Nederlands English
Water, brood en wijn hebben al eeuwenlang een voorname rol in de gebruiken van christelijke groeperingen en genootschappen. Het is de vraag of de desbetreffende opvattingen en leringen in overeenstemming zijn met Gods Woord. Kunnen wij niet beter de opvattingen van mensen, ongeacht hun alom geprezen wijsheden geleerdheid, laten voor wat zij zijn, namelijk géén heilige Schrift?

Paulus over water, brood en wijn


Page 0
Page 6
Colofon Titel: Paulus over water, brood en wijn © 2023 Alfred E. Dekker, Rotterdam Alle rechten voorbehouden Verschijningsdatum: januari 2023 Uitgever: Stichting Evangelie Om Niet, Papendrecht Vormgeving & technische realisatie: EON, evangelieomniet.nl Foto cover © M. Kucova via Canva ISBN: 978-90-8310-041-8 NUR 707 6 INHOUD VOORWOORD ……………………………………………………………………………….. 11 1. OVER RITUELEN EN SACRAMENTEN ……………………………………… 13 2. OVER DE DOOP ……………………………………………………………………….. 17 1. De trefwoorden ‘dopen’ en ‘doop’ …………………………………………. 17 2. Waterdoop en water in de Hebreeuwse Schrift ………………….... 18 2.1 – Het waterbekken in de tabernakel ………………………………… 19 2.2 – De zee en waterbekkens in Salomo’s tempel ………………… 19 2.3 – De beek in de toekomstige tempel volgens Ezechiël ……. 20 3. Waterdoop in het licht van het komende aardse koninkrijk .. 20 3.1 – Berouw als voorwaarde …………………………………………………. 20 3.2 – Johannes de Doper en onze Heer Jezus ………………………… 21 3.3 – Voor wie is waterdoop voorwaarde? …………………………….. 22 3.4 – Paulus doopte toch ook? ………………………………………………. 23 3.5 – Wat is de rol van water en geest? …………………………………. 25 3.6 – De clou van de doop bij Paulus ……………………………………. 27 7
Page 8
4. Doop in Paulus’ volkomenheidsbrieven ………………………………. 27 5. Geen doopritueel, maar wat dan wel? ………………………………….. 30 3. OVER DE HEER-LIJKE MAALTIJD …………………………………………… 33 1. Paulus in Corinthe (Handelingen 18:1-18) ……………………………. 33 2. Maaltijd ……………………………………………………………………………….. 34 3. Het laatste pesachmaal van de Heer ……………………………………. 35 3.1 – Tijdstip …………………………………………………………………………. 35 3.2 – Een inzetting? ……………………………………………………………… 37 3.3 – Ter herhaling? ……………………………………………………………… 38 4. De Heer-lijke maaltijd …………………………………………………………. 38 4.1 – Samenkomen en maaltijd houden ………………………………. 38 4.2 – Is het “Heer-lijk” of “van de Heer”? …………………………….. 41 4.3 – Van de Heer ontvangen ……………………………………………… 42 4.4 – Voor het lichaam van Christus? …………………………………. 42 4.5 – “Ook ons pascha”? Hoe kan dat? ………………………………… 43 4.6 – Geen pesachmaaltijd ………………………………………………….. 45 4.7 – Geen inzetting ……………………………………………………………. 46 5. De Heer-lijke maaltijd nader bezien …………………………………… 47 5.1 – De context ………………………………………………………………….. 47 8 5.2 – Ongezuurd brood? ……………………………………………………… 48 5.3 – Het breken van het brood …………………………………………… 50 5.4 – Voor jullie gebroken? ………………………………………………….. 51 5.5 – Beker …………………………………………………………………………… 52 5.6 – Eenheidsmaal ……………………………………………………………… 54 5.7 – Instelling van de Heer-lijke maaltijd? …………………………. 55 NABESCHOUWING ……………………………………………………………………….. 57 9
Page 12
Toets alles wat geschreven en gesproken is, zo ook deze publicatie, aan het door God geademde Woord (2 Timotheüs 3:16)! Netelige onderwerpen Op de volgende bladzijden worden netelige onderwerpen over doop en maaltijd aangesneden. Er wordt echter wel enige voorkennis verwacht van het evangelie dat de apostel Paulus gebracht heeft. Het had een omvangrijk en rijk gedocumenteerd boekwerk kunnen worden, maar door eenvoudigweg centraal te stellen wat in Gods Woord staat, kan veel omhaal van woorden en veel uitweidingen worden voorkomen. Wie echter denkt te kunnen volstaan met alles diagonaal door te lezen, kan al gauw het slachtoffer worden van zijn eigen vooroordeel, variërend van “ik geloof het wel” tot “ik geloof er niets van”. Hooggeachte lezer, Lees alles eerst en word dan al of niet boos! Neem daarbij de moeite om alles te toetsen aan de Schrift – liefst in de grondtalen of anders in een daarmee overeenstemmende concordante2 vertaling. Laat alleen Gods Woord u raken en overtuigen! _______________________ 2 “Concordant” wil zeggen: nauw aansluitend bij de grondtekst van de Schrift door deze qua woordkeuze en zinsbouw zo zuiver mogelijk weer te geven. 12 1. OVER RITUELEN EN SACRAMENTEN Een ritueel is volgens de Dikke Van Dale “geheel van overgeleverde (religieuze) gebruiken, plechtigheden en ceremoniën in verband met belangrijke momenten in het (openbare) leven”. Wij kennen in het dagelijks leven legio rituelen. Vooral ook godsdiensten hechten grote waarde aan rituelen. Bij de rooms-katholieke kerk zijn ze onder meer in missalen terug te vinden, bij de protestantse kerken in kerk- of dienstboeken. Waarom wordt in dit hoofdstuk eerst op rituelen en sacramenten ingegaan? Juist omdat het zeer de vraag is of die wel zijn ingesteld voor de uitgeroepen gemeente die het lichaam van Christus is (1 Corinthiërs 12:27). Wanneer een ritueel een kerkelijke gewijde handeling inhoudt, waarvan men meent dat zij door Christus is ingesteld, duikt de term ‘sacrament’ op. In zowel de rooms-katholieke als in de protestantse kerk spelen twee sacramenten de hoofdrol: doop en avondmaal. Voor beide gelden strikte regels, niet alleen voor de uitvoering, maar ook voor degenen die ze uitvoeren en ontvangen. 13
Page 14
De geschiedenis wijst uit dat sacramenten voertuig waren in machtsstrijd, scheuring en dominantie. In de Hebreeuwse Schrift is dat anders. Wie de Thora, de eerste vijf boeken van de Bijbel leest, zal daar plenty rituelen tegenkomen. Zij zijn door God aan strikte voorschriften gebonden. Sommige rituelen mogen alleen door priesters worden uitgevoerd, andere ook door het volk. Die rituelen zijn een verkondiging van Wie Jahweh is en voor Zijn volk zal zijn. God heeft woorden gesproken en laten optekenen die alleen aan Joden en alleen aan niet-Joden gericht zijn. Daarnaast heeft Hij woorden gesproken die in het bijzonder gericht zijn aan allen die in Christus geroepen gelovigen zijn, zonder onderscheid naar Jood en niet-Jood. Ook al is niet alles in de Schrift voor onze oren bedoeld, ligt zij wel voor ons open, juist omdat zij Gods handel en wandel, Zijn almacht en majesteit onthult en bovenal wat Zijn drijfveer is: de hoogst mogelijke liefde! Dank zij die Liefde zal Hij uiteindelijk de gehele mensheid aan Zijn hart drukken en zal de gehele mensheid, zullen állen, Hem als de Vader (h)erkennen en loven (1 Corinthiërs 15:28). In deze publicatie zal ik ingaan op de vraag of voor de uitgeroepen gemeente, die het lichaam van Christus is (1 Corinthiërs 12:27), ook bepaalde rituelen en sacramenten gelden. 14 Vooruitlopend op wat hierna volgt, kan ik al stellen: voor de gelovigen in Christus heeft de apostel Paulus géén rituelen of sacramenten beschreven. Derhalve zijn de rituelen rond water, brood en wijn puur menselijke inzettingen, die op onjuiste uitleg dan wel inleg berusten van wat in Gods Woord geschreven staat. Wij zullen ons dus moeten ontdoen van alles wat door jarenlange indoctrinatie tussen de oren is komen te zitten. Aan rituelen en sacramenten kleeft in het algemeen een groot gevaar: dat zij ontaarden in louter vormen- en lippendienst en zelfs misbruikt worden om over het volk macht uit te oefenen. En hoeveel mensen zijn niet als baby of op latere leeftijd gedoopt en leefden daarna als ongelovigen? De plechtige viering van het Heilig Avondmaal of de eucharistie blijkt evenmin een garantie “erbij te horen”. Bedenk dat God rituelen haat die verworden zijn tot een leeg en van God losstaand formalisme (Spreuken 15:8; Jesaja 1:13-15). God ziet het hart aan (1 Samuël 16:7) en laat Zich niet, zoals mensen, door uiterlijkheden en menselijke inzettingen voor de gek houden! 15
Page 18
baptistes hij die onderdompelt > doper (bijv. Mattheüs 3:1; 11:11, 12; 14:2, 8; 16:14; 17:13) Het Hebreeuwse synoniem van baptô is volgens de lezing van de Septuaginta meestal TBL (zeg: tavál). Dat kan echter ook een wassen, baden of spoelen inhouden. Voor deze reinigende handelingen kent de Schrift nog andere woorden: niptô louô plunô wassen, van een deel van het lichaam (Mattheüs 15:2) baden, van het gehele lichaam (Leviticus 8:6 Septuaginta; Hebreeën 10:22) spoelen, van voorwerpen (Openbaring 7:14) 2. Waterdoop en water in de Hebreeuwse Schrift Voor een goed begrip van de waterdoop in zijn eerste vorm – als een louter ceremoniële wassing – is studie van de Hebreeuwse Schriften onontbeerlijk. Dan zal blijken dat de tabernakel van Mozes en de tempel van Salomo de tegenbeelden zijn van wat zich in de toekomst zou gaan afspelen. In dat verband is ook het visioen van de profeet Ezechiël over de nieuwe tempel van belang. Na deze onderwerpen bekeken te hebben, zullen wij ze in het verband plaatsen met de prediking van het koninkrijk door Johannes de Doper, onze Heer Jezus Christus en Zijn twaalf apostelen. 18 2.1 – Het waterbekken in de tabernakel In de beschrijving van de voorwerpen in de tabernakel, in Exodus 2528, ontbreekt het waterbekken (KIUR, zeg: kijór; NBG51: wasvat, bekken). Dat verschijnt pas vanaf Exodus 30:28 ten tonele, samen met het brandofferaltaar. Iedere priester die de Jahweh wilde naderen, moest het wasvat (bekken) wel passeren. Zonder wassing kon God niet genaderd worden. De wassing was een vast onderdeel van de priesterwijding, de poort naar een nieuw leven dicht bij God.3 De tabernakel is het tegenbeeld van Israëls situatie in de eindtijd en fungeert als een “gelijkenis voor de tegenwoordige periode [kairos]” (Hebreeën 9:9).4 2.2 – De zee en waterbekkens in Salomo’s tempel In de tempel van Salomo, die later de plaats van de tabernakel in zou nemen, werd het waterbekken vervangen door de koperen zee (IM, zeg: jam) en tien koperen, verrijdbare waterbekkens (1Kn 7:23-39). De zee rustte op twaalf runderen, die dienstbaarheid uitdrukken en _______________________ 3 Op dat laatste doelt Paulus als hij Titus schrijft over het “bad der wedergeboorte” (Titus. 3:5) als beeld van de totale vernieuwing, wat naadloos aansluit op “de nieuwe mens” in Efeziërs 4:24. 4 Voor tijds- en periodeaanduidingen: De kalender van God - Concordante Publicaties (concordante-publicaties.nl). 19
Page 20
diende uitsluitend voor de priesters om zich daarin te wassen (2 Kronieken 4:6). Salomo’s tempel is een beeld van de heerlijkheid, waarin de Vredevorst zal komen, het tegenbeeld van het koninkrijk, de vooraankondiging van de tempel die aan de profeet Ezechiël werd getoond. 2.3 – De beek in de toekomstige tempel volgens Ezechiël In de toekomstige tempel zijn noch de zee, noch de tien waterbekkens te vinden. Daarentegen stroomt er onder de drempel van Gods huis water uit dat gezond maakt en leven geeft (Ezechiël 47:1-12). Deze waterloop (NChL, zeg: nachál) maakt het wasvat van de tabernakel, alsook de zee en de tien bekkens van Salomo’s tempel, overbodig. De tempel is nu een beeld van de toekomstige tijd waarin de heerlijkheid van Jahweh (Ezechiël 43:2-5, Lucas 16:16) weer onder de Israëlieten zal wonen. 3. Waterdoop in het licht van het komende aardse koninkrijk 3.1 – Berouw als voorwaarde In de Schriftgedeelten die uitsluitend de besneden Joden aangaan, gaat de waterdoop altijd samen met berouw (metanoia - Handelingen 2:38). 20 Zij maakt de weg vrij voor de vervulling van de beloften die Jahweh al in de Thora had vastgelegd (Deuteronomium 30:1 e.v.). 3.2 – Johannes de Doper en onze Heer Jezus Het optreden van onze Heer Jezus onder Zijn volk werd voorafgegaan door dat van Zijn wegbereider, Johannes de Doper (Mattheüs 3:1-6). Johannes predikte in de woestijn van Judea dat het koninkrijk der hemelen nabij was. In dat tijdsgewricht had niemand nog weet van de latere ontwikkelingen die de apostel Paulus openbaar zou maken. Het bijzondere van Johannes was dat hijzelf de ceremoniële wassing voltrok – vandaar zijn bijnaam ‘de Doper’. De door Johannes uitgevoerde doop gaf uitdrukking aan het belijden van zonden en berouw tot vergeving van zonden (Lucas 3:3). Daarmee werden de dopelingen als het ware afgezonderd van het volk waartoe zij behoorden. Zij vormden een nieuwe eenheid van Joden die zich met de Komende hadden verbonden. Overigens heeft ook onze Heer Jezus, omwille van die nieuwe eenheid, Zich door Johannes laten dopen (Mattheüs 3:13). Deze doop opent de poort van het koninkrijk dat Johannes de Doper en onze Heer predikten. Jezus Zelf heeft nimmer met of in water gedoopt: dat liet Hij aan Zijn discipelen over (Mattheüs 28:19). In de Pinksterbedeling voegde Petrus aan de doop een dimensie toe: redding van de verschrikkingen in de dag van de Heer (Handelingen 2:14-40). 21
Page 22
3.3 – Voor wie is waterdoop voorwaarde? Zoals ten tijde van de tabernakel niemand God kon naderen zonder wassing, zo zou in de eindtijd niemand het aardse koninkrijk binnen kunnen gaan zonder doop en de daarbij behorende geestelijke gesteldheid. Alleen met degenen die door doop in Gods ogen rein waren geworden, kon Hij gemeenschap hebben. In die zin fungeerde het wasvat in de tabernakel als beeld van wedergeboorte. De ceremoniële wassing bij de priesterwijding beeldde een wedergeboorte uit tot een leven nabij de Here (Exodus 29:4; Titus 3:5). Eerst wanneer het gehele volk gered zal zijn, het bad der wedergeboorte zal hebben ondergaan en het priesterschap zal bekleden, is er geen wasvat meer nodig, omdat zij allen God nabij zijn (Romeinen 11:26; Johannes 3:3; Exodus 19:6; 1 Petrus 2:9 en Openbaring 1:6). De koperen zee in Salomo’s tempel, is een voorafschaduwing van de stromen van zegen en de daaraan verbonden heiligheid in het duizendjarig koninkrijk. In die tijd zal niemand meer gemaand worden berouw te hebben en boete te doen, omdat dan alle leden van het volk wedergeboren zullen zijn. Dan zal alle vlees komen om in Jeruzalem voor het aangezicht van de Heer Hem te aanbidden (Jesaja 66:23). Dan zal de nieuwe tempel, gezien door de profeet Ezechiël 22 werkelijkheid geworden zijn. Daarin ontbreekt de koperen zee en elk ander wasbekken. In plaats daarvan is de “rivier van leven” gekomen (Op 22:1-3). Pas op de nieuwe aarde zal God Zich onverhuld aan de mensheid tonen. In die aardse volkomenheid zal er geen tempel meer nodig zijn. Wat wij zojuist bekeken hebben, krijgt in de context van de Schriftgedeelten de glans en betekenis zoals die door God bedoeld is voor uitsluitend Israël en de haar omringende volken. Ook al kunnen wij, als leden van het lichaam van Christus, van een en ander kennisnemen, wil dat niet zeggen dat wij het klakkeloos op onze situatie en roeping zouden mogen toepassen. Voor ons geldt een geheel andere waarheid met geheel andere gezonde woorden!5 3.4 – Paulus doopte toch ook? Toen Israël zijn Messias verworpen had, werd de verwezenlijking van de plannen die God met Zijn volk had tot een later tijdstip opgeschort. God koos echter Paulus, die aanvankelijk Zijn bitterste tegenstander was geweest, om dat werk te doen wat Israël had laten liggen: de natiën tot zegen te zijn (Romeinen 15:8-21; Galaten 1:15-16; Titus 1:11). _______________________ 5 Meer informatie: Waar gaat het in de Bijbel om? - Concordante Publicaties (concordante-publicaties.nl) 23
Page 24
Daarbij gold “eerst de Jood” en - op een bescheidener plaats - “ook de Griek” (Romeinen 1:16). Wanneer Paulus het over de doop heeft (1 Corinthiërs 1:14-16), moet deze dan ook in het kader van de toenmalige fase van zijn bediening worden opgevat. Toen gold nog dezelfde voorwaarde als aan Cornelius gesteld was: eerst moest God Zijn heilige geest gegeven hebben (Handelingen 10:44-48; Romeinen 5:5). Later, toen God de tijd daarvoor rijp achtte, bereikte Paulus’ bediening haar hoogtepunt zoals in de Efezebrief en de brieven aan de Colossenzen en Filippenzen te lezen is. Paulus doopte aanvankelijk ”naar Christus in” (eis Christon - Galaten 3:27) en ”naar Christus Jezus in” (eis Christon Iêsoun - Romeinen 6:3). Want zó had de Redder Zichzelf het eerst aan Paulus en aan de natiën geopenbaard: als dé Christus, van Wie de Schrift al vanaf het boek Genesis tot en met de profetenboeken getuigd had. Om de verbinding te leggen met de Gekruisigde voegde hij de naam Jezus, Jahweh-Redder, eraan toe. Maar vóórop stond de opgestane en verheerlijkte Heer. Daarom betekende de doop bij Paulus identificatie met de kruisiging, de dood en vooral de opstanding van de Heer! De dopeling ging als het ware een nieuw opstandingsleven in, aan de heerschappij van de dood ontrukt. 24 Paulus predikte Gods zegen voor de natiën – ook al is Israël tijdelijk terzijde gesteld – te weten eonisch6 leven, maar niet op aarde en ook niet in het land Israël en Jeruzalem. Paulus werd “bedienaar van Christus Jezus naar de natiën” (Romeinen 15:16). De roeping van de apostel Paulus bereikte het zenit, toen hij het Woord van God “volgemaakt”, compleet gemaakt had en het geheimenis onder de natiën mocht onthullen: “Christus onder jullie, de verwachting van de heerlijkheid” (Colossenzen 1:25-27). Het is de periode waarin wij nu leven, waarin de gemeente uitgeroepen is die het lichaam van Christus is. Dat is het cruciale moment in Paulus’ bediening en van het hoogste belang voor Gods heiligen in deze tijd. In zijn brieven aan de Romeinen en de Corinthiërs geeft de apostel duidelijk aanwijzingen naar iets ongekend hogers (1 Corinthiërs 12:31). Het was in die samenhang dat allerlei tekenen zouden ophouden, er niet meer gedoopt werd en alleen geloof, hoop en vooral liefde zouden resteren (1 Corinthiërs 13). 3.5 – Wat is de rol van water en geest? Voor alle duidelijkheid volgt hier in een notendop de ontwikkeling in de rol van water en geest vanaf Johannes de Doper tot Paulus’ uiteindelijke bediening. _______________________ 6 Leven dat met Christus verborgen is in God (Colossenzen 3:3-4), bepaald door Gods geest en niet door het vlees waarin de dood regeert. 25
Page 26
Ten tijde van Jezus’ wandeling op aarde bestond alleen de waterdoop. In de pinksterperiode werd daaraan de doop met de geest toegevoegd (Handelingen 1:5). Tijdens Paulus’ aanvankelijke bediening, kwamen beide dopen naast elkaar voor, maar in omgekeerde volgorde. In onze bedeling geldt evenwel weer één doop (Efeziërs 4:5), de doop in de geest! Het gaat nu niet meer om een uiterlijke wassing, maar om een innerlijke werkelijkheid, reiniging door de geest. Nu is het alleen Gods geest die telt. één doop water twee dopen water twee dopen één doop geest geest één doop Johannes de Doper en de Heer geest water Pinksterperiode Paulus’ eerdere bediening één doop Paulus’ latere bediening Eens zal de dag van God aanbreken met nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont (2Petrus 3:12-13). Dan zal God bij de mensen wonen in een nieuw Jeruzalem van ongekende schoonheid (Openbaring 21:10 en 21). 26 Dan zullen tempel en tempeldiensten afgedaan hebben. De heerlijkheid die aldus in het verschiet ligt, wacht echter niet de leden van de gemeente die het lichaam van Christus is! Hun wacht op een eerder tijdstip de realisatie van een geheel andere, hemelse verwachting! Feitelijk zijn zij in de geest nu reeds een nieuwe schepping (2 Corinthiërs 5:17). Het is Gods geest die hen gereinigd heeft. Daaraan valt niets meer toe te voegen en zéker niet door waterdoop! 3.6 – De clou van de doop bij Paulus In 1 Corinthiërs 12:12-13 stelt de apostel duidelijk dat de uitgeroepen gemeente, die het lichaam van Christus is, met haar vele leden een éénheid vormt: allen tot één lichaam gedoopt, allen met één geest gedrenkt. Paulus stelde niet voor niets al in 1 Corinthiërs 1:14 dat hij dankbaar was dat hij alleen de waterdoop bij Crispus en Gajus toegepast had. Want na de terzijdestelling van Israël, werd uitsluitend de werking van Gods geest bepalend, zich uitend in die unieke, liefdevolle genade die naar alle volken uitstroomde, mensen uitriep tot één wereldwijde gemeente en hen voorbestemd had om te midden van de hemelingen Gods veelvuldige wijsheid bekend te maken (Efeziërs 3:8-11). Paulus wijst in 1 Corinthiërs 10:1-2 op een parallel met deze waterloze doop in Israëls geschiedenis; bij de uittocht uit Egypte waren alle Israëlieten onder de wolk en gingen allen door de zee. 27
Page 28
Aldus zijn allen in Mozes in de wolk en in de zee gedoopt (ebaptithêsan staat er). Zo betraden zij veilig de woestijn. Door deze doop – waaraan geen druppel water te pas kwam – scheidden zij zich van Egypte af om zich met Mozes te verbinden, niet meer als een agglomeratie van twaalf stammen, maar als één volk, waaruit later de Messias zou voortkomen. 4. Doop in Paulus’ volkomenheidsbrieven De Efezebrief en de brieven aan de Filippenzen en Colossenzen worden juist om hun unieke en ultieme verkondiging Paulus’ “volkomenheidsbrieven” genoemd. De Efezebrief onthult een onmiddellijke nabijheid van God, onbelemmerd door de tussenkomst van voorhof, altaar, wasbekken, het heilige, de voorhang en welk ander middel ook maar. In Christus zijn Israël en de natiën, besnedenen en onbesnedenen, één gemaakt. In Christus zijn de natiën, die eens veraf waren, nabijgekomen in Christus bloed (Efeziërs 2:13). Het bloed dat Hij aan het kruis vergoten had, baande een weg die nu rechtstreeks naar Gods troon voert. Doop afgedaan? Heeft de doop daarmee afgedaan? Waarom spreekt Paulus in Efeziërs 4:5 toch nog van “één Heer, één 28 geloof, één doop”? Omdat zowel Israël als de natiën thans door God op gelijke voet in genade aangenomen zijn, zonder enig onderscheid, zonder enige voorkeursbehandeling. Tijdens Paulus’ optreden schoof de waterdoop naar de achtergrond en trad de doop met de geest naar voren. In Efeziërs 1:13 is het zover gekomen dat Paulus kon stellen: “In Hem zijn ook jullie, die het woord der waarheid horen […] verzegeld met de geest van de belofte, de heilige!”. Dit garandeert de toegang tot iedere geestelijke zegen te midden van de hemelingen (Efeziërs 1:3). Het is nu Gods geest die allen “doopt” tot één lichaam! Waar Paulus spreekt van één doop, moet dat dus wel louter en alleen de doop met heilige geest inhouden. Water komt er niet meer bij te pas! Doop en besnijdenis De leer dat de (water)doop in de plaats van de besnijdenis gekomen is, strookt niet de woorden in Colossenzen 2:6-15. Het gaat om een zinnebeeldige besnijdenis, niet met handen gemaakt, in het afstropen van het lichaam van het vlees, in de besnijdenis van Christus, aan het kruis tot stand gekomen, met Hem samen begraven in de doop. In plaats van de lichamelijke besnijdenis en de doop, die voor de Israëlieten voorwaarde was om te kunnen naderen tot een verborgen God, hebben wij thans de ware besnijdenis en de ware doop, namelijk door met Christus de dood in te gaan en met Hem weer op te staan 29
Page 30
(Colossenzen 2:12). Onze doop bestaat uit onze opwekking uit de doden door het geloof in de werkzaamheid van God. Dat is al realiteit in Gods ogen, maar zal voor ons realiteit worden wanneer wij, in een volkomen ander lichaam, door onze Heer en Redder van aarde naar Hem toe weggerukt zullen worden (1 Thesssalonicenzen 4:16-17). 5. Geen doopritueel, maar wat dan wel? Sommigen missen misschien het ritueel van de waterdoop. Dat gemis zal echter als sneeuw voor de zon verdwijnen, zodra zij zich bewust worden van de bijzondere roeping waarmee zij door God geroepen zijn. Paulus schreef hierover in Efeziërs 1:4: “…zoals Hij ons heeft uitgekozen in Hem [Christus] vóór de nederwerping7 der wereld …” Anders gezegd: nog vóór ons DNA-materiaal in de moederschoot tot ontwikkeling kwam, had God ons zelfs al vóór de nederwerping van de wereld op het oog. Door talloze geslachten heen heeft Hij ons geleid tot de persoon die wij nu zijn. Hoe onnaspeurlijk zijn Zijn wegen! (Romeinen 11:33) _______________________ 7 Het Griekse katabolè betekent “neer-werping” Het verwijst naar een catastrofe waardoor de aarde een troosteloze chaos was geworden (Genesis 1:2). De vertaling “grondlegging” past eerder bij het Griekse woord themelios, waar het om het leggen van een fundament gaat. 30 Zegel van de geest van de belofte God, de Vader, kent ons door en door, met al onze fouten en gebreken, maar tóch heeft Hij ons Zijn zegel opgedrukt. Geen macht ter wereld is in staat dat “zegel van de geest van de belofte” (Efeziërs 1:13) te verbreken. Het is louter liefde die God ons door onze Heer Christus Jezus zo geschonken heeft, want “wie zal ons scheiden van de liefde van God die is in Christus Jezus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of het zwaard?” In Romeinen 8:39 staat het antwoord: “noch hoogte noch diepte, noch enig andere schepping ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, de liefde in Christus Jezus, onze Heer!” Wij heilig en smetteloos? Het is Gods werk, door Christus Jezus, onze Heer, dat wij ons geroepen heiligen mogen weten. Na onze wegrukking8 uit de aardse sfeer, na onze ontmoeting met onze Heer in de lucht (1 Thesssalonicenzen 4:13-17; 1 Corinthiërs 15:51-55), zal Hij aan Zichzelf een heerlijke uitgeroepen gemeente presenteren, geen vlek of rimpel of iets dergelijks hebbend. _______________________ 8 “Wegrukking” slaat op het Griekse woord arpazô. De gangbare Bijbelvertalingen noemen het “wegvoeren” en “opnemen” alsof het niet om een gebeurtenis gaat die zich plotsklaps en pijlsnel voltrekt. 31
Page 32
Dan zullen wij door God als heilig en smetteloos gezien worden. Want het is Christus Die ons als uitgeroepen gemeente heiligt, haar reinigend met het waterbad in Zijn woord (Efeziërs 5:25-27). In dat goddelijke licht bezien heeft een waterdoop voor ons dus geen nut meer, omdat God Zelf die overbodig gemaakt heeft. Paulus bad: “de God van onze Heer Jezus Christus, de Vader van de heerlijkheid, geve jullie geest van wijsheid en onthulling in erkenning van Hem!” (Efeziërs 1:17). Bij eenieder van ons heeft God op een gegeven moment de zon van Zijn liefdevolle, onvoorwaardelijke genade in het hart laten doorbreken. Omdat Hij ons het zoonschap geschonken heeft en wij nu zonen zijn, vaardigde God de geest van Zijn Zoon af in onze harten, die roept: “Abba! Vader!” (Galaten 4:6). Hoe kunnen wij daarvan beter getuigen dan als navolgers van God als geliefde kinderen te wandelen in liefde, zoals ook Christus ons heeft liefgehad (Efeziërs 5:1)? Laat dat ons dagelijks ononderbroken en levenslang durend “ritueel” zijn! 32 3. OVER DE HEER-LIJKE MAALTIJD 1. Paulus in Corinthe (Handelingen 18:1-18) Paulus heeft in Corinthe anderhalf jaar verblijf gehad. Op zekere dag werd hij door tegenstanders voor de bêma van proconsul Gallio gesleept. Deze verklaarde de aanklacht tegen Paulus echter niet-ontvankelijk. Dat moet zich hebben afgespeeld in de jaren 51 en 52, de ambtstermijn van Gallio. De brief die ons bekend is als de eerste brief aan de Corinthiërs heeft hij enkele jaren later vanuit Efeze verzonden. Corinthe was in Paulus’ dagen de voornaamste stad van het Romeinse wingewest Achaia. Er woonden voornamelijk Romeinen, Grieken en door keizer Claudius uit Rome verdreven Joden. De oorspronkelijke stad was met Romeinse grondigheid verwoest, maar later door de Romeinen in grote luister herbouwd. Paulus moet dus schitterende bouwwerken gezien hebben van amper 100 jaar oud. Zoals in die tijd gebruikelijk stonden er ook indrukwekkende tempels, waaronder die van Aphrodite9. _______________________ 9 Door de Romeinen Venus genoemd. 33
Page 34
Deze godin werd enthousiast vereerd als godin van de liefde, schoonheid, seksualiteit en vruchtbaarheid. Dat heeft zijn stempel op de bewoners en bezoekers gedrukt, met alle grootschalige smeerlapperij van dien, waarvan ook leden van de ecclesia niet vies bleken te zijn (1 Corinthiërs 5). Paulus constateert er nog meer misstanden, die de vrucht van het vlees zijn en allesbehalve van de geest. Dat bleek vooral uit de gang van zaken als de leden van de gemeente samenkwamen. Uit de brief kan niet worden opgemaakt of het om samenkomsten ging zoals wij die heden ten dage kennen, bijvoorbeeld als de samenkomsten op zon- en feestdagen. Hoogstwaarschijnlijk juist niét. Want feitelijk berusten die niet op de Schrift, maar op wat de kerken er in hun instituties van gemaakt hebben. Dat heeft ook zijn funeste weerslag gehad op de opvattingen omtrent de Heer-lijke maaltijd. 2. Maaltijd In het oude Midden-Oosten was een maaltijd niet altijd een zaak van eten en drinken alleen. Dat is daar heden ten dage nog steeds herkenbaar. Een maaltijd kon ook de uitdrukking zijn van royale gastvrijheid (bijv. Genesis 18:1-8). 34 Het met elkaar delen van eten en drinken kon eveneens fungeren als teken van vriendschap (bijv. Genesis 26:28-30) en ter bezegeling van een verbond (bijv. Genesis 31:52-54). Bovendien kon de maaltijd het voertuig van vreugde zijn (bijv. Nehemia 8:10-11). Meestal vervulde iedere maaltijd al deze functies tegelijk, waarbij één functie meer op de voorgrond kon staan dan de overige. De Farizeeën en schriftgeleerden begrepen dan ook heel goed wat de Heer zeggen wilde door met tollenaars en zondaars maaltijd te houden (Lucas 5:30). De symboliek van de maaltijd komt tot volle uitdrukking in het koninkrijk (Lucas 22:30) en is terug te vinden in de beeldspraak van de Heer in Johannes 6:53-58 - “Wie Mijn vlees opeet en Mijn bloed drinkt: hij blijft in Mij en Ik in hem” (v.56). Ook in de maaltijd die de Heer gehouden heeft, komen gastvrijheid, verbondenheid en vreugde tot uitdrukking. Zoals wij hierna zullen ontdekken, heeft het de Heer behaagd bij Paulus de maaltijd in een veel hoger perspectief te plaatsen. 3. Het laatste pesachmaal van de Heer 3.1 – Tijdstip De evangelisten geven aan dat deze bijzondere maaltijd gehouden werd op een tijdstip dat binnen de door de wet gestelde termijn viel: “in de eerste maand op de veertiende dag tussen de twee avonden” 35
Page 36
(NBG: “in de avondschemering”; Statenvertaling: “tussen twee avonden”), dat is tussen de zonsondergang waarmee de veertiende Niesan begint en de volgende zonsondergang (Leviticus 23:5-8). Het “pascha” mocht al “in de avond, als de zon onder gaat” worden geslacht (Deuteronomium 16:6). Volgens de wet mocht van het vlees van het pascha niets overblijven en geen been daarin gebroken worden (Exodus 12:46, Nu 9:12).10 Als brood mochten daarbij uitsluitend ongezuurde “matses” gegeten worden (Exodus 12:18). Uit de verslagen in de drie synoptische evangeliën (Mattheüs, Marcus en Lucas), gelezen in de Griekse tekst of in een daarmee overeenstemmende concordante vertaling, kan worden afgeleid dat Jezus met Zijn discipelen al in de eerste avond – de avond die de veertiende Niesan inluidde – brood en wijn gedeeld heeft. Later, en nog steeds binnen diezelfde wettelijke termijn, zou Hijzelf als pascha worden geslacht door Zijn kruisiging op het derde uur en Zijn dood op het negende uur (Marcus 15:25, 34 en 37).11 Het was misschien niet gebruikelijk om zo vroeg het Pesachmaal te vieren, hoewel de Heer ook toen niets deed dat in strijd met de wet zou zijn. _______________________ 10 Vergelijk hiermee Johannes 19:36 - “van Hem zal geen been gebroken worden”. 11 Voor uitvoerige uitleg: Op welke dag is de Heer opgestaan - Concordante Publicaties (concordante-publicaties.nl) 36 God had al bij het geven van de wet voorzien dat Zijn Zoon zo zou handelen. Jezus verruimde Zijn laatste Pesachmaal voor Zijn discipelen met twee nieuwe perspectieven: naast een maal ter gedachtenis aan Israëls bevrijdende uittocht uit het land Egypte (Deuteronomium 16:3), a. een maal ter gedachtenis aan Zijn lijden en sterven dat Hij diezelfde dag als Lam Gods (Johannes 1:29) zou ondergaan en b. een maal ter gedachtenis aan Zijn terugkeer als Koning van Israël om met Zijn discipelen in het koninkrijk wederom Pesach te vieren (Lucas 22:16, 29, 30). Wanneer Paulus in 1 Corinthiërs 11:23 schrijft “de Heer Jezus in de nacht waarin Hij werd overgeleverd”, moet het dus om een maaltijd gaan die Hij nog gehouden heeft vóór Judas’ verraad, dus in de nacht van die 14e Niesan. Dan kan het niet anders of dat moet dezelfde maaltijd zijn geweest als waarover de evangelisten berichten. 3.2 – Een inzetting? Wat de evangeliën over het pascha met de Heer vermelden, kan niet worden aangemerkt als de “instelling van het heilig avondmaal” alsof Jezus Zijn discipelen opdracht zou hebben gegeven die maaltijd voortaan tot Zijn gedachtenis te herhalen. Wanneer Hij alleen volgens Lucas 22:19 zegt “Doet dit tot Mijn gedachtenis”, dient dat om Zijn discipelen op de betekenis van dit pesachmaal te wijzen. Dat zouden zij eerst later ten volle gaan begrijpen. 37
Page 38
De context gebiedt deze maaltijd louter te zien als het laatste pesachmaal dat Jezus met Zijn leerlingen hield ter voorbereiding op Zijn slachting als pascha. Hij kondigt daarbij aan dat de eerstvolgende gelegenheid om dit gedachtenismaal te vieren met het drinken van de “vrucht van de wijnstok”, zich in het koninkrijk zal voordoen! 3.3 – Ter herhaling? Het eenmalige karakter van de bijzondere pesachmaaltijd zoals door Mattheüs, Marcus en Lucas belicht, is blijkens Handelingen 2:42 door de eerste, vóór-Paulinische gemeente goed begrepen. Daar wordt met geen woord gerept van een “maaltijd van de Heer”, laat staan van een “heilig avondmaal”! Zoals uit wat hierna volgt zal blijken, laat vergelijking van de betreffende teksten, een essentieel verschil zien tussen de maaltijd in 1 Corinthiërs 11 en de maaltijd in Mattheüs 26, Marcus 14 en Lucas 22. 4. De Heer-lijke maaltijd 4.1 – Samenkomen en maaltijd houden In 1 Corinthiërs 11:17-25 vallen een paar gegevens op: de leden van de gemeente te Corinthe blijken regelmatig, misschien wel dagelijks, samen te komen. 38 Dat is niet zo vreemd, want zo konden zij even afgezonderd zijn van een hun niet bijster goedgezinde omgeving ( – lees Handelingen 18:1217 maar). Het is immers niet onwaarschijnlijk dat naast de vrome Joden ook vele andere Corinthiërs hen verachtten. In Paulus’ dagen waren buiten Israël alleen synagogen en de tempels van de Grieks-Romeinse goden de centrale plaatsen van godsdienstige samenkomsten. Kerkgebouwen bestonden toen nog niet. De gelovigen moesten derhalve samenkomen op plaatsen met een geschikte outillage. Dat konden een of meer woonhuizen zijn, waarvoor vooral die van de rijke leden in aanmerking kwamen. Gezamenlijke maaltijden In het Nabije Oosten was het – en is het nog steeds – gebruikelijk om gezamenlijk maaltijden te houden. Daaraan konden niet alleen de bewoners van een huis deelnemen, maar ook buurtgenoten en van elders afkomstige gasten. Men spreidt dan een kleed uit over vloer of tafel, waarop alle disgenoten de door hen meegebrachte etens- en drinkwaren kunnen uitstallen, aldus bijdragend tot een bevredigend stillen van ieders honger en dorst. Afhankelijk van de gelegenheid en feestvreugde kon de dis rijker en overvloediger zijn dan anders. Voor schrijver dezes was dat een normaal tafereel toen hij in Egypte opgroeide. 39
Page 40
Overigens doen zich heden rond het gehele mediterrane gebied nog dagelijks dergelijke taferelen voor. Bij het lezen van wat Paulus over het houden van maaltijden schrijft, rijst onwillekeurig hetzelfde beeld. Als geroepen heiligen bijeen Naast de reguliere maaltijden in huiselijke kring blijken te Corinthe ook maaltijden gehouden te worden waarbij het samenkomen als “geheiligden in Christus Jezus, geroepen heiligen” (1 Corinthiërs 1:2) hoofdschotel was. Uit 1 Corinthiërs 11:17-25 kan worden afgeleid, dat de apostel daarvan geen prettige indruk had, hetzij door berichten van broeders, hetzij door eigen waarneming. De maaltijden die als geloofsbeleving met elkaar genoten werden, konden niet altijd en overal als waardig worden gekwalificeerd. Dat was voor de apostel Paulus reden een en ander recht te zetten. Wanneer de broeders als gemeente bijeenkwamen om Christus te gedenken, in het bijzonder wat Zijn kruisdood en het daarop gebaseerde evangelie voor hen betekende, moest dáárop het accent liggen! Als daarbij, naar oosterse gewoonte, voedsel en drank beschikbaar was, mocht het terecht uitermate ongepast gevonden worden als dat in vreetpartijen en ruzies ontaardde of dat men zich erop stortte nog voordat iedereen om de dis zat. Daarom verwijst de apostel naar wat hij van de Heer Zelf – en van niemand anders – ontvangen heeft, namelijk de woorden voor een 40 maaltijd waarmee men op waardige wijze de betekenis van de dood van de Heer (Kurios) gedenkt: een “Heer-lijke maaltijd” (kuriakon deipnon - 1 Corinthiërs 11:20)! 4.2 – Is het “Heer-lijk” of “van de Heer”? Het Griekse bijvoeglijk naamwoord kuriakon – letterlijk “Heer-lijk”12 , elders meestal met “van de Heer” of “des Heren” vertaald – komt alleen voor in 1 Corinthiërs 11:20 en in Openbaring 1:10 (“in de Heerlijke dag”). Paulus heeft het als enige letterlijk over de “Heer-lijke maaltijd”! Het moet dus wel gaan om een maaltijd die zich onderscheidt van andere maaltijden en van het jaarlijkse pesachmaal. Het is een aangelegenheid die exclusief de gemeente van geroepen gelovigen uit Joden en natiën aangaat. Paulus refereert alleen in 1 Corinthiërs aan deze maaltijd en grijpt daarop in zijn overige brieven niet op terug. Het is voor een zuiver verstaan van de Schrift dus beter om niet “maaltijd van de Heer” te bezigen. Het is ook goed om te bedenken dat Paulus de woorden van de “Heerlijke maaltijd” aan de Corinthiërs heeft doorgegeven nog voordat de vier evangeliën geschreven waren, waarschijnlijk in het jaar 57, terwijl _______________________ 12 Het achtervoegsel “-lijk” drukt, net als vaak het Griekse achtervoegsel -kon, onder meer iets bezittelijks of een typerende eigenschap uit, zoals in het oude Nederlands “heerlijke rechten”, rechten die uitsluitend een landsheer toekomen. 41
Page 42
Mattheüs, Marcus en Lucas eerst in het jaar 64 en Johannes in 90 op papyrus gezet werden. Ziet u ook hoe deze gang van zaken perfect aansluit op de lijn in Gods kalender? Want nadat Israël terzijde was gesteld (Romeinen 11:11-15), viel het volle licht op de uitgeroepen gemeente die het lichaam van Christus is! 4.3 – Van de Heer ontvangen Zoals gezegd schrijft Paulus als enige en alleen in 1 Corinthiërs over “de Heer-lijke maaltijd”, en wel in 1 Corinthiërs 11:23-26. Dit gedeelte leidt hij in met de mededeling “want ik heb van de Heer ontvangen wat ik ook aan jullie heb doorgegeven dat ...”. In de verzen 23b- 26 herhaalt hij deze woorden. Het gebruik van het voornaamwoord “ik” (egô) in “want ìk heb ontvangen vanaf (apo) de Heer”, wijst op een directe communicatie met de Heer, naar wij gevoeglijk mogen aannemen door de geest. Overigens wijst het gebruik van “jullie” (humeis) naast “ik” (egô) eveneens op directe communicatie met de broeders. 4.4 – Voor het lichaam van Christus? Sommigen onder ons vragen zich ernstig af of de Heer-lijke maaltijd wel bedoeld is om als zodanig gehouden te worden in de gemeente die het lichaam van Christus is. Om daarover klaarheid te krijgen is een nauwkeurige, onbevooroordeeld lezen van de Schrift noodzakelijk, vooral van de context waarin Paulus over de Heer-lijke maaltijd geschreven heeft. 42 Heb er dan wel erg in dat de term “lichaam van Christus” niet beperkt is tot wat men de “overgangsperiode” noemt. Dat is de periode waarin steeds duidelijker wordt dat Israël tijdelijk terzijde is gesteld en het evangelie zich richt tot alle mensen, Joden, Romeinen, Grieken en welk ander volk ook maar. Waarom anders zou Paulus die term niet alleen in 1 Corinthiërs 12:27, maar ook in Efeziërs 4:12 gebruikt hebben? 4.5 – “Ook ons pascha”? Hoe kan dat? In 1 Corinthiërs 5:7-8 grijpt Paulus terug op het pascha en de ongezuurde broden in een gedeelte dat, gezien de structuur van de brief, parallel loopt met het gedeelte over de maaltijd van de Heer in 1 Corinthiërs 11:17-34. Hij herinnert de Corinthiërs eraan dat “ons pascha”, Christus, voor ons geofferd werd en maant hen daarom feest te houden “niet met oud gist, ook niet met gist van kwaad en boosheid, maar met ongezuurde [broden] van oprechtheid en waarheid. Klaarblijkelijk is voor ons eveneens sprake van een “voorbijgaan”: Paulus heeft het ook tegen geroepenen uit de natiën, onbesnedenen, en niet alleen tegen Joden. Daarom kan het niet anders zijn dan dat hij “ons pascha” hier in beeldspraak gebruikt heeft, als voorbeeld voor alle broeders, Joods of niet. Niettemin menen velen dat Paulus met “pascha” tóch naar een puur Joodse aangelegenheid verwijst, in het bijzonder naar de wijze waarop onze Heer Zijn laatste pesachmaal gehouden heeft. 43
Page 44
Dat zou dus ook opgaan voor de passage in 1 Corinthiërs 11:17-34. Paulus heeft het daar echter niet over de viering van Israëls uittocht uit Egypte, maar over de zinnebeeldige betekenis van “pascha”. Dat wordt helder wanneer wij weten wat het woord ‘pascha” feitelijk betekent. Dat woord is afgeleid van het Hebreeuwse woord PhSCh (zeg: pasách) dat “voorbijgaan” betekent. In Exodus 12, waar Jahweh de Israëlieten gebiedt jaarlijks de uittocht uit Egypte, het land van slavernij en dood, te gedenken, zegt Hij “Dit is pesach voor Jahweh” (Exodus 12:11). Het verwijst naar het voorbijgaan van Israëls ellende onder de Egyptische knoet en tegelijk naar het voorbijgaan van de dood aan de met bloed bestreken deurposten (Exodus 12:13). Welnu, als apostel van de opgestane en verheerlijkte Heer Christus Jezus mocht Paulus ook aan ons, niet-besnedenen, een evangelie verkondigen dat een overeenkomstig “voorbijgaan” inhoudt. Denk maar aan onder meer deze zinnen: • “… zoals Hij ons uitgekozen heeft in Hem vóór de nederwerping der wereld, opdat wij heiligen en smettelozen voor Zijn aangezicht zijn (Efeziërs 1:4); • “In Hem hebben wij de vrijkoping door Zijn bloed” (Efeziërs 1:7a); • “Thans echter, in Christus Jezus, zijn jullie die eens veraf waren, nabijgekomen door het bloed van Christus” (Efeziërs 2:13); 44 • God ziet ons aan in de Zoon van Zijn liefde in Wie wij de vrijkoping hebben, de vergeving van de zonden (Colossenzen 1:13-14). In die zin is het dus wel degelijk ook ons pascha, dus als metafoor die past in het evangelie dat Paulus ons verkondigd heeft, als een werkelijk blij makende boodschap! 4.6 – Geen pesachmaaltijd Paulus geeft 1 Corinthiërs 11:23 al voldoende stof om de bewering te logenstraffen dat de maaltijd van de Heer puur “Joods” zou zijn en derhalve van dezelfde strekking als het laatste pesachmaal van onze Heer. Dat verband leggen echter kerkelijke leringen wél, domweg omdat zij zich plegen toe te eigenen wat God alleen voor Israël bedoeld heeft. Maar staat er niet: “want ik heb van de Heer ontvangen wat ik ook aan jullie heb doorgegeven”? Zijn die “jullie” niet de leden van de gemeente die als lichaam van Christus uitgeroepen is? Paulus heeft een en ander niet van Petrus of de Twaalven13 ontvangen, maar door een bijzondere openbaring van de Heer Zelf en dit vervolgens ook aan de gemeente te Corinthe doorgegeven. In 1 Corinthiërs 11:26 stelt hij: “Want zo dikwijls als jullie dit brood _______________________ 13 De twaalf leerlingen van de Heer, later de twaalf apostelen, ook wel genoemd ‘de twaalven’ (1 Corinthiërs 15:4). 45
Page 46
eten en deze beker drinken, boodschappen jullie de dood van de Heer, totdat Hij komt”. De boodschap van de Heer-lijke maaltijd sluit aldus naadloos aan bij wat Paulus bedoelde met “ook ons pascha” in 1 Corinthiërs 5:7 en wat hij verkondigde over onze gelijktijdige verandering en wegrukking in respectievelijk 1 Corinthiërs 15:51-52 en 1 Thessalonicenzen 4:16-17. Daarentegen verwees het pesachmaal, dat onze Heer met Zijn discipelen hield, louter naar Zijn slachting als pascha, aan het kruis. 4.7 – Geen inzetting In Efeziërs 2:15 en Colossenzen 2:14 schrijft Paulus dat de wet van geboden in inzettingen buiten werking is gesteld. Wellicht nog behept met de kerkelijke gedachte dat de Heer-lijke maaltijd een “inzetting” zou zijn, wijzen sommigen ook het houden van deze maaltijd als “Joods” af. Hun gedachtegang is duidelijk: de maaltijd van de Heer is een inzetting, inzettingen zijn buiten werking gesteld, daarom hoort de viering van de maaltijd niet in de gemeente thuis. Wie de betreffende Schriftplaatsen en hun context onder de loep neemt, zal echter inzien dat ze volstrekt niet op de Heer-lijke maaltijd van toepassing zijn, maar op puur Joodse aangelegenheden. En hebben wij niet reeds vastgesteld dat de Heer-lijke maaltijd géén Joodse aangelegenheid is? Zoals eerder opgemerkt schrijft Paulus alleen in 1 Corinthiërs over de Heer-lijke maaltijd en nergens anders. 46 Gezien zijn woorden die aan 1 Corinthiërs 11:23-29 voorafgaan en erop volgen, kan het niet anders dan om een maaltijd gaan die de leden van de Corinthische gemeente met elkaar genieten, niet in een plechtige “dienst van schrift en tafel”, maar “gewoon” met elkaar. Wanneer Paulus zo’n plechtige dienst op het oog zou hebben gehad, was hij daarop elders in zijn brieven wel teruggekomen, bijvoorbeeld met aanwijzing van iemand die daartoe speciaal bevoegd zou zijn. Er is hier dan ook geen sprake van een loodzware inzetting of een heilig sacrament! 5. De Heer-lijke maaltijd nader bezien 5.1 – De context Voor de lezer die kerkelijk opgevoed is, zal het niet meevallen de nuchtere waarheid over de Heer-lijke maaltijd te aanvaarden, zoals door Paulus in 1 Corinthiërs 11:17-26 doorgegeven. Het is een kwestie van nauwkeurig lezen wat er staat en vooral oog hebben voor het verband waarin het geplaatst is. Dat verband geeft het beeld van een samenkomen van de leden van de Corinthische gemeente, waarbij naar oosters gebruik niet alleen gegeten en gedronken wordt, maar vooral gesproken wordt over de betekenis van de Heer in hun leven. In die zin is het een Heer-lijke maaltijd. 47
Page 48
Paulus constateert echter misstanden bij deze maaltijd: de maaltijd gebruiken als de hoofdmaaltijd van die dag in plaats van vooraf thuis te eten, al beginnen te eten zonder te wachten tot iedereen gearriveerd is en vooral ook maaltijden die een beschamend toneel zijn van misstanden. Dat laatste zal te maken hebben gehad met ruzie over geloofsopvattingen en misschien ook met het verschil in arm en rijk. Het is niet voor niets dat Paulus in 1 Corinthiërs 9 uitvoerig ingaat op zijn taak als apostel om het evangelie van Christus te prediken (1 Corinthiërs 9:12). Zijn brieven ondersteunden dat en dienden tot opbouw van de gemeente die het lichaam van Christus is (Efeziërs 4:12). Want het lichaam is één, ook al verspreid over lokale gemeenten (1 Corinthiërs 12:12). 5.2 – Ongezuurd brood? In 1 Corinthiërs 10:16 spreekt Paulus “brood dat wij breken” zoals ook in 1 Corinthiërs 11:23-24 van “brood dat Hij dankende brak”. In beide gevallen gebruikte de apostel voor “brood” het Griekse woord artos. Dat is de algemene aanduiding van het graanproduct dat dagelijks als baksel uit de oven komt. Bij de maaltijd moest dit wel in stukken gebroken worden om onder de disgenoten verdeeld te kunnen worden. Was het ongezuurd brood? Wanneer dat van essentieel belang was geweest, zou Paulus niet alleen 48 artos, maar ook het woord azumos (gistloos) gebruikt hebben of alleen azumos (zie de vier evangeliën). Dan zou ook de Heer een andere aanduiding van het brood gebruikt hebben, zoals artos azumos (Hebreeuws: “lê’chêm matsót” letterlijk: “brood ongezuurd) of alleen azumos (Hebreeuws: “matsóth”). In dat geval zouden de Corinthiërs zoiets als matses hebben moeten eten. Wij hebben echter al geconstateerd dat de Heer-lijke maaltijd géén Joodse aangelegenheid is en voor de natiën in een geheel ander en boven het aardse uitgaand, perspectief geplaatst is. Het brood is hier niet bedoeld als beeld van het perfecte paaslam, van de absolute zondeloosheid van onze Heer Jezus Christus, maar als beeld van het lichaam dat de uitgeroepen gemeente is. Zolang de leden van dat lichaam nog aan de aarde gebonden zijn en de doden en de levenden nog niet de Heer in een veranderd lichaam in de lucht mochten ontmoeten (zie 1 Thesssalonicenzen 4:17), is de gemeente allesbehalve perfect en zondeloos. Daarom juist is het dagelijks brood, artos, bereid met gist, eigenlijk een zeer toepasselijk en realistisch beeld van de gemeente in haar huidige staat. Dat zij later heilig en smetteloos en onbeschuldigbaar voor Christus’ aangezicht gesteld zal worden (Colossenzen 1:22), is wonderschone toekomstmuziek. Dan zullen wij – nu alleen nog in de geest, straks in werkelijkheid – deel uitmaken van Hem die niet aan bederf onderhevig is. 49
Page 50
5.3 – Het breken van het brood Wanneer de leden van de Corinthische gemeente aan het einde van de werkdag samenkwamen om met elkaar maaltijd te houden, speciaal om met elkaar het geloof te beleven, te bespreken en te versterken, waren op het kleed of de tafel de broden uitgestald die zij hadden meegenomen of waarvoor de (rijke) gastheer gezorgd had. Het ligt voor de hand dat vervolgens iemand van hen, na het uitspreken van een dankgebed, het sein gaf dat de maaltijd kon beginnen door het brood te breken, waarna iedereen hetzelfde ging doen. Dat wij tegenwoordig, in onze cultuur, het brood niet plegen te breken, maar het in stukken snijden, komt in principe op hetzelfde neer. Wat in Corinthe een normale gang van zaken was, is al vroeg door allerlei menselijke leringen verworden tot kerkelijke hocus pocus.14 Het brood gaf Christus als beeld van de uitgeroepen gemeente die Zijn lichaam is – “Dit is Mijn lichaam voor jullie”. In 1 Corinthiërs 12:12 legt Paulus dit nader uit: “Want net als het lichaam één is en veel leden heeft, maar alle leden van het ene lichaam – velen zijnde – één lichaam zijn, zo ook Christus”. _______________________ 14 Veelzeggend is dat deze uitdrukking een verbastering is van het Latijnse “hoc est corpus meum” (“dit is Mijn lichaam”) bij de consecratie tijdens de eucharistieviering. De toevoeging “pilatus pas” is een verbastering van het credo dat tijdens deze viering wordt gereciteerd: “sub Pontio Pilato passus et sepultus est” (“heeft onder Pontius Pilatus geleden en is begraven”). 50 De woorden van de Heer over het in stukken breken van het brood passen geheel in het beeld van het éne lichaam dat vele leden heeft en tóch geen leden zijn die als los zand aan elkaar hangen, maar bij elkaar behoren en één lichaam vormen. Wie zich dit realiseert, laat het wel uit zijn hoofd om in de gemeente splijtzwam te worden. 5.4 – Voor jullie gebroken? De codex sinaïticus, een van de drie voornaamste handschriften met Griekse grondtekst, heeft, net als die andere handschriften, in 1 Corinthiërs 11:24 staan “Dit is mijn lichaam voor jullie”. In de kantlijn heeft een corrector echter het woordje “gebroken” (klômenon) bijgeschreven (zie afbeelding). Hoewel deze corrector het vaak bij het rechte eind heeft gehad, lijkt dit nu niet het geval te zijn, wanneer die toevoeging althans zou impliceren dat aan het kruis het lichaam van onze Heer gebroken zou zijn. 51
Page 52
Dat zou in flagrante tegenspraak met de Schrift zijn, waar immers in Johannes 19:36 de woorden van Exodus 12:46, Numeri 9:12 en Psalm 34:20 aangehaald zijn als de vervulling van de profetie dat geen been van Zijn lichaam gebroken zal worden! Zelfs als beeld van de gemeente die het lichaam van Christus is, kan dat beeld niet “gebroken” zijn! Indien de aantekening van de corrector in de marge zou slaan op het breken ter verdeling van het brood, leidt toch de plaats van dat woordje tot misverstand. 5.5 – Beker Volgens 1 Corinthiërs 11:25 nam onze Heer na het maaltijd houden de beker en zei dat deze het teken was van “het nieuwe verbond in Mijn bloed”. Het was ook destijds alom gebruikelijk dat in grotere gezelschappen iedereen een beker had. Alleen wanneer er slechts enkelen om de dis geschaard waren, kon eventueel een beker doorgegeven worden. Nieuw verbond Bij Paulus heeft de Heer het accent gelegd op Zijn woorden: “deze beker is het nieuwe verbond in Mijn bloed”. De beker stelt datgene voor wat hij bevat, de wijn, terwijl de wijn het bloed voorstelt waarmee onze Heer aan het kruis het nieuwe verbond bezegelde. 52 Anders dan in de voor Israël bestemde Schriften, heeft onze Heer hier om een zinnebeeldig nieuw verbond op het oog. Zoals in het oude verbond God aan Israël plechtig het bezit van het land Kanaän beloofde (Exodus 6:1-7), is door Hem in dit nieuwe verbond aan ons een plaats te midden van de hemelingen gegarandeerd, in een veranderd lichaam en weggerukt vóór de loop van de komende gerichten. De vervulling daarvan heeft God als een eenzijdige verplichting jegens ons op Zich genomen. Daarom moét voor de leden van het lichaam van Christus het accent wel liggen op de gemeenschap met het bloed van Christus (1 Corinthiërs 10:16b). Zij hebben daarin immers niets anders in te brengen. Later zouden zij door de prediking van Paulus en zijn brieven een completer beeld krijgen van wat dat bloed voor hen en voor de gehele kosmos bewerkt heeft (Romeinen 3:25 en 5:9; Efeziërs 1:7 en 2:13; Colossenzen 1:14 en 20). Wijn In het door de Romeinen prachtig (her)opgebouwde Corinthe, hadden ook Romeinse eet- en drinkgewoonten ingang gevonden. Zij plachten geen pure wijn te drinken – of het moest alleen vers druivensap geweest zijn – maar lengden die aan met vier tot wel tien delen water. De vergelijking met bloed zou kunnen wijzen op het drinken van de vrucht van rode druiven. 53
Page 54
Het is echter van geen belang of er sprake was van al dan niet gegist druivensap, ook nu weer omdat het hier niet per se gaat om het houden van een soort pesachmaal. 5.6 – Eenheidsmaal Uit 1 Corinthiërs 11:24-26 blijkt, samengevat, dat brood en beker nog meer betekenen, namelijk een maaltijd waarbij gelovigen gezamenlijk gedenken hoe zij door Jezus’ bloed gerechtvaardigd en van de komende toorn gered zijn en met God verzoend door de dood van Zijn Zoon (Romeinen 5:9-11). Tezamen vormen zij, met vele leden, één lichaam, met Christus als het Hoofd (Colossenzen 1:18). Totdat Hij komt! De Schrift wijst dus uit dat een maaltijd die leden van het lichaam van Christus met elkaar houden, door de Heer bedoeld is als gedachtenis-, gemeenschaps- en eenheidsmaal, kortom als de Heer-lijke maaltijd! Paulus voegt daaraan in 1 Corinthiërs 11:26 toe: “Want zo dikwijls als jullie dit brood eten en deze beker drinken, verkondigen jullie de dood van de Heer aan – totdat Hij ook komt!” Dat is de clou van de Heer-lijke maaltijd, wanneer leden van het lichaam ergens samenkomen om een zodanige maaltijd met elkaar te hebben. Wanneer de praktijk echter anders blijkt en men de maaltijd alleen gebruikt om de buik te vullen of om te ruziën over van alles en nog wat 54 – kortom alleen aan het eigen vlees denkt en de wrange vruchten daarvan laat zien –, miskent op grove wijze de betekenis ervan. Dan eet men van het brood of drinkt men van de beker van de Heer op onwaardige wijze! Dan hebben wij het nog maar niet over de verwording van de Heerlijke maaltijd tot een vreugdeloos, leeg en formalistisch ritueel. 5.7 – Instelling van de Heer-lijke maaltijd? a. De woorden “zo dikwijls als” in 1 Corinthiërs 11: 25 en 26 betekenen niets anders dan “iedere keer dat”. Dat kan niet uitgelegd worden als het opleggen van een verplichting tot het houden van een Heer-lijke maaltijd. Er staat alleen dat zo dikwijls als men een Heer-lijke maaltijd houdt, men zich terdege bewust moet zijn wat die maaltijd inhoudt en betekent. b. Er staat nergens waar, wanneer en hoe vaak de Heer-lijke maaltijd gehouden moet worden. Hij kan evengoed in huiselijke kring of ander verband door de leden gehouden worden, al naar gelang de behoefte om met diepe dankbaarheid te gedenken wat de Heer voor ons aan het kruis bewerkt heeft. Want de Heer heeft via Paulus uitsluitend aangegeven hoe en met welke strekking brood en beker door disgenoten gehanteerd moeten worden. c. Er staat nergens in de brieven van Paulus dat de Heer-lijke maaltijd geleid moet worden door een oudste, evangelist of ander gemeentelid met een taak. Er geldt geen eis zoals kerken die voor priesters, dominees of andere ambtsdragers hebben laten gelden. In beginsel zou ieder lid van de gemeente het initiatief ertoe mogen nemen, mits 55
Page 56
diegene doordrongen is van de betekenis en bedoeling van de maaltijd zoals hiervóór uiteengezet. Overigens kan het geen kwaad eens in de brieven aan Timotheüs en Titus te lezen welke kwaliteiten Paulus van leden met een bepaalde taak en positie verwacht! d. De Heerlijke-maaltijd voegt alleen iets aan het geloofsleven toe, indien men op waardige wijze de dood van de Heer gedenkt, dus beseft wat met brood en beker uitgedrukt wordt en in herinnering geroepen. Waar dit niet het geval is, is slechts sprake van een ordinaire, buikvullende maaltijd. e. Voor zover dat al niet uit het voorgaande mocht blijken, kan de Heer-lijke maaltijd nooit ofte nimmer voorwaarde zijn om zich lid te mogen noemen van de gemeente die het lichaam van Christus is! God, de Vader, heeft ons immers Zijn zegel opgedrukt. Geen macht ter wereld is in staat dat “zegel van de geest van de belofte” (Efeziërs 1:13) te verbreken. Zijn wij niet in Christus al vóór de nederwerping der wereld uitgekozen (Efeziërs 1:4)? “Wat zal ons scheiden van de liefde van God in Christus Jezus? Verdrukking of benauwdheid of vervolging of honger of naaktheid of gevaar of het zwaard?” (Romeinen 8:35) 56 NABESCHOUWING Na wat mij nu door Gods Woord onderwezen is, verbaas ik mij telkens weer als ik al die loodzware leerstellingen omtrent de doop lees – alsof die een ticket voor godzalig leven zouden zijn! Zo ook bij de nóg zwaardere, zoniet beklemmende leerstellingen omtrent het Heilig Avondmaal, op grond waarvan waarvan men bepaalde zondaren meent te mogen uitsluiten. Wij hebben het dan over de gevolgen van redeneren zonder Gods Woord goed te kennen en van een vermenging van evangeliën zoals Paulus die in Galaten 1 noemt. De mens kennende en vooral zijn neiging om alles en iedereen aan regels te binden, omdat hij te zwak is om de ruimte die God aan de gelovige biedt aan te kunnen, moet men voor ten minste twee gevaren waken: • De ruimte die in 1 Corinthiërs voor het houden van een Heerlijke maaltijd geboden wordt, tóch weer willen institutionaliseren, in een keurslijf van vaste roosters, als een vast ritueel, kortom met een praktijk die veraf staat van wat er geschreven staat; • Het qua tijd en frequentie willen afgrendelen van de ruimte die de Schrift aan de leden van de gemeente biedt om de Heerlijke maaltijd te houden zoals de Heer die bedoeld heeft. 57
Page 62
De Griekse noch de Hebreeuwse taal heeft een woord, dat aangeeft wat wij ons vandaag bij ‘engel’ voorstellen. Als het woord ‘aggelos’ overal waar het voorkomt met ‘engel’ vertaald was, dan hadden wij ook dat wat ermee bedoeld wordt, kunnen verstaan. Maar helaas verschijnt het alleen waar de traditionele overlevering dat verlangt. Dit is een duidelijk voorbeeld hoe discordante vertalingen de waarheid voor ons kunnen verduisteren in plaats van dat ze die laten zien.

