Die had hij immers kort daarvoor nog verbroken alsof het niets was (Richt.15:14). Het woord dat hier (vers 10,13 en 15) vertaald is met bedriegen, wordt door vertalingen ook wel eens weergegeven met bespotten (vergelijk Kol.2:15). Schijnheiligheid Delilah beschuldigt Simson ervan dat hij haar onrechtvaardig behandelt, maar ze heeft zelf kwade bedoelingen. Haar liefde is geveinsd. Die hypocrisie zien we ook bij de leidslieden van het Joodse volk in de beschrijvingen in de evangelie n. Jezus werd verzocht en beproefd om Hem op Zijn woorden te pakken. Jezus 94 verborg Zijn identiteit voor hen en hield die geheim. Uiteindelijk was het dit geheim wat Hem Zijn leven kostte (Matth.26:63). De geschiedenis van Simson die verslagen wordt in het huis van Delilah, de vrouw die hij liefhad, is een plaatje van Jezus die werd geslagen in het huis van degenen die Hij liefhad. Zacharia 13 6 En men zal tot Hem zeggen: Wat zijn deze slagen in jouw handen? En Hij zal zeggen: Daarmee werd ik geslagen in het huis van hen die ik liefheb. 95
Page 94
Tot drie maal toe verbreekt Simson de bindingen waarmee Delilah hem bond. Maar Delilah is vasthoudend en dringt bij hem aan om zijn geheim prijs te geven. We moeten hierbij bedenken dat Simson echt van haar hield. Uit het navolgende blijkt ook wel dat hij het zeer moeilijk had met het gedram van Delilah en uiteindelijk stort hij zijn hart bij haar uit. Richteren 16 16 En het gebeurde dat zij hem alle dagen beklemde met haar woorden en zij hem kwelde. En zijn ziel is overstuur, tegen sterven aan. 17 En hij vertelde haar alles wat in zijn hart was. En hij zei tot haar: Geen scheermes kwam op mijn hoofd, want ik ben een Nazireee r voor God vanaf de buik van mijn moeder. Indien ik word kaalgeschoren, dan trekt mijn kracht zich van mij terug en ben ik machteloos en word ik als elk mens. 18 En Delilah zag dat hij haar alles wat in zijn hart was vertelde en zij zond heen om de stadsvorsten van de Filistijnen te roepen, zeggend: Gaat op! Want hij vertelde mij ditmaal alles wat in zijn hart is. En de stadsvorsten van de Filistijnen gingen naar haar op en zij brengen het zilver mee in hun hand. 96 19 En zij deed hem slapen op haar kniee n en zij riep tot een man, en zij laat de zeven haarvlechten van zijn hoofd kaalscheren en zij begon hem te vernederen. En zijn kracht trekt zich van hem terug. Verborgen identiteit Simson was als Nazireeër een uitbeelding van Jezus de Nazoreeër (Matth.2:23). Jezus hield buiten de kring van zijn discipelen zijn identiteit nadrukkelijk verborgen (Matt.12:16; Marc.3:12; Luk.9:21). Zijn kracht lag daarin, dat Hij door God gezonden was als de Christus (>Messias) en dat maakte Hij niet bekend. Wanneer hij voor de hogepriester staat, zegt deze: “Ik bezweer jou dringend bij de levende God, dat jij tegen ons zegt, of jij de Christus bent, de Zoon van God” (Matth.26:63). Blijkbaar had iemand uit de kring rond Jezus Zijn identiteit verraden. Het meest voor de hand ligt natuurlijk dat dit Judas is geweest. Jezus kan niet langer zwijgen en maakt Zich bekend als de Christus en dat is uiteindelijk de reden dat Hij ter dood veroordeeld wordt (Matth.26:64-66; Marc.14:62-64). Is het u wel eens opgevallen dat in de geschiedenis van Simson, hier pas voor het eerst wordt gesproken over het geheim van zijn lange haar? Bij de aankondiging van zijn geboorte in Richteren 13 wordt er tweemaal naar verwezen dat een Nazireee r geen wijn of sterke drank zou drinken (vers 7 en 14), maar niet dat er geen scheermes op zijn hoofd zou komen. Dat weten we alleen uit Numeri 6, uit de wet op het Nazireee rschap. Hier is ook dat feit verborgen. Als een schaap dat stom is voor zijn scheerders Delilah ziet dat het dit keer anders is dan de voorgaande keren. Eerder had ze gevraagd waarmee Simson gebonden kon worden. Nu stelt ze de juiste vraag en vraagt hem waarin zijn grote kracht ligt (:15). Ze blijft aandringen en Simson stort zijn hart bij haar uit. De Filistijnen komen en betalen haar het bedrag aan 97
Page 96
zilverstukken waarvoor zij hem overlevert. Simson was zich van geen kwaad bewust. Dat blijkt wel uit het feit dat hij rustig in slaap viel op haar kniee n en Delilah hiermee de gelegenheid gaf om hem zijn kracht te ontnemen. Jesaja 53 7 Hij werd verdrukt en hij liet zich vernederen en deed zijn mond niet open; als een lam dat ter slachting geleid wordt, en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open. 98 Nietsvermoedend van het verraad van Delilah, legde Simson zijn hoofd in haar schoot en viel in slaap. Zijn haarlokken worden in zijn slaap afgeschoren en Simson wordt hiermee beroofd van zijn grote kracht. Zijn kracht was immers onderdeel van zijn Nazireee rschap en daartoe behoorde dat er geen scheermes op zijn hoofd zou komen (Num.6:5-6). Richteren 16 20 En zij zei: De Filistijnen over jou, Simson! En hij ontwaakte uit zijn slaap en hij zei: Ik zal uitgaan, zoals elke keer, en ik zal mijzelf losrukken. En hij wist niet dat JAHWEH Zich van hem had teruggetrokken. 21 En de Filistijnen hielden hem vast en zij staken zijn ogen uit. Overgegeven Eindelijk kon Simson overmeesterd worden door de Filistijnen. Hij was niet te binden en zijn kracht lag in de roeping die hij van God ontvangen had. Toen Simsons haar afgeschoren werd, kwam er een einde aan zijn Nazireee rschap. Maar Simson moest deze weg gaan. We zagen eerder al dat God de regie had in alles wat er in het leven van Simson gebeurde (Richt.13:25; 14:4; Hebr.11:32). Simson die van zijn kracht werd beroofd, is een uitbeelding van het sterven van Jezus van Nazareth. Ook bij Hem 99
Page 98
lezen we dat God zich van Hem terugtrok en Hem overgaf aan Zijn vijanden. Mattheüs 27 46 En omstreeks het negende uur roept Jezus luid om hulp, met een luide stem, en Hij zegt: Eloï , Eloï , lama sabachtani? Dat is: Mijn God, mijn God, waartoe heeft u mij overgelaten? Waarom of waartoe, verlaten of overgelaten? Meestal wordt de uitroep van Jezus weergegeven met: “Mijn God, mijn God! Waarom hebt U mij verlaten”? Dit is niet de plek om hier uitgebreid op in te gaan, maar een aantal dingen moeten opgemerkt worden. De Heer citeert deze woorden uit Ps.22:2. Het Hebreeuwse lama dat daar wordt gebruikt, betekent letterlijk: tot wat. Het is geen vertwijfelde uitroep van Jezus (waarom...?), maar een uitroep van hoop (waartoe!). De Heer wist immers waartoe Hij werd overgelaten aan Zijn vijanden. Dat was om de vreugde die Hem voorgesteld was (Hebr.12:2). Hij is nooit door God verlaten en dat wist Hij (Joh.16:32). Daarmee is meteen verklaard dat Jezus niet door God werd verlaten, maar overgelaten. Hij werd namelijk aan Zijn vijanden overgelaten, of overgegeven, om te sterven. Lees ook het tweede deel van Ps.22:2, want daar staat nog meer. God was op dat moment ver van Zijn redding. De Here Jezus zou namelijk niet door God worden gered uit Zijn lijden aan het kruis, maar (pas) later, Hij zou gered worden uit de dood! God verbergt Zijn aangezicht Zoals we hier vinden dat God zich van Simson terugtrok en dat zijn ogen werden uitgestoken (het werd duister), zo vinden we aan het kruis de uitroep van de Heer dat God Hem had overgelaten, samen met de mededeling dat er duisternis kwam over heel het land (Matth.27:45). Israe l doodde haar Messias en 100 het licht ging uit. Simson (>shemesh=zon) ging onder in de nacht (>Delilah, laylah=nacht). God zou Zijn aangezicht voor Israe l verbergen (Deut.31:17,18; 32:20; Ez.39:29). 101
Page 100
Simsons haar is afgeschoren en de Filistijnen zijn eindelijk in staat hem te overmeesteren. Zij nemen hem gevangen en steken zijn ogen uit. In de meeste bijbelvertalingen begint bij vers 22 of 23 een nieuwe perikoop, want hier start het laatste deel in de geschiedenis van Simson. Richteren 16 21 (…) En zij deden hem afdalen naar Gaza en zij bonden hem in koperen ketenen. En hij was malende in het huis van de gebondenen. 22 En het haar op zijn hoofd begon weer groeien, gelijk als toen hij kaalgeschoren was. Gaza Simson wordt door de Filistijnen naar Gaza gebracht. Daar was hij eerder al (16:1) en in die geschiedenis probeerde men Simson in Gaza vast te houden door de stadspoorten te sluiten. Maar die konden Simson niet tegenhouden. Hij brak uit en nam de stadspoorten in zijn triomf mee naar de hoogte van een berg. Ook in deze geschiedenis zal Simson de overwinning behalen en dit zal de grootste in zijn leven blijken te zijn (16:31). Huis van de gebondenen Simson verrichtte blijkbaar dwangarbeid in het huis van de gebondenen. In dit vers is er een verschil tussen de handschriften. 102 De e e n spreekt van gebondenen, de andere van het huis van de gevangenen. In dat laatste geval is Simson koren aan het malen in de gevangenis. Op vele plaatsen is de gevangenis een uitbeelding van de ecclesia. In een gevangenhuis bevinden zich zij die buitengesloten zijn van de wereld. In de geschiedenis van Jozef, is het Jozef als type van Christus, die de lakens uitdeelt in de gevangenis en dromen (>verborgenheden) bekendmaakt (Genesis 40). En ook Paulus zat meerdere malen gevangen en schreef in gevangenschap de zogenoemde gevangenisbrieven, waarin hij het geheimenis bekendmaakte. Zijn haar begon te groeien Simson die niet te binden was, bevindt zich nu in het huis van de gebondenen. Daarbij wordt hij ook gebonden met koperen ketenen. Maar weer zal blijken dat Simson niet vastgehouden kon worden. Er opent zich een nieuw venster en ook in deze geschiedenis zal Simson de triomf behalen. De laatste opmerking van vers 22 is hoopgevend: Simsons haar begint weer te groeien. Tweede Nazireeërschap Bij het einde van het Nazireee rschap zou het hoofd worden kaalgeschoren (Num.6:9,18). Dat is bij Simson gebeurd en hier begint dan ook een nieuw Nazireee rschap. Een zoveelste tweede of dubbele in de geschiedenis van Simson. Als je het verhaal leest, begrijp je eigenlijk ook niet dat de Filistijnen toegelaten hebben dat Simsons haar weer groeide. Dat was immers het geheim van zijn kracht… Simsons haar groeide weer en zijn kracht zou nog e e n keer terugkomen. 103
Page 102
In Numeri 6 wordt beschreven hoe er door het afscheren van het haar een einde komt aan de periode van het Nazireee rschap (:9). Maar hiermee is niet gezegd dat het Nazireee rschap ten einde is. De eerdere dagen vervallen en er volgt een nieuwe periode van Nazireee rschap (:12). Ook bij Simson zien we dit. Zijn haar is afgeschoren, maar begint weer te groeien. Het lange haar van de man is een uitbeelding van oneer, meer letterlijk: zonder eer (1 Kor.11:14). Het spreekt van Christus, die kwam in vernedering en onderschikking, want Hij stond onder volmacht van Zijn Vader. Richteren 16 23 En de stadsvorsten van de Filistijnen verzamelden zich om een groot slachtoffer te offeren aan Dagon, hun god, en om blij te zijn. En zij zeiden: Onze god gaf Simson, onze vijand, in onze hand. 24 En het volk zag hem en zij lofprezen hun god, want zij zeiden: Onze god gaf onze vijand in onze hand, de verwoester van ons land en die onze gesneuvelden vermeerderde. 25 En het gebeurde dat hun hart vrolijk was en zij zeiden: Haal Simson en hij zal ons vermaken. En zij riepen Simson uit het huis van de gevangenen, en hij werd belachelijk gemaakt voor hun aangezichten. En zij deden hem staan tussen de pilaren. 104 Dagon Dagon betekent vis en is een uitbeelding van de god van deze aeon (2 Kor.4:4), die komt uit de afgrond (Opb.11:7; 20:3). Van deze ‘vissengod’ zien we tot in onze tijd symbolen terug in religie. Denk aan de mijters van bisschoppen en de paus, die een voorstelling zijn van een vissenbek. Bespot De Filistijnen prijzen hun god, omdat hij Simson in hun hand heeft gegeven en zij willen hem belachelijk maken. Simson wordt tentoongesteld in de tempel van Dagon. Ook van Jezus lezen we dat hij bespot werd toen zij hem gevangen hadden genomen. Mattheüs 27 28 En zij kleden Hem uit, en zij doen Hem een scharlakenrode mantel om; 29 en zij vlechten een lauwerkrans van dorens, en zij plaatsen die op zijn hoofd, en een rietstok in zijn rechterhand. En zij vallen vlak vo o r Hem op de kniee n, en zij bespotten Hem, en zij zeggen: Verheug je, koning van de Joden! Specifiek worden de stadsvorsten van de Filistijnen genoemd (:23), hoewel we weten dat er duizenden Filistijnen aanwezig waren in de tempel van Dagon (:27). Zij dachten dat Simson verslagen was en hadden geen weet van Gods plan met Simson. Anders zouden zij hem immers niet in de tempel van Dagon gebracht hebben… Later doen de Filistijnen iets soortgelijks met de ark van het verbond. Ook die brengen zij in de tempel van hun god Dagon. En ook daar wordt Dagon verslagen in zijn eigen huis (1 Sam.5:1-4). 105
Page 106
links van hem. 30 En Simson zei: Mijn ziel zal sterven met de Filistijnen. En hij strekte zich uit met kracht en het huis viel op de stadsvorsten en op al het volk dat er in was. En de doden die hij in zijn sterven heeft gedood, waren meer dan die hij in zijn leven gedood had. 3000 Eerder wees ik al op de opmerkelijke overeenkomsten in de voorkomende getallen in de geschiedenissen van Simson. Ook hier wordt weer gesproken over ongeveer drieduizend mannen en vrouwen die aanwezig zijn bij deze gebeurtenis. Zij sterven met Simson. Ook bij de komst van de wet, het oude verbond, stierven er drieduizend (Ex.32:27). Zo kwam ook Christus onder de wet en stierf, om degenen die onder de wet zijn te verlossen (Gal.4:4-5) en hen het leven (>geest) te geven. Op de Pinksterdag in Handelingen 2 worden er dan ook drieduizend genoemd die leven ontvangen (:41). Twee pilaren De twee pilaren in het huis van Dagon lijken me verwijzingen naar zonde en dood. De Heer Jezus Christus, waar Simson een uitbeelding van is, stierf voor onze zonden (1 Kor.15:3) en doordat Hij opstond uit de doden, overwon Hij de dood en dat is de garantie dat de dood zal worden teniet gedaan (1 Kor.15:26). Boaz en Jachin Het staat ook hier weer zo nadrukkelijk, dat het twee pilaren zijn. En als wij dat zouden missen, dan staat er nog eens achter: één rechts van hem en één links van hem. Dat bepaalt ons ook bij de pilaren in een ander huis, de tempel van Salomo. In de geschiedenis van Simson gaat het om het huis van Dagon, als uitbeelding van de oude schepping, die geregeerd wordt door de god van deze aeon. Maar ‘dit huis’ zal plaatsmaken voor een 108 nieuw huis: een nieuwe schepping, waarin gerechtigheid woont (2 Petr.3:13). In de tempel van Salomo, die daar een uitbeelding van is, bevonden zich twee pilaren (>zuilen). De naam van de linkerpilaar was Boaz en de rechterpilaar heette Jachin (1 Kon.7:21). Links spreekt van vernedering en rechts van verhoging en de beide pilaren spreken van de vernedering en verhoging van Christus. Indien één voor allen stierf, stierven allen Toen de Heer stierf, versloeg Hij de tegenstander met zijn eigen wapen: de dood. Hij werd mens, opdat Hij door de dood heen, hem die de macht van de dood had, de Duivel, teniet zou doen (Hebr.2:14). Satan werd in eigen huis verslagen, zoals Simson hier zijn grootste triomf behaalde door met zijn vijanden te sterven. 2 Korinthe 5 14 Want de liefde van Christus dringt ons, wanneer wij dï t oordelen, dat indien e e n voor allen stierf, allen dus stierven. 15 En Hij stierf voor allen, opdat zij die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem, die voor hen is gestorven en opgewekt werd. 109
Page 108
En zo komt er een einde aan de geschiedenissen van Simson. Een aantal geweldige verhalen over een man, die van God ongekende kracht had ontvangen. Maar meer nog: het zijn schitterende plaatjes van de ware sterke Held, Christus Jezus, die de dood overwon en elke vijand zal onderschikken! Richteren 16 31 En zijn broeders daalden af en heel het huis van zijn vader, en zij hieven hem op en zij brachten hem op. En zij begroeven hem tussen Zorah en tussen Esthaol, in het graf van Manoach, zijn vader. En hij richtte Israe l, twintig jaren. Start en finish Voor de tweede keer vinden we hier de plaatsaanduiding tussen Zorah en Esthaol (13:25). De geschiedenis eindigt waar deze ook begonnen is. Menselijkerwijs gesproken is er niets veranderd. Is dat ook niet hoe men kijkt naar Jezus van Nazareth, als men al gelooft dat Hij echt heeft geleefd? Men ziet Hem als iemand die kwam als een veelbelovend man, die idealen had en uitspraken gedaan heeft waar we wel ‘iets’ van kunnen leren. Maar van Zijn ambities zou weinig terechtgekomen zijn. Hij stierf aan een kruis. 110 En zo lijkt het ook met Simson het geval te zijn. We hebben een paar mooie verhalen, maar wat is Israe l ermee opgeschoten? Er zijn wat Filistijnen gedood, maar later blijkt Israe l nog steeds last te hebben van deze aartsvijand. Simson is een type van Jezus van Nazareth, die een begin zou maken met de verlossing van Israël (Richt.13:5). Voor de wereld is Hij dood (R.I.P. = rust in vrede), maar wij kennen de opgewekte Christus. Manoach betekent: rust, vrede en dat is ook de positie van Christus nu . Hij is in rust, gezeten aan de rechterhand (Ef.1:20) van Zijn Vader, die op vele plaatsen wordt genoemd de God van de vrede (o.a. Rom.15:33; Fil.4:9). Twintig jaren De termijn die Simson optrad als richter, was twintig jaar. Deze periode is een verwijzing naar de 2000 jaar (>twintig eeuwen) waarin wij leven en waarin Christus verborgen is. Hij heeft een begin gemaakt met de verlossing van Israe l, maar Zijn Koninkrijk is nog niet geopenbaard. Dat zou nog twee dagen van duizend jaar op zich laten wachten (2 Petr.3:8), tot het aanbreken van de derde dag (Hos.6:1-2)! Onder de natiën Israe l zou eerst 2000 jaar onder de natie n verblijven, zoals Jakob (>Israe l) twintig jaar bij zijn oom Laban verbleef in het buitenland (Gen.31:38). Het is ook een periode van twintig jaar waarin Israe l verdrukt werd en de richteres Deborah optrad, die woonde op het gebergte van Efraï m (Richt.4:3-4). Daarna werd Israe l verlost (Richt.5:31). Zo spreekt ook de periode van twintig jaar in de geschiedenis van Simson van de periode van 2000 jaar die zou verstrijken tussen het begin van Israe ls verlossing en de definitieve vestiging en openbaring van het Koninkrijk van de Messias. 111
Page 110
1. Als het volk Israe l door God uitgeleid is uit Egypte, verblijven zij bij de berg Sinaï en Mozes gaat de berg op om van God de wet te ontvangen. In Exodus 32 lezen we de geschiedenis van het gouden kalf. Als Mozes op de berg is, wordt het volk ongeduldig en draagt het Aa ron op om een gouden kalf te maken. Het volk viert feest rond het gouden kalf als Mozes van de berg komt. Exodus 32 19 En het gebeurt als hij naderbij komt tot de legerplaats, dat hij het kalf ziet en reidansen. En Mozes is heet van boosheid en hij gooit de tafelen uit zijn handen en hij breekt ze onderaan de berg. Nog voordat het oude verbond goed en wel gegeven is, wordt het gebroken. Het is een uitbeelding van de tijdelijkheid van dit oude verbond. Israe l had gezegd: al wat JAHWEH gesproken heeft, zullen wij doen (Ex.19:8). Daar kwam niets van terecht. Nog voordat Mozes de stenen tafelen tot het volk gebracht had, pleegden zij afgoderij met het gouden kalf. Mozes wordt opnieuw de berg op geroepen en ontvangt nieuwe stenen tafelen, een tweede verbond. De naam Deutero-nomium betekent dan ook tweede wet. Die tweede wet is een uitbeelding van het nieuwe verbond, waarin God niets van de mens vraagt, maar belooft dat Hij alles zal doen (Jer.31:31-34). Van die tweede set stenen tafelen lezen we dan: Deuteronomium 10 1 In die tijd zei JAHWEH tot mij: Hak voor jezelf twee stenen tafelen uit zoals de eersten, en ga naar 113 Mij op, op de berg. En maak voor jezelf een kist van hout. 2 Dan zal Ik op de tafelen de woorden schrijven die op de eerste tafelen waren, die jij brak, en jij zult ze in de kist leggen. De kist waarin de stenen tafelen werden gelegd, is de ark van het verbond (Hebr.9:4). Deze ark van hout overtrokken met goud, is een uitbeelding van de opgewekte Christus. God gaf de verzekering dat dit nieuwe verbond niet gebroken zou worden, omdat het vast ligt in Zijn beloften en in Zijn Zoon, Christus Jezus! Bron: Oudijn, G. (2023). Twee paar stenen tafelen. Gezonde Woorden, http://gezondewoorden.nl/exodus/twee-paarstenen-tafelen/ 2. Zie: https://nl.wikipedia.org/wiki/Maagdelijke_voortplanting 3. Zie: https://nl.wikipedia.org/wiki/Darrenslacht 4. Zie: https://www.bijenboerderij.nl/honingbij/van-ei-tot-bij 5. Zie: https://nl.wikipedia.org/wiki/Aalstreep In een toespraak over de wijzen uit het Oosten, haalde ik een profetie uit Num.24:17 aan, omdat daar ook gesproken wordt over een ster, net zoals in de geschiedenis van de wijzen uit het oosten. In deze geschiedenis in Numeri, die handelt over Bileam, speelt ook de ezel een grote rol. Ik gaf hierbij aan dat in de Schrift schapen, de schaapskudde, de schaapskooi, enz. een beeld zijn van Israe l. De ezel is een beeld van Christus en ook van het lichaam van Christus, de Gemeente. 114
Page 112
Een paard is een beeld van verhoging en een ezel is een beeld van vernedering. Christus zal in de toekomst bij Zijn verschijning in heerlijkheid komen op een wit paard (Op.19:11), in Zijn komst in vernedering reed Hij op een ezel (Matth.21:5). Wat meteen opvalt aan een ezel zijn de grote oren, een uitbeelding van geloof. Het geloof is immers uit het gehoor (Rom.10:17). Christus is de Gelovige bij uitstek en het is dan ook Zijn geloof waaruit wij gerechtvaardigd worden (Gal.2:16). Als een ezel ‘spreekt’ (balken), is dat een uiting van geloof en neemt hij dan ook de Naam van God in de mond, de afkorting van de Naam Jahweh. Na afloop werd ik aangevuld door een luisteraar die vertelde dat een ezel een kruis op zijn rug heeft. Ik had dit nog niet eerder gehoord en heb dit eens nagezocht op internet. Ezels, en met name oorspronkelijke wilde ezels, hebben een streep op hun rug, die een aalstreep wordt genoemd. Het is een donkere gekleurde lijn in de vacht over de volledige lengte van de rug van een dier. Omdat primitieve ezels ook een lijn hebben die afdaalt richting de voorpoten, vormt dit samen een kruis (bron: Wikipedia). Sommige gelovigen vinden het wel erg ver gaan om overal typologie in te zien. Maar juist de symboliek geeft aan alles Zijn waarde. God heeft alles gemaakt voor Zijn doel (Spr.16:4), de aarde en haar volheid is van de Heer (1 Kor.10:26). Alles in deze schepping getuigt van Hem en Zijn werken, de sterren (Ps.19:2), het gras (1 Petr.1:24) en ook in het geven aan een diepere betekenis aan dieren en hun eigenschappen gaat de Schrift ons voor als het spreekt over Israe l als een kudde schapen (Jer.23:1-2, Jes.53:6). Ook Paulus haalt een vers uit de Torah aan waarin gesproken wordt over een os en waaraan hij een typologische betekenis geeft (1 Kor.9:9, 1 Tim.5:18). 115 In het verhaal van Bileam is de ezel degene die de geestelijke dingen waarneemt. Bileam’s ogen blijven gesloten, totdat ze ont-dekt worden (Num.22:21-31). Bent u al een ezel, of bent u nog een Bileam? Bron: Oudijn, G. (2015). De ezel en het kruis. Gezonde Woorden, http://gezondewoorden.nl/numeri/de-ezel-enhet-kruis/ 116
Page 116
Tot Wie richten wij ons gebed? Wat gebeurt er morgen in ons leven? In de wereld? Israël? Kunnen wij God ‘verbidden’? Gebed is het meest wezenlijke voor een gelovige. Gods woord is essentieel als het om gebed gaat. Daarin is groei en inzicht nodig. In deze brochure leest u over hoe, wat en wanneer we kunnen bidden. Wat is een waar gebed van geloof? Gods woord geeft antwoorden!

Het gebed van geloof


Page 0
Page 4
INHOUDSOPGAVE blz Voorwoord ........................................................... 7-11 Omgang met God ................................................ 12-13 Bidden met het denkvermogen ............................ 14-15 Tot lofprijs van Zijn heerlijkheid ......................... 16-19 Gemeenschap in plaats van ontmoeting .............. 19-20 Opheffen van goedgunstige handen .................... 21-23 Gebed van geloof ................................................. 23-27 God onze Heer Jezus Christus ............................. 27-29 Voorbeden en dankzegging .................................. 30-33 Bezorgd zijn en dankzegging ............................... 34-40 In overeenstemming met wat moet zijn ............... 40-42 De waarheid planmatig maken ............................. 42-43 Andere uitgaven Stichting Da-ath ........................ 44-48 5 Het gebed van geloof Voorwoord Bidt je gebeden! Zeg ze niet alleen op! De sterkste gebeden met de krachtigste uitdrukkingen zijn onhoorbare kreten van het hart, onuitgesproken zuchten. Zij tonen de zwakte, onwetendheid van ons. Dit is zo, natuurlijk afgezien van de gebeden uit de Schrift zelf. Want wij weten niet wat wij zullen bidden, omdat wij niet alle details van Gods wegen kennen. Hij, die echter de harten doorvorst, weet wat de gezindheid van de geest is, die Hij ons gegeven heeft. Die geest komt ons te hulp in onze zwakheid. Die komt voor ons op in overeenstemming met God. Wij weten echter, dat ons verlangen naar echt welzijn heerlijk vervuld zal worden, hoe onze loop ook zal zijn. Want God doet alles samen werken tot wat goed is en leidt alles naar dat doel. Lang voordat wij op aarde zouden leven, had Hij in Zijn alles overstijgende liefde al de grote lijnen van ons bestaan vastgelegd. Maar ook in de kleinere details voorzag Hij. En had Hij al de vervulling van onze diepste verlangens toegekend Rom.8:26-39. In het geïnspireerde woord van God is gebed nauw met hebben verbonden, samen met wel, dus wel-hebben, een wens. Wanneer wij de wens tot God uitspreken in smeken en danken, is het een gebed. Volgens Romeinen 8:26 gaat het er niet zozeer om, hoe wij bidden, maar wat wij zouden bidden, met nadruk op zouden. Hier is geen sprake van zouden kunnen, want dat geeft een mogelijkheid tot een eigen vrije keuze. Het gaat eerder om een verplichting. Hier is het niet de menselijke 7
Page 6
kant en niet de menselijke wens. Maar het gaat om wat God, onze Beschikker, overeenkomstig het raadsbesluit van Zijn wil gepland heeft. Wij, en onze ziels-vleselijke interesses, zijn niet van belang. We lezen: in overeenstemming met wat moet zijn. Dat richt onze geest op God en Zijn voornemen, Zijn raadsbesluit en Zijn doel. Ons gebed zou steeds met Zijn alomvattende liefdeswerken in harmonie zijn. Voor ons is het onmogelijk, elk detail van Zijn grote plan te kennen. Maar alles ligt vast en is niet te veranderen, net als Zijn heilig Woord. Geen jota, zelfs niet het kleinste stukje van Zijn onthullingen kan door ons gebed gewijzigd worden. Dat geldt ook voor het kleinste onderdeel van Zijn voornemen en raadsbesluiten. Dat maakt ons bewust van onze zwakheid. Wanneer wij steeds omhoog kijken naar Hem, dan overweldigt ons de onveranderlijke, alles overtreffende volkomenheid van God. Dan zal ons gedrag, onze wandel, onze innerlijke instelling en verwachting grondig, fundamenteel omgezet worden. Laten wij ons steeds goed bewust zijn, dat wij ons in onze gebeden niet boven God verheffen. Laten wij in de gaten houden, dat wij niet proberen Hem, Die alles weet, te ‘informeren’. Evenmin is het zeer ongepast Hem, Die alles geschapen heeft, te willen corrigeren of te verbeteren. Hij is geen afgod uit klei die wij om kunnen vormen zodat Hij voortkomt uit onze voorstellingen. Wie Hem kent, koestert zelfs niet de kleinste wens Hem te willen veranderen. Je bent dan tevreden en gelukkig met Wie en hoe Hij is. Datzelfde geldt voor Zijn voornemen en Zijn wegen. Zijn wil is het enige richtsnoer. In alles is Zijn raadsbesluit goed 8 en juist. Wie zo naar God kijkt, verlangt er ernstig naar om zichzelf aan te passen. Daarbij wil je ook door Zijn woord verlicht worden om te weten wat Hem welgevallig is. Je wil dan jouw gebed, levenswandel, dienstwerk, laten overeenstemmen met Zijn wil. In de huidige tijd, waarin veel openbaar en openlijk gebeden wordt, bestaat het niet te ontkennen gevaar, te willen bidden wat voor de luisteraars welgevallig is. Het komt vaak voor, dat gebeden meer op een hartstochtelijke prediking lijken en het doel hebben, de erkenning van mensen te verkrijgen. Men meent kennelijk, dat een stil gebed niet erkend kan worden en ook de hemel niet kan bereiken. De mensen zijn immers gewend aan een grote stortvloed van menselijke emoties en gevoelens. Elk gebed is gezegend als het uit een ootmoedig, oprecht hart komt. Dan gaat het niet om luide, zachte of onhoorbare gesproken woorden. Zelfs vurige, indringende, met veel woorden gesproken gebeden kunnen het best met smeken om genade voor de bidder afgesloten worden, opdat de bidder zich niet zou verheffen. Te denken valt aan een trots mens, die elke nacht bidt om van die trots bevrijd te worden. In plaats van dit voor zich te houden en het alleen met God te bespreken, vertelt zo iemand het aan de eerste de beste mens die hij ontmoet. Hij vertelt dat hij elke nacht smeekt in gebed, dat aanhoudt, en nu de zekerheid heeft de meest ootmoedige op aarde te zijn. Trots zijn op eigen ootmoed is uiterst gevaarlijk. Zolang wij nog in het vlees zijn, zijn wij onwetend hoe en wat wij precies zullen bidden. Het is echter ons voorrecht te weten, wat God met betrekking tot gebed aan ons 9
Page 8
onthuld heeft. Wij staan en leven in gemeenschap met Hem 1Joh.1:3, in het bijzonder in deze tijd van genade, die fundamenteel verschilt van alle voorgaande tijden. Veel gelovigen zijn onzeker hierin, zoals over veel andere dingen. Dat is zo, omdat zij niet erkennen, dat onze huidige gemeenschap met God op veel hoger niveau staat dan onder de wet mogelijk was. Ook zelfs hoger dan wat bij verkondiging van het koninkrijk mogelijk kon zijn. Want zij zijn niet in staat verschil te zien in Gods werkwijzen en handelen. Meestal baseert men het contact van de mens met God op vleselijk-zielse principes. Verbinding met Hem bestond door middel van het uitgekozen volk. Onze verbinding met Hem is in deze tijd in de geest. Dat geeft ons het enorme voorrecht, Hem te allen tijde te kunnen naderen in gebed. Inmiddels weten veel gelovigen van Gods voornemen. Dat leidt ertoe, dat zij niet bidden dat ieder mens gered zal worden, zelfs wanneer deze wens in ieders hart aanwezig is. Anderen hebben meer erkenning; zij bidden niet om grote zegen voor heel de wereld vóór Christus’ terugkeer. Sommigen zijn zo volwassen, dat zij niet verwachten dat het kwaad snel weggenomen wordt. Want zij hebben de noodzaak ervan in Gods voornemen ingezien. Zij bidden ook niet, dat God alle verzoekingen, beproevingen en vleselijke verleidingen zal wegnemen. Zij weten immers dat de tijd daarvoor nog niet rijp is. Zij raken ook niet verbitterd in het leven, omdat zij niet nutteloos bidden om wat afwijkt van Zijn wil. Zelfs de meest verlichte en gerijpte gelovigen, die ook anderen onderricht mogen geven, omdat zij van God de 10 gave daarvoor ontvingen, worden met talloze kleine dingen geconfronteerd. Waarom? Vanwege hun onkunde als het gaat om de ontelbare, ingewikkelde aspecten van het leven. Israël beschikte over uitgebreide wetgeving en wijze oudsten die de zaken van het leven in het koninkrijk reguleerden. Desondanks had God het zo geregeld, dat de hogepriester ook de Urim en Thummim (loten voor licht en redelijkheid) had Ex.28:30; Lev.8:8, om de wil van Jahweh voor Israël te bevragen. Twee steentjes werden in een buidel gedaan, zoals bij de toedeling van het land door loting gebeurde. Een hoofdvraag werd gesteld, waarop het antwoord steeds ja of nee was. Jahweh antwoordde door het steentje, dat zonder te kijken uit de buidel genomen werd. Dat plaatste Israël in de positie dat zij naar Zijn wil handelden. Voor ons geldt dit vandaag de dag niet meer. Wij hoeven alleen voor Hem onze gebeden en problemen in gebed neer te leggen. In Zijn zorg voor ons zijn wij vrij van zorgen. A.E. Knoch 11
Page 10
Omgang met God Elk mens maakt aanspraak op leven, vrijheid, geluk. Ieder zou in het leven al het denkbaar goede willen genieten. Dit verlangen heeft de Schepper in het hart gelegd, om dat naar Zijn hart te kunnen trekken. Wij leren in dit leven, dat elke vervreemding van God ons het uiterste brengt van alles waar we diep in ons hart aan willen ontkomen. In het geestelijke bereik brengt scheiding van God ons de dood, onvrijheid en ongeluk, kortom al het mogelijke kwaad. En dat is zo, zelfs als seculiere overheden ons leven, vrijheid en streven naar geluk garanderen. Dit aardse leven is een leerschool; voorbereiding op de voleinding als God alles in allen zal zijn 1Kor.15:28. Daarom moet ieder mens voldoende met het kwaad bekend zijn, om het contrast later te waarderen. De nodige ervaring met het kwaad blijft ons als kinderen van God niet bespaard. En de mate waarin wij leren onze dagelijkse gemeenschap met God te verdiepen en ons aan Zijn wil te onderschikken, is bepalend. Waartoe? Om de ware rust en vrede in ons hart te hebben en daarin gelukkig te zijn. Wij weten niet tot in detail, wat goed en nuttig voor ons is. Maar Hij, Die ons geschapen heeft zoals we zijn, en Die ook het verlangen naar geluk in ons hart legde, weet het. Als God echter uitsluitend het goede voor ons wil en Hij de Enige is, Die de weg daarheen kent, moeten wij deze weg volgen. Wij hebben immers ook het beste voor onszelf op het oog. God zegt in de Schrift wat tot vervreemding met Hem leidt en wat de gemeenschap met Hem bevordert. Al wat fundamenteel in Zijn plannen met Zijn schepselen 12 is, is daarom van het grootste belang voor ons. Waarom? Omdat wij de weg die naar Zijn wil is, willen gaan. Het evangelie, dat voor Joods-christelijke gemeenten in de begintijd gold, werd de weg1 genoemd. Saulus, fanatiek, vroeg de hogepriester geloofsbrieven voor de synagogen in Damascus. Zo kon hij mannen en vrouwen opsporen, die van die weg waren. En kon hij ze vervolgens voor berechting naar Jeruzalem brengen Hand.9:2 Wij eren dezelfde God en Vader als die Joden-christenen. Dezelfde Redder is voor ons op Golgotha gestorven om ons als zondige vijanden te verzoenen. Toch verschilt onze weg enorm met die van hen. Onze weg is alleen genade. De gemeente van vandaag ervaart Gods liefde in oneindig hogere mate dan Israël deze ooit ervoer of zal ervaren. Israël had vergeving van zonden met proeftijd Matt.18:35; Hand.5:1-11; Heb.6:4-6; 10:26; 1Petr.4:18. Wij genieten echter van de rechtvaardiging om niet, de overstromende genade Rom.3:21; 5:20. Israëls zegeningen, o.a. tekenen en wonderen Hand.5:12, werden in de overgangsperiode nog wel in de door Paulus gestichte gemeenten uit de natiën (o.a. Korinthe) ervaren. Door de publicatie van de Efezebrief echter, werden ze vervangen door iedere geestelijke zegen te midden van de ophemelsen Ef.1:3. De gemeenten uit Israël en uit de natiën gingen op in één gezamenlijk-lichaam Ef.2:11-22; 3:6; 4:4. 1 Stichwortkonkordanz Konkordantes Neues Testament 5e-6e druk, blz.630, 7e druk blz.289, Weg. © Konkordanter Verlag, Birkenfeld. 13
Page 12
Bidden met het denkvermogen Toen de Korinthiërs hun eerste brief van Paulus ontvingen, hadden ze slechts fragmentarische kennis 1Kor.13:9. Het was nog de tijd van onmondigheid, omdat ze hun genadegaven hoger waardeerden dan Paulus. Hij had het afnemen van de wondergaven van Pinksteren al onderkend. Bij enkelen werkte de vernieuwde denkzin2 niet actief mee. Daarom konden ze ook geen bijdrage leveren om de kennis en geestelijke groei te bevorderen. Om dit te bewerken, liet de opgestane Christus via Zijn spreekbuis Paulus Hand.26:16 de brief aan de Romeinen schrijven. Die brief bevat het onderwijs, dat wij moeten leren. Rom.12:2; 16:17. Al wat destijds nog in Korinthe gebeurde, was tot opbouw van de gemeente of alleen van een enkeling 1Kor.14:5,12,26. Dat weerspiegelde zich ook in hun gebeden: Want ingeval ik in een taal3 zou bidden, bidt mijn geest, maar mijn denkzin is onvruchtbaar. Hoe is het dan? Ik zou bidden in de geest, maar ik zal ook bidden met mijn denkzin. Ik zal snaren bespelen in de geest, maar ik zal ook snaren bespelen met mijn denkzin. Anders, ingeval jij zou zegenen in de geest, hoe zal hij die de plaats inneemt van de niet ingewijde ‘Amen’ uitspreken over de jouw dank, daar hij nu niet weet wat jij zegt. Want jij dankt inderdaad uitstekend, maar de ander wordt niet opgebouwd. Ik dank God dat 2 Denkzin, Grieks: nous, het ‘denkorgaan’ van de mens. 3 Grieks: glossa, ook tongentaal (glossolalie) genoemd. 14 ik meer dan jullie allen in talen spreek. Maar, in de uitgeroepen gemeente wil ik liever vijf woorden met denkzin spreken opdat ik ook anderen onderricht dan tienduizend woorden in een taal 1Kor.14:14-19 De meest innige omgang met God had - ook in die dagen - iedereen, die tot Hem sprak 1Kor.14:2,28 . Alles moest ordelijk gebeuren, niet meer dan twee of drie tongentaalsprekers of profetische sprekers, en wel de een na de ander, als de een sprak, zweeg de ander. Zonder alle genadegaven van dat beheer van overgang zou het geestelijke leven in de jonge gemeenten zijn verdord. Zij hadden immers nog geen geschreven brieven of anders in handen. Hoeveel meer hebben wij, vandaag! Die gaven zijn nu door de onthullingen vervangen, die Christus aan Paulus te schrijven gaf. Het afgeronde, gecompleteerde woord van God is voor ons volledig beschikbaar Kol.1:25 ! De Korinthiërs zagen de grote verbanden daarin niet scherp, als in een metalen spiegel van die dagen, in raadselen (enigma). Wij mogen echter van aangezicht tot aangezicht zien 1Kor.13:12 Christus rechtstreeks tot ons spreekt. Onze lofprijzing en ons gebed zal ook overeenstemmen met de door de apostel Paulus overgebrachte kennis. Laat dat zo ordelijk mogelijk zijn, onder controle van de ons gegeven vernieuwde denkzin. Dit maakt de meest nauwe en innige gemeenschap met God mogelijk. Liever vijf woorden nuchter mét de denkzin spreken, dan tienduizend zonder. 15 , en ervaren alsof de opgestane, verheerlijkte
Page 14
Tot lofprijs van Zijn heerlijkheid Gods eer en verheerlijking zijn het doel, waarvoor het al is ontstaan. En onder al Zijn schepselen is de mens het meest geschikt om Zijn veelvuldige heerlijkheid tentoon te spreiden. Als wij nu onze lezers vragen wat het hoogtepunt van Efeziërs is, zal de volwassen gelovige zeggen: het geheimenis (het geheime beheer van de genade Ef.3:2,6-10). Zonder twijfel is de onthulling van het geheimenis het belangrijkst. Het hoogtepunt is echter strikt genomen niet het geheimenis zelf, maar het gebed om het juiste begrip ervan Ef.3:14-21. Want alleen kennis van het geheimenis is van weinig waarde. God is er niet tevreden mee. Enerzijds maakt dat onze verkondiging qua leven minder, anderzijds verrijkt het ons geestelijk leven niet werkelijk. Kennis kan nooit een doel op zichzelf zijn. Ze heeft slechts betekenis, als ze in ons hart een honger wekt om de liefde van Christus te beantwoorden. Aan de Korinthiërs schreef Paulus de woorden, die altijd geldig blijven: En al zou ik de gave van profetie hebben en alle geheimenissen weten en alle kennis bezitten, en al zou ik al het geloof hebben, zodat ik bergen zou verzetten, maar ik had de liefde niet, dan was ik niets 1Kor.13:2 Al wat in Gods ogen echt waardevol is, is wat vanuit Zijn liefde gebeurt én liefde wekt, zodat het bijdraagt aan Zijn eer en verheerlijking. Toen de genadegaven werden uitgedeeld, sprak men tot God om zichzelf op te bouwen, of tot de broeders en 16 zusters tot opbouw, bemoediging en troost. Wie zo werd begenadigd, moest erop toezien, dat ook anderen werden opgebouwd door te danken in gebed 1Kor.12:4,11;14:2-4,16,17 . In Efeziërs is de situatie heel anders. Het openingsgebed begint met de woorden: Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus …Ef.1:3 . Vervolgens noemt Paulus de genadegeschenken voor ons, nu. Gezegend met iedere geestelijke zegen te midden van de ophemelsen. Uitgekozen in Hem vóór de nederwerping van de wereld (voordat de zonde kwam). Tevoren bestemd tot mondigheid, volwassenheid, zoonschap. Maar wij zijn hiermee niet tot ónze opbouw begenadigd, maar tot lof van de heerlijkheid van Zijn genade Ef.1:6. Wij horen het woord van de waarheid, het evangelie van onze redding, geloven het en zijn verzegeld met de geest van de belofte, de heilige (als waarborg voor ons ophemels lotdeel). Dat alles heeft een hoger doel dan opbouw en dat is … de lofprijs van Zijn heerlijkheid Ef.1:14 . Onze toekomst is: de bediening om in de komende eonen te midden van de ophemels(en) Gods alles overstijgende rijkdom van genade tentoon te spreiden Ef.2:6. Dan is het God, Die alles bewerkt naar de raad van Zijn wil Ef.1:11,12. Maar, alles wat gebeurt valt onder die voor ons troostende en versterkende uitspraak. Toch zegt Hij ons dit in Zijn woord niet, opdat wij er ons alleen door laten opbouwen, maar opdat wij zijn tot lofprijs van Zijn heerlijkheid. 17
Page 16
In overeenstemming ermee eindigt het leergedeelte van de Efeziërs met een gebed om te begrijpen waar het in de eerste drie hoofdstukken om gaat. Daarvoor hebben we geestelijke kracht nodig, die overeenstemt met de rijkdom van Zijn heerlijkheid. Dit is opdat wij compleet gemaakt worden tot het gehele complement van God Ef.3:14-21. In dit verzoek gaat het helemaal niet om ons, maar om de eer en verheerlijking van God. Dat willen wij later nog meer helder uiteenzetten. En in overeenstemming ermee eindigt dit gebed in lofprijzing: Hem zij de verheerlijking! Het sleutelwoord voor de veranderde situatie vergeleken met de Korinthebrief vonden wij al in het openingsgebed. Gezegend zij de God … die ons zegent. Het gaat dus niet meer in de eerste plaats om ons, maar om Hem! God schenkt ons hier door Zijn woord het allerhoogste wat wij kunnen bevatten. Wij kunnen dat alleen verstaan omdat onze denkzin door Zijn geest vernieuwd is. We brengen Hem zo het hoogste waartoe wij (door Zijn geest gewerkt) in staat zijn: onze lofprijzing. Omdat het hier om het hoogste en meest verhevene gaat, gebruikt het Grieks voor ‘gezegend’ een speciaal woord, dat alleen van God wordt gebruikt. Wij vinden het in de profetische lofprijzing van Zacharias, die met de woorden begint: Gezegend zij de Heer, de God van Israël, omdat Hij naar Zijn volk heeft omgezien en er verlossing voor tot stand gebracht is …Luc.1:68 18 Paulus schrijft drie keer, dat God gezegend is voor de eonen Rom.1:25;9:5; 2Kor.11:31. Met deze lofprijzing mogen wij instemmen, als wij uitspreken: Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons zegent met iedere geestelijke zegen… Omdat het hierbij gaat om een heel bijzondere zegen, gebruikt het Grieks bijzondere werkwoordsvormen (zoals bij: zegent, uitkiest, voorbestemt, begenadigt …). Die geven een tijdloze waarheid aan 4. Die gold al voor ons toen wij daar nog niets van wisten. Maar ze zijn nu zonder meer voor ons, en zullen dat in de toekomst ook zijn. Zo mogen wij God zegenen met geestelijke woorden, die Hij ons in de mond legt. Wij mogen Hem lofprijzen voor alle geestelijke zegen waarmee Hij ons zegent in Christus. Gemeenschap in plaats van ontmoeting God werkte in oude tijden al in de zijnen, zodat zij Hem zouden vragen om wat Hij beloofd had te zullen geven. Door Ezechiël sprak Jahweh tot Zijn verbondsvolk Israël over de dag, waarop ze weer in het land zouden wonen, dat Hij aan hun vaderen gaf. Jullie zullen Mijn volk zijn, en Ik zal jullie God zijn was de belofte. Jahweh voegt eraan toe: Opnieuw zal Ik hierom door het huis van Israël gevraagd worden om dit voor hen te doen Ez.36:37. Dit is een duidelijk voorbeeld van God, Die een betere toekomst gepland heeft. Hij legt de zijnen het verlangen naar die toekomst in hun hart. Daaruit ontstaat een 4 De Griekse aoristus is deze werkwoordsvorm, die een feit aangeeft. 19
Page 18
gebedswens, een door Hem zelf bewerkt smeken dat de belofte in zich heeft, op de juiste tijd te worden verhoord. Een waarachtig gebed van geloof dat in de vaste grond van goddelijke beloften geworteld en gefundeerd is. Dit onwankelbare fundament ontbreekt aan de gebeden in onze tijd helaas maar al te vaak. We zien hier soms het drijfzand van menselijke ervaringen. Die worden dan weer van generatie op generatie doorgegeven, tot ze een vrome, religieuze traditie zijn geworden. Op deze voedingsbodem denken sommigen, dat ze zoveel geloof hebben, dat zij kunnen vragen om dingen die totaal onmogelijk lijken. Wanneer zo’n verzoek wordt verhoord, zal men zelfs ook nog trots zijn zo’n sterk geloof te hebben opgebracht. Men meent daardoor als het ware Gods hart te hebben bewogen om de verhoring te schenken. Wij weten, hoezeer zulke ervaringen hoogtepunten van het geloofsleven kunnen zijn. De schrijver van dit wat u leest, teerde als jonge jongen op zulke ontmoetingen met God. Hij had die nu en dan, tot hij door zijn geloofsmoeder onder het kruis van Golgotha, en daarmee tot het juiste smeken werd geleid. Het gezamenlijk gebed met deze moeder in het geloof gebeurde elke zaterdagmiddag. Zo kon hij de felle haat tegen christenen van het ouderlijk huis ontvluchten. Dat baande toen de weg van ontmoetingen met God tot gemeenschap met Hem. Hij leerde, onder haar leiding, zich eerst door Gods woord te laten aanspreken. Vervolgens kon op de knieën alles aan Hem voorgelegd worden: smeking, gebed, voorbede en dankzegging 1Tim.2:1. 20 Opheffen van goedgunstige handen In 1 Timotheüs 2:8,9, worden biddende mannen en vrouwen beschreven. Die kennen wij uit tekeningen in catacomben: knielend, met geheven handen, zoals men dat toen gewoon was. Israël had vroeger een speciale plaats voor het gebed. Eerst de tabernakel en later de tempel zolang God daarin woonde. Men ging erheen, of men keerde zich bij het bidden minstens in de richting van het heiligdom, zoals Daniël Dan.6:11. Daniël had in zijn bovenvertrek vensters, op het Zuidwesten (richting Jeruzalem) gericht. Daar knielde hij drie keer per dag voor zijn God, om Hem te bidden en te smeken. De Samaritaanse vrouw wees de Heer Jezus op de berg Gerizim waarop men in Samaria sinds de tijd van de vaderen aanbad. Terwijl de Joden zeiden, dat Jeruzalem de juiste plaats voor aanbidding was. Hij antwoordde haar: De tijd komt dat jullie niet op deze berg en ook niet in Jeruzalem de Vader zullen aanbidden … maar de tijd komt en is nu, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en in waarheid; want de Vader zoekt wie Hem zo aanbidden Joh.4:20-24 De Heer had nooit gesproken over drie uur ’s middags als het uur van gebed. Maar wie het kon regelen, hield daaraan vast Hand.3:1;10:3,30. Men groeit maar langzaam weg uit een vrome traditie. Wij zijn daar nu nog steeds niet vrij van. Wij vouwen de handen, sluiten de ogen, buigen ons hoofd, of wij nu bij het bidden zitten, staan of knielen. Ooit kwam de uitwendige houding overeen met innerlijke gesteldheid. De tollenaar wilde de ogen niet naar de hemel 21
Page 20
opheffen Luk.18:13. De melaatse viel op zijn aangezicht voor de voeten van Jezus, smeekte om genezing Luk.5:12. Zo ook die dankbare Samaritaan; die verheerlijkte God met luide stem. Het dankgebed van deze laatste leidde tot diens redding door geloof Luk.17:15-19. Vrees dreef de discipelen in diezelfde houding toen zij op de berg van de verheerlijking waren Matt.17:1,6. Maar één keer lezen wij over onze Heer, dat Hij neerknielde en op Zijn aangezicht viel Mat.26:39. De kwelling die kwam leek voor Hem bijna ondraaglijk. In Gethsemane kwam Hij het dichtst bij ons in onze zwakheid en gaf Zijn onderschikking onder de wil van de Vader aan met de woorden: zoals U wilt Matt.26:39; Mark.15:36; Luk.22:42. In de meest volmaakte uitdrukking, zowel met woorden als ook door de uiterlijke houding. Op alle andere plaatsen lezen wij over Hem, dat Hij bij het bidden en danken de ogen opsloeg naar de hemel Mat.14:19; Mark.6:41;7:34; Luk.9:16; Joh.17:1. Er is geen algemeen verbindend voorschrift in deze tijd over een uiterlijke houding die wij bij gebed zouden aannemen. Wat Paulus in 1 Timotheüs 2:8 en de volgende verzen en hoofdstukken als zijn eigen besluit verkondigt, is weerspiegeling van goede gewoontes uit die tijd. Nu zullen wij geneigd zijn het opheffen van goedgunstige handen eerder figuurlijk dan letterlijk op te vatten. Sommige van zijn voorschriften over weduwen zijn uitsluitend in overdrachtelijke zin op onze huidige situatie van toepassing. Nochtans accepteren we alles wat Paulus hierover zegt. Wij kunnen ons gezicht letterlijk in schaamte, droefheid of pijn voor Hem verbergen of ogen en handen naar de hemel opheffen. Maar altijd zou onze innerlijke houding naar 22 God toe overeenkomen met: op onze knieën. Dat is de enige houding die ons past, naar Hem toe, de grootste Onderschikker. Door Hem alleen willen wij ons laten zegenen. Het Hebreeuws drukte dit al op voortreffelijke manier uit. Het overeenkomende woord (barak) betekent zowel knielen als zegenen. Toen Paulus afscheid nam van de oudsten van de gemeente van Efeze (te Milete) en van de broeders en zusters in Tyrus, knielde hij met hen allen neer en bad Hand.20:36; 21:5. Hetzelfde deed hij toen hij om zegen voor de lezers van zijn rondzendbrief bad Ef.3:14. Omstandigheden laten het vaak niet toe Paulus hier na te volgen. Een geestelijk gebed kan zo sterk uitdrukking van volkomen overeenstemming met Gods wil zijn, dat niemand het mist, dat het niet knielend werd uitgesproken. In het tegenwoordige beheer van de geest en van de geestelijke zegen is het uiterlijke, zichtbare en materiële door het innerlijke wezen verdrongen. De hoogste eis is, dat God vandaag in geest en in waarheid aanbeden wil zijn en zulke aanbidders zoekt! Daarom is alleen de geestelijke houding doorslaggevend. Gebed van geloof Voor sommige mensen betekent een gebed niets anders dan het openen van hun hart naar God toe, als een bloem naar het licht. Maar het is God zelf, Die dit bewerkt. Hij deed dit al in het oude Israël, zodat gelovige mannen en vrouwen naar Zijn wil baden en smeekten om wat Hij hen beloofd had. De inleidende hoofdstukken van Lukas geven ons een kijkje 23
Page 22
in het gebedsleven van gelovige Joodse mensen, waarvan het hart naar Israëls troost verlangde Luk.2:25. Wij lezen: • de lofzang van Mirjam Luk.1:46-55 • profetisch gebed van priester Zacharias Luk.1:68-79 • de zegenwoorden van de oude Simeon Luk.2:29-35 • verwijzing naar de profetes Hanna, die God loofde en sprak tot hen die naar de verlossing uitkeken. Die gebeden zijn niet door menselijke wijsheid ingegeven woorden. Maar zij zijn geleerd door de geest van God, de heilige. Dit zorgde ervoor, dat de geestelijke gedachten van de bidder overeenstemden met de geestelijke woorden die in de Psalmen en in andere delen van Tenach (OT) hun uitdrukking hadden gevonden. Maar geen enkele van deze gebeden is volledig in harmonie met de zegen die God ons vandaag belooft, in het bijzonder door Paulus’ brieven. Geloof is het orgaan, waarmee wij Gods beloften bevatten. Maar misschien hebben wij de beloften van God voor ons nog niet voldoende begrepen. Deze moeten steeds weer zorgvuldig bestudeerd worden. Anders bestaat het gevaar, dat het geloof overwoekerd wordt door vrome fantasie. Fantasie, die ons wil overtuigen, dat dit of dat urgent, waardevol en nuttig zou zijn in het werk van de Heer. Het is niet goed om zulke eigenmachtige wensen in gebed aan God voor te leggen, hoe goed bedoeld ook, goedgekeurd door vrome traditie. De Heer heeft Zijn werk onder ons tot in het kleinste detail gepland. Hij verwacht dat wij in de dienst van Hem ons tot het uiterste inspannen. Maar dat wel binnen de beloften die 24 vandaag op ons van toepassing zijn. Jezus wist heel goed, waar Hij recht op had in Zijn dagen op aarde, toen Hij de vorm van een slaaf had aangenomen Fil.2:7. In Hem kwam het niet op om stenen brood te laten worden. Dertig jaar lang had Hij in stilte geleerd, om ongeveer drie jaar te dienen. En om Zijn werk uiteindelijk in zes uur te voltooien. Dat alles in volledige onderschikking onder de wil van Zijn Vader. Mozes had veertig jaar opleiding aan het hof van de Farao in Egypte gehad. Daarna verbleef nog eens veertig jaar in de stilte van het land Midian. Daarna kwam hij pas in de volmacht van Jahweh voor de Farao. Saulus was geroepen en verkondigde in Damascus Jezus als de Zoon van God. Hij moest niettemin nog drie jaar naar Arabië. Waarom? Om door zijn verhoogde Heer nóg grondiger onderwijs te krijgen. Daarna hervatte hij zijn dienst in Damascus zo lang men dat wilde Hand.9:20,23; Gal.1:17. Voordat wij het uiterste doen voor de Heer, zouden we Zijn wil leren kennen. Dit is nodig, opdat wij weten, wat Hij in dit beheer van genade van ons verwacht. Zodat wij Zijn waarschuwingen voor de valstrikken van de tegenstander ter harte nemen. De Heer heeft gezegd, dat niemand de zijnen uit de hand van de Vader kan rukken Joh.10:29. Ja, ook dat niets ons kan scheiden van de liefde van God. Daardoor vergeten wij gemakkelijk de andere woorden, die zeggen dat satan zelfs de apostelen voor zich opeiste om hen als de tarwe te ziften Luk.22:31. Ook ontving hij volmacht om Jobs geloof te ruïneren. Toen was zijn beperkte volmacht: Zie, hij is in uw hand, maar spaar zijn leven Job 1:12; 2:6. Satan eist ook vandaag de dag zulke volmachten, vooral om bij de meest trouwe gelovigen te verhinderen, dat ze 25
Page 24
rijpen tot mondigheid. Wanneer hij hun geestelijke groei niet kan belemmeren door Jobs plagen, zal hij steeds weer proberen Gods woorden voor hun innerlijke ogen te verdraaien. Op die manier komen zij niet tot erkenning van de waarheid, om, nuchter gemaakt, uit de valstrik van de tegenwerker te komen 2Tim.2:25,26. Ook ware gelovigen zijn vaak slachtoffer van dwaling en fanatisme. Dat is zo, ook al kan de satan ze niet uit de hand van God roven en niet van Zijn liefde scheiden. Gelovigen laten zich vaak niet van de onjuiste opvatting af brengen, dat de door hen gebruikte vertaling van de Bijbel God-geademd, en daarom onfeilbaar is. Waar die vertaling van de grondtekst afwijkt, zoals dat regelmatig het geval is, hebben zij de grootste moeite om de waarheid van de Griekse en Hebreeuwse grondtekst te aanvaarden. Sommigen worden misleid door het waanidee, dat ze zoveel van God mogen vragen als zij maar kunnen geloven. Ook als zij het onmogelijke geloven en erom vragen, zal God het uiteindelijk wel inwilligen, menen zij. Satan lijkt bereid te zijn te geven wat God ons onthoudt, om degenen die dat bidden, in hun dwaling en fanatisme gevangen te kunnen houden. Alleen wie zich dagelijks (zoals Timotheüs) met de woorden van het geloof en het uitstekende onderwijs voedt, 1Tim.4:6 wordt bewaard. Het gevaar is immers, dat men bidt om dingen, die God voor onze dagen niet belooft. Het gebed van geloof is in eerste instantie gebaseerd op de woorden van het geloof en het onderricht dat de verhoogde Christus door Paulus voor ons liet opschrijven. Wij mogen daarbij niet over het hoofd 26 zien, dat de weg via onmondigheid in 1 Korinthiërs loopt naar de rijpheid in Efeziërs. God van onze Heer Jezus Christus Als wij deze zes woorden van aanhef van gebed bidden met een vernieuwde denkzin, is dit voor God meer waard dan tienduizend ongecontroleerde woorden. Wij laten immers vaak onze gevoelens de vrije loop en verzuimen dan de Allerhoogste te verheerlijken zoals Hem toekomt. Het is beter, de God en Vader van onze Heer Jezus Christus steeds opnieuw te belijden. Jezus wat het, Die de zonde van de wereld wegnam en gehoorzaam werd tot de dood van het kruis op Golgotha. En zo ruimde Hij alles uit de weg dat scheiding maakte tussen God en ons, en dat eens voor altijd. Bovendien belijden wij, dat Jezus Christus onze Heer is en wij Hem dienen, totdat alles aan Hem ondergeschikt is 1Kor.15:28. En wij zien in Christus het Beeld van de onzichtbare God. Christus, door Wie het al is geschapen. Christus, Die het hoofd is van de uitgeroepen gemeente. God maakte vrede door het bloed van Zijn kruis, om door Hem al wat op aarde en in de hemelen is, weder met Zich te verzoenen Kol.1:15-20! Bij het begin van onze gebeden danken wij voor alle zegeningen de God en Vader, in de naam van onze Heer Jezus Christus, zoals Paulus ons aanspoort Ef.5:20. Deze naam omvat alles wat Jezus op Golgotha voor ons deed. Deze naam wijst op Hem, Christus Jezus, Die gestorven, ja meer nog, opgewekt is, die aan de rechterhand van God zit, Die ook voor ons opkomt Rom.8:34. Zo kunnen wij met de apostel instemmen, als hij schrijft: 27
Page 26
En al wat jullie maar doen in woord of in werk, doet dit alles in de naam van de Heer Jezus Christus, dankend God, de Vader, door Hem Kol.3:17 Toen Jezus zei: Ik ben de weg … niemand komt tot de Vader dan door Mij Joh.14:6, bedoelde Hij dat nu geen andere weg naar God leidt. Tot op dat moment naderde Israël door het offerritueel tot Jahweh. Sinds Golgotha naderen wij tot de Almachtige via de nieuw geopende weg. Door Jezus Christus, Die voor ons eens en voor altijd geofferd werd. Zo hebben wij in de geest toegang tot de Vader. Laten wij daarom rijkelijk deze zes woorden als aanhef gebruiken: God van onze Heer Jezus Christus! Paulus gebruikte deze aanhef vaak. Aan hem verscheen diverse keren de verhoogde Christus met onthullingen Hand.26:16. Zo kon de Heer hem voor de hoogste openbaringen als spreekbuis inzetten. Paulus sprak ze, als hij God op de hoogste, meest omvattende wijze wilde verheerlijken. Hij vult dat soms aan met: Vader van het medelijden of: Vader van de heerlijkheid. Of hij zegt samenvattend: God en Vader van onze Heer Jezus Christus 2Kor.1:3; Ef.1:3,17; Kol.1:3. Wij ontvingen de geest van het zoonschap, waardoor wij God Vader mogen noemen Rom.8:15. Daarom citeert Paulus woorden van God: Ik zal u tot een Vader zijn, en u zult Mij tot zonen en dochters zijn, zegt de Heer, de Almachtige 2Kor.6:18 Zo mogen wij de gebedsaanhef uitbreiden en zeggen: Onze God en Vader, God en Vader van onze Heer Jezus Christus! 28 Deze woorden zijn uitdrukking van echt vertrouwen op God en bereiden ons de weg tot diepe, innerlijke vrede. Sommige gelovigen zijn bang om rechtstreeks tot God te spreken en geven de voorkeur aan gebed te beginnen met: ‘lieve Heiland’ of ‘lieve Heer Jezus’. Daarbij speelt de overweging mee, dat Hij, die op deze aarde rondliep, Die onze zonde verzoende, dichter bij ons staat en ons wellicht beter begrijpt dan Zijn God en Vader. Maar er is geen reden voor dergelijke schroom, want Jezus Zelf zei, dat de Vader zoekt zodanige, die Hem aanbidden Joh.4:23. God wil, dat onze erkenning van Hem voortdurend toeneemt Kol.1:9. En dat wij leren, dat Hij werkelijk, oorspronkelijk alles is, waar Christus het Beeld van is. Zo vormen wij ons een juist beeld van God en aanbidden Hem zoals het hoort. In noodsituaties kan het ons soms aan juiste woorden ontbreken, omdat we niet weten wat God gepland heeft. Want wij weten niet wat wij bidden zullen naar wat moet zijn. De geest zelf echter pleit voor ons met onuitgesproken zuchten Rom.8:26. Daarbij mogen wij ons de belofte herinneren: En God is getrouw, Hij zal niet toelaten dat jullie beproefd worden boven wat jullie aankunnen, maar Hij zal met de beproeving ook de voortgang geven om die te kunnen doorstaan 1Kor.10:13. 29
Page 28
Voorbeden en dankzegging Een van de aspecten van gebed is, dat geen vervreemding meer tussen God en ons ontstaat. Bij het bidden beleven wij steeds weer gemeenschap met Hem, en dus een stukje van de voltooiing, wanneer Hij alles in alles is 1Kor.15:28. Als ik bid is Hij iets in mij; als iemand in de vergadering openlijk bidt en anderen daarop amen zeggen, is Hij iets in allemaal. Hoe mondiger de hoorders zijn en hoe gerijpter het gebed is, des te meer zal God in ieder van hen kunnen zijn. Als wij waar zijn en alles in liefde tot groei brengen, in Hem die het Hoofd is, Christus Ef.4:15, zullen wij in de geest dichter bij Hem komen. En dat tot aan de voleinding toe, als God alles in ons zal zijn. Het aantal uren die tot vervreemding van Hem kunnen leiden, zal verminderen. En des te vaker zullen wij momenten van eensgezinde gemeenschap met Hem ervaren. Dan zullen onze gedachten meer naar onze medemensen uitgaan en naar de overheden in ons land en elders. Ook Paulus leefde niet in een vredige wereld. Claudius verdreef alle Joden uit Rome Hand.18:2. Gelovigen in de nog jonge gemeente in Thessalonica ondervonden zo veel lijden en vervolgingen, dat ze geschokt, ontzet, dachten dat de dag van de Heer al aanbrak. Ze hadden het gevoel dat ze de opname hadden gemist.2Thess.2:1-3 Paulus’ leven was vol geduldig verdragen, druk, nood, benauwdheden, slagen, gevangenissen, oproeren, enorme arbeid en meer! Hij beschrijft die lijdensweg 2 Kor.6:3-10. Onder de indruk van de gebeurtenissen in die onrustige jaren en onder de leiding van de geest van God, de heilige, 30 gaf Paulus aan zijn geloofskind (en ons), een richtlijn voor gebed 1Tim.2:1-4. Deze houdt rekening met onze innerlijke vrede én die met de mensen om ons heen. Hij roept op tot voorbede en dankzegging voor alle mensen, inclusief de overheden. Als hij dit deed met betrekking tot het Rome van die tijd, hoezeer zouden wij hem dan niet moeten imiteren in deze houding van gebed! Maar, zonder dagelijkse voeding met de woorden van het geloof en de uitstekende leer zijn wij niet in staat om ook te bidden en te danken voor diegenen die ons het leven moeilijk maken. Eenieder die onvoldoende bekend is met het uitstekende onderwijs dat voor ons geldt, is vaak makkelijk bereid de woorden van Petrus te citeren. Hij zei dat men God meer moet gehoorzamen dan mensen. Daarop vertrouwend, tart men vervolgens de overheid en zijn meerderen. Indertijd was de politieke en militaire macht in handen van Rome, maar geen van de apostelen trad ooit tegen hen op. De woorden: men moet aan God meer gehoorzaam zijn dan aan mensen Hand.5:29, richtte Petrus tot het Sanhedrin, de religieuze Hoge Raad van de Joden (de ‘hooggeplaatsten’, schriftgeleerden en oudsten). Dit was het hoogste religieuze gezag in Israël, dat door Petrus en Johannes tegengesproken werd: Oordeel zelf of het juist is in Gods ogen, meer naar u te luisteren dan naar God Hand.4:19 De woorden van het geloof, die vandaag ons gedrag naar de overheid en meerderen bepalen, vinden wij bij Paulus5. 5 Zie: Rom.13:1-7, Ef.6:5-8, Kol.3:22-25, Titus 2:9,10; 3:1 31
Page 30
In de richtlijn voor het gebed 1Tim.2:1-4 wordt gezegd, dat een leefwijze in godsvrucht en waardigheid in de ogen van God goed en welkom is en tot een rustig en stil leven leidt. God is niet alleen onze Redder, maar Hij wil, dat ook alle andere mensen gered worden en tot erkenning van de waarheid komen. Net zo staat in dezelfde brief: Want daarvoor spannen wij ons ook in en worden wij gesmaad, omdat wij vertrouwen stellen op de levende God, Die Redder is van alle mensen, inzonderheid van de gelovigen 1Tim.4:10 De apostel voegt toe: Beveel deze dingen en onderwijs ze. In overeenstemming hiermee zijn de woorden: door Hem het al weder met Zich te verzoenen, vrede makend door het bloed van Zijn kruis, door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is Kol.1:20. Deze woorden van het geloof en van de uitstekende leer bevatten de belofte, die het leven in onze omgeving zoveel gemakkelijker maakt. Het is Gods onwankelbare wil om ook alle andere mensen te redden, zodat zij ook de waarheid erkennen, zowel over Hem als over zichzelf. Dit gebeurt niet in onze dagen; maar later, als iedereen met Hem verzoend is, zal Hij alles in allen zijn, niet alleen in ons, die geloven. Op weg naar dit doel doet ieder mens individueel ervaring op met bitterheid, gramschap, toorn, geroep, lastering en al het kwaad. Ieder leert al deze werken van het vlees min of meer grondig kennen, actief of passief, totdat wij dat 32 alles net zo verafschuwen als God zelf. De meeste mensen moeten voor dit doel hun leven in een terugblik onder ogen zien Op.20:11-15, zodat zij het zonder voorbehoud kunnen beoordelen. Dit betekent, dat ze dan met Gods ogen kijken en het eens kunnen zijn met Zijn vonnis. En dan heeft men één wens: Gods liefde genieten, beantwoorden. Wij als gelovigen hebben nu al het geweldige voorrecht te beseffen, hoe God de zonde haat. Want die verhindert Zijn schepselen zich te verheugen in echt geluk. We leren zien en begrijpen dat God de zonde gebruikt als instrument. Waartoe? Om Zijn schepselen absolute afhankelijkheid van Hem te doen erkennen. Daardoor krijgen zij zo’n grote afkeer van een leven zonder Hem, dat zij voor altijd naar Zijn hart worden geleid. Als wij deze verbanden hebben begrepen, kunnen wij niets anders doen dan tegenover iedere zondaar dezelfde houding aannemen, als de Vader van het medelijden dat doet. Wanneer wij ons bewust zijn en blijven van bovenstaande woorden van het geloof en de uitstekende leer, zullen wij vreugde hebben om alle mensen met dankzegging op te nemen in onze voorbeden. Wij vergeten daarbij niet de koningen en allen die boven ons geplaatst zijn. Wij zullen dan rustig en stil zijn; niet omdat God ons onrustige mensen en gebeurtenissen uit ons leven wegneemt, maar omdat wij die zullen zien, zoals Hij ze ziet. Wij zijn in alle details het eens met Zijn plannen. Wij willen ons in alles aan Zijn wil onderwerpen. Daarvoor gaat onze lofprijzing voortdurend naar Hem! 33
Page 32
Bezorgd zijn en dankzegging Als we onze eigen verlangens en alle menselijke plannen voor de toekomst negeren, maar in plaats daarvan Gods beloften geloven en onze smeekbeden met dankzegging doen, dan zal de vertroosting uit 1 Timotheüs 2:1-4 voor ons steeds meer tot echt gebed van geloof worden. God verwacht geen bepaalde lichaamshouding van ons, maar een geestelijke houding ten opzichte van Hem en mensen waarover wij al hebben gesproken. De verhoring van individuele gebedsverzoeken 1Tim.2:1-4 vindt alleen plaats als wij ons door God daar inzicht voor laten geven. En als wij de medemensen en onze omgeving in dit goddelijke perspectief zien. Hoe meer we de belofte van God (dat alle mensen gered worden en tot erkenning van de waarheid komen) accepteren, hoe meer wij Hem zullen prijzen. Dit zal niet alleen vrede en rust brengen in onze manier van leven, maar ook vreugde over het feit dat alles in de voleinding zal leiden tot een heerlijk doel. Samen met allen, die daar nu nog geen idee van hebben, zullen wij Hem hulde bewijzen en Hem op volmaakte manier loven en prijzen. Het geluk van de vervulling zal dan algemeen zijn, maar de vreugde van de verwachting mogen wij nu al ervaren. Wij kennen Zijn einddoel en zijn het volledig eens met Zijn weg naar dit doel toe. Daarom spoort de volgende richtlijn voor gebed ons aan met de openingswoorden: Verheugt je in de Heer altijd! Opnieuw zal ik beklemtonen: verheugt je Fil.4:4-7! 34 Deze aansporing herinnert ons steeds opnieuw aan alles, wat de reden van onze blijdschap is. Laten wij nog meer en nog grondiger studeren, zoals God ons heeft laten zien door de verhoogde Christus via Paulus en de geroepen leraren na hem. Wij voeden ons dagelijks met de woorden van het geloof en de uitstekende leer. Dit vervult onze geest steeds meer met ophemelse welzijn. We leven dan in geestelijke verwachting van het lotdeel dat ons later in Gods aanwezigheid zal toebehoren. Wanneer een schepsel van God zich verheugt, is dat een reden tot grote vreugde. Want wij zijn de ontvangers van een alles overstijgende genade, en God houdt voor ons alle denkbare zegen te midden van de ophemelsen gereed. Niemand is daarvan uitgesloten die het woord van de waarheid, het evangelie van onze redding (zoals Romeinen zegt) hoort en gelooft Ef.1:3,7,17. Het is niet langer een geheim. Dat was het eens, voordat Christus Jezus dit aan de Efeziërs liet opschrijven. Sindsdien geldt alle genade en alle zegen voor ieder die mag geloven, dat Christus voor ons stierf, toen wij nog zondaren waren. Wij zijn in Zijn bloed gerechtvaardigd en worden door Hem gered voor Gods verontwaardiging Rom.5:8,9 Gerechtvaardigd nu uit geloof, mogen wij met God vrede hebben door onze Heer Jezus Christus, door wie wij ook in het geloof de toegang in deze genade hebben, waarin wij staan, zodat wij ons in verwachting van de heerlijkheid van God mogen roemen Rom.5:1,2 35
Page 34
Als wij niet ophouden te vragen of de geest, de heilige, ons in deze onnaspeurlijke rijkdom van Christus wil leiden, zal dat verdrietige, sombere zorggedachten verdrijven. Daar zal dan steeds minder ruimte voor zijn. Onze vreugde zal steeds groter worden over al wat in Christus van ons is: rechtvaardiging, verzoening en iedere geestelijke zegen te midden van de ophemelsen Gal.2:16; 2Kor.5:18; Ef.1:3. Christus, de Gezalfde van God, wordt ons pas in de brief aan de Efeziërs onthuld als Hoofd over het hele universum Ef.1:10. Zowel de hemelen als de aarde moeten aan Zijn regering ondergeschikt worden. Wij gaan Hem erkennen als Degene, die namens God de veelomvattende functies van Verlosser en Redder in het hele universum uitvoert. Dat doet Hij om het al verzoend naar God terug te brengen. Wanneer wij dat echt erkennen, krijgen wij eerst een vaag vermoeden van de kracht en volheid van de waarheden, die de uitdrukking in Christus in zich bergt. Alle gelovigen zijn in Christus één, zodat wij allemaal God met vreugde kunnen loven en prijzen voor wat in Christus van ons is. Want in dit opzicht is er geen verschil meer. Tot dit geloofsgoed hebben alle mensen toegang. Zonder onderscheid: Jood of Griek, mannelijk of vrouwelijk, oud of jong, vrije of slaaf Gal.3:28. Er zijn echter verschillen in wandel en dienst, hier luidt het sleutelwoord: in de Heer. In Efeziërs 5:22; 6:1,5 zien we de onderschikking van de vrouw aan haar man, van de kinderen aan hun ouders, van slaven aan hun heren nadrukkelijk aangegeven als in de Heer. Wij zouden de tweede helft van de Efezebrief (vanaf hoofdstuk 4:1) 36 moeten lezen en erop letten, hoe vaak de uitdrukking in de Heer daar voorkomt. Paulus noemt zich in de opening van de Filippenzenbrief, samen met Timotheüs geen apostel, maar slaaf van Christus Jezus. Daarmee geeft hij direct aan het begin te kennen, dat zijn thema’s wandel en dienst zijn. Daarvoor is de Heer Zelf (in de vorm van een slaaf Fil.2:7) het beste voorbeeld. Paulus benadrukt dat deze brief niets nieuws brengt, hij spreekt steeds over zijn Heer Fil.1:14; 2:11,19,24,29,30; 3:1,8,20;4:1,2,4,5,10,23. Wanneer hier herhaald sprake is van de vreugde in de Heer, gaat het erom, onze erkenning (van de positie in Christus) nu ook in wandel en dienst uit te leven. Zo zullen wij door onze houding in de Heer in het dagelijks leven dat in praktijk brengen. Al wat in Christus van ons is, vanaf de redding tot en met iedere geestelijke zegen, zou als uitdrukking van vreugde leiden tot een waardige wandel in de Heer en een gehoorzame dienst in de Heer. Verdrukking en laster van andere mensen (en zelfs ook van medegelovigen) kunnen ons moe, verdrietig en moedeloos maken. Wij zullen ons dan kunnen verheugen in de Heer, als ons hart werkelijk overvloeit van het evangelie van de genade van God. Alles om ons heen kan in duisternis gehuld zijn als om middernacht. Ook kan onze situatie lijken op die van Paulus en Silas in de binnenste kerker. Maar net zoals die twee niet alleen in gebed gingen, maar ook lofliederen zongen, zo worden ook wij hier door Gods woord aangesproken: Verheug je in de Heer altijd! Dus in wandel en dienst. 37
Page 36
Toen zij in het blok gesloten waren, konden zij hun knieën niet buigen, zij konden zelfs hun voeten niet bewegen. Maar hun innerlijke, geestelijke houding maakte alle tekortkomingen goed. Wie God in zo’n situatie lofprijzing kan brengen, onderschikt zich volledig aan Zijn wil en raadsbesluit. Wanneer wij weten, dat God ons zo liefheeft, dat Hij voor ons alles ten goede samenwerkt, zullen ook wij ons altijd in de Heer verheugen. Wij zijn dan nooit alleen in onze benarde toestand, wij ervaren integendeel: de Heer is nabij! Dankzij dit besef kunnen wij naar al onze medemensen inschikkelijk zijn. Paulus was aan het einde van zijn loopbaan, toen hij in Rome terechtstond en alle broeders hem hadden verlaten. Hij besefte, hoe belangrijk het is je bewust te zijn van de nabijheid van de Heer. Maar wat zei hij over hen? Laat het hun niet aangerekend worden! De Heer stond naast mij en gaf mij kracht 2Tim.4:16,17. Vergelijkbaar is het advies in onze gebedsrichtlijn: Verheug je! Laat jullie inschikkelijkheid bij alle mensen bekend worden: de Heer is nabij! Wees in niets bezorgd! Fil.4:5. Waar zouden wij ons nog zorgen over maken? De Heer Jezus had toch gezegd: Wees niet bezorgd over uw leven6, over wat u eten en wat u drinken zult; ook niet over uw lichaam, waarmee u zich kleden zult … 6 Grieks: psuchê: ziel. 38 Uw hemelse Vader weet immers dat u al deze dingen nodig hebt Matt.6:25,32 Op dezelfde manier hoeven wij ons geen zorgen te maken over onze redding, want deze is ons gegarandeerd met brief en zegel7 Ef.1:13. Met de ongelovigen zal God op Zijn tijd tot Zijn doel komen. Als het ons altijd aan het hart ligt om de Heer waardig te wandelen Kol.1:10, dan hoeven wij ons dus over niets meer zorgen te maken. Onze innerlijke geestelijke houding ten opzichte van God zou nu helemaal gekenmerkt worden, door het feit dat Hij alles bewerkt naar de raad van Zijn wil Ef.1:11. Wij zijn het eens met de manier, waarop Hij de gebeurtenissen laat verlopen. Hoewel het om ons heen onrustig kan zijn, dan zal toch deze vrede van God ons hart en onze gedachten verzekerd bewaren8 in Christus Jezus Fil.4:7. Wij kunnen nu onze bijdrage eraan leveren, dat deze vrede van God niet alleen bij ons blijft tijdens het gebed, maar ook meegaat in het dagelijks leven. Wij kunnen niet altijd onze knieën buigen. Maar wij kunnen wel altijd de innerlijke geestelijke houding aannemen en Hem voor alles danken wat Hij ons geeft. Maar ook voor wat Hij ons in bepaalde omstandigheden onthoudt. Want Hij weet het beste wat goed voor ons is. Wij zullen geen verzoek en geen smeekbede meer voor Hem brengen zonder met lofprijzing te beginnen en met dankzegging te eindigen. Wij mogen Hem danken, voordat Hij ons hoort. Hoe Hij 7 Brief und Siegel auf etwas geben: iemand iets op een briefje geven = iets beslist zeker weten (Van Dale). 8 De gedachte is: als in een vesting bewaren 39
Page 38
ons zal verhoren, laten wij aan Hem over. Alleen zo zal de vrede van God, die al ons verstand te boven gaat, ons hart en gedachten verzekerd bewaren in Christus Jezus. Daarom spoort Gods woord ons aan: … maar laat in alles jullie verzoeken door gebed en door smeekbede, met dankzegging, bekendgemaakt worden bij God Fil. 4:6. In overeenstemming met wat moet zijn Wat moet zijn Rom.8:26, wat het beste voor ons zou kunnen zijn, is voor ons verborgen. Net zoals onze nabije toekomst verborgen is, samen met alle kleine dingen, die ons dagelijks leven vormen; en dat is goed zo. Als wij bij al onze eigen situaties zouden weten hoe ze aflopen, zou ons dit afhouden van lofprijzing en gebed. Hoe vaak ontbreekt het ons aan de juiste woorden, aan juiste gevoeligheid voor een dringende nood. Wij willen toch dat Zijn wil gebeurt. Wij worden misschien voor beslissingen gesteld en weten niet wat wij moeten doen. De verhoudingen kunnen te ingewikkeld zijn en wij kunnen de gevolgen niet overzien. Wij zullen dan met onuitgesproken zuchten vragen, vooral als de situatie ons geen tijd laat om wat ons beweegt in woorden te vatten. Misschien roepen wij alleen maar: Abba, Vader! of iets dergelijks. Daarbij gaat ons hart uit naar God en blijven wij in harmonie met Zijn geest, Zijn wil en Zijn vrede. Hij alleen weet, wat heilzaam voor ons is, ook al is het een bittere pil en lijkt het ons verkeerd. Wij zijn geschapen om Hem steeds te kunnen prijzen, zonder onze dagelijkse verplichtingen te verwaarlozen. 40 Onze innerlijke houding van voortdurend in harmonie met Hem zijn, zorgt ervoor dat al ons werk in een sfeer van volledige afhankelijkheid van Hem wordt gedaan. Deze onuitgesproken houding van onze geest drukt zich uit in gebedsgedachten of woorden, zodra daar gelegenheid voor is. Wie is er niet met lofprijzing en gebed ontwaakt uit de slaap? En dat des te meer wanneer wij in vrede met God en de mensen waren ingeslapen! Voortdurend in harmonie met God zijn, betekent onophoudelijk bidden. Onze lippen vormen dan wel geen woorden, omdat zowel geest als handen zich op andere dingen moeten richten. Zodra een pauze intreedt, worden wij ons weer van bewust het voortdurende, harmonieuze contact met God. Wij hoeven niet naar woorden te zoeken om eerst deze verbinding te maken, maar deze wordt door lofprijzing en gebed heel spontaan bevestigd. Op die manier kunnen wij in de geest altijd deze houding hebben. Om zo in intieme gemeenschap met God te zijn, ongeacht wat wij op dat moment doen. Het beste fundament voor deze harmonie met de wil van God vormt de kennis van de grote verbanden in Zijn woord. Wat wij in eigen, individuele zaken zullen bidden, in overeenstemming met wat moet zijn, is niet in details bekend. Anders is het met de grote plannen van liefde van God voor het al. Hier kunnen wij leren om te bidden overeenkomstig wat moet zijn, wat Hij zich voorgenomen en beloofd heeft. Het zal ons steeds beter lukken Hem de woorden ‘van de lippen af te lezen’. Omdat wij Zijn diepste verlangen kennen, willen wij ook alleen vragen om datgene, wat aan dit verlangen voldoet. Wij mogen weten, 41
Page 40
hoezeer de uitvoering van Zijn liefdesplannen Hem na aan het hart ligt. En wij, wij kijken niet ongeïnteresseerd toe, omdat Hij alles toch wel zal voltooien. Het zou temeer ons hartsverlangen zijn, dat Hij volledig, in alles wat Hij doet, zal slagen overeenkomstig Zijn voornemen. Wij mogen Zijn instrumenten zijn, onverdiend, bij het uitvoeren van Zijn universele liefdesprogramma. En dit wordt voor ons steeds belangrijker, als was het ons eigen voornemen. Dit maakt, dat al Zijn wensen steeds meer de onze worden, alsof onze gebeden hun uiteindelijke oorsprong in Hem hebben. Datzelfde geldt voor de goede werken, die Hij voor ons gereed heeft gemaakt, opdat wij daarin zouden wandelen Ef.2:10. De waarheid planmatig maken De goede adviezen en wegwijzers, die wij in de heilige Schrift over gebed en lofprijzing vinden, lijken ons niet meer voor de geest te staan als wij deze juist nodig hebben. In moeilijke situaties lijkt ons geheugen soms vertroebeld te zijn, alsof bij ons het meeste weggevallen is van wat ons bij het lezen zo kostbaar en behulpzaam leek. Toen wij het lazen, was alles nog helder en duidelijk. Maar als mensen druk op ons uitoefenden, geloofsgenoten veel op ons in spraken? We werden als door een stormwind heen en weer bewogen, en wisten niet wat en wie wij moesten geloven. Deze twijfel kan met bijzondere kracht gelovigen treffen, die zich nooit eerder uitstrekten naar de mondigheid en volwassenheid. Zij zijn bij de grondbeginselen blijven staan. Zij menen vaak, dat zij al wolwassen in het geloof zijn. Of denk eens aan hen, die vasthouden aan de letter en 42 ruzie maken over letters. Voor hen is het Woord slechts een middel tot strijd. Deze zwalken heen en weer en zijn helaas maar al te vaak slachtoffer van dwaling, aangezien het hen aan kennis en volwassenheid ontbreekt. Om ons te beschermen tegen de vele soorten aanvallen van de tegenwerker, stelt God ons een wapenrusting ter beschikking om stand te kunnen houden tegen de strategieën van de tegenwerker. Veel gelovigen zien over het hoofd, dat onze worsteling niet met bloed en vlees is. En de strijd is: standhouden tegen de geestelijke machten van de boze te midden van de ophemelsen Ef.6:11-17. Wie hier niet met geestelijke wapens is toegerust wordt door iedere wind van leer als op woeste golven heen en weer geslingerd en verliest tenslotte alle oriëntatie. Laten wij toch alle daar opgenoemde delen aan doen, zodat wij op de boze dag kunnen weerstaan! Want de dagen zijn boos. De genade zij met allen die onze Heer Jezus Christus in onverderfelijkheid liefhebben. Amen! Ef.6:21 43
Page 44
46 47
Page 46
48


Het beeld van herder en kudde heeft al eeuwenlang gelovigen aangesproken. In beginsel is het een beeld dat op God en Israël slaat en niet op gelovigen die in Christus Jezus zijn. Waarom dan toch de “herderspsalmen” 23 en 100? Omdat veel van de kostbaarheden in Gods schatkamer voor Israël ook voor de natiën buiten Israël van grote waarde zijn. Want het zijn juist die schatten die Gods karakter en bovenal Zijn liefde weerspiegelen.

Twee herderlijke psalmen


Page 0
Page 4
INHOUDSOPGAVE Onderwerp Voorwoord ................................................................ Psalm 23 tekst ........................................................... Vertaling .............................................................. Structuur ................................................................... Jahweh is mijn herder ............................................... In groene oasen ......................................................... Hij laat mijn ziel bijkomen ....................................... Hij voert mij in sporen van gerechtigheid ................ Ja, waarlijk, ook al ga ik ........................................... U, u staat bij mij ....................................................... U schikt voor mijn aangezicht .................................. Tot slot – wat betekent Psalm 23 voor ons?.............. Psalm 100 tekst ......................................................... Een dank- en aanbiddingspsalm ............................... Structuur ................................................................... Psalm tot dankbetoon ............................................... Weet dat Jahweh, Hij, Hij is de Elohim! .................. Gaat in Zijn poorten in dankbetoon .......................... Want goed is Jahweh ................................................ blz 6 6-7 7-8 8 8-10 10 10-11 11-12 12-13 13-14 14-15 15-18 19 19-20 20 20-21 21-22 23-24 25 Tot slot – Psalm 100 en de brieven van Paulus ........ 25-26 5 TWEE HERDERLIJKE PSALMEN1 Psalm 23 en 100 Het beeld van herder en kudde heeft al eeuwenlang gelovigen aangesproken. In beginsel is het een beeld dat op God en Israël slaat en niet op gelovigen die in Christus Jezus zijn. Waarom dan toch de “herderspsalmen” 23 en 100? Omdat veel van de kostbaarheden in Gods schatkamer voor Israël ook voor de natiën buiten Israël van grote waarde zijn. Want het zijn juist die schatten die Gods karakter en bovenal Zijn liefde weerspiegelen. Zouden wij jaloers op Israël moeten zijn? Beslist niet, zoals mag blijken uit een vergelijking van de aardse schatten voor Israël met die van Paulus’ evangelie aan het slot van de toelichtingen. PSALM 23 1 Psalm van David. Jahweh is mijn herder, ik zal niet ontbreken. 2 In groene oasen doet Hij mij neerliggen; naar waterrijke rustplaatsen geleidt Hij mij. 3 Hij laat mijn ziel bijkomen. Hij voert mij in sporen van gerechtigheid ter wille van Zijn naam. 4 Ja, waarlijk, ook al ga ik in een ravijn met schaduwen van dood, kwaad vrees ik niet, want U, U bent bij mij; Uw knuppelstok en Uw staf - die vertroosten mij! 1 © Alfred E. Dekker, maart 2024, Rotterdam. Psalm 23 - januari 2006, herziening maart 2024; Psalm 100 – maart 2024. Alle aangehaalde Bijbelteksten zijn volgens de concordante vertaalmethode direct uit de grondtekst in het Nederlands overgezet. De in kleinere letters afgedrukte woorden, hoofdletters, lettertekens en versindeling staan niet in de Hebreeuwse grondtekst. In dit artikel zijn Jahweh en Elohim een weergave van het Hebreeuws. 6
Page 6
5 U schikt voor mijn aangezicht de tafel, in bijzijn van mijn benauwers. U heeft mijn hoofd vet gemaakt met olie; Mijn beker is een boordevolle. 6 Voorzeker, goedheid en goedgunstigheid zullen mij volgen, al de dagen van mijn leven, en in het huis van Jahweh zal ik wonen, tot in de lengte van mijn dagen. Psalm van David. De woorden van deze psalm zijn aan David toegeschreven. David wist waarover hij het had, toen Hij Jahweh zijn herder noemde. Hij hoedde immers van jongs af aan de schapen van zijn vader. Op zekere dag werd hij van de kudde weggeroepen, omdat in zijn ouderlijk huis de profeet Samuël op hem wachtte. Bij zijn aankomst zei God tegen Samuël “Deze is het!” en beval hem de jongen te zalven. Wat zal het stil geweest zijn op dat grootse, indrukwekkende moment! De jongste, het kind dat in familierechtelijk opzicht achteraan in de rij van Isaï's kinderen stond, is door God als koning over Israël aangewezen! Na de zalving daalde Gods geest op hem neer. De rest van zijn leven zou die heilige geest David tot profetische woorden en daden drijven (1 Samuël 16:1-13). Eén van de vele vruchten daarvan is deze kostbare, bijzondere psalm. Psalm 23 wordt wel de "herderspsalm" genoemd. Dat slaat op het beeld van de herder in de eerste vier verzen. Het valt op dat David in de verzen 4 en 5 Jahweh direct aanspreekt. Daar heeft hij het over gevaren en vijanden. Zijn boodschap is duidelijk: nood brengt een mens dichter bij God dan wanneer hem alles voor de wind gaat. In nood en gevaar leer je God pas goed kennen. In de overige zinnen richt David zich tot de hoorders (of lezers) van de psalm en bezingt Gods weldaden. Het beeld van herder en zijn schaapskudde hoort bij uitstek bij Israël thuis. Niettemin laat David in deze psalm ook ons, 7 gelovigen in Christus, op eenvoudige wijze zien hoe Jahweh in een mensenleven werkt. De psalm toont daarmee belangrijke aspecten van Gods karakter. Hij is de Enige Die alles in alle dimensies overziet. Hij weet wat wij nodig hebben en Hij geeft ons dat ook, precies op tijd. Hoe grillig ons leven in de ogen van anderen ook lijkt, er loopt altijd een scharlaken draad door ... en die voert regelrecht naar Hem! Wij denken zo vaak dat wij degenen zijn die allerlei zaken in beweging gebracht hebben. Híj is het echter Die ons leidt! Hij heeft met ieder mens een persoonlijk plan dat op onnaspeurlijke wijze bijdraagt aan de voltooiing van Zijn grote plan van de eonen: God alles in allen (1 Corinthiërs 15:28). STRUCTUUR Relatie Gezichtspunt Herder - schaap 1 Hij Weldaden 2 3 4 U Gevaren Heer - huisgenoot 5 Hij Weldaden 6 TOELICHTING 1 Jahweh is mijn herder, ik zal niet ontbreken. De vertaling "ik zal niet ontbreken" komt het meest overeen met context en betekenis van het Hebreeuwse werkwoord, in tegenstelling tot de traditionele vertaling “mij ontbreekt niets”. Want David wéét dat hij tot Jahweh’s kudde behoort. Hij zal daar niet ontbreken. En hij verwacht alle heil alleen van Hem. De verzen 1-4 van de psalm laten Jahweh als Herder van Israël zien. Hoewel er met geen woord over schapen gesproken 8
Page 8
wordt, kunnen we ons moeilijk voorstellen dat David zichzelf daarmee niet vergeleken zou hebben. David wist immers uit ervaring hoezeer het leven van schapen van de zorg van de herder afhing. Schapen zijn al sinds mensenheugenis als huisdier gehouden en zijn niet meer in staat om in de vrije natuur zelfstandig te overleven. Schapen missen het vermogen om zelfstandig naar water en voedsel te speuren. Zij kunnen zich evenmin tegen hun vele natuurlijke vijanden verdedigen. Een schaap dat door een val op zijn rug komt te liggen, wacht een zekere dood als het niet overeind geholpen wordt. Waarin schapen tekortschieten, daarin voorziet de herder. De herder is voor zijn schapen van levensbelang. Hoogstwaarschijnlijk had David bij deze psalm het Judese landschap voor ogen. Dat geeft in onze tijd een grotendeels bergachtige, dorre aanblik. Toch moet er in zijn dagen meer groen te zien zijn geweest dan nu, vooral in de regio van Bethlehem (letterlijk: "broodhuis") waar David is opgegroeid. David wist als herder hoe belangrijk zijn taak was om de schapen elke dag van voldoende water, voedsel en veiligheid te voorzien. De herder bepaalt wat goed voor de kudde is. Anders dan in de westerse wereld drijft de herder de schapen niet voor zich uit, maar gáát voor ze uit. Hij leidt ze met zijn stem (zie Johannes 10:3-4). Al roepend voert hij ze naar groene plaatsen, is voortdurend alert op gevaar, behoedt de schapen voor afdwalen en let constant op hun welzijn. Dat maakt het beeld van de herder die zich voor zijn schapen inzet des te sprekender en verhoogt de bijzondere schoonheid ervan. Het is een beeld dat laat zien wat Jahweh voor Israël betekent. Het laat een kant van God zien die ook voor ons, onbesnedenen, goed is te kennen. God laat in Zijn schepping niets aan stom toeval over! Na David is het beeld van God als herder nog vele malen in de Schrift toegepast, onder meer in Psalm 80, Jesaja 40:11 en Ezechiël 34. Het beeld en de profetieën worden in al hun glorie 9 onthuld als onze Heer Jezus verklaart: "Ik ben de uitstekende herder!" (Johannes 10:11). 2 In groene oasen doet Hij mij neerliggen; naar waterrijke rustplaatsen geleidt Hij mij. Op de middag moest de herder beschutting tegen de stekende zon voor zijn schapen vinden. Dan laat hij zijn kudde rusten op koele plaatsen met mals gras en fris water (zie Hooglied 1:7). David heeft ervaren hoe God in de hitte van het bestaan de zijnen toch van al het nodige voorziet. Alleen Hij weet wat een mens werkelijk nodig heeft en zal hem dat ook geven. Zei onze Heer Jezus niet herhaaldelijk niet bezorgd te zijn (Mattheüs 6)? En zei Zijn apostel Paulus niet hetzelfde: in niets bezorgd te zijn en God te danken bij onze gebeden en smeekbeden (Filippenzen 4:6)? Wij zijn immers in Christus onscheidbaar met Gods liefde verbonden (Romeinen 8). Wij zijn zelfs nu al gezegend met iedere geestelijke zegen te midden van de hemelingen (Efeziërs 1:3). 3a Hij laat mijn ziel bijkomen. Het is goed te weten dat de mens geen ziel heeft, maar ziel is. Dat leert ons Genesis 2:7 waarin letterlijk staat: "En Jahweh Elohim vormt de mens, stof vanuit de grond, en blaast in zijn neusgaten de adem van levenden en de mens wordt tot een levende ziel." De Schrift noemt dus wat God uit stof gevormd heeft “mens”, ook al is het nog geen levend mens. Pas wanneer God in die stoffelijke mens Zijn adem blaast, ontvangt die mens geest en leven. Het is juist die combinatie die de mens tot een levende ziel maakt! God biedt heel de mens gelegenheid om "bij te komen". In het Hebreeuws zegt David eigenlijk dat zijn ziel "terugkeert". Hier wordt geen terugkeer naar God bedoeld, maar een belangrijk effect van het volgen van God. Want de psalm heeft het niet over een weggelopen lid van de kudde, maar stilzwijgend over een in 10
Page 10
vol vertrouwen volgend schaap. God kent als geen ander de mens die Hij uit stof van de aardbodem gevormd en leven gegeven heeft. Daarom biedt Hij hem steeds de gelegenheid om op krachten te komen, zich te herstellen, weer bij zijn positieven te komen. Wie de waan van de dag van zich afschudt, gevoelens van angst en paniek domweg opzijzet en tot het besef komt waar het werkelijk op aankomt - dat is God geloven en op Hem vast vertrouwen - laat zijn ziel bijkomen. Dat stelt een mens in staat om zonder reserve Gods stem te volgen, met Hem door dik en dun, door voor- en tegenspoed te gaan. Dat opent ook zijn ogen voor al wat God voor hem reeds gereedgemaakt heeft. Maar zijn wij, die in Christus zijn, ook niet Zijn maaksel, in Christus Jezus geschapen, voor goede werken die God – niet wij!- al tevoren had gereedgemaakt, opdat wij daarin zullen wandelen (Efeziërs 2:10)? 3b Hij voert mij in sporen van gerechtigheid ter wille van Zijn naam. Bij "sporen" moet u zich uitgesleten, vaste paden voorstellen. Herders maken daarvan gebruik om met hun kudde van de ene weide naar de andere te trekken. Hier gaat het om "sporen van gerechtigheid", waarbij Gods leiding onmisbaar is. Voor David en Israël geldt Gods wet als het juiste spoor.2 David gaf in Psalm 15 een reeks praktische voorbeelden van wat wandelen in sporen van gerechtigheid inhoudt. Hij wist aan welke voorwaarden voldaan moest worden om zich op zo'n pad te weten. Daarlangs leidt Hij allen naar hun bestemming, naar het doel zoals Hij dat overeenkomstig Zijn plan bepaald heeft ... "ter wille van Zijn Naam". David had eens moeten meemaken hoe in later eeuwen uit zijn geslacht Degene zou voortkomen die aan Gods naam de hoogst denkbare eer zou toevoegen: Jezus, Jesjoea, "Jahweh redt"! 2 Lees Spreuken 2, waar het Hebreeuwse woord voor "spoor" voorkomt in de verzen 9 (NBG51: weg), 15 (NBG51: dwaalweg), 18 (NBG51: pad). 11 Paulus getuigde van de kramp waarin de onbuigzame wet de mens brengt die haar naar de letter probeert te vervullen: "Ik, ellendig mens! Wie zal mij bergen uit het lichaam van deze dood? Genade! Ik dank God door Jezus Christus, onze Heer!" (lees Romeinen 7:18-25). Ook al was Paulus onberispelijk volgens de gerechtigheid die in de wet vastgelegd was (Filippenzen 3:6), besefte hij nu dat het slechts een vleesgebonden gerechtigheid was. Geheel anders is het met de verzoening gesteld. Het is de verzoening, door de Heer Jezus Christus tussen God en mensheid tot stand gebracht, die ons vrije toegang tot de Vader geeft (Romeinen 5:9-11; Efeziërs 2:18). Hieruit blijkt hoe overstelpend groot Gods liefde en genade is. Komen wij geen woorden tekort om Hem daarvoor te danken en te loven? Precies zoals de Herder en de Heer in de beeldspraak van deze psalm steeds ongevraagd het voortouw nemen, zo heeft God ongevraagd en in de allerhoogste, belangeloze liefde voor allen gerechtigheid en verzoening bewerkt. God neemt in ieders leven op beslissende momenten het initiatief. Daarom ook houdt geloof in: blindelings op Gods leiding blijven vertrouwen! 4a Ja, waarlijk, ook al ga ik in een ravijn met schaduwen van dood … Het Judese berglandschap is doorsneden van wadi's. Hoogstwaarschijnlijk heeft David hier de woestijn van Judea, ten zuiden van Jeruzalem, op het oog. Op internet zijn vele foto’s van wadi’s te vinden. Dat zijn droge rivierbeddingen waardoorheen pas na regenval waterstromen hun weg banen. In het droge seizoen worden ze vaak als weg gebruikt. Een wadi kan zich echter opeens verengen van een ruime, zonnige vallei tot een nauw en donker ravijn. In de zwarte schaduwen van de rotsen en spelonken kan zich allerlei gespuis schuilhouden, loerend op een prooi. In de duisternis van zo'n ravijn kan mens en dier een genadeloze dood wachten. Máár: hoe diep het ravijn ook moge zijn, daarboven is altijd een stukje hemel zichtbaar! Het is niet de 12
Page 12
spreekwoordelijke tunnel, waarin je van alle kanten van God afgesneden bent en maar moet hopen aan het einde ervan licht te zien. Het is vreselijk om ingeklemd tussen steile wanden door een onheilspellende duisternis te moeten strompelen. Het is een beeld dat iedereen zal herkennen die in diepe nood heeft gezeten. Gelovigen hebben, vooral in deze tijd, geen garantie op een probleemloos leven. Paulus heeft dat aan den lijve ondervonden. Ook in Davids dagen kon een rechtvaardige Jood van een zonnig leven in een donkere en benarde situatie terechtkomen. Want in Psalm 34:19 zegt David: "Vele kwade dingen3 cent en meer in vervulling gaan nadat onze Heer Jezus Christus tot op het kruis alles volbracht had, uit de doden opgestaan was en plaats genomen had in heerlijkheid, aan Vaders rechterzijde. 4b … kwaad vrees ik niet, want U, U staat bij mij; Uw knuppelstok en Uw staf - die vertroosten mij. De herder kent de gevaren van duistere ravijnen. Hij heeft twee vaste attributen bij zich: een dikke stok, vaak voorzien van een zware, met metaal beslagen kop, en een staf. Met zijn dikke stok, een knuppel, verplettert hij de kop van giftige slangen en slaat de aanvallen van rovers en roofdieren af. De stok is tevens symbool van corrigerend gezag en van heerschappij.4 De schapen hebben bij duistere ellende één vast baken: hun herder die vooroploopt! Hij gaat hen voor, zij horen zijn stem en volgen hem. Dat is het kenmerkend gedrag van een herder. Voordat het kwaad hen kan bereiken, heeft de herder er met zijn knuppel al 3 Er staat in het Hebreeuws “kwaden”. 4 Voorbeelden: Job 21:9 (NBG51: roede); Psalm 2:9 (NBG51: knots); Psalm 125:3 (NBG51: scepter); Spreuken 22:15 (NBG51: tuchtroede); Jesaja 10:5 (NBG51: stok) en 11:4 (NBG51: roede). 13 overkomen een rechtvaardige". Daaraan voegt hij toe welke garantie God wel geeft: "uit alle zal Jahweh hem bergen". Dit zou pas voor honderd promee afgerekend. Voordat zij in blinde paniek een verkeerde richting kunnen inslaan, voelen ze al de aanraking van zijn staf. Een staf dient de herder tot steun, fungeert als het ware als een derde arm en is daarmee een zeer persoonsgebonden attribuut.5 Een schaap dat de staf voelt, voelt de herder zelf. Met Zijn knuppelstok en Zijn staf, symbolen van Zijn opperheerschappij en Zijn persoonlijke aandacht, leidt Jahweh, als een herder, Zijn schapen uit duisternis en dood naar licht en leven. 5 U schikt voor mijn aangezicht de tafel, in bijzijn van mijn benauwers. U heeft mijn hoofd vet gemaakt met olie; Mijn beker is een boordevolle. David verlaat hier het beeld van herder en kudde. De nauwe, persoonlijke relatie tussen hem de Jahweh wordt nu in een ander beeld voortgezet: dat van huisgenoot van Jahweh. Een betere positie kan hij zich niet wensen. En hoe hartelijk was de ontvangst! Toen hij arriveerde, had Jahweh zijn haren met welriekende olie ingevet – beeld van heilige geest - en hem een overvolle beker aangereikt – teken van verwelkoming en van alles waarin de gastheer zijn gast wil laten delen. Zo verzekerde een gastheer in het Oosten zijn gast ervan dat het hem aan niets zou ontbreken. En dat alles voor de ogen van zijn lijdelijk toeziende tegenstanders! David, als "man van oorlogen" (1 Kronieken 28:3 - NBG51: krijgsman), heeft vele vijanden gehad. Maar net zoals de schapen in de levensgevaarlijke wadi onder de bescherming staan van de ideale herder, Jahweh, zo staat hij nu als gast onder de bescherming van zijn oppermachtige Heer, Jahweh. Ook in deze hoedanigheid zal hij niets meer behoeven te ontberen. Dat herinnert ons direct aan Psalm 118:6 – “Jahweh is met mij, ik zal 5 Voorbeelden: 2 Koningen 4:29-31; 2 Koningen 18:21; Exodus 21:19 (NBG51: stok) en Zacharia 8:4 (NBG51: stok). 14
Page 14
niet vrezen: wat kan een mens met mij doen?” (zie ook Hebreeën 13:6). 6 Voorzeker, goedheid en goedgunstigheid zullen mij volgen, al de dagen van mijn leven, en in het huis van Jahweh zal ik wonen, tot in de lengte van mijn dagen. Hij zal in het huis van Jahweh verblijven, huisgenoot van Jahweh zijn, niet voor bepaalde tijd, maar voor altijd. David zag dat huis, door Gods geest, als realiteit. David was immers een man van geloof (Hebreeën 11:32). Waar ter wereld zou hij meer geborgenheid, goedheid en goedgunstigheid kunnen genieten? David verlangde vurig voor Jahweh zo'n huis te verwerkelijken. Dat blijkt wel uit de omvangrijke en kostbare voorbereidingen die hij getroffen had, tot aan de bouwplannen toe. Hij mocht ze echter van Jahweh niet uitvoeren, omdat hij vooral een man van oorlogen was en bloed vergoten had. Zijn verlangen naar Jahweh's huis klinkt niet alleen duidelijk in zijn psalmen door, maar ook in zijn toespraak tot Israëls vorsten, waarbij hij de tempelbouw aan zijn zoon Salomo opdroeg (1 Kronieken 28). Daarin typeerde David de Tempel als "huis van rust" voor de ark en in gelijke zin als Gods "voetbank". Maar als profeet mocht hij het huis van Jahweh reeds als gerealiseerd voor zich zien! TOT SLOT Wat betekent Psalm 23 voor ons? Op een paar werkwoorden na staan ze alle in een tijdsvorm, die zowel op het heden als op de toekomst betrekking kan hebben. Dat betekent dat David hier niet alleen zijn ervaringen weergeeft, maar ook toekomstige feiten profeteert. Voor hem zal de psalm wederom en ten volle waarheid worden in het aan Israël 15 beloofde Koninkrijk dat zal aanbreken wanneer onze Heer Jezus Christus eenmaal Zijn voeten op de Olijfberg heeft gezet. Toch is het beeld van de herder Die Zijn kudde leidt, door de Vaderlijke liefde die daaruit spreekt, ook ons, onbesneden heidenen, niet vreemd. Wij weten immers dat onze Heer de uitstekende herder is Die daadwerkelijk Zijn leven voor Zijn schapen ingezet heeft. Hij was gehoorzaam tot de dood, de dood van het kruis (Filippenzen 2:8). Zonder Zijn gehoorzaamheid, Zijn dood, Zijn opstanding, Zijn verheerlijking en Zijn roepstem, door de apostel Paulus aan besnedenen en onbesnedenen verkondigd, zouden wij Hem nu niet als ons Hoofd gekend hebben. In Hem hebben ook wij beloften. Uit de veelheid daarvan heb ik slechts een kleine greep gedaan en ze naast de woorden van Psalm 23 gezet. Welke woorden vindt u het schitterendst? Psalm 23 Jahweh is mijn herder, ik zal niet ontbreken. In groene oasen doet Hij mij neerliggen; naar waterrijke rustplaatsen geleidt Hij mij. Hij laat mijn ziel bijkomen. Hij voert mij in sporen van gerechtigheid Brieven van Paulus Mijn God nu zal iedere behoefte van jullie vervullen in overeenstemming met Zijn rijkdom, in heerlijkheid, in Christus Jezus (Filippenzen 4:19). In alles ben ik sterk in Hem Die mij kracht geeft: 6Christus! (Filippenzen 4:13) Zoveel te meer dan, zullen wij, nu gerechtvaardigd in Zijn bloed, gered worden vanvanaf de verontwaardiging! Want indien wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend waren door de dood van Zijn Zoon, zoveel te meer zullen wij, verzoend zijnde, gered worden in Zijn leven! Niet alleen zó echter, maar ook roemen wij in God door onze 6 'Christus' ingevoegd op basis van de tekst volgens de tweede corrector van de codex Sinaïticus. 16
Page 16
Heer Jezus Christus door Wie nu de verzoening verkregen. (Romeinen 5:9-11). ter wille van Zijn naam. Daarom ook verhoogt God Hem uitermate schenkt Hem in genade de naam die is boven alle naam, opdat in de naam van Jezus zich alle knie buigt van de hemelingen en van hen die op aarde en van hen die onder de aarde zijn en alle tong van harte belijdt: "Heer is Jezus Christus!", tot verheerlijking van God, de Vader (Filippenzen 2:9-11). Ja, waarlijk, ook al ga ik in een ravijn met schaduwen van dood, kwaad vrees ik niet, want U, U bent bij mij; Uw knuppelstok en uw staf - die vertroosten mij! U schikt voor mijn aangezicht de tafel in bijzijn van mijn benauwers. U heeft mijn hoofd vet gemaakt met olie; Mijn beker is een boordevolle/. Voorzeker, goedheid en goedgunstigheid zullen mij volgen, tot in de dagen van mijn leven, Máár: in dit alles meer dan overwinnenden door Hem Die ons liefheeft! Want ik ben ervan overtuigd dat noch dood, noch leven, noch boodschappers, noch soevereiniteiten, noch heden, noch toekomst, noch krachten, noch hoogte, noch diepte, noch enig andere schepping ons zal kunnen scheiden van de liefde van God die is in Christus Jezus, onze Heer! (Romeinen 8:37-39). Dus dan zijn jullie niet langer gasten en tijdelijk verblijvenden, maar jullie zijn medeburgers van de heiligen en gezinsleden van God (Efeziërs 2:19). Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons zegent met iedere geestelijke zegen te midden van de hemelingen, in Christus, zoals Hij ons uitkiest in Hem vóór de nederwerping van de wereld, opdat wij heiligen en smettelozen voor Zijn aangezicht zijn, in liefde ons tevoren bestemmend tot het zoonschap door Christus Jezus voor Zichzelf, in overeenstemming met het welbehagen van Zijn wil, tot lofprijs van de heerlijkheid van Zijn genade, die ons begenadigt in de Geliefde (Efeziërs 2:3-6). en in het huis van Jahweh zal ik wonen, tot in de lengte van mijn dagen. Want de Heer zelf zal, met een bevel, met de stem van de vorst van de boodschappers en met de bazuin van God, afdalen van de hemel en de doden in Christus zullen eerst opstaan. Vervolgens zullen wíj, de levenden, de overblijvenden, gelijktijdig tezamen met hen weggerukt worden in wolken, tot 17 de ontmoeting van de Heer in de lucht. En zo zullen wij altijd tezamen met de Heer zijn. (1 Thessalonicenzen 4:16-17). 18
Page 18
PSALM 100 1 Psalm tot dankbetoon. Roept het uit tot Jahweh, geheel de aarde! 2 Dient Jahweh in vreugde! Komt voor Zijn aangezicht in jubelliederen! 3 Weet dat Jahweh, Hij, Hij is Elohim! Hij, Hij is het Die ons gemaakt heeft en niet wij - Zijn volk en Zijn kleinveekudde van Zijn weide. 4 Gaat in Zijn poorten in dankbetoon, Zijn hoven in lofzang! Prijst Hem! Zegent Zijn Naam! 5 Want goed is Jahweh, tot in de eon is Zijn goedgunstigheid en van generatie tot generatie Zijn getrouwheid. Een dank- en aanbiddingspsalm Psalm 100 maakt deel uit van de groep van de Psalmen 90106, waarvan de dichter onbekend is evenals de tijd van ontstaan, maar die aan het boek Numeri gerelateerd is. De Joden noemen Numeri “In de woestijn” (b’midbar) en dat geeft beter aan waarover dat Bijbelboek gaat: Israël is onder aanvoering van Mozes uit Egypte getrokken, waarna het zich onderscheidt als Gods volk te midden van de volken. Het volk Israël onderscheidt zich scherp van de andere volken omdat het slechts één God kent als Jahweh en Elohim – respectievelijk Zijn Naam en titel – en uitsluitend Hem aanbidt. Psalm 100 getuigt daarvan door een reeks krachtige oproepen en karakteriseringen van hun Enige God. Die zijn echter niet alleen aan het eigen volk, maar aan geheel de aarde gericht. De Psalmen 93-100 hebben het feitelijk over de Messias die over de aarde zal regeren. In Psalm 100:3 wordt Hij gepresenteerd als de Herder die Zijn kudde zal weiden. Jahweh is als herder 19 voorgesteld ook in de Psalmen 23, 74:1, 79:13, 80:1, in Jesaja 40:11 en Ezechiël. 34:12. In eerdere Bijbelstudies is aangetoond welke unieke relatie bestaat tussen Jahweh en onze Heer Jezus Christus. Ik volsta hier kortheidshalve met te verwijzen naar Filippenzen 2:5-11. Opvallend is hoeveel werkwoorden in de verzen 1-4 van deze psalm in de gebiedende wijs meervoud staan: roept het uit, dient Jahweh, komt voor Zijn aangezicht, weet dat Jahweh Elohim is, gaat in Zijn poorten, prijst Hem, zegent Zijn Naam. In vers 5 wordt Jahweh’s goedheid, goedgunstigheid en geloofwaardigheid. geprezen. Zo persoonlijk als Davids getuigenis in Psalm 23 is, zo mondiaal is het perspectief dat Psalm 100 ons toont. STRUCTUUR Oproep tot aanbidding Wie Jahweh is Oproep tot aanbidding Wie Jahweh is TOELICHTING 1-2 Psalm tot dankbetoon. Het is de enige psalm die met mizmor l’todáh, “psalm tot dankbetoon” begint. Naar de betekenis wordt veel gegist, maar niemand weet het zeker. Zeker is wel dat het danken betrekking heeft op wat volgt, namelijk dankbaar zijn voor Wie Jahweh is en zal doen. Roept het uit tot Jahweh, geheel de aarde! 20 1-2 3 4 5
Page 20
Dient Jahweh in vreugde! De psalm heeft onmiskenbaar een profetisch gehalte zoals wij vooral in vers 4 zullen zien. Gelet op het verband met Psalm 98 zou het om het toekomstige Koninkrijk kunnen gaan, temeer daar de gehele aarde opgeroepen wordt zich tot Jahweh te richten, Hem te dienen en voor Zijn aangezicht feestliederen ten gehore te brengen. Komt voor Zijn aangezicht in jubelliederen! “Voor Zijn aangezicht” kan iedere plaats op aarde zijn, maar in het bijzonder Gods huis, de Tempel. 3 Weet dat Jahweh, Hij, Hij is Elohim! “Weet” houdt in deze context meer in dan iets louter cognitiefs. Het gaat om een weten dat erkenning en besef inhoudt van Wie Hij als Jahweh is en wat Hij als Elohim doet. Als Elohim zet Hij alles op die plaats die in Zijn voornemen van de eonen past. In de Septuaginta is theos (ons woord voor “God”) de vertaling van Elohim met dezelfde betekenis. Jahweh is de naam die in nauw verband staat met de tijd van de vijf eonen. Volgens de Hebreeuwse Schrift biedt alleen Jahweh uitkomst. Voor Zijn volk bestaat geen andere naam die voor hulp kan én mag worden aangeroepen. Hierin kwam geen verandering, toen het Woord vlees werd om Zich als Redder te openbaren. Jezus' naam betekent immers “Jahweh-Redder”. De apostel Paulus wist als geleerde Jood exact wat hij, als de mond van de Kurios, de in heerlijkheid wonende Heer Christus Jezus, schreef toen hij het had over Hem in de “vorm van God”. (Filippenzen 2:5-8). De Joden hebben dat van onze Heer noch geweten, noch willen weten, toen zij Hem door de Romeinen lieten kruisigen. De profeet Zacharia die het woord van Jahweh uitsprak, voorzegde niet voor niets dat zij intens verdriet en leed zullen hebben als “zij Mij aanschouwen Die zij hebben doorstoken” (Zacharia 12:10; zie ook Openbaring 1:7). 21 Hij, Hij is het Die ons gemaakt heeft en niet wij - Zijn volk en Zijn kleinveekudde (Strongnr. 06629) van Zijn weide (Strongnr. 04830). Het is ontegenzeggelijk Gods werk waardoor het volk Israël tot Zijn volk gemaakt en uit alle volken afgezonderd is. Het volk heeft op aarde de hoofdrol bij de uitvoering van Zijn voornemen van de eonen (Efeziërs 3:11). Dat voornemen omvat overigens niet alleen Zijn plan met de gehele aarde, maar ook de hemelse bestemming van de uitgeroepen gemeente die het lichaam van Christus is. Over dat laatste aspect gaan de brieven van Paulus die door Christus Jezus speciaal daartoe geroepen is. De kudde is het beeld van Israël dat door Jahweh Elohim geleid wordt in de weide die Hij voor hen bestemd heeft. In de context wordt het betreffende woord tzon vaak genoemd naast het woord voor runderen. Het moet dus om een bepaalde categorie vee gaan. Dat blijkt duidelijk uit onder mee Leviticus 1:10 waar het gespecificeerd als schapen plus geiten. Bedoeld is dan ook een “kleinveekudde”. De kudde bevindt zich op Jahweh’s weide. Het betreffende Hebreeuwse woord, mar’iet, is afgeleid van de stam ra’ah. Die stam heeft onder meer in deze context heeft alles te maken met beweiden, grazen, hoeden. Daarvan afgeleid is ook het zelfstandig naamwoord voor “herder” dat in Psalm 23:1 voorkomt. Hier betreft het de plaats waar gegraasd wordt en de herder zijn taak vervult: de weide. 22
Page 22
4 Gaat in Zijn poorten in dankbetoon, Zijn hoven in lofzang! Prijst (Strongnr. 03034) Hem! Zegent Zijn Naam! Ook deze oproepen gelden, gelet op vers 1, de gehele aarde en niet alleen aan Israël. Voor de gehele aarde staan de poorten open. Alle heidenen hebben echter uitsluitend toegang tot de aan hen toegewezen (voor)hof, de “voorhof van de heidenen”, en de Joden tot de hoven waar het volk Israël en de priesters hun plichten mogen vervullen. Maar ongeacht wie in welke van de hoven staan - állen kunnen daar God loven, prijzen en Zijn Naam zegenen. “Prijst” is een werkwoord dat van de ca. 120 vindplaatsen ca. 70 maal in de Psalmen voorkomt. De stam, iadáh, drukt een “werpen”, iets uitbundigs uit. Blijkens de context gaat het om het eruit gooien van emoties van blijdschap, dankbaarheid, liefde, alles samengebald in het vertaalwoord “prijzen”. De Septuaginta heeft hiervoor het werkwoord exomologeô gebruikt. Dit Griekse woord, Strongnr. 1843, komen wij ook in de brieven van Paulus tegen: Romeinen 14:11 en 15:9, Filippenzen 2:11. Het behelst daar specifiek een huldigen, een belijden en erkennen als een vorm van lofprijzing. Zoals eerder opgemerkt, is deze psalm profetisch. De woorden van dit vers roepen het beeld op van Gods tempel. Maar welke Tempel? De tabernakel kende geen hoven waar ook heidenen mochten komen, maar was een huis van God te midden van het door Hem gevormde volk Israël. Het gaat ook niet om het Jeruzalem dat in de vijfde, laatste eon, zal zijn, omdat daarin geen tempel voorkomt. De tempel die Salomo bouwde, beantwoordt evenmin aan het mondiale perspectief van deze psalm. Maar wanneer wij de boodschap van de verzen 1 en 4 in aanmerking nemen en vooral in vers 5 de zinsnede “tot in de eon”, kan het niet anders gaan dan om de Tempel in de vierde eon, de eon van het duizendjarig Koninkrijk. 23 De profeet Ezechiël, een tijdgenoot van Jeremia, verbleef met vele volksgenoten in Babylonische ballingschap toen hij onder meer het gedetailleerde visioen over de Tempel ontving. Wat men dan zou verwachten, namelijk de bouw ervan bij terugkeer in het beloofde land, gebeurde niet en dat zou later, tot heden toe, ook niet gebeuren. De tempel die Herodes bouwde, komt niet in aanmerking als de tempel waarop Psalm 100 betrekking zou kunnen hebben. De tempel van Herodes was immers het initiatief van een vorst die allesbehalve paste in de rijen van Israëls gezalfde koningen. Bovendien had niet God daar Annas en later Kajafas als hogepriester aangesteld, maar waren zij door de Romeinse overheerser benoemd. Het is zelfs de vraag of zij ooit als zodanig gezalfd zijn. Herodes’ tempel was schitterend vanbuiten maar hol vanbinnen: zonder de ark van het verbond en verlaten van de heerlijkheid van Jahweh (Ezechiël 10). Die tempel is daarna dan ook het toneel worden van taferelen die voor God een gruwel zijn en bovendien het voorspel vormen van wat tot het fenomeen “antichrist” zal leiden. Kortom, de plaats van deze tempel is in de loop van meer dan 2000 jaar dermate ontheiligd dat zij voor de heiligheid en heerlijkheid van Jahweh absoluut en voorgoed ongeschikt is geworden. Daaraan zal geen rode vaars meer iets kunnen veranderen. God heeft echter bij monde van Zijn profeten anders beschikt. Aan Ezechiëls visioen refereerde vele eeuwen later Johannes op Patmos in het boek “Openbaring van Jezus Christus” toen hij opdracht kreeg de tempel van God te meten, behalve de hof die aan de natiën gegeven was (Openbaring 11:1-2). Als maatstaf kreeg hij een “riet gelijke een staf”. Dat is opmerkelijk, temeer daar wij in Psalm 23:4b lezen dat een staf, vertaald als knuppelstok, een vast attribuut van een herder is. 24
Page 24
5 Want goed is Jahweh, tot in de eon is Zijn goedgunstigheid en van generatie tot generatie Zijn getrouwheid (Strongnr. 0530). Dit zijn frasen die verwijzen naar de toekomst en in het bijzonder naar de vierde eon, namelijk die van het Koninkrijk waarin onze Heer als de Gezalfde koning, hogepriester en profeet zal optreden. “Getrouwheid” is de vertaling van êmoenáh, dat de stamletters amn bevat. Die stam kennen wij ook in “amen”. Die stam drukt zekerheid, steun uit. In dit woord klinkt dat in velerlei context door en is daarom vertaald met “getrouwheid”. In de Septuaginta is het wat vrijer vertaald met “waarheid”, alêtheia. “Getrouwheid” is een van de kenmerken van Jahweh die de psalmist noemt naast Zijn goedheid (Strongnr. 02896) en goedgunstigheid (Strongnr. 02617). Deze woorden vormen een hecht paar dat vooral in de Psalmen vaak voorkomt, zoals in Psalm 23:6. TOT SLOT Laten wij Psalm 100 eens vergelijken met een paar grepen uit de schatkamer van Paulus’ brieven: Psalm 100 Roept het uit tot Jahweh, geheel de aarde! Dient Jahweh in vreugde! Komt voor Zijn aangezicht in jubelliederen Brieven van Paulus Daarom ook heeft God hem uitermate verhoogd en Hem in genade de naam boven alle naam geschonken, opdat in de naam van Jezus zich alle knie buigt van de hemelingen en van hen die op aarde en van hen die onder de aarde zijn, en alle tong van harte belijdt: “Heer is Jezus Christus” tot verheerlijking van God, de Vader. (Filippenzen 2:11) 25 Weet dat Jahweh, Hij, Hij is Elohim! Hij, Hij is het Die ons gemaakt heeft en niet wij - Zijn volk en Zijn kleinveekudde van Zijn weide. Gaat in Zijn poorten in dankbetoon, Zijn hoven in lofzang! Prijst Hem! Zegent Zijn Naam! Want goed is Jahweh, tot in de eon is Zijn goedgunstigheid en van generatie tot generatie Zijn getrouwheid. Want Zin maaksel zijn wij, die geschapen worden in Christus Jezus voor goede werken, die God van tevoren heeft gereedgemaakt, opdat wij daarin zullen wandelen (Efeziërs 2:10) Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons zegent met iedere geestelijke zegen te midden van de hemelingen, in Christus (Efeziërs 1:3). Hem zij de heerlijkheid in de uitgeroepen gemeente en in Christus Jezus in alle generaties van de eon der eonen! Amen! (Efeziërs 3:21). ‘t Is Liefde die genade geeft, om niet, in overmaat, ’t Is Liefde die wie daaruit leeft, verheft tot hoogste staat. ’t Is Liefde Die ons hart bewerkt door Christus, onze Heer. Zijn liefde is ’t die ons versterkt te leven tot Zijn eer. ’t Is Liefde Die ons pad verlicht, wijst waar wij moeten gaan. ’t Is Christus voor Wiens aangezicht wij stralend zullen staan.7 7 Rotterdam, 24 maart 2013. 26
Page 26
Hoe gaat God met de natiën om? Waarom zijn er eigenlijk natiën? Israël is Gods volk, en Hij heeft een heel speciaal plan met hen. Zij zullen de natiën leiden op aarde, als hun Messias er is. Maar in deze tijd lijkt de chaos alleen maar toe te nemen. Waar zal dat toe leiden? In deze uitgave leest u de overwegingen uit Gods woord, die antwoorden geven. U zult als serieus bijbellezer daarover verbaasd staan!