De zogenaamde engelenwereld


Page 0
Page 6
Autoriteit (gevolmachtigde) Waarheid en verzinsels Michaël Gabriël Engelensprookjes Koning van Babel Cherubs De vorst van Tyrus Serafs Misleidende geesten en demonen De Zoon van Gods liefde bergt ons Het middelpunt van het goddelijk gebeuren De stem van de vorst van boodschappers 47 52 52 53 54 56 56 58 62 65 72 73 75 Bijbelteksten uit diverse vertalingen, of uit de grondtekst overgezet volgens de concordante methode (red.) 6 INLEIDING Wat buiten het bereik van onze vijf zintuigen bestaat, heeft van oudsher de nieuwsgierigheid van veel mensen gewekt, vooral wat die wezens in het heelal betreft, die anders niet waarneembaar zijn. Omdat contact met deze wezens hoofdzakelijk gebeurde door boden of afgezanten, was het gebruikelijk ze ‘engelen’ te noemen, alsof ze allen bezig zijn met het overbrengen van boodschappen. Omdat de Schrift heel weinig over hen vertelt, heeft men in de vóórchristelijke tijd al geprobeerd aanvullende literatuur over dit thema te creëren. Daarom spelen ‘engelen’ zo’n grote rol in oude Joodse boeken, zoals de apocriefe boeken en soortgelijke twijfelachtige producten, zoals onder meer in het zogenaamde boek Henoch, dat inderdaad een citaat bevat, dat inhoudelijk overeenkomt met Judas vers 14 en 15. Alleen een microscopisch nauwgezet onderzoek van de heilige Schrift kan ons hier leiden op de juiste weg. Dat zal ons bewaren voor allerlei producten van ongebreidelde fantasie, die men maar al te vaak tot achtergrond voor Gods woord heeft gemaakt, om dit Woord vanuit deze valse achtergrond uit te leggen. Eén van de grootste moeilijkheden voor een juist begrip ligt in de discordante vertaling van het woord aggelos, dat men alleen met ‘bode’ of ‘boodschapper’ vertaalde als het om mensen ging Luc7:24; 9:52; 2Cor.8:23; Jak.2:25. Elders echter meestal met ‘engel’. Luther zelf schreef nog in Mattheüs en de parallelteksten: ‘Zie, Ik zend 7
Page 8
Mijn engel voor Uw aangezicht’ Matt.11:10; Marc.1:2; Luk.7:27 Mal.3:1, terwijl in de herziene Luthertekst en in nieuwere vertalingen, (ook in NBG51 en in een voetnoot hSV) ‘...mijn bode ...’ staat. Maar sommigen willen het begrip ‘engel’ niet graag uit hun woordenschat schrappen en zeggen: ‘Maar er zijn toch engelen! Waarom dan niet zo vertalen?’ Hiermee komen wij tot de kern van de zaak: Moet een vertaler weergeven wat hij meent te weten en wat zijn lezers zouden goedkeuren, of wat God zegt? De Griekse noch de Hebreeuwse taal heeft een woord, dat aangeeft wat wij ons vandaag bij ‘engel’ voorstellen. Als het woord aggelos overal waar het voorkomt met ‘engel’ vertaald was, dan hadden wij ook dat wat ermee bedoeld wordt, kunnen verstaan. Maar helaas verschijnt het alleen waar de traditionele overlevering dat verlangt. Dit is een duidelijk voorbeeld hoe discordante vertalingen de waarheid voor ons kunnen verduisteren in plaats van dat ze die laten zien. Mensen kunnen ‘engelen’ zijn Met het Griekse woord aggelos (boodschapper) worden bijvoorbeeld ook Johannes de doper Matt.11:10; Marc.1:2; Luc.7:27, zijn discipelen Luc.7:24, enkele discipelen van onze Heer Luc.9:52 en de boodschappers in Jericho Jac.2:25 aangeduid. Dat waren volgens de 8 in het algemeen aan dit woord toegeschreven betekenis, beslist géén ‘engelen’, maar gewone boodschappers. De enige andere vermeldingen van boodschappers in het nieuwe testament (bij Luther, Duitse editie 1912) vinden wij in 2 Corinthiërs 8:23 (wat onze broeders betreft, die boden van de gemeenten zijn), waar ‘apostelen’ staat. En Efeziërs 6:20 (waarvan ik bode ben in ketens, Luther, Duitse ed. 1912), waar het ‘gezant’ is. Blijkbaar ‘wisten’ de vertalers dat engelen bovenaardse wezens zijn. Daarom hebben zij mensen niet op die manier aangeduid. Als zij het belangrijker gevonden hadden om nauwkeurig en consequent de grondtekst te laten spreken dan deze naar ‘hun weten’ te verklaren, dan zouden veel dingen duidelijk zijn, die nu voor de meesten nog verborgen zijn. En wij zouden van veel schadelijke overleveringen bevrijd zijn. Het zelfstandig naamwoord aggelia is soms correct met boodschap vertaald 1Joh.1:5; 3:11. Over de betekenis daarvan bestaan geen meningsverschillen. Dus is een aggelos een bode of boodschapper. Dat is een bezigheid, geen aard of ‘natuur’. Het grondtekstwoord maakt geen onderscheid tussen bovenaardse en aardse boodschappers. Het heeft net zo goed betrekking op mensen als op hemelse geesten. In mijn jeugd zong ik dikwijls: ‘Was ik maar een engel!’ Deze wens werd snel vervuld toen ik voor mijn ouders en een onderwijzer boodschappen moest doen. Volgens de betekenis kan iedereen een ‘engel’ zijn, je hoeft alleen maar een boodschap over te brengen. Als wij het grondtekstwoord 9
Page 10
eenduidig, goed en begrijpelijk willen vertalen, zouden wij uniform menselijke boodschappers ook met ‘engelen’ moeten aanwijzen, of de engelen ‘boodschappers’ noemen. Anders ontstaat verwarring en eeuwenoude dwalingen zullen ons vervolgens besluipen, al zijn wij nog zo eerlijk en oprecht in ons verlangen om Gods waarheid te leren en te onderwijzen. Net als bij het Grieks gebruiken onze vertalingen uit het Hebreeuws de uitdrukking ‘engel’ voor twee woorden: mlak en abir. Het laatste woord betekent standvastig en wordt maar één keer met ‘engel’ vertaald Psalm 78:25: zij aten engelenbrood (Luther, Duitse ed. 1912; de Statenvertaling (SV) en de herziene SV hebben: ‘brood der machtigen’). Deze keuze van woorden in de Lutherbijbel is niet anders dan navolging van dubieuze overleveringen; want boodschappers hebben geen speciale voeding. Dat wil zeggen: deze is niet beter maar vaak eerder minder dan het voedsel van andere mensen. Johannes de doper at sprinkhanen en wilde honing Matth.3:4; Marc.1:6. Voor hem was dit ‘engelenbrood’, omdat hij drie keer ‘bode’ (of ‘engel’) genoemd wordt. Ik weet dat indianen in de Amerikaanse woestijnen sprinkhanen aten als zij niets anders hadden. Ik heb zelf echter nooit dit soort ‘engelenbrood’ geproefd. Zowel in het Hebreeuws als in het Chaldeeuws betekent het gebruikelijke woord voor engel, mlak, letterlijk: een arbeider. Maar in het taalgebruik beperkt het zich tot één enkele bezigheid: 10 het overbrengen van boodschappen. Het wordt ongeveer honderd keer met ‘bode’, ‘boodschapper’ of ‘boodschap zenden’ vertaald en ongeveer even vaak met ‘engel’. Hierdoor krijgt de bijbellezer onvermijdelijk de indruk, dat in de laatste gevallen een bovenmenselijk wezen bedoeld wordt, wat echter uit het grondtekstwoord absoluut niet blijkt. Het gebruik van beide uitdrukkingen (‘engel’/‘bode/boodschapper’) is een discordante uitleg, maar geen vertaling; in ieder geval geen concordante. Wanneer wij op alle plaatsen waar het woord voorkomt standaard ‘boodschapper’ zeggen, gaan onze ogen voor veel, tot nu toe raadselachtige, waarheden open. Slechts een functioneel deel van de hemelse menigten zijn boodschappers. Het is geen correcte aanduiding voor hun totaliteit, maar slechts voor de specifieke, die uitgezonden worden met boodschappen (berichten). Omdat de laatstgenoemden vermoedelijk de enigen zijn, die gelegenheid hebben de aarde te bezoeken, moeten wij niet aannemen dat de overige hemelbewoners allen hetzelfde ambt hebben. Waarschijnlijk is eerder het tegendeel het geval. Wanneer buitenlandse regeringen, zoals bijvoorbeeld de Verenigde Staten van Amerika in Bonn door een boodschapper vertegenwoordigd worden, dan betekent dat toch niet, dat alle Amerikanen aan de andere zijde van de Atlantische Oceaan eveneens ‘boodschappers’ zijn. 11
Page 12
Het aantal boodschappers in het op-hemelse gebied1 loopt in de honderden miljoenen Op.5:11; maar dit laat ons alleen maar zien hoe talrijk de totale bevolking van de hemelse werelden moet zijn. Wij weten, dat er veel meer sterren zijn dan het hier genoemde aantal hemelse boodschappers. Dit getal kan voor ons op zichzelf zeer groot lijken. Toch lijkt dat niet te hoog te zijn, als voor iedere ster er slechts één boodschapper zou zijn. Boodschappers van de Heer Zulke boodschappers ontmoeten wij in het verslag over Abraham bij vijf verschillende gelegenheden. Een bode van Jahweh2 (‘Ik ben’) verscheen aan Hagar in de woestijn bij een bron op de weg naar Sur Gen. 16:7, voordat Ismaël geboren werd. En een bode van Elohim3 bemoedigde haar later in de woestijn van Berseba Gen. 21:17. 1 De Hebreeuwse Schrift zegt vaak ha-sjamajim; beide of twee hemelen. In Tenach (OT) en Griekse Schrift (NT) wordt ook ‘op/boven de hemelen’ genoemd, zie ook voetnoot 19 op blz.34. 2 Jahweh (JHWH), is de Naam van God; dit betekent heel letterlijk wordzijnde-was, en wordt als: ‘Ik ben’ of: ‘Ik zal zijn’ uitgelegd. 3 Net als ‘El’ en ‘Eloah’ wordt deze titel met ‘God’ weergegeven in de meeste vertalingen. Het meervoud -im wijst op de geest van El en Eloah die werkzaam zijn; mensen zijn soms ook ‘elohim’. De titels dragen de notie: onderschikken. Elohim = onderschikker-s 12 De menselijke gestalte, die door de oude Abraham werd gezien, en voor wie hij een maaltijd bereidde, straalde goddelijke heerlijkheid uit, en zijn gelaatstrekken hadden het karakter van een Goddelijk wezen. Want Abraham erkende één van de drie mannen onder de terebinten als zijn Heer Jahweh Gen.18:2,3,13. In Genesis 19:1,15 worden zij boden genoemd toen zij aan Lot de vernietiging van Sodom bekendmaakten. Een bode (NBG51: engel) van de Heer (Jahweh) hield Abraham ervan af Isaäk te offeren Gen.22:11,15. Een ander begeleidde een dienaar van Abraham op weg naar Mesopotamië 24:7,40. In Genesis 18,19 hebben de boodschappers de gestalte van sterfelijke mensen aangenomen, zodat zij ‘mannen’ genoemd werden Gen.18:2,16,22; 19:5,8,10,12,16. De letterlijke betekenis van man echter, is ‘sterveling’. De Duitse Elberfelder vertaling schrijft (ook NBG51 en SV), dat de ‘engel van Jahweh (‘Ik ben’)’ aan Mozes verscheen in een vuurvlam in een doornstruik, maar degene, die met hem sprak was God (Elohim) zelf, ofwel Jahweh Ex.3:2,4. De ‘man’ die Jozua voor Jericho zag, was de vorst van het leger van de Heer4, ofwel de Heer Zelf Joz.5:13-6:2. In Richteren 6:11,21,22 en elders vinden we in NBG en Statenvertaling de uitdrukking ‘de engel van de Heer’, Hebreeuws: mlak-Jahweh, dus de boodschapper van de Heer. In 6:20 is het de 4 Waar Heer in hoofdletters staat, wordt de Naam Jahweh bedoeld. 13
Page 14
engel van God, (mlak-Elohim) die tegen Gideon spreekt; in de volgende verzen wordt hij engel van Jahweh en in 6:23 Jahweh genoemd. Net zo wisselen de aanduidingen voor de Godsverschijningen in Richteren, waar de Vorst-van-deboodschappers, Jahweh, aish-Elohim (man van God) genoemd wordt Richt.13:8. Hieruit blijkt dat hemelse boodschappers (of ‘engelen’) menselijke trekken aannamen, om boodschappen van de onzichtbare God over te brengen. Het zijn geestelijke wezens, die een ambt bekleden en uitgezonden worden ten dienste van hen, die in de toekomst de redding toegeloot zal worden. Zo hebben wij hen als middelaars van God leren kennen. Maar het ambt van de Zoon van God als Middelaar is veel hoger: op dit punt is Hij is dus ‘veel beter dan de engelen (boodschappers) geworden’ Hebr. 1:4,13,14. Boodschappers in Hebreeën Sommige uitleggers hebben er de nadruk op gelegd, dat juist in deze brief gewezen wordt op het verschil tussen mensen en ‘engelen’ en dat daarom de uitdrukking ‘boodschapper’ voor aggelos afgekeurd moet worden. Maar het gaat hier helemaal niet om zo’n verschil. De eerste hoofdstukken spreken erover, dat God, Die in vroegere tijden door hemelse boodschappers met Zijn volk onderhandelde, nu in de persoon van Zijn Christus tot hen komt. En dat Deze beter is dan allen, die vóór Hem uitgezonden werden Hebr.1:4. En dat alleen Hij Zijn Zoon is Hebr.1:5, Die alle boodschappers 14 moeten aanbidden Hebr.1:6. En dat alleen Hij een eonische5 troon heeft en zodoende boven de ‘ambtsdragers’ staat 1:7,8. En dat Hij de Enige is, Die tot Gods rechter(hand) verhoogd is Hebr.1:13. Aan die boodschappers van het verleden onderwerpt Hij de toekomende bewoonde aarde niet Hebr.2:5. Maar Hij zal veeleer die hemelse boodschappers aan de mens onderschikken. Hebreeën veronderstelt als bekend, dat God in het verleden hemelse boodschappers naar Zijn volk gestuurd heeft. Omdat Christus eveneens uit de hemelen komt, moeten eerst Zijn relaties tot deze boodschappers uiteengezet worden. Daarna pas komt Zijn relatie tot de menselijke ambtsdragers of boodschappers, zoals Mozes, Jozua en Aäron Hebr.3:2;4:8;5:4, aan de orde. Engelen geslachtloos De heilige Schrift maakt onderscheid tussen de boodschappers van God in de hemelen (die wij gewoonlijk ‘engelen’ noemen) en de uit aardbodem gevormde mensen Gen.2:7; 3:19. Mensen kunnen met elkaar huwen, maar de hemelse boodschappers niet, omdat zij geslachtloos zijn. Dit was toen zo vanzelfsprekend, en zo goed bekend, dat onze Heer zich zonder verder bewijs daarop beroept: In de opstanding huwen zij niet en worden zij niet ten huwelijk genomen, 5 Het Griekse aiōn of aiōnion betekent in de Bijbel niet ‘eeuwig’ of ‘eeuwigheid’ in de zin van eindeloosheid, maar wijst te allen tijde op een zekere tijdsperiode die (ooit) eindigt. Vandaar: eonisch. 15
Page 16
maar zij zijn als de engelen van God in de hemel Matt. 22:30; Marc. 12:25. Lucas vertelt, dat de zonen van de opstanding ‘net als de engelen zijn’ Luc.20:36. Maar nu is dit nauwelijks nog bekend, noch wordt het begrepen. Zo kent men aan veel teksten een tegengestelde betekenis toe. Het is de onzekere toon, die gelovigen misleidt. Het geslacht van engelen is voorwerp van wijdverbreide speculatie. Op plaatjes hebben ze meestal een vrouwelijk uiterlijk, met lang haar en golvend gewaad. Maar in de ongeloofwaardige apocriefe boeken en andere soortgelijke overgeleverde uitleggingen (in het bijzonder die over de ‘zondigende engelen’ gaan) zijn ze steeds mannelijk. En men vermoedt bij hen een losbandige geslachtsdrift, die zogenaamd hun val veroorzaakte. Deze kwestie is zeer belangrijk. Wanneer ‘engelen’, die volgens de woorden van onze Heer niet huwen, noch ten huwelijk worden genomen (dus van een andere soort zijn dan de mensen), en zich toch met deze kunnen vermengen, dan moeten wij óók toegeven, dat dieren van verschillende aard in staat zijn nieuwe soorten voort te brengen. Daarmee zouden wij tevens de deur openzetten voor de evolutietheorie en de concrete uitspraken van het eerste hoofdstuk van de Schrift in gevaar brengen Gen.1:24,25. Twijfel aan 16 deze uitspraken is de oorzaak van de huidige afval en daarmee de voorloper van de afval van de eindtijd. Wie is zo zeker van zijn zaak dat hij beweren kan, dat de Schrift uitdrukkelijk en met stelligheid de vermenging van twee heel verschillende soorten leert? Door conclusies uit Schriftwoorden zouden wij ons nooit moeten laten verleiden tot zulke veronderstellingen. Als de hemelse boodschappers, zoals de Schrift ons duidelijk verzekert, geslachtloos zijn, hoe kunnen ze dan geslachtelijke gevoelens, begeerten en lusten hebben? De hoofdzonde van de ‘engelen’ afleiden van functies en capaciteiten, die ze niet bezitten, is een onhoudbare stelling. Zeker als men ze niet door feitelijke, vaste uitspraken in het woord van God kan onderbouwen. Nu willen wij ons met de eerste verzen van Genesis 6 uitvoerig bezighouden, die men steeds weer als ‘tegenbewijs’ aanhaalt. Maar men zou deze niet uit hun verband moeten lichten, maar integendeel nemen voor wat ze zijn: de 2e helft van de geschiedenis (kroniek, NBG51: het geslachtsregister) van de aartsvader (patriarch) Adam in spiegelbeeld. Zo bezien staat dit verslag (zoals wij nog gaan zien) helemaal niet in tegenstelling tot de uitspraak van onze Heer over boodschappers van God in de hemel. 17
Page 18
Zonen van God (Elohim) huwen dochters van Adam De geschiedenis van de aartsvader (patriarch) Adam in de Duitse en Engelse concordante uitgaven van Genesis, omvat het deel Genesis 5:1-6:8. In overzicht zie je dit: 5:1-5 zonen, dochters -geboren- dochters, zonen 6:1-3 5:6-31 eerstgeborenen -aanzienlijk- machtigen 6:4-7 5:32 Noachs zonen -nieuwe start- Noachs genade 6:8 De naam Adam (Hebr.: adm) kan op één mens wijzen, maar ook het eerste mensenpaar Gen.6:1 of de mensheid Gen.6:5. Omdat Genesis 5:1-5 over Adam persoonlijk gaat én zijn eerstgeboren kinderen, moet het spiegelbeeld gedeelte óók op hem persoonlijk betrokken worden, omdat het lidwoord bij adm staat en later hen (= Adam en Eva) volgt. Toen de mens (lett: ha-adm, evt. mensheid) op de aarde begonnen te vermenigvuldigen en bij hen dochters geboren werden… Gen.6:1 In beide gedeelten gaat het dus om de eerste familie, waarvan Adam het hoofd was, die naar Gods gelijkenis geschapen was en door God als onderschikker over de hele aarde was ingezet. Toen de familie zich steeds verder uitbreidde en behalve zijn kinderen ook kleinkinderen, achter- en achter-achter-kleinkinderen omvatte, liet Adam zich vermoedelijk niet alleen door Seth, maar 18 ook door de eerstgeboren nakomelingen van de lijn Seth helpen om de steeds groter wordende familie naar behoren in passende onderschikking te houden. Gen.5:6-32. Deze eerstgeborenen waren op hetzelfde moment ‘troonopvolgers’ voor de functie van hoogste menselijke onderschikker (elohim), zoals Adam dat was. Daarom worden zij ook ‘zonen van de onderschikker’ (zonen van God - NBG51) genoemd. Zij bevestigden hun positie van voorrang door te huwen met Adams directe dochters. Omdat zij daadwerkelijk aanzienlijke mannen waren, worden ons niet alleen hun namen, maar ook het aantal levensjaren genoemd. Hun speciale relatie tot Adam, het hoofd van de mensheid, verzekerde hun rangorde. En het onderscheidde hen van de overigen, en verhief ieder officieel tot feitelijke onderschikker, als zijn vader stierf. Zij waren de machtigen6 (Hebreeuws: elohim, zie ook Exodus 21:67, in NBG51 en SV: goden, hSV: rechters), omdat zij Adams recht om over de mensheid te heersen, erfden. Van Jezus, de Zoon van Jozef, gaat de lijn via hen tot op Adam, de zoon van God Luc.3:23,38. 6 In NBG51 worden zij 'geweldigen’ genoemd. 7 Concordante vertaling: scheidsrechters 19
Page 20
Het feit, dat deze eerstgeborenen ‘zonen van de onderschikker’ Gen.6:2 (elohim-zonen) genoemd worden en de dochters van Adam (‘dochters des mensen’) huwden, wordt in de gebruikelijke bijbelvertalingen weergegeven alsof zonen van God de dochters ‘der mensen’ tot vrouwen genomen zouden hebben. De meeste Bijbels omschrijven Elohim meer dan tweeduizend keer met ‘God’ en ongeveer tweehonderd keer met ‘goden’. Dat het bij deze ‘zonen Gods’ niet om ‘gevallen engelen’ gaat, maar veeleer om elohim-zonen oftewel zonen van de onderschikker Adam, bleek reeds uit de literaire spiegelbeeldstructuur van de geschiedenis van de aartsvader Adam. Het is juist, dat de uitdrukking ‘zonen Gods’ in Job voor hemelse hoogwaardigheidsbekleders gebruikt wordt Job 1:6. Maar de titel ‘Elohim’ (Onderschikker(s), God, goden) werd ook voor mensen gebruikt. In Lucas 3:38 wordt Adam ‘zoon van God’ genoemd. De Heer zette Mozes als ‘elohim’8 (onderschikker(s), God) voor Aäron en Farao in Ex.4:16; 7:1. En uit de voetnoten van de (Duitse) concordante uitgave van Exodus9 is te zien, dat de scheidsrechters10 eveneens ‘elohim’ (onderschikkers) waren Ex.21:6; 8 NBG51 en SV: God 9 Uitgave Konkordanter Verlag 10 NBG51 en SV: goden 20 22:8,9,28. Dezen moesten dus hun ambt uitoefenen, net zoals de onderschikker Adam en zijn eerstgeboren nakomelingen, de zonen van de onderschikker. Over de gangbare bijbelvertalingen willen wij nog opmerken, dat de gebruikelijke versie van Gen.6:1 niet echt overtuigend klinkt. Als de mensen zich op de aarde vermenigvuldigd hadden, waarom werd er dan aan toegevoegd, dat hun dochters geboren werden? Hoe hadden zij zich dan anders kunnen vermenigvuldigen? Omdat echter praktisch alleen van Adams zonen sprake is 5:1-5, is het begrijpelijk, dat nu ook iets over de dochters van Adam en over de mannen met wie zij huwden, gezegd wordt. Zijn directe familie stond natuurlijk in aanzien als de voornaamste; daarom genoten zijn dochters groter aanzien dan anderen en hadden ze een beter lichamelijk erfdeel dan degenen, die pas in de derde en vierde generatie van hem afstamden. Wij moeten bedenken, dat Adam eeuwenlang zonen en dochters verwekte en velen daarvan tegelijk als zijn kleinzonen en achterkleinzonen geboren werden. Hoeveel geslachten destijds gelijktijdig in leven waren, toen de meeste mensen meer dan 900 jaar oud werden, en hoe lang zij kinderen verwekten, kunnen wij ons nu nauwelijks voorstellen. De nephilim Het tweede hoofdthema in de geschiedenis van de aartsvader Adam luidt: aanzienlijken; in de subthema’s komen de eerstgeborenen 5:6-31 overeen met de machtigen 6:4-7, zoals wij al 21
Page 22
aangaven. De gangbare bijbelvertalingen hebben in plaats van aanzienlijken Gen 6:4 in het algemeen ‘reuzen’ (bij Luther: tyrannen). Het overeenstemmende grondtekstwoord nephilim gebruikten ook de verkenners Num.13:33, om de zonen van Enak (NBG51: Enakieten) te beschrijven. Die onderscheidden zich van anderen door grote gestalte en krijgshaftigheid11. Deze zonen van Enak overtroffen de overige inwoners van het land in lengte en waren aanzienlijke mannen. Er was toen een spreekwoord, dat zelfs de Israëlieten kenden: ‘wie kan voor de zonen van Enak (NBG51, hSV: Enakieten) standhouden?’ Deut. 9:2. De nephilim Gen 6:4 waren eveneens aanzienlijke mannen en onderscheidden zich van alle anderen, hoewel niet per se door hun lichaamslengte. Eerder overtroffen zij alle anderen, omdat zij eerstgeborenen uit de lijn van Seth waren en hun plaats als machtigen via introuwen in Adams directe familie konden veiligstellen. Wij hebben eerder bewijs geleverd, dat het woord uit de grondtekst, nephilim (tyrannen, reuzen, aanzienlijken), kennelijk een passieve vorm van het werkwoord phle, onderscheiden, is. Luther vertaalde ‘iets bijzonders doen’ Ex.8:23 (NBG51: bevrijden, hSV.: verlossing zetten), in Exodus 9:4 en 11:7 met ‘onderscheid maken’ (NBG51: afzonderen, scheiding maken; hSV.: onderscheid maken, 2x): Jahweh maakte onderscheid tussen de Egyptenaren en de Israëlieten. Dit had met lichamelijke grootte niets van doen. Want beide volkeren waren van normale lengte. Dat andere 11 In de NBG51 en hSV worden ook zij ‘reuzen’ genoemd. 22 vertalers in plaats van ‘aanzienlijken’ het begrip reuzen gebruikt hebben Gen. 6:4, is vermoedelijk terug te voeren op het gegeven, dat de Joodse rabbijnen (waarschijnlijk 70 in aantal), die rond 300 voor Christus de Tenach (OT) in het Grieks vertaalden (vandaar de naam ‘Septuagint’), sterk beïnvloed waren door Griekse mythologie, en gigantês (giganten) schreven Gen. 6:4. Bij vers 4 moet nog vermeld worden, dat hier meestal zo vertaald wordt alsof de Adamsdochters (dochters ‘der mensen’) zonen baarden, die tot “reuzen” (nephilim) uitgroeiden. Maar de tekst zegt niets over de nakomelingen van deze huwelijken, maar heeft betrekking op de eerstgeborenen, die Adams directe dochters huwden en hier als volgt genoemd worden: de aanzienlijken, de machtigen, stervelingen met een naam. Blijkbaar werden ook de dochters van Adam, die hun vader overleefden, door eerstgeborenen van de lijn van Seth gehuwd. Zodat laatstgenoemden tot aan Henoch, Methusalem en Lamech als zonen van de onderschikker Adam tot de aanzienlijke en machtige mannen behoorden. Enkelen van hen hebben vermoedelijk ernaar gestreefd zichzelf een naam te maken, in plaats van Jahweh te verhogen. Ongeveer zo’n duizend jaar na Adams dood waren de gedachten van het mensenhart in de lijn van Seth wel net zo boos geworden als die in de lijn van Kaïn Gen.6:5. Wij weten wat de Schrift aangeeft: 23
Page 24
Daarom, evenals door één mens de zonde in de wereld binnenkwam en door de zonde de dood, zo is ook tot in alle mensen de dood doorgedrongen, waarop (Grieks: eph hō) allen zondigen Rom.5:12. De elohim-zonen, of zonen van de onderschikker, waren dus stervelingen, net als alle anderen die in de kroniek van de aartsvader Adam genoemd worden. Gebonden boodschappers De kroniek van Noach begint bij Genesis 6:9 en de goddelijke opdracht voor de bouw van de ark in Genesis 6:14. Naar dit tijdvak verwijst Petrus in zijn eerste brief 1Petr.3:19,20, als hij over de geesten in de gevangenis spreekt, die eertijds weerspannig waren toen het geduld van God in de dagen van Noach bleef afwachten, terwijl de ark in gereedheid werd gebracht. Dat was meer dan duizend jaar na Adams dood en heeft absoluut niets te maken met de elohimzonen Gen.6:1,4, die door menig uitlegger als gevallen engelen werden bestempeld. Als de geesten in de gevangenis dezelfde zijn als de zondigende engelen, die in de duistere onderaardse kerkers van de Tartarus 2Petr.2:4 zitten of met eeuwige (letterlijk: onwaarneembare) banden in duisternis bewaard worden Judas:6, dan rijst de vraag of zij niet alleen maar tot hun eigen bestraffing gebonden zijn. Maar ook om 24 op de grote dag van het gericht als Gods tuchtroede te dienen. Want onder het tweede wee Op.9:13-21 worden er vier boodschappers losgelaten, die tot op die tijd gebonden waren, om tegen de demonie van de eindtijd (tegen de vier verenigde, grote wereldreligies) hun dood en verderf zaaiende ruiterlegers te laten oprukken. Een derde van de mensheid wordt door hen gedood. Hieruit blijkt dat de bitterste vijanden van de mens zich in de wereld van de geesten bevinden. De gedachte is dan niet ver meer, dat deze vreselijke wezens toentertijd al huishielden, toen het geduld van God in de dagen van Noach wachtte, tijdens de bouw van de ark. Geesten in de gevangenis Bij Petrus 1Petr.3:17-22 is sprake van lijden en beloning. Aan de in de verstrooiing 1Petr.1:1 lijdende Joodse christenen schrijft Petrus, dat het beter is, goed doende, te lijden. Christus leed als voorbeeld voor hen, door wat de mensen Hem aandeden. Daarom zou men Zijn voetstappen navolgen 1Petr.2:21. Petrus spreekt niet over Christus, toen Hij in de dood was, maar nadat Hij levend gemaakt en verhoogd was. Aan Hem zijn boodschappers en overheden en krachten nu ondergeschikt 1Petr.3:22. Zij horen allen de proclamatie van Zijn verhoging aan de rechterhand van God, ook zij, die in de gevangenis zijn 1Petr.3:19. Christus heeft dus niet aan ‘mensen’ of ‘zielen’ in de gevangenis ‘evangelie’ gepredikt, maar Hij heeft na Zijn levendmaking ook aan 25
Page 26
de geesten in de gevangenis het bericht van Zijn verhoging luid en met gezag verkondigd, als Heraut. Wat zou ook evangelieverkondiging aan de ‘zielen van gestorvenen’ te maken hebben met het lijden van de in de verstrooiing levende Joden christenen? Niets, maar evenals Christus verhoogd werd, Die leed omdat Hij het goede deed, zo mogen de lezers van de brief van Petrus zich troosten in hun huidige situatie met hun eigen toekomstige verhoging. De tekst in Petrus handelt over het levend gemaakt worden en de verhoging van Christus. En óók over de daarmee verbonden proclamatie van Zijn machtsovername aan de geesten in de gevangenis, over wie Zijn hoogheidsrechten zich uitstrekten. Maar niet over een vermeende (geheimzinnige, geestelijke) ervaring van de Heer, vóórdat Hij levend gemaakt werd. Zondigende engelen Petrus was niet bang om toe te geven, dat in de brieven van Paulus een en ander moeilijk te begrijpen was. Wij zouden net zo ootmoedig moeten bekennen, dat voor ons een en ander in de brieven van Petrus moeilijk te begrijpen is. Voor het grondtekstwoord kolazomenous (gestraft-wordende) 2Petr.2:9, dat te maken heeft met onrechtvaardige mensen, is goed bevestigd. Hetzelfde woord, dat eerder 2Petr.2:4 toegepast werd op de zondigende ‘engelen’, is zwakker bevestigd en wordt door de meeste bijbelvertalers weggelaten. Inderdaad ondergaan die hun straf nu misschien al, doordat hun bewegingsvrijheid belemmerd 26 is, en wel door het ontnemen van licht, de universele krachtbron in het stoffelijke heelal. Wat hen bindt, is duisternis. In de mythologie van de oude Grieken was er een schaduwrijk in de onderwereld, waarin geen licht doordrong. Deze zogenaamde ‘Tartarus’ bedoelde Petrus geenszins in 2 Petrus 2:4; ook dacht hij daarbij niet aan de ‘hel’, sheol, hades, (het onwaarneembare), het gehenna of de poel van vuur. Eerder gebruikte hij een zeldzaam, van het zelfstandig naamwoord Tartarus afgeleid werkwoord tartaroō, om daarmee uit te drukken, dat zondigende boodschappers in donkere onderaardse kerkers geheel zonder licht vastgehouden worden. Boodschappers in donkerte Judas spreekt in vers 6 over boodschappers, die de Heer voor het oordeel van de grote dag door onwaarneembare12 banden in donkerheid vasthoudt. Blijkbaar bedoelt hij dezelfde zondigende boodschappers als waar Petrus over schrijft. Uit de vergelijkende voegwoorden ‘zoals’ en ‘op gelijke wijze’ in vers 7 hebben sommigen geconcludeerd, dat de ‘gevallen engelen’ zich overgegeven hadden aan hoererij met de dochters van Adam en dus ander vlees achterna liepen. In feite geeft Judas echter drie voorbeelden, hoe God misdadigers (goddelozen, Hem niet vererenden) oordeelt vergelijk 12 NBG51 en S.V.: eeuwige, Grieks: aidion 27
Page 28
vers 4 (Stichwortkonkordanz blz.555, 5e, 6e druk en blz.207, 7e druk). De zonden van de drie als voorbeeld genoemde groepen, zijn net zo verschillend als hun straf. Een hele generatie van ongelovige en morrende Israëlieten kwam in de woestijn om Num. 14:2,29,35, omdat zij Jahweh niet vereerden (goddeloos waren). De genoemde ‘engelen’ werden niet om ongeloof en morren bestraft, maar omdat zij datgene verlieten, wat hun eigen (plaats) was13. In dat opzicht onteerden ook zij de Heer. Sodom, Gomorra, en de omliggende steden werden, op dezelfde wijze als deze (als Sodom en Gomorra), om hun uitspattingen verbrand. Door het voegwoord ‘zoals’ wordt slechts een algemene overeenkomst tussen de drie voorbeelden aangeduid, maar geen gelijkheid. De goddeloosheid van de boodschappers had niets met het vlees en zijn begeerten te maken. Ze hadden integendeel de eigen woning, woonplaats verlaten en hun opperheerschappij (Grieks: archè, oorsprong - NBG51, oorspronkelijke staat - hSV) niet behouden. Ieder schepsel van God heeft de eigen, bijpassende woning. Zo berust de soevereiniteit van de mens op aarde op zijn positie als heerser in dit gebied. Men mag wel aannemen, dat de boodschappers het hun toegewezen gebied verlieten en daarmee hun opperheerschappij daar opgaven. Waar dat was, wordt ons niet verteld, ook niet waar zij zich nu bevinden. In de grondtekst staat niets over ‘eeuwige’ banden (ketens) tot het gericht (een 13 Volgens NBG-vertaling! hSV: die hun oorspronkelijke staat niet hebben bewaard 28 tegenspraak in zichzelf!). De onwaarneembare banden betekenen misschien (zoals bij de zondigende boodschappers) de onttrekking aan licht. Op zo’n manier is de mens met onwaarneembare banden aan de aarde gebonden; pas als hij de atmosfeer tracht te verlaten, krijgt hij deze te voelen. Er is dus geen uitspraak in het woord van God om de theorie te staven, dat ‘gevallen engelen’ de dochters van Adam gehuwd zouden hebben. God heeft fundamenteel ieder dier ‘naar zijn aard’ geschapen; daarom kan iedere levensvorm zich alleen ‘naar hun aard’ vermeerderen. En iedere soort (of aard) had een bijzondere scheppingsdaad nodig. Mengvormen van rassen van vergelijkbare soorten zijn onvruchtbaar, kunnen geen nieuwe soort ontwikkelen. Zo heeft God grenzen tussen de soorten gesteld, waar men niet overheen kan. Als het mogelijk was door vermenging van het mensenras met hemelbewoners of andere soorten een nieuw ras te verwekken, dan stellen wij op die manier de evolutietheorie in het gelijk, die de scheppende hand van God uitschakelt. Laten wij ons hoeden voor dergelijke goddeloosheid! Diepste laagland van de aarde In herziene Statenvertaling staat, dat Christus ook ‘neergedaald is in de diepten, namelijk de aarde’ Efe. 4:9. De NBG-vertaling zegt: ‘de lagere, aardse gewesten’. De cursief gedrukte woorden zijn van de vergrotende trap van katō, dat we in de eerste vijf boeken van het Nieuwe Testament aantreffen en daar met beneden of neder 29
Page 30
vertaald worden vgl. Hand. 2:19, Luc.4:9, Joh. 8:6, NBG/hSV. Paulus heeft dit woord (katō) waarschijnlijk niet gebruikt, omdat dat toen in het Griekse taalgebruik ook nog een andere betekenis had (met lidwoord: het onderaardse; anders: in de onderwereld). Door toespeling op een tekst uit een Psalm 68:19, waar op de gevangenschap onder de wet gedoeld wordt, wordt verwezen naar de aardse dienst van Christus aan de ene kant en naar Zijn werkterrein in de hoogte aan de andere kant. Aan laatstgenoemd werkterrein moeten wij als leden van Zijn lichaam nog aangepast worden, naar de mate van genade, die ieder van ons afzonderlijk gegeven wordt. Kon Paulus in dit verband Efe.4:7-14 een geheimzinnige toespeling daarover ingevlochten hebben? Dat Christus bij Zijn opstijgen in de hoogte een menigte gevangenen met Zich meegevoerd heeft, dat wil zeggen, dat Hij ‘in de onderste delen van de aarde’ (Bruns), ‘in de gebieden onder de aarde’ (Zürcher) afgedaald is, namelijk in bepaalde delen van de hades, waar zogenaamd de zielen van de rechtvaardigen tijdelijk zouden zijn vastgehouden? Om een dergelijke tocht in de onderwereld in Efeziërs 4:9 te lezen, is net zo absurd als de idee van een ‘neerdalen ter helle’ van Christus vóór Zijn opstanding, waar Hij dan aan de geesten in de gevangenis gepredikt zou hebben. 30 Zoals reeds gezegd, heeft Paulus de uitdrukking katō, die op de onderwereld toegepast kon worden, vermeden en in Efeziërs 4:9 een vergrotende trap gebruikt van het bijwoord katōterō, dat in Mattheüs 2:16 (jongens van twee jaar oud en daar beneden) staat. En de vergrotende trap van het bijvoeglijk naamwoord, ta katōtera, gebruikte hij alleen hier Efe.4:9, zodat de betekenis daarvan uit het directe zinsverband moet worden opgemaakt, waarin sprake is van Christus’ dienst en werkterrein. Taalkundig gezien, zouden we nog willen zeggen, dat dit bijvoeglijk naamwoord bij dezelfde woordfamilie hoort als kata, dat als voorvoegsel dikwijls de betekenis van neer- heeft (vergelijk: neervallen, neerslachtigheid, neertrappen, neerwerpen, neerwerping). In het kader van deze uiteenzetting willen wij ons heel bewust losmaken van de idee van de onderwereld, en gebruiken we de woorden lagere delen (Grieks: katōteron en meros) waarmee een vlakke streek wordt aangeduid, die lager ligt dan de omgeving. Voor het Griekse zelfstandig naamwoord meros (deel) in dit vers is er geen nauwkeurig overeenkomend Duits begrip met zo’n veelzijdige betekenis als dit woord uit de grondtekst. Daarom zijn in de Duitse concordante vertaling in Efeziërs 4:9 deze beide begrippen samengevat in het woord Niederungen voor untere Teile gebruikt (vgl. Stichwortkonkordanz Konkordantes Neues Testament, blz. 538, 5e, 6e editie; blz.190, 7e editie), in de zin van: 31
Page 32
lagere delen van de aarde zoals in de Nederlandse concordante vertaling staat. Letterlijk, figuurlijk Jahweh is onder hen, te Sinaï in een heilige plaats. U bent opgevaren in de hoogte, U hebt de gevangenschap gevangen genomen. U deelt gaven onder de mensen uit, zelfs aan de weerspannigen, om te wonen bij Jah14 Elohim Ps.68:18,19 Op de Sinaï werden de Israëlieten onder de wet gesteld. Maar gelovigen onder hen werden uit deze gevangenschap (uit dit juk van slavernij Gal.5:1) door Christus bevrijd. Door Zijn werk in het laagland (lett.: lagere delen) van Galilea, evenals door Zijn zitten aan de rechter(hand) van God na Zijn hemelvaart. Van de mate van genade, die ieder afzonderlijk ten deel valt, zijn ook zij, die vroeger weerspannig waren, niet uitgesloten Ps.68:19. In deze zin kon Paulus de Psalmtekst heel goed in Efeziërs 4:8 citeren, nadat hij in het eerste hoofdstuk uiteengezet had, dat alle geestelijke zegeningen te midden van de hemelingen net zo goed voor de gelovigen uit de andere natiën golden als voor de gelovige Israëlieten die hem volgden. 14 Jah is de afkorting van Jahweh, de rechterkant van de Naam. 32 Geruime tijd voor het samenstellen van deze studies had de auteur hiervan diverse maanden in Galilea aan het meer van Gennésareth doorgebracht, waarvan de waterspiegel toen 212 meter onder het niveau van de Middellandse Zee lag. Hij woonde in een huis, dat ongeveer 150 meter hoger lag, maar toch altijd nog ongeveer 60 meter onder de zeespiegel. Hij was destijds diep onder de indruk van de gedachte, dat onze Heer een groot deel van Zijn dienst in een bijzonder, lager gelegen landstreek heeft verricht, vele meters onder de zeespiegel. Er zijn niet veel gebieden op de aarde, die ook maar bij benadering zo laag liggen. Death Valley en de Zoutzee in Zuid-Californië liggen wel lager dan de Stille Oceaan, maar ze zijn toch niet met het Jordaandal en de destijds dicht bevolkte kuststreken van het meer van Gennésareth te vergelijken. Dit zijn werkelijk de laagste delen van de aarde en de oever van de Dode Zee, waarin de Jordaan uitstroomt, liggen zelfs ongeveer 400 meter onder de zeespiegel. In deze laagstgelegen gebieden is onze Heer afgedaald. Hoe goed past dit toch bij Zijn vernedering! Hij ontledigde Zichzelf, nam de gestalte van een dienstknecht (lett. slaaf) aan en werd aan de mensen gelijk; Hij vernederde Zichzelf en werd gehoorzaam tot de dood, ja, tot de dood van het kruis! Zo diende Hij in de laagvlakten van het land en boog Zich in ootmoed neer tot de geringen, voor wie Hij op Golgotha Zijn bloed vergoot, opdat wij gerechtvaardigd zouden worden en met God verzoend door Zijn dood! 33
Page 34
Bij het neerdalen op de berg Sinaï was de heerlijkheid van Jahweh als een verterend vuur Ex.24:16,17. De afdaling van de Heer Jezus in de lagere gebieden van het land en van de aarde vond echter plaats in genade. Niet om de mensen in de gevangenschap van de wet te voeren, maar om hen uit dit juk van slavernij te halen. De wet eiste gehoorzaamheid van de mensen. De genade echter geeft gaven aan hen. Zijn vernedering is het fundament van alle genadegaven, die wij nu ontvangen: de gelovige uitkiezing uit Israël én die uit de andere natiën. Gemeenschappelijk vormen wij Zijn lichaam, waarvan Hij Zich zal bedienen om het al15 te completeren Efe.4:10. Boodschappers uit de hemel Gods huidige genadewerk onder alle natiën is in de eerste plaats verbonden met de (toekomstige) wederzijdse verzoening van hen die in de op-hemelen zijn. Dat, terwijl het gelovig Israël haar zendingsveld op aarde zal hebben. Nu al wordt aan de overheden en gevolmachtigden te midden van de hemelingen door ons de veelvuldige wijsheid van God bekendgemaakt Efe.3:10. Blijkbaar kunnen zij ons niet zien, maar horen over ons door boodschappers. Omdat deze zich niet alleen in het op-hemelse gebied bewegen, maar ook in de atmosfeer waarin wij leven, kunnen zij ons observeren en over onze wandel verslag uitbrengen. Zij interesseren zich waarschijnlijk in het bijzonder voor de 15 ‘Het al’ is het Griekse ta panta, dat regelmatig in de Schrift de totaliteit van heel de schepping inhoudt. 34 gelovigen als aanschouwelijk onderricht voor hen. Aan hen kunnen zij zien, wat de genade van arme, zwakke zondaren heeft gemaakt. Wat kan het voor menigeen al tot troost geweest zijn, dat, hoewel geen mens getuige van zijn of haar lijden voor Christus was, de hemelse boodschappers dat wel waren; en op de een of andere manier moet dat toch indruk op hen gemaakt hebben. Of wij in verzoekingen of beproevingen en aanvechtingen overwinnen of het onderspit delven, wordt wel bij hen, maar vaak niet bij mensen bekend. Een juist gedrag in de huishouding van God, dat is het geheim van de godsvrucht 1Tim.3:15,16. Men kan weliswaar onze woorden en waarschuwingen tegenspreken of deze zelfs negeren, maar in de regel zal men toch een juiste levenswandel voor de ogen van God, respecteren. De boodschappers hebben ook onze Heer Jezus in Zijn werken, lijden en sterven gadegeslagen Joh.1:52; daarmee is Hij aan hen verschenen (hetzelfde woord als: werd gezien), en zij hebben er vervolgens verslag van gedaan, zoals zij dat vandaag de dag doen betreffende ons gedrag in de huishouding van God. Het belang van onderschikking benadrukte Paulus: Ik betuig dit voor het aangezicht van God en van Christus Jezus en van de uitgekozen boodschappers, opdat jij deze dingen zou bewaken 1Tim.5:21. 35
Page 36
Aangezien bij de hemelse boodschappers geen sprake van verwekking is, hebben zij geen huwelijk en daarom evenmin oude en jonge boodschappers, om door hun onderlinge verhouding de onderschikking weer te geven. Daarom informeert de apostel ons, dat wij -onder andere- ook de oudsten zouden eren, en dat niet alleen omwille van henzelf, maar omdat zij op hetzelfde moment zichtbare vertegenwoordigers van de onzichtbare Onderschikker zijn. Net zo zouden wij ons aan de door God gestelde overheid onderschikken. Laten kinderen aan hun ouders gehoorzaam zijn, om God als Vader te eren. Laten de vrouwen aan hun man onderschikken als symbool van de verhouding van Christus tot Zijn gemeente Efe.5:32. Zo dient iedere vorm van onderschikking als getuigenis voor de hemelse boodschappers en als aanschouwelijk onderwijs. De aan de man ondergeschikte vrouw draagt daartoe haar hoofd bedekt, en wel met haar hoofdhaar, dat in plaats van de sluier16 aan haar gegeven werd 1Cor.11:15. In dezelfde brief schrijft Paulus 1Cor.4:9, dat God ‘ons tentoonstelt, als ten dode gedoemd, omdat wij een theater zijn geworden voor de wereld en voor boodschappers en voor mensen’. Sinds het aanbreken van het geheime beheer van de genade van God is in de dienst van deze boodschappers een verandering opgetreden: in plaats dat zij ons boodschappen overbrengen (zoals destijds aan de Israëlieten), brengen zij de overheden en machten te midden van 16 Grieks: peribolaion = omhulling 36 de hemelingen verslag uit over ons gedrag in verdrukkingen en lijden. Dat is hun huidige taak. Dit inzicht mag ook dienen om zich te hoeden voor de nu achterhaalde genadegaven, zoals onder meer spreken in tongen van de mensen en van de (hemelse) boodschappers 1Cor.13:1. Omdat de Heer dit laatstgenoemde niet meer nodig heeft om hemelse dingen te verkondigen, kan ook de taal daarvan niet meer dienen om geestelijke waarheden te verkondigen, die in het huidige geheime beheer van de genade van God geldig zijn. Met wat de verheerlijkte Christus zelf Paulus in zijn brieven liet opschrijven is het Woord van God compleet gemaakt Kol.1:25 en heeft geen verdere aanvulling nodig. Boodschappers van Mozes Als wij bedenken, dat Mozes ooit de wet door zijn boodschappers doorgaf en dat de Galaten door werken van de wet gerechtvaardigd wilden worden, dan wordt het anathema, in de ban doen, veelbetekenend. Paulus had dat uitgesproken tegen hen, die een (totaal) ander17 evangelie verkondigen dan hij, dat echter geen (echt) ander18 is: 17 Ander – Grieks: heteron = andersoortig 18 Ander – Grieks: allo = ander, maar van dezelfde soort 37
Page 38
Maar ook al zouden wij, of een boodschapper uit de hemel jullie een evangelie verkondigen, naast wat wij jullie als evangelie verkondigen – in de ban zij hij Gal.1:6-9. Hoeveel predikers van het meng-evangelie staan als onder een ban, zodat hun ogen van het hart voor het paulinische evangelie dicht blijven! Paulus waarschuwde de Kolossenzen Kol.2:18-20 voor de pogingen van de besnijdenis om de gelovigen van het lichaam van Christus te judaïseren, onder de wet en het tempelritueel te dwingen én onder de geboden die Jacobus, de broer van de Heer, geformuleerd had Hand.15:23-29. Middelaar Mozes had de wet en wat daarmee aan samenhing aan ceremoniën Deut.5:5 niet rechtstreeks in alle details aan het volk Israël meegedeeld. Maar hij gaf ze via boodschappers door, dus door Aäron, diens zonen Nadab en Abihu (en hun opvolgers) en de 70 oudsten, die voor hem beschikbaar waren Gal.3:19. Later werden ook de voorlezers van de wet in de synagogen ‘boodschappers’ genoemd. En in het laatste boek van de Bijbel gaan de berichten voor de zeven synagogen gemeenten naar de boodschappers ervan, die deze moeten doorgeven Op.2:1 e.v. Met het ‘ritueel van de boodschappers’ (NBG en hSV.: engelenverering) zal vermoedelijk het tempelritueel bedoeld zijn Kol.2:18. Of de hemelse boodschappers ook een ritueel hebben, weten wij niet. 38 Boodschappers van het licht In de dagen van Paulus waren al valse apostelen bezig, bedrieglijke ‘arbeiders van het rijk Gods’, die voorgaven apostelen van Christus te zijn. Het is dan niet zo wonderlijk, dat satan zelf als boodschapper van het licht optreedt en zijn dienaren als dienaren van de gerechtigheid 2Cor.11:13-15. De ware genade van God wordt vervangen door menselijke gerechtigheid, het houden van de geboden, godsdienstige vormen en zuiver uiterlijke ‘middelen van genade’. De idee van eigen werken heeft het werk van Christus in sterke mate verdrongen. En het ongekruisigde vlees moet deugdzaam en daardoor voor God aannemelijk gemaakt worden. Deze misleiding is net zo wijd verbreid als de dwaalleer, dat Satan een gevallen licht-engel (beter: boodschapper van het licht) is. Maar bij dit alles hebben wij de belofte, dat niets ons kan scheiden van de liefde van God, die is in Christus Jezus, onze Heer, noch dood, noch leven, noch boodschappers Rom. 8:38,39. 39
Page 40
DE op-HEMELSEN 19 In Gods woord lezen wij, dat tronen en heerschappijen, soevereiniteiten en gevolmachtigden in de Zoon van Zijn liefde geschapen werden Kol.1:13-16, zowel in de hemelen als op de aarde. Kennelijk verschillen zij vooral in rang; en hoge, hoogste machtsposities op de aarde laten ons in zekere zin de machtsposities onder de hemelingen zien. Nadat ons duidelijk geworden is, dat hemelse ‘engelen’ dienende boodschappers zijn, rijst de vraag: Van wie zijn zij dan boodschappers, en wie zendt ze uit? Natuurlijk zijn velen onder hen (zo niet de meesten) boodschappers van God. In het ‘Oude Testament’ en in de niet-paulinische geschriften van het ‘Nieuwe Testament’ kunnen wij in het algemeen niet veel licht over de ophemelsen verwachten, afgezien van de teksten die over hemelse boodschappers berichten, die naar de mensen afdalen om aan hen een boodschap over te brengen. Verder laat Petrus een straal van de op-hemelse heerlijkheid van onze verhoogde Heer voor onze ogen oplichten, als hij schrijft, dat Jezus Christus aan de rechter(hand) van God is en ‘engelen’, machten en krachten aan Hem ondergeschikt zijn 1Petr.3:22. 19 De grondtekst zegt epouraniois in Efeziërs 1:3 e.v. Dit zijn zij, die hoger dan de hemelen zijn. Dus: op-hemels, volgens ep-ouranion. 40 Maar als wij daar meer over willen weten, moeten we bij Paulus zijn. Want hij werd (vermoedelijk in de geest) tot in de derde hemel weggevoerd 2Cor.12:2 en kan daarom als enige iets over de ophemelse kant van ons thema vertellen, terwijl Johannes in de geest de nieuwe aarde mocht betreden om daarover verslag uit te brengen. We leggen er nog eens de nadruk op, dat in het huidige geheime beheer van de genade van God geen buitenaardse boodschappers tot ons gezonden worden, maar dat wij geestelijke machten van de boosheid in het op-hemelse bereik tegenkomen, wanneer we nu al in de geest onze standplaats op ons op-hemels lotdeel willen handhaven Efe.6:10-17. Nergens in de brieven van Paulus kunnen wij vinden, dat boodschappers van God vandaag uitgezonden worden, om ons te dienen of boodschappen aan ons over te brengen. Alle geestelijke wezens die nu, in deze tijd van genade, mensen benaderen, zijn ons vijandig gezind. Tronen Op aarde zijn veel tronen. In de heilige Schrift lezen wij over de troon van David Luc.1:32, en over de tronen waarop de twaalf apostelen de stammen van Israël zullen richten Luc.22:30. Verder lezen we nog over de tronen van de heiligen die zullen regeren tijdens de duizend jaar Op.20:4. Eerder lazen wij al over de troon van satan, die hij aan het beest zal geven Op.2:13; 13:2, en over de 24 tronen Op.4:4;11:16 in het op-hemelse gebied, die zich om de troon van 41
Page 42
God groeperen en blijkbaar alle op-hemelse vorsten voorstellen, inclusief de lagere rangen zoals heerschappijen, soevereiniteiten en gevolmachtigden. Wij vermelden nog dat wij de troon van God en van het Lam op de nieuwe aarde terugvinden Op.22:1. Heerschappijen Het grondtekstwoord kuriotêtes (heerschappijen) Kol.1:16 hoort bij dezelfde woordfamilie als kurios (Heer), onze aanspreekvorm voor Christus Jezus of God Zelf. Het is niet zo eenvoudig om tussen tronen en heerschappijen te onderscheiden. Maar het is makkelijk in te zien, dat tussen de functie van de Messias als Koning over Israël aan de ene kant en als Heer over ‘het al’ aan de andere kant, een groot verschil bestaat. De koning regeert over onderdanen, een heer oefent zijn heerschappij uit over degenen, die hem gehoorzaamheid verschuldigd zijn; in Efeziërs worden laatstgenoemden als slaven betiteld Efe.6:5-8. Blijkbaar liggen de verhoudingen precies eender in de op-hemelse regionen. Het lijkt ons misschien eigenaardig, dat daar slaven zouden zijn. Maar als daar heerschappijen of heren zijn, dan moeten er ook schepselen zijn over wie zij hun heerschappij uitoefenen en die aan hen gehoorzaamheid verschuldigd zijn - net zoals wij ons aan onze Heer Christus gehoorzamen en daarom ‘slaven van Christus’ genoemd worden. Wanneer wij lezen, dat de koningen van de natiën de heerschappij over hen hebben Luc.22:25, dan moeten wij in 42 gedachten houden, dat met het grondtekstwoord (kurieuō) oorspronkelijk het gedrag van een heer ten opzichte van zijn slaaf werd aangeduid. Met andere woorden: de genoemde koningen hadden, voor hun eigen voordeel, hun onderdanen niet tot hun welzijn geregeerd, maar hen als lijfeigenen behandeld. Onze Heer Christus Jezus is niet alleen Koning van de koningen, maar ook Heer van de heren 1Tim.6:15; Op.17:14; 19:16. Dat betekent, dat koningen Zijn onderdanen zijn en heren Zijn slaven; Hij is boven iedere soevereiniteit en volmacht, iedere kracht en heerschappij aangesteld Efe.1:21; want Hij schiep hen allen Kol.1:16. De verachting en de afwijzing, die men tegenwoordig voor heerschappij en gehoorzaamheid heeft, zijn al kenmerk van de laatste dagen. Soevereiniteiten Omdat wij op de aarde leven is het voor ons eenvoudiger om aardse begrippen te bevatten en te verklaren dan op-hemelse. Daarom proberen wij de als grondtekstwoorden genoemde archè (begin, oorsprong, soevereiniteit, opperheerschappij, etc.) evenals archõn (vorst, overste, leider) met voorbeelden op het aardse gebied uiteen te zetten, voordat wij de toepassing ervan op de hemelse legermachten bekijken. De grondbetekenis van archè is begin, oorsprong. Soms is het moeilijk om uit te maken, welke variant volgens het verband de juiste is. Uit Kolossenzen 1:15 leren wij, dat Christus Gods 43
Page 44
Eerstgeborene van heel de schepping is; het is dan ook voor de hand liggend om Hem in vers 18 als de oorsprong te omschrijven, zoals Hij ook het Begin van de schepping van God Op.3:14 en het Begin en het Einde Op.21:6 genoemd wordt. (Het grondtekstwoord is steeds archè, net als in Kolossenzen 1:16, waar wij het meervoud daarvan met ‘soevereiniteiten’ vertaald hebben). Bij een eerste proeve van de Duitse concordante vertaling in het jaar 1934 had men besloten om in Kolossenzen 1:18 te schrijven: ‘welcher ist der Fürst’ (die de Vorst is) om daardoor tevens aan te geven, dat hetzelfde woord in Kolossenzen 1:16 met ‘Fürstlichkeiten’ (vorsten) vertaald wordt. Later werd men het erover eens om in Kolossenzen 1:18 te schrijven: ‘deren Anfang Er ist’ (waarvan Hij het Begin is). Op grond van de paralleltekst in Efeziërs 1:22 (Hoofd boven alles aan de uitgeroepen gemeente) gaf men aan Kolossenzen 1:18 de volgende vertaling mee: ‘Hij is het Hoofd van het lichaam, de uitgeroepen gemeente, waarvan Hij het Begin is, als de eerstgeborene uit de doden’ (Duitse KNT, 5e,6e,7e druk). Overeenkomstig het oosterse standpunt is Hij als de Eerstgeborene vooral volgens rang de Eerste; dit geldt ook voor Zijn titel ‘Begin’. Om deze hoogste rangorde aan te geven dient het verkorte Griekse arch- meestal als voorvoegsel, dat in het Duits soms door het voorvoegsel erz- (aarts-) is aangegeven, zoals in Erzengel en Erzhirte, maar in de concordante vertaling schrijft 44 men in plaats daarvan ‘Botenfürst’ (NBG, hSV: aartsengel) en Hirtenfürst (NBG: opperherder) 1Thess.4:16; Judas 9; 1Petr. 5:4. In Hebreeën 7:4 nam Luther destijds het woord van de grondtekst in het Duits over en schreef daarvoor Patriarch, elders vertaalde hij echter ‘Erzvater’ (aartsvader) Hand.2:29; 7:8,9; (Duitse concordante vertaling: ‘Urvater’ (oervader)). Probleem was de juiste vertaling van arch-iereus (hogepriester), dat overeenkomt met het Hebreeuwse shri-qdsh, waarvoor in de Duitse concordante vertaling in Jesaja 43:28 ‘Oberster des Heiligtums’ (overste van het heiligdom) staat; zo ook in 1 Kronieken 24:5 Zo kan voor archiereus heel goed ‘Oberpriester’ (overpriester) als vertaling, net als het archi-telōnès met Oberzöllner (oppertollenaar) is weergegeven. Annas, door de Romeinen benoemd hogepriester Luc. 3:2, speelde ook nog na zijn ongeveer 10-jarige diensttijd een leidende rol. Hij genoot toen nog veel hoger aanzien dan zijn schoonvader Kajafas, die dienstdoend hogepriester was Joh.18:13. Ook in Handelingen 4:6 wordt Annas het eerst genoemd. Hij was het hoofd van de heersende familie van hogepriesters; want ook vijf van zijn zonen oefenden dit hoge ambt uit. In het Sanhedrin waren echter ook vroegere hogepriesterfamilies vertegenwoordigd (allen, die tot een hogepriesterlijk geslacht behoorden). Twee eeuwen eerder waren de leden van de Makkabeeën familie hogepriester in de ware zin van het woord; sommigen van hen hadden het ambt van 45
Page 46
hogepriester en van regerend vorst resp. koning in één persoon verenigd. Ten tijde van het Nieuwe Testament was de dienstdoende hogepriester niet alleen voorzitter van het Sanhedrin (of Hoge Raad), maar ook de door de Romeinse bezettingsmacht erkende hoogste politieke leider van de Joden. Bij dezelfde woordfamilie als het zojuist besproken voorvoegsel arch- hoort het grondtekstwoord archõn, waarvan de respectieve vertaling blijkt uit het verband. De hogepriester Ananias was aan het eind van de Handelingentijd 23:5 de overste van het volk en dus hun vorst. Ook de hogepriesters die hun ambt verlaten hadden vgl. Hand. 4:5,6 kan men als oversten aanduiden, maar niet de in verband met de oudsten en schriftgeleerden nog extra genoemde ‘oversten’, waarmee andere leden van de Hoge Raad bedoeld kunnen zijn, maar niet de overpriesters. Vier van hen worden bij name genoemd Hand.4:6; allen, die tot een hogepriesterlijk geslacht behoorden, worden in deze vorm aan het slot van het vers genoemd. Tot deze oversten behoren dus degenen, die aan het begin van vers 5 genoemd worden, net zomin als de vraagsteller in Lucas 18:18, die ook alleen maar een hooggeplaatst man was, misschien een leider (van een synagoge) zoals Jaïrus of anders een (hoge) meerdere. Ook de oversten (de raadsleden) worden extra naast de overpriesters genoemd Luc. 24:20. Van Nicodemus, die ook als een overste van de Joden wordt aangeduid, weten wij, dat hij een lid van het Sanhedrin was Joh.3:1; 7:45,50; want deze Hoge Raad wordt hier bedoeld net als elders Matt.26:57, Marc.15:1 en Luc.22:66. 46 Deze voorbeelden zouden voldoende moeten zijn om aan te tonen, dat onze beide grondtekstwoorden gebruikt worden om de - op hun eigen terrein- hoogste in rang aan te duiden Matt.9:34; 12:24; Marc.3:22; Luc.11:15; Efe.2:2. Daarmee krijgen wij ook begrip voor de functie van soevereiniteiten te midden van de op-hemelsen. Bij gelegenheid worden hun hoogwaardigheidsbekleders met die van dezelfde rang op de aarde in eenzelfde zin onder dezelfde kenmerken samengevat Rom.8:38; 1Cor.15:24; Efe.1:21; Kol.1:16; 2:10,15. Geen soevereiniteit of heerser op welk gebied dan ook - met al hun macht, hetzij in de hemelen of op de aarde - kan ons scheiden van de liefde van God, die is in Christus Jezus, onze Heer. Alle hoge en hoogste machtsposities hebben in een of andere vorm met soevereiniteit, archè, te maken. Maar Paulus schrijft ons in 1 Corinthiërs 15, dat iedere soort van heerschappij en macht zal zijn opgeheven, als Christus bij de voleinding Zijn koningsheerschappij aan God, Zijn Vader, overgeeft 1Cor.15:24. Zittend aan de rechterhand van de Vader is Christus al gesteld boven iedere soevereiniteit, gevolmachtigde, kracht en heerschappij Efe.1:20,21. In de Zoon van Gods liefde waren zij allen ook geschapen, zowel in de hemelen als op de aarde: tronen, heerschappijen, soevereiniteiten of volmachten …. en Hij is vóór alles Kol.1:16,17. Autoriteit (gevolmachtigde) Onder dit begrip vallen vermoedelijk al diegenen die in lagere machtsposities zijn. Het grondtekstwoord duidt een autoriteit aan, die haar volmacht van een hogere instantie ontvangt. De 47
Page 48
hoofdman (centurion), wiens knecht verlamd lag, stond boven zijn honderd soldaten, die hem op zijn woord gehoorzaamden Matt.8:9. Maar de volmacht daarvoor had hij van een meerdere, een archōn, ontvangen, die boven hem stond. En de hele rij van zijn superieuren tot aan de keizer toe vatte hij met het begrip overheid samen. De daaropvolgende militaire rang was bijvoorbeeld die van de plaatselijke commandant van Jeruzalem, die 1000 soldaten onder zich had en daarom de rang chili-archos (duizend-overste) had Hand. 21:31. Gedurende Zijn aardse loopbaan van vernedering heeft onze Heer Jezus Zich steeds weer op de volmachten beroepen, die Zijn hemelse Vader Hem gegeven had. Zo bezat Hij de volmacht om zonden te vergeven Matt.9:6, volmacht over onreine geesten Marc.1:27, ook volmacht om zieken te genezen en demonen uit te drijven; deze laatste volmacht droeg Hij aan Zijn discipelen over Marc. 3:15. Maar wat het herstel van Israël in hun aardse koninkrijk betreft, heeft de Vader de betreffende tijden en era’s in eigen volmacht gehouden. Hand.1:7. Niemand bestreed Zijn bekwaamheid deze dingen te doen, alleen Zijn recht daartoe. Toen de Heer op het tempelterrein kwam, vroegen de hogepriesters en de oudsten van het volk Hem: Met welke volmacht doet U dit, en Wie geeft U deze volmacht? Matth.21:23; Marc.11:28; Luc.20:2. 48 Maar de Heer antwoordde met een tegenvraag om ze te laten zien, dat zij hun volmacht niet van God ontvingen, maar van het volk, waar zij beducht voor waren. Tot de gevolmachtigden van de regering, die in de Schrift vermeld worden, behoren onder andere Herodes Antipas en Pilatus, die hun volmacht van de Romeinse keizer hadden ontvangen. Het volmachtsgebied Luc.23:7 van deze Herodes was Galilea en het Oostelijk-Jordaanland Perea. Toen Pilatus erop pochte, dat hij de volmacht had de vrijlating te verordenen en ook de volmacht om tot kruisiging te veroordelen, antwoordde de Heer hem: U zou helemaal geen volmacht over Mij hebben als Deze u niet van boven gegeven was Joh. 19:10,11 Helaas schrijven hier ook de meeste nieuwere vertalingen ‘macht’ in plaats van ‘volmacht’. Het Griekse woord exousia vertaalt men met, gelet op het tekstverband, de context: volmacht, gevolmachtigde, volmachtsgebied of overheid. Zo worden wij vermaand, dat ieder zal onderschikken aan de boven ons gestelde overheden, omdat iedere overheid (of gevolmachtigde) onder/door God (gesteld) is Rom.13:1. Naar Openbaring 2:26 zullen de overwinnaars volmacht over de natiën ontvangen. In het verslag van de beproeving in de 49
Page 50
woestijn zei de tegenstander tegen de Heer, dat hem de volmacht over alle koninkrijken van de aarde gegeven was Luc.4:5,6. Paulus kreeg opdracht van de Heer om de natiën de ogen te openen, opdat zij zich van de duisternis naar het licht en van de volmacht van Satan naar God omkeren Hand. 26:18. Uit aangehaalde voorbeelden zou ons direct al duidelijk mogen zijn, wat voor inhoud de zinsnede: soevereiniteiten en gevolmachtigden te midden van de hemelingen Efe.3:10 heeft, aan wie nu, door de uitgeroepen gemeente, de veelvuldige wijsheid van God bekendgemaakt wordt. In hetzelfde bereik bevinden zich de geestelijke machten van de boosheid, die wereldbeheersers van deze duisternis genoemd worden; ook dit zijn de soevereiniteiten en gevolmachtigden te midden van de hemelingen Efe.6:12. Met de laatstgenoemden zouden wij ons echter in geen enkele strijd inlaten, net zomin als met bloed en vlees. Die vermaning is een aansporing om tegen de krijgslisten van de tegenstander stand te houden Efe.6:11,12; want strijd met bloed en vlees (waar de tegenstander ons graag in zou slepen) is onze zaak niet, maar wij houden stand tegen de soevereiniteiten, tegen de gevolmachtigden, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke machten van de boosheid te midden van deze op-hemelsen. 50 Wij zouden aandoen: heel de wapenrusting van God, om al hun strategieën te weerstaan, die erop gericht zijn om ons van ons ophemels lotdeel dat wij in de geest nu al mogen bezitten, te verdringen, telkens wanneer wij ons ervan bewust zijn, dat wij in de geest, in Christus Jezus, al in het op-hemelse gebied gezet zijn. Dit is nu al onze geestelijke positie en ons standpunt; van daaruit hebben wij het juiste uitzicht. 51
Page 52
WAARHEID EN VERZINSELS Michaël Zelfs aan Michaël, als hoogste vorst van alle hemelse boodschappers, zijn grenzen gesteld. Ondanks zijn hoge rang durfde hij over de tegenstander geen lasterlijk oordeel uit te spreken Judas:9. Hieruit maken wij op, dat Michaël hem niet gelijkwaardig was. Hoewel hij later de op-hemelse boodschappers, die hem ondergeschikt waren, aanvoert in de oorlog met de draak en zijn boodschappers Op.12:7. Volgens Daniël 10:13 was Michaël een van de voorname vorsten (letterlijk: een van de eerste vorsten), en hij wordt als ‘grote vorst’ ofwel: ‘grote vorst van de boodschappers’ (Grieks: archaggelos, NBG51: aartsengel) gezien Dan.12:1. Zeer opmerkelijk aan zijn bevoegdheid is, dat hij in hoofdzaak met de aarde en het verbondsvolk Israël verbonden is, hoewel Michaël bij de ophemelsen hoort. Uit Daniël 10:13,20 blijkt het feit, dat de natiën van de aarde niet alleen menselijke staatshoofden, maar ook geestelijke vorsten hebben. Israël stuit bij andere volkeren op weerstand. Net zo stuit de vorst van de boodschappers, Michaël, op felle weerstand van de hemelse vorsten van de andere volkeren. Dat hij bij zijn hoge rang tegelijk geestelijk vorst van Israël is, valt goed te begrijpen; want de boodschappen, die hij naar de aarde moet brengen, moeten door Israël verder doorgegeven 52 worden. En hij is het, die in de eindtijd opnieuw zal optreden tegen de geestelijke vijanden van het verbondsvolk Dan.12:1. In het verleden durfde hij geen lasterend oordeel uit te brengen, toen hij met de tegenstander een woordenwisseling had over het lichaam van Mozes Judas:9. In de toekomst zal satan samen met zijn boodschappers uit de hemel op de aarde geworpen worden, nadat hij de heiligen van Israël dag en nacht voor de ogen van God aangeklaagd heeft (zoals vroeger bij Job). Dit ambt van ‘aanklager van onze broeders’ Op.12:10 oefent hij vanaf dat moment niet langer uit. De boodschapper die de tegenstander bindt en voor duizend jaar in de afgrond werpt Op.20:1-3, kan Michaël zelf of één uit zijn leger zijn. Gabriël Niet één overbrenger van hemelse berichten viel zo’n hoge eer te beurt als de boodschapper Gabriël, van wie de naam zoiets betekent als: ‘meester-onder-/beschikker’ of ook: ‘machtige van God’. Hij was wel het beste voorbeeld, dat wij van de positie en taken van hemelse boodschappers hebben. Hij staat ver beneden de hemelse, waardige hogeren, die voor de Allerhoogste op 24 tronen zitten, zoals we in Openbaring 4:4 lezen. Hij zegt van zichzelf: Ik ben Gabriël, die voor de ogen van God staat, en ben uitgezonden om tot u te spreken en u deze blijde boodschap te verkondigen Luc.1:19 53
Page 54
Hij had de opdracht gekregen om aan Zacharia de geboorte van Johannes de doper aan te kondigen en hij kreeg de hoge eer de meest welkome boodschap van alle over te brengen, die van de geboorte van de Messias Luc.1:26. In een ver verleden had hij al eens een eervolle opdracht gekregen; want hij was het die aan Daniël verscheen en hem een visioen, dat hij zojuist ontvangen had, uitlegde Dan.8:16-26. En Gabriël was het, die haastig aan kwam vliegen om Daniël helder inzicht te geven aangaande de 70 zevens (weken) Dan.9:21-23. Gabriëls boodschappen nemen in de heilige Schrift meer ruimte in dan die van andere boodschappers. Hij bracht twee lange opdrachten aan Daniël over en nog twee omvangrijke boodschappen in het Lucasevangelie. Merkwaardig is het dat de ‘engel’ Gabriël in Daniël 9:21 ‘man’ genoemd wordt (omdat hij er zo uitzag). Wat de aanduiding ‘engel’ aangaat, sprak de oude Luthertekst (evenals de Statenvertaling) zelfs Johannes de Doper met ‘engel’ aan Matth.11:10 e.a.. Engelensprookjes In de twee eeuwen vóór en de eerste eeuw na Christus ontstonden in het Jodendom de zogenaamde apocriefe geschriften, waaruit in de synagogen nooit werd voorgelezen en die ook niet tot de canon van Tenach20 (OT) behoren. Maleachi, de laatste profeet, 20 Tenach is de Joodse aanduiding van de Hebreeuwse Schrift; Torah (onderwijzing), Neviiem (profeten) en Ketoeviem (Geschriften). 54 had in het midden van de vijfde eeuw voor Christus nog geprofeteerd. Het zwijgen van God in de eeuwen daarna was kennelijk de aanleiding voor het ontstaan van vrome en naïeve sprookjesachtige vertellingen, sagen, met ten dele een oudtestamentische achtergrond. In het boek Tobias 12:15 treedt Rafaël op, die van zichzelf beweert, dat hij ‘één van de zeven engelen’ is, die voor de Heer staan. Het zogenaamde boek Henoch, zoals veel soortgelijke voortbrengsels van de toenmalige tijd, is niet geïnspireerd. Het weet veel over deze ‘engelen’ te zeggen en vermeldt namen als Semjasa, Azazel en Uriël. De laatste wordt dikwijls (samen met Michaël, Gabriël en Rafaël) als één van de vier ‘aartsengelen’ genoemd. Over het aantal ervan bestond dus onder de toenmalige vertellers van deze sprookjes geen eensgezindheid. Volgens eeuwenoude Joodse traditie was Azazel een boze woestijngeest. Zijn naam had men uit de verbinding van twee Hebreeuwse woorden gelezen, oz en azl, waarvan het eerste ‘geit’ en het tweede zoveel als ‘het weggaan’ betekent. Volgens Leviticus 16:5-10 werd over twee harige geiten21 het lot geworpen; één van hen werd dan geofferd en de andere als ‘weggaande geit’ de woestijn in gezonden. 21 In de brochure werd over ‘geitenbokken’ gesproken; de CVOT (Concordant Version Old Testament) spreekt in Leviticus 16:5-10 over ‘hairy goats’ = harige geiten, en wijst in voetnoot op Azazel. 55
Page 56
Koning van Babel Het woord Lucifer is eveneens een product van fantasie van vertalers en uitleggers. Het komt voor in Latijnse en Engelse bijbels. De ons bekende Duitse uitgaven (en de Statenvertaling, herziene SV, NBG51 en NBV’21) vertalen in de bewuste passage het betreffende woord met ‘morgenster’ Jes.14:12, 2Petr.1:19. De profeet richt zich hier tot de koning van Babel, de ‘man, die de aarde deed sidderen en koninkrijken deed beven’ Jes.14:4,16. In beeldrijke taal zegt Jesaja over deze man: ‘Hoe ben jij uit de hemelen gevallen!’ In de (Duitse) omgangstaal gebruikte men een soortgelijk beeld, als iemand volkomen verrast is: ‘er war aus allen Wolken gefallen’, dat is: hij was stomverbaasd. Jesaja beschrijft de ‘overweldiger van alle natiën’ met de uitroep: ‘Hoe ben jij uit de hemel gevallen! Huilt, jij zoon van de dageraad!’ Jes.14:12. Het Hebreeuwse woord (ill of jalal) heeft overal de betekenis van huilen of jammeren, maar nooit ‘morgenster’ vgl. Jes.14:31, Jer.48:20; 49:3. Cherubs Men heeft vermoedelijk de vleugels van de ‘engelen’ aan de cherubs ontleend, hoewel deze bij gelegenheid met twee, vier of zes vleugels worden voorgesteld. De cherubs van Ezechiël 1:4-28, en de daarmee overeenkomende vier dieren in Openbaring 4:6-8, hebben echter niets op-hemels. Zij zijn aards en stellen de hoofden van de ‘bezielde’ schepping hier beneden voor, niet die in de hemelen. De leeuw, het kalf en de mens horen bij de aarde, zelfs de arend beweegt zich alleen in het luchtruim onder de hemelen. Het 56 grondtekstwoord k-rubim betekent letterlijk: gelijk-velen; cherubs zijn dus representanten van alle levende schepselen (inclusief mensen) op de aarde. Zij worden nooit met boodschappen uitgezonden en zijn daarom geen ‘engelen’, geen hemelse boodschappers. In Tenach (OT) ontmoeten wij de cherubs voor de eerste keer als God hen inzet om de toegang tot de boom van het leven te bewaken Gen.3:24. (Daar, ten oosten van de hof van Eden, hebben vermoedelijk de eerste mensen hun offers gebracht.) Toen God Mozes instructies gaf hoe het verzoendeksel van de ark van het verbond moest worden vervaardigd, beval Hij hem twee cherubs te laten maken, één aan ieder einde van het verzoendeksel, en wel uit hetzelfde materiaal als het deksel zelf. Het geheel vormde symmetrisch gouden smeedwerk uit één stuk Ex. 25:17-20; 37:7. Dus, cherubs waren bestanddelen van het verzoendeksel, hun vleugels spreidden zich daarboven uit, en hun gezichten keken onafgebroken daarop neer Hebr. 9:5. Verder vinden wij de cherubs op de tien tentkleden en de voorhang Ex.26:1,31, waar zij kunstig in de stof waren geweven. Wanneer Mozes de tent der samenkomst binnenging, om met Hem te spreken, dan hoorde hij een stem, die tot hem sprak van boven het verzoendeksel, dat op de ark van de getuigenis was, van tussen de beide cherubs Num. 7:89 57
Page 58
In de tempel van Salomo waren bovendien twee uit hout gesneden cherubgedaantes, die zo groot waren, dat hun uitgestrekte vleugels in het binnenste vertrek (het heilige der heiligen) van muur tot muur reikten; zij raakten elkaar aan in het midden van de ruimte en waren met goud overtrokken. Ook de muren en deuren van het huis van God waren versierd met uit hout gesneden en met goud bedekte cherubs 1Kon.6:23-28. De tempel van Ezechiël zal in het duizendjarig rijk niet zo’n rijke cherubversiering vertonen als de tempel, die Salomo gebouwd heeft. In het heilige der heiligen zullen er dan -behalve op de ark van het verbond- geen cherubs zijn. Maar op de muren van de overige ruimtes, alle met hout bedekt, bevinden zich ‘cherubs en palmen’ Ez. 41:18,19. De vorst van Tyrus De vele pogingen om het binnendringen van de zonde in het heelal te verklaren, lopen allemaal op hetzelfde uit. Men wijst naar Genesis 1:2 en verklaart dat Adams ‘val’ niet de eerste was. Als men nog verder terug zou gaan dan Adam, zou men op een vroegere ‘val’ stuiten. Maar als de satan ooit werkelijk ‘gevallen’ zou zijn, dan is het onbegrijpelijk, dat Gods woord daarover niets zegt. En niet één nauwgezette schriftonderzoeker zal Ezechiël 28 erbij halen en willen beweren dat de ‘vorst van Tyrus’ schuilnaam voor ‘de tegenstander’ is. Twee keer staat daar uitdrukkelijk Ez.28:2,9, dat de 58 vorst van Tyrus een mens is. Toen hij in Tyrus regeerde, was hij wijd en zijd bekend en zijn val was zeer opzienbarend. Hoe kan men dit dan op de ‘tegenstander’ betrekken? Wie de ruïnes van Tyrus heeft gezien en zich dus een beeld van de toenmalige pracht en praal kan maken, zal in Ezechiël 28 niets vinden, dat onverklaarbaar lijkt. Want nergens is een aanwijzing, die erop neerkomt dat iemand anders dan de vorst van Tyrus bedoeld wordt. Sommigen wijzen op Daniël 10:10,21, met de opmerking, dat het ook bij de vorst van Tyrus gaat om een vorst of overste in het geestelijke bereik.Net zoals bij de vorst of overste van Perzië, of die van Griekenland, of Michaël, de geestelijke vorst van Israël. Maar de ‘tegenstander’ claimt de macht als heerser over alle koninkrijken van de wereld Matth.4:8 en zou daarom toch niet als vorst van slechts een eilandstad Ez.27:3 aangeduid moeten worden. Waarom zou de ‘tegenstander’ hier een ondergeschikte positie hebben? Alleen opdat men kon ‘bewijzen’ dat hij ‘gevallen’ is? Om dit verzinsel te weerleggen geven wij hieronder enkele verzen uit Ezechiël 28 in de proeve van concordante vertaling: Jij bevond je in weelde van de hof van Elohim 28:13. 59
Page 60
Het Hebreeuwse woord ‘Eden’ betekent ‘weelde’ (of luxe) en zou hier vermoedelijk zo vertaald moeten worden. Als de eilandstad op zich al ‘volmaakt in schoonheid’ Ez. 27:3 genoemd werd, waarmee zou dan het paleis met de omringende tuinen anders aangeduid kunnen worden dan: weelde van de hof van Elohim, van allerlei kostbare stenen was je afdak …. en met goud vulde je de flanken van je afdak en je alkoven, die bij je zijn Ez.28:13 In het volgende vers gaat het om de volmacht, die God aan de koning gegeven had: op de dag van jouw schepping werd de hut van de gezalfde cherub bereid Ez.28:13b,14a De aanwezigheid van de cherubs in de beschrijving wijst op aanstaande gerichten. Niemand vermeldt ze zo vaak als Ezechiël 1:9,10,11,28,41, waar ze zich onder de troon Ez.10:1 bevinden, terwijl de cherubs in de Openbaring van Jezus Christus Op.4:6-8 midden in de troon verschijnen. Aan deze rechtszitting neemt (symbolisch gezien) heel de bezielde schepping deel. En aan de bevrijding van de mens uit de slavernij van de vergankelijkheid. Want daarop volgt dezelfde bevrijding voor heel de schepping vgl. Rom. 8:21. 60 Verder lezen wij: En Ik zet jou in het heilige bergland van Elohim, je bevond je te midden van de vurige stenen… en ombrengen zal jou de cherub van de hut uit het midden van de vurige stenen Ez.28:14-16 Wij kennen Jeruzalem als Gods heilige berg Dan.9:16,20 en het hele heilige bergland Jes.11:9 tussen de zeeën Dan.11:45, dus tussen de Middellandse zee en de dode zee. Israël was de hoge berg Ez. 20:40, die boven de natiën uitstak. Geografisch gezien bevond de eilandstad Tyrus zich in het heilige bergland. Zij had van God een taak ontvangen, net zoals de andere natiën rondom het volk Israël. De overheidsfunctie van de vorst van Tyrus was hem door God gegeven. Hij was het, Die ook dit vorstendom had geschapen om het dan aan deze trotse man over te laten. Deze, door God aan hem gegeven volmacht, werd door de vorst van Tyrus misbruikt; daarom trof hem het goddelijke gericht, dat aan hem werd voltrokken door de ‘cherub van de hut’ Uit het bovenstaande blijkt ten eerste, dat de vorst van Tyrus géén ‘gevallen cherub’ is, en ten tweede dat de cherub nooit ‘de tegenstander’ kan zijn. Als je de tekst van Ezechiël 28 met de bedoeling bekijkt om daar bewijzen voor de ‘val van satan’ te vinden, moet je de tekst geweld aandoen. Als de vorst van Tyrus bij 61
Page 62
de schepping van zijn vorstendom ‘onberispelijk’ wandelde, dan betekent dit nog niet ‘zondeloos’. Ook een Noach was ‘onberispelijk’ in zijn generatie Gen. 6:9, evenals de psalmist David Ps.18:24. Maar wie zou willen beweren, dat zij zondeloos waren? Het slotwoord over de vorst van Tyrus luidt: Berucht werd jij; niets ben je gedurende de eon Ez. 28:19 Deze uitspraak past op de omgebrachte vorst van Tyrus, die voor de ogen van zijn tijdgenoten werd geoordeeld, toen zijn regering niet langer onberispelijk bleef, maar het kwaad liet zien, dat in zijn binnenste was. Dit slotwoord (letterlijk: niets ben je, gedurende de eon) kan toch nooit voor ‘de tegenstander’ gelden, net zo min als: onberispelijk wandelde je in jouw wegen … totdat kwaad in je gevonden werd Ez.28:15 De tegenstander zondigt echter van den beginne 1Joh.3:8. Serafs Jesaja beschrijft Jes.6, hoe hij Gods heerlijkheid in een visioen zag vgl. Joh. 12:41. Hij zou het niet gedurfd hebben uit zichzelf de heilige plaatsen in de door mensenhanden gemaakte tempel in Jeruzalem te betreden. Zoals ooit de vrome koning Uzzia dat gedaan had, toen hij op het hoogtepunt van zijn macht gekomen was 2Kron.26. 62 Deze wilde God op zijn manier vereren en reukwerk op het reukofferaltaar branden, wat alleen de priesters, de zonen van Aäron, mochten doen. Daarom werd hij geslagen met melaatsheid. Hij moest zelfs de rest van zijn leven in een afgezonderd huis doorbrengen. Omdat hij onder de wet stond (die hij overtreden had) en niet onder genade, moest deze vrome koning voor één enkele vermetele poging om in de verheven tegenwoordigheid van God te komen, zo zwaar boeten. Toen Jesaja (in het sterfjaar van koning Uzzia) in de geest de heerlijkheid van God mocht zien, moest hem wel vrees en zorg aangrijpen, omdat hij zich sterk bewust was van zijn eigen onvolkomenheid, en hem het lot van Uzzia voor ogen stond. Maar Jesaja had niet uit zichzelf geprobeerd om voor God te treden; hij mocht in een visioen een blik slaan op de heerlijkheid van God Jes. 6:1-8. De woonplaats van God, zoals die in Jesaja 6:1-4 beschreven wordt, verschilde wezenlijk van de tabernakel en de tempel, want dat waren alleen voorafschaduwingen daarvan. Als in Jesaja 6:4 staat: ‘Het huis werd vervuld met rook’, dan is dat blijkbaar de nawerking van het feit, dat de troon van God in de tempel hoorde te zijn. Blijkbaar wordt het gordijn, dat het heilige der heiligen afscheidt, opzij gedaan. Want in het middelpunt van het gebeuren staat de troon en niet het verzoendeksel. Daarom zien wij hier geen cherubs, maar serafs, letterlijk: ‘de brandenden’ die met twee 63
Page 64
vleugels hun gelaat en met twee vleugels hun voeten bedekken; met twee andere vleugels vliegen zij. De serafs verschijnen alleen hier bij Jesaja; zij staan boven de troon van de goddelijke Majesteit, terwijl Gabriël voor de ogen van God staat. Zij zijn geen boodschappers; want als God vraagt wie Hij zenden zal, bieden zij zich niet voor deze dienst aan. In vers 3 roepen zij elkaar toe en vestigen de aandacht op de heiligheid van Jahweh en Zijn heerlijkheid, die de hele aarde vervult. Het branden van de serafs vervulde het huis met rook en hun woorden doen de wanden schudden. Kennelijk branden ze van ijver om de heiligheid en heerlijkheid van Jahweh te benadrukken. De seraf die met een gloeiende kool Jesaja’s lippen aanraakt, gebruikt een tang om die van het altaar te nemen. Dit lijkt te tonen dat de seraf niet werkelijk een ‘brandende’ is; want anders had hij de kool met de handen kunnen pakken. De beschrijving en het gedrag van de serafs doen ernstig gericht over Israël vermoeden. Zolang de cherubs het bloed zagen, was Israëls zonde bedekt en kon Gods verontwaardiging niet over Zijn verbondsvolk komen. In het visioen van Jesaja hebben wij in plaats van verzoenende bescherming een troon van oordeel. Wij mogen onze God danken, dat wij in de genade staan en in de geest dagelijks vrije toegang tot Hem, de Vader, hebben. 64 MISLEIDENDE GEESTEN EN DEMONEN Maar de geest zegt nadrukkelijk, dat in latere era’s sommigen zullen afvallen van het geloof, doordat zij dwaalgeesten en leringen van boze geesten (letterlijk: demonen) volgen 1Tim.4:1 In zijn tweede brief aan Timotheüs verwijst Paulus indirect naar deze tijd en spreekt over gevaarlijke era’s in de laatste dagen 2Tim.3:1. Wanneer als gevolg van ontwrichting van het geloof veel tekortkomingen in de wandel zullen ontstaan. Daarom vermaant de apostel, dat wij afstand zouden houden, waar men met betrekking tot de (paulinische) waarheid op dwaalspoor gekomen is. En wij zouden hen, die dwaze vragen stellen, mijden. Omdat zij ten gevolge van gebrekkig onderwijs in de gerechtigheid slecht opgevoed zijn 2Tim.2:16-18, 23; 3:16; Titus 3:9. In de dwaalleren van het verre Oosten en ook elders is demonische invloed herkenbaar. Dat wordt ook door velen toegegeven. In de christenheid zijn dwaalleringen meestal met zoveel waarheid vermengd, dat gelovigen daardoor in verwarring gebracht zijn. Zij zijn in hun geestelijke groei afgeremd en in hun oordeelsvermogen vooringenomen geworden. Waarom zijn juist deze laatste tijden zo gevaarlijk? Omdat niemand wil toegeven slachtoffer te zijn van demonische leringen. Die waren er al in de tijd van Paulus. Hymeneüs en Filetus raakten op zulke 65
Page 66
dwaalwegen, toen zij van de waarheid afweken. En zij verkondigden aan de gelovigen die hen aanhoorden, iets nieuws, dat Paulus nooit erkend had, namelijk dat de opstanding al plaats had gevonden. Sedert die dagen heeft ook deze dwaalleer als koudvuur om zich heen gevreten. En zelfs belangrijke mannen van God hebben zich door demonen laten bedriegen, die zich voor geesten van gestorven mensen uitgaven. Gods woord zegt uitdrukkelijk, dat de dood een terugkeer is: het menselijk lichaam is afkomstig uit de aarde en keert in de dood tot de aardbodem terug Gen. 3:19. De geest van de mens keert dan terug tot God, Die deze gaf Pred.12:7. De ziel is in het onwaarneembare, dat is: ze is onwaarneembaar; want ze bestaat alleen zolang de geest het lichaam leven geeft. Hoewel de Schrift zegt, dat de doden slapen, helemaal niets weten Job 3:13-19; Pred.9:5, geloven zoveel mensen de bedrieglijke demonen die beweren, dat de doden leven en met levende mensen kunnen communiceren. Als de opvatting, dat de Bijbel leert dat de doden levend zijn en dat de ‘onsterfelijkheid in ons woont’, niet zo wijd verbreid geweest was, dan had het spiritisme zich nooit zo enorm kunnen verspreiden. Met deze dwaalleer zijn de beste en meest trouwe christenen door demonen bedrogen. Over het thema bezetenheid willen wij hier slechts heel kort zeggen, dat het demonen zijn, die 66 het lichaam van een mens in bezit nemen, hem kwellen en via die mensen kunnen spreken. Zie: ‘das Geheimnis der Auferstehung’22 Niet satan is de overste van de demonen, maar Beëlzebul. Onze Heer zei, dat wanneer deze de demonen zou uitdrijven, of satan en zijn handlangers, dan zouden zij hun koninkrijk vernietigen Matt.12:26; Marc.3:23,26; Luc.11:18. Al deze geesten begeren de aanbidding door de mensen en kunnen zich daarom incidenteel graag met elkaar verbinden, hoewel de meest onreine demonen blijkbaar tot de allerlaagste geestelijke wezens behoren. Maar om zijn doel te bereiken, namelijk de gehoorzaamheid van de mensheid naar zichzelf te leiden, wil satan af en toe ook wel met de demonen een verbond aangaan. Zijn verlangen is de bezielde schepping onder zijn eigen leiding en heerschappij, los van God, naar het toppunt van hoogste ontwikkeling te voeren. Dat de mens die van zijn Schepper afgescheiden is, echter in zulke diepten verzinkt, is zeker lastig voor Satan. Want dit bewijst zijn eigen onmacht en zijn onbekwaamheid bewijst om de mensheid met succes te regeren en gelukkig te maken. ‘Demon’ is niet anders dan het vernederlandste Griekse woord daimōn, evenals het verkleinwoord daimonion. Helaas heeft men deze begrippen vaak met ‘duivel’ vertaald of met ‘duivels’ Jac.3:15, 22 Uitgegeven bij Konkordanter Verlag te Birkenfeld, Duitsland, een 1e en 2e druk zijn uitgebracht. 67