God en de natiën


Page 0
Page 4
INHOUDSOPGAVE Blz. Inleiding – wat is een natie? ............................... 7-8 Volkeren of natiën .............................................. 8-9 Een nieuw begin ................................................. 9-11 Na de dagen van Salomo .................................... 11 Natie tegen natie ................................................. 11-14 Nationaal of individueel? ..................................... 14-16 Verzoening – nationaal, individueel ................... 16-21 Redding – nationaal, individueel ........................ 21-24 De olijfboom ....................................................... 24-25 Bomen in de Schrift ............................................ 25-26 Vrede van God met de mensen ........................... 26-27 Gerechtigheid en ongerechtigheid ...................... 27-28 De takken van de olijfboom ................................ 28-31 Waarom zijn er natiën? ....................................... 31-32 De mens kan niet regeren zonder God ................ 32-33 Menselijk falen is nodig in Gods plan ................. 35-38 Gods handelen met natiën en individuen ............ 38-40 Menselijk regeren begint ...................................... 40-46 De regering van God ........................................... 46-52 Het regeren van God door richters ...................... 52-58 Israël onder de wet .............................................. 58-65 Kwijtschelding van zonden ................................. 65-69 De genade van God ............................................. 69-71 De ware basis van vrede ..................................... 72-78 De era’s van de natiën .......................................... 78-81 Politieke voorrangspositie .................................. 81-85 Religie – de wortel van politiek falen ................. 85-86 Religieuze ontmoetingen ...................................... 86-87 5 Israëls verwerping ............................................... 87-88 De zonen van Eli en Samuël ............................... 88-89 De koningen van Israël ....................................... 89 De aanwezigheid van Christus ............................ 89-92 De Joodse wereldregering ................................... 93-97 Het hoogtepunt van Israëls afvalligheid .............. 97-103 Meer uitgaven van stichting Da-ath .................... 104-110 6
Page 6
God en de natiën Wat is een natie? Inleiding Deze vraag is niet onterecht, want sommigen zien dit niet zo duidelijk. Wie het trefwoord natie opzoekt in een erkend woordenboek, vindt: “alle mensen, die oorsprong, taal, zeden, et cetera, gemeen hebben” (Van Dale). De encyclopedie stelt, dat dit een bewuste, gewilde politieke gemeenschap is. Die wordt meestal door een meerderheid van een volk met dezelfde taal gedragen. Maar zij kan ook groepen en rassen van vreemde afkomst en andere talen opnemen. Voorwaarde is, dat die min of meer vrijwillig trouw aan haar betuigen. Elders lezen we, dat het gaat om een gemeenschap van mensen van dezelfde afkomst en dezelfde taal. In dit geval zouden de Verenigde Staten van Amerika beslist geen natie zijn. Zwitserland zou dat evenmin zijn. Het is niet helder. Binnen de Schrift is de betekenis wel duidelijk. Hoewel figuurlijk gebruik problemen oplevert. Het Konkordantes Neues Testament 1 vermijdt heidenvolk(en), en vertaalt consequent Nation [natie] of Nationen [natiën]. Hoewel Heiden/Heidenvölker in het Duits vaak gebruikt worden. Maar is Israël dan een volk van heidenen? Als heidenen en natiën hetzelfde zijn, dan is Israël een heidens volk, en zijn alle andere volkeren dat ook. Natuurlijk zijn wij geen heidenen zoals de kerk dat woord gebruikt, maar een natie. 1 Afkorting: KNT, uitgave Konkordanter Verlag, Birkenfeld, BRD. 7 Wanneer wij deze woorden door elkaar halen, kunnen wij het woord van God niet goed begrijpen. Hier duiken problemen op. Wij wilden mensen van een natie ‘nationalen’ noemen. Dat is verwarrend. Laat hij dan voor u als een ‘nationale’ … zijn Mat.18:17 zou dan inhouden, dat zo iemand als lid van de natie Israël behandeld moet worden. Waarom? Omdat natie in het enkelvoud, op zich, betrekking heeft op Gods uitgekozen volk. Israël is niet een heilig ‘nationale’, het is onverstandig het zo te noemen, én taalkundig incorrect. Dan zou dit woord zowel letterlijk als figuurlijk niet uniform vertaald kunnen worden. In de stijlfiguur weglating2 worden sommigen uit of gelovigen uit de natiën kortweg: natiën genoemd. De context laat zien wat bedoeld wordt. In de praktijk kun je deze stijlfiguur met betrekking tot alle natiën nauwelijks toepassen. Daarom is de uitdrukking in de Griekse Schrift (NT) altijd letterlijk. Het betekent niet alleen heel de mensheid of alle volkeren. Het wijst ook naar alle politieke entiteiten naast Israël, waar de tekst dit vereist3. Volkeren of natiën Eerst stellen we vast, dat natiën niet bestonden vóór de grote vloed. Toen leefden daar mensen van dezelfde afkomst met dezelfde taal, die overal verstaan werd. Ze 2 Ellips: weglating van een of meer woorden in een zin die door lezer er makkelijk bij bedacht kunnen worden, vaak als retorische figuur. 3 Zie onder meer: Matt.10:18; 24:9,14; 25:32; 28:19; Mark.13:10; Luk.21:24; 24:47; Hand.14:16; 15:17; 17:26; Rom.1:5;15:11; Gal.3:8; Op.7:9; 14:8; 18:3. 8
Page 8
hadden ongeveer dezelfde zeden, gewoontes en gebruiken. En ze woonden in vrijwel dezelfde landstreek. Over het algemeen gelden deze factoren als definitie voor natie. Maar dat is niet helemaal correct. Waarom niet? Omdat dergelijke omstandigheden aanwezig kunnen zijn, zonder dat een natie bestaat. Vóór de grote vloed waren er geen natiën, omdat regering ontbrak. Willen wij Gods woord goed begrijpen, dan moeten wij hier echt rekening mee houden. Voor een natie is politieke eenheid nodig. Wanneer zien we natiën? Na de spraakverwarring -door God veroorzaakt- bij Babel. Toen bleek de mensheid niet langer de eenheid te zijn die ze was. De volken van die tijd werden over het aardoppervlak verspreid Gen.11:8. Dat is het ontstaan van natiën. Zij begonnen als taalkundige eenheid Gen.11:1, maar vervolgens lezen we van diverse natiën met verschillende talen Gen.11:9. En van koningen, die over volkeren regeren. Het zijn dan politieke eenheden onder gemeenschappelijk bestuur. Als wij bij Abram komen, is het belangrijk, dat wij in verband met hem twee lijnen onderscheiden. In Genesis 15, waar van rechtvaardiging sprake is, kijkt hij naar de sterren. Hij leert dat hij door geloof gerechtvaardigd wordt. Hier wordt niet over natiën gesproken. Daar klinkt nog niet, dat hij de vader van een menigte natiën zal worden Gen.17:4. Een nieuw begin Aan Abram is niet alleen een talrijk nageslacht beloofd. En hem is niet alleen rechtvaardiging door geloof aangezegd. Maar wij zien bij Abraham later Gen.18, dat God teruggaat naar het vlees en hem zowel een grote natie -Israël- 18:18; 9 als andere natiën belooft. Hier zien we een nieuw begin van God in Zijn handelwijze met regering op de aarde. Tot hiertoe lezen we in de Schrift weinig over hoe Gods omgaan met natiën. Zij waren verstrooid, en Hij liet hen hun eigen wegen gaan Hand.14:16, tot ze rijp waren voor gericht. Toen werden zij vernietigd als Sodom en Gomorra en de Kanaänieten in het beloofde land. Toen God Zich echter tot Abram wendde, voorzag Hij in een bijzondere natie, waardoor Hij de aarde zal regeren. Het is opmerkelijk, dat deze natie, eerder aan Abraham toegezegd, niet een natie genoemd werd, zolang ze nog niet georganiseerd waren. In het eerste deel van Exodus wordt gesproken over het volk Israël Ex.1:9, dat met de Farao van doen had. Niet eerder dan bij de Sinaï spreekt Mozes tot God en zegt: Zij zijn Uw natie Ex.33:13. Toen had Mozes ze georganiseerd, toen zijn schoonvader bij hem kwam en ze een kleine regering hadden Ex.18. Dat is de eerste hint die we krijgen over de vervulling van de belofte aan Abraham. Zij waren nu een natie. Daarvoor waren zij een volk. Het is interessant, de grondbetekenis van beide woorden volk en natie in het Hebreeuws te leren kennen. We nemen het woord gui (de Joden zeggen vaak goi)4. De betekenis hiervan, zoals verderop gebruikt, is lichaam. Het gaat om het menselijk lichaam, een goed georganiseerde eenheid. Dat begrijpen wij, omdat wij dit woord ook zo kennen. Men spreekt ook van kerkelijke en wetgevende lichamen. Als contrast is het woord voor volk: om5 (meestal zegt 4 יוג in Hebreeuws; door interpunctie uitspraak: goj (is gui) 5 מע (Hebreeuws), door interpunctie uitspraak: am (is om) 10
Page 10
men: am - ammi/lo-ammi Hos.1:9,12;2:22), dat met betekent. Een natie is een organische politieke eenheid. Als volk waren zij puur een vereniging van 1 of meerdere groepjes, zonder politieke organisatie. Volgens de Schrift waren ze allang een volk, voordat ze een natie werden. Als je een aantal mensen bij elkaar hebt, vormen zij geen natie, tenzij er organisatie is. Een natie is, zo lijkt mij, volgens de Schrift, een politieke entiteit, een lichaam. Na de dagen van Salomo Om nog duidelijker te krijgen wat een natie is, Bekijken wij de natie Israël op later tijdstip. Na Salomo waren zij twee natiën 1Kon.12-16. Toen dit gebeurde, veranderden zij hun taal en hun gebruiken niet. Het verschil was dat ze verschillende koningen hadden. Het was een politieke verandering, die van hen twee natiën maakte. Toch zijn het niet twee volkeren. Het is belangrijk vast te stellen dat groot verschil bestaat tussen een natie en een individu in een natie. Dat ziet men vaak niet. Sommigen zeggen, dat elk individu (van een natie) als het geheel moet zijn. Men moet dus van dezelfde soort zijn - met identiek gedrag. Dat wil zeggen: elk bij die natie horend persoon moet dezelfde karakteristieke kenmerken hebben. Dat is niet logisch. Natie tegen natie Leerzame passages zijn te vinden in verband met de era van het einde; de tijd waar wij in leven. Overdenkingen over deze tijd kunnen helpen de implicaties van deze term te begrijpen. Onze Heer zei van tevoren, dat natie tegen natie en koninkrijk tegen koninkrijk zal opstaan Mat.24:7. In die tijd zullen de Joden vanwege Zijn naam gehaat worden 11 door alle natiën Mat.24:9. Voorbeelden van hoe dat zal zijn, kunnen wij ook in onze dagen zien. Natiën worden tegen natiën opgezet. Maar kunnen wij dan concluderen, dat ieder individu van een natie tegen elk individu van een andere natie zal opstaan? Zeker niet. Het gaat hier niet om iets persoonlijks. Iemand kan om persoonlijke redenen wel met een lid van een andere, vreemde natie een flinke woordenwisseling hebben. Dat is heel wat anders dan wanneer natiën elkaar de oorlog verklaren. In afzonderlijke natiën zijn er personen en groepen die niet in opstand komen tegen de politieke vijanden van hun natie. In alle natiën zijn overblijfsels (groepjes burgers), die het met de politiek van de regering niet eens zijn. In democratische landen vormt zo’n rest geen meerderheid aan stemmers. Zo’n rest heeft niet voldoende politieke invloed. In oorlogstijd kan zelfs een grote meerderheid geïntimideerd zijn door noodverordeningen en dictatoriale maatregelen. Nochtans is de natie als zodanig in oorlog. De belastingen, betaald door dissidenten, ondersteunen dan zelfs het gewapend conflict, of zij het er nu mee eens zijn of niet. En of de natie nu overwint of verliest; het raakt iedereen die erbij hoort. Iedereen kan zijn bezittingen, hun thuis of geliefden, zelfs het leven verliezen. Ook als zij persoonlijk niet deelnemen aan nationale oorlogvoering. Israël: Ik denk, dat wij daar groot verschil kunnen zien tussen individu en natie. Iedereen kan begrijpen, dat de haat tegen de Joden vandaag de dag grotendeels nationaal en niet persoonlijk is. In potentie zijn ze een natie, volgens hun bestemming. Het grootste probleem met de Joden is, dat zij natie willen zijn in een tijd dat God dat niet wil. 12
Page 12
Ik heb Joden ontmoet in Palestina en voerde gesprekken met ze; en ik heb gevechten tussen hen en de Arabieren gezien. In vrijwel alle gevallen was het karakter van de individuele Jood niet het punt. In Europa kwam een jonge Jood naar mij toe, een gelovige, die ook diverse problemen had. Wat was niet omdat hij iets verkeerds had gedaan, maar omdat hij Jood was. Daar waren anderen die wilden dat ik ze hielp om in dit land te komen. Hun moeilijkheden kwamen simpelweg voort uit het feit dat zij Joden waren. Nationaal of persoonlijk gericht zijn verschillend, want ze zijn gebaseerd op afzonderlijke ideeën. Hier speelt de wereldpolitiek een belangrijke rol. Nadat Israël een tijd lang een eigen koninkrijk had, schakelde God in politiek opzicht om en werd Nebukadnezar het hoofd. Nu leven we nog steeds in de era’s van de natiën Luk.21:24. Sedert de tijd dat Israël faalde tot aan de dag van de wederkomst van Christus continueren de era’s van de natiën. Nu zijn zij (de natiën) politiek het hoofd. In ieder geval gebruikt God altijd het woord natiën, om de omvang en de reikwijdte van Zijn handelen aan te geven. Dat wordt altijd gemeten in politieke eenheden. Israël is een natie, en de rest van de mensheid bestaat uit andere natiën, die ook een andere bestemming in Gods plan hebben. Israël zal een natie van koningen en priesters zijn Ex.19:5; Deut.7:6; 1Petr.2:9. Zo lezen wij Schriftgedeelten die naar hun toekomstige taak verwijzen en deels politiek of religieus zijn. Mattheüs gaat overwegend over koningen en natiën. Daarin zien we Christus als Zoon van David, de Koning. Ook als Zoon van Abraham, van wie de natie afstamt. Lukas gaat terug tot op Adam, de mens, en 13 Johannes getuigt van Hem als de Zoon van God. De visie in Mattheüs is nationaal, maar Israël als natie deelt niet in aan de regering over de aarde in deze tijd (van genade). In de toekomst, volgens Gods plan, zal de natie Israël leidend zijn. De apostelen delen daarin. Zij zullen niet delen in het lijden van de natie. Er zijn individuele mensen binnen de natie die niet hetzelfde ondergaan als heel de natie. Wij moeten altijd nauwkeurig onderscheiden tussen wat nationaal is en wat de individuen zijn die tot deze natie behoren. Belangrijk is, dat wij de letterlijke betekenis van het begrip natie begrijpen. Zoals we eerst de letterlijke betekenis van het woord dood moeten kennen om de figuurlijke te kunnen verstaan, zo geldt dat ook voor het woord natie. Deze figuurlijke betekenissen komen vaak voor, zeker in Paulus’ brieven. Het belangrijkste probleem ligt in het gebruik van het woord natie voor één of meer individuele leden van een natie. De onbesnedenen worden regelmatig met de natiën aangeduid. En dat is kortweg de uitdrukking voor hen die tot de natiën behoren. Wij hopen duidelijk te hebben, dat de betekenis van natie in de Schrift gaat over hen die onder dezelfde politieke regering vallen. Nationaal of individueel? Kwam heel Israël in het beloofde Land? Deze vraag zal sommigen misschien verwarren. Want wij weten toch uit de Schrift, dat het grootste deel niet het beloofde lotdeel6 bereikte. Zij kwamen om in de woestijn 1Kor.10:5. In plaats van hen in Kanaän te brengen liet Jahweh hen sterven toen 6 Het land is onder Jozua door loting verdeeld over de 12 stammen. 14
Page 14
zij Hem niet vertrouwden. Hij liet hen vanwege hun ongeloof het land niet binnengaan. Desondanks lezen wij bij Jozua, dat, toen zij in het land arriveerden, heel Israël gered werd. En dat ondanks het feit, dat de meerderheid voor die tijd omkwam. Ze werden allen als een natie gered, hoewel dit in individueel opzicht -naar verhoudingeen klein aantal was. Maar twee van die hele generatie kwamen door de Jordaan heen. Daar kan een theologische discussie over ontbranden. De een zou beweren, dat zij wel het land binnengingen, een ander ontkent. Zoiets ontstaat wanneer men niet het verschil tussen de natie en de individuele mensen ervan in acht neemt. In het woord van God is dit verschil erg belangrijk. Zonder dit onderscheid raken wij onvermijdelijk in problemen en zelfs in verraderlijke dwaling. Het kan ons zelfs zo ver brengen, dat we het hart uit Gods openbaring voor deze genadetijd wegnemen. Het zou ons van de allerhoogste toppen van Zijn liefde afwerpen. Het gevaar is dus, dat het verwoestend uitwerkt op de genade. Dit zou de ergste misdaad zijn die in dit beheer mogelijk is. De genade kleineren is slecht gedrag. Wij kunnen inschikkelijk zijn voor hen die uit de genade vallen Gal.5:4. Laten wij echter ons uiterste best doen om iedere uitleg te weerstaan, die ons berooft van het meest waardevolle bezit. En dat is de heerlijkheid van Zijn genade voor ons in Christus Jezus. Om dit te doen, moeten wij leren onderscheid te maken tussen Gods handelwijze met Zijn heiligen en die met de natiën van onze dagen. Wat betreft Israël zou het eenvoudig zijn dit verschil te zien. Individuele Israëlieten kwamen om vanwege hun 15 ongeloof in de woestijn. Zij gingen niet het beloofde land in. Maar de natie werd doorgeleid om het beloofde lotdeel in te gaan. Een volk bestaat uit individuen. Dit lijkt voor ons tegenstrijdig. Door heel de Schrift heen zien wij zulke contrasten. Als wij ontdekken hoe dat zit, hebben wij de sleutel in handen. En kunnen wij waarheden ontsluiten die voor sommige heiligen zeer lastig zijn om te verstaan. Verzoening – nationaal en individueel Eerst willen we het feit benadrukken, heel de Schrift in zijn eigen verband moet blijven staan. Anders wordt het erger dan dwaling. Het wordt dan dwaling met een dikke laag camouflage die er als waarheid uitziet. In Romeinen staat de voor vandaag geldende waarheid van God. Die laat God echter zien vanuit twee verschillende gezichtspunten. Aan het begin van de brief zien we de individuele kant. Twee grote waarheden van het huidige geheime beheer van genade lezen wij: rechtvaardiging en verzoening. Je vindt ze op deze manier alleen hier in de Schrift. In Romeinen worden deze waarheden twee keer behandeld. Eerst individueel in Romeinen 3 en 5. En in Romeinen 10+11 nationaal. Eerst bekijken we verzoening. De verzoening betreft de hele wereld Rom.11:15. Individuen zijn wederzijds verzoend Rom.5:10. Later zullen wij, in verband met het hoofdthema van de natiën, ons richten op het feit, dat wij ons in de era’s van de natiën 7 bevinden Luk.21:24. Eerst werd Nebukadnezar macht over alle natiën gegeven Dan.2:37,38. Hij kreeg echter 7 hSV: tijden van de heidenen 16
Page 16
geen religieuze suprematie8. Israël behield dat wel. Hij probeerde die te krijgen, maar moest dit streven opgeven. Dat is de les van de brandende vuuroven Dan.3. Bij de start van de era’s van de natiën was de regering uitsluitend politiek. Israël behield het priesterschap. Ze bouwden de tempel weer op. Wilde iemand in die tijd tot God naderen, dan moest dit via de uitgekozen natie, Gods volk. Dit ondanks het feit, dat Israëls politieke hegemonie van hen weggenomen en aan heidense heersers gegeven was. Er bestond geen andere toegang tot de Godheid. Toen Paulus zich in de synagogen van de Joden in de diaspora9 begaf, deed hij dit om een heel andere reden dan de andere apostelen. Zij verkondigden het koninkrijk met het oog op de redding van de hele natie. Hij begon echter een andersoortig dienstwerk, en trachtte hen tot jaloersheid te wekken Rom.10:19; 11:11. Hij deed dat niet met het oog op heel de natie, maar om enigen uit hen te redden Rom.11:14. Het was gebaseerd op de redding van enkelen buiten Israël in overeenstemming met de verzoening van de wereld, waar deze weg (van hun struikeling) toe leidde. In Handelingen zien we hoe Israël in de loop van de tijd geleidelijk de religieuze suprematie verloor, toen zij het getuigenis van God verwierpen. Het was niet langer nodig, om via Israël God te naderen. God was met de wereld verzoend. Hoe weinig is dit feit onder gelovigen bekend! Omdat God met de wereld verzoend is, werd de tempel 8 Suprematie: hoogste heerschappij 9 Diaspora: verstrooiing. 17 afgebroken. Dit ondanks de inspanningen van Titus10, om die van de ondergang te redden. De toegang tot Gods tegenwoordigheid is nu open voor alle mensen. Dat is vandaag vooral waar voor de vijanden van God. Iedereen kan zonder bemiddeling tot God komen. In Romeinen 9-16 wordt deze waarheid weer opgenomen. Het is onmogelijk Romeinen 11 te begrijpen, tenzij wij inzien dat het een ander aspect is van de in Romeinen 5 besproken verzoening. Wanneer we dat niet in acht nemen, ontstaan misverstanden. Men schreef goede boeken over Romeinen 1-8, maar konden 9-16 niet met 1-8 in harmonie brengen. Men vindt dat moeilijk, maar dat is het niet. Zodra men erkent, dat het om een nationaal standpunt gaat in Romeinen 11 in plaats van een individueel, is het direct duidelijk. Let goed op de formuleringen van Romeinen 11. Dan zien je, dat het hoofdstuk nationaal is, niet individeel. Sommige delen die buiten hun verband lijken te staan, kunnen dit mogelijk suggereren Sommigen dachten, dat het deels om persoonlijke, deels om nationale zaken ging. Maar wij hoeven die betreffende teksten alleen maar nauwkeurig te onderzoeken om vast te stellen dat dat niet klopt. Laten we kijken naar het individu, als het gaat om in het beloofde land komen. We nemen aan, dat het zo verstaan moet worden, dat heel Israël moest daar moest komen. Hoe krijg je die individuen dan het land in, die onderweg in de woestijn omkwamen? 10 Opperbevelhebber in de Joodse oorlog, die in het jaar 70 AD als opvolger van Vespasianus Jeruzalem innam. 18
Page 18
Ook in de Romeinenbrief klopt deze uitleg niet. Eerst lezen wij, dat de door Israël gepleegde krenking rijkdom van de wereld is Rom.11:12. Dat begrijpt lang niet iedereen. Meestal zegt men dat de wereld in geen enkele rijkdom kan delen, tenzij mensen geloven en pas dan de rijkdom in Christus ontvangen. Maar er zit geen individualiteit in het begrip ‘wereld’. En toch: Israëls struikeling is rijkdom van de wereld. Dat is verzoening. Het laat zien, dat God een ongekend andere houding aannam tegenover de natiën. Het thema van Romeinen 11 is verzoening. Israëls struikeling bewerkt niet de redding van individuele personen. Maar het verplaatst zondaren uit vreemde natiën in een veel nauwere relatie tot God dan ooit het geval was sinds Adam zondigde. Sommigen zijn nu wel wederzijds verzoend, anderen niet. Maar dat is iets heel anders. Dat staat niet in Romeinen 11, in eerdere hoofdstukken wél. Bovendien passen individuen uit Israël zeker binnen de reikwijdte van de verzoening. want indien hun afwerping11 de verzoening van de wereld is, wat zal hun aanneming anders zijn dan leven uit de doden? Rom.11:15. Dit is nationaal en spreekt over heel het volk Israël. Deze situatie gaat door; zelfs lang nadat de individuele mensen van die dagen verdwenen waren. Gelovigen, ongelovigen, Petrus, Paulus, Judas of Bar-Jezus; individueel hebben zij geen plaats in deze dood van heel Israël als natie. Christus stelt voor hen allen de dood buiten werking 2Tim.1:10. En de natie als zodanig? De andere natiën hebben de functie als 11 Het Grieks heeft apobolè, letterlijk: vanaf-werping. 19 lichtdrager van Israël overgenomen. Gelovigen uit Israël zijn nog in de olijfboom Rom.11:16 e.v. Nee, dit gedeelte is onbegrijpelijk als je het individueel uitlegt. Niet elk individu wordt erdoor getroffen. Paulus zegt, dat hij iemand uit de uitgekozen natie is Fil.3:5, en hij werd niet afgeworpen. Het is de natie die struikelde. Wanneer zal de belofte Rom.11:15 aan Israël vervuld worden? Wij moeten eerst het tijdbegrip in Romeinen 11 zien, als wij dat willen begrijpen. Wanneer werd Israël terzijde gesteld? Wanneer is hun aanneming? de Verlosser zal uit Sion komen en zal de oneerbiedigheden afwenden van Jakob Rom.11:26 Dit is niet beperkt tot de levensjaren van één enkel iemand. Gedurende lange tijd is de verzoening al in werking. Dit is eenvoudig te zien als we het op natiën toepassen. Gaat het echter over individuele mensen (inclusief alle ongelovigen van de Handelingentijd), dan betreft het hen die eerst zijn afgewezen om ongeloof. Die moeten aangenomen worden wanneer de Verlosser uit Sion komt. In dat geval zou Christus Zich tijdens heel Zijn aardse dienst vergist hebben. Als wij lezen wat Hij over deze zaak te zeggen heeft, dan is het erg duidelijk, dat ongelovigen in het geheel geen deel zullen hebben aan het aardse koninkrijk. Denk maar aan de valse profeet, tegen wie Paulus sprak, die zich tegen de waarheid verzette waarna hij blind werd Hand.13:6-11. De onbepaalde tijd Hand.13:11a is opmerkelijk, omdat dit zowel voor het nationale als het individuele aspect opgaat. Alles heeft zijn passende tijd. Barjezus zal 20
Page 20
waarschijnlijk niets zien tot de opstanding bij de grote witte troon. Maar hij is ook beeld van de natie, waarvan de ogen eerder geopend worden: wanneer Sion gered wordt. Handelingen is het tegenbeeld van Israëls woestijnreis12. Individuele ongelovigen die in strijd met de waarheid handelen, zullen in het koninkrijk geen plek hebben. Maar het verblinde Israël wordt als natie weer teruggebracht. Dat is heel lang vóór de rebellen van ditzelfde volk in de voleinding wederzijds verzoend worden. Redding – nationaal en individueel Het zinsdeel en zo zal heel Israël gered worden Rom.11:26 is voor sommigen reden geweest om te willen bewijzen, dat iedere Israëliet die ooit geleefd heeft, op dit tijdstip gered zal worden. Ja, zij worden gered - in de voleinding. Maar dat is niet wat dit gedeelte leert. Dit is een nationale zaak en het omvat in geen geval al diegenen die in de wildernis en tijdens de Handelingentijd omkwamen. Hetzelfde geldt voor Israël vandaag. Het is niet zo, dat individuele Joden door hun ongeloof uit de olijfboom zijn weggebroken. Zodat zij, wanneer Christus komt, opnieuw geënt worden en zo deelhebben aan het aardse koninkrijk. Zo is het niet; zij worden pas door Hem opgewekt wanneer de regering van de Zoon over dat koninkrijk voorbij is. 12 Beide periodes duurden ongeveer 40 jaar 21 In Romeinen staat een hoogtepunt van de waarheid voor vandaag. Voor alle gelovigen in het huidige beheer13 geldt, niets is dus nu tot veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn. Rom.8:1 Het hoofdstuk eindigt met: niets ons kan scheiden van de liefde van God die in Christus Jezus is Rom.8:39 Men heeft pogingen ondernomen om deze waarheid te ondermijnen. Eén methode is om, zonder tekstverband -willekeurig- andere delen van deze brief erbij te halen. Om zo hetgeen in Romeinen 8:1-39 wonderlijk gezegd wordt, teniet te doen. Niets is erger dan misbruik van Gods woord door teksten tegen elkaar uit te spelen. Veel mensen denken, dat het niet zo erg is om goddelijke zaken te ontheiligen. Daarbij was een van de belangrijkste lessen van God aan Zijn volk: de heiligheid van Zijn woonplaats en alles wat Hem toebehoorde, wat aan Hem gewijd was. Wij zouden diep onder de indruk moeten zijn van de strengheid die Zijn handelen daarin kenmerkt. Degenen die het waagden om iets wat Hem toebehoort met onheilige handen aan te raken, kregen met Hem te maken. En hoe! Hoeveel strenger moet dan het gericht zijn voor hen, die Zijn heilige openbaringen teniet (willen) doen. 13 Beheer, Grieks: oikonomia, letterlijk: huis-wet, huishouding, heeft in de Concordant Literal New Testament (CLNT) administration als trefwoord. Gods kalender kent 12 periodes van beheer. Nu geldt het geheime beheer van Gods genade, zie Efeziërs 3:2,9. 22
Page 22
Moge God diegenen vergeven, die Zijn eigen woord gebruiken, om de waarheid te vernietigen! Romeinen 3 en 4 gaat over het rechtvaardig verklaren door God van individuele mensen. Romeinen 5 gaat om het de verzoening door de Zoon van God. Romeinen 8 laat ons Gods heerlijkheid zien. Romeinen 9-11 laat die drie (rechtvaardiging, verzoening, heerlijkheid) ook zien, maar in nationaal opzicht. Het eerste deel van de Romeinen is het fundament waar het tweede deel op rust. Laten wij niet die boodschap afwijzen, door de waarheden van dit complement-deel verkeerd uit te leggen. Romeinen 11 gaat over verzoening. Dat mogen wij niet missen. God houdt Zich in dit hoofdstuk bezig met de situatie, die het gevolg is van de nationale afval van Israël. Omdat de natie Israël rebelleerde, verloren ze niet alleen hun politiek leidende rol aan het hoofd van de natiën onder Nebukadnezar. Want in de Handelingentijd verloren ze ook nog eens hun religieuze suprematie. En dat ondanks het feit, dat duizenden individuen gehoorzaam waren. God richt zich nu rechtstreeks tot de natiën. Zijn houding tot hen is vrede. God is verzoenend. De religieuze riten van Israël zijn tijdelijk opzijgezet. De verzoening van de wereld wordt afgekondigd als herautsboodschap aan ieder die (niet) wil horen -. Verzoening is niet individueel; het betreft de wereld; gelovig of niet. Wederzijdse verzoening is individueel. Hier lezen we de verzoening van de wereld: 23 want indien hun afwerping14 de verzoening van de wereld is, wat zal hun aanneming anders zijn dan leven uit de doden? Rom.11:1 De olijfboom Via deze metafoor geeft God een beeld van een complexe situatie. De enige weg naar een juiste uitleg en begrip is via de letterlijke betekenis. Daarom bekijken wij het eerst letterlijk. Israël was de olijfboom die door God gebruikt werd om de rest van de wereld te verlichten. Toen Zijn uitgekozen natie Hem herhaaldelijk afwees, wendde God Zich tot de andere natiën. En Hij maakt nu via hen Zijn woord en Zijn wil bekend. Letterlijk gesproken horen sommige Joden daar nog bij, omdat zij geloven. Zij blijven dus in de olijfboom. En dit blijft zo tot het (aardse) koninkrijk komt. Dan worden de natiën (wilde takken) uit de olijfboom uitgehouwen. Hoezo? Omdat ze (het woord van) God afwijzen, ondanks de vele gelovigen onder hen. Het is niet waar, dat die ongelovigen, die figuurlijk uit de olijfboom uitgehouwen werden, bij de terugkeer van Christus weer op de olijfboom geënt worden. In het woord van God is hierover veel bewijs. De ongelovige Israëlieten van de Handelingentijd (bijvoorbeeld), zullen niet het koninkrijk binnengaan. Net als die ongelovige Israëlieten, die ten tijde van Mozes in de woestijn omkwamen en het beloofde land niet betraden. Maar zij, die de bediening van de apostel Paulus accepteerden toen hij nog leefde, vielen niet weg en worden niet uitgehouwen als het koninkrijk 14 Zie voetnoot 11 24
Page 24
komt. Daarna zijn miljoenen ongelovige Joden gestorven. Zij zullen niet het koninkrijk ingaan. Miljoenen gelovigen uit de natiën stierven en zullen niet afvallen/verloren gaan. Bomen in de Schrift We richten ons op het uiterst interessante thema van de bomen. U zult zich de parabel van Jotham herinneren. Wij gaan niet de omstandigheden van toen na. We kijken nu alleen naar de betekenis van diverse bomen. Eens gingen de bomen op weg om een koning over zich te zalven; en zij zeiden tegen de olijfboom: wees koning over ons! En de olijfboom zei tegen hen: zou ik mijn rijkdom opgeven, waardoor Elohim15 en mensen verheerlijkt worden, en ik zou gaan om boven de andere bomen te zweven? En de bomen zeiden tegen de vijgenboom: U! Kom! Wees koning over ons! En de vijgenboom zei tegen hen: zou ik mijn zoetigheid en mijn goede vrucht opgeven, en zou ik weggaan om boven de bomen te zweven? En de bomen zeiden tegen de wijnstok: U! Kom, wees koning over ons! En de wijnstok zei tegen hen: zou ik mijn wijn (most) verlaten, die Elohim en mensen vrolijk maakt en zou ik weggaan om boven de bomen te zweven? 15 Meervoud van EL (of AL): Onderschikker, Beschikker. Het gaat dan om de God van Israël zelf, of allen die bekrachtigd worden door de geest van zowel EL als Eloah (of Alue). 25 En de bomen zeiden tegen de doornstruik: U! Kom, wees koning over ons! En de doornstruik zei tegen de bomen: als jullie mij naar waarheid tot koning over jullie zouden zalven, kom en neem toevlucht in mijn schaduw; en zouden jullie niet, moge dan vuur uitgaan van de doornstruik, en de ceders van de Libanon verteren. Richt.9:8-15 Vrede van God met de mensen Deze allegorie bevat veel waarheid. Wij willen er enkele kenmerken uitlichten, om hun symbolische betekenis te begrijpen. Leerzaam is het gedeelte waar wij de eerste keer de olijfboom zien. Nadat de grote vloed de aarde bedekt had en alle vijanden van God verdelgd waren, toen vloog de duif uit en kwam met een olijfblad terug Gen.8:11. Sindsdien is voor veel natiën een olijftak het symbool van vrede – waarachtige vrede. Vrede is de eerste gedachte bij de olijfboom. Gods verzoening is het wezenlijke kenmerk van vrede. Sinds de (tijdelijke) terzijdestelling van Israël is Gods relatie met de mensheid: vrede. Hij verbergt Zich niet langer achter muren en deuren om in een tempel te wonen. De olijfboom zegt: God houdt vrede met de mensheid. Daarom wordt ze vermeld. Maar dat is niet alles. Toen God een huis voor Zich liet bouwen als woning - de tabernakel - was het de vrucht van de olijfboom, die licht verspreidde. Ook dat ligt besloten in het beeld van de olijfboom. Daarin zien wij bevestiging van verzoening, vervat in de vrede die God met heel de mensheid gemaakt heeft. Net 26
Page 26
zo wordt figuurlijk uitgedrukt, dat goddelijk licht van de olijfolie komt. Israël was de enige bron van licht van God, en dat is het in zeker opzicht nog. Maar nu zijn het de natiën, door wie het licht uitgestraald wordt. Gods laatste openbaring aan de mensen komt via twee olijfbomen, lichtdragers in het donkerste uur van de geschiedenis van de mensheid Op.11:4. Gerechtigheid en ongerechtigheid De vijgenboom komen we vroeg tegen in de Schrift. Adam maakte zich een bedekking uit vijgenbladeren Gen.3:7. In de Schrift staan vijgenbladeren en vijgen in contrast. Adam en Eva wilden kunstmatig eigen gerechtigheid tot stand brengen door van vijgenbladeren kleding te maken. Onze Heer herinnert ons eraan, toen Hij naar een vijgenboom ging om vrucht te zoeken, maar alleen bladeren vond Matt.21:19; Mark.11:13,14. Israël bezat gerechtigheid - meer dan genoeg - zoals sommigen van ons die hadden voordat wij geloofden Mark.11:13. Maar het was de eigen gerechtigheid. Een vijgenboom spreekt zowel van gerechtigheid als van ongerechtigheid. De bladeren dienen om ongerechtigheid te bedekken. De vijg spreekt van ware gerechtigheid. De vrucht van licht is onder meer gerechtigheid Ef.5:9. In de toekomst zal de vijgenboom nogmaals vrucht dragen. In het millennium16 zullen er vijgenbomen, olijfbomen en wijnstokken zijn. Israël was een wijnstok, die uit Egypte gehaald werd. Later is Christus de ware Wijnstok Joh.15:1,5. In feite waren er ranken in Hem, die later afgesneden werden Joh.15:2,6. Zullen deze weer geënt worden? In geen 16 De duizend jaren (letterlijk), Openbaring 20:4-6 27 geval. Zij worden verbrand. Dode as kan niet geënt worden op een levende plant. Hier hebben wij te maken met individuele ongelovigen. Zij worden bij de wederkomst van Christus niet hersteld. Met het oog op de hele natie is het echter anders. In het duizendjarig rijk zullen ze onder hun wijnstok en vijgenboom zitten met veel goede vrucht. Toen ik in Israël was, wilde ik de ceders van Libanon zien. Maar dat leek onmogelijk door de diepe sneeuw toen ik in de buurt was. Na enige tijd was er een gids die mij garandeerde naar de top te gaan. Maar de weg erheen was te glad en glibberig zodat wij niet echt dichtbij konden komen. Maar wel voldoende om ze echt te zien. De ceders van de Libanon representeren in de Schrift de hoge en grote mensen op de aarde. Vandaag de dag is de wereld vol doornstruiken. De enig vermelde producten van de doornstruik, zijn schaduw en vuur, als wij de doorns niet meerekenen. Dit zal te zien zijn in de laatste koninkrijken van de mens. In de laatste decennia zijn veel vredesconferenties gehouden en vaak met gebed ingeleid. Toch is het meest opvallende kenmerk van deze bijeenkomsten het totale gebrek aan erkenning van God. Wij zijn binnenkort onder de schaduw van de doornstruik. De takken van de olijfboom Hoe zit het met deze takken? Zijn ze een beeld van individuen of niet? De vraag beantwoordt zichzelf als wij lezen wat daarover geschreven is. Vanwege hun ongeloof zijn ze uitgehouwen en God zal ze bij de oprichting van het koninkrijk weer enten Rom.11:19,20,22,24. Is er een tekst te 28
Page 28
vinden, die zegt dat individuen, die in ongeloof volharden, weer geënt zullen worden? Worden degenen, die in de woestijn omkwamen, opgewekt en daarna in het beloofde land gebracht? Zelfs Mozes mocht het land niet in. De takken die uitgehouwen en opnieuw geënt worden, zijn geen individuele mensen. In de dood is geen gelegenheid tot bekering. Zij zullen niet bij de eerste opstanding zijn, wanneer het enten plaatsvindt. Wij willen nog aandacht besteden aan de andere takken, die in de tijd van Paulus op de olijfboom werden geënt. Moeten wij dat zo opvatten, dat individuele gelovigen uit de natiën, die in die tijd geënt werden en nu al zo lang dood zijn, weggebroken moeten worden bij de oprichting van het koninkrijk Rom.11:16-22? Het simpele feit dat de beide entmomenten zo ver uit elkaar liggen, maakt uitleg dat het om individuele mensen gaat, onmogelijk. Zo’n verwarring ontstaat als we hier aan individuen denken. Dat zou al wat God elders in de Schrift over individuele mensen gezegd heeft, ontkennen. Net zoals Israël als zodanig vrede met God had, zo houdt Hij nu vrede met de natiën. En Israël was eens de bron van goddelijk(e) (ver)licht(ing) op de aarde. Maar later doofde het licht uit. Zo gaat het ook met de natiën. Als wij dit individueel zien, vernietigen we iets van Gods openbaring. Laten wij als voorbeeld Romeinen nemen. In het begin lezen we over rechtvaardiging. Dat is door de vijgenboom uitgebeeld. Daarna komt verzoening. Dat is de olijfboom. Dan de verheerlijking. Die zien we in de wijnstok. In dit alles neemt Gods overvloedige genade ons weg uit onszelf 29 en plaatst ons in Christus, in Wie Hij welbehagen heeft. Als wij bij het vervolg van Romeinen komen, laten wij dan Zijn heerlijke evangelie niet afwijzen door onze redding toe te schrijven aan eigen werken, lijden of ervaring. Dat is niet de weg naar Gods doel, want Hij moet alles in ieder van ons worden. Wij moeten de verschillende thema’s van Romeinen uit elkaar houden. Ze zijn in de brief ook apart gezet. Wanneer we een tekst uit het gedeelte over rechtvaardiging nemen en ergens in het gedeelte over verzoening invoegen, dan verwarren we zeker onszelf en anderen. Nemen we een betoog uit hoofdstuk 9 om daarmee 11 te verklaren, dan beschadigen en misleiden wij. Wij kunnen niet bij elkaar voegen wat God heeft gescheiden. De verwarring die daardoor ontstaat is des te gevaarlijker, want moeilijker te doorzien. Beide gedeelten zijn Gods woord, zelfs van dezelfde schrijver. En zo zullen onvolwassen, onwetende mensen -onbewust- verdraaide uitspraken in zich opnemen, die in hen werken als vergif. Zij denken, dat het Gods woord is. Wie in de waarheid gegrond is, zal verdraaiingen herkennen, omdat zij allemaal met andere teksten in tegenspraak zijn. Als het gericht van Mattheüs 2517 individueel zou zijn, dan is de redding door werken. En het evangelie is weg. Als de olijfboom individueel toegepast zou moet worden, dan zou verzoening uitgaan van mensen. De genade en heerlijkheid zijn dan verdwenen. Maar, niet alleen het evangelie, de 17 Mattheüs 25:31-46 30
Page 30
genade en de heerlijkheid verdwijnen. God als Redder is dan ook weg. Tegenwoordig regeert genade. Beseffen wij wat dat betekent? Genade zit op de troon. Iedereen die probeert haar uit deze heersende positie te verdringen, begaat geen gewone misdaad. Want het is hoogverraad. Verraders worden niet als de andere misdadigers behandeld. In Gods ogen is in dit huidige beheer18, nu genade regeert, geen grotere krenking mogelijk dan een planmatige inspanning om die te onttronen. Moge God met allen, die daarbij betrokken zijn, genadig handelen! Waarom zijn er natiën? God beproefde de mensheid meer dan een millennium tot aan de grote vloed, voor zij natiën vormden en in politieke entiteiten georganiseerd werden. Waarom gebeurde dit? Als wij goed inzicht krijgen in Zijn plan om de mensheid in natiën op te delen, zal dit voor ons van grote praktische waarde zijn. Over dit onderwerp lijkt grote duisternis te liggen. Zoals wij de wereld vandaag zien, is alles chaos. Precies het tegenovergestelde van hoe God het ziet. Hij overziet alles vanaf het begin en kent het einde. Alles is in overeenstemming met Zijn voornemen. Overal proberen de mensen een ideale regeringsvorm te vinden en in praktijk te brengen en zo een millennium in te luiden. Niet alleen proberen ze mensen te overtuigen van de voordelen van hun ideale systeem, ze strijden ervoor met alle middelen. Het is nauwelijks voor te stellen: de mensen 18 Zie voetnoot 8 31 willen vrede, maar wat doen ze? Ze vechten met elkaar. Zou iemand, die vrede met zijn buurman wil, deze eerst een blauw oog slaan? Zeker niet. Als je hem doodt, brengt dat voor jou vrede met hem, maar niet met anderen. Het is niet Gods plan de wereld met vrede te vervullen in de huidige tijd. God wil de mens leren, dat hij niet kan regeren zonder Hem. De mens is weliswaar geschapen om te regeren Gen.1:28 en zal ook regeren, maar kan dat zonder de Godheid niet. Geen enkele menselijke regeringsvorm zal werken zonder onderschikking aan God Zelf. Dit is voor de meeste mensen heel moeilijk om te geloven. Veel denkers hebben al bedacht, waarmee aan alle strijd een einde gemaakt zou kunnen worden. We weten uit de geschiedenis en uit eigen ervaring, dat alle inspanningen in dit opzicht iedere keer gedoemd waren te mislukken. Hoe vaak heeft men al gezegd: nooit meer oorlog! Toch zijn de conflicten nooit geëindigd. Als wij vandaag om ons heen kijken, zien we dat ze alleen maar toenemen, ondanks alle streven naar vrede. De mens kan niet regeren zonder God Tijdens de eonen19 beproeft God de mens, of beter gezegd: Hij toetst. Beproeven is misschien niet het juiste woord, omdat een proef of test iets moet aantonen. God heeft dat niet nodig, omdat Hij weet, wie wij zijn. God demonstreert iets, Hij laat zien, geeft ons les. 19 Eon: vertaling van het Griekse aiōn, dat in de Schrift wijst op een (lang) tijdperk, maar nooit ‘eeuwig(heid)’ betekent. Er zijn meerdere eonen. Het Hebreeuwse olam draagt in wezen dezelfde betekenis. 32
Page 32
Een voorbeeld: als een leraar scheikunde in een klas een proef uitvoert, weet hij wat zal gebeuren; zijn leerlingen niet. Zo demonstreert God tijdens de eonen, wat de mens zonder Zijn genade is. Hij doet dit op diverse manieren. In hun relaties tot elkaar stelde God de mensen lange tijd op de proef als eenlingen. Sommigen kiezen anarchie boven regering. Zij denken, dat mensen zo het beste kan leven. Maar in de Schrift zien we, dat het falen van zo’n plan al vaker gedemonstreerd is. En dat het waarschijnlijk een grotere mislukking oplevert dan welke regeringsvorm ook. Om het onvermogen van de mens om te regeren zonder God aan te tonen, neemt Hij eerst alle natiën onder handen. Daar zijn naar ons inzicht zes periodes waarin God op verschillende manieren met regeren handelt. Na de grote vloed hield Hij Zich rechtstreeks bezig met de natiën die daar toen waren. Hij begint via Abraham één volk als een middelaar te gebruiken. De natiën hadden gefaald. Zij waren van Hem afgedwaald en waren bezig ten onder te gaan. God demonstreerde, dat zij zonder Zijn tussenkomst hopeloos faalden. Daarom schoot Hij hen te hulp door Zijn uitgekozen volk. Het is grote barmhartigheid, dat Hij dit deed, want veel van de problemen van de natiën werden opgelost in verband met deze ene natie. God Zelf zou het Hoofd van Israël zijn. Maar zelfs toen volgde de ene mislukking na de andere, zoals het boek Richteren getuigt. Daarop gaf Hij hun ten slotte een koning. Ieder die met Koningen en Kronieken vertrouwd is, weet hoe die eindigen. Israëls koningen zijn voorbeeld, dat het koninkrijk mislukte, hoewel David en enkele anderen goede koningen waren. God overlaadde 33 Israël met zegeningen, zoals geen van de andere natiën die ontvingen. Hij gaf ze koningen en profeten. Ondanks dat alles schoten zij tekort. Daarom verstrooide God hen onder de natiën. Daarna kwamen de era’s van de natiën, om hun onvermogen om te regeren verder aan te tonen. Wij hoeven echter niet te wachten tot deze demonstratie beëindigd is. Wij hebben de historie en de profetie van de toekomst, die ons informeren over de uitkomst. Zoals Israël volkomen faalde, zo maakt God nu duidelijk, dat alle andere natiën niet zonder Hem kunnen regeren. Wie eenmaal begrijpt, dat dit vandaag naar Gods onderliggende plan gebeurt, zal niet meer vragen waarom Hij de ‘vreselijke bloedoffers’ toelaat. ‘Ze zijn werkelijk verschrikkelijk’, zeggen mensen. Maar God hoeft ze niet toe te staan. Hij heeft ze nodig om Zichzelf te openbaren. Deze dingen hebben niet alleen een zekere waarde. Ze zijn essentieel (wezenlijk) tot zegen voor de mensheid én tot heerlijkheid van God. Als we niet zouden weten dat elk detail in Gods handen ligt en Zijn bedoeling dient, wat zou ik dan doen? Het is geweldig dit te beseffen: wat nog zal moeten gebeuren, zal uiteindelijk voor allen tot zegen zijn. Soms denk ik, dat de overwinnaar meestal de verliezer is. Dan is er een (over)winnaar, maar die zal zelden het geestelijk nut ontvangen, dat voortkomt uit verslagen en verootmoedigd zijn. Geestelijke winst komt vaak voort uit mislukking, nederlaag en vernedering. Nuttig is ook om te toetsen welke regeringsvorm de beste is. Op school leren de kinderen, dat de regering waaronder 34
Page 34
zij leven de beste is. Dat kan wel goed en correct zijn, maar als ze opgroeien zullen ze vanzelf vaststellen, dat ook de beste regeringsvorm niet volmaakt is. Dat betreft alle soorten regering, van totale anarchie tot despotisme. Die bestaan overeenkomstig het voornemen van God. Ze deugen geen van allen, want zij onderschikken niet aan God. Het is niet de vorm, die telt, maar de relatie van de regering met Gods grote, onderliggende plan. Allen zouden aan Hem moeten onderschikken. En dat is wat we wél in de voleinding 1Kor.15:28 hebben. Het is leerzaam om te zien, hoe deze regeringsvormen in de loop van de tijd volgens Gods plan veranderen. Eerst hadden de natiën vóór Abram koningen. Toen kwam Israël op het toneel. Dan volgen de era’s van de natiën met allerlei vormen van regering. Daarna komt de regering van het millennium waarin ten minste enkele elementen van het Goddelijke naar voren komen. Daarin is eindelijk een perfect Hoofd voor de natiën zichtbaar. Na dit millennium volgt de laatste eon, die uitloopt op de voleinding. Menselijk falen is nodig in Gods plan Er zijn zes periodes waarin God aantoont, dat de mens zonder Hem niet kan regeren. Het is het falen van de mensheid, waardoor Gods voornemen vervuld wordt. Af en toe lukt het de mens om een tijdje tamelijk goed door te gaan. Toch is dat niet volledig in overeenstemming met Gods plan nu. Wat God gedurende de eonen demonstreert, is het tegenovergestelde van waar mensen naar streven. Het is echter gemakkelijk te zien, dat het niet voldoende is als zij dat zouden weten. Stel dat iemand van ons een groot 35 profeet was, die heel de wereld over reisde. En die mensen ervan kon overtuigen, dat een slechte regering tijdelijk het beste voor hen is. Dan zou Gods demonstratie het doel missen, Zijn plan zou verhinderd worden. Nu is het nodig, dat de mensheid haar eenmaal ingeslagen eigen weg tot het einde toe bewandelt. Wij kunnen God zelfs dankbaar zijn voor het grote falen. Deze uitdrukking lijkt bijna te zwak, vooral nu. Veel eerder kan over de dwaasheid van mens gesproken kunnen worden. Dat is zo zolang de mens van Gods geest en woord gescheiden is. Wij mogen dankbaar zijn dat de dingen gaan zoals ze gaan. Op zijn minst zouden we inzien, dat alle prachtige plannen mislukken, ongeacht welke kracht, wijsheid, goede bedoelingen daar achter zitten. Laten wij nooit misleid worden door mensen, die met al hun streven naar vrede dit alleen door menselijke antichristen 20 willen bereiken. Mensen lopen hen na, want zij doen en spreken, net als dé antichrist, als valse messiassen Matt.24:5,11,23-25. Ze beloven veel en voeren ook tijdelijk enkele hervormingen door, maar vroeg of laat falen ze. De geschiedenis van de laatste eeuw heeft daar veel voorbeelden van. Zo is het met elk plan, dat de mens zonder Christus opstelt. Als dat voor ons eenmaal duidelijk is, is rest eenvoudig te begrijpen zijn. De mens zal in de toekomst regeren, maar eerst moet hij toebereid worden. Om hem op te leiden, laat God de mens ervaringen onder diverse omstandigheden opdoen. Zijn 20 antichrist is een Grieks woord dat letterlijk: in-plaats-van-christus betekent; het komt in 1 en 2 Johannes (de brieven) voor; het wijst op dé antichrist van de eindtijd. De Heer Jezus wijst op vele valse, Mattheüs 24:23-35 36
Page 36
bedoeling is om de mens in de enig juiste gesteldheid te brengen, die voorwaarde is om te regeren. Koningen van Israël die goed regeerden, waren mannen van God. God geeft dat in onze dagen niet alle overheden slecht zijn. Af en toe zijn er goede heersers. Dit is zo, omdat wij tegenstellingen nodig hebben om te leren. Iedere goede heerser regeert slechts in die mate goed, waarin hij de plaats inneemt die God bepaalt. Dat is die plaats, die God eenmaal aan heel de mensheid toedacht: volledige onderschikking aan Hemzelf. Wij zouden vandaag de dag niet al te veel van menselijke regeringen verwachten. Tot op zekere hoogte is wel iedere regering beter dan anarchie. Wij bidden voor de overheid, zoals Paulus dat ons heeft aanbevolen. Ik roep er dan vóór alles toe op, dat smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen gedaan worden voor alle mensen, voor koningen en allen die hooggeplaatst zijn, opdat wij een rustig en stil leven zullen leiden, in alle godsvrucht en waardigheid. Want dit is goed en welgevallig in de ogen van God, onze Redder 1Tim.2:1-3. Wij hopen dat ieder die deze regels leest, grote opluchting zal ervaren. Die geeft God aan hen die erkennen, dat de huidige wereld met al haar verschrikking, teleurstelling en kwellende onvolmaaktheid en verscheurdheid precies is, zoals God die heeft bedoeld. Hij heeft dit falen voorzegd en gebruikt dat om Zijn schepselen ootmoedig te maken en hen op hun bestemming voor te bereiden. Ja, dit geldt zowel de natiën als elk individu. 37 Gods handelen met natiën en individuen Het kan zijn, dat in dit opzicht nog veel verwarring heerst. Niemand kan het woord van God met begrip lezen, als de brieven van de apostel Paulus willekeurig vermengd worden met de Schriften van de Besnijdenis. Aan degenen, die alle onderdelen van Gods openbaring vermengen en daaruit conclusies trekken, wordt niets duidelijk. We hebben vastgesteld, dat Gods activiteiten te midden van de natiën verschillen van die met individuen. Daar begint, denk ik, vaak de verwarring. We moeten daarom eerst de onderliggende reden, Gods reden, voor Zijn handelen met de natiën, leren kennen. We moeten daarna stoppen deze Schriftplaatsen te mengen met die van individuen. Neem bijvoorbeeld Romeinen. Wij lezen hoofdstuk 1-8 en we erkennen de heerlijke genade, die ons hier voor ogen gesteld wordt. Maar je leest ook Romeinen 9-11. Wie goed weet te mengen, zal de wonderbaarlijke genade van de voorgaande hoofdstukken ruïneren en denken, dat als je in de olijfboom bent, je eruit gehouwen kunt worden. God handelt met de natiën volgens plan, en dat is totaal anders dan de manier, waarop Hij met individuen werkt. Een gedeelte dat dit aantoont, is Mattheüs 25:31-46. Daar hangt redding af van hoe je de Joden behandelt. Degene die de broeders van de Heer niet helpt, wordt niet gered. Het maakt je redding volledig afhankelijk van werken, zonder geloof of zelfs kennis. Dat staat in scherp contrast tot Romeinen. Alleen zij, die ijveren voor het evangelie kunnen de diepte van de kloof zien, die tussen de beide 38
Page 38
Schriftgedeelten gaapt. In wezen is er geen tegenspraak. Het is slechts deel van Gods handelen met Israël en de overige natiën, niet met individuen. En de natiën, die Israël gedurende de tijd van verdrukking niet helpen, zullen tijdens de duizend jaren een lage plaats hebben Matt.25:41,46. Wie dat op individuele mensen toepast en denkt, dat iedereen die de Joden in hun nood niet bijstaat, eeuwige21 pijn 22 moet ondergaan, verwoest het evangelie van de genade van God. Maar als we het in relatie tot de natiën nemen, dan wordt alles helder als daglicht. De natiën, die de Joden in de tijd van de grote verdrukking bijstaan, krijgen tijdens het millennium een hoge positie. God handelde zo met natiën in het verleden. Het is nationaal; niet individueel. Neem enige natie die gedurende het huidige beheer Efe.3:2,9 de Joden vervolgde. Hebben alle individuele leden van zo’n natie een lage positie in het millennium? In feite zullen maar weinig mensen van het tegenwoordige beheer ook in het millennium leven, want zij die stierven, leven niet tot de 1000 jaren voorbij zijn. Het zal eerder zijn zoals bij het volk Israël, waar een overblijfsel leed voor de zonden van de natie, lang nadat de zondaren gestorven waren. De hele natie was zeventig jaar in ballingschap, hoewel sommigen, zoals Daniël, dat niet verdienden. Zo zal het ook in de toekomst met de andere natiën zijn. Gods 21 Het Griekse aioniōs kan geen eindeloosheid betekenen; het is afgeleid van aiōn, eon, dat altijd wijst op een tijdperk. 22 Pijniging; in Mattheüs 25:46 staat in het Grieks kolasis, dat insnoeiing of afsnijding betekent. 39 manier van handelen met de natiën is wezenlijk anders dan met individuele mensen. Israël is als natie in ballingschap weggevoerd vanwege de zonden van 490 jaar daarvoor. Het trouwe overblijfsel in de natie moest met de anderen lijden vanwege de zonden van eerdere generaties. Zo zal het met de natiën gaan, als de Messias Zijn koninkrijk opricht. Als Zoon des mensen zal Hij die betere wereld tot stand brengen, waar de natiën zich voor inspanden. En Hij zal ieder de plaats toewijzen, die hen als natie toekomt. Menselijk regeren begint Tot nu toe hebben wij onderzocht, wat een natie is en waarom er natiën zijn. Eerst ontdekten wij, dat een natie volgens Gods woord een politieke eenheid is. Voordat er natiën in die zin waren, voor de grote vloed, waren er veel volkeren met één taal Gen.11:1 en veel gemeenschappelijke zaken. Toentertijd bestonden er geen natiën. Na de grote vloed, toen mensen de macht van de dood(straf) over hun medemensen kregen Gen.9:5,6, zien we het begin van de natiën. Een natie is een politieke organisatie. De volgende vraag was: waarom natiën? Dit moet voor ons allen duidelijk zijn: De natiën zijn niet gevormd, opdat wij goede regeringen zouden hebben. De natiën zijn deel van Gods programma om het onvermogen van de mens om zonder Hem te regeren, te demonstreren. God wil, dat de mensheid haar plaats inneemt tussen Hem en de andere schepselen, die onder haar geplaatst zijn Gen.1:28. Maar zonder God kan de mens niet regeren. Om 40
Page 40
hem zijn onvermogen voor ogen te stellen, laat God hem van alles proberen in verschillende situaties met veel voorwaarden. Zodat de mens zelf inziet, dat hij niet bekwaam is om te regeren wanneer er geen direct contact is met de grote Beschikker en Heerser van alles. Wij willen ons nu niet uitgebreid met dit feit bezighouden, omdat we al eerder enkele van de belangrijkste punten vermeld hebben. Maar we richten ons op elke periode afzonderlijk en wanneer en waar bespreken. Laten we dus nogmaals beginnen met de vaststelling, dat er vóór de grote vloed volkeren waren, toen er geen bestuur was, maar anarchie. Deze toestand duurde lang. Uiteindelijk bleek, dat de mens zonder regering en zonder dat anderen weerhouden, het niet volhoudt. De anarchie blijkt een complete mislukking. Het blijkt dat onder zulke omstandigheden verstandig samenleven onmogelijk is. Bijna niemand denkt tegenwoordig nog, dat anarchie de moeite waard is om naar te streven. Dat is al voldoende aanwezig, als ondanks wetten en regeringen, veel mensen denken te kunnen doen wat in hun eigen ogen goed is, maar slecht is in de ogen van andere mensen. Nu komen wij in een andere periode, het begin van menselijk bestuur ná de grote vloed Gen.9. Daarin wordt aan de mens het recht om te doden (de doodstraf) gegeven. Sommigen zeggen, dat soldaten moorden plegen. Dat doen zij niet. Als zij echter op eigen initiatief anderen doden, dan is het wel moord. Wanneer zij echter in opdracht van een regering, een overheid, strijden en vijandige soldaten doden, is het geen moord. Anderen beweren weer, dat als de overheid verkeerd zit, het wel moord is. Dat is het niet. 41 We moeten goed beseffen, dat er geen regering bestaat, die helemaal correct of onvoorwaardelijk goed is. Het zou dwaas zijn, een perfecte regering te verwachten. Dat zou in tegenspraak zijn met Gods bedoeling, dat alle regering van mensen haar onvermogen bewijst. Ook dit tijdperk, waarin de mens voor het eerst volmacht kreeg om over de medemens te heersen, leidde tot mislukking. Zelfs toen God een theocratie 23 had opgericht en Hij Israëls Koning was, mislukte dat. Israël wilde een mens als koning, en God gaf Saul. Daarna kwam een lange tijd van beproeving van deze regeringsvorm. Ook dat faalde. Israël ging in ballingschap het land uit. Daarmee startten de era’s van de natiën, bij Nebukadnezar, toen één natie de toenmalige wereld regeerde Dan.2:37,38. Was dat succesvol? Zeker niet. Het was alleen de volgende stap in de manier waarop God het menselijk onvermogen aantoont. Sommigen zeggen dat er vrede is als één natie, één koning, over heel de aarde regeert. God ‘probeert’ dat en laat zo het onvermogen van de mens zien. Dit is heel praktisch. De mens faalt zolang die op zichzelf is, en overtuigd van eigen kunnen. Als wij dit begrijpen, zal dat nuttig voor ons zijn. Wij moeten beseffen, welke plaats God in alles inneemt. Dan zijn wij ook niet verontrust over de gang van zaken, omdat wij weten, dat alles naar de raad van Zijn wil gebeurt. Hij staat achter al het gebeuren, hoewel dat ons verschrikkelijk kan lijken. Hij werkt naar de voleinding alles ten goede uit. In deze zekerheid kunnen wij vrede hebben. Dat is het beste medicijn tegen alle 23 Regering direct door God, zonder menselijke koning/regent. 42
Page 42
onrust en angst die in ons hart kan komen, als wij de gang van zaken in de wereld bezien. Na de huidige era’s van de natiën aanvaardt Christus Zijn heerschappij en regeert met ijzeren roede Psa.2:9; Op.12:5;19:15. Nu zou alles toch goed moeten worden! Het duizendjarig rijk zal een enorme verbetering zijn ten opzichte van alles wat was, en toch zal dat falen. Aan het einde zal de grootste opstand ooit tegen God plaatsvinden. Op deze manier bereidt God ons voor op het einde door ons te wijzen op de plaats, die ons werkelijk toekomt. Laat niemand denken dat God, door dit te doen, de mens in een te lage positie plaatst. Hij brengt hem naar waar hij hoort. Het zal heerlijkheid opleveren. Wij willen nu aantonen wat er gebeurde, toen voor het eerst aan de mens heerschappij werd verleend. Daarvoor lezen wij enkele teksten, die ons opheldering geven. We zullen zien, dat God aan de mens erg duidelijk laat zien, hoe onbekwaam die is om te regeren. En dat is ook zo, als hij de doodstraf mag geven als macht om te onderwerpen. We richten ons eerst op Genesis. Daar staat: van deze scheidden de natiën van de kust zich af, volgens hun landen 24 Gen.10:5. Na de grote vloed werden eerst de kuststroken bewoond, niet de eilanden. De meerderheid van de volken bevond zich op continenten, langs de kust, die veel makkelijker over zee dan over land te bereiken waren. 24 Tekst volgens A.E. Knoch 43 Er zijn verschillende scheidslijnen tussen mensen, zoals stammen, talen, volken en natiën Op.5:9. Elk van deze verschillen heeft zekere autonomie. Eerst was het een kwestie van talen, later verschillende natiën. Deze worden hier voor het eerst in de Schrift vermeld. Wat is er van deze natiën geworden? Het is waarschijnlijk niet nodig, lang bij deze vraag stil te staan. Wij weten, dat onder deze natiën ook de sodomieten waren. Van de inwoners van Sodom weten wij, dat zij boosaardig en zeer grote zondaars waren Gen.13:13. Hoe het met Sodom ging is bekend. Er worden niet veel voorbeelden van de toestand van de natiën van die tijd beschreven. Maar hier hebben wij een, die ongetwijfeld typisch is. Dus daarom worden wij daar in de Schrift over onderwezen, zodat wij Gods manier van handelen met deze natiën van vroeger kennen. Die verschilt volledig van Zijn wegen met de latere en de huidige natiën. Gelovigen zijn soms van mening, dat God vandaag niet rechtvaardig met de natiën omgaat. De verhoudingen zijn gecompliceerder geworden. In het begin was alles eenvoudig. God wilde de inwoners van Sodom allemaal vernietigen. Abraham vond echter dat het niet eerlijk was om de hele stad te vernietigen, als er rechtvaardige mensen woonden. Zo stelde God hem op de proef. Waarom? Om hem en ons te laten zien, dat Hij niet onrechtvaardig handelt, wanneer Hij de natiën richt. De vraag was hoeveel rechtvaardigen nodig zijn om God ervan te weerhouden Zijn toorn over Sodom uit te gieten. Abram begon met een klein aantal, gemeten aan het totaal van de inwoners. Hij dacht, dat er misschien vijftig rechtvaardigen in de stad 44
Page 44
zijn. Ten slotte ging hij terug naar tien, en God verzekerde hem, dat Hij de stad niet zou verwoesten, als daarin tien rechtvaardigen waren Gen.18:20-33. Abraham dacht misschien dat er nu geen gevaar meer was, dat hij de stad zou redden. Uit dit alles kunnen wij ons nu een beeld vormen van hoe het er in deze stad uit moet hebben gezien. Dat is een goede les voor ieder, die graag zou proberen een modern Sodom van onze tijd vrij te pleiten. Maar is dat Gods bedoeling? Zonder de minste aarzeling kunnen wij zeggen, dat het voor God eenvoudig geweest was onze steden schoon te spoelen, als Hij dat wilde. Hij wil aantonen wat voor soort mensen in onze steden leven. Hij wil hen voorbereiden op de toekomstige goddelijke regering. Daarom laat Hij hen hun eigen, verderfelijke wegen gaan. Zodat bewezen wordt, dat zij zonder Hem verloren zijn. Alles heeft zijn tijd; wij kunnen dit ook met ons gebed niet voorkomen. Er zijn andere Schriftgedeelten, die op zijn minst zinspelen op de toestanden van die dagen. Tegen Abram zei Jahweh: de vierde generatie zal hier terugkeren, want de maat van de ongerechtigheid van de Amorieten is tot nu toe niet vol Gen.15:16 hSV Daarin ligt veel besloten. Onder meer, dat God Zijn volk niet toestaat anderen te oordelen, voordat de tijd daarvoor gekomen is. Maar het belangrijkste is het feit, dat God in die tijd nooit een gericht over de mensen bracht, voordat de omstandigheden daartoe rijp waren. Dus voordat de mensheid haar eigen zwakheid en onvermogen zo volledig had bewezen, dat verder wachten voor hen geen nut meer had. Het lijkt wel, of we nu nog in zo’n fase leven. 45 Wij staan voor een crisis, die erg lijkt op die van Israël bij het betreden van het beloofde land. Vele jaren bracht God hen nog niet in Kanaän. Er waren daar zeven natiën Ex.23:23, en God stond Zijn volk niet toe ze te richten en uit te roeien, voordat de bestemde tijd gekomen was. Want toen hadden zij in alles dat geopenbaard, wat God Zich voor hen had voorgenomen. God houdt Zich ook nu nog in, maar het verval lijkt steeds sneller te gaan. Er zijn op aarde ver uiteenlopende regeringsvormen. Maar er is bijna geen enkel volk tevreden met de regering. Geen enkele is ideaal. Het woord van God laat ons duidelijk zien, wat het einde van alle gebrekkige pogingen van de mensen zal zijn. De tijd komt, dat de Heer aanwezig zal zijn. En Hij zal in gerechtigheid regeren. Maar als Hij komt, zal alles anders zijn; alles, wat Hij doet, doet Hij in gehoorzaamheid aan God en in Zijn Naam. Er zijn veel mensen die het duizendjarig koninkrijk nu al opgericht willen zien. Maar dat komt niet overeen met het plan van God. De mens moet laten zien, wat hij wel en niet kan. Wij zouden in ootmoed met God overeenstemmen en als verstandige mensen handelen. Omdat wij weten, dat God een ander tijdpad heeft. Wij mogen vertrouwen, dat Hij alles ten goede uitvoert, op Zijn tijd. De regering van God God laat de mensen eerst de meest verschillende vormen van regering proberen. Dat richt Hij zo in, om aan ons en al Zijn schepselen te laten zien, dat zonder Hem geen perfecte regering bestaat. Pas in de voleinding zal God Zelf alles in allen zijn, en heel de mensheid is dan aan Hem 46
Page 46
ondergeschikt 1Kor.15:28. De volmaakte regeringsvorm is er wanneer de mens niets meer kan bepalen. Dat is zo als God, de Schepper, door Christus ook de Verzoener, allen tot liefdevolle onderschikking aan Zichzelf heeft gebracht. De enige weg tot volkomenheid is: je volledig onder God opstellen. En: de mens volledig uitschakelen. Vandaag is het zo: hoe slechter een regering is, hoe beter God ons het onvermogen van de mens demonstreert. Het was niet Gods bedoeling, dat de huidige regeringen goed zijn. Het is Zijn bedoeling duidelijk te tonen, dat zonder Hem geen goede regering mogelijk is. Wie daarin teleurgesteld is, heeft Gods raadsbesluit nog niet erkend. Maar het maakt niet uit hoeveel of hoe weinig goede eigenschappen een regering heeft, wij zouden ons aan de boven ons gestelde overheid onderschikken Rom.13:1. Tot nu toe is onze aandacht op allerlei regeringsvormen in het verleden gericht. Wij zagen, dat anarchie gedoemd was te mislukken. Toen constateerden we, dat de direct na de grote vloed regering aan mensen toevertrouwd werd. Ook werd de mens volmacht gegeven het leven af te nemen van hem, die het bloed van mensen vergoten had Gen.9:6. Dit is trouwens het verschil tussen executie en moord. Na deze eerste vorm van regeren werd in Israël een theocratische regering gevormd. Terwijl God het Hoofd van Zijn volk was, had hun hart zich zo ver van Hem verwijderd, dat zelfs deze regeringsvorm een mislukking werd. Als wij de boeken Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium lezen, en Jozua, Richteren en het eerste boek Samuel, dan zullen we zien, dat er in Israël geen 47 koningen waren, wel richters. Hun koning was God. Dus was het feitelijk wat wij een goddelijke regering kunnen noemen. God was het, Die regeerde. Een klein voorproefje zien we bij Abraham en Sodom. Aan Sodom was niet alleen te zien hoe diep de natiën gezonken waren. Ook werd door Abraham de missie van Israël inzake de natiën vooraf geschaduwd. Dat heeft Israël in het algemeen nooit begrepen, en ook nu nog niet. Desondanks nemen zij in Gods plan dezelfde plaats in die Abraham had. Het door vier koningen onder de voet lopen van Sodom en het gevangen nemen van de inwoners was typerend voor de natiën in de wereld Gen.14. Maar ook voor conflicten daarna. De enige mogelijkheid tot redding lag in deze, met God verbonden aartsvader Abram. Hij vertegenwoordigde geen natiën, maar hij had nogal wat mensen onder zich. Hij was in staat vier natiën te verslaan, die toen als groot golden. Dat geeft ons een idee wat een volk, dat met God in gemeenschap leeft, kan bewerkstelligen. De geallieerde koningen verwoestten de hele stad Sodom en voerden de inwoners gevangen weg. Abram ging hen met zijn manschappen achterna. Zo kon hij de gevangenen bevrijden, terugbrengen. God ontfermde Zich over Israël zodat het voor de volkeren tot zegen kon zijn. De enige reden waarom zij nu niet tot zegen zijn, is hun van God vervreemde toestand. In een theocratie regeert God Zelf de Zijnen door middel van zichtbare gebeurtenissen. Velen zouden willen, dat Hij dit ook nu nog doet; maar het is daar nu niet de tijd voor. Konden we de mensen er maar toe brengen de dingen daar te laten, waar ze volgens de Schrift thuishoren, en niet alles 48
Page 48
door elkaar te mengen! Tekenen en wonderen zijn vandaag niet door God voorzien. Maar zij waren dat wel gedurende de goddelijke regering, toen God Zijn volk door zichtbare manifestaties regeerde. Goed voorbeeld was de vuurkolom of de wolk boven de tabernakel. Door deze tekenen leidde Hij hen door de woestijn. Zij mochten niet daar waar zij zelf wilden, gaan. Zij moesten volgen waar Hij wilde. Daarin waren zij gehoorzaam Ex.13:17-22; 40:34-38. Bovendien hadden ze nog de loten. Deze bevonden zich in een soort zak op de borst van de priester, en als er iets moest worden besloten, werden ze gebruikt, net zoals bij het verloten van het land, toen ze Kanaän binnentrokken. God verdeelde het land onder hen door loting. Dat is niet met tegenwoordige loterijen te vergelijken. Bij de verloting door God kreeg iedereen zijn deel, niemand ging met lege handen weg. Al deze dingen deed God onder de theocratie. Ook stelde Hij vertegenwoordigers aan in Zijn plaats, die aan de top van het volk stonden. Zo kozen de Israëlieten Mozes niet zelf. Als ze zelf de keus hadden gehad, dan hadden ze hem liever weggestemd in plaats van aangesteld. Ze hebben dat ook geprobeerd, maar zonder succes. Telkens als Israël ongehoorzaam was, werden ze aan hun vijanden overgeleverd. Deden zij in hun nood boete en keerden ze naar God terug, dan verwekte God een man, die hen leidde en redde. Zo verliep de geschiedenis tot aan Samuël. Daarna hadden ze priesters, die over hen regeerden. Deze verlieten zich niet op hun eigen oordeel, maar zij ontvingen tekenen. En zij hadden visioenen die duidelijk maakten, wat God wilde. Bovendien volgde het 49 gericht onmiddellijk op de daad. Nu is dat niet zo. In die tijd moest iedereen goed op zijn tellen passen; want zowel een persoonlijk als een nationaal gericht volgde op de voet. Gedurende de tocht door de woestijn was het relatief eenvoudig. De gehele natie als zodanig ging het beloofde land binnen. Maar van de mensen die uit Egypte vertrokken waren, kwamen -behalve Jozua en Kaleb- allen in de woestijn om als gevolg van het goddelijk gericht. Het kan niet vaak genoeg benadrukt worden, dat een groot verschil bestaat tussen wat individueel en wat nationaal is. In de wildernis bleef de natie Israël ongedeerd. Maar individuen, die Gods verontwaardiging op zich laadden, bereikten het beloofde land niet; ze kwamen onderweg om. Wij zien bovendien, dat God in de theocratie andere natiën als tuchtmiddel gebruikt om Zijn eigen volk te richten. Zodra Israël afvallig werd, wachtte Hij niet, maar stuurde hun buren erop af, om ze naar Hem terug te brengen. Dit geldt voor de natie, niet voor enkelingen. Toen Israël als natie ongehoorzaam werd, werd een aantal andere natiën gedwongen hen te vervolgen. God richt Zijn volk om hun bestwil; niet om hen kwaad aan te doen. In de theocratie schiep God twee speciale instellingen, waarvan één de wet25 was. Deze diende om de relatie tussen individuele mensen te regelen. Dat is in een natie nodig, zodat allen met elkaar overweg kunnen. Deze wet werd door God Zelf aan Israël gegeven en was dus een goddelijke wet. Deze is onvergelijkbaar. De wetten van 25 Hebreeuws is Thora, dat onderwijzing betekent. 50
Page 50
andere natiën kunnen zich daar niet mee meten. Steeds weer wordt gezegd, dat een (groot) deel van de wetten van een land aan de Mozaïsche wet ontleend is. Dat zou heel goed zijn als het klopte, maar meestal zijn ze vooral op Romeinse rechtspraak gebaseerd. Werd ooit een van de wetten van Israël herroepen? Nee, want de wet is uitstekend 1Tim.1:8. Het is nauwelijks voor te stellen, dat zo’n oude wet, die duizenden jaren geleden werd gegeven, geen verandering onderging. In andere natiën werden sindsdien ontelbaar veel wetten, geboden en voorschriften gemaakt en weer veranderd. Gods wet echter blijft onveranderd. Geen enkele andere natie dan Israël heeft zo’n wet; deze zal tot in het koninkrijk voortduren. Dan wordt die wet in hun hart geschreven en zij zullen onder die wet zijn. Maar God zij dank, dat wij niet onder wet zijn, maar onder genade Rom.6:14; Gal.5:18. Belangrijk was ook de tweede, door God gegeven inzetting met het oog op de harten van de Israëlieten. Dat is het goddelijk ritueel. Als God te midden van mensen woont, moeten daar ook voorzieningen zijn, opdat ze Hem kunnen naderen zonder te hoeven sterven Ex.33:20. De gedachte van een ‘staatskerk’, waar regering en kerk één zijn, is nu niet te realiseren, ook al lijkt dat ideaal. Een geestelijke, levende geloofsgemeenschap kan niet met een echt seculiere regering samengaan. De gelovigen van nu hebben geen deel aan de regering van de volkeren. Maar wij gaan op een dag wel regeren 2Tim.2:12. Een regering van welke vorm of richting ook, is gedoemd te mislukken, als die niet aan God onderschikt. Dat is de 51 gang van menselijke regeringen en wetten, los van God. Wij mogen dankbaar zijn, dat Hij ons hiervoor de ogen opende. Eén ding is zeker: wij zouden onderschikkend zijn aan de boven ons staande overheden, omdat zij onder/door God zijn gesteld Rom.13:1-7. Het regeren van God door richters Veel mensen vragen zich af, waarom God dit of dat niet doet, wat naar hun mening toch nodig is. Maar wie Zijn wegen kent en weet dat Hij een bepaald tijdplan heeft, waarin Hij al Zijn doelen realiseert, zal niet alleen inzien, waarom Hij bepaalde dingen nu niet doet. Maar diegene zal óók begrijpen, dat het volledig onjuist zou zijn, als Hij doet wat de meeste mensen graag willen. Heel wat mensen zijn verbaasd, dat God tegenwoordig geen oordelen velt. Waarom mogen sommige natiën steeds kwaad doen en daarbij groeien en bloeien, terwijl andere, die zoiets niet doen, vernietigd worden? Toen ik nog jong was, werd ik diep getroffen door de aanblik van een grote natie, die een kleinere te gronde richtte, en dat om geen andere reden dan het eigen zelfzuchtig voordeel. Deze kleine natie leek godvrezender te zijn dan alle andere, het hele leven was met de bijbel verbonden. Desondanks werd ze vernietigd en bestond niet langer als natie. Vandaag weet ik waarom, destijds wist ik het niet. Iets dergelijks is tijdens de menselijke geschiedenis vaak voorgekomen. Maar er was een tijd, dat God anders met de natiën omging en hen vrijwel onmiddellijk voor hun daden richtte. Denk aan Sodom. Alle inwoners werden door God nog tijdens hun leven vernietigd, omdat zij zondigden. Hij wachtte 52
Page 52
niet op de grote witte troon, om ze individueel te veroordelen (wat Hij nog zal doen). Maar Hij richtte het volk ter plekke. Op deze manier, en nog daadkrachtiger dan bij Sodom, zal Hij ook handelen als Hij zelf het Hoofd van de natiën is geworden Op.19. Nu laat Hij die jurisdictie over aan de overheden Rom.13:4, om de gebrekkigheid van hun regeren te kijk te zetten. Voordat wij kijken naar Gods huidige handelwijze, willen wij eerst theocratie (regering rechtstreeks door God), de geestelijke regeringsvorm uit het verleden, nagaan. God had die Zelf voor Zijn volk Israël bestemd. In het begin werd helemaal geen koning gegeven. Aan hen werd de wet van God en het priesterschap gegeven, zonder seculiere heerser. Zij hadden geen koning nodig, want iedere interne en externe situatie beoordeelde de priester. Hij bezat een onfeilbaar, door God geleid vermogen om te bepalen wat juist en fout was. Het is meteen duidelijk, dat dit superieur is aan elke andere regeringsvorm. Hoeveel verdriet en leed zou mensen bespaard blijven, als wij vandaag zonder enige twijfel of onzekerheid inzien, wat goed en kwaad is! Gedurende de theocratie in Israël, in het begin zonder koning, was het niet alleen mogelijk om te bepalen wat goed en fout was. Want ook het gericht volgde - min of meer - op de voet. Onrecht werd zonder aarzeling bestraft, gecorrigeerd. Gericht bestond niet alleen uit straffen, maar vooral uit terechtbrengen. Daartoe bestaan natiën, zij zouden het recht uitvoeren; recht spreken en terechtbrengen. Dit was ook de taak van 53 de priesters van die tijd, samen met de richters, die God later verwekte. Wij zouden makkelijk kunnen besluiten de theocratie te erkennen als de enige perfecte regeringsvorm. Waarom? Omdat God de Enige is, Die werkelijk weet wat goed is. Hoezo was het dan geen succes? Omdat God deze volmaakte regeringsvorm eerder aan Zijn uitgekozen volk gaf dan aan alle andere. Dat deed Hij, om aan de mensheid - en speciaal aan Israël - te tonen, dat zij uit zichzelf niets kunnen. De reden is, dat in het menselijke vlees het goede geen woning maakt Rom.7:18. Maar in het begin kon Hij de regering niet gewoon aan mensen overlaten. Hij moest ze eerst laten zien, hoe dat moet. Daartoe was de beste regeringsvorm nodig. Dus begon Hij ermee Israël een regering te geven, die in zichzelf volmaakt was, én die eens zal terugkeren. Tijdens het duizendjarig rijk zal in de praktijk een theocratische regering door Christus gevoerd worden. En dat nog meer in de volgende era. Want God zal dan te midden van de natiën wonen. Daarna de voleinding, als God alles in allen zal zijn 1Kor.15:28. Zonder Gods directe inwerking kan geen volmaakte regering bestaan. Aan ons en heel de schepping wordt hierdoor iets duidelijk. Israël had deze volmaakte regeringsvorm. Daarin faalde het niet alleen; het volk hield er ook niet van. Zij stonden zelfs tegen God op. Is dat niet de beste illustratie van wat in het vlees van de mens zit? Het is de moeite waard om vast te stellen, hoe alles zich onder theocratie afspeelde. Eerst zond God aan het volk Mozes, Jozua en diverse richters (beoordelaars). Daarna 54
Page 54
wekte Hij Samuël. Zij allen vormden een groep voordat de koningen kwamen. Maar nadat Hij die gevolmachtigden had ingezet, toonde Israël duidelijk wat in de mens woont. Deze historische passages laten ons zien, hoe zij zich verzetten tegen de goddelijke heersers. Toen was Hij in hun midden, toen redde Hij hen van hun vijanden. Hij liet hen veel wonderen zien. Hun leven in de woestijn was elke dag een wonder. Zij zagen de wolk- en vuurkolom, die hen leidde, met eigen ogen. En toch ze waren weerspannig, ongehoorzaam. Zij kwamen allen onderweg om, op twee na (er is altijd een overblijfsel), onderweg. God had Israël uit Egypte geleid, Hij had ze bewaard voor vijanden, Hij had over hen geregeerd in het beloofde land. Zijn eerste uitgekozen werktuig was Mozes; de Egyptische naam betekent: uit het water gered. Hij redde hen uit hun boeien, door de woestijn, naar de oevers van de Jordaan. Daarna volgde Jozua, zijn naam betekent Jahweh-Redder. Destijds volgde de ene redder na de andere. Maar de eerste aan wie ook een zekere mate van succes was gegund was Jozua Joz.23:1. Want hij was een type van Christus. Bij Jozua zijn niet die fouten te vinden zoals die later in Richteren zijn opgetekend. Toen ze naar het beloofde land kwamen, stelden de afzonderlijke stammen geen commissies in. (Dit is tegenwoordig gebruikelijk. Zulke commissies zouden dan namens de stammen bij Jozua proberen een speciaal stuk land toegewezen te krijgen). Nee, alles werd door het lot beslist, door God besloten. In die dagen regeerde een echte Alleenheerser, in Wiens handen alles was en is – God (EL, de Onderschikker of Scheidsrechter). Niemand kan Zijn plaats innemen. Vandaag is elke regering slechts 55 een noodmaatregel, die toen al in het verschiet lag. Zodra een richter weggenomen werd, volgde direct neergang. En zo ging het maar door, zoals in Richteren beschreven staat. Wie waren deze richters? Wij verbinden met deze titel onwillekeurig de gedachte van criminaliteit of misstappen, wat tot op zekere hoogte juist is. Maar in feite waren ze regenten in Israël. Regeren betekent beoordelen en richten. In een goddelijke regering treedt God Zelf tussenbeide als iets mislukt, en brengt het in orde. Wij mogen echter niet verwachten, dat het nu nog zo is. Omdat God het regeren in de handen van mensen heeft gelegd en niet rechtstreeks de touwtjes in handen heeft, kan dat niet meer zo zijn. Vandaag richt God niet; dat is in overeenstemming met de tijd van genade. Hij heeft een toekomstige dag waarin Hij richt, vastgelegd. Vandaag ligt richten in handen van de menselijke overheid. Als iets niet in orde is, mogen wij daar God niet van beschuldigen. Wij weten, dat alles in overeenstemming met Zijn voornemen gebeurt. Maar dat betekent nog niet, dat het ook in overeenstemming is met Zijn geopenbaarde wil. Die wil van God kan in de meeste gevallen zelfs tegengesteld zijn aan de menselijke ideeën. De laatste richter in Israël was Samuël. Tegelijk was iets treurigs aan de hand. Het verval van de priesterorde. De zonen van Aäron stonden in verbinding met God. Zij waren in de positie om te kunnen bepalen of iets juist of verkeerd was. Maar ook zij waren vleselijk. Eli was geen slecht mens, maar zijn zonen waren verdorven 1Sam.2:12. Samuël was een heilige, een man van God, van zijn zonen wilde het volk echter niets weten. Wij zien dus, hoe zelfs 56
Page 56
het priesterschap, dat toch in rechtstreekse verbinding stond met God, faalde. Dat is een van de ergste kenmerken van de huidige afval van God. In veel delen van de wereld is het falen van de regering grotendeels toe te schrijven aan het volledige falen van hen, die met God in verbinding moesten staan. Denk aan de landen, die als natiën zelfs atheïstisch (God loochenend) zijn. Hoe kwam dat? Door de kerk, die voor hen de vertegenwoordiger van God en van het geloof is. Die was zo goddeloos, dat zij ongetwijfeld een groot deel van de schuld draagt. Veel minder is dat aan de regering of individuen toe te schrijven. Alles wat ze van God wisten was uit en door de zo genoemde staatskerk, die hen tegen God keerde door haar wereldse gedrag. Vast staat, dat er geen volmaakte regering kan zijn zonder een verbinding met God. Hij is de Enige, Die werkelijk kan regeren. Is het contact met Hem verstoord, dan wordt een goede regering onmogelijk. Zodra een kerk seculiere macht nastreeft én die ook verkrijgt, komen grote verleidingen op haar af. Een kerk met politieke macht is niet in harmonie met de wil van God. Vanwege de zwakheid van het vlees is zelfs het regeren door God mislukt. Onder de natiën kan zonder nieuwe schepping geen volmaakte regering zijn. Maar het wordt anders wanneer de natie Israël wedergeboren is. Dan zal ook de grote, gezalfde Priester-Koning aanwezig zijn. In die situatie zullen de Israëlieten niet alleen voor zichzelf een goede regering hebben. Maar zij zullen over de hele aarde, over alle natiën in gerechtigheid regeren. Dan zullen 57 ook de leden van de uitgeroepen gemeente die het lichaam van Christus is, te midden van de ophemelsen hun opdracht uitvoeren. Zij werden tijdens het huidige geheime beheer uit alle natiën verzameld. Zij zullen aan de boodschappers en soevereiniteiten God liefde, wijsheid en gerechtigheid bekend maken, tot alle opperheerschappij, gezag en macht opgeheven, alles aan God ondergeschikt en Hij alles in allen is 1Kor.15:28. Israël onder de wet Er zijn oordelen met straffen van verschillende zwaarte, waarmee God Zijn volk Israël tuchtigt. Ook het individu wordt individueel gericht, rekening houdend met het licht van kennis, dat gegeven is. Zij, die onder de wet waren, werden volgens de wet gericht. Hoewel de wet vanaf het begin streng was, verdienden zij nog niet het meest zware gericht zoals dat hen later overkwam. Dat kwam nadat zij erkenning van de waarheid hadden gekregen Hebr.10:26-31. In de Mozaïsche wet lezen wij: Als in uw midden, binnen een van uw poorten, die de Jahweh, uw Elohim, u geeft, een man of vrouw gevonden wordt, die doet wat slecht is in de ogen van de Jahweh, uw Elohim, door Zijn verbond te overtreden, en als deze persoon andere goden (elohim) gaat dienen en zich voor die neerbuigt, of voor de zon, de maan of heel het leger van de hemel, wat Ik niet geboden heb, en dat wordt u verteld en u hoort dat, dan moet u het goed onderzoeken. En zie, is het de waarheid, staat de zaak vast, is zo’n gruwelijke daad in Israël 58
Page 58
gedaan, dan moet u die man of die vrouw, die deze wandaad verricht heeft, naar buiten brengen, naar uw poorten, die man of die vrouw, en u moet hen met stenen stenigen, zodat zij sterven. Op de verklaring van twee of drie getuigen moet hij die dient te sterven, gedood worden; hij mag niet gedood worden op de verklaring van slechts één getuige. Eerst moet de hand van de getuigen zich tegen hem keren om hen te doden, daarna de hand van heel het volk, zo moet u het kwaad uit uw midden wegdoen Deut.17:2-7 hSV Dit is wat de wet, door Mozes overgeleverd, zegt. In onze dagen lijken veel heiligen de wet terug te willen. Maar hoe kan iemand, die de genade van God proefde, willen afdalen van die hoogten van genade naar het drijfzand van de wet? Na de genade van God te hebben ervaren, wil je dan terugkeren naar de wet? Maar we kunnen steeds weer vaststellen, dat mensen zich maar niet realiseren, dat in het vlees het goede geen woning maakt. Zij roepen om de wet, in plaats van zich aan de genade toe te vertrouwen. Al wat de ervaring van Israël onder de wet moest leren aan de schepselen, is een eenvoudige les. Zolang iemand op zichzelf vertrouwt en op wat hij zelf doet, resteert voor diegene niets dan het gericht. Dat was toen het fundament. De schrijver van deze verhandeling stuitte op een bijdrage in een tijdschrift, waarin getracht werd iedereen onder de wet te brengen. Zij die zich godvruchtig noemen, schijnen niet te kunnen ontkomen aan de gedachte, zich aan de wet te moeten onderwerpen. Het belangrijkste twistpunt leek te zijn, dat de mens onder Gods morele wet moet staan. 59 Aan de overige punten hoeft men dan niet te voldoen. Maar, noch in de Hebreeuwse, noch in het Griekse tekst is een spoor van zo’n onderscheid te vinden. Wat moeten wij ons dan bij Gods morele wet voorstellen? Ook het Lexicon maakt ons niet wijzer als wij naar het trefwoord moraal kijken. Het definieert dit begrip onder recht en onrecht. Maar het grootste deel van de wet handelt juist over recht en onrecht, zodat bijna geen enkele van de Mozaïsche geboden geen morele betekenis heeft. De genoemde bijdrage vermeldde, dat de ceremoniële wet aan het kruis genageld was. Maar verder werd gezegd, dat de tien morele geboden van God met Zijn eigen stem op de berg Sinaï werden verkondigd. Het kan zijn, dat de term morele wet in de inleiding van een of andere vertaling verscheen, maar in heel de Schrift is daarvan geen sprake. Ons wordt verteld, dat de wet uitstekend is 1Tim.1:8. Hij is volmaakt en bindend. Zou onze Heer dat dan niet geweten hebben? Hij zei: U hebt gehoord, dat tegen de ouden gezegd is: U zult niet doden; en: Wie doodt, zal door de rechtbank schuldig bevonden worden. Maar Ik zeg u: al wie ten onrechte boos is op zijn broeder, zal schuldig bevonden worden door de rechtbank Matt.5:21,22a. Dat is nog veel moreler dan de wet, het gaat veel dieper, het is geestelijk; raakt het hart. De Heer zei ook: 60
Page 60
Al wie tegen zijn broeder zegt: ‘Raka’ zal schuldig bevonden worden door de Raad (Sanhedrin). Maar al wie zegt ‘dwaas’ die zal schuldig bevonden worden tot het helse vuur (lett: gehenna26 van vuur) Matt.21:22b. Wie heeft dat nooit gedaan? Deze vermaning gaat veel verder dan de in steen gebeitelde wet. Weer lezen wij: U hebt gehoord dat tegen het voorgeslacht gezegd is: U zult geen overspel plegen. Maar Ik zeg u dat al wie naar een vrouw kijkt om haar te begeren, in zijn hart al overspel met haar gepleegd heeft Matt.5:27,28. De wet van de Sinaï is de basis, deze bevat alleen de kernprincipes van de geboden. De door Christus gegeven wet gaat veel verder, hij kondigt de uitvoeringsregels aan. Zo staat er: verder hebt u gehoord dat tegen de ouden gezegd is: u zult de eed niet breken, maar u zult voor de Heer uw eden houden. Maar Ik zeg u: zweer in het geheel niet Matt.5:33,34. De in Hebreeën 10:29 genoemde misdaad is iets veel ergers, dan al wat Israël onder Mozes had kunnen doen. Destijds was het onmogelijk je zo te misdragen als later gebeurde. De aan Israël gegeven erkenning kwam niet alleen door woorden van profeten, maar ook door ervaringen van hun ontstaansgeschiedenis. God openbaarde Zich stap voor 26 Gehenna = dal Hinnom bij Jeruzalem dat in de komende 1000 jaar de afvalstortplaats van de stad zal zijn. 61 stap aan hen, maar zij waren blind voor wat zij hadden moeten zien. Dit vond allemaal plaats onder de wet. De generatie die deze ontving, werd in de woestijn begraven. Ook Mozes werd overeenkomstig de wet geoordeeld. Zijn dienst was de bediening van de dood, van de in steen gebeitelde letters 2Kor.3:7, niet een dienst van leven. Ook gedurende de tijd van de richters faalden allen. Leerden zij van hun fouten? In die dagen was God hun Heerser, maar zij verwierpen Hem 1Sam.10:19 en vroegen om een koning, zoals de andere volken die hadden 8:4,5,7. Eerst gaf God een koning, zoals ze wilden: Saul 10:24. Later gaf God puur uit medelijden koning David 1Sam.16:13; 2Sam.2:1; 5:3. Zelfs na al hun zondigen en verbanning uit hun vaderland Mat.1:11; 2Kon.24:14 bracht Hij hen weer in hun land terug. Toen de tijd van vervulling kwam, zond God Zijn Zoon Gal.4:4. Christus bracht erkenning die ver boven de wet uitging. Maar Hij moest Zijn discipelen lang voor de voleinding van Zijn dienstwerk zeggen, dat zij Hem niet langer als de Messias moesten verkondigen Marc.8:31; Luc.9:21,22, omdat Israël Hem verworpen had. Na alle opvoeding, die ze via richters, koningen en profeten kregen, verwierpen zij zelfs Degene Die die aan hen de wet had gegeven. Zelfs toen zij Hem ter dood brachten, gehoorzaamden zij niet aan de wet, waaraan ze zogenaamd in alles toch voorrang gaven. Zij doodden Hem niet door steniging, maar veel meer schandelijk. Ze deden het allerergste met Hem. God verhoorde Jezus’ gebed en vergaf het volk Luc.23:34. Toen kwam Petrus met een bediening, die veel verder ging dan alles wat ze eerder ontvingen. Petrus zegt, dat ze een 62
Page 62
uitgekozen geslacht zijn, een koninklijk priesterschap, een heilige natie 1Petr.2:9-12. Hij draagt de gelovigen uit Israël op, zich goed te gedragen onder de natiën. De geest werkte onder hen op een manier die tot dan toe ongekend was. God wendde zich vervolgens tot een natie die vaak gewaarschuwd en onderwezen was. Een natie, die ook herhaaldelijk Gods boodschap verwierp. De Hebreeuwse gelovigen vormden een apart lichaam in de Handelingen-tijd. Zij werden daarna samengevoegd met de gelovigen uit de natiën. Zo ontstond toen het gezamenlijk-lichaam, overeenkomstig het geheimenis van het huidige beheer Ef.3:1-13. Nog tijdens hun onmondigheid ontvingen de gelovigen uit de natiën de vroegere paulinische brieven. Zo werden zij voorbereid op de alles overstijgende waarheden van de volkomenheidsbrieven. De Hebreeën ontvingen de brief die hun naam draagt. Deze moest bij hen de weg voor de geestelijke, ophemelse zegeningen effenen. Dat leidde hen weg van de vroegere, ziels-aardse verwachting en bestemming. Volgens de Schrift waren de Hebreeën heilig, of zij nu gelovig waren - of niet. Zij waren Gods volk, zij bezaten een heiligheid, die wij niet kunnen hebben. Steeds weer, in de loop van hun geschiedenis, werd aan Israël een zekere genade gegeven. Die is echter niet te vergelijken met de genade, die ons geschonken is. Na al hun falen bestaat voor de ongelovigen onder hen geen hoop wat betreft het koninkrijk. Zij worden in de voleinding samen met de rest van de mensheid én levendgemaakt én gerechtvaardigd 1Kor.15:24. Geen enkel Besnijdenisgeschrift spreekt over de voleinding. Dit thema ligt geheel buiten hun gezichtsveld. 63 De schrijvers van deze geschriften waren vertrouwd met Hem, Die zegt: Mij is de wraak! Ik zal vergelden! Hebr.10:30; Deut.32:35 Vergelding en wraak zijn geen genade. Daarom staat iets verderop: Vreselijk is het, te vallen in de handen van de levende God! Hebr.10:31 Maar wij kunnen in vertrouwend geloof zeggen, dat het wonderbaar is in de handen van God te vallen en geborgen te zijn. David mocht ooit kiezen en wilde vallen in de handen van God in plaats van die van mensen 2Sam.24:12-14. Het is zeker verreweg het beste in de handen van God te vallen. Niet in die van mensen of van jezelf. Vandaag regeert de genade, en niet de wraak. Saulus van Tarsus was erger dan de rest Hand.8:3; 9:1,2 en kon zich met recht de eerste van de zondaren noemen. Wat Paulus toen ontving en wat ons geschonken is, is niet alleen genade. Het is de rijkdom van de genade van God. Dat is een groot verschil. Als Christus niet voor Israëls zonen had gebeden, dan was het ondenkbaar dat ook maar één, afgezien van Zijn volgers, kon ontsnappen. Maar deze genade, die wij ontvingen, zet Paulus niet eenvoudigweg als dertiende apostel in het koninkrijk. Nee, hij springt als het ware over het aan Israël beloofde koninkrijk heen en gaat de nieuwe schepping binnen. De enige mogelijkheid om aan het vlees te ontsnappen is voor de meeste mensen de dood. Maar het is geweldig om te weten, dat Christus niet alleen stierf, maar ook opstond en naar de Vader werd 64
Page 64
weggenomen. En dat wij in Hem zijn. Dat schenkt ons de rijkdom van Zijn genade. Kwijtschelding van zonden – bewijs van genade De schuldenaar van tienduizend talenten werd zijn schuld uit medelijden kwijtgescholden Matt.18:23-27. Als dat echter alles is wat ons gegund wordt, zijn we niet erg gelukkig. Uiteindelijk moest de man toch het bedrag terugbetalen, omdat zijn gedrag aanleiding gaf tot klachten. En wiens gedrag doet dat niet? De manier waarop hij toen zijn eigen schuldenaar behandelde, ondanks de ontvangen vergeving en ontferming, is een beeld van de relatie van Israël tot de natiën. Israël was een geweldige schuld vergeven, maar toen de natiën aan Israëls zegen deel wilde hebben (vgl. Matt.15:26-28), waren ze niet welkom. Petrus kreeg kritiek, omdat hij naar de niet-Israëlieten gegaan was en met hen evangelie, geloof, deelde, en met hen at (zie Handelingen 10,11). Dat was in de ogen van hen, die uit de besnijdenis waren en zij, die in Jeruzalem waren, een zonde. Maar wat Israël als natie deed, was een overtreding, waarmee ze God krenkten. Israël verzette zich ertegen, dat het evangelie ook naar de natiën ging, opdat ook zij vergeving mochten ontvangen. Daarom werd van de Israëlieten, van wie met pinksteren een grote schuld was kwijtgescholden, deze vergeving weer ingetrokken. En de gelijkenis uit Mattheüs 18:23-27 werd toen vervuld. In de Efezebrief horen wij van vergeving naar de rijkdom van Zijn genade Efe.1:7; 2:7. Dat is iets heel anders. De grote krenking van Hebreeën 6 en 10 heeft met iets bijzonders te maken. De gelovige Hebreeën keerden zich af nadat ze 65 licht ontvangen hadden en de echte wonderen door Gods hand gezien hadden. Nadat de zonde wel echt vergeven, kwijtgescholden was, kon de kwijtschelding opgeheven of teruggetrokken worden. Het is anders wanneer de krenker behandeld wordt onder Gods genade. Men moet niet beweren, dat wij in de Romeinenbrief al de volle rijkdom van Zijn genade hebben. Maar, al de daarin onthulde genade gaat heel anders met de zonde om: Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven opdat de genade toeneemt? Rom.6:1 Deze tekst lijkt velen over eigen ervaring niets te zeggen. Ten aanzien van de schuldenaar van 10.000 talenten zou moeten worden geconcludeerd, dat de kwijtschelding nog verruimd werd. Dat gebeurde echter niet, hij bevond zich bij wijze van spreken in een proefperiode. En hij had niet aan de voorwaarde voldaan zodat hij alsnog veroordeeld werd. Voor de huidige tijd plande God niet zoiets. Integendeel: waar echter de zonde toeneemt, daar stroomt de genade over Rom.5:20 Dat is natuurlijk geen vrijbrief voor krenkingen en zonden. Maar het is geruststellend te weten, dat bij al onze tekorten en -meestal onbedoelde- mislukkingen, God Zijn genade niet terugtrekt, maar doet overstromen. Men zegt vaak, dat dit een gevaarlijke vaststelling is. En dat ieder, die dat gelooft, in de zonde blijft. Wat een misvatting! God zou dat toch niet gezegd hebben, als wij daardoor tot zondigen zouden worden aangezet. 66
Page 66
hoe zullen wij die aan de zonde gestorven zijn, nog daarin leven? Rom.6:2 Wie gestorven is, maakt zich nergens meer zorgen over en kan ook niet door omstandigheden beïnvloed worden. En dat zelfs niet door zonde, dat het vlees zo makkelijk doet. Zou een dode uit het graf komen en dan zondigen? gezamenlijk met Christus Jezus werden wij door de doop in de dood begraven, opdat, evenals Christus door de heerlijkheid van de Vader uit de doden opgewekt werd, ook wij in nieuwheid van leven wandelen Rom.6:3,4. Dat gaat alleen als wij door het geloof erkennen, dat de zonde door Christus in orde werd gebracht en wij dus helemaal niets te doen hebben. Al wat God verlangde, was Zijn dood, en dat zou ook voor ons voldoende moeten zijn. Onze zonden zouden ons niet langer moeten bezighouden. Steeds weer wordt van verschillende kanten geprobeerd ons onder de wet te plaatsen. Dan wordt ons gezegd, dat: want jullie zijn niet onder wet maar onder genade Rom.6:14 vaak als alibi wordt gebruikt om de wettelijke bepalingen niet te hoeven naleven. We willen enkele teksten nakijken. Die hebben betrekking op hen die onder de wet gesteld zijn. En we kijken of de bewering klopt, dat wij alleen de veroordeling van de wet willen ontgaan en in plaats ervan de gunst van de goddelijke vergeving willen genieten. 67 voor hen die onder de wet zijn, ben ik geworden als onder de wet (hoewel ik zelf niet onder de wet ben) 1Kor.9:20 Dat klinkt niet bepaald alsof Paulus het net zo begrepen had als de voorvechters van de wet. Of we nemen deze: voordat echter het geloof kwam, werden wij onder de wet verzekerd bewaard, tezamen ingesloten voor het geloof dat op handen is om onthuld te worden, zodat de wet onze kindergeleider geworden is tot Christus, opdat wij uit het geloof gerechtvaardigd worden. Maar met het komen van het geloof zijn wij niet langer onder een kindergeleider Gal.3:23-25 De kerngeboden van de wet zijn geen bevelen, maar instructies voor de zonen van Israël, hoe zij zich zouden gedragen om gezegend te worden. God liet zien wat Zijn uitgekozen volk zou moeten doen, om de uitkiezing aan de andere natiën te tonen. Hij gaf Zijn wet alleen aan dit ene volk, verder aan niemand. Helaas verwerpen sommigen, die van de Heer zijn, de genade door deel te willen hebben aan hun redding door het houden van de wet. Die is gegeven om te overtuigen van zonde. In Christus Jezus zijn wij, anders dan degenen uit de besnijdenis die onder de wet stonden, buiten de jurisdictie van de wet. Het is al onmogelijk alle wetten van ons eigen land te kennen en te houden. Dat komt vooral omdat ze sneller veranderen en vermenigvuldigen dan dat wij ze kunnen opvolgen. Zelfs juristen hebben ze niet allemaal in hun 68
Page 68
hoofd en hebben omvangrijke naslagwerken met veel aanvullingen. Weten we zeker, dat we alle voorschriften en verboden ook echt houden? Wat Gods wet betreft, hoe beknopt en helder die ook is, we weten, dat het volkomen onmogelijk is om die volledig te houden. Waarschijnlijk waren er weinig Israëlieten, die het in het houden van de wet zo ver brachten als Mozes. Hij rebelleerde er niet tegen zoals het volk, maar ook hij faalde om elk gebod van God na te volgen, en werd gestraft Deut.32:48-52; 34:5,6. Hij stierf onder de wet, die wel kan doden, maar geen leven geven. De genade van God Tegenover de wet staat de genade van God. De waarheid voor de tegenwoordige tijd begint met de terzijdestelling van Israël Hand.28:26-28. Hoelang dat duurt weet niemand, behalve God. Maar wij mogen iedere dag, elk moment rekenen met de komst van de Heer en onze wegrukking, om Hem te ontmoeten in de lucht. Aan hen die onder de wet zijn, kleeft altijd een tekort, omdat alles afhangt van hun eigen inspanningen. Alle mislukkingen moeten er zijn, want zij passen in Gods voornemen, opdat de mens zou leren wat in de mens is. Veel mensen zijn enorm teleurgesteld over de toestand van de wereld. Wie niets van de waarheid van God weet, kan in deze verslechterende situatie makkelijk vertwijfeld en verward raken. Zoals de dingen gaan, ontmoedigen die ons wanneer wij niet zeker wisten, dat God daarmee een bedoeling heeft. Hem zij de dank, dat Hij alles ten goede doet samenwerken. Wetend, dat alles in overeenstemming is met Zijn raadsbesluit en Zijn voornemen vervult. Zoals 69 bij Israël, zo is het ook bij alle andere volken. Alle mislukkingen van het volk van God waren noodzakelijk, opdat wij -en het hele universum- kunnen beseffen, dat in het vlees niets goeds woning maakt Rom.7:18. Hoe kan God alles in allen worden als wij dit niet leren, en verder op vlees vertrouwen! Als de schuldenaar van de tienduizend talenten de genade van God had ontvangen, dan zou hem de vergeving niet meer ontnomen zijn, ongeacht wat hij gedaan had. Het komt hierop neer: als hij de genade van God had gekend, zou het nooit bij hem zijn opgekomen zijn medeslaaf zo slecht te behandelen. Hadden de Joden ook maar een flauw vermoeden van de genade in het algemeen gehad tijdens Handelingen, dan hadden ze zich nooit zo afwijzend tegenover de natiën opgesteld. Ze zouden het Petrus nooit kwalijk hebben genomen, dat hij naar onbesnedenen toe ging en met hen at Hand.11:3. Zo is het ook nu. De kracht van Gods genade is de enige basis voor een God-welgevallige wandel. Van het vlees verwacht Hij niets. Het volk Israël werd opgevoed om de Messias te ontvangen. Zij hadden de heilige Schriften die duidelijk maken wie de Christus is. Juist omdat ze zo lang en zo intensief zijn onderwezen, zijn ze van alle natiën tot Gods grootste schuldenaar geworden. Intussen wijzigden de verhoudingen grondig. De gelovigen uit de natiën zijn nu geen gasten en vreemden van de verbondsbelofte van Israël meer, en zonder verwachting Ef.2:12. Wij hadden geen aanspraken op God, wij hadden geen land en geen belofte om te regeren. Wij hebben God op een heel ander niveau ontmoet, namelijk op het fundament van de genade. 70
Page 70
Omdat wij nu weten, dat God het vlees veroordeeld heeft tot de dood en dat wij met Christus gestorven zijn, zouden wij ons niet langer met onszelf bezighouden. Het gaat om God en de ons gegeven overvloedige rijkdom van genade. De wet verlangt een terecht gericht, de genade schenkt leven. Aan sterfelijke mensen brengt de gerechtigheid de dood, maar de genade geeft leven. dus is er nu geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn, want de wet van de geest van het leven maakt ons vrij van de wet van de zonde en de dood Rom.8:1,2 Moge niemand zich opnieuw tot slaaf laten maken onder de wet, die ons helemaal niet gegeven is! In Christus hebben wij de vrijkoping door Zijn bloed, de vergeving van de krenkingen naar de rijkdom van de genade van onze heerlijke God Ef.1:7. Hij is de God van vertroosting; moge Hij ons vervullen met alle vreugde en alle vrede in het geloof, opdat wij overvloedig zijn, in de kracht van heilige geest Rom.15:13 en ons niet laten afleiden van ons verwachtingsgoed! De ware basis van vrede De wereld spoedt zich naar een van de grootste crises van de menselijke geschiedenis sinds de grote vloed. Zelfs mensen, die niets van God willen weten, kunnen er niet omheen. Ze stellen vast, dat er iets helemaal niet in orde is, maar ze weten niet waar de oorzaak ligt. En evenmin wat zij tot verbetering van de toestand kunnen doen. Er wordt geprobeerd een nieuwe wereldorde vorm te geven, 71 maar men rekent daarbij zonder God. Om deze reden zijn alle inspanningen gedoemd te mislukken. Niemand moet nu denken, dat de schrijver van deze regels een pessimist is. Integendeel; hij is de grootste optimist. Er zal na een korte periode van gericht een duurzame vrede voor de schepping zijn. Het is zeker voor iedere gelovige een droevige gedachte om te weten, wat nog over deze aarde komt. Maar wie Gods gedachten kent, wanhoopt niet. Wij kijken met vreugde in het hart naar de toekomst. Niet omdat mensen gaan lijden, maar we leven de heerlijke voleinding tegemoet. Wat ontbreekt bij degenen die een betere wereld willen creëren, is: weten waar ze aan toe zijn. Dat is juist heel erg belangrijk. Als we wereldverbeteraars vragen waar zij zich volgens hen bevinden in Gods plan, kijken ze ons verward aan. Als iedereen zou weten, waar en wat zijn plaats is, zou niemand ontzet zijn over de weg, die men zal gaan. Als wij inzien, dat alles volgens het voornemen van God gebeurt, dan hebben wij innerlijke vrede. Geen uiterlijke vrede waar de mensen over spreken, maar echte vrede van God. Wie Gods plan kent zal met Zijn handelen tevreden zijn. Hij heeft al wat gebeurt onder Zijn controle. De toekomst is zeker, en heerlijk, wat het heden ook is. Tegenwoordig kun je allerlei ideeën vinden over wat de Bijbel leert, vooral de profetieën. Veel verwarring is al gezaaid. Mensen profeteerden, zogenaamd gebaseerd op de bijbel, wie de antichrist zal zijn. Ze vergissen zich allemaal, omdat zij niet weten, waar het God tegenwoordig om gaat. Een manier om overzicht te krijgen, is door de 72
Page 72
kalender van God27 te gebruiken en alles chronologisch te zien. Dan zien we, hoe dichtbij wij bij de tweede komst van onze Heer zijn. De meesten denken er niet aan, dat God anders handelt in verschillende tijden van beheer28. Wij leven nu in het beheer van de genade. In verhouding tot de totale tijd van de eonen, duurt dit maar kort. Helaas denken veel gelovigen nu in een allang afgelopen beheer te leven. Bijvoorbeeld onder de wet in de dagen van onze Heer of in de pinkstertijd van Handelingen. Velen hebben zich nooit verheugd over de genade die ons is gegeven, en die Paulus verkondigt. Ze zijn met het mindere tevreden, hoewel zij de volheid konden bezitten. Een eon, een era en een beheer verschillen nogal. Wij willen ons nu niet met Gods wegen met individuen bezighouden. Wel met de natiën en de al genoemde zes periodes van beheer, waartoe ze behoren. De gelovigen, de geroepen heiligen Rom.1:7, zijn met het lot van de natie waar zij in leven, nauw verbonden. Net zoals alle andere burgers van diezelfde natie. Gods relatie tot de afzonderlijke natiën kunnen wij nu duidelijker zien. Wanneer wij niet alleen vragen, hoe God alles regelt, maar waarom en waartoe Hij zo en niet anders handelt. Ook als wij uit de Schrift weten, wat Hij zal doen, sterkt het ons geloof als wij weten waarom Hij dat zo doet. De natiën bewogen zich door duizenden jaren heen steeds bergafwaarts. Eerst waren er geen natiën, de mensen waren niet ingelijfd in een statenbond. Regeringen die over 27 Uitgave: Konkordanter Verlag, Concordant Publishing Concern 28 Beheer van het geheimenis, van genade Efe.3:2,9. 73 de mensen beslisten of ze ter verantwoording riepen, ontbraken. Toen algehele verloedering de overhand kreeg, verdelgde God de mensheid van de aardbodem op acht na, die genade bij Hem vonden Gen.6:8. Nu zou men denken, dat zij die gered waren, het door hun ervaringen beter zouden doen. Nee hoor! Met het nieuwe begin begon een nieuwe neergang. Wij lezen: zoals de dagen van Noach waren, zo zal ook de aanwezigheid van de Zoon des mensen zijn Matt.24:37 Na de grote vloed rustte God de mensen toe met autoriteit. Er waren nu regeringen en natiën. Velen veronderstellen, dat God dat zo ingesteld heeft, om aan de zonde een halt toe te roepen. En dat de mens zo “gouden tijden” tegemoet zou gaan, omdat hij in staat is misdadigers aan te pakken, en een einde te maken aan de wetteloosheid. We weten, dat dat niet het geval is en dat het ook niet het geval zal zijn. Zolang de mensen op zichzelf vertrouwen en zich niet onder Gods heerschappij buigen, gebeurt het niet. Wat tot op dat moment gebeurde, waardoor Israël door God gekozen en afgezonderd werd, kunnen wij misschien begrijpen als we in de geest naast Abraham gaan staan. We kijken naar beneden in het dal van Siddim Gen.14:3. Daar woonden mensen die zich in steden hadden verenigd om elkaar te beschermen. In plaats daarvan bestreden ze elkaar en werden zo corrupt en gewetenloos, dat God tussenbeide kwam en Sodom vernietigde. Toen werd aan een nieuwe natie een goddelijke wet gegeven; er ontstond een theocratie. Nu had alles toch in orde moeten zijn. God Zelf was Koning. Wilden ze weten 74
Page 74
wat zij te doen hadden, dan konden ze via Zijn priesters rechtstreeks naar Hem toe gaan en vragen stellen. Wat zou dan nog verkeerd kunnen gaan! God laat ons als mensen veel proberen, om te laten zien, dat wij uit onszelf niets kunnen. Israël is daar een vroeg voorbeeld van. Hoewel God met hen was, hoewel Hij hen gedurende het tijdperk van de richters steeds weer redde – waren ze toen soms volmaakt gelukkig? Zeker niet. Zij wilden een koning zoals de andere natiën, een man uit hun eigen midden. Zij waren ontevreden over de regering door God. Wij zien gemakkelijk een belangrijke les uit die tijd over het hoofd. De moeilijkheden kwamen destijds voort uit het feit, dat zij deden wat in hun eigen ogen goed was. Niet wat God goed vond. Vandaag denken velen, dat, als ieder individu het juiste doet, al onze beproevingen voorbij zijn. Zelfs heiligen proberen een einde aan hun problemen te maken, door hun recht te eisen. Als wij allemaal op onze vermeende rechten blijven staan, zou dat een bron van eindeloos geruzie en onvrede zijn. Wat wij persoonlijk voor juist houden, kan onze medemens heel anders zien. En dat is nog sterker als hun belang tegengesteld zijn aan het onze. Zo was het in Israël. Het doen van wat zij juist achtten, leidde tot de ondergang, tot afvalligheid. En het kwam zelfs tot slavernij door hun buren, omdat het in de ogen van God niet juist was. Onze enige uitweg is om niet op ons recht te staan, maar om op een positieve manier vriendelijk te zijn. Dit volhouden, zelfs als dit verkeerd wordt begrepen door eigengereide mensen en het als zwakheid of zelfs domheid wordt weggezet. Zolang mannen en vrouwen, de bezittende klasse en de arbeiders, 75 natiën en staten proberen, met alle mogelijke middelen hun rechten te verkrijgen en te behouden, zullen wij gebrek en oproer, onenigheid en onderdrukking hebben, geen vrede. Omdat Israël aan de andere natiën gelijk wilde zijn, gaf God hen koningen. Israël was door God bestemd om niet alleen voor zichzelf een grote natie te worden en voor Hem op te komen. Maar zij zouden ook voor de andere natiën tot zegen zijn. Maar wat voor zegen waren zij werkelijk? God moest hen als natie vernietigen en het blad van de geschiedenis omdraaien, omdat zij ernstig faalden. Toen deed God iets heel bijzonders, wat juist ons het meest zou moeten interesseren. Hij begon de era’s van de natiën. Israël werd terzijde gesteld, en God houdt nu Zich bezig met de overige natiën. Daarbij wil Hij niet aantonen dat zij beter zijn dan Israël, maar dat zij vaak nog slechter zijn. Wij hoeven ons niet te verwonderen, dat het er vandaag de dag zo slecht aan toe gaat. Dat was te verwachten. Al wat in de geschiedenis van de mensheid gebeurde, laat duidelijk zien, hoe iedere generatie steeds weer probeert om haar eigen zaken te regelen. En het toont hoe alle mensen in alle tijden mislukken, omdat ze menen het zonder God te kunnen realiseren. Hoezo kunnen de Joden in Israël niet tot rust komen? Zolang zij hun Messias verwerpen, zullen ze niets dan verdrukkingen hebben. Tot zij naar Hem opzien, die ze aan het vloekhout hebben overgeleverd. Ze concluderen uit de woorden van de profeten over het beloofde land, dat het hun toebehoort. Dat klopt niet. Het behoort God en Zijn 76
Page 76
Christus toe en alleen diegenen, die Hem verheerlijken, kunnen recht op dit land doen gelden. De Joden gaan proberen de wereldheerschappij in Babylon te realiseren. Daar zullen zij door hun rijkdom de macht over de natiën verkrijgen. In de eindtijd zullen ze vanwege deze rijkdom de koningsheerschappij over de volkeren van de aarde uitoefenen. En die zal niet standhouden. Toch zal dit een heel andere regering zijn dan die God hen onder de Messias beloofd heeft. Daniël spreekt uitvoerig over de natiën en zegt, dat in de eindtijd er een religieuze hegemonie zal zijn. Het is dus belangrijk te begrijpen, dat aan het einde van deze boze eon er vier grote religies zullen zijn. Het christendom, dus voornamelijk de westerse wereld, zal het ergste van alle wilde dieren zijn, waar in het boek Daniel over geschreven staat. Men denkt dat het christendom is: zachtmoedig de andere wang toekeren Matt.5:39. Maar juist het tegendeel is het geval en dat komt met het profetische woord van God overeen. In die komende tijd, die bijna aanbreekt, zal Hij laten zien waartoe religieuze mensen in staat zijn. Ondanks dat wij in de tijd leven waarin ons zoveel licht gegeven is. West en oost zullen tegenover elkaar staan. Het aanstaande conflict is een machtsstrijd tussen de religies. Hoe graag we nu ook vrede willen; we moeten begrijpen, dat dit thans in strijd is met Gods plan. Vrede zonder God is geen vrede. God heeft een Man, de Heer Jezus Christus, tot Vredevorst uitgekozen, en voordat Hij op deze aarde terugkomt, is er geen vrede, die deze naam verdient. Wanneer zij zullen zeggen: Er is vrede en veiligheid 1Thess.5:3, zal het verderf 77 hen plotseling overvallen. Dit zal gebeuren omdat het dan niet meer alleen om belangen tussen de natiën gaat. Als naar Gods plan het laatste conflict begint, staat de Heer een veel grotere legermacht ter beschikking. Als Hij gaat komen, zullen Zijn hemelse boodschappers schalen van verontwaardiging en gramschap uitgieten. Dan zien de mensen dingen die zo erg zijn, zoals nooit eerder Op.16. Daarna zal daar ware vrede heersen, in de duizend jaar, de vierde eon. Eindeloze vrede komt pas als God alles in allen is 1Kor.15:28. De era’s van de natiën De tijden der heidenen noemt men meestal de huidige periode. Het is jammer, dat dit zo vertaald is, want de woorden: tijden en heidenen geven niet de juiste gedachte weer. Een belangrijk punt bij een concordante vertaling is hier: loskoppelen van tijd. Het Griekse woord voor tijd is chronos. Het woord voor seizoen, era, is in Grieks: kairos. Ook in Luthers bijbel staan verschillende Duitse woorden, waar deze beide uitdrukkingen samen voorkomen. Ze moeten onderscheiden worden. Enkele teksten maken duidelijk wat kairos betekent. Bijvoorbeeld de tijd van de oogst. De oogst haalt men in een seizoen in de loop van het jaar binnen. Men kan makkelijk in iedere maand een periode afbakenen. Maar we kennen jaargetijden en speciale seizoenen, die in karakter en tijd van elkaar verschillen. Als kinderen hebben wij weleens in een weiland groene, onrijpe appels geraapt, vóór het seizoen. Deze appels leerden ons te onderscheiden wanneer het juiste seizoen is, 78
Page 78
en iets (on)rijp is. Weinigen van ons hebben deze les meer dan één keer nodig; ervaring is een goede leermeester. Desondanks is consumeren van onrijp fruit lang niet zo schadelijk als het minachten van geestelijke seizoenen. Er is nogal wat in de Schrift dat niet in de huidige era past. Het ergste is: terugkeren onder de wet. De gevolgen zijn groots, het zuigt de kracht van ons geestelijk leven weg. Iets dat velen denken van ons te moeten verlangen, is: rechtvaardig leven. Dat moet dan als wij gelovig geworden zijn, omdat wij anders niet gerechtvaardigd kunnen worden. Dat is verraad aan de genade. De era komt, dat wij met Christus zullen regeren. Maar vandaag onderschikken wij ons aan de seculiere overheden en hun voorwaarden. De era die vrucht zal brengen komt, maar dat duurt niet heel lang. Zo is er onder andere ook een seizoen voor de vijgen. Zonder geestelijk inzicht begrijpen wij niet waarom de Heer probeerde vijgen te vinden op de verkeerde tijd Mark.11:12-14. Destijds hadden de discipelen het waarschijnlijk ook niet begrepen. Vandaag is het echter duidelijk: Christus was in volledige harmonie met Gods gedachten. Hij ging naar de vijgenboom om te laten zien, dat het niet Gods seizoen (era) voor Israël was om vrucht te dragen. Het verwachte koninkrijk kwam toen niet. Het was er niet de juiste, door God geplande era voor. De Heer wist dat en liet het hier aan Zijn discipelen zien. Handelingen wijst op een feit waar we op moeten letten. De discipelen waren volgens Gods raadsbesluit onwetend, wat de tijden en de era’s betreft. Zij verkondigden het koninkrijk, toen het niet de juiste era was. Daarom konden 79 nog geen tijden van verkwikking voor Israël aanbreken Hand.3:20. God verborg dit voor hen en de Heer zei: Het komt jullie niet toe de tijden of gelegenheden te weten, die de Vader in Zijn macht gesteld heeft Hand.1:7 Dit alles diende om hen ootmoedig te maken en voor te bereiden op de regering van Christus, als de tijd rijp is. Hier zien we een van de grote verschillen tussen het evangelie van de besnijdenis en dat van de voorhuid én de daarmee verbonden waarheid. Aan onbesnedenen is de hele waarheid onthuld. God verblindt onze ogen niet. Hem zij veel dank daarvoor! Wij danken onze Vader, dat het nu een welaangename era is 2Kor.6:2. Wel zijn er era’s die niet welgevallig, niet welbehaaglijk zijn. Maar in deze tijd, nu de genade regeert, is het een meest aangename era. Wij hebben in onze concordante vertaling verschillende uitdrukkingen gebruikt: era, passende, juiste, gelegen of zekere tijd 29, overeenkomstig hun tekstverband. Dit laat de kostbare gedachte zien, dat al het handelen van God volgens plan verdeeld is. God doet dat in diverse delen, die wij uit elkaar moeten houden, ook als het om de era’s van de natiën gaat. Er staat niet de era van de natiën, maar de era’s. Het gaat dus niet om een continu, voortdurend tijdperk. Het betreft maar een aantal verschillende era’s. Eén ervan is voor ons van bijzondere betekenis, maar wij moeten ook van de andere seizoenen (era’s) van de natiën 29 Stichwortkonkordanz Konkordantes Neues Testament, 7e druk, 2022, blz.90 Frist, kairos © Konkordanter Verlag, Birkenfeld, BRD 80
Page 80
weet hebben. Dat moet, als wij de daden van God willen begrijpen en Hem welgevallig willen wandelen. Politieke voorrangspositie Aan Nebukadnezar werd heerschappij gegeven over de hele, destijds bekende wereld. Toen werd van Israël de politieke macht afgenomen en aan de natiën overgedragen. Met Babylon begonnen de era’s van de natiën. Gedurende deze era’s beperkte dit zich eerst tot het politieke niveau. Wilde men echter God naderen, dan moest naar Israël gaan, dat hun religieuze hegemonie had mogen behouden. Nebukadnezar probeerde via een groot standbeeld een belichaamde god in te voeren. Dat moest door heel de wereld aanbeden worden, maar hij had geen succes Dan.3. Ook nu kunnen onder bepaalde omstandigheden, alle mensen van een land worden verenigd tot één partij. Maar het is veel moeilijker, zo niet onmogelijk, hen te verenigen in één religieuze groep. Ze zullen elkaar niet vinden als het tot aanbidding moet komen. Israël wees niet alleen haar koning, maar ook haar Messias af, zoals wij in Handelingen lezen. Wij hebben nu een era, waarin Israëls religieuze suprematie niet langer bestaat. Wij naderen God nu niet via Israël. Het is belangrijk, dat wij politiek en religie uit elkaar houden. Toen Israël nog niet terzijde gesteld was, hadden de natiën niets anders dan een politieke voorrangspositie. In de era die na de algehele verkondiging van het paulinische evangelie kwam, kon Israël de natiën niet langer uit de tegenwoordigheid van God houden. Want de stenen omheining (sorèg) op het tempelterrein van Herodes’ tempel was neergehaald. Die 81 muur mochten de niet-Joden immers niet passeren Ef.2:14 Dat neerhalen symboliseerde, dat de natiën in de geest vrije toegang tot de Vader hebben. Dat is heerlijker en belangrijker dan het feit, dat de natiën politieke macht bezitten. In deze tijd van genade heeft God voor hen Zijn hart geopend. Hij zet geen barrières tussen Zichzelf en ons. Dit in tegenstelling tot Israël, waar allerlei barrières tussen Jahweh en Zijn volk waren: tabernakel en tempel. In Handelingen wordt het verschil tussen religieuze en politieke macht in verband met het evangelie van de Besnijdenis weergegeven. Het nationale aspect wordt in Handelingen sterk benadrukt. Want dit boek spreekt over die ene, door God gekozen natie Israël en haar relatie tot de andere natiën. Veel leden van de heilige natie namen hun Messias aan. Als dit een nationaal gebeuren was geweest, dat allen omvatte, het hele volk, ook de priesters en oudsten, dan zou het tegenovergestelde gebeurd zijn van wat werkelijk plaatsvond. Eén aspect wordt vaak over het hoofd gezien, namelijk het feit dat Israël tot aan de tijd van Handelingen de politieke positie niet meer bezat, alleen de religieuze had. Wij zullen zien, dat God de machtspolitiek van het priesterschap niet erkende. Daarbij komt, dat de religieuze afval leidde tot verlies van de unieke positie van Israël als middelaar tussen God en de vervreemde wereld. Het thema van Handelingen is het koninkrijk; vooral gericht op de tempel en niet op de troon. Bij de kruisiging zien we ook de tegenstelling tussen religie en politiek. De religieuze leiders (Sanhedrin) aan de ene kant, probeerden politieke macht uit te oefenen, terwijl die niet bij hen hoorde. En aan de andere kant de 82
Page 82
Romeinse machthebbers, die de heerschappij gedurende de era’s van de natiën uitoefenden. Houden wij bij het lezen van Handelingen de waarheid van de era’s van de natiën voor ogen, dan wordt veel duidelijk. Het laat zien waarom Petrus de machtigen van zijn eigen volk trotseerde toen ze zich de autoriteit aanmatigden, die God weggenomen had. Het laat zien waarom Petrus bevrijd werd. Paulus, werd echter aan het eind van zijn loopbaan gevangen gehouden. De eerste gemeente kwam bijeen in de zuilengang van Salomo in de tempel Hand.5:12. Toen de hogepriester en zijn aanhangers jaloers werden op de apostelen, gebruikten ze seculiere macht. Die hadden ze zich toegeëigend, en zij zetten de apostelen vast in de gevangenis om de gelovigen af te schrikken. Maar een boodschapper van de Heer opende de poorten en stuurde hen terug naar de tempel, opdat zij het volk konden onderwijzen Hand.5:17-21. Toen het Sanhedrin samengekomen was om erover te beraadslagen, moesten ze verbijsterd vaststellen, dat hun wederrechtelijk toegeëigende, seculiere, politieke macht teniet was gedaan. Dat was ook door toedoen van een onverklaarbare macht. De apostelen bevonden zich immers precies daar, waar ze eerst gearresteerd waren. Dat is kenmerkend voor Gods handelen in die era. Eerst weerstonden de apostelen de religieuze autoriteiten. Later echter, toen de komst van het koninkrijk uitgesteld werd, verloren ook zij hun macht. Toen de twaalf apostelen opnieuw door het Sanhedrin ondervraagd werden, antwoordden zij met de vaak geciteerde en meestal verkeerd begrepen zin: 83 Men moet aan God meer gehoorzaam zijn dan aan mensen” Hand.5:29. Wij moeten erop letten, dat ze kort daarvoor van een boodschapper van God instructies gekregen hadden om geen gevolg te geven aan het Sanhedrin, maar door te gaan met het volk over Jezus te onderwijzen Hand.5:20. Maar het werd hun nooit opgedragen zich op zo’n manier tegen de seculiere machthebbers te verzetten. Petrus en Paulus benadrukken, dat wij ons aan de overheden onderschikken Rom.13:1;Tit.3:1;1Pet.2:13-17. Dat geldt vandaag nog net zoals toen. De apostelen en discipelen moesten echter ook de hogepriester als zodanig erkennen, maar niet de politieke macht, die hij zichzelf aangematigde. Het is een grote dwaling deze tekst Hand.5:29 te gebruiken om elke niet-onderschikking aan de heersende overheid te rechtvaardigen. In de era’s van de natiën, waarin wij leven, zijn ze boven ons gesteld; er is geen overheid dan door (letterlijk: onder) God. Hoe goddeloos een overheid ook mag zijn, ze is Gods dienares. De beweegreden voor onze onderschikking zou niet de vrees voor de gevolgen van verzet zijn, maar ons geweten voor God. De apostelen trotseerden nooit de Romeinse machthebbers. Deze uitspraak kan echter worden toegepast, wanneer men zich in naam van de religie een autoriteit aanmatigt, die aan de staat voorbehouden is. Dat vindt ook vandaag nog plaats in verbazingwekkend grote omvang, zoals ook in de middeleeuwen gebruikelijk was. Daarbij is het evident, dat menselijk regeren zonder God onvermijdelijk mislukt. Waar religieuze overheden denken dat zij de seculiere machthebbers moeten beïnvloeden, om de wereld van een 84
Page 84
dreigende chaos te redden, is het met hun godskennis slecht gesteld, want zij merken niet, dat zij tegen Gods wil voor nu handelen, in lijn met de komende antichrist. Religie – de wortel van politiek falen Alle misstanden bij mensen kunnen naar hun gebrekkige relatie met God herleid worden. Het donkere kanten van ons maatschappelijk bestel zijn gevolg van onze instelling tegenover Hem. Een onweerlegbaar feit is de vaststelling: want verontwaardiging van God wordt geopenbaard vanuit de hemel over alle oneerbiedigheid en ongerechtigheid van mensen die de waarheid van God in ongerechtigheid neerhouden Rom.1:18 Oneerbiedigheid naar God toe leidt tot ongerechtigheid tegenover mensen. Dit is in Romeinen verder uiteengezet. en zij veranderen de heerlijkheid van de onverderfelijke God in de gelijkenis van een beeld van een bederfelijk mens, gevleugelden, viervoeters en reptielen. Daarom geeft God hen in de begeerten van hun harten over aan de onreinheid van het onteren van hun lichamen onder henzelf Rom.1:23,24 Als zij de schepping vereren en dienen in plaats van de Schepper, geeft God hen over in oneervolle hartstochten. Wanneer zij God niet erkennen, geeft Hij hen over in hun onbeproefde denkzin30 aan alle soorten kwaad Rom.1:18-32. Hét thema van Handelingen 1-8 is vooral de verwerping 30 Denkzin: Grieks nous, zintuig waarmee je kunt denken. 85 van het koninkrijk. Dat blijkt uit afwijzing van wat de twaalf apostelen boodschapten. En in het tweede deel komt ook de verspreiding van de grondslagen van de waarheden voor deze tijd door de apostel Paulus naar voren. Paulus komt onder de natiën in aanraking met verschillende vormen van politiek en religieus leven. Maar hij komt ook priesters en oudsten van Israël tegen. Op die manier zien we een grote verandering. De komst van het koninkrijk voor Israël bleef uit. En we lezen hoe de uitroeping van de gemeente, het lichaam van Christus, uit alle natiën, startte. Religieuze ontmoetingen Om het licht te kunnen waarderen dat het heden verlicht, zouden wij eerst de voor deze tijd geldende waarheden begrijpen. Zij worden aan ons in de brieven van de apostel Paulus gepresenteerd. We zouden ook zorgvuldig letten op zijn ontmoetingen met de religieuze gedachtewereld van de natiën, onder andere met de pythongeest31 in Filippi Hand.16:16, de afgoden in Athene Hand.17:16, de proconsul32 in Korinthe Hand.18:12 en de stadssecretaris in Efeze Hand.19:35. Uit deze gebeurtenissen blijkt steeds duidelijker, dat het politieke machten niet toegestaan werd het evangelie te verwoesten. Paulus wist dat en hij kwam nooit openlijk tegen ze in opstand. En omdat hij zich niet verzette, werd hij te Filippi op een wonderlijke manier gerechtvaardigd Hand.16:38,39. In Thessaloniki hielpen de broeders hem bij het ontsnappen Hand.17:10. In Korinthe werd hij beschermd tegen 31 hSV: waarzeggende geest; geest van de god Apollo 32 hSV: stadhouder, een bestuurder. 86
Page 86
de Joden Hand.18:15. Te Efeze is hij voor ambachtslieden met kwade intenties bewaard gebleven Hand.19:36-41. In tegenstelling tot de houding van de apostel waren de Joden jaloers. Zij veroorzaakten een oproer en probeerden te bewerken, dat hij door de bestuurders van Thessaloniki veroordeeld zou worden Hand.17:5,6. In Korinthe verzetten de Joden zich en lasterden Hand.18:6. Toen Paulus voor Gallio gebracht werd, hoefde hij geen woord te zeggen om zich te rechtvaardigen Hand.18:14. In Jeruzalem werd hij gevangen genomen en zij probeerden hem te doden Hand.23:12. Daarom is het geen wonder, dat hij onder andere de hogepriester Ananias een witgepleisterde wand noemde Hand.23:3. Deze Ananias belichaamde in hoogste mate het Jodendom. Maar hij was een religieuze huichelaar. In plaats van de mensen dicht bij God te brengen, hield hij ze bij Hem vandaan. In feite wilde God hem slaan om zijn wangedrag. Hij en zijn aanhangers sloegen Paulus zo vaak zij konden. Maar zij zouden spoedig hun religieus leidende positie verliezen, die zij op zo’n treurige manier onteerden. Israëls verwerping Zonde en krenking deden in het begin hun intrede in de mensheid. Adam en Eva gehoorzaamden God niet. Tijdens Israëls geschiedenis – in de woestijn, in het beloofde land en in de verstrooiing – lagen de wortels van de misstanden altijd in hun verstoorde relatie met Jahweh. Terwijl Hij hun Koning was, zoals in de dagen van Mozes, van Jozua en van de richters, werden ze gezegend, zolang zij aan Hem vasthielden. Zodra zij zich echter tot de afgoden van de natiën keerden, overkwam hen het ene na het andere 87 ongeluk. Er traden sociale misstanden op, maar er kwam ook politieke slavernij. Nadat zij hun Messias gekruisigd én Zijn ontferming afgewezen hadden, werd het volk tot de bestemde tijd verworpen33. Sindsdien ondervonden zij veel ellende en zullen grote verdrukking ondergaan Mat.24:9, tot zij Gods gezalfde Koning aannemen. De Joden hebben zich de grootste moeiten getroost om deze goddelijke beschikking te omzeilen. Sommigen proberen dit via een extreem religieus formalisme34 buiten werking te stellen. De meesten verlaten zich tegenwoordig op hun politieke onafhankelijkheid. Zij hebben die echter aan de andere natiën te danken; zij ontvingen die niet uit de hand van God. Al vaak heeft de rijkdom van sommige Joden de hebzucht van de volkeren van het betreffende gastland gewekt, wat tot represailles leidde. In de laatste eeuw is het tot de grootste massamoord ooit op de Joden gekomen. Het heeft geen succes om te willen handelen tegen het oordeel van God in. De zonen van Eli en Samuël Jahweh gaf Israël een priesterschap naar het vlees, maar liet hen voortdurend zien hoe onvolmaakt het vlees is. Eli was een goede man, een eerwaardig priester, maar zijn zonen waren slecht 1Sam.2:12-17. In Zijn genade riep God Samuël, opdat hij richter over het volk zou zijn. Maar ook deze lijfelijke nakomelingen waren boosaardige mensen 1Sam.8:1-3. In feite was het de afval van het priesterschap, die tot afwijzing van Jahweh als hun Koning leidde. Het was 33 Het Griekse apobolè is letterlijk afwerping - Romeinen 11:15. 34 Een houding gericht op de vorm, niet op de inhoud. 88
Page 88
in feite de taak van de priesters, de verbinding tussen Israël en haar God in stand te houden. De koningen van Israël Onder de koningen herhaalde de geschiedenis zich vele malen. Het afwijken van Jahweh door de heersers was steeds de bron van hun lijden. Voor het welzijn van het volk speelden de politieke acties slechts een onbelangrijke rol. Maar niet die acties, die door afval van het volk van hun Elohim veroorzaakt werden. De grote scheiding tussen Juda en Israël was er nooit gekomen, als Israël niet het raadsbesluit van God over het huis van David verworpen had. De afkeer was zo wijdverbreid en zo diep ingrijpend, dat Jahweh in de plaats van het afgevallen priesterschap profeten aanstelde, die toen Zijn sprekers werden. Dat zou niet noodzakelijk geworden zijn, als de priesters de koning en het volk door Urim en Thummim35 met Jahweh in verbinding gebracht hadden. De aanwezigheid van Christus Christus is de toetssteen, waaraan de waarde van alle mensen getoetst moet worden. Zijn verwerping door de hogepriester is het meest in het oog vallende bewijs voor het zich afkeren van God door Israël Mat.26:62-65. Het zou aan hem zijn geweest om Jezus' bewering, dat hij de Messias was, op waarheid te toetsen door middel van Urim en Thummim. Als hij zich tot Jahweh gewend had, in plaats van naar valse getuigen te zoeken Mat.26:59-61, dan zou hem ongetwijfeld bekend geworden zijn, dat Jezus de 35 Letterlijk: lichten en volkomenheden. 89 Christus was. Dan had hij aan heel Israël de aanwezigheid van de langverwachte Messias moeten verkondigen, nadat het volk zelf aan Zijn voeten was geknield in aanbidding. Zelfs de valse getuigen die opdoken, werden door God gebruikt om aan de hogepriester de waarheid bekend te maken. Had hij maar oren gehad om te horen! Hij was het die probeerde de tempel van God af te breken, want Christus was de woonplaats van de Godheid Kol.2:9. Die had immers de tempel op de berg Moria al lang voor die tijd verlaten. De Sjechina lichtte niet in het huis van Herodes op; ook in de verachte Nazarener, Die voor hem stond. De hogepriester probeerde de tempel af te breken – en was succesvol. Maar hij kon hem niet weer oprichten. Christus’ opstanding op de derde dag had aan de religieuze leider van het volk moeten laten zien, dat de door hem gevonden valse getuigen de waarheid hadden gezegd Mat.26:61;27:40. Waarom antwoordde onze Heer de hogepriester niet Mat.26:62? Het zou gemakkelijk voor Hem zijn geweest om hem te ontmaskeren en daardoor Zijn leven te redden. De hogepriester had geen recht om Jezus te oordelen, zoals hij deed. God had van het volk Israël de hele politieke macht afgenomen en aan de natiën gegeven. De rechtsgang was een aanfluiting. Niet de Christus van God was schuldig, maar de hogepriester was de schuldige. Hij was niet gevolmachtigd om over de Heer te oordelen en Hem te veroordelen. Daarom wilde Deze niet uit eigen beweging bijdragen aan de karikatuur van een rechtsgang. Tenslotte moest de hogepriester de feiten onder ogen zien en zond Jezus naar de stadhouder Pontius Pilatus Mat.27:1,2. Hoe treffend toont deze scène het wangedrag van de religieuze 90
Page 90
leiders van Israël. Zij droegen de schuld voor de kruisiging van Christus, hoewel zij de uitvoering van de daad aan seculiere machthebbers moesten overdragen. Het hele volk zal nog de schuld van de overpriesters en de oudsten en die van henzelf moeten erkennen Mat.27:20,22. Hoe anders was de instelling van Pilatus. Hij nam zijn door God verordende positie als heerser in tijdens de era’s van de natiën. Hoewel hij iemand uit de natiën was, zonder de leiding van de door Mozes gegeven goddelijke wet, was hij veel rechtvaardiger dan de vertegenwoordigers van de israëlitische religie. Wat voor karakter hij persoonlijk ook had en welke fouten hem kunnen worden toegeschreven, het zal zo zijn. Maar als vertegenwoordiger van de natiën brachten zijn woorden en zijn gedrag op het beslissende ogenblik van de geschiedenis schande over de oversten van het volk Israël. Hij doorzag hun huichelarij en besefte dat zij jaloers waren op Christus. Hij deed zijn best om Hem uit hun klauwen te redden. Maar ook bij hem zegevierde doelmatigheid en eigenbelang uiteindelijk over rechtvaardigheid. Laten we eens kijken, hoe onze Heer – in tegenstelling tot Zijn zwijgen tegen de schriftgeleerden en de oudsten van Israël – de vraag van Pilatus beantwoordde. Hij laat Zich echter niet met verdere verklaringen in, zoals wij dat zouden verwachten, om Zichzelf te beschermen tegen de verdachtmaking van hoogverraad. Hij kon in het hart van Zijn rechter lezen en bevestigde daarom eenvoudig zijn woorden met: U zegt het. Maar zelfs in aanwezigheid van Pilatus antwoordde Hij de hogepriesters niet Mat.27:12-14. Zijn zwijgen was veel effectiever en welsprekender dan 91 uitgesproken woorden en liet bij de stadhouder een zeer gunstige indruk achter. Pilatus, door Jezus’ stilzwijgen des te meer van diens onschuld overtuigd, hoorde de infame beschuldigingen van de opgewonden schreeuwende Joden. Hij probeerde de zaak door middel van politieke zetten op te lossen. Hij wilde de Joden niet tegen zich keren, maar ook geen publieke onrechtvaardigheid begaan. Dus schoof hij de beslissing naar de Joden toe. Dat is een van de grote zwakheden van de era’s van de natiën. Ook in de harde regeringsvorm van Rome bogen hun leiders soms voor een opgehitste volksmenigte, om ogenschijnlijk plausibele doelen na te streven. Politieke doelmatigheid heeft meestal voorrang boven onwankelbare rechtvaardigheid. Dat was destijds zo en is nu nog net zo. Pilatus bereikte niet wat hij wilde, hij had geen idee in wat voor diepten religie de mensheid kan meesleuren. Hij verwachtte eerder de vrijlating van de voor hem staande Jezus, die God tot Vader had, dan die van Barabbas Mat.27:17. Die had, net als de Joodse schriftgeleerden en farizeeën, de tegenwerker tot Vader Joh.8:44. Pilatus, representant van de natiën, waartoe tegenwoordig de meeste gelovigen behoren, was een opmerkelijke persoonlijkheid bij de kruisiging van Christus. Zijn waarschijnlijk belangrijkste daad was het wassen van zijn handen in onschuld Mat.27:24. Alsof een beetje water hem van zo’n afschuwelijke daad schoon had kunnen wassen! Desondanks hebben wij hier ongetwijfeld een verborgen aanwijzing van de pas later onthulde waarheid, dat God de natiën hun krenkingen niet aanrekent 2Kor.5:19. 92
Page 92
De Joodse wereldregering Eens zal het zover zijn, dat God Zijn volk Israël de plaats zal geven, die Hij het heeft toegezegd. Wij vragen ons af, waarom dat niet nu al zo kan zijn. Het enige fundament, waarop het koninkrijk voor Israël kan worden opgericht, is dat het Jahweh als haar God erkent en dan alle zegeningen van Hem ontvangt. Nu verlaat het volk zich nog op eigen vermeende sterkte en wijst de Messias nog steeds af. Het juiste tijdstip om te regeren is dus nog niet gekomen. Pas als het geheel en al op zijn God vertrouwt, zullen de gegeven beloften gerealiseerd worden. Tot die tijd neemt het de plaats in, die de wet het volk voorschrijft. Geen positie van zegen, maar het is blootgesteld aan lijden en vervolgingen. Het ziet niet, het hoort niet, het verstaat niet met het hart Hand.28:26,27. Om te weten wat Babylon betekent, moet ons duidelijk worden wat haar plaats is in het plan van God. Waarom wordt Israël tot op het tijdstip van het einde van Babylon door God gericht? Aan het begin van de koninkrijken van de aarde stond het Babel van Nebukadnezar Jer.27:6-8. In Mesopotamië bij de Eufraat begint de geschiedschrijving van de koninkrijken, en niet in Egypte, zoals steeds weer beweerd wordt. De enige betrouwbare informatie is te krijgen door bestudering van het woord van God. Het eerste koninkrijk was dus het Babylonische. Later, toen Israël faalde en het land moest verlaten, begon de tijd van de natiën eveneens in Babylon. Toen Salomo regeerde leek het alsof het Gods bedoeling was Israël in te zetten als hoofd van de natiën. Destijds had Salomo het grootste 93 koninkrijk op aarde. Maar weer faalde Israël, werd uit de macht ontzet en gedeporteerd. Andere natiën namen op hun beurt die plaats in, alleen om ook hun ongeschiktheid tot op de dag van vandaag te bewijzen. Daarmee toont God dat het zonder Hem niet mogelijk is om goed te regeren. Na Nebukadnezar regeerde Medo-Perzië, maar dat was al met minder macht. Toen Alexander de Grote regeerde over de wereld, was zijn hoofdstad ook Babylon. Elk koninkrijk, waaraan alle andere tot dan toe onderworpen waren, had het centrum in Babylon. Dat is niet New York of London of een andere wereldstad, zoals velen denken, maar het zal -als in het verleden- ook in de toekomst weer Babylon zijn. Veel mensen denken dat Babylon volledig verwoest is en nooit meer herbouwd. Dit is niet het geval, zoals wij weten van de afgelopen tijd. Babylon zal wel volledig vernietigd worden, maar pas in de toekomst. Toen Johannes Babylon zag, kwam een grote verbazing over hem, dat de stad van de vijanden van God tot een hoofdstad van Joden geworden was Op.17:6;18:4. Hij kon zich zoiets helemaal niet voorstellen. Gods stad is Jeruzalem, terwijl Babylon de stad van satan is. Hoe het met Israël in de eindtijd zal zijn, lezen wij bij de profeet Zacharia na. Daarin is onder meer sprake van de efa, een inhoudsmaat, en van de zonde in het land 5:5,6. Wat hier in de eerste plaats onder zonde verstaan moet worden, is de afkeer van de Joden van God. Met betrekking tot hun religieuze gebruiken handelen zij – of de meesten van hen – tegen Gods wet, omdat voor hen 94
Page 94
handel en welstand belangrijker zijn. Maar het gaat hier om meer dan alleen handel en wandel. De profeet vertelt nadrukkelijk, dat de inhoudsmaat die hem getoond werd, niet met koren gevuld was, maar met een vrouw, het afvallige Israël Zach.5:7. Bij dit alles willen wij niet de heerlijke beloften vergeten, die de Heer Zijn volk gegeven heeft. Tot aan de vervulling van die beloften willen zij de beloofde zegeningen zonder Hem bereiken. Gedurende de tijd van het einde zal dit erg duidelijk zichtbaar worden; ook de natiën doen al het mogelijke om het zonder God te redden. Wat Israël betreft, is deze houding bijzonder kwalijk, omdat tussen God en haar een verbond bestaat en zij dit verbond verbreekt. Ik sloeg mijn ogen op en zag, en zie, twee vrouwen kwamen tevoorschijn met de wind onder hun vleugels. Zij hadden vleugels als de vleugels van een ooievaar en zij tilden de efa op tussen de aarde en de hemel. Toen zei ik tegen de boodschapper, die met mij sprak: waar brengen zij deze efa heen? Hij zei tegen mij: naar het land Sinear om voor haar een huis te bouwen. Is het gereed, dan wordt zij daar op haar voetstuk geplaatst Zach.5:9-11. In de Griekse vertaling36 staat voor Sinear Babylon; beide plaatsen zijn identiek. Hier hebben wij een prognose van wat er op Israël afkomt. Een groter deel van hen leeft nu weer in Jeruzalem, maar dit zal niet van lange duur zijn. Men wil in omliggende staten de Joden liever vandaag dan 36 De Septuaginta (LXX), die in ongeveer 200 à 300 voor Christus is samengesteld door 70 Joodse rabbijnen, zo wordt gezegd. 95 morgen uit Israël, vooral Jeruzalem, verdrijven. Maar afgezien daarvan zullen de Joden zelf ook vaststellen, dat de heilige stad van God niet de juiste plek is voor hun financiële en commerciële zaken met de natiën. Daarom zullen zij Jeruzalem verlaten en naar Babylon gaan. Bijna niemand kan zich voorstellen, wat het voor het volk van God betekent, uit Jeruzalem weg te gaan en naar Babylon te trekken. Want dat is naar de aan de ondergang gewijde stad van de natiën, van waaruit hun vijanden de wereld geruime tijd zullen regeren. Als het afvallige Israël naar het goddeloze Babylon gaat, is dat volgens Gods plan. Deze wereldstad zal de meest opmerkelijke stad zijn, die ooit gebouwd is. Mogelijk was Nebukadnezars Babylon groter. Maar de meest luxueuze stad die ooit gebouwd zal worden, zal het toekomstige Babylon zijn, aan de oevers van de Eufraat. De meest verfijnde techniek zal bij de bouw worden toegepast. Alles wat met geld gekocht kan worden zal daar te vinden zijn. Want de Joden zijn de financiers van bijna alle staten en hun vermogen is onvoorstelbaar groot. Israël, afvallig van haar God, haar stad en haar wet, schijnt dan het toppunt van geluk, de vervulling van alle wensen en alles wat hun is beloofd, te hebben bereikt. Maar omdat zij denkt het zonder God te kunnen stellen en zich meester wil maken van waar het op dit tijdstip nog geen recht op heeft, omdat het zich niet tot God heeft omgekeerd, zal Babylon vernietigd worden zoals nog nooit een stad overkwam Openb.18. De tijd komt, dat alle natiën opgeofferd worden, maar de boekrol onthulling van Jezus Christus houdt zich vooral intensief bezig met die ene stad en haar ondergang. Tegen 96
Page 96
deze achtergrond, en wetend, dat Israël de verkeerde plaats koos, namelijk om te heersen over de natiën die haar schuldenaars zijn, kunnen wij wellicht begrijpen, waarom de vernietiging van Babylon zo verschrikkelijk, en vol betekenis zal zijn. Israëls zegeningen moeten van de Heer komen en uit geen enkele andere bron. Hoewel het lijkt alsof ze door eigen inspanningen en politieke zetten succes hebben, is dat slechts bedrieglijk succes. Zij moeten voor alle anderen een geestelijk kanaal van zegen zijn en niet hun financiers, om macht over hen uit te oefenen. Er zal een moeilijke tijd komen, vooral voor de gelovige Joden! Maar over hen spreken wij hier niet, zij zullen genoeg hebben aan hun Messias en geestelijke zegen ontvangen, die alle uiterlijke welstand van Babylon in de schaduw stelt. Maar het afvallige Israël, dat Jeruzalem opgeeft, dat niet aan Gods woord vasthoudt, dat uit eigen kracht zegeningen probeert te verkrijgen, zal voor alle volkeren schouwspel zijn. Aan hen zal God op speciale manier demonstreren, dat zij op de lange termijn zonder Hem niets kunnen. Wat de toekomst brengt is nog een triest hoofdstuk van de geschiedenis van de mensheid. Hoe dankbaar kunnen wij zijn om in God te rusten, om vrede met Hem te hebben en zonder angst en zorgen te leven in de zekerheid, dat Hij ons liefheeft en voor ons zorgt! Het hoogtepunt van Israëls afvalligheid Het probleem van de mensheid is vandaag meer dan ooit, dat God nergens meer op de eerste plaats staat. Wij kunnen veel informatie over afzonderlijke natiën verzamelen en 97 toch niet veel over hen weten. Alleen als wij hen zien, zoals God hen ziet, zullen wij ervaren, wat er werkelijk gebeurt. Dan kunnen wij ons ook over veel verheugen, dat anders ons begrip te boven gaan. Zeer veel mensen zijn pijnlijk geraakt door wat gaande is, omdat ze de hand van God er niet in herkennen, noch in het lot van de volkeren, noch in hun eigen leven. In het verloop van deze verhandeling hebben wij ons parallel met Israël en de andere natiën beziggehouden. Wij komen nu tot het hoogtepunt van het falen van Israël, het volk van God, dat Hij uitgekozen heeft om een heilige natie te zijn. We hebben gezien, hoeveel verschillende regeringsvormen de natiën in de loop van de tijd hadden. Daarvan was niet één ideaal. Op dit punt moeten we ons herinneren, dat God geen experiment nodig heeft om te zien welke regeringsvorm de beste is. Hoewel velen dat wel denken vanwege het feit, dat mensen voortdurend hebben geprobeerd welk regeringssysteem goed werkt. God ziet het anders. Bij de voleinding zal Hij alles in allen zijn. Dan is alles aan Hem ondergeschikt, en er is geen andere heerschappij meer dan door Hem. Christus heeft dan het koningschap aan Zijn Vader overgegeven. En alle heerschappij en kracht en macht is opgeheven 1Kor.15:24-28. Maar tot die tijd zal er geen volmaakte regering zijn. De mensen hebben steeds bewezen, dat zij dat niet kunnen. Israël vormt daarop geen uitzondering. Integendeel, de geschiedenis van dit volk laat duidelijke tekenen van verval zien. Hun falen had de wegvoering naar Babylon tot gevolg, en Babylon zal ook in de toekomst Israëls noodlot 98
Page 98
zijn. Om helder te kunnen zien, moeten wij onderscheid maken tussen het politieke en het religieuze standpunt. In de Schrift is Babylon nu eenmaal een stad. Het zal de meest grootse en prachtige stad zijn, die mensen ooit gebouwd hebben. Vanuit religieus standpunt bezien is Babylon een vrouw Op.17:18. De stad staat voor de politieke, de menselijke kant, de vrouw daarentegen voor de relatie van de mensen met God. Dit onderscheid is in de Schrift heel duidelijk. Zo was Israëls afval van God bijzonder ernstig na de regeringstijd van de richteren, toen zij afvallige priesters volgden. De priesters hadden moeten weten, wat Gods wil is, maar zij handelden daar niet naar en het volk wilde een koning. De eerste ontrouw tegen God was, dat men de priesterregering afwees en daarmee Hem. God houdt regeringszaken en aanbidding strikt uit elkaar. Velen verwonderen zich, waarom in de heilige Schrift de boeken van Koningen en Kronieken apart verschijnen. Gaan ze niet over hetzelfde? Nee – zeker niet. Hoewel ze zich voor het grootste deel met dezelfde gebeurtenissen bezighouden, is er toch een serieus verschil, want een keer wordt de geschiedenis vanuit menselijke optiek verteld, de andere keer vanuit goddelijk oogpunt. Net zo is het met de vier verslagen over het aardse leven van onze Heer. Ze zijn geenszins gelijk. Mattheüs schrijft met het oog op de koningslijn, Markus benadrukt het dienstwerk van de Heer, Lukas spreekt over de Man (of Mensenzoon) en Johannes over de Zoon van God. Ook al is het verslag over dezelfde gebeurtenissen, toch is het perspectief anders. 99 Daniels profetie geeft een goed voorbeeld. Het grote standbeeld Dan.2:31-45 toont de seculier-politieke kant. Het ene koninkrijk na het andere wordt opgericht en heerst over de hele bekende wereld. Het goud, het zilver, het koper, het ijzer en het leem tonen de verschillen in macht en sterkte van deze regeringen. Daarmee laat het ook hun voortdurend afnemende ontwikkeling zien. Aan de andere kant spreekt Daniel over dezelfde gebeurtenissen als over vier dieren Dan.7:3-7. Dat is alleen te begrijpen als wij weten, dat daarmee de religieuze kant bedoeld wordt. De dieren symboliseren de grote wereldreligies37. De sleutel tot de boekrol: de Onthulling 38 van Jezus Christus is vooral onderscheid tussen regering (politiek) en religie. In dit boek gaat het over troon en tempel. De tempel gaat open Op.11:19; in dat tempelgedeelte komen de zwaarste gerichten van God over de natie Israël. Zij staat om haar bijzondere band met God een zwaar gericht te wachten. Als het uitgieten van de grimmigheid van God begint, brengen de zeven schalen de ergste plagen Op.15-16. Door de 7e schaal wordt de ondergang van Babylon bezegeld Op.16:17-19. Tegenover Babylon: Jeruzalem. De tegenwerker probeert van alles om Jeruzalem te verderven, maar het zal niet lukken. In de tijd dat de oordelen over de aarde losbreken, moeten de gelovige Israëlieten in Jeruzalem door de hand 37 Zie: Concordant Studies in the book of Daniel, blz.187-229, Unausforschlicher Reichtum, 1969 (38), blz.193-200; 241-248; 1970 (39), blz.5-12; 119-125; 170-177; 215-221; 273-283; 1971 (40), blz.16-22; 70-75. 38 Meestal als Openbaring van Johannes in de bijbels vermeld. 100
Page 100
van het eigen volk lijden; niet alleen door andere natiën. De ongelovige Israëlieten gaan echter naar Babylon. Zij hebben de rijkdom van de wereld in handen, en daarmee de macht over alle anderen. Zij verlaten Gods eigen land en willen vooruitlopen op de hun gegeven beloften. Zij denken niet aan wat geschreven staat: Als ik u vergeet, Jeruzalem, laat dan mijn rechterhand zichzelf vergeten. Laat mijn tong vastkleven aan mijn gehemelte, als ik niet aan u denk Ps.137:5,6 hSV. Wij lezen het einde van Babylon en de afvalligen van het volk van God: en de tien hoorns die u op het beest zag, die zullen de hoer haten, en haar verwoest en naakt maken en zij zullen haar vlees eten, en haar met vuur verbranden. Want God heeft het in hun hart gegeven om Zijn mening te doen en naar één mening te handelen, en hun koningschap aan het beest te geven, totdat de woorden van God voleindigd zijn Op.17:16,17. Lange tijd heb ik over het hier gebruikte woord mening nagedacht. Er wordt steeds beweerd, dat ieder het recht op een eigen mening heeft; ik zie dat niet zo. Maar deze koningen, die in Openbaring 17 genoemd worden, hebben er recht op, omdat God hun deze mening ingeeft. Alleen dan kan iemand zo handelen, zoals goed is volgens Gods raadsbesluit. Velen hebben al gezegd, dat ieder het recht heeft de Bijbel zo uit te leggen, als men goed vindt. Deze opvatting kan ik niet delen, en ik heb aanzienlijke moeite gehad mijzelf van mijn persoonlijke mening los te maken. 101 Niet wat wij menen geldt, maar alleen Gods woord, waarmee niet geknoeid mag worden. De dag komt, waarop naar Gods plan, Babylon verwoest moet worden. Daartoe moeten de koningen zich tot een verbond verenigen en één mening hebben. Nu is het nog steeds moeilijk om eenheid tussen staatslieden te bereiken. Want iedereen wil graag de belangen van het eigen land beschermd weten, en deze laten zich zelden onder één noemer brengen. De zekerste manier om ze samen op te laten trekken, is altijd nog de strijd tegen een gemeenschappelijke vijand. Maar God weet hoe hun eensgezindheid bereikt kan worden. Omdat deze koningen Babylon van alle luxe moesten voorzien, werden zij afhankelijk van het afvallige Israël in deze stad. En zij zullen al te graag bereid zijn, om van deze afhankelijkheid af te komen. De ondergang van Babylon gebeurt plotseling Op.18:19,21. Het gericht van God komt over de Joden. De reden is, dat zij de wereld wilden regeren, maar zonder naar Jahweh te vragen. Het wil de aan hen gegeven beloften op eigen houtje realiseren. Babylon zal aanvankelijk bloeien en gedijen als geen andere stad. De rijkdom van zijn inwoners zal ongekend zijn. En zij zullen denken, dat dit in overeenstemming is met de beloften die aan Abraham gegeven werden. Het is volgens het plan van God, dat zij dit toppunt van materiële zegen bereiken, om aan het hele universum te laten zien, wat voor een vloek ligt op vermeend geluk zonder de zegen van God. 102
Page 106
Het woord van de verzoening Date Gorter De verdeeldheid bij de Korinthiërs was ontkenning van de geestelijke eenheid. Daarover spreekt Paulus in 1 Korinthiërs 12. Hij benadrukt dat het één lichaam is, met één geest en dat is niet voor niets. Zijn houding – een voorbeeld voor ons – was verzoenend, altijd, ook al werden zijn woorden en daden verkeerd begrepen! Hemel en hel Wat leert Jezus daarover? A.E. Knoch Jezus zei tegen Nicodemus: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als iemand niet wederom geboren wordt kan hij het koninkrijk van God niet zien.’ Joh.3:3. En Jezus zegt van mensen die verloren gaan: ... waar hun worm niet sterft, het vuur niet uitgeblust wordt - Mark.9:44 Deze brochure geeft antwoord uit de Bijbel op de indringende vragen. Hoe kan God sterven van ongelovigen aanzien? 107 Jezus is opgestaan - welke dag was het? A. Bouman, A. E. Dekker Deze brochure geeft antwoord op de vraag wanneer de Heer Jezus exact opgewekt werd door de heerlijkheid van de Vader. Was het op -wat wij kennen alsde zondag? Of een andere dag? Nauwgezet is iedere uitdrukking en elk woord dat van belang is, onderzocht. Het resultaat is voor u als gelovige wellicht verbijsterend. Vergeving van zonden of rechtvaardiging? Frank Goldammer Jakob en Esau - Elmar Frey ‘Ik ben blij dat mijn zonden zijn vergeven omdat Jezus aan het kruis voor mij stierf!’ Zeggen veel christenen. En rechtvaardiging dan? Het verschil is groter dan u denkt. ‘Ik heb gekozen voor Jezus en ik ben gered!’ Dat hoor je gelovigen zeggen. Jakob en Esau, u leest in Genesis en Romeinen 9 over deze tweeling. Het gaat om (uit)kiezen. Wie doet wat? Wanneer? Gods woord geeft uitsluitsel! 108
Page 108
Schepping van de mens, Gods waagstuk? Ludwig Wolf Waagde God het met de schepping van de mens? Zou de mens iets kunnen wat God niet voorzag? Kon de mens zo uit de hand van God weglopen dat er geen redden meer aan is? Op deze en meer vragen komt antwoord in deze brochure, uit Gods woord. Het geeft vrede en rust in het hart, wanneer we beseffen Wie Hij is. Psalm 139 – vertaling en commentaar Alfred E. Dekker In Psalm 139 laat God via David weten dat God ons door en door kent; kende zelfs ons embryo. Ieder mens is voor God een open boek. Het maakt niet uit bij welk je hoort, wat je gelooft, in welke tijd je leeft en hoe je je gedraagt. Uiteindelijk zal álle knie voor Hem buigen en álle tong van harte belijden: Heer is Jezus Christus, tot eer van God, de Vader! Na lezing van deze psalm zal niemand dit nog kunnen betwijfelen. 109 Begrijp je wat je leest? Werner Prolingheuer In Handelingen 8 lees je dat een Ethiopisch machthebber van de koningin Candacé, de schatkistbewaarder, te Jeruzalem kwam om daar de God van Israël te aanbidden. Op de terugweg las hij uit een gekochte Schriftrol. Deze invloedrijke ‘kamerling’ was eerlijk genoeg om te erkennen, dat hij zonder leiding de betekenis van het gedeelte (hij las in Jesaja 53) niet kon begrijpen. Zijn wij altijd zeker, dat wij alles correct verstaan? Vloek van Cham? Alfred E. Dekker Bij de herdenking van de afschaffing van de slavernij onder de noemer Ketikoti is nu algemeen duidelijk geworden, dat de ‘vloek van Cham’ gebruikt is om een onafzienbare menigte medemensen eeuwenlang tot handelswaar te vernederen en beestachtig te behandelen. Wat alles des te vreselijker maakt, is dat de ’vloek van Cham’ als zodanig niet in de Schrift voorkomt, maar op een klinkklare leugen berust. Hoe de vork dan wél aan de steel zit, probeert deze brochure te verhelderen. 110
Page 110
De doop is altijd omstreden binnen de christenheid. Volwassenen dopen? Kinderen besprenkelen? Hoe dopen? In welke Naam? Wanneer gebeurde dat? Wat is het effect van de waterdoop? Doet het iets, bewerkt het wat? Word je er een betere gelovige door? Allemaal vragen die steeds weer tot soms verhitte gesprekken leiden. Deze vragen zijn ook belangrijk: Waarin ben je gedoopt? De zee? Een wolk? Water? Geest? Wat reinigt en wat niet? Wat is eigenlijk de ene doop (Efeziërs 4:5)?