Page 68
waar de schrijver over die wijsheid spreekt, die niet van boven komt, maar aards is, ziels23 of zelfs demonisch. In Openbaring 9:20 is er sprake van, dat de mensen doorgaan met het aanbidden van demonen en afgoden. Later lezen wij over de zeven plagen van de zeven hemelse boodschappers Op.15:8b. Als de zesde schaal uitgegoten wordt, komen uit de bek van de draak en die van het beest en die van de valse profeet drie onreine geesten als kikkers tevoorschijn, want het zijn geesten van demonen Op.16:1214. Ten slotte wordt het vernietigde Babylon tot woonplaats van demonen, tot gevangenis van elke onreine geest Op.18:2. Wij zijn er dikwijls snel bij om menselijke zonden en wandaden op uitwendige invloeden terug te voeren. Oorspronkelijk had satan weliswaar het mensengeslacht misleid, maar als gevolg daarvan worden we nu rechtstreeks aangevochten door onze omgeving en het vlees in ons. Nergens beweert de Schrift, dat satan of de demonen bijvoorbeeld seksuele gevoelens hebben en daarom de mensheid tot misstappen op dit gebied aanzetten. Bij Maria van Magdala dreef de Heer zeven demonen uit Luc.8:2. Er is geen aanleiding aan te nemen, dat zij een zedeloze vrouw geweest is. Geheel in tegenspraak hiermee verbonden de Joden demonische bezetenheid juist met ascetisme en niet met sensualiteit. 23 Ziels: Grieks psuchikon; NBG: ongeestelijk; hSV: natuurlijk. 68 Veel van wat de demonen betreft, is voor ons lastig te begrijpen; waarom oefent water zo’n aantrekkingskracht op hen uit? Wanneer de onreine geest van een mens uitgevaren is en door waterloze plaatsen komt, vindt hij geen rust Matt.12:43; Luc.11:24. Zodra het legioen demonen in de kudde zwijnen voer, stormden de dieren langs de helling naar beneden het meer in en verdronken daar, nadat ze eerder de Heer gesmeekt hadden, dat Hij hen toch niet in de afgrond zou sturen Luc.8:30-33. Waarom dit verzoek? Het Griekse woord voor put, dat de Samaritaanse vrouw voor de bron van Jakob gebruikte Joh. 4:11,12 is hetzelfde woord, dat ook voor de put van de afgrond gebruikt wordt Op.9:1,2 Het was een schacht, die ruim genoeg was zodat een os erin kon vallen Luc.14:5 en was toegang tot de waterbron. Een hemelse boodschapper, die symbolisch door een op de aarde gevallen ster wordt voorgesteld, opent de schacht naar de afgrond met de sleutel, die aan hem gegeven was Op.9:1-11 Uit de opstijgende dampen stort een vreselijke horde sprinkhanen zich op de mensheid, en wel onder hun koning Apollyon, de ‘engel van de afgrond’, de samengestroomde chaos. Het lijdt geen twijfel dat deze niet identiek is met satan. De tegenwerker zou toch niet zijn eigen onderdanen (die immers demonen en afgoden aanbidden, maar zich niet willen bekeren) vijf maanden lang tot aan de rand van de dood pijnigen en daarbij de door hem gehate slaven van God (de verzegelden) ongedeerd laten. Wij mogen er ook zeker van zijn, dat satan niet met de uit de hemel op de aarde gevallen ster 69
Page 70
identiek is. Want aan de tegenwerker zou nooit de sleutel van de afgrond gegeven worden, die later duizend jaar zijn gevangenis zal zijn. Het verschil tussen de geestelijke gebieden, waarin satan en zijn handlangers aan de ene kant en de demonen en onreine geesten aan de andere kant zich bewegen, wordt nog duidelijker voor ons, als wij kijken naar het verschil in gedrag van onze Heer tegenover beiden. Om satan te ontmoeten vastte Hij veertig dagen. Maar Hij trof geen voorbereidingen om de demonen tegemoet te treden. Satan kwam naar Hem toe in de verlaten woestijn. De Heer trof de demonen echter in menselijke lichamen aan. Satan had volmacht Hem te verzoeken en sprak tot Hem als tot een gelijke. Maar Christus had volmacht om de demonen uit te drijven en zij vreesden Hem. Onze Heer liet satans aanspraak op de koninkrijken van de wereld staan, hoorde hem aan en antwoordde hem op waardige wijze. Maar een onreine demon gebood de Heer te zwijgen Luc.4:35. Satan is dus absoluut geen hooggeplaatste demon. Het is waarschijnlijk niet verkeerd om beiden als ‘tegenwerker’ aan te duiden; want ook mensen worden in de Schrift zo genoemd 1Tim.3:11; 2Tim.3:3; Titus 2:3. Maar slechts voor één gaan alle vier de benamingen op: draak, oeroude slang, tegenstander en satan. Alleen deze lastert God, sinds hij in Eden wantrouwen zaaide tegen Gods liefde en in het vervolg niets anders in de zin heeft dan de 70 mensheid een verwrongen beeld van hun Schepper en Redder-God voor te spiegelen. - Demonen doen dit niet. Als zij spreken erkennen zij de soevereiniteit van Christus en geven Hem de gepaste eer Luc.4:34. Zij vrezen Zijn naam en beelden zich niet in het tegen Hem te kunnen opnemen. Als de mensen slechts net zo veel geloof in Christus zouden hebben als zij, dan zouden meer demonen uitgedreven worden. De demonen geloofden en huiverden, de discipelen echter twijfelden en faalden. Bij één zo’n gelegenheid vroegen zij de Heer: ‘Waarom konden wij hem (de demon) niet uitdrijven?’ Matth.17:19. Jezus’ antwoord luidde: ‘Om jullie kleingeloof!’ 17:20. Zij hadden weliswaar de volmacht, maar niet het geloof. Een uitvoerig verslag over de geest, die maakt dat men niet kan spreken en die zij niet konden uitdrijven vinden wij in Marcus 9:1429. Terwijl de Heer op de hoge berg voor Petrus, Jacobus en Johannes van gedaante veranderde en met heerlijkheid omhuld werd, waren de achtergebleven discipelen niet in staat een epilepticus te genezen, die van kind af aan vaak in vuur en in water viel. Hier Marc.9:29 verklaarde de Heer, dat men deze soort alleen door gebed kon laten uitgaan. (Sommige vertalingen schrijven hier: ‘door gebed en vasten’, of zij hebben ‘en vasten’ in een voetnoot, om aan te geven dat voor deze toevoeging maar weinig bewijs te vinden is). 71
Page 72
Dit idee (dat al in de eeuw na Paulus in de gemeente ingang vond), namelijk dat voor de uitdrijving van zulke geesten ook vasten noodzakelijk was, is op zichzelf een demonische dwaalleer. Een mens, die zich in uitstekende lichamelijke gesteldheid bevindt en een sterke wil heeft, kan hen weerstaan. Maar deze geesten willen het weerstandsvermogen van hun slachtoffers ondermijnen en hen passief en gewillig maken. Aanhoudend vasten en een passieve gebedshouding en een smeken om geest zijn juist een uitnodiging aan de demonen. Daarom keert Paulus zich zo beslist tegen alle met ascese (het niet ontzien van het lichaam) verbonden vroom gedoe Kol.2:20-23. De Zoon van Gods liefde bergt ons In Efeziërs 2:2 is sprake van satan, de tegenwerker. Daar wordt hij als ‘overste van het volmachtsgebied van de lucht (de atmosfeer)’ omschreven. Hij is de geest, die in alle zonen van de weerspannigheid werkt. Het is voor het grootste deel zijn invloed, die de mensen tegen God en Zijn Christus weerspannig maakt. Tegenover de gelovigen bedient de tegenwerker zich van speciale krijgslisten om hen niet in het genot van het op-hemelse lotdeel te laten komen. Hetzelfde doel hebben de geestelijke machten van de boosheid te midden van de op-hemelsen zich gesteld. Daartoe zouden wij heel de wapenrusting van God opnemen om in de boze dag te weerstaan Efe.6:10-17. 72 In dit verband is het belangrijk om tot helder begrip van Kolossenzen 1:13 te komen. Het hier voorkomende Griekse woord basileia, dat wij meestal met ‘koninkrijk’ vertalen, betekent niet alleen het door een koning beheerst gebied, maar ook het volk, de macht en de waardigheid, die daarbij horen. In Kolossenzen 1:13 en 14 is zeker geen sprake van het komende aardse koninkrijk van de Zoon van David of van de Zoon des mensen. Er wordt ons integendeel in een stijlfiguur de huidige heerschappij van de Zoon van Gods liefde voor ogen gesteld. En in het kader van deze stijlfiguur gebruikt Paulus de koninkrijksuitdrukking ‘vergeving van de zonden’. Als Christus tot het gelovige Israël komt, redt Hij het verbondsvolk van al hun vijanden. Als leden van het lichaam van Christus zijn wij nu al van alle, ons vijandig gezinde, geestelijke machten bevrijd, die hier onder het begrip ‘volmachtsgebied van de duisternis’ worden samengevat. Daaruit bergt de Zoon van Gods liefde ons te allen tijde. Het middelpunt van het goddelijk gebeuren Het wonderlijke visioen, dat het troongedeelte van de Openbaring van Jezus Christus opent Op.4:1, schenkt ons een leerzame blik in de verschillende rangorden van de daar genoemde schepselen. Dit visioen herinnert ons aan een ontvangst bij een aardse monarch, terwijl de deelnemers overeenkomstig hun hoge geboorte of positie verschillende plaatsen ontvangen. 73
Page 74
Welke schepselen nemen nu in dit visioen de hoogste rang in? De hemelse boodschappers (meestal engelen genoemd), van wie men denkt, dat zij het dichtst bij God staan, zijn aan de buitenkant gegroepeerd rondom de vierentwintig tronen van de oudsten heen. De mensheid daarentegen, waarvan wij dachten dat die het verst verwijderd was, is symbolisch opgenomen in de middelste troon zelf. God openbaart Zich hier door de hoofden van de bezielde aardse schepping, als de vertegenwoordigers van de levende wezens op de aarde en (dus) ook van de mensheid. Het gaat daarbij om een figuurlijke voorstelling van de geestelijke werkelijkheid. Zij is viervoudig en stelt de heerschappij over de wilde dieren van de aarde voor; over de tamme dieren en over het gevogelte (uitgebeeld door leeuw, kalf24 en gier25), en tevens de volmacht die aan de mens gegeven is om over hen allen te heersen. De rechtszitting, die Johannes hier in een visioen ziet, is de crisis van de eonen. Aan de macht van de tegenstander moet van nu af aan halt worden toegeroepen. Zal de totale schepping, die onder de slavernij van het verderf zucht, Rom. 8:22 niet aan dit gebeuren deelnemen? Zou zij daarom ook niet door haar hoofden daarbij vertegenwoordigd moeten zijn? Laten wij toch niet blind zijn voor de boodschap, die de plaats van de vier dieren ons leert, die we ons vanuit Tenach (OT) als cherubs herinneren: de myriaden van 24 NBG: rund 25 NBG: arend 74 hemelse boodschappers zijn al tamelijk dicht bij de goddelijke troon. De vierentwintig oudsten staan daar nog dichterbij. Maar het dichtst bij de troon zijn de cherubs of levende wezens of dieren; zij maken er deel van uit. Hoe minuscuul en onbeduidend de aarde in vergelijking met de op-hemelen ook is, door het Lammetje26, dat daar werd geslacht, is ze in het middelpunt van al het goddelijke gebeuren geplaatst. Net zoals één en dezelfde boom in de hof van Eden de mensheid door de kennis van het kwaad toen de kennis van het goede gebracht heeft, zo zal het heelal door de onaanzienlijkste stoffelijke schepselen de sublieme heiligheid van de Schepper erkennen. Zo zal het gelovige Israël de aarde regeren en wij het heelal, inclusief de boodschappers en de hoge en hoogste op-hemelse hoogwaardigheidsbekleders. De stem van de vorst van de boodschappers Er is een aspect van de heerlijkheid van Christus, dat het verdient om extra aandacht aan te besteden: Voor onze wegrukking zal de Heer met de stem van een ‘vorst van de boodschappers’27 komen. Dan zal Hij de functie van boodschapper vervullen in de meest verheven betekenis, die men zich kan voorstellen. Hij had Zich aan de rechterhand van de goddelijke 26 Lammetje, Grieks: arnion, verkleinvorm van Lam. 27 NBG: aartsengel 75
Page 76
Majesteit in den hoge gezet en is zoveel machtiger28 geworden dan de boodschappers Hebr.1:3,4 Nu echter daalt Hij, de Heer Zelf, van de hemel af, om ons, de leden van Zijn lichaam, de lang verwachte boodschap te brengen, dat de dag van de vrijkoping van het ons toegeëigende lotdeel29 Efe.1:14 en het uur van onze verheerlijking gekomen is. Michaël is volgens Daniël 10:13; 12:1 één van de oversten (of vorsten), respectievelijk ‘de grote overste’ (of vorst) onder de hemelse boodschappers. Hoewel hij tot de hemelingen behoort, heeft hij hoofdzakelijk met het verbondsvolk Israël te maken. Maar als het om Zijn lichaam gaat, komt de Heer Zelf met het commando, waar ieder lid van dat lichaam gehoor aan zal geven. De stem van geen enkele andere boodschapper zou de volmacht en de kracht hebben om miljoenen ontslapenen in een ondeelbaar ogenblik op te wekken en samen met de levenden te veranderen, zodat dit thans nog verderfelijke onverderfelijkheid aandoet, en dit nu nog zo sterfelijke onsterfelijkheid 1Cor.15:52,53. In deze unieke functie overtreft de verheerlijkte Christus iedere andere vorst van de boodschappers. Door dit gebeuren worden wij voor de functies op ons toekomstige arbeidsterrein toegerust. Wij zullen het 28 Conc.Vert.: beter 29 NBG: erfenis, Grieks is klèros, lot, en klèronomia, lottoedeling. 76 onvergelijkelijke voorrecht hebben aan hen allen (zowel aan de hoogwaardigheidsbekleders als ook aan hun onderdanen) de alles overstijgende liefde en genade van God bekend te maken. Het woord van het kruis zal dan zichtbaar zijn aan ieder van ons, die de minste waren. In Gods plan van genade is dit ons grootste voorrecht; niemand anders zou beter de alles overstijgende rijkdom van Zijn genade in mildheid jegens ons in Christus Jezus kunnen laten zien. Wij, de laagste qua rang, zullen dan de eersten zijn, niet omwille van onszelf, maar omwille van de soevereiniteiten en volmachten en geestelijke machten met inbegrip van alle op-hemelse wezens en op-hemelse boodschappers, die nu nog boven ons staan, die dan echter via ons diep in het hart zullen kijken van Degene, Die er vurig naar verlangt, om ook in hen alles te worden, zoals Hij alles in ons is. Hem zij dank voor dit onuitsprekelijk rijke geschenk van Zijn genade! A.E. Knoch 77
Page 80
Zou God nu werkelijk ‘verrast zijn geworden’ door het eten van het eerste mensenpaar van de verboden vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad? Nam Hij het risico voor lief, dat daarmee het grootste deel van Zijn Schepping ‘voor eeuwig en altijd’ verloren zou gaan?
Of is alles wat er gebeurde met het eerste mensenpaar, onderdeel van een veel groter verlossingsplan, dat Hij uitvoert in tijdperken? 
Zou het kunnen zijn dat de mens kennis moest krijgen van de boom van kennis van goed en kwaad en dat onze grote God en Schepper daar een bedoeling mee had?
Er gaat toch immers niets buiten God om ...?
“Want uit Hem en door Hem en tot Hem is het al”, zoals Romeinen 11:36 zegt.

De bomen van dood en leven


Page 0
Page 4
Colofon Titel: De bomen van dood en leven © 2022 Ed van Brummen Alle rechten voorbehouden Uitgever: Stichting E-H Depot Nederland, Rotterdam Website: ebenhaezer.nl, concordante-publicaties.nl Verschijningsdatum: december 2022 Vormgeving & technische realisatie: Evangelie Om Niet In samenwerking met Mieke Tom Foto cover © Darek000 via Canva ISSN 2773-0824 NUR 707 INHOUD Goed en kwaad …………………………………………………………………….. 9 De dood ……………………………………………………………………………….. 9 Contrasten …………………………………………………………………………… 10 Besef …………………………………………………………………………………….. 13 Diepe dankbaarheid …………………………………………………………….. 16 Christus ………………………………………………………………………………… 17 Doelmissers…………………………………………………………………………… 18 Goddelijke liefde ………………………………………………………………….. 19 De opstap naar het volmaakte……………………………………………… 20 Van oud naar nieuw ..…………………………………………………………… 21 Een hoger doel …………………………………………………………………….. 21 Gods onthulling en openbaring …………………………………………… 23 De mens werd een sterveling ………………………………………………. 23 Het plan van God ………………………………………………………………… 25 Het absolute hoogtepunt ……………………………………………………. 26 Het alles overtreffende nieuwe …………………………………………… 28 Het beeld van de Hemelse ………………………………………………….. 29 De boom van het leven ……………………………………………………….. 31 Leven naar de geest …………………………………………………………….. 34 ‘Wettische visie’ op wat goed is en wat kwaad ……………………. 35 De gevolgen van ‘wettisch denken’ …………………………………….. 37 Genade echter! ……………………………………………………………………. 40 De eenheid bewaren ……………………………………………………………. 43 Bijlage: Goed en kwaad tegenover Gods mildheid ……………… 45 Bronvermelding ………………………………………………………………….. 48 Noten ………………………………………………………………………………….. 49
Page 10
De boom van het leven staat symbool voor het onvergankelijke Leven dat Christus geeft. De boom van kennis van goed en kwaad staat symbool voor de sterfelijke mens in zijn voortdurende worsteling tussen goed en kwaad. Doordat de eerste mens (Adam = mens) daarvan at, kreeg niet alleen hijzelf, maar ook ál zijn nakomelingen, kennis van zowel goed als kwaad! En deze kennismaking met goed en KWAAD, kon niet zonder gevolgen blijven, want mét deze kennis werd de mens sterveling. De kennis, en daarmee gepaard gaand de uitwerking in elk mensenleven van alles wat goed is en kwaad, had onvermijdelijk de dood tot gevolg. God had gezegd: ‘Als je van de boom van kennis van goed en kwaad eet, zul je sterven.’ Nou lijkt dit in eerste instantie een straf van God. Maar denk er eens goed over na: eigenlijk is het onvermijdelijk! Het kwaad dat gepaard gaat met de zonde met al zijn verschrikkelijke gevolgen, MOET wel eindigen in de dood. Het is goed dat er uiteindelijk aan de vreselijke gevolgen van het kwaad een einde komt. Dat is eigenlijk geen straf, maar juist genade van God. De mens die onsterfelijk zou zijn, zou immers voor altijd door blijven leven in een hel op aarde. De voortdurende strijd tussen wat de ene mens goed noemt en wat een ander kwaad noemt, zou altijd een schrijnende rol blijven spelen, zonder dat daar ooit een einde aan kwam. Contrasten De tegenstelling tussen wat goed en kwaad is, is het hoofdthema van de Bijbel. Het kwaad is duisternis, vijandschap, haat, leugen, onrecht, ziekte, droefheid, dood. Net als het goede al het tegenovergestelde omvat: licht, vriendschap, liefde, waarheid, rechtvaardigheid, gezondheid, blijdschap, leven. 10 Nou is het prima wanneer de mens naar ‘het goede’ streeft, maar zelfs het goede blijkt vooral een subjectieve keuze te zijn! Want wat de ene goed noemt, noemt de ander kwaad, en vice versa. Denk bijvoorbeeld aan de niet aflatende strijd tussen de Democraten en de Republikeinen in Amerika! Een voortdurende haatcampagne van beschuldigingen over en weer. Iedereen lijkt zijn eigen begrip te hebben over wat ‘het goede’ inhoudt en dat wat ‘het kwaad’ vertegenwoordigt. Elke menselijke formulering van wat onder ‘het goede’ valt, kan weersproken worden door anderen die dit juist als ‘het kwaad’ bestempelen. Religie bijvoorbeeld betekent voor de een het absolute goede, en voor de ander het absolute kwaad! Eigenlijk is het buiten de Schepper van hemel en aarde om, onmogelijk een juist begrip te krijgen van wat het werkelijk goede nou feitelijk inhoudt. Want het daadwerkelijke goede zou eigenlijk het kwaad in de wereld definitief moeten kunnen overwinnen. Alleen: als mens zijn wij daartoe niet in staat. Goed, we leven dus in een wereld met scherpe contrasten. Maar wat is nou het nut van deze contrasten, van deze tegenstellingen in het leven van de mens? Waarom heeft God dit zo toegelaten? Ofwel: waarom moesten wij kennis krijgen van goed en van kwaad? Had onze Schepper dit niet kunnen voorkomen? Zou ieder mens dan niet een veel beter leven hebben gehad? Je hoort het wel vaker: ‘Waarom is er zoveel ellende en verdriet in deze wereld? Waarom is er zoveel duisternis, zoveel haat, zoveel oorlog, zoveel lijden? Met alléén de kennis van het goede, waren we toch allemaal gelukkig geweest?’ De vraag is nu: zou het mogelijk zijn geweest het goede te leren kennen, buiten de kennis van het kwade om??? Zouden wij uiteindelijk echt gelukkig zijn geworden zonder kennis 11
Page 12
verkregen te hebben van de tegenstellingen … van wat het betekent om ook NIET gelukkig te zijn? En waarom wordt God Zelf, met absolute kennis van goed en kwaad, ‘de gelukkige God’1 genoemd? Ligt hierin al niet een aanwijzing? Ik denk zelf dat we zonder kennis (met de daarmee gepaard gaande ervaring) van het kwade, nooit kennis hadden genomen, van wat het échte, door onze Schepper bedoelde ‘goede’ inhoudt. Wij zouden op geen enkele manier ooit kennis hebben kunnen krijgen van het goede dat God voor ogen staat, en evenmin kunnen begrijpen wat het goede wérkelijk inhoudt. Bovendien zouden we het nooit op de juiste waarde kunnen inschatten. Simpelweg, omdat we dan nooit kennis hadden kunnen krijgen van wat het inhoudt een leven te leiden waarin niet het goede, maar ‘het kwaad’ een alles-overheersende rol speelt! We zouden geen enkele notie hebben gehad van het bestaan van een totaal ánder leven, waarin het NIET goed met ons gaat en het kwaad ons in het ongeluk zou storten. En wanneer we op geen enkele manier kennis zouden hebben genomen wat een leven inhoudt waarin we ook ongelukkig kunnen zijn, zouden we het begrip ‘gelukkig zijn’ helemaal nergens mee hebben kunnen vergelijken. Ons ‘geluk’ zou slechts oppervlakkig zijn geweest, omdat we geen enkele ervaring zouden hebben gehad van wat het betekent om ook ‘ongelukkig’ te zijn. Ik geloof dat God het échte, gelukkige leven wil geven aan al Zijn schepselen; maar dat we eerst in de diepste zin moeten gaan beseffen wat het is om ook ongelukkig te zijn, vervreemd van onze Schepper, en wat het betekent om ook het leven te kunnen verliezen ... 12 En die kennis verkrijgen wij alleen door een tijdlang een leven te leiden waarin we niet volkomen gelukkig zijn en waarin we in alle onvolkomenheid leven ... met alle verschrikkelijke gevolgen van dien. Het goede wordt pas écht ten volle als GOED ervaren en begrepen, door onze ervaring met het kwade. Het kwade is dus feitelijk noodzaak, om het goede werkelijk te leren kennen, en het ‘gelukkig zijn’ van God Zelf aan den lijve te gaan ondervinden. Besef Alleen God, de Schepper van hemel en aarde, kent het onderscheid tussen goed en kwaad. Hij kent namelijk de consequenties van wat het kwaad uiteindelijk zal aanrichten in de geschiedenis van de mens. Maar had God het dan niet bij een waarschuwing kunnen laten? Hij had ons toch kunnen confronteren met de verschrikkelijke gevolgen van een onjuiste keuze? Ik denk niet dat dat de juiste uitwerking zou hebben gehad: zonder de ervaring van een verkeerde keuze, zouden wij er niets van opgestoken hebben! En waarom niet? Gesteld dat je nog nooit ziek bent geweest. Je ziet en hoort allemaal verschrikkelijke verhalen over zieke mensen, maar in de diepste zin begrijp je niet waar zij het over hebben. Wat het in hun leven betekent. Pas wanneer een vreselijke ziekte jouzelf treft, begrijp je de verhalen van zieke mensen volkomen en weet je daadwerkelijk wat ziek-zijn inhoudt. Zo zou je ook tientallen boeken kunnen lezen van mensen die een dierbare hebben verloren, bijvoorbeeld een kind. Maar als je het zelf nooit hebt meegemaakt, blijft het voor jou alleen maar ‘theorie’. Pas wanneer je zelf met een dergelijk verlies te maken krijgt, kun je je daadwerkelijk inleven in wat de ander voelt en meemaakt. Zonder de praktijk werkt de theorie niets uit. 13
Page 14
Laten we de situatie in de Hof van Eden eens nader onder de loep nemen. Onze Schepper instrueert de mens in de Hof van Eden als volgt: ‘Je mag van alle bomen eten, maar wanneer je van de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad eet, zul je sterveling worden en doodgaan (letterlijk: stervende sterven).’ Gen.2:16-17 Laten we deze instructie van God, over het eten van de boom met deze ernstige gevolgen, eens nauwkeurig nagaan. God spreekt over: Kennis van goed en kwaad, met de dood als gevolg. Maar kon de eerste mens op dat moment al weten wat God daar nou precies mee bedoelde? Want deze kennis, en daarmee de gevolgen van deze kennis in de praktijk, zou hij pas verkrijgen nádat hij van deze boom gegeten had. Begrijp je de diepe waarheid die hierachter zit? Op dát moment in de Hof van Eden, had het eerste mensenpaar nog helemaal geen ervaring of kennis opgedaan van goed noch kwaad. Zij wisten absoluut niet wat het inhield om te sterven en dood te gaan, want deze ervaring kenden zij niet. Ze hadden nog geen kennis om te beseffen waar God over sprak. Zij zouden zonder deze opgedane kennis van goed en kwaad, nog heel lang in de paradijselijke toestand in de Hof van Eden door hebben kunnen leven. Alleen: zonder enige ervaring van dieptepunten … En dus ook zonder ervaring van hoogtepunten. In een vlak en egaal bestaan … en dus ook zonder diepe dankbaarheid. Ik schrijf bewust zonder dankbaarheid, want ze hadden ook nog geen enkele ervaring van wat het betekent om ondankbaar te zijn. En niet alleen zonder dankbaarheid, maar ook zonder echte vreugde, omdat zij nog niet konden weten wat het is om verdrietig te zijn. En dus ook zonder werkelijke vrede, omdat ze geen enkele notie hadden wat het betekende om in onvrede te leven. 14 In de Hof van Eden kwam het werkelijke besef van goed en kwaad, en later van sterven en doodgaan, pas nadat zij van de boom gegeten hadden. Klaarblijkelijk lag het dus al in Gods plan, in Zijn bedoeling, dat de mens kennis zou krijgen van goed en kwaad. Niet om een eind aan de mens te maken, maar om de mens uiteindelijk op een oneindig hoger niveau te tillen: van aards en vleselijk, naar hemels en geestelijk (daar kom ik later nog op terug). Het gaat om een niveau dat de mens zelf nooit had kunnen bereiken. Kennis die alleen God bezit, namelijk de kennis van goed en kwaad. Kennis die ons niet meteen het ultieme geluk gaat schenken, en zelfs onze ondergang betekent. Maar kennis die onze God ons wél zal schenken, als onderdeel van Zijn allesomvattende plan om eens Alles in allen te kunnen zijn! De ‘gelukkige God’ zal dan Alles zijn in een volmaakt ‘gelukkige’ schepping. En dat we dit alles als onderdeel van Zijn plan mogen vermoeden, kunnen we ook afleiden uit alle voorzorgsmaatregelen die God al van tevoren had getroffen: 1 Pet.1:18-20: “… vrijgekocht … met het kostbare bloed van Christus, als van een onberispelijk en vlekkeloos lam. Hij was van tevoren gekend, vóór de grondlegging der wereld, maar is bij het einde der tijden geopenbaard ter wille van jullie …” De eerste mens, in de hof van Eden, was dus nog totaal onwetend van goed en kwaad en sterven en doodgaan, en zonder kennis van goed en kwaad, zou hij ook onwetend zijn gebleven! Is dat de reden waarom God, de tegenstander – de slang2 – toestaat om, in de Hof van Eden, de mens te laten verleiden? Om via die weg kennis te krijgen van wat goed is en wat kwaad. En wat het betekent om het leven door sterven te verliezen. Maar wel met het doel, om uiteindelijk, juist via díe weg, het échte leven te vinden, in onsterfelijkheid en heerlijkheid?! 15
Page 16
Diepe dankbaarheid Nogmaals de vraag: Zou de mensheid echt gelukkig zijn geworden zonder de ervaring en kennis van goed en kwaad? Wanneer je het in het leven altijd alleen maar goed hebt gehad en het kwaad treft jou ineens keihard, besef je misschien pas voor het eerst hoe geweldig en heerlijk het was, om het goede in je leven te mogen genieten. Daarvoor, voor die duisternis in je leven kwam, hield je het voor ‘gewoon’, voor ‘normaal’, dat je het altijd goed had. Je had nergens gebrek aan! Maar hoe bijzonder dat was, besefte je niet omdat je dacht dat ‘het zo hoorde’. Er waren geen dieptepunten … en daardoor ook geen hoogtepunten. Je beseft niet hoe rijk je bent, totdat je alles verliest. Je vindt het eigenlijk heel normaal om gezond te zijn, totdat je gezondheid je flink in de steek laat. Pas dan besef je hoe dankbaar je kunt zijn met een goede gezondheid, waarin alles functioneert zoals het hoort. Vaak besef je niet hoeveel je hebt om van te genieten, totdat het van je afgenomen wordt. Zonder de contrasten, de tegenstellingen in ons leven, missen we de volle waardering. Missen we de echte voldoening, missen we de diepe dankbaarheid voor het leven. Maar hoe zit het dan in de toekomst? De tegenstellingen zullen er uiteindelijk toch niet meer zijn? Zijn ze dan niet meer nodig om te kunnen blijven waarderen wat je van God, de Vader, en van Jezus Christus hebt ontvangen? Daar wil ik nog graag op terugkomen, want er is namelijk nóg een boom. De boom van kennis van goed en kwaad, die de dood tot gevolg heeft, heeft gelukkig ook een tegenpool, namelijk de boom van het leven. 16 Christus De boom van het leven is de tegenpool van de boom van kennis van goed en kwaad, en daarmee ook de tegenpool van het stervensproces. Maar let nu goed op: het is geen “boom van het kwaad met de dood als gevolg” tegenover “de boom van het goede met het leven als gevolg”. Nee, het is “de boom van goed én kwaad”; als één boom, één begrip – het is één vrucht. Niet ‘een vrucht om kennis te krijgen van het goede’, en daar tegenover ‘een vrucht om kennis te krijgen van het kwaad’, alsof je tussen die twee zou kunnen kiezen. Nee, het goed en het kwaad is één en dezelfde vrucht en is niet los verkrijgbaar. Het staat symbool voor alles wat goed en kwaad is in deze wereld, gedurende de loop van de tijden! Door deze kennis leert de mens een onderscheid te maken van wat kwaad is, en daarmee ook wat goed is. Maar zelfs het goede is niet in staat om de mens te verlossen van zijn doodsvonnis. Want ieder mens heeft, buiten God om, alleen zichzelf tot maatstaf. En ieder individu, en elke groep gelijkgestemden, en elk land, en elke cultuur vult zelf in wat hij als ‘goed’ en wat hij als ‘kwaad’ beschouwt. De kennis die de mens verkrijgt tijdens zijn leven hier op aarde, is dus één pakket van goed én kwaad. En het onmiskenbare gevolg is: de dood. Want niet alleen zal het kwade onze dood betekenen, maar ook het relatief goede in deze wereld is niet in staat ons het leven te schenken. In de Hof van Eden stonden twee bijzondere bomen: de een die het leven schenkt, en de ander die ons de dood brengt. Het kwade en het goede, met al zijn tegenstellingen, zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, want niet alleen het kwaad, maar ook het goede eindigt in de dood. 17
Page 18
Al het goede in deze wereld zal namelijk nooit voldoende zijn om ons te bevrijden van de dood en van de zonde. “Er is niemand die het goede doet, zelfs niet één …” schrijft de apostel Paulus in Rom.3. (Zie bijlage: Goed en kwaad tegenover Gods mildheid) Tegenover de boom van goed en kwaad, staat dus de boom van het leven. En déze boom staat symbool voor het leven dat de Christus ons schenkt! Ieder mens heeft vanaf zijn geboorte te maken met de boom van kennis van goed en kwaad. Dat zijn in onze wereld de door mensen opgestelde normen en waarden, de wetten, de geboden en verboden, de regels en de eisen die we elkaar opleggen. En dat is goed, dat moet ook zo zijn, want zonder deze ethische waarden zou de wereld in chaos vervallen. Alleen één ding mag duidelijk zijn: het kwaad in deze wereld wordt niet overwonnen of tenietgedaan door het goede in de mens. Evenmin als zou het goede in deze wereld ons het leven voorbij de dood kunnen geven. Buiten Christus om – waar de boom van het leven symbool voor staat – is er geen leven dat de dood opheft. “Jezus Christus zei: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door Mij.’” Joh.14:6 Doelmissers Ondanks het kennen van goed en kwaad, hoe goed de mens daar ook mee om probeert te gaan, blijft de mens een zondaar – letterlijk: een ‘doelmisser’. Het goede en het beste van de wereld, zal de wereld niet verlossen van het kwaad, dat kan alleen door verlossing van Gods kant. Wat werkelijk goed is, dat kent de mens niet, want dat komt alleen en uitsluitend van God, onze hemelse Vader, en Jezus Christus, onze Heer. 18 Het kan slechts gekend worden door openbaring van Zijn kant. Het échte goede, dat wat God voor ons voor ogen heeft, leren we niet eerder kennen, dan door (symbolisch) te eten van de vrucht van de boom van het leven. Ofwel: wanneer we Christus leren kennen! Goddelijke liefde Er is een opvallend contrast tussen twee mensen in de Bijbel dat parallel loopt aan het contrast tussen de twee bomen. Die twee mensen zijn Adam en Christus. Deze twee mensen kunnen in hetzelfde rijtje van tegenstellingen worden geplaatst, als wat we al vonden bij de twee bomen. Christus wordt ook wel de laatste Adam genoemd. Het contrast tussen de eerste Adam en de laatste Adam (Adam = mens): Adam (de eerste mens): de boom van kennis van goed en kwaad, met de dood tot gevolg. Christus (de laatste mens): de boom van het leven, met onsterfelijkheid tot gevolg. Adam at van de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad en in hem al zijn nakomelingen. Dat bracht niet alleen Adam zelf, maar ook al zijn nakomelingen de dood. In Adam sterven allen. De boom van het leven staat symbool voor de Christus; in Christus zullen allen het leven ontvangen. 1Kor.15:22 De dood is noodzaak om een einde te maken aan de tegenstellingen tussen goed en kwaad en bereidt ons voor op het échte leven: het leven voorbij de dood! In Christus is de dood overwonnen en het kwaad, de zonde, definitief uitgeschakeld. 19
Page 20
De mens zelf kan het kwade niet ten goede keren en kan, buiten God en Christus om, zelf het leven niet vinden, laat staan verdienen. Het goede in de mens blijft nog altijd verweven met het kwaad. De wereld kan, tot op zekere hoogte, het goede najagen, maar het zal altijd tekortschieten wanneer we het leggen naast de volmaakte standaard van onze Schepper, waarbij het kwaad volledig uitgebannen zal zijn. Laten we als voorbeeld nemen de liefde van de mens: dat is in de meeste gevallen eigenliefde, doorgaans voorwaardelijke liefde en in heel veel gevallen gehuichelde of geveinsde liefde. De liefde van God daarentegen is onvoorwaardelijk. 1 Cor.13:1-13 Een liefde die van God Zelf afkomstig is en alleen Hij ons kan geven, en in ieder mens kan en zal uitwerken. De opstap naar het volmaakte Zo is er dus goed en kwaad in deze wereld, met daartegenover het Leven dat alleen God ons kan schenken. Kwaad en goed horen op dit moment nog in het leven van elk mens; hét Leven komt van God en Christus. Goed en kwaad staan tegenover het geschenk dat van God afkomstig is. Haat, maar zelfs de beste pogingen van de mens om lief te hebben, staan tegenover de volkomen onvoorwaardelijke liefde van God. Verloren zijn, maar ook elke poging van verlossing die de wereld ons denkt aan te kunnen reiken, staan lijnrecht tegenover de redding en de volkomen verzoening van God door Christus Jezus, Zijn Zoon. Onrecht, maar óók het recht in deze wereld, staat tegenover de volkomen rechtvaardiging die alleen van God afkomstig is. Sterfelijkheid hoort bij deze wereld en bij de mensheid in dit tijdperk en staat tegenover de onsterfelijkheid en de onvergankelijkheid. 20 De ervaring van goed en kwaad is gelukkig maar tijdelijk. Het hoort bij het onvolmaakte, maar het is wel noodzakelijk als de opstap naar het volmaakte. ‘Hét Goede’ dat alleen van God afkomstig is, zullen we tevergeefs zoeken in deze wereld van goed en kwaad, het hoort thuis in de volmaakte wereld van onze Schepper en van de Christus. En als we het over ‘volmaakt’ hebben, denken we aan: volkomenheid, onvoorwaardelijke liefde, Gods allesomvattende heerlijkheid, volkomen vreugde, dankbaarheid, een vrede die het verstand te boven gaat. Elke gelovige mag nu al, deze op genade gebaseerde rijkdom van onze grote God en Redder, erkennen en beleven. Van oud naar nieuw De eerste hoofdstukken in deze bookazine lieten al iets doorschemeren van het geweldige plan dat God in tijdperken zal uitwerken. Het ‘boze tijdperk’3 waarin wij nu leven, is slechts een tijdelijk onderdeel van het grote Plan dat onze God en Vader nu al uitwerkt in de gelovigen en straks, in de nog komende tijdperken, in heel Zijn schepping. Prijs God voor de unieke rijkdom, als je daar nu al uit mag leven. De dood, als resultaat van de kennis van goed en kwaad, heeft dan al geen macht meer over jou. Het oude, dat nog behoorde bij de kennis van goed en kwaad, is voorbij: het is alles nieuw geworden. 2 Cor.5:16 En wanneer uiteindelijk, aan het eind van de tijdperken4, de dood wordt opgeheven voor alles en iedereen, zal God Alles in allen worden, zoals Hij nu al Alles is in ons. Een hoger doel Eerder heb ik vooral de contrasten en tegenstellingen benadrukt, door goed te kijken waar de bomen symbool voor staan. Ze staan symbool 21
Page 22
voor al de tegenstellingen waar wij mensen, in deze wereld mee te maken hebben. En dat geldt zowel voor niet-gelovige mensen, alsook voor gelovige mensen. Ik wil graag nog enkele aspecten met je bekijken, omdat ik geloof dat deze bomen ons veel inzicht geven als het gaat om het plan van God met heel Zijn Schepping. Iedereen, niemand uitgezonderd, krijgt vanaf zijn geboorte te maken met ‘kennis van goed en kwaad’. Daarin is gelijk al een rijke les verborgen. De les dat ‘kennis van goed en kwaad’ ons mensen niets oplevert dan alleen maar strijd, lijden, ziekte en dood. Er is voortdurend strijd en onenigheid over de vraag: Wat is nu ‘goed’ en wat is nu ‘kwaad’. En iedereen beleeft dat en vult dit in op zijn eigen wijze. De eerste mens kreeg kennis van goed en kwaad zodra hij van de vrucht van de boom gegeten had en moest vervolgens de gevolgen dragen van deze opgedane kennis. Want God had gezegd: ‘Zodra je van die boom eet, zal je sterveling worden en uiteindelijk doodgaan (letterlijk: stervende sterven).’ Als nakomelingen van de eerste mens (Adam) hebben we allemaal, zij het indirect, van deze vrucht gegeten en zijn daardoor allemaal sterveling. Wat dat betreft is het ‘de boom van de dood’; wat uiteindelijk zal leiden tot het einde van de mens en van deze wereld. Maar dat betekent gelukkig niet het definitieve einde van de mens. De dood is een vijand, maar zal uiteindelijk als “laatste vijand” opgeheven worden. 1Kor.15:26 Daarmee is de dood niet een genadeloos einde van ons menselijk bestaan, maar eerder het genademiddel van God; opdat wij niet eindeloos door zouden leven met de gevolgen van de strijd tussen goed en kwaad. Via dood en opstanding komt God tot een hoger doel met de mensheid. 22 Namelijk: Van aards naar hemels; van ziels naar geestelijk; van onvolmaaktheid naar volmaaktheid; van dood naar onvergankelijk leven. Via ‘de kennis’ die de dood bracht, naar ‘de kennis’ die uiteindelijk aan allen het leven schenkt. Gods onthulling en openbaring Eigenlijk is alles, echt alles, in onze wereld gebaseerd op de basisprincipes van de kennis van goed en kwaad waar wij allemaal vanaf onze geboorte mee te maken krijgen. In de wereld lopen vriendschap en vijandschap, liefde en haat, waarheid en leugen, goed en kwaad, licht en duisternis, dwars door elkaar heen. Buiten Christus om, is er geen enkele mogelijkheid om de onontwarbare knoop van wat goed is en wat kwaad, van wat waarheid is en wat leugen, van wat licht is en wat duisternis, te ontwarren. Buiten Gods onthulling en openbaring vanuit Zijn Woord om, is het voor een mens onmogelijk iets te ontdekken van de onzichtbare wereld, van waaruit alles zijn oorsprong heeft. Gelovigen kunnen nú al te weten komen wat het leven inhoudt van het hogere en ideale plan wat God voor ogen staat met heel Zijn schepping. Gelovigen leren nú al om niet langer te leven naar de normen en waarden van deze wereld, of om mee te gaan in het goed en kwaad van de menselijke maatstaven. In Christus leven zij nu al in en uit genade. De mens werd een sterveling In het paradijs, de Hof van Eden, stonden twee bijzondere bomen. Laten we nog eens nader bekijken wat er nou precies gebeurde. 23
Page 24
Genesis 2:8-9: “De HEER God legde in het oosten, in Eden, een tuin aan en daarin plaatste Hij de mens die Hij had gemaakt. Hij liet uit de aarde allerlei bomen opschieten die er aanlokkelijk uitzagen, met heerlijke vruchten. In het midden van de tuin stonden de levensboom (letterlijk: de boom van het leven) en de boom van de kennis van goed en kwaad.” Genesis 2:16-17: “Hij legde hem het volgende verbod (NBG: gebod) op (letterlijk: God instrueerde de mens): ‘Van alle bomen in de tuin mag je eten, maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven.’” Nu is er één ding heel opvallend. In Genesis 2:25 lees je: “Beiden waren ze naakt, de mens en zijn vrouw, maar ze schaamden zich niet voor elkaar.” Maar zodra de mens van de boom van kennis van goed en kwaad gegeten heeft, komt er schaamte. Genesis 3:6: “De vrouw keek naar de boom. Zijn vruchten zagen er heerlijk uit, ze waren een lust voor het oog, en ze vond het aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou schenken. Ze plukte een paar vruchten en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en ook hij at ervan.” En na van de vrucht gegeten te hebben (vers 7): “Toen gingen hun de ogen open en merkten ze dat ze naakt waren. Daarom regen ze vijgenbladeren aan elkaar en maakten er lendenschorten van.” De opgedane kennis heeft schaamte en vrees tot gevolg en, uiteindelijk, de dood. “Toen de mens en zijn vrouw God, de HEER, in de koelte van de avondwind door de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor Hem tussen de bomen. Maar God, de HEER, riep de mens: ‘Waar ben je?’ Hij (de mens) antwoordde: ‘Ik hoorde U in de tuin en werd bang omdat ik naakt ben; daarom verborg ik me.’” Gen.3:8-10 24 Adam en Eva verborgen zich voor Hem toen ze geroepen werden. Daarna werden zij weggestuurd uit de Hof van Eden en werden zij niet meer in leven gehouden door de boom van het leven. De mens werd een sterveling. “Nu wil Ik voorkomen dat hij ook vruchten van de levensboom plukt, want als hij die zou eten, zou hij eeuwig leven. Daarom stuurde Hij de mens weg uit de tuin van Eden om de aarde te gaan bewerken, waaruit hij was genomen.” Gen.3:22b-23 Het plan van God Het algemene beeld onder bijna alle gelovigen is, dat het ‘fout’ is gegaan in het paradijs, de Hof van Eden. De mens is ongehoorzaam geworden door toch te eten van de verboden vrucht, met de dood als straf. Al het kwaad, alle zonden, al het lijden, alle tekortkomingen, ziekte en dood, hebben dan te maken met de overtreding van de eerste mens. ‘Het is totaal uit de hand gelopen ...’, geloven de meesten dan ook. En niemand minder dan de mens zelf is daar schuldig aan. Dan stuurt God Zijn Zoon om de wereld te redden. Al de zonde van de mensheid wordt op Hem geladen. Hij sterft aan het kruis en God wekt Hem op uit de dood. In Christus schenkt God nu vergeving, omdat ‘Hij de straf voor de mens gedragen heeft’. Hij is nu de Redder van de verloren mensheid. Maar alleen als je dit offer aanvaardt en gelooft, word je gered. Iedereen die dit niet gelooft, gaat onherroepelijk verloren. In de meest barmhartige vorm wordt diegene definitief vernietigd in de poel van vuur. In de meest barbaarse vorm straft God de verloren mens voor eeuwig en altijd in een pijniging in de hel, waar nooit meer een einde aan zal komen. Maar is dat nu écht het ‘volmaakte’ plan van God …? Probeert de Schepper van hemel en aarde werkelijk alleen maar ‘te 25
Page 26
redden wat er nog te redden valt’? Is er nu echt sprake van een paradijs dat verloren ging door de zonde van de mens en dat God uiteindelijk zal herstellen, ten koste van het grootste gedeelte van de mensheid die Hem nooit heeft erkend? De vraag is zelfs: Is dat Gods doel? Het herstellen van een verloren gegaan paradijs? Zou God nu werkelijk ‘verrast zijn geworden’ door het eten van het eerste mensenpaar van de verboden vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad? Nam Hij het risico voor lief, dat daarmee het grootste deel van Zijn Schepping ‘voor eeuwig en altijd’ verloren zou gaan? Of is alles wat er gebeurde met het eerste mensenpaar, onderdeel van een veel groter verlossingsplan, dat Hij uitvoert in tijdperken? Zou het kunnen zijn dat de mens kennis moest krijgen van de boom van kennis van goed en kwaad en dat onze grote God en Schepper daar een bedoeling mee had? Er gaat toch immers niets buiten God om ...? “Want uit Hem en door Hem en tot Hem is het al ”, zoals Romeinen 11:36 zegt. Het absolute hoogtepunt Denk eens mee over de volgende nuchtere feiten: Hoe zou de onervaren eerste mens, deze eerste overtreding hebben kunnen voorkomen?! Zoals al eerder vastgesteld konden de eerste mensen nog niet weten wat “kennis van goed en kwaad”, “sterveling worden” en “doodgaan” inhield. Zoals gezegd: ze waren nog totaal onwetend en kenden de consequenties niet. De boom was bovendien zeer begeerlijk. En hij stond ook nog eens op een opvallende plaats in het midden van de hof. Maar zelfs, ondanks al deze begeerlijke verleidingen, was het heel goed mogelijk dat zij waarschijnlijk niet van de boom zouden eten. 26 En dan gebeurt het volgende: God geeft de slang – de tegenstander, de duivel – alle ruimte om de mensen uiteindelijk zover te krijgen dat zij alsnóg van de boom zouden eten. En nogmaals ten overvloede: zij hadden geen ervaring op dit gebied, want de KENNIS van goed en kwaad verkregen zij pas, nádat zij van de boom gegeten hadden. Dat geeft wel aan dat het in die zin niet om een bewuste overtreding ging. Alles wijst erop dat het de bedoeling was dat de mens van die vrucht zou eten … zij konden namelijk nog niet begrijpen waar God over sprak. En pas toen zij van de boom gegeten hadden, bemerkten zij hun overtreding; bemerkten zij dat zij naakt waren, was er vrees voor God en wilden zij zich verbergen. En hoe ging die verleiding in zijn werk? “‘Jullie zullen helemaal niet sterven,’ zei de slang. ‘Integendeel, God weet dat jullie de ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, en dat jullie dan als God zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad.’” Gen.3:4-5 De slang verzweeg uiteraard bewust dat zij er dood aan zouden gaan; tenslotte is hij de grote leugenaar, Joh.8:44 een mensen-moordenaar. Maar was het nou onzin van de slang, te beweren dat zij “als God” zouden zijn in de kennis van goed en kwaad? Want in Genesis 3:22 zegt God Zelf: “Nu is de mens aan Ons gelijk geworden, nu heeft hij kennis van goed en kwaad.” Dat is opvallend. Na gegeten te hebben is de mens als één van Ons, zegt God, in de kennis van goed en kwaad. Maar natuurlijk is er nog een groot verschil, want alleen God, de Schepper van hemel en aarde, kent het onderscheid tussen wat goed is en wat kwaad. En vooral: Hij kent de consequenties van wat het kwaad uiteindelijk zal aanrichten in de geschiedenis van de mens. God is de Enige Die kan omgaan met goed en kwaad. Wij mensen hebben er wel kennis van gekregen na het eten van de boom 27
Page 28
van goed en kwaad, maar kunnen er absoluut niet mee omgaan. God is de Schepper van beiden: van goed én van kwaad. Jes.45:7 “Ik ben de Here, en er is geen ander, die het licht formeer en de duisternis schep, die het heil bewerk en het onheil schep (Schepper van kwaad); Ik, de Heer, doe dit alles.” Hij gebruikt beiden in Zijn plan, gedurende de tijdperken (de eonen4), om uiteindelijk te komen tot het absolute hoogtepunt van Zijn voornemen: dat Hij zal worden alles in allen. Het alles overtreffende nieuwe Alles lijkt erop te wijzen, dat het al in Gods bedoeling lag dat de mens kennis zou krijgen van goed en kwaad. Maar met welk doel? Niet om een eind te maken aan de mens, maar om de mens uiteindelijk op een oneindig hoger niveau te tillen, namelijk van aards naar hemels. Niet door de dood, door de kennis van goed en kwaad; maar door het leven, door de opstanding uit de doden. Niet via het oude leven, maar via het nieuwe door Christus geschonken leven. Let op de volgorde van wat Paulus aanhaalt in 1Kor 15:42, en denk daarbij ook aan de twee bomen: Er wordt gezaaid in oneer (Adam, de mens, kennis van goed en kwaad) en opgewekt in heerlijkheid (Christus, de Verlosser, het Leven) Er wordt gezaaid in zwakheid (Adam, de mens), en opgewekt in kracht. (Christus, de Verlosser) Er wordt een ziels lichaam gezaaid, (Adam) en een geestelijk lichaam opgewekt. (Christus) 28 Is er een ziels lichaam (waar wij als mensen uit bestaan: een lichaam dat door de ziel geregeerd wordt), dan bestaat er ook een geestelijk lichaam (een lichaam dat door de geest bestuurd wordt). Alzo, de eerste mens, (Adam), werd een levende ziel; De laatste Adam (Christus) een levendmakende geest. Maar het geestelijke komt niet eerst, maar het zielse, en daarna het geestelijke. 1Kor.15:46 Let op wat in vers 46 staat: Eerst het zielse, dáárna het geestelijke. Adam was niet geestelijk, maar ziels, stof, uit de aarde. God had hem een tijdelijke behuizing gegeven ... want hij zal ook weer tot stof vergaan. En de mens was door Hem al voorbereid op wat er stond te gebeuren wanneer hij zou sterven: “… stof ben je, tot stof keer je terug.” Gen.3:19b “Zoals de stoffelijke is (de aardse mens uit het stof van de aardbodem), zo zijn ook de stoffelijke mensen (al de nakomelingen van Adam), en zoals de Hemelse is (Christus), zo zijn ook de hemelse mensen. En zoals wij het beeld van de stoffelijke gedragen hebben, zo zullen wij ook het beeld van de Hemelse dragen.” 1Kor.15:48-49 [HSV] Het was alles Gods plan, ... dat weten we, omdat alle voorzorgsmaatregelen al waren getroffen: God zou Zijn zoon zenden om uiteindelijk Zijn hele schepping het leven te geven. Het beeld van de Hemelse Het doel van God is niet de zielse, stoffelijke, aardse mens, maar de geestelijke hemelse mens! Er is geen sprake van een herstel van het aardse paradijs, waar de zielse mens eerst al in leefde en stierf, om daar vervolgens weer in teruggeplaatst te worden. Nee, dat hoort allemaal bij het tijdelijke, het oude dat verloren moest gaan, om plaats te maken voor het alles overtreffende nieuwe. 29
Page 30
Zonder deze kennismaking met goed en kwaad, zou de mens geen enkel besef hebben gehad van Wie God werkelijk is. Een vlak en een grijs leven, zonder besef van hoogte- en dieptepunten, van verloren zijn en gered worden. Geen diep besef van ongelooflijke genade of van onvoorwaardelijke liefde, of van overvloeiende dankbaarheid. Pas wanneer God Alles in allen zal zijn, zullen allen met de kennis van God toegerust zijn in het kennen – net als God zelf – van goed en kwaad. Dan zal deze kennis niet meer ‘ons ten kwade’ zijn, maar alleen nog ‘ons ten goede’. Niet: ‘uit de hand gelopen ...’ Niet: ‘proberen te redden wat er nog te redden valt ...’ Geen ‘herstel van een aards paradijs’ dat sowieso geen enkele overlevingskans maakte … maar: “Zie, Ik maak alles nieuw!” Want alles is uit Hem, door Hem en tot (in) Hem. Het geestelijke, het onsterfelijke en onvergankelijke bereiken we via de weg van de vergankelijkheid. Via ‘kennis van goed en kwaad’, vanuit de dood naar het leven. In de weg van de tegenstellingen leren wij het ware leven en de waarachtige waardering voor al Gods werken kennen. Leren we goed en kwaad te verstaan op een manier die alleen aan God Zelf voorbehouden is en die Hij ons, gelovigen, nu al onthult. Nogmaals: er gaat niets fout. Alle voorzorgsmaatregelen waren al getroffen, vóór het eerste mensenpaar van de boom gegeten had. Lees bijvoorbeeld wat God al had voorbereid, vóór de mens zijn eerste overtreding begaat, in 1 Petrus 1:18-21. Vrijgekocht, met het kostbare bloed van Christus, als dat van een lam zonder smet of gebrek. Hij was van tevoren gekend, vóór de grondlegging van de wereld, vóór het eerste mensenpaar kennis kreeg van goed en kwaad, en daarmee sterveling werd. 30 Christus, tevoren gekend, maar in het laatste van de tijden, is Hij openbaar gemaakt omwille van u. En ook de roeping van de gemeente, als lichaam van Christus Ef.1:23; 1Kor.12:11-12, 27-28, vond daar al plaats. Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging van de wereld ... Ef.1:4 Over een plan gesproken ...! Hij heeft ons, de gelovigen, in Hem uitverkoren vóór de grondlegging van de wereld. Beseft u dat ...?? De boom van het leven Het Leven dat alleen God kan schenken verkrijgen we niet door goed te doen. Wie kent nu eigenlijk het daadwerkelijke verschil tussen wat goed is en wat kwaad? Want, zoals eerder aangehaald, dat onderscheid verschilt zelfs vaak per individu. En elke maatschappij, land en cultuur maakt zijn eigen keuzes. Ook elke religieuze of kerkelijke groepering of stroming. Enkele simpele voorbeelden: Regen is voor de ene mens een vloek (bijvoorbeeld in de vakantie); maar voor de ander een zegen (bijvoorbeeld voor de landbouw). Het is moord wanneer ik zomaar ergens een weiland in loop en met een mes een koe de keel doorsnijd – maar het is een weldaad wanneer een slager een koe de keel doorsnijdt en het vlees voor consumptie gebruikt. Het is een leugen wanneer ik mensen iets op de mouw speld om er zelf rijker van te worden – maar wanneer ik een onderduiker tijdens de oorlog daarmee zijn leven red, is het een weldaad. 31
Page 32
De hele mensheid maakt gebruik van het onderscheid tussen goed en kwaad. Maar wat voor de een goed is, kan voor de ander kwaad zijn. Het kappen van bomen in de regenwouden is een groot kwaad – maar voor degenen die daarvan moeten leven is het noodzaak, en dus voor henzelf een goede zaak, hoe dubieus ook ... Binnen gezinnen voeden we onze kinderen op om hen te leren wat goed is en wat kwaad ... Maar ook de opvoeding waarin kinderen te maken krijgen met goed en kwaad, kan per gezin enorm verschillen. Als je kerkelijk bent opgevoed, krijg je soms een heel pakket aan regels mee met wat goed voor je is en wat kwaad. Bijvoorbeeld: Op zondag mag je niet werken, want dat is een groot kwaad. Maar anderen zien daar helemaal geen kwaad in. Je mag geen t.v. in huis hebben, want daarmee haal je de duivel in huis. Het kaartspel is verboden, want dat is een spel van de duivel. Een lijst met muziek waar je absoluut niet naar moet luisteren, en boeken die je niet mag lezen, omdat er een kwade invloed van uitgaat ... En iedere kerkelijke gemeente stelt zijn eigen normen vast van wat zij goed achten en wat zij als kwaad zien. Door al die verschillende interpretaties over wat goed is en wat kwaad, komen we vaak lijnrecht tegenover elkaar te staan. Ik heb laatst een documentaire gezien die aantoonde waarom mensen zo tegenover elkaar kunnen komen te staan. Iedereen kiest partij voor dat wat hijzelf voor ‘waar’ houdt ... de ander is dan automatisch de tegenstander, de vijand, de leugenverspreider. Het was beangstigend om te zien hoe mensen elkaar voor rotte vis uit kunnen maken, omdat zijzelf geloven dat zij het goede aan hun kant hebben staan. Maar het kan ook anders: Het was verbazingwekkend om te zien dat twee partijen die elkaar niet konden uitstaan, de handen in elkaar sloegen, toen zij op een gegeven 32 moment een gemeenschappelijk doel bleken te hebben. Een onrecht wat zij beiden als onrecht zagen ... en beide partijen stonden ineens zij aan zij om dit onrecht gezamenlijk te bestrijden. Plotseling geen vijanden meer, maar vrienden. Zolang we uitgaan van de normen en waarden die voortkomen uit de kennis van goed en kwaad, benadrukken we doorgaans niet wat we als mensen gemeenschappelijk hebben, maar waarin we van elkaar verschillen – en zo komen we iedere keer weer tegenover elkaar te staan. Neem nu het onrecht: Partijen bestrijden meestal het onrecht wat ze bij de ander aantreffen! Die ander strijdt op zijn beurt weer terug vanwege het onrecht dat hen wordt aangedaan. In feite begaan beiden hetzelfde onrecht door de ander te bestrijden, alleen elk vanuit zijn eigen opvattingen en standpunten. Kennis van goed en kwaad leert ons feitelijk dat wij allemaal zondaars, en doelmissers, en sterveling zijn. En zo bestrijden we elkaar al net zo lang als de mensheid bestaat. Iedereen redeneert vanuit de kennis die hij tijdens zijn leven heeft opgedaan van wat goed is en wat als kwaad beschouwd moet worden. Elk oordeel en iedere veroordeling en strijd die gevoerd wordt, is vanuit de eigen overtuiging van wat zij geloven wat goed is en wat kwaad. En eigenlijk hebben kerken, evangelische kringen, en vele geloofsrichtingen daaraan stevig bijgedragen. Zeker zolang zij niet ten volle uitgingen van Christus als enige bron van het leven, maar de (boom van) kennis van goed en kwaad als uitgangspunt hadden. Niet het verschil tussen goed en kwaad zouden onze gedachten moeten beheersen en ons leven moeten bepalen, maar de Christus van het Leven. God beoordeelt ons niet op onze daden, goed of kwaad, om vervolgens daarop afgewezen te worden. Nee, Gods oordeel is gebaseerd op het 33
Page 34
werk van Christus ... en er is geen enkele veroordeling voor hen die in Christus zijn, zij leven niet meer naar het vlees (onder de kennis van goed en kwaad), maar naar de Geest ... onder Gods leiding. Rom.8:1-8 Uiteindelijk zal de hele Schepping tot dit inzicht komen, wanneer zij tot erkentenis van de waarheid zullen zijn gekomen. 1 Tim.2:4 Het échte goede – wat van God Zelf komt – leren we alleen kennen via het nieuwe leven dat Christus ons heeft gebracht. In deze erkenning laten we alles achter ons wat met de basisprincipes en de grondregels van deze wereld te maken heeft, in zijn vermeende kennis van goed en kwaad. Alléén in Christus vindt een mens het nieuwe leven: het volkomen, onvergankelijke leven, de volmaaktheid, Gods heerlijkheid, volkomen vreugde, dankbaarheid en vrede. Dat wil uiteraard niet zeggen dat wij onze kinderen niet alles proberen mee te geven over het grote verschil tussen wat goed is en wat kwaad. Ook zij staan in deze wereld en moeten leren om onderscheid te maken. Maar ook zij zullen daarin niet het leven zelf vinden. Daarom zal een gelovige als het goed is, zijn kinderen vooral willen leren wat het betekent om hét leven te leren kennen; om Christus te leren kennen. Want daarmee leren zij het Goede van God Zelf kennen. Leven naar de geest Wie kennismaakt met Christus, maakt kennis met een nieuwe mensheid, waarin ‘het oude’ volkomen heeft afgedaan. Bij de nieuwe mens in Christus, is de dood en het kwaad al overwonnen en speelt de zonde geen enkele rol meer. De wereld kan tot op zekere hoogte leren wat ‘het goede’ is, maar dat verbleekt wanneer je het legt naast het grote doel wat God met Zijn Schepping voor ogen heeft. Als je dat rijke Plan eenmaal gaat begrijpen, heb je steeds minder behoefte om nog deel te nemen aan de 34 voortdurende strijd tussen de mix van goed en kwaad die de wereld uit elkaar scheurt. Een strijd die mensen tegen elkaar op zet. Ook binnen kerken en christelijke gemeentes, die vanuit ditzelfde principe te werk gaan. De ervaring die wij opdoen met goed en kwaad is gelukkig maar tijdelijk. Het hoort nog bij het onvolmaakte, bij dat wat nog moet verdwijnen. Maar het is wel noodzaak, als opstap naar het volmaakte. God oordeelt de gelovigen, om gered te worden, niet naar hun werken van goed en kwaad. Zijn oordeel is gebaseerd op het werk van Christus en er is geen enkele veroordeling voor hen die in Christus zijn. Rom.8:1 Zij zijn “tezamen met Christus gestorven en opgestaan”. Daardoor leven zij niet meer “naar het vlees” (naar de oude mens, naar wat het gevolg is van de boom van goed en kwaad), maar zij leven “naar de geest”, onder Gods leiding. “Want waartoe de wet niet in staat was, machteloos als hij was door onze aardse natuur, dat heeft God tot stand gebracht. Vanwege de zonde heeft Hij zijn eigen Zoon als mens in dit zondige bestaan gestuurd; zo heeft Hij in dit bestaan met de zonde afgerekend, opdat alles wat de wet eist in ons tot vervulling wordt gebracht. Wij leven immers niet volgens aardse maatstaven (letterlijk: wandelen niet naar het vlees), maar volgens die van de Geest (maar naar de Geest).” Rom.8:2-4 ‘Wettische visie’ op wat goed is en wat kwaad Maar ook een gelovige kan dus onder de invloed staan van de grondregels en basisprincipes van deze wereld, onder invloed van de ethiek en de strijd tussen goed en kwaad. En deze invloed heeft consequenties voor zijn denken en zijn gedrag. Daar wil ik graag nog wat dieper op ingaan. 35
Page 36
De boom van kennis van goed en kwaad staat voor de ethiek van deze wereld. Ethiek (Grieks: èthos = norm), heeft alles te maken met normen en waarden, gebruiken en gewoonten, met keuzes tussen wat goed en wat kwaad is. Sinds het eten van de boom van kennis van goed en kwaad, moet de mens morele keuzes en afwegingen maken hoe hij zijn leven zal inrichten. Dat geldt voor de mens zelf, als individu, maar ook voor het gezin, of de leefgemeenschap, of het land en de maatschappij waarin hij leeft. Maar kijk om je heen in deze wereld en je ziet op alle terreinen dat de mensen niet steeds dichter naar elkaar toegroeien, maar steeds verder van elkaar af komen te staan. Alleen ‘gelijkgestemde mensen’ kunnen het nog redelijk tot goed met elkaar vinden. Zij beschouwen hun zienswijze, hun filosofie en hun kennis, doorgaans als ‘de enige juiste’ en komen daarmee tegenover de anderen te staan die deze zienswijze niet hebben, of zelfs afkeuren. De ethiek van de boom van kennis van goed en kwaad maakt wél onderscheid tussen goed en kwaad, maar iedereen heeft daar zijn eigen visie op, ook binnen de kerken en de christelijke gemeentes. Er is niet één algemeen geldende norm, waar elk mens zich in kan vinden, welke precies omschrijft wat ‘het goede’ is – en dat geldt ook voor het kwaad. Dat komt omdat wij zondaars zijn, doelmissers. De zonde uit zich in het kwade vaak net zo zeer als in het goede. Want het goede is vaak ‘wat ik zelf goed acht’, maar voor een ander hoeft dat niet hetzelfde te betekenen. Dat geldt net zo goed voor de godsdienstige ethiek. Godsdiensten staan vaak lijnrecht tegenover elkaar in wat de één als goed beschouwt en de ander als absoluut fout. Denk bijvoorbeeld aan een begrip als ‘alverzoening’. 36 En velen zien in de islam een bedreiging: een absoluut foute en gevaarlijke religie. Maar vraag het een aanhanger van de islam zelf, en hij zal de islam verdedigen als ‘de enige ware en juiste godsdienst’. Zelfs extremisten zien het kwaad niet in zichzelf, maar vooral in de ander. Zal het dan ooit met de wereld, met de mensheid, goed komen? Een ideale wereld, een wereld waarin iedereen in vrede, en onder uitstekende omstandigheden, met elkaar kan leven? Onder de kennis die wij als mensheid opdoen vanuit de boom van kennis van goed en kwaad: absoluut niet! We komen alleen maar steeds verder van elkaar te staan. Iedereen vanuit zijn eigen ethiek. Maar ook christelijke ethiek – vaak ‘wetticisme’ genoemd – zet mensen niet naast elkaar, maar tegenover elkaar. Simpelweg omdat zij van dezelfde basis uitgaat: het onderscheid maken tussen goed en kwaad, met het eigen ‘goed’ als uitgangspunt. Weliswaar met kennis vanuit Gods Woord, maar bij wetticisme zie je exact dezelfde resultaten als wat je in de wereld tegenkomt in het oordelen van de ander en, nog vaker, veroordelen wanneer het niet overeenstemt met ‘de eigen wettische visie’ op wat goed is en wat kwaad. Als we niet oppassen, doen we daar allemaal aan mee. Wanneer ik kijk naar mijn eigen leven, oordeel en veroordeel ik soms net zozeer andere mensen. Ik vind dat heel erg, maar je ontkomt er niet altijd aan. Zeker niet wanneer je zelf er van overtuigd bent dat je het bij het rechte eind hebt, en de visie van de ander op dit gebied veroordeelt. De gevolgen van ‘wettisch denken’ ‘Zoals ík het zie is het goed ... en als de ánder daarin niet kan meekomen, zit hij fout.’ 37
Page 38
Het is een foutief denken in het leven van een gelovige, als overblijfsel van het beoordelen van de ander vanuit de kennis van de boom van goed en kwaad. Als je niet oppast heb je overal wel een oordeel over, en veroordeel je van alles en iedereen zodra het naar jouw mening ‘niet juist is’ wat de ander doet, of zegt, of gelooft. Je hebt een oordeel over bijvoorbeeld grote wereldleiders; over de zwarte-pieten-discussie; over de corona-maatregelen van de regering, enzovoorts. ‘Natuurlijk is het goed om je te laten vaccineren’ – en je veroordeelt iemand die daar heel laconiek mee omgaat. ‘Het is onzin om je te laten vaccineren’ – en je veroordeelt iedereen die zich daar zo druk om maakt. Maar ook in de zwarte-pieten-discussie zie je hoeveel stof dat doet opwaaien en hoe erg we daarin tegenover elkaar kunnen komen te staan. Wat zijn de gevolgen van ‘wettisch denken’? Liegen is niet goed, dat zal elke gelovige erkennen … maar wát als je daarmee een onderduiker in de oorlog het leven redt? Komen we dan in gewetensnood omdat ‘wij niet mogen liegen’? Mijn vader was buschauffeur en moest vaak op zondag diensten draaien. Daar had hij soms moeite mee, omdat je volgens de uitleg van de kerk op zondag niet mocht werken. Al deze kwesties hebben als uitgangspunt de ethiek, de normen en waarden van wat goed is en wat kwaad. Vastgelegd in soms keiharde regels. Maar ook in een wettische geloofsbelijdenis, met de bedoeling dat wij ons daaraan moeten houden, omdat ‘God dit van ons zou vragen’. Maar het is en blijft de strijd tussen wat goed is en kwaad. De boom die wij als gelovigen niet meer als uitgangspunt zouden moeten nemen … 38 Het is voor heel veel gelovigen, helaas, de basis en het vastomlijnde uitgangspunt om uit te maken wat goed is en wat kwaad is. En hoe je je aan de regels, of wetten – vastgelegd in wat wél en wat níet mag – moet houden, om God ‘op de enige en juiste manier te dienen’. Men gaat daarbij uit van Gods wet, als leefregel voor gelovigen. Maar wanneer Gods wet gelegd wordt op de natuurlijke mens (op zijn vlees), is het onmogelijk voor hem om te leven naar wat God wil: het goede, het welgevallige en wat volkomen is. Rom.7:14,15; Rom.12:2 Dit is alléén mogelijk vanuit de ‘nieuwe, uit God geboren’ mens, geleid door Gods Geest. Je houden aan Gods wet om van daaruit rechtvaardig proberen te leven, noem je ‘wetticisme’. Vanuit het wetticisme probeer je als gelovigen, net als niet-gelovigen, de ander lief te hebben ‘omdat het moet’, want het is de opdracht vanuit de Bijbel om lief te hebben. De vraag is, kunnen we sowieso daadwerkelijk liefhebben, zoals God liefheeft? Laat staan als we uitgaan van een gebod om je naaste lief te hebben? Of neem gehoorzaamheid. Natuurlijk lukt mij dat niet, om vanuit een gebod, altijd te gehoorzamen, nederig te zijn, de ander uitnemender te achten … Je probeert de hele dag om ‘Gods wil te doen’ en om zo trouw mogelijk al Zijn geboden en verboden na te leven. En je ziet er nauwlettend op toe of ánderen zich daar ook nauwgezet aan houden, of ze ‘de regels’ niet overtreden. Want, mocht daar sprake van zijn, dan zul je de ander daar tóch, in liefde uiteraard, op moeten wijzen. Je probeert, en probeert … maar het kwaad en die akelige duivel en dat zwakke vlees is altijd aanwezig. Het goede gaat voortdurend gepaard met het kwade en we nemen vaak beslissingen vanuit onzuivere motieven. De ene keer voel je je ‘meer dan overwinnaar’ en de andere keer ‘een hopeloze verliezer’. 39
Page 40
En dat is nou precies wat de boom van kennis van goed en kwaad in mensen uitwerkt. Besef: Je gaat om God te behagen van de verkeerde boom uit! Want als je eerlijk bent, bak je er helemaal niks van en je voelt je voortdurend schuldig. Ja, binnen een groep gelijkgezinden kun je jezelf nog vergelijken met anderen en je afzetten tegen mensen die er nóg minder van bakken dan jij. Maar feitelijk ga je gebukt onder je dagelijkse tekortkomingen en zonden. Om nog maar niet te spreken van je strijd tegen het kwaad, de duivel en je begeerten. Je gaat uit van geboden en verboden die op de natuurlijke mens gelegd worden. De oude natuurlijke mens (het leven vanuit het ‘vlees’, zoals Gods Woord dat noemt) is absoluut niet in staat om te leven naar wetten die op de ‘oude’ mens gelegd worden. De wet van God is niet bedoeld om van ons een beter mens te maken, maar om ons te laten ontdekken dat we vanuit ons vlees zondaars (doelmissers) zijn. “Daarom geldt geen mens voor Hem als rechtvaardig door de wet na te leven, want juist de wet leert ons de zonde kennen.” Rom.3:20 “Moeten we nu vaststellen dat de wet hetzelfde is als de zonde? Absoluut niet, ik ben me echter pas door de wet bewust geworden van de zonde …” Rom.7:7 Genade echter! In jouw vleselijke pogingen ‘het kwade te overwinnen’ en ‘het goede te doen’, verschil je in níets van een niet-gelovige in deze wereld, die vanuit zijn vleselijke pogingen hetzelfde nastreeft. Ook zijn uitgangspunt is de wetten, normen en waarden van de boom die ons kennis moet geven van goed en kwaad. 40 Al deze ‘pogingen’ – zowel van de niet-gelovige mens in deze wereld, als van de gelovige mens die van dezelfde principes uitgaat – zijn gedoemd te mislukken. Dat komt omdat we niet het leven, in Christus Jezus aan ons gegeven, als uitgangspunt nemen, maar de regels ‘om zélf zover te komen’. In Romeinen 7 spreekt Paulus over dit dilemma. Het hoofdstuk is een studie waard, maar ik zal proberen het kort samen te vatten: De wet leert ons wat goed en fout is. Maar de wet is niet in staat ons te bevrijden of ons te rechtvaardigen. Zodat wij uiteindelijk niet het leven vinden, maar “voor de dood vrucht dragen”. De wet hield ons gevangen, zegt Paulus; ze kan ons niet bevrijden van de zonde en van de dood. Maar nu zijn wij van de wet ontslagen en “dienen in nieuwheid van geest” en niet “in oudheid van letter”. Is de wet dan zonde? Volstrekt niet, de wet zelf is heilig, rechtvaardig en goed. Het ligt niet aan de wet, maar aan onszelf dat zij ons niet kan verlossen en rechtvaardigen. De wet, als Gods wil, is geestelijk, maar wij mensen zijn vlees, verkocht onder de zonde. Door de wet word ik me bewust van zondige begeerten. Zij wijst mij op wat ik ben: een doelmisser. De wet leidt niet tot leven, maar tot de dood. Zij maakt mij bewust dat ik een zondaar ben, maar biedt geen oplossing. “Wie zal mij, ongelukkig mens, redden uit dit bestaan dat beheerst wordt door de dood? God zij gedankt, die ons redt door Jezus Christus, onze Heer.” Rom.7:24-25 Wie of wat zal ons bergen uit het lichaam van de dood (wat de boom van kennis van goed en kwaad ons heeft gebracht)? 41
Page 42
Genade, door Jezus Christus onze Heer ... (het Leven). God zij dank door Jezus Christus onze Heer! Buiten de bron van het leven om is er geen verlossing. In Christus rekent God niet meer met de zonde. In Christus rekent God niet meer met de dood. In Christus rekent God niet meer met ons falen. In Christus hoef je niet langer meer gebukt te gaan onder je dagelijkse zonden, omdat ze voor God niet meer bestaan. Prachtig, zoals het er staat in de volgende teksten: “Maar God bewijst ons zijn liefde, doordat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren.” Rom.5:8 “Werden we in de tijd dat we nog Gods vijanden waren al met Hem verzoend door de dood van zijn Zoon, des te zekerder is het dat wij, nu we met Hem zijn verzoend, gered zullen worden door diens leven.” Rom.5:10 “Betekent dit nu dat we moeten blijven zondigen om de genade te laten toenemen? Dat in geen geval. Hoe zouden wij, die dood zijn voor de zonde, nog in zonde kunnen leven?” Rom.6:1-2 Al horen we zijn kettingen vaak nog rammelen en kunnen we het af en toe niet laten ons daardoor te laten intimideren … in Christus hoeven we niet meer te strijden tegen de duivel, omdat de tegenstander al verslagen is! Dat wil niet zeggen dat gelovigen geen aanvallen meer kunnen verwachten. In Ef.6 geeft de apostel Paulus een uitgebreide beschrijving hoe we kunnen blijven staan, en de aanvallen kunnen weerstaan door de hele wapenrusting van God aan te doen. 42 De eenheid bewaren De ethiek – voor ons als gelovigen: het wetticisme – drijft ons alleen maar steeds verder uit elkaar. En denk niet dat ons dat niet kan overkomen … we hebben allemaal al snel onze mening klaar over wat goed is en wat slecht voor ons is. Het wetticisme ligt ten grondslag aan de boom van kennis van goed en kwaad, en heeft dezelfde uitwerking als de principes waar de nietgelovige wereld van uitgaat. Ik denk bijvoorbeeld aan het programma ‘Het Lagerhuis’, vroeger op televisie. Een goed voorbeeld van meningen over allerlei onderwerpen, waarin ieder zijn eigen zegje mocht doen en mensen doorgaans lijnrecht tegenover elkaar stonden. Wat voor de één goed is, is voor de ander kwaad; en wat voor de één kwaad is, is voor de ander goed. Het enige dat ons in dat geval ‘verenigt’, is de mening van mensen of groepen die overeenkomt met onze eigen mening. En zelfs dát kan vaak nog frictie geven, zeker als het gaat om details. Is de ethiek een middel om als gelovigen tot eenheid te komen? Absoluut niet. Het drijft ons alleen maar steeds verder uit elkaar. Ons leven en onze eenheid is Christus ... niets meer en niets minder. Wij zouden slechts één ding doen: “Span u in om door de samenbindende kracht van de vrede de eenheid te bewaren die de Geest u geeft …” Ef.4:3 Letterlijk: “… je beijverend de eenheid van de geest te bewaren in de band van de vrede …” [NCV] Dat mag ons uitgangspunt zijn; met elkaar, met mede-gelovigen, met andersdenkenden. We zouden de eenheid niet zoeken, of forceren, maar bewaren. Ervan uitgaan dat we in Christus al één zijn. 43
Page 44
Iedere gelovige, ook de eigengereide en eigenwijze gelovige, leeft uit genade en genade alléén. Onder Gods genade is niemand minder en niemand meer. Er is “één God en Vader van allen, Die boven allen, door allen en in allen is”. Ef.4:6 Uiteindelijk zal elke knie – ook die van alle wereldleiders – zich buigen. En elke tong zal (letterlijk) “van harte belijden” dat alleen Jezus Heer is, tot eer van God de Vader. Fil.2:10-11 Als we ons dát bewust zijn, zullen we dan nog blijven oordelen en veroordelen? Onze plaats, onze positie is in Christus, gesymboliseerd in de boom van het leven. Dat is onze vrede, onze vreugde en daar ligt onze dankbaarheid. Dáár ligt onze eenheid als gelovigen (in Christus). Daar is geen oordeel of veroordeling, alles in allen is Christus. 44 Bijlage: Goed en kwaad tegenover Gods mildheid Goed en kwaad heeft uiteraard niet alleen met de wereld te maken die zonder God leeft, maar ook met ons, als gelovigen die Christus Jezus hebben leren kennen. Maar wat de gelovigen betreft: Er is wel een groot onderscheid tussen ‘goed doen’ vanuit het vlees (de oude mens met de werken van het vlees, zoals we kunnen lezen in Gal.5), en het ‘goed doen’ door de werking van Gods Geest in ons leven. “Laat je niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.” Rom.12:21 Al dit soort aanwijzingen en vermaningen worden niet ‘wettisch’ door de apostel op de gelovigen gelegd, maar hebben als basis het onderwijs over wie wij, als gelovigen, zijn in Christus. Het overwinnen van het kwade door5 het goede is dan ook niet vanuit de ‘oude’ mens die wij waren in Adam (de eerste mens), maar vanuit de ‘nieuwe’ mens die wij zijn geworden in Christus. Het is een vrucht van de Geest. Gal.5:22 Luc.12 spreekt duidelijk over het ‘goed doen’ vanuit het vlees: - Liefhebben wie jou liefhebben - Goeddoen wie jou goeddoen - Lenen om terug te ontvangen Dat is het liefhebben vanuit de grondbeginselen van deze wereld; de boom van kennis van goed en kwaad. Daar tegenover staan de werken die God in de gelovigen wil uitwerken: Je vijand liefhebben; vurige kolen op iemands hoofd stapelen; in het geheel niet oordelen; de ander uitnemender achten dan jezelf; geen kwaad met kwaad vergelden; niet eigenwijs zijn; het kwaad niet toerekenen, enzovoort. 45
Page 46
“Wij, de sterken, moeten de zwakken in hun kwetsbaarheid bijstaan en niet ons eigen belang vooropzetten.” Rom.15:1 Dit zijn allemaal ‘goede werken’ die ‘de ander’ op het oog hebben; zoals God geen onderscheid maakt tussen de ene mens en de ander. In Rom.7 (al eerder geciteerd) redeneert Paulus niet vanuit Gods Geest in zijn leven, die hem het goede laat doen; maar vanuit zijn ‘oude mens’, vanuit zijn ‘vlees’, waarin het ‘goede’ niet aanwezig is Rom.7:18, dat God niet kan behagen. De wil is dan wel aanwezig, en tóch doe je het kwade. Waardoor? Door de inwonende zonde. Rom.7:17,20 Hij leefde in een lichaam dat aan de dood onderhevig is. Wat kan een mens die daaronder gebukt gaat dan nog redden? Genade! Genade door Jezus Christus onze Heer! Rom.7:24 “Er is geen mens rechtvaardig, zelfs niet één, er is geen mens verstandig, er is geen mens die God zoekt. Allen zijn afgedwaald, allen ontaard. Er is geen mens die het goede doet, zelfs niet één.” Rom.3:10-12 Maar er zijn toch zeker ook ongelovige mensen die goed doen? Natuurlijk! Alleen zijn er meerdere Griekse woorden voor ‘goed’ in de Bijbel: Twee woorden (agathos en kalos) die je kunt vertalen met ‘goed’, en zelfs met ‘uitstekend’. Maar het Griekse woord dat in deze laatste tekst gebruikt wordt voor het goede is een ander Grieks woord (krestotes), dat eigenlijk vertaald zou kunnen worden met ‘goedertierenheid’, ‘vriendelijkheid’, ‘mildheid’. Deze uitdrukking wordt alleen voor God gebruikt (!) en voor hen die in Christus zijn. Vergelijk Rom.2:4, 3:12, 11:22, 2 Kor.6:6, Gal.5:22, Ef.2:7, Kol.3:12, Tit.3:4 Het gaat in vers 12 dan ook niet over een gelovige in Christus, maar over de ‘natuurlijke’ mens. Hij kent niet de ‘mildheid of goedertierenheid’ van God, en dus ook niet voor zijn naaste. 46 Maar uiteraard speelt het goede, uitstekende een rol in ons leven als gelovigen in Christus. Het wordt vaak gezet als tegenhanger van het kwade. Rom.12:2 Door ons nieuw en getransformeerde denken, kunnen we in de praktijk van ons leven de wil van God voor ons leven toetsen in het goede, het welgevallige en volmaakte (dit laatste heeft met onze groei naar volwassenheid te maken). Rom.16:19 Laten we niet alleen maar wijs zijn om het goede te doen, maar ook onbesmet blijven van het kwaad. Mat.7:17 Aan de vruchten ken je de boom! Aan de vruchten kun je het onderscheid zien tussen wat uit de wereld is, en wat uit God is. Iedere goede boom levert uitstekende vruchten; iedere rotte boom levert slechte vruchten. Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, noch een rotte boom uitstekende vruchten leveren. Ef.2:10 Wij zijn geschapen in Christus Jezus voor goede werken, die God tevoren gereed gemaakt heeft, opdat wij daarin wandelen. Ef.4:28 Laat wie steelt niet meer stelen, maar laat hij zich veeleer inspannen om met zijn handen het goede te verrichten, om te delen met wie dat nodig heeft … Geen bedorven woorden, maar een goed woord, voor de nodige opbouw, opdat het genade geeft aan wie het horen … laat al het kwade van jullie worden weggenomen! Ef.6:8 … Wetend dat ieder, wanneer hij het goede doet, dit zal terugontvangen van de Heer. 47
Page 48
1 Thes.5:15 Ziet toe, dat niemand kwaad met kwaad vergeldt aan iemand, maar jaag altijd het goede na, zowel voor elkaar, als voor allen. 2 Tim.3:17 Opdat de mens van God toegerust is, tot ieder goed werk volkomen toegerust. 1 Pet.3:11 … Laat hij dan kwaad mijden en goed doen … 3 Joh.1:11 … Volg het kwade niet na, maar het goede. Wie goed doet is uit God, wie kwaad doet heeft God niet gezien! Bronvermelding Brummen van, E. (2020). De bomen van dood en leven 1. Eben-Haëzer, https://www.ebenhaezer.nl/2020/08/02/zondagsdienst-2-8-2020/ Brummen van, E. (2020). De bomen van dood en leven 2. Eben-Haëzer, https://www.ebenhaezer.nl/2020/11/08/zondagsdienst-8-11-2020/ Haan de, Hein (z.d.). Boom vol normen en waarden. Voormalige website: http://www.overvloeiendegenade.nl 48 Noten 1 “… volgens het evangelie der heerlijkheid van de gelukkige God, dat mij is toevertrouwd.” 1Tim.1:11 [TELOS-vertaling] 2 “De grote draak werd op de aarde gegooid. Hij is de slang van weleer, die duivel of Satan wordt genoemd en die de hele wereld misleidt.” Op.12:9b 3 Het ‘boze tijdperk’, Galaten 1:4, wordt in vertalingen meestal weergegeven met “de tegenwoordige boze, of slechte wereld”. 4 Eon (tijdperk), Grieks: aiōn. Net zoals een uur of een dag een bepaalde periode van tijd is, zo is in de Bijbel ook een ‘eon’ een periode van tijd. Bij ‘eonen’ gaat het dan om de langste tijdsperiodes die bekend zijn. 5 Letterlijk staat hier het woordje “in”; “… overwin het kwade in het goede.” Zoals aangegeven op pagina 18: “het kwaad in deze wereld wordt niet overwonnen of tenietgedaan door het goede in de mens”. Het gebeurt vanuit de positie van de nieuwe mens die wij in Christus zijn geworden. 49
Page 52
De Schepper heeft besloten om “alle dingen” (elk schepsel) met zich te verzoenen (Kol.1:20), de zonden van de “hele wereld” te bedekken (1 Joh.2:2) en zijn Zoon te geven tot “een losprijs voor allen” (1 Tim.2:6). 

Er zal eens vrede heersen in de hele schepping. Van doelmissen of falen, gebreken of tekortkomingen zal er niet langer sprake zijn. Vruchteloosheid en vergankelijkheid zullen door heerlijkheid, kracht en onvergankelijkheid worden vervangen.

“Verzoening” in de Bijbel


Page 0
Page 4
Colofon Titel: “Verzoening” in de Bijbel © 2022 Aren van Waarde, https://bijbelsdenken.eu/ Alle rechten voorbehouden Eerste druk: november 2022 Uitgever: Evangelie Om Niet, Papendrecht Vormgeving: EON, evangelieomniet.nl Foto cover © Stockbyte via Canva Technische realisatie: Cora Sanders, Schrijverspunt ISBN 978-94-6266-625-2 NUR 707 INHOUD Deel 1: Woorden en hun betekenis7 “Verzoening” in het NT ................................................... 9 Katallassoo, apokatallassoo en katallagè ...................... 17 Kopher en kapporeth ......................................................25 Kaphar ............................................................................ 33 Kaphar en hilaskomai .................................................... 39 Lutron en luoo ............................................................... 47 Apolutroosis .................................................................... 53 (Ex)agorazoo .................................................................. 61 Samenvatting en conclusie ........................................... 67 Deel 2: Wat gebeurde er aan het kruis?69 Ultiem bewijs van Gods liefde ....................................... 71 Dieptepunt van menselijke vijandschap ...................... 79 Deel 3: Plaatsvervanging?87 Lijden – van de Messias en van ons .............................. 89 Offers vervangen de offeraar niet ................................. 99 Deel 4: Christus en God113 Christus als Hogepriester .............................................. 115 Christus als Gods Beeld ................................................ 129 Deel 5: Gods gerechtigheid135 Gerechtigheid tonen .................................................... 137 Rechtvaardiging ten leven ........................................... 163 Levendmaking .............................................................. 185 Deel 6: De reikwijdte van Gods heilsplan199 Gods werk is volmaakt ................................................. 201 Deel 7: Om verder te lezen213 Boeken en artikelen ..................................................... 215 5
Page 10
“Maar de gehuwden beveel ik – niet ik, maar de Heere – dat een vrouw niet zal scheiden van haar man, en als zij toch gaat scheiden, moet zij ongehuwd blijven of zich met haar man verzoenen – en dat een man zijn vrouw niet zal verlaten” (1 Korinthe 7:10-11) “Daarom, als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, alles is nieuw geworden. En dit alles is uit God, die ons met zichzelf verzoend heeft door Jezus Christus, en ons de bediening van de verzoening gegeven heeft. God was het namelijk die in Christus de wereld met zichzelf verzoende, en aan hen hun overtredingen niet toerekende; en Hij heeft het woord van de verzoening in ons gelegd. Wij zijn dan gezanten namens Christus, alsof God zelf door ons smeekt. Namens Christus smeken wij: laat u met God verzoenen” (2 Korinthe 5:17-20) Apokatallassoo komt drie maal voor (steeds met God als de handelende Persoon) en is altijd met “verzoenen” weergegeven: “Maar nu, in Christus Jezus, bent u, die voorheen veraf was, door het bloed van Christus dichtbij gekomen. Want Hij is onze vrede, die beiden [Jood en heiden] één gemaakt heeft. En door de tussenmuur, die scheiding maakte, af te breken, heeft Hij de vijandschap in zijn vlees te niet gedaan, namelijk de wet van de geboden, die uit bepalingen bestond, opdat Hij die twee in zichzelf tot één nieuwe mens zou scheppen en zo vrede zou maken, en opdat Hij die beiden in één lichaam met God zou verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft” (Efeze 2:13-16) “Want het heeft de Vader behaagd dat in Hem heel de volheid wonen zou, en dat Hij door Hem alle dingen met zichzelf verzoenen zou, door vrede te maken door het bloed van zijn kruis, ja door hem, zowel de dingen die op de aarde zijn als de dingen die in de hemelen zijn” (Kolossenzen 1:19-20) 10 “En Hij heeft u, die voorheen vervreemd was en vijandig gezind, zoals bleek uit uw slechte daden, nu ook verzoend, in het lichaam van zijn vlees, door de dood, om u heilig en smetteloos en onberispelijk voor zich te plaatsen, als u tenminste in het geloof blijft, gefundeerd en vast, en u niet laat afbrengen van de hoop van het evangelie, dat u gehoord hebt” (Kolossenzen 1:2123) Het zelfstandig naamwoord katallagè komt vier maal voor en is altijd vertaald met “verzoening”: “Wij roemen ook in God, door onze Heere Jezus Christus, door wie wij nu de verzoening ontvangen hebben” (Romeinen 5:11) “Want als hun verwerping [= de verwerping van Christus door Israël] verzoening voor de wereld betekent, wat betekent dan hun aanneming anders dan leven uit de doden?” (Romeinen 11:15) “…en ons de bediening van de verzoening gegeven heeft…” (2 Korinthe 5:18) “en Hij heeft het woord van de verzoening in ons gelegd” (2 Korinthe 5:19) Groep 2 De tweede groep is afgeleid van de stam “hilasmos”. Deze groep bevat één werkwoord (hilaskomai) en twee zelfstandige naamwoorden (hilasmos en hilasterion). Het werkwoord wordt in het NT tweemaal gebruikt, maar is slechts éénmaal met “verzoenen” weergegeven, en wel in de volgende tekst: “Daarom moest Hij [de Messias] in alles aan zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw hogepriester zou zijn in de dingen die God betreffen, om de zonden van het volk te verzoenen” (Hebreeën 2:17) 11
Page 12
Hilaskomai wordt ook gebruikt in de bekende gelijkenis van de Farizeëer en de tollenaar. De berouwvolle tollenaar bad: “O God, wees mij, de zondaar, genadig” (Lukas 18:13) Indien de vertalers consequent waren geweest, hadden ze moeten schrijven: “wees verzoend met mij” (beter nog: “wees beschuttend voor mij”, of “wees bedekkend voor mij”, zoals we verderop nog zullen zien). Hilasmos komt eveneens twee maal voor en is in beide gevallen vertaald als “verzoening”: “En Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden van de hele wereld” (1 Johannes 2:2) “Hierin is de liefde, niet dat wij God lief hebben gekregen, maar dat Hij ons liefhad en zijn Zoon zond als verzoening voor onze zonden” (1 Johannes 4:10) Het woord hilasterion is in de herziene Statenvertaling éénmaal weergegeven als “middel tot verzoening”, bij een andere gelegenheid als “verzoendeksel”. “Hem [d.i. Christus Jezus] heeft God openlijk aangewezen als middel tot verzoening, door het geloof in zijn bloed” (Romeinen 3:25) “En boven op deze ark waren de cherubs van Gods heerlijkheid, die het verzoendeksel overschaduwden” (Hebreeën 9:5) Groep 3 Een laatste woord dat de Statenvertalers hebben weergegeven als “verzoening” is de term apolutrosis. 12 “En daarom is Hij [de Messias] de Middelaar van het nieuwe verbond, opdat, nu de dood heeft plaatsgevonden tot verzoening van de overtredingen die er onder het eerste verbond waren, de geroepenen de belofte van de eeuwige erfenis ontvangen” (Hebreeën 9:15) Het is merkwaardig dat de Statenbijbel in dit vers over “verzoening” spreekt, want op alle andere plaatsen in het NT waar apolutrosis voorkomt heeft men het vertaald met “verlossing”. “Wanneer nu deze dingen beginnen te geschieden, kijk dan omhoog en hef uw hoofd op, omdat uw verlossing nabij is” (Lukas 21:28) “Want allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God, en worden om niet gerechtvaardigd door zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus” (Romeinen 3:23-24) “En dat niet alleen, maar ook wijzelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, ook wij zelf zuchten in onszelf, in de verwachting van de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing van ons lichaam2” (Romeinen 8:23) “Maar uit Hem bent u in Christus Jezus, die voor ons is geworden wijsheid van God en gerechtigheid, heiliging en verlossing” (1 Korinthe 1:30) “In Hem hebben wij de verlossing, door zijn bloed, namelijk de vergeving van de overtredingen, overeenkomstig de rijkdom van zijn genade” (Efeze 1:7) “In Hem bent u ook, toen u tot geloof kwam, verzegeld met de Heilige Geest van de belofte, die het onderpand is van onze 2 “Verlossing van ons lichaam” betekent niet dat wij van ons lichaam worden verlost (waardoor we onlichamelijk zouden worden), maar dat ons lichaam wordt bevrijd uit de slavernij aan de vergankelijkheid. 13
Page 14
erfenis, tot de verlossing die ons ten deel viel, tot lof van zijn heerlijkheid” (Efeze 1:13-14) “En bedroef de Heilige Geest van God niet, door wie u verzegeld bent tot de dag van de verlossing” (Efeze 4:30) “In Hem hebben wij de verlossing, door zijn bloed, namelijk de vergeving van de zonden” (Kolossenzen 1:14) “Vrouwen hebben hun doden teruggekregen door opstanding uit de dood. Maar anderen zijn gefolterd en namen de aangeboden verlossing niet aan, opdat zij een betere opstanding verkrijgen zouden” (Hebreeën 11:35) Het woord lutrosis (zonder het voorzetsel “apo”) vinden we nog in de volgende teksten: “Geprezen zij de Heere, de God van Israël, want Hij heeft naar zijn volk omgezien en er verlossing voor tot stand gebracht” (Lukas 1:68) “En zij [de profetes Anna] sprak over Hem tot allen die de verlossing in Jeruzalem verwachtten” (Lukas 2:38) “Hij [d.i. de Messias] is niet door bloed van bokken en kalveren, maar door zijn eigen bloed voor eens en altijd binnengegaan in het heiligdom en heeft daardoor een eeuwige verlossing teweeggebracht” (Hebreeën 9:12) Hiermee zijn alle teksten uit het Nieuwe Testament opgesomd waar (volgens de Statenvertalers) over verzoening wordt gesproken. In de volgende hoofdstukken zullen we de bijbelse gegevens onderzoeken. Daarbij willen we nagaan wat de grondbetekenis van de drie woordgroepen is die de vertalers met “verzoening” hebben weergegeven. 14 Waarom gebruikt de Bijbel drie verschillende werkwoorden (katallassoo, apokatallassoo, hilaskomai), terwijl de vertalers voortdurend over “verzoenen” spreken? En waarom staan er in de Bijbel minstens drie verschillende zelfstandige naamwoorden (katallagè, hilasmos, apolutrosis) die allen met “verzoening” zijn vertaald? 15
Page 18
“maakt God vrede” (Efeze 2:15-16). Vervreemding gaat altijd gepaard met verwijdering, daarom worden personen die “vroeger veraf waren” door verzoening “nabij gebracht” (Efeze 2:13). De afstand die er eens bestond wordt opgeheven. Afkeer leidt tot geweldpleging tegenover de gehate partij. Vandaar dat Paulus in verband met vervreemding schrijft over “uw slechte daden” (Kolossenzen 1:21). Door verzoening komt er aan zulk gedrag een einde. Er ontstaat vriendschap. De internet-encyclopedie Wikipedia definieert verzoening als “herstel van de vriendschap in een relatie, nadat er een breuk is opgetreden”. Dat is precies wat het Griekse woord katallagè betekent. Verzoening is opheffing van de vijandschap of de vervreemding tussen partijen, zodat er vrede ontstaat. Katallagè en katallassoo zijn door de Statenvertalers dus terecht als “verzoening” en “verzoenen” weergegeven. Nog onvoltooid In een andere brief laat Paulus zien, dat het bij verzoening gaat om een proces dat op dit moment nog niet is voltooid (2 Korinthe 5:17-20). Wanneer de apostel schrijft “God was het namelijk die in Christus de wereld met zichzelf verzoende” dan lijkt het alsof verzoening al heeft plaatsgevonden. In zekere zin is dat ook zo. Maar uit het tekstverband blijkt dat verzoening betrekking heeft op twee soorten mensen: (1) “ons” [dat zijn de gelovigen, de groep waarbij Paulus zichzelf insluit], en (2) de doelgroep van de “bediening der verzoening”, buitenstaanders tegen wie het “woord der verzoening” wordt gesproken. Van de eerste groep zegt de apostel, dat “God die met zichzelf verzoend heeft door Jezus Christus”, waardoor voor hen “het oude is voorbijgegaan en alles nieuw is geworden”, dat God hun “de bediening der verzoening heeft gegeven” en het “woord der 18 verzoening in hen heeft gelegd”, zodat zij “gezanten van Christus” zijn geworden en tegen de rest van de mensheid kunnen zeggen “Laat u met God verzoenen”. De tweede groep wordt uitgenodigd om zich met God te laten verzoenen. Aangezien katallassoo betrekking heeft op het “herstel van de vriendschap in een relatie” houdt de petitie van de “gezanten van de Messias” in: “Verander van gedachten over God. Hij is al uw vertrouwen waard. Hij smeekt u om vriendschap met Hem te sluiten. Wantrouw Hem niet langer. Geef uw verzet tegen Hem op”. Zolang er nog mensen zijn die deze boodschap niet hebben gehoord, of die dit aanbod afwijzen, is de verzoening van de wereld nog niet voltooid. Wij met God In menselijke relaties is er meestal sprake van wederzijdse vijandschap. Om verzoening tot stand te brengen moet er bij elke partij in het conflict iets veranderen. Maar bij de relatie tussen God en mensen is er volgens de Bijbel alleen aan de menselijke kant maar sprake van vijandigheid. Om verzoening tot stand te brengen moet er bij de mensen iets veranderen. De Bijbel brengt dit tot uitdrukking in de manier waarop er over verzoening wordt gesproken. Op vele plaatsen lezen we dat God mensen met zich verzoent. Het omgekeerde, dat Christus “God met de wereld”, of “God met zondaren” zou hebben verzoend, lezen we in de Bijbel nergens. Hoewel het in godsdienstige verhandelingen dikwijls naar voren wordt gebracht is het een onbijbelse gedachte. 19
Page 20
In het Nieuwe Testament staat: “als wij... met God verzoend zijn door de dood van zijn Zoon” (Romeinen 5:10) “...omdat wij verzoend zijn” (Romeinen 5:10) “God die ons met zichzelf verzoend heeft door Jezus Christus” (2 Korinthe 5: 18) “God was het namelijk die in Christus de wereld met zichzelf verzoende” (2 Korinthe 5:19) “Laat u met God verzoenen” (2 Korinthe 5:20) “opdat Hij die beiden [Jood en heiden] in één lichaam met God zou verzoenen door het kruis” (Efeze 2:16) “En hij heeft u... nu ook verzoend” (Kolossenzen 1:21) Er staat altijd: “wij met God”, “wij verzoend”, “ons met zichzelf”, “de wereld met zichzelf”, “u met God”, “die beiden met God”, “u verzoend”. Nóóit is het “God met ons”, “God verzoend”, “God met de wereld”, “God met u”, “God met die beiden”. Wie de Schrift wil naspreken, moet aan deze waarheid vasthouden. Het obstakel dat vrede en vriendschap in de weg staat en dat moet worden opgeruimd, ligt voor honderd procent aan onze kant. Wij zijn vijanden van God, maar God is niet ónze vijand. Het initiatief tot verzoening gaat van Hém uit. Hij “smeekt ons” door zijn gezanten. De petitie die Hij door zijn ambassadeurs laat bezorgen is gebaseerd op het kruis van Golgotha waar Hij zijn “gerechtigheid heeft geopenbaard”. Daarover later meer. 20 Mensen (niet hun schuld) In de berijming van 1773 is Psalm 79 als volgt weergegeven: “Gedenk niet meer aan ’t kwaad, dat wij bedreven, verzoen de zware schuld, die ons met schrik vervult, bewijs ons eens genade” Het werkwoord “verzoenen” wordt in deze psalmberijming op een onbijbelse manier gebruikt. In de Schrift heeft het werkwoord katallassoo namelijk altijd betrekking op vijanden: op mensen of op engelen. Vijanden moeten worden verzoend. Schulden, misstappen, of overtredingen moeten worden bedekt. Dat zijn verschillende dingen. De Bijbel gebruikt er ook verschillende woorden voor, zoals we nog zullen zien. Wie meent dat het grootste probleem in de wereld overtreding en schuld is, heeft van verzoening nog niets begrepen. Waaróm komen mensen tegen God in opstand? Waaróm overtreden ze zijn geboden? Waaróm bedrijven ze kwaad? Volgens de Bijbel omdat ze God wantrouwen, twijfelen aan zijn motieven, en vijandig tegenover Hem staan. Met kwijtschelding van schuld zijn onze problemen niet opgelost. Met opheffing van onze tekortkomingen evenmin. Onze grondhouding moet veranderen. Van vijanden moeten wij “gelovigen” worden: schepselen die hun Maker vertrouwen. In plaats van vreemden die “veraf zijn” moeten we “nabijen” worden, intimi van de Schepper die zijn gedachten kennen en deze respecteren. De eerste overtreding die in de Bijbel wordt beschreven was al gebaseerd op wantrouwen. God had tegen de mens gezegd: “Van alle bomen van de hof mag u vrij eten, maar van de boom van de kennis van goed en kwaad, daarvan mag u niet eten, want op de dag dat u daarvan eet, zult u zeker sterven” (Genesis 2:1617) 21
Page 22
Na korte tijd overtrad Eva, gevolgd door haar man, dit gebod. Ze ging twijfelen aan Gods karakter. Wat waren zijn motieven om het eten van die boom te verbieden? Volgens de slang wilde Hij verhinderen dat zij goddelijk werd. Zijn verbod was erop gericht om haar geestelijke ontwikkeling te blokkeren. Hij misgunde haar de vrucht uit de hof (Genesis 3:1-5). Zo zaaide de slang wantrouwen jegens God in het mensenhart, en dat doet hij vandaag nóg. Verzoening – in bijbelse zin – is erop gericht om de wórtel van het kwaad weg te nemen. Zodat het hart van de mens verandert. En hij Gods vriend wordt. Besluit We vatten samen: 1. De bijbelse werkwoorden voor verzoenen, (apo)(kat)allassoo, zijn afgeleid van een stam die “veranderen” of “anders maken” betekent. Gezien de context gaat het om het veranderen van vijanden in vrienden. 2. Gelovigen zijn al met God verzoend. De Schepper heeft het woord van de verzoening in hen gelegd, zodat ze buitenstaanders “smeken” om zich op hun beurt met Hem te laten verzoenen. 3. Volgens de Bijbel heeft verzoening betrekking op een verandering van de houding en gezindheid van mensen tegenover God – niet op een verandering van de gezindheid van God ten opzichte van de mensen. 4. Bijbelse verzoening heeft altijd betrekking op vijanden, dus op personen – nooit op schuld, misstappen of overtredingen. 22 5. Verzoening pakt niet de overtredingen aan maar de óórsprong van alle overtredingen – het diepgewortelde wantrouwen van schepselen tegenover hun Schepper. 23
Page 26
uitgeplozen touw (meestal hennep) en pek of teer, gewonnen uit bomen. De afdichting berust op de eigenschap van plantaardige vezels dat ze zwellen wanneer ze vocht opnemen. God gaf Noach opdracht om de romp van de ark zorgvuldig af te dichten. Het pek moest niet alleen aan de buitenkant, maar ook aan de binnenkant van het schip worden aangebracht. Zo zou de ark een veilig vervoermiddel worden, dat acht mensen en een groot aantal dieren voor de verdrinkingsdood kon behoeden. Zonder beschermende peklaag zou het schip water maken en uiteindelijk zinken. Zonder pek zou de ark falen. Om in bijbelse termen te spreken: de boot zou “zondigen” (het Griekse woord hamartia betekent immers “doelmissing”). Maar pek kon de zonde van het bouwsel bedekken, dat wil zeggen: de romp waterdicht maken, en nadat de dubbele peklaag was aangebracht zou de ark aan haar doel beantwoorden en veilig op haar bestemming aankomen. Indien Genesis 6:14 “concordant” was vertaald, zou er in het Nederlands hebben gestaan: “met vakken zult gij de ark maken en haar van binnen en buiten met een beschutting bedekken”. De grondbetekenis van kaphar is “bedekken”. Vandaar dat het woord kapporeth (NT hilasterion) met “verzoendeksel” wordt vertaald. Zoengeld Het zelfstandig naamwoord kopher vinden we behalve in Genesis 6:14 (waar het met “pek” is vertaald) nog in de volgende teksten. De vertalers hebben het daar met “zoengeld” of “losgeld” weergegeven: 26 “Indien hem een zoengeld opgelegd wordt, dan zal hij alles wat hem opgelegd wordt, als losprijs voor zijn leven geven” (Exodus 21:30). In de agrarische samenleving kon het gebeuren dat een rund een voorbijganger op de horens nam – waardoor die voorbijganger invalide werd en mogelijk zelfs werd gedood. De eigenaar van het rund was aansprakelijk voor de schade die het dier had aangericht. De oudsten van de stad konden hem verplichten om aan het slachtoffer of diens familie een flinke som geld te betalen. Zo kon hij strikte vergelding (in het geval van overlijden van de voorbijganger zijn eigen doodstraf!) voorkomen. Het bedrag compenseerde (in zekere zin) het verlies dat de familie door het ongeluk had geleden. Het “bedekte” de nalatigheid van de eigenaar van het rund, en redde daardoor zijn leven. “Wanneer gij het getal der Israëlieten bij de telling opneemt, dan zullen zij, ieder voor zijn leven, aan de HERE een zoengeld geven, wanneer men hen telt, opdat er onder hen geen plaag zij bij de telling” (Exodus 30:12) Bij bepaalde gelegenheden werden er volkstellingen gehouden om de Israëlieten te kunnen inroosteren voor openbare taken. Maar de uitkomst van zulke tellingen kon worden misbruikt, bij voorbeeld om de grootte van het leger vast te stellen dat Israël op de been kon brengen. Een volkstelling kon tot gevolg hebben dat de leiders van het volk op eigen kracht gingen vertrouwen in plaats van op God. Daardoor was het houden van een volkstelling in feite iets zondigs. Door het geven van een hoofdelijke bijdrage aan de tabernakel of de tempel, konden de Israëlieten tot uitdrukking brengen dat ze volkomen van God afhankelijk waren en dit nog steeds beseften. Zo werd het kwaad “bedekt” en werd voorkomen dat de HERE het land met een besmettelijke ziekte moest treffen, om zijn volk wakker te schudden. 27
Page 28
“En gij zult voor het leven van een doodslager, die des doods schuldig is, geen losgeld aannemen, maar hij zal zeker gedood worden. Gij zult evenmin losgeld aannemen voor iemand die naar zijn vrijstad gevlucht is...” (Numeri 35:31-32) In tegenstelling tot de eigenaar van een stotig rund kon de pleger van een moord met voorbedachten rade zijn misdrijf niet “bedekken” door een grote som geld te betalen. Om een “zoenmiddel”, “losgeld” of “losprijs” aan te duiden komt het woord kopher verder nog voor in Job 33:24 en 36:18, Psalm 49:8, Spreuken 6:35, 13:8, 21:18 en Jesaja 43:3. De grondbetekenis is steeds “bedekking” (van menselijke nalatigheid) zodat het leven van de betrokkenen wordt gespaard. Een dak boven het hoofd “...van de versterkte steden af tot de dorpen toe...” (1 Samuël 6:18) De Hebreeuwse tekst zegt in feite: “van de stad der ommuring af tot de bedekking van het dorp toe”. Een stad bood haar inwoners de veiligheid van muren en poorten. Een gehucht bood alleen maar een dak boven het hoofd, een beschutting tegen de regen. In 1 Samuël 6:18 wijst het woord kopher op die beschutting. Steekpenning “Wie heb ik verongelijkt? Uit wiens hand heb ik een geschenk aangenomen en heb daarom mijn ogen toegedaan?” (1 Samuël 12:3) 28 De richter Samuël bewees zijn onschuld en de strikte rechtvaardigheid van zijn optreden door erop te wijzen dat hij nooit een steekpenning had aangenomen. Door aan een (onrechtvaardige) rechter een geschenk te geven, wordt de overtreding “bedekt” en knijpt de “edelachtbare” een oogje toe. In dezelfde betekenis treffen we kopher aan in Amos 5:12. Daar verwijt de HEERE de latere rechters van Israël dat zij wél steekpenningen hadden aangenomen. Ook hier is de grondbetekenis van kopher bedekking. Hennabloemen “Mijn geliefde is mij een tros van hennabloemen in Engedi’s wijngaarden” (Hooglied 1:14) De hennastruik (Lawsonia inermis) is een plant uit de kattestaartfamilie, waaruit sinds onheuglijke tijden een rode kleurstof wordt gewonnen voor het verven van voorwerpen, nagels, handpalmen en haar. De oorspronkelijke kleur van het object wordt “bedekt” door de roodbruine kleur van de hennaplant. Wie grijs is geworden kan het verlies aan pigment met henna compenseren. De hennabloem is de “bloem van het bedekken”. Ook in Hooglied 4:13 wordt hij zo genoemd. Verzoendeksel Hiermee zijn alle bijbelteksten vermeld waar het zelfstandig naamwoord kopher voorkomt. De Bijbel gebruikt ook de term kapporeth. De eerste tekst waar dit woord voorkomt is tekenend voor het verdere gebruik: “In de ark zult gij de getuigenis leggen die Ik u geven zal. Ook zult gij een verzoendeksel van louter goud maken, twee en een halve el lang en anderhalve el breed. En gij zult twee cherubs van 29
Page 30
goud maken, van gedreven werk zult gij ze maken, aan de beide einden van het verzoendeksel. Maak één cherub aan het ene einde en één cherub aan het andere einde; uit één stuk met het verzoendeksel zult gij de cherubs op zijn beide einden maken. De cherubs zullen twee vleugels uitgespreid houden naar boven, met hun vleugels het verzoendeksel bedekkende en hun aangezicht naar elkander gericht; naar het verzoendeksel zullen de aangezichten der cherubs gericht zijn. Gij zult het verzoendeksel bovenop de ark leggen en in de ark zult gij de getuigenis leggen, die Ik u geven zal. En Ik zal dáár met u samenkomen en van het verzoendeksel af, tussen de beide cherubs op de ark der getuigenis, over alles met u spreken wat Ik u voor de Israëlieten gebieden zal” (Exodus 25:16-22) In de Hebreeuwse Bijbel heeft kapporeth altijd betrekking op het verzoendeksel van de ark des verbonds. Over dat deksel wordt gesproken in de boeken Exodus (26:34, 30:6, 31:7, 35:12, 37:6-9, 39:35, 40:20), Leviticus (16:2, 16:13-15), Numeri (7:89) en Kronieken (1 Kronieken 28:11). In het Nieuwe Testament komt hilasterion, het Griekse equivalent van kapporeth, op twee plaatsen voor. De Hebreeënbrief knoopt aan bij de wet van Mozes: “...achter het tweede voorhangsel was een tent, genaamd het heilige der heiligen, met een gouden reukofferaltaar en de ark des verbonds, rondom met goud overtrokken, waarin zich bevonden een gouden kruik met het manna, en de staf van Aäron, die gebloeid had, en de tafelen des verbonds; daarboven waren de cherubs der heerlijkheid, die het verzoendeksel overschaduwden” (Hebreeën 9:3-5) De andere passage vinden we in de brief aan de Romeinen. Paulus schrijft, dat Christus Jezus door God is gesteld als hilasterion (3:25). In de vertaling van het NBG is dat met “zoenmiddel” weergegeven. Het zou consequenter zijn geweest 30 indien de vertalers hadden geschreven dat de Messias door God als “verzoendeksel” is gesteld. Over de betekenis van dat verzoendeksel wordt gesproken in het bijbelboek Leviticus: “Dan moet Aäron de jonge stier als het zondoffer dat voor hemzelf bestemd is, aanbieden, en voor zichzelf en zijn gezin verzoening doen, en de jonge stier als het zondoffer dat voor hemzelf bestemd is, slachten.... Hij moet dan een deel van het bloed van de jonge stier nemen, en met zijn vinger op het verzoendeksel sprenkelen, aan de kant naar het oosten toe. En vóór het verzoendeksel moet hij zeven keer met zijn vinger van dat bloed sprenkelen. Daarna moet hij de bok slachten die als zondoffer voor het volk bestemd is, en zijn bloed binnen het voorhangsel brengen. Hij moet... dat op het verzoendeksel en vóór het verzoendeksel sprenkelen. Zo moet hij over het heiligdom verzoening doen vanwege de onreinheden van de Israëlieten en vanwege hun overtredingen, overeenkomstig al hun zonden. Zo moet hij ook doen met de tent van ontmoeting, die bij hen staat, te midden van hun onreinheden.... Zo moet hij verzoening doen voor zichzelf, voor zijn gezin en voor heel de gemeente van Israël. Daarna moet hij naar buiten gaan, naar het altaar, dat voor het aangezicht van de HEERE is, en er verzoening over doen. Hij moet dan een deel van het bloed van de jonge stier en een deel van het bloed van de bok nemen en het rondom op de horens van het altaar strijken. Dan moet hij met zijn vinger zeven keer een deel van het bloed daarop sprenkelen. Zo reinigt en heiligt hij het van de onreinheden van de Israëlieten” (Leviticus 16:11-19) De jaarlijkse ceremonie waarbij bloed eerst óp het verzoendeksel werd gesprenkeld, daarna vóór het verzoendeksel, tenslotte op de tent en op het brandofferaltaar had een diepe betekenis, die we nog nader zullen onderzoeken. 31
Page 32
Hier merken we alleen op, dat het bloed op symbolische wijze de onvolmaaktheden van Israëls eredienst “bedekte” en het heiligdom “reinigde en heiligde”, zodat het mogelijk bleef om door middel van die eredienst tot God te naderen. God baande van boven het verzoendeksel (waar Hij regelmatig verscheen en op bijzondere wijze tegenwoordig was, zie Exodus 25:22, 30:6; Leviticus 16:2; Numeri 7:89) zélf een toegangsweg tot Hem. 32 Kaphar In het vorige hoofdstuk gaven we een overzicht van alle teksten waarin de zelfstandige naamwoorden kopher, kapporeth en hilasterion voorkomen. We vervolgen nu met een onderzoek naar het voorkomen van het werkwoord kaphar (in nieuwtestamentisch Grieks: hilaskomai). Zoals we al hebben opgemerkt komt dit woord voor het eerst voor in de geschiedenis van Noach, waar de schrijver zegt: “Maak u een ark van goferhout, met vakken zult gij de ark maken en haar van binnen en buiten met pek bestrijken” (Genesis 6:14) “Bestrijken” betekent in dit verband “bedekken” met een beschuttende laag die ondoorlaatbaar is voor water. Omdat kaphar niet altijd is weergegeven als “bedekken” is het verband tussen het “bedekken van de zonde” en de geschiedenis van Noach in de vertalingen niet zichtbaar. Verzoening doen (of: verzoenen) In de meeste bijbelteksten is kaphar vertaald als: “verzoening doen” of kortweg: “verzoenen”. Maar wat gebeurt er indien er “verzoening wordt gedaan”? In het zeven-en-twintigste hoofdstuk van zijn boek geeft de profeet Jesaja een heldere omschrijving: “Daarom zal hierdoor de ongerechtigheid van Jakob verzoend worden, en hierin zal de volle vrucht van de verwijdering van zijn zonde bestaan, dat hij alle altaarstenen tot verbrijzelde kalkstenen maakt, en dat geen gewijde palen en wierookaltaren overeind blijven staan” (Jesaja 27:9) 33
Page 34
Uit het Hebreeuwse parallellisme in deze tekst blijkt dat “verzoend (Hebr. bedekt) worden van de ongerechtigheid” hetzelfde is als “verwijdering van de zonde”. In de situatie die de profeet beschrijft hield verwijdering van de zonde in dat het nageslacht van Jakob niet langer de neiging bezat om afgoden te dienen. De logische consequentie (ofwel: “de volle vrucht”) van die veranderde gezindheid was dat men alle “altaarstenen” ten behoeve van de afgodendienst verbrijzelde en de “gewijde palen” (fallussymbolen) en “wierookaltaren” voor vruchtbaarheidsriten opruimde. Zo zou de zonde (van ontrouw aan het verbond met JHWH) worden weggedaan en de ongerechtigheid van het land worden “bedekt”. Het verband met de geschiedenis van Noach is duidelijk. Zoals de lekkage van de ark werd opgeheven door de romp van het schip met “pek” te bedekken, zo zou de ongerechtigheid van het land worden “bedekt” door de voorwerpen van de afgodendienst te verwijderen en te vernietigen. Ongerechtigheid doen wijken Uit de manier waarop Jesaja tot het profetenambt werd geroepen blijkt ook wat “bedekken” van de zonde betekent. Toen de profeet een visioen kreeg van de heerlijkheid des Heren, riep hij uit: “Wee mij, ik ga ten onder, want ik ben een man, onrein van lippen, en woon te midden van een volk, dat onrein van lippen is – en mijn ogen hebben de Koning, de HERE der heerscharen gezien” (Jesaja 6:5) Jesaja werd er zich pijnlijk van bewust dat hij niet “recht” van God kon spreken en dat hij in zijn spreken dikwijls had gefaald. Waarna er het volgende gebeurde: 34 “Maar één der serafs vloog naar mij toe met een gloeiende kool, die hij met een tang van het altaar genomen had; hij raakte mijn mond daarmede aan en zeide: Zie, deze heeft uw lippen aangeraakt; nu is uw ongerechtigheid geweken en uw zonde verzoend” (Jesaja 6:6-7) Uit de woorden van de seraf blijkt dat zonde is “verzoend” (Hebr. bedekt) wanneer de “ongerechtigheid is geweken”. Op symbolische manier werd dit uitgebeeld doordat de seraf Jesaja’s mond aanraakte met een gloeiende kool. Het “vuil” op zijn lippen werd door het vuur van het altaar weggebrand. Van de “ongerechtigheid” van de profeet was daarna niets meer te zien, die was totaal opgeheven. Zijn mond was helemaal “schoon”. Reinigen In het boek Leviticus geeft Mozes een definitie van kaphar: “Dan zal hij [Aäron, de hogepriester] naar buiten gaan naar het altaar, dat voor het aangezicht des HEREN staat, en daarover verzoening doen; hij zal van het bloed van de stier en van het bloed van de bok nemen en dat rondom aan de horens van het altaar strijken. Dan zal hij daarop met zijn vinger zevenmaal van het bloed sprenkelen en het reinigen en heiligen van de onreinheden der Israëlieten...” (Leviticus 16:18-19) In deze beschrijving van het ritueel van de Grote Verzoendag komt het werkwoord kaphar meerdere malen voor. Mozes omschrijft “verzoening doen” (Hebr. bedekken) als “reinigen en heiligen van de onreinheden der Israëlieten”. Dat wil zeggen: onreinheid verwijderen en het gereinigde afzonderen (schoon houden). Zodat de onreinheid is “bedekt”. Doordat in de tabernakel alles “schoon” is geworden. 35
Page 36
De profeet Ezechiël gebruikt kaphar in dezelfde betekenis. In zijn beschrijving van de nieuwe tempel zegt hij: “... en gij zult van zijn bloed iets nemen en het strijken aan de vier horens en aan de vier hoeken van de omloop en aan de opstaande rand rondom; zo zult gij het ontzondigen en er verzoening over doen... Zeven dagen zal men over het altaar verzoening doen en het reinigen en wijden” (Ezechiël 43:20,26) “Verzoening doen” is blijkbaar hetzelfde als “ontzondigen”, of “reinigen en wijden”. Nog enkele voorbeelden Op het getuigenis van drie staat een zaak vast, maar voor de volledigheid noemen we nog enkele teksten: “Door liefde en trouw wordt de ongerechtigheid verzoend, door de vreze des HEREN wijkt men van het kwaad” (Spreuken 16:6) Verzoenen (Hebr. bedekken) van de ongerechtigheid is in deze spreuk een parallel van “wijken van het kwaad”. Wie liefde en trouw in praktijk begint te brengen, bedrijft niet langer misdaden tegen zijn medemensen. Er is van zijn vroegere optreden niets meer te zien. Ontzag voor de HERE zal ervoor zorgen dat dit ook zo blijft. De profeet Jesaja kondigde de ondergang van Babel aan en merkte daarbij op: “...u overkomt een onheil, dat gij niet weet te bezweren; u overvalt een verderf, dat gij niet vermoogt te verzoenen...” (Jesaja 47:11) De profeet voorzegde dat het Babylonische rijk en zijn hoofdstad door verval zouden worden aangetast. De overheid zou niet in staat zijn om dit verval te “bedekken”, dat wil zeggen, 36 de schade te repareren. Het “verderf” zou steeds verder om zich heengrijpen, totdat Babel totaal was verwoest. “Wereldse” voorbeelden Uit bovenstaande tekst en uit de geschiedenis van Noach blijkt dat het werkwoord kaphar in de Hebreeuwse Bijbel niet altijd betrekking heeft op de eredienst, maar ook een seculiere betekenis kan hebben. Wanneer men de woede van een machtig persoon heeft opgewekt, dan kan men zijn loyaliteit bewijzen, en zijn misstap “bedekken” door de machthebber een geschenk te sturen. Toen Jakob het bericht kreeg dat zijn broer Ezau met een leger van vierhonderd man op hem af kwam, dacht hij: “Laat ik hem verzoenen met het geschenk dat voor mij uitgaat, en daarna wil ik zijn aangezicht zien; misschien zal hij mij goedgunstig zijn” (Genesis 32:20) De Spreukendichter gebruikte het werkwoord kaphar in dezelfde zin toen hij schreef: “De grimmigheid van de koning is een voorbode van de dood, maar een wijs man verzoent die” (Spreuken 16:14) Indien men in een oosterse samenleving de woede van de koning opwekte dan verkeerde men in levensgevaar. Want de vorst was een alleenheerser die over leven en dood van zijn onderdanen kon beschikken. Een wijs mens zou onmiddellijk besluiten om de grimmigheid van de koning te “bedekken”, door die weg te nemen. Zodat zijn leven werd gered. 37
Page 38
Besluit We vatten samen: 1. Kaphar (in Nederlandse bijbels weergegeven als “verzoening doen”) is in het bijbels spraakgebruik een parallel van “zonde verwijderen”, “ongerechtigheid doen wijken”, “wijken van het kwaad”, “reinigen van onreinheid”, “ontzondigen”. 2. Kaphar heeft betrekking op het wegnemen van de zonden zélf (niet alleen van de schuld die de mens door te falen op zich heeft geladen). 3. De ware bedekking door Christus heft – in tegenstelling tot de schaduwachtige bedekking van de wet – de wortel van het zondeprobleem op. Schuld kan worden kwijtgescholden, maar indien de zonde niet wordt weggenomen, zal de zondaar bij de eerste de beste gelegenheid in dezelfde fout vervallen, en nieuwe schuld op zich laden. De zondaar is pas echt geholpen wanneer zijn ongerechtigheid is geweken. Bedekking van de zonde door de Messias biedt een échte oplossing. 38 Kaphar en hilaskomai We pakken de draad weer op in de Hebreeuwse Bijbel. Hét klassieke voorbeeld van gebruik van het werkwoord kaphar vinden we in Leviticus: “Want op deze dag [d.i. de tiende dag van de zevende maand, de Grote Verzoendag] wordt voor u verzoening gedaan [Hebr. “bedekking gedaan”] om u te reinigen; van al uw zonden wordt u voor het aangezicht van de HEERE gereinigd” (Leviticus 16:30) Uit deze tekst blijkt, dat kaphar betrekking heeft op reiniging van zonden. De brief aan de Hebreeën geeft echter het volgende commentaar: “Want de wet, die slechts een schaduw heeft van de toekomstige goederen [= “goede dingen”] en niet het wezen van de dingen zelf, kan nooit met dezelfde offers, die zij jaar in jaar uit ononderbroken brengen, hen die naderen tot volmaaktheid brengen. Zou er anders niet een einde gekomen zijn aan het offeren? Want zij, die de dienst verrichten, zouden zich dan in geen enkel opzicht meer bewust zijn van zonden, wanneer zij eens en voor altijd gereinigd waren. Maar nu wordt men door deze offers elk jaar opnieuw aan de zonden herinnerd. Want het is onmogelijk dat het bloed van stieren of bokken de zonden wegneemt. Daarom zegt Hij bij zijn komst in de wereld: Slachtoffer en spijsoffer hebt U niet gewild, maar U hebt voor Mij een lichaam gereedgemaakt. Brandoffers en offers voor de zonde hebben U niet behaagd. Toen zei Ik: zie, Ik kom – in de boekrol is over Mij geschreven – om uw wil te doen, o God [zie Psalm 40:79]. Daarvoor had Hij gezegd: Slachtoffer en spijsoffer en brandoffers en offers voor de zonde hebt U niet gewild en hebben U niet behaagd, hoewel zij overeenkomstig de wet worden 39
Page 40
gebracht. Daarna sprak Hij: Zie, Ik kom om uw wil te doen, o God. Hij neemt het eerste weg, om het tweede daarvoor in de plaats te zetten” (Hebreeën 10:1-9) Volgens de Hebreeënschrijver gaat het bij “bedekking” ten diepste om het “reinigen” en “tot volmaaktheid brengen” van de Israëlieten, dus het opheffen van hun tekortkomingen. Zodat de betrokkenen “zich niet meer van zonden bewust zijn”. Want hun zonden zijn “weggenomen”. De offers die de Israëlieten brachten waren echter niet effectief. Ze waren niet in staat om de zonden werkelijk weg te nemen. Ze waren een “schaduw” of een “afbeelding” van het goede dat zou komen, niet het goede zelf. Daarom moesten ze ook voortdurend worden herhaald. Ze herinnerden Israël telkens opnieuw aan haar zonden, want “wet doet zonde kennen” (Rom.3:20). Het definitieve offer zou worden gebracht door de Messias. Van Hem heeft David geprofeteerd in de veertigste Psalm. God zou de onvolmaakte reiniging eens opheffen om er een volmaakte “bedekking” voor in de plaats te stellen. De Messias is de door God aangekondigde volmaakte bedekking. Want Johannes merkt in zijn eerste brief op: “Hij [Jezus Christus, de Rechtvaardige] is een verzoening [Gr. hilasmos, bedekking] voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor die der gehele wereld” (1 Johannes 2:2) “Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon gezonden heeft als een verzoening (Gr. hilasmos, bedekking) voor onze zonden” (1 Johannes 4:10) 40 Kippoerim Eén zelfstandig naamwoord dat van het werkwoord kaphar is afgeleid hebben we in het voorafgaande nog niet genoemd: het woord kippoer. In de Hebreeuwse Bijbel vinden we daarvan alleen het meervoud (kippoerim). We vinden dit woord in de volgende teksten: “... een stier als zondoffer ter verzoening...” (Exodus 29:36) “... het bloed van het zondoffer der verzoening...” (Exodus 30:10) “... het geld [letterlijk: het zilver] der verzoening van de Israëlieten...” (Exodus 30:16) “Maar op de tiende van de zevende maand is de Verzoendag... Op die dag zult gij generlei arbeid verrichten, want het is de Verzoendag” (Leviticus 23:27,28) “Op de Verzoendag zult gij de bazuin doen rondgaan door uw ganse land” (Leviticus 25:9) “... de ram der verzoening...” (Numeri 5:8) “... het zondoffer der verzoening...” (Numeri 29:11) In feite staat er steeds: “zondoffer ter bedekkingen”, “zondoffer der bedekkingen”, “zilver der bedekkingen”, “dag der bedekkingen”, en “ram der bedekkingen”. Het meervoud geeft aan, dat het éne offer, de éne heffing, de éne dag, of de éne ram vele tekortkomingen bedekt. Kaphar op andere plaatsen Het werkwood kaphar wordt in de Bijbel bijzonder vaak gebruikt. In het voorafgaande konden we slechts enkele 41
Page 42
passages kort bespreken. Voor de volledigheid geven we hieronder een lijst van alle teksten waarin kaphar voorkomt. Genesis 6:14 (voor het “bedekken” van de ark – zodat die waterdicht werd) Exodus 16:14 (voor het manna dat als “rijm” op de aarde lag, een “bedekking” van de grond) – zo ook in Job 38:29 (“rijp des hemels”) Exodus 21:30 (voor het “zoengeld” dat de eigenaar van een rund werd opgelegd nadat het dier iemand had verwond of gedood, letterlijk het “bedekken” van zijn misstap van nalatigheid) Exodus 29:33,36; Deuteronomium 32:43; Daniël 9:24 (“verzoenen” in religieuze zin) Exodus 30:10, Leviticus 1:4, 4:20,26,31,35; 5:6,10,13,18; 6:7,30; 8:15,34; 9:7, 10:17, 12:7,8; 14:18,19,20,21,29,31,53; 15:15,30; 16:6,10,11,16,17,18,20,27, 32,33,34; 17:11; 19:22; 23:28, Numeri 6:11, 8:12,19; 15:25,28; 16:46; 28:22,30; 29:5, 31:50; 35:33; Deuteronomium 21:8; 1 Kronieken 6:49; 2 Kronieken 29:24; Nehemia 10:33; Psalm 79:9; Ezechiël 16:63, 43:20, 45:15,17 (“verzoening doen” in religieuze zin) Exodus 30:12,15,16 (voor het “zoengeld”, letterlijk het “bedekken” dat van elke volwassen Israëliet werd geëist bij een volkstelling) Numeri 35:31,32 (voor het “losgeld”, letterlijk het “bedekken” dat de rechters van Israël van een doodslager niet mochten aannemen) Jozua 18:24 (beschutting, in de plaatsnaam “Kefar-Haämmoni”) 1 Samuël 6:18 (voor de “beschutting” die een dorpje bood) 1 Samuël 12:3, Amos 5:12 (voor het “bedekken” door middel van een steekpenning, dat een eerlijke rechter afwijst) 42 Job 33:24, 36:18; Psalm 49:8; Spreuken 6:35, 13:8, 21:18; Jesaja 43:3 (voor het “losgeld”, letterlijk “het bedekken”, dat het leven van een mens kon redden wanneer hij de toorn van een machthebber had opgewekt) Hooglied 1:14, 4:13 (voor “henna”, de struik van het “bedekken”) Jesaja 28:18 (voor het “uitgewist worden”, letterlijk “bedekt worden”, van Israëls verbond met de dood) Jesaja 47:11 (voor het “bedekken”, het tijdig repareren, van bederf) Samenvatting Nadat we alle Schriftplaatsen hebben geraadpleegd waar het werkwoord kaphar, de zelfstandige naamwoorden kopher, kapporeth, kippoerim, het werkwoord hilaskomai en de zelfstandige naamwoorden hilasmos en hilasterion voorkomen, kunnen we de balans opmaken. 1. De grondbetekenis van deze woorden is altijd: “bedekken”, “bedekking”, of “deksel”. Hoewel er in bijbelvertalingen over “verzoening” en “verzoenen” wordt gesproken hebben de Hebreeuwse en Griekse woorden kaphar en hilaskomai niets te maken met opheffing van vijandschap of herstel van de vriendschap in een relatie. In bijbelvertalingen zouden de woorden uit de hilaskomai groep moeten worden weergegeven als “bedekken”, zodat duidelijk wordt dat het hier over iets anders gaat dan in teksten waar het werkwoord katalassoo wordt gebruikt. Wanneer de bijbelschrijvers over verzoening spreken, gebruiken ze de werkwoorden katallassoo en apokatallassoo, of het zelfstandig naamwoord katallagè. 43
Page 44
2. Wanneer kaphar of hilaskomai een godsdienstige betekenis hebben, zijn het de zonden die worden weggenomen. Tekortkomingen worden opgeheven en onreinheden weggedaan, zodat mensen of voorwerpen worden “volmaakt”. Ze worden “gereinigd” doordat hun gebreken worden “bedekt”. 3. “Bedekking” mag niet worden opgevat als een goed werk van de mens, dat deze verricht om de toorn van God te sussen of om God gunstig te stemmen. De gedachte van zoenmiddelen die de toorn van de goden moeten afwenden is gangbaar in het heidendom. In Engelse bijbelvertalingen wordt hilasmos dikwijls weergegeven met “propitiation”: een middel om een toornige tegenpartij te sussen, of een hooggeplaatst iemand gunstig te stemmen. Kapporeth (of hilasterion) wordt dan vertaald als “propitiatory shelter”. Zo wordt het onderwijs van de Schrift met een heidens sausje overgoten. Volgens de Bijbel is “bedekking” een genadegave van God: “Hij [de HERE] gaf u het zondoffer om de ongerechtigheid der vergadering weg te nemen...” (Leviticus 10:17) “Ik [de HERE] heb het [bloed] u op het altaar gegeven om verzoening over uw zielen te doen” (Leviticus 17:11, letterlijk staat hier: als bedekking over uw zielen) “In slachtoffer en spijsoffer hebt Gij geen behagen.... brandoffer en zondoffer hebt Gij niet gevraagd” (Psalm 40:7) Mensen kunnen hun medemensen soms “sussen” door tijdig met een geschenk of een steekpenning over de brug te komen. Maar ze zijn niet in staat om hun zonde te bedekken. Voor hun rechtvaardiging zijn ze op Gods genadegave en ontferming aangewezen. “Bedekking” voorziet niet in een behoefte van Gód maar van de mens. 44 Het gebrek, het falen en de misstappen liggen voor honderd procent aan de menselijke kant. In de Bijbel gaat het niet over God die iets van de mens eist, maar over de almachtige Schepper die vanuit zijn liefde en barmhartigheid de tekortkomingen van de mens bedekt. 45
Page 48
leven te geven als losprijs voor velen’” (Mattheüs 20:25-28, vergelijk Markus 10:42-45) Uit deze tekst kunnen we afleiden, dat Jezus voor “velen” een losprijs heeft betaald, en dat die prijs bestond uit het geven van zijn leven. Luoo Het werkwoord luoo komt 48 keer voor. In vertalingen is het niet altijd op dezelfde wijze weergegeven. “Wie dan één van de kleinste dezer geboden [uit de wet of de profeten] ontbindt en de mensen zo leert, zal zeer klein heten in het Koninkrijk der hemelen...” (Mattheüs 5:19) Voor “ontbinden” staat in deze tekst het werkwoord luoo, dus “lossen” of “losmaken”. In de volgende tekst heeft luoo dezelfde betekenis: “Ik zal u de sleutels geven van het Koninkrijk der hemelen, en wat gij op aarde binden zult, zal gebonden zijn in de hemelen, en wat gij op aarde ontbinden zult, zal ontbonden zijn in de hemelen” (Mattheüs 16:19) “Binden” betekent in dit verband: bindend opleggen, en “ontbinden” (letterlijk: losmaken) niet langer opleggen, voortaan als facultatief beschouwen. Wat hier aan Petrus wordt beloofd, bracht de apostel in Handelingen 15:1-21 in praktijk. Ook in de volgende tekst gaat het om het al dan niet gebondenzijn aan bepaalde voorschriften en geboden: “Voorwaar, Ik zeg u, al wat gij op aarde bindt, zal gebonden zijn in de hemel, en al wat gij op aarde ontbinden zult, zal ontbonden zijn in de hemel” (Mattheüs 18:18) 48 Luoo werd niet alleen in godsdienstige zin gebruikt, maar ook als aanduiding van alledaagse handelingen: het “losmaken” van een os of een ezel die ergens was vastgebonden (Mattheüs 21:2, Markus 11:2,4,5, Lukas 13:15, 19:30,31,33), het “losmaken” van de riem van een sandaal (Markus 1:7, Lukas 3:16, Johannes 1:27, Handelingen 7:33, 13:25), het “losmaken” van iemands handen die vastgebonden waren (Johannes 11:44, Handelingen 22:30), het “loslaten” van een gevangene (Handelingen 24:26, Openbaring 9:14,15; 20:3,7), of het “loslaten” van het achterschip toen de scheepsromp door de kracht van een storm in tweeën brak (Handelingen 27:41). Het werkwoord kon betrekking hebben op het “losmaken” van de tong. De evangelieschrijver Markus beschrijft de genezing van een doofstomme man als volgt: “Terstond werd de band zijner tong los en hij sprak goed” (Markus 7:35) Jezus gebruikte hetzelfde woord voor het “losmaken” van de rug van een vrouw die achttien jaar verkromd was geweest: “Moest deze vrouw, die een dochter van Abraham is, welke de satan, zie, achttien jaar gebonden had, niet losgemaakt worden van deze band op de sabbatdag?” (Lukas 13:16) Over zijn eigen lichaam zei Hij tegen de Joodse leiders: “Breekt deze tempel af en binnen drie dagen zal Ik hem doen herrijzen” (Johannes 2:19) Feitelijk staat er: “Maak deze tempel los”. Indien de Farizeeën zich zouden bevrijden van die ergerlijke tempel van God in hun midden, door Jezus uit de weg te ruimen, dan zou de Messias hem binnen drie dagen doen herrijzen door uit de doden op te staan. In de Efezebrief gebruikt Paulus het werkwoord luoo voor het “losmaken” (= het buiten werking stellen) van een tussenmuur die scheiding maakt (Efeze 2:14). 49
Page 50
In de volgende teksten heeft het werkwoord luoo opnieuw betrekking op het “ontbinden” van geboden: “Hierom trachtten de Joden des te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen de sabbat schond, maar ook God zijn eigen Vader noemde en zich dus met God gelijkstelde” (Johannes 5:18) Voor het schenden van de sabbat staat in het Grieks letterlijk: “de sabbat losmaakte”. “Als een mens op sabbat de besnijdenis ontvangt, opdat de wet van Mozes niet verbroken worde, zijt gij dan op Mij vertoornd, omdat Ik op sabbat een gehele mens gezond gemaakt heb?” (Johannes 7:23) “De wet breken” is in de Griekse tekst “de wet losmaken”. Ook in de volgende tekst is dat het geval: “Als Hij hén goden genoemd heeft, tot wie het woord Gods gekomen is, en de Schrift niet kan gebroken worden, zegt gij dan tot Hem, die de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: Gij lastert, omdat Ik heb gezegd: Ik ben Gods Zoon?” (Johannes 10:35-36) Petrus gebruikte het werkwoord luoo toen hij een beschrijving gaf van de opstanding van Christus: “God evenwel heeft Hem opgewekt, want Hij verbrak de weeën van de dood, naardien het niet mogelijk was, dat Hij door hem werd vastgehouden” (Handelingen 2:24) Om Jezus te kunnen opwekken maakte God de banden van de dood los. Luoo werd ook gebruikt voor het “uitgaan” van de synagoge: “En na het uitgaan van de synagoge volgden velen van de Joden en de vereerders van God, die Jodengenoten waren, Paulus en Barnabas...” (Handelingen 13:43) 50 Lukas schrijft dat de groep mensen die op sabbat voor de eredienst bijeen was gekomen, zich had “losgemaakt” doordat ieder zijns weegs was gegaan. Het woord synagoge betekent “samenkomst”. Aan dat samenzijn kwam na enige tijd een einde doordat de vergadering werd “ontbonden”. Paulus gebruikte het woord luoo in verband met echtscheiding: “Zijt gij aan een vrouw verbonden? Zoek geen scheiding. Hebt gij geen vrouw meer? Zoek er geen” (1 Korinthe 7:27) In de Griekse tekst staat: “Bent u aan een vrouw verbonden? Zoek geen losmaking. Bent u van een vrouw losgemaakt? Zoek geen vrouw”. Petrus gebruikte luoo voor het “vergaan van de elementen door vuur” op de komende dag des Heren (2 Petrus 3:10,11,12). De nu bestaande verbanden zullen door vuur “losgemaakt” worden waarna de nieuwe wereld zal verschijnen. Johannes gebruikte luoo om het werk van Christus te beschrijven: “Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou” (1 Johannes 3:8) De duivel heeft de mensheid misleid en hen tot slaven van de zonde en de vergankelijkheid gemaakt. Maar Christus zal die knellende banden eens losmaken. “Wie is waardig de boekrol te openen en haar zegels te verbreken?... Ween niet, zie, de leeuw uit de stam Juda, de wortel Davids, heeft overwonnen om de boekrol en haar zeven zegels te openen” (Openbaring 5:2,5) In deze profetische voorzegging staat, dat de leeuw uit Juda de zegels van de boekrol mag “losmaken”. 51
Page 52
Samenvatting Onze voorlopige conclusie luidt, dat luoo losmaken betekent. Wanneer luoo (“lossen”) en lutron (“losprijs”) op Christus worden betrokken, gaat het om bevrijding van de mensheid uit de greep van de vergankelijkheid, de zonde en de dood. Om die bevrijding tot stand te brengen moest de Messias een hoge prijs betalen: de prijs van zijn eigen leven. 52 Apolutroosis Behalve het werkwoord luoo en het zelfstandig naamwoord lutron vinden we in het Nieuwe Testament nog het zelfstandig naamwoord apolutroosis. Het gaat daarbij om de “verlossing” of “in-vrijheid-stelling” die het gevolg is van het betalen van een losprijs. Bevrijding In de brief aan de Hebreeën spreekt de schrijver over mensen “die zich hebben laten folteren en van geen bevrijding [Gr. apolutrosis] wilden weten, opdat zij aan een betere opstanding deel mochten hebben” (Hebreeën 11:35). Mogelijk doelt hij hiermee op martelaren uit de Joodse geschiedenis die tijdens de regering van de Syrische koning Antiochus weigerden om op heidense manier te gaan leven. Indien ze als teken van loyaliteit een stukje varkensvlees hadden genuttigd, zou dat de “losprijs” zijn geweest voor hun leven. De bejaarde Eleazar en een moeder met zeven zonen weigerden dit echter. Zij werden op gruwelijke wijze gefolterd en verminkt maar bleven standvastig in hun trouw aan Gods verbond. Volgens het (apokriefe) tweede boek der Makkabeeën was de heldenmoed van de martelaren een gevolg van het feit dat zij wisten dat God hen in de toekomst zou opwekken. De tweede zoon zei tegen de vorst: “U beneemt ons nu wel het tegenwoordige leven, maar de Koning van de wereld zal ons na onze dood tot een nieuw, eeuwig leven opwekken” (2 Makkabeeën 7:9, NBV) 53
Page 54
De vierde zoon zei: “De dood door mensenhanden wordt begerenswaardig door de hoop die God ons geeft: dat hij ons weer zal opwekken” (2 Makkabeeën 7:14, NBV) En de moeder riep haar zonen toe: “De Schepper van de wereld, die aan de oorsprong staat van het ontstaan van de mens en die van alles het ontstaan heeft uitgedacht, zal jullie in zijn barmhartigheid de levensadem teruggeven” (2 Makkabeeën 7:23, NBV) “’Opstanding tot eeuwig leven” aan het begin van de toekomstige eeuw was beter dan het aanvaarden van rijkdom en eer uit handen van de Syrische machthebber, na op diens bevel Gods geboden te hebben overtreden. (2 Makkabeeën 7:24). Verlossing Jezus gebruikte het woord apolutroosis in een toespraak die Hij op de Olijfberg heeft gehouden. Nadat Hij had gesproken over “tekenen aan zon en maan en sterren, en op de aarde radeloze angst onder de volken vanwege het bulderen van zee en branding” zei Hij tegen zijn discipelen: “Wanneer deze dingen beginnen te geschieden, richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing genaakt” (Lukas 21:28) Wanneer het einde nadert van de “tijden der heidenen” (Lukas 21:24) en de aan Israël beloofde bevrijding voor de deur staat, zullen er zich angstaanjagende natuurverschijnselen voordoen. Alle uitverkorenen van dat volk zullen worden “verzameld uit de vier windstreken, van het ene uiterste der hemelen tot het andere” (Mattheüs 24:31) en “worden gesteld voor het 54 aangezicht van de Zoon des mensen” (Lukas 21:36). De Messias duidt het definitieve herstel van Israël aan als een “verlossing”, een bevrijding waarvoor een losprijs is betaald. Hoewel het voor de hand ligt om te denken aan de prijs van zijn eigen leven (Mattheüs 20:25-28) moeten we gezien het tekstverband denken aan de woorden van Jesaja: “Want Ik, de HERE, ben uw God, de Heilige Israëls, uw Verlosser; Ik geef Egypte, Ethiopië en Seba als losgeld in uw plaats. Omdat gij kostbaar zijt in mijn ogen en hooggeschat en Ik u liefheb, geef Ik mensen voor u in de plaats en natiën in ruil voor uw leven. Vrees niet, want Ik ben met u; Ik doe uw nakroost van het oosten komen en vergader u van het westen” (Jesaja 43:3-5). Om Israël uit haar verstrooiing te kunnen bevrijden zullen de volken – die Gods volk in ballingschap hebben gevoerd en zich tegen zijn oogappel hebben gekeerd – eens worden geoordeeld en door plagen worden getroffen. Voor de vrijheid van Israël zullen de naties een prijs moeten betalen. Greep van de zonde In zijn brieven geeft Paulus een definitie van de apolutroosis die Christus heeft bewerkt. De apostel schrijft: “En in Hem [d.i. Jezus Christus, Gods geliefde Zoon] hebben wij de verlossing door zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom zijner genade...” (Efeze 1:7) “Hij heeft ons getrokken uit de macht van de duisternis en overgezet in het Koninkrijk van de Zoon van zijn liefde. In Hem hebben wij de verlossing, door zijn bloed, namelijk de vergeving van de zonden” (Kolossenzen 1:13-14) 55
Page 56
Paulus omschrijft “verlossing” door Christus als “de vergeving van de overtredingen” (Gr. paraptoomatoon, misstappen, Efeze 1:7) of “de vergeving van de zonden” (Gr. hamartioon, doelmissingen, Kolossenzen 1:14). Wanneer wij het woord “vergeving” horen, denken we dat God ons onze misstappen niet langer toerekent en ons verleden door de vingers ziet. Maar dat is niet de betekenis van het woord aphesis in bovenstaande teksten. “Vergeving der zonden” is méér dan kwijtschelding van schuld of het niet-aanrekenen van overtredingen. Het is bevrijding uit de macht van de zonden, vrijlating uit de greep van het kwaad. Paulus omschrijft “vergeving der zonden” als redding uit de “macht der duisternis”. Zodat wij niet langer verblind en slaven van een kwade macht zijn, maar in dienst zijn gekomen van de gerechtigheid (vgl. Romeinen 6:17-18). Aphesis is afgeleid van het werkwoord aphiemi, dat “laten gaan” of “wegzenden” betekent. Wat het woord betekent blijkt uit de volgende bijbelteksten: “De Geest van de Heere is op Mij, omdat Hij Mij gezalfd heeft; Hij heeft Mij gezonden om aan armen het evangelie te verkondigen; om te genezen die gebroken van hart zijn, om aan gevangenen vrijlating te prediken en aan blinden het gezichtsvermogen, om verslagenen weg te zenden in vrijheid, om het jaar van het welbehagen van de Heere te prediken” (Lukas 4:18-19) Zó heeft Jezus zijn roeping verstaan (Lukas 4:21). Hij toonde het door een verlamde te genezen: “... opdat u zult weten dat de Zoon des mensen macht heeft op aarde om zonden te vergeven (zei Hij tegen de verlamde): Ik zeg u, sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis. En hij stond onmiddellijk voor hun ogen op...” (Lukas 5:24-25) 56 Aphesis betekent “vrijlating” van gevangenen en “wegzending” van verslagenen in vrijheid. De apolutroosis, of aphesis die Christus tot stand brengt houdt in dat wij niet langer gevangenen zijn. Door een verlamde man in één ogenblik te genezen liet Jezus zien dat “vergeving van zonden” een synoniem is van bevrijding uit de macht van de zonde. Lossing Wanneer een Israëliet ernstig verarmd was en niet meer in staat om in zijn eigen onderhoud te voorzien, kon hij zich als “bijwoner” of “dagloner” aan een volksgenoot of een niet-Joodse ingezetene van het land verkopen. Hij werd dan landarbeider en kreeg kost en inwoning voor zijn inspanningen (Leviticus 25:3940). Normaliter zou hij vrijkomen in het jubeljaar. Dat kon in het ergste geval betekenen dat hij nog negenenveertig jaar een lijfeigene bleef. Maar hij bezat het “recht van lossing”. Eén van zijn bloedverwanten mocht hem loskopen: zijn oom of neef, of het dichtstbijzijnde familielid. De hoogte van de prijs werd vastgesteld aan de hand van het aantal jaren dat er nog zou verstrijken tot aan het jubeljaar (Leviticus 25:47-55). Het bijbels spreken over “verlossing” is aan deze juridische praktijk ontleend. De mensheid heeft zich (in de hof van Eden) verkocht aan een vreemde overheerser (de dood met al haar gevolgen: vergankelijkheid, vruchteloosheid, doelmissing) en is daardoor in de macht van die vreemde gekomen. Maar een “naaste bloedverwant”, de “Zoon des mensen”, de “mens Christus Jezus” is ons te hulp gekomen en heeft voor ons de losprijs betaald. “Want er is één God en ook één middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, die zich gegeven heeft tot een losprijs voor allen...” (1 Timotheüs 2:5-6) 57
Page 58
Voor “losprijs” staat hier het unieke woord antilutron. Het is een combinatie van het voorzetsel anti en het gewone woord voor losprijs (lutron). Volgens Paulus heeft de mens Christus Jezus zich gegeven tot een losprijs voor allen. De prijs die Hij in zijn eentje heeft betaald is voldoende om allen vrij te kopen. In de brief aan de Romeinen geeft de apostel het volgende commentaar: “Want allen hebben gezondigd en derven [d.i. missen] de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus” (Romeinen 3:2324) Hier omschrijft Paulus “verlossing” als het terugkopen van iets dat de mens heeft verspeeld. Vanwege de ongehoorzaamheid van de eerste mens zijn alle mensen stervelingen geworden die de “heerlijkheid van God missen”. Ze zijn onderworpen aan lijden, ziekte, zwakheid, vergankelijkheid, aftakeling, vruchteloosheid en doelmissing. Het eigenlijke doel van hun bestaan bereiken ze niet. Maar zo zal het niet blijven. “Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden. Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods. Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om (de wil van) hem, die haar daaraan onderworpen heeft, in hope echter, omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods. Want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is. En niet alleen zij, maar ook wij zelf, die de Geest als eerste gave ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam” (Romeinen 8:18-23) 58 Dankzij de “loskoping” in Christus Jezus zullen alle stervelingen eens de heerlijkheid ontvangen die ze zo pijnlijk missen en waar hun hart naar hunkert. Eerst zullen de “zonen” of “kinderen Gods” worden bevrijd van de “dienstbaarheid” (= de slavernij) aan de vergankelijkheid, doordat zij een onvergankelijk lichaam ontvangen. Later zal ook de rest van de schepping in die verlossing mogen delen en worden “bevrijd tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God”, uit Gods genade. Gelovigen hebben Gods Geest ontvangen, als “eersteling” van de toekomstige “oogst” aan heerlijkheid (Romeinen 8:23), als “aanbetaling” die garandeert dat de beloofde som eens zal worden uitbetaald (Efeze 1:14) en als “zegel” dat hen voor de dag van de verlossing merkt (Efeze 4:30). Verlossing door Christus omvat: bevrijding uit de slavernij van de vergankelijkheid en bevrijding tot de heerlijkheid van God. 59
Page 60
60 (Ex)agorazoo Slaven die door betaling van een prijs zijn “verlost” zijn volgens de bijbelschrijvers “gekocht” en “betaald”. De koper heeft hen “verworven”. We vinden de beeldspraak van “kopen” of “vrijkopen” in acht teksten: “Vlucht weg van de hoererij. Elke zonde die een mens doet, blijft buiten het lichaam, maar wie hoererij bedrijft, zondigt tegen zijn eigen lichaam. Of weet u niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, die in u is en die u van God hebt ontvangen, en dat u niet van uzelf bent? U bent immers duur gekocht (Gr. agorazo). Verheerlijkt daarom God in uw lichaam en in uw geest, die van God zijn” (1 Korinthe 6:18-20) “Bent u als slaaf geroepen, dan moet u zich daarover niet bekommeren. Kunt u echter ook vrij worden, maak dan liever van die gelegenheid gebruik. Wie namelijk als slaaf geroepen is in de Heere, is een vrijgelatene van de Heere. Evenzo is hij die als vrije geroepen is, een slaaf van Christus. U bent duur gekocht (Gr. agorazo); word dus geen slaven van mensen” (1 Korinthe 7:21-23) “Maar er zijn ook valse profeten onder het volk geweest, zoals er ook onder u valse leraars zullen zijn, die heimelijk verderfelijke afwijkingen in de leer zullen invoeren. Daarmee verloochenen zij zelfs de Heere, die hen gekocht (Gr. agorazo) heeft, en brengen zij een snel verderf over zichzelf” (2 Pet.2:1) “U [d.i. het Lam] bent het waard om de boekrol te nemen en zijn zegels te openen, want U bent geslacht en hebt ons voor God gekocht (Gr. agorazo) met Uw bloed, uit elke stam, taal, volk en natie, en U hebt ons voor onze God gemaakt tot koningen en priesters, en wij zullen als koningen regeren over de aarde” (Openb.5:9-10) 61
Page 62