De doop


Page 0
Page 4
INHOUDSOPGAVE Blz. Fundamentele natuur .......................................... 7-9 Betekenis van het woord doop ........................... 9-12 Wat leren de voorbeelden?.................................. 12 De tabernakel van Mozes ................................... 12-13 De tempel van Salomo ......................................... 13-14 De tempel van Ezechiël ...................................... 14-15 De tegenbeelden ................................................. 15 De tijd van de tabernakel .................................... 15-16 De doop van Johannes ........................................ 16-18 De doop en het koninkrijk .................................. 18-24 De tempel van Salomo ....................................... 24-25 De tempel van Ezechiël ...................................... 25-26 De overgang ........................................................ 26-31 Titels van Christus bij de doop ............................ 31 De doop van Johannes ........................................ 31 5 De doop door Petrus ............................................. 31-32 De doop door Paulus .......................................... 32-36 Het huidige beheer ............................................. 36 De geest heeft opperheerschappij ....................... 36-38 De doop in en naarbinnen .................................. 38-43 De doop in Paulus’ brieven ................................. 43-44 De vroege brieven ............................................... 44-45 De overgangsbrieven .......................................... 45-55 Compleet gemaakt in Hem ................................. 55 Nabij en veraf ..................................................... 55-56 Water en geest .................................................... 56-57 Één geloof, één doop .......................................... 57-58 Eenheid in de geest ............................................. 58-60 Gereinigd in de geest .......................................... 60-61 Brochures gratis bestellen: gorterd@protonmail.com 6
Page 6
De doop Fundamentele natuur Daarom, het woord van het begin van Christus achterlatend, zouden wij tot rijpheid gebracht worden; niet weer fundament neerwerpend van berouw van dode werken en geloof op God, van onderwijs van dopen, en opleggen van handen en opstanding van doden en een eonisch oordeel; En dit zullen wij doen, mits God ons toestaat Hebr.6:1-3 Zes punten fundamenteel onderricht van God, Die zo Zijn volk Israël onderwees met: 1. Bekering van dode werken 2. Geloof op God 3. Onderwijs van dopen 4. Handoplegging 5. Opstanding van doden 6. Eonisch oordeel Dit zijn de grondregels van het begin van de woorden van God Heb.5:12. Kinderen krijgen normaal gesproken eerst basisonderwijs krijgen. Dit moet, na de grondbeginselen, leiden tot meer onderricht. Eerst de basis, dan verdieping. Zo groeien ze op tot meer erkenning en volwassenheid. God heeft in wijsheid Zijn onderricht ook zo ingericht. Hij gaf het volk Israël eerst onderwijs in typen en beelden. Hij richtte Zich op hun vermogen om de aardse dingen te bevatten. Hij maakte geestelijke aspecten duidelijk door 7 aardse, tastbare voorbeelden. Reiniging van lichamelijke onreinheid door water was type. Reiniging van geestelijke bevuiling door Zijn woord is het wezenlijke. De tabernakel was gebouwd met goud, zilver en materialen als erts, linnen, kostbaar hout, en andere stoffen. Dat was beeldend, typologisch voor de heerlijkheid van Zijn woonplaats; het liet de weg zien om Hem te naderen Ex.25-28. Gods omgang met Zijn volk leek op dat van een volwassen ouder met het kind. Hij gaf Israël de wet als een pedagoog (kind-geleider) tot op hun Messias, de Christus, Die de vervulling van de wet was. Tot Hij kwam was elementair onderwijs nodig. Van Mozes tot Christus werd het volk Israël geschoold in de grondregels. Die bestonden uit vooren schaduwbeelden; riten en voorschriften. Christus was de ware, levende Instructie die de oneindige liefde en grootheid van God in Zijn wezen liet zien. Hij onthulde het hart van God volkomen door Zijn dood van het kruis, die Hij onderging in gehoorzaamheid aan Zijn Vader. Daarna maakte God Zijn woord compleet Kol.1:25. Hij gaf mensen instructies die geestelijke volwassenheid in de Christus brengen. Hij is nu Hoofd van het al Kol.2:10. Hoe teder, met veel goedgunstigheid, ging God met Zijn volk Israël om! Hij had Zijn volle heerlijkheid over hen kunnen laten schijnen. Dan zouden zij echter verblind zijn geworden. In plaats daarvan voerde Hij ze stap voor stap, met veel geduld, via de steile helling naar de top: de erkenning van Hemzelf. Het was nooit Zijn bedoeling hen voor altijd op reis te laten zijn door de wildernis, dorheid, van de wet, zonder ooit het doel te bereiken. Hij wilde dat 8
Page 8
zij leraren zouden zijn vanwege de verstreken tijd Hebr.5:12. Maar instructie over de grondregels was opnieuw nodig. Betekenis van het woord doop Onderwijs over dopen hoort ook bij de grondbeginselen. Diverse vormen van het Griekse begrip doop (baptisma) komen uit de wortel van indopen, indompelen, het Griekse baptō 1. Vanuit dit begrip komen vier woorden: Dopen2: reinigen + verenigen, ceremonieel met water, figuurlijk door geest of vuur. Het woord is ook met ‘wassen’ vertaald Luk.11:38, iets dat men als gewoonte voor de maaltijd deed. Het dopen3: indompelen van kannen, bekers, koperen vaatwerk en bedden Mark.7:4; Hebr.6:2. Doop4: ceremonieel wassen; te onderscheiden van: wassen tot reiniging, en van: een bad nemen. Dit woord omvat de doop door Johannes én de ene doop Efe.4:5. Doper5: bijnaam van Johannes omdat hij doopte, terwijl men voorheen zichzelf doopte. 1 Stichwortkonkordanz Konkordantes Neues Testament (KNT), 5e + 6e druk blz.587 onder tauchen, Taufe. In 7e druk, blz.241. Baptō komt 5 keer voor, Lucas 16:24 (1x); Johannes 13:26 (3x) en Openbaring 19:13 (1x). 2 Grieks: baptizō 3 Grieks: baptismos 4 Grieks: baptisma 5 Grieks: baptistès 9 Dat dopen eerst wassen inhield, blijkt uit Tenach6: En alles waarop iets ervan (aas van onreine kleine dieren) valt wanneer zij dood zijn, zal onrein zijn; elk houten voorwerp .... waarmee arbeid verricht werd, het zal in water gedaan worden7 en tot de avond onrein zijn Lev.11:32. Nauwkeurige studie van alle vindplaatsen van dopen (baptizō) toont, dat het niet het verwijderen van natuurlijke onzuiverheid is, maar wel het opheffen van ceremoniële verontreiniging. Het kan ook zijn: ‘ceremonieel wassen’. In het dagelijks leven van Israël vereiste het aanraken van een dood lichaam niet het wassen van kleding. Een bad nemen was onnodig wanneer men van de markt thuiskwam. Een handvol water was genoeg Mark.7:3,4. Toen de Heer Jezus bij de farizeeër een vroege maaltijd nuttigde, was hij verbaasd dat Hij Zich niet eerst gewassen had. Dat bewijst, dat hij van Hem niet meer dan ceremoniële reiniging verwachtte Luk.11:38. Tot op vandaag zie je deze wassingen (‘dopen’) nog steeds onder de Joodse mensen. Slechts het indompelen van de handen in water is genoeg. Wanneer bekers gereinigd moesten Luk.11:39, werden ze niet grondig gewassen. Simpel in water dompelen was genoeg. Ook bij ander gerei volstond formeel wassen Mark.7:4. Dat staat ook in wetten over reiniging van mensen, voorwerpen die met een dode in aanraking geweest zijn Num.19:14. Een 6 Afkorting van Wet (Thora), Profeten (Neviiem) en Geschriften (Chetoeviem), de Joodse benaming van de Hebreeuwse Schrift. 7 Septuaginta, de Griekse vertaling van Tenach heeft: bapthêsetai, letterlijk: gedoopt worden. Zie ook Lev.11:25 10
Page 10
hysopbundeltje, gedompeld (gedoopt) in reinigingswater voldeed; zo kon men de onreine besprenkelen Num.19:9,17,18. Paulus herinnert de Korinthiërs eraan, dat de vaderen van het volk Israël allen onder de wolk waren en naarbinnen in Mozes in de wolk en in de zee gedoopt werden 1Kor.10:2. Uit Tenach weten wij echter, dat de zonen van Israël geen water aanraakten toen zij door de Rode Zee trokken; zij hielden de voeten droog! De Egyptenaren gingen wél ten onder in het water en verdronken. De zonen van Israël werden beslist niet in de Rode Zee gedoopt in de normale zin van het woord. Hier is de betekenis van het woord doop duidelijk door het resultaat ervan. De doop in Handelingen zonderde de gedoopten af van de wereld die gewijd was aan de ondergang. Zo ook zorgden de wolk en de zee in de tijd van Mozes voor Israëls afscheiding van Egypte. De apostel legt dan het door hem gebruikte woord doop uit, met nadruk op het geestelijke: ..aten allen hetzelfde geestelijke voedsel, en allen dronken dezelfde geestelijke drank; want zij dronken uit de geestelijke rots die hen volgde, de Rots echter, was de Christus 1Kor.10:3,4 De uitwendige reiniging had niet als doel verwijdering van vuilheid. Maar de begrippen die verband hielden met reiniging van het vlees, werden onder de Mozaïsche wet naar het geestelijke overgezet. Ingaan in de tabernakel eiste van de priester een ceremoniële afwassing of doop van het vlees uitvoerde bij het koperen wasvat Ex.29:4; 30:20. Maar ook in Handelingen droeg Ananias aan Saulus op: 11 Sta op, laat je dopen en laat je zonden afwassen, Zijn naam aanroepend.' Hand.22:16 Wat leren de voorbeelden? We beginnen met het koperen wasvat bij de tabernakel Ex.30:17-21. Die zal vergeleken worden met de zogeheten ‘zee’ van koper en de tien mobiele wasvaten bij de tempel van Salomo 1Kon.7:23-39, en uiteindelijk met de stromende rivier van Ezechiël Ez.47:1-12. Dan volgt bespreking hoe deze typen, voorbeelden, spreken van hun tegenhanger en in welk beheer8 ieder thuishoort. Deze erkenning stelt ons in staat de goddelijke waarheid in het licht van het nu geldende, geheime beheer van de genade Ef.3:2,9 te zien. De tabernakel van Mozes Toen Jahweh te midden van Zijn wolk woonde, zorgde hij voor mogelijkheden, dat Zijn volk in Zijn nabijheid kon komen. Hoewel Hij te midden van hen woonde, was dat wel achter dikke kleden en de voorhang Ex.36:35,37. In de voorhof van de tabernakel, voor de ingang, stonden het brandofferaltaar en het koperen wasvat Ex.40:29,30. De eerste richtlijn van Jahweh voor de bouw van allerlei voorwerpen noemt het wasvat niet. Pas ná de beschrijving van alle instrumenten noemt Hij dit koperen bekken en stelt haar plaats vast Ex.30:18. Daar moesten Aäron en zijn zonen zich reinigen Ex.30:21, voordat zij de tabernakel in gingen. Het is opvallend, dat alles gedetailleerd met precieze afmetingen beschreven is, maar het koperen wasvat niet. Details over maten en vormgeving ontbreken. Al wat wij weten, is dat 8 Beheer, Grieks: oikonomia, huis-wet of huishouding. In Gods plan van eonen zijn 12 periodes van beheer te zien. In elk daarvan geeft God een toedeling, bijvoorbeeld wet of genade in een zekere tijd. 12
Page 12
het wasvat diende om wassingen te doen voordat men de tent van samenkomst binnentrad. De bereikte toestand van reiniging was voor Jahweh genoeg en er was gemeenschap mogelijk in Zijn nabijheid. Het was in ieder geval een bad van vernieuwing en wederwording (‘wedergeboorte’) voor de priesterlijke dienst vgl Tit.3:5. Waarom werd bij de beschrijving van de instrumenten voor de tabernakel het koperen bekken weggelaten? Waarom was de beschrijving zo sober in Exodus? Houdt dit niet in, dat het koperen wasvat er niet wezenlijk deel van uitmaakte? En alleen voorlopig haar plaats had? Was het niet zo, dat de tabernakel nog niet de volkomenheid uitbeeldde, en dat daarom het rituele wassen van de priesters slechts tot de tijd van betere orde Hebr.9:10 opgelegd was? Zijn meer bewijzen nodig om het tijdelijke karakter van dit koperen bekken aan te tonen? De tempel van Salomo De tempel van Salomo, later in de plaats van de tabernakel gekomen, kende zo’n bekken tussen het brandofferaltaar en het heilige niet. In plaats daarvan stond daar de gegoten zee tot reiniging door wassingen voor de priesters 2Kron.4:2,6. Hierbij werden wel de precieze maten aangegeven 1Kon.7:23. Deze stond niet dicht bij het koperen altaar, iets naar het zuidwesten. Het werd echter nooit ‘bekken’ genoemd. Het stond op 12 ossen/runderen in opzet 4 x 3, als symbolen van dienstbaarheid. Het altaar was nu duidelijk groter, het vulde vrijwel heel de voorhof voor het huis. Zodoende stond de zee niet op dezelfde plaats als het bekken bij de tabernakel, het was naar links verplaatst. 13 De tien bekkens die in de voorhof stonden, dienden om de brandoffers te wassen. Hoewel zij op dezelfde plaatsen bij het huis stonden, rustten ze op wagens met vier wielen 1Kon.7:30. Ook hier zien en erkennen wij, dat de kennelijk overbodige wielen laten zien dat de bekkens slechts ‘tot de tijd van betere orde’ Hebr.9:10 van belang waren. De tempel van Ezechiël We kunnen niet verwachten, dat het koperen wasvat uit de tijd van de tabernakel van Mozes hier nog staat. Ook zijn de tien verrijdbare bekkens die aan beide zijden van het huis van Salomo stonden, niet meer te zien. Ook zien we in Ezechiël geen koperen zee meer. In plaats daarvan komt een stroom van levend water onder de dorpel van het huis door. Deze neemt de vloek weg en brengt leven en dus vruchtbaarheid Ez.47:1-12. Hier is water in overvloed, niet slechts een klein bekken vol, ook niet slechts 2000 bath, de inhoud van de gegoten zee, maar een vloeiende, leven brengende stroom, die steeds dieper wordt naarmate die verder stroomt. Zo zien we duidelijk in het voorbeeld van de voorhoven van de heiligdommen van Jahweh, dat achtereenvolgens één enkel bekken wordt afgelost door 10. En deze worden op hun beurt vervangen door één stroom van levend water. Het was voor God onvoldoende, dat enkelingen delen in de wederwording (‘wedergeboorte’) in Zijn aanwezigheid. Hij kan uit zeer weinig erg veel voortbrengen, tot redding en genezing van al wat daarmee in aanraking komt. 14
Page 14
De tegenbeelden De tabernakel met haar rituelen was een type van wat komen zou. Op dezelfde manier sprak de tempel van Salomo van de heerlijkheid die nog zal komen, wanneer Hij, Die groter dan Salomo is, Zijn vrede zal brengen. De tempel van Ezechiël 40-48 verwijst naar een verdere toekomst. Deze tempel zal in het komende millennium in de dag van Jahweh9 gebouwd worden. Deze verwijst naar de opvolgende dag van God 2Petr.3:12. Dan zal God Zelf de tempel zijn en een stroom van levend water zal uit Zijn troon stromen Op.21:22; 22:1-3. Dan zal geen vloek meer zijn, en een nieuwe schepping zal het luid verkondigen, dat de eon van betere orde, van rechtzetting, gekomen is. De tijd van de tabernakel De tabernakel was de plaats van ontmoeting met Jahweh vanaf de tijd van instelling bij Sinaï tot in de dagen van Salomo. In Hebreeën zien wij de geestelijke betekenis van deze voorafschaduwing die toen was. Hier lezen wij over het tegenbeeld van Mozes: de Zoon van God Hebr.3:1-6. Hij is dat ook van Aäron Hebr.5:4 en Jozua Hebr.4:8. De Israëlieten bevinden zich in de wildernis (woestijn). De Ene, Die veel grotere heerlijkheid waardig is dan Mozes, is hun Geleide. Hij is erbij om ze in het vieren van God te leiden, wat Jozua niet lukte. Zijn priesterschap overtreft dat van Aäron, want het is gebaseerd op veel hogere beloften. En het is dan ook op niemand overdraagbaar. Het eerste (oude) verbond van de Sinaï verbleekt totaal in het licht van het tweede (nieuwe) verbond Hebr.8:6-13. 9 Gewoonlijk ‘de dag des Heren’ genoemd, in profetie veelvuldig aangekondigd, Openbaring 1:10 e.v. spreekt daarvan. 15 Verderop wordt kort samengevat de tabernakel verklaard. De vaststelling volgt: wat een gelijkenis is met de tegenwoordige era Hebr.9:9. Hebreeën noemt geen tempel. Christus is het ware Tegenbeeld van de tabernakel. Tot aan Zijn komst was er voor Zijn volk Israël slechts één toegang tot Gods tegenwoordigheid via dit grote Tegenbeeld van het ritueel van de tabernakel. Voor nu kan het helpen - voor het begrip - Paulus’ bediening als apostel van de natiën er niet bij te betrekken. De doop van Johannes Voordat de ware Tabernakel kwam, trad Johannes op, die in de Jordaan doopte Mark.1:4,5. Wat werd uitgebeeld door deze voorafschaduwing? Christus was het, die door Mozes als profeet aangekondigd was Deut.18:15-19. En Hij kwam om Zijn volk uit de slavernij te bevrijden Hand.7:25,37. Israël in Egypte komt overeen met de Joden onder de wet. De Heer Jezus kwam om hen eveneens in het goede land te brengen, dat Hij voor hen bereid had. Maar, net als de Israëlieten in de oudheid, bleven ook deze Joden (in de Handelingentijd) in de wildernis hangen. Tienduizenden werden gelovig; zij allen hoorden echter bij de ijveraars van de wet Hand.21:20. God had in het grootste deel van hen geen behagen 1Kor.10:5. De weg door de wildernis begon met een doop. Zij allen werden naarbinnen Mozes in de wolk en in de zee gedoopt 1Kor.10:2. Alle verbindingen met Egypte werden op die wijze verbroken. En zij werden zo met Mozes verbonden. Vele jaren later verkondigde Johannes de doper het koninkrijk van de hemelen, doopte hij hen ook, en dat met het oog op de ware Mozes, de Heer Jezus Matt.3:11. De doophandeling 16
Page 16
verbond hen met hun Heer. Johannes doopte echter niet in zijn eigen naam; hij was niet dé Profeet die zou komen. Hij doopte tot bekering en zei dat de mensen, in Hem zouden geloven die na Johannes kwam, dat is: Jezus Hand.19:4,5. Wat betekende dan de doop van Johannes? Het was vooral een belijdenis: zij hadden wassing nodig, de ceremoniële reiniging. Daartoe beleden zij hun zonden Matt.3:6. Het was een doop tot bekering (berouw), eerste voorwaarde voor alle zegen voor Israël. De Joden waren tot spreekwoord en spotrede geworden. Zij waren over alle landen verstrooid en dienden de vijanden Deut.28:37,48. Alle vloek die in de wet van Mozes stond, was in hun ongehoorzaamheid over hen gekomen. Maar Jahweh had hen beloofd dat, wanneer zij zich van hun verkeerde wegen omkeren, Hij Zich over hen zou ontfermen en hun lot zou omwenden. Zij zouden dan uit alle volkeren verzameld worden Deut.30:1-5. Vanaf de dagen dat Mozes Aäron en zijn zonen inwijdde, deden zij alle benodigde reinigingen zelf Ex.40:30-32. Onreine kleding werd door de drager gewassen Lev.11:40. Naäman moest zich zeven keer onderdompelen in de Jordaan en werd rein verklaard 2Kon.5:14. Toen Johannes optrad, doopte hij. Dus werd hij Johannes de doper genoemd. Door zijn doop vormden de ontvangers niet alleen een afgezonderde menigte. Zij werden óók met de Komende verenigd, want ook Jezus liet Zich door Johannes dopen en stemde zo met deze eenheid in Matt.3:15. Johannes kwam in de geest en de kracht van Elia om de weg van de Heer te bereiden. De Heer, Die Zichzelf liet 17 dopen, had geen reiniging nodig. Maar, zoals Mozes met de zonen van Israël in de wolk en in de zee was, zo ging Hij samen met hen die zich in Zijn Naam lieten dopen. Daar Hij echter uit de hemel kwam, daalde aanvullend de geest van God op Hem neer. En die getuigde daarmee, dat Hij de Ene, dé Reine was, die al het welbehagen van God genoot. En Hij had door de geest te allen tijde toegang tot de Vader. Want de doop in heilige geest is eens voor altijd geldig. Het is immers een getuigenis van Eigendom van God zijn, iets dat ononderbroken blijft, en is bewijs van overvloedig leven. Johannes erkende zelf hoe oppervlakkig velen waren die bij hem kwamen om gedoopt te worden. Hij zei tot de farizeeën en sadduceeën: Adderengebroed! Wie heeft jullie te kennen gegeven te vluchten voor de op het punt staande verontwaardiging? Matt.3:7 De bekering (berouw) en de doop die alleen voor de vorm plaatsvonden, waren lang niet genoeg. Alvorens Jahweh Zijn volk Israël in het beloofde land opnieuw kan zegenen, moet het zich wederom tot Hem wenden. Om oprechtheid en bekering te bewijzen, moet het ook de juiste vruchten laten zien. Die Ene, op wiens Naam zij gedoopt werden, liet Zich niet bedriegen. Hij zou echter niet met water dopen, maar met geest. Zijn doop zou scheiding tussen zijn en schijn opleveren. De ene groep zou de doop in heilige geest ondergaan, de andere de doop in vuur Matt.3:11. 18
Page 18
De doop en het koninkrijk De doop staat steeds in verband met bekering (berouw) als die aan de zonen van Israël voltrokken werd. Het woord dat voor Petrus Hand.2:38 e.v. leidend was, kwam uit de wet10 Deut.30:1-5. Dat gedeelte vormt de sleutel tot wat Petrus op pinksteren sprak. Voordat Jahweh het volk in het beloofde land kan zegenen, moet het zich weer tot Hem wenden en Hem aanroepen. Om oprechtheid van hun omkeer te laten zien, moet het de juiste vrucht voortbrengen Matt.3:8; Luk.3:8. Niemand van hen zal zich kunnen verheugen in het aardse koninkrijk, wanneer men niet door de deur van bekering (berouw) binnengaat Matt.3:2; 4:17; Hand.2:38. Voor de natiën (buiten het volk) gaf God een andere deur: geloof Hand.14:27. De doop in water was een uiterlijk zegel van bekering (berouw) tijdens de bediening van Johannes Hand.13:24. De Heer doopte Zelf niet met of in water, maar liet dat aan Zijn discipelen over Joh.4:2. De vereniging van hen, die zo door Johannes gedoopt waren, en hun afzondering van de andere Joden, werd duidelijk toen een kwestie opspeelde. Tussen de discipelen van Johannes en de Joden ontstond onenigheid over de reiniging Joh.3:25. De discipelen van Johannes gingen naar Johannes toe. Zij hadden over Jezus gehoord, dat Hij (Zijn discipelen) doopte en dat allen tot Hem kwamen. Hoewel de discipelen van Johannes Joden waren, onderscheidden zij zich nu van de overigen. Johannes zei duidelijk dat hij door Hem gezonden werd Joh.3:28. Jezus moest groeien, Johannes moest minder worden Joh.3:30. Deze gebeurtenis 10 Wet: Thora (Hebreeuws), Onderwijzing, Genesis-Deuteronomium. 19 toont ons, hoe de bediening van Johannes geleidelijk in die van de Heer opging. Weliswaar vormden alle Joden door het ritueel van de besnijdenis een eenheid, maar werden door de (water)doop van elkaar gescheiden. Petrus nam de bediening van het dopen op de pinksterdag weer op Hand.2:38. Het koninkrijk was tevoren door Johannes en de Heer verkondigd. Israël had dat echter afgewezen, en haar Messias vermoord. Met pinksteren werd Hij als Opgestane verkondigd, als de Zoon van David. Hij was door God opgewekt, opdat Hij op de troon van David zou zitten. Maar voordat de dag van Jahweh11 in heerlijkheid kan aanbreken, moet Gods arm van gerechtigheid door gerichten openbaar worden Hand.2:23,24,34,35. Al de profeten hadden het aanbreken met gerichten van deze grote dag voorzegd. Veel zwaardere gerichten dan in Egypte zullen Zijn vijanden uitschakelen Han.2:19; Dan.12:1; Joël 2, Amos 5:18-20 e.a.. Hoe konden degenen, die schuldig waren aan de moord op de Gezalfde van God, aan deze gerichten ontkomen? Petrus nu verklaarde tot hen: "Hebt berouw en laat eenieder van jullie gedoopt worden in de naam van Jezus Christus tot vergeving van jullie zonden, en jullie zullen het geschenk van de heilige geest ontvangen. Want voor jullie is de belofte en voor jullie kinderen en voor allen die veraf zijn, al wie ook maar onze Heer de God tot Zich roept. Bovendien met meer andere 11 Profetisch aangekondigd in Tenach, o.a. in Joël 2, en vele andere; vaak ‘de dag des HE(E)REN’ in vertalingen genoemd. Ook in Openbaring 1:10 wordt die dag (niet de zondag) bedoeld. 20
Page 20
woorden betuigde hij en sprak hen aan, en zei: ‘Wordt gered uit deze kromme generatie!’ Hand.2:38-40 Petrus zegt hoe deze generatie de grote gerichten tegemoet ging en daarvoor rijp was. Het zijn die gerichten, die de dag van Jahweh aankondigen. Het doel was om vóór deze gerichten gered te worden; voor zijn broeders verlangde hij dat. Zij moesten berouw tonen en gedoopt worden. Wanneer een hogepriester weigerde zich in het wasvat te reinigen voordat hij dienstwerk in het heiligdom deed, moest hij zich de woorden van Jahweh herinneren: opdat hij niet zou sterven Ex.30:20,21. Op dezelfde manier kon de Israëliet zonder bekering en doop vooraf, niet in het koninkrijk binnengaan. In dit verband moeten we ook de woorden in zijn brief verstaan: zij die eens weerspannig waren, toen het geduld van God wachtte in de dagen van Noach, terwijl de ark toebereid werd, waarin weinig, dat is acht, zielen uitgered werden door het water heen, welk tegenbeeld, de doop, ook jullie nu redt (niet het afleggen van vuilheid van het vlees, maar een vordering van een goed geweten voor God), door de opstanding van Jezus Christus 1Petr.3:20,21 Waterdoop zal in die dag ingaan in de ene, reddende ark betekenen, op de dag dat het gericht veel zal lijken op de wateren van het gericht in de dagen van Noach Matt.24:37-39. Wij noteren twee gevolgen van de doop van Johannes: 1. Het scheidde de gedoopten af van de rest van het volk. 2. Door die doop werden zij als een eenheid verbonden. 21 Bij proseliet12 Cornelius ontving de verzamelde menigte de gave van heilige geest. Daarmee getuigde God, dat Hij ze aangenomen had. En zo kon Petrus zeggen: Iemand kan toch niet het water beletten, zodat dezen niet gedoopt worden, die de heilige geest ontvangen, zoals ook wij? En hij gelastte hen gedoopt te worden in de naam van Jezus Christus. Toen vroegen zij hem enige dagen te blijven Hand.10:47,48 Deze mensen uit de natiën vormden nu een eenheid met de gedoopten in Jeruzalem. God maakte ze door de geest, de heilige, één. Tot op zekere tijd waren gelovigen in Samaria wel in water gedoopt, zonder de heilige geest te hebben ontvangen Hand.8:14-17. Zij, die nog niet de gave van de heilige geest ontvingen, konden zich wel met de heiligen in Jeruzalem verenigen. Hoe konden dan deze proselieten niet gedoopt worden, die de geest wél ontvingen, zoals de apostelen? Hand.11:15,17 Zo vormde God door de heilige geest een nieuwe eenheid. Deze verving de door waterdoop toegevoegde eenheid, hoewel de waterdoop en de doop in de geest nog enige tijd naast elkaar bleven bestaan. Wij hebben gezien, dat de tempel en het daarmee verbonden ritueel een bepaalde periode voorafschaduwde. Dat is de tijd waarin de Heer, 12 Proseliet: iemand die genaderd is tot de God van Israël; Cornelius was een ‘proseliet van de poort’ wel een God-vereerder, maar nam geen deel aan de gezette hoogtijden van Jahweh, wat een ‘proseliet van de gerechtigheid’ (de ‘kamerling’, Hand.8) wél deed. 22
Page 22
zoals eens Salomo, op Zijn troon zal zitten en in vrede zal regeren. De tempel is daarom in zekere zin een beeld voor het komende koninkrijk van de hemelen13 op deze aarde. Vóór de tempel was het de tabernakel, die tijdens de regeerperiode van David de latere functie van de tempel vervulde. De Heer stond het David echter niet toe voor Hem een huis te bouwen tabernakel van David vervallen, zoals Amos voorzegde. Wanneer Israël afgezonderd wordt van de natiën, en de zondaren van het volk door het zwaard sterven Amos 9:9,10, dan wordt de vervallen hut van David weer opgebouwd Amos 9:11,12; Hand.15:16. Daarmee wordt betuigd, dat indien deze tent niet letterlijk uit aardse materialen als zichtbaar gebouw gebouwd werd, deze toch de waarheid uitbeeldt, dat het koninkrijk zich in de voorbereidende fase van gericht bevindt, totdat Israël in het beloofde land tot rust gekomen is. En zo lang zal het wasvat op zijn plaats blijven, en zo lang gaat ook dat woord in het land uit: Hebt berouw en laat eenieder van jullie gedoopt worden op de naam van Jezus Christus tot vergeving van jullie zonden Hand.2:38 Zoals de offers vanwege hun onvolkomenheden steeds herhaald moesten worden, Hebr.10:1-4 gold dat ook voor de wassingen tot reiniging. Maar in die heerlijke dag, als heel Israël gered wordt, worden allen gereinigd in het bad van wedergeboorte Matt.19:28-30. Het hele volk wordt dan tot een koninklijk priesterschap gewijd Ex.19:6; Rom.11:26; 1Pe.2:9; Op.1:6. 13 Is het aardse koninkrijk onder Messias Jezus, zoals in Daniël 2:44 aangekondigd, Mattheüs 4:17 e.a. gebruikt als enige de uitdrukking. 23 2Sam.7:2-16. Maar nu is de De tempel van Salomo In de tempel van Salomo, die op de berg Moria stond 2Kron.3:1, werd het koperen wasvat dat bij de ingang van de tabernakel stond, niet opgesteld. In plaats daarvan zien wij de ‘koperen zee’, staand op 12 runderen, aan de zijkant van de ingang. Ook zijn daar de 10 verrijdbare wasvaten, die aan de zijkanten van het huis 1Kon.7:23-27,38,39. De gegoten, koperen zee spreekt van overstromende zegen en dat wat heilig is; in die dag Israëls deel. Dan zal niemand vermaand worden om zich te bekeren en zich te laten dopen, aangezien allen nu wedergeboorte bereikt hebben. Er rest niets anders dan het heilige vervullen van de priesterdienst voor de natiën. De natiën zullen dan door hen dichterbij komen. De tempel zal een huis van gebed genoemd worden voor alle volkeren Jes.56:7. De natiën staan niet in dezelfde verhouding tot Jahweh als Israël, daarom staan daar nog de wasvaten. In dat heerlijke koninkrijk zal de aanwijzing van de Heer werkelijkheid worden: En, genaderd, sprak Jezus tot hen, zeggend: Mij is gegeven alle volmacht in hemel en op de aarde. Ga dan, discipelt al de natiën, ze dopend14 in de naam van de Vader en van de Zoon en van de heilige geest, hen onderwijzend alles te bewaren, al wat Ik jullie verordend heb. En zie, Ík ben met jullie, alle dagen, tot de afsluiting van de eon! Amen. Matt.28:18-20 14 De zin: ‘ze dopend...geest’ is mogelijk later ingevoegd. Eusebius van Ceasarea (260-339) citeert Mattheüs 28:19 zonder die zin (red.). 24
Page 24
De tempel van Ezechiël Aan het begin van de dag van Jahweh15 zal de vierde tempel gebouwd worden. Deze wordt dan ten noorden van Jeruzalem, op de hoogten van Samaria, gebouwd. Ezechiël heeft deze beschreven. Die zal een terrein beslaan dat als hefoffer van het overige land toebedeeld is Ez.40-42; 45:1. In veel opzichten is dat een tegenhanger van de tempel van Salomo. Die getuigde van een dag waarvan de heerlijkheid naar de toekomst verwijst. De dag van de Heer heeft als kenmerk het getal 7. Bij de tempel van Ezechiël is de afmeting een zevental langer dan bij de tempel van Salomo. Het getal zeven spreekt van voleinding, van een afgesloten geheel; het getal acht van een nieuw begin, van een vernieuwing, een nieuwe schepping. Eén van de meest opmerkelijke veranderingen in de tempel van Ezechiël in vergelijking met de tempel van Salomo blijkt bij de tien verrijdbare wasvaten en de gegoten koperen zee. We zagen dat de wasvaten wielen hadden. Hoewel we lezen Ez.40:38 dat brandoffers ergens afgespoeld worden; daar zijn geen wasvaten. Deze zijn weggereden! Er hoeft immers niets meer gereinigd! De koperen zee is door iets veel heerlijkers vervangen. Aan de rechtervleugel van het huis, stroomt het levende water (de vloek verdwijnt), het brengt leven, vruchtbaarheid Ex.47:12. Omwille van Zijn grote Naam liet God wanden tussen Hem en de mensheid zetten. Door Christus zijn ze weg. God verzoent alle mensen met Zichzelf. 15 Deze start met gerichten; ‘de dag des Heren’, duurt 1000 jaar 25 De overgang Want Hij, Die in Petrus werkzaam is voor het apostelschap van de besnijdenis, is ook in mij werkzaam voor dat van de natiën Gal.2:8 Die beide dienstopdrachten kunnen we nalopen in Handelingen. Gebeurtenissen uit de 1e helft ‘herhaalt’ de tekst in de 2e helft. Wonderen die Petrus doet, lezen we later weer bij Paulus. In kort overzicht: Handelingen 3:1-3 en 14:8-10 9:33-35 en 28:8 genezing van een verlamde genezing van een verlamde en de vader van Publius 9:36-41 en 20:9-12 opwekking van Tabitha en Eutychus 5:15,16 en 19:11,12 genezing van zieken Het onderscheid tussen Petrus en Paulus komt naar voren: Terwijl zij echter hun dienst uitoefenden en vastten, zei de heilige geest: ‘Zondert in ieder geval voor mij Barnabas en Saulus af voor het werk waartoe ik hen tot mij geroepen heb’ Hand.13:2 Tot dan toe werd het evangelie van het koninkrijk door de twaalf apostelen van de Besnijdenis verkondigd. Maar we lezen ook: Want ik maak jullie bekend, broeders, het evangelie dat door mij verkondigd wordt: het is niet in overeenstemming met de mens. 26
Page 26
Want ík heb het niet van een mens aangenomen, noch werd ik erin onderwezen, maar alleen door onthulling van Jezus Christus Gal.1:11,12 En niet alleen dat, maar aan hem werd ook het tijdstip onthuld waarop hij dit aan de twaalf zou meedelen. Dit deed hij in stilte, eerst deelde hij het aan de aanzienlijken mee, nu openlijk uiteenzetten voor hen ongunstig kon zijn. Ik ging echter op in overeenstemming met een onthulling en legde hun het evangelie voor, dat ik verkondig onder de natiën, maar afzonderlijk aan hen die in aanzien zijn, opdat ik niet vergeefs zou rennen of gelopen heb. Maar zelfs Titus, die met mij was en Griek is, werd niet genoodzaakt besneden te worden. Maar vanwege de binnengesmokkelde valse broeders – die binnen kwamen om onze vrijheid te bespieden, die wij in Christus Jezus hebben, opdat zij ons tot slavernij zouden brengen – lieten wij het voor hen zelfs geen uur lijken op onderschikking, opdat de waarheid van het evangelie voortdurend bij jullie blijft. Van hen echter die van enig aanzien zijn– wat zij eens waren, is voor mij van geen belang, God hecht niet aan menselijk voorkomen – zij immers die in aanzien zijn, legden mij niets op. Maar integendeel, toen zij zagen dat mij het evangelie van de voorhuid toevertrouwd was, zoals aan Petrus dat van de besnijdenis (want Hij, Die in Petrus werkzaam is voor het apostelschap van de besnijdenis, is ook in mij 27 werkzaam voor dat van de natiën) en toen zij de genade erkenden die mij gegeven is, gaven Jakobus en Kefas en Johannes, die geacht werden steunpilaren te zijn, mij en Barnabas de rechterhand van gemeenschap, opdat inderdaad wij voor de natiën, maar zij voor de besnijdenis zijn Gal.2:2-9 Hoe Paulus het wezen van zijn dienstwerk opvatte, is door hem toegelicht in Romeinen 15:8-21. Wat hij verkondigde, was de rechtvaardiging door geloof zonder werken van de wet. Dit zet hij uitvoering uiteen in Romeinen 1-4; en zeker ook in Galaten en 1Timotheüs. Paulus noemt het mijn evangelie Rom.2:16,16:25; 2Tim.2:8, ons evangelie 2Kor.4:3,11:4, 2Thess.2:14, het evangelie dat ik aan jullie verkondig 1Kor.15:1, Gal.2:2, Ef.3:6,7. Dit is weliswaar niet de eigenlijke vervulling van de belofte, die God gegeven had. Het stemde wel overeen met de profetie van zegen over de natiën, samen met Zijn volk Israël Rom.15:9-12. Hier is nu nog de Jood op eerste plaats, de natiën op de tweede. Paulus zegt: eerst de Jood, en ook de Griek Rom.1:16,2:9,10. De aan de natiën gegeven genade zou met Israëls zegen hand in hand gaan: weest verheugd, natiën, met Zijn volk Rom.15:10 Nergens wordt vermeld, dat het dienstwerk in de opdracht die Paulus had, en de door hem verkondigde genade, de uitspraken in dat soort Schriftplaatsen uitgeput had. Israël wacht nog op de letterlijke vervulling ervan in de dag van 28
Page 28
Jahweh. Maar de genade is volledig in harmonie met het onthulde raadsbesluit van God Rom.15:9. Toen Israël het af liet weten en het leek, alsof het ook naar het raadsbesluit van God voorbij was, openbaarde God aan Saulus op weg naar Damascus Zijn Zoon in heerlijkheid. Waarom? Opdat hij Hem als evangelie onder de natiën zou verkondigen Gal.1:15,16; en zo was hij ook type van de nog toekomstige omkeer van Israël. Petrus sprak vanuit Tenach: en Hij Hem zou afvaardigen Die tevoren voor jullie vastgesteld was, Messias Jezus, Die de hemel inderdaad moet ontvangen tot de tijden van de wederoprichting van alle dingen, waar God van gesproken heeft door de mond van Zijn heilige profeten vanaf de eon Hand.3:20,21 Deze belofte blijft verder gewoon geldig, maar Hij kwam werkelijk uit de hemel. Hij ontmoette Saulus op diens vermeende juiste weg. Wanneer Hij voor Israël komt, zal Hij Zich als de Machtige in heerlijkheid vertonen, zodat ieder Hem kan zien Matt.25:31, 1Petr.1:7 zoals Saulus. Wanneer Hij aan het begin van de 1000 jaren Zich aan Zijn volk toont, zal Hij zeker gezien worden Zach.12:10, Openb.1:7. Zo was het bij Saulus. Het volk zal dan geboren worden Jes.66:8; zo ook Saulus 1Kor.15:8. De ‘geboorte’ van Saulus en de verkondiging van Christus’ heerlijkheid 2Kor.4:4 gebeurde in zekere zin vervroegd. Daarom noemt de apostel zich: ‘ontijdig geborene’ 1Kor.15:8. Vervulling van heel de waarheid zal in de dag van Jahweh 29 gebeuren. De door de profeten uitgesproken profetieën inzake Israël zullen dan in volheid vervuld worden. Gods plan is door de struikeling, het laten afweten van Israël, niet gestopt. Zou Israël Hem toen aangenomen hebben, dan was het volk (menselijk gesproken) toen al zegenkanaal voor alle volkeren geworden Hand.3:19-21. Omdat het volk niet één keer voor zichzelf die zegen begeerde, verkoos God voor Zich een man, Zijn meest verbitterde vijand. En Hij gebruikte die om het werk te doen wat Israël liet liggen. Paulus kwam in zeker opzicht in plaats van Israël. Alles wat het volk aan opleiding had, was nodig om de opdracht van God uit te voeren, werd in de geest aan Paulus opgedragen 1Tim.1:11. De Heer kwam al eerder tot hem in Zijn heerlijkheid. De opdracht tot dienstwerk die hij ontving ten behoeve van de natiën, had hetzelfde karakter als wat Israël in de dag van Jahweh zal doen Rom.15:16, Op.1:6, 1Petr.2:9, Op.20:6 e.v. Voor de natiën leek het net of ze al de zegeningen ontvingen via het trouwe Israël, met een belangrijk verschil: het gebeurde in de geest. In dit verband komt waterdoop weer naar voren 1Kor1:14-16. Maar, zoals bij Cornelius ging ook hier de geestesdoop vooraf, dat was belangrijker dan het vleselijke ritueel. Waterdoop was afhankelijk van de doop in de geest. Alleen waar men in heilige geest gedoopt was, kon men de waterdoop krijgen Hand.15:8, Rom.5:5. Onder de bediening van de twaalf apostelen werden allen in water gedoopt, maar niet allen werden óók in heilige geest gedoopt. Vanaf de periode waarin Paulus de hoogste onthullingen ontving, was het precies andersom. Allen, die 30
Page 30
geloofden werden met de heilige geest verzegeld, maar nauwelijks nog in water gedoopt 1Kor.1:14-17. In de zo genoemde ‘overgangstijd’ sprak Paulus in de synagogen van het koninkrijk; men werd gedoopt met de doop van Johannes Ha.19:1-8. Buiten de synagogen sprak Paulus van de rechtvaardiging door geloof aan Joden én natiën. Titels van Christus bij de doop Om de doop in de diverse huishoudingen16 goed te begrijpen, moeten we de diverse titels in acht nemen, zoals die in het verband gebruikt zijn. Zijn titel Kurios17 werd steeds met Heer vertaald. Als aanspreektitel voor de Heer gebruikt Lukas 7x de titel ‘Meester’ Luk.5:5,8:24,45, 9:33,49, 17:13. De titel Christus is Messias in het Hebreeuws: Gezalfde. De doop van Johannes Johannes doopte in de naam van de Heer Jezus Hand.19:5. Dit gebeurde met het oog op Zijn aanwezigheid op aarde, om Hem een volk te bereiden. Wie Jezus als Heer en Meester erkende, waren Zijn discipelen. De doop door Petrus Petrus en ook de anderen van de twaalf doopten de Israëlieten op de naam van Jezus Christus Hand.2:38. Deze naam had verband met Zijn aardse dienst. De betekenis lag daarin, dat de mens Jezus, door de Joden verworpen en gekruisigd, de Messias (Christus: Gezalfde) was. De doop symboliseerde een bekentenis van eenheid met Hem. 16 Beheer, Grieks: oikonomia, huis-wet (lett.); de Schrift kent 12 periodes van beheer in Gods plan. Zie ‘de kalender van God’. 17 Kurios = Bekrachtiger. De keizer in Rome had deze titel. 31 De Samaritanen echter, hadden niet datzelfde aandeel aan deze Messias. Als zodanig hoorde Hij alleen bij het volk van priesters. Alleen Israël kon in Zijn zalving delen. Voor de Samaritanen was Hij alleen Heer en Meester Luk.17:13. Toen Hij op aarde verbleef, was Hij als de Mens Jezus in hun midden gekomen. Tot zekere tijd werden zij gedoopt in de naam van de Heer Jezus Hand.8:16. De proselieten uit de natiën werden - zoals het voorbeeld Cornelius ons leert - tot volle gemeenschap met Israël toegelaten. Zij ontvingen de geest alvorens zij in water gedoopt werden. De Heer kon op grond van de ontmoeting met de hoofdman in Kapernaüm zeggen: Amen, Ik zeg jullie: bij níemand in Israël heb Ik zoveel geloof gevonden Matt.8:10. Terwijl de doop deze drie groepen verenigde, behielden zij toch hun bijzondere kenmerken. Zoals de voorhof bij de tempel één geheel was én in diverse afdelingen verdeeld, vormden Joden, Samaritanen en proselieten een eenheid, terwijl zij hun bijzonderheden vasthielden. De doop door Paulus Wanneer wij de (water)doop door Paulus bekijken, zien wij een verandering. Hij hanteert wel dezelfde namen en titels als Petrus bij de doop van Israëlieten, maar de volgorde is andersom. Petrus zei Jezus Christus. Paulus zegt Christus Gal.3:27 of Christus Jezus Rom.6:3, en dat wijst op de Verhoogde. Het zwaartepunt ligt nu anders. De Jood liet zich dopen op de naam van de Messias, en bekende daarmee dat dit de gekruisigde Jezus was. 32
Page 32
Bij de natiën was het nu anders. Zoals ‘hun’ apostel Hem pas ná Zijn opstanding en verheerlijking zag, bekenden zij Hem met de titel van Zijn verheerlijking: Christus. Om deze Verheerlijkte Heer met de Verachte Die hun zonden op Golgotha droeg te verbinden, kwam Jezus’ naam erbij. Daar deze doop de natiën samen plantte met Hem in Zijn opstandingsheerlijkheid, kreeg die veel grotere betekenis dan voorheen. Paulus schreef de Romeinen18: Of zijn jullie onwetend dat al wie gedoopt zijn in Christus Jezus, in Zijn dood gedoopt zijn? Wij werden dan begraven met Hem door de doop in de dood, opdat, evenals Christus opgewekt is uit de doden door de heerlijkheid van de Vader, zo ook wíj in nieuwheid van leven wandelen. Want indien wij tezamen geplant zijn geworden in de gelijkenis van Zijn dood, zullen wij niettemin ook van de opstanding zijn, dit wetend, dat onze oude mens mede gekruisigd is, opdat het lichaam van de zonde buiten werking gesteld zou zijn, en wij niet meer slaven voor de zonde, want wie gestorven is, is gerechtvaardigd van de zonde Rom.6:3-7 Wij zagen hoe de twaalf apostelen van de besnijdenis de doopformule nauwkeurig gebruikten in omstandigheden en wie het betrof. Zij waren daarin zeker niet achteloos. 18 Broeder Knoch schrijft in zijn Concordant Commentaar (blz.235): ‘De geestelijke waarden van doop naarbinnen in de dood Luk.12:50 en begrafenis met Christus, zoals in dit hoofdstuk te lezen, tonen dat het hier om de doop in de geest 1Kor.12:13 gaat’. 33 Zij hebben Mattheüs 28:18-20 nooit toegepast.19 Dat bleef voor het toekomende aardse koninkrijk gereserveerd. Wij komen nu bij het hoogtepunt van de vraag van de (water)doop. God bewerkte op wonderlijke manier de wassing die alleen reiniging van het vlees was. Het werd tot een geestelijke werkelijkheid. Hier hebben wij de ware reiniging voor ogen; alleen niet die van het lichaam. Door Christus’ doop aan het kruis is reiniging van alle vuilheid verzekerd. Het is een loutering, die ware toebereiding en zalving tot innige gemeenschap met God, de Vader, door Christus Jezus inhoudt. Zoals we inmiddels gezien hebben, heeft het aflaten van Israël niet verhinderd, dat de natiën gezegend worden. De gegeven belofte werd evenwel niet op die wijze vervuld zoals in de toekomst dat wel zo is. Maar dan moet ook de juiste tijd aanbreken. De zegen werd naar het op-hemelse20 bereik verlegd, en daardoor onvoorstelbaar rijker. Eonisch leven21 werd verleend, maar niet voor op deze aarde. De mensen konden vrijmoedig tot Hem naderen en Hem aanbidden, maar niet in Jeruzalem in Israël. De apostel Paulus treedt in de plaats van het (tijdelijk) opzijgezette volk en hij is de nieuwe apostel die een aparte bediening 19 Zie voetnoot 7 20 De grondtekst schrijft in de Efezebrief epouranion; dat is meer dan alleen hemels; het Griekse voorzetsel epi (op, over) leidt tot dit vertaalwoord. 21 In vertalingen: ‘eeuwig leven’; het is leven hebben in de komende twee eonen (tijdperken), de duizend jaar en nieuwe hemel en de nieuwe aarde. 34
Page 34
ontving voor dat nieuwe lichaam van Christus. Hij was een leitourgos, die als priester voor Israël optreedt Rom.15:16. De waterdoop bestond nog, maar niet langer in de zin van de tabernakelordening en daarmee verbonden bedoeling. Het lag nu meer in de lijn van de tempel. Maar de doop in de geest had voorrang. De tijd kwam, dat Paulus het evangelie van Christus geheel volbracht had Rom.15:18-23. En wij lezen: Toen deze dingen echter vervuld werden, nam Paulus zich in de geest voor door Macedonië en Achaje komend, naar Jeruzalem te gaan, zeggend: ‘Nadat ik daar gekomen ben moet ik ook Rome zien’ Hand.19:21 Het was op dit tijdstip van allerhoogste betekenis voor de gelovigen. In die tijd schreef de apostel Romeinen en de brieven aan de Korinthiërs. In deze brieven is de overgang duidelijk herkenbaar. Zie Romeinen 15, 1Korinthiërs 13; 2 Korinthiërs 5:16,17. Hier kijken wij terug naar dienstwerk dat geëindigd is en kijken vooruit naar de volkomenheid. Zelfs wanneer Paulus tot dan toe Christus naar het vlees gekend had, dan wilde hij Hem nu niet langer zo kennen 2Kor.5:16. Hij sprak van een enigma, een raadsel, geen goed zicht hebben, slechts ten dele kennen, maar nu is het van aangezicht tot aangezicht 1Kor.13:12. Hij sprak toen van een erkenning, toen nog ten dele, en de onmondigheid. Daarna echter van de komende volkomenheid, die elke verdere onthulling, verbreding van Gods woord, overbodig maakt. Het huidige beheer 35 Nú is de tijd van rijpheid, volwassenheid, volkomenheid voor ons als gelovigen die in Christus mogen geloven. En wij zijn naarbinnen in Hem gedoopt door de ons gegeven heilige geest. Niet iets uiterlijks, niet iets aards, hoeft nog aan deze volkomenheid die wij in de Gezalfde ontvangen hebben, te worden toegevoegd. Geen enkele handeling die aan het vlees voltrokken moet worden, geen godsdienst of sacrament kan ons voor Hem acceptabel maken. Hij heeft ons gerechtvaardigd uit geloof; in dit geloof hebben wij de toegang in deze genade waarin wij staan Rom.5:2. De geest van God heeft ons gereinigd, tot Zijn volle tevredenheid. In de geest kan niets ons dichter bij Hem brengen. De geest heeft opperheerschappij Zoals eerder gezegd, in de dagen van onze Heer op aarde was daar de waterdoop. In het beheer van pinksteren kwam daar in veel gevallen de geestesdoop bij. Terwijl tijdens de vroegere dienst van de apostel Paulus bij de natiën beide dopen naast elkaar bleven bestaan, maar omgekeerd. De waterdoop werd op grond van de geestesdoop uitgevoerd. Allen die destijds tot geloof kwamen werden met de geest, de heilige, gedoopt, maar niet allen met water. Nu, in deze tijd van genade, geldt weer slechts één doop Ef.4:5 net als in de tijd van de Heer op aarde. Toen was het alleen water, nu is het alleen geest Rom.5:5, 8:16. Stap voor stap voerde God het volkomene in, weg van uiterlijk symbolisch ritueel, het wassen met water. Het leidde tot het ware, het wezenlijke: de reiniging in en door de geest. Het volgende mag verduidelijken: 36
Page 36
één doop twee dopen WATER WATER/GEEST Johannes + de Heer Jezus Pinksteren: Petrus Overgang: Paulus één doop GEEST het beheer van genade – Paulus De waterdoop was beeld vooraf naar het toekomstige, de volkomenheid. Waarom zouden wij dan terugkeren naar het uiterlijke, symbolische, als door de doop in heilige geest het voorgaande al afgedaan heeft? Wij mogen de belangrijke waarheid erkennen, dat in de geest de latere bediening van Paulus op Handelingen 28 volgde. Die is in latere volkomenheidsbrieven (Efeziërs, Filippenzen, Kolossenzen) neergelegd. Die brengt de gelovigen op het niveau van de nieuwe aarde aan het slot van Openbaring; ja zelfs voorbij die tijd. Voor onze redding, rechtvaardiging, en onze plaats in Hem, hoeven wij niets te doen. Hij heeft alles volbracht Ef.2:10,18, 4:12-14a. Wij hebben als gerijpten in onze positie als mondige burgers van een op-hemels koninkrijk geen verdere doop nodig. Paulus completeerde het woord van God tot de uiterste, volle maat Kol.1:19,25; 2:9,10. In Hem hebben wij voldoende. Nu wij gezamenlijk met Christus opgewekt werden, zouden wij bedacht zijn op wat boven is, waar Christus is, zittend aan Gods rechterhand, niet op wat op de aarde is Kol.3:1,2. Het aards-vleselijke heeft afgedaan, het oude is voorbij, het is alles nieuw geworden 2Kor.5:17. 37 Hieruit blijkt, dat de ontwikkeling richting het geestelijke, zoals we die bij de verschillende dopen hebben gezien, steeds verder ging, tot in de volkomenheid. Bij het begin startend, de basisbeginselen, waar het vleselijke een grote plaats innam, zijn wij nu daar gekomen waar het vlees geen ruimte meer heeft. Alles wordt door het geestelijke vernieuwd. En zo willen wij ons verheugen in de alles overstijgende geestelijke zegeningen, die Hij te midden van de op-hemelsen over ons uitgegoten heeft. De doop in en naarbinnen In de grondtekst wordt instructief onderscheid gemaakt tussen de doop in een element en naarbinnen een toestand. Een goed voorbeeld is wat Paulus schrijft: want in één geest ook worden wij allen naarbinnen één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen worden met één geest gedrenkt 1Kor.1:12:13 De geest is het element waarin (waarmee) wij gedoopt werden. En lid zijn van het ene lichaam is de toestand die resulteert. Wij horen allen bij het lichaam van de Christus. In diverse teksten van de Schrift is de betekenis van naarbinnen eenvoudig te herkennen. Johannes de doper en Petrus doopten in water naarbinnen (tot) vergeving (of: kwijtschelding) van de zonden Mark.1:4, Hand.2:38. Deze vergeving kwam door het ritueel tot stand, plaats en/of element waren niet essentieel. Datzelfde geldt voor onze doop naarbinnen in Christus Jezus, naarbinnen in Zijn dood Rom.6:3. Het geldt ook voor de doop naarbinnen in 38
Page 38
Mozes van de zonen van Israël 1Kor.10:2, en van onze doop naarbinnen in Christus Gal.3:27. In alle gevallen bevestigt de doop het bij de Naam of bij de toestand horen, die met naarbinnen aangegeven wordt. Onder dit gezichtspunt is Paulus’ uitspraak naar de Korinthiërs te begrijpen 1Kor.1:15. Zou hij naarbinnen in zijn eigen naam gedoopt hebben, dan had hij daarmee een eigen partij of groep gesticht. Daarmee zouden de gedoopten met de apostel als mens gelijkgeschakeld zijn. Zoiets zou minachting zijn van al wat God in Christus bewerkt 1Kor.1:30. Men kan het woordje naarbinnen laten gaan en toch de betekenis van de Griekse tekst bevatten. Het Griekse voorzetsel en en (het Duitse) ‘in’ hebben de datief (3e naamval) bij zich en betekenen in wezen hetzelfde. Het Griekse eis (naarbinnen) heeft echter de accusatief (4e naamval) bij zich. Dit levert ook in vertaling een groot verschil op. Voorbeelden van de doop en (in) zijn: de doop in de Jordaan, in de wolk, in de rode zee, in geest, in vuur (met datief - 3e naamval). Voorbeelden van dopen eis (naarbinnen): de doop naarbinnen in het ene lichaam, naarbinnen in de dood, naarbinnen in Christus (met accusatief, de 4e naamval). Het is verder opmerkelijk, dat de doop naarbinnen in de Christus – of dat nu Jezus Christus was, zoals Petrus verkondigde – of Christus Jezus, zoals Paulus verkondigde (doop in de Gezalfde), steeds door een werking van heilige geest begeleid werd. De reden daarvoor zit in de titel Christus zelf; want zalving gebeurde door de heilige geest. Het was een doop naarbinnen in de door de heilige geest Gezalfde. Hieruit blijkt, dat de naarbinnen in Hem 39 gedoopten deelgenoten van de geest moesten worden. De doop ‘naarbinnen in de Naam van de Heer Jezus’ echter, gebeurde zonder dat de gedoopten de heilige geest ontvingen Hand.8:16; 19:5. Dat gebeurde daarna door het opleggen van handen door de apostelen Hand.8:17; 19:6. Paulus had weinig gelovigen naarbinnen in Christus Jezus gedoopt en ze daarmee in de sfeer van zegen gebracht, die met deze titel van de Heer verbonden is. Zo zullen in de dag van Jahweh, als het zendingsbevel van Israël Matt.28:19,20 uitgevoerd wordt, de natiën gezegend worden22. De Naam van de Vader houdt in, dat in het millennium (1000 jaren) de natiën die tot discipelen worden, in de familie van God opgenomen worden. Deze plaats is gebaseerd op het ‘zoenoffer’ van de Zoon. De apostel Johannes behandelt in zijn verslag en zijn brieven de waarheid die met de doop naarbinnen in de Vader en de Zoon samenhangt. In tegenstelling tot de genade die nu nog geldt, is deze doop niet op Israëls verwerping, maar op haar verlossing gebaseerd: En Hij is een zoening aangaande onze zonden, echter niet alleen aangaande de onze, maar ook aangaande de hele wereld 1Joh.2:2 Op grond hiervan zullen de natiën naarbinnen in de Naam van de Zoon gedoopt worden. 22 Zie eerdere voetnoot 8 over de doop in Mattheüs 28:18-20 40
Page 40
Let erop, dat in Mattheüs 28:19 de titel ‘Christus’ niet voorkomt. Het gebruik van deze titel zou inhouden, dat de natiën deel aan Hem als de Messias zouden hebben. Maar in de 1000 jaren is dit alleen aan Israël voorbehouden. De natiën konden niet naarbinnen in de naam van Christus gedoopt worden, zonder ook aan de heerschappij in het (aardse) koninkrijk deel te nemen. Omdat wij, gelovigen van het lichaam van Christus, door het geloof met Christus in Zijn doop (in de dood aan het kruis) gelijk zijn gesteld, zijn wij met Hem verenigd in Zijn op-hemelse regering. Maar de natiën als zodanig hebben geen aandeel in de regering van de Messias in de duizend jaren. Dan wordt het koninkrijk van de hemelen, waarin Israël met haar Koning de heerschappij op de aarde uitoefent, opgericht. In het zendingsbevel wordt ook ‘in de naam van de heilige geest’ genoemd. Men zal ook naarbinnen in dat aspect gedoopt worden. Maar er wordt niet gezegd, dat zij ook daadwerkelijk die geest dan ontvangen. Maar God giet in die dag Zijn geest uit op alle vlees Hand.2:17. Ongetwijfeld zal dit op Israël zijn, maar zal het ook de natiën bereiken. Omdat zij de vreugde van heilige geest ook zullen ervaren, is deze in de formule opgenomen. Zij zullen naarbinnen in heilige geest gedoopt worden. Mattheüs 28:19 wijst op de zegen, dan voor de natiën toegankelijk, als alle volmacht en kracht in handen van de Messias gelegd is. Toen Paulus te Efeze kwam, ontmoette hij daar discipelen die wel geloofden, maar nog geen heilige geest ontvangen hadden. Zij hadden zelfs niet gehoord dat er een heilige geest is Hand.19:2. Paulus vroeg met welke doop zij gedoopt waren; zij zeiden: 41 met de doop van Johannes Hand.19:3 Paulus verklaarde aan die discipelen dat deze doop met het oog op het optreden van de Heer voltrokken werd. Toen begrepen zij, dat zij zich lieten dopen naarbinnen in de naam van de Heer Jezus Hand.19:5. Nu had deze doop niets van doen met heilige geest. Ook nadat de Heer te midden van Zijn volk had gewandeld, en gestorven en opgestaan was, kon deze doop en deze formulering geen toerusting met heilige geest geven. Filippus doopte de Samaritanen op deze wijze, met deze formulering. En om te verklaren, dat zij de heilige geest niet verkregen, wordt uitdrukkelijk gezegd, dat zij alleen naarbinnen in de naam van de Heer Jezus gedoopt waren Hand.8:16. Gelet op dit feit is het zeer onwaarschijnlijk, dat Paulus ze nogeens met deze formulering gedoopt had, zoals men meestal zegt. Paulus verklaarde hen juist wat Johannes de doper gedaan had en dat zijn doop een doop in de naam van de Heer Jezus was. Dat was dezelfde doop die Filippus in Samaria voltrok. Wat zou het voor zin gehad hebben, deze gelovigen nog een keer met dezelfde formulering te dopen, die niet de komst van heilige geest zou opleveren. In plaats daarvan legde Paulus hen de handen op, en heilige geest kwam op hen, zodat zij in tongen spraken en profeteerden. Dit was ook zo bij de Samaritanen; toen deelden de apostelen ook de geest op die wijze toe Hand.8:17. Handelingen 19:5 kan betekenen, dat het bij de Efeziërs bij het horen van de verklaring van Paulus duidelijk werd, dat de doop van Johannes hen alleen met de Heer Jezus 42
Page 42
verbond, dat wil zeggen: met de Heer en Meester van Zijn discipelen. Het was een doop die met water en niet met geest van doen had. Waarom zou Paulus op dit tijdstip tot het stadium van Johannes de doper terugkeren? Hij was het toch, die zich erop beriep dat Christus hem niet gezonden had om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen, en dat niet in wijsheid van woorden opdat het kruis van Christus niet inhoudsloos wordt 1Kor.1:17. De doop in Paulus’ brieven De waarheid voor het huidige beheer van genade Ef.3:2 is door Paulus in de brieven neergelegd, die hij na het terzijde stellen van Israël met het oog daarop geschreven had. Overeenkomstig de onthulde genade werd de geringste van alle heiligen uitgekozen, opdat hij allen zou verlichten inzake het beheer van het geheimenis dat vanaf de eonen in God verborgen was Ef.3:8,9. Wanneer wij de diverse periodes van beheer vermengen waarin gedoopt werd, en ze behandelen als eenheid, dan zal de waarheid over de doop verduisterd worden. Verder moeten wij zeer ernstig ijveren het woord van de waarheid recht te snijden 2Tim.2:15. Alleen wanneer wij in acht nemen in welke periode van beheer de diverse dopen thuishoren, zal duidelijkheid over dit thema ontstaan. Paulus schreef negen brieven aan zeven gemeentes. Het getal zeven spreekt van volkomenheid en compleetheid. Door hem worden wij over het ons aangaande geloofsgoed onderricht. Zeker, Petrus en Johannes spreken ook over de doop, maar hun standpunt is heel anders en komt niet overeen met het huidige beheer van genade. 43 De 13 brieven van de apostel Paulus in drie groepen: 1,2 Thessalonicenzen schreef hij vóór de waarheden van de volkomenheidsbrieven bekend werden. Vier zijn in de voorbereidende periode van het geheime beheer geschreven: Romeinen, 1,2 Korinthiërs, Galaten. Drie werden ná de terzijdestelling (tijdelijk, voor bepaalde functies) van Israël geschreven, de volkomenheidsbrieven: Efeziërs, Filippenzen, Kolossenzen. De vier persoonlijke brieven aan trouwe medewerkers, zijn geschreven op aparte tijdstippen. Hierdoor wordt duidelijk, waarom in deze brieven op zekere wijze over de waarheden van de doop gesproken wordt. De vroege brieven Het thema dopen komt in 1,2 Thessalonicenzen niet voor. Deze brieven plaatsen ons in de toekomstige heerlijkheid, waar dit thema geen ruimte meer krijgt. In Galaten benoemt Paulus dit thema één keer: maar met het komen van het geloof zijn wij niet langer onder een kindergeleider. Want jullie zijn allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus. Want al wie naarbinnen (in) Christus gedoopt zijn, doen Christus aan, in Wie noch Jood noch Griek is, noch slaaf noch vrije, noch mannelijk of vrouwelijk Gal.3:25-28. Diegenen die onder de wet waren, waren onmondig en gevangen tussen de muren van inzettingen en geboden. 44
Page 44
Toen echter het geloof kwam, werden zij in de positie van zoon geplaatst Gal.3:23-26. Dit is niet iets wat de enkeling kon verwerven; het viel ze als lotdeel toe door de roeping tot het lichaam van Christus. Zij waren naarbinnen in Christus gedoopt. Zij waren tezamen met Christus gekruisigd; nu leefden de gelovigen niet langer (voor) zichzelf; maar voor Hem Die voor hen stierf en opgewekt werd Gal.2:20. Alle vleselijke verschillen werden weggedaan. In Hem zijn dan ook mogelijke tegenstellingen tussen Joden en Grieken, slaven en vrije, mannelijk en vrouwelijk, opgeheven. Dit gold niet alleen gedoopten; maar voor allen die in geloof van de Zoon van God leefden. Zouden we aannemen, dat de waterdoop hen inderdaad één maakte, zoals de discipelen in Jeruzalem één werden met de discipelen in Samaria, dan zouden alleen de in water gedoopten in Christus zijn. Dan zou ook nog een vleselijk verschil bestaan. Dat was een conclusie die de woorden van de apostel zou tegenspreken. Geen rituele handeling, geen inzetting kon hen als zonen één maken. Dit gebeurde alleen door het geloof. In de geest startend, konden zij onmogelijk in het vlees voleindigd worden. De overgangsbrieven Paulus schreef aan de Romeinen: Wat zullen wij dan ook uitspreken? Dat wij zouden blijven bij de zonde, opdat de genade zou toenemen? Moge het niet gebeuren! Wij, die gestorven zijn voor de zonde, hoe zullen wij nog in haar leven? Of zijn jullie onwetend dat allen, die gedoopt zijn, naarbinnen in Christus Jezus, naarbinnen in Zijn dood gedoopt zijn? 45 Wij werden dan begraven met Hem door de doop naarbinnen in de dood, opdat, evenals Christus opgewekt is uit de doden door de heerlijkheid van de Vader, zo ook wíj in nieuwheid van leven wandelen 6:1-4 Het: allen, die gedoopt zijn naarbinnen in Christus Jezus wijst door het verbinden van Zijn titel samen met Zijn naam Jezus op de Verhoogde. Hij, Die aan het kruis met de smaad en schande van heel de mensheid beladen werd, bleek later niet alleen de Gestorvene, maar ook de Opgewekte, Opgestane en vervolgens Verhoogde te zijn. Zij zijn naarbinnen in de Christus gedoopt, zij zijn met Hem één geworden en vormen een eenheid. Ook zij zijn naar de oude mensheid, gezamenlijk met Hem gestorven, begraven, opgewekt en in de geest in de nieuwe mensheid overgezet. Die bevindt zich buiten het bereik van de zonde, in nieuwheid van leven: Wij, die gestorven zijn voor de zonde, hoe zullen wij nog in haar leven? Rom.6:2 De wassing in water was geen garantie voor een geheiligd leven. Alleen wanneer men de geestelijke betekenis kon erkennen, beleefde men haar kracht. Niet iedereen was in water gedoopt 1Kor.1:14-17. De apostel zei ook tegen niemand dat zij in water gedoopt moesten worden. Hij onderscheidt zorgvuldig ‘wij’ (hij en zijn medewerkers) en ‘jullie’ (de gelovigen in Rome). Ook werd hem niet gezegd, dat iemand de bedoeling had de waterdoop naar zich toe te halen. Wanneer nog enige winst te behalen viel met het doopritueel, dan was er geen betere gelegenheid dan die in 46
Page 46
dit verband te noemen en op het belang ervan te wijzen. Maar, hij noemt de waterdoop integendeel niet één keer. In plaats daarvan zegt hij tegen de gelovigen dat zij zouden rekenen dat zij dood zijn voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus Rom.6:11. De vage aanduiding van de waterdoop en de afhoudende houding van de apostel staan op één lijn met zijn vaste uitspraak dat hij God dankte, dat hij niemand -behalve enkelen- gedoopt had en dat het niet zijn opdracht was om te dopen, maar om evangelie te verkondigen 1Kor.1:14-17. Aan het kruis vindt alle vlees het definitieve einde. Al de zeeën van de wereld hebben onvoldoende water om de mensheid te reinigen en voor te bereiden op leven in en met Christus. Willen wij toch nog met vlees rekenen en het in water dopen opdat het aan de Heer toegewijd wordt? Dan betekent dat het ontkennen van het kruis van Christus, en in plaats daarvan tóch nog voor het vlees een plaats(je) willen inruimen. Toen de Heer door Johannes gedoopt was, sprak Hij van de andere, nog toekomstige doop. Die zou Hem bevrijden van binding die Hij in Zijn dienst op aarde ervoer Luk.12:50. Iedere doop was tot dan toe slechts schaduw. Er kan geen schaduw zijn zonder iets dat wezenlijk is, bijvoorbeeld een lichaam. De wassingen, het water van de Jordaan; zij konden de zonde niet van het vlees wegnemen. Want de zonde gaat door waterdoop niet weg; de gedoopten gaan door met zondigen. En de waterdoop kan zeker niet de kloof tussen God en mens overbruggen. 47 Alleen de Redder was door Zijn dood in staat de rechtseis van de Vader te vervullen. De doop in de geest, de heilige, is de enige mogelijkheid om niet langer de zonde als slaaf te dienen. Zij stelt ons in staat in de vrijheid van de Middelaar te leven. Hij nam de totale zonde op zich, en droeg de schande die aan ons kleefde. Zo werd de oude mensheid aan het kruis genageld. Hij was het door God voorziene, enige Zondoffer dat voor God aangenaam was. Zondoffer was Hij niet, toen Hij gedoopt werd. ...maar Hij maakte zichzelf leeg en nam de vorm van een slaaf aan. In de gelijkenis van de mens geworden en in gedaante als mens bevonden, verootmoedigde Hij zichzelf, gehoorzaam wordend tot aan de dood, ja, de dood van het kruis Fil.2:7,8 Waar lezen wij in dit verband iets over de waterdoop en de veronderstelling van enige wijding die dat zou opleveren? Hij had Zelf geen zonde, voor ons nam Hij al de zonde op Zich. Hier was reiniging nodig, maar water kon niets doen. Alleen een vlekkeloos, God welgevallig Offer, dat leidde tot verlatenheid door Zijn God en Vader, werkte tegelijk als het onder het oude verbond bekende, verterende vuur. Een bekend zoenmiddel, dat beschermde tegen Gods verontwaardiging (toorn), om Hem (als het ware) ‘gunstig te stemmen’. Het naderingsgeschenk zou dan voor Hem tot welriekende reuk zijn, een aangenaam Offer. Efe.5:2 Wij weten, dat Hij nu aan Gods rechter(hand) zit, en wij mogen ook geloven, dat Hij voor al onze zonden Zijn leven als vervangend Losgeld betaald heeft. Wij zijn dan wat 48
Page 48
onze oude mensheid aangaat, samen met Hem gestorven. Waterdoop zou hoogstens in het kader van aardse belangen denkbaar kunnen zijn. Voor een geestelijke verandering, een nieuwe mensheid zou het een vermindering voor God zijn, Die het Kostbaarste voor ons overgegeven heeft. Zoals we eerder zagen, betekent de doop in Christus Jezus veel meer dan die in de Heer Jezus (voor Samaritanen), of in Jezus Christus (voor Israëls zonen en proselieten). Het is de doop naarbinnen in Hem, de Gekruisigde, Opgestane en Verheerlijkte, niet alleen in Zijn dood, maar ook in Zijn opstandingsleven. In zijn geweldige argumentatie inzake de opstanding schrijft de apostel in de eerste Korinthebrief: Indien nu van Christus verkondigd wordt, dat hij uit de doden opgewekt is, hoe zeggen sommigen onder jullie dat er geen opstanding van doden is? Indien er nu geen opstanding van doden is, is Christus evenmin opgewekt. Indien echter Christus niet is opgewekt, is dus onze herautsboodschap leeg en jullie geloof leeg. Dan worden wij ook bevonden valse getuigen van God te zijn, omdat wij over God hebben getuigd dat Hij Christus heeft opgewekt, Die Hij dus niet opgewekt heeft wanneer de doden namelijk niet opgewekt worden. Want indien de doden niet opgewekt worden, is ook Christus niet opgewekt. Indien echter Christus niet is opgewekt, is jullie geloof ijdel en zijn jullie nog in jullie zonden. Dus gaan ook zij die ter ruste gelegd worden in 49 Christus verloren. Indien wij alleen in dit leven van Christus onze verwachting hebben zijn wij de erbarmelijkste van alle mensen...... Anders, wat zullen zij doen die dopen? Het is voor de doden indien de doden helemaal niet opgewekt worden. Waarom ook dopen zij voor hen? 1Kor.15:12-19,29 Wanneer de dood het einde van alle dingen is, wanneer er geen opstanding is, dan zouden de naarbinnen in Christus Jezus gedoopten hun eigen ondergang bezegeld hebben. De belijdenis dat zij met Hem in Zijn dood samengeplant waren, zou nutteloos, leeg, geweest zijn. En alle moeite en lijden van de apostel zou tevergeefs zijn. Hoe onzinnig was het geweest, als men in Christus Jezus roemt en zich verheugt, en men tegelijkertijd de enige ware basis voor de vreugde vernietigd had: de opstanding. In de vroegere brieven, zoals in 1 Korinthe 10, was de doop van de vaderen naarbinnen in Mozes in de wolk en in de zee onderwerp van bespreking bij Paulus. Iedere voorvader, die de uittocht uit Egypte beleefd had, was naarbinnen in Mozes gedoopt. Zij nuttigden hetzelfde geestelijke voedsel en dronken dezelfde geestelijke drank. Want ze dronken uit de geestelijke Rots Die met hen meeging. Die Rots echter, was de Christus 1Kor.10:1-4. Velen van hun nageslacht waanden zich, alleen omdat zij gedoopt waren, zeker. Maar zij waren niet gereinigd in het hart. De vaderen, naarbinnen in Mozes gedoopt, kregen 50
Page 50
ook de verontwaardiging van God te verduren. De meesten kwamen om in de wildernis, zij waren nog onderweg. Nog een gedeelte uit de overgangsbrieven in tekstverband: Want net zoals het lichaam één is en veel leden heeft, maar alle leden van het éne lichaam, velen zijnde, één lichaam zijn, zo ook Christus. Want in één geest ook zijn wij allen naarbinnen één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn met één geest gedrenkt 1Kor.12:12,13 De Korinthiërs waren gedoopt, en dus gewassen. Slechts weinigen van hen hadden de uiterlijke, ceremoniële vorm in water ondergaan. Maar allen waren wezenlijk gereinigd door de geest. Paulus stelt ze voor ogen wat voor zondaren zij waren 1Kor.6:10,11 en voegt daaraan toe: en sommigen van jullie waren dat, maar jullie zijn afgewassen, maar jullie werden geheiligd, maar jullie werden gerechtvaardigd, in de naam van onze Heer Jezus Christus en in de geest van onze God 1Kor.6:11 Het afwassen dat hun heiliging bewerkte, gebeurde door de geest van God. Een bad maakt het lichaam schoon; een doop doet dat niet. Vandaar dat de hier bedoelde reiniging als een ‘afwassen’ wordt aangegeven en niet als een doop. Tot op die tijd kwam het één maken door de doop ‘in water’ tot stand; nu lezen we voor het eerst van een eenheid 51 door de geestesdoop. Wij hebben gezien, hoe het wasvat uitgroeide tot een (koperen) zee. Die werd vervangen door een stroom van levengevend water. De geest, waardoor wij in één lichaam gedrenkt zijn, is een stroom van leven. De geest verbindt ons niet alleen met elkaar, maar is ook voor ons een stroom van leven. Wij hebben allen hetzelfde leven, wij allen zijn een eenheid. Dít is de eenheid van de geest Ef.4:3. Wij worden aangespoord om die te bewaren met de band van de vrede. De apostel schreef: wij kennen ten dele en profeteren ten dele 1Kor.13:9-11 Paulus mocht het beleven, dat de ene periode van beheer overging in een andere. Uit ‘ten dele kennen’ te komen in ‘de volheid’ (volwassenheid), van ‘onder de wet’ te komen in ‘de volkomenheid’; het betekende veel voor de apostel. Het beheer van het geheimenis Ef.3:9 naderde, terwijl zich allerlei afspeelde dat in Handelingen staat. De zogeheten voorbereidende brieven zijn kort voor de afsluiting van de overgangsperiode23 geschreven. Van alles wijst al naar de volkomenheid (of: volwassenheid/rijpheid). De periode van de wet/pinksteren werd door vormen bepaald, van het nog onmondig kind zijn. In de overgangsperiode komt zoonschap, de plaats van zoon, naar voren. Daarna de volle rijpheid, de volwassenheid, volkomen man. Zo kunnen wij begrijpen dat de apostel dingen aflegde, opzijschoof, die eens waardevol waren, maar later niet meer. 23 Dat is de periode die Handelingen 13-28 omvat. 52
Page 52
Het geheimenis van het huidige beheer van genade werd met het schrijven en rondsturen van Efeziërs aan allen bekendgemaakt. Toch zijn vooraf aanwijzingen in die richting waarneembaar. De manier waarop Paulus’ ommekeer plaatsvond was in wezen al een verwijzing naar de volkomenheid. Toen hij geroepen werd, gold nog het evangelie van het koninkrijk. Hij werd als een vijand geroepen, buiten het land. Zijn verkondiging van de Messias als de Zoon van God is ook een te onderscheiden kenmerk vergeleken met de andere apostelen. Zijn afzondering samen met Barnabas en zijn verkondiging in Antiochië in Pisidië verbreedde de kloof met de twaalf Hand.13:2,38,39. Er bestond verschil in de uitwerking van Paulus’ dienst bij degenen die hem hoorden. Allen ontvingen de geest. Toen het geheimenis onthuld was, kregen niet alleen degenen die vanaf de onthulling ervan gered werden, deel aan de geest. Ook zij, die vóór de onthullingen van de Efezebrief door zijn bediening de geest ontvingen, horen erbij Ef.1:13. Toentertijd hadden zij nog geen eigen verwachting, maar kenden alleen de verwachting van Israël. Maar zij zouden ook door de opname (lett: wegrukking) van de gemeente 1Thess.4:13-18 in de lucht ontkomen aan verontwaardiging van God, die over de aarde komt 1Thes.1:10; 5:9; Rom.5:9. De doden in Christus zullen dan opstaan. En de op dat moment nog levende gelovigen zullen veranderd worden. Dan worden alle leden van het lichaam van Christus gelijktijdig en gezamenlijk weggerukt, elk met een op-hemels lichaam. 53 Het geheimenis van de verharding van Israël Rom.11:25 werd aan gelovigen onthuld. Dat gold ook voor het geheimenis van het evangelie Rom.16:25; Ef.6:19, lang verborgen gehouden: de verzoening. Vervolgens werd Israël tijdelijk terzijde gesteld (als lichtdrager) en was de weg vrij voor de mensen uit de natiën Hand.28:25-28. Zo zien wij dat gedurende de periode dat verkondiging van evangelie van God onder de natiën plaatsvond, God ook nog aan Zijn ongehoorzame volk het koninkrijk aanbood. Toen onze Heer op aarde verbleef, verkondigde Hij het voor Israël bedoelde koninkrijk - zoals de profeten dat aangekondigd hadden. Toen zij dat afwezen, citeerde Hij Jesaja 6:9,10, en verblindde hun ogen en stopte hun oren dicht Matt.13:15. Daarna verkondigde Hij het koninkrijk niet meer openlijk, maar sprak veelal in gelijkenissen. Toen Israël daarna de Koning zelf verwierp, verborg Hij zich voor hen, en Jesaja’s woord werd weer uitgesproken Joh.12:37-41. Toen resteerde één weg. Na Zijn hemelvaart werd de beloofde heilige geest gezonden om hernieuwd het aanbod van het koninkrijk te kunnen doen. Israël kon zich bedenken en zich bekeren opdat tijden van verfrissing van het aangezicht van Jahweh, de Heer, komen Hand.3:19-21. Handelingen is het verslag van de afsluitende bemoeienis van God met Zijn uitgekozen volk. Dat begon met de komst van de geest. Het laat ook de afwijzing van de geest door Israël zien. Het eindigt met het afwijzen van het volk door de geest. Hét onderwerp van Handelingen is het aardse koninkrijk, dat reeds twee keer afgewezen was. Eerst de verkondiging door de profeten en vervolgens de 54
Page 54
Messias zelf als Koning ervan. Het citaat uit Jesaja wordt voor de derde keer aan het einde van dit verslag van Lukas aangehaald Hand.28:26,27. Het koninkrijk verschoof naar de toekomst, tot de tijd dat het complement van de natiën in zal gaan Rom.11:25. Het markeert het einde van alle rituelen. Niet langer het stoffelijke, vleselijke, maar het geestelijke. In plaats van de aardse zegen komen uitsluitend op-hemelse zegeningen in Christus. Compleet gemaakt in Hem Wie kan de volle diepte die ons in Efeziërs door de apostel Paulus getoond wordt, bevatten? Direct bij aanvang van de brief gaan wij terug in de tijd, toen het boze (kwaad) nog geen intrede in de schepping had gedaan. Wij lezen, dat wij al uitgekozen zijn in Christus vóór de neerwerping van de wereld. Wij zijn in Christus gezegend met iedere geestelijke zegen te midden van de op-hemelsen. Daarbij heeft Hij ons ook verheven tot de zoon-plaatsing door Christus Jezus, voor Zichzelf, tevoren bestemd om te zijn tot lofprijs van de heerlijkheid van Zijn genade Ef.1:3-6. Nabij en veraf Zo’n overstijgende rijkdom aan genade kon niet beperkt blijven binnen de grenzen van Israël. Hoewel door een veelheid van offers de toegang tot Jahweh verleend werd, waren zij (Israël) toch ver van God. Hij had geen behagen in hun slachtoffers, brandoffers en zondoffers Hebr.10:5,6. De middelen, instrumenten, waardoor zij konden naderen - de voorhof, het altaar, het wasvat, het heilige, de voorhang, en het heilige der heiligen - het waren in werkelijkheid begrenzingen. Dat gold ook voor de wet, die hen niet in de ware vrijheid kon brengen. 55 Maar al de beperkingen zijn nu weggezet. Door Christus’ bloed zijn wij allen dichtbij gekomen. Hij is onze Vrede, en maakt beide groepen, uit de natiën en Israël, één; nu is de middenmuur van de stenen omheining weggebroken. Opdat Hij de twee in Zichzelf tot één nieuwe mensheid schept Ef.2:13-15. De apostel schreef al aan de Korinthiërs: Want net zoals het lichaam één is en veel leden heeft, maar alle leden van het éne lichaam, velen zijnde, één lichaam zijn, zo ook Christus. Want in één geest ook zijn wij allen naarbinnen één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn met één geest gedrenkt 1Kor.12:12,13 Water en geest We zagen in het dienstwerk van de Heer en van Johannes alleen waterdoop. Johannes, de voorloper, had getuigd: want ík doop jullie inderdaad in water tot berouw, maar Hij Die na mij komt is sterker dan ik, Wiens schoeisel ik niet bekwaam ben te dragen. Híj zal jullie dopen in heilige geest en vuur Matt.3:11 En bij Zijn hemelvaart zei de Heer: want Johannes doopt inderdaad in water, jullie zullen echter gedoopt worden in heilige geest, niet veel na deze dagen Hand.1:5 Na pinksteren golden dan ook twee dopen: water en geest. Tijdens de verkondiging door Paulus van het evangelie van 56
Page 56
God onder de natiën bestonden beide dopen nog naast elkaar. De waterdoop was echter inmiddels ondergeschikt geworden aan de doop in de geest. Waterdoop werd minder gepraktiseerd, terwijl de doop in de geest deel van álle gelovigen (onder zijn bediening) was. Nu, in de huidige tijd, nu nog sprake is van één doop, is de vraag: is het in water of in geest? Efeziërs geeft antwoord: In Hem ook zijn jullie – horend het woord van de waarheid, het evangelie van jullie redding, in Hem ook gelovend – verzegeld met de geest van de belofte, de heilige Ef.1:13 Deze doop met de geest verleent sindsdien alleen toegang tot het op-hemelse bereik. Één geloof - één doop De apostel betuigt voor dit geheime beheer van de genade van God, eenduidig en onmiskenbaar: één Heer, één geloof, één doop Ef.4:5 Dit betekent, dat van beiden nog maar één geldig kan zijn; er kan toch geen twijfel over bestaan, dat het de doop in de geest is? Zonder die doop zouden wij niet gereinigd zijn, niet als lid in het lichaam van Christus ingevoegd zijn, en niet met die ene geest gedrenkt zijn. Het is deze geest die ons toegang in de tegenwoordigheid van God verleent en ons met elkaar verbindt. Deze eenheid van de geest is het bijzondere kenmerk van het huidige beheer van de genade van God. 57 Enkelen te Efeze hebben waarschijnlijk nog twee dopen gekend; ook in Korinthe waren enkelen in water gedoopt. En dat terwijl Paulus zelf zelden doopte, ook in de aanvang van zijn evangelieverkondiging. Voor hem was het de voorafschaduwing van de doop in de geest. Omdat het geestelijke steeds meer op de voorgrond kwam, moest het stoffelijke, aardse, terugtreden. Paulus schreef toen de zogeheten ‘gevangenschapsbrieven’, en was lichamelijk gescheiden van de diverse ontstane gemeentes. En zo trad het vleselijke ook in zijn verkondiging steeds meer terug. En daarmee golden rituelen, ceremonieën, of inzettingen helemaal niet meer Kol.2:11-23. Geestelijke groei is van al die dingen totaal niet meer afhankelijk. De eenheid van Efeziërs 4:1-7, waarvan één doop een onderdeel is, wordt uitdrukkelijk als de eenheid van de geest aangeduid. Eenheid in de geest Wie zou, met dit alles voor ogen, nog willen beweren, dat de eenheid van de geest door middel van aanraking van water met het vlees tot stand kan komen? Al degenen aan wie Efeziërs, de algemene rondzendbrief, gericht was, hadden de doop in één geest ondergaan, en waren zo in de eenheid van de geest opgenomen. Aardse rituelen en ceremonieën zijn totaal overbodig geworden. Ze zijn zelfs een belediging van de Heer, want de mens zou iets willen toevoegen, wat God in Zijn grenzeloze liefde al ten volle en overvloedig gegeven heeft. Efeziërs onderwijst ons in hét onderricht voor vandaag; Filippenzen geeft praktische voorbeelden, Kolossenzen geeft ons -in zekere zin- een samenvatting. Filippenzen schildert ons Paulus’ loopbaan wat het vlees betreft. Ooit 58
Page 58
waren die dingen voor hem kostbaar, maar in geestelijke rijpheid gekomen, achtte hij ze als vuilnis Fil.3:8. Hij vertrouwde niet langer op vlees, hoewel hij daar voorheen wel op gebouwd had Fil.3:3,4. Wenend waarschuwde hij voor de vijanden van het kruis van Christus, die alleen op het aardse gezind zijn Fil.3:18,19. Voor velen is het wellicht zwaar om afscheid te moeten nemen van de waterdoop. Eens was deze, net als voor Israël de besnijdenis, noodzakelijk om Gods zegen te verkrijgen. Thans echter, zijn beiden door het kruis van Christus vervuld en voorbij. In Kolossenzen laat Paulus deze overgang van het aardse naar de geestelijke betekenis zien: In Hem ook werden jullie besneden met een besnijdenis, niet met handen verricht, in het afstropen van het lichaam van het vlees in de besnijdenis van Christus, gezamenlijk met Hem begraven in de doop. In Hem ook werden jullie gezamenlijk opgewekt door het geloof in de werkzaamheid van God. Die Hem heeft opgewekt uit de doden Kol.2:11,12 Christus ís opgewekt, en wij zijn het ook, in de geest, gezamenlijk met Hem. Dit is de ware, voor allen alleen geldige reiniging en doop. In de geest hebben wij deel aan gezegende waarheid, dat wij gedoopten zijn. Wij zijn gedoopt met de geest, de heilige, die één maakt. Net zoals wij niet in het vlees besneden werden, maar in de geest, zo is het ook met de doop. Zijn doop en Zijn besnijdenis gelden als de onze. Hij stierf voor ons, wij zijn met Hem gestorven. Hij werd opgewekt en wij zijn het in de geest, gezamenlijk met Hem. Hij ontving een plaats aan 59 de rechter van de Vader, te midden van de op-hemelsen; daar is ook ons domein (burgerschap) Fil.3:20. Gereinigd in de geest Wij zouden de dringende oproep van de apostel Paulus ter harte nemen, die hij aan de Kolossenzen schreef: Ziet toe dat er niet iemand zal zijn die jullie beroofd wegvoert door filosofie en lege verleiding, overeenkomstig de overlevering van mensen, in overeenstemming met de grondregels van de wereld en niet in overeenstemming met Christus Kol.2:8 Hoeveel gelovigen willen nochtans de overleveringen van mensen volgen, en zijn met zeer velen in de valstrik van de tegenwerker geraakt. Zij stellen op die manier hun vertrouwen op het vlees. Men heeft veel aanmerkingen als je iets over de doop zegt, ze vinden de waterdoop ‘mooi’, ‘een feestelijke aangelegenheid’, en ‘er schuilt toch niets slechts in’, zo redeneert men. Men vergist zich echter heel erg. Als je doopt in water roof je Zijn eer weg, je miskent Zijn offer zodra je zelf nog iets wil toevoegen aan Zijn werk; je wil daarmee zelf het laatste woord hebben. Onze doop met de geest laat niets meer over aan het vlees. Onze reiniging vond plaats door de geest en bewerkte een ware en werkelijke acceptatie bij God. Wij zijn in Christus, volkomen, compleet; een vleselijk ritueel kán niets aan deze volkomenheid toedoen. Voegen wij toch er iets aan toe, dan betwijfelen wij dat Zijn werk alle eisen van God beantwoordt, tevredenstelt. Wij onteren in feite Zijn werk wanneer wij vanuit ons dode vlees iets bij willen voegen. 60
Page 64
Het woord van de verzoening Date Gorter De verdeeldheid bij de Korinthiërs was ontkenning van de geestelijke eenheid. Daarover spreekt Paulus in 1 Korinthiërs 12. Hij benadrukt dat het één lichaam is, met één geest en dat is niet voor niets. Zijn houding – een voorbeeld voor ons – was verzoenend, altijd, ook al werden zijn woorden en daden verkeerd begrepen! Hemel en hel - Wat leert Jezus daarover? A.E. Knoch Jezus zei tegen Nicodemus: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als iemand niet wederom geboren wordt kan hij het koninkrijk van God niet zien.’ Joh.3:3. En Jezus zegt van mensen die verloren gaan: ... waar hun worm niet sterft, het vuur niet uitgeblust wordt - Mark.9:44 Deze brochure geeft antwoord uit de Bijbel op de indringende vragen. Hoe kan God sterven van ongelovigen aanzien? 65 Jezus is opgestaan - welke dag was het? A. Bouman, A. E. Dekker Deze brochure geeft antwoord op de vraag wanneer de Heer Jezus exact opgewekt werd door de heerlijkheid van de Vader. Was het op -wat wij kennen alsde zondag? Of een andere dag? Nauwgezet is iedere uitdrukking en elk woord dat van belang is, onderzocht. Het resultaat is voor u als gelovige wellicht verbijsterend. Vergeving van zonden of rechtvaardiging? Frank Goldammer Jakob en Esau - Elmar Frey ‘Ik ben blij dat mijn zonden zijn vergeven omdat Jezus aan het kruis voor mij stierf!’ Zeggen veel christenen. En rechtvaardiging dan? Het verschil is groter dan u denkt. ‘Ik heb gekozen voor Jezus en ik ben gered!’ Dat hoor je gelovigen zeggen. Jakob en Esau, u leest in Genesis en Romeinen 9 over deze tweeling. Het gaat om (uit)kiezen. Wie doet wat? Wanneer? Gods woord geeft uitsluitsel! 66
Page 66
Schepping van de mens, Gods waagstuk? Ludwig Wolf Waagde God het met de schepping van de mens? Zou de mens iets kunnen wat God niet voorzag? Kon de mens zo uit de hand van God weglopen dat er geen redden meer aan is? Op deze en meer vragen komt antwoord in deze brochure, uit Gods woord. Het geeft vrede en rust in het hart, wanneer we beseffen Wie Hij is. Psalm 139 – vertaling en commentaar Alfred E. Dekker In Psalm 139 laat God via David weten dat God ons door en door kent; kende zelfs ons embryo. Ieder mens is voor God een open boek. Het maakt niet uit bij welk je hoort, wat je gelooft, in welke tijd je leeft en hoe je je gedraagt. Uiteindelijk zal álle knie voor Hem buigen en álle tong van harte belijden: Heer is Jezus Christus, tot eer van God, de Vader! Na lezing van deze psalm zal niemand dit nog kunnen betwijfelen. 67 Begrijp je wat je leest? Werner Prolingheuer In Handelingen 8 lees je dat een Ethiopisch machthebber van de koningin Candacé, de schatkistbewaarder, te Jeruzalem kwam om daar de God van Israël te aanbidden. Op de terugweg las hij uit een gekochte Schriftrol. Deze invloedrijke ‘kamerling’ was eerlijk genoeg om te erkennen, dat hij zonder leiding de betekenis van het gedeelte (hij las in Jesaja 53) niet kon begrijpen. Zijn wij altijd zeker, dat wij alles correct verstaan? Vloek van Cham? Alfred E. Dekker Bij de herdenking van de afschaffing van de slavernij onder de noemer Ketikoti is nu algemeen duidelijk geworden, dat de ‘vloek van Cham’ gebruikt is om een onafzienbare menigte medemensen eeuwenlang tot handelswaar te vernederen en beestachtig te behandelen. Wat alles des te vreselijker maakt, is dat de ’vloek van Cham’ als zodanig niet in de Schrift voorkomt, maar op een klinkklare leugen berust. Hoe de vork dan wél aan de steel zit, probeert deze brochure te verhelderen. 68
Hoe zit dat eigenlijk met wat de mens wil? En wat God wil? Heeft de mens een ‘vrije wil’? Als mensen tegen de wil van God ingaan, zoals we iedere dag zien, kan God dan Zijn doel bereiken? 
Wat de broers met Jozef deden, was vreselijk. Je broer verkopen! Hoe kijk je daarnaar? 
‘Laat Mijn volk gaan!’ zei God tegen Farao. Die wilde dat niet doen. Hoe handelde God? 
De wil van de mensenmenigte voor Jezus was: ‘kruisig Hem!’ Die wil werd doorgezet, was dat het dwarsbomen van Gods plan? Of paste dat naadloos in Gods bedoeling? 
En als alles uit God is, waarom zou je dan volgens Gods woord leven? 
Veel vragen. Gods woord in de grondtekst geeft duidelijkheid.

De wil van God en de wil van mensen


Page 0
Page 4
INHOUDSOPGAVE Blz. Het bedrieglijke van de vrije wil ..................... 7-11 Gods almacht en plan .......................................... 11-15 Samenvatting .......................................................15-16 Gods geest in ons, Zijn woord bij ons ................ 16-18 De wil van God en de wil van de mens ........... 19-20 Het geheimenis van Zijn wil .............................. 20-21 Laat Mijn volk gaan! .......................................... 21-23 De onwankelbare wil van God ........................... 23-24 De wil van Jezus werd niet gesterkt ................... 25-26 De wil van de mens ............................................ 26-28 De wil van de gelovige ....................................... 28-30 Onze wil in overeenstemming met Gods wil ...... 31 Toetsen wat de wil van God is ............................ 32 5 Gods wil en Gods bedoeling .............................. 33-34 Laat Mijn volk gaan ............................................ 34-35 Ook voor ons opgeschreven ................................. 36-39 Waaruit bestaat de vrije wil van de mens? .......... 39-41 Alles is uit God ................................................... 42-43 De ongerechtigheid van mens blijft dat .............. 44-46 God en Zijn geboden .......................................... 46-49 De weg tot begrip van rechtvaardiging ............... 50-51 Om niet gerechtvaardigd in Zijn genade ............. 51-53 Andere uitgaven .................................................. 54-61 Brochures bestellen: gorterd@protonmail.com 6
Page 6
Het bedrieglijke van de vrije wil Twee scherpe tegenstellingen dragen ertoe bij het karakter van God te misvormen. Enerzijds de gedachte, dat het schepsel een absoluut vrije wil heeft. Anderzijds het zich moeten schikken in een onveranderlijk lot. Daarom is het nodig dat ons denken gericht wordt door Schriftuurlijke grondbeginselen. Het woord van God spreekt niet over een vrije wil; het leert ook geen fatalisme. Er zit ongetwijfeld enige waarheid in deze beide begrippen. De Schrift spreekt duidelijk over vrijwillige offers Voorts lezen we in een hele bekende tekst: want aan ijdelheid is de schepping onderschikt, niet vrijwillig, maar door Hem die haar onderschikt Rom.8:20 Hier vertalen wij vrijwillig, maar dat geeft niet correct het Griekse woord weer. Paulus schrijft, dat hij het evangelie vrijwillig verkondigt 1Kor.9:17 In Filemon lezen we, dat hij alleen vrijwillig het goede voor Paulus wil doen Fil.1:14. We lezen dat de kleine kudde van God vrijwillig gehoed moet worden 1Petr.5:2. De schrijver van de Hebreeënbrief spreekt van vrijwillig of opzettelijk zondigen.Hebr.10:26 We schrijven vrijwillig, omdat er geen beter woord is om het Griekse hekousiōs, weer te geven. Een woord dat noch het begrip vrij (eleutheros), noch het begrip wil (thelêma) omvat. Er wordt hier ook niet een absolute, vrije menselijke wil bedoeld, maar de beslisruimte die God ons geeft. Aan de andere kant zegt de Schrift uitdrukkelijk, dat God alles bewerkt overeenkomstig de raad van Zijn wil. Ef.1:11 7 Lev.7:16; Num.15:3; Deut.12:6,17. Ons vermogen om te beslissen wordt hier echter niet door uitgesloten. Het ene argument is gezien vanuit Goddelijk perspectief, het andere vanuit het menselijke. Door geloof kunnen we ons verheugen in de soevereiniteit van God. Tegelijkertijd zijn we bevoorrecht de uitwerking daarvan te kunnen erkennen, zodat we daarin stil worden. Het probleem heeft in feite een zeer praktische kant. Stel, wij erkennen, dat God Zijn voornemen uitvoert en niets wat de mens onderneemt, belemmert Hem. Onmiddellijk komt dan de vraag op, heeft het dan nog zin om iets te doen? Waarom bidden, als toch alles al tevoren bepaald is? Het antwoord is eenvoudig: want Zijn maaksel zijn wij, die geschapen worden in Christus Jezus voor goede werken Ef.2:10 Het is Zijn wil ons door Zijn wegen op te voeden en onze harten voor Zich winnen. Hij doet dit door ons te omgeven met een zweem van onzekerheid en onwetendheid. De details van Zijn gedachten maakt Hij nog niet bekend. We zouden daarin dan berusten, in plaats van dat we ons vasthouden aan Hem en volledig op Zijn liefde vertrouwen. De beperking en onwetendheid van de mens zijn ook de grondbeginselen van zijn filosofie. Men beoordeelt alles en iedereen, zelfs God, en zit gevangen in het eigen onvermogen. Wat oppervlakkig zichtbaar is, dringt zich op aan de bewuste waarneming. Dat weerhoudt hem ervan de werkelijkheid van het bestaan te overwegen. Die onttrekt zich aan de waarneming. Menig mens verbeeldt zich de eigen vrije wil uit te voeren. Maar men is tegelijk 8
Page 8
verstrikt in netten van machten. Men wordt gedreven door geestelijke invloeden, die sterker zijn dan de eigen geest. Een drinker is bijna altijd van mening, dat hij volledige vrijheid heeft het drinken op te geven. Een bewusteloos mens die door de politie in de gevangenis gebracht wordt, weet op dat moment niets van onvrijheid. De onwetende mens wordt ongemerkt meegesleurd in een vloedgolf van vertroebelde zintuigen. Wat is de wil van de mens? Waaruit bestaat diens vrijheid? De auteur wilde dit artikel schrijven over dit onderwerp. Zonder de wil en de invloed van Degene die boven hem staat, was dit nooit zijn wil geworden. Hij verlangde ernaar Gods wil te doen, zich in alles te onderschikken aan de Zijne. Hoe tegenstrijdig ook: het doen van de eigen wil is geen vrijheid. Echte vrijheid bestaat alleen in het doen van de wil van de Heer. Zo zien wij, dat de mens geen absoluut vrije wil heeft en de vrijheid met voorwaarden gepaard gaat. Er bestaat geen vrije wil, behalve die aan God onderschikkend is. Ja, Eén kan absoluut en volledig vrij beslissen, dat is de Schepper Zelf. Twee belangrijke bronnen bepalen de wil van de mens: erfelijkheid en omgeving. Beiden zijn oneindig complex en veelzijdig, Ze zijn door niemand te doorgronden en al helemaal niet onder controle te brengen. Waarom heeft ieder mens de wil om te zondigen? Omdat die geërfd is1. Als de mens vrij is om te zondigen, dan is hij ook vrij om 1 De Schrift spreekt van erven van sterfelijkheid; de dood gaat door in alle mensen, waarop allen zondigen Rom.5:12 9 dat niet te doen en de eigen wil door te zetten. Wie heeft de keuze over geboorte, geslacht, of vaderland? Toch zijn die belangrijk in alle situaties van het leven. Kan het zijn, dat de mens zonder beïnvloeding besluiten neemt, met de mogelijkheid die nog te veranderen? Wat wij in het algemeen een vrije wil noemen, is de aanpassing van onze geërfde aanleg aan onze omgeving. Daarbij wordt tegenstand als benauwend ervaren. Wij denken onze vrije wil te doen, als ons aangeboren gedrag zich, onder bepaalde omstandigheden, ongeremd kan ontwikkelen. Wie meent zelf te kunnen bepalen hoe de wil tot stand komt, groeit en bestaat, is onnadenkend, dwaas. Bij het maken van keuzes rekent men onbewust met het eigen ego. Dat is specifieke uitdrukking van de ontvangen menselijke erfenis, die zich ontwikkelde gedurende veel geslachten. Er komt het nodige (in het ‘karakter’) aan de oppervlakte, maar veel is latent aanwezig. Dat verbindt de mens, innerlijk overwegend, met wereldse, materiële, zielse of geestelijke contacten. Voeg aan dit geheel de psychologie van de gegeven situatie toe, en het is praktisch voorspelbaar welke keuzes iemand maakt. Denk hier bijvoorbeeld aan de toestand van de maag of de financiële positie. Als je wijs genoeg bent, kun je vervolgens voor iemand bepalen wat hij of zij wil. Sommigen zijn in staat dit voor zichzelf te gebruiken in relatie tot anderen. Hoe relatief makkelijk is de wil van de mens om te buigen door beïnvloeding! Via handige reclame bijvoorbeeld, wordt men aangezet zaken te kopen die eigenlijk niet nodig zijn. Er wordt op die manier van hun gedrag geprofiteerd. Als 10
Page 10
kind geen gezond voedsel wil moet je het even flink trek laten krijgen. Of, als een kind een keukenmes waar het mee speelt niet wil teruggeven; geef het mooier speelgoed. Hoe makkelijk kan de keuze veranderen door omstandigheden, die er juist toe leidden die te maken. Er is niet meer nodig dan op een bepaalde omstandigheid (factor) sterker of minder sterk nadruk te leggen. Gods almacht en plan Toen de Schepper de grote klok van het universum2 opwond, bepaalde Hij voor alle eonen3, waar ieder stukje materie zich op elk gegeven moment zou bevinden. Toen Hij Adam schiep, legde Hij alle eigenschappen in deze eerste mens, die ook in zijn gezamenlijke nageslacht te zien zijn. Daarmee zette God Zelf het grote wiel van de menselijke wil in beweging, en dat op de weg die Hij vooraf bepaalde. Laten wij toch de gedachte uitbannen, dat de wil van de mens een wetteloze, onafhankelijke, soevereine, God-uitdagende kracht is. Door het woord van God heen is de wil van de mens ondergeschikt aan de wil van God. Het kan tijdelijk lijken dat hij Hem weerstaat, niettemin zal hij Zijn plan moeten uitvoeren. Het verslag over de Farao laat zien, dat God niet alleen werkt in overeenstemming met Zijn geopenbaarde wil. Hij zorgde Zelf voor de tegenstand tegen Zijn woorden om Zichzelf bekend te maken. 2 Heel de schepping 3 Eon: olam (Hebreeuws) en aiōn Grieks), termen, die vaak met ‘eeuwig(heid)’ zijn vertaald. In de heilige Schrift evenwel: tijdperk. 11 Wat ons het meest raadselachtig schijnt, is het feit dat de de mens meestal anders wil dan God. Wij zien dan echter over het hoofd, dat een mens slechts een schepsel is. Als zodanig zou men absoluut niet in staat zijn tot verzet tegen God, als de Schepper niet de kracht daartoe had gegeven. God bedoelt juist, dat Zijn geopenbaarde wil tegengewerkt wordt, om Zichzelf te openbaren. Hij zet daarvoor twee tegengestelde krachten in werking. Dit is karakteristiek voor Hem, om het zo te doen. Hij hoeft Zich daarvoor niet te verontschuldigen. Want Hij zegt: ĺk dood en Ik maak levend, ĺk verwond en Ik genees Deut.32:39 Hij legt impulsen in het hart van de mensen en omgeeft ze met invloeden, die ze tot verzet aanzetten. God lokt verzet van Zijn schepselen eenvoudigweg uit. Maar wanneer Hij eens alles oplost en verklaart, zal men beide krachten terug herleiden naar die ene Bron, naar de enige Oorsprong van alles: de Schepper Zelf. God zou talloze kleine godheden met een absolute wil geschapen hebben. Die kunnen zich vervolgens tot buiten de grenzen van Zijn plannen en voornemens ontwikkelen. Zo’n bewering onttroont Hem en ontdoet Hem van Zijn authentieke Goddelijkheid. Het schepsel te laten beseffen, vrij te kunnen beslissen, is daarentegen heel wat anders. Dat schepsel hoeft daarom nog niet op de hoogte te zijn van de invloed van allerlei machten. Deze onwetendheid is onvermijdelijk gevolg van Zijn liefde, die verlangt naar ongedwongen respons. Niemand hoeft ons tot overgave aan geluk te dwingen. We worden in omstandigheden 12
Page 12
gebracht, die ons voorbereiden op algehele voldoening van ware vreugde. God heeft de vijandschap tegen Zichzelf in het schepsel geplant. Hij laat hem verwijdering en vervreemding van Hemzelf doormaken, opdat Hij hem daarna voorgoed aan Zijn hart kan brengen. Alleen daar zal de mens echt geluk en ware vrijheid van de wil vinden. Een wil die volledig overeenstemt met Zijn wil. Steeds weer kan men prediking horen, waarin benadrukt wordt, dat de Goddelijke almacht zelf aan de deur van menselijke wil moet kloppen. Maar wat voor soort almacht is dat dan? Een almacht in orthodoxe zin kan de deur van het hart openbreken. Maar de almacht van de liefde zou anders handelen. Die zou aanlokkelijke schatten bij de deur zetten of aan de achterzijde van het huis een vuur opstoken. Er zijn ontelbare wegen om een mens zonder geweld naar zich toe te trekken. Een machtige overheid kan met gemak hervormingen in een land doorvoeren. De bevolking kan, zonder het te beseffen, veranderd worden. Je kunt de politiek vernieuwen, de religie hervormen, en het denken omzetten. Zolang het comfortabele leventje maar niet verstoord wordt. God troont boven tijd en ruimte in onbegrensde majesteit. Hij is de Enige in het universum, Die niet onderhevig is aan de omstandigheden. Deze waarheid is door vertalingen van de Schrift eerder verborgen dan onthuld. De grootste machthebbers van de aarde spelen gewillig de rol die Hij hen heeft toegedacht. En zij weten dat zelf niet. Het boek Esther spreekt hiervan. Een kleine omstandigheid zoals 13 een slapeloze nacht van een koning, kan alle menselijke plannen omverwerpen. Later verzekert de wijze Salomo: het hart van een koning is in de hand van Jahweh4 als waterbeken, Hij neigt het tot alles wat Hem behaagt. Spr.21:1 Zoals de boer in de Oriënt zijn velden drenkt, zo gaat God om met het hart van alle andere mensen. De weg die hij met ze gaat is blijkbaar de beste. Het blijft voor hen een onbewust iets, dat God het hart weegt (reguleert). De dwaze spotter daagde God uit om zijn opgeheven hand neer te halen, als bewijs dat Hij bestaat. God hoeft echter geen gehoorzaamheid af te dwingen. Alle handen zúllen Hem dienen, Hij gebruikt zelfs de handen die zich tegen Hem verheffen. Hij gebruikt verrassend eenvoudige middelen, werkzaam en indrukwekkend, om Zijn doel te bereiken. Het ‘toeval’ wilde, dat de spotter kaal was en er een vlieg om hem heen zoemde, die zich op zijn hoofd zette. De spotter joeg hem weg met zijn opgeheven hand... God had tot de dwaas gesproken, gelijk aan diens eigen dwaasheid. Hij had geen enorm vertoon van Zijn almacht nodig. De hele filosofie van de vrije wil is in deze lachwekkende geschiedenis te kijk gezet. De vlieg maakte meer indruk op hem dan het bestaan van God… Tegen een vlieg kon hij zelfs niet op. 4 Jahweh, de Naam van God, is letterlijk: word-zijnde-was; JHWH hSV: HEERE, NBG: HERE, ook: Ik ben, of: Ik zal zijn. 14
Page 14
Wij zien hoe makkelijk de menselijke ‘vrije wil’ zichzelf kan keren. Zijn wil keerde zich tegen hem en was dus want God is het, Die in jullie zowel het willen als het werken voor Zijn welbehagen bewerkt Fil.2:13 onderworpen aan de wil van God. Een kalmerende waarheid, die rust in de geest en vrede in de ziel geeft, lezen we in Filippenzen: Te menen, dat we God vanuit onszelf welgevallig kunnen zijn en verheugen, is onjuist. Als wij Hem welgevallig zijn, is het God, Die dat door Zijn geest en Zijn woord in ons bewerkt. Geen enkele, ‘onafhankelijke’ wil kan ooit in volledige harmonie met God zijn. De gezegende toekomst komt niet tot stand door onafhankelijkheid van Gods wil, maar door de vrijheid in Hem. Bewuste overeenstemming met God is de enige ware vrijheid. Alle ongebondenheid buiten Hem, is slavernij in een andere vorm. Samenvatting Er is maar één onafhankelijke, vrije wil in het universum, dat is de wil van God. Door de eonen heen openbaart deze wil zich op twee verschillende manieren. Enerzijds door het wereldgebeuren in grote en kleine gebeurtenissen, anderzijds door Zijn woord. God brengt de mens in een prikkelende omgeving, die hem ertoe brengt tegen Zijn geopenbaarde wil in te gaan. Door hun aangeboren drijfveren vanaf Adam, laat Hij ze dat afwijzen, wat Hem welgevallig is. De hand van de almachtige God werkt zo, in Hem leven en zich bewegen en zijn Hand.17:28 15 voor ons onbewust, Zijn wil uit. Om Zijn doel volledig te bereiken, mogen ze niet weten, dat ze Zij mogen van Zijn werking in hun voorouders en in de medemensen in hun omgeving praktisch niets merken. Zij moeten zich inbeelden onafhankelijke godheden te zijn, goed in staat om hun eigen wijsheid en wil te meten met die van de Schepper. Dit is de ‘zelfbeschikking’, die het zonder God wil stellen. De vals zo genoemde ‘vrije wil’ waar men aanspraak op wil maken, is gevolg van onwetendheid aangaande hun beperkingen en de wegen van God. Zij beseffen niet, dat God Zichzelf als het ware tegenwerkt, om Zich te openbaren. Zij veronderstellen volkomen los te zijn van Zijn wil. Zij zijn niet in staat de oorsprong en gevolgen van hun beslissingen juist in te schatten. In hun blindheid denken zij hun actie te kunnen verheffen tot een eigen creatie. De schepping is niet ontstaan uit het niets. Toch denken zij, dat zij hun eigen onafhankelijke wil uit het niets konden creëren! Ze zien niet in, dat de wil gevormd wordt door omstandigheden, die op de achtergrond geleid worden door de hand van God, Die alles bewerkt in overeenstemming met de raad van Zijn wil Ef.1:11b Gods geest in ons - Zijn woord bij ons Wij, die mogen weten wie God is, Hem mogen kennen, bewegen ons niet meer in het menselijk bereik, waar de meeste omstandigheden goddeloos zijn. Wij hebben de 16
Page 16
geest van God in ons, zodat we niet beheerst worden door natuurlijk, aangeboren gedrag, door overlevering. We hebben het woord van God, zodat we niet misleid worden door de wereld om ons heen. Wat willen we anders nog dan instemmen met de wil van God? Waarvoor hebben wij nog een wil, onafhankelijk van Hem nodig? Ja, elk verlangen daarnaar raken we zelfs kwijt. De roep van ons hart is die van onze geliefde Heer: laat niet Mijn wil, maar de Uwe gebeuren! Luc.22:42 In Gods wil zijn we vrij, al het andere is een belemmering. Op werelds gebied maakt men reclame voor methoden om de wilskracht van de mens te vergroten. Die moet in het leven vooruitkomen en wel door juiste beïnvloeding van zijn medemens. Wie zich daardoor laat bekoren, volgt een bedrieglijk beeld en begeeft zich onder de jurisdictie van de duisternis. Er is echter een absolute mogelijkheid om wilskracht te ontwikkelen. Werkzaam en machtiger dan welke menselijke methode dan ook. Er is een vrijheid van de wil, die alle verwachtingen overtreft. Die ontdekken we als we tegenover God van het zelfbeschikkingsrecht afzien, om zo in Zijn wil tot rust te komen. Ons serieuze streven wordt dan, volledig vertrouwd te raken met Zijn plannen en bedoelingen. Opdat wij ons hierop naar verloop van tijd steeds meer aanpassen. Hoe komt dat tot uiting? Dat is niet zo moeilijk. Doordat de geest van God in ons woont en wij de geest van Christus hebben; ja onze geest echter is leven door gerechtigheid Rom.8:9,10 17 Wij verrichten ons dagelijks werk en voeden ons dagelijks met de woorden van het geloof en van de uitstekende onderwijzing 1Tim.4:6; 2Tim.3:10 Zo, met Zijn geest in ons, ervaren we wat écht leven is. Wij hebben Zijn geest. Wij hebben Zijn woord. Mogen die alles voor ons zijn! De invloeden die voorheen onze wil vormden, kunnen wij nu terugdringen. We staan voortaan alleen nog open voor de nieuwe invloeden. Door Zijn woord, door Zijn geest, komen wij tot erkenning van Zijn wil. Voor zover we net als Paulus, dagelijks bidden dat Hij geeft een geest van wijsheid en onthulling in erkenning van Hem Ef.1:17 en vervuld worden met de erkenning van Zijn wil Kol.1:9-12 Zo leren we Hem kennen, liefhebben en Zijn wil uitvoeren. Mag de wil van God vanaf nu de onze zijn! In de geest ervaren we dan de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God. Rom. 8:21 en bidden wij oprecht: niet zoals ik wil, maar zoals U wilt Matt.26:39. 18
Page 18
De wil van God en de wil van de mens Ik spreek jullie dan aan, broeders, … stel je niet in op deze eon, maar transformeer door de vernieuwing van jullie denkzin, opdat jullie toetsen wat de wil van God is, het goede en welgevallige en gerijpte Rom.12:1,2 Het Grieks gebruikt voor instellen een treffende uitdrukking, letterlijk staat daar: niet met deze eon samenschematiseren. Dit Griekse woord schêma vinden wij ook in 1 Korinthiërs 7:31, waar wij lezen: want de manier van doen (schema) van deze wereld gaat voorbij. Hier staat de goede, welgevallige en volmaakte wil van God tegenover het schema, dat voor de tegenwoordige boze eon en de hedendaagse wereldorde zo karakteristiek is. Haar schema is daarentegen niet neutraal, maar in overeenstemming met de vorst van het volmachtsgebied van de lucht, de geest, die nu werkzaam is in de zonen van de weerspannigheid Ef.2:2b Onder deze omstandigheden kan ook de wil van de mens niet neutraal blijven. Die zal óf met de geest van de tegenwerker samen-schematiseren, óf zich uitstrekken om 19 vervuld te worden met de erkenning van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijke inzicht, zodat jullie de Heer waardig wandelen … in alle goed werk vrucht dragend en groeiend in de erkenning van God met alle kracht krachtig gemaakt in overeenstemming met de macht van Zijn heerlijkheid tot alle volharding en geduld met vreugde Kol.1:9-11 Het geheimenis van Zijn wil de God van onze vaderen stelde tevoren vast voor jou Zijn wil te kennen Hand.22:14 Deze woorden van Ananias wijzen op de bijzondere opdracht om te dienen, die Saulus op de weg naar Damascus ontving van de verheerlijkte Christus. De Farizeeër Saulus was volkomen vertrouwd met de Hebreeuwse Schriften5. De twaalf in Jeruzalem waren ooggetuigen van de aardse bediening en de opstanding van de Heer Jezus Hand.1:22. Verder werd Hij tijdens de veertig dagen vóór Zijn hemelvaart door de uitgekozen apostelen gezien. Hij vertelde hen ‘dat wat het koninkrijk van God betreft’ Hand.1:3. Wanneer Paulus tot erkenning van de wil van God was voorbestemd, dan moest het gaan om dingen, die tot dan toe verzwegen waren. Hoe belangrijk de wil van God voor Paulus was, blijkt uit de titel van zijn bediening: 5 In Joodse kring zegt men: Tenach = Torah (onderwijzing), Neviiem (profeten), Chetoeviem (geschriften). In wezen is dat beter dan OT. 20
Page 20
apostel van Christus Jezus door de wil van God 1Kor.1:1; 2Kor.1:1; Ef.1:1; Kol.1:1; 2Tim.1:1 Het belang ervan blijkt ook uit zijn voorbeeldgebed om vervuld te worden met de erkenning van Zijn wil Kol.1:9-12 en zijn lofprijzing daarvoor: in alle wijsheid en bezonnenheid ons bekendmakend het geheimenis van Zijn wil … Die alles bewerkt in overeenstemming met de raad van Zijn wil. Ef.1:9,11 Sommigen vragen zich wellicht af hoe het komt dat in de wereld zoveel gebeurt dat tegenstrijdig aan de wil van God is, wanneer Hij het toch is, Die alles bewerkt. Laat Mijn volk gaan! De apostel Paulus schrijft: dan is Hij dus voor wie Hij wil barmhartig, wie Hij echter wil verhardt Hij Rom.9:18 Hij verhardde het hart van Farao. Dit was verzwegen in de dagen van Mozes, een geheimenis. Niettemin was de geopenbaarde wil van God: laat Mijn volk gaan! Ex.7:16 Uit deze woorden concludeert men natuurlijk, dat het Gods wil was dat het volk meteen uit Egypte moest vertrekken. Het leek erop, dat Farao de geopenbaarde wil van God zou 21 trotseren. Deze conclusie is echter onjuist. Feit is, dat het hart van Farao met het oog op de plagen niet (ver)hard genoeg was. Hij had het volk Israël al eerder laten gaan, als God zijn hart niet zodanig had verhard dat hij zich tegen hun uittocht verzette. Deze verharding was Gods wil Rom.9:18, en toch Zijn niet geopenbaarde wil. Gods verborgen wil aan de ene kant en Zijn geopenbaarde wil aan de andere kant lijken elkaar tegen te spreken. In Ik zal het hart van de Farao verharden en Mijn tekenen en Mijn wonderen in het land Egypte zullen vele zijn … zodat Mijn Naam in heel de aarde verkondigd wordt Ex.7:3; 9:16 werkelijkheid vullen ze elkaar juist aan. Mozes wist waar het om ging, aan hem onthulde Jahweh Zijn voornemen: Om Zijn plan uit te voeren was het nodig dat Hij Zijn wil deels aan Mozes openbaarde, maar deels voor de Farao verzweeg. Uit dit voorbeeld zien we Gods bedoeling, dat mensen tegen Zijn geopenbaarde wil ingaan. Hiertoe verhardt Hij wie Hij wil. De ongelovige zelf is het bewijs dat God ook dat hart verhardt. Farao weerstond de geopenbaarde wil van God - om het volk meteen te laten gaan, maar weerstond niet Zijn bedoeling. De kracht van God en de verkondiging van Zijn naam over de hele aarde was daarvan het bewijs. God wil dat alle mensen gered worden en tot erkenning van de waarheid komen 1Tim.2:4 22
Page 22
Gods geopenbaarde wil in dit vers komt overeen met: laat Mijn volk gaan Ex.7:16. Zoals ooit Israël uit Egypte trok, zal God ook Zijn wil tot redding en erkenning van de waarheid van alle mensen doorzetten. De redding van Israël uit de hand van Farao demonstreerde de kracht en macht van God. Zo zal de redding van alle mensen in de toekomst Zijn genade en liefde onthullen. Zonder verzet van Farao kon God Zijn macht niet openbaren. Zo zal Hij ook de volle omvang van Zijn genade eerst aan de zonen van de weerspannigheid tonen. De onwankelbare wil van God Voordat wij proberen de bron van de menselijke wil te doorgronden, richten wij onze blik op God. De oorsprong van Zijn wil kan alleen in Hemzelf liggen. Het wezen van God is licht en liefde. Daarom verlangt Hij ernaar Zichzelf, en vooral Zijn hart, te openbaren. Deze feiten bepalen Zijn onveranderlijke wil die, net als Zijn plan van liefde, door niets veranderd kan worden. Omdat Hij almachtig is, kan niets Zijn wil belemmeren. Omdat Hij volkomen wijs is, weet Hij, dat Zijn schepselen het best via tegenstellingen leren. Hij gebruikt de duisternis, opdat zij het licht gaan waarderen. Het gebruikt kwaad en het boze, zodat zij tot erkenning van het goede komen. Hij benut de haat van schepselen, want tegen deze donkere achtergrond zal Zijn liefde zich des te scherper aftekenen. God zet Zijn wil door. Ja, Hij werkt door Zijn geest de details van Zijn liefdesplan uit. Alles verloopt in harmonie met Zijn eerder vastgestelde besluit. Dat is het voornemen 23 wat Hij ontwierp tot Zijn verheerlijking en tot zegen van Zijn schepselen. God zet Zijn wil niet door als een kille, heerszuchtige despoot zonder rekening te houden met anderen, want Zijn wezen is liefde. Hij geeft Zichzelf veeleer in hartverwarmende, geduldige volharding om de wil Zijn schepselen voor Zich te winnen. God wil hen door Zijn geest en door het Middelaar-zijn van Christus, in volledige harmonie brengen met Zijn eigen wil. Zijn hart verlangt niet naar gemeenschap met slaven, van wie Hij de wil moest breken om de Zijne aan hen op te leggen. Hij verlangt naar hartelijke harmonie met zonen, die in blijdschap en volledige overgave Zijn wil uitvoeren. Er zijn meer dan zestig teksten in de Griekse Schrift (NT) waarin het woord wil voorkomt. Vijftig daarvan hebben betrekking op de wil van God. De wil van de mens wordt maar zelden genoemd. Het begint met deze: Uw wil geschiede Math.6:10 en eindigt met de lofprijzing: omdat U het al geschapen heeft en door Uw wil waren zij en werden zij geschapen Op.4:11 En kort en bondig: en kent Zijn wil Rom.2:18 Paulus spreekt de Joden aan die de wil van God kennen uit Tenach (OT). Het was dus niet nodig aan te geven, welke wil bedoeld werd. 24
Page 24
Hieruit zien we, dat de mensen in het komende aardse koninkrijk bereid zijn de wil van de Vader te doen; wie vasthoudt aan de eigen wil, zal daar niet ingaan. Matth.7:21 De wil van Jezus werd niet gesterkt Heel de aardse bediening van onze Heer Jezus Christus is samengevat in een psalm, die wij lezen in Hebreeën: Zie, Ik kom om Uw wil te doen, o God Hebr:10:7,9 Hij voegt hier nog aan toe: omdat Ik niet Mijn wil zoek, maar de wil van Hem, Die Mij gezonden heeft Joh.5:30 Later herhaalt Hij deze uitspraak met de woorden: want Ik ben afgedaald vanuit de hemel, niet opdat Ik Mijn wil zou doen, maar de wil van Hem, Die Mij gezonden heeft Joh.6:38 De Heer Jezus heeft nooit Zijn eigen wil gedaan, tenzij in volledige overeenstemming met Zijn Vader. De wil van de Heer was geenszins passief, maar steeds volop actief. Die activiteit hield niet het doorzetten van Zijn eigen wil in, maar juist die van Zijn Vader. Toen de wil van de Heer in Gethsemane niet overeenkwam met de wil van God, werd Hij gesterkt door een boodschapper uit de hemel, Luc.22:42,43; Joh.18:11 maar niet Zijn wil! Wanneer het in ons leven tot een crisis komt, en wij voor een moeilijke beslissing staan, dan hebben wij geen 25 versterking van onze besluitkracht nodig. Wij zouden bidden zoals Paulus, dat God ons met alle kracht krachtig maakt … tot alle volharding en geduld met vreugde Kol.1:9-13 opdat wij stil worden in Zijn wil voor ons. De wil van de mens Enkele uren nadat onze Heer Jezus in Gethsemane Zijn wil onderschikt had die van Zijn Vader, gaf Pilatus toe aan de menigte en de hogepriester. Lukas schrijft dit als volgt: Jezus echter gaf hij over aan hun wil Luk.23:25 Dit is een van de weinige keren dat de wil van de mens voorkomt in het woord van God. Die komt tot uiting in het geschreeuw van de opgehitste menigte kruisig Hem, kruisig Hem! Luk.23:21 Wanneer we horen dat menselijke wils- en besluitkracht geprezen wordt, zou dit kruisig Hem in onze oren moeten naklinken. Dan worden we ons weer bewust hoe het met zogeheten ‘vrije’ wil van de mens gesteld is. Dit is een modelvoorbeeld van de wilsvorming en -uiting van een religieuze natie, die het woord van God bezat. Een natie, waarvan de leiders de wet bestudeerden. Paulus zei van ze: zie, Jood noem jij jezelf, en jij rust op de wet en roemt in God en kent Zijn wil Rom.2:17,18 Tegen hen, en alle gelovigen, zegt de apostel, dat zij 26
Page 26
eens wandelden, … in overeenstemming met de geest die nu werkzaam is in de zonen van de weerspannigheid .. de wil van het vlees en de denkwijze uitvoerend … zoals ook de overigen. Ef.2:2,3 Deze tekst heeft voor onze overwegingen een speciale betekenis. Het laat zien, dat de wil van de ongelovige mens het gevolg is van verschillende invloeden. De mens heeft er geen controle over, want ze komen uit bronnen waarvan hij zich totaal niet bewust is. Allereerst is daar de geest van de boze, die de wil van ongelovige mensen (zowel Joden als niet-Joden) sterk beïnvloedt. Als tweede wordt de wil van het eigen vlees genoemd, als derde bron de eigen manier van denken. De mens is dus totaal niet in staat zelfstandig beslissingen te nemen. Hij wordt beïnvloed door geestelijke machten van de boosheid; buiten zijn waarneming dringen die zich aan hem op. Het resultaat is alleen zichtbaar voor het geestelijk oog. Niet alleen de gelovigen vermoeden daar iets van, ook anderen spreken over de tijdgeest, die mensen meesleept. Dit bepaalt mede hoe de wil van de mens gevormd wordt. Wie denkt dat het de mens zelf is, die door zijn vrije wil de tijdgeest vormgeeft, vergist zich. De ongelovige mens kan zich niet onttrekken aan de invloed van de geest van de boze. Maar hij kan zich ook niet losmaken van de wil van zijn eigen vlees, of zijn lichamelijke gesteldheid, of zijn 27 vleselijk denken. Zo schrijft Paulus over de wandel van de ongelovigen, dat zij ... in hun inzicht verduisterd zijn … en van het leven van God vervreemd Ef.4:18 Hieruit wordt duidelijk, dat de mens een schepsel is en daarom niet in staat om zijn wil uit het niets tot stand te brengen. Er blijft hem geen andere keuze dan zijn wil te laten vormen door de prikkels die op hem afkomen. De aard van de wil hangt af van de aard van deze prikkels. De mens heeft geen invloed op de vorming van de wil die zich voltrekt in het onderbewustzijn. Hoe hij ertoe komt iets te willen, begrijpt hij net zomin als bijvoorbeeld de details van zijn spijsverteringssysteem. Bij de keuze van zijn voedsel kan hij wel zorgvuldig te werk gaan, maar heeft hij geen invloed op het omzetten naar voedingstoffen voor het lichaam. Zo is hij ook bij de vorming van de wil overgeleverd aan een reeks invloeden, die zich onttrekken aan zijn waarneming. De wil van de gelovige Wij, gelovigen zouden ons niet laten meeslepen door de tijdgeest, die nu nog steeds werkzaam is in de zonen van de weerspannigheid en hen naar de ondergang leidt. Wij zouden ook niet gehoorzamen aan de wil van ons vlees, want wij zijn niet in het vlees, maar in de geest, omdat namelijk de geest van God in jullie woont Rom. 8:9 de gezindheid van het vlees is (de) dood Rom. 8:6 28
Page 28
Daarom wandelen wij niet langer naar het vlees en zijn daar niet meer op bedacht, maar wij volgen dit: zoekt wat boven is, waar Christus is, aan Gods rechterhand zittend. Kol.3:1-4 Ook zou een gelovige niet verduisterd zijn in zijn denken aangezien bij hem, toen hij tot geloof kwam, de ogen van het hart verlicht werden. Ef.1:18 Zodat hij hiervan geniet: ..en de lichtglans van het evangelie van de heerlijkheid van Christus hem bestraalt. 2Kor.4:4 Onze manier van denken is daarom niet langer verduisterd omdat God door Zijn woord straalt in onze harten tot verlichting van de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus 2Kor.4:6 Die lichtglans is van Hem afkomstig, want onze oude wil en verduisterde denken zijn in feite vervangen door de wil van God. Wij zijn dus niet langer onder invloed van de geest van de boze, die werkzaam is in de zonen van de weerspannigheid.6 Wij staan onder de invloed van de geest van God, de heilige, die onze menselijke geest verjongt en van dag tot dag vernieuwt. 2Kor.4:16; Ef.4:23 Dit komt tot stand door het woord van God. Door het biddend lezen van de heilige Schrift worden wij onttrokken aan de eerdere gelijkvormigheid aan het schema van deze boze eon7. Ons oude denken wordt meer en meer omgevormd door de 6 Efeziërs 2:2 7 Zie Galaten 1:4 29 vernieuwing van onze denkzin. Uiteindelijk leren we wat de wil van God is: het goede, het welgevallige en het volkomene Rom.12:2. In zekere zin hebben wij het vormen van onze eigen wil dan zelf in de hand - wanneer we de motivatie hiervan onderbouwen en bewaren in de wil van God. Wij vermijden ‘samen te schematiseren’ met de geest van de tegenwerker, en ons in plaats daarvan heel bewust elke dag opnieuw uit te strekken naar vervuld te worden met de erkenning van Zijn wil Kol.1:9 Wanneer wij ons deze houding van geloof door God laten schenken, is onze menselijke wil geen mysterieus proces in ons onderbewustzijn meer. Maar dan wordt het simpelweg een ongecompliceerd afzien van de wil van het vlees en ons oude denken. Dit wordt bewerkt door de invloed van het woord van God. Daarnaast wijzen wij dan consequent alle (subtiele) beïnvloeding door de geestelijke wereldbeheersers van de duisternis af. Zij, die ons overal omgeven. In plaats daarvan stellen wij ons vrijwillig en vol begrip open voor de geest van God, via Zijn woord. Wij maken de God en Vader van onze Here Jezus Christus onze gedachten en verlangens bekend in gebed, in smeking met dankzegging8. Toch kan het gemakkelijk zo zijn, dat wij niet altijd open blijven staan voor Zijn gedachten en wil. Het kan dan zelfs zo ver komen, dat wij ons onbewust en zonder besef afsluiten voor de geest van God in Zijn woord. Dan dringen gedachten zich snel aan ons op, die 8 Filippenzen 4:4-7 30
Page 30
voortkomen uit het vlees, ons oude denken, onder invloed van geest, die werkt in de zonen van de weerspannigheid. Onze wil in overeenstemming met Gods wil Er werd al op gewezen, dat de mens enkel een schepsel is. En dus is hij totaal niet in staat voor zichzelf een neutrale en niet ontvankelijke wil te creëren. Hij heeft maar twee mogelijkheden. Hij kan zijn wil laten vormen door de tijdgeest, het eigen vlees en het oude denken. Of hij kan zich volkomen bewust en vol begrip te stellen onder de invloed van de wil van God in Zijn woord. Het gevolg ervan is, dat ons denken wordt vernieuwd en ons geestelijk afgestemde verlangen is: Hem te behagen. Wij hebben dan hét motief voor bewust vormen van onze wil, om de Heer waardig te wandelen, tot geheel Zijn behagen, in alle goed werk vrucht dragend en groeiend in de erkenning van God. Kol.1:9,10 Dit is de wil van God voor ons: onze heiliging. Wie dit afwijst, verwerpt niet een mens, maar God. Hoe meer de verlichting van de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus in ons hart opgaat 2Kor.4:6 hoe meer wij volkomen overeen willen stemmen met de wil van God. Steeds wanneer wij ons onttrekken aan deze lichtglans, al is het maar even, betreden wij geen neutraal terrein, maar komen onder de invloed van de tijdgeest die 31 1Thess.4:3,7,8 werkzaam is in de zonen van de weerspannigheid. En zo voeren wij weer de wil van ons vlees en oude denken uit. Toetsen wat de wil van God is Wij zouden toetsen wat de Heer welgevallig en wezenlijk is, óók ons eigen werk, maar vooral wat de wil van God is. Rom.12:1;2 Kor.13:5; Gal.6:4; Ef.5:10; Fil.1:10. Zijn wil alleen is goed, welgevallig en volkomen. Hij is bij machte oneindig veel meer te doen, dan wij verzoeken of bevatten! Hem zij de heerlijkheid! 32
Page 32
Gods wil en Gods bedoeling Bij het vertalen van Romeinen 9:19 dacht de auteur van dit artikel, een ‘foute’ tekst tegen te komen. Had daar niet moeten staan: wie heeft Zijn wil weerstaan? De grondtekst heeft hier het Griekse woord boulêma (raadsbesluit, bedoeling), en niet thelêma (wil). Omdat er zo weinig verschil is tussen deze begrippen, ontging het de auteur dat juist hier de concordante vertaling zo waardevol is. Later was hij dankbaar voor de erkenning die daardoor is ontstaan. De tegenstrijdigheden die samenhangen met het probleem van het kwaad, werden met behulp daarvan opgehelderd. Op de vraag: wie heeft Zijn wil weerstaan? moeten wij antwoorden: velen, zo niet allen! Toegegeven, niemand kan de bedoeling of het raadsbesluit van God verhinderen. Zelfs wanneer wij zouden ingaan tegen Gods geopenbaarde wil, bereikt Hij toch Zijn doel. Niet veel passages in de Schrift zoals deze uit Romeinen, geven een doorkijkje in de samenhang van verschillende aspecten. Vanuit Goddelijk perspectief kunnen we daar dan iets van begrijpen. Dit hoofdstuk handelt over de uiteindelijke oorzaken, die God alleen kent. Vaak lijkt het of uitspraken uit de heilige Schrift elkaar tegenspreken, vooral bij werkingen vanuit menselijk perspectief gezien. 33 God heeft Zich een einddoel gesteld; om dat te bereiken zal Hij vanaf het begin alles onder controle moeten hebben. Ongeacht onze mening over al wat zich afspeelt op de lange weg naar het einddoel. Het dient alles Zijn oorspronkelijke plan. God is de grote Pottenbakker, Zijn schepselen zijn niets anders dan klei in Zijn hand, voor wat betreft Zijn bedoeling. Inzake de geopenbaarde wil van God, zijn zij totaal niet inschikkelijk. De gelijkenis van de pottenbakker is hier een goed voorbeeld van. De houding van de mens ten opzichte van de geopenbaarde wil van God kan het beste zo omschreven worden: Wij willen niet! Laat Mijn volk gaan Het verslag over Farao is hét klassieke voorbeeld van het verschil tussen Gods geopenbaarde wil en Zijn bedoeling. Zijn wil spreekt uit de woorden: Laat Mijn volk gaan Ex.7:16 Farao zou gehoor hebben gegeven aan de wil van God, als hij direct had gehoorzaamd. De verborgen bedoeling van God omvat echter meer dan Zijn geopenbaarde wil. Menselijke weerstand tegen Zijn wil ligt wel degelijk in Zijn bedoeling. Tot deze conclusie moeten wij komen, als Farao koppig genoeg geweest zou zijn om zelf zijn rol te spelen; des te meer echter, wanneer wij lezen, dat Jahweh het hart van Farao verhardde, zodat hij de Israëlieten nìet liet gaan. Ex.10:20 Gods geopenbaarde wil was beperkt tot de vrijlating van het volk Israël: Laat Mijn volk gaan! Zijn verborgen wil, of beter: Zijn bedoeling, bleef eerst nog 34
Page 34
volledig geheim. Alleen Mozes wist ervan. God maakte Zijn bedoeling vertrouwelijk aan Mozes en Aäron bekend. Maar Ik zal het hart van de Farao verharden en Mijn tekenen en Mijn wonderen in het land Egypte talrijk maken Ex.7:3-5 Daags voor de zevende plaag kreeg Mozes de opdracht aan Farao mee te delen, waarom hij de vorige plagen overleefd had. Hij en zijn volk waren niet door de pest omgekomen, God wilde immers Zijn kracht tonen; Hij liet Farao daarom (be)staan.9 opdat Zijn Naam afgekondigd zou worden over heel de aarde Ex.9:13-19; Rom.9:17 Om Zijn bedoeling te bereiken, was het dus nodig, dat God Zijn wil geleidelijk aan Mozes bekend maakte, maar voor Farao verzweeg. Wellicht was hij na de zesde plaag bereid geweest, de Israëlieten te laten gaan, als God zijn hart niet had verhard. Alleen aan Mozes wordt dit bekend gemaakt, niet aan Farao. Het is Gods bedoeling al deze tekenen en wonderen te doen. Aan de kinderen en kleinkinderen van Israël kon daardoor worden verteld wat Hij in Egypte deed, opdat zij weten, dat Hij Jahweh is Ex.10:1,2 Tot vandaag toe kan men daarover nog lezen. 9 Hebreeuws: laten (be)staan Ex.9:16, Paulus: uitverwekt Rom.9:16 35 Ook voor ons opgeschreven Naar Romeinen 4:23 en 24 kunnen we zeggen, dat deze geschiedenis niet alleen voor Israël werd opgeschreven. Maar ook voor ons, zodat wij hierdoor leren, dat God alles bewerkt overeenkomstig de raad (boulê) van Zijn wil (thelêma) Ef.1:11 Dat houdt in dat God alles bewerkt naar de bedoeling, het raadsbesluit, dat ten grondslag ligt aan Zijn geopenbaarde wil10. Het merendeel van de mensheid voegt zich niet naar de geopenbaarde wil van God. Ook gelovigen zien voorbij aan het weinige, dat Hij over Zijn bedoeling onthuld heeft. Zowel de ongehoorzaamheid van de mensheid als de onwetendheid van zoveel van Zijn kinderen worden echter door God gebruikt. Zo bereikt Hij Zijn bedoeling en komt via dit alles tot Zijn doel, dat Hij Zich voor Zijn schepselen gesteld heeft. De Israëlieten smeekten in hun hart wellicht, dat de Farao zou toegeven. God verhoorde hen echter niet meteen. Hij verhardde eerst Farao’s hart. Vanzelfsprekend zuchtten de Israëlieten onder het harde juk en wilden niets liever dan hun eigen redding. God bewerkte die naar de raad van Zijn wil. Hij deed alles samenwerken tot het goede; zowel hun bevrijding als de verheerlijking van Hemzelf. Hoeveel overeenkomsten zien we vandaag de dag onder de kinderen van God! Er zijn gebedsbijeenkomsten en 10 In Efeziërs 1:11 lezen we het verkorte: boulê (raad), terwijl in Romeinen 9:19 boulêma (bedoeling) staat. 36
Page 36
gebedsweken voor bepaalde, aparte doelen, omdat de Heer gezegd heeft: bidt (verzoekt) en jullie zullen ontvangen Joh.16:24 Dit was zeker waar in de begindagen van Handelingen. Het zal letterlijk opnieuw van kracht zijn in het komende aardse koninkrijk. In de gebeden van Paulus’ latere brieven, van toepassing op ons en ons tot voorbeeld, staat: want wij weten niet wat wij zouden bidden naar wat moet zijn, maar de geest zelf pleit voor ons met onuitgesproken zuchten Rom.8:26 De voorbeelden voor gebed, die een belofte van verhoring hebben, vinden wij in de brieven van Paulus, vooral in de latere.11 Wat wij daarbij voor onszelf of anderen bidden, verhoort God op de wijze waarop Zijn geest ons hart doorzoekt en voor ons pleit. Niet op de menselijke manier, maar in overeenstemming met God Rom.8:27 en ja, dus in harmonie met de raad van Zijn wil. Wij, gelovigen van nu, zouden wellicht net zo handelen in een soortgelijke situatie als destijds de Israëlieten. Zij hoopten, dat God door hun smeken het hart van Farao zou vermurwen. Zij wensten in alle stilte uit het land Egypte te ontsnappen. Zij verwachtten geen vreselijke tekenen en wonderen of Pascha. Geen doortocht door de Rode Zee met de Egyptische strijdwagens op hun hielen. Veertig jaar 11 Efeziërs, Filippenzen, Kolossenzen en 2 Timotheüs 37 in de woestijn konden zij ook niet bedenken. Integendeel, God had hen de meest indrukwekkende periode van hun geschiedenis, tegen hun wil laten ondergaan. Hun aanhoudende ongehoorzaamheid tegen Zijn in de wet geopenbaarde wil bleek telkens. Maar wie zou betwijfelen, dat dit exact in overeenstemming met Zijn bedoeling was? Onze hedendaagse gebeden, verzoeken, zouden eigenlijk meer overeenkomen met God dan indertijd die van de Israëlieten. Want wij mochten ‘achter de voorhang’ kijken. Wij zien niet alleen uiterlijke processen, ook hebben wij enig idee van de uiteindelijke oorzaken, die God alleen precies kent. Had God naar onze mening, de gebeden van de Israëlieten om toegeeflijkheid van Farao tóch moeten verhoren? Hadden zij de context beter begrepen, dan hadden zij vermoedelijk gesmeekt, dat God Farao’s niet zou verharden, omdat dat voor hen al te hard was. Had God dat hart níet verhard, dan was de uittocht uit Egypte een oninteressante, onopgemerkte geschiedenis gebleven. Van het wonderbaarlijke bewijs van de macht en de liefde van God zou niets te vertellen zijn geweest. De wijsheid en macht van Egypte was in de toenmalige wereld overal bekend. Daarom moest die in confrontatie met de wijsheid en macht van God te kijk worden gezet. Deze bijzondere eigenschappen van God kunnen wij alleen (h)erkennen, als wij ondervinden, hoe ver Hij de meest wijze en machtigste van de mensen overtreft. Het is duidelijk, dat God Zijn bedoeling niet openlijk kon onthullen. Hij kon Farao bij de eerste plagen niet gelijk al laten weten, dat Hij zijn ongehoorzaamheid gebruikte als 38
Page 38
achtergrond van de openbaring van Zichzelf. Wat God vóór de zevende plaag liet zeggen, maakte Farao nog niet tot een marionet, een willoos instrument. Mozes liet hem weten wat de bedoeling van de plagen was. De Farao zou erkennen, dat op de hele aarde niemand aan God gelijk is. Zijn Naam zal over de hele wereld verkondigd worden. Menselijkerwijs gesproken, kon Farao op grond van deze informatie zelf beslissen. Onwetendheid over het einddoel van God maakte deze geschiedenis voor alle betrokkenen tot een levende werkelijkheid. Niemand had het gevoel, dat hij ergens toe gedwongen werd. Toch deed elk van hen precies het nodige om de goddelijke bedoeling te bereiken. Waaruit bestaat de vrije wil van de mens? Vaak wordt tegen ons gezegd, dat als de mens zich niet vrij kan ontwikkelen, deze slechts een robot, machine, is. Deze opvatting is onjuist. De zogenaamde vrijheid van de mens bestaat daaruit, dat hij zich niet bewust is van invloeden van buitenaf. Hij weet niets van de veelheid aan externe invloeden die onbewust op hem inwerken en zijn wil vormen. Die worden ondersteund door de krachten buiten zijn waarneming, waarvan hij het bestaan niet kent. In een ander gedeelte van deze brochure wordt de wil van de mens met de wil van God vergeleken. Daarin werd al duidelijk, dat de mens slechts schepsel is en dus niet in staat is om zonder beïnvloeding neutrale beslissingen te nemen. Wij gelovigen worden daarom aangespoord om ons voortdurend onder de invloed van het leven gevende woord van God te stellen. Die invloed vormt onze wil, zoals het Hem welgevallig is. Dat is ons hoogste geluk! 39 Ons onderwerp is nu Gods geopenbaarde wil ten opzichte van Zijn grotendeels verborgen bedoeling. De mens meent -voor zover hij zich bewust is- onafhankelijk te zijn ten opzichte van de wil van God. Bij keuzes of beslissingen denkt hij volkomen onafhankelijk te zijn van welke invloed dan ook. Hij meent dat de uiteindelijke beslissing geheel ligt bij zijn eigen, egocentrische, volkomen zelfstandige zelf. Ofwel: een kleine godheid op zijn eigen troon. Zo liggen deze dingen, menselijk gezien, ten opzichte van de geopenbaarde wil van God. Vanuit het Goddelijk perspectief, als het gaat om het raadsbesluit van Zijn wil, Zijn verborgen bedoeling, heeft de mens geen enkele macht over zijn/haar lot. Net zo min als de mens invloed had op de tijdstip van geboorte, de keuze van de ouders of het geboorteland. De leer van de vrije wil van de mens bevolkt de aarde met een geslacht van nietige en tegelijk meelijwekkende godjes. Wij menen ons verheven te voelen boven het polytheïsme12 van de ‘heidenen’. Terwijl die (nog) niet zo ver zijn, dat zij uit elk mens een godheid maken! Het voorrecht van het hebben van een volkomen vrije, onafhankelijke, onoverwinnelijke wil, is alleen aan God voorbehouden. Zelfs onze Heer Jezus Christus maakte geen aanspraak op zo’n vrije wil. Hij deed niet Zijn eigen wil. Zijn voedsel was het doen van de wil van Hem, Die Hem gezonden had. Joh.4:34; 5:30; 6:38 Deze twee gezichtspunten, aan de ene kant het Goddelijke, anderzijds het menselijke, ontgaat velen. Onduidelijkheid 12 Veelgodendom 40
Page 40
over de verborgen bedoeling en de geopenbaarde wil van God, heeft onze blik vertroebeld. Het lijkt alsof deze elkaar tegenspreken en er tegenstrijdigheden voorkomen in het woord van God. Wie blind blijft voor Gods verborgen bedoeling, berooft Hem van hetgeen juist Zijn grootste heerlijkheid is. Want God wordt verlaagd tot het menselijk niveau en vervangen door een oneindig aantal godheidjes. Wie de verborgen bedoeling van God verwisselt met Zijn geopenbaarde wil, misvormt Zijn karakter. Hij wordt dan gedegradeerd tot een liefdeloze tiran of een incapabele zwakkeling. Veel gelovigen willen alles geloven wat Zijn woord zegt. Maar zij weten niet hoe zij de God van liefde en gerechtigheid kunnen rijmen met de aanwezige zonde en het kwaad. Alle verwarring en onduidelijkheid op dit gebied verdwijnt, wanneer men het onderscheid ziet tussen Gods bedoeling en Zijn wil. Het lijkt vanzelf te spreken, dat de wil van God uitgevoerd moet worden, opdat Zijn voorgenomen doel bereikt wordt. De algemene opvatting is, dat wie tegen Zijn wil ingaat, voorgoed zijn aandeel aan de zegeningen van het einddoel van God verspeelt. Toch blijkt bij nader inzien, dat Hij Zijn bedoeling altijd bereikt. Hetzij doordat schepselen buigen voor Zijn wil, hetzij door zich daartegen te verzetten. God is door Zijn veelvuldige wijsheid in staat alles wat Zijn schepselen tegen Hem ondernemen zó te gebruiken, dat die Zijn plannen begunstigen. En niet alleen dat, maar zij zijn zelfs essentieel om Zijn voornemen uit te voeren. 41 Alles is uit God Al het kwaad en iedere zondige daad veranderen compleet van karakter wanneer wij die uit de benauwende omgeving van de wil van God afzonderen. Want als dat alles gezien wordt in het brede perspectief van Zijn bedoeling en het raadsbesluit van God, ziet het er heel anders uit. Alleen dan kunnen we dat geloven wat de heilige Schrift zegt, dat alles uit God is. De zonde die de mens schande en schade toebrengt, wordt in Gods wonderhand middel tot Zijn verheerlijking. Zoals bijvoorbeeld de verkoop van Jozef naar Egypte en in nog veel grotere zin: de kruisiging van Jezus Christus.13 God gebruikt in Zijn wijsheid de grootste zonde (doelmissing) van de mens, om het voorgenomen doel te bereiken wat Hij voor ogen heeft. Dat zal zijn wanneer de hele schepping zich in diepe, innerlijke liefde tot Hem keert. Hij kan dan de zonde eindelijk definitief wegdoen, nadat ze haar functie heeft vervuld. In een ander deel van deze brochure14 is erop gewezen, dat het weet hebben van het raadsbesluit van Gods wil, de besluitvaardigheid van de mens helemaal niet uitsluit. Ook kwam aan de orde dat het gebruik van het begrip ‘vrijwillig’ slechts een noodhulp is (bij gebrek aan een beter passend woord). ‘Vrijwillig’ betekent in de zin van Schrift zeker niet de absolute vrijheid van de menselijke wil. Het is slechts de speelruimte die God ons geeft om beslissingen te nemen. 13 Zie ‘De wil van God en de wil van de mens’, blz.19-32 14 Zie ‘Het bedrieglijke van de vrije wil’, blz.7-18 42
Page 42
De moordenaars van de Heer Jezus wisten niets van het raadsbesluit van God. Zij namen totaal onafhankelijk hiervan hun beslissingen. De kruisiging van Christus bewijst hoe zinloos elke tegenstand tegen God is. Hij weet precies waartoe wij in staat zijn en wat wij zullen doen. Hij heeft alles gepland. Wij zouden onderscheid maken tussen het voornemen of de bedoeling van God en de middelen die Hij gebruikt om Zijn voorgenomen doel te bereiken. Alleen door geloof is het mogelijk ons te verheugen over de soevereiniteit van God, terwijl wij tegelijkertijd de speelruimte van de menselijke vrijheid erkennen. Wij zijn bevoorrecht te kunnen vermoeden, hóe deze soevereiniteit zich uitwerkt. En wij worden stil in het besef dat ieder van ons aangaande zichzelf rekenschap zal geven aan God Rom.14:12 en dat God alles doet samenwerken tot het goede voor hen die God liefhebben Rom.8:28 Zonde blijft zonde. Overtreding van Gods gebod blijft overtreding. Iedere krenking, waarmee wij Zijn hart verwonden, blijft een krenking, zolang wij ons niet voor Hem verootmoedigen en om vergeving vragen. Dan verleent Hij die in overeenstemming met de rijkdom van Zijn genade die Hij laat overvloeien in ons Ef.1:7,8 43 Ongerechtigheid van de mens blijft ongerechtigheid Zonde, overtreding en krenking blijven ernstig vergrijpen door de mens en roepen Gods rechtvaardig gericht over zich af. Ook wij gelovigen, allen moeten openbaar gemaakt worden voor het erepodium van Christus 2Kor.5:10 Elk onrecht ontvangen15 wij terug, Kol.3:25 als we ons daar niet al pijnlijk16 van bewust waren, tijdens ons leven op aarde. Dit gaat alle menselijke wijsheid ver te boven: zelfs de grofste zonde is geen doelmisser, als God daardoor Zijn uiteindelijke doel bereikt. Maar de mens moet voor al zijn doelmissers (of zonden), overtredingen en krenkingen, rekenschap afleggen. Gods veelvuldige wijsheid kunnen wij aanbiddend bewonderen, maar wie is in staat haar volkomen te begrijpen? Wij huiveren bij de gedachte, dat de zonde in verband gebracht wordt met Gods einddoel. Zonde is zeker het slechtste in de wereld. De afschuw die wij voor de zonde zouden hebben, is niet in woorden uit te drukken. Toch zullen de definitieve uitwerkingen naar het raadsbesluit van God, de grootst denkbare zegen brengen aan heel Zijn schepping. Zijn schepselen kunnen deze zegen alleen waarderen, als zij eerder door het boze (het kwaad) te erkennen, geschoold werden het goede te onderscheiden. 15 Grieks: komizō, dat als stamvorm én trefwoord halen heeft. 16 Het Duitse woord hier is Selbstgericht, zelf de pijn ervan lijden. 44
Page 44
De eerste krenking van Adam bracht hem en zijn nageslacht diepste smaad en schande. Toch werd juist daardoor de geweldigste en belangrijkste openbaring van God door het kruis van Christus mogelijk gemaakt., om zo door Hem het al wederzijds met Zichzelf te verzoenen, vrede gemaakt hebbend door het bloed van Zijn kruis Kol.1:20 Menselijke wijsheid zou daaruit kunnen concluderen, dat God zondigde, of dat Hij de Auteur (Veroorzaker) van de zonde zou zijn. Dit is verdraaiing van wat Hij Zelf over dit thema zegt: Ik formeer het licht en schep de duisternis, Ik bewerk het goede en schep het kwaad, Ik, Jahweh, Elohim, doe al deze dingen Jes.45:7 De complete Jesajarol is gevonden in de Qumran grotten bij de Dode Zee; de lezing het goede is daaraan ontleend. Jahweh17 is de Naam van God. Elohim18 is afkomstig uit de Septuaginta.19 Hoe ontstaan deze dwaze conclusies van menselijke wijsheid? Men verbindt de eigen gedachten met die van God. De nadruk ligt op het Schriftwoord, dat alles uit Hem is. Omdat wij het woord uit de Schrift benadrukken, dat alles uit God is, en omdat wij Jesaja 45:7 citeren, heeft men ons verweten dat wij zeggen, dat God 17 Jahweh is de altijd-Zijnde, zie ook voetnoot 4. 18 Elohim is meervoud; titel van God, wijst op Zijn activiteit: onderschikken en plaatsen. De geest van EL en Eloah actief. 19 Griekse vertaling van Tenach (OT) uit ± 300 voor Christus; samengesteld -zo wordt gezegd- door 70 rabbijnen. 45 de Auteur (Veroorzaker) van de zonde (doel missen) is, en dus Zelf zondaar (doelmisser) is. Dit hebben wij weerlegd door zonde te vervangen door doelmissen en zondaar door doelmisser. Eerder werd door ons besproken en benadrukt dat God nooit Zijn doel mist.20 Het woord ‘Auteur (Veroorzaker)’ is een vaag begrip, dat in de Schrift niet voorkomt. Gods formulering in Jesaja 45:7 is daarentegen glashelder. Ze wordt echter vervormd, wanneer menselijke ideeën vermengd worden met Goddelijke wijsheid. Elke vermenging van deze aard valt onder het oordeel van Romeinen 16:17 en 18, omdat daarmee argeloze harten worden misleid. Wij zouden argwanend zijn, als menselijke formuleringen zo ver afwijken van Goddelijke uitspraken als hierboven. God en Zijn geboden Vruchten eten is op zich geen zonde. En toch werd dit de eerste zonde van de mens, omdat God het in één geval en duisternis lag over de watervloed; en de geest van God zweefde boven het water Gen.1:2 uitdrukkelijk had verboden. Gen.2:16,17 Let wel, het tijdstip van deze eerste menselijke overtreding van een gebod van God, was lang nà de nederwerping van de wereld. De oorspronkelijke bewoonbare aarde, werd daardoor tot een inhoudsloze chaos. Jes. 45:18 20 Zie ‘Unausforschlicher Reichtum’, uitgave © Konkordanter Verlag, Birkenfeld, BRD, deel 33/1964, blz.13-21, ‘Übel und Sünde’. 46
Page 46
Maar het kostbare bloed van Christus, als van een vlekkeloos en volkomen Lam, had God reeds tevoren, voor de nederwerping van de wereld, gekend 1Petr.1:19,20. In Gods ogen was het Lammetje al geslacht, toen het eerste mensenpaar zondigde. Op.13:8 Hun daad was zonde tegen Zijn geopenbaarde wil, waarvoor zij rekenschap moesten afleggen en bestraft worden. Het was echter niet het missen van het doel met het oog op Gods verborgen bedoeling. God had de gunstig-stemming21 niet alleen voor hun zonden, maar die van de hele wereld voorbestemd, toen Hij de slachting van het Lam voor ogen had 1Joh.2:2 Aan het eerste mensenpaar was maar één enkel gebod gegeven. Het volk Israël ontving op Sinaï een omvangrijke verzameling wetten, bij de in steen uitgehouwen 10 geboden. Over de Jood, die op de wet rust, staat dat hij de wil van God kent Rom.2:17,18. Als het echter Zijn bedoeling geweest was, dat het volk Zijn wet zou houden, dan heeft Hij daarin volledig Zijn doel gemist! Hij had toch moeten weten, waartoe het schepsel van Zijn hand in staat was en wat Hij van hem kon verwachten. Aangezien God echter nooit Zijn doel mist, moet Hij een andere bedoeling met de wet hebben gehad. Paulus drukt dat uit met de woorden: de wet is er echter bij ingekomen, opdat de krenking zou toenemen. Waar echter de zonde toeneemt, overstroomt de genade Rom.5:20 21 Hebreeuws: kaphar is beschermen; het Griekse hilasmos 1Joh.2:2 gunstig-stemming; beiden zijn anders dan verzoenen (katallasso). 47 Dat was zo, opdat iedere mond versperd wordt en heel de wereld onder het rechtsvonnis van God komt, omdat uit werken van de wet totaal geen vlees gerechtvaardigd zal worden voor het aangezicht van Hem, want door de wet is de erkenning van zonde Rom.3:19,20 De wet werd gegeven om te bewijzen dat geen mens hem honderd procent kon vervullen. Vervloekt is ieder die niet blijft in alles wat geschreven staat in de boekrol van de wet om dat te doen Gal.3:10 Het volk Israël had destijds eenstemmig verzekerd: Al de woorden, die Jahweh gesproken heeft, zullen wij doen Ex.24:3 Waarom heeft God dan toch tegen hen gezegd, wat zij wel en niet mochten doen? Hij openbaarde daarmee Zijn wil aan hen, terwijl Hij Zijn bedoeling verborgen hield. Het antwoord zou zonder meer duidelijk moeten zijn. Hij kon Zijn verborgen bedoeling toen nog niet aan hen bekend maken, zonder Zijn plan te verijdelen. Rom.3:20 Waarom al die moeite nemen, om te doen wat waardig, rechtvaardig, zuiver, lieflijk, welluidend, deugdzaam en God vererend is? Fil.4:8 Heeft Hij niet alles al tevoren bestemd? Waarom nog bidden, Hij bereikt immers toch Zijn bedoeling? Niets 48
Page 48
kan Hem toch daarvan weerhouden, ongeacht wat wij doen of laten? We zouden dagelijks smeken om een geest van wijsheid en onthulling in erkenning van Hem Ef.1:17 en biddend de Goddelijke uitspraak overwegen: dat wij Zijn maaksel zijn, die geschapen worden in Christus Jezus voor goede werken, die God van te voren gereedgemaakt heeft, opdat wij daarin wandelen Ef.2:10 Het is Zijn geopenbaarde wil om ons door Zijn wegen op te voeden en ons hart voor Zich te winnen. Dit lukt Hem alleen zolang ons een bepaalde sluier van onwetendheid en onzekerheid omgeeft. De volgende bewering druist in tegen alle menselijke wijsheid. Waar zou het toe leiden als Hij alle details van Zijn gedachten nu al aan ons bekend zou maken? Zouden wij Hem hier op aarde trouw willen dienen en gewillig alle moeiten op ons nemen? Wellicht niet! Wij zouden alleen het accent leggen op Zijn bedoeling (zoals sommigen deden) en op deze eenzijdige erkenning uitrusten, in plaats van ons uiterste best te doen te wandelen in de goede werken die God van tevoren gereedgemaakt heeft . Ef.2:10 Het is belangrijk ons de brief aan de Efeziërs eigen te maken en wellicht hoofdstuk 4-6 nog regelmatiger dan 13, teneinde onze wandel en dienstbetoon te toetsen en de geest van God niet te bedroeven Ef.4:30. 49 De weg tot begrip van rechtvaardiging Het is duidelijk dat zonde, overtreding en krenking altijd een minachting is voor de geopenbaarde wil van God. Niemand is daarin te verontschuldigen. Zowel het geweten (voor zover het niet afgestompt is) als het natuurlijke instinct (voor zover dat niet tot onnatuur werd) willen ons ervan weerhouden onrecht te doen. Toch zondigen wij. Hoe kan God ons nu rechtvaardigen, als zonde in Zijn ogen in zekere zin te rechtvaardigen zou zijn? Het is Gods bedoeling, Zijn schepselen aan Zijn liefhebbende hart te trekken. En Hem in alle oprechtheid lief te hebben. Hij bereikt dat door een tweeledig doel; de zonde en de Drager van de zonde. De zonde is de onontbeerlijke zwarte achtergrond voor Gods openbaring op Golgotha. Bij de voleinding zullen al Zijn schepselen er buitengewoon gelukkig en diep dankbaar voor zijn. Dat zou nooit mogelijk zijn geweest zonder de zonde en de Drager van de zonde. De wederzijdse verzoening van de schepping zal de Schepper Zelf bovenmate verheerlijken. De omvang hiervan had Hij van het eerste mensenpaar nooit kunnen verwachten, zolang bij hen de erkenning van het goede nog ontbrak. Waardering van het goede zonder kennis van het boze en het kwaad, is eenvoudig onmogelijk. God kan dus het tijdelijke, begrensde bestaan van de zonde rechtvaardigen wanneer dat nodig is. Als dat geldt voor de zonde in het algemeen, dan ook voor de individuele zonde, alleen vanuit Gods perspectief! Dit is geen standpunt wat we ons eigen zouden moeten maken. Zolang de zonde nog in ons woont krenken we het hart van God steeds opnieuw. 50
Page 50
Dit goddelijke gezichtspunt vergroot ons begrip voor Romeinen 3:24 Om niet gerechtvaardigd in Zijn genade De aangevoerde gedachten vormen de grondslag voor het verstaan van de leer van de rechtvaardiging. Men heeft die inhoudelijk min of meer haar waarde ontnomen. Het antwoord op de fundamentele problemen was al verloren gegaan. Van degenen die spreken over rechtvaardiging, zijn er ook nu weinig die geloven dat God de Zijnen daadwerkelijk rechtvaardigt. Men gelooft in wezen, dat God alleen een ‘schuldenregister’ verandert, zodat er geen onrecht meer kan worden aangewezen. Dit is geen Goddelijke rechtvaardiging, maar een schrale, menselijke imitatie! Het bemoedigt ons te weten, dat God al ons doen zal rechtvaardigen. Waarom? Omdat dat hoorde bij het doorvoeren van Gods plan. Want alles moet meewerken om Zijn uiteindelijke bedoeling te bereiken. Maar zonde blijft zonde, en God is rechtvaardig en de Rechtvaardigende van wie uit het geloof van Jezus is Rom.3:26 De Lutherse vertaling van Romeinen 3:19 schrijft : en de hele wereld voor God schuldig22 is. Letterlijk betekent het Griekse woord hupodikos: onderrecht, resp. onder-rechtvaardig. 22 hSV: doemwaardig, NBG’51: strafwaardig, NBV’21: schuldig 51 Beter (CV) vertaald zou zijn : heel de wereld onder het rechtsvonnis van God komt Dit geeft een beter zicht op de gerechtigheid van God, waarmee Hij de wereld zal richten. God onthoudt Zijn rechtvaardiging van de zondaar, totdat deze voor de grote witte troon staat. Wie hier op aarde tot geloof komt, wordt gerechtvaardigd in het bloed van Christus. Vanaf dat moment is het voor hem: niet schuldig. Met betrekking tot zonde, vlees en wet is er geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn Rom.8:1,9,10 Vanuit de mens, wanneer wij de gezindheid van Christus Jezus niet verloochenen. Als wij gezind zijn op wat van het vlees is, begeven wij ons uit de sfeer van leven in Christus Jezus. Wij betreden dan de sfeer van de dood als waren wij ongelovigen. want de gezindheid van het vlees is dood, de gezindheid van de geest echter, is leven en vrede Rom.8:5-8 En ook dit geldt: indien wij ontrouw zijn, Hij blijft trouw, Zichzelf loochenen kan Hij niet 2Tim.2:11-13 Ongelovigen ontvangen geen rechtvaardiging, hoewel God Zijn bedoeling ook met hen zal bereiken. Wie van het kennen van Gods bedoeling een vrijbrief maakt voor een 52
Page 52
onwaardige wandel, is net als de ongelovige. Diegene ontneemt zichzelf het genieten van geestelijke zegeningen van het huidige geheime beheer van Gods genade. Wij hebben het onverdiende voorrecht diverse aspecten van de totale samenhang te mogen zien. Bij de voleinding zien we dan het uiteindelijke grote geheel. Zonden uit ons verleden zullen ons dan niet langer meer verontrusten. Wij zullen eerder overweldigd zijn door de liefde, wijsheid van God, Die ze gerechtvaardigd heeft. Tot dan wandelen wij oprecht en niet aanstootgevend tot in de dag van Christus, vervuld met de vrucht van gerechtigheid, die door Jezus Christus is, tot heerlijkheid en lofprijs van God. Fil.1:10 Amen! 53 Andere uitgaven van Stichting Da-ath: De uitgeroepen gemeente: Lichaam én bruid? Efeziërs 5:22-33 vergelijkt de gemeente met de gehuwde vrouw. Zijn wij als gelovigen nu óók de bruid? De geestelijke band van God met Israël wordt in de Schrift als huwelijk beschreven. In Efeze 5 zien we lichaam als beeld. Een gehuwde man en vrouw worden één vlees, één lichaam, 1 Kor.6:16. Maar zij doen veel afzonderlijk van elkaar. Zij zijn één en laten zo de eenheid van Christus en Zijn lichaam zien. Israël, als bruid van Jahweh, staat in een andere betrekking tot Hem. De completering van het al door Christus Andreas Sönnichsen In dit machtige woord wordt onthuld, dat wij compleet gemaakt worden tot het volledige complement van God, Efeziërs 3:19. Dat wij echt de onschatbare waarde van dit kostbare woord mogen beseffen! Want het voorziet in alles, en is volledig toereikend, zoals God Zelf! 54
Page 56
Het woord van de verzoening Date Gorter De verdeeldheid bij de Korinthiërs was ontkenning van de geestelijke eenheid. Daarover spreekt Paulus in 1 Korinthiërs 12. Hij benadrukt dat het één lichaam is, met één geest en dat is niet voor niets. Zijn houding – een voorbeeld voor ons – was verzoenend, altijd, ook al werden zijn woorden en daden verkeerd begrepen! Hemel en hel Wat leert Jezus daarover? A.E. Knoch Jezus zei tegen Nicodemus: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als iemand niet wederom geboren wordt kan hij het koninkrijk van God niet zien.’ Joh.3:3. En Jezus zegt van mensen die verloren gaan: ... waar hun worm niet sterft, het vuur niet uitgeblust wordt - Mark.9:44 Deze brochure geeft antwoord uit de Bijbel op de indringende vragen. Hoe kan God sterven van ongelovigen aanzien? 57 Jezus is opgestaan - welke dag was het? A. Bouman, A. E. Dekker Deze brochure geeft antwoord op de vraag wanneer de Heer Jezus exact opgewekt werd door de heerlijkheid van de Vader. Was het op -wat wij kennen alsde zondag? Of een andere dag? Nauwgezet is iedere uitdrukking en elk woord dat van belang is, onderzocht. Het resultaat is voor u als gelovige wellicht verbijsterend. Vergeving van zonden of rechtvaardiging? Frank Goldammer Jakob en Esau - Elmar Frey ‘Ik ben blij dat mijn zonden zijn vergeven omdat Jezus aan het kruis voor mij stierf!’ Zeggen veel christenen. En rechtvaardiging dan? Het verschil is groter dan u denkt. ‘Ik heb gekozen voor Jezus en ik ben gered!’ Dat hoor je gelovigen zeggen. Jakob en Esau, u leest in Genesis en Romeinen 9 over deze tweeling. Het gaat om (uit)kiezen. Wie doet wat? Wanneer? Gods woord geeft uitsluitsel! 58
Page 58
Schepping van de mens, Gods waagstuk? Ludwig Wolf Waagde God het met de schepping van de mens? Zou de mens iets kunnen wat God niet voorzag? Kon de mens zo uit de hand van God weglopen dat er geen redden meer aan is? Op deze en meer vragen komt antwoord in deze brochure, uit Gods woord. Het geeft vrede en rust in het hart, wanneer we beseffen Wie Hij is. Psalm 139 – vertaling en commentaar Alfred E. Dekker In Psalm 139 laat God via David weten dat God ons door en door kent; kende zelfs ons embryo. Ieder mens is voor God een open boek. Het maakt niet uit bij welk je hoort, wat je gelooft, in welke tijd je leeft en hoe je je gedraagt. Uiteindelijk zal álle knie voor Hem buigen en álle tong van harte belijden: Heer is Jezus Christus, tot eer van God, de Vader! Na lezing van deze psalm zal niemand dit nog kunnen betwijfelen. 59 Begrijp je wat je leest? Werner Prolingheuer In Handelingen 8 lees je dat een Ethiopisch machthebber van de koningin Candacé, de schatkistbewaarder, te Jeruzalem kwam om daar de God van Israël te aanbidden. Op de terugweg las hij uit een gekochte Schriftrol. Deze invloedrijke ‘kamerling’ was eerlijk genoeg om te erkennen, dat hij zonder leiding de betekenis van het gedeelte (hij las in Jesaja 53) niet kon begrijpen. Zijn wij altijd zeker, dat wij alles correct verstaan? Vloek van Cham? Alfred E. Dekker Bij de herdenking van de afschaffing van de slavernij onder de noemer Ketikoti is nu algemeen duidelijk geworden, dat de ‘vloek van Cham’ gebruikt is om een onafzienbare menigte medemensen eeuwenlang tot handelswaar te vernederen en beestachtig te behandelen. Wat alles des te vreselijker maakt, is dat de ’vloek van Cham’ als zodanig niet in de Schrift voorkomt, maar op een klinkklare leugen berust. Hoe de vork dan wél aan de steel zit, probeert deze brochure te verhelderen. 60
In Filippi 2 houdt Paulus zijn lezers het geweldige, alomvattende perspectief voor dat GOD met ieder creatuur heeft. En dat Hij ook zeker zal realiseren, want HIJ werkt het willen en het werken. Deze boodschap is levensveranderend en maakt ons dankbaar en ongekunsteld. Het maakt ook dat we te midden van een donkere wereld (niet tegen de duisternis strijden maar) als sterren gaan stralen vanwege het Woord van Leven dat we hooghouden.

Stralende sterren


Page 0
Page 6
INLEIDING Het thema van deze uitgave is ‘stralende sterren’. Dat zou kunnen doen vermoeden dat het over hemellichamen gaat, maar dat is slechts zeer ten dele het geval. Ik bedoel het niet in de letterlijke zin, maar meer in de figuurlijke. In Filippi 2 houdt Paulus zijn lezers het geweldige, alomvattende perspectief voor, dat GOD met ieder creatuur heeft. Een perspectief dat Hij zeker zal realiseren, want Hij werkt het willen en het werken. Deze boodschap is levens-veranderend en maakt ons dankbaar en ongekunsteld. Het maakt ook dat we, te midden van een donkere wereld, niet tegen de duisternis strijden, maar als sterren gaan stralen vanwege het Woord van leven dat we hooghouden. Laat ik eerst wat algemene dingen aangeven over de Filippenzenbrief, voordat we naar het gedeelte van Filippi 2 gaan. Deze brief is geschreven door Paulus. Hij zat toen in de gevangenis in Rome (Fil.1:13). De periode dat hij daar in de gevangenis zat, wordt helemaal aan het einde van het boek Handelingen beschreven. Hij heeft twee jaar gevangen gezeten (Hand.28:30). En ik vermoed dat hij zich inmiddels aan het einde van die tweejarige periode bevond, omdat Paulus er al melding van maakt dat hij spoedig zou worden vrijgelaten. Dus we kunnen dan ongeveer denken aan het jaar 62 AD. De brief is dus geschreven vanuit Rome naar Filippi, een Romeinse kolonie in Macedonië. Het ontstaan van de ekklesia (letterlijk: uitroepsel > gemeente, de uitgeroepen vergadering) wordt in Handelingen 16 beschreven. Er zijn betrekkelijk bekende 5 geschiedenissen aan die locatie verbonden. Zoals de geschiedenis dat Paulus en Silas in de gevangenis zaten. Er vonden, letterlijk en figuurlijk, schokkende gebeurtenissen plaats in de gevangenis en op die wijze kwamen ze vrij. De ekklesia is ongeveer ontstaan in het jaar 50 van onze jaartelling. Dat wil zeggen dat deze brief ongeveer twaalf jaar na het ontstaan van de ekklesia is geschreven. Eén van de bekendste mensen uit Filippi die wij kennen uit de Bijbel, is Lydia, de purperverkoopster, eveneens beschreven in Handelingen 16. De Filippenzen-brief is door Paulus geschreven in de gevangenis en één van de meest opvallende dingen is dat de brief overloopt van vreugde. Er is geen brief waarin zo zeer de nadruk wordt gelegd op vreugde en de oproep om je te verblijden. De Bijbel is gelukkig niet zomaar ‘uit de hemel gevallen’. In dat geval zou je kunnen denken: daarboven is het misschien allemaal geweldig, maar hier op aarde zijn de situatie en omstandigheden toch wel van een hele andere orde. Maar nee, deze brief is juist geschreven terwijl Paulus ‘nogal wat kopzorgen’ had. Ook daar wordt melding van gemaakt in deze brief. En juist dát maakt het zo enorm sprekend dat Paulus’ hart overloopt van vreugde en vrede. De vrede van God, waar hij eveneens over spreekt in deze brief. Het is een geweldige brief, waar ik mij intensief mee bezig heb gehouden. En juist dán word je er enorm bij bepaald hoe geweldig dat Bericht is wat Paulus wereldkundig mocht maken. Dit even ter inleiding, om een idee te krijgen van deze brief. 6
Page 8
Dáárom! Filippi 2 12 Daarom, mijn geliefden … Het loutere feit dat Paulus begint met ‘daarom’, geeft al aan dat het niet echt het begin is, maar dat hij voortbouwt op het betoog of de dingen die hij hieraan voorafgaand al had opgetekend. In dit geval is dat trouwens helemaal bijzonder, want het gedeelte wat hier pal aan vooraf gaat is vers 9 tot en met 11. En wat staat daar? Dat Christus Jezus Zich heeft vernederd tot de dood van het kruis. En dan staat er (letterlijke vertaling): “Daarom ook verhoogt God Hem uitermate en schenkt Hem in genade de naam boven alle naam, opdat in de naam van Jezus – Jahweh (God) redt betekent die naam – alle knie zal buigen, van hemelsen, aardsen en onderaardsen, en alle tong (= van binnenuit) zal instemmen dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God, de Vader.” En vervolgens staat er in vers 12: “Daarom, mijn geliefden ...”. Met andere woorden: op grond van wat ik zojuist heb gezegd volgen de aansporingen die hij nu in dit navolgende vers gaat doen. Wat Paulus hier feitelijk heeft gedaan, is aangeven dat de hele wereldgeschiedenis, of de historie van het hele universum, van het begin tot het einde een groot hoogtepunt heeft. Het eindigt in één groot “Halleluja!”. Elke knie zal buigen en elke tong zal belijden “Jezus is Heer”, tot heerlijkheid van God de Vader. Wel, als dat de uitkomst is van heel Gods handelen en heel het verhaal van de wereldtijden of de aeonen, dan hebben we een GOD! Dat betekent niet alleen dat álles goed zal komen, maar dat betekent ook dat er Eén is Die het kennelijk allemaal bestuurt en plaatst. Hoe zou Hij anders garant kunnen staan voor die 7 uitkomst? Dat besef wordt in dit Schriftgedeelte heel sterk neergezet. En als Paulus dan zegt: “Daarom, mijn geliefden”, dan is dat gebaseerd op deze gegevens. Onder-horen Filippi 2 12 Daarom, mijn geliefden, zoals jullie altijd gehoorzamen … Paulus was vol lof over de Filippiërs. Hij had een warme band met hen en zij betekenden veel voor hem. Ze hebben ook veel voor hem gedaan, dat klinkt in deze hele brief door. En hij zegt: “… zoals jullie altijd gehoorzamen …”. Dat is trouwens wel interessant. Wij denken bij ‘gehoorzamen’ vooral aan: doen wat opgedragen wordt. Ik zeg niet dat dat er niks mee te maken heeft, maar het idee van ‘gehoorzamen’ is, als je het vanuit het Grieks bekijkt, opgebouwd uit de elementen ‘onder’ en ‘horen’: onder-horen. Feitelijk kennen wij het nog een beetje in de zin van ‘onderhorig zijn’. Ik zeg niet dat de betekenis van het woord helemaal gebaseerd is op de elementen waaruit het is opgebouwd, maar die elementen zijn vaak erg sprekend en zeggen veel over de echte betekenis. In dit geval wil ‘onder-horen’ zeggen: je hoort vanuit een ondergeschikte positie. Iemand die boven jou staat, spreekt tot jou en jij ‘hoort hier onder’, dat is het idee van onder-horen. Paulus sprak als een apostel van Christus Jezus. Hij was rechtstreeks gekozen en afgevaardigd door Christus Jezus Zelf. En Paulus prees de Filippiërs, zijn lezers. Hij zei: “Jullie zijn altijd onderhorig geweest”. Dat geeft aan: jullie hebben hetgeen ik sprak altijd naar waarde weten te schatten en geluisterd naar wat ik te melden had. 8
Page 10
Filippi 2 vervolgt: 12 … niet alleen in mijn aanwezigheid, maar nu des te meer in mijn afwezigheid … Paulus was meerdere keren in Filippi geweest. En nu was hij ‘in den vreemde’, daar helemaal in Rome. Hij was afwezig, maar hij verwachtte – dat lees je in deze brief – dat hij weer bij hen zou terugkeren. Daarvan hebben we geen verslagen, maar die verwachting spreekt hij wel uit, meerdere keren zelfs. De Filippiërs waren onderhorig, niet alleen in zijn aanwezigheid, maar des te meer in zijn afwezigheid. Ik moet u zeggen: als gelovige nu, voel ik mij daarin wel aangesproken. Feitelijk is dat ook onze positie. Wij lezen de Filippenzen-brief en de apostel is niet meer aanwezig, dat lijkt me duidelijk. En dat betekent dus dat hij afwezig is, maar zijn woorden (de woorden die hij van de opgestane Heer ontving) hebben nu nog steeds zoveel betekenis! Wij geven er gehoor aan en luisteren naar wat Paulus te melden had. Niet alleen toen hij ooit, in de eerste eeuw van onze jaartelling, onder de Filippiërs was, maar ook nu hij er allang niet meer is. Dat wat hij te melden heeft, is nog steeds veelzeggend. Passief en actief En dan vervolgt Paulus: Filippi 2 12 … werk jullie redding uit met vrees en beven … In de NBV-vertaling lezen we daar: “blijf u inspannen voor uw redding”. Als ik dat lees, dan denk ik meteen: pardon …?! Schrijft Paulus dat? Heb ik zijn brieven, en de bijbelse boodschap in het algemeen, misschien niet helemaal goed begrepen …? 9 De redding is gegarandeerd! Wij zíjn gered. Efeze 2:8: “Want in genade zijn jullie geredden …”. Hoezo ‘inspannen voor je redding’, alsof die redding ónzeker zou zijn?! Iets daarvoor had Paulus nog geschreven: “opdat in de naam van Jezus (= God redt) alle knie zal buigen en alle tong zal instemmen dat Jezus Christus Heer is”. De redding van iedereen is gegarandeerd, want God redt door geloof. Dus als Híj de ogen opent, is de redding je deel. En dan ben je óók nog verzegeld (Ef.1:13-14) en dat is niet ongedaan te maken. Werk jullie redding uit … In het Grieks staat er letterlijk zoiets als het werkwoord ‘neerwerken’. Er wordt inderdaad gesproken over werken, maar dan met het voorzetsel ‘neer’ of ‘neerwaarts’: kata. Dat woord komt heel vaak voor in het Nieuwe Testament en het betekent: bezig zijn met, of zelfs intensief of grondig bezig zijn. Nog een bijzonderheid over dat Griekse woord: in het Nederlands, en in alle andere moderne talen, is een werkwoord actief of passief. Je rijdt óf je wordt gereden. Maar het Grieks is een hele rijke taal en heeft een middenvorm (de zogeheten ‘medialis’) en daar zit zowel een actief als een passief element in. Er zijn een heleboel dingen die je overkomen, maar die je ook tot actie aanzetten. Als er een beer achter je aanloopt, ga je verschrikkelijk hard rennen. Dan ben je actief, maar het overkomt je ook. Er is weinig keuze, zoiets overkomt je. Het doet mij denken aan een plaatje dat ik eens zag en daarom noem ik dit beeld ook. Het was een soort poster met daarop een tekst. Dan zag je een wielrenner op een berg, die op een paar meter afstand wordt achtervolgd door een grote grizzlybeer. De tekst daarbij was: “Some days, it’s hard to find motivation.” En daaronder stond: “But some moments motivations finds you.” 10
Page 12
Als ik het even zo kort door de bocht mag aangeven: dat is de middenvorm. Het overkomt je én het zet je aan tot actie. Dus dat ‘neerwerken’ is dat je actief bent, omdat je in werking bent gezet. En daarbij is het idee helemaal niet dat de redding iets toekomstigs zou zijn en waar jij je voor zou moeten inspannen om het te bemachtigen. Nee, de redding is een feit en vanuit dat gegeven zijn wij daarmee bezig en worden we in actie gezet. Het is dus zowel passief als actief. Vrees en beven Filippi 2 12 … werk jullie redding uit met vrees en beven … Nu begrijp ik wel waarom deze tekst nogal eens wordt aangehaald door mensen die zeggen: “Zie je nu wel?! Je kunt er nooit zeker van zijn. Zeker als je je realiseert welke woorden hier gebruikt worden; ‘vrees en beven’ zijn al veelzeggend.” Maar weet u wat hier in het Grieks staat? Het woord voor ‘vrees’ is phobos. Daar is ons woord ‘fobie’ van afgeleid. Het woord voor ‘beven’ is tromos en daar is ons woord ‘trauma’ van afgeleid. Paulus praat ons dus een fobie en een trauma aan. Kan dat positief zijn? Ja, dat is heel positief, maar niet zoals dit meestal wordt opgevat. Dit is geen “vrees en beven” vanwege onzekerheid over de redding. Nee, die gedachte is faliekant fout, want dan heb je de hele strekking niet begrepen. Het is precies omgekeerd; het gaat er juist om dat de redding absoluut gegarandeerd is. Er staat niet alleen in de Filippenzen-brief dat God belooft dat “elke knie gaat buigen en elke tong zal belijden”. Het staat er nog sterker, want dit is ontleend aan Jesaja 45:23. Daar staat zelfs dat God dit gezwóren heeft en dat doet Hij niet vaak. Een paar keer lees je dat God een 11 eed zweert. En aangezien men bij een eedzwering de Allerhoogste aanroept, zweert God dus bij Zichzelf. Vandaar een dubbele zekerheid. Als God belooft, is het vast. Maar als Hij iets zweert, is dat juist om te doen blijken dat het absoluut vast is. Zo wordt het in de Hebreeën-brief (6:16-18) uitgelegd en benadrukt. Wat Paulus hier in Filippi 2 aangeeft, is dat de redding absoluut zeker is en ‘wee je gebeente’ dat je van die zekerheid ook maar iets afhaalt. Dus dat je voor Die GOD zo’n ontzag hebt dat je bang bent om afbreuk te doen aan Zijn belofte, aan hetgeen Hij zelfs zweert bij Zichzelf. En dat je beeft voor de geweldige kracht van wat Híj vermag. God heeft alles in Zijn hand: Hij staat aan het begin, Hij werkt alles uit en Hij staat aan het eind. “Van den beginne verkondigde Hij reeds de afloop” (Jes.46:10). Met Die GOD hebben we te maken. En als Hij dat belooft, zelfs zwéért … denk erom dat je er niks vanaf doet! Door foutief vertalen (zoals de NBV-vertaling in deze) wordt een van God gegeven zékerheid ‘op losse schroeven gezet’. De redding is gegarandeerd en voor ons zelfs een gerealiseerd feit. Wat geweldig dat je zo’n God hebt, dat je inderdaad bibbert! Zoals je dat soms kunt hebben bij natuurverschijnselen; dat je bijvoorbeeld de donder hoort en de bliksem ziet en beeft. En dat is nog maar íets van Zijn scheppingswerken. Hoe groot moet God Zelf dan wel niet zijn? 12
Page 14
Ontzagwekkend, wát een GOD! En als Hij zo’n geweldige uitkomst belooft, wie ben ik als klein schepseltje om daar iets van af te doen? Ziet u dat het een totaal andere benadering is dan die ons in de vertaling voor ogen wordt geschilderd? Want God is het, Die inwerkt Filippi 2 12 … werk jullie redding uit met vrees en beven, 13 want God is het, Die inwerkt in jullie, zowel het willen als het werken, voor Zijn welbehagen. Wij, mensen, worden steeds kleiner. Met welke God hebben wij van doen? God heeft onze ogen, oren en harten geopend voor Zijn Woord. Zodat we gehoor geven aan dat wat Hij te melden heeft, als een gevolg van wat Hij gedaan heeft. Want als Hij je ogen niet heeft geopend, zie je niks. En als Hij je oren niet heeft geopend, versta je er niets van en dan zal het nooit landen in je hart. Over Díe God hebben we het. ‘Maar een mens heeft toch een vrije wil?’ Vergeet het maar. Weet je Wie een vrije wil heeft? God! Als Hij jouw ogen wil openen, dan doet Hij dat. En als Hij zegt dat je nog even moet wachten? Geen zorgen, want Hij gaat elk hart openen, dat is juist het geweldige. Dat is dat Goede Bericht, de blijde tijding. Maar alles op Zijn tijd. En wat een voorrecht als je bij die eerstelingen mag horen. Is dat een verdienste? Nee, natuurlijk niet. Hij roept op Zijn tijd en als je Hem nu mag kennen, prijs Hem! 13 God is het die inwerkt in jullie, zowel het willen als het werken, voor Zijn welbehagen … Dat betekent dat er geen enkele factor is (onwil van de mens of tegenwerking), die Gods plan kan dwarsbomen. Daarom staat de uitkomst vast. Het is solide. Daar kan geen mens, geen schepsel, ook maar iets aan af- of toedoen. Toedoen snap ik sowieso niet, want wat valt er aan iets dat alomvattend is nog toe te doen? Maar gelukkig valt er ook niets aan af te doen. De onwil van een mens, of welk schepsel dan ook, verhindert God niet en dat is geweldig! Dus we hebben het over GOD en Hij werkt het willen en het werken uit. Ziet u hoe ontzagwekkend God hier wordt neergezet? Weet je wat de bedoeling is? Dat je gaat vrezen en beven met vreugde, want als je zo’n God mag kennen dan weet je dat er niets mis kan gaan. Hij heeft ons leven in Zijn hand en de hele schepping is onder Zijn controle. God is GOD Filippi 2 14 Doet alles zonder mopperen en redeneringen … Er zijn nogal wat varianten op mopperen, zoals murmureren (een wat oudere versie) of morren. En Paulus heeft het over redeneringen, die dan weer het gevolg zijn van dat mopperen. Wat is mopperen? Mopperen is redeneren zonder God. En wat betekent dat? Als je moppert, denk je dat er dingen fout gaan, dan ben je niet tevreden over de gang van zaken. Er zijn volkeren die bekend staan om het mopperen. Nederlanders zijn daar één van, ze hebben de naam dat ze heel graag klagen. We 14
Page 16
zijn één van de meest bevoorrechte volkeren ter wereld, maar we doen niets liever dan klagen over ‘weet ik wat allemaal’. Voor veel mensen is Filippi 2:14 theorie, maar het gaat er juist om dat het de praktijk wordt. Als God GOD is over wát zou ik dan mopperen? Over dingen die fout gaan, dingen die allemaal niet zouden moeten gebeuren? Het woord ‘God’ (Grieks: Theos) betekent: de Plaatser, Degene Die alles op Zijn plek zet. Als iets plaatsvindt, komt dat omdat het een plaats kríjgt; Wie geeft het een plaats? Niet dat alles al ‘goed’ is, maar God máákt het goed en Hij gaf het in ieder geval een plek en ruimte. God is de Plaatser, dus wat zal ik mopperen? Weten dat Hij GOD is, maakt mij dankbaar. Een mens kan zich heel wat zorgen maken; over hoe het morgen zal gaan of volgende week, op je werk, in het gezin of in het huwelijk. Maar we zingen: “He’s got the whole world in His hands.” Ik formuleer het misschien wat vreemd, maar: leef uit het volle rendement van die waarheid. Laat het je niet ontglippen en ga niet mee met de hele klagende wereld … Zelfs als ze vragen hoe het gaat: ‘Nou, ik mag niet klagen.’ Maar dat is óók een klacht. Ik mag niet klagen … Ik zou het graag willen, maar ik mág het niet … Dat is mijn klacht. We doen niet anders dan reductie plegen op de grootste waarheden die er zijn. En we leven daarmee feitelijk zo verschrikkelijk beneden onze stand. Ik weet dat er van alles tegen kan zitten. Er kunnen grote moeiten zijn en ik bedoel daar niks van af te doen, begrijp me goed. Maar als je GOD kent, kun je Hem danken in alles, dat is niet overdreven. 15 In deze brief lees je in een later hoofdstuk, dat Paulus op een gegeven ogenblik zegt: “Ik zeg het wenende”. En dan staat er dat hij het heeft over bepaalde mensen, die wandelen als vijanden van het kruis. Dus Paulus’ hart was niet apathisch, cynisch of stoïcijns, alsof de situaties hem niet in beweging brachten, maar hij had ondanks alles vrede. Alles komt goed. Zo is het. God plaatst de dingen. Vandaar ook dat Paulus zegt: “Doet alles zonder mopperen en redeneringen …”. Waarom? Heel logisch: God is GOD en Hij beschikt en geeft alles een plek. Onkreukbaar en ongekunsteld Filippi 2 15 … opdat jullie onkreukbare en ongekunstelde kinderen van GOD zouden worden … ‘Opdat’ geeft aan wat het beoogde doel is van alles doen zonder mopperen en redeneringen. Paulus noemt vervolgens twee kenmerken in een negatief gestelde vorm: twee woorden die beginnen met ‘on-’. Dat doet hij om het contrast aan te geven: onkreukbaar en ongekunsteld. De bewustwording van het feit dat God GOD is en alles een plaats geeft, betekent dat je Hem kunt danken in alles en niet als een mopperaar door het leven gaat. Dat is trouwens Filippi 4: “je schikt je in de dingen”. Er zit zelfs in het Nederlands nog de gedachte achter, dat je er schik in kunt hebben. Maar ook al snappen we er niets van: Hij weet het veel beter, Zijn weg is altijd het beste voor ons. En, waarachtig, op het moment dat je zo in 16
Page 18
geloof gaat denken en spreken, komt er vrede in je hart. Want dat is de grond. ‘Onkreukbaar’ is in de NBG-vertaling ‘onberispelijk’. Dat roept de associatie op van perfectie, perfecte mensen, maar daar gaat het niet om. ‘Onkreukbaar’ wil zeggen: integer, betrouwbaar. Je bent een kind van God en je weet dat God je Vader is. Hij zorgt voor je en staat garant voor de goede afloop. Sta daarop, want op het moment dat je gaat mopperen, dan ben je in feite inconsequent, want dat matcht niet met elkaar. Dan ben je geen onkreukbaar kind van God. Het doet niks af aan het feit dat je een kind van God bent, maar het is niet geloofwaardig, laten we wel wezen. Paulus gebruikt ook het woord ‘ongekunsteld’. Het Griekse woord dat hier staat, komen we ook tegen in Matteüs 10:16, waar staat: “weest dan voorzichtig als slangen en argeloos als duiven”. Het woord dat hier vertaald wordt met ‘argeloos’, wordt in Filippi 2:15 vertaald met ‘onbesmet’. Dat is jammer, want er staat in het Grieks hetzelfde woord. ‘Argeloos’ wil zeggen: ongecompliceerd. Ongecompliceerd is iemand die zegt: God is GOD en Hij is mijn Vader. Noem me dan maar ‘simpel’, maar ik leef daaruit. En dat de hele wereld het anders ziet, is hun zorg. Ongecompliceerde kinderen van God … Er zijn veel mensen die een complex leven hebben, maar dat is omdat ze vaak zo complex redeneren, ze doen zo moeilijk. Sommige mensen zullen mij misschien nu in hun hart verwijten: dat vind ik maar simplistisch. Maar dat bedoel ik; het ís simpel! Het is heel ongekunsteld. God is GOD en Hij zorgt voor mij en Hij geeft wat ik nodig heb. Elke dag. Vandaag, morgen en overmorgen ook. We weten inderdaad niet wat ons gaat overkomen. Maar we weten wel dat 17 Hij er vandaag, morgen en overmorgen is. En Hij geeft ons niet vandaag wat we morgen nodig hebben. Nee, dat geeft Hij morgen. Je had destijds een liedje van Paul van Vliet: “Veilig achterop”, wellicht dat u het kent. Het gaat zo: “Veilig achterop bij vader op de fiets. Vader weet de weg en ik weet van niets.” Het is een heel leuk liedje, waarin hij herhaaldelijk zingt dat hij inmiddels een volwassen man is en door het leven raast. Hij heeft het moeilijk met veel zorgen en dan spreekt hij steeds de wens uit: “Kan ik nou vandaag niet weer eens even net als toen …”. God weet de weg. Stel, als een ongecompliceerd kind van God, volledig je vertrouwen op Hem. Onbesmet Filippi 2 15 … onbesmet te midden van een krom en verdraaid geslacht … Dit is de derde negatief gestelde formulering op rij in deze tekst: onbesmet. De hele omgeving waarin we vertoeven, wordt gekenmerkt door onvrede en gemopper. Logisch, ze kennen God niet als GOD. Ze zijn misschien wel religieus, maar ze kennen God niet als Degene Die alles plaatst. En als je jezelf daar altijd onder bevindt, word je heel gemakkelijk besmet door dat soort gedachtegangen. Een krom en verdraaid geslacht … Dat is de wereld om ons heen; krom en verdraaid in hun denken. In Romeinen 1:21 lees je (NBG18
Page 20
vertaling): “Immers, hoewel zij God kenden, hebben zij Hem niet als God verheerlijkt of gedankt, maar hun overleggingen zijn op niets uitgelopen, en het is duister geworden in hun onverstandig hart.” En Spreuken 9:10: “De vreze des HEREN is het begin der wijsheid …”. Het is onverstandig om God niet als GOD te verheerlijken en te danken, maar bovendien wordt het heel donker, want je hebt namelijk geen vrede meer. Je denkt dat je het zélf allemaal moet rooien en daar word je niet blij van. Te midden van een krom en verdraaid geslacht … Wat Paulus in dit tekstgedeelte aangeeft, is dat wij ons in de wereld onderscheiden. Wij zijn kinderen van God, we denken en leven ánders. We hebben een heel ander uitgangspunt. Er is veel onrecht in de wereld en politiek en maatschappelijk moet er zonodig veel aan worden gedaan. Maar onze roeping is níet om de wereld te veranderen. Laat ik u dit vertellen: de wereld om ons heen is krom en verdraaid, dat gaat u niet veranderen en dat ga ik ook niet veranderen. Dat is niet onze roeping. We leven ons leven en we weten Wie Híj is. Schijnen als sterren Er staat nog bij in Filippi 2: 15 … waarin jullie schijnen als sterren in de wereld … Een ster maakt niet dat de nacht verdwijnt, de sterren onderscheiden zich juist. Sterker nog, je ziet een ster alleen maar schitteren doordat het donker is. 19 Weet u wat er gebeurt als de zon eenmaal opkomt? Ik bedoel dit dubbelzinnig. Als de ‘zon’ opkomt – de zon der gerechtigheid (Maleachi 4:2) – wordt de duisternis verdreven en wordt het licht in deze wereld. Maar zover is het nog niet. Nu is het nacht en dat gaat niet veranderen. Sterker nog, we weten dat het alleen maar donkerder zal worden. Dat geeft ons echter de gelegenheid om des te meer te schitteren en te shinen. Hoe? Dat staat er ook bij: 16 … [het] Woord van leven hooghoudend … Dat verklaart meteen wat het licht is dat wij hebben. Dat is niet dat we netjes doen of fatsoenlijk zijn, of dat we zo actief zijn om de wereld te verbeteren. Het licht wat ons uniek maakt, is de Boodschap die we hebben. Dat is het licht dat in onze ogen straalt en als je daarop gefocust bent, ga je schitteren. Niet omdat je je best doet, maar het is een reflectie. Johannes 1:4 geeft aan: “In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen …”. Je oog is daarop gericht. Dat Woord is álles. Het is levend en het spreekt van léven. Het maakt doden levend en spreekt van onvergankelijk leven; van Hem Die de dood eens en voor altijd heeft overwonnen en Die garandeert dat de dood teniet gedaan zal worden (1 Korinthe 15:26). Niet mopperen, niet zaniken, niet zeuren, niet zemelen. Het loutere feit dat we voor dit ene fenomeen zoveel woorden hebben is op zich ook wel veelzeggend, denk ik dan. Dat Woord van leven houden we hoog. Dat is wat we hebben. Dat is het licht en daarin onderscheiden we ons. Omdat we Die God kennen, kunnen wij ons onderscheiden. In die zin dat we daar het oog op richten, daar de mensen op mogen wijzen en zo rijk mogelijk leven. Elke dag. Weet u, het is geweldig om zo’n leven te 20
Page 24
In deze tijd, die ligt tussen de misstap en het ongeloof van Israël en hun uiteindelijke bekering en herstel, is redding naar de natiën gegaan (Hand.28:28; Rom.11:11-12). Als aan ons, gelovigen uit de natiën, de vraag gesteld wordt wat het evangelie is, dan zouden wij bij Paulus te rade gaan. Hij is de apostel van de natiën (Rom.11:13; 1 Tim.2:7; 2 Tim.1:11). Deze uitgave brengt het evangelie naar voren, dat Paulus “mijn evangelie” noemt (Rom.2:6, 16:25; 2 Tim.2:8).

Wat is het evangelie?