“En ik hoorde het geluid van citerspelers die op hun citers spelen. En zij zongen als een nieuw lied vóór de troon, vóór de vier dieren en de ouderlingen. En niemand kon dat lied leren behalve de honderdvierenveertigduizend, die van de aarde gekocht (Gr. agorazo) waren” (Openb.14:2-3) “Dezen zijn het die het Lam volgen waar het ook naartoe gaat. Dezen zijn gekocht (Gr. agorazo) uit de mensen, als eerstelingen voor God en het Lam” (Openb.14:4) “Christus heeft ons vrijgekocht (Gr. exagorazo) van de vloek van de wet door voor ons een vloek te worden, want er staat geschreven: Vervloekt is ieder die aan een hout hangt, opdat de zegen van Abraham in Christus Jezus tot de heidenen zou komen, en opdat wij de belofte van de Geest zouden ontvangen door het geloof” (Galaten 3:13-14) “Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God zijn Zoon uit, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, om hen die onder de wet waren, vrij te kopen (Gr. exagorazo), opdat wij de aanneming tot kinderen zouden ontvangen” (Gal.4:4-5) De gedachtengang in deze teksten is de volgende: 1. Koper was Christus (Gal.3:13), “de Heere” (2 Pet.2:1), “het Lam” (Openb. 5:9). Wie Hij heeft gekocht, werden zijn slaven (1 Kor.7:22). God heeft, door Jezus Christus, allen gekocht, zodat alle mensen zijn eigendom zijn geworden. Maar een heer kan verschillende groepen slaven hebben, voor verschillende functies. De 144.000 zijn Israëlieten (volgens Openb.7) en vormen de “heilige rest” van Israël waarover door de profeet Zefanja is gesproken (Zef.3:13, vgl. Openb.14:5). 2. De prijs die Hij betaalde was zijn dood aan het kruis. Hij werd gehangen aan een hout (Gal.3:13). Hij betaalde met zijn eigen bloed (Openb.5:9). Hij werd “geslacht” (Openb.5:9). 62 3. Christus was de vertegenwoordiger van een Ander. Hij kocht mensen “voor God” (Openb.5:9). Wie gekocht is, is niet “van zichzelf”, maar van Hem (1 Korinthe 6:20). God is zijn (of haar) rechtmatige Eigenaar (1 Korinthe 7:23). 4. Aangezien de Schepper kocht en via zijn Zoon betaalde werd de prijs niet aan Hem betaald. Gods Zoon betaalde de prijs aan wie (of wat) gevangen hield. Volgens de Bijbel werden wij vrijgekocht van “de vloek” (Gal.3:13), uit de macht van de dood (de sterfelijkheid of de vergankelijkheid) en uit de slavernij aan de zonde. Dood en zonde worden genoemd in de volgende teksten: “Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat Hij door de dood te niet zou doen hem, die de macht over [Gr: van] de dood had, dat is de duivel, en allen zou verlossen die uit vrees voor de dood hun hele leven door aan slavernij onderworpen waren” (Hebreeën 2:14-15, Telos) “Hem die geen zonde gekend heeft [de Messias] heeft Hij [God] voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem” (2 Korinthe 5:21) De Messias werd mens en stierf om de mensheid uit de greep van de dood en de zonde te kunnen bevrijden. 5. Wie God heeft gekocht (Gr. agorazo), is zijn eigendom (1 Kor.6:20) geworden en kan worden aangeduid als een “slaaf van Christus” (1 Kor.7:22). Maar wie God toebehoort is ook “vrijgekocht” (Gr. exagorazo). Wie in zijn dienst staat zucht niet onder een nieuw juk maar wordt verzorgd door de beste Heer die er bestaat. Een Heer die ons niet behandelt als slaven maar als zijn kinderen en erfgenamen, en ons opneemt in zijn eigen huis. Zo iemand is pas werkelijk “vrij”. Paulus hield de oudsten van Efeze voor dat God hen had vekregen: 63
Page 64
“Zie dan toe op uzelf en op heel de kudde, te midden waarvan de Heilige Geest u tot opzieners aangesteld heeft om de gemeente van God te weiden, die Hij verkregen heeft door zijn eigen bloed 3” (Hand.20:28) “In Hem zijt gij, toen gij gelovig werdt, ook verzegeld met de Heilige Geest der belofte, die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het volk, dat Hij zich verworven heeft 4, tot lof zijner heerlijkheid” (Efe.1:13-14) In deze teksten wordt het werkwoord peripoieomai of het zelfstandig naamwoord peripoiesis gebruikt. Daarmee wordt aangegeven, dat God onze Heer is omdat Hij ons door middel van aankoop heeft verworven. Wie Gods eigendom is geworden heeft zijn ware bestemming bereikt en is werkelijk vrij geworden. “Christus heeft ons vrijgekocht (exagorazoo) van de vloek van de wet door voor ons een vloek te worden” (Gal.3:13) “... Toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God zijn Zoon uit, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, om hen die onder de wet waren, vrij te kopen (exagorazoo), opdat wij de aanneming tot kinderen zouden ontvangen” (Gal.4:4-5) “Sta dan vast in de vrijheid waarmee Christus ons vrijgemaakt (eleutheroo) heeft, en laat u niet weer met een juk van slavernij belasten” (Gal.5:1) “Want u bent tot vrijheid (eleutheria) geroepen, broeders, alleen niet tot die vrijheid die aanleiding geeft aan het vlees; maar dient elkaar door de liefde” (Gal.5:13) 3 Of: het bloed van zijn Eigene. 4 In het Grieks staat slechts: “tot verlossing van het verworvene” (d.w.z. wat God heeft verworven). De woorden “Hij” en “volk” ontbreken in de grondtekst. 64 “En als u Hem als Vader aanroept Die zonder aanzien des persoons naar ieders werk oordeelt, wandel dan in de vreze des Heeren, gedurende de tijd van uw vreemdelingschap, in de wetenschap dat u niet met vergankelijke dingen, zilver of goud, vrijgekocht (lutroo) bent van uw zinloze levenswandel, die u door de vaderen overgeleverd is, maar met het kostbaar bloed van Christus, als van een smetteloos en onbevlekt Lam” (1 Pet.1:17-19) Uit het werkwoord “vrijgekocht” blijkt, dat God door zijn Messias een losprijs heeft betaald: de prijs van de diepste vernedering, de dood aan het kruis. Hij betaalde die prijs om ons te verlossen van een “zinloze levenswandel” (het voortdurende falen om zijn geboden volmaakt te houden), “de vloek van de wet”, en “vrees voor de dood”. Om ons zijn Geest te kunnen schenken, zodat we zijn kinderen en erfgenamen werden en in zijn gezin werden opgenomen. 65
Page 66
66 Samenvatting en conclusie In bijbelvertalingen zijn meerdere Griekse en Hebreeuwse woorden met “verzoenen” weergegeven. Omdat die woorden verschillende betekenissen hebben, is er verwarring ontstaan. De grondbetekenis van een eerste woordgroep is “verandering van vijanden in vrienden”, opheffing van wantrouwen, vijandschap en vervreemding van mensen ten opzichte van God en tussen mensen onderling. De woorden uit deze groep komen alleen voor in het Nieuwe Testament en binnen het Nieuwe Testament alleen in de brieven van Paulus. De grondbetekenis van de tweede woordgroep is “bedekken”. Bedekt worden de ongerechtigheden en zonden van mensen of in de eredienst gebruikte voorwerpen door middel van “reiniging”, dat wil zeggen: opheffing van hun gebreken, tekortkomingen en falen. De woorden uit deze groep worden zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament gebruikt. Een derde en laatste woordgroep houdt verband met “kopen” en het betalen van een “prijs”. God betaalde via zijn Zoon Jezus Christus een hoge prijs om mensen te kopen, waardoor ze zijn eigendom werden. Hij kocht hen vrij uit de harde slavernij van de zonde, de vruchteloosheid en de vergankelijkheid. In hun onderlinge samenhang openen deze woorden een geweldig toekomstperspectief. Er zal eens vrede heersen in de hele schepping. Van doelmissen of falen, gebreken of tekortkomingen zal er niet langer sprake zijn. Vruchteloosheid en vergankelijkheid zullen door heerlijkheid, kracht en onvergankelijkheid worden vervangen. Omdat hij dít toekomstperspectief bezat schreef Paulus dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet waard is vergeleken te worden met de 67
Page 70
70 Ultiem bewijs van Gods liefde Volgens de Bijbel is er een rechtstreeks verband tussen verzoening (Gr. katallagè) en het sterven van Christus aan het kruis. We lezen in de Schrift het volgende: “...als wij [d.z. de gelovigen], toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood van zijn Zoon...” (Romeinen 5:10) “...opdat Hij die beiden [d.z. Jood en heiden] in één lichaam met God zou verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft” (Efeze 2:16) “Want het heeft de Vader behaagd dat in Hem heel de volheid wonen zou, en dat Hij door Hem alle dingen met zichzelf verzoenen zou, door vrede te maken door het bloed van zijn kruis...” (Kolossenzen 1:19-20) “...en Hij heeft u, die voorheen vervreemd was en vijandig gezind, zoals bleek uit uw slechte daden, nu ook verzoend, in het lichaam van zijn vlees, door de dood...” (Kolossenzen 1:21-22) Gelovigen zijn volgens de apostel met God verzoend door de dood van zijn Zoon (Rom.5:10). Door het kruis doodt God de vijandschap (zowel de vijandschap die de mensheid koestert jegens Hem, als de vijandschap die Jood en heiden voor elkaar koesteren, Efe.2:16). Hij verzoent alles met zich door vrede te maken door het bloed van zijn kruis (Kol.1:20). De Messias heeft gelovigen met God verzoend “in het lichaam van zijn vlees” (in zijn sterfelijk en vergankelijk lichaam) “door de dood” (Kol.1:2122). Wat Paulus in deze brieven schreef roept bij eenentwintigsteeeuwse lezers vragen op. Wat is het verband tussen de gewelddadige dood die Christus stierf, het “bloed” dat vloeide 71
Page 72
aan het kruis, en onze verzoening? Hoe kan dat bloed “vrede maken”? Hoe “werkt” het kruis? Om op zulke vragen antwoord te krijgen is het noodzakelijk om andere Schriftplaatsen te raadplegen. Menselijke vijandschap Tijdens de kruisiging (en het schijnproces dat daaraan vooraf ging) bleek dat de mens, óók de godsdienstige mens, niet de rechtvaardige en goede persoon is waarvoor hij zich houdt. In de rechtszalen van Jeruzalem en op de heuvel Golgotha werd de vijandschap van de mensheid tegenover God op schokkende wijze zichtbaar. En openbaarde zich het menselijk falen. Welopgevoede en verfijnde mensen bleken tot elke ruwheid in staat. Zelfs de allerstrengste godsdienstige leiders begonnen te lasteren en te honen (Mattheüs 27:39-43, Markus 15:29-32, Lukas 23:35). Hooggeplaatsten mishandelden een weerloze gevangene (Mattheüs 26:67, Markus 14:65). Alom gerespecteerde theologen bleken spotters te zijn die de waarheid van God verachtten (Mattheüs 26:68, 27:3-4; Lukas 22:63-65). Ze gedroegen zich als onbehouwen soldaten (Mattheüs 27:27-32, Markus 15:16-20, Lukas 23:36). De handhavers van waarheid en recht pleegden afschuwelijk onrecht – Pilatus, Herodes, de hogepriester, de schriftgeleerden en de oudsten (Mattheüs 26:59-60, 27:17-18,26; Markus 15:15; Lukas 23:2, 23:11,14-15,25; Johannes 18:38, vgl. 19:16). Petrus, de rotsman, werd aan het wankelen gebracht door een eenvoudig dienstmeisje en wilde niets meer met zijn Heer te maken hebben (Mattheüs 26:69-75, Markus 14:66-72, Lukas 22:54-62, Johannes 18:15-27). Alle discipelen die plechtig hadden beloofd dat ze hun rabbi nóóit in de steek zouden laten sloegen in een oogwenk op de vlucht (Mattheüs 26:56, Markus 14:50). 72 Het kruis laat zien dat zelfs een volmaakte wet de mens niet goed kan maken (Galaten 2:16, 2:21, 3:11). Waar mensen door eigen inspanningen vroom of goed menen te kunnen worden dwalen ze het verst van God af. IJveraars voor de wet zijn de felste vijanden van het kruis (Filippenzen 3:18). Geen wonder dat de boodschap van het kruis voor (godsdienstige) Joden een aanstoot en voor (hoogopgeleide) Grieken een dwaasheid is (1 Korinthe 1:23). Het kruis brengt aan het licht dat onderwijs en cultuur het innerlijk van de mens niet kunnen verbeteren. Zodra de omstandigheden ongunstig worden, blijkt beschaving slechts een dun vernisje te zijn dat een hart vol dierlijke instincten bedekt. Duizend jaar eerder had David al geprofeteerd wat er met de Messias zou gebeuren. Hij beschreef de ervaringen van Christus aan het kruis, hoe God Hem zou overgeven in de handen van zijn vijanden en Hem zou verlaten: “Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen en veracht door het volk. Allen die mij zien, bespotten mij, zij trekken de lip op, zij schudden het hoofd en zeggen: Hij heeft zijn zaak aan de HEERE toevertrouwd – laat Die hem bevrijden, laat Die hem redden, als Hij hem genegen is!” (Psalm 22:7-9) Hoewel kruisiging als executiemiddel in zijn tijd nog niet bestond, beschreef de psalmist de lichamelijke gevolgen van een kruisiging tot in de kleinste details (doorboring van de handen en de voeten, bloedverlies, uitdroging, brandende dorst, ontwrichting van alle beenderen). Hij voorzegde hoe de 73
Page 74
soldaten de gewaden van de Gekruisigde zouden verdobbelen (Mattheüs 27, Markus 15, Lukas 23, Johannes 19). En hij duidde de moordenaars aan als heidenen (want “honden” is in de Bijbel beeldspraak voor “heidenen”, zie Mattheüs 15:26-27, Markus 7:27-28). “Vele stieren hebben mij omringd, sterke stieren van Basan hebben mij omsingeld, zij hebben hun muil tegen mij opengesperd als een verscheurende en brullende leeuw. Als water ben ik uitgestort ontwricht zijn al mijn beenderen; mijn hart is als was, het is gesmolten diep in mijn binnenste. Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; U legt mij in het stof van de dood. Want honden hebben mij omsingeld, een horde kwaaddoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorboord. Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; en zij, zij zien het aan, zij kijken naar mij. Zij verdelen mijn kleding onder elkaar en werpen het lot om mijn gewaad” (Psalm 22:13-19) Psalm 22 schildert de kruisiging als het dieptepunt van menselijke vijandschap. Smaad, spot, hoon, venijn, woede, wreedheid, onverschilligheid en leedvermaak zouden zich op de heuvel Golgotha in volle hevigheid openbaren. 74 Bewijs van Gods liefde In Romeinen 5, Efeze 2 en Kolossenzen 1 gebruikt Paulus de Griekse woorden katallassoo en katallagè (“verzoenen” en “verzoening”). Daarbij gaat het om een handeling van God. Hij heft het wantrouwen en de vijandschap op die er aan de kant van de mens bestaan (zie pag. 6 tot 10). Volgens de Bijbel bewees God door het kruis zijn liefde. Door het kruis heeft de Schepper laten zien dat Hij niet de vijand is waarvoor de mens Hem houdt: “Want niet licht zal iemand voor een rechtvaardige sterven – maar misschien heeft iemand nog de moed voor een goede te sterven – God echter bewijst zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is” (Romeinen 5:7-8) De Messias, die het Beeld van God is, de zichtbare uitdrukking van Gods karakter, was bereid om te sterven – niet voor zijn vrienden maar voor zijn vijanden. Niet voor goede mensen maar voor slechte. Niet voor trouwe volgelingen, maar voor opstandige rebellen die lijnrecht tegen Gods wil ingingen, voor goddelozen (Romeinen 5:6). Voor de smaders en de spotters, de sadisten en de onverschilligen, voor zijn eigen moordenaars, die wreedheid op wreedheid stapelden, en die vol leedvermaak naar het hoopje ellende aan het kruis keken. Ook Johannes merkt op dat God door het kruis zijn liefde bewees: “Hierin is de liefde, niet dat wij Gód hebben liefgehad, maar dat Hij óns heeft liefgehad en zijn Zoon heeft gezonden als zoenoffer voor onze zonden” (1 Johannes 4:10, Telos) “Want zo lief heeft God de wereld gehad dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft...” (Johannes 3:16) 75
Page 76
In een andere brief beschrijft Paulus de “werking” van het kruis als volgt: “Want de liefde van Christus dringt ons, die tot dit oordeel gekomen zijn: als één voor allen gestorven is, dan zijn zij allen gestorven.... En dit alles is uit God, die ons met zichzelf verzoend heeft door Jezus Christus, en ons de bediening van de verzoening gegeven heeft. God was het namelijk die in Christus de wereld met zichzelf verzoende, en aan hen hun overtredingen niet toerekende; en Hij heeft het woord van de verzoening in ons gelegd” (2 Korinthe 5:14-15,18-19) De apostel zegt, dat de liefde van Christus zich openbaarde in zijn bereidheid om voor allen te sterven. Aan het kruis bleek dat God liefde is. Toen de wereld haar ernstigste misdaad beging, toen zij haar eigen Overste op grond van valse beschuldigingen “veroordeelde” en Hem “buitenwierp” door Hem aan het hout te nagelen (Johannes 12:31), toen rekende God zijn vijanden deze overtredingen niet toe (2 Korinthe 5:19). Sterker nog, van deze gerechtelijke moord maakte Hij een bron van leven en van deze ergste zonde van alle maakte Hij het middel om de wereld van zonde te bevrijden: “Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem” (2 Korinthe 5:21) Het eindresultaat Het eindresultaat van Gods handelen wordt in Psalm 22 als volgt beschreven: “Alle einden der aarde zullen eraan denken en zich tot de HEERE bekeren; 76 alle geslachten van de heidenvolken zullen zich voor uw aangezicht neerbuigen. Want het koningschap is van de HEERE, Hij heerst over de heidenvolken. Alle groten der aarde zullen eten en zich neerbuigen; allen die in het stof neerdalen en hun ziel niet in het leven kunnen behouden, zullen voor zijn aangezicht neerbukken. Het nageslacht zal Hem dienen, en aan de HERE toegeschreven worden tot in generaties; Zij zullen komen en zijn gerechtigheid verkondigen aan het volk dat geboren zal worden, want Hij heeft het gedaan” (Psalm 22:28-32) In deze Psalm beluisteren we wat Paulus later als volgt zou verwoorden: “En in gedaante als een mens bevonden, heeft Hij [d.i. Christus Jezus] zichzelf vernederd en is gehoorzaam geworden, tot de dood, ja, tot de kruisdood. Daarom heeft God Hem ook bovenmate verhoogd en heeft Hem een Naam geschonken boven alle naam, opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen elke knie van hen die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn, en elke tong zou belijden dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid van God de Vader” (Filippenzen 2:8-11) “Want het heeft de Vader behaagd dat in Hem heel de volheid wonen zou, en dat Hij door Hem alle dingen met zichzelf verzoenen zou, door vrede te maken door het bloed van zijn kruis, ja door Hem, zowel de dingen die op de aarde zijn als de dingen die in de hemelen zijn” (Kolossenzen 1:19-20) 77
Page 78
Conclusie Het kruis is niet de plaats waar God het kwaad van de wereld heeft bestraft. Volgens de Bijbel is het juist de plaats waar God de wereld haar overtredingen niet toerekende (2 Korinthe 5:19). God liet door het kruis zien hoe vijandig de wereld is, terwijl Hij die vijandschap beantwoordde met liefde. Hij zal het kwade overwinnen door het goede, door vurige kolen op het hoofd van de kwaaddoeners te stapelen (Romeinen 12:20-21, vgl. Mattheüs 27:54, Markus 15:39, Lukas 23:47-48). Via het kruis en de daarop volgende opstanding van Christus toonde de HERE zijn gerechtigheid (Psalm 22:32): zijn liefde en trouw en zijn voornemen om de mensheid uit de slavernij van de vergankelijkheid te bevrijden. 78 Dieptepunt van menselijke vijandschap Volgens de christelijke theologie werd aan het kruis Gods toorn over de zonde openbaar en werd de gramschap van de Schepper gestild door een onschuldige Plaatsvervanger. De Bijbel spreekt in verband met het kruis echter nooit over Gods toorn, maar altijd over de toorn van mensen, vooral de godsdienstige leiders van Israël. In de zogenaamde “aankondigingen van het lijden” sprak de Heere Jezus over de haat van zijn vijanden. En in het boek Handelingen is vastgelegd wat de apostelen over het kruis zeiden. De eerste lijdensaankondiging Nadat Hij aan zijn discipelen had gevraagd: “Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben?” en Petrus had verklaard: “Gij zijt de Christus”, verbood Jezus hen nadrukkelijk om met iemand hierover te spreken (Markus 8:29-30): “En Hij begon hun te onderwijzen dat de Zoon des mensen veel moest lijden en verworpen worden door de oudsten en de overpriesters en de schriftgeleerden en gedood worden en na drie dagen opstaan” (Markus 8:31). Mattheüs heeft dezelfde gebeurtenis als volgt weergegeven: “Van toen aan begon Jezus zijn discipelen te laten zien dat Hij naar Jeruzalem moest gaan en veel zou moeten lijden van de kant van de oudsten en de overpriesters en de schriftgeleerden, en dat Hij gedood zou worden en op de derde dag zou worden opgewekt” (Mattheüs 16:21) 79
Page 80
Lukas schrijft: “Hij zei: De Zoon des mensen moet veel lijden en verworpen worden door de oudsten, overpriesters en schriftgeleerden, en Hij moet gedood worden en op de derde dag opgewekt worden” (Lukas 9:22). Jezus zei niet, dat Hij moest zuchten onder de toorn van God. Hij voorzag lijden dat zou worden verzoorzaakt “door de oudsten, de overpriesters en de schriftgeleerden”. De leiders van Israël zouden Hem verwerpen en Hem doen lijden. “Van hun kant” was het lijden afkomstig. De tweede lijdensaankondiging Na het verblijf op de berg, waar Petrus, Jakobus en Johannes de toekomstige heerlijkheid hadden gezien, de verschijning van het koninkrijk Gods met kracht (Markus 9:1-29), sprak Jezus opnieuw over de gewelddadige dood die Hem te wachten stond. Hij zei tegen hen: “De Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen van mensen en zij zullen Hem doden, en nadat Hij gedood is, zal Hij op de derde dag opstaan” (Markus 9:31) Mattheüs heeft deze waarschuwing als volgt weergegeven: “De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen der mensen, en zij zullen Hem doden, maar op de derde dag zal Hij opgewekt worden” (Mattheüs 17:22-23) Lukas schrijft: “Laat deze woorden tot uw oren doordringen, want de Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen van mensen” (Lukas 9:44) 80 “Deze woorden” slaat terug op het voorafgaande waar Christus tegen zijn volksgenoten had gezegd: “O ongelovig en ontaard geslacht, hoe lang zal Ik nog bij u zijn en u verdragen?” (Lukas 9:41) Mensen zouden de Messias ter dood brengen. Zij zouden hun woede op Hem koelen – niet God. De derde lijdensaankondiging Toen het reisgezelschap Jeruzalem was genaderd, nam Jezus zijn discipelen apart en kondigde voor de derde keer aan wat er met Hem zou gaan gebeuren. Hij zei: “Zie, wij gaan op naar Jeruzalem en de Zoon des mensen zal aan de overpriesters en de schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen en Hem aan de heidenen overleveren. En zij zullen Hem bespotten en Hem geselen en Hem bespuwen en Hem doden, en op de derde dag zal Hij weer opstaan” (Markus 10:33-34) Mattheüs schrijft: “Zie, wij gaan naar Jeruzalem en de Zoon des mensen zal aan de overpriesters en schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen; en zij zullen Hem aan de heidenen overleveren om Hem te bespotten en te geselen en te kruisigen; maar op de derde dag zal Hij opgewekt worden” (Mattheüs 20:18-19) Bij Lukas lezen we: “Zie, wij gaan naar Jeruzalem en alles wat geschreven is door de profeten zal aan de Zoon des mensen volbracht worden. Want Hij zal aan de heidenen worden overgeleverd en bespot worden en smadelijk behandeld en bespuwd worden, en zij zullen Hem 81
Page 82
doden, nadat zij Hem gegeseld hebben, en op de derde dag zal Hij weer opstaan” (Lukas 18:31-33) De voorzeggingen van Christus werden steeds specifieker. De leiders van Israël zouden Hem ter dood veroordelen. Maar heidenen, dus niet-Joden, zouden hem mishandelen en het vonnis voltrekken, door middel van kruisiging. Opnieuw horen we dat mensen de Messias zouden doden. Heel de mensheid zou erbij betrokken zijn, niet alleen Joden maar ook heidenen. De Pinksterdag Toen Jezus was opgestaan uit de doden, ten hemel was gevaren en de Geest op zijn wachtende leerlingen had uitgestort, hield Petrus een vlammende toespraak. Daarbij merkte hij op: “Israëlitische mannen, luister naar deze woorden: Jezus, de Nazarener, een man die u van Godswege aangewezen is door krachten, wonderen en tekenen, die God in uw midden door Hem gedaan heeft, zoals u ook zelf weet, deze Jezus, die overeenkomstig het vastgestelde raadsbesluit en de voorkennis van God overgegeven is, hebt u gevangen genomen en door de handen van onrechtvaardigen aan het kruis gespijkerd en gedood. God heeft Hem echter doen opstaan...” (Handelingen 2:22-24) Petrus herhaalde wat zijn Meester had voorzegd. “Israëlitische mannen” namen Jezus gevangen en doodden Hem, maar zij lieten het vuile werk doen “door de handen van onrechtvaardigen”, Romeinen aan wie de wet van Mozes niet was gegeven. Ondanks de vele krachten, wonderen en tekenen die Hij in opdracht van God had gedaan verwierpen, bespotten en bespuwden zij de Man uit Nazareth. Het kruis was een uiting van menselijke vijandschap en haat, van de toorn van Israëls leiders – niet van de toorn van God. Mensen nagelden Jezus aan 82 het kruis. God echter wekte Hem op. Mensen brachten Hem ter dood, God maakte Hem levend. De apostel vervolgt: “Deze Jezus heeft God doen opstaan, waarvan wij allen getuigen zijn. Hij dan, die door de rechterhand van God verhoogd is en de belofte van de Heilige Geest ontvangen heeft van de Vader, heeft dit uitgestort, wat u nu ziet en hoort... Laat dan heel het huis van Israël zeker weten dat God Hem tot Here en Christus gemaakt heeft, namelijk deze Jezus, die u gekruisigd hebt” (Handelingen 2:32,33,36) De beschuldiging van Petrus was glashelder: Jullie hebben Jezus gekruisigd, maar God heeft Hem opgewekt, verhoogd, en Hem het koningschap gegeven. Door zijn opstanding uit de doden is Hij de Messias geworden. De zuilengang van Salomo Na de genezing van een verlamde bij de Schone Poort van de tempel hield Petrus opnieuw een toespraak, om aan het volk uit te leggen wat er had plaatsgevonden. Daarbij zei hij: “De God van Abraham, Izak en Jakob, de God van onze vaderen, heeft zijn kind Jezus verheerlijkt, die u hebt overgeleverd. U hebt Hem verloochend vóór Pilatus, toen die oordeelde dat men Hem zou loslaten. U echter hebt de Heilige en Rechtvaardige verloochend en gevraagd dat u een moordenaar geschonken zou worden, maar de Vorst van het leven hebt u gedood, die God uit de doden opgewekt heeft, waarvan wij getuigen zijn. En zijn naam heeft deze man, die u ziet en kent, sterk gemaakt door het geloof in zijn naam. En het geloof dat er is door Hem, heeft hem in aanwezigheid van u allen deze volkomen gezondheid gegeven” (Handelingen 3:13-16) 83
Page 84
Weer is het: u hebt Jezus overgeleverd en verloochend, u hebt hem verworpen en gedood. Maar God heeft hem opgewekt uit de doden. Toen Petrus vanwege de genezing en de daarop volgende toespraak voor de Joodse raad werd gebracht, herhaalde hij wat hij tegen het volk had gezegd: “Leiders van het volk en oudsten van Israël! Wanneer wij vandaag ondervraagd worden over de weldaad aan een zieke man bewezen, waardoor hij gezond geworden is, laat het dan bij u allen en bij heel het volk Israël bekend zijn dat door de naam van Jezus Christus, de Nazarener, die u gekruisigd hebt maar die God uit de doden opgewekt heeft, dat door Hem deze man hier gezond voor u staat” (Handelingen 4:8-10) Opnieuw lezen we: u hebt Jezus gekruisigd, maar God heeft hem uit de doden opgewekt. Later in het boek Handelingen Hetzelfde geluid klinkt in de rest van het boek Handelingen. Tegen de Joodse raad zei Petrus: “De God van onze vaderen heeft Jezus opgewekt, die u omgebracht hebt door hem aan een hout te hangen; deze Jezus heeft God door zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker; om Israël bekering te geven en vergeving van zonden” (Handelingen 5:30-31) In het huis van de Romein Cornelius sprak de apostel: “En wij zijn getuigen van alles wat Hij [d.i. Jezus] gedaan heeft, zowel in het Joodse land als in Jeruzalem. Zij hebben Hem gedood door Hem aan een hout te hangen. Deze heeft God opgewekt op de derde dag en Hij heeft gegeven dat Hij zou verschijnen, niet 84 aan heel het volk, maar aan de getuigen die door God tevoren verkozen waren, aan ons namelijk, die met Hem gegeten en gedronken hebben, nadat Hij uit de doden opgestaan was” (Handelingen 10:39-41) Paulus sprak op dezelfde manier over het kruis als Petrus: “...Want de inwoners van Jeruzalem en hun leiders, die Hem niet kenden, hebben door Hem te veroordelen de uitspraken van de profeten vervuld, die iedere sabbat voorgelezen worden. En hoewel zij geen reden voor zijn dood vonden, vroegen zij Pilatus Hem te laten doden. En toen zij alles volbracht hadden wat er over Hem geschreven was, namen zij Hem van het hout af en legden Hem in het graf. Maar God heeft Hem uit de doden opgewekt...” (Handelingen 13:27-30) Volgens Paulus waren het Pilatus en de oudsten van Israël die Jezus aan het kruis nagelden en Hem ter dood brachten. Maar God wekte Hem na drie dagen op uit de doden. Bijbels spreken over het kruis Uit bovenstaande citaten blijkt, hoe de Bijbel spreekt over het kruis. Het kruis was géén wraakoefening van God, géén plek waar een toornige Schepper genoegdoening eiste. Volgens de Schrift waren het mensen, die Jezus haatten, Hem op grond van valse beschuldigingen ter dood veroordeelden en Hem lieten kruisigen. Het kruis was een uiting van menselijke vijandschap jegens God. De Schepper hield zich verborgen en rekende de mensheid haar overtredingen niet toe (2 Korinthe 5:19). Van toorn of wraak van zijn kant was er geen sprake. Gods hand openbaarde zich pas drie dagen later. Hij wekte zijn Zoon op uit de doden, en stelde Hem tot “Heer en tot Christus” 85
Page 90
2. Wanneer een aardse rechter in plaats van een misdadiger een onschuldige straft, dan wordt dit beschouwd als een wandaad. God denkt er ook zo over. Want Hij heeft tegen het volk Israël gezegd: “Gij zult het recht van de arme onder u in zijn rechtsgeding niet buigen... De onschuldige en de rechtvaardige moogt gij niet doden...” (Exodus 23:6-7) Omdat God een volmaakt rechtvaardige Rechter is, zal Hij de rechtvaardige nóóit doden. De bewering dat Hij zijn onschuldige Zoon de doodstraf heeft opgelegd, is met Exodus 23:7 in strijd. 3. Wanneer een aardse rechtbank in het geval van een ernstig misdrijf afziet van strafvervolging, omdat de rechters zijn omgekocht, dan wordt dit beschouwd als een schandaal. De HEERE is het daarmee eens. Want Hij heeft in zijn woord gezegd: “Ik verklaar de schuldige niet rechtvaardig” (Exodus 23:7, vgl. 34:6-7) Hoewel de HEERE nadrukkelijk verklaart dat Hij de schuldige onder geen beding rechtvaardig zal verklaren, beweren vele christenen dat Hij dit in het geval van schuldige gelovigen wél doet omdat zijn Zoon voor hun zonden heeft betaald. 4. In de Bijbel heeft God verklaard dat het plaatsvervangend dragen van een straf onmogelijk is: “De ziel die zondigt, die zal sterven. Een zoon zal niet mede de ongerechtigheid van de vader dragen, en een vader zal niet mede de ongerechtigheid van de zoon dragen. De gerechtigheid van de rechtvaardige zal alleen rusten op hemzelf en de goddeloosheid van de goddeloze zal alleen rusten op hemzelf” (Ezechiël 18:20) 90 Als de HEERE zegt, dat “de gerechtigheid van de rechtvaardige alleen zal rusten op hemzelf”, hoe kunnen christenen dan beweren dat Christus onrechtvaardigen bekleedt met zijn gerechtigheid? De profeet Jesaja heeft over de Messias gezegd: “Door zijn kennis zal mijn knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken” (Jesaja 53:11) Rechtvaardig maken door kennis, door middel van onderwijs dat de Knecht zijn leerlingen zou geven, is iets heel anders dan rechtvaardig maken door de straf voor andermans zonde te dragen. Weliswaar vervolgt Jesaja zijn betoog door te zeggen: “en hun ongerechtigheden zal Hij dragen” (Jesaja 53:11), maar deze woorden van de profeet hebben betrekking op het feit, dat de Messias door Joden en heidenen tot een afschuwelijk lijden en sterven werd veroordeeld terwijl zij heel goed wisten dat Hij onschuldig was. 5. Plaatsvervanging houdt in dat iemand in plaats van een ander een bepaald lot op zich neemt zodat die ander dat lot bespaard blijft. Een jongere broer kon vroeger in plaats van een oudere in het leger gaan en diens dienstplicht vervullen. De oudere broer kon in zo’n geval thuis blijven en het familiebedrijf in stand houden. In zijn woord heeft God gezegd: “De ziel die zondigt, die zal sterven” (Ezech. 18:20) Wanneer Christus plaatsvervangend voor ons zou zijn gestorven, zou dat betekenen dat wij dankzij Hem niet meer behoeven te sterven. Maar ook ná Golgotha moeten alle mensen nog steeds sterven. We zien dat dagelijks om ons heen gebeuren. Hoe is dat mogelijk, als de Messias plaatsvervangend voor ons gestorven is? 6. Voorstanders van de leer van plaatsvervanging beweren dat de Messias niet het loon van de zonde: de dood, maar de “eeuwige straf” heeft gedragen. Met die bewering wordt het 91
Page 92
probleem echter vergroot. Want onze Heer is nooit in de “poel des vuurs” geworpen 6. En Hij is niet dood gebleven, maar na drie dagen met een onvergankelijk lichaam uit de doden opgestaan. Een “eeuwige straf” (in de zin van een “eindeloze straf”) kan Hij niet op Zich hebben genomen. 7. Zulke voorstanders beweren ook, dat het sterven van de Messias oneindige waarde had, aangezien Hij geen gewoon mens was maar “God de Zoon”. Die bewering is echter met de Bijbel in strijd. Want God heeft volgens de Schrift onsterfelijkheid (1 Timotheüs 6:15), Hij kan niet sterven. En in de Bijbel wordt Christus “de Zoon van God” en “mens” genoemd, maar nóóit aangeduid als “God de Zoon”. Deze bewering voert ons op een dwaalspoor. Lijden Jezus heeft zijn discipelen niet voorgehouden dat zijn lijden plaatsvervangende betekenis had. Integendeel, Hij riep hen op om dezelfde weg te gaan als Hij: “Als iemand achter Mij aan wil komen, moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen. Want wie zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen, maar wie zijn leven zal verliezen om Mij, die zal het vinden” (Mattheüs 16:2425, Markus 8:34-35, Lukas 9:23-24) “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij alleen, maar als hij sterft, draagt hij veel vrucht. Wie zijn leven liefheeft, zal het verliezen, en wie zijn leven haat in de wereld, zal het behouden tot het eeuwige leven. Als 6 De zinsnede “nedergedaald ter helle”, die voorkomt in de Apostolische Geloofsbelijdenis, is een foutieve weergave van het Griekse origineel. In de oorspronkelijke versie van deze belijdenis staat: “nedergedaald in de hades”. De hades is het ongeziene, de sfeer waarin de gestorvenen zich bevinden. 92 iemand Mij dient, laat Hij mij volgen, en waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn” (Johannes 12:24-26) Bij een andere gelegenheid zei Hij: “De discipel staat niet boven de meester en de slaaf niet boven zijn heer. Het moet genoeg zijn voor de discipel dat hij wordt zoals zijn meester en dat de slaaf wordt zoals zijn heer. Als ze de heer van het huis Beëlzebul genoemd hebben, hoeveel te meer zijn huisgenoten!” (Mattheüs 10:24-25, vgl. Lukas 6:40, Johannes 13:16) “Een slaaf is niet meer dan zijn heer. Als zij Mij vervolgd hebben, zullen zij ook u vervolgen” (Johannes 15:20) Ook Paulus sprak over navolging van de Messias in het lijden: “En als wij kinderen zijn, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus; wanneer wij althans met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden” (Romeinen 8:17) “Weest navolgers van mij, zoals ik navolger van Christus ben” (1 Korinthe 11:1) “Ook bent u navolgers geworden van ons en van de Heere, toen u het woord aannam temidden van veel verdrukking, met blijdschap van de Heilige Geest” (1 Thessalonicenzen 1:6) “...opdat ik Hem mag kennen, en de kracht van zijn opstanding en de gemeenschap met zijn lijden, doordat ik aan zijn dood gelijkvormig word, om hoe dan ook te komen tot de opstanding van de doden” (Filippenzen 3:10-11) Petrus hield zijn lezers voor dat ze op lijden moesten rekenen: “Geliefden, laat de hitte van de verdrukking onder u, die tot uw beproeving dient, u niet bevreemden, alsof u iets vreemds overkwam. Maar verblijd u naar de mate waarin u gemeenschap 93
Page 94
hebt aan het lijden van Christus, opdat u zich ook in de openbaring van zijn heerlijkheid mag verblijden en verheugen” (1 Petrus 4:12-13) In verband met het lijden van Christus benadrukt de Bijbel dus niet de plaatsvervanging maar de navolging. Een Leidsman (geen Plaatsvervanger) Aangezien de Bijbel over navolging spreekt, wordt de Messias in Gods Woord niet onze Plaatsvervanger genoemd, maar onze Leidsman (Gr. archegos) of Voorloper (Gr. prodromos) – de Aanvoerder die ons voorgaat op de weg. “... de Leidsman 7 ten leven hebt gij gedood, maar God heeft Hem opgewekt uit de doden...” (Handelingen 3:15) De genezing van de kreupele man bij de Schone Poort van de tempel was een “teken”. Zoals die bedelaar vanaf zijn geboorte kreupel was geweest en in één ogenblik gezond werd, zo zal Israël door de Messias, Jezus, in één ogenblik volkomen “heel” worden wanneer men zijn vertrouwen vestigt op Hem. “De God onzer vaderen heeft Jezus opgewekt, die gij hebt gehangen aan een hout en omgebracht; Hem heeft God door zijn rechterhand verhoogd, tot een Leidsman 8 en Heiland om Israël bekering en vergeving van zonden te schenken” (Handelingen 5:30-31) 7 De Statenvertalers hebben archegos met “vorst” weergegeven. In het Hebreeuws is een vorst namelijk iemand die aan het “hoofd” van zijn volk gaat en “voorop loopt” (bijvoorbeeld in de strijd). 8 In het Grieks staat hier weer het woord archegos. 94 De Messias werd niet verhoogd voor zichzelf alleen: het is Gods bedoeling om via Hem heel Israël terug te brengen en uit de greep van de zonde te bevrijden. “Want het voegde Hem, om wie en door wie alle dingen bestaan, dat Hij, om vele zonen tot heerlijkheid te brengen, de Leidsman 9 hunner behoudenis door lijden heen zou volmaken” (Hebreeën 2:10) “Haar [deze hoop] hebben wij als een anker der ziel, dat veilig en vast is, en dat reikt tot binnen het voorhangsel, waarheen Jezus voor ons als Voorloper 10 is binnengegaan, naar de ordening van Melchizedek hogepriester geworden in eeuwigheid” (Hebreeën 6:19-20) De Voorloper is niet “in onze plaats” binnengegaan – om te voorkómen dat wij er zouden binnentreden, maar “voor ons”: om voor ons de weg te banen en de deur open te houden! “Daar wij dan, broeders, volle vrijmoedigheid bezitten om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, langs de nieuwe en levende weg, die Hij ons ingewijd heeft, door het voorhangsel, dat is, zijn vlees, en wij een grote priester over het huis Gods hebben, laten wij toetreden met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, met een hart, dat door besprenging gezuiverd is van besef van kwaad, en met een lichaam, dat gewassen is met zuiver water. Laten wij de belijdenis van hetgeen wij hopen onwankelbaar vasthouden, want Hij, die beloofd heeft, is getrouw” (Hebreeën 10:19-23) “Daarom dan, laten ook wij, nu wij zulk een grote wolk van getuigen rondom ons hebben, afleggen alle last en de zonde, die 9 In de grondtekst staat opnieuw het woord archegos. Hier hebben ook de Statenvertalers het met “Leidsman” weergegeven. 10 Gr. prodromos, d.w.z. iemand die vooruit rent. 95
Page 96
ons zo licht in de weg staat, en met volharding de wedloop lopen, die vóór ons ligt. Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus, de Leidsman en Voleinder des geloofs, die, om de vreugde, welke vóór Hem lag, het kruis op zich genomen heeft, de schande niet achtende, en gezeten is ter rechterzijde van de troon Gods. Vestigt uw aandacht dan op Hem, die zulk een tegenspraak van de zondaren tegen zich heeft verdragen, opdat gij niet door matheid van ziel verslapt” (Hebreeën 12:1-3) De Leidsman of Voorloper roept ons op om Hem te volgen op zijn weg. Ook wij moeten ons kruis op ons nemen. De Messias leed niet om ons lijden te besparen, maar om de aard van ons lijden te veranderen. Zodat het een middel in Gods hand wordt om ons tot Hém te brengen. “Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medevoelen met onze zwakheden, maar een, die in alle dingen op gelijke wijze (als wij) is verzocht geweest, doch zonder te zondigen” (Hebreeën 4:15). Lijden heeft een functie Volgens de Schrift heeft het lijden een functie. God gebruikt het om zijn schepselen te vervolmaken. Zelfs zijn eigen Zoon werd daartoe aan lijden onderworpen. “Want het paste Hem... om veel kinderen tot heerlijkheid te brengen, de Leidsman van hun zaligheid door lijden te heiligen” (Hebreeën 2:10) “Hoewel Hij de Zoon was, heeft Hij gehoorzaamheid geleerd uit wat Hij heeft geleden, en toen Hij volmaakt was geworden, is Hij voor allen die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwige zaligheid geworden” (Hebreeën 5:8-9) 96 Volgens Paulus lijden gelovigen met Christus, “opdat zij ook met Hem verheerlijkt worden” (Romeinen 8:17). Het lijden is een middel in Gods hand om zijn kinderen tot heerlijkheid te leiden. De leerlingen van de Messias “moeten door vele verdrukkingen ingaan in het koninkrijk van God” (Handelingen 14:22). “Want de HEERE bestraft wie Hij liefheeft, en Hij geselt iedere zoon die Hij aanneemt. Als u bestraffing verdraagt, behandelt God u als kinderen. Want welk kind is er, dat niet door zijn vader bestraft wordt? Maar als u zonder bestraffing bent, waar allen deel aan hebben gekregen, bent u bastaarden en geen kinderen” (Hebreeën 12:6-8) “Elke bestraffing schijnt op het moment zelf wel geen reden tot blijdschap te zijn, maar tot droefheid. Maar later geeft zij hun, die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht van gerechtigheid” (Hebreeën 12:11) “Zalig is de man die verzoeking verdraagt, want als hij beproefd gebleken is, zal hij de kroon van het leven ontvangen” (Jakobus 1:12) Elke gelovige, tot welke groep of roeping die ook behoort, zal worden verzocht en is gelukkig te prijzen wanneer die in verzoeking volhardt. Beproeving is een test die aantoont dat het geloof echt is en door God is gegeven. Jakobus is er zeker van dat, waar geloof zal standhouden, dit zal uitlopen op de erekrans van het leven. Ook op dit punt is de leer van de plaatsvervanging in strijd met de Schrift. Indien de gerechtigheid van een Plaatsvervanger ons werd “toegerekend” maar wij niet zélf zondeloos en heilig werden, dan werden wij nooit écht behouden! Het zou een ramp zijn indien wij niet zelf werden getuchtigd maar de tuchtiging werd gedragen door een plaatsvervanger. Want zonder 97
Page 98
tuchtiging groeit er geen gerechtigheid, en het lijden is in Gods plan noodzakelijk om zijn koninkrijk te kunnen ingaan. “Welzalig de man die U bestraft, HEERE, en die U onderwijst uit Uw wet” (Psalm 94:12) Christus leed niet om ons het lijden te besparen, maar om ons in staat te stellen om te lijden tot eer van God en erdoor te worden gereinigd en gevormd. Hij leed niet in onze plaats maar Hij ging ons in het lijden vóór. 98 Offers vervangen de offeraar niet De zond- en schuldoffers die in de wet van Mozes zijn voorgeschreven worden door velen beschouwd als aanschouwelijk onderwijs betreffende plaatsvervanging. Men redeneert als volgt: “Op zonde staat de doodstraf (Ezech.18:20). Bij een offer neemt een dier de plaats in van de zondaar. Door handoplegging draagt de offeraar zijn zonde over op het dier (Lev.16:21). Het dier wordt vervolgens in zijn plaats ter dood gebracht. Het bloed wordt op het altaar uitgestort als bewijs dat er slachting heeft plaatsgevonden. Het lichaam van het offerdier wordt verbrand alsof het iets onreins is. God aanvaardt de dood van het offerdier als vergelding voor de zonde. Zo wordt zijn toorn gestild”. Hoewel deze opvatting wijdverbreid is, doet ze geen recht aan het onderwijs van de Bijbel aangaande de offers. Alleen offeren is onvoldoende Uit de Hebreeuwse Schriften blijkt dat God een offer niet per definitie accepteert (ook al is het volgens de voorschriften van de wet gebracht). De Eeuwige is niet tevreden met een gerechtigheid die de zondaar wordt “toegerekend”. Hij verlangt naar “waarheid in het binnenste”, naar verandering van het hart van de offeraar. Indien die verandering ontbreekt dan is een offer voor Hem onaanvaardbaar, zelfs al is het volkomen rein en gaaf. In héél de Tenach wordt dit aan Israël onderwezen: “Heeft de HERE evenzeer welgevallen aan brandoffers en slachtoffers als aan horen naar des HEREN stem? Zie, 99
Page 100
gehoorzamen is beter dan slachtoffers, luisteren beter dan het vette der rammen” (1 Samuël 15:22) “Het offer der goddelozen is de HERE een gruwel, maar aan het gebed der oprechten heeft Hij welgevallen” (Spreuken 15:8) “Gerechtigheid en recht doen is de HERE welgevalliger dan offers” (Spreuken 21:3) “Het offer der goddelozen is een gruwel, hoeveel te meer, als hij het met boze bedoeling brengt” (Spreuken 21:27) “Behoed uw voet, als gij naar Gods huis gaat; immers, naderen om te horen is beter dan het offeren der dwazen, want die weten niet, dat zij kwaad doen” (Prediker 4:17) “Waartoe dient Mij de menigte uwer slachtoffers? zegt de HERE; oververzadigd ben Ik van de brandoffers van rammen en het vet van mestkalveren, en aan het bloed van stieren, schapen en bokken heb Ik geen welgevallen. Wanneer gij komt om voor mijn aangezicht te verschijnen – wie heeft dat van u verlangd mijn voorhoven plat te treden? Gaat niet voort met huichelachtige offers te brengen – gruwelijk reukwerk is het Mij; nieuwe maan en sabbat, het bijeenroepen der samenkomsten – Ik verdraag het niet: onrecht met feestelijke vergadering. Uw nieuwemaansdagen en uw feesten haat Ik met heel mijn ziel, zij zijn Mij een last. Ik ben moede ze te dragen” (Jesaja 1:11-14) “Bid niet voor dit volk ten goede; al vasten zij, Ik hoor niet naar hun geroep, en al brengen zij brandoffer en spijsoffer, Ik heb in hen geen behagen” (Jeremia 14:11-12) “Want in liefde heb Ik behagen en niet in slachtoffer, in kennis van God en niet in brandoffers” (Hosea 6:6) “Ik haat, Ik veracht uw feesten, en kan uw samenkomsten niet luchten. Ja, als gij Mij brandoffers brengt, en uw spijsoffers, heb Ik daaraan geen welgevallen, en uw vredeoffer van mestkalveren 100 wil Ik niet aanzien. Doe van Mij weg het getier van uw liederen, het getokkel van uw harpen wil Ik niet horen. Maar laat het recht als water golven, en gerechtigheid als een immer vloeiende beek” (Amos 5:21-24) “Waarmede zal ik de HERE tegemoet treden en mij buigen voor God in den hoge? Zal ik Hem tegemoet treden met brandofferen, met éénjarige kalveren? Zal de HERE welgevallen hebben aan duizenden rammen, aan tienduizenden oliebeken? Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding, de vrucht van mijn schoot voor de zonde mijner ziel? Hij heeft u bekend gemaakt, o mens, wat goed is en wat de HERE van u vraagt: niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God” (Micha 6:6-8) Koning David vatte Gods mening over offers als volgt samen: “Gij hebt geen behagen in slachtoffers, dat ik die brengen zou; Aan brandoffers hebt Gij geen welgevallen. De offeranden Gods zijn een verbroken geest; Een verbroken en verbrijzeld hart veracht gij niet” (Psalm 51:18-19) Meer dan alle offers Ook de Griekse Schriften leren dat God in een offer op zichzelf geen behagen heeft. Over de geboden van de wet merkte Christus op: “Het eerste is: Hoor, Israël, de Here, onze God, de Here is één, en gij zult de Here, uw God liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uw ziel en uit geheel uw verstand en uit geheel uw kracht. Het tweede is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Een ander gebod, groter dan deze, bestaat niet” (Markus 12:30-31). 101
Page 102
Een schriftgeleerde trok hieruit de volgende “verstandige” conclusie: “Inderdaad, Meester, naar waarheid hebt gij gezegd, dat Hij één is en dat er geen ander is dan Hij. En Hem lief te hebben uit geheel het hart en uit geheel het verstand en uit geheel de kracht, en de naaste lief te hebben als zichzelf, is meer dan alle brandoffers en slachtoffers” (Markus 12:32-33) Het ging God niet om offers, maar om de gezindheid van de offeraar. Toen de Farizeeën tegen Jezus’ discipelen zeiden: “Waarom eet uw meester met de tollenaars en zondaars?” gaf Hij hun het volgende antwoord: “Zij, die gezond zijn, hebben geen geneesheer nodig, maar zij, die ziek zijn. Gaat heen en leert, wat het betekent: Barmhartigheid wil Ik en geen offerande; want Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars” (Mattheüs 9:12-13) Toen de Farizeeën Hem berispten omdat zijn discipelen aren hadden geplukt op de sabbat, zei Hij: “Indien gij geweten hadt, wat het zeggen wil: Barmhartigheid wil Ik en geen offerande, dan zoudt gij geen onschuldigen hebben veroordeeld” (Mattheüs 12:7) Volgens de profeet Hosea (6:6) en volgens de Messias was het niet Gods bedoeling om offers aangeboden te krijgen maar om de Israëlieten door middel van de offerdienst op te voeden tot barmhartigheid. De schrijver van de Hebreeënbrief sloot zich bij dit onderwijs van Christus aan: “Laten wij dan door Hem [d.i. de Messias] Gode voortdurend een lofoffer brengen, namelijk de vrucht onzer lippen, die zijn naam 102 belijden. En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet, want in zulke offers heeft God een welgevallen” (Hebreeën 13:15-16) God verlangt ernaar dat we de Messias eren vanwege zijn trouw en zijn bereidheid om voor zijn volk te lijden (Hebreeën 13:12). En Hij verlangt ernaar en bewerkt dat we barmhartige mensen worden, die elkaar helpen (‘weldadigheid”) en elkaar financieel en materieel ondersteunen (“mededeelzaamheid”). In zúlke offers heeft Hij behagen – dat was het doel van de door Hem ingestelde eredienst. Ook Paulus sprak over deze dingen: “Ik vermaan u dan [Gr. parakaleoo, “ik spoor u aan”], broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst” (Romeinen 12:1) Indien gelovigen zich aan God ter beschikking stellen, niet alleen “vanwege” maar ook “ten bate van” zijn barmhartigheden – dat wil zeggen: zich door Hem laten gebruiken om anderen barmhartigheid te bewijzen, dan is dat het soort offer dat God in mensen bewerkt. De christenen in Filippi hadden aan deze oproep gehoor gegeven. Ze hadden via Epafroditus een fors bedrag aan Paulus gestuurd om hem tijdens zijn gevangenschap te ondersteunen. De apostel reageerde met een dankwoord: “Nu is alles voldaan en ik ben rijkelijk voorzien; alles is aangezuiverd, nu ik van Epafroditus het door u gezondene ontvangen heb, een welriekend, een aangenaam, Gode welgevallig offer. Mijn God zal in al uw behoeften naar zijn rijkdom heerlijk voorzien, in Christus Jezus” (Filippenzen 4:18-19) 103
Page 104
Jezus heeft ons geleerd dat offeren voor God alleen aanvaardbaar is indien de offeraars zélf tot Hem naderen en daardoor ánders worden. Hij hield zijn hoorders voor: “Wanneer gij dan uw gave brengt naar het altaar en u daar herinnert, dat uw broeder iets tegen u heeft, laat uw gave daar, vóór het altaar, en ga eerst heen, verzoen u met uw broeder, en kom en offer daarna uw gave” (Mattheüs 5:23-24) Van Israëlieten die niet naar verzoening met hun volksgenoten streefden kon God geen offers aanvaarden. Geen vervanging van de offeraar Uit het feit dat offers die naar de wet werden gebracht voor God alleen maar aanvaardbaar waren indien zij gepaard gingen met een verandering van de gezindheid van de offeraar blijkt dat het offerdier de offeraar niet vervangt. Maar ook in andere opzichten is de theorie van plaatsvervanging in strijd met de Schrift. We noemen drie punten: 1. Geen enkel offer was bij machte om een zonde te bedekken waarop de doodstraf stond! (wat Johannes aanduidt als “zonde tot de dood”, 1 Johannes 5:16). Ook het zondoffer bedekte slechts de onopzettelijke zonden (niet zonden die waren bedreven “met opgeheven hand”, Leviticus 4:1, 13, 22, 27). 2. Zondoffers waren gericht op het bedekken van de zonde, dus opheffing van de gebreken van mensen of van in de eredienst gebruikte voorwerpen, niet op het stillen van de toorn van God. 3. Zondoffers onderscheidden zich niet van andere offers door de slachting (ook bij brand- en vredeoffers werd er immers een dier geslacht), maar door wat er na de slachting gebeurde. Het offerdier werd normaliter geslacht door de Israëliet die een zondoffer kwam brengen: 104 “Vervolgens zal hij het rund voor het aangezicht des HEREN slachten”… “Hij zal het aan de noordzijde van het altaar slachten voor het aangezicht des HEREN”… “Hij zal… zijn offergave… slachten bij de ingang van de tent der samenkomst”… “Hij [de Israëliet] zal zijn hand op de kop van het zondoffer leggen en het zondoffer slachten…” (Leviticus 1:5, 1:11, 3:2, 4:29). Toch staat er in Leviticus 6:26: “De priester die het als zondoffer offert, zal het eten” (Leviticus 6:26) De priester offerde het rund, hoewel hij het dier niet had geslacht! Blijkbaar is “offeren” iets anders dan slachten. Het offeren is een handeling die op het slachten volgt. Die handeling wordt beschreven in de volgende passage: “En de priester zal met zijn vinger een deel van het bloed nemen en het strijken aan de horens van het brandofferaltaar… De priester… zal het [vet] op het altaar in rook doen opgaan, tot een liefelijke reuk voor de HERE. Zo zal de priester over hem verzoening [Hebr. “bedekking”] doen” (Leviticus 4:30-31) “Offeren” was niet het slachten van een dier. De altaarhandelingen die de priester verrichte waren het offeren. Offeren was het “strijken van het bloed” en het “in rook doen opgaan van het vet”. Slachting was noodzakelijk om een offer te kunnen brengen. Maar de slachting was niet het offer. Om te kunnen offeren moest men beschikken over een altaar. Zonder altaar kon men het vet niet laten “opgaan” en het bloed niet strijken aan de horens. Die horens waren het hoogste punt van het altaar en symboliseerden het naderen tot God, dat ook werd uitgebeeld door het “opgaan” van de rook. De Hebreeuwse term voor een offer is korban (afgeleid van het werkwoord hikrib, dat “naderen” betekent, zie Markus 7:11). Het doel van een offer is, de mens (terug) te brengen bij God. 105
Page 106
Misvattingen Christelijke opvattingen over “verzoening” en “vergeving van zonden” worden beheerst door de misvatting dat de slachting het offer zou vormen. In de brief aan de Hebreeën staat: “Zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving” (Hebreeën 9:22) Bijna iedereen leest deze tekst alsof er stond: “Zonder plaatsvervangend sterven is vergeving van zonden onmogelijk”. Maar dat staat er niet. Wie Hebreeën 9:22 wil citeren, moet het vers in zijn geheel citeren. De volledige tekst luidt: “En nagenoeg alles wordt volgens de wet met bloed gereinigd, en zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving”. In de oorspronkelijke tekst staat voor “bloedstorting” het Griekse woord haimatekchusia. Letterlijk betekent dat: “bloeduitgieting”. De Hebreeën- schrijver bedoelt daarmee niet: de slachting van een onschuldig offerdier, maar: het gieten (of sprenkelen) van offerbloed op personen of voorwerpen die reiniging nodig hebben. De schrijver legt uit wat hij ermee bedoelt: “Want nadat door Mozes elk gebod volgens de wet aan al het volk was medegedeeld, nam hij het bloed der kalveren en der bokken met water, scharlaken wol en hysop en besprengde het boek zelf en al het volk, zeggende: Dit is het bloed van het verbond, dat God u heeft voorgeschreven. En ook de tabernakel en al het gereedschap voor de eredienst besprengde hij evenzo met bloed. En nagenoeg alles wordt volgens de wet met bloed gereinigd, en zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving” 11 (Hebreeën 9:19-22) 11 Grieks: aphesis, d.w.z. bevrijding van zonde. 106 “Bloedstorting” is het “besprengen” van personen of voorwerpen met bloed, zodat die “gereinigd” worden en van zonde worden “bevrijd”. Het is een verzamelnaam voor de handelingen die de priester met het bloed verrichtte. Geen aanduiding van de slachting van het offerdier. Handoplegging geen zonde-overdracht Het is niet juist om de handoplegging die bij een zondoffer plaatsvond (Leviticus 5:29) op te vatten als een overdracht van zonde aan het onschuldige offerdier. Indien die ceremonie werkelijk het overdragen van de zonde uitbeeldde, dan zou het lichaam van het offerdier als iets onreins en vervloekts zijn beschouwd. Maar dat was niet zo. Het was juist “iets allerheiligst!” (Leviticus 6:25) Wat ermee in aanraking kwam werd heilig! (Leviticus 6:27) Omdat het iets allerheiligst was mocht het alleen maar door priesters worden gegeten, op een heilige plaats (Leviticus 6:26) Voor de gedachte dat handoplegging het overdragen van de zonde uitbeeldde, voert men één tekst aan: “…En Aäron zal zijn beide handen op de kop van de levende bok leggen en over hem al de ongerechtigheden der Israëlieten en al hun overtredingen in al hun zonden belijden; hij zal die op de kop van de bok leggen” (Leviticus 16:21) Maar deze bok was niet de bok van het zondoffer die werd geslacht! Het was de bok die in de woestijn werd vrijgelaten (Leviticus 16:22). Bij dieren die werden geofferd was de handoplegging een vorm van vereenzelviging: “En hij zal zijn hand op het hoofd des brandoffers leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen [Hebr. bedekken]” (Leviticus 1:4, SV) 107
Page 108
De band tussen offerdier en offeraar was zo sterk dat die twee in feite één waren. In beeld legde de offeraar zijn eigen leven af, en gaf dit over aan God. Uit de symboliek van het brandoffer blijkt dat God hartelijke toewijding van zijn schepselen nastreeft en “alles in allen” wil worden (1 Korinthe 15:28). Alles in hen, niet in een plaatsvervanger! Zodat ze Hem volmaakt zijn toegewijd. Een merkwaardige geschiedenis Wat God door middel van verzoening zal bewerkstelligen blijkt uit een merkwaardige geschiedenis die Mozes heeft opgetekend: “Israël verbleef in Sittim, en het volk begon hoererij te bedrijven met de dochters van Moab. Die nodigden het volk uit bij de offers van hun goden, en het volk at en boog zich voor hun goden neer. Toen Israël zich zo aan Baäl-Peor koppelde, ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël. De HEERE zei tegen Mozes: Neem alle hoofden van het volk en laat hen voor de HEERE in de volle zon ophangen, zodat de brandende toorn van de HEERE van Israël afgekeerd wordt. Toen zei Mozes tegen de rechters van Israël: Ieder moet zijn mannen doden die zich aan Baäl-Peor gekoppeld hebben. En zie, een man uit de Israëlieten kwam en bracht een Midianitische vrouw bij zijn broeders, voor de ogen van Mozes en voor de ogen van heel de gemeenschap van de Israëlieten, terwijl zij huilden bij de ingang van de tent van ontmoeting. Toen Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, dat zag, stond hij op uit het midden van de gemeenschap, nam een speer in zijn hand, ging achter de Israëlitische man aan het slaapvertrek in, en doorstak hen beiden, zowel de Israëlitische man als de vrouw, door hun buik. Toen werd de plaag over de Israëlieten tot stilstand gebracht. Het aantal van hen, die aan de plaag stierven, was vier-entwintigduizend. Toen sprak de HEERE tot Mozes: Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heeft mijn 108 grimmigheid over de Israëlieten afgewend, doordat hij zich in hun midden met ijver voor Mij heeft ingezet, zodat Ik de Israëlieten niet in mijn na-ijver vernietigd heb. Zeg daarom: Zie, Ik geef hem mijn verbond van vrede: hij, en zijn nageslacht na hem, zullen het verbond van het eeuwige priesterschap hebben, omdat hij zich voor zijn God heeft ingezet en verzoening voor de Israëlieten heeft gedaan” (Numeri 25:1-13). Uit Numeri 31:16 weten we, dat de uitnodiging om aan de afgodendienst van Moab deel te nemen een list was, bedoeld om Israël te verzwakken. Koning Balak was bevreesd voor het Joodse volk en had de ziener Bileam ingehuurd om de Israëlieten te vervloeken. Doordat God de tong van de profeet bestuurde had Bileam hen echter alleen maar kunnen zegenen. Toch had hij bij zijn afscheid Balak nog een sluwe raad gegeven: “Israëls kracht is gebaseerd op de band met haar God. Indien u erin slaagt om die band te verbreken zal de kracht verdwenen zijn. Nodig de Israëlieten uit voor uw offerfeesten. Indien zij zich daar aan Baäl-Peor verbinden worden ze hun eigen God ontrouw. Dan hebt u uw doel bereikt” (Numeri 31:16, vgl. Openbaring 2:14). Ogenschijnlijk had Balak succes. Israël ging “hoererij bedrijven” (zowel letterlijk, in de vorm van tempelprostitutie, als figuurlijk – door afgoden te gaan dienen). Er brak een dodelijke ziekte uit, “de plaag” (Numeri 25:9, 31:16) en “er vielen er op één dag drieen-twintigduizend” (1 Korinthe 10:8). Mozes gaf opdracht dat alle familiehoofden opgehangen moesten worden. Zij hadden hun verwanten moeten beletten om op Moabs uitnodiging in te gaan. Bovendien moesten de rechters ieder ter dood brengen die zich aan Baäl-Peor had verbonden. Zulke mensen hadden trouwbreuk gepleegd waardoor Gods toorn was ontbrand en de plaag was ontstaan. 109
Page 110
Maar dit bevel werd niet uitgevoerd. Want er gebeurde iets onverwachts. Een Israëliet (Zimri) kwam met een Midianitische vrouw (Kozbi) het kamp in om met haar gewijde prostitutie te plegen. Pinehas, de kleinzoon van Aäron, doorstak hen beiden met een speer in het slaapvertrek. Toen hield de plaag op (vs.8) en werd “Gods grimmigheid afgewend” (vs.11). Pinehas redde de levens van vele Israëlieten. Door zijn daad ontstond er vrede. Hoewel door deze daad “verzoening” (Hebr. “bedekking”) tot stand werd gebracht, had de dood van Zimri en Kozbi, evenmin als de dood van de Israëlieten die omkwamen ten gevolge van de plaag, enige verzoenende betekenis. Indien het bevel van Mozes was uitgevoerd, zou “de brandende toorn van de HEERE afgekeerd zijn” – maar niet omdat alle schuldigen dan zouden zijn gestraft. Hij zou zijn afgewend omdat God dan zijn doel met Israël had bereikt. Wat God verlangde te zien, wordt verteld in vers 28: “Pinehas... heeft Mijn grimmigheid over de Israëlieten afgewend, doordat hij zich in hun midden met ijver voor Mij heeft ingezet”. De Almachtige streefde niet naar vergelding, of de dood van alle schuldigen, maar naar Israëlieten die Hem met trouw en ijver dienden. Dat doel bereikte Hij hier en zal Hij ook in de toekomst bereiken. Conclusie 1. Indien men met het woord “plaatsvervanging” tot uitdrukking wil brengen dat een onschuldige de schuldigen vervangt, in hun plaats de straf draagt, en dat zijn onschuld de schuldigen wordt toegerekend, dan is de gedachte van plaatsvervanging in strijd met de wet en de profeten. 110 2. Indien men met “plaatsvervanging” bedoelt dat een onschuldige zich aan God toewijdt, niet voor zichzelf alleen maar als hoofd van de hele mensheid, die hem zal volgen omdat ze in hem is begrepen, dan is de gedachte van plaatsvervanging in overeenstemming met de Schrift. De term “plaatsvervanging” is echter niet aan de Bijbel ontleend. En het gebruik van deze term kan verwarring wekken. 3. Uit het onderwijs van Mozes en de profeten blijkt dat God naar werkelijke verandering van de zondaar streeft, en geen genoegen neemt met gerechtigheid die een zondig mens slechts in juridische zin wordt “toegerekend”. 4. De Eeuwige verblijdt zich over een mens die Hem uit liefde begint te dienen, niet over het voltrekken van de “gerechte straf” aan misdadigers. Dat kunnen we uit de geschiedenis van Pinehas leren, en uit de profetie van Ezechiël. 5. Vergelding en straf zijn niet Gods einddoel. Zijn einddoel is een schepsel dat Hem liefheeft uit een rein hart en een goed geweten en een ongeveinsd geloof (1 Tim.1:5). Zo zal Hij met al zijn schepselen tot zijn doel komen. 111
Page 116
“Daarom moest Hij [d.i. de Messias] in alles aan zijn broeders gelijk worden [= als sterfelijk mens geboren worden], opdat Hij een barmhartig en trouw hogepriester zou zijn in de dingen die God betreffen, om voor de zonden van het volk verzoening te doen. Want waarin Hijzelf geleden heeft toen Hij verzocht werd, kan Hij hun die verzocht worden te hulp komen” (Hebreeën 2:1718). De schrijver trekt een parallel tussen “voor de zonden van het volk verzoening doen” [Gr. de zonden van het volk bedekken] en “hun die verzocht worden te hulp komen”. Dat de Messias als hemelse hogepriester voor de zonden van het volk verzoening doet betekent dat Hij de “kinderen” van dat volk, zijn “broeders”, te hulp komt indien zij verzocht worden 13. De schrijver van de brief aan de Hebreeën brengt dit thema een aantal malen ter sprake. In het vierde hoofdstuk staat: “Want wij hebben niet een hogepriester die niet met onze zwakheden kan mee lijden, maar Eén die in alle dingen verzocht is als wij, met uitzondering van de zonde. Laten wij dus met vrijmoedigheid naderen tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden tot hulp op de juiste tijd” (Hebreeën 4:15-16) En in het zevende hoofdstuk lezen we: “Hij, omdat Hij blijft tot in eeuwigheid, heeft een onveranderlijk priesterschap. Daarom kan Hij ook volledig behouden wie door Hem tot God naderen, daar Hij altijd leeft om voor hen tussenbeide te treden” (Hebreeën 7:25) 13 Zie John McLeod Campbell, The Nature of Atonement (reprinted from the original 1856 edition by Wipf and Stock Publishers, Eugene, OR 1999) 116 Tenslotte lezen we in de brief nog: “… Christus is niet ingegaan in het met handen gemaakte heiligdom, een tegenbeeld van het ware, maar in de hemel zelf, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons” (Hebreeën 9:24) Het werk van de hemelse hogepriester wordt ook genoemd in de brief aan de Romeinen en de eerste brief van Johannes: “Christus is het die gestorven is, ja nog meer, die opgewekt is, die ook aan Gods rechterhand is, die ook voor ons bidt 14. Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?” (Romeinen 8:34-35) “Mijn kinderen, ik schrijf u deze dingen opdat u niet zondigt. En als iemand zondigt, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige; en Hij is het zoenoffer voor onze zonden; en niet voor onze zonden alleen, maar ook voor de hele wereld” (1 Johannes 2:1-2) Werkwoorden De bijbelschrijvers gebruiken verschillende woorden om het werk van de opgestane Messias aan te duiden. 1. “Te hulp komen” (letterlijk: “helpen”, boetheoo, Heb.2:17). Hiervan is het zelfstandig naamwoord “hulp” (boetheia, Heb.4:15) afgeleid. 2. “Tussenbeide treden” (entugchano, Heb.7:25). Hetzelfde Griekse woord is in Rom.8:34 met “bidden” vertaald. 3. “Verschijnen” (emphanizo, Heb.9:24). Het gaat om een verschijnen bij God, in de hemel. 14 Toen Hij nog op aarde was, bad de Heere Jezus al voor Zijn discipel Petrus, dat zijn “geloof niet zou ophouden” (Luk. 22:32). 117