Page 0
Page 6
Elke knie zal buigen Elke knie en elke tong De verzoening van het heelal (slot) 69-72 72-74 74-77 De Bijbelteksten zijn een meer letterlijke (werk)vertaling, tenzij anders aangegeven. Bronnen: scripture4all.org en geschriften.nl. En de Statenvertaling © 1977 Nederlands Bijbelgenootschap 4 INLEIDING Wat zou uw antwoord zijn op bovenstaande vraag? Wanneer je dit aan ‘de gemiddelde christen’ zou vragen, zal er waarschijnlijk een antwoord op komen zoals: “dat Jezus Christus gestorven is voor mijn (of: onze) zonden”. En dat is natuurlijk zo (1 Kor.15:3). Maar het antwoord is nogal beperkt en zou ook weer andere vragen moeten oproepen, zoals: • Waarom is het een goed bericht (>evangelie) dat Iemand gestorven is? De Schrift leert immers zelf dat er “meer” is, Hij is namelijk ook opgewekt (Rom.8:34). • En, als Hij stierf voor mijn of onze zonden, wie is “mijn” of wie zijn “onze”? Allemaal relevante vragen, lijkt me. Daarnaast is het zo dat het begrip ‘evangelie’ vaak wordt gereserveerd voor “de nieuwtestamentische boodschap”, maar ver voordat onze Heer naar deze aarde kwam, wordt er in de bijbel al gesproken over evangelie: Galaten 3 8 En de Schrift, die tevoren ziet, dat God de natiën uit geloof rechtvaardigt, evangeliseert van tevoren aan Abraham: In jou zullen al de natiën gezegend worden. Goed bericht Ons Nederlandse woord evangelie is een woord dat is overgenomen uit het Grieks (euaggelion). Het is opgebouwd uit twee woorddelen: eu = wel, goed en aggelion = boodschap, bericht. Het evangelie is een goede boodschap of een goed bericht. In de letterlijke weergave van Galaten 3:8, zien we dat Abraham alreeds van God een goed bericht ontving, namelijk dat in hem alle 5
Page 8
natiën gezegend zouden worden. Maar we zouden nog verder terug kunnen gaan naar de eerste bladzijden van de bijbel, waar God, nadat Eva is verleid, tot de slang zegt dat uit haar (>Eva) Iemand zou voortkomen, van wie wordt gezegd dat Hij de kop van de slang zou vermorzelen. Dit is een vooruitwijzing naar de komst van de Messias, die de tegenstander (>satan) zou verslaan. Dit werd al geëvangeliseerd aan het begin van de bijbelse geschiedenis. Het begrip evangelie is dan ook niet alleen gereserveerd voor het nieuwe testament. Aan wie? Het lastige aan het behandelen van een onderwerp als dit, is dat het antwoord op de vraag: “wat is het evangelie?” afhankelijk is van aan wie het wordt gevraagd. Ook het tijdstip waarop de vraag gesteld wordt, is belangrijk. Ter illustratie geef ik een belangrijk voorbeeld uit de beginperiode in Handelingen. Daar is het Petrus die zich richt tot het volk Israël. Hij spreekt hen aan met: “Joodse mannen” (2:14), “Israëlitische mannen” (2:22; 3:12) en zegt tot hen: Handelingen 3 19 Bezin je dan en keer om, opdat jullie zonden uitgewist worden, zodat er perioden van verfrissing zullen komen van het aangezicht van de Heer, 20 en dat Hij de Christus, die voor jullie voorbestemd is, Jezus, zal zenden, 21 die de hemel moet ontvangen, tot op de tijden van het herstel van alle dingen, waarvan God spreekt door de mond van Zijn heilige profeten, die vanaf de aeon1 zijn. __________________________________ 1 Aeon, Grieks: aiōn. Net zoals een uur of een dag een bepaalde periode van tijd is, zo is in de bijbel ook een ‘aeon’ een periode van tijd. Bij ‘aeonen’ gaat het dan om de langste tijdsperiodes die bekend zijn. 6 Aan Israël Aan Israël werd verkondigd, dat Jezus Christus, hun Messias, die zij hebben gekruisigd en gedood, door God is opgewekt. Zij hadden Hem verworpen, maar wanneer zij zich als volk zouden bezinnen en bekeren, dan zou God de Messias terugsturen om Zijn Koninkrijk te vestigen en zo alles te herstellen waarvan de profeten gesproken hebben. “De vervallen hut van David” (Amos 9:11) zou hersteld worden en de Messias zou zitten op de troon van Zijn vader David en Koning zijn over Israël tot in de aeonen (Luk.1:32). Beperkt in adressering en tijd Dit evangelie, dat genoemd wordt het evangelie van het Koninkrijk (Matth.24:14) en het evangelie van de besnijdenis (Gal.2:7), is een boodschap met een specifieke doelgroep, namelijk Israël, maar ook voor een specifieke tijdsperiode. De boodschap was relevant in het begin van de Handelingen periode en zal dit wéér zijn in de toekomst. Maar nú wordt niet aan Israël gepredikt, dat, wanneer zij zich als volk bekeren, de Messias zal terugkeren. Concreet Laten we dit eens concreet maken. Stelt u zichzelf voor dat u ergens in de afgelopen 2000 jaar aan Joden het evangelie wilde vertellen. Dan zou u hen opgezocht hebben. Nú is het welllicht het meest voor de hand liggend om in het vliegtuig te stappen om het land Israël te bezoeken, maar dat was tot relatief kort geleden niet zinvol, omdat in het land dat we nu weer Israël noemen, niet of nauwelijks Joden woonden. Zij waren verstrooid onder de natiën. Daar bevindt zich overigens een groot deel nu nog steeds. Maar waar u ook ging en zich zou wenden tot dit volk, zou u hen dan de boodschap verkondigen waarmee Petrus zich in Handelingen 3 tot 7
Page 10
hen wendt? Dat zou misplaatst zijn, die boodschap is namelijk niet voor deze tijd bestemd. Redding naar de natiën In deze tijd, die ligt tussen de misstap en het ongeloof van Israël en hun uiteindelijke bekering en herstel, is redding naar de natiën gegaan (Hand.28:28; Rom.11:11-12). God verzamelt Zich nu uit alle natiën, zonder onderscheid, een volk voor Zijn Naam (Hand.15:14). In de letterlijke zin is dit geen volk (>natie), maar een groep die verzameld wordt uit alle natiën (Rom.10:19). Dit gezelschap deelt dan ook niet in de positie van het volk Israël, maar krijgt deel aan de Christus. In het Hebreeuws: de Messias. Zij delen dus in de positie van de Messias van Israël. Dit gezelschap wordt de ecclesia, het lichaam van Christus genoemd (Ef.1:23), omdat zij één (lichaam) zijn met Christus. Zij delen in alles wat Hem toekomt en worden dan ook mede-erfgenamen (>samenlotbezitters) (Rom.8:17; Ef.3:6) en mede-deelhebbers van de belofte in Christus Jezus (Ef.3:6). Paulus, apostel van de natiën Deze boodschap van het lichaam van Christus, was onbekend gebleven (>verborgen) en werd geopenbaard aan Paulus (Ef.3:5; Kol.1:26). Het is Paulus die het woord van God tot volheid bracht en completeerde (Kol.1:25). Hij is dan ook de apostel, door wie God Zijn volledige plan met heel Zijn schepping ten volle onthult. Als aan ons, gelovigen uit de natiën, de vraag gesteld wordt wat het evangelie is, dan zouden wij bij Paulus te rade gaan. Hij is de apostel van de natiën (Rom.11:13; 1 Tim.2:7; 2 Tim.1:11). Ik wil dan ook in de komende hoofdstukken het evangelie naar voren brengen, dat Paulus noemt: “mijn evangelie” (Rom.2:6, 16:25; 2 Tim.2:8). Maar eerst zullen we bezien wat de overeenkomsten én de verschillen waren in de bediening van Paulus en ‘de Twaalf ’. 8 Overeenkomsten tussen Paulus en de Twaalf Paulus spreekt op verschillende plaatsen over zijn roeping en benadrukt dat die los stond van de roeping van de Twaalf 2. Voordat we deze verschillen gaan bezien, maar ook de onderlinge overeenstemming die er onder de apostelen was over deze verschillen in roeping, wil ik eerst laten zien wat de overeenkomsten in hun boodschap zijn. Want die zijn er natuurlijk ook. 1 Korinthe 15 1 Ik maak jullie bekend, broeders, het evangelie dat ik aan jullie evangeliseer, dat jullie ook ontvingen, waarin jullie ook staan, 2 waardoor jullie ook gered worden ... 3 Want ik lever in de eerste plaats aan jullie over, wat ik ook ontving, dat Christus stierf voor onze zonden, naar de Schriften, 4 en dat Hij werd begraven, en dat Hij is opgewekt, op de derde dag, naar de Schriften … Historische feiten Hier schetst Paulus in een paar zinnen de historische feiten waar het allemaal om draait in het evangelie. Dat Christus stierf, werd begraven en werd opgewekt, is de basis van het evangelie. En het was allemaal voorzegd in de Hebreeuwse Geschriften en dus ook “naar de Schriften”. 5 … en dat Hij werd gezien door Kefas, vervolgens door de Twaalf. 6 Vervolgens werd Hij, bij één enkele gelegenheid, gezien door meer dan vijfhonderd broeders, van wie het merendeel tot op dit moment nog in leven is, maar sommigen ook, zijn ontslapen. __________________________________ 2 De twaalf leerlingen van de Heer, later de twaalf apostelen, ook wel genoemd ‘de twaalven’ (1Kor.15:4). 9
Page 12
7 Vervolgens werd Hij gezien door Jakobus, daarna door al de apostelen. 8 En het laatst van allen werd Hij ook door mij gezien, als het ware door een ontijdig geborene. 9 want ik ben de minste van de apostelen, niet toereikend om een apostel genoemd te worden, omdat ik namelijk de ecclesia van God vervolgde. 10 Maar in de genade van God ben ik, wat ik ben, en Zijn genade, die in mij is, is niet voor niets geweest, want ik zwoeg bovenmatiger dan zij allen (echter niet ik, maar de genade van God die met mij is). ABC? Wat Paulus hier naar voren brengt, wordt wel eens het ABC van het evangelie genoemd. Het fundament van het evangelie is dat Christus stierf (A), en dat Hij werd begraven (B) en dat Hij werd opgewekt (C). Maar let op, vers 5 vervolgt met “en dat” en daarom hoort dit ook nog bij het fundament van het evangelie. Het is dus eerder ‘het ABCD van het evangelie’. Wat Paulus in vers 5-10 naar voren brengt, is dat er talloze getuigen zijn van het feit dat Christus is opgewekt. Hij stelt het, als een jurist, onder bewijs. Onder de Korinthiërs waren er namelijk die zeiden dat er geen opstanding is (:12). En Paulus zegt als het ware: “velen die Hem als de opgestane hebben gezien, zijn nog in leven, je kunt het zo bij ze navragen”. 11 Hetzij ik, dan, hetzij dan zij, zó proclameren wij, en zó geloven jullie. Overeenkomst Zie daar de overeenkomsten tussen de boodschap van de Twaalf en de boodschap van Paulus. Er zijn verschillen, jazeker, maar zowel 10 het evangelie van de besnijdenis, als het evangelie van de voorhuid 3 (Gal.2:7), zijn gebaseerd op wat Paulus in de eerste verzen van 1 Korinthe 15 naar voren brengt, de feiten rond de dood en opstanding van Christus. 1 Korinthe 15 spreekt van opstanding en levendmaking. Het is een belangrijk hoofdstuk als we het hebben over het evangelie dat Paulus bekend mocht maken. We zullen daar dan ook t.z.t. nog op terugkomen, maar in het volgende hoofdstuk wil ik eerst naar de Galaten-brief, om het onderscheid te laten zien tussen de boodschap van Paulus en die van de Twaalf. Paulus’ roeping Paulus spreekt in zijn brieven op een aantal plaatsen uitgebreid over zijn bediening als apostel van de natiën. Hij benadrukt hierbij dat hij zijn evangelie niet van mensen had ontvangen, en ook vooral niet van de Twaalf, die discipelen van Jezus waren geweest in Zijn omwandeling op aarde. Naast de overeenkomsten die er zijn tussen de boodschap van Paulus en die van de Twaalf, zijn er ook verschillen. Paulus bespreekt deze met name in de eerste hoofdstukken van de Galaten-brief. Galaten 1 11 Want ik maak aan jullie het evangelie bekend, broeders, dat door mij geëvangeliseerd wordt, dat het niet naar de mens is. 12 Want ik ontving het ook niet van een mens, noch werd ik erin onderwezen, maar door onthulling van Jezus Christus. __________________________________ 3 Statenvertaling: “Maar daarentegen, toen zij zagen, dat aan mij het Evangelie der voorhuid toebetrouwd was, gelijk aan Petrus dat der besnijdenis …” (Gal.2:7). 11
Page 14
Direct van Christus ontvangen Paulus had zijn evangelie en bediening rechtstreeks van Christus ontvangen. Hij had het niet van anderen ontvangen, zoals de Twaalf. Hoe logisch zou het geweest zijn, als dit wel zo was geweest, menselijkerwijze geredeneerd? De Twaalf waren door Jezus van Nazareth uitgekozen om Zijn discipelen te zijn en hadden enige jaren nauw met de Heer opgetrokken. Maar Paulus werd niet door hen onderwezen, de Heer had voor hem een ander apostelschap. Hij werd geroepen door de opgewekte Christus, vanuit de hemel. De Heer was op aarde gezonden tot Israël. Zijn roeping bestond eruit dat Hij zou gaan tot Israël en dat een gelovig Israël zou worden tot een priesterlijk koninkrijk dat alle volkeren zou onderschikken en onderwijzen (Ex.19:6). Mattheüs 15 24 En Hij antwoordde, en Hij zei: Ik ben slechts afgevaardigd tot de verloren schapen van het huis van Israël. Toen Jezus Zijn discipelen afvaardigde, kregen zij exact dezelfde opdracht als de missie die Hij zelf had: Mattheüs 10 5 Jezus vaardigt deze twaalf af, en Hij geeft hen opdracht, zeggende: Ga niet op een weg van de natiën, en ga niet tot een stad van Samaritanen; 6 maar ga veel meer naar de verloren schapen van het huis Israël. Paulus geroepen De Twaalf werden op aarde gezonden tot Israël. Maar toen Israël niet geloofde en ook de aan hen verkondigde opgewekte Christus verwierp, riep God een andere apostel: Paulus. Paulus werd niet geroepen door Jezus op aarde, maar door de opgewekte Christus vanuit de hemel. Paulus ging weliswaar tot de Joden, lezen we in 12 het boek Handelingen, maar aan hen predikte hij niet, zoals Petrus, dat, wanneer zij zich zouden bekeren, de Messias zou terugkeren om Zijn Koninkrijk te vestigen (Hand.3:19-21). Paulus wist dat Israël zich niet zou bekeren en verkondigde hen dat redding naar de natiën ging en dat hij zich, als apostel van de natiën, tot de natiën zou wenden (Hand.13:46-47, 28:28). Paulus had een roeping die los stond van die van de Twaalf. Galaten 1 15 Maar toen God, die mij vanaf de buik van mijn moeder afgezonderd heeft en mij door zijn genade riep, er een welbehagen in had 16 zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik het evangelie van Hem onder de natiën zou brengen, ging ik niet onmiddellijk te rade bij vlees en bloed … Buiten het land Paulus werd geroepen op de weg naar Damascus. Ook weer zo’n tegenstelling met de Twaalf: niet in het land, maar buiten het land. De Heer riep hem vanuit de hemel (Hand.9) en zijn roeping was om het evangelie van Hem onder de natiën te brengen. Niet aan één specifiek volk, Israël, zoals de Twaalf, maar aan alle natiën, zonder onderscheid. Dat was anders dan bij de Twaalf en daarom ging hij niet bij hen (>vlees en bloed) te rade. 17 … ook ging ik niet op naar Jeruzalem naar hen, die vóór mij apostelen waren, maar ik vertrok naar Arabië, en vandaar keerde ik weer terug naar Damascus. De stad van de grote Koning Paulus onderstreept hier dat zijn bediening los stond van die van de Twaalf. Hij ging ook niet naar Jeruzalem, het hart van Israëls godsdienst en het hoofdkwartier van de Twaalf. Jeruzalem zou immers de stad van de grote Koning zijn (Matth.5:35), waar de 13
Page 16
troon van de Messias zou staan en is daarmee model voor de vestiging en openbaring van het Koninkrijk. Paulus ging naar Arabië, waarvan hij later in de Galaten-brief zegt, dat daar de berg Sinaï ligt (4:25). Blijkbaar is Paulus naar Sinaï gegaan, waar hij net als Mozes, woorden van God heeft ontvangen. 18 Vervolgens, na drie jaar, ging ik op naar Jeruzalem, om mijn geschiedenis aan Kefas te vertellen, en ik verblijf vijftien dagen bij hem. 19 En ik nam geen ander van de apostelen waar dan alleen Jakobus, de broer van de Heer. Paulus en Petrus Pas na drie jaren ging Paulus naar Jeruzalem en bezocht Petrus (>Kefas, Joh.1:43). Wat hij bij Petrus ging doen, wordt door de meeste vertalingen gemist. Paulus kwam om aan Petrus zijn verhaal te vertellen. Hij deed verslag van zijn roeping en kwam dus niet bij Petrus om zich door hem te laten informeren. Paulus werd niet door Petrus, hier als vertegenwoordiger van de Twaalf, onderwezen, maar vertelde hem van de bediening die hijzelf van de opgewekte Christus had ontvangen. Petrus heeft hier in de aanvang grote moeite mee gehad (Gal.2:11-15), wat natuurlijk goed voor te stellen is. Zijn verwachting van een spoedige wederkomst van de Heer, moest hij bijstellen. En met zijn strikt Joodse opvoeding heeft hij veel moeten bijleren (Hand.10). In zijn laatste brief spreekt hij zijn instemming en waardering uit voor Paulus en zijn boodschap (2 Petr.3:15-16). Galaten 1 21 Vervolgens ging ik naar de streken van Syrië en van Cilicië. 22 En ik was aan de ecclesia's van Judea, die in Christus zijn, van aanzien onbekend. 23 Alleen hoorden zij: hij, die ons eens vervolgde, brengt nu het 14 evangelie van het geloof, dat hij eens te gronde richtte. 24 En zij verheerlijkten God in mij. Consensus Paulus verbleef, in overeenstemming met zijn bediening, voornamelijk in het buitenland. Men wist in Judea alleen van horen zeggen wie Paulus was en van zijn ommekeer. Veel later is Paulus wel naar Jeruzalem gegaan en heeft daar een ontmoeting gehad met Jakobus, Petrus en Johannes. Een bijeenkomst waarin met betrekking tot hun bediening, plechtige afspraken werden gemaakt, die met een handdruk werden bezegeld. Eensgezindheid over twee evangeliën De eerste twee hoofdstukken van de Galaten-brief geven ons veel informatie over de roeping van Paulus en de verschillen tussen zijn bediening en die van de Twaalf. Paulus legt die nadruk in deze brief, omdat de Galaten gelovigen uit de natiën waren en er leraren waren binnengekomen die de Galaten wilden verjoodsen (>judaïseren, Gal.2:14). De Galaten die Paulus’ evangelie van de genade van God hadden ontvangen en omarmd, werden nu door deze valse leraren belast met de boodschap dat zij, om rechtvaardig te leven, nu wel de Joodse wetten (Gal.5:4) en rituelen moesten onderhouden (4:10). Die Joodse boodschap, welke door Paulus het evangelie van de besnijdenis wordt genoemd (2:8), is niet voor hen, gelovigen uit de natiën, en is dus volkomen misplaatst. Galaten 2 1 Vervolgens ben ik na verloop van veertien jaar weer opgegaan naar Jeruzalem, met Barnabas, en ik neem ook Titus mee; 2 en ik ging op, op grond van een openbaring. En ik legde aan hen het evangelie voor, dat ik onder de natiën proclameer, afzonderlijk 15
Page 18
echter aan hen, die in aanzien waren, opdat ik niet voor niets aan het rennen ben, of liep. Paulus naar Jeruzalem Paulus blijft ook hier benadrukken dat zijn bediening los stond van Jeruzalem. Pas na verloop van veertien jaar ging hij weer naar deze stad, die model staat voor de openbaring van het Koninkrijk. Hij ging ook niet op verzoek van de Twaalf, maar op grond van een openbaring. De Heer Zelf had hem gezonden. Het verslag van de vergadering die daar plaatsvond, vinden we in Handelingen 15. Ook daar was, net als in de Galaten-brief, het onderwerp, of gelovigen uit de natiën moeten worden belast met Joodse wetten en inzettingen. Het korte antwoord is: nee (Hand.15:19). Eensgezindheid Het misverstand dat uit het voorgaande in Galaten 1 zou kunnen ontstaan, is dat Paulus geen achting had voor de Twaalf en hun bediening. Maar het tegendeel is waar en dat blijkt ook wel. Paulus verkondigde zijn evangelie aan wie het maar wilde horen, maar deed dat afzonderlijk aan hen, die in aanzien waren: de apostelen in Jeruzalem. Hij stuurde niet aan op een geschil of onenigheid, maar zocht naar hun instemming in de verschillen van bediening. Het zou een ramp zijn geweest als er tweedracht zou zijn geweest onder de apostelen van Christus. Galaten 2 ... 6 Maar wat hen betreft, die in zeker aanzien waren (wat zij eens waren is voor mij van geen enkel belang, God ziet de persoon niet aan) aan mij hebben zij, die in aanzien zijn, niets voorgelegd. 7 Maar integendeel: wanneer zij weten, dat aan mij het evangelie van de voorhuid toevertrouwd is, zoals aan Petrus dat van de besnijdenis, 16 8 (want Hij, die in Petrus inwerkt tot apostelschap van de besnijdenis, werkt ook in, in mij, tot dat voor de natiën) 9 en wanneer zij de genade weten, die aan mij gegeven wordt, geven Jakobus, Kefas en Johannes, die steunpilaren schijnen te zijn, aan mij en Barnabas de rechterhand van gemeenschap: opdat wij tot de natiën, en zij tot de besnijdenis [zouden gaan]. Rechtstreeks van Christus Dat de Twaalf in aanzien waren, omdat zij met de Heer op aarde hadden gewandeld, was menselijkerwijze gezien logisch. Ook zaken als dat Jakobus “de broeder des Heeren” was (1:19), droegen hier aan bij. Maar voor Paulus waren die dingen niet van belang. Het stelde hun apostelschap niet boven dat van hem. Ook hadden zij niets aan hem voorgelegd. Zijn bediening kwam rechtstreeks van Christus Jezus. Harmonie En daar is overeenstemming over met de Twaalf. Jakobus, Kefas (>Petrus) en Johannes bevestigen deze bediening van Paulus door hem de broederhand te schudden: de rechterhand van gemeenschap. De Twaalf zouden zich tot het Joodse volk wenden met het evangelie van de besnijdenis. Let op dat het hier niet gaat om een beperking door landsgrenzen (Israël), maar door godsdienst (>besnijdenis). Ook toen woonden er al vele Joden in het buitenland. Maar de bediening van Paulus is onbeperkt. Niet gehinderd door welke begrenzing dan ook. Paulus zou tot de natiën gaan, alle natiën, zonder onderscheid. De bediening van Paulus is all inclusive, net als zijn evangelie! 17
Page 20
Het evangelie van het Koninkrijk Voordat ik naar het evangelie wil gaan dat Paulus was toevertrouwd, wil ik laten zien wat het evangelie van het Koninkrijk is dat aan Israël werd gepredikt en dat in de toekomst weer aan hen verkondigd zal worden. In Gal.2:7 heet dit het evangelie van de besnijdenis, zoals we al zagen. Eerder heb ik al gewezen op Hand.3:19-21 waar Petrus tot het Joodse volk zegt dat, als zij zich bezinnen en bekeren, de Christus zal terugkeren vanuit de hemel om Zijn Koninkrijk te vestigen. Natuurlijk baseert Petrus zijn woorden op de Hebreeuwse bijbel, ons oude testament. Daarin zijn deze dingen voorzegd. Maar ook de Heer Jezus Christus in Zijn wandel op aarde, en Zijn voorloper Johannes de Doper, verkondigden het nabij gekomen Koninkrijk. Mattheüs 3 1 En in die dagen kwam Johannes de Doper, en hij proclameert in de woestijn van Judea, 2 en hij zegt: Bezint u, want het koninkrijk van de hemelen is nabij gekomen. Mattheüs 4 17 Vanaf dán begint Jezus te proclameren, en te zeggen: Bezint u, want het koninkrijk van de hemelen is nabij gekomen. Deze boodschap wordt genoemd: het evangelie van het Koninkrijk (Matth.4:23, 9:35 en 24:14). Zowel Johannes de Doper, als Jezus, maar later ook de twaalf apostelen in het boek Handelingen, baseren zich op de oudtestamentische profeten, die profeteerden dat er een Israëlitisch Koninkrijk zou komen, met de Messias aan het hoofd, dat alle aardse koninkrijken teniet zou doen. 18 Daniël 2 In Daniël 2 wordt een droom beschreven van de toenmalige wereldheerser en koning van Babel, Nebukadnezar. Hij droomt over een beeld met een hoofd van goud, met een borst en armen van zilver, een buik en dijen van koper, met benen van ijzer en voeten deels van ijzer, deels van klei (Dan.2:32-33). Dit beeld wordt verpulverd en vermalen door een steen, die zonder mensenhanden afgehouwen wordt en deze steen vult de gehele aarde (Dan.2:34-35). Uit de uitleg die Daniël vervolgens geeft in Dan.2:36-43, blijkt dat de verschillende lichaamsdelen van het beeld en hun metalen, staan voor vier aardse koninkrijken, die, zo blijkt ook uit andere Schriftplaatsen, Babel als hoofdstad hebben. Aan deze koninkrijken komt een einde en deze aardse koninkrijken zullen opgevolgd worden door een Koninkrijk met een andere oorsprong, vanuit de hemel. Daniël 2 44 En in hun dagen van deze koningen, zal de God van de hemelen een Koninkrijk oprichten, dat tot in de aeonen niet geschaad zal worden, en het Koninkrijk zal niet aan een ander volk worden overgelaten. Het zal al deze koninkrijken verpulveren en beëindigen, en het zal standhouden tot in de aeonen. 45 Daarom heb jij gezien dat een steen van een berg zonder handen werd afgehouwen en dat die het ijzer, het koper, het klei, het zilver en het goud verpulverde. De grote God heeft aan de koning bekendgemaakt, wat er na dit gebeuren zal. En de droom is zeker en zijn uitleg betrouwbaar. De steen De steen die vanaf een hoge plaats (>berg) zonder toedoen van mensenhanden wordt afgehouwen en de aardse koninkrijken 19
Page 22
verpulvert, is een uitbeelding van het Koninkrijk dat de God van de hemelen zal oprichten, namelijk: het Koninkrijk van de hemelen (Matth.3:2, 4:17,5:3, enz.). En de verkondiging van dit Koninkrijk heet: het evangelie van het Koninkrijk. Dit Koninkrijk zal een Israëlitisch wereldrijk zijn met de Messias als Koning. Israël zal dan een priesterlijk koninkrijk zijn, dat alle volkeren zal onderschikken en onderwijzen (Ex.19:6; Jes.2:2-4; Micha 4:1-3). Een paar hoofdstukken verder, in Daniël 7, ontvangt Daniël zelf een droom van God over vier dieren die opkomen uit de zee. Ook deze vier dieren zijn een voorstelling van de vier koninkrijken (7:17,23). Hier wordt er eveneens over gesproken dat de macht van deze aardse koninkrijken beëindigd zal worden (7:9, 12). Deze aardse koninkrijken worden opgevolgd door een Messiaans Koninkrijk dat stand zal houden tot in de aeonen (>wereldtijdperken). Daniël 7 14 En aan Hem (=de Zoon des mensen, :13) werd macht verleend en achting en een Koninkrijk, en alle volken, natiën en talen dienden hem. Zijn macht is een macht van de aeon, die niet zal verlopen, en Zijn Koninkrijk zal niet beperkt worden. … 18 Maar de heiligen van de allerhoogsten zullen het Koninkrijk ontvangen, en zij zullen het Koninkrijk zeker bezitten tot de aeon, zelfs tot de aeon van de aeonen. … 27 En het Koninkrijk en de macht en de grootsheid van de koninkrijken onder de gehele hemelen zullen verleend worden aan het volk van de heiligen van de allerhoogsten. Zijn Koninkrijk is een Koninkrijk van de aeon, en alle machten zullen het dienen en naar het luisteren. 20 Israëlitisch wereldrijk Dit Messiaanse rijk zal een wereldrijk zijn dat geregeerd wordt door de Messias vanuit Jeruzalem. Het zal een rijk zijn met Israël, het volk van de heiligen van de allerhoogsten, als hoofd van de volkeren. Dit evangelie van het Koninkrijk was de boodschap die Johannes de Doper, de Heer Jezus en de twaalf apostelen verkondigden aan Israël. Het Koninkrijk was nabij. Als Israël zich als volk zou bekeren, zou dit Koninkrijk aanvangen. Maar dat gebeurde niet. Vanwege Israëls ongeloof en misstap, ging redding naar de natiën. Een geheim dat aeonen lang verborgen was gebleven (Ef.3:9; Kol.1:26). De troon in Jeruzalem Aan het einde van deze aeon zal dit evangelie van het Koninkrijk weer geproclameerd worden (Matth.24:14) en dan zal Israël zich bekeren en de naam van JAHWEH aanroepen. Dan zal de Messias aan hen verschijnen en vanaf de troon in Jeruzalem Zijn Koninkrijk vestigen over de gehele aarde (Joël 2:32; Zach.13:9, 14:4). Onderbreking Maar in deze onderbreking in Gods handelen met Israël, heeft God een andere apostel geroepen, met het evangelie van de voorhuid. In deze tussentijd verzamelt God Zich uit alle natiën een gezelschap dat één is met Zijn Zoon, één lichaam met Christus. Deze ecclesia deelt in alles wat aan de Christus beloofd is en Hem gegeven wordt. En dat is adembenemend veel! God gaat in Christus deze hele schepping brengen waar Hij haar hebben wil. En dat evangelie mocht Paulus onthullen! Daar gaan we in de volgende hoofdstukken mee verder. 21
Page 24
Het woord van de waarheid recht snijden In de vorige hoofdstukken heb ik uiteengezet dat er fundamentele overeenkomsten zijn in het evangelie van Paulus en de Twaalf. Maar er zijn ook verschillen in de boodschap en doelgroep. Jezus in Zijn aardse wandel en de Twaalf, hadden een andere boodschap en een andere doelgroep dan het evangelie dat door de opgewekte Christus vanuit de hemel aan Paulus was toevertrouwd. Dit is een uitermate belangrijke waarheid, die maar zelden wordt gezien en daarom ook zelden wordt toegepast. Over het algemeen maakt men geen onderscheid tussen de boodschappers en dus ook niet tussen de geadresseerden, men leest het hele nieuwe testament als “aan ons” gericht. Correcte verdeling Paulus heeft twee brieven geschreven aan zijn opvolger Timotheüs, die hij diverse keren aanspreekt met “mijn kind” (1 Tim.1:2,18; 2 Tim.1:2, 2:1). Deze brieven zijn zeer persoonlijk en Paulus rust Timotheüs toe voor de taak die hem wacht, door hem belangrijke adviezen en waarschuwingen door te geven. Toen Paulus hem, in zijn tweede brief aan Timotheüs, belangrijke aanwijzingen gaf, drukte hij hem ook op het hart om het woord van de waarheid correct te snijden. 2 Timotheüs 2 15 Beijver je jezelf welbeproefd voor God te presenteren, als een werker, die zich niet hoeft te schamen, maar die het woord van de waarheid recht snijdt. Belangrijk Timotheüs zou het woord van de waarheid correct verdelen en zich daartoe inspannen. Door dat te doen zou hij betonen dat hij welbeproefd was voor God en zich niet hoeven schamen voor zijn 22 werk. De woorden die Paulus gebruikt, tonen aan hoe belangrijk hij dit onderwerp vond. Ook wij zouden hier belang aan hechten. Misplaatst In de verzen 17 en 18 geeft Paulus een voorbeeld van Hymeneüs en Filetus die van de waarheid waren afgeweken. Zij misplaatsten een bijbelse waarheid door te zeggen dat de opstanding al heeft plaatsgevonden. Zij sneden het woord van de waarheid niet recht en daarmee was het geen woord van waarheid meer. Eerder gaf ik het voorbeeld van de Galaten, die gelovigen waren uit de natiën en die zich lieten verleiden door leraren die hen wilden ‘judaïseren’ door hen allerlei Joodse wetten en rituelen te laten onderhouden. Deze boodschap is bedoeld voor de besnijdenis en is in die zin naar de Schrift. Maar wanneer dit verkondigd wordt aan gelovigen uit de natiën, is het woord van de waarheid niet recht gesneden en daarmee misplaatst. Onderscheid Bewust of onbewust brengt iedereen die de bijbel leest, onderscheid aan in wat wel of niet voor hem bestemd zou zijn. Ik ben namelijk nog nooit iemand tegengekomen die vindt dat een broeder die de wet van Mozes heeft overtreden, gestenigd moet worden (o.a. Lev.24:16) Ook ken ik niemand die, hoe wettisch ook, alle wetten houdt die beschreven staan, zoals alle spijswetten. Of dat iemand zijn oog uitrukt, omdat zijn oog hem verstrikt (Matth.18:9), enz. Het onderscheid maken in de Schrift is geen moeilijke zaak en wij hoeven ook niet zelf te bepalen wat, wat wel en wat niet rechtstreeks aan ons gericht is. De Schrift geeft daar zelf heldere aanwijzingen voor. 23
Page 26
Hebreeën 4 12 Want het woord van God is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en het dringt door tot verdeling van ziel en geest, van verbindingen en merg, en het is een oordeelkundige van de gevoelens en de gedachten van het hart. Scherp Het is het woord van God Zelf, dat onderscheid maakt, messcherp. Of beter: zo scherp als een tweesnijdend scherp zwaard. Zaken zoals ziel en geest, die in de wereld en ook in religie als één en hetzelfde worden gezien, worden in het woord onderscheiden. Tot dat woord van de waarheid zouden we ons dan ook wenden om ons te laten onderwijzen welke dingen wel aan ons gericht zijn en welke niet. Dat betekent niet dat we geen kennis zouden nemen van brieven of Geschriften die niet rechtstreeks aan ons gericht zijn. Heel de Schrift is voor ons, maar we zouden onderscheiden dat niet de hele Schrift gericht is aan ons. 2 Timotheüs 3 16 Elk Schriftwoord is door God geïnspireerd, en is heilzaam voor onderwijzing, blootlegging, correctie en opvoeding in rechtvaardigheid, 17 opdat de mens van God toegerust zal zijn, volkomen toebereid voor elk goed werk. Aanscherpen Als wij het evangelie van de besnijdenis of het evangelie van het koninkrijk goed verstaan, zal dit ons meer inzicht geven in Gods plan met Israël. De boodschap is weliswaar niet direct aan ons gericht, maar door het te verstaan, zullen we ook het evangelie van de voorhuid dat via de apostel Paulus aan ons wordt doorgegeven, 24 beter kunnen plaatsen en in de hele context van de bijbelse boodschap kunnen bezien. Een mens leert nu eenmaal door contrasten en door de verschillende scheidslijnen te zien, wordt ons zicht aangescherpt. Paulus heeft het woord van God tot volheid gebracht Paulus was een bijzondere apostel met een bijzondere roeping. Hij behoorde niet tot de twaalf die met Jezus hadden opgetrokken, maar hij werd geroepen door de opgewekte Christus vanuit de hemel. Als laatste verscheen Christus aan Hem en Paulus sluit hiermee dan ook de gelederen van de apostelen, dat wil zeggen: hij is de laatste apostel (1 Kor.9:1, 15:8). Maar Paulus is ook degene die het woord van God completeerde. Hij voegde aan het woord van God toe, dat wat er nog aan ontbrak. Kolossenzen 1 25 Daarvan (=van de ecclesia uit vers 24) ben ik een dienaar geworden, in overeenstemming met het beheer van God, dat mij voor jullie gegeven wordt, om het woord van God te vervullen … Completeren Het woord dat hier vertaald is met vervullen, is het Griekse plerõo. Dit woord komt 86 keer voor in het nieuwe testament en in bijna de helft van de gevallen gaat het om voorzeggingen uit de Schrift die vervuld worden: profetieën, de wet, het Schriftwoord, het woord van de profeet, enz. In deze gevallen gaat het om een deel van het woord van God dat al bekend is, maar door een gebeurtenis of uitspraak vervuld wordt: volledig gemaakt, gecompleteerd. Het woord is afgeleid van een ander Grieks woord dat betekent: vol, gevuld of volledig. 25
Page 28
Waarmee vervulde of completeerde Paulus dan het woord van God? Dat staat een vers verder. Kolossenzen 1 26 … [namelijk] het geheimenis, verborgen geweest vanaf de aeonen en vanaf de generaties, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen. Verborgen Paulus voegde aan het woord van God een deel toe dat tot dan toe geheim en verborgen was gebleven. Daarmee werd het woord gecompleteerd en was het vol, in de zin van: het was af, er was niets meer aan toe te voegen. Over dit geheimenis valt veel te zeggen, maar kort gezegd gaat het erover dat de gelovigen uit de natiën delen in de zegeningen die aan de Christus (>Israëls Messias) zijn beloofd. Gelovigen uit de natiën zijn één (lichaam) met Christus (Kol.1:27). Het geheim van de Christus Maar let op! Maak niet de vergissing door te denken dat wat Paulus bekend maakte, niet in de overige Schriften te vinden is! Iets dat verborgen is, is geheim, of onzichtbaar gemaakt. Maar het is er wel degelijk. Met de zaken die Paulus onthult, neemt hij de bedekking weg en wordt zichtbaar gemaakt wat in de overige Schriften verborgen was. Daardoor krijgen geschiedenissen, woorden en rituelen die niet aan ons gericht zijn een diepere betekenis. De bedekking die daarover lag, omdat het verborgen was, wordt door Christus via de apostel Paulus, weggenomen en het wordt aan ons geopenbaard. Overal waar in de Schrift gesproken wordt over Christus, weten we nu dat het spreekt over Christus en Zijn lichaam. Het lag al in de Schrift besloten en verborgen, maar kreeg pas ten volle betekenis toen Paulus het mocht onthullen. Dat is het geheim van de Christus (Ef.3:4)! 26 Eén God: de onbekende God Als er één waarheid is die Paulus zijn hele leven gekend heeft, is het dat er één God is. Dat vinden we dan ook als een rode draad door al zijn brieven. Maar ook toen Paulus nog Saulus was, behoorde dit al tot het fundament van zijn kennis. Hij was een geboren Israëliet met een Joodse opvoeding en naar de wet een Farizeeër (Hand.22:3; Fil.3:5). Ook nu is voor de Joden nog steeds het bekendste en belangrijkste vers uit de Tenach, de tekst die het sjema genoemd wordt. Het is de Joodse belijdenis van de eenheid van God. Deuteronomium 6 4 Hoor, Israël: JAHWEH onze God, JAHWEH is één! De ene God Het sjema is de uitdrukking van het absolute geloof in de ene God en doortrekt het hele leven van een godsdienstige Jood. Het is het eerste wat een Joods jongetje leert, maar ook het laatste wat een Jood bij het sterven op zijn lippen zal nemen. Op vrijwel elke deurpost van Joodse huizen en gebouwen vind je kokertjes (de mezouza) met een rolletje perkament, waarop dit vers staat. Ook vind je het in de holtes van de gebedsriemen (>de tefilin) die de Jood draagt als hij bidt. Hiermee brengt men in praktijk wat het vervolg van Deuteronomium zegt. 5 En jij zal JAHWEH, jouw God, liefhebben met heel jouw hart en met heel jouw ziel en met heel jouw kracht. 6 En deze woorden, die ik jou vandaag als instructie geef, zullen in jouw hart zijn. 7 En jij zal ze herhalen voor jouw zonen, en jij zal erover spreken tijdens jouw zitten in jouw huis en tijdens jouw gaan op de weg en bij jouw neerliggen en bij jouw opstaan. 8 En jij zal ze vastbinden tot teken op jouw hand en zij worden tot 27
Page 30
voorhoofdsbanden tussen jouw ogen. 9 En jij zal ze schrijven op de deurposten van jouw huis en op jouw poorten. Paulus in Athene Als de apostel Paulus op één van zijn reizen in Athene is, ziet hij dat de stad vol afgodsbeelden staat (Hand.17:16). Als hij op de markt met verschillende filosofen argumenteert (17:17-18), wordt hij uitgenodigd om zijn verhaal op de Areopagus te doen. De Atheners waren letterlijk nieuws-gierig en altijd op zoek naar nieuwtjes en nieuwe leringen (17:21). Paulus krijgt daar, staande op de Areopagus, het woord. Handelingen 17 22 En Paulus staat in het midden van de Areopagus, en hij zei met nadruk: Mannen, Atheners, ik aanschouw aan alle kanten, hoe buitengewoon religieus jullie zijn. 23 Want toen ik door de stad ging, en de voorwerpen van jullie verering overpeinsde, vond ik ook een voetstuk, met het opschrift: Aan een onbekende god. Wie jullie, dan, zonder hem te kennen, vereren, deze verkondig ik jullie. Truc? Soms wordt gezegd dat het een slimme truc of list van Paulus was om op hun godsdienstigheid in te spelen en de gelegenheid van het lege voetstuk met het opschrift ‘aan een onbekende god’ aan te grijpen om zijn verhaal te doen. De Atheners waren ontzettend religieus en hadden blijkbaar overal wel een god voor. Maar wie zoveel goden bedenkt, kan er wel eens één vergeten zijn en daarom hadden ze een voetstuk geplaatst om ook hierin te voorzien. 28 Dé God Natuurlijk was het slim van Paulus, maar het was meer dan dat. Zij die meerdere goden (er)kennen, kennen geen God in de absolute zin van het woord. Het Griekse woord voor God is Theos en dat betekent Plaatser. God is de Plaatser en Beschikker van alle dingen en Hij is soeverein. Daarom is Hij dan ook werkelijk GOD. Hij is oppermachtig en almachtig, alles wat Hij wil, dat kan en zal Hij doen. Hij is de Bedenker en Schepper van alles. Hij deelt Zijn positie niet met andere goden. Omdat de Grieken meerdere goden vereerden, kenden zij daardoor de GOD niet. 24 De God, die de wereld gemaakt heeft, en alle dingen die daarin zijn, déze, die Heer is van hemel en aarde, woont niet in tempels met handen gemaakt, 25 die ook niet door mensenhanden wordt behandeld, alsof Hij iets behoeft, omdat Hij zelf aan allen leven en adem en alles geeft. De Bron van al het leven Hij is Heer (>Eigenaar en Heerser) van hemel en aarde. De goden die de Grieken kenden, waren door hun eigen handen gemaakt en via hun eigen denkwereld door henzelf “tot leven gebracht”. Maar dé God, die Paulus hen verkondigt, is Degene die al het leven geeft. Hij wordt niet van mensenhanden bediend en woont niet in door mensenhanden gemaakte tempels, maar woont in Zijn schepping, die Hij Zelf gemaakt heeft. En Hij is de Bron van al het leven, Hij is Degene die aan allen het leven, adem en alles geeft. Wat een enorm contrast met de goden van de Grieken en de goden van religie in het algemeen. Altijd worden die “goden” geschilderd als afhankelijk van de mens. Ook in de christelijke religie. Als de mens namelijk geen keuze maakt of de juiste dingen doet, dan gaat hij voor altijd verloren. Het is altijd van de mens afhankelijk. Dus ook daar kent men dé God niet werkelijk. 29
Page 32
Gods geslacht Bijzonder is dan ook wat Paulus in het vervolg nog zegt. Let op, hij heeft het hier tegen volstrekt onwetende en ongelovige Grieken. Na zijn toespraak spotten zij zelfs met Paulus’ boodschap (17:32). Maar Paulus verkondigt hen dat zij allen uit God zijn voortgekomen en haalt hierbij één van hun eigen dichters aan. Handelingen 17 28 want in Hem leven wij, en bewegen wij, en zijn wij, zoals ook sommige dichters van jullie hebben uitgesproken: Want wij zijn ook van dat geslacht. 29 Wij, dan, die van Gods geslacht zijn, behoren dus niet te veronderstellen, dat het goddelijke lijkt op goud, of op zilver, of op steen, op een beeldhouwwerk van handwerk, en op menselijke gevoelens. Elk mens behoort tot Gods geslacht, zegt Paulus hier en hij sluit zijn toehoorders daarbij in. Als een mens dat hoort, zou hij dat erkennen en zich daarop bezinnen. Dat is dan ook wat Paulus naar voren brengt. 30 God geeft, dan, met voorbijzien van de tijden van onwetendheid, nu opdracht aan alle mensen, overal, zich te bezinnen, 31 omdat Hij een dag gesteld heeft, waarop Hij de bewoonde wereld in rechtvaardigheid zal oordelen, door een man, die Hij bepaalt, geloof verschaffend aan allen, die Hem uit de doden doet opstaan. Deze hele schepping zal geoordeeld (>gericht) worden door een Man, de Zoon van God (Joh.5:22). God heeft Zijn Zoon opgewekt uit de doden en alles in Zijn hand gegeven. Daarvan zal iedereen overtuigd worden: geloof verschaffend aan allen. Wie zich daarop bezint, kan maar tot één reactie komen: God als God erkennen, verheerlijken en danken (Rom.1:21)! 30 Eén God: alles is uit Hem, door Hem en tot Hem Het allergrootste en meest fundamentele thema van de Schrift is dat er één God is. Eerder wees ik op de Joodse geloofsbelijdenis van de ene God uit Deut.6:4. Ook de Heer Jezus onderschreef deze waarheid van de ene God (Marc.12:28-32). God is de Schepper van alles, alle dingen bestaan door Hem en alles heeft zijn bestemming in Hem. Romeinen 11 36 Want vanuit Hem en door Hem en tot in Hem zijn alle dingen: aan Hem is de heerlijkheid tot in de aeonen! Amen! Lofzang We zouden goed moeten beseffen, dat de woorden, die Paulus hier schrijft, onderdeel zijn van een lofzang op God (11:33-36). Deze lofprijzing is de afsluiting van de eerste 11 hoofdstukken van de Romeinen-brief, wat men ook wel het leerstellige deel van de brief noemt. Maar het is met name een reactie op het direct voorafgaande waarin Paulus spreekt over het ongeloof van Israël. Door hun misstap ging redding naar de natiën (11:11). Juist deze verwerping van Israël, gebruikt God tot de verzoening van de wereld (11:15)! En ook Israël zal niet ongelovig blijven, maar herleven en via hen zullen de volkeren gezegend worden (11:15). Het is God die deze ongehoorzaamheid bewerkt, om Zijn geweldige plan met heel Zijn schepping uit te werken. 32 Want God sluit allen samen op in ongezeglijkheid, om Zich over allen te ontfermen. Van dood naar leven! Eerst waren de natiën ongehoorzaam of ongezeglijk, nu is Israël dat. Maar het is Gods doel om zich over allen te ontfermen. En dat is zo onvoorstelbaar mooi, dat Paulus uitbarst in een lofzang. God 31
Page 34
gaat een weg met Israël, die een doodlopende weg lijkt te zijn. Israël is terzijde gesteld en hun positie nu wordt bijvoorbeeld geïllustreerd als een dal met doodsbeenderen (Ez.37:1) en zij zijn in het graf (Ez.37:12). Maar Israël zal herleven (Ez.37:14). En juist in deze tussentijd dat Israël in het graf is, maakt God via de apostel Paulus bekend dat de dood teniet gedaan zal worden en onvergankelijk leven het deel zal worden van elk schepsel (1Kor.15:22,26; 2 Tim.1:10). Gods plan is zo geweldig groots, dat kan geen mens bedenken! Romeinen 11 33 O, diepte van rijkdom en van wijsheid en van kennis van God! Hoe onnavorsbaar zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen! 34 Want: wie kende het denken van de Heer? Of: wie werd Zijn adviseur? 35 Of: wie geeft eerst aan Hem, en het zal aan hem terugbetaald worden? 36 Want vanuit Hem en door Hem en tot in Hem zijn alle dingen: aan Hem is de heerlijkheid tot in de aeonen! Amen! Soeverein De wegen die God met mensen gaat, zoals Farao (Rom.9:17) of met volken, zoals Israël (Rom.11:1), zijn onnavolgbaar en ondoorgrondelijk. Niemand kent Zijn denken en Hij heeft daarin niemand nodig, zodat Hij iemand iets verschuldigd zou zijn. Hij is God, almachtig en autonoom in al Zijn handelen. En juist dat is de garantie voor de goede afloop. Aan Hem de heerlijkheid! Alles is vanuit Hem: Hij is de Schepper en Oorsprong van alles. Alles is door Hem: alle dingen bestaan door Hem. En alles is tot in Hem: alles heeft zijn doel en bestemming in Hem. 32 De wegen die Hij daar in gaat, zijn Zijn wegen en die kunnen wij vaak niet bevatten. Maar alles zal tot Zijn eer blijken te zijn: aan Hem is de heerlijkheid tot in de aeonen! Eén God: Schepper van alles Dat God de Schepper is van alles, zal geen christen kunnen ontkennen. “In den beginne” was daar ooit immers alleen God en alle dingen zijn uit Zijn spreken voortgekomen (Genesis 1; Joh.1:13; Ps.33:9). Maar de consequenties van het feit dat God de Schepper is van alles, kan men over het algemeen niet aanvaarden. Alles is uit God, want Hij is de Schepper, maar alles heeft ook zijn bestemming in Hem. Dat betekent dat alles wat er is en alles wat er gebeurt, een plek heeft in Zijn plan en meewerkt aan Zijn bedoeling (Rom.8:28; Ef.1:11): alles! Spreuken 16 4 JAHWEH heeft alles gemaakt voor Zijn doel, ja zelfs de slechte voor de dag van het kwaad. Zijn doel Het Hebreeuwse woord dat hier vertaald is met voor Zijn doel, betekent letterlijk tot antwoord van Hem. Zoals wij ook zeggen: het beantwoordt aan het doel. De slechte wordt in de NBG-vertaling weergegeven met de goddeloze. Het staat bijvoorbeeld tegenover de rechtvaardige (Gen.18:23,25). Ook hen heeft God gemaakt voor Zijn doel. Schepper van kwaad We kennen uit de Schrift nogal wat koningen uit de volkeren, die kwaad hebben aangericht. Maar we lezen ook dat zij bestuurd werden door God (Spr.21:1). Denk aan Farao en Nebukadnezar. En ook Kores was zo’n koning. God liet hem Jeruzalem en de 33
Page 36
tempel herbouwen (Jes.44:28) en stelde deze heidense koning, die God niet kende, in dienst van Zijn volk Israël (Jes.45:4). God zegt tegen hem: Jesaja 45 5 Ik ben JAHWEH en er is verder geen; uitgezonderd Mij is geen God. Ik gordde jou, hoewel jij Mij niet kende. 6 Opdat zij weten, vanaf de opgang van de zon en waar zij ondergaat, dat er, afgezien van Mij, niemand is. Ik ben JAHWEH en er is verder geen. 7 Formeerder van licht en Schepper van duisternis, Maker van welzijn en Schepper van kwaad, Ik, JAHWEH, doe al deze dingen. Geen doelmisser God verklaart nadrukkelijk en plechtig dat Hij de Schepper is van werkelijk alles! Ook dingen waarvan wij wellicht moeite hebben om die aan God toe te kennen: duisternis en kwaad. Maar ook dat gebruikt Hij tot Zijn bedoeling. God is geen zondaar, die dingen maakt die Zijn doel missen. Want dat is wat zonde letterlijk is: doel missen. Nee, alles werkt mee aan Zijn doel. God is dan ook geen zondaar, omdat Hij het kwaad gemaakt heeft. Hij is God, die in alles werkt naar de bedoeling van Zijn wil (Ef.1:11). Job In het boek Job vinden we hoe satan tot God nadert en tegen God zegt dat Job Hem alleen maar trouw is, omdat hij zoveel heeft en God hem beschermt. God geeft satan dan de ruimte om Job alles af te pakken en in tweede instantie om ook Job zelf aan te tasten, maar zijn leven mocht satan niet nemen. In dit relaas, dat je vindt in Job 1 en 2, komt wel heel duidelijk naar voren dat satan weliswaar macht heeft, maar alleen binnen de speelruimte die God hem geeft. 34 Na de eerste serie rampen, die Job overkomt, is hij al zijn bezittingen kwijt. Alles wat hij heeft, zijn kinderen, zijn huis en zijn vee. Job rouwt, en zegt: Job 1 21 Naakt ben ik uit de buik van mijn moeder uitgegaan, en naakt zal ik daarheen terugkeren. JAHWEH heeft gegeven, JAHWEH heeft genomen, gezegend is de Naam van JAHWEH. 22 In dit alles zondigde Job niet en schreef aan God niets onbetamelijks toe. Job spreekt waarheid Let op het commentaar van de Schrift op Jobs woorden in vers 22. We hadden het Job waarschijnlijk niet kwalijk genomen als hij wat dan ook gezegd zou hebben, maar er staat dat Job aan God niets ongerijmds toeschreef. Wat Job zei over God, was de waarheid. Daarna krijgt satan ook de ruimte om Job zelf aan te tasten. Hij mag hem raken, maar zijn leven (letterlijk: ziel). moet bewaard blijven (2:4-6). Nadat Job nog meer leed is overkomen, zegt zijn vrouw tegen hem dat hij God vaarwel zou moeten zeggen. Jobs antwoord is veelzeggend: Job 2 9 En zijn vrouw zegt tot hem: Houd jij nog steeds vast aan jouw vroomheid? Zeg God vaarwel en sterf! 10 En hij zei tot haar: Je spreekt zoals één van de dwaze vrouwen spreekt. Zouden wij het goede wel van God ontvangen en zouden we het kwade niet ontvangen? In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet. Het is helder dat Job ervan uitging dat niet alleen het goede uit God is, maar dat we ook het kwaad van God ontvangen. Om dit te onderstrepen staat er ook hier achter dat Job de waarheid sprak 35
Page 38
en hij niet zondigde toen hij deze woorden sprak. Ook de profeten getuigen van het feit dat zowel het goede, als het kwade van God komt. Amos 3 6 Wordt de bazuin in een stad geblazen, zonder dat het volk beeft? Is er kwaad in een stad, zonder dat JAHWEH het doet? Klaagliederen 3 38 Komt niet uit de mond van de Allerhoogste voort het kwade en het goede? Goed én kwaad Terug naar het eerdergenoemde Jes.45:7. Daar worden ons twee contrasten voorgehouden: licht en duisternis en welzijn en kwaad. Zoals in de hof van Eden een boom van de kennis van goed én kwaad stond (Gen.2:9). Toen Adam en Eva aten van deze boom, leerden zij niet alleen wat kwaad is, maar ook wat goed is. Daarvoor hadden zij het wel goed, maar konden het goede niet beoordelen of waarderen als goed, omdat zij geen context hadden. Zoals wij niet werkelijk kunnen inschatten wat gezondheid zou zijn als we geen ziekte zouden kennen. En hoe zouden we werkelijke blijdschap kunnen ervaren, als we niet zouden weten wat verdriet en ellende is? Er is een hoofdstuk in Prediker dat ons een hele rij van dit soort contrasten voorhoudt. Prediker 3 1 Voor alles is een vastgestelde tijd en er is een seizoen voor elke gebeurtenis onder de hemelen. 2 Er is een tijd om te baren en er is een tijd om te sterven, er is een tijd om te planten en er is een tijd om het geplante neer te hakken, 3 er is een tijd om te doden en er is een tijd om te genezen, er is een tijd om een bres te slaan en er is een tijd om te bouwen. 36 4 Er is een tijd om te huilen en er is een tijd om plezier te maken. Er is een tijd om te rouwklagen en er is een tijd om te dansen. 5 Er is een tijd om stenen te gooien en er is een tijd om stenen te vergaren. Er is een tijd om te omhelzen en er is een tijd om ver te zijn van omhelzen. 6 Er is een tijd om te zoeken en er is een tijd om te vernietigen. Er is een tijd om te bewaren en er is een tijd om weg te gooien. 7 Er is een tijd om te scheuren en er is een tijd om te naaien. Er is een tijd om te zwijgen en er is een tijd om te spreken. 8 Er is een tijd om lief te hebben en er is een tijd om te haten. Er is een tijd van oorlog en er is een tijd van vrede. 9 Welk voordeel heeft de werker van dat waarvoor hij zwoegt? 10 Ik zie de ervaring die God geeft aan de zonen van de mens, om hen nederig te maken. Contrasten Voor al deze zaken is er dus een vastgestelde tijd, door God vastgesteld. Hij heeft deze contrasten bedacht met een doel: de mens nederig te maken. Een mens zou namelijk leren dat wie hij ook is en wat voor positie hij ook heeft, hij ook met tegenslag te maken krijgt. Dat lijkt sommige mensen veel meer te overkomen dan anderen, maar uiteindelijk zijn we allemaal stervelingen en ondergaan we hetzelfde lot: we gaan dood. De dood En ook de dood is door God bedacht en heeft een plek in Zijn plan. Het is een vijand van de mens (1 Kor.15:26), maar is ook niet juist het kennen van de dood, datgene wat onze hoop versterkt? God gaat de dood teniet doen (1 Kor.15:26; 2 Tim.1:10) en wij zullen in de opstanding een nieuw en verheerlijkt lichaam ontvangen. Voor zover we daar enig besef van hebben, komt dat, omdat we dagelijks geconfronteerd worden met de dood en met onze 37
Page 40
sterfelijkheid. We weten voornamelijk wat onvergankelijk leven is, omdat we weten wat het niet is: sterfelijk. We sterven niet meer. Aan Hem de heerlijkheid! Door tegenstellingen en contrasten leert een mens. God gebruikt de tegenstander en het kwaad, maar Hij is de oorsprong van alles en heeft ook met het kwaad een bedoeling. Wanneer wij dat beseffen, zien we dat de levenslessen die we leren en waardoor we opgroeien, van Hem zijn. We geven Hem dan de eer die Hem toekomt en verheerlijken en danken Hem als God (Rom.1:21), de Plaatser van alle dingen. Alles is tot Zijn heerlijkheid! Romeinen 11 36 Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen: aan Hem is de heerlijkheid tot in de aeonen! Amen! Eén God: wie heeft satan gemaakt? Als God de Schepper is van alles, alles beschikt en alles uit Hem, door Hem en tot Hem is, wie heeft dan satan geschapen? Daarop is slechts één antwoord mogelijk: God. In het christendom probeert men dit antwoord te ontwijken. Men stelt daar dat satan een engel was, die eerst goed was en dat het toen naar zijn hoofd is gestegen en hij net als God wilde zijn. God heeft hem toen uit die positie ontslagen en zo werd deze gevallen engel satan. Theologie Dit is een vondst van theologen en vind je in de Schrift niet terug. Men legt het in gedeeltes als Ezechiël 28 en Jesaja 14, die respectievelijk over de koning van Tyrus en over de koning van Babel gaan en niet over satan. Maar stelt u zich voor dat we meegaan in de bewering dat satan een gevallen engel is. Dan is het 38 nog steeds zo dat God hem geschapen heeft. Sterker nog, God heeft dan een engel geschapen, die goed was, maar toch de mogelijkheid had om zich tegen God te keren. En had God dit dan wél voorzien, of niet? Als Hij werkelijk God is, wist Hij het van tevoren en heeft Hij het ook zo bedoeld. God werkt immers in alles naar de bedoeling van Zijn wil (Ef.1:11). Ook bij dit, door mensen verzonnen, narratief is het zo dat, als je blijft doorvragen over de oorsprong van satan, je hoe dan ook altijd bij God zal uitkomen. Tegenstander God heeft satan geschapen en Hij heeft hem geschapen als tegenstander, want dat is wat satan betekent. Net als de contrasten, zoals licht en duisternis, goed en kwaad, waarvan we eerder zagen dat God die gemaakt heeft. Een andere naam voor satan is duivel, dat komt van het Griekse woord diabolos, letterlijk: de-doorheen-werper. Hij gooit de dingen door elkaar, met als doel te verwarren. Zo is hij niet geworden, hij is met dat doel gemaakt en is zo vanaf het begin. Johannes 8 44 Jullie zijn uit de duivel als vader, en jullie willen de begeerten van jullie vader doen. Hij was een mensenmoordenaar vanaf het begin. En hij staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij vanuit de eigen dingen, want hij is een leugenaar, en de vader ervan. Vanaf het begin Hij voert zijn taak uit vanaf het begin, staat hier en hij staat niet in de waarheid en heeft daar ook nooit in gestaan. Satan was niet eerst ‘een goede engel’, die vervolgens, door zonde en opstand, een tegenstander werd. 39
Page 42
1 Johannes 3 8 … maar degene, die de zonde doet, die is uit de duivel, want de duivel zondigt vanaf het begin ... De duivel zondigt vanaf het begin, want hij is zo gemaakt: als tegenstander en doorheen-werper. Hij is geen gevallen engel, God kent niet zoiets als ‘onvoorziene omstandigheden’. God wist wat Hij deed toen Hij satan maakte. Jesaja 54 16 … Ik ben het ook, die de verderver geschapen heb om te vernielen. Job 26 13 Door Zijn Geest heeft Hij de hemelen versierd; Zijn hand heeft de langwemelende slang geschapen. [SV] Noodzakelijk kwaad Letterlijk staat er dat God barensweeën had bij het voortbrengen van de slang. God wist wat deze tegenstander zou aanrichten en toch heeft Hij bepaald dat het zo moest zijn. Natuurlijk wist God van tevoren hoe het zou gaan. Hij is God, Degene die vanaf het begin de afloop verkondigt (Jes.46:10). De creatie van satan was geen ongeval, maar een noodzakelijk kwaad. Zoals God bij de zogenoemde ‘zondeval’, ook wist dat de mens van de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad zou eten. En daar lezen we dat de slang, die Eva verleidde, door God is gemaakt. Genesis 3 1 En de slang was de sluwste van elk dier van het veld dat JAHWEH God gemaakt had. 40 God een zondaar? God is de Schepper van alles. Natuurlijk is Hij ook de Schepper van satan. Dat kan eigenlijk niemand ontkennen. Ook al geloof je de mythe dat satan eerst een goede engel was, die zondigde en daardoor een gevallen engel werd, dan geloof je óók dat God hem geschapen heeft. En God zou hem dan ook nog eens zo gemaakt hebben dat satan kon zondigen. De god van deze aeon Wist God toen Hij satan schiep wat Hij deed? Zo ja, dan heeft Hij het bewust gedaan en past het in Zijn plan. Zo niet, dan heeft God een misser gemaakt. Als je dat laatste gelooft, heb je God naar beneden getrokken tot het niveau van een mens, een zondaar (=doelmisser). Satan is een machthebber en wordt zelfs de god van deze aeon genoemd (2 Kor.4:4), een ‘god’ met 'een kleine ‘g’ dus. Hij krijgt de macht die God hem geeft, want er is één GOD, die alles bepaalt. Als Paulus de Korinthiërs schrijft over het eten van afgodenoffers, zegt hij tamelijk laconiek: 1 Korinthe 8 4 … wij weten, dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen andere God is, dan Eén. Absoluut en relatief Ook hier wijst Paulus op de Ene God. Relatief zijn er in de wereld allerlei ‘goden’ en ‘heren’, in de zin van mensen of geestelijke wezens die macht hebben over elkaar of over anderen. Maar dat is relatief, want in de absolute zin is er één God, die alles beschikt en bepaalt. Niets gaat er dan ook buiten Hem om. Satan mag dan in onze ogen wellicht een grote macht zijn, zijn macht is zeer 41
Page 44
betrekkelijk en gaat niet verder dan de ruimte die God hem geeft. Ook zijn einde als satan is al bekend (Opb.20:2,7,10). Tegenstanders God creëert tegenstanders die een rol spelen in Zijn plan. Zo deed Hij ooit Farao opstaan (>tegenstaan) tegen Zichzelf en Zijn volk. Paulus haalt Ex.9:16 aan, waar God zegt tot Farao: hiertoe heb Ik jou doen opstaan, zodat Ik in jou Mijn macht zal betonen, en zodat Mijn Naam op de gehele aarde verkondigd zal worden (Rom.9:17). God wilde Zijn macht betonen en nam, om die macht te betonen, de machtigste man op aarde en versloeg hem. 1 Korinthe 8 6 … maar voor ons is er één God, de Vader, uit Wie alle dingen zijn en tot Wie wij zijn, en één Heer, Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn, en wij door Hem. Er is één God, Schepper van alles. Alles is dus in goede handen, ook het kwaad! Opmerking: ik heb altijd moeite om over satan te schrijven. De Schrift gaat immers over God en Zijn Zoon Christus Jezus en in Hem verheugen wij ons. De tegenstander is door God geschapen als decor, om tegen de duistere achtergrond van zonde, leugen en dood, het licht van het evangelie te laten stralen. De Schrift is niet erg uitgebreid in het beschrijven van wie satan is en wat zijn werken zijn. Toch zegt Paulus dat satans gedachten ons niet onbekend zijn (2 Kor.2:11). Hij is de tegenstander, de doorheen-werper en de vader van de leugen. Om dat te herkennen, hoef je je maar op één ding te richten: de waarheid, en Gods woord is de waarheid (Joh.17:17). 42 In een andere brochure4 ben ik op het onderwerp De duivel/satan wel eens dieper ingegaan. Aeon of eeuwigheid? Bij het behandelen van het onderwerp wat het evangelie is, kan één onderwerp niet onbesproken blijven en dat is het begrip aeon in de Schrift. Sommige lezers zullen het woord aeon niet kennen, maar dat komt omdat de betekenis daarvan in de loop van de tijd is vergeten of weggestopt. In de betere woordenboeken en encyclopedieën kom je het nog tegen5. De sleutel voor het begrijpen van Gods plan In de Griekse grondtekst van het nieuwe testament van de bijbel, wordt 193 keer het woord aion (G165), of het bijvoeglijk naamwoord hiervan aionion (G166), gebruikt. Een aion is een tijdperk, en zo wordt het dan ook soms vertaald in de gangbare vertalingen, zoals de Statenvertaling en de NBG-vertaling. Zie bijvoorbeeld in Matth.12:32, Luk.20:35 en Hebr.6:5, waar het begrip wordt vertaald met eeuw. Een eeuw, niet in de zin van een tijdvak van honderd jaar, maar in de bredere betekenis van het woord: een (lange) begrensde tijdruimte. Eeuw, eeuwigheid of wereld? Maar vaak wordt het woord in de gangbare bijbelvertalingen vertaald met eeuwigheid en dat is een volstrekt tegenovergesteld begrip! Een eeuw is een tijdsperiode met een begin en einde, het begrip eeuwigheid wordt geduid als zonder begin en zonder einde. __________________________________ 4 Zie: https://evangelieomniet.nl/met-publicaties-van/gezondewoorden 5 Zie: https://www.encyclo.nl/begrip/aeon 43
Page 46
Ook worden er nog andere vertaalwoorden voor het woord aion gekozen, zoals wereld (Matth.24:3; 28:20) en loop (zie Ef.2:2 NBGvertaling). Het gevolg is dat degene die nietsvermoedend een bijbelvertaling leest, opgezadeld wordt met de willekeur en interpretatie van de vertalers, want welk begrip er achter deze vertaalwoorden als: eeuwigheid, wereld, loop, enz. schuilgaat, ziet niemand meer. Woorden hebben een bedoeling Degene die ervan uitgaat dat het woord van God levend en krachtig is (Hebr.4:12) zoals Hij het ons doorgeeft, en die verder wil zoeken dan wat het mensenwerk van de vertalers ons wil doen geloven, zoekt onder de oppervlakte. Dan weet je dat God met elk woord en met elke uitdrukking in de Schrift een bedoeling heeft. Gods woord is volmaakt, gezuiverd en daarom is het belangrijk om zo dicht mogelijk bij dát woord te komen. Psalm 12 6 De woorden van JAHWEH zijn zuivere woorden, zilver gelouterd in een aarden smeltoven, zevenvoudig gelouterd. Gods woord is zuiver en gelouterd. Vertalingen zijn dat niet. Men heeft hetzelfde Griekse woord aion telkens weergegeven met andere vertaalwoorden, die zelfs tegenovergestelde betekenissen hebben. De weergave van het begrip aion in bijbelvertalingen is onzuiver. De bijbel leert dat God een voornemen (dat is: een plan) heeft met deze aionen en dat Hij Degene is, die de aionen gemaakt heeft: Efeze 3 11 … in overeenstemming met het voornemen van de aeonen, dat Hij uitvoert in Christus Jezus, onze Heer. 44 Hebreeën 1 2 … door Wie ook Hij de aeonen maakt. Vertalingen tegen het licht gehouden Hieronder een aantal voorbeelden van het gebruik van het woord aion in onze bijbelvertalingen, met in cursieve letters erachter hoe het in de grondtekst staat. De teksten zijn overgenomen uit de Statenvertaling: Mattheüs 12 32 … maar zo wie tegen den Heiligen Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende (noch in deze aeon, noch in de toekomende). Mattheüs 13 22 … en de zorgvuldigheid dezer wereld (van deze aeon) … (…) 39 … en de oogst is de voleinding der wereld (voleinding van de aeon) … 40 … alzo zal het ook zijn in de voleinding dezer wereld (voleinding van deze aeon) … Maar in hetzelfde hoofdstuk: 49 Alzo zal het in de voleinding der eeuwen wezen … (voleinding van de aeon) Het woord dat in Mattheüs 13 in de verzen 22, 39 en 40 vertaald is met wereld, is een paar verzen verder opeens vertaald met eeuwen. Een heel ander woord en ook nog eens in het meervoud, terwijl er geen meervoud staat, maar een enkelvoud. Lukas 1 70 Gelijk Hij gesproken heeft door den mond Zijner heilige profeten, die van het begin der wereld geweest zijn (begin van de aeon). 45
Page 48
1 Korinthe 10 11 … op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn (einden van de aeonen). Aeonen hebben dus een begin en een einde, volgens deze Schriftplaatsen. Hier kon men dan natuurlijk ook niet vertalen met werelden of eeuwigheden. Van beiden bestaat geen meervoud en een eeuwigheid kent géén begin en einde. Openbaring 1 6 … Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen. (tot in de aeonen van de aeonen) Let op hoe hier van twee keer het woord aeonen, één keer het woord eeuwigheid wordt gemaakt, van twee keer meervoud wordt één keer enkelvoud gemaakt en het woord alle staat niet in de grondtekst en is toegevoegd. Deze uitdrukking tot in de aeonen van de aeonen is een belangrijk begrip in het boek Openbaring en komt maar liefst 14 keer voor. De aeonen van de aeonen zijn de meest belangrijke, de meest heerlijke aeonen (tijdperken) die nog moeten komen. Maak van deze tijdperken in alle eeuwigheid en er ontstaat een hopeloze situatie voor het merendeel van Gods schepping. Openbaring 20 10 … en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid (tot in de aeonen van de aeonen). Een aeon heeft te maken met tijd en niet met tijdloosheid. Titus 1 2 … in de hoop van aeonisch leven, dat God, die niet liegt, belooft, vóór aeonische tijden. 46 Het begrip aeonische tijden bewijst dat het begrip spreekt over tijd en niet staat tegenover tijd. We vinden hetzelfde begrip aeonische tijden tevens in Rom.16:25 en 2 Tim.1:9. Dat laatste is in verband met Tit.1:2 interessant, omdat in beide verzen wordt gesproken over vóór aeonische tijden. Dat betekent dat er een tijd was vóórdat de aeonen aanvingen. Zoals we ook zagen dat de aeonen een einde en voleinding hebben. Overigens blijkt dit eveneens uit het meervoud in aeonische tijd-en. Tijden hebben een einde en volgen elkaar op. De aeonen zijn tijdperken die ooit begonnen zijn en eens weer zullen ophouden. Het bijvoeglijk naamwoord zon – zonnig water – waterig hoek – hoekig geel – gelig eeuw – eeuw-ig Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over het zelfstandig naamwoord. Zonnig zegt iets over zon, waterig over water, enz. Als we het woord aeon vertalen met eeuw, in de zin van een tijdperk, zouden we moeten weten wat het bijvoeglijke naamwoord eeuw-ig betekent. Het zegt iets over de eeuw, het tijdperk. Betrekking hebbend op de eeuw. Maar omdat het zo’n ‘vervuild’ begrip is, gebruik ik liever het woord aeon of aeonisch. Dat begrip moet vaak uitgelegd worden, maar heeft in ieder geval niet de bijklank van eindeloosheid, die het begrip eeuwig in de loop van de tijd gekregen heeft. Door elkaar gegooid Wie gooit de dingen zo door elkaar? We zagen eerder al dat duivel de vertaling is van het Griekse diabolos. Dat betekent 47
Page 50
letterlijk doorheen-werper. Hij gooit alles door elkaar en dat is hem met het begrip aion ook erg goed gelukt. Zijn Hebreeuwse aanduiding is satan. Satan is de god van deze aeon volgens 2 Korinthe 4:4. Ook daar wordt het woord aeon gebruikt. Nu opeens vertaald met eeuw, want men kan hem natuurlijk niet duiden als god van de eeuwigheid. Als men eerlijk en consequent had vertaald, had men het echter wel zo weergegeven. Er staat dus nogal wat op het spel met de vertaling van dit begrip. Ik durf te zeggen dat het juist verstaan van dit begrip de sleutel is tot het begrijpen van de hele Schrift en van Gods plan met Zijn schepping. Redder van alle mensen! Paulus verklaart op een aantal plaatsen in zijn brieven wat zijn missie was als apostel. Juist ook in die Schriftplaatsen worden we gewezen op het geweldige evangelie dat Paulus onder de natiën bekendmaakte en waartoe Christus hem had afgevaardigd. Het was namelijk zijn missie om juist dit evangelie te verkondigen wat aan hem was toevertrouwd. Hij noemt het dan ook mijn evangelie (Rom.2:6, 16:25; 2 Tim.2:8). Alle mensen In het evangelie dat aan Paulus was toevertrouwd (Gal.2:7; 1 Tim.1:11) wordt geopenbaard dat God alle mensen op het oog heeft en met alle mensen tot Zijn doel komt. Daarom kunnen we het goede voor ogen hebben van alle mensen (Rom.12:17), voor zover het van ons afhangt, vrede hebben met alle mensen (Rom.12:18) en zachtmoedigheid betonen aan alle mensen (Tit.3:2). In 1 Timotheüs 2 moedigt Paulus aan om te bidden en 48 danken voor alle mensen, met name die in een hoge positie, zoals koningen en overheden (1 Tim.1:1-2). 1 Timotheüs 2 3 Want dit is ideaal en welkom voor het oog van God, onze Redder, 4 die wil, dat alle mensen gered worden en tot besef van de waarheid komen. God doet wat Hij verlangt Wij kunnen bidden en danken voor alle mensen, omdat God de Plaatser en Beschikker is van alles. Ook van overheden (Rom.13:1). En God wil dat alle mensen gered worden, wat hun positie ook is, en dat zij tot besef van die waarheid komen: dat God een Redder is en dat Hij alle mensen op het oog heeft. Nu zullen er ‘christenen’ zijn die zeggen: “Ja, dat wil God wel, maar dat gaat niet gebeuren, want …”. Wat er precies na ‘want’ gezegd wordt, doet er dan niet toe. Maar deze ‘christenen’ geven er blijk van, dat ook voor hen de ene God een onbekende God is, net als destijds de Atheners in Hand.17:5-34. Er is één God en die ene God kan en zál doen wat Hij wil. Jesaja 46 10 Ik, die vanaf het begin de afloop verkondig en vanouds wat nog niet geschied is; zeggende: Mijn raadsbesluit zal volbracht worden en Ik zal al Mijn verlangen doen. Eén God Alles wat God verlangt, zal Hij doen! Als God wil dat alle mensen worden gered, dan worden alle mensen gered. Want er is één God! 1 Timotheüs 2 5 Want er is één God en één middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, 49
Page 52
6 die Zichzelf geeft tot een losprijs voor allen; het getuigenis in eigen bestemde tijden. 7 Ik werd daartoe geplaatst als een heraut en een apostel (ik zeg de waarheid, ik lieg niet) een leraar van de natiën in geloof en waarheid. Losprijs voor allen De ene God gaat doen wat Hij verlangt en Hij heeft, om Zijn doel te bereiken, alles in handen van Zijn Zoon gegeven (Joh.3:35). Christus Jezus gaf Zichzelf als losprijs voor allen. Allen zijn door Hem gekocht en betaald. Dat is nog niet bij allen bekend en daarom staat er ook achter: het getuigenis in eigen bestemde tijden. Smaad Paulus werd apostel (>afgevaardigde) om deze boodschap te herauten en de natiën van dit geweldige evangelie op de hoogte te brengen. En hoe geweldig dit bericht ook is, het stuit altijd op weerstand. Het is een boodschap die niets vraagt van de mens en dat ligt niet lekker, vooral niet in de religieuze wereld. Paulus kon daar over meepraten. 1 Timotheüs 4 9 Betrouwbaar is het woord en alle verwelkoming waardig, 10 want hiervoor zwoegen wij en worden wij gesmaad … Een betrouwbaar woord Het evangelie dat Paulus onderwees, was alle verwelkoming waardig. Maar toch was het zwoegen (>hard werken) voor hem om het onder de mensen te verkondigen. Hij werd erom gesmaad. Sommige handschriften geven in plaats van gesmaad weer dat het een strijd was voor hem en dat lezen we ook elders in zijn brieven. En toch weerhield dat Paulus er niet van om deze boodschap bekend te maken. Want het woord dat hij doorgaf, was betrouwbaar. 50 Paulus gaf een bericht door dat hij rechtstreeks van Christus Jezus ontvangen had. En of men het er nu mee eens is of niet, of men het gelooft of niet, God zal Zijn woord waarmaken. 10 … dat wij onze hoop gevestigd hebben op de levende God, die de Redder is van alle mensen, vooral van gelovigen. De levende God Het betrouwbare woord dat alle verwelkoming waard is, is betrouwbaar omdat het woord van God Zélf is en daar had Paulus zijn verwachting (>hoop) op gevestigd. Dat woord is, dat God de Redder is van alle mensen. God gaat (uiteindelijk) alle mensen redden, daarvan is niemand uitgezonderd. Er staat ook dat Paulus zegt dat hij zijn hoop had gevestigd op de levende God en dat verklaart meteen waar God alle mensen van redt. Is immers het grootste probleem van de mens niet zijn vergankelijkheid? Wij sterven en gaan dood en daar redt God ons van. Dat doet Hij met alle mensen. God gaat alle mensen levend maken en onvergankelijk leven geven (1 Kor.15:22). Daarover later meer. Vertalingen Veel vertalingen verdraaien de tekst in 1 Timotheüs 4:10. De NBGvertaling maakt hier bijvoorbeeld van: die een Heiland is voor alle mensen, alsof het om een aanbod zou gaan. Maar er staat een 2e naamval en dat drukt een bezitsrelatie uit: de levende God is Redder van alle mensen. Ook de Telosvertaling moffelt de betekenis weg door te vertalen met: Onderhouder van alle mensen. In een voetnoot zegt de vertaler nog wel: elders vertaald met ‘Heiland’. De Nieuwe Wereldvertaling is misleidend: die een Redder is van alle soorten van mensen. 51
Page 54
De Statenvertaling geeft het juist weer: die een Behouder is aller mensen en ook de Herziene Statenvertaling geeft een correcte weergave: die een Behouder is van alle mensen. Redder van de wereld In Johannes 4 heeft Jezus een ontmoeting met een Samaritaanse vrouw bij een waterput. Zij herkent Hem als de Messias en gaat aan haar stadsgenoten vertellen dat zij een ontmoeting heeft gehad met de Christus (:29). De mensen gaan uit naar de waterput om Jezus te ontmoeten en luisteren naar wat Hij te zeggen heeft en ook zij geloven. Johannes 4 42 … en zij zeiden tegen de vrouw: Wij geloven niet meer om wat jij spreekt, want wij hebben Hem Zelf gehoord, en wij weten, dat Hij waarlijk de Redder van de wereld is, de Christus. Dit is een schitterend plaatje van onze tijd. De Heer is buiten het land Israël, en bevindt Zich onder de natiën (Kol.1:27). Daar wordt Hij (h)erkend als de Redder van de wereld! Fundamenteel De boodschap dat God de Redder is van alle mensen, is fundamenteel. God is de Redder van alle mensen en Hij is de Redder van de wereld. Het is geen aanbod, waarin de mens door zijn keuze de laatste hand heeft. Alles is Gods werk en de inbreng van de mens in zijn redding is nul. En dat is geen vrijblijvende boodschap, in de zin van: daar kun je anders over denken, de één vindt dit, de ander dat en dat is allemaal prima. Nee, Paulus zegt: 1 Timotheüs 4 11 Geef opdracht en onderwijs dit! 52 … vooral van gelovigen (1) Als Paulus in 1 Tim.4:11 zegt: “Beveel en leer dit!”, verwijst hij naar het voorgaande waarin hij zegt dat de levende God de Redder is van alle mensen. Maar dat is niet het enige, want hij voegt er aan toe: vooral van gelovigen. Ook dat aspect van Gods redding zou onderwezen worden. Malista God is de Redder van alle mensen. Niet iedereen gelooft dat nog, maar er zijn er die dit wel geloven. Zij hebben een bijzondere positie en mogen Hem nu al kennen. Vandaar dat Paulus toevoegt: vooral van gelovigen6. Het Griekse woord malista (G3122), dat vertaald is met vooral, wordt in de verschillende vertalingen weergegeven met: het meest, allermeest, inzonderheid, in het bijzonder, speciaal, enz. Allemaal woorden met een overeenkomende betekenis. De weergave met vooral is een mooie, omdat, als we deze heel letterlijk nemen, het precies zegt wat het betekent: voor-al. God is de Redder van alle mensen, maar vóórallen is er een bijzondere groep, die Hem nu al mag kennen. 1 Timotheüs 4 10 … dat wij onze hoop gevestigd hebben op de levende God, die de Redder is van alle mensen, vooral van gelovigen. Niet buitensluitend, maar insluitend Als ik dit vers citeer heb ik regelmatig als ‘tegenargument’ gekregen dat er weliswaar staat dat God de Redder is van alle mensen, maar dat erachter staat: vooral van gelovigen. Men leest dit dan alsof het vooral van gelovigen een beperking inhoudt en er zou staan dat God alleen gelovigen redt. Eigenlijk leest men: exclusief ongelovigen, alsof het gebruik van het woord vooral (>malista) een groep buitensluit. Maar het is juist een begrip dat 53
Page 56
insluitend is. Er wordt gesproken over een grote groep: alle mensen. Maar binnen die groep is er een deel dat een speciale positie heeft. Een paar voorbeelden uit de Schrift waar het woord malista ook wordt gebruikt: Galaten 6 10 Laten wij dus, als wij de gelegenheid hebben, goed doen aan allen, maar vooral voor de huisgenoten van het geloof. Filippenzen 4 22 Alle heiligen groeten jullie, maar vooral degenen, die van het woonhuis van de keizer zijn. 1 Timotheüs 5 8 Maar indien iemand voor zijn eigen mensen, en vooral voor zijn huisgenoten, niet zorgt, dan heeft hij het geloof geloochend en is hij erger dan een ongelovige. 2 Timotheüs 4 13 Als jij komt, breng dan de omslag mee, die ik in Troas bij Karpus achterliet, en ook de boekrollen, vooral de perkamenten. Deel van het geheel In al deze verzen is er sprake van een geheel: allen, alle heiligen, zijn eigen mensen en boekrollen. Maar binnen het geheel wordt een speciale groep aangewezen, die een bijzondere positie heeft. Malista benadrukt een bijzondere positie van een deel van het geheel, maar doet niets af aan wat aan de hele groep wordt toegekend. Integendeel, het onderstreept die juist. God is de Redder van alle mensen en er is een groep gelovigen die nu al hun vertrouwen daarop gesteld heeft. Deze mensen zijn nu al gered en hebben een bevoorrechte positie. 54 … vooral van gelovigen (2) God is de Redder van alle mensen, zegt Paulus in 1 Tim.4:10. Hij heeft alle mensen op het oog en zal met alle mensen tot Zijn doel komen. Verzoening, rechtvaardiging en levendmaking voor allen! Maar er is een bijzondere groep, die nu al deel heeft aan die redding en daarom zegt Paulus erachteraan: vooral van gelovigen. Geheim Maar wat betekent dit? Wat is die speciale positie van gelovigen in onze tijd? Daar zou een heel uitgebreid antwoord op gegeven kunnen worden, want hier spreken alle brieven van Paulus over. Paulus noemt dit het geheim(enis), of: de verborgenheid. De gelovigen uit de natiën in deze tijd, hebben de hoogste positie die God geeft. Zij delen namelijk in alles wat God aan Zijn Zoon, Christus Jezus, geeft. Nu nog ‘in geest’ (Ef.3:5-6) en dus verborgen, maar in de toekomst met Hem geopenbaard in heerlijkheid (Kol.3:4). Redding Redding heeft in de Schrift een bredere betekenis dan waarin wij het meestal toepassen. Zo kan een mens gered worden van ziekte (Matth.9:21-22; Marc.10:52), van zonde(n) (Matth.1:21; 1 Tim.1:15), van grote verdrukking (Matth.24:22), voor Zijn hemels Koninkrijk (2 Tim.4:18), voor de komende aeonen (Ef.2:78), enz. Maar altijd heeft het direct of indirect te maken met redden van vergankelijkheid en dood (Marc.5:23; Hebr.5:7; Matth.8:25; Hand.27:20). Nu God is de Redder van alle mensen. Hij gaat alle mensen onvergankelijk leven geven en redden van vergankelijkheid en dood (1 Kor.15:22; 2 Tim.1:10), maar gelovigen hebben die 55
Page 58
redding nu al ontvangen. Zij zijn samen met Christus opgewekt (Ef.2:7) en hebben dat nieuwe leven nu reeds ontvangen en mogen daarin wandelen (Rom.6:4). Zij die niet geloven, zullen worden levend gemaakt in onvergankelijkheid aan het einde van de aeonen (>tijdperken). Zij zullen geen deel hebben aan het Koninkrijk, niet op aarde (Matth.19:24-25, 24:13) en niet in de hemel (2 Tim.4:18; Kol.1:13). Zij zullen de komende aeonen ‘doorbrengen’ in de dood. Ook daarin zijn gelovigen dus bevoorrecht. Vóórdat allen worden levend gemaakt, delen zij al in het leven van de toekomende aeonen, dat is aeonisch leven. Dat wat meestal met ‘eeuwig leven’ wordt vertaald is het leven van die toekomende aeonen (>eeuwen), zie Luk.18:30. Daarom zegt Paulus in 1 Tim.4:10; vóóral van gelovigen. Voor-hoop Ook op andere plaatsen spreekt Paulus hierover. Zo heeft hij het in Ef.1:12 letterlijk over wij, die een voor-hoop hebben in Christus. In dit gedeelte staat ook wat ons deel en onze taak is in de toekomende tijdperken. Efeze 1 8 In alle wijsheid en verstandigheid 9 maakt Hij aan ons het geheim van Zijn wil bekend, naar Zijn welbehagen, dat Hij Zich voornam in Hem, 10 tot beheer van de volheid van de tijdperken, het al onder één Hoofd samen te brengen in de Christus, zowel wat in de hemelen als wat op de aarde is. 11 In Hem, in wie ook ons lotsdeel werd toebedeeld, naar het voornemen van Hem, die alles inwerkt naar de raad van Zijn wil. 12 opdat wij zouden zijn tot lof van Zijn heerlijkheid, wij, die een vóór-hoop hebben in de Christus. 56 Het geheim van Gods wil Paulus maakt hier het geheim van Gods wil bekend. Totdat Paulus dit openbaarde, was het verborgen gebleven. God gaat ter completering van de tijdperken het (heel)al samenbrengen onder de Christus. Alles in de hemelen en op aarde zal aan Hem onderschikt worden. Dat op zich was geen geheim, want dat vinden we al in de Hebreeuwse bijbel. Maar wat Paulus onthult en wat tot dan toe verborgen was gebleven, is dat de Christus niet alleen Christus Jezus betreft, maar allen die Hem nu toebehoren. Zij zijn de ecclesia, het lichaam van Christus (Ef.1:22-23) en delen in alles wat aan Hem beloofd is (Ef.3:6). Ook dat is dus een voorrecht van degenen die nu al geloven, of zoals Paulus het zegt in Ef.1:12: wij, die een vóór-hoop hebben in de Christus. Als Christus de dood teniet gaat doen (1 Kor.15:26; 2 Tim.1:10) en allen gaat redden, zullen zij die behoren tot het lichaam van Christus in dat werk betrokken zijn. Hem tegemoet Voordat Gods oordelen over deze aarde komen, zullen wij van de aarde weggerukt worden en Hem tegemoet gaan in de lucht. Met het nieuwe lichaam dat wij ontvangen, zullen we vanaf dat moment altijd samen met Hem zijn (1 Thess.4:17). Ook hierbij geldt: … vooral van gelovigen, want de wegrukking is een redding uit de toekomende toorn (1 Thess.1:10, 5:9; Opb.12:5, 12). Wij verwachten onze Redder. Filippenzen 3 20 Want ons burgerschap is in de hemelen, van waaruit wij ook de Redder verwachten, de Heer Jezus Christus, 21 die het lichaam van onze vernedering zal veranderen, gelijkvormig aan het lichaam van Zijn heerlijkheid ... 57
Page 60
Wegrukking Onze Redder, Christus Jezus, komt om ons vernederd lichaam te veranderen en het gelijkvormig te maken aan Zijn verheerlijkt (opstandings)lichaam! Dat is het moment van de wegrukking waarnaar wij uitzien. Wij zullen als eerstelingen worden levend gemaakt, zoals de eerstelingen van de oogst ook altijd een aparte positie hebben: … vooral van gelovigen. Daarna zal de volledige oogst volgen en zal er niemand ontbreken, want God is de Redder van alle mensen! 2 Thessalonicenzen 2 13 Maar wij zijn verschuldigd God altijd voor jullie te danken, door de Heer geliefde broeders, dat God jullie als eerstelingen heeft verkozen tot redding, in heiliging van geest en in geloof van waarheid. Allen gerechtvaardigd (1) De Romeinen-brief is de eerste brief in ons ‘nieuwe testament’. Het is een fundamentele uiteenzetting van het evangelie van God (1:1). Letterlijk fundamenteel, omdat het de basis vormt voor al het verdere onderwijs van de apostel Paulus. Meteen in het begin zet Paulus in een paar zinnen neer wat dat goede bericht is dat hij bekendmaakt. Door de tussenzinnen weg te laten, zien we wat de essentie is van het evangelie. Romeinen 1 1 Paulus, een slaaf van Christus Jezus, een geroepen afgevaardigde, afgezonderd tot het evangelie van God, ... 3 aangaande Zijn Zoon ... Aangaande Zijn Zoon Het evangelie van God betreft Zijn Zoon! Dat is goed om te beseffen voordat je de Romeinen-brief (en alle andere brieven) leest. Het evangelie gaat niet over ons, ook niet in de 58 tussenzinnen, die ik hierboven heb weggelaten. Het evangelie van God gaat over Zijn Zoon. Natuurlijk worden wij daar in betrokken, maar wij zijn daarin zogezegd ‘lijdend voorwerp’ en passief. Er is niets van onszelf wat bijdraagt aan onze redding, rechtvaardiging, enz. De mensheid Eerst schetst Paulus in de Romeinen-brief de positie van de mensheid als geheel in 1:18-3:20. De mensheid is onder de toorn van God (1:18) en onder Gods oordeel (2:1). Dit geldt niet alleen de natiën, maar ook de Joden (2:12-2:24). Romeinen 3 4 ... God is waarheidsgetrouw en ieder mens een leugenaar, zoals er geschreven staat: Zodat u gerechtvaardigd zal worden in uw woorden; en: u zal overwinnen wanneer u geoordeeld wordt. ... 9 Wat dan? Zijn wij bevoorrecht? Volstrekt niet! Want wij beschuldigen tevoren zowel Joden als Grieken, dat zij allen onder de zonde zijn, 10 zoals er geschreven staat: Niemand is rechtvaardig, zelfs niet één. 11 Er is niemand die verstandig is. Er is niemand die God zoekt. 12 Allen zijn zij afgeweken, tezamen werden zij onbruikbaar. Er is niemand, die doet wat goed is, zelfs niet één. 13 Hun keel is een geopend graf, met hun tong plegen zij bedrog, addergif is onder hun lippen. 14 Hun mond is boordevol verwensing en bitterheid. 15 Hun voeten zijn scherp om bloed te vergieten. 16 Vernieling en ellende zijn op hun wegen, 17 en de weg van vrede kennen zij niet. 18 Er is geen vrees voor God voor hun ogen. 59
Page 62
Zwart-wit Zonder enige nuance wordt hier de positie van de mensheid als geheel geschilderd. Gelukkig is een mens in de praktijk nog wel in staat om goede en rechtvaardige dingen te doen. Gods licht is zo sterk dat zelfs in deze boze aeon, waar de god van deze aeon het denken verduistert (2 Kor.4:4), Zijn licht nog schijnt. Maar daar gaat het hier niet over. In de absolute zin is er niemand goed en niemand rechtvaardig. De mens komt tekort. Paulus stelt het zwart-wit om het contrast neer te zetten. Zo tekent hij de gitzwarte achtergrond, waartegen hij het evangelie laat schitteren. De grote ommekeer vindt plaats in Romeinen 3: 21 Nú echter, los van wet, is rechtvaardigheid van God openbaar gemaakt, waarvan de wet en de profeten getuigen, 22 rechtvaardigheid van God echter, door het geloof van Jezus Christus, tot in allen die geloven, want er is geen onderscheid. Maar nú! Nú echter! Tegenover de donkere achtergrond van de positie van de mensheid, ook van degenen onder de wet, openbaart God Zijn rechtvaardigheid. Dat doet Hij los van wet (>werken van de mens), maar toch geeft de wet daar al wel getuigenis van. Gods rechtvaardigheid is dat Hij recht doet aan Zijn beloften en aan Zijn woord. God vervult wat Hij eerder heeft beloofd, onafhankelijk van de (wan)daden van de mens. Het geloof van Jezus Christus Deze rechtvaardigheid van God, is door het geloof van Jezus Christus. Verreweg de meeste vertalingen geven hier weer met “geloof in Jezus Christus”, maar dan zou een deel van onze rechtvaardiging toch in onszelf gevonden worden, of door onszelf bewerkt zijn. Het is het geloof van Jezus Christus. God doet recht aan Zijn beloften en Jezus Christus heeft Zichzelf daaraan 60 toevertrouwd. Hij heeft Zich overgegeven en is gehoorzaam geworden tot de dood (Fil.2:9). God zou Hem opwekken en via Hem aan de wereld het leven geven. Dat geloofde Hij en daarom ging Hij die weg. Tot in allen die geloven Door het geloof van Jezus Christus komt het tot in allen die geloven. Treffend is het voorzetsel dat Paulus hier gebruikt: tot in. Dat betekent dat het binnenkomt bij allen die geloven. Het evangelie (>goed bericht) wordt natuurlijk pas beleefd en geleefd wanneer het ook daadwerkelijk geloofd wordt. En allen zullen geloven (Fil.2:10-11). Romeinen 3 23 want allen zondigden en hebben tekort van de heerlijkheid van God, 24 en worden (om niet) gerechtvaardigd in Zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is. Allen worden gerechtvaardigd Romeinen 3 gaat over de mensheid als geheel, zo zagen we in vers 4-18: allen zijn onder de zonde en allen zijn afgeweken. Ook hier, in vers 23, gaat het over het geheel: allen hebben tekort van de heerlijkheid van God. Maar zij worden om niet gerechtvaardigd in Zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is. Allen worden gerechtvaardigd! De mensheid is volkomen ongeschikt en niet in staat om zichzelf te redden of rechtvaardigen. Maar het evangelie van God betreft Zijn Zoon. Hij is de Rechtvaardige en Hij is de Redder. Van allen, want het is om niet en in Zijn genade! 61
Page 64
Allen gerechtvaardigd (2) In het begin van de Romeinen-brief schildert Paulus de hopeloze situatie van een mensheid zonder God. Zowel van de seculiere als de godsdienstige(!) wereld. Het is God, die dit probleem oplost door Zijn Zoon Jezus Christus en allen rechtvaardigt. Rechtvaardiging betekent: vrijspreken, onschuldig verklaren. In Romeinen 5 zet Paulus dit verder uiteen en zet Adam en Christus naast, en tegenover elkaar. Adam is een type (>voorbeeld) van Christus (Rom.5:14), die dan ook de laatste Adam wordt genoemd (1 Kor.15:45). Romeinen 5 18 Dus dan, zoals het door één misstap voor alle mensen tot veroordeling is, zo is het ook door één rechtvaardige daad voor alle mensen tot rechtvaardiging van leven. Adam en Christus Door één misstap van Adam kwam de zonde de wereld binnen (:12). Alle mensen werden zondaren en stervelingen: door één misstap voor alle mensen tot veroordeling. Maar evenzo is het door één rechtvaardige daad van Christus voor alle mensen tot rechtvaardiging van leven. Hij ging de weg van geloof en werd opgewekt uit de dood. Daardoor wordt elk mens gerechtvaardigd en levend gemaakt. Eén voor allen De eerste overeenkomst tussen Adam en Christus is dat het in beide gevallen één mens betreft. En Adam en Christus staan beiden model voor de hele mensheid: alle mensen, dat is de tweede overeenkomst. De tegenstellingen tussen beiden zijn natuurlijk de misstap van Adam tegenover de rechtvaardige daad (>rechtvaardigheid) van Christus en veroordeling tegenover 62 rechtvaardiging. Het is een messcherpe vergelijking die geen ruimte laat voor interpretatie of andere uitleg. Harmonie Mensen die niet kunnen of willen geloven dat God allen rechtvaardigt, verwijzen naar het volgende vers. Daar zou dan staan dat God niet allen rechtvaardigt. Maar als dat zo is, dan is de Schrift niet in harmonie met zichzelf en spreekt ze zichzelf tegen. Sterker nog, Paulus ontkent dan in één pennenstreek wat hij net daarvoor glashelder meedeelt. Maar Paulus spreekt zichzelf niet tegen, men leest slecht. Romeinen 5 19 Want evenals door de ongehoorzaamheid van de éne mens de velen worden gesteld tot zondaren, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van de Éne de velen tot rechtvaardigen gesteld worden. Nog een vergelijking Ook hier vinden we eenzelfde vergelijking als in vers 18, met twee overeenkomsten tussen Adam en Christus en twee tegenstellingen. Door één mens werden de velen tot zondaren gesteld en zo ook, worden door de Éne de velen tot rechtvaardigen gesteld. Één mens is in beide gevallen de bron, de velen zijn het doel of de bestemming. De tegenstellingen zijn: zondaren tegenover rechtvaardigen en ongehoorzaamheid tegenover gehoorzaamheid. En let op, de velen is niet iets anders dan allen. Allen betreft velen. Bij allen gaat het om iedereen, niemand uitgezonderd. Bij velen ligt de nadruk op het grote aantal. Dat er staat de velen, veronderstelt dat de groep bekend is. Het is namelijk de groep van alle mensen uit vers 18. 63
Page 66
Jesaja Romeinen 5:19 is een aanhaling uit Jesaja 53, een bekend hoofdstuk dat handelt over het lijden en sterven dat over de Messias zou komen, maar óók over Zijn opstanding en wat dat geweldige feit zou bewerken. Hoewel Hij zou lijden en sterven (:8-10), zou Hij ook zaad zien, dagen verlengen en het verlangen van JAHWEH zou voorspoedig zijn in Zijn hand (:10). Sprekend van het nieuwe leven dat Hij aan het licht zou brengen en zou delen. Jesaja 53 11 Om de arbeid van Zijn ziel zal Hij het zien en Hij zal verzadigd worden. In Zijn kennis zal Mijn rechtvaardige Dienaar de velen rechtvaardigen en met hun verdorvenheden zal Hij belast worden. Allen! De Messias zou verzadigd worden in het uitvoeren van Gods verlangen. Jesaja was een profeet die zich richtte tot Israël, meer specifiek tot Juda (1:1). De velen is een term die kan wijzen op heel Israël. Maar Paulus opent wat in Jesaja nog verborgen lag. De velen die gerechtvaardigd worden zijn alle mensen! Allen levend gemaakt In de Romeinen-brief zagen we al in de vergelijking die Paulus maakt tussen Adam en Christus, dat allen zullen worden gerechtvaardigd. Daar staat nog iets bij: voor alle mensen tot rechtvaardiging van leven (5:18). Dat allen worden gerechtvaardigd betekent dat allen zullen worden vrijgesproken en onschuldig verklaard. En wanneer de dood teniet gedaan is, zullen allen ook leven. In Romeinen 5 ligt de nadruk op de rechtvaardiging van allen. In 1 Korinthe 15 geeft Paulus ook een vergelijking tussen Adam en Christus. Dit hoofdstuk gaat over 64 opstanding, dus de vergelijking hier vermeldt de levendmaking van allen. Geen opstanding? De aanleiding voor het schrijven van dit hoofdstuk was dat sommige Korinthiërs zeiden dat er geen opstanding is (:12). Paulus laat zien hoe dwaas deze redenering is. Dan is namelijk zijn verkondiging en hun geloof leeg (:14) en Paulus’ prediking een leugen (:15). De Korinthiërs zijn dan nog in hun zonden (:17) en degenen die ontslapen zijn in Christus gingen verloren (:18). 1 Korinthe 15 20 Maar nu: Christus is opgewekt uit de doden, als Eersteling van degenen die ontslapen zijn. Eersteling Christus is opgewekt uit de doden, als Eersteling. Een Eersteling is de eerste vrucht van de oogst. Die is, zoals het woord zegt, de eerste, maar houdt de belofte in dat de rest zal volgen. Dat geschiedt in fases en deze volgorde bespreekt Paulus dan ook in vers 23-24. Het is belangrijk dat Paulus hier stelt dat Christus de Eersteling is. Er zijn immers eerder ook al mensen opgewekt uit de dood, maar zij stierven weer. Denk aan Lazarus, het dochtertje van Jaïrus en de jongeling van Naïn. Christus is onvergankelijk opgewekt, de dood heeft geen heerschappij meer over Hem (Rom.6:11). Hij is opgewekt in onvergankelijkheid, heerlijkheid en kracht (1 Kor.15:42-43). 1 Korinthe 15 21 Want daar immers door één mens de dood er is, is er ook door één Mens de opstanding van doden. 65
Page 68
Door één Mens Eerder zagen we al hoe Paulus in Romeinen 5 uiteenzet dat door één mens, Adam, dood en zonde de mensenwereld binnenkwam. De hele mensheid heeft hier deel aan via Adam. Geen ontkomen aan. De opstanding van doden is er ook door één Mens, Christus. In vers 22 wordt dan weer een soortgelijke vergelijking gemaakt als in Romeinen 5: 22 Want net zoals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. Allen levend gemaakt De formulering uit vers 21 wordt nader uitgewerkt en toegelicht: want net zoals. De dood is er door één mens (:21): want net zoals in Adam allen sterven. Ook hier geldt weer: geen ontkomen aan, we zijn allemaal stervelingen. Maar: zó zullen ook in Christus allen worden levend gemaakt. Net zo’n scherpe vergelijking als in Rom.5:18. Adam staat model voor de mensheid en neemt allen mee in dood en sterfelijkheid. Zo ook neemt Christus diezelfde mensheid mee in leven en onvergankelijkheid, want daar gaat het hier over. Het is het leven van Christus, de Eersteling. Hoe dat gebeurt, lezen we een aantal verzen verder. 1 Korinthe 15 26 De laatste vijand, de dood, wordt teniet gedaan. Geen dood meer De dood wordt teniet gedaan, buiten werking gesteld. Er zal dus geen dood meer zijn. Dat kan alleen als er geen enkel mens is die zich nog in de dood bevindt. Elk mens zal worden levend gemaakt in onvergankelijkheid! 66 2 Timotheüs 1 10 … onze Redder, Christus Jezus, die de dood teniet doet en leven en onvergankelijkheid aan het licht brengt door het evangelie. De verzoening van de wereld Alle mensen worden gered, gerechtvaardigd en levend gemaakt. Deze begrippen impliceren natuurlijk dat van alle mensen ook de gezindheid of houding wordt veranderd. Immers, wie is levend gemaakt, ontvangt een onvergankelijk lichaam. De dood is teniet gedaan, dus de dood heeft geen invloed meer op het opstandingslichaam en tevens de zonde is daar niet meer (Matth.1:21; Rom.5:12). Dat veronderstelt dat de mens in harmonie zal leven met zijn Schepper en met elkaar. Verandering Er is een begrip dat Paulus in zijn brieven gebruikt dat die verandering in positie en houding beschrijft. De mensheid staat vijandig tegenover God en is van God vervreemd (Ef.4:18; Kol.1:21). God verandert deze positie. Deze verandering in de verhoudingen heet verzoening. Vijandschap wordt veranderd in vrede, vijanden en vervreemden worden één gemaakt (Ef.2:14-15) en worden liefhebbers van God en elkaar. De reikwijdte van die verzoening betreft ook alle mensen, de gehele wereld. Later zullen we nog zien dat dit zich nog verder uitstrekt dan de zienlijke wereld. Verzoening De enige in het nieuwe testament die spreekt over het begrip verzoening is Paulus. De apostel van de natiën maakt bekend dat Israël als volk vanwege hun misstap, tijdelijk terzijde staat en 67
Page 70
redding nu naar de natiën is gegaan. In deze tussentijd is het de boodschap van Paulus die verkondigd wordt. Romeinen 11 12 Indien nu hun misstap de rijkdom van de wereld is en hun vermindering de rijkdom van de natiën, hoeveel te meer hun volheid! … 15 Want indien hun verwerping de verzoening van de wereld is, wat is hun aanneming anders dan leven uit de doden? Het herstel van Israël Deze twee verzen lopen parallel. Het ‘want’ in vers 15 laat zien dat dit vers een toelichting is op vers 12. Hun misstap en vermindering komen overeen met hun verwerping. Hun volheid komt overeen met leven uit de doden. Dit laatste verwijst naar het herstel van Israël in de toekomst. Israël is gestruikeld, maar niet (definitief) gevallen (Rom.11:11) en God heeft hen niet verstoten (Rom.11:1). Israëls huidige positie wordt uitgebeeld als in de dood en het volk zal daaruit herleven, zie bijvoorbeeld het visioen van het dal van de dorre doodsbeenderen in Ezechiël 37. Of Hosea 6:1-2, dat ook handelt over het herstel van Israël. God verzoent In deze onderbreking in Gods handelen met Israël, heeft God de apostel Paulus geroepen om het evangelie bekend te maken van de verzoening van de wereld! God stuurde Zijn Zoon naar deze wereld en Hij werd vermoord door die wereld. Hij stierf voor Zijn vijanden. Deze daad van ultieme vijandschap van de wereld, beantwoordt God in liefde door Zijn, door de wereld vermoorde, Zoon op te wekken en diezelfde wereld daardoor het leven te geven. Dit is het bewijs van Gods onvoorwaardelijke liefde voor Zijn Schepping, dat uiteindelijk elk hart zal veranderen. 68 Verzoening is dan ook geen daad van de mens, het is God, die in Christus deze wereld met Zichzelf verzoent. 2 Korinthe 5 18 Echter dit alles is uit God, die ons met Zichzelf verzoent door Christus en aan ons de bediening van de verzoening geeft, 19 dat is, dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was en aan hen hun misstappen niet toerekent en het woord van de verzoening in ons plaatst. Elke knie zal buigen Eerder lazen we dat aan Paulus het evangelie van de verzoening van de wereld is toevertrouwd en dat het God is, die in Christus de wereld met Zich verzoent. Verzoening betekent een verandering: de vijandschap wordt beëindigd. Mensen of wezens die eerst vijanden waren en vervreemd waren van God, worden liefhebbers. Paulus is de enige in het nieuwe testament die het begrip verzoening gebruikt. De Griekse woorden die hij optekent en die vertaald worden met verzoening (katallasso, G2644) en apokatallasso, G604), bevatten een woord dat veranderen (allasso, G236) betekent en dat eveneens voorkomt in de Schrift, onder andere in 1 Kor.15:51-52. Gedwongen? Die verandering zien we ook in Filippenzen 2, waar Paulus zegt dat elke knie zich zal buigen en elke tong zal belijden dat Jezus Christus Heer is. Ook elders getuigt hij hiervan (Rom.14:11). Velen vatten dit op als een gedwongen buigen, een geforceerde belijdenis aan God van (onveranderde!) vijanden. Maar wat zegt de tekst van dit gedeelte in Filippenzen precies? 69
Page 72
Filippenzen 2 10 … opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, 11 en alle tong van harte6 zou belijden dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God, de Vader. Vrijwillig en van harte Wie de tekst leest en daarbij kennisneemt van wat Paulus zegt over de verzoening van de wereld, zal het argument dat het hier gaat om een afgedwongen belijdenis en een verplicht buigen niet kunnen volhouden. Ik noem graag een aantal overwegingen waarom het buigen van de knieën en het belijden van Jezus Christus als Heer in Fil.2:10 een vrijwillig buigen is van mensen die overtuigd zijn en in geloof de knieën buigen. 1. De oproep van Paulus aan de Filippenzen in dit hoofdstuk is gezind te zijn als Christus Jezus (:5). Christus Jezus deed geen aanspraak op Zijn goddelijke afkomst als Zoon van God, maar ontledigde Zichzelf en nam de gestalte van een slaaf aan. Hij ging Zijn weg in gehoorzaamheid tot de dood van het kruis (:6-8). Wij zouden aan deze gezindheid van Zijn onderschikking aan Zijn Vader een voorbeeld nemen (lees ook Fil.2:1-4). Dat is een hele andere gezindheid dan de gezindheid van een dictator die, met de voet in de nek van zijn onderworpen vijanden, een gedwongen belijdenis afneemt en ze daarna alsnog doodt of andere dingen aandoet. Dát was namelijk de gezindheid van iemand als Nebukadnezar (Dan.3:6,19). Hoewel je van Nebukadnezars instelling nog kunt zeggen dat hij zei: het is buigen __________________________________ 6 Nadere uitleg vanuit de Griekse grondtekst over de woorden van harte belijden (ex-omologeo), zie: pag. 72, punt 3, alinea 3. 70 óf barsten. Als je buigt word je niet gedood. Terwijl men Christus aanwrijft dat Hij veel van Zijn onderdanen zal laten buigen en vervolgens tóch zal laten barsten. Daarna doodt Hij deze vijanden namelijk alsnog, of nog erger, zo beweert men … 2. “Opdat in de naam van Jezus” uit Fil.2:10, verwijst terug naar vers 9 waar staat: “Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de Naam boven alle naam geschonken”. Christus Jezus ging Zijn weg in geloof en ontving daardoor de Naam boven alle naam. De Naam boven alle naam is JAHWEH, in onze bijbelvertalingen meestal vertaald met de naam des Heeren (o.a. Ex.3:15, Deut.6:4). Jezus betekent dan ook JAHWEH redt. Elke knie zal buigen in de naam van “JAHWEH redt” en dus buigt elke knie zich in de naam van de Redder! 3. Het Griekse woord dat in de meeste vertalingen is vertaald met belijden, had prima vertaald kunnen worden met van harte belijden. Het woord dat gebruikt wordt, is ex-omologeo. Ex betekent: van binnen naar buiten, zoals bij explosie, expansie, enz. Het woord omologeo betekent belijden, hetzelfde zeggen. Hoe belijdt een mens van binnen naar buiten? Wat is het binnenste van een mens? Het hart! Van harte belijden, is dus een goede vertaling voor dit woord. Waar het hart vol van is, loopt de mond van over (Matth.12:35; Luk.6:45). Het woord ex-omologeo komt nog op 9 andere plaatsen voor in de bijbel (Matt. 3:6, 11:25, Marc. 1:5, Luk. 10:21, 22:6, Hand. 19:18, Rom. 14:11, 15:9 en Jak. 5:16). Het heeft altijd de betekenis van een positief belijden, van binnenuit. Elke tong zal van harte (dat is: uit het hart) belijden! 71
Page 74
4. Elke tong zal van harte belijden dat Jezus Christus, Heer is. Wie iemand als Heer erkent, geeft hiermee aan dat hij ondergeschikt is aan die Heer. Die Heer is Heerser en Hij is Eigenaar. Christus is Heer van allen (Hand.10:36, Rom.10:12). In Filippenzen 2 wordt beschreven dat elk schepsel tot deze erkenning zal komen! 5. De belijdenis dat Jezus Christus Heer is, kan alleen door heilige geest, leert de Schrift. 1 Korinthe 12:3 zegt: “niemand kan zeggen: Jezus is Heer, dan door de Heilige Geest”. Als elke tong belijdt dat Jezus Christus, Heer is, is dit een belijden vervuld door Zijn geest en in geloof. 6. De bijbel leert dat al wie de naam van de Heer aanroept, gered zal worden (Rom.10:13). Elke tong zal die naam aanroepen en zal worden gered! God is de Redder van alle mensen (1 Tim.4:10). 7. De belijdenis van Jezus Christus als Heer, is tot eer/heerlijkheid van God de Vader. Een “afgedwongen belijdenis” is weinig eervol. Slechts wanneer elk schepsel God de Vader van harte toejuicht dat Jezus Christus Heer is, is Zijn doel bereikt en is dat Zijn heerlijkheid! God is de Ene God en Vader van allen (Ef.4:6, Ef.3:15). Het zal tot Zijn eer zijn als al Zijn schepselen dat van harte belijden! Elke knie en elke tong Eerder schreef ik over de woorden van Paulus in Filippenzen 2, waar hij het uiteindelijke en universele “Halleluja” beschrijft dat gaat plaatsvinden aan het einde van de aeonen, de wereldtijdperken. Dan zal elke knie zich buigen en elke tong zal van harte belijden dat Jezus Christus Heer is! Dat daar niets en niemand van uitgesloten is, wordt nog eens bevestigd doordat 72 Paulus aan deze woorden toevoegt: “van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn” (Fil.2:10). Jesaja 45 De woorden waaraan Paulus deze verzen ontleent, komen oorspronkelijk uit Jesaja 45. Dit is een geweldig hoofdstuk dat spreekt van de Éne God en het beschrijft Zijn soevereiniteit en exclusiviteit. De Ene God is Schepper van alles! Buiten Hem is er geen God (:5), Hij formeert licht en schept duisternis. Hij maakt vrede en schept kwaad (:7), alles is Zijn werk. En dat geeft rust, want dat betekent dat alles in Zijn goede handen is en alles wat er plaatsvindt onder Zijn controle is en past binnen Zijn plan. God is in Jesaja 45 de God van Israël (:11,15), maar in dit hoofdstuk vinden we al meerdere aanwijzingen dat Gods plan Zijn hele schepping omvat (:12,18). Deze God is een rechtvaardig God, dat wil zeggen: een God die recht zal doen en alles zal rechtzetten wat krom is (:21). En Hij is ook een Redder (:21). Jesaja 45 22 Wend je om tot Mij en wordt gered, alle einden van de aarde, want Ik ben God, en niemand meer. 23 Ik zweer bij Mijzelf, er is een woord van rechtvaardigheid uit Mijn mond gegaan, en het zal niet terugkeren: dat tot Mij alle knie zal buigen en alle tong zal zweren. 24 Ja, in JAHWEH, zo zegt men tot Mij, zijn rechtvaardig-heden en sterkte. Tot Hem zal men komen; en zij zullen beschaamd staan allen, die tegen Hem ontstoken zijn. 25 In JAHWEH worden zij gerechtvaardigd, en het gehele zaad van Israël zal lofprijzen. 73
Page 76
Beschaamd “EN zij zullen beschaamd staan allen, die tegen Hem ontstoken zijn …”, zegt vers 24. Zowel de NBG-vertaling als de Statenvertaling geven hier ten onrechte weer ‘MAAR zij zullen beschaamd worden …’. Ze leggen hiermee een tegenstelling in de tekst die er niet staat. Allen die de knieën zullen buigen (:23) zullen tot Hem komen (:24) en zij zullen beschaamd worden allen, die tegen Hem ontstoken zijn. Allen zullen de knieën buigen en onder hen zullen er zijn die beschaamd zullen worden. Zij zullen zien wie hun Redder is. Alle mensen die zich tegen God hebben afgezet, vijandig stonden ten opzichte van Hem, zij die niet geloven dat Hij werkelijk goed is en een plan heeft met heel Zijn schepping en zij die God wantrouwen; zij zullen beschaamd worden. Zij zullen de knieën buigen en met de tong Hem belijden. En zij zullen gerechtvaardigd worden, zegt vers 25! Hier in Jesaja spreekt het van het gehele zaad van Israël, dat wil zeggen: heel het nageslacht van Israël. Paulus mocht als apostel van de natiën verder zien en hij haalt de profetie van Jesaja 45 aan in Fil.2:10-11 en Rom.14:11 en past deze toe op de natiën. Zodat we zeker mogen weten: elke knie en elke tong! De verzoening van het heelal (slot) We zagen eerder al dat God de Redder is van alle mensen en dat alle mensen zullen worden levend gemaakt en gerechtvaardigd. Dat spreekt specifiek over de mensenwereld. Maar als Paulus in Filippenzen 2 verklaart dat elke knie zal buigen, spreekt hij van hen “die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn”. 74 Dit gaat verder dan de mensenwereld, want ook de geestelijke machten, die nu nog in de hemelen zijn (Ef.6:12; 2:2), zullen hun knieën buigen. Deze geestelijke machten worden boosaardige geestelijke machten genoemd, omdat zij vijandig staan tegenover God (Ef.6:12). Het betekent dat God ook deze machten met Zich gaat verzoenen. Dat wil zeggen: hun vijandschap omkeren. Eerder zagen we al dat God de (mensen)wereld met Zich verzoent (Rom.11:15; 2 Kor.5:19), maar daar blijft het niet bij. God gaat heel Zijn schepping (het heelal) met Zich verzoenen. De Eerste Dit doet God door Zijn Zoon. Hij is aangesteld als Hoofd van deze hele schepping. Dat wil zeggen dat Hij de Eerste is, of de Eerstgeborene. Een term die rangorde aanduidt. Er is geen ander hoofdstuk dat dit zo magistraal onder woorden brengt als Kolossenzen 1. Kolossenzen 1 15 Hij is de afbeelding van de onzichtbare God, de Eerstgeborene van de gehele schepping. 16 Want in Hem wordt het alles geschapen, in de hemelen en op de aarde, het zichtbare, en het onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij autoriteiten; het alles is door Hem en tot Hem geschapen … Het heelal “Het al” of “het alles” is in Hem geschapen en uit het verband blijkt waar dit over gaat: de gehele schepping. Daarin is natuurlijk niets uitgezonderd. Hoewel uit deze termen blijkt dat het om alles gaat, wordt er aan toegevoegd in de hemelen en op de aarde. En ook dat 75
Page 78
dit het zichtbare en het onzichtbare betreft en dat het elke macht inhoudt die wij kennen. Kolossenzen 1 17 … en Hij is vóór alles en alles heeft samenhang in Hem. 18 En Hij is het Hoofd van het lichaam, van de ecclesia. Hij is het begin, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in alles de Eerste zou zijn. Gesteld boven alles Hij is het begin, de Eerstgeborene en vóór alles. Hij heeft de Naam ontvangen boven alle naam (Fil.2:9) en is gesteld boven elke macht en overheid. Maar Hij is ook het Hoofd van het lichaam, de ecclesia. Dat betekent dat de ecclesia, die Hij Zich nu verzamelt, deelt in die positie. Christus is gesteld over alles en wij delen daarin, als Zijn lichaam! 19 Want de gehele volheid heeft een welbehagen om in Hem te wonen … De volheid van God De gehele volheid waarover hier gesproken wordt, is de volheid van God. In Kolossenzen 2:9 zegt Paulus: “want in Hem woont de gehele volheid van de Godheid op lichamelijke wijze”. God openbaart Zich in Zijn Zoon en die openbaring is compleet. In Kolossenzen 2 waarschuwt Paulus voor filosofie en andere overleveringen van mensen. Er waren predikers die de Kolossenzen wilden wijsmaken dat zaken als filosofie en andere menselijke overleveringen ook een plek hebben naast Christus en iets toe te voegen hebben. Daartegen protesteert Paulus. In Christus woont heel Gods volheid en daar is niets aan toe te voegen. Óók zegt hij dat in Hem de volheid van de Godheid 76 “lichamelijk” of “op lichamelijke wijze” woont: een verwijzing naar Hoofd én lichaam (1:18). Kolossenzen 1 20 … en door Hem te verzoenen het alles, tot in Hem, hetzij wat op de aarde is, hetzij wat in de hemelen is, vrede makende door het bloed van Zijn kruis. Vrede makend God heeft er een welbehagen (>plezier) in om door Zijn Zoon het heelal te verzoenen. Ook hier staat er weer achter: hetzij wat op de aarde is, hetzij wat in de hemelen is. Dit gaat dus niet alleen over de mensenwereld, maar over de hele schepping, waarin tevens een, voor ons onzichtbare, wereld is met geestelijke machten. Elk schepsel zal met God verzoend worden! In dit vers wordt een min of meer synoniem van verzoening genoemd: vrede maken. Wanneer partijen worden verenigd of eengemaakt, heet dat vrede maken, of verzoenen (zie ook Ef.2:1416). De hoop van het evangelie Deze verzoening van het (heel)al noemt Paulus een aantal verzen verder de hoop van het evangelie (1:23). Het is de verwachting voor heel de schepping en elk schepsel dat zij verzoend worden met God. De vijandschap zal veranderd worden in liefde en elke knie zal buigen en elke tong zal belijden dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God, de Vader! 77
Page 82
Wie van ons het nieuws leest, ziet en hoort over alles wat er in de wereld gaande is, zal zich vast wel eens afvragen: hoelang nog? En wat staat ons allemaal te wachten, voordat alle leden van de uitgeroepen gemeente van aarde weggerukt worden? Wij zien de almaar toenemende chaos, rampspoed en misdadigheid in de wereld. Wat hier uiteengezet wordt, dient tot troost en tot bemoediging, vooral voor wankelmoedigen.