Page 118
4. “Voorspraak” (parakletos, 1 Joh.2:2). Deze titel van de Messias is afgeleid van het werkwoord parakaleoo, dat in het NT dikwijls is vertaald met “aansporen” of “vermanen”. In kerkelijke gezangen wordt Christus afgeschilderd als staande voor de Vader, terwijl Hij zijn wonden toont en voor de zondaar pleit. Men meent dat onze “Voorspraak” een pleidooi houdt opdat de hemelse Rechter ons zal vergeven. Door zijn vasthoudendheid wordt de gramschap van God over ons falen gesust. De reformator Calvijn schreef over het woord “verzoening” (of “zoenoffer”), dat voorkomt in 1 Johannes 2:2: “Zou iemand voor ons genade verkrijgen, hij moet voorzien zijn met een offerande. Want als God verbolgen is, zo wordt daar vereist een prijs om Hem tevreden te stellen” 15 Calvijn sloot zich aan bij een opvatting die in de zestiende eeuw gangbaar was. Maar deze opvatting is op minstens drie punten met de Bijbel in strijd. 1. De Bijbel leert nergens dat God werd verzoend, maar merkt altijd op dat de mens wordt verzoend (zie hoofdstuk 1). De gedachte dat Gods verbolgenheid moest worden gestild door middel van een prijs is dus onschriftuurlijk. 2. Volgens de Bijbel is Christus onze “Voorspraak” omdat Hij “ons te hulp komt” indien wij verzocht worden. De Bijbel spreekt in dit verband niet over de toorn van God maar over onze menselijke zwakte en hulpbehoevendheid. 3. Johannes noemt Jezus Christus, de Rechtvaardige, onze “Voorspraak bij de Vader” (1 Joh.2:1). De toevoeging “bij de Vader” geeft aan, dat we niet moeten denken aan “een Advocaat bij de Rechter”. Moet een kind soms van de diensten van een 15 Johannes Calvijn, Uitlegging op de Algemene Zendbrieven. Goudriaan: De Groot, 1973, pag.151. 118 advocaat gebruik maken om zijn zaak bij zijn vader te bepleiten? Jezus heeft ons het karakter van de Vader anders doen kennen: “Hebt uw vijanden lief en bidt voor hen die u vervolgen, opdat u zonen wordt van uw Vader die in de hemelen is; want Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Want als u hen liefhebt die u liefhebben, wat voor loon hebt u? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde? En als u alleen uw broeders groet, wat doet u méér? Doen ook de volken niet hetzelfde? Weest u dan volmaakt zoals uw hemelse Vader volmaakt is” (Mattheüs 5:44-48) Gods volmaaktheid houdt in dat Hij zijn vijanden liefheeft, in plaats van hun vijandschap met gelijke munt te betalen. Hij slaat het wel en wee van zijn kinderen voortdurend gade en is te allen tijde bereid om in hun behoeften te voorzien (Mattheüs 6:25-34, Lukas 12:22-34). Van onwilligheid om zich te ontfermen is er bij Hem geen sprake. Te hulp komen Het hogepriesterlijk werk van de Messias wordt in de brief aan de Hebreeën nauwkeurig omschreven. Hij komt “hun die verzocht worden te hulp” (Heb.2:18b). Hij kan dat op volmaakte wijze doen omdat Hij ervaring heeft met verzoekingen (Heb.2:18a), en in alle opzichten verzocht is als wij, maar zonder te zondigen (Heb.4:15). Er staat niet, dat Christus hen die zondigen te hulp komt (door zulke zondaars te behoeden voor de straf) maar dat Hij hen die verzocht worden te hulp komt. De Messias weet hoe een mens met verzoeking moet omgaan. Hij is een expert op dit terrein, want Hij werd tijdens zijn aardse bestaan op alle mogelijke manieren verzocht en Hij faalde nooit. Wanneer de Bijbel in dit verband opmerkt dat Hij “hen die verzocht worden te hulp 119
Page 120
komt”, dan moet dit betekenen dat Hij zijn broeders helpt om stand te houden, om niet te bezwijken onder de verzoekingen maar om op te staan indien ze hebben gestruikeld en om staande te blijven. Deze interpretatie van Hebreeën 2:18 en 4:15 stemt overeen met de brieven van Petrus en Johannes. Johannes schrijft: “Mijn kinderen, ik schrijf u deze dingen opdat u niet zondigt. En als iemand zondigt, wij hebben een voorspraak (Gr. parakletos, een aanspoorder) bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige…” (1 Joh.2:1) Petrus noemt de Messias “de Herder en Opziener van uw zielen” (1 Pet.2:25). Zoals een oudste de schapen hoedt en op het rechte pad houdt, zo doet Christus dat als “overste Herder” vanuit de hemel (1 Pet.5:1-7). Tussenbeide treden Het werkwoord entugchano, dat in Heb.7:25 met “tussenbeide treden” is vertaald, betekent: iemand benaderen met de bedoeling om bij die persoon een dringend verzoek in te dienen. Uit de Bijbel blijkt dat het zowel om een positief als een negatief appèl kan gaan. Het werkwoord komt in het NT vijf maal voor: 1. De Joden “wendden zich” (Gr. entugchano) tot stadhouder Festus met het verzoek om Paulus ter dood te brengen (Handelingen 25:24). 2. Gelovigen weten niet “wat moet zijn” en kunnen daarom niet doelgericht bidden, maar de Geest bidt “in overeenstemming met God” voor heiligen (Romeinen 8:26,27). Voor het bidden van de gelovigen staat in deze tekst proseuchomai, voor het “pleiten”, of “tussenbeide treden”, van de Geest het werkwoord entugchano. 120 3. De uit de doden opgewekte Christus is aan Gods rechterhand, waar Hij “ook voor ons bidt” (Romeinen 8:34). Hier wordt hetzelfde woord gebruikt als voor het “pleiten” van de Geest in vs.27. 4. De profeet Elia richtte zich bij de Horeb tot God met de volgende woorden: “Heer, uw profeten hebben zij gedood, uw altaren omvergeworpen en ik ben alleen overgebleven en zij zoeken mijn leven” (Romeinen 11:2-3). Dit spreken van Elia duidt Paulus in Rom.11:2 aan met het werkwoord entugchano. In sommige bijbelvertalingen is dit met “aanklagen” weergegeven, maar in werkelijkheid hield Elia juist een vurig pleidooi: “Heer, het gaat helemaal mis met uw volk! Grijp in, doe er iets aan!” 5. Ten slotte staat er in Hebreeën 7:25, dat de hemelse Hogepriester “volledig kan behouden wie door Hem tot God naderen, daar Hij altijd leeft om voor hen tussenbeide te treden”. Ook hier gebruikt de bijbelschrijver voor “tussenbeide treden” het werkwoord entugchano. Volgens de Bijbel heeft dit “tussenbeide treden” of “pleiten” van Christus niet de betekenis die er door Calvijn aan werd gehecht. De opvatting dat onze Voorspraak in de hemel om vergeving smeekt en als een advocaat het vonnis van veroordeling van ons afwendt is onjuist. Uit het tekstverband blijkt wat de Bijbel onder dit pleiten verstaat: 1. Gelovigen weten niet “wat moet zijn” (grondtekst van Rom.8:26), maar de Geest pleit “in overeenstemming met God” voor hen, dus in overeenstemming met Gods bedoelingen (Rom.8:27). 121
Page 122
2. Gelovigen zijn in verdrukking, benauwdheid, vervolging, honger, naaktheid, gevaar of zwaard “méér dan overwinnaars” vanwege Christus die aan Gods rechterhand voor hen pleit (Rom.8:34-39). 3. Omdat Christus sedert Zijn opstanding een onvergankelijk en altoosdurend leven bezit kan Hij te allen tijde voor Zijn broeders tussenbeide treden en hen “volledig behouden” (Heb.7:25). Het pleiten van Christus heeft volgens de Bijbel geen negatief doel (veroordeling voorkomen) maar een positieve betekenis. De opgestane Heere vraagt of gelovigen aan Gods bedoelingen mogen gaan beantwoorden. Hij rust niet totdat ze volledig gered zijn. Omdat Hij voor hen bidt zijn ze in zelfs in de moeilijkste omstandigheden “meer dan overwinnaars” en komt het helemaal goed met hen. Verschijnen In Hebreeën 9:24 staat dat Christus niet zoals de aardse hogepriester het met handen gemaakte heiligdom (de tempel in Jeruzalem) is binnengegaan, maar de hemel zelf, om nu ten behoeve van ons voor God te verschijnen. Het werkwoord emphanizo, dat in Heb.9:24 met “verschijnen” is vertaald, komt in het NT tien maal voor. Het kan betrekking hebben op het verschijnen van uit de doden opgestane mensen aan hun volksgenoten (Mattheüs 27:53), op het “zich openbaren” van de opgestane Christus aan zijn discipelen (Johannes 14:21 en 22), en op het “tonen” dat men een hemels vaderland zoekt doordat men zichzelf “een vreemdeling en een bijwoner” noemt (Hebreeën 11:14). In de meeste gevallen heeft emphanizo betrekking op het “verschijnen” in de troonzaal van een 122 machthebber, om bij hem een verzoek in te dienen 16. Er is een verband tussen het “tussenbeide treden” van Christus dat de Hebreeënschrijver noemt (7:25), en zijn “verschijnen in de hemel” waarover de schrijver later spreekt (9:24). Uit het tekstverband blijkt dat dit “verschijnen” niet wordt herhaald (alsof Christus telkens opnieuw naar God zou moeten gaan wanneer zijn discipelen struikelen!) maar dat het eensvoor-altijd heeft plaatsgevonden, bij de hemelvaart. Immers, de schrijver vervolgt: “… ook niet, opdat Hij zichzelf dikwijls offerde, zoals de hogepriester elk jaar ingaat in het heiligdom met vreemd bloed; anders had Hij van de grondlegging der wereld af dikwijls moeten lijden. Maar nu is Hij éénmaal in de voleinding van de eeuwen geopenbaard om de zonde af te schaffen door het slachtoffer van zichzelf” (Hebreeën 9:25-26) Toen Christus in de hemel verscheen, is Hij gaan zitten aan Gods rechterhand. Juist daarom kan Hij voortdurend voor zijn broeders tussenbeide treden (Hebreeën 7:25). Voorspraak In zijn eerste brief houdt Johannes zijn lezers voor: ”…als iemand zondigt, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, 16 Boden van het Sanhedrin “verschenen” voor de Romeinse overste in Jeruzalem met het verzoek om Paulus te laten transporteren, zodat zij onderweg een hinderlaag konden leggen om hem te doden (Handelingen 23:15). De overste verzocht de neef van Paulus die dit plan aan hem had overgebracht, om aan niemand te vertellen dat hij voor hem was “verschenen” (Handelingen 23:22). De hogepriester Ananias “verscheen” vijf dagen later met enige oudsten en een advocaat, Tertullus, voor stadhouder Felix om Paulus aan te klagen (Handelingen 24:1). Later “verschenen” de overpriesters en andere hooggeplaatste personen uit Jeruzalem voor de nieuwe stadhouder Festus met het verzoek om Paulus te laten transporteren, zodat zij hem vanuit een hinderlaag konden doden (Handelingen 25:2, 25:15). 123
Page 124
de Rechtvaardige” (1 Johannes 2:1). De vertaling van het Griekse woord parakletos met “voorspraak” is omstreden. Zoals we al opmerkten, is een “voorspraak bij de Vader” iets anders dan een “advocaat bij de Rechter”. Het werkwoord parakaleo, waarvan het zelfstandig naamwoord parakletos is afgeleid, wordt in de meeste bijbelteksten weergegeven met “aansporen”, “aanmoedigen”, “vertroosten” of “vermanen”. Christus spoort niet de Vader aan om ons vergeving te schenken, maar Hij spoort ons aan om zelfs indien we hebben gezondigd met vrijmoedigheid tot God te naderen, vanuit de wetenschap dat Hij het “zoenoffer” is voor al onze zonden, en niet alleen voor de onze, maar voor die van de hele wereld. Omdat wij een hemelse Hogepriester hebben, roept de Hebreeënschrijver ons op om “met vrijmoedigheid te naderen tot de troon van de genade” (Hebreeën 4:16). Wij “hebben vrijmoedigheid om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, langs de nieuwe en levende weg die Hij ons heeft ingewijd door het voorhangsel heen, dat is zijn vlees” (Hebreeën 10:19-20). Het hogepriesterlijk werk van Christus is er op gericht om ons tot God te brengen. “Naderen” (Gr. proserchomai) is in de brief aan de Hebreeën een zeven maal terugkerend sleutelwoord: “Laten wij dus met vrijmoedigheid naderen…” (4:16) “Daarom kan Hij ook volledig behouden wie door Hem tot God naderen…” (7:25) “… daar de wet een schaduw heeft… kan zij… hen die naderen nooit volmaken” (10:1) “Laten wij naderen met een waarachtig hart, in volle zekerheid van het geloof…” (10:22) “Wie tot God nadert, moet geloven dat Hij is en dat Hij een beloner is van hen die Hem zoeken” (11:6) 124 “Want u bent niet genaderd tot de tastbare berg, maar… u bent genaderd tot... de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem…” (12:18, 22) Bovendien vinden we in de brief nog het werkwoord eggizo. Het nieuwe verbond heeft een “betere hoop” dan het oude waardoor wij (dichter) tot God “komen” (7:19). Na opstanding en hemelvaart In preken komt het hogepriesterlijk ambt van Christus dikwijls ter sprake, waarbij men veronderstelt dat Hij dit ambt op aarde al bekleedde. Johannes 17 staat bekend als “het hogepriesterlijk gebed” – hoewel de evangelist het niet zó aanduidt. Volgens de Bijbel was de Here Jezus zolang Hij op aarde leefde nog geen hogepriester. De schrijver van de Hebreeënbrief merkt hierover op: “Want het is overduidelijk dat onze Heer uit Juda gesproten is, ten aanzien van welke stam Mozes nergens van priesters heeft gesproken” (Hebreeën 7:14) Omdat Jezus de “zoon van David” was en van Juda afstamde kon Hij wel koning maar geen priester zijn. Priester werd Hij pas ná zijn opstanding uit de doden. Hij is priester geworden: “niet... naar de wet van een vleselijk gebod, maar naar de kracht van een onvergankelijk leven” (Hebreeën 7:16) Bij zijn opstanding heeft God Hem tot het hogepriesterschap geroepen, door tegen Hem te zeggen: “U bent priester tot in eeuwigheid naar de orde van Melchizedek” (Hebreeën 5:6, vgl. 6:20, 7:17 en Psalm 110:4) 125
Page 126
Uit de toevoeging “tot in eeuwigheid” blijkt dat het om een blijvend priesterschap gaat, dat alleen kan worden bekleed door iemand die de dood definitief achter zich heeft gelaten. Jezus ontving dit priesterschap toen Hij “het einddoel had bereikt”: uit de doden was opgestaan en ten hemel was gevaren. “… volmaakt geworden is Hij voor allen die Hem gehoorzamen een oorzaak van eeuwige behoudenis geworden, door God begroet als hogepriester naar de orde van Melchizedek” (Hebreeën 5:8-10) Hij verricht zijn hogepriesterlijk ambt in de hemel: “Want zo’n hogepriester paste ons ook: heilig, onschuldig, onbesmet, gescheiden van de zondaars en hoger dan de hemelen geworden” (Hebreeën 7:26) De Messias verricht zijn dienst “in het heiligdom, in de ware tabernakel, die de Heer opgericht heeft, en niet een mens” (Hebreeën 8:2) Hij… “is door de grotere en volmaaktere tabernakel, niet met handen gemaakt, (dat is, niet van deze schepping), ook niet door het bloed van bokken en kalveren, maar door zijn eigen bloed, eens voor altijd ingegaan in het heiligdom…” (Hebreeën 9:11-12) Hij… “is niet ingegaan in het met handen gemaakte heiligdom, een tegenbeeld van het ware, maar in de hemel zelf, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons; ook niet opdat Hij Zichzelf dikwijls offerde… anders had Hij van de grondlegging der wereld af dikwijls moeten lijden, maar nu is Hij éénmaal in de voleinding van de eeuwen geopenbaard om de zonde af te schaffen door het slachtoffer van Zichzelf” (Hebreeën 9:24-26) 126 Samenvatting 1. De Here Jezus was geen hogepriester zolang Hij nog op aarde leefde. In de aardse tempel was Hij onbevoegd om dienst te verrichten. Als priester naar de ordening van Melchizedek verricht Hij zijn dienst in de hemelse tabernakel. 2. Omdat Hij sedert zijn opstanding een onvergankelijk leven bezit, is Hij “priester tot in eeuwigheid” en kan Hij volledig behouden wie door Hem tot God naderen, daar Hij altijd leeft om voor hen tussenbeide te treden. 3. Bij zijn hemelvaart is Hij de ware tempel binnengegaan en ten bate van ons voor God verschenen. Vanuit zijn zitplaats aan Gods rechterhand kan Hij voortdurend voor ons pleiten. 4. Als hogepriester pleit Christus niet bij God om ons voor straf of veroordeling te behoeden. 5. Hij moedigt ons aan om op te staan indien wij hebben gestruikeld, en helpt ons om in de verzoeking stand te houden. Hij “komt ons te hulp indien wij verzocht worden”. 6. Hij “treedt voor ons tussenbeide” om ons aan Gods bedoelingen te doen beantwoorden. De uitkomst van dat pleidooi staat vast (vgl. Rom.8:24-39 “meer dan overwinnaars”, Heb.7:25, “volkomen behouden”). 7. Als hemelse “Parakleet” moedigt Hij ons aan om met vrijmoedigheid naar God te gaan. Het doel van zijn arbeid is, om ons “bij God te brengen” (zie Johannes 17:21-24). 127
Page 128
128 Christus als Gods Beeld In beschouwingen over het onderwerp “verzoening” wordt er dikwijls van uitgegaan dat de Messias verzoening heeft bewerkt aan het kruis. Men veronderstelt dat Hij op Golgotha de toorn van de Schepper over de menselijke zonde heeft gestild. De Bijbel denkt bij verzoening echter aan opheffing van de vijandschap van de méns (zie hoofdstuk 2). De Schrift laat zien dat Jezus zich gedurende zijn hele leven heeft beijverd om mensen met hun Maker te verzoenen - niet alleen op Golgotha. Hij eerde God door in zijn doen en laten een volmaakt beeld van Hem te schetsen. Hij liet met woord en daad zien wat de juiste houding van een mens is ten opzichte van zijn Schepper: een houding van kinderlijk ontzag en vertrouwen, en een besef van totale afhankelijkheid. In de evangeliën wordt over dit onderwerp gezegd: “In die tijd antwoordde Jezus en zei: Ik prijs U, Vader, Heer van de hemel en van de aarde, dat U deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen en ze aan kleine kinderen hebt geopenbaard. Ja Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor u. Alles is Mij overgegeven door mijn Vader; en niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon, en hij aan wie de Zoon Hem wil openbaren” (Mattheüs 11:25-27, Lukas 10:21-22) “Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon die in de schoot van de Vader is, die heeft [Hem] verklaard” (Johannes 1:18) Jezus’ kerntaak was om God aan bepaalde mensen te openbaren. Niet aan alle mensen, maar aan mensen die eenvoudig waren als kinderen, de burgers van het rijk uit de hemelen. Toen Hij werd 129
Page 130
gedoopt in de Jordaan daalde Gods Geest op Hem neer en klonk er een stem uit de hemelen die zei: “Deze is mijn geliefde Zoon, in wie Ik welbehagen heb gevonden” (Mattheüs 3:17). Die gebeurtenis markeerde het begin van zijn openbare optreden. Kenmerkend voor dat optreden was het feit dat Hij God dikwijls aanduidde als Vader. Niet slechts als zijn eigen Vader, maar óók als de Vader van de toehoorders. God is de Enig Goede Aan het begin van de Bergrede vinden we de opdracht: “Laat zo uw licht schijnen voor het oog van de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader die in de hemelen is, verheerlijken” (Mattheüs 5:16). Volgens Jezus was God voor elke toehoorder: “uw Vader die in de hemelen is”, en de oorsprong van alle “goede (Gr. mooie) werken”. Hij onderwees de menigten, dat God “licht” is en in geen enkel opzicht duister: “En dit is de boodschap die wij van Hem [d.i. Christus] gehoord hebben en u verkondigen: dat God licht is en dat in Hem in het geheel geen duisternis is” (1 Johannes 1:5). Wie nog vijandig en van God vervreemd zijn schilderen Hem af als Iemand die de mensen het goede onthoudt, die er een behagen in schept om hen te kwellen en te straffen (mocht Hij werkelijk bestaan). Maar Jezus predikte dat de Ene licht is en dat er in Hem in het geheel geen duisternis is. Hij is de Bron van al het goede en schone, van waarheid en trouw. Hij zorgt voor ons als een Vader en is daarom al ons vertrouwen waard. Al het 130 werkelijk goede dat er in de wereld is of wordt gedaan, is rechtstreeks van Hem afkomstig (Efe.2:10, Jak.1:17). De apostel Paulus knoopte bij deze gedachte aan en hield zijn lezers voor: “Wandelt als kinderen van het licht (want de vrucht van het licht bestaat in alle goedheid en gerechtigheid en waarheid)” (Efeze 5:8-9). God overwint het kwade door het goede In dezelfde rede hield Jezus zijn leerlingen voor: “U hebt gehoord dat gezegd is: U zult uw naaste liefhebben en uw vijand haten. Maar Ik zeg u: hebt uw vijanden lief en bidt voor hen die u vervolgen, opdat u zonen wordt van uw Vader die in de hemelen is; want Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Want als u hen liefhebt die u liefhebben, wat voor loon hebt u? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde? En als u alleen uw broeders groet, wat doet u méér? Doen ook de volken niet hetzelfde? Weest u dan volmaakt zoals uw hemelse Vader volmaakt is” (Mattheüs 5:43-48). De Messias liet zien dat God oneindig veel grootmoediger is dan mensen. Zijn volmaaktheid blijkt uit het feit dat Hij zijn vijanden liefheeft, vurige kolen op hun hoofd stapelt en het kwade overwint door het goede (vgl. Romeinen 12:19-21). Echo’s van Jezus’ woorden vinden we in de brieven van de apostelen Paulus en Petrus. “Zegent wie u vervolgen, zegent en vervloekt niet” (Romeinen 12:14). 131
Page 132
“Vergeldt niemand kwaad met kwaad, behartigt wat goed is voor alle mensen” (Romeinen 12:17). “Worden wij gescholden, wij zegenen; vervolgd, wij verdragen; gelasterd, wij bidden” (1 Korinthe 4:12-13). “Ziet toe dat niet iemand een ander kwaad met kwaad vergeldt, maar jaagt altijd naar het goede voor elkaar en voor allen” (1 Thessalonicenzen 5:15). “Vergeldt niet kwaad met kwaad, of schelden met schelden, maar zegent integendeel, omdat u ertoe geroepen bent zegen te erven” (1 Petrus 3:9). Jezus heeft deze opdracht op volmaakte wijze in praktijk gebracht. Zelfs aan het kruis, in een situatie van de diepste vernedering en de ergste pijn, zegende Hij zijn vijanden nog en bad voor hen: “Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen” (Lukas 23:34) God geeft volstrekt belangeloos Omdat God volstrekt belangeloos geeft en bij ons een oprecht vertrouwen wil opwekken koestert Hij een diepe afkeer van schijnheiligheid. “Past er voor op dat u uw gerechtigheid niet doet voor het oog van de mensen, om door hen te worden gezien; anders hebt u geen loon bij uw Vader die in de hemelen is... Maar u, als u weldadigheid bewijst, laat uw linkerhand niet weten wat uw rechter doet, opdat uw weldadigheid in het verborgen is; en uw Vader die in het verborgen kijkt, zal het u vergelden... U, wanneer u bidt, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader die in het verborgen is; en uw Vader die in het verborgen kijkt, zal 132 het u vergelden... Als u vast, zalf uw hoofd en was uw gezicht, om u niet aan de mensen te vertonen wanneer u vast, maar aan uw Vader die in het verborgen is; en uw Vader die in het verborgen kijkt, zal het u vergelden” (Mattheüs 6:1,3-4,6,17-18). Het vaderschap van God houdt in dat Hij voor zijn kinderen zorgt, van elk detail van hun situatie op de hoogte is en altijd bereid is om in hun werkelijke behoeften te voorzien. “Als u bidt, gebruikt dan geen omhaal van woorden zoals de volken, want zij menen dat zij door hun veelheid van woorden zullen worden verhoord. Wordt hun dan niet gelijk, want uw Vader weet wat u nodig hebt voordat u het Hem vraagt. Bidt u dan zó: Onze Vader, die in de hemelen zijt... Kijkt naar de vogels van de hemel, dat zij niet zaaien, niet maaien en niet in schuren verzamelen, en uw hemelse Vader voedt ze. Gaat u ze niet ver te boven?... Weest dan niet bezorgd, door te zeggen: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmee zullen wij ons kleden? Want naar al deze dingen zoeken de volken; want uw hemelse Vader weet dat u al deze dingen nodig hebt. Zoekt echter eerst het koninkrijk en zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u erbij gegeven worden” (Mattheüs 6:7-9,26,31-33, Lukas 12:29-31). Wij mogen God met vertrouwen benaderen en al onze noden en behoeften vrijmoedig aan Hem bekendmaken, want Jezus heeft gezegd: “Als dan u die boos bent, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader die in de hemelen is, goede gaven geven aan hen, die er Hem om bidden!” (Mattheüs 7:11, Lukas 11:13) Wij zijn slecht maar God is goed. Daarom zal Hij het goede (volgens Lukas: zijn Geest) nooit onthouden aan mensen die Hem erom vragen. 133
Page 138
gegeven aan de goddelijke rechtvaardigheid. De zonde kon niet onverzoend en onbedekt blijven voor Gods oog. Zij is met Gods gerechtigheid niet bestaanbaar” 18 Dr. Seakle Greijdanus schreef, dat God zijn gerechtigheid heeft getoond “om de schaduw op zijn strafvorderende gerechtigheid, gevallen door het nalaten der volle strafoefening in den voorgaanden tijd, te verdrijven” 19 Een bekende weergave van deze opvatting vinden we in het oude avondmaalsformulier. We lezen daarin dat: “de toorn Gods tegen de zonde zó groot is, dat Hij die [eer dat Hij die ongestraft liet blijven] aan zijnen lieven Zoon Jezus Christus, met den bitteren en smadelijken dood des kruises gestraft heeft” 20 In de calvinistische theologie wordt het begrip dikaiosunè opgevat als rechtvaardigheid die zich uit in het bestraffen van het kwaad. De uitleg van Romeinen 3:25 in het avondmaalsformulier komt neer op het volgende: “Duizenden jaren lang heeft God de zonden van de mensheid niet bestraft. Maar omdat Hij rechtvaardig is, kan Hij het kwaad niet door de vingers zien. Op Golgotha heeft Hij zijn rechtvaardigheid getoond, door in plaats van het schuldige voorgeslacht zijn onschuldige Zoon te straffen”. 18 Herman Ridderbos, Aan de Romeinen [Commentaar op het Nieuwe Testament] Kampen: J.H.Kok, 1959, pag. 85. 19 Seakle Greijdanus, De Brief van de Apostel Paulus aan de gemeente te Rome, Amsterdam: Van Bottenburg, 1933, deel I, pag.200 20 Liturgie der Gereformeerde Kerken in Nederland, Formulier om het heilig Avondmaal te houden. 138 Was dit wat Paulus bedoelde, toen hij schreef dat God de Messias heeft voorgesteld als zoenmiddel om zijn rechtvaardigheid te tonen? Het tekstverband Uitdrukkingen die verband houden met het ten toon spreiden van gerechtigheid komen in de Romeinenbrief op meerdere plaatsen voor. Zo lezen we bijvoorbeeld: “Want gerechtigheid Gods wordt daarin [= in het evangelie 21] geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven staat: De rechtvaardige zal uit geloof leven” (1:17) “Maar indien onze onrechtvaardigheid Gods rechtvaardigheid staaft, wat zullen wij dan zeggen?” (3:5) “Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden, waarvan de wet en de profeten getuigen, en wel gerechtigheid Gods door het geloof in Jezus Christus voor allen, die geloven” (3:21-22) Paulus had al drie maal over de gerechtigheid van God gesproken, voor hij in Romeinen 3:25 het “zoenmiddel” ter sprake bracht. In Romeinen 1:17 had hij opgemerkt dat Gods gerechtigheid in het evangelie wordt “onthuld” [Gr. apokaluptoo]. In Romeinen 3:5 had hij Gods gerechtigheid naast de menselijke onrechtvaardigheid geplaatst [Gr. sunistheemi]. In Romeinen 3:21-22 had de apostel verklaard dat “nu”, in de 21 De Griekse uitdrukking “en autoo” slaat terug op het evangelie. Maar omdat het evangelie dat Paulus predikte het goede nieuws is aangaande Gods Zoon (Romeinen 1:9) slaat “en autoo” ook terug op Christus. In zijn opstanding is gebleken dat de rechtvaardige uit geloof zal leven (Romeinen 1:3-4). Zijn geloofsvertrouwen - dat zelfs door de kruisdood niet aan het wankelen werd gebracht - is een toonbeeld van de gerechtigheid Gods. 139
Page 140
persoon van de Messias, Gods gerechtigheid is “verschenen” (Gr. phaneroo). Het gaat om gerechtigheid die door het geloof van Jezus Christus 22 zichtbaar is geworden. Gerechtigheid “onthullen” (1:17), gerechtigheid “doen verschijnen” (3:21) en gerechtigheid “tonen” (3:25) zijn verwante uitdrukkingen. “Gerechtigheid tonen” kan niet betekenen: “laten zien dat je het kwaad niet onbestraft laat”, want Paulus zou dan in Romeinen 1 hebben geschreven: “Ik schaam me niet voor het goede nieuws, want daarin wordt onthuld dat God het kwaad niet onbestraft laat.” Als Paulus dat werkelijk aan de mensen had verteld, dan was zijn boodschap voor de hoorders beslist géén “goed nieuws” geweest! Indien de opvatting van Ridderbos, Greijdanus en het avondmaalsformulier betreffende gerechtigheid juist was, dan zou de apostel in Romeinen 3 hebben geschreven: “Nu is buiten de wet om zichtbaar geworden dat God het kwaad niet onbestraft laat, God heeft dat laten zien in het geloof van Jezus, de Messias” Zulke parafrases van 1:17 en 3:21 tasten het evangelie aan en heffen dit in feite helemaal op. De calvinistische uitleg van Romeinen 3:25 is daarom onjuist. Goed nieuws Blijkbaar heeft Paulus met “gerechtigheid Gods” iets anders bedoeld dan bestraffing van het kwaad (of het eisen van rechtvaardige vergelding). De apostel hechtte aan het woord dikaiosunè dezelfde betekenis als de psalmdichters en de 22 In de oorspronkelijke Griekse tekst van Romeinen 3:22 staat dia pisteoos Iesou Christou, “door [het] geloof van Jezus Christus”. In de Statenvertaling is de grondtekst correct weergegeven, maar niet in de vertaling van het NBG. 140 profeten die vóór hem over dit onderwerp hadden gesproken. In Psalm 98 horen we, wat er gebeurt wanneer God zijn gerechtigheid (Hebr. tsedaka) toont: “De HERE heeft zijn heil bekendgemaakt, zijn gerechtigheid geopenbaard voor de ogen der volken; Hij heeft gedacht aan zijn goedertierenheid En aan zijn trouw jegens het huis Israëls; Alle einden der aarde hebben aanschouwd het heil van onze God” (Psalm 98:2-3) “Gerechtigheid openbaren” is in deze psalm een parallel van “heil bekendmaken”. Wanneer God zijn gerechtigheid openbaart, dan laat Hij zien dat Hij Israël (ondanks haar afdwalingen en overtredingen) trouw is gebleven. Precies dezelfde parallel vinden we in Romeinen 1. Paulus schrijft daar: “…ik schaam mij het evangelie niet, want het is een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek. Want gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven staat: De rechtvaardige zal uit geloof leven” (Romeinen 1:16-17) Wanneer God zijn gerechtigheid openbaart dan maakt Hij zijn heil bekend (Psalm 98:2). Indien Gods gerechtigheid wordt geopenbaard, dan wil dat zeggen dat Hij mensen redt door hen, uit het geloof van zijn Zoon, zelf te doen geloven en hun het ware leven te schenken. In het evangelie heeft God onthuld, dat “de rechtvaardige uit geloof zal leven” (1:17). Paulus verwijst naar “wat geschreven staat”, in het bijbelboek Habakuk (Habakuk 2:4). Het is opmerkelijk, dat Habakuks uitspraak in de Griekse Schriften niet letterlijk wordt geciteerd. Habakuk schreef: “De 141
Page 142
rechtvaardige zal door zijn geloof [= zijn eigen geloof] leven”. In het Nieuwe Testament staat echter: “De rechtvaardige zal uit geloof leven” (Romeinen 1:17, Galaten 3:11, Hebreeën 10:38). Blijkbaar heeft de profetie een dubbele betekenis. Eén rechtvaardige (= de Messias) zou “door zijn (eigen) geloof” leven. Anderen zouden leven “uit geloof”, het geloof van die Ene, of geloof dat hun door God werd geschonken. “De rechtvaardige” uit Habakuk 2:4 is de Messias. Hij wordt in de bijbel “de Rechtvaardige” genoemd 23. Het evangelie beschrijft hoe de Heere werd geboren uit het geslacht van David “naar het vlees”, zoals was aangekondigd in de Schriften, en hoe Hij werd verklaard Gods Zoon te zijn “in kracht”: doordat Hij “naar de geest der heiligheid” opstond uit de doden (Romeinen 1:2-4). Zó heeft God geopenbaard, dat “de rechtvaardige uit geloof zal leven”: de Messias bleef zijn hemelse Vader vertrouwen, zelfs toen deze hem opdroeg om zich te laten kruisigen, en is daarom met een onvergankelijk lichaam uit de doden opgewekt. Door de Messias als een sterfelijk mens geboren te laten worden en Hem uit de doden op te wekken, bewees God dat Hij zich houdt aan de beloften die Hij had gegeven door zijn profeten, in de heilige Schriften (Romeinen 1:2). Ondanks de ontrouw van de mensheid en van zijn volk Israël heeft Hij wat Hij had beloofd in vervulling doen gaan. Ondanks de woekering van het kwaad is Hij blijven geloven in zijn schepping, en blijven werken aan de vervolmaking van zijn schepselen. Aan het voorbeeld van de Messias heeft God laten zien wie Hij als rechtvaardigen beschouwt: mensen die Hem op zijn woord geloven, zelfs al zijn ál hun ervaringen met dat woord in strijd 24. 23 Handelingen 3:14 en 7:52; 1 Petrus 3:18; 1 Johannes 2:1 24 Vergelijk Mattheüs 27:46, Romeinen 4:16-22. 142 De Schepper houdt vast aan wat Hij heeft bepaald. De mens, die Hem in de hof van Eden ging wantrouwen, moet en zál Hem weer gaan vertrouwen en aan zijn bestemming gaan beantwoorden. Dáárom heeft God zijn Zoon gestuurd, dáárom heeft die Zoon zich in de handen van zijn vijanden overgegeven en dáárom is Hij uit de doden opgewekt. Het evangelie laat zien, dat de Schepper zijn oorspronkelijke bedoeling trouw blijft. In het evangelie wordt “rechtvaardigheid Gods geopenbaard uit geloof tot geloof”. Het geloof van de Messias is het toonbeeld van gerechtigheid. Daarom is de openbaring uit geloof. Zoals Jezus met God wandelde, als een kind dat zijn Vader onder alle omstandigheden bleef vertrouwen, zo behoren alle mensen tegenover God te staan. Het is Gods bedoeling dat anderen die dit toonbeeld zien, Hem op hun beurt gaan vertrouwen. Daarom is de openbaring tot geloof. Voor alle andere mensen is “geloven” niets anders dan kijken: “En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zó moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een ieder die gelooft 25, in Hem eeuwig leven hebbe” (Johannes 3:14-15) We mogen kijken naar Jezus, een sterfelijk mens als wij maar een rechtvaardige, en mogen opmerken dat God Hem uit de doden heeft opgewekt. Uit de geschiedenis van Jezus mogen wij concluderen dat God “wat Hij beloofd heeft, ook machtig is te doen” (Romeinen 4:21). Als we tot dat inzicht komen en onze Maker gaan vertrouwen, dan beschouwt God ons als rechtvaardigen (Romeinen 4:23-25). Hij rekent ons dat vertrouwen toe als gerechtigheid (Romeinen 4:3,22-23). Hij zal ons uit de doden opwekken net zoals Hij Jezus heeft opgewekt (Romeinen 8:11). 25 Dus, die naar Hem opkijkt en van Hem redding verwacht, zoals de Israëlieten die door een gifslang waren gebeten opkeken naar de koperen slang. 143
Page 144
“Dit is het woord van het geloof dat wij prediken: dat, als u met uw mond Jezus als Heer zult belijden en met uw hart geloven dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, u behouden zult worden” (Romeinen 10:9-10, Telos). Gerechtigheid in de Psalmen Gods gerechtigheid is volgens velen zijn handhaving van een volmaakt rechtsevenwicht. Omdat Hij rechtvaardig oordeelt, kunnen misdadigers hun “gerechte straf” niet ontlopen. De psalmdichters en de profeten spreken op een volstrekt andere manier over “gerechtigheid”. In Psalm 51 blijkt dit wel héél duidelijk. Koning David had overspel gepleegd met Batseba, de vrouw van een legerofficier, en bij haar een kind verwekt. Om het misdrijf in de doofpot te kunnen stoppen had hij haar man laten sneuvelen. De koning had een dubbele misdaad begaan. Volgens de wet van Mozes verdiende hij de doodstraf. David erkende zijn schuld en had berouw over zijn zonde. Hij bad: “Red mij van bloedschuld o God, God mijns heils, laat mijn tong over Uw gerechtigheid jubelen” (Psalm 51:16) “Gerechtigheid” betekent hier niet, dat de Schepper elke misdadiger zijn verdiende loon geeft. Het betekent dat Hij diens overtreding “uitdelgt” (Psalm 51:3), hem “wast” van ongerechtigheid en “reinigt” van zonde (Psalm 51:4,9), zodat hij wordt herschapen en vernieuwd (Psalm 51:12) en opnieuw vreugde mag kennen (Psalm 51:10,14). Gerechtigheid is de eigenschap die God ertoe drijft om te redden wie reddeloos verloren is, om te helpen wie geen helper heeft, 144 om bij te staan wie heeft gefaald, om “de goddeloze te rechtvaardigen” (Romeinen 4:5). Gods gerechtigheid staat in rechtstreeks verband met zijn “goedertierenheid”, zijn barmhartigheid en onverdiende goedheid (Psalm 51:3). Vanwege die gerechtigheid is er redding! Een ander voorbeeld vinden we in Psalm 31. De dichter van dit lied bevindt zich in een benarde situatie vanwege de dreiging van machtige vijanden. Hij schrijft: “Voor allen die mij benauwen, ben ik tot een smaad geworden, voor mijn buren allermeest, en voor mijn bekenden tot een schrik... Vergeten ben ik, uit het hart, als een dode; ik ben geworden als gebroken vaatwerk” (Psalm 31:12,13). In zijn omgeving is er niemand die hem helpt, hij staat volstrekt alleen en is de dood nabij. In die situatie smeekt hij: “Doe mij ontkomen door Uw gerechtigheid” (Psalm 31:2). Gerechtigheid is hier: “bevrijding van de hulpeloze, van de bedreigde, van de vereenzaamde” 26. Een derde voorbeeld ontlenen we aan het boek Jesaja. De schrijver merkt op dat de volken afgoden vereren en beschaamd zullen staan omdat die hen niet kunnen helpen (Jesaja 45:16,20). Maar Israël zal worden verlost (Jesaja 45:17). De HERE zegt over zichzelf: “Er is geen God behalve Ik, een rechtvaardige, verlossende God is er buiten Mij niet” (Jesaja 45:21) 26 Klaas D. Goverts, Gerechtigheid [serie: Woord voor Woord] Kracht van Omhoog, 49e jaargang, nummer 6, juni 1985 145
Page 146
God is “rechtvaardig” in tegenstelling tot de afgoden. Dat betekent, dat je op Hem niet tevergeefs vertrouwt. Hij “verlost”, dát is zijn gerechtigheid. Daarom mag Jesaja de volken uitnodigen: “Wendt u tot Mij en laat u verlossen, alle einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer” (Jesaja 45:22) Bij niemand anders kan de mensheid hulp krijgen, en uiteindelijk zal men dat ook inzien: “Alleen bij de HERE, zal men van Mij zeggen, is gerechtigheid en sterkte, tot Hem zal men komen, maar beschaamd zullen staan allen die tegen Hem in woede ontstoken zijn” (Jesaja 45:24) In de Hebreeuwse tekst van vers 24 staat het woord “gerechtigheid” in het meervoud. De mensen zullen God zoeken vanwege zijn rechtvaardige daden, de redding die alleen Hij kan schenken. Gods gerechtigheid blijkt uit de manier waarop Hij met zijn schepselen omgaat. Hij laat de wereld niet aan haar lot over. In de Hebreeuwse Bijbel is gerechtigheid een parallel van: 1. redding (Psalm 31:2-3, 71:2) 2. goedertierenheid (Psalm 33:5, 36:6-8, 36:11, 40:11, 89:15, 103:17) 3. trouw (Psalm 40:11, 96:13, 143:1) 4. heil (Psalm 40:11, 71:15, 98:2; Jesaja 46:13, 51:5) 5. verlossing (Jesaja 45:21) 146 Paulus gebruikt het woord “gerechtigheid” in dezelfde zin. Wanneer de apostel schrijft: “Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden…” (Romeinen 3:21) Dan betekent dit, volgens zijn eigen woorden: “Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus” (Romeinen 3:23-24) Rechtvaardigen Wat bedoelt Paulus in dit verband met “rechtvaardigen”? Het gangbare protestantse commentaar luidt als volgt: “Rechtvaardigen betekent ‘rechtvaardig verklaren’. Het is een juridische term (zie Deut. 25:1). Rechtvaardigen betekent niet ‘rechtvaardig maken’. Zie Lukas 7:29: de mensen “maakten” God niet rechtvaardig, zij verklaarden Hem rechtvaardig. Het tegenovergestelde van rechtvaardiging is veroordeling (Deut. 25:1; Romeinen 5:16-19)” 27. Dat mensen God niet rechtvaardig kunnen maken, is een waarheid als een koe. Wij hebben niet de macht om wie dan ook rechtvaardig te maken, en in het geval van God is zo’n daad ook volstrekt overbodig. Wanneer wij God rechtvaardigen, wil dat zeggen dat we erkennen dat Hij in zijn recht staat, of altijd de waarheid heeft gesproken (vgl. Romeinen 3:4). Dat de rechtvaardiging van de mens in Romeinen 5 het tegenovergestelde zou zijn van diens veroordeling en niet 27 Ontleend aan het document Rechtvaardiging, geschreven door Marc Verhoeven, te vinden op het adres verhoevenmarc.be. 147
Page 148
“rechtvaardig maken” maar alleen “rechtvaardig verklaren” zou betekenen, is een menselijke redenering die de Romeinenbrief van zijn kracht berooft. Want volgens Paulus overtreft de genade van de rechtvaardiging de vloek van de veroordeling in elk opzicht vér (Romeinen 5:16-17). De genade is “méér dan overvloedig” (Romeinen 5:20). Vanwege de rechtvaardiging ontvangt men onvergankelijk leven en mag in dat leven als koning heersen, na vanwege de veroordeling aanvankelijk voor korte tijd aan de dood onderworpen te zijn geweest (Romeinen 5:17,21) 28. Het lijden van de tegenwoordige tijd weegt in geen enkel opzicht op tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden (Romeinen 8:18). In Romeinen 3:24 heeft “rechtvaardigen” een diepere betekenis dan “vrijspreken” of “rechtvaardig verklaren”. Wanneer een rechter een crimineel ontslaat van rechtsvervolging, dan wordt de betrokkene daar geen ander mens van. Maar wanneer God iemand rechtvaardigt, dan vindt er een geweldige verandering plaats. In Romeinen 3:23-24 staat “om niet gerechtvaardigd worden uit zijn genade” tegenover “zondigen en de heerlijkheid Gods derven”, die heerlijkheid missen of daaraan tekort komen. Van nature “zondigt de mens”, hij mist zijn doel. De heerlijkheid waartoe God hem heeft bestemd ontbreekt. Hij begeeft zich op verkeerde wegen. Zelfs indien hij met inspanning van al zijn krachten het goede nastreeft, dan nog slaagt hij er niet in om dit volledig te bereiken. Maar wanneer God de mens rechtvaardigt, geheel gratis, dan gaat hij aan zijn doel beantwoorden, dan wordt hij zoals de Schepper hem of haar heeft bedoeld, dan begint Gods heerlijkheid in zijn of haar leven te stralen. 28 Ik ben mij ervan bewust dat “rechtvaardiging” en “veroordeling” in de traditionele theologie op andere wijze tegenover elkaar worden gesteld, maar dit is de tegenstelling die Paulus aanbrengt in het vijfde hoofdstuk van zijn brief aan de Romeinen! 148 Verlossing in Christus Jezus Dat “rechtvaardigen” meer is dan “vrijspreken” of “rechtvaardig verklaren” blijkt ook uit de toevoeging van Paulus, dat “allen… om niet worden gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus”. Het Griekse woord lutroosis betekent: vrijkoping door betaling van een losgeld. In Romeinen 3:24 gebruikt de apostel een versterkte vorm van dit woord, apolutroosis, totale vrijkoping, volledige betaling. Volgens het Nieuwe Testament heeft de Messias ons “vrijgekocht” van: “de vloek der wet” (Galaten 3:13) “alle ongerechtigheid” (Titus 2:14) “onze ijdele wandel”29 (1 Petrus 1:18-19) “Verlossing door het bloed van Christus” is een synoniem van “vergeving der zonden” (Efeze 1:7, Kolossenzen 1:14). Het Griekse woord aphesis, dat met “vergeving” is vertaald, betekent “wegzending”, in de zin van “vrijlating”. Vergeving is méér dan “kwijtschelding van schuld”. Het gaat om bevrijding uit de macht van de zonde. De zonde houdt ons als slaven in haar greep. Haar macht blijkt uit de hardnekkigheid van bepaalde overtredingen en tekortkomingen in ons leven. Maar Christus heeft ons van die zonden losgekocht, zodat wij die niet langer als slaven hoeven te dienen. Hij zal ons er uiteindelijk volkomen van bevrijden (vgl. Johannes 8:31-36). 29 Dus onze vruchteloze pogingen om onszelf te verbeteren, of in overeenstemming met Gods wet te leven. 149
Page 150
Voorgesteld als zoenmiddel Over de Messias schrijft Paulus dat God Hem heeft “voorgesteld als zoenmiddel door het geloof in zijn bloed” (Romeinen 3:25). Het Griekse werkwoord protithemai, dat door het NBG met “voorgesteld” is vertaald, komt nog op twee andere plaatsen voor. Op die plaatsen is het met “zich voornemen” vertaald: “Ik wil niet dat u onbekend is, broeders, dat ik mij dikwijls voorgenomen heb tot u te komen…” (Romeinen 1:13) “naar zijn welbehagen, dat Hij [God] zich had voorgenomen in zichzelf aangaande de bedeling van de volheid der tijden…” (Efeze 1:9) Gezien het vervolg van Paulus’ betoog ligt het voor de hand om protithemai ook in Romeinen 3:25 met “zich voornemen” te vertalen. God heeft vóór de grondlegging der wereld al besloten dat de Messias als “zoenmiddel” zou fungeren. Hij was voordat Hij begon te scheppen al van plan om de schepping door zijn Zoon te vervolmaken. Hij “plande” of “beoogde” de Messias als hilasterion. In de Septuagint, de beroemde Griekse vertaling van het Oude Testament die door Joodse geleerden uit Alexandrië is gemaakt, is het woord hilasterion een aanduiding van het “verzoendeksel” van de ark die zich bevond in de tabernakel. Ook in de brief aan de Hebreeën heeft hilasterion die betekenis (Hebreeën 9:5). Romeinen 3:25 is op dit spraakgebruik geen uitzondering. Israëls hogepriester moest éénmaal per jaar het bloed van de zondoffers 30 sprenkelen. Eerst óp het verzoendeksel, “aan de voorzijde”, en daarna vóór het verzoendeksel, zevenmaal (Leviticus 16:14-15). Mozes tekent daarbij aan: 30 Een stier voor zichzelf en een geitenbok voor het volk. 150 “Zó zal hij verzoening [Hebr. bedekking] doen over het heiligdom om de onreinheden der Israëlieten en om hun overtredingen in al hun zonden; aldus zal hij doen met de tent der samenkomst, die bij hen verblijf houdt te midden van hun onreinheden. Geen mens zal in de tent der samenkomst zijn, wanneer hij daar binnengaat om in het heiligdom verzoening [Hebr. bedekking] te doen, totdat hij naar buiten komt en verzoening [Hebr. bedekking] gedaan heeft voor zichzelf, voor zijn huis en voor de gehele gemeente Israëls” (Leviticus 16:16-17). Het hilasterion in de tabernakel was een “ding”: het deksel van de ark. Wanneer Paulus schrijft, dat God Christus Jezus tot hilasterion heeft gesteld, dan moet dit dus beeldspraak zijn. De gekruisigde en opgestane Heer is immers geen ding maar een levend Mens. Paulus gebruikt de stijlvorm die bekend staat als “naamswisseling” of metonymia, waarbij men in plaats van de werking de oorzaak, of in plaats van de oorzaak de werking noemt. Ook in het Nederlands gebruiken we die stijlvorm dikwijls. We kunnen bijvoorbeeld spreken over iemands “grijze haren”, wanneer we zijn ouderdom bedoelen. Of we kunnen zeggen dat iemand “een liefhebber is van de fles”, terwijl die persoon in werkelijkheid een liefhebber is van alcohol. Wanneer Paulus opmerkt, dat God de Messias tot hilasterion heeft gesteld, dan wil dat zeggen dat de Messias de volmaakte vervulling is van Israëls jaarlijks terugkerende ritueel op de Grote Verzoendag. Zoals het bloed dat de hogepriester op het verzoendeksel sprenkelde “bedekking” bracht, de zonden wegnam, de tekortkomingen van heel Israël ophief, zo zal het bloed van de Messias het herstel van de hele schepping te weeg brengen. In het vervolg van zijn betoog zet de apostel uiteen dat het messiaanse hilasterion helende kracht heeft voor alle generaties uit het verleden en ook voor alle toekomstige generaties. 151
Page 152
Door het geloof in zijn bloed Wat betekenen de woorden “door het geloof in zijn bloed”, die Paulus laat volgen op de mededeling dat God de Messias tot “zoenmiddel” heeft gesteld? Volgens velen vormen ze een ongepaste wending in het betoog. Terwijl in het eerste deel van de zin God de handelende persoon was (Hij heeft gesteld...), zou de apostel nu plotseling het geloof van de mens ter sprake brengen. Volgens Dr. Herman Ridderbos drukken deze woorden uit dat “het geloof de weg en het middel is, waardoor men deel ontvangt aan de door God bestelde verzoening” 31. Ridderbos sluit zich daarmee aan bij de opvatting van de meeste commentatoren, maar de mening van de meerderheid is niet per definitie juist. Mijns inziens is er van een wending in het betoog geen sprake, omdat vers 25 niet spreekt over het geloof van de mens maar over het geloof van God 32. In de brief aan de Romeinen had de apostel al eerder over “geloof” gesproken. In bijbelvertalingen is het Griekse woord pistis soms weergegeven als “trouw” en bij andere gelegenheden als “geloof”. Daardoor is de lijn van Paulus’ betoog moeilijk te volgen. Indien we pistis consequent als “geloof” vertalen dan schreef de apostel het volgende: “Wat dan? Als sommigen 33 ongelovig zijn geweest, zal hun ongeloof het geloof van God te niet doen? Volstrekt niet! Maar 31 A.w., pag.84-85. 32 Tot mijn verbazing wordt deze opvatting in bijbelcommentaren zelden of nooit genoemd. Ik heb hem wél aangetroffen bij: George R Hawtin, The Restitution of All Things, Eagle, ID: Treasures of Truth, z.j. en bij Wolfgang Einert, Der Römerbrief, Berlin: SDL Verlag und Druck, 2003. 33 Dat zijn de menselijke partners in het verbond van God met Israël. 152 God zij waarachtig en ieder mens leugenachtig...” (Romeinen 3:34, Telos) Heel het betoog van Paulus is gebaseerd op de constatering dat God trouw is en de mens ontrouw. Bij de mensen is er ongeloof, bij God geloof (vers 3). Mensen zijn leugenaars, alleen God spreekt de waarheid (vers 4 en 7). Bij ons is er ongerechtigheid, bij God gerechtigheid (vers 5). Over de mensheid had de apostel, aan de hand van citaten uit de Psalmen, bijzonder krasse uitspraken gedaan. “Er is niemand die verstandig is, niemand die God zoekt... De vreze Gods staat hun niet voor ogen” (vers 11-18). De conclusie van Romeinen 3:1-20 luidt: “Bij mensen ontbreekt het echte geloof. Bij hen is er geen sprake van trouw, maar alleen van ontrouw”. In vers 22 brengt Paulus dan de éne mens ter sprake in wie Gods gerechtigheid is geopenbaard omdat Hij wél geloofde, Jezus Christus. De apostel spreekt in dit vers niet over ons geloof in Jezus Christus, maar over het geloof van Jezus Christus. Net zoals “geloof van Abraham” (Romeinen 4:16) betekent: het geloof dat Abraham bezat, zo betekent “geloof van Christus” (Romeinen 3:22) ook: het geloof dat Christus bezat. Wanneer de apostel vervolgens opmerkt: “tot allen en over allen die geloven”, dan ontkracht hij daarmee niet wat hij in het voorafgaande had gezegd. Het is niet zó dat bepaalde mensen zich in positieve zin van de rest onderscheiden omdat ze “van nature” op God vertrouwen of bij het horen van de evangelieboodschap “spontaan” voor Christus kiezen. Het blijft: God waarachtig en ieder mens leugenachtig, bij God trouw en bij het schepsel ontrouw. 153
Page 154
Dat er desondanks mensen zijn die God op zijn woord geloven en op zijn Zoon Jezus Christus vertrouwen, is geen keuze die hun als verdienste kan worden aangerekend. Het toont aan dat God bezig is om goddelozen 34 helemaal gratis, totaal voor niets, te rechtvaardigen (vers 23). Zulke eerstelingen 35 zijn de voorbode van de volle oogst. Aan hen kun je zien waarheen God met allen op weg is. “Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus” (Romeinen 3:23-24) In het voorafgaande gedeelte van hoofdstuk 3 (vers 1 tot 24) heeft het zelfstandig naamwoord “geloof” steeds betrekking op God (vs.3) of op de mens Jezus Christus (vs.22) maar nooit op andere mensen. Het ligt daarom voor de hand om, wanneer de apostel het woord “geloof” voor de derde keer gebruikt, in vers 25, ook aan het geloof van God te denken – te meer daar God in dit vers de handelende persoon is. “Hem heeft God gesteld als zoenmiddel door het geloof in zijn bloed” betekent: “Hem heeft God gesteld als zoenmiddel vanwege het vertrouwen dat Hij heeft in zijn bloed”. De Schepper kon de zonden die vóór het kruis werden gepleegd verdragen, omdat Hij erop vertrouwde dat het bloed van Christus die zonden zou wegnemen. 34 Vgl. Romeinen 4:5. Laten we in onze oren knopen dat we goddelozen zijn! 35 Vgl. Romeinen 8:23, Romeinen 11:16, en Jakobus 1:18. 154 De betekenis van het bloed Het is boeiend om te lezen, hoe het hilasterion functioneerde, m.a.w. hoe de hogepriester het bloed van de zondoffers moest gebruiken. In Leviticus 16 lezen we daarover: “Dan zal hij een deel van het bloed van de stier nemen en dat met zijn vinger sprenkelen op het verzoendeksel, aan de voorzijde; en vóór het verzoendeksel zal hij zevenmaal dat bloed met zijn vinger sprenkelen” (vs.14) “Dan zal hij de bok van het zondoffer, voor het volk bestemd, slachten... en met dat bloed doen, zoals hij met het bloed van de stier gedaan heeft, hij zal het op het verzoendeksel en vóór het verzoendeksel sprenkelen” (vs.15) “Hij zal van het bloed van de stier en van het bloed van de bok nemen en dat rondom aan de horens van het altaar strijken. Dan zal hij daarop met zijn vinger zevenmaal van het bloed sprenkelen en het reinigen en heiligen van de onreinheden der Israëlieten” (vs.18-19) Drie zaken in deze beschrijving zijn opmerkelijk: a. De volgorde waarin het sprenkelen plaatsvond: eerst op het verzoendeksel, aan de voorkant, daarna vóór het verzoendeksel, daarna aan de horens van het altaar en tenslotte op het altaar. b. De frequentie waarmee het sprenkelen plaatsvond: zevenmaal voor het verzoendeksel en zevenmaal op het altaar. c. De reden die voor het aanbrengen van het bloed wordt aangegeven: om tabernakel en altaar te reinigen van de onreinheden der Israëlieten. 155
Page 156
Boven het verzoendeksel van de ark, tussen de cherubim die dat deksel overschaduwden, was God op een bijzondere manier aanwezig (Exodus 25:22, 30:6). Vanaf die plaats sprak Hij tot Mozes met een hoorbare stem (Numeri 7:89). De voorzijde van het verzoendeksel was naar het voorhangsel toegekeerd en daarmee ook naar het volk dat zich in de voorhof van de tabernakel bevond. Uit de volgorde waarin het sprenkelen moest plaatsvinden (eerst op de voorkant van het verzoendeksel, daarna voor het verzoendeksel, vervolgens aan de hoornen van het altaar, tenslotte op het altaar) bleek, dat God het initiatief nam en dat het herstel uitging van Hem. Niet de mens bracht een offer en maakte zich daarmee aanvaardbaar in Gods oog, maar God verschafte het middel om de zonde weg te nemen. Hij gaf het bloed op het altaar om “verzoening te doen” voor de levens van de Israëlieten, dus hun tekortkomingen te bedekken (Leviticus 17:11). Ook de frequentie waarmee het sprenkelen plaatsvond is van grote betekenis. De zevenvoudige sprenkeling wijst op een volledige verwijdering van alle tekortkomingen. Nadat Naäman de Syriër zich zevenmaal had gewassen in het water van de Jordaan was hij volkomen genezen van zijn melaatsheid. Zijn lichaam “werd weer gezond als het lichaam van een kleine jongen” (2 Koningen 5:10,14). Zo is het stellig ook met de “onreinheden der Israëlieten en hun overtredingen in al hun zonden”. Door het ware hilasterion dat op Gods tijd is verschenen zullen al die zonden en onreinheden worden weggedaan (vgl. Romeinen 11:26-27). Alles wat de mens God kan aanbieden of voor Hem kan doen is gebrekkig en onvolmaakt. Zelfs de eredienst van Israël, de enige “godsdienst” op aarde die werkelijk door God is ingesteld, was verre van perfect. Maar door het tegenbeeld van het bloed van de zondoffers, het volmaakte leven van de Messias, zullen alle 156 tekortkomingen van Gods schepselen eens voorgoed worden opgeheven (Romeinen 5:18-19, 1 Korinthe 15:22). Gerechtigheid en barmhartigheid zijn geen tegenpolen “Om zijn rechtvaardigheid te tonen, daar Hij de zonden, die tevoren onder de verdraagzaamheid Gods gepleegd waren, had laten geworden” (Romeinen 3:25) is een onnauwkeurige weergave van de grondtekst 36. Deze vertaling wekt de indruk dat Gods rechtvaardigheid in het gedrang kwam, zolang Hij de zonden van de mensheid bleef verdragen, maar in de eerste eeuw van onze jaartelling zou de Schepper eens-voor-altijd hebben aangetoond dat Hij rechtvaardig is – door de Messias te laten kruisigen. Greijdanus schreef, dat er een “schaduw op Gods strafvorderende gerechtigheid was gevallen” vanwege het “nalaten der volle strafoefening in de voorgaande tijd”. In preken die op zulke bijbelvertalingen zijn gebaseerd wordt gezegd: “God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig”37. Volgens zulke toespraken zijn barmhartigheid en rechtvaardigheid tegenstrijdige karaktereigenschappen van God die allebei gehandhaafd moesten worden. Vanwege zijn barmhartigheid wenst de Schepper Zich over zondaars te ontfermen, maar zijn rechtvaardigheid verhindert Hem dat. Hij kan het kwaad niet onbestraft laten. 36 In de oorspronkelijke tekst staat letterlijk: “tot betoning van de gerechtigheid van Hem door het voorbijgaan aan de voorafgaande zonden”. Er is in de grondtekst geen sprake van een contrast, en er is in het Grieks geen enkel woord dat overeenkomt met het woordje ‘daar” in de vertaling van het N.B.G. 37 Antwoord 11 van de Heidelbergse Catechismus luidt: “God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig; daarom zoo eischt zijne gerechtigheid, dat de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft worde”. 157
Page 158
Volgens de calvinistische traditie toont God zijn rechtvaardigheid wanneer Hij bepaalde overtreders straft en zijn barmhartigheid wanneer Hij andere overtreders redt 38. Maar volgens de Schrift is er “geen aanzien des persoons bij God” (Romeinen 2:9-11). In tegenstelling tot een aardse rechter is Hij volmaakt onpartijdig. Hij legt bij de beoordeling van de ene mens geen andere maatstaven aan dan bij de beoordeling van een ander. Ook kunnen zijn eigenschappen niet worden gescheiden, of tegenover elkaar worden gesteld. De HEERE is Eén (Deut.6:4). In zijn karakter bestaat er volmaakte harmonie. Er is geen tegenstelling tussen zijn barmhartigheid en zijn rechtvaardigheid. Indien God straft dan is Hij niet onbarmhartig, en als Hij Zich over iemand ontfermt dan betekent dat niet dat Hij die persoon totaal ongestraft laat. De Spreukendichter zegt immers: “Mijn zoon, acht de tuchtiging des Heren niet gering, en verslap niet, als gij door Hem bestraft wordt, want wie Hij liefheeft, tuchtigt de Here, en Hij kastijdt iedere zoon, die Hij aanneemt” (Hebreeën 12:5-6, vgl. Spreuken 3:11-12 en Exodus 34:6-7) Zondaren worden niet gered ondanks het feit dat God rechtvaardig is. Gods gerechtigheid is juist de grondslag van hun redding. Verlossing die God teweeg brengt is een openbaring 38 “Naar welks besluit Hij de harten der uitverkorenen, hoewel zij hard zijn, genadiglijk vermurwt en buigt om te geloven; maar degenen die niet zijn verkoren, naar zijn rechtvaardig oordeel, in hunne boosheid en hardigheid laat” (Dordtse Leerregels, hoofdstuk I, VI). Zo staat het ook in de Nederlandse Geloofs Belijdenis: “Barmhartig, doordien Hij uit deze verderfenis trekt en verlost degenen, die Hij in zijn eeuwige en onveranderlijke raad, uit enkel goedertierenheid, uitverkoren heeft in Jezus Christus, onze Here, zonder enige aanmerking van hun werken. Rechtvaardig, doordien Hij anderen laat in hun val en verderf, waar zij zichzelf in geworpen hebben” (art.16). 158 van zijn gerechtigheid (vgl. Psalm 31:2, 40:11, 51:16, 71:2 en 15, 98:2; Jesaja 45:21, 46:13, 51:5). In de oude Statenvertaling is het slot van vs.25 wél nauwkeurig weergegeven: “tot een betoning van zijn rechtvaardigheid, door de vergeving der zonden, die tevoren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods”. Het voorbijgaan aan de zonden was een toonbeeld van Gods gerechtigheid - net zoals het voorbijgaan aan de huizen van de Israëlieten bij het eerste Pesach een toonbeeld was van zijn vermogen om te verlossen. Romeinen 3:25 is gebaseerd op de Hebreeuwse Schriften. God toonde zijn gerechtigheid, dus zijn bereidheid om te redden, door de Messias te stellen tot een hilasterion en een volmaakte remedie te bieden voor de zonden uit het verleden. Juist door voorbij te gaan aan de voorafgaande zonden toonde Hij zijn gerechtigheid 39. Rechtvaardig en rechtvaardigend Ook in Romeinen 3:26 blijkt, dat bijbelvertalers zijn beïnvloed door de calvinistische traditie. Ze schrijven bij voorbeeld: “om zijn rechtvaardigheid te tonen in de tegenwoordige tijd, zodat Hijzelf rechtvaardig is, ook als Hij hem rechtvaardigt die uit het geloof in Jezus is” (NBG) “om uiteindelijk – in deze tijd – te laten zien hoe rechtvaardig Hij is. Ook als blijkt dat Hij ieder mens, die door geloof bij Jezus hoort, in eer herstelt” (Het Boek) De vertalers meenden dat het onrechtvaardig zou zijn wanneer God bepaalde mensen “om niet” zou rechtvaardigen. Maar Hij heeft “genoegdoening” voor hun overtredingen verkregen en zijn 39 Aldus de grondtekst. 159
Page 160
“rechtvaardigheid getoond door zijn eigen Zoon te straffen”, daarom kan Hij hen nu “gratis” rechtvaardigen. Het woordje “ook” in hun vertalingen spreekt boekdelen. Ook indien God “om niet” rechtvaardigt – wat ogenschijnlijk een aantasting van het rechtsevenwicht is – dan is Hij tóch rechtvaardig omdat Christus “voor de schuld heeft betaald”. Dit denkbeeld ontleenden de vertalers aan de calvinistische traditie. De Statenvertalers en de opstellers van de Voorhoeve-vertaling (H.C. Voorhoeve, G.P. Bronkhorst en dr. N.A.J. Voorhoeve) hebben Paulus’ woorden nauwkeuriger weergegeven: “tot een betoning van zijn rechtvaardigheid in dezen tegenwoordigen tijd – opdat Hij rechtvaardig zij en rechtvaardigende dengene die uit het geloof van Jezus is” (SV, zo ook Telos). In de oorspronkelijke tekst is er geen tegenstelling tussen Gods rechtvaardigheid en zijn rechtvaardiging van de gelovige. Die tegenstelling is er door sommige vertalers ingelegd. Het Griekse woordje kai, dat door de Statenvertalers terecht met “en” is vertaald, heeft dikwijls de betekenis van “namelijk”. Het slot van vers 26 kan daarom ook als volgt worden weergegeven: “opdat Hij rechtvaardig zou zijn, namelijk rechtvaardigend wie uit het geloof van Jezus is” De gedachte van “genoegdoening” ontbreekt in dit vers totaal. Volgens vers 26 eist Gods gerechtigheid niet, zij gééft. Dat God “rechtvaardig” is, een Hebreeuwse “Rechtvaardige”, een tzaddiek, betekent dat Hij falende en te kort schietende schepselen wil helpen en bereid is om hen te rechtvaardigen “om niet”. Het slot van vers 26 is geen contrast met het begin, maar geeft van dat begin juist een verklaring. In de tegenwoordige tijd laat God zien dat Hij rechtvaardig is. Hoe? Door wie “uit het geloof van Jezus is” te rechtvaardigen. 160 De uitdrukking “die uit het geloof van Jezus is” (Romeinen 3:26) heeft een parallel in Romeinen 4:16. In dat vers spreekt de apostel over “nageslacht dat uit het geloof van Abraham is” (aldus de grondtekst). Blijkbaar heeft de uitdrukking “uit het geloof van iemand zijn” een dubbele betekenis: 1. De personen die in de uitdrukking worden genoemd (Jezus, of Abraham) staan als toonbeelden van geloof aan het begin. Zij zijn de “stamvaders” van het geloof van een hele groep. Abraham is volgens de Schrift “de vader van alle gelovigen”, niet alleen van besnedenen, de gelovigen uit Israël, maar ook van onbesnedenen, de gelovigen uit de volken (Romeinen 4:9-12). Het evangelie vertelt over het geloof van Jezus, die gehoorzaam was tot aan de kruisdood maar als Eersteling mocht opstaan uit de doden, zodat Hij een toonbeeld werd van de gerechtigheid van God. Die openbaring van Gods gerechtigheid is “uit geloof tot geloof” (Romeinen 1:17). Ze vond plaats met de bedoeling dat anderen op hun beurt God zouden gaan vertrouwen. 2. In personen die “uit het geloof van een bepaalde stamvader zijn” wordt het geloof van die stamvader zichtbaar. Zij houden vast aan de beloften van God, ook al lijkt het onmogelijk dat die nog ooit in vervulling zullen gaan. Zij geloven dat de Schepper bij machte is om het niet-zijnde tot aanzijn te roepen 40, ook al lijkt de hele werkelijkheid in andere richting te wijzen. Indien wij God zó op zijn woord geloven, eenvoudig als kinderen, dan zijn we rechtvaardigen en worden door Hem “om niet” gerechtvaardigd. 40 Dus de doden te doen opstaan. Want de doden zijn niet. Vandaar dat Paulus in Romeinen 4:17 opmerkt, dat Abraham ervan overtuigd was, dat God “de doden levend maakt en het niet-zijnde tot aanzijn roept”. Omdat Abraham dat geloofde, twijfelde hij niet aan de belofte dat hij een zoon zou krijgen ook al waren hij en zijn vrouw Sara daarvoor al veel te oud. 161
Page 162
Samenvatting 1. De kerkelijke traditie denkt bij het horen van het woord “geloof” aan iets dat de mens moet opbrengen, iets waarin christenen zich van niet-christenen onderscheiden. Maar in de Romeinenbrief gaat het bij “geloof” in de eerste plaats om het geloof van God (Romeinen 3:3-4) en van zijn Zoon, Jezus Christus (Romeinen 3:22,26). Mensen zijn van nature óngelovig (Romeinen 3:3-5, 3:9-18). Godsdienstige mensen even goed als mensen die niets van godsdienst moeten hebben. Joden zowel als Grieken. 2. Calvinisten denken bij het horen van de uitdrukking “gerechtigheid tonen” aan bestraffing van het kwaad aan een onschuldige plaatsvervanger, ten einde het rechtsevenwicht te kunnen handhaven. Maar in de Hebreeuwse Schriften heeft deze uitdrukking de betekenis van “hulp verschaffen”, “redding bieden”, of “heil openbaren”. Wie zijn gerechtigheid toont “zet het verkeerde recht” – niet omdat het verkeerde dat verdient maar omdat Hij zelf een Rechtvaardige, een tzaddiek is. 3. Omdat men van onjuiste uitgangspunten uitging, heeft men van Romeinen 3:25-26 een interpretatie gegeven die met de overige Schriften in strijd is. Volgens Gods eigen zeggen is het onrechtvaardig om in plaats van de schuldigen een onschuldige te straffen (Exodus 23:7). Maar het strekt iemand tot eer en het getuigt van rechtvaardigheid, wanneer men na een provocatie niet uit is op vergelding, maar bereid is om “vurige kolen” op het hoofd van de boosdoeners te stapelen. Zodat de betrokkenen tot ander inzicht komen en zich anders gaan gedragen (Spr.25:21-22). 162 Rechtvaardiging ten leven “Derhalve, gelijk het door één daad van overtreding voor alle mensen tot veroordeling gekomen is, zo komt het ook door één daad van gerechtigheid voor alle mensen tot tot rechtvaardiging ten leven. Want, gelijk door de ongehoorzaamheid van één mens zeer velen tot zondaren geworden zijn, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van één zeer velen tot rechtvaardigen worden”. (Rom.5:18-19) De tekst boven dit hoofdstuk is opzettelijk inspringend afgedrukt. Zo wordt in één oogopslag duidelijk, dat Paulus’ betoog uit een aantal parallelle zinnen bestaat. ”Eén daad van overtreding” is hetzelfde als ”de ongehoorzaamheid van één mens”. ”Eén daad van gerechtigheid” is een parallel van ”de 163
Page 164
gehoorzaamheid van één”. ”Tot veroordeling gekomen” is hetzelfde als ”zondaren geworden”. En ”tot rechtvaardiging ten leven komen” betekent: ”rechtvaardigen worden”. ”Alle mensen” uit vers 18 is een parallel van de ”zeer velen” uit vers 19. In de oorspronkelijke Griekse tekst staat DE velen (hoi polloi). Aangezien vers 18 en vers 19 parallel lopen bedoelt Paulus met ”de velen” de hele mensheid, ofwel ”alle mensen”. Dat blijkt ook wanneer we in Romeinen 5 vers 12 met vers 15 vergelijken. In vers 12 staat, dat ”de dood tot alle mensen is doorgegaan” en in vers 15 dat ”de velen zijn gestorven”. Paulus plaatst Adam tegenover Christus, de stamvader van de mensheid tegenover het hoofd van de nieuwe mensheid. De ”éne daad van overtreding” werd begaan door Adam, toen deze zich, tegen Gods gebod in, vergreep aan de vrucht van de boom der kennis (Gen.2:17, 3:6). Adams overtreding had buitengewoon ernstige gevolgen. Door hem ”kwam de zonde de wereld binnen en via de zonde de dood” (Rom.5:12). Door de overtreding van die ene werden al zijn nakomelingen zondaren en ging de dood als koning heersen (vers 12,17,19, vgl. Gen.3:1719). Geen enkel mens heeft zich aan de gevolgen van Adams val kunnen onttrekken. Al Adams afstammelingen waren zondaren en ze zijn allemaal gestorven. De ”éne daad van gerechtigheid” werd verricht door de Here Jezus. In vers 15 legt Paulus uit, dat Jezus Christus gehoorzaam is geweest en hij herhaalt die conclusie in vers 17 en vers 21. Uit vers 6, 8 en 10 blijkt dat de daad van gerechtigheid bestond uit zijn zelfopoffering aan het kruis. God ”bewijst zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is”. De Messias is ”te zijner tijd voor goddelozen gestorven”. Hij ”is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises” (Fil.2:8). Jezus’ daad van gerechtigheid was een genadegave (vs.15), een volstrekt onverdiend geschenk. Omdat Adam tegen God was opgestaan, had de Schepper zich 164 met recht van hem en zijn nageslacht kunnen afwenden. Maar dat deed Hij niet, want Hij heeft de mensheid lief. Hij bewees zijn liefde door zijn Zoon te zenden en die voor zondaren te laten sterven (vs.8). De gehoorzaamheid van die éne zal geweldige gevolgen hebben. Paulus somt ze in Romeinen 5 op: rechtvaardiging (vs.16,18), de gave van de gerechtigheid (vs.17), leven (vs.17,18) en koninklijke heerschappij (vs.17). Dankzij de gehoorzaamheid van Christus veranderen goddeloze zondaars (vs.6,19) in rechtvaardigen (vs.19) en ontvangen vrede met God (vs.1). Het is opmerkelijk, dat Paulus in dit Schriftgedeelte geen onderscheid maakt tussen de reikwijdte van de gevolgen van Adams val en de reikwijdte van de gevolgen van Christus’ gehoorzaamheid. De gevolgen van beide daden, de ene daad van overtreding en de ene daad van gerechtigheid, strekken zich uit tot ”alle mensen” (vs.18). Zoals door Adams val alle mensen zondaren werden en aan de dood werden onderworpen, zo zullen door Christus’ gehoorzaamheid uiteindelijk alle mensen rechtvaardigen worden en het leven binnengaan. Zo’n conclusie past natuurlijk niet binnen de gangbare theologische kaders. Want al vijftienhonderd jaar lang hebben theologen uit het feit, dat sommige mensen in de ”poel des vuurs” terechtkomen (Openb.20:15), geconcludeerd dat niet alle mensen uiteindelijk rechtvaardigen worden en het ware leven ontvangen. Uitleggers zagen zich genoodzaakt om wat Paulus schrijft met de leer van de ”eindeloze hellestraf” in overeenstemming te brengen. In het vervolg van dit hoofdstuk zullen we laten zien hoe ze dit hebben gedaan. 165
Page 166
Calvijns commentaar De bekende reformator, Johannes Calvijn, besefte dat we de reikwijdte van de verlossing niet mogen inperken. Toen hij zijn commentaar op de brief aan de Romeinen schreef, werd hij getroffen door de volgende tekst: ”Maar het is met de genadegave niet zo als met de overtreding; want, indien door de overtreding van die ene zeer velen gestorven zijn, veel meer is de genade Gods en de gave bestaande in de genade van de ene mens, Jezus Christus, voor zeer velen overvloedig geworden” (Rom.5:15). Uit Calvijns commentaar blijkt, dat hij met deze tekst heeft geworsteld. De reformator concludeerde, dat de genade die Christus heeft verworven een groter deel van de mensheid ten deel zal vallen dan de veroordeling die een gevolg is van Adams misstap. Hij schreef: “Als Adams val zo veel vermogen heeft tot veler mensen verderf, zo is de genade Gods veelmeer krachtig tot veler goed en zaligheid; want het is zeker, dat Christus veel krachtiger is om zalig te maken, dan Adam om te verderven”41 Calvijn had oog voor het feit, dat met de kracht van de verlossing de eer van de Verlosser is gemoeid. Toch concludeerde Calvijn uit vs.18 niet, dat alle mensen uiteindelijk behouden zullen worden. Hij gaf daarvoor de volgende reden aan: “Om de ellendige erfenis der zonde te hebben, is het genoeg mens te zijn, want zij is in het vlees en bloed, maar om de rechtvaardigheid van Christus te genieten, zo is het nodig geloof 41 Uitlegging op den Zendbrief van Paulus aan de Romeinen, Goudriaan 1979, pag.116. 166 te hebben, want door het geloof verkrijgt men de gemeenschap daarvan” 42. Met andere woorden: de Bijbel stelt een bewust geloof tot voorwaarde om in de door Christus bewerkte verzoening te kunnen delen. Volgens Calvijn bedoelde Paulus met ”alle mensen” (vs.18): allen, die het genoemde lot ten deel zal vallen. Door Adam komt het voor allen die verloren gaan tot veroordeling, door Christus voor alle verlosten tot rechtvaardiging ten leven. ”Gestorven zijn” (vs.15) heeft volgens Calvijn betrekking op de geestelijke dood – het gemis aan contact van de natuurlijke mens met God – en niet op diens overlijden. We zouden Calvijns commentaar als volgt kunnen parafraseren: ”Om in Gods oordeel vrijgesproken te kunnen worden, moet een mens in de Zoon van God geloven (zie b.v. Joh.3:15-18, Rom.1:16-17, 3:21-26 en 5:1). De ervaring leert dat niet iedereen tot geloof komt. Dus wordt ook niet ieder mens gerechtvaardigd. Door Adam komt het voor allen die verloren gaan tot veroordeling, door Christus voor allen die behouden worden tot rechtvaardiging ten leven. Christus is echter veel krachtiger om zalig te maken dan Adam was om te verderven. Er zullen dus meer mensen door Christus behouden worden dan er door Adam verloren zullen gaan. En de rijkdom die de verlosten zullen ontvangen is groter dan de rijkdom die Adam kwijtraakte door zijn val”. De zwakheid van Calvijns betoog blijkt, wanneer hij opmerkt: ”Om de ellendige erfenis der zonde te hebben, is het genoeg mens te zijn... maar om de rechtvaardiging van Christus te genieten, zo is het nodig geloof te hebben”. De natuurlijke afstamming van Adam is genoeg, aldus Calvijn, om een zondaar te zijn, maar om een rechtvaardige te worden moet je niet alleen 42 A.w., pag.118. 167
Page 168
van Adam afstammen, maar ook in Christus gaan geloven. Alle mensen stammen van Adam af, maar niet alle mensen komen tot geloof. Uiteindelijk komt het er in Calvijns visie toch op neer, dat de gevolgen van Adams val zich tot een groter aantal mensen uitstrekken dan de gevolgen van Christus’ gehoorzaamheid. Omdat hij die schijn wil vermijden, zegt hij dat “alle mensen” in vs.18 betekent: “allen, die het genoemde lot ten deel valt”. In vs.18a zou het betekenen ”allen die verloren gaan” en in vs.18b ”allen die behouden worden”. Om de eer van Christus te redden beweert hij, dat de tweede groep groter is dan de eerste en dat de rijkdom die de tweede groep ontvangt het verlies dat de eersten hebben geleden verre overtreft. Door het woord “alle mensen” in beperkte zin op te vatten, sloot Calvijn zich aan bij een menselijke overlevering die het woord van God krachteloos maakt (vgl. Mar.7:13). Want als de natuurlijke afstamming van Adam, die alle mensen bezitten, voldoende is om een zondaar te zijn, dan betekent ”alle mensen” in vs.18a de hele mensheid. En als in de praktijk slechts een deel van de mensheid gerechtvaardigd wordt, dan betekent ”alle mensen” in vs.18b een select gezelschap, dus niet allen. Paulus zou de uitdrukking “alle mensen” binnen één zin dan in verschillende betekenissen gebruiken. In vs.18a zou het “iedereen” betekenen, en in vs.18b “allen uit een beperkte groep”, dus “niet iedereen”. Een ongelovige, die zo’n Schriftuitleg hoort, trekt de conclusie: “Met het woord van God kun je blijkbaar alle kanten op. Geef mijn portie maar aan Fikkie”. Volgens Calvijn zou Paulus in Rom.5:18 hebben gezegd: ”Derhalve, gelijk het... voor alle veroordeelden tot veroordeling komt, zo komt het ook... voor alle verlosten tot rechtvaardiging ten leven”. Dat het voor alle veroordeelden tot veroordeling komt, en voor alle verlosten tot rechtvaardiging, is een ”open deur”. Het is vanzelfsprekend. Zo’n uitspraak is 168 nietszeggend. Van de apostolische prediking blijft bij deze opvatting niets over. Het latere calvinisme Bij een anonieme volgeling van Calvijn heb ik een andere uitleg van Rom.5:18 aangetroffen. Deze persoon schrijft: “In Romeinen 5 hebben de verzen 1-11 uitsluitend betrekking op de uitverkorenen”. Paulus schrijft daar: “Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God”. Hij richt zich tot mensen die geloven, in de genade staan, op de heerlijkheid Gods hopen en roemen in de verdrukkingen. Mensen die eens zondaren waren maar door het bloed van Christus gerechtvaardigd zijn. Verlosten die met God zijn verzoend. De schrijver vervolgt: “Ik concludeer dat de hoorders tot wie Paulus zich in de verzen 1-11 richt, gelovigen zijn. Laten we nu eens naar het laatste vers van het hoofdstuk kijken”. In dat vers staat, dat ”de genade zou heersen door rechtvaardigheid ten eeuwigen leven door Jezus Christus, onze Here”. De schrijver besluit: “Paulus spreekt nog steeds tot mensen, die Jezus als Here hebben. De genade heerst alleen maar in de uitverkorenen”. Volgens hem hebben de uitdrukkingen “alle mensen” en ”de velen” in Rom.5 betrekking op de uitverkorenen en niet op de hele mensheid. Hij zegt: “Het komt mij voor dat de termen ‘velen’ en ‘allen’ in dit bijbelgedeelte consequent op één en dezelfde groep mensen 169
Page 170
betrekking hebben: uitverkoren mannen en vrouwen vóór en nà hun bekering”43. Met andere woorden: door Adam kwam het voor alle uitverkorenen tot veroordeling, maar door Christus komt het ook voor alle uitverkorenen tot rechtvaardiging ten leven. Over het lot van de ongelovigen zou Paulus in Romeinen 5 niet spreken. De apostel spreekt weliswaar over ”alle mensen” maar in de Bijbel wordt de term ”allen” dikwijls in beperkte zin gebruikt. In Mat.4:24 staat, dat men ”allen, die ernstig ongesteld waren, tot Jezus bracht”. Maar dat betrof de zieken uit Syrië. De zieken uit Amerika waren er niet bij. In Joh.3:26 staat, dat ”allen” naar Jezus toegingen en zich door zijn discipelen lieten dopen. Maar bij die allen waren de Farizeeën niet inbegrepen. In Joh.10:8 zegt Jezus: ”Allen, die vóór Mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben naar hen niet gehoord”. Het woord ”allen” heeft hier betrekking op mensen die zich voor de Messias hebben uitgegeven. De oudtestamentische profeten, inclusief Johannes de Doper, deden dat niet en waren dus ook geen ”dieven en rovers”. De schrijver merkt op: “Daarom mogen we niet concluderen, dat het woord ‘allen’ in Romeinen 5:18 betrekking heeft op elk individu dat ooit heeft geleefd, want niet iedereen zal behouden worden. Het is zonneklaar dat niet allen gerechtvaardigd worden ten leven. Het hele hoofdstuk gaat uitsluitend over de uitverkorenen” 44. Dit betoog is een klassiek voorbeeld van een cirkelredenering. Omdat de schrijver een calvinist is, is het volgens hem ”zonneklaar dat niet allen gerechtvaardigd worden ten 43 Anonieme brochure getiteld Romans 5 and Paul’s Use of ‘All’. Sacramento, CA, z.j. 44 A.w., Sacramento, CA, z.j. 170 leven”. Hoewel de apostel in vs.18 opmerkt, dat ”het door één daad van gerechtigheid voor alle mensen tot rechtvaardiging ten leven komt” en er in het Grieks ook echt ”alle mensen” staat, meent de schrijver dat dit natuurlijk niet de bedoeling kan zijn. Paulus heeft nu wel gezegd ”alle mensen”, maar dat was een beetje onvoorzichtig van hem. Hij had eigenlijk moeten schrijven: ”alle uitverkorenen”. Dan zou hij geen misverstand hebben gewekt. Aldus de schrijver. Ook dit betoog doet de bijbeltekst geweld aan. De parallel tussen Adam en Christus, die Paulus in Rom.5 trekt, loopt mank wanneer ”alle mensen” alle uitverkorenen zou betekenen. Want Adam was niet alleen de stamvader van de uitverkorenen. En niet alleen de uitverkorenen werden maar door hem tot zondaars gesteld. Alle afstammelingen van Adam, zowel Gods uitverkorenen als de rest van de mensheid, zijn vanaf hun geboorte zondaren. Door Adam kwam de zonde de wereld binnen (vs.12), niet de kerk! Zonde en dood troffen gelovigen net zo goed als ongelovigen (vs.12). Als Paulus in verband met Adams val spreekt over ”alle mensen”, dan bedoelt hij ”al Adams afstammelingen”, dus elk menselijk individu dat sinds de zondeval op aarde heeft geleefd. Aangezien de apostel in vers 12 spreekt over de gevolgen van Adams val voor de wereld, is de bewering dat hij in dit hele hoofdstuk alleen maar spreekt over de uitverkorenen een aperte leugen. Evangelisch commentaar Evangelischen benaderen Rom.5 anders dan calvinisten. Een predikant die zijn opleiding heeft genoten aan de Vrije Evangelisch-Theologische Academie in Basel merkt over Rom.5:18 het volgende op: 171
Page 172
“Hier... is van de mogelijkheid en niet van de concretisering van de redding van alle mensen sprake... Men mag [het volgende] namelijk niet over het hoofd zien... Adamiet ben ik automatisch sinds mijn geboorte: sinds Adams eerste ongehoorzaamheid heerst de zonde en daarmee de dood over alle mensen (vs.12 en 17). Daarentegen ben ik niet automatisch een christen en ik word het ook niet automatisch door de gerechtigheid van Jezus... Tot het christen-worden behoort het aannemen van de gerechtigheid, zoals vs.17 ons duidelijk maakt... Dat [vers] werkt als een beperkende verklaring en toont aan, wie van die ‘allen’ nu in de praktijk de genade van Jezus ervaart” 45. We zouden de visie van deze schrijver als volgt kunnen samenvatten: Wanneer Paulus in vs.12, 17 en 18a de gevolgen van Adams val beschrijft, dán mogen we de uitdrukking ‘alle mensen’ letterlijk nemen. Alle mensen zijn vanaf hun geboorte zondig en sterfelijk. Maar als de apostel in vs. 15, 17 en 18b de gevolgen van Christus’ kruisdood beschrijft, dan mogen we de uitdrukking ‘alle mensen’ niet letterlijk nemen. De gerechtigheid die Christus heeft verworven wordt wel aan alle mensen áángeboden. Voor iedereen is er een deur geopend waardoor hij of zij behouden kan worden. Maar niet alle mensen maken van die mogelijkheid gebruik. Sommigen zijn zo verstandig om naar het evangelie te luisteren. De redding wordt voor hen ”geconcretiseerd”. Maar er zijn ook mensen, die de gerechtigheid van Christus niet aannemen. Ze slaan Gods aanbod van genade af. Zij worden niet gered. Het heil wordt slechts werkelijkheid voor de gelovigen. Hoewel de meeste christenen het waarschijnlijk met deze predikant eens zijn, doet ook deze redenering de bijbeltekst geweld aan. Want Paulus maakt geen onderscheid tussen mensen van goede wil en onwilligen, die het aanbod van genade 45 A.Symank, Worden alle mensen gered? ‘s Gravenhage 1989, pag.9-10. 172 afslaan. De apostel kent maar één soort mensen: vijanden, goddelozen, Adamskinderen die dood zijn in zonden en misdaden. Dat sommige van die goddelozen behouden worden, is alleen maar aan Gods onverdiende goedheid te danken. Niet aan de goede wil van de persoon in kwestie. Als het dáárop zou aankomen, dan zou geen mens worden gered. Volgens Paulus is niemand van nature bereid om naar God te luisteren of aan het evangelie gehoor te geven. Joden en Grieken [= heidenen] zijn ”allen onder de zonde” (Rom.3:9). ”Niemand is rechtvaardig, ook niet één, er is niemand, die verstandig is, niemand die God ernstig zoekt; allen zijn afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die doet wat goed is, zelfs niet één” (Rom.3:11-12). Het Nederlands bijbelgenootschap heeft in vs.11 ten onrechte het woord ”ernstig” ingevoegd. Volgens de grondtekst zoekt niemand God, niet ernstig en ook niet spelenderwijs. Sommige mensen worden volgelingen van Jezus, niet omdat zij God zoeken maar omdat de Vader hen trekt (Joh.6:44). Het initiatief gaat nooit van de menselijke partij uit. Zeker, geloof in de Messias is vereist om te kunnen ontsnappen aan de komende toorn (Rom.5:9, 1 Thess.1:10, 5:9). Maar dat geloof is niet uit onszelf; het is Gods gave (Efe.2:8-10). Ons behoud is niet het gevolg van een menselijke keuze of prestatie (Rom.3:28, 2 Tim.1:9, Tit.3:5). Daarom kan ook niemand roemen (1 Kor.1:2631, Efe.2:9). Het onderscheid tussen willige en onwillige mensen bestaat volgens de Bijbel niet. Er zijn gelovigen en ongelovigen, verlosten en verlorenen. Maar niemand ging uit zichzelf naar God op zoek. De opvatting, dat vers 17 een beperkende verklaring zou zijn, is onjuist. In Rom.5:12-21 toont Paulus immers aan, dat de genadegave in Christus overvloediger is dan de veroordeling in Adam. Wie er van uitgaat dat Adam voor alle mensen 173
Page 174
veroordeling heeft gebracht, maar Christus alleen voor de gelovigen redding, kan niet verklaren waarom Paulus schrijft dat ”de genade van God veel meer overvloedig is geweest” (vs.15). Bovendien zou Paulus dan, zoals we al eerder opmerkten, de uitdrukking ”alle mensen” binnen één zin in verschillende betekenissen gebruiken. In vs.18a zou het ”de hele mensheid” betekenen, maar in vs.18b ”alle gelovigen”, dus een beperkte groep. De apostel zegt niet, dat door de ene daad van gerechtigheid alle mensen behouden kunnen worden, maar dat het ”voor alle mensen tot rechtvaardiging ten leven komt” en dat ”de velen rechtvaardigen worden”. Paulus spreekt niet over een mogelijkheid, maar over een werkelijkheid - al zien we die werkelijkheid nog niet. We mogen niet aan zijn woorden tornen. Want de eer van onze Verlosser is daarmee gemoeid. De schrijver van het evangelische commentaar merkt op: “Weliswaar ziet het er zo uit, alsof Paulus hier... de redding van allen... zou onderwijzen. In werkelijkheid spreekt hij op zulke plaatsen als in vers 18 ‘ongedekt’“ 46. In feite zegt de schrijver: “Paulus drukt zich in vers 18 een beetje slordig uit. Elders noemt hij de beperkende voorwaarden van geloof en gehoorzaamheid. Eigenlijk had hij dat in vers 18 ook moeten doen. Maar ja, hij ging ervan uit dat zijn lezers die beperkende voorwaarden nog wel in hun hoofd zouden hebben”. Door zich zo uit te drukken verheft de schrijver zich boven een apostel van Christus die werd geïnspireerd door Gods Geest. Paulus’ brieven behoren tot de heilige Schriften. Er mag niets aan worden toegevoegd of van worden afgedaan. Van Schriftkritiek horen Gods kinderen zich te onthouden. De opvatting, dat Paulus ”ongedekt” schreef, moet met klem worden afgewezen. 46 A.w., pag.10. 174 Een evangelische variant Een hoogleraar die afkomstig is uit de Vergadering van Gelovigen schreef over Romeinen 5: “In vs.18 gaat het om het aanbod van genade; we lezen daar over ‘alle mensen’, en Paulus gebruikt het voorzetsel ‘tot’: ‘het [strekt] door één gerechtigheid tot alle mensen tot [de] rechtvaardiging van [het] leven’ (Telosvert.), d.w.z. alle mensen kunnen van de door Christus bewerkte gerechtigheid profiteren; de gevolgen van zijn werk strekken zich uit tot alle mensen. In vs.19 daarentegen gaat het niet om het aanbod, maar om de feitelijke aanvaarding van de genade; het gaat er om hen die daadwerkelijk ‘tot rechtvaardigen gesteld worden’. Maar hier is dan ook geen sprake van ‘alle mensen’ maar van ‘de velen’. Zeker, deze uitdrukking zou ook alle mensen kunnen omvatten - in vs.19a is dit inderdaad duidelijk het geval! - maar dit hoeft niet, integendeel, daarvoor is het verschil dat Paulus hier tussen ‘alle mensen’ en ‘de velen’ maakt, te treffend. In vs.18 bedoelt hij tweemaal de héle mensheid; maar in vs.19 plaatst hij als het ware twee families tegenover elkaar: ‘de velen’ die ressorteren onder de eerste Adam en ‘de velen’ die ressorteren onder de laatste Adam.” 47. We zouden de gedachtengang van deze schrijver als volgt kunnen samenvatten: Als Paulus het in Rom.5 heeft over ”alle mensen”, dan bedoelt hij de hele mensheid. Maar als hij spreekt over ”de velen”, dan duidt hij daarmee de groep mensen aan die met een bepaalde stamvader is verbonden. De ”familie” van Christus is kleiner dan de ”familie” van Adam. Christus’ offer was groot genoeg om voor de zonde van alle mensen te betalen en dat offer wordt aan iedereen aangeboden. Maar in de praktijk 47 Ouweneel, W.J. Alverzoening: besproken en weerlegd. Vaassen 1995, pag.3334. 175
Page 176
aanvaarden alleen de gelovigen het, en alleen zij worden behouden. Tot zover dit commentaar. Paulus spreekt inderdaad over ”de velen”, om het contrast aan te geven met ”de ene” die voor hen veroordeling dan wel rechtvaardiging heeft bewerkt. De bewering van de hoogleraar, dat de ”familie” van Christus kleiner zou zijn dan die van Adam, is echter onschriftuurlijk. Tijdens de huidige boze eeuw is het aantal mensen dat Christus volgt wel geringer dan het aantal nakomelingen van Adam. Maar dat zal niet altijd zo blijven. In de ”bedeling van de volheid der tijden” zal ”al wat in de hemelen en op de aarde is onder één hoofd worden samengebracht, in Christus” (Efe.1:10). Uiteindelijk zal de familie van Christus even groot zijn als die van Adam. Het denkbeeld van de twee ”families” heeft de hoogleraar ontleend aan de kerkvader Augustinus. Maar dat denkbeeld is met de Schrift in strijd. Want volgens Paulus is de genadegave door Jezus Christus overvloediger dan de veroordeling die Adams overtreding teweegbracht (Rom.5:15) en de reikwijdte van de verlossing is onbeperkt (zie b.v. Rom.8:19-22, Efe.1:10 en Kol.1:15-23). We doen de Heiland oneer aan als we beweren dat Hij slechts een deel van de mensheid zal redden. In de Romeinenbrief wisselen de uitdrukkingen ”alle mensen” en ”de velen” elkaar af. Over Adam schrijft Paulus: ”Zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan... Indien door de overtreding van die ene de velen gestorven zijn... gelijk het door één daad van overtreding voor alle mensen tot veroordeling gekomen is... gelijk door de ongehoorzaamheid van één mens de velen zondaren geworden zijn” (vs.12,15,18,19). Waar het Adam betreft, zal niemand bestrijden, dat met ”alle mensen” en met ”de velen” de hele mensheid is bedoeld. Maar als Paulus vervolgens over Christus opmerkt: ”Veel meer is de genade Gods en de gave, bestaande in de genade van de ene 176 mens, Jezus Christus, voor de velen overvloedig geworden... zó komt het ook door één daad van gerechtigheid voor alle mensen tot rechtvaardiging ten leven... zo zullen ook door de gehoorzaamheid van één de velen rechtvaardigen worden” (vs.15,18,19), dán zegt de schrijver in navolging van Augustinus: velen is niet hetzelfde als allen. De ene daad van gerechtigheid strekt in theorie wel tot ”allen”, maar in de praktijk worden slechts ”velen” rechtvaardigen. Dit argument deugt niet. In de oorspronkelijke Griekse tekst van Rom.5:18 ontbreekt het werkwoord ”strekken”. Er staat: ”zó ook door één daad van gerechtigheid voor alle mensen tot rechtvaardiging ten leven”. Wie het woord “strekken” eigenmachtig invult, doet Gods woord geweld aan. Want Paulus zou dan hebben gezegd: ”Zoals het door één overtreding tot alle mensen tot veroordeling strekt, zo ook strekt het door één gerechtigheid tot alle mensen tot de rechtvaardiging ten leven”. Adams overtreding ”strekte” voor zijn nakomelingen echter niet slechts tot veroordeling – die misstap bracht wérkelijk veroordeling over hen! De dood heeft over alle mensen geheerst (vgl.vs12,14,15,17). Niemand kan zich aan zijn macht onttrekken. Zo zal ook geen enkel mens zich blijvend aan de door Christus bewerkte verlossing kunnen onttrekken. De dood zal eens te niet worden gedaan (1 Kor.15:26, 2 Tim.1:10, Openb.21:4). Jezus is niet slechts in theorie de “Heiland der wereld” (Joh.1:29, 3:17, 4:42), maar in werkelijkheid. Indien God een offer heeft gebracht dat voor allen tot rechtvaardiging strekt maar in de praktijk slechts aan een kleine minderheid ten goede komt, dan heeft de Almachtige overbodig werk gedaan. En indien God een aanbod van genade doet dat door de meeste mensen met succes wordt afgeslagen, dan is de wil van het schepsel blijkbaar sterker dan de wil van de Schepper. Gelukkig is God beslist de sterkste en gelukkig geeft 177
Page 178
zijn wil tenslotte de doorslag, want als dat niet zo was zou er geen enkel mens worden behouden (Mat.19:26). De hooggeleerde schrijver merkt op, dat de ”alverzoeningsleer vs.18 en vs.19 in feite precies hetzelfde laat zeggen”. Maar dat is niet juist. Vers 18 heeft betrekking op de mensheid als geheel. Zoals die vanwege één overtreding aan zonde en dood is onderworpen, zo is zij vanwege één daad van gerechtigheid ook uit de greep van deze machten bevrijd. Vers 19 heeft betrekking op het lot van elk mens afzonderlijk. Zoals ieder mens vanwege Adams val als zondaar ter wereld kwam, zo zal ieder mens vanwege Christus’ offer ook eens een rechtvaardige worden. Vers 18 betreft het volbrachte werk van Christus, vers 19 een proces dat nog lang niet is voltooid. De uitleg van een Baptist In een negentiende-eeuws tijdschrift heb ik een ingenieuze verklaring van Rom.5:18 aangetroffen. De schrijfster merkt op, dat door Adams val de positie van de mens in twee opzichten is aangetast. In de geestelijke wereld verloor hij de vrede met God en de mogelijkheid om contact met zijn Schepper te hebben. In de stoffelijke wereld werd hij in plaats van koning slaaf. Hij werd onderworpen aan aftakeling, ziekte, rampspoed, moeite en dood. Volgens de schrijfster heeft de ”rechtvaardiging ten leven” uit Rom.5:18 betrekking op het natuurlijke leven van Adams nakomelingen en niet op hun geestelijk leven. Ze merkt op: “Vanwege de zondeval zijn Adams kinderen dood in zonden en misdaden. Ze bezitten geen geestelijk leven dat gerechtvaardigd 178 zou kunnen worden. Maar ze hebben nog wel een stoffelijk bestaan, waarvoor rechtvaardiging nodig is” 48. “Rechtvaardiging ten leven” is in haar ogen ongeveer hetzelfde als de ”algemene genade” uit de gereformeerde dogmatiek. Indien Gods genade de gevallen mens niet te hulp zou zijn gekomen, aldus de schrijfster, dan zou de mensheid spoedig aan onderlinge gewelddadigheid of aan natuurrampen ten onder zijn gegaan. Elke weldaad die God gedurende de geschiedenis de mensheid heeft bewezen, was gefundeerd op het offer van Jezus. Als God de zonde altijd onmiddellijk had bestraft, was geen mens in leven gebleven. Maar God heeft de mens nog een kortstondig stoffelijk bestaan gegund. Door één daad van ongehoorzaamheid bracht Adam veroordeling over de mensheid, en door één daad van gerechtigheid verwierf Christus voor alle mensen een genade, die veel overvloediger is. Want vanwege Christus’ offer ziet God ontelbare overtredingen door de vingers (vs.16). Dat Gods genadegave tot alle mensen is gekomen (vs.18-19) heeft volgens de schrijfster betrekking op de “rechtvaardiging van een reeds bestaand leven”, niet op het geschenk van een nieuw leven. Eeuwig leven is een bijzondere genade van God die alleen de uitverkorenen ten deel valt. Dat leven werd nooit door de zonde aangetast en had dus ook geen rechtvaardiging nodig. In Rom.5 gaat het om de rechtvaardiging van ons stoffelijk bestaan. Dankzij Gods onverdiende goedheid kunnen alle mensen nog tijdelijke zegeningen genieten. Zoals het genot van een levenspartner, van nageslacht, van voedsel, kleding en onderdak, van rechtvaardige wetten in de samenleving, en van enig besef van God. Ondanks onze overtredingen schenkt God 48 Phillips, R.A. My views on Rom.v.18. Letter published in The Gospel Messenger (Devoted to the Primitive Baptist Cause), July issue, 1886, Butler, GA, USA. 179
Page 180
ons dit alles nog steeds. Het zijn genadegaven op grond van het offer van Christus” 49. De algemene genade die God aan alle mensen bewijst is volgens de schrijfster noodzakelijk om de Gemeente te kunnen vormen. God laat de wereld voortbestaan om de Gemeente zonder vlek of rimpel aan zijn Zoon te kunnen aanbieden. Leden van het lichaam van Christus werden vóór de grondlegging der wereld al hiertoe bestemd. Volgens de schrijfster is Jezus de Heiland van alle mensen, want Hij geeft hun aardse zegeningen. Maar Hij is vooral de Heiland van de gelovigen, omdat Hij hun eeuwig leven geeft (1 Tim.4:10). Aan het kruis heeft Jezus de wereld gekocht, maar de Gemeente verlost. Aldus haar betoog. In dit tijdschriftartikel worden de uitdrukkingen ”alle mensen” en ”de velen” betrokken op de hele mensheid. Maar zou de apostel met ”rechtvaardiging ten leven” werkelijk slechts het geschenk van een vergankelijk bestaan hebben bedoeld? Paulus schreef aan Timotheüs, dat christenen voor alle mensen moeten bidden, dus ook voor koningen en hooggeplaatsten. Hij liet daarop volgen: ”Dit is goed en aangenaam voor God, onze Heiland, die wil, dat alle mensen behouden worden en tot erkentenis der waarheid komen. Want er is één God en ook één Middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, die Zich gegeven heeft tot een losprijs voor allen; en daarvan wordt getuigd te juister tijd” (1 Tim.2:3-6). ”Alle mensen” betekent in dit vers echt: “iedereen”, want de heidense overheid is erbij inbegrepen. Het omvat mensen die nog niet tot erkentenis der waarheid zijn gekomen! Voor die 49 Ibid. Vanwege het breedsprakige negentiende-eeuwse taalgebruik van de schrijfster is haar argumentatie hier in eigentijds Nederlands weergegeven. 180 allen heeft Christus Jezus zich gegeven tot een losprijs. God wil niet dat ze ondanks hun ongeloof nog een tijdje in leven blijven, maar dat ze worden behouden en Hem als hun Schepper en Verlosser gaan erkennen. Volgens Jakobus zijn de huidige gelovigen slechts de ”eerstelingen van Gods schepselen” (Jak.1:18). En volgens Paulus ”wacht de schepping met reikhalzend verlangen op het openbaar worden van de zonen Gods” (Rom.8:19), want wanneer die “zonen” eenmaal verheerlijkt zijn, zal ook ”de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid bevrijd worden” en in ”de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods” komen te staan (Rom.8:21). De apostel heeft met ”de schepping” niet alléén het oog op de flora en de fauna. Want planten en dieren kunnen niet nadenken over de toekomst en niet met reikhalzend verlangen naar een betere wereld uitzien. Mensen kunnen dat wel, en ongelovigen doen dat net zo goed als gelovigen. Volgens Markus 16:15 moet het evangelie worden verkondigd aan “alle schepselen”. En volgens Kolossenzen 1:23 is het evangelie verkondigd aan “de hele schepping die onder de hemel is”. Met “de schepping zelf” (Rom.8:21) doelt Paulus dus op de rest van de mensheid, op mensen die geen “zonen van God” zijn en die niet tot zijn gemeente behoren. Gemeenteleden worden bij de komst van Christus verheerlijkt en met Hem geopenbaard (Kol.3:4), opdat God ”in de toekomende eeuwen de overweldigende rijkdom van zijn genade zou tonen” (Efe.2:7). De verheerlijkte gemeente zal in de tijdperken die op het huidige boze wereldtijdperk volgen een toonbeeld zijn van de rijkdom van Gods genade. Gods heil zal niet tot de huidige gelovigen beperkt blijven, want uiteindelijk zullen allen onder het hoofd, Christus, worden samengevat (Efe.1:11). De huidige inzameling van de eerstelingen zal in de toekomst worden gevolgd door de inzameling van de hele oogst. 181
Page 182
Als Paulus met ”rechtvaardiging ten leven” (vs.18) een tijdelijke voortzetting van ons stoffelijk bestaan had bedoeld, zou Romeinen 5 het volgende sprookje vertellen: “Aan het hof van een oosters vorst pleegde een ambtenaar een ernstig misdrijf. Zó ernstig was dat misdrijf, dat de doodstraf erop stond. De betrokkene had onmiddellijk terechtgesteld moeten worden. Maar er trad een middelaar tussenbeide. De zoon van de koning betaalde een borgsom. Omdat dit een hoog bedrag was, werd de misdadiger voorlopig in vrijheid gesteld, al mocht hij zich niet meer aan het hof vertonen. Pas tien jaar later werd hij buiten het paleis onthoofd”. Denkt u, dat Paulus in Romeinen 5 zoiets bedoelde? Zou de apostel dan hebben kunnen schrijven, dat de genadegave ”véél overvloediger” was dan de veroordeling? (vs.15). Ik meen van niet. Samenvatting 1. “Alle mensen” tot wie zonde en dood is doorgegaan (Rom.5:12) zijn dezelfde ”allen” voor wie het door de overtreding van Adam tot veroordeling is gekomen (Rom.5:18) en ook dezelfde ”allen” voor wie het door de ene daad van gerechtigheid tot rechtvaardiging ten leven komt (Rom.5:18). 2. Paulus gebruikt de uitdrukkingen ”de velen” en ”alle mensen” als synoniemen (vergelijk bijvoorbeeld de verzen 12 en 15, of 18 en 19). De oorspronkelijke Griekse tekst van het NT zegt niet: ”zeer velen”, maar: ”de velen”. Met ”de velen” worden de vele nakomelingen van de ene stamvader bedoeld. ”Zeer velen” zou ondanks het feit dat het een groot aantal betreft, een kleinere groep kunnen zijn dan ”alle mensen”. Maar in Romeinen 5 is “velen” geen beperking ten opzichte van “allen”. 182 3. De apostel spreekt niet alleen over de uitverkorenen. Hij zegt dat zonde en dood door één mens ”de wereld” zijn binnengekomen (vs.12,13) en dat ”alle mensen” vanwege Adams val aan die vijandige machten werden onderworpen (vs.12,14,17,21). Ook vóórdat God een wet had gegeven en er tegen die wet werd gezondigd, waren alle mensen al stervelingen en heerste de dood al over het mensdom. Maar door Christus zullen ”alle mensen tot rechtvaardigen worden gesteld” (vs.19). Dat kan gezien het tekstverband alleen maar betekenen dat zij uit de greep van zonde en dood zullen worden bevrijd en zullen worden zoals God hen heeft bedoeld. 4. Paulus zegt niet, dat alle mensen ”in Adam gezondigd hebben” of op dezelfde manier hebben gezondigd als de eerste mens. De apostel maakt onderscheid tussen Adam en diens nakomelingen. De afstammelingen hebben niet gezondigd door te overtreden als hun stamvader (vs.14). Adam was een beeld van de Komende (vs.14). Adam kwam niet als zondaar ter wereld, in tegenstelling tot al zijn nakomelingen. Door zijn overtreding bepaalde Adam het lot van de hele mensheid. 5. Ook de Messias was in tegenstelling tot alle andere mensen geen zondaar. Met één daad van gerechtigheid – zijn gehoorzaamheid tot de dood aan het kruis – besliste ook Hij over het uiteindelijke lot van de hele mensheid. Dankzij Hem zullen alle mensen het ware leven ontvangen en gerechtvaardigd worden. 6. De vraag, wanneer alle mensen tot rechtvaardigen worden gesteld, wordt in Romeinen 5 niet beantwoord. Wie een antwoord op die vraag wil krijgen, moet nagaan wat de Bijbel over opstanding leert. 183
Page 184
7. Aangezien sommige mensen in het “eeuwige vuur” (Mat.5:29-30, 13:40-42, 49-50; 18:8-9, 25:41) of de “poel des vuurs” (Openb.20:14-15, 21:8) terecht zullen komen, een toestand die de Bijbel aanduidt als de “tweede dood” (Openb.20:14, 21:8), kan die toestand niet hun eindbestemming zijn. Christus Jezus doet als laatste vijand de dood te niet (1 Korinthe 15:26, 2 Tim.1:10). Dat ontzaglijke einddoel zal pas worden bereikt wanneer er twee toekomstige “eeuwen” (Gr. aioonen, wereldtijdperken), zijn verlopen: de “eeuw” van de duizendjarige binding van de satan en de “eeuw” van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde (vgl. Openb.21:4). Als de dood (in al zijn verschijningsvormen, zowel de eerste als de tweede) uiteindelijk te niet is gedaan, zijn allen tot rechtvaardigen gesteld. 184 Levendmaking “Want, dewijl de dood er is door één mens, is ook de opstanding der doden door één mens. Want, evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden” (1 Kor.15:21-22). Over de parallel tussen Adam en Christus spreekt Paulus niet alleen in zijn brief aan de Romeinen, maar ook in zijn eerste brief aan de Korinthiërs. In de Romeinenbrief laat hij zien dat de hele mensheid ten gevolge van de misstap van haar stamvader zondig en sterfelijk geworden is, maar dat het door Christus voor diezelfde mensheid zal komen tot rechtvaardiging ten leven. In de Korinthebrief plaatst hij de dood, die via Adam tot alle mensen is gekomen, tegenover de levendmaking in en door Christus. 185
Page 186
De tekst boven dit hoofdstuk is opnieuw inspringend afgedrukt. Zo zien we in één oogopslag, dat “dood” staat tegenover “opstanding der doden”, “sterven” tegenover “levend gemaakt worden” en dat “één mens, Adam” staat tegenover “één mens, Christus”. Net als in Romeinen 5 maakt Paulus geen enkel onderscheid tussen de reikwijdte van de gevolgen van Adams val, en de reikwijdte van de gevolgen van Christus’ gehoorzaamheid. Vanwege Adams val zijn alle mensen stervelingen geworden. Vanwege Christus’ gehoorzaamheid zullen diezelfde “allen” eens worden levend gemaakt. Kerkleraars hebben gedurende de afgelopen vijftienhonderd jaar beweerd, dat alleen de gelovigen maar worden levend gemaakt; de rest van de mensheid wordt volgens hen aan de “Godverlatenheid” prijsgegeven. Maar Paulus lijkt in 1 Kor.15:22 iets anders te zeggen: volgens hem verlost Christus uiteindelijk álle mensen uit de banden van de dood. In kerkelijke kring heeft men altijd moeite gehad met de ruimhartigheid van de apostel en geprobeerd om zijn woorden in engere zin te interpreteren. Een Duitse visie Een Duits predikant heeft over 1 Kor.15:22 het volgende opgemerkt: “In de eerste plaats rijst de vraag, of hier eigenlijk wel sprake is van alle mensen en niet veeleer slechts van alle christenen. Reeds in het daaraan voorafgaande deel wendt Paulus zich tot de gelovigen, en dat geldt des te meer voor het vervolg. Niet dat hij de algemene opstanding der doden zou loochenen; maar hier is hij kennelijk slechts bezig met het onderwerp: ‘...die in Christus zijn ontslapen’ (1 Kor.15:18). Reeds in de verzen 12 tot en met 34 wordt het allengs duidelijk, dat opwekking meer 186 betekent dan slechts een levend maken van het lichaam; het gaat niet om een verrijzenis voor het oordeel, maar om de opstanding voor een leven in eeuwige heerlijkheid. Dat komt nog duidelijker aan het licht in de uiteenzetting over het opstandingslichaam (vs.35-37): Paulus relateert dat aan begrippen zoals: onverderfelijkheid, heerlijkheid, kracht, hemels, geestelijk, onsterfelijk. Dat ook de goddelozen opstaan en wat zij voor een lichaam zullen krijgen, daarover spreekt hij helemaal niet. Het is daarom het allereenvoudigst, om het woord allen in vers 22 eveneens uitsluitend te laten slaan op de christenen” 50 De schrijver merkt terecht op, dat “levend maken” méér inhoudt dan herstel van de gestorvenen in hun oude staat. Het betekent: opwekking tot het échte leven, dat onverderfelijk (vs.42,52-54), heerlijk (vs.43), krachtig (vs.43), hemels (vs.48-49) 51, geestelijk (vs.44) 52 en onsterfelijk (vs.53-54) is. Dit ware leven wordt volgens hem alleen aan gelovigen geschonken. Ongelovigen zullen verrijzen bij de “opstanding ten oordeel” (Joh.5:29). Daarbij is er geen sprake van heerlijkheid, maar van eeuwig afgrijzen (Dan.12:2). Dus bedoelt Paulus volgens deze predikant in vs.22 met “allen”: alle christenen. In Adam sterven alle gelovigen, zo zullen in Christus ook alle gelovigen levend gemaakt worden. Over het lot van ongelovigen laat Paulus zich volgens hem niet uit. Uit vers 18 blijkt, dat de apostel zich beperkt tot hen, die in Christus zijn ontslapen. Tot zover deze visie. 50 A.Symank, Worden alle mensen gered?, ‘s Gravenhage 1989, pag.14 51 Qua oorsprong, vgl. vs.40 met vs.47. 52 Dat wil zeggen: door de Geest van Christus beheerst (vs.45-46). 187
Page 188
Uit de verzen die aan vs.21-22 voorafgaan (vs.19-20) blijkt echter dat Paulus niet spreekt over de gelovigen alleen. In vers 19 schrijft de apostel immers: “Indien wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen”. De apostel maakt onderscheid tussen “wij” [de gelovigen] en “alle mensen” [de mensheid]. Indien ons geloof alleen maar betekenis zou hebben voor “dit leven”, dan waren christenen de “beklagenswaardigste van alle mensen”. Want geloof in Christus brengt vervolging en verdrukking met zich mee. In dit leven hebben christenen het niet makkelijker, maar moeilijker dan ongelovigen. Indien het vertrouwen in Christus alleen maar ons huidige bestaan betrof, dan waren we van alle mensen het meest beklagenswaardig. “Alle mensen” in vers 19 heeft duidelijk betrekking op de hele mensheid. De bewering van de predikant dat met het woord “allen” in vers 22 “alle christenen” bedoeld zijn is dus niet juist. In vers 18 spreekt Paulus over mensen die “in Christus zijn ontslapen”. Maar in vers 20 verklaart hij, dat “Christus is opgewekt uit de doden, als eersteling van hen, die ontslapen zijn”. Hier staat niet: als eersteling van wie in Hem ontslapen zijn. De parallel tussen Adam en Christus, die de apostel trekt, gaat mank wanneer “allen” in vs.20-22 “alle gelovigen” zou betekenen. Want de dood kwam via Adam tot “alle mensen”, gelovigen en ongelovigen. Wanneer het leven door Christus alleen gelovigen ten deel zou vallen, zouden de gevolgen van Adams val zich verder uitstrekken dan de gevolgen van Christus’ gehoorzaamheid. Dat is niet wat Paulus in vs.22 schreef. Zo’n opvatting tast de eer en goede naam van de Messias aan, want die maakt: “Adam krachtiger om te verderven dan Christus om te behouden”. Volgens de Bijbel is de reddende kracht van Christus juist véél groter dan de verwoestende kracht van Adam 188 (Rom.5:15-17). Paulus spreekt in 1 Korinthe 15:20 dus over “de ontslapenen” in het algemeen. Dat met het woord “allen” in vs.22 de hele mensheid is bedoeld, blijkt ook wanneer we de verzen 21 en 22 vergelijken. In vers 21 zegt Paulus, dat zoals de dood er is door “één mens”, zo is ook de opstanding der doden er door “één mens”. Via Adam kwam de dood tot al zijn nakomelingen. Via Christus komt het leven tot diezelfde “allen”. In vers 22 betekent “allen”: allen die vanwege Adams val zijn gestorven, dus het hele mensdom. Wanneer de apostel het persoonlijk voornaamwoord “wij” gebruikt bedoelt hij de gelovigen (zie vs.19). Maar wanneer hij het heeft over “allen” of “alle mensen” (vs.19-22), bedoelt hij de hele mensheid. Nederland tegenover Duitsland In de “Bode van het heil in Christus”, het langst bestaande bijbelstudie-blad in Nederland (opgericht in 1858) werd 1 Kor.15:22 op een tegenovergestelde manier uitgelegd. Volgens de schrijver van een artikelenserie in dit blad betekent “levend maken”: uit het graf verrijzen. De apostel spreekt immers over de opstanding der doden (vgl. vs.12-16). Die opstanding leidt voor sommige doden tot eeuwige heerlijkheid, maar bij anderen tot eeuwig afgrijzen (Dan.12:2). De Messias maakte onderscheid tussen een “opstanding ten leven” (= tot eeuwige heerlijkheid) en een “opstanding ten oordeel” (Joh.5:29). In het laatste bijbelboek heeft “levend worden” volgens de schrijver ook de betekenis van “verrijzen”. In Openbaring 20 wordt gesproken over de “eerste opstanding” waaraan alleen gelovigen deel hebben (vs.4-6). Over de rest van de mensheid wordt gezegd: 189
Page 190
“De overige doden werden niet weder levend, voordat de duizend jaren voleindigd waren” (Openb.20:5). In het boek Openbaring betekent “levend worden” blijkbaar: uit de dood opstaan. Want de “overige doden” worden pas duizend jaar na de eerste opstanding levend (vgl. Openb.20:13). En van hen wordt gezegd: “Wanneer iemand niet bevonden werd geschreven te zijn in het boek des levens, werd hij geworpen in de poel des vuurs” (Openb.20:15). In Openbaring 20:5 betekent de uitdrukking “levend worden” dus: opgewekt worden, uit het graf verrijzen. Maar velen die na de duizend jaren “levend worden” komen uiteindelijk in de poel des vuurs terecht. De schrijver van de artikelenserie besluit: “Levendmaking… kan betrekking hebben op de levendmaking van het fysieke lichaam bij de opstanding… (dit is de betekenis in 1 Kor.15:22 en Openb.20:5), èn levendmaking kan in verband staan met het nieuwe leven van de wedergeboorte (vgl. Efe.2:5, Kol.2:13). Er is niets in 1 Kor.15, ook de uitdrukking ‘in Christus’ niet, dat ons noopt aan wedergeborenen te denken – integendeel!” 53. We zouden de visie van deze auteur als volgt kunnen samenvatten: In 1 Kor.15:22 spreekt Paulus over de opstanding van gelovigen én ongelovigen. De “wij” passages van zijn brief (vs.49-58) hebben betrekking op de toekomst van de gelovigen. Maar in vs.22 spreekt hij over opstanding in het algemeen. Aangezien “in Christus allen levend gemaakt worden”, zullen 53 W.J.Ouweneel, Alverzoening: besproken en weerlegd. Vaassen 1995, pag.35 [eerder verschenen als een serie artikelen in de Bode van het heil in Christus]. Dezelfde redenering is al in de kanttekeningen bij de Statenvertaling te vinden. 190 alle doden eens uit hun graven verrijzen. Maar die “levendmaking” zal in vele gevallen leiden tot het oordeel van de vuurpoel. Tot zover de visie van de “Bode”. Kan de uitdrukking “levend maken” in de Bijbel werkelijk twee betekenissen hebben? Kan het zowel “eeuwig wel” als “eeuwig wee” betekenen? Is “eeuwig afgrijzen” een vorm van leven? In het laatste bijbelboek wordt er over “leven” en “dood” méér gezegd dan er in de artikelenserie staat. In Openb.20:4 merkt Johannes over gelovige martelaren op: “Zij werden levend en regeerden met Christus, duizend jaren”. Daarna zegt hij: “De overige doden werden niet weder levend, voordat de duizend jaren voleindigd waren” (Openb.20:5). Maar het opstaan van die doden uit “de zee, de dood en de hades” (Openb.20:13) was niet het moment waarop zij “levend werden”. Johannes zag immers “doden” voor de grote witte troon staan (vs.12). Ze “stonden” (want ze waren verrezen uit hun graven) maar ze waren nog niet levend gemaakt (want Johannes duidt hen aan als “doden”). Bovendien werd er op dat moment een boek geopend (Openb.20:12). En wie niet in dat “boek van het leven” was vermeld, werd in de poel des vuurs geworpen (Openb.20:15). Die poel is volgens het laatste bijbelboek “de tweede dood” (20:6, 20:14; 21:8). Bij de grote witte troon worden alléén levend gemaakt, wie in het boek des levens zijn vermeld. Voor doden wier namen in dat boek ontbreken neemt de tweede dood de functie van zee en hades over (20:6, 21:8). Zij gaan van een doodstoestand die aan het oordeel voorafging over in een doodstoestand die op het oordeel volgt, van een eerste in een tweede dood. Maar dat betekent niet dat deze mensen, over wie de tweede dood macht heeft, nooit levend gemaakt zullen worden. Want God zal “alle dingen nieuw” maken (21:5). Uiteindelijk zal de dood niet meer 191
Page 192
zijn (21:4). Als “laatste vijand” zal hij te niet worden gedaan (1 Korinthe 15:26, 2 Timotheüs 1:10). Voor dat doel heeft de Schepper “de rivier van het water des levens” op de nieuwe aarde geplaatst. Door het water van die rivier worden de doden tot leven gewekt. Ze komen niet op het wereldtoneel terug als de zondaren die zij eens waren (21:8, 22:15) maar als vernieuwde schepselen (21:6, 22:1,17; vgl. Ezech.47:1-12). Door de bladeren van het geboomte des levens zullen de volken, die voortdurend tegen God hebben gerebelleerd (Openb.11:2, 11:9-10, 11:18, 14:8, 18:3, 18:23, 20:8-9), van hun afkerigheid en opstandigheid worden genezen (22:2). Ten slotte zal er geen enkele vervloeking meer zijn (22:3). Uit Openb.20-22 kan niet geconcludeerd worden dat “levend maken” hetzelfde is als “opstaan”. In het Nieuwe Testament is “levend worden” of “levend maken” een aanduiding van het ontvangen of schenken van het ware leven (zie Openb.20:4, Joh.5:29, Joh.20:31, Efe.2:5 en Kol.2:13). In 1 Kor.15:22 moet de uitdrukking dezelfde betekenis hebben. Met “allen” bedoelde Paulus: de hele mensheid, en met zijn uitspraak dat “in Christus allen levend gemaakt zullen worden”: dat elk mens eens uit de greep van de dood zal worden bevrijd. Youth for Christ Een christen die namens Youth for Christ op Sri Lanka werkzaam is, heeft over 1 Kor.15:22 het volgende geschreven: “Hier geldt ook dat, als we de parallel tot in het absolute doorvoeren, we tot de conclusie moeten komen dat ieder mens tenslotte een ‘gelukzalige opstanding’ zal kennen. Maar ook hier laat de context zien dat zo’n verklaring onmogelijk juist kan zijn. Meer dan eens in dit hoofdstuk zegt Paulus, dat de grote prijs die betaald moet worden voor het volgen van Jezus de moeite 192 waard is, omdat zij die in Christus zijn met Hem zullen opstaan, in tegenstelling tot de ongelovigen (zie de verzen 19, 31-32 en 58). Tot viermaal toe zegt Paulus in de verzen rond vers 22 dat degenen die zullen opstaan, degenen zijn die in of van Christus zijn (vs.18,19,20,23). Dan ligt de conclusie voor de hand dat Paulus met ‘zo zullen ook in Christus allen levendgemaakt worden’ bedoelt dat degenen die tot Christus’ nakomelingen behoren - degenen die ‘in Christus’ zijn, degenen zijn die opgewekt zullen worden. Het tweede ‘allen’ in deze tekst wijst dus op allen die in Christus zijn, en daarmee op hen die geloven” 54. De schrijver voegt er (m.b.t. Rom.5:18 en 1 Kor.15:22) nog aan toe: “[Paulus] zegt hier dat, zoals het gehele menselijke ras onder het oordeel gekomen is door de zonde van Adam, net zo zal het gehele ras van hen die in Christus zijn tot verlossing gebracht worden door de ‘daad van gerechtigheid’ van Christus” 55. Tot zover de visie van deze zendeling. Is wat hij beweert, de waarheid? Laten we “de Schriften onderzoeken of deze dingen zo zijn” (Hand.17:11). In vers 18 merkt de apostel op, dat indien Christus niet is opgewekt, “dan zijn ook zij, die in Christus ontslapen zijn, verloren”. De schrijver uit Sri Lanka trekt uit deze bijbeltekst de conclusie: “Wie niet in Christus zijn ontslapen, wie dus in ongeloof zijn gestorven, zijn per definitie verloren. Als Jezus niet was opgewekt, zouden zelfs de gestorven gelovigen nog verloren zijn”. Hij schrijft: “Zij die in Christus zijn zullen met Hem opstaan, in tegenstelling tot de ongelovigen”. 54 A.Fernando, Belangrijke vragen over de hel. Apeldoorn 1998, p.57-58. 55 Ibid., pag.57. 193
Page 194
Maar in 1 Korinthe 15:17-19 wordt er helemaal niets gezegd over ongelovigen! Paulus spreekt in deze tekst over gemeenteleden die nog leven en andere gemeenteleden die al gestorven zijn. Als Christus niet was opgewekt, dan waren de levende gemeenteleden “nog in hun zonden” (vs.17) en de beklagenswaardigste van alle mensen (vs.19). Dan waren ook zij die in Christus zijn ontslapen verloren (vs.18). Wat Paulus hier schrijft komt op het volgende neer: Gelovigen zijn mensen die hun vertrouwen op Christus hebben gesteld en die verwachten dat de Messias hen eens van de zonde en de vergankelijkheid zal bevrijden. In dat geloof zijn sommige gemeenteleden gestorven. Als Jezus niet zou zijn opgewekt, zouden christenen die zijn ontslapen niets meer te verwachten hebben. Aangezien geloof in Christus verdrukking en vervolging met zich meebrengt, zouden gelovigen dan de beklagenswaardigste zijn van alle mensen (vs.19). In dit leven zouden ze vanwege hun geloof alleen maar narigheid oogsten en met de dood zou alles uit zijn. Maar God zij dank, zo is het niet. De Messias zal zijn volgelingen tijdens de eerstvolgende rangorde van de opstanding levend maken (vers 23). De verdrukking van de tegenwoordige tijd weegt niet op tegen de heerlijkheid die zich eerst in de gelovigen, en later in de rest van de schepping zal openbaren (Rom.8:18). In 1 Kor.15:17-19 wordt het toekomstig lot van ongelovigen niet vermeld. Paulus stelt hier vast, dat christenen van alle mensen het meest beklagenswaardig zouden wezen, indien er geen opstanding der doden was. In vers 20 staat niet: “Christus is opgewekt uit de doden, als eersteling van wie in Hem zijn”. Er staat: “als eersteling van hen, die ontslapen zijn”. Dat wil zeggen: van alle gestorvenen. De apostel laat er op volgen, dat zoals de dood er is door een mens, zo is ook de opstanding der doden door een mens (vs.21). De dood komt tot alle mensen, zowel gelovigen als ongelovigen. Hetzelfde geldt voor de opstanding. 194 In vers 23 onderscheidt de apostel drie rangorden in de levendmaking. Hij zegt niet: “Christus als eersteling, daarna die van Christus zijn. Punt”. Maar hij spreekt over: (i) Christus als eersteling, (ii) daarna die van Christus zijn, (iii) daarna het einde. Uit het tekstverband blijkt dat hij hiermee bedoelt: het einde van de levendmaking (vs.22), de laatste rangorde van de opstanding (vs.23). Gelovigen behoren tot de tweede rangorde, ongelovigen tot de derde. Schriftverdraaiing De schrijver uit Sri Lanka beweert, dat “het gehele ras van hen die in Christus zijn tot verlossing gebracht zal worden”. Maar zó staat het niet in de Bijbel. De zin van Paulus luidt niet: “Evenals allen-in-Adam sterven, zo zullen ook allen-in-Christus levend gemaakt worden”. Er staat: “Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden”. Als Paulus in 1 Korinthe 15:22 over “allen-in-Christus” had gesproken, dan zou hij inderdaad twee “rassen” of “families” tegenover elkaar hebben gesteld: allen die in Adam zijn tegenover allen die in Christus zijn. Maar de apostel plaatste: “in Adam allen” tegenover: “in Christus allen”. Adam veroorzaakte de dood van allen. Zo zal Christus ook de levendmaking van allen teweegbrengen. Paulus merkt in vers 31 en 32 op, dat als er geen opstanding der doden zou zijn, hij beter met zijn prediking kon stoppen en kon proberen om iets van zijn leven te gaan maken. Want dan viel er niets te verkondigen. Dan zou met de dood alles uit zijn. Dan kon je in de korte tijd die je nog restte maar beter zoveel mogelijk plezier maken. Voor een hersenschim ga je je leven toch niet op het spel zetten? 195
Page 196
De schrijver uit Sri Lanka laat de apostel iets heel anders zeggen. Volgens hem merkte Paulus in vs.31-32 op: “Ik span me in tot het uiterste en heb in Efeze met de wilde dieren gevochten om te mogen opstaan. De prijs die ik moet betalen is ontzettend hoog maar toch de moeite waard. Wie nú weigert om zo’n prijs te betalen wordt straks ook niet levendgemaakt”. Als dát de boodschap van het evangelie zou zijn dan was het geen blijde boodschap! Moeten wij een hoge prijs betalen voor ons behoud? Dan kunnen we op ons eigen werk roemen! En dan is Jezus voor niets gestorven (vgl. Gal.2:21). In werkelijkheid is ons behoud niet uit onszelf, maar “Gods gave”: een onverdiend geschenk (Efe.2:8). Daarom kan ook niemand roemen (Rom.3:27, 1 Kor.1:29, Efe.2:9). Zelfs Paulus, die vele malen was gegeseld en gestenigd, aan levensgevaar had blootgestaan en de last van alle heidengemeenten op zijn schouders voelde drukken, kon alleen maar roemen in de Here (1 Kor.1:31, 2 Kor.10:17). Laten we ervoor waken dat we in iets anders roemen dan in het kruis van Christus (Gal.6:14). Laten we niet hoog opgeven van de prijs die wij moesten betalen, maar van de prijs die de Verlosser heeft betaald. Alleen dan zijn we getrouwe navolgers van Paulus. In 1 Korinthe 15:58 schrijft de apostel: “Daarom, mijn geliefde broeders, weest standvastig, onwankelbaar, te allen tijde overvloedig in het werk des Heren, wetende, dat uw arbeid niet vergeefs is in de Here”. “Daarom” slaat terug op het voorafgaande: “God zij dank, die ons de overwinning geeft” (vs.57). Niet wij behalen die, maar Hij gééft hem! “Werk des Heren” is niet het werk dat wij voor God verrichten, maar het werk dat Hij in en door ons verricht. Wie tijdens dit leven in Gods dienst heeft gestaan, zal met Christus in onvergankelijkheid mogen regeren (vgl. vers 50). 196 Aan wie in het hier en nu getrouw is geweest, zal na de opstanding een grotere verantwoordelijkheid worden toevertrouwd. Christus en de zijnen zullen over de schepping heersen. Het bestuur dat zij zullen uitoefenen zal er toe leiden dat God uiteindelijk “alles is in allen” (1 Kor.15:28, vgl. Rom.8:1921) en de dood als laatste vijand te niet wordt gedaan (1 Kor.15:26). Besluit 1. In 1 Korinthe 15:22 spreekt Paulus zowel over de gelovigen als over de ongelovigen, want hij heeft het over allen die door Adam aan de dood zijn onderworpen. 2. In 1 Korinthe 15:22 spreekt Paulus niet over een opstanding tot eeuwig afgrijzen, want eeuwig afgrijzen is geen leven. “Levend maken” heeft in het NT betrekking op het schenken van onvergankelijk leven. 3. In 1 Korinthe 15:22 spreekt Paulus niet over twee menselijke “families”: zij die in Adam en zij die in Christus zijn. De tekst luidt niet: “Evenals allen in Adam sterven, zo zullen allen in Christus levend gemaakt worden”, maar hij luidt: “Evenals in Adam allen sterven, zo zullen in Christus allen levend gemaakt worden”. Daarop behoren wij: “Amen” te zeggen! 4. 1 Korinthe 15:22 is in overeenstemming met de bijbelse waarheid dat de dood door Christus te niet wordt gedaan (2 Tim.1:10) en de werken van de duivel worden verbroken (1 Joh.3:8). 5. En deze tekst is in overeenstemming met de waarheid dat Christus de “Redder van de wereld” is (Joh.4:42, 1 Joh.4:14), en de genadegave door Hem veel overvloediger dan de veroordeling die een gevolg was van Adams val (Rom.5:15). 197
Page 200
200 Gods werk is volmaakt Israëls profeten voorzegden dat God uiteindelijk de hele mensheid met zich zal verzoenen, dat wil zeggen: al zijn vijanden zal veranderen in vrienden. Juist zijn felste tegenstanders (Egypte en Assur) zouden eens van gedachten veranderen en de Schepper gaan dienen: “En de HERE zal zich aan Egypte doen kennen, en Egypte zal te dien dage de HERE kennen; en zij zullen dienen met slachtoffer en spijsoffer en de HERE geloften doen en betalen. Zo zal de HERE Egypte geducht slaan en genezen, en zij zullen zich tot de HERE bekeren, en Hij zal zich door hen laten verbidden en hen genezen. Te dien dage zal er een heerbaan wezen van Egypte naar Assur, en Assur zal in Egypte komen en Egypte in Assur, en Egypte zal met Assur (de HERE) dienen. Te dien dage zal Israël de derde zijn naast Egypte en Assur, een zegen in het midden der aarde, omdat de HERE der heerscharen het gezegd heeft met de woorden: Gezegend zij mijn volk Egypte en het werk mijner handen, Assur, en mijn erfdeel Israël” (Jesaja 19:21-25)56 Allen die tegen God opstonden zullen zich eens voor hun gedrag schamen en zich vrijwillig voor Hem neerbuigen, vanuit de erkenning dat alleen de HERE maar betrouwbaar is en dat er alleen bij Hem maar kracht en redding is te vinden: “Wendt u tot Mij en laat u verlossen, alle einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer. Want Ik heb gezworen bij Mij zelf, waarheid is uit mijn mond uitgegaan, een woord dat niet zal worden herroepen: dat voor Mij elke knie zich zal buigen, dat bij Mij elke tong zal zweren. Alleen bij de HERE, zal men van Mij 56 In dit hoofdstuk zijn citaten uit het Oude Testament ontleend aan de vertaling van het NBG. Citaten uit het Nieuwe Testament zijn afkomstig uit de Telos vertaling. 201
Page 202
zeggen, is gerechtigheid en sterkte, tot Hem zal men komen; maar beschaamd zullen staan allen die tegen Hem in woede ontstoken zijn; in de HERE wordt het gehele nakroost van Israël gerechtvaardigd en zal het zich beroemen” (Jesaja 45:22-25) De apostel Paulus heeft deze profetie van Jesaja aangehaald en Jesaja’s woorden op de gekruisigde en opgestane Messias betrokken: “Laat die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was, die in [de] gestalte van God zijnde het geen roof geacht heeft God gelijk te zijn, maar zichzelf ontledigd heeft, [de] gestalte van een slaaf aannemend, de mensen gelijk wordend. En uiterlijk als een mens bevonden heeft Hij zichzelf vernederd, gehoorzaam wordend tot [de] dood, ja [tot de] kruisdood. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam geschonken die boven alle naam is, opdat in de naam van Jezus elke knie zich buigt van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en elke tong belijdt dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God [de] Vader” (Filippenzen 2:5-11) In Jesaja 45 en Filippenzen 2 gaat het niet om een huldebetoon dat onder dwang tot stand komt (zoals een aardse dictator dit kan afdwingen) maar om een huldebetoon dat oprecht gemeend is. Niet de lippen, maar de tongen zullen eens belijden dat Jezus Christus Heer is. Die belijdenis komt van binnenuit, want Paulus gebruikt het Griekse werkwoord ex-homologeoo. En dit buigen en belijden is tot eer van God in zijn hoedanigheid als Vader. Het gaat niet om lippendienst, maar om een hartelijk dienen van God, door schepselen die Hem kennen en erkennen als hun Vader. Aangezien God het gebed van de Gekruisigde heeft gehoord (Psalm 22:25), zullen alle volken zich eens voor de Opgestane neerbuigen en zich tot de HERE bekeren: 202 “Alle einden der aarde zullen het gedenken en zich tot de HERE bekeren; alle geslachten der volken zullen zich nederbuigen voor uw aangezicht. Want het koninkrijk is des HEREN, Hij is heerser over de volken. Alle welgedanen der aarde eten en aanbidden; voor Hem knielen allen die in het stof nederdalen, en wie zijn ziel niet in leven kan houden. Het nakroost zal Hem dienen, er zal van de HERE verteld worden aan het komende geslacht; zij zullen zijn gerechtigheid verkondigen aan het volk dat geboren zal worden, omdat Hij het gedaan heeft” (Psalm 22:28-32) Hetzelfde blijde toekomstperspectief klinkt in andere Psalmen: “Alle volken, die Gij gemaakt hebt, zullen komen en zich voor U nederbuigen, o HERE, en uw naam eren; want Gij zijt groot en doet wonderen, Gij, o God, alleen” (Psalm 86:9-10) “Genadig en barmhartig is de HERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid. De HERE is voor allen goed, en zijn barmhartigheid is over al zijn werken. Al uw werken zullen U loven, HERE, uw gunstgenoten zullen U prijzen... De HERE schraagt allen die vallen, Hij richt alle gebogenen op. Aller ogen wachten op U, en Gij geeft hun te zijner tijd hun spijze; Gij doet uw hand open, en verzadigt met welbehagen al wat leeft... Mijn mond zal van de lof des HEREN spreken, en al wat leeft, zal zijn heilige naam prijzen voor altoos en immer” (Psalm 145:8-10,14-16,21) Volgens de apostel Paulus zal God door Christus de wereld met zich verzoenen. Niet alleen de gemeente of de uitverkorenen, maar de hele wereld! “Want de liefde van Christus dringt ons, daar wij tot dit oordeel zijn gekomen, dat Eén voor allen gestorven is; dus zijn zij allen gestorven. En Hij is voor allen gestorven, opdat zij die leven, niet meer voor zichzelf leven, maar voor Hem die voor hen is gestorven en opgewekt... Daarom, als iemand in Christus is, is hij 203
Page 204
een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie het is <alles> nieuw geworden. En alles is uit God, die ons met zichzelf heeft verzoend door Christus en ons de bediening van de verzoening heeft gegeven, namelijk dat God in Christus de wereld met zichzelf verzoenend was, terwijl Hij hun overtredingen hun niet toerekende en in ons het woord van de verzoening legde. Wij zijn dan gezanten voor Christus, terwijl God als [het ware] door ons maant. Wij bidden voor Christus: Laat u met God verzoenen. Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons [tot] zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem” (2 Korinthe 5:14-21) De verzoening zal volgens de apostel zowel de aarde als de hemelen omvatten en elk met rede begiftigd schepsel dat van God is vervreemd en tegen Hem is opgestaan in een vriend veranderen: “Want het behaagde de hele Volheid in Hem [d.i. de Zoon] te wonen en door Hem alle dingen57 tot zichzelf te verzoenen, na vrede gemaakt te hebben door het bloed van zijn kruis, <door Hem>, hetzij de dingen58 op de aarde, hetzij de dingen in de hemelen” (Kolossenzen 1:20) Paulus sluit zich aan bij de toekomstverwachting van de psalmdichters en de profeten. Dat deed ook zijn collega-apostel, 57 De oorspronkelijke Griekse tekst zegt ta panta, “de alle” (waarbij alle een meervoudsvorm is). Omdat “de alle” geen goed Nederlands is, hebben de vertalers ta panta weergegeven als: “alle dingen”, maar dit wekt de indruk dat verzoening betrekking heeft op voorwerpen terwijl die in werkelijkheid betrekking heeft op vijanden. 58 “Dingen” staat niet in de oorspronkelijke tekst, er staat “hetzij die op de aarde, hetzij die in de hemelen”. Gezien het tekstverband (vs.16) gaat het om “tronen, heerschappijen, overheden en machten” in de onzichtbare en de zichtbare wereld met hun bijbehorende onderdanen. 204 Petrus, die kort voor zijn dood aan messiasbelijdende Joden schreef: “[De] Heer… wil niet dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen” (2 Petrus 3:9) De reikwijdte van de verzoening Wat in de bovengenoemde teksten uit de profeten, de psalmen en de nieuwtestmantische brieven wordt gezegd, zou je als volgt kunnen samenvatten: 1. Zelfs Gods ergste vijanden zullen eens met Hem worden verzoend (Jesaja 19:21-25). 2. De verzoening zal tot “alle einden der aarde” reiken en “elke knie” en “elke tong” van elke sterveling omvatten (Jesaja 45:2225, Psalm 22:28-32, 86:9-10). 3. De verzoening betreft zelfs elke knie en elke tong van hen die “in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn”. Dus ook de knieën en de tongen van de gestorvenen en van de hemelwezens! (Filippenzen 2:5-11). 4. De verzoening heeft betrekking op de hele kosmos; ze wordt door de gekruisigde en opgestane Messias tot stand gebracht (2 Korinthe 5:14-21, Kolossenzen 1:20). 5. Het grote einddoel van God is een schepping waarin “al wat leeft zijn heilige naam prijst, voor altoos en immer” (Psalm 145:21). 205
Page 206
De reikwijdte van de bedekking Volgens de Bijbel zal God niet alleen alle vijanden met zich verzoenen, maar door het bloed van zijn Zoon ook al hun zonden bedekken, dus de tekortkomingen van al zijn schepselen opheffen en al hun zonden wegnemen. Johannes getuigt van Jezus Christus, de Rechtvaardige: “Hij is [het] zoenoffer59 voor onze zonden; en niet voor onze [zonden] alleen, maar ook voor de hele wereld” (1 Johannes 2:2) Johannes vat het goede nieuws dat hij met zijn collega-apostelen mocht verkondigen als volgt samen: “En wij hebben aanschouwd en getuigen, dat de Vader de Zoon heeft gezonden als Heiland van de wereld” (1 Johannes 4:14) Hier staat niet: als een Redder voor de wereld, maar: als Redder van de wereld. Christus is niet een arts die de wereld kan genezen, of een apotheker die genezing voor de wereld mogelijk maakt, maar de arts die volmaakte genezing tot stand brengt! De laatste profeet uit het tijdperk van “de wet en de profeten”, Johannes de Doper, heeft op Jezus gewezen en van Hem gezegd: “Zie, het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt” (Johannes 1:29) Met “de zonde van de wereld” wordt vooral bedoeld: het ongeloof (Johannes 16:8-11). De Doper zei niet, dat het Lam van God de zonde van de wereld zou wegnemen voor zover die wereld bereid was om in Hem te geloven. Johannes verspreidde een korte en krachtige boodschap: het Lam van God neemt de 59 Grieks hilasmos, “bedekking”. 206 zonde van de wereld weg. Ook de zonde van het ongeloof. Zelfs ons ongeloof! Om die reden merkte de apostel Paulus over de Messias op: “Want allen hebben gezondigd en komen te kort aan de heerlijkheid van God, en worden om niet gerechtvaardigd door zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is. Hem heeft God gesteld tot een genadetroon60 door <het> geloof in zijn bloed, tot betoning van zijn gerechtigheid in de tegenwoordige tijd, opdat Hij rechtvaardig is en hem rechtvaardigt die op grond van geloof in Jezus is” (Romeinen 3:23-26) Het bloed van Jezus zal alle menselijke zonden volmaakt bedekken. Zijn bloed is de werkelijkheid waarnaar het sprenkelen van het offerbloed op het verzoendeksel van de ark vooruitwees. Volgens de schrijver van de Hebreeënbrief is de Messias “éénmaal in [de] voleinding van de eeuwen geopenbaard om <de> zonde af te schaffen door het slachtoffer van Zichzelf” (Hebreeën 9:26) De Messias schaft de zonde af, Hij stelt haar buiten werking! Vandaar dat Johannes in zijn brief opmerkt: “Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken van de duivel zou verbreken” (1 Johannes 3:10) De duivel heeft het eerste mensenpaar doen zondigen en de hele mensheid aan de slavernij van de zonde en de vergankelijkheid onderworpen. Maar de Messias zal de werken van de duivel verbreken. Van de schade die de oude slang heeft aangericht zal er uiteindelijk niets meer te zien zijn. 60 Gr. hilasterion, verzoendeksel, deksel ter bedekking. 207
Page 208
In zijn brief aan de Romeinen sluit Paulus zich bij dit toekomstperspectief aan: “Daarom, zoals door één mens [Adam] de zonde in de wereld is gekomen en door de zonde de dood, en zo de dood tot alle mensen is doorgegaan… zoals door de ongehoorzaamheid van de ene mens de velen tot zondaars zijn gesteld, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van de Ene [Christus] de velen tot rechtvaardigen gesteld worden” (Romeinen 5:12,19). Over de bedekking van zonden spreekt de Bijbel dus even positief als over de verzoening van vijanden: 1. Christus is het “zoenoffer” (letterlijk: de bedekking) of het “verzoendeksel” voor de hele wereld (1 Johannes 2:2, Romeinen 3:25). 2. Hij is de Redder van (niet: voor!) de wereld (1 Johannes 4:14). Hij neemt de zonde van de kosmos weg (Johannes 1:29). Hij schaft de zonde af (Hebreeën 9:26). Hij verbreekt de werken van de duivel (1 Johannes 3:10). 3. Allen die gezondigd hebben worden om niet gerechtvaardigd door Gods genade (Romeinen 3:23). Zoals door de zonde van één stamvader zijn vele nakomelingen tot zondaars werden gesteld, zo zullen diezelfde velen door de gehoorzaamheid van de laatste Adam tot rechtvaardigen gesteld worden (Romeinen 5:19). Wanneer alle vijanden door God worden veranderd in vrienden, dan zullen ook al hun overtredingen en tekortkomingen door Hem worden “bedekt” – zodat ze nooit meer falen of van zijn wegen afdwalen. 208 De reikwijdte van de verlossing Op de vraag wie Jezus door zijn sterven op de heuvel Golgotha heeft gekocht geeft de Bijbel het volgende antwoord: “Er is één God en één Middelaar tussen God en mensen, [de] mens Christus Jezus, die zichzelf gegeven heeft tot een losprijs voor allen” (1 Timotheüs 2:5-6) Over de bedoeling van de Schepper schreef de apostel: “God… wil dat alle mensen behouden worden en tot kennis van [de] waarheid komen” (1 Timotheüs 2:4) In zijn tweede brief aan de gemeente van Korinthe had hij al opgemerkt: “De liefde van Christus dringt ons, daar wij tot dit oordeel zijn gekomen, dat Eén voor allen gestorven is; dus zijn zij allen gestorven. En Hij is voor allen gestorven, opdat zij die leven, niet meer voor zichzelf leven, maar voor Hem die voor hen is gestorven en opgewekt” (2 Korinthe 5:14-15) Aan de gemeente van Rome schreef hij over de reikwijdte van de verlossing: “Want allen hebben gezondigd en komen te kort aan de heerlijkheid van God, en worden om niet gerechtvaardigd door zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is” (Rom.3:23-24) Iets dergelijks lezen we ook in de brief aan de Hebreeën: “Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij [d.i. de Messias] op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat Hij door de dood te niet zou doen hem die de macht over [Gr. van] de dood had, dat is de duivel, en allen zou verlossen die uit vrees voor [de] dood hun hele leven door aan slavernij onderworpen waren” (Hebreeën 2:14-15) 209
Page 210
Aan gelovigen die ze dikwijls niet eens persoonlijk kenden schreven de apostelen dus onbevangen: “U bent voor een prijs gekocht; verheerlijkt dan God in uw lichaam!” (1 korinthe 6:20) “U bent voor een prijs gekocht; wordt geen slaven van mensen” (1 Korinthe 7:23) “U weet dat u niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost bent van uw onvruchtbare, door de vaderen overgeleverde wandel, maar door kostbaar bloed, als van een vlekkeloos en onbesmet lam, [het bloed] van Christus” (1 Petrus 1:18-19) Voordat Jezus werd overgeleverd en gekruisigd, zei Hij met het oog op zijn kruisiging en opstanding tegen zijn discipelen: “Nu is [het] oordeel van deze wereld; nu zal de overste van deze wereld worden buitengeworpen. En als Ik van de aarde ben verhoogd, zal Ik allen tot Mijzelf trekken” (Johannes 12:31-32) De Heere grondde deze verwachting op Psalm 22:28-32. De evangelieschrijver tekent erbij aan: “Dit nu zei Hij om aan te duiden wat voor een dood Hij zou sterven” (Johannes 12:33) Een dood waarmee Hij niet alleen voor allen de losprijs heeft betaald, maar waardoor Hij diezelfde allen ook eens daadwerkelijk zal verlossen en tot zich trekken. 210 Samenvatting 1. Gods werk is volmaakt; de Schepper laat de werken van zijn handen niet varen. Hij heeft niet een gedeeltelijke maar een totale verlossing op het oog. 2. Hij wil dat alle mensen behouden worden en heeft via zijn Zoon voor alle mensen de losprijs betaald. Allen worden om niet gerechtvaardigd door zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus. 3. Tegenover buitenstaanders mogen gelovigen vrijmoedig getuigen van het feit dat God ook hén liefheeft, en ook hén wil en zal redden. Indien de verlossing een select gezelschap zou betreffen, zou zo’n blijmoedig en stellig getuigenis onmogelijk zijn. 211
Page 216
Baader, F.H. und Pasedag, W.J: Versöhnung. Salem: Morgenland Verlag, 1982 [2e Auflage] Ballou, Hosea: A Treatise on Atonement; in which the Finite Nature of Sin is Argued, its Cause and Consequences as Such; the Necessity and Nature of Atonement, and its Glorious Consequences, in the Final Reconciliation of All Men to Holiness and Happiness. Boston: A.Tompkins, 1854 [6th edition] Ballou, Hosea: Ancient History of Universalism, from the Time of the Apostles to the Fifth General Council, with an Appendix Tracing the Doctrine to the Reformation. Boston: Universalist Publishing House, 1885. Barth, Karl: Der Römerbrief. Zürich: Evangelischer Verlag A.G.Zollikon, 1954 [9ter Abdruck der neuen Bearbeitung] Beauchemin, Gerry: Hope Beyond Hell. The Righteous Purpose of God’s Judgment. Olmisto, TX: Malista Press, 2010 [2nd edition] Beecher, Edward: History of Opinions on the Scriptural Doctrine of Retribution. New York: D.Appleton & Co., 1878 Bonda, Jan: De vrouw en haar zaad. Genesis 3 en 4 en daaromheen [Verklaring van een bijbelgedeelte]. Kampen: J.H.Kok, z.j. Bonda, Jan: Het heil van de velen. Over de vraag ‘Hoe is God?’ en de leer van de eeuwige straf. [Vuurpijlserie, no.24] Utrecht: Stichting ‘Vuur’, 1989. Bonda, Jan: Het ene doel van God. Een antwoord op de leer van de eeuwige straf. Baarn: Ten Have, 1994 [2e druk] 216 Bonhoeffer, Dietrich (1972) Navolging. Baarn: Ten Have, 1972 [5e druk] Bouwman, Harm: Het begrip gerechtigheid in het Oude Testament. [Proefschrift, Universiteit van Amsterdam] Kampen: J.H.Bos, 1899 Brouwer, A.M: Verzoening. Een bijbels-theologische studie. Neerbosch: Neerbosch’ Boekhandel en Uitgeverij, 1947. Brown, Thomas: A History of the Origin and Progress of the Doctrine of Universal Salvation. Albany: G.Wood, 1826 Brütsch, Charles: De goede tijding van het wereldeinde. ’s Gravenhage: Boekencentrum, 1962. Chauncy, Charles: Divine Glory brought to View in the Final Salvation of All Men. T. and J.Fleet, Boston 1783 Chauncy, Charles: The Benevolence of the Deity, fairly and impartially considered in three parts. Powars & Willis, Boston 1784 Clayton, E.H: The New Birth Contrasted with the New Creation. Document op theheraldofgodsgrace.org Cope, Bob: Outer Darkness and Wiping and Gnashing of Teeth. Document op de Grace Universal homepage. Cox, Samuel: Salvator Mundi, or, Is Christ the Saviour of All Men? London: Kegan Paul, Trench, Trübner & Co., 1899 217
Page 218
Dallmus, C.F: Unforced Acclamation. Santa Clarita, CA: Concordant Publishing Concern (no date) Dawson, Samuel G: Jesus’ Teaching on Hell. Amarillo, TX: Gospel Themes Press (no date) Dean, Paul: A Course of Lectures in Defense of the Final Restoration. Edwin M.Stone, Boston 1832 Dick, Willy: Lehrt die Schrift die Allaussöhnung? Pforzheim, Konkordanter Verlag [Konkordante Schriftenreihe] Dodd, C.H: Hilaskesthai, Its Cognates, Derivatives, and Synonyms, in the Septuagint. Journal of Theological Studies 32:352-360,1931 Downing, Curt: A Defense of Universal Reconciliation. Document op theheraldofgodsgrace.org Eberle, Reinhard: Der glückselige Gott, und seine Entfaltung im 1. Timotheusbrief. Document op r-eberle.de Eberle, Reinhard: Gott macht lebendig – Ordnungen der Lebendigmachungen. Document op r-eberle.de Edersheim, Elise Williamina: The Rites and Worship of the Jews. London: Religious Tract Society, 1890 Erskine, Thomas: An Essay on Faith [2nd edition] Edinburgh: Waugh and Innes, 1822 Erskine, Thomas: The Unconditional Freeness of the Gospel, in Three Essays. [2nd edition] Edinburgh: Waugh and Innes, 1822 218 Erskine, Thomas: The Brazen Serpent, or Life Coming through Death [3d edition, 2d edition 1831]. Edinburgh: David Douglas, 1879 Erskine, Thomas: The Spiritual Order and Other Papers. Edinburgh: Edmonston and Douglas, 1871 Estlin, John Prior: Discourses on Universal Restitution, delivered to the Society of Protestant Dissenters in Lewis Mead, Bristol. London: Longman, Hurst, Rees, Orme and Brown, 1813 Farrar, Frederic William: Eternal Hope. Five Sermons Preached in Westminster Abbey, November and December, 1877. New York: E.P.Dutton & Company, 1894 Farrar, Frederic William: Mercy and Judgment. A Few Last Words on Christian Eschatology, with Reference to Dr.Pusey’s “What Is of Faith?”. New York: E.P.Dutton & Company, 1881 Gayford, S.C: Sacrifice and Priesthood: Jewish and Christian. London: Methuen, 1953 [2nd edition] Gelesnoff, Vladimir: The “Atonement”. Unsearchable Riches, Volume 7, p.51-59, 1916 Haring, H.W. den: Wat leert de Heilige Schrift over de hel? Buitenpost: Comité Bijbelse Gegevens, z.j. Haring, H.W. den: Leeringen der Ouden. Damwoude: Comité Bijbelse Gegevens, z.j. Hart, David Bentley: That All Shall Be Saved. Heaven, Hell and Universal Salvation. New Haven and London: Yale University Press, 2019. 219
Page 220
Hensen, Johan A: Verzoening. Lelystad: Stichting Lachai-Roï, 1999. Hurley, Loyal: The Outcome of Infinite Grace. Santa Clarita, CA: Concordant Publishing Concern, z.j. Jukes, Andrew: The Law of the Offerings in Leviticus I-VII, Considered as the Appointed Figure of the Various Aspects of the Offering of the Body of Jesus Christ. London: James Nisbet & Co., 1848. Jukes, Andrew: The Second Death and the Restitution of All Things. [reprint from the original 1867 edition] Canyon Country, CA: Concordant Publishing Concern, 1976 Keizer, A: De grote toekomst van Israël, de kerk en de volken. Waarom de dogmatiek moest vastlopen. Kampen: J.H.Kok, 1992. Keizer, A: De komende reformatie van de eindtijd. Wat de kerken niet zien. Sliedrecht: Merweboek, 1996. Keizer, Heleen M: Life Time Entirety. A Study of Aioon in Greek Literature and Philosophy, the Septuagint and Philo [Proefschrift Universiteit van Amsterdam, 1999] Knoch, Adolph Ernst: The Christ of God III. His Atoning Death. Unsearchable Riches, Volume 1, p.169-180, 1910 Knoch, Adolph Ernst: “The Ransom Price”. Unsearchable Riches, Volume 19, p.135-152, 1928 Knoch, Adolph Ernst: All in All. The Goal of the Universe. Canyon Country, CA: Concordant Publishing Concern, 1978 220 Kohnstamm, Philip: Schepper en schepping. Een stelsel van personalistische wijsbegeerte op Bijbelschen grondslag. Deel III: De Heilige. Proeve van een christelijke geloofsleer voor dezen tijd. Haarlem: Tjeenk Willink & Zoon, 1931 Loudy, Adlai: God’s Eonian Purpose. Santa Clarita, CA: Concordant Publishing Concern, 1991 [1st edition 1929] Lukkien, A. en Oosterhuis, A: Alverzoening toegelicht en verdedigd. Arnhem: Arnhemse Boek-, Courant- en Handelsdrukkerij, z.j. Luther, Ralf: Neutestamentliches Wörterbuch. Eine Einführung in Sprache und Sinn des urchristlichen Schrifttums. [Die urchristliche Botschaft, 24e Abteilung]. Berlin: Im FurcheVerlag, 1941 [12e Auflage, 1e Auflage 1932] MacDonald, George: Epea Aptera. Unspoken Sermons, Third Series. London: Longmans, Green and Co., 1889 [in het bijzonder de hoofdstukken “Justice”, p.109-162, en “Righteousness”, p.209-228] Manussen, A: Beknopte samenvatting van de grondslagen der Schriftuurlijke waarheid aangaande de universele redding van de ganse schepping. Rotterdam: Comité tot verbreiding van de waarheid der Schriften, z.j. McLeod Campbell, John: The Nature of the Atonement. Eugene, OR: Wipf and Stock Publishers, z.j. [original edition 1856, MacMillan, Cambridge, UK] Michaelis, Wilhelm: Versöhnung des Alls. Die frohe Botschaft von der Gnade Gottes. Bern: Siloah, 1950 221
Page 224
Hebreeën 10:25 geldt gewoonlijk als ‘de stok achter de deur’ om kerkdiensten vooral toch bij te wonen. Maar is dat terecht? Waar gaat het in dit vers over en wat stond er voor de Hebreeën op het spel? 
De antwoorden zullen je verbazen …!

Hebreeën 10:25 Stok achter de kerkdeur?


Page 0
Page 12
‘cognitieve dissonantie’ heet ontstaat. Je snapt ineens helemaal niet meer wat het daaropvolgende te maken heeft met het ‘niet meer bezoeken van bijeenkomsten’; de link verdwijnt compleet! Dat betekent dat de volgende vraag alleen maar des te meer gerechtvaardigd is: Wordt dit vers terecht, om die reden, altijd opgevoerd? Is het inderdaad een stok achter de kerkdeur? Dus de vraag is: staat dat er ook écht? Het eerste wat we moeten doen, in het algemeen als we een brief lezen, is weten waar het over gaat. Niet alleen maar wat erin staat, maar ook wat de hele setting van de brief is. En dan heb ik het vooral over een drietal vragen in dit verband en die ga ik eerst behandelen. Gewoon: wat zegt de Bijbel daar zelf over? • Aan wie is de brief geschreven? • Wanneer is de brief geschreven? • En met het oog waarop is de brief geschreven? Dat is heel erg belangrijk. En dan sla ik voor het gemak even de vraag over wie de brief geschreven heeft; de schrijver is anoniem en daarover is genoeg te melden, maar dat laat ik nu even voor wat het is. 12 2. Aan wie is de Hebreeën-brief geschreven? Het antwoord daarop zou niet zo problematisch hoeven te zijn. Al was het maar omdat de brief een naam heeft en dat is “de Hebreeën-brief ”. Als je de oorspronkelijke manuscripten hebt, waar de bijbeltekst op gebaseerd is (de grondtekst), dan staat daarin gewoon bovenaan: “de Hebreeën”. Waarbij ik moet aantekenen dat ‘Hebreeën’ een aanduiding is van mensen die Hebreeuws spreken. Het zijn nakomelingen van Heber, maar in de praktijk zijn dat Hebreeuws-sprekenden, Handelingen 6:1,9. Je leest bijvoorbeeld in Handelingen 6, dat daar in Jeruzalem een controverse ontstond rond de Hebreeuws-sprekenden, de Hebreeën, en de Grieks-sprekenden, de Hellenisten. En dan zijn inderdaad de Hebreeën ‘de Hebreeuws-sprekenden’. In feite zijn ‘Hebreeën’ dus vooral de inwoners van het land, die de Hebreeuwse taal spraken. Dat zijn de Hebreeën, zodat het niet alleen maar betrekking heeft op welke mensen dat zijn, maar ook zelfs waar ze wonen, namelijk in het land Israël. Dat is één ding: het is de Hebreeën-brief. Dus aan wie is de brief geschreven? Aan Hebreeën, dat wil zeggen: Hebreeuws-sprekenden en dan weet je dat het gaat over Joden. En dan gaat het meer specifiek over de Joden in het land waarvan de hoofdstad Jeruzalem is. Trouwens, het is weliswaar een ‘brief ’ zonder echte aanhef, maar als je dan even het opschrift weglaat en je begint in hoofdstuk 1 13
Page 14
vers 1 te lezen, dan wordt er wel direct vermeld (meer letterlijke vertaling): “De God, die lang geleden, in veel delen, en op veel manieren, tot de vaderen spreekt in de profeten …”. En dan weet je het eigenlijk ook al meteen, want hoe was het ook alweer …? Van wie zijn ‘de vaderen’? Paulus zegt in Romeinen 9 vers 5: “Hunner” – en dan heeft hij het over de Israëlieten – “zijn de vaderen, hunner zijn de beloften, hunner is de eredienst, hunner is de wetgeving”. Kortom, als in Hebreeën hoofdstuk 1:1 ‘de vaderen’ worden genoemd, dan gaat het heel uitdrukkelijk over het volk van wie de vaderen zijn, tot wie God ooit door de profeten heeft gesproken. Dus het opschrift is meteen ook de aanhef van de brief. En dan is er nog iets wat heel opvallend is: de schrijver veronderstelt dat zijn lezers heel erg bekend zijn met de Hebreeuwse Bijbel. Want de Hebreeën-brief is één grote toelichting op de eredienst en alle gebruiken, zelfs heel kleine details, van wat wij dan ‘het Oude Testament’ noemen. Daar wordt voortdurend naar gerefereerd. Het handelt over figuren als Mozes en Levi en Melchizedek en de dingen die er gedaan werden in het heiligdom. De schrijver veronderstelt dat het hen allemaal bekend is en wie zijn daarvan op de hoogte? De eersten die daarvoor in aanmerking komen, zijn degenen aan 14 wie de Hebreeuwse Bijbel is gegeven; namelijk aan Hebreeën. Dus dan kom je via die route ook weer uit op het feit dat het inderdaad de Hebreeën-brief is. Er zijn nog veel meer aanwijzingen. Als toegift: de lezers van deze brief vormden ‘het huis van Israël’ en ‘het huis van Juda’. Zo wordt het in Hebreeën 8 vers 8 ook genoemd: “Neem waar: er komen dagen, zegt de Heer, dat Ik met het huis van Israël, en met het huis van Juda, een nieuw verbond zal afsluiten …” Jeremia 31 wordt dan aangehaald, inzake het oude en het nieuwe verbond. Met hetzelfde volk waarmee God ooit het oude verbond sloot, zal Hij ook het nieuwe verbond sluiten. Dat zijn de geadresseerden: de Hebreeën dus. In Hebreeën 10 vers 30 wordt dat genoemd: “Zijn volk”. Het volk Israël. Het is duidelijk: de Hebreeën-brief is gericht aan Israël. 15
Page 18
Nog een aanwijzing: Als je Hebreeën 5 vers 12 leest, dan wijst de schrijver erop, dat zij nog steeds ‘aan de melk’ zitten, terwijl ze naar de tijd gerekend, leraren hadden moeten zijn. Dat wijst erop dat daar dus al een hele tijd aan voorafgegaan was. En er is nóg een boeiende aanwijzing en dat is dat in deze brief voortdurend gerefereerd wordt naar de 40 jaren die Israël heeft vertoefd in de woestijn. Dat is karakteristiek in deze brief. Voortdurend wordt er gewezen op de jaren tussen Israëls verlossing en 40 jaren later, toen ze arriveerden in het land. Wat de schrijver zegt is feitelijk dit: “jullie leven in dezelfde setting”. Dit is heel opmerkelijk: want als de Heer stierf, opstond en ten hemel voer omstreeks het jaar 30 en je rekent 40 jaar verder, dan kom je dus uit bij het jaar 70. Dat is boeiend, want in het jaar 70 werd een hele periode afgesloten. Dat was namelijk het jaar dat Jeruzalem verwoest werd. De tempel gaat helemaal in vlammen op en dat is het einde van de toenmalige Joodse staat. Dus: wanneer is de Hebreeën-brief geschreven? In de tweede generatie, vlak voorafgaand aan het einde van dat geslacht, van die 40 jaren. En vandaar: ergens in de jaren 60 van de eerste eeuw. 18 4. Met het oog waarop is de Hebreeën-brief geschreven? Dat is onder hele heftige omstandigheden geweest, want de lezers van deze brief – dat blijkt iedere keer – stonden onder grote druk. Ik zal het enigszins compact houden, maar ik wil u als het ware ‘meenemen door deze brief ’. Om te tonen hoe heftig de tijd was waarin de Hebreeën vertoefden, maar vooral ook hoe groot de druk was waaronder ze stonden. Want er werd grote druk op hen uitgeoefend “om de zoon van God met voeten te treden en het bloed van het verbond onrein te achten”, zo staat het letterlijk in Hebreeën 10:29 (dat gedeelte zal ik verderop in deze uitgave behandelen). Of zoals Hebreeën 6:6 zegt: “om de zoon van God opnieuw te kruisigen”, wat tevens een heel sterke aanwijzing is. In het kort: In het jaar 30 heeft het volk haar Messias overgeleverd om gekruisigd te worden. Vervolgens is Hij opgewekt uit de doden en de boodschap van de opgewekte Messias heeft geklonken onder het volk. Dit getuigenis is bevestigd met vele krachten, tekenen en wonderen, enzovoort. En opnieuw heeft het volk toen dat getuigenis aangaande de Messias verworpen. Het Sanhedrin, de Joodse raad of de regering in Jeruzalem, heeft Stefanus gestenigd en daarmee officieel dat wat ze eerder hadden gedaan – namelijk: de Zoon van God kruisigen – als het ware 19
Page 20
‘opnieuw gedaan’ door het getuigenis aangaande de opgestane Messias eveneens te verwerpen. Desalniettemin lees je in het boek Handelingen, dat daar een enorm grote getuigenis was ontstaan in het Joodse land. Handelingen 21 geeft aan dat er tienduizenden Jezus-als-Messiasbelijdende Joden waren in het land. Ook het volgende staat er nog bij (dat zegt Jakobus, die min of meer als de leider van dat gezelschap diende): “ze waren allemaal ijveraars van de wet”. Ze hielden de sabbatten en de besnijdenissen en de gebruiken; dat was voor hen volkomen vanzelfsprekend. Nu, die tienduizenden belijders kwamen onder grote druk te staan, want er was een enorme tweespalt in het jodendom in die dagen. Namelijk: is Jezus de Messias: ja of nee? En de overgrote meerderheid verwierp hem. Maar nu kwamen de belijders ook werkelijk onder druk te staan. Er zijn heel veel passages in het Nieuwe Testament die daarover gaan. Maar ook in de ongewijde geschiedenis worden hieromtrent verklaringen gegeven; vooral van Flavius Josephus (een RomeinsJoodse geschiedschrijver en hagiograaf van priesterlijke en koninklijke afkomst), die een uitgebreide beschrijving gaf over hetgeen er gebeurde in de jaren 60 van de eerste eeuw. Vlak voorafgaand aan de verwoesting van Jeruzalem heeft een enorme Joodse opstand plaatsgevonden. En het volk, diegenen die de Messias beleden, werden onder druk gezet. 20 Zij moesten dat getuigenis verwerpen en ze moesten dan symbolisch ook ‘de Zoon van God vertreden’ daar in de tempel en daarmee afstand doen van de boodschap. Een enorme druk werd daar op de Jezus-als-Messias-belijdende Joden uitgeoefend en de schrijver wijst erop dat “God Zijn volk gaat oordelen”. Er wordt gezegd in Hebreeën 10, dat dit “zou gaan plaatsvinden in korte, korte tijd”. Het zou niet lang meer duren, nee, het oordeel was zéér aanstaande. Hetgeen bevestigt wat ik eerder aangaf: dat in het jaar 70 daadwerkelijk de Joodse natie ten einde kwam. De stad werd verwoest, de tempel ging in vlammen op en de hele eredienst is verdwenen. En enkele jaren daarvoor is de Hebreeën-brief geschreven. Wat daarbij eveneens heel opmerkelijk is, is dat “het naderende oordeel”, waarover de schrijver meerdere malen schreef, iedere keer wordt omschreven in termen van vuur (10:27) en een verschrikkelijke verbranding (6:8). Als je denkt dat de Hebreeën-brief ‘het Nieuwe Testament, gericht aan de kerk’ is, dan zal die verbranding geheid in de uitleg betrokken worden als zijnde ‘de hel’, waarin mensen dan terechtkomen. Daarop worden de verbranding en het vuur dan betrokken, terwijl het heel concreet over een volk gaat en over een stad die daadwerkelijk in vlammen is opgegaan. Dan gaat het niet over een ‘hel’ en is het óók niet gericht aan de kerk. 21
Page 22
Het is geschreven aan Israël, aan de Hebreeën, die binnen enkele jaren zouden gaan meemaken dat de stad en de tempel in vlammen zouden opgaan. Wat daarbij eveneens opmerkelijk is: aan het einde van de brief wordt de gelovigen op het hart gebonden dat zij “de legerplaats zouden verlaten”. “Gaat dan uit”, staat er. Dan wordt er ook gezegd dat de Heer Jezus “buiten de legerplaats heeft geleden”, dat wil zeggen: buiten Jeruzalem – buiten de tempel, buiten de stadsmuren. En dan wordt er gezegd: “gaat dan uit tot Hem, buiten de legerplaats” (13:13). Dat wil zeggen: “verlaat Jeruzalem”. “Want”, staat er, “we hebben hier (in Jeruzalem) geen blijvende stad” (13:14). Ook dat kun je natuurlijk vergeestelijken, door te zeggen dat ‘we hier geen blijvende stad hebben’ en dat ‘we pelgrims zijn’. Dat is allemaal waar, maar nu, in die hele concrete setting, begrijp je dat nog veel beter: dan wordt het létterlijk. Namelijk, die stad, Jeruzalem – de centrale plaats van de Hebreeën – en de tempel, zouden binnen afzienbare tijd in vlammen opgaan. Dus worden de gelovigen van het volk erop gewezen om wakker te zijn en om de stad te verlaten. Dat had de Heer Jezus trouwens in de evangeliën al gezegd. En, inderdaad, een hele grote groep heeft de stad ook verlaten, dat is allemaal bekend en dit staat tevens in de ongewijde geschiedenis. Ze zijn naar Pella [Jordanië] gegaan, even buiten het Joodse land. En daar hebben ze een veilig onderkomen gevonden toen de Romeinen de stad inderdaad in brand hebben gestoken. 22 Er heeft een gigantische slachting in Jeruzalem plaatsgevonden. In het jaar 70 zijn tussen de 600.000 en 1.000.000 Joden vermoord. Het was een verschrikkelijke periode! Dat wat nog resteerde, is als slaaf verkocht en, met name, in Egypte terechtgekomen. De aanvoer van Joodse slaven was toen zelfs zo groot, dat een slaaf niets meer waard was. Flavius Josephus beschrijft dat de prijzen van slaven “zo hard kelderden vanwege het enorme ‘aanbod’”. Wat maar wil zeggen: in het jaar 70 vond een afschuwelijk debacle plaats met de hele Joodse natie. Dat was dus ook het einde van een geslacht van 40 jaar. En precies in die 40 jaren vindt ook wat beschreven wordt in het boek Handelingen plaats. Ik denk dat de brief aan de Hebreeën ook vanuit Rome is geschreven, want de schrijver geeft aan (letterlijk): “Weet, dat onze broeder Timoteüs vrijgelaten is; als hij sneller komt, kan hij met mij mee, om jullie te zien. Groet allen, die jullie leidinggeven, en al de heiligen. De broeders uit Italië groeten jullie.” Dat werpt veel licht op de briefschrijver. Al deze dingen zijn veel meer dan boeiend, want ze zijn van belang om deze brief überhaupt te begrijpen. Als je de setting niet snapt, dan ga je het vergeestelijken en daar ga je absoluut de fout mee in. En er zijn zoveel mensen die hevig verontrust worden door woorden in de Hebreeën-brief, want “het is onmogelijk iemand weder opnieuw tot bekering te brengen, die opnieuw de Zoon van 23
Page 24
God gekruisigd heeft”, Hebreeën 6:4-6. En wat dan overblijft is “een verschrikkelijke verbranding”. Zij passen dit op zichzelf toe: ‘Ben ik zo iemand?’ ‘Komt het nog wel goed?’ ‘En kom ik dan in de hel en ben ik afgevallen ...?’ Maar het zijn de uitleggingen die van deze tekst gegeven zijn; mensen worden daar enorm door verontrust. En dat komt allemaal omdat men deze woorden op zichzelf toepast. Het lijkt heel ‘geestelijk’ om te zeggen: ‘Dat is het woord van God en dat mag ik op mezelf toepassen’, maar daarmee misken je wat er écht staat. Dat líjkt inderdaad geestelijk, maar het ís niet geestelijk. Je moet gewoon nemen wat er staat. En weet je wat geestelijk is? Dat is geïnteresseerd zijn in: wat stáát er nou? De feiten doen ertoe. Goed, samenvattend: dit is nog maar de inleiding, maar het is wel van groot belang. • De geadresseerden in de brief zijn: Hebreeën; • De Hebreeën-brief is ergens rond de jaren 60 van de eerste eeuw geschreven; • Ze worden voorbereid op, en gewaarschuwd voor, de totale verbranding van Jeruzalem in 70 anno Domini. Dat dus even ‘kortweg’ ter inleiding wat de Hebreeën-brief eigenlijk behelst. Aan wie het geschreven is en wanneer en waarom dat alles is opgetekend. 24 5. Aanscherping van liefde Nu kunnen we, enigszins ‘gewapend’, de brief gaan behandelen. En dan skippen we de eerste 9 hoofdstukken en gaan we naar halverwege in het 10e hoofdstuk. Heel veel waardevols ontgaat ons dan natuurlijk, maar goed. Hebreeën 10 24 En laten we op elkaar acht geven tot aanscherping van liefde en voortreffelijke werken … Overigens, dit is een vertaling die vooral aansluit op een letterlijke vertaling1 van het origineel. De woorden die in dit vers staan, kun je één op één toepassen op jezelf – daar heb ik trouwens geen enkel probleem mee, want dit zijn woorden die je ook wel elders aantreft. Maar vergeet nu even niet de setting … “… laten we op elkaar acht geven …” Waarom? Wel, we horen bij elkaar, we vormen een gemeenschap. Want dat is het idee ook in de Hebreeën-brief: wat hen samenbond was het geloof in de gestorven, of, wat meer is, de opgewekte en de verborgen Messias. Even tussen twee haakjes, deze brief gaat vooral in op het feit dat dé Hogepriester verborgen is in het heiligdom, Hebreeën 8:1. Het is tevens een grote toelichting op Jom Kipoer, de Grote Verzoendag. 25
Page 26
Dan had de hogepriester eerst het offer gebracht en vervolgens ging hij het heiligdom in. Eén keer per jaar ging hij helemaal in het binnenste heiligdom en uiteindelijk kwam hij dan uit het heiligdom en verscheen hij aan het volk. Wat de schrijver van de Hebreeën-brief zegt is, dat dit een plaatje is van de tegenwoordige tijd, want het Offer is gebracht en waar is De Hogepriester nu? Verborgen … dus niet te zien. Hij is, zoals dat in de typen en beelden al was aangekondigd, in Het Heiligdom, achter voorhangsel. Hij heeft een nieuwe, levende weg ingeleid (Hebreeën 10). En nou zegt de schrijver: “… wij horen bij elkaar, laten we op elkaar acht geven, tot aanscherping van liefde”, om de gemeenschap, die we onderling vormen, te beleven. “… en voortreffelijke werken”, dat wil zeggen: daarin ook daadwerkelijk elke dag leven, handelen en op oriënteren. 26 6. Niet verlatend onze bijeen-brenging En dán komt het: Hebreeën 10 … en voortreffelijke werken, 25 niet verlatend onze bijeen-brenging, naar de gewoonte van sommigen … U ziet, dit wijkt wat af van de NBG- of Statenvertaling, want de zin loopt door en die vertalingen zetten een punt achter het woord ‘werken’ (:24). De NBG-vertaling heeft het in vers 25 over ‘onze eigen bijeenkomst’. De Statenvertaling gebruikt hier de woorden: ‘onze onderlinge bijeenkomst’. Maar wat staat hier? Hier staat een Grieks woord – weliswaar gericht aan Hebreeën, maar wij hebben de brief in het Grieks – en dat is het woord: ‘episunagōgēn’. Dit woord komt maar twee keer voor in het Nieuwe Testament en dat is hier, in Hebreeën 10, en in 2 Thessaloniki 2:2. ‘Episunagōgēn’ is gebaseerd op twee woorden: • epi, dat is een voorzetsel en betekent ‘op’, ‘boven’ of ‘opper’. Er zijn heel wat Nederlandse woorden die beginnen met het ‘epi’, zoals het epicentrum. • sunagōgēn, dat betekent ‘vergadering’ of ‘bijeen-brenging’ [letterlijk: op-samen-voering of op-samen-leidend]. 27
Page 28
Dit woord komt in het Nieuwe Testament een stuk of 100 keer voor en heeft betrekking op de synagoge, maar het is niet hetzelfde woord. “… niet verlatend onze episunagōgēn …”, wordt gezegd tegen de Hebreeën. Als je het woord gewoon heel letterlijk neemt, dan gaat het hier om hun ‘ópper-bijeenkomst’. Het is niet zomaar het gewone woord voor ‘gemeente’, dat ‘ekklesia’ is, of ‘synagoge’, wat betrekking heeft op Israël. Het is iets wat de synagoge te boven gaat, het gaat boven de synagoge uit. Nu moet u zich voorstellen … dit is zo elementair: deze Hebreeën bezochten nog steeds gewoon de tempel. Zij hadden hun rituelen, hoorden bij dat Hebreeuwse volk, gingen naar de synagoge, maar ze hadden ook onderlinge bijeenkomsten als gelovigen in de Messias. Dat was niet ‘de synagoge’, maar dat wat boven de synagoge uitging, dat wat nog belangrijker was: niet zomaar ‘een bijeenkomst’, nee, een opper-bijeenkomst. Dat is het woord wat hier gebruikt wordt. Het ging hier niet over een samenkomst, want deze ‘vergadering’ ging boven de synagoge uit. “… niet verlatend onze bijeen-brenging …” Bij de NBG-vertaling krijg je het idee dat ‘mensen hun eigen bijeenkomsten niet moeten verzuimen’. Maar dat is niet wat er staat. Ten eerste: het is geen meervoud – bijeenkomsten – het is enkelvoud, ook in de NBG-vertaling. 28 Ten tweede: er staat letterlijk niet ‘verzuimend’, maar er staat: verlatend. Verlaten, overgelaten, in de steek laten. Dit is hetzelfde woord wat de Heer Jezus zei, toen Hij stierf, Matteüs 27:46. En je komt het woord ook tegen in bijvoorbeeld 2 Timoteüs 4:10: “Want Demas heeft mij uit liefde voor de tegenwoordige wereld verlaten.” Het ging dus niet over: bijeenkomsten zo ‘te hooi en te gras’ eens bezoeken en daarmee regelmatig verzuimen. ‘Verlaten’ betekent niet dat men er zo nog af en toe naartoe ging. Het ging over de “opper-bijeenkomst” in de steek laten, de rug toekeren, verlaten … en dat is een heel andere gedachte. Die gelovigen kwamen als Messias-belijdende Joden bij elkaar. En daar waren sommigen – later trouwens velen, maar in dit stadium nog sommigen – die deze bijeenkomst verlieten. In de zin van: in de steek laten, de rug toekeren. Het ging niet om mensen die niet zo vaak meer in de samenkomst kwamen en die eens eventjes teruggefloten moesten worden om weer wat regelmatiger ‘bij de les’ te zijn. Nee, dat is niet waar het over gaat. Ze verlieten hun opper-bijeenkomst. Ze lieten die in de steek en keerden “de bijeen-brenging” de rug toe. Er waren veel Joodse ijveraars van de wet, die voortaan dreigden – het is een ‘gewoonte’ waar het hier over gaat – het ‘bijeen zijn’ van de Jezus-als-Messias belijders de rug toe te keren. Dat is het verlaten van de opper-bijeenkomst. 29
Page 32
Maar het woord dat hier gebruikt wordt is, dat zij elkaar zouden aanmoedigen, “en”, zegt de schrijver er dan bij, “dat zoveel te meer naarmate jullie de dag zien naderen”. Welke dag? De dag waar hij het in deze brief al zo vaak over had gehad, namelijk dat oordeel wat er zou gaan plaatsvinden; de geprofeteerde verwoesting over Jeruzalem. Dat zou gaan gebeuren en die dag was destijds zéér aanstaande! En natuurlijk kunnen wij nu zeggen – omdat we nu bijna 2000 jaar later leven – : ‘Ja, maar wacht even … want wij weten dat de termijn van de terugkeer van de Heer ook aan het aflopen is en het duurt niet lang meer. In die zin nadert de dag voor ons ook, dus nu is het ook voor ons des te belangrijker – aangezien we die dag zien naderen – dat we elkaar een hart onder de riem steken en vooral wakker blijven en de Schriften onderzoeken.’ Ik heb geen bezwaar tegen die uitleg en die toepassing, want ik denk dat dat zeer ter zake is. Maar toepassing is wat anders dan uitleg. ‘Toepassing’ wil zeggen dat wij dat woord ook op onszelf kunnen toepassen. Natuurlijk, heel de Schrift is ons gegeven ter lering en ter bemoediging van ons, absoluut, maar deze Hebreeën-brief gaat over een heel specifieke dag die zou komen. En als zij díe dag zouden zien naderen, dan zouden zij des te meer elkaar aanmoedigen en dus dat, wat in het voorgaande stond, betrachten: 32 “… laten we op elkaar acht geven tot aanscherping van liefde en voortreffelijke werken, niet verlatend onze bijeen-brenging, naar de gewoonte van sommigen, maar elkaar aanmoedigend en dat zoveel te meer naarmate jullie de dag zien naderen.” En naarmate de tijd naderde en naarmate de dag vorderde, werd de urgentie om dit ter harte te nemen alleen maar sterker. 33
Page 36
gericht is in een bepaalde situatie – lukraak op iedereen van toepassing brengt? Dat klopt van geen kanten! Hier gaat het niet zomaar over ‘spijbelen’ en ‘bijeenkomsten niet bezoeken’. Nee, het gaat hier over het verlaten van, het de rug toekeren van dat gezelschap, dat Jezus als de Messias erkent. En dat is inderdaad wíllens zondigen. Want we praten hier over een groep die, wel bewust van de waarheid dat Jezus de Messias is, bezwíjkt onder de druk om de Zoon van God te verloochenen en die geen deel meer wilden uitmaken van díe bijeen-brenging. Ze wisten wel dat Jezus de Zoon van God is, maar er stond zoveel druk op hen om zich daarvan af te keren – van dat gezelschap en daarmee ook van de boodschap –, dat ze onder die druk bezweken. De schrijver van de Hebreeën-brief geeft aan: “dat is willens zondigen”. Want je wéét dat wat je verlaat, de waarheid is. Dat Jezus de Messias is, stond niet ter discussie, zij wísten dat. Alleen, ze dreigden te bezwijken nu, vanuit de kant van hun volksgenoten en ook van regeringswege. De druk werd opgevoerd om dat gezelschap te verlaten. Er kwam trouwens heel veel smaad bij kijken. Lees het vervolg maar eens in hetzelfde hoofdstuk, Hebreeën 10. Dan staat er dat ze de roof van hun bezittingen moesten tolereren. Dus het was niet alleen maar dat er kwaad over hen werd gesproken, of dat het wat ruzie of onenigheid in families betrof … 36 Nee, het was echt verdrukking die ze ondergingen, waarbij hun bezittingen niet meer veilig waren. Dus hun vrijheid stond echt op het spel. En hoe gemakkelijk zou je dan, onder druk, kunnen bezwijken en zeggen: ‘Dan ga ik dat hele gezelschap maar de rug toekeren en dan ga ik de Zoon van God inderdaad maar met voeten treden’, wat gevraagd werd van hen. En dát is dan “willens zondigen”. Men wist dat wat men miskende de waarheid was. De schrijver zegt er dan ook bij: “Want als we willens zondigen, nadat we besef ontvingen van de waarheid, blijft er geen offer voor de zonden over …”. In het algemeen is de misvatting bij deze bijbeltekst: ‘Je spijbelt en dat betekent dat jij het geloof niet serieus neemt. Maar dan blijft er voor jou geen offer meer over. En die losprijs die betaald werd voor allen, dat is niet voor jou.’ Maar dat is gewoon een leugen. Waarom? Omdat men de tekst helemaal uit zijn context haalt. Waarover gesproken wordt in dit tekstgedeelte, is namelijk létterlijk: • Als zij – de Joden in de jaren 60 van de eerste eeuw, in Jeruzalem (vlak voorafgaand aan de verwoesting van de tempel) – bezweken onder de druk en Jezus als Messias zouden loochenen … dan wezen zij het ene grote Offer af (10:10). 37
Page 38
• En dan vervolgens zou de offerdienst – die daar in Jeruzalem plaatsvond – binnen enkele jaren sowieso verdwijnen, omdat de hele tempel verwoest zou worden en in vlammen op zou gaan. Kortom, de hele offerdienst zou verdwijnen (8:13). Als zij het gezelschap zouden verlaten en Jezus als Messias zouden afwijzen, dan “bleef er geen offer voor de zonden meer over”, want hét Offer dat ze hadden, hebben ze miskend. En de offerdienst, waar ze naar terugkeerden – het jodendom en de eredienst en offers die daar in Jeruzalem gebracht werden – raakten ze, op afzienbare termijn, eveneens kwijt. Nogmaals, dán blijft er dus helemaal geen offer meer over: het Offer niet, en de offerdienst zélf raken ze ook kwijt. Dat is de setting. Ziet u? 38 9. Oordeel en felheid van vuur Natuurlijk is de losprijs betaald voor allen, dus ook voor de ongelovige Hebreeën. Maar het is wel zo, dat in die jaren 60 van de eerste eeuw, als zij inderdaad onder druk dat gezelschap van Jezus-als-Messias belijdende Joden de rug toekeerden – en terugkeerden in het jodendom, terwijl ze de waarheid kenden – , er geen offer voor de zonden meer over was. Men had hen ook niets meer te vertellen. Het was immers onmogelijk om hen nog tot bekering te brengen, want aan de waarheid hadden zij geen boodschap meer, omdat ze díe juist verworpen hadden. En vervolgens zegt dan de schrijver van de Hebreeën-brief: Hebreeën 10 26 Want als we willens zondigen nadat we besef ontvingen van de waarheid, blijft er geen offer voor de zonden over, 27 maar een vreselijke opwachting van oordeel en felheid van vuur dat de tegenstanders op het punt staat te verteren. Mensen denken bij dit tekstgedeelte veelal aan ‘de hel’, maar daar heeft het niets mee van doen. Dit is enkele jaren later létterlijk vervuld in de val van Jeruzalem in 70 A.D. Maar u weet inmiddels net zo goed als ik, hoe dat wordt toegepast: het gaat zogezegd over ‘de hel’. De boodschap om er érnst mee te maken; om vooral toch maar de kerkdienst bij te wonen, dan wel de evangelische bijeenkomst. 39
Page 40
Dit kun je heel erg hard en zwaar aanzetten door te zeggen: ‘Want als je dat niet doet …? Als je daar geen ernst mee maakt …? Dan blijft dít (de hel) over!’ Maar wat in dit tekstgedeelte is aangekondigd, is létterlijk vervuld in het jaar 70: een opwachting van oordeel en de tegenstanders stonden op het punt verteerd te worden. Legendarisch is dit zelfs; het is één van de hoofdmomenten in de Romeinse geschiedenis. Ook in de ongewijde geschiedenis is het jaar 70 één van de grootste ‘mijlpalen’ van de eerste eeuw geweest; de verwoesting van Jeruzalem. 40 10. Ik zal het vergelden Dit is wat er gebeurde tijdens die verwoesting: De Romeinen hebben de stad drie en een half jaar lang omsingeld. Het was dezelfde tijd als de geschiedenis van Massada, want toen is een hele groep van vrijheidsstrijders richting de Dode Zee gegaan. Zij hebben zich daar verscholen en uiteindelijk zijn ze daar ook omgekomen. De hele stad is uiteindelijk helemaal in vlammen opgegaan en er is geen steen op de andere gebleven. En van de hele tempel: geen steen. Dat is het lot geworden van Jeruzalem. De hele stad is daadwerkelijk in vlammen opgegaan en Titus, de grote veldheer, heeft de gouden kandelaar – met alle attributen die in de tempel waren (dat vertegenwoordigde een gigantische rijkdom, natuurlijk) – naar Rome gebracht. Dus dat jaar 70 was markant en is daadwerkelijk ook vervuld. Hebreeën 10 is zó concreet, je hoeft er niets aan te vergeestelijken. Het heeft niets met een ‘hel’ te maken. Het is daadwerkelijk verbranding en de omkering van de stad en er is een einde gekomen aan het oude verbond. En dan staat er nog bij, in vers 30: Hebreeën 10 30 Want wij weten Wie zegt: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden. En wederom: de Heer zal Zijn volk oordelen. 41
Page 42
Dit is geciteerd uit Deuteronomium 32: 35 Mij komt de wraak toe en de vergelding tegen de tijd, dat hun voet zal wankelen. 36 Want JAHWEH zal recht doen aan Zijn volk en Zich ontfermen over Zijn knechten … Dat is een afschuwelijke gebeurtenis geweest, maar dit was lang van tevoren al aangekondigd. Het jodendom bevestigt overigens dat vanaf het jaar 30 (mogelijk ook het jaar dat de Heer stierf, opstond en ten hemel voer) dagelijks spontaan (!) de deuren van de tempel allemaal opengingen. En het licht ging spontaan (!) iedere keer uit. Men wist niet wat er aan de hand was, maar dat waren allemaal voortekenen van de uiteindelijke verwoesting. Dus wat in de Hebreeën-brief naar voren wordt gebracht, heeft allemaal plaatsgevonden; zo markant, zo duidelijk, zo concreet. Maar op het moment dat je dát niet begrijpt, ga je zulke woorden volstrekt misplaatst toepassen met alle dramatische gevolgen van dien. 42 11. Conclusie Het belang en de waarden van het bijeenkomen van gelovigen is boven elke twijfel verheven. De waarde van bijeenkomsten kun je eigenlijk niet overwaarderen, dat staat niet ter discussie. Wat wél ter discussie staat, is dat die ‘stok achter de kerkdeur’ waarvan men zegt: ‘Je moet wel komen, want dat staat in Hebreeën 10:25 …’ – er niets mee te maken heeft. De hele context gaat over iets totaal anders. Het één-op-één beroep op Hebreeën 10:25 is volstrekt misplaatst, want het vers spreekt niet over ‘regelmatig verzuimen van bijeenkomsten’, maar van: het de rug toekeren van het gezelschap van Jezus-als-Messias-belijders. En de samenhang staat helemaal in verband met het naderende debacle in het jaar 70 A.D. Dat wilde ik graag eens met u behandelen, want ik vond het hoog tijd om hetgeen altijd zo misplaatst wordt toegepast, aan de kaak te stellen. En het is aan u vervolgens, om dat te controleren; om te checken “of deze dingen alzo zijn”, Handelingen 17:11. Ik ben zo enorm blij dat ik een Boodschap mag kennen, waarbij de Schrift onderverdeeld is, onderscheiden kan worden. Er staat opgetekend dat Augustinus ooit een keer zei: “Onderscheid de tijden en de Schrift is in harmonie met zichzelf.” 43
Page 44
Het is belangrijk de dingen op zijn plaats te laten: • dat wat aan Israël geschreven is, op Israël betrekken; • en dat wat aan ons geschreven is (door de apostel van de natiën, Paulus) op de natiën betrekken. Als dat duidelijk is, dan gaat de Schrift ineens zó spreken. Dan wordt het enorm concreet, helder! Maar ook een Blijde Boodschap, want dan hoef je zulke woorden – zoals de woorden die in de Hebreeën-brief staan over “de felheid van een vuur”, et cetera – niet misplaatst op jezelf toe te passen. Het gaat niet over een ‘hel’, die de Bijbel sowieso al niet kent2. God is een Redder van alle mensen, 1 Timoteüs 4:10. Houd dat vast en laat het je nooit ontnemen! 44 Noten 1 Voor degenen die dat niet kennen: ik ben gewend om de interlineair erop na te slaan. De interlineair is een woord-voorwoord weergave vanuit het origineel, waarop mijn werkvertaling is gebaseerd. Het is een nogal letterlijke vertaling. Op de website van Scripture4all.org is een Nederlandse interlineair te vinden, die als PDF kan worden gedownload, voor bijvoorbeeld een tablet of een smartphone. Het is een volledige interlineair van zowel het Oude als het Nieuwe Testament. Meer informatie: https://www.scripture4all.org/ 2 Het woord ‘hel’ is volkomen ten onrechte in bijbelvertalingen binnengeslopen. In de NBG-vertaling is het de weergave van Gehenna en dat betreft een geografische plaatsnaam. Het is de Griekse naam voor het dal van Hinnom. Dit dal, dat ten zuiden van Jeruzalem ligt, gold ooit als de vuilverbranding van de stad. In het toekomende Messiaanse Rijk zullen in dit dal de lijken liggen van geëxecuteerde rebellen van de Koning (zie Jesaja 66:24, Marcus 9:48 en Matteüs 5:22). In dit dal zal vuur branden dat niet wordt gedoofd, evenmin als de verterende worm (made) zal ophouden. Voor de passerende pelgrims zal dit (met opzet) een lugubere aanblik zijn. Toch zal uiteindelijk dit lijkendal JAHWEH eens heilig zijn, profeteert Jeremia (31:40)! Er zal niet meer vernield of verwoest worden. De gebruikelijke gedachte van ‘de hel’ als onderaards oord van pijniging voor onsterfelijke zielen is volstrekt onschriftuurlijk. Gehenna is geen onderaards oord, maar een plaatsnaam op aarde. En er worden geen zielen gepijnigd, maar lijken verbrand. Een totaal andere voorstelling dus. Bron: Piet, A. (z.d.). Wat is de hel? GoedBericht, https://goedbericht.nl/qa/27-wat-is-de-hel/ 45
Page 48
In dit machtige woord wordt onthuld, dat wij compleet gemaakt worden tot het volledige complement van God, Efeziërs 3:19. Dat wij echt de onschatbare waarde van dit kostbare woord duidelijk mogen beseffen! Want het voorziet in alles, en is volledig toereikend, zoals God Zelf!

De completering van het al door Christus


Page 0
Page 10
Genade! In dit machtige woord wordt onthuld, dat wij compleet gemaakt worden tot het volledige complement van God Efe.3:19. Het bevat alles wat God ons geschonken heeft in Christus, in Wie het complement van de Godheid lichamelijk woont.Kol.2:9 O, dat wij echt de onschatbare waarde van dit kostbare woord duidelijk mogen beseffen! Want het voorziet in alles en is volledig toereikend, zoals God Zelf! Genade is de uit het hart van God stromende liefde, die door heilige geest in onze harten uitgegoten is.Rom.5:5 Nu kunnen we de blik van onze onvolkomenheid afwenden. Wij verheugen ons in het volkomene van God, zoals aan ons onthuld in Christus. Deze heerlijkheid heeft God voor ons vastgelegd in Zijn woord, vooral in de brieven van de apostel Paulus.1Cor.2:12,13 Als wij het woord van de waarheid van het evangelie lezen en eruit leren wat God ons in genade geschonken heeft, dan zal het ons hart binnendringen.Kol.1:6,7 En wij lezen dit kostbare: en jullie zijn compleet gemaakt in Hem, Die het Hoofd is van iedere soevereiniteit en gevolmachtigde Kol.2:9 Wij zijn compleet in Christus, in Wie het complement van God lichamelijk woont. Nu mogen wij onze ogen van onze eigen incompleetheid afwenden en de blik richten op het volbrachte 10 werk, dat God in Christus voor ons tot stand bracht. Daarin zien we de voltooiing in de hoogste zin. Wij zijn nu in Christus Jezus Rom.8:1 en in Hem, in de geest, geplaatst in de tegenwoordigheid van God.Efe.2:6 God ziet ons in Christus Jezus. De gelovigen in het huidige beheer van de genade Efe.3:2,9 zijn de eersten van de schepping die geestelijk tot voltooiing komen. God zelf heeft ons daar gebracht. Wij gaan zien wat wij in onszelf waren en nu in Christus Jezus zijn. Wij waren: Zondaren Vijanden Slaven van zonde Onder wet Veroordeeld Wij zijn nu: Gerechtvaardigden Wederzijds verzoend Slaven van God Onder genade Geen veroordeling Kinderen van verontwaardiging Gods geliefden Onder dood en zonde Eertijds veraf Bijwoners, vreemdelingen In vlees Duisternis Levendgemaakt in Christus Dichtbij in Zijn bloed Leden van Gods familie In geest Licht in de Heer Christus’ dood en Zijn opstanding en verhoging aan de rechterhand van God zijn opmaat tot het grote doel: de 11
Page 12
completering van het al. En tot realisering ervan tijdens de eonen. Dit alles zou niet met het woord volheid3 uitgedrukt kunnen worden. Volheid is de toestand van vol-zijn, van voltooid zijn, maar niet van wat aanvulling is en compleet maakt, ofwel: tot de volle maat brengt. ___________________________________ 3 Volheid is in Grieks plèroma, waarbij complement het Nederlandse woord is. Complement = dat wat compleet maakt, het ontbrekende stuk(je) dat (als laatste) ingevoegd wordt zodat het geheel compleet is, af is. 12 Completering van het al Dat wat zich nu in de leden van het Lichaam van Christus in de geest voltrekt, zal ook het al, wat in de hemelen en op aarde is, beïnvloeden. Efe.1:10 Voor ons wordt dat lichamelijk voltooid in de aanwezigheid van de Heer, als Filippenzen vervuld wordt.Fil.3:2021 Ook hier zien we overal onvolkomenheid die evenwel door volkomenheid vervangen zal worden. Dit is onderdeel van het plan van God, dat Hij in Christus Jezus, onze Heer, uitvoert. Dit plan van God wordt in de Schrift op wonderlijke wijze aan ons onthuld. In Genesis 1:1 begint het, aan ons wordt het plan van de eonen -door Gods geest- onthuld, tot aan het einddoel zoals omschreven in 1 Corinthiërs. 15:28. Wanneer heilige geest de ogen van ons hart verlicht Efe.1:18, kunnen we in de Schrift de voetsporen van de levende God volgen. Om zo met de gelukkig makende kennis van God vervuld worden. Wat een genade en liefde van onze God en Vader, dat Hij ons aan Zijn gedachten en wegen laat deelnemen, die zoveel hoger zijn dan de onze.Jes.55:8,9 Iets groters dan de wijsheid, die Gods woord ons overbrengt, is er voor ons niet. Hier leert de geestelijke mens de dingen die van de geest zijn, te overdenken.Rom.8:5b In liefde heeft God ons tevoren bestemd tot plaats van zoon door Christus Jezus, voor Zichzelf. Efe.1:5 Deze grote God is onze Vader. Rom. 8:15-17 Net als de Zoon zouden wij ernaar streven te zijn in wat van onze Vader is - en wel in het bijzonder, omdat God Zijn zonen door Christus 13
Page 14
Jezus geroepen heeft om aan de realisering van Zijn plan in Hem, ons Hoofd, deel te nemen. Efe.1:22,23 Het hele universum is nauw verbonden met God en Zijn Christus. Wat een heerlijkheid bevatten deze woorden: Want uit Hem en door Hem en tot Hem is het al! Rom.11:36 En aan de Corinthiërs betuigt de apostel: …. Niettemin is er voor ons één God, de Vader, uit Wie het al is, en wij tot Hem 1Kor.8:6 Wat een eer brengen de vierentwintig oudsten voor de troon Hem als zij hun kransen neerwerpen en zeggen: Waardig bent U Heer, onze Heer en God, om de heerlijkheid en de eer en de kracht te ontvangen, omdat Ú het al geschapen heeft, en door Uw wil waren en zijn zij geschapen Op.4:11 Dat wij toch diep in ons hart mogen beseffen, dat alles bestaat voor God, omwille van Hem. En waarom om Gods wil? Het antwoord is eenvoudig: het al moet een vat worden van de liefde van God, Die liefde is.1Joh.4:8 Wij zijn als leden van het lichaam 14 van Christus uit de tegenwoordige boze eon getrokken, naar de wil van onze God en Vader.Gal.1:4 Naar het welbehagen van Zijn wil bestemde God ons tevoren tot plaats van zoon door Christus Jezus Efe.1:5, opdat wij vaten van Zijn liefde worden.Rom.5:5;9:23-24 Het is Zijn wonderlijke liefdeswil, die boven ons leven staat en het bepaalt. Maar dit liefdesplan geldt net zo voor heel het grote universum. Liefde en wijsheid van God staan boven alles, hoe Zijn raad er ook uitziet. Het al is in het hart van God verankerd, lezen we in Romeinen 11:36. Als zonen van God zou ons hart veel meer vertrouwd zijn met deze grote en heerlijke gedachten van God. Wij blijven zo vaak hangen aan wat onze ogen zien en we laten ons zo makkelijk ontmoedigen. De moedeloosheid verdwijnt echter in die mate, waarin wij leren alles in het licht van God te zien. God bewerkt alles in overeenstemming met de raad van Zijn wil.Efe.1:11 Zij zijn allen Zijn dienaren Ps.119:91, Zijn Koninkrijk heerst over alles Ps.103:19, en: Uw koninkrijk is een koninkrijk van alle eeuwen (eonen).Ps.145:13 Wanneer we in de geest op de hoge uitkijkpost van het woord van God gaan staan, dan opent zich voor ons het juiste (uit)zicht over alles. Dan zien wij alles vanuit de hoogte van de troon van God, die altijd Zijn doel voor ogen heeft met alles wat gebeurt. De kennis van Gods woord staat hoog boven alle menselijke plannen en gedachten. Zo zal ons hart vervuld zijn van vreugde en vrede, in alle stormen. 15
Page 16
De Zoon van Zijn liefde Wat een kostbare benaming voor de Geliefde van de Vader! Kolossenzen zegt ons, dat de gelovigen nu al in de geest in Zijn koninkrijk overgezet zijn.Kol.1:13 De Vader heeft de Zoon lief en heeft alles in Zijn hand gegeven.Joh.3:35 De uitvoering van Zijn plan van eonen vertrouwt de Vader toe aan Hem, in Wie het hele complement van de godheid lichamelijk woont. Kol.2:9 Wat een innige liefdesband verbindt Vader en Zoon! Nu kunnen wij slechts een flauw vermoeden van hebben, hoe volkomen deze liefde moet zijn. Wij zouden daar in de geest veel over nadenken, omdat wij aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig zullen worden.Rom.8:29 Daarvoor is het nodig, dat wij met onbedekt gezicht de heerlijkheid van Zijn liefde aanschouwen, zodat wij die weerspiegelen en gevormd worden naar hetzelfde beeld.2Kor.3:18 De heerlijkheid van Zijn liefde is de volmaakte afstraling van de liefde van God, want Hij is het beeld van de onzichtbare God. Kol.1:15 Het plan van eonen voert God door Zijn Zoon uit; het is het liefdesplan van de Vader. Dit is vergelijkbaar met de taak van een architect die een plan heeft uitgewerkt, dat hij ter uitvoering aan de bouwmeester overhandigt. De bouwmeester moet met dit plan vertrouwd zijn, zodat hij het in praktijk kan brengen. Zo is het ook met de Zoon; Hij is de bouwmeester. Maar de Zoon wist ook wat de uitvoering van het plan van Zijn Vader voor Hem aan lijden en diepste smaad met zich mee zou brengen. 16 Het kruis wierp in dit plan al de schaduw vooruit. De Zoon kende deze weg Luc.24:26, en stemde in met de bedoeling van de Vader.1Pet.1:19,20; Hebr.5:8 Door de gehoorzaamheid van de Zoon en Zijn bereidheid, beschikbaarstelling als gekozen offer, werd de uitvoering van dit plan van de Vader veiliggesteld. Wij mogen dit in geloof bevatten en zouden dit fundament nooit uit het oog verliezen. Wij mogen de hoogste verwachting en vaste zekerheid hebben wat de uitvoering van dit plan betreft. Alles is in de trouwe, beste handen: die van de Zoon van Zijn liefde. 17
Page 18
De schepping van het al Het al is in de Zoon geschapen. Over Hem staat dit: In de beginnen hebt Ú Heer, de aarde gefundeerd, en de hemelen zijn werken van Uw handen Hebr.1:10 In Johannes staat van het Woord dat in begin was: Alles is erdoor geworden en los ervan is zelfs niet één ding geworden, dat geworden is Joh.1:3 Paulus schrijft aan de Kolossenzen: Want in Hem is het al geschapen, wat in de hemelen en wat op de aarde is, het zichtbare en het onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij soevereiniteiten, hetzij gevolmachtigden; het al is door Hem en tot Hem geschapen Kol.1:16 Johannes schrijft, dat Hij de Amen, de trouwe en waarachtige Getuige en Oorsprong van Gods schepping is. Op.3:14 Zo vond de schepping plaats, waarover wij in Genesis 1 lezen, in de Zoon 18 van Zijn liefde. Liefde is het motief van God van waaruit Hij haar in aanzijn riep, opdat zij instrument van Zijn liefde is. In Hem is het al geschapen, voordat het door Hem tot stand kwam. Daarin nam de Zoon het plan van de Vader in Zich op vanaf het begin tot de voleinding. God voltooit altijd wat Hij onderneemt. Dit weten mag ook voor ons als Zijn zonen, tot troost zijn Fil. 1:6. Laten we nooit een vraagteken zetten achter Zijn beloften, maar onvoorwaardelijk Zijn uitspraken geloven, ook al lijkt alles daar tegenin te gaan. Wat voor onze ogen vaak tegenstrijdig lijkt, loopt voor God in de grootste orde, volgens zijn doel en plan. Hij is de vaste pool, waar alles omheen draait. Alles is uit God! Daaraan willen we vasthouden. Voor alles neemt God de verantwoording op Zich. Hij laat door de profeten zeggen: Ik ben Jahweh, en er is geen ander, Die het licht formeer en de duisternis schep, Die het goede maakt en het kwaad schept; Ik, Jahweh, doe dit alles. Jes. 45:7 En Ik zelf schiep de verderver om te vernielen. Jes.54:16 Hij, die alles bewerkt in overeenstemming met de raad van Zijn wil. Efe.1:11b 19
Page 20
Toen Hij de slang schiep, leed Zijn hand weeën. Job. 26:13 Hiermee begon het lijden van de Schepper, dat later voortgezet werd, zoals samengevat in de uitdrukking: het kostbare bloed van Christus. Hij was het onberispelijke en vlekkeloze Lam, dat tevoren gekend was vóór (letterlijk) de nederwerping4 van de wereld. 1Petr.1:19,20 Zonde en offer zijn in het plan van God opgenomen - een offer, waardoor de zonde wordt weggedaan bij de afsluiting van de eonen.Hebr.9:26 Wat een prachtig vooruitzicht geeft de geest van God door deze woorden. Wat een goddelijk perspectief! Wat een geweldige diepten van God worden ons in Zijn woord onthuld! 1Kor.2:10 ___________________________________ 4 Nederwerping is letterlijk het Griekse katabolè. In de reguliere vertalingen wordt dat met grondlegging vertaald. Dit is incorrect, het Griekse woord themelios is grondlegging of fundatie. Het begrip katabolè verwijst naar een catastrofe die het einde van de eerste eon (van Genesis 1:1 tot 1:2) markeert. In Genesis 1:2 lees je het gevolg van de nederwerping van de wereld, het oordeel van God over de rebellie van de satan en zijn medestanders. 20 Eerste begin van de aarde Deze eerste beginnen worden ons onovertroffen beknopt in de boekrol Job gepresenteerd. Jahweh zegt tegen Job: Waar waart gij, toen Ik de aarde grondvestte? Vertel het, indien gij inzicht hebt! Wie heeft haar afmetingen bepaald? Gij weet het immers! Of wie heeft over haar het meetsnoer gespannen? Waarop zijn haar pijlers neergelaten, of wie heeft haar hoeksteen gelegd, terwijl de morgensterren samen juichten, al de zonen van God jubelden? Job 38:4-7 Onder deze zonen van God verstaan we die heerschappijen, tronen, machten en overheden, zoals Paulus ze noemt. Kol.1:16; Efe.3:10 Ook de boodschappers waren daar - die aan hen ondergeschikt zijn. Op.12:7 De morgensterren zijn mogelijk hemelse lichtdragers, die met bijzonder stralende heerlijkheid uitgerust zijn. Zij moeten allen gerekend worden onder de zonen van God, want naar de Vader van onze Heer Jezus Christus worden alle geslachten in de hemelen en op aarde genoemd. Efe.3:15 Christus is Eerstgeborene van heel de schepping. gevolg toegang. Kol 1:15 Tot die machten hebben ook Satan en zijn Job 1:6,7;2:1; Efe.6:12 De in Job 38:7 genoemde hemelsen waren eerder geschapen dan de huidige aarde, zij 21
Page