De gemeente in haar laatste aardse dagen


Page 0
Page 6
VOORWOORD Wie van ons het nieuws leest, ziet en hoort over alles wat er in de wereld gaande is, zal zich vast wel eens afvragen: hoelang nog? En wat staat ons allemaal te wachten, voordat alle leden van de uitgeroepen gemeente van aarde weggerukt worden? Wij zien de almaar toenemende chaos, rampspoed en misdadigheid in de wereld. Maar ook al zou het allemaal rozengeur en maneschijn zijn – wie zou niet voor altijd samen met onze Heer en Redder willen zijn? Wat hierna uiteengezet wordt, dient tot troost en tot bemoediging, vooral voor wankelmoedigen. Alles is gebaseerd op Gods Woord, want is dát niet het enige ware houvast dat wij hebben? 1 - TOORN Wanneer in 1 Thessalonicenzen 5:9 staat dat wij niet tot toorn gesteld zijn, is het belangrijk te weten wat “toorn” inhoudt. Dat woord is de vertaling van het Griekse woord orgê (Strongnr.3709) dat een van hevigste emoties uitdrukt die een mens en ook God kent. De context waarin dat woord gebruikt is, wijst uit dat bij God daarvoor geheel andere beweegredenen gelden dan bij mensen. Bij God welt toorn nooit spontaan en onvoorspelbaar op zoals meestal wel bij mensen. Toorn is bij de mens de vrucht van zonde (Galaten 5:20; Efeziërs 4:26 en 31; Colossenzen 3:8), maar zo niet bij God (Romeinen 1:18 en 12:19)! Want Gods toorn heeft alles te maken met de voortgang van Zijn voornemen van de eonen, zoals blijkt uit onder meer Romeinen 1:18 en 2:5 en 8, Colossenzen 3:6, 1 Thessalonicenzen 1:10. 2 - HET BEHEER VAN HET GEHEIMENIS In deze alarmerende tijd is het voor ons van het grootste belang te beseffen dat wij in een periode leven die gekenmerkt wordt door 7 “het beheer van het geheimenis dat vanaf eonen weggehouden was in God, Die alles schept, opdat nu door de uitgeroepen gemeente aan de soevereiniteiten en de volmachten te midden van de hemelingen de veelvuldige wijsheid van God bekendgemaakt wordt” (Efeziërs 3:9-10; zie ook Colossenzen 1:26). Op Gods kalender is dat de 9e periode van beheer ofwel oikonómia (Strongnr. 3622) (in het hiernavolgende schema met een pijl aangeduid). Fragment van “Gods kalender”, © Eben-Haëzer Rotterdam Het is de periode van het geheimenis waarin onbeperkt Gods liefdevolle genade heerst, zoals de apostel Paulus die aan ons mocht verkondigen in zijn brieven, in het bijzonder in de Efezebrief en ook in de brieven aan de Filippenzen en Colossenzen. Door het Woord van God dat hij ons mocht overbrengen, weten wij ook dat voor ons nu al een plaats te midden van de 8
Page 8
hemelingen gereserveerd is (Efeziërs 2:6-7 en 3:10; Colossenzen 1:5). Die plaats zullen wij eerst na de opname van de gemeente daadwerkelijk innemen. 3 – GEROEPEN OF NIET? Menige lezer zal zich wel eens afgevraagd hebben of hij of zij “erbij hoort”: wie wel en wie niet? Die wankelmoedigheid wordt meestal gevoed door het besef in Gods ogen bitter weinig goed te hebben gedaan. Feitelijk is het te wijten aan onderschatting van Gods liefdevolle en onvoorwaardelijke genade. Wankelmoedigheid kan mede het gevolg zijn van nood en tegenspoed, maar vooral van slechte ervaringen in de omgang met mensen. Paulus geeft ons een belangrijke tip in zijn brief aan de Colossenzen, waar hij God, de Vader, dankt, omdat hij gehoord heeft van hun geloof in Christus Jezus en hun vasthouden aan wat zij in de hemelen mogen verwachten. Daaraan voegt hij toe dat zij daarover tevoren gehoord hebben in het woord van de waarheid van het evangelie dat hij hun verkondigd heeft. Het gaat hier om het horen (akouô, Strongnr. 191) van het evangelie dat Paulus als apostel van Christus Jezus2 verkondigd heeft. Alleen door horen breekt bij een door God geroepene het heerlijke licht door van Gods genade en erkent hij of zij dat in diepe dankbaarheid (Colossenzen 1:3-6). Laten wij vooropstellen dat alleen God weet wie allemaal lid zijn van de gemeente die het lichaam van Christus is. Hij alleen weet exact wie Hij in de loop van tweeduizend jaar verzegeld heeft met de geest van de belofte, die onze waarborg3 is van onze voorverwachting in Christus, en wie Hij als allerlaatste aan de gemeente toevoegt, voordat zij haar hemelse bediening zal ingaan. Want God is het Die ons in Christus uitgekozen heeft, nog 2 “Christus Jezus” is bij uitstek de aanduiding voor onze opgestane en verheerlijkte Heer Die nu aan Vaders rechter(zijde) gezeten is, wonend in ontoegankelijk licht (1 Timotheüs 6:16). 3 Arrabôn (Strongnr.728). Zie ook 2 Corinthiërs 1:22 en 5:5. 9 vóór de nederwerping van de wereld, opdat wij heiligen en smettelozen voor Zijn aangezicht zijn. Lees Efeziërs 1 maar! In de brieven van Paulus is geen spoor te vinden van iets dat riekt naar voorwaarden of eigen verdienste, want alles is Gods werk en genadegave! Maar hoe kunnen wij zélf weten dat God ons werkelijk uitgekozen en als lid aan de gemeente toegevoegd heeft? De apostel Paulus schrijft: “Want in genade zijn jullie geredden, door geloof, en dit niet uit jullie zelf: het is Gods naderingsgave” (Efeziërs 2:8). Wanneer wij dat horen - kan ook door aandachtig lezen zijn - en deze woorden tot ons laten doordringen, gaan wij beseffen hoe dicht God ons als de Vader naar Zich toe getrokken heeft. Dan kunnen wij Hem danken, met alles wat wij zijn, dat Hij ons reeds tevoren bestemd heeft tot het zoonschap door Christus Jezus voor Zichzelf, en ons begenadigd heeft in de Geliefde (Efeziërs 1:5)! De sleutel die God Zelf aan ons heeft aangereikt, is liefde! Het bewijs van Gods liefde voor ons is Christus Die voor ons aan het kruis gestorven is, terwijl wij nog zondaren, notoire doelmissers, waren. Gods liefde doet ons beseffen dat Hij ons gered én geroepen heeft met een heilige roeping, niet in overeenstemming met onze werken, maar in overeenstemming met Zijn eigen voornemen en genade, ons gegeven in Christus Jezus vóór eonische tijden (2 Timotheüs 1:9)! God, de Vader, ziet ons in Zijn liefde in Christus aan, als heilig - volkomen op God gericht, en smetteloos - ook al is ons blazoen bezaaid met zwarte vlekken, en onbeschuldigbaar - wat de Tegenwerker monddood maakt en wat voor ons een bron is van intense vreugde en dankbaarheid (Colossenzen 1:21-23, lees ook Efeziërs 1:4). Hem zij de heerlijkheid in de uitgeroepen gemeente en in Christus Jezus! 4 - IN GENADE GERED De leden van de uitgeroepen gemeente zijn in genade gered (Efeziërs 2:4-9). Het is God Die ons gered heeft en dat niet omdat 10
Page 10
wij zo fatsoenlijk geleefd zouden hebben. Wie dat denkt, vergeet wat God in Psalm 14:3 over de zonen van de mens zegt: “géén die goed doet, waarlijk niet één!”. Paulus herinnert ons nog eens aan deze uitspraak in Romeinen 3:12. Het is dan ook op z’n zachtst uitgedrukt een illusie te menen dat er in Gods ogen “goede mensen” bestaan. Desondanks heeft Hij ons in Zijn liefdevolle genade gered bij wijze van naderingsgave.4 De Joden moesten zelf voor zo’n offergave zorgen om daarmee tot God in de Tempel te naderen, maar bij ons is het God Zelf die ervoor gezorgd heeft, om niet, in Zijn liefdevolle en overvloeiende genade. God kende ons al vóór eonische tijden, lang vóórdat de klok in Genesis 1:1 begon te tikken! Sinds wij Christus hebben leren kennen, kennen wij nu ook God als de Vader en hebben als zonen vrije toegang tot Hem. Daarom zullen wij nooit het voorwerp van Zijn toorn kunnen zijn, wanneer die in de dag van de Heer zal losbarsten. Maar zolang de gemeente die het lichaam van Christus is nog op aarde vertoeft en nog niet compleet is, weerhoudt zij Hem te toornen over alles waarmee de mensheid Hem geschoffeerd heeft. Zo staat het in 2 Thessalonicenzen 2:6-7. In het zesde vers van die tekst staat “wat weerhoudt” (to katechon) en in het zevende vers “hij die weerhoudt” (ho katechôn).5 Klaarblijkelijk is er dus een “het” en een “hij” die de toorn nog tegenhoudt. In vers 6 wordt het lichaam van Christus bedoeld, dat nu nog in opbouw is. Daartoe behoren allen die voorverwachting hebben in Christus. Christus is door God, de Vader, gegeven aan de uitgeroepen gemeente die Zijn lichaam is (Efeziërs 4:12, 1:12 en 22). De toorn, waarmee de periode van beheer van het geheimenis tot een einde komt, houdt God in totdat de uitgeroepen gemeente die het lichaam van Christus voltallig is. Alleen Hij weet wie daaraan en 4 Efeziërs 2:8 - dôron (Strongnr. 1435), Hebreeuws: qorban (Strongnr. 07133). 5 Het Griekse werkwoord katechô (Strongnr. 2722) betekent letterlijk “neer-hebben”. 11 wanneer nog toegevoegd zullen worden. Daarover behoeven wij ons absoluut niet druk te maken. 5 - WIJ ZULLEN WEGGERUKT WORDEN Aan ons, geroepen heiligen, is in een woord van de Heer beloofd dat wij – ooit overleden of nog in leven - vóór het uitbreken van Gods toorn van de aarde weggerukt zullen worden om de Heer in de lucht te ontmoeten (1 Thessalonicenzen 4:17). De Heer daalt wel van de hemel neer, maar zet Zijn voeten niet op de aarde. Dat is dus anders dan wat de mannen in witte kleding na Zijn hemelvaart aangekondigd hadden. Wolken onttrokken de Heer aan de ogen van Zijn apostelen toen Hij werd opgeheven naar de hemel om aan de rechter (zijde) van de Vader, plaats in te nemen, wonend in ontoegankelijk licht (Handelingen 1:9-11; 1 Timotheüs 6:16). Ook wij zullen op Zijn tijd van de aarde worden weggehaald, maar op andere wijze dan onze Heer. Wij allen zullen onwaarneembaar snel “weggerukt” worden (arpazô6, Strongnr. 726) en wij allen zullen “veranderd” worden, in een ondeelbaar [moment], in een oogwenk, in de laatste bazuin[stoot]! Want Hij zal de bazuin steken en de doden zullen opgewekt worden, als onbederfelijken, en wíj zullen veranderd worden. Want dit bederfelijke moet onbederfelijkheid aandoen en dit stervende onsterfelijkheid aandoen.” (1 Thessalonicenzen 4:17; 1 Corinthiërs 15:51-53).7 6 Niet harpazô, omdat in het majuskelschrift, waarin de Griekse grondtekst geschreven is, geen letterteken voor de h-klank bestaat. In het latere Griekse minuskelschrift is de h-klank slechts aangegeven door een spiritus asper, dat is een omgekeerde komma boven een klinker. 7 De grote Griekse handschriften laten geen misverstand bestaan over de juistheid van deze woorden. Die woorden worden echter misverstaan door de “geleerde” dwaalgeesten, wier denken vergiftigd is door het “mengevangelie” dat zij aanhangen, waardoor zij de opname van de gemeente verwarren met de wedekomst van de Heer. Bij de opname zet de Heer echter Zijn voeten niet op de Olijfberg, bij Zijn wederkomst wel. 12
Page 12
Ook in ons geval is er sprake van wolken. Zij onttrekken hemelse zaken aan het oog van de mens. Het is zoals Psalm 97:2 aangeeft, Jahweh is door wolken aan het menselijk oog onttrokken In de boekrollen van de Thora lezen wij op vele plaatsen hoe Jahweh slechts vanuit een wolk spreekt en Zich niet laat zien. Wolken zijn beslist niet het beeld van de menigte heiligen die de Heer in de lucht ontmoeten, zoiets als de oogst van bijna 2000 jaar uitroeping. Het zal daarentegen een gebeurtenis zijn die voor de ogen van de achterblijvenden in nevelen gehuld is. Paulus leerde de uitgeroepen gemeente te Thessalonica daarop slechts te wachten. De Heer Jezus Christus zal ons vernederd lichaam in een onvoorstelbaar kort moment omzetten, gelijkvormig aan Zijn heerlijkheidslichaam (Filippenzen 3:21). Dat zal tevens de afsluiting inluiden van het beheer van het geheimenis. Het heeft geen zin te proberen zich van deze unieke gebeurtenis een voorstelling te maken. De menselijke fantasie leidt alleen maar tot waandenkbeelden die aan Gods werk ernstig afbreuk zouden doen. De heilige Schrift vermeldt het woord dat Paulus van de Heer Zelf ontvangen heeft en geeft ons de garantie dat alles werkelijkheid zal worden. Het is Gods geest die in ons woont, die de garantie geeft dat niemand van de gemeente die het lichaam van Christus is, zal worden overgeslagen – niemand, reeds overleden of nog in leven! Het kan niet vaak genoeg benadrukt worden: wij zijn allen immers door God gekend en uitgekozen, zelfs nog vóór eonische tijden, in pure genade, met voorbijzien aan onze handel en wandel. Voor dat laatste is er de bêma (Strongnr. 968), het podium waarop wij onze Heer Christus Jezus zullen zien, hoogstwaarschijnlijk mede herkenbaar aan de wonden die Hij aan het kruis opgelopen heeft.8 Daar zal iedere belemmering voor onze taak te midden van de hemelingen worden uitgewist. Dan zullen wij heilig en smetteloos en onbeschuldigbaar voor Zijn aangezicht 8 Zo liet Hij Zich door Thomas herkennen (Johannes 20:25-28). 13 staan. Want God ziet ons in Christus aan! Ons rest niets anders dan de Vader door de Zoon diep dankbaar te zijn voor het wonder van Zijn genadevolle liefde en deze te midden van de hemelingen tentoon te mogen spreiden! (1 Corinthiërs 3:10; 2 Corinthiërs 5:10; Colossenzen 1:21-22). Wie het evangelie van Paulus met zijn of haar gehele ziel omarmt en als levenslijn volgt – ook al in grote onvolkomenheid - zal niets te vrezen hebben, noch over het wel of niet opgenomen worden, noch over alles wat voor de bêma zal gebeuren, noch van al hetgeen wij op aarde nog zullen meemaken. Aan dat laatste aspect wordt hierna aandacht besteed. 6 - WAARVAN WORDEN WIJ WEGGERUKT? Wij zullen worden weggerukt van Gods toorn en de grote verdrukking. Daarbij is het van belang ons het volgende te realiseren: • Gods toorn is het tegendeel van de verzoening die zo kenmerkend is voor de huidige genadetijd. Zij barst los binnen de dag van de Heer. • De grote verdrukking (thlipsis megalê, Strongnr. 2347) die onze Heer Jezus Christus aankondigde (Mattheüs 24:21), concentreert zich op Israël. Het is een periode waarin Israël het zwaarder dan ooit tevoren van alle kanten te verduren krijgt. Pas daarna zal Israël, geheel door God gerestaureerd, het beloofde koninkrijk mogen binnengaan (Handelingen 3:21). Dat zal het sluitstuk zijn van alle verdrukkingen, waarvan de heiligen nu reeds, in de huidige dag des mensen, in toenemende mate de voortekenen zien (1 Corinthiërs 4:3). De “dag van de Heer” (êmera kuriou, Hebreeuws: iom Jahweh) is op Gods kalender een strikt begrensde tijdspanne en omvat de periode van gericht én van het 1000-jarig koninkrijk. De dag van de Heer zal voor iedereen komen als een dief in de nacht (1 Thessalonicenzen 5:2; 2 Petrus 3:10). Dat betekent dat wij weliswaar de omstandigheden steeds dreigender en gevaarlijker zullen zien 14
Page 14
worden, maar niet precies weten op welk moment God ons zal wegrukken, als voor Hem de maat vol is. Wie meent dat wel te kunnen, is een ontstellende ijdeltuit. Wanneer de dagen van het gericht niet ingekort zouden worden, zou geen vlees gered worden (Mattheüs 24:22). Dat zegt wat over Gods karakter en voornemen. Wanneer Zijn toorn langer zou duren, zou immers van de aarde en mensheid vrijwel niets meer over blijven. Want wie zal vast kunnen staan als Gods toorn losbrandt (Psalm 76:7 en Openbaring 6:17)? De verdrukking zoals in Mattheüs 24:29-31 aangekondigd, staat in schril contrast met wat over de uitgeroepen gemeente in Romeinen 5:9, 1 Thessalonicenzen 1:10 en 5:9 en in 2 Thessalonicenzen 2:1-3 geschreven staat. In die laatstgenoemde brief waarschuwt Paulus niet voor niets (v3): “Laat niemand jullie misleiden, op geen enkele manier. Komt immers niet de afval eerst en wordt de mens van de wetteloosheid, de zoon van de destructie, onthuld?”. Dit gebeurt straks in de periode van het beheer (oikonómia, Strongnr. 3622) van Gods toorn, wanneer de uitgeroepen gemeente al hoog en breed van de aarde weggerukt is om voor altijd tezamen met de Heer te zijn. Dat neemt niet weg dat wij in ons dagelijks leven en werken zullen ondervinden wat Paulus in zijn tweede brief aan Timotheüs schreef (3:12-13): “Maar ook allen die godvruchtig willen leven in Christus Jezus, zullen vervolgd worden. Boze mensen echter en zwendelaars zullen van kwaad tot erger komen, tot dwaling brengen en verdwaald zijnd.” (Zie ook 1 Timotheüs 4:1). God heeft de gewoonte op allerlei subtiele manieren aan te geven wat Hij van plan is. Dat doet Hij niet alleen via de mond en pen van de profeten, maar ook op talloze andere manieren zoals in de gebeurtenissen die onze Heer al in Mattheüs 24 aankondigde en die zich in onze dagen mondiaal en steeds frequenter voordoen. Voor wie meent dat het allemaal wel meevalt, volgt deze bloemlezing: 15 • mondiale rampen door toenemende droogte, watervloeden, aardbevingen, vulkaanuitbarstingen; • mondiale opkomst van allerlei maakbaarheidstheorieën op het terrein van klimaat, economie en internet; • geknutsel op het gebied van zwangerschap, geboorte, veroudering, orgaantransplantatie, genetica en geslachtsverandering; • toename van wettelijke regelingen en medische protocollen voor actieve en passieve levensbeëindiging; • mondiale opkomst van nietsontziende dictatoren en totalitaire regimes; • mondiale religieuze onverdraagzaamheid en gewelddadige onderdrukking; • kruitvat Midden-Oosten met de onderling verdeelde mohammedanen die alleen in Jodenhaat eensgezind zijn; • onafgebroken en steeds verder oplaaiende strijd om en in Israël en mondiaal toenemende Jodenhaat. 7 - GODS WOORD GEEFT ZEKERHEID De brieven aan de Thessalonicenzen waren de oudst bekende waarin Paulus over de opname der gemeente geschreven heeft. Wij zullen de betreffende passages, ook in Romeinen 5, hierna nauwkeurig onder de loep nemen. In 1 Thessalonicenzen 1:10 staat dat wij “uit (Grieks: ek, Strongnr. 1537) de hemelen” Gods Zoon verwachten Die God “uit (ek) de doden” heeft opgewekt en Die ons “uit (ek) de komende toorn“ zal wegtrekken (rúomai, Strongnr. 4506). Het Griekse voorzetsel ek betekent “uit”, een beweging weg van het midden van iets, weg van een bron, een oorsprong of een oorzaak. Onze Heer komt uit de hemelen om ons van aarde weg te nemen. Hij is dan niet in de hemelen, maar in de lucht – niét met Zijn voeten op aarde. Onze Heer is door God uit de doden opgewekt, heeft daarom part noch deel aan de doden en het dodenrijk, de hades. Hier gaat het dus niet alleen om het FEIT van een gered 16
Page 16
worden van Gods toorn, maar ook om een ACTIE door onze Heer Jezus, waarbij Hij ons wegtrekt uit Gods aankomende toorn. Hij komt ons wegtrekken uit de toorn die op komst is, waardoor wij dus part noch deel zullen hebben aan Gods toorn. Daarbij past het beeld van een vader die zijn kind vlak voor een aanstormende auto wegtrekt en in veiligheid brengt. Pas als wij van de aarde weggehaald zijn, zal Gods toorn losbarsten. De Thessalonicenzen zagen, net als wij in onze dagen, met enorme bezorgdheid, hoe in de wereld allerlei ontwikkelingen gaande waren die het ergste deden vermoeden. Maar nu hadden zij, net als wij nu, iets radicaal anders te verwachten. In 1 Thessalonicenzen 5:9 staat dat wij “niet naar binnen in (eis, Strongnr. 1519) toorn” zijn geplaatst. In het Grieks staat hier ouk eis orgên. Het voorzetsel eis geeft een richting en binnengaan aan. Wij zijn niet gesteld om Gods toorn in te gaan. Paulus verklaart dit door erop te wijzen dat wij “van de dag” zijn - beschenen door het warme licht van Gods liefdevolle genade - en bekleed met de wapenrusting die Gods ons geeft (Efeziërs 6:1117). Daarmee wordt de drijfveer van ons doen en laten, ons hart, beschermd en evenzo de zetel van ons denken en spreken, ons hoofd. Onze redding is door onze Heer Jezus, de Christus! In 1 Thessalonicenzen 5:24 zegt Paulus nog eens nadrukkelijk dat wij dit vaste geloof en vertrouwen mogen hebben in Hem Die ons roept en Die het ook zal doen! Het hangt dus niet van ons doen af, maar van Zijn doen, zoals ook alles ons om niet door Hem geschonken is, uit grenzeloze liefde en genade! God is als een vader die zijn kind in een andere kamer afzondert, omdat hij het wil sparen voor Zijn toorn die anderen geldt. In Romeinen 5:9, de brief die Paulus ongeveer 6 jaar na de brieven aan de Thessalonicenzen geschreven heeft, staat dat wij, die in Zijn bloed gerechtvaardigd zijn, door onze Heer gered zullen worden “vanaf (apo, Strongnr. 575) de toorn”. Het Griekse voorzetsel apo betekent “vanaf” iets, een bron of scheiding inhoudende. Die laatste betekenis is in deze context het geval. Wij, die nu verzoend zijn in het bloed dat onze Heer aan het kruis 17 vergoten heeft, zullen gered worden vanaf Gods toorn, daarvan volkomen gescheiden. Dat is een feit waarop en waarmee wij mogen rekenen. Daarbij past het beeld van een vader die zijn kind ervan verzekert dat het niets zal overkomen, juist omdat het zijn geliefd kind is. 8 - VOORTEKENEN In Paulus’ dagen hadden de heiligen te Thessalonica om hun geloof van hun omgeving veel te lijden gekregen. Zeer waarschijnlijk zullen Joden en heidenen het hen zeer kwalijk genomen hebben dat zij Christus Jezus aanbaden en niet de Romeinse keizer en andere door mensen gecreëerde goden (idolen). Paulus had hen daarvoor al gewaarschuwd (1 Thessalonicenzen 1:6 en 2:2-4). Wij zien het ook in onze tijd in geheel de wereld gebeuren: discriminatie, verdrukking en vervolging van christenen, ongeacht welk evangelie zij aanhangen. De Heer had bij monde van Paulus aan de zwaar beproefde gelovigen te Thessalonica echter de verzekering gegeven dat zij niet Gods toorn zullen meemaken, wanneer die over de aarde komt. Deze zekerheid kregen zij niet om hun verdienstelijk geloof en leven, maar louter en alleen omdat Christus voor hen gestorven was en zij met de opgestane Heer, uit pure liefdevolle genade, het nieuwe leven in Hem mochten delen (1 Thessalonicenzen 5:9-11). De tekenen die onze Heer volgens Mattheüs 24:3-13 beschreef, toen Hij op de Olijfberg gezeten was, geven antwoord op de vraag van Zijn leerlingen wat het teken zal zijn van Zijn aanwezigheid (parousia, Strongnr. 3952)9 én van de afsluiting van de eon (sunteleia tou aiônos). Volgens Gods kalender gaat het om de afsluiting van de huidige derde eon. De discipelen hadden geen weet van de periode van het beheer van het geheimenis 9 De vindplaatsen van parousia (“langsbij-zijnde”) wijzen uit dat het uitsluitend betrekking heeft op iemands lijfelijke aanwezigheid en om al hetgeen die persoon vertegenwoordigt. Vertalingen zoals “komst, aankomst, toekomst” slaan de plank mis. 18
Page 18
zoals dat later aan Paulus geopenbaard zou worden en waarin wij thans leven. Voor hen ging het om de periode hierna: die van het gericht, als de dag van de Heer aanbreekt en de vervulling begint van wat de Heer via Zijn boodschapper aan Johannes op Patmos onthuld heeft (Openbaring 1:1 en 9-10). Het antwoord van de Heer aan Zijn leerlingen heeft dus niet op onze dagen betrekking! Dat valt dus buiten de dagen waarop deze studie betrekking heeft. Helaas blijken talloze Bijbeluitleggers dat niet door te hebben. Ook al laat God dingen gebeuren die voor de mensheid, gelovig of niet, als een donderslag bij heldere hemel komen, geeft Hij vaak ook hints dat er wat aanstaande is. Het gerommel op en onder de aardkost is één van de eeuwenlange voorbeelden ervan. Inmiddels begint het bij de massa ook te dagen dat er op aarde wat veranderen moet, omdat het steeds duidelijker wordt hoezeer de mens gefaald heeft bij het uitvoeren van de opdracht die God hem gegeven heeft: regeren over het leven op aarde (Genesis 1:28-30). Langzamerhand begint ook het besef te groeien hoezeer de mens onwillekeurig slachtoffer is geworden van zijn eigen creatie, de geldbeluste, puur zelfzuchtige en als zodanig kwaadaardige en alles verziekende afgod Economie. Veel van wat in de periode van het gericht tot een uitbarsting zal komen, komt dus niet uit de lucht vallen. Een treffend beeld hiervan biedt een aardappelveld, waar ondergronds de aardappels groeien terwijl daarvan bovengronds niets te zien is. Pas als de grond omgewoeld wordt, worden de aardappels zichtbaar. Alleen God weet wat zich “ondergronds” aan het ontwikkelen is en hoe dat aan den dag zal komen. Het is zoals onze Heer Zijn toehoorders voorhield: “Want niets is verborgen wat niet openbaar zal worden, noch weggehouden wat stellig niet gekend zou worden en in openbaarheid zou komen (Lucas 8:17). Alle voorspellende uitleggingen van derden daarover verwijs ik liever naar het rijk van christelijke sciencefiction. Heel wat auteurs op dat terrein hebben decennialang wel bewezen er helemaal niets van 19 begrepen te hebben. Per saldo hebben zij slechts de opbrengst van hun boekenomzet eraan te danken. Voor ons geeft Paulus in 2 Timotheüs 3:1-9 een zéér zorgwekkend overzicht van wat er loos is en zal zijn in de laatste dagen van de gemeente die het lichaam van Christus is: “Weet dit echter, dat er in de laatste dagen gevaarlijke era’s tegenwoordig zullen zijn, want de mensen zullen zijn: zelfzuchtig, geldzuchtig, grootsprekend, trots, lasteraars, tegen ouders weerspannig, ondankbaar, onbehoorlijk, zonder natuurlijke genegenheid, onvermurwbaar, tegenwerkers, onstandvastig, ongetemd, afkerig van het goede, verraders, overhaast, opgeblazen, veeleer vrienden van genot dan vrienden van God; een vorm van godsvrucht hebbend, maar haar kracht loochenend. Keer je ook van dezen af. Want uit dezen zijn degenen, die de huizen binnen glippen en vrouwtjes gevangen wegvoeren, die beladen zijn met zonden en geleid worden door velerlei begeerten en genot; die altijd leren en toch nooit tot erkenning van de waarheid kunnen komen. Maar op die manier waarop Jannes en Jambres Mozes weerstonden,10 zó weerstaan ook dezen de waarheid ‒ mensen verdorven in hun denkzin, onbeproefd in het geloof. Maar zij zullen daarin niet verder vooruitkomen, want hun onverstand zal voor allen overduidelijk zijn, zoals dat ook van hen duidelijk werd.” Welnu, zet de televisie maar aan, sla de krant open, zie het gedrag van de mensen om u heen en de bewijzen van Paulus’ voorzeggingen stapelen zich torenhoog op! 9 - LIJDEN Al die toenemende verrotting en wreedheid in de wereld om ons heen laat ons niet onberoerd. Wij kunnen er zelfs pijnlijk 10 2 Timotheüs 3:8. Egyptische tovenaars, wier namen niet in Exodus 7:11 vermeld zijn, maar wel in de Targoem Pseudo Jonathan, een Aramese vertaling van de Thora. 20
Page 20
mee geconfronteerd worden! Een paar regels verder in 2 Timotheüs 3, in de verzen 12-14 waarschuwt Paulus Timotheüs en daarmee ook ons: “Maar ook allen die godvruchtig willen leven in Christus Jezus, zullen vervolgd worden. Boze mensen echter en zwendelaars zullen van kwaad tot erger komen, tot dwaling brengend en verdwaald zijnde. Maar jij, blijf bij wat je leerde en wat jou toevertrouwd werd, wetend van wie je het leerde.” Ook al zullen wij Israëls grote verdrukking en Gods toorn niet meemaken, wij zullen niet kunnen ontkomen aan lijden als resultaat van alles wat zich om ons heen en in de wereld afspeelt. Dan is de raad die Paulus Timotheüs gaf goud waard (v.14-15): “Maar jij, blijf jij bij wat je leerde en wat jou toevertrouwd werd, wetend van wie je het leerde en dat je van baby af aan met de gewijde geschriften bekend bent, die jou wijs kunnen maken tot redding door het geloof dat in Christus Jezus is.” “Christus Jezus” schrijft Paulus. Dat is de opgestane en verheerlijkte Heer Die aan Gods rechter(zijde) gezeten is, wonend in ontoegankelijk licht (1 Timotheüs 5:16). Hij zal het zijn Die van de hemel zal afdalen om ons in een totaal andere conditie in de lucht op te wachten, door wolken aan het oog van de wereld onttrokken. Uit Gods Woord, zo nauwkeurig mogelijk in onze taal overgezet, kunnen wij de wijsheid, troost en bemoediging putten die nodig is om constant te beseffen dat wij gerechtvaardigd zijn door het geloof van(!) Jezus Christus, per se niet door het geloof dat wij opbrengen (Romeinen 3:22). Dat heeft ons apart gezet voor onze redding! Hoe anders klinken toch de woorden van de vele, alom geëerde “godgeleerden”, die in het kleed van vroomheid en traditie in kerken, zalen en stadions, via radio, televisie en internet ons van alles wijsmaken, maar niet, zoals Paulus geschreven heeft, werkelijk wijs maken! Ook hun verkondiging kan voor navolgers van Paulus lijden veroorzaken. Denk maar aan de laster 21 van “jullie zijn alverzoeners”! Dat zeggen mensen die niet door hebben dat niet wij, doch alleen Hij, de Zoon van Gods liefde, het al wederzijds met Zichzelf verzoend heeft, vrede makend door het bloed van Zijn kruis, door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij in de hemelen is (Colossenzen 1:20)! Wat de Thessalonicenzen destijds ervoeren en hun de indruk gaf al in Gods toorn terecht te zijn gekomen, is dus niet zo verwonderlijk. Want hoevelen zullen in de eeuwen na hen tot heden toe niet hetzelfde gedacht hebben, toen zij afschuwelijke en fatale omstandigheden moesten zien door te komen? Dat is een aanwijzing dat de diepe emotie die “lijden” heet, waarmee de gemeente en haar leden te maken hebben of krijgen, heel zwaar kan zijn. God, de Vader, weet er echter van en Zijn liefde laat de Zijnen nimmer in de steek! “Gerechtvaardigd dan uit geloof mogen wij vrede hebben naar God toe door onze Heer Jezus Christus door Wie wij ook de toegang hebben, door geloof, tot deze genade waarin wij staan, en wij mogen roemen op basis van de verwachting van de heerlijkheid van God, niet alleen daarin echter, maar wij mogen roemen ook in de verdrukkingen, waarnemend dat de verdrukking volharding uitwerkt, volharding echter beproefdheid, de beproefdheid echter verwachting, de verwachting echter beschaamt niet, omdat de liefde van God in onze harten uitgegoten is, door de heilige geest die ons gegeven is” (Romeinen 5:1-5). Dit schreef Paulus ongeveer 6 jaar na de beide brieven aan de Thessalonicenzen. Trefwoord is “verwachting” (elpis, Strongnr. 1680), dat is rekenen op dat wat vast en zeker zal gebeuren en niet zoiets als “hoop” die snel in wanhoop kan omslaan. Reken maar, dat de geliefden van God, de geroepen heiligen te Rome en vast ook te Thessalonica hiervan met grote blijdschap kennisgenomen hebben! 22
Page 22
In Romeinen 8:17-18 legt Paulus het verband tussen lijden en heerlijkheid: als wij samen lijden, worden wij ook samen verheerlijkt. Het lijden van de tegenwoordige era11 weegt niet op tegen de heerlijkheid die naar ons toe geopenbaard zal worden. Paulus wist waarover hij sprak, want hij kreeg in zijn bediening ontstellend veel lijden te verwerken. In 2 Corinthiërs 11:23-33 geeft hij daarvan een indrukwekkende opsomming. Met zijn eigen ervaringen spreekt hij ons als een ware broeder in het geloof moed in. Zo hebben ook wij te lijden onder alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid neerhouden (Romeinen 1:18), onder hen, die uit partijschap en weerspannigheid voor de waarheid, de ongerechtigheid toegedaan zijn (Romeinen 2:8), onder echtbreuk, hoererij, onreinheid, losbandigheid, afgodendienst, toverij12, vijandschappen, twist, jaloezieën, gramschappen, partijschappen, onenigheden, afsplitsingen13 (Galaten 5:19-20). Zelfs binnen de uitgeroepen gemeente hebben wij te lijden onder misleiding met lege woorden14 (Efeziërs 5:6) en ook onder twist, jaloezie, gramschappen, partijschappen, kwaadsprekerijen, influisteringen, opgeblazenheden en oproeren (2 Corinthiërs 12:20). 11 Voor “era” staat in het Grieks kairos (Strongnr. 2540). Een tijdruimte, afhankelijke van de context kort of lang, die zich onderscheidt door haar speciale kenmerken. Om te voorkomen dat, net zoals in de gangbare Bijbelvertalingen, voor dat ene woord verschillende vertaalwoorden toegepast worden, is gekozen voor “era”. Dat is weliswaar een wat verouderd woord voor een tijdruimte, maar minder vaag dan bijvoorbeeld “periode”, waarvan Gods kalender er al zoveel telt. 12 Het Griekse woord voor “toverij” (pharmakeia Strongnr. 5331) houdt verband met ons woord “farmacie”, met drugs – van oudsher een geliefd middel bij toverij. 13 In het Grieks staat hier het meervoud van airesis (Strongnr. 139) wat op een “uit iets lichten” wijst. Het gaat om iets algemeners dan sektevorming of ketterij (heresie). 14 “Lege woorden”: woorden die volkomen gespeend zijn van Gods heilige geest. 23 Het is zeer de moeite waard om alle vindplaatsen van het werkwoord en het zelfstandig naamwoord “lijden” op te zoeken en te lezen (resp. paschô, Strongnr. 3958, en pathêma, Strongnr. 3804), want dat biedt veel meer inzicht – maar ook licht - dan een armzalige schrijver als deze vermag te bieden. 10 – TROOST Gelukkig weten wij ook welke troost wij hebben gedurende de laatste dagen op aarde in afwachting van het ogenblik van onze wegrukking en gedurende het lijden dat wij in die tijd ondergaan. Dat geldt niet alleen voor de individuele leden van de uitgeroepen gemeente, maar ook voor de uitgeroepen gemeente in haar totaliteit. “Wat zal ons scheiden van de liefde van God in Christus Jezus?15 Verdrukking? Of benauwdheid? Of vervolging? Of honger? Of naaktheid? Of gevaar? Of het zwaard?” (Romeinen 8:35). Het enige antwoord op deze retorische vragen kan alleen maar luiden: niets en niemand! In 2 Corinthiërs 1:3-5 schrijft Paulus ons: “Gezegend de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader van de barmhartigheden en God van alle vertroosting, Die ons vertroost in al onze verdrukking opdat wij degenen kunnen vertroosten die in alle verdrukking zijn, door de vertroosting waarmee wijzelf door God vertroost worden: zoals het lijden van de Christus naar ons overvloeit, evenzo vloeit door Christus ook onze vertroosting over.” Paulus gaf de Thessalonicenzen een kernachtige samenvatting van de bron en kracht van onze troost: “Moge nu, onze Heer Jezus Christus, en God, de Vader, die ons liefheeft en eonische troost geeft en goede verwachting in 15 Tekstcorrectie conform de codex Sinaïticus en codex Vaticanus, volgens de Concordant Greek Text. 24
Page 24
genade, jullie harten troosten en stevig maken in alle goed werk en woord” (2 Thessalonicenzen 2:16-17). 11 - DE ACHTERBLIJVENDEN Wat ons ongetwijfeld evenzeer bezighoudt, is de vraag hoe het onze ongelovige kinderen en andere bloedverwanten, onze vrienden en collega’s zal vergaan, nadat de gemeente eenmaal van aarde weggerukt is. God heeft in Zijn Woord ook voor hen een deur geopend. Want In Romeinen 10:13 staat dat al wie de naam van de Heer aanroept, gered zal worden. Zo staat het eveneens in Handelingen 2:21 en Joël 2:32. Wij bekijken de tekst wat nauwkeuriger om zeker te zijn van zijn boodschap: • Het Griekse woord voor “aanroepen” (epikaleô; Strongnr. 1941) drukt uit wat men eigenlijk doet met het roemen van een naam: men legt als het ware de hand op iemand. Dat kan om verschillende redenen zijn. In deze context is het een “beroep doen op” de naam Jezus Christus. • Want Hij is het die met “Heer” (kurios) bedoeld wordt. Paulus haalt de tekst uit Joël 2:32 aan en daar staat voor “Heer” Jahweh, de Naam die in de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Schrift, de Septuaginta, met kurios weergegeven is. Dat is de Naam boven alle Naam. Dat het in beide gevallen inderdaad alleen om Kurios Jezus Christus gaat, verklaart Paulus in Filippenzen 2:5-11. • Op alle genoemde vindplaatsen staat voor “al” of “ieder” het Griekse pas (Strongnr. 3956), in het Hebreeuws kol (Strongnr. 03605). Dat betekent dat er geen uitzonderingen zijn, maar dat het ieder mens aangaat. Het verzinnen van uitzonderingen is het werk van pseudogeleerden en theologen, die Gods majesteit (doxa; heerlijkheid) zo meesterlijk weten te kleineren (Romeinen 1:21-23). • Zowel Petrus, volgens Handelingen 2:21, als Paulus, volgens Romeinen 10:13, zegt dat al wie de naam des Heren aanroept, “gered zal worden” (sôthêsetai; Strongnr. 4982). Het is de 25 vertaling van een Hebreeuws woord dat de profeet Joël in 2:32 gebruikte, jiemaleet (Strongnr. 04422) en "zal bevrijd worden" betekent, meer in de zin van "ontkomen”. Ook dat wijst sowieso op redding, maar meer geënt op de tijd en context waarop Joëls profetie al betrekking heeft. Nu dat zo uitdrukkelijk driemaal in Gods Woord staat, geeft ons dat enorme troost in onze zorgen over degenen van wie wij denken dat zij geen lid zijn van de uitgeroepen gemeente. Let wel: “van wie wij denken”! Per saldo is het God Die precies weet wie Hij wel of niet als zodanig geroepen heeft. Dat Hij hier de deur voor redding van en het ontkomen aan Zijn toorn openzet, is tekenend voor Gods karakter dat vol is van wat de mens vaak zo deerlijk mist: liefde! Kunnen wij in onze dagen niet het allerbeste ervoor zorgen dat achter onze voordeur rust en veiligheid heerst en vrij over God en Gods Zoon gesproken kan worden? Begint het leven van ieder mens niet in de wieg en het gezin waarin hij of zij opgroeit? Zo en langs talloze andere wegen kan bij iemand de naam van de Kurios en Zijn betekenis voor de wereld bekend worden en in het geheugen gegrift komen te staan. 12 - UITZIEN Als leden van de uitgeroepen gemeente die het lichaam van Christus is, zijn wij ervan verzekerd dat wij niet Gods toorn zullen beleven wanneer eenmaal de dag van de Heer aanbreekt. Wij zijn er eveneens van verzekerd dat wij onder Vaders vleugels, door Zijn geest geleid, verlangend mogen uitzien naar onze Heer, Die ons op een zeker ogenblik, in een oogwenk van de aarde zal wegrukken om in een veranderd, geestelijk lichaam voor altijd bij Hem te zijn. Is iets heerlijkers en troostvollers denkbaar? De genade van onze. Heer Jezus Christus zij met uw geest, broeders! Amen!16 16 Galaten, slotzin 26
Page 26
Andere uitgaven van Stichting Da-ath: De uitgeroepen gemeente: Lichaam én bruid? Efeziërs 5:22-33 vergelijkt de gemeente met de gehuwde vrouw. Zijn wij als gelovigen nu óók de bruid? De geestelijke band van God met Israël wordt in de Schrift als huwelijk beschreven. In Efeze 5 zien we lichaam als beeld. Een gehuwde man en vrouw worden één vlees, één lichaam, 1 Kor.6:16. Maar zij doen veel afzonderlijk van elkaar. Zij zijn één en laten zo de eenheid van Christus en Zijn lichaam zien. Israël, als bruid van Jahweh, staat in een andere betrekking tot Hem. De completering van het al door Christus Andreas Sönnichsen In dit machtige woord wordt onthuld, dat wij compleet gemaakt worden tot het volledige complement van God, Efeziërs 3:19. Dat wij echt de onschatbare waarde van dit kostbare woord mogen beseffen! Want het voorziet in alles, en is volledig toereikend, zoals God Zelf! 27 De zogenaamde Engelenwereld A.E. Knoch De Griekse noch de Hebreeuwse taal heeft een woord, dat aangeeft wat wij ons vandaag bij ‘engel’ voorstellen. Als het woord aggelos overal waar het voorkomt met ‘engel’ vertaald was, dan hadden wij de bedoeling ervan kunnen verstaan. Maar helaas is het alleen waar de traditie dat verlangt, zo vertaald. Dit is een duidelijk voorbeeld hoe discordante vertalingen de waarheid voor ons kunnen verduisteren in plaats van dat ze die laten zien. Wie gaan mee bij de opname? Date Gorter Wanneer de Heer neerdaalt en de Zijnen roept: wie zullen Hem dan ontmoeten in de lucht? 1 Thessalonicenzen 4:13-18 De bazuin van God is een genademoment. Misschien onbewust en onbedoeld, willen wij daar toch op één of andere manier een voorwaarde aan vastkoppelen. 28
Page 30
Jezus is opgestaan - welke dag was het? A. Bouman, A. E. Dekker Deze brochure geeft antwoord op de vraag wanneer de Heer Jezus exact opgewekt werd door de heerlijkheid van de Vader. Was het op -wat wij kennen alsde zondag? Of een andere dag? Nauwgezet is iedere uitdrukking en elk woord dat van belang is, onderzocht. Het resultaat is voor u als gelovige wellicht verbijsterend. Vergeving van zonden of rechtvaardiging? Frank Goldammer Jakob en Esau - Elmar Frey ‘Ik ben blij dat mijn zonden zijn vergeven omdat Jezus aan het kruis voor mij stierf!’ Zeggen veel christenen. En rechtvaardiging dan? Het verschil is groter dan u denkt. ‘Ik heb gekozen voor Jezus en ik ben gered!’ Dat hoor je gelovigen zeggen. Jakob en Esau, u leest in Genesis en Romeinen 9 over deze tweeling. Het gaat om (uit)kiezen. Wie doet wat? Wanneer? Gods woord geeft uitsluitsel! 31 Schepping van de mens, Gods waagstuk? Ludwig Wolf Waagde God het met de schepping van de mens? Zou de mens iets kunnen wat God niet voorzag? Kon de mens zo uit de hand van God weglopen dat er geen redden meer aan is? Op deze en meer vragen komt antwoord in deze brochure, uit Gods woord. Het geeft vrede en rust in het hart, wanneer we beseffen Wie Hij is. Psalm 139 – vertaling en commentaar Alfred E. Dekker In Psalm 139 laat God via David weten dat God ons door en door kent; kende zelfs ons embryo. Ieder mens is voor God een open boek. Het maakt niet uit bij welk je hoort, wat je gelooft, in welke tijd je leeft en hoe je je gedraagt. Uiteindelijk zal álle knie voor Hem buigen en álle tong van harte belijden: Heer is Jezus Christus, tot eer van God, de Vader! Na lezing van deze psalm zal niemand dit nog kunnen betwijfelen. 32
Bemoediging in 't verdriet dat mág er zijn. God schenkt draagkracht vanuit Zijn vermogen. Hij zal vertroosten en geeft op geestelijke wijze uitzicht, toekomstperspectief.

De laatste vijand,
die te niet gedaan wordt,
is de dood.

1 Korinthe 15:26

Over lijden heen


Page 0
Page 2
Page 4
Page 6
Page 8
Page 10
Page 12
Page 14
Page 16
Page 18
Page 20
Page 22
Page 24
Page 26
Page 28
Page 30
Page 32
Page 34
Page 36
Page 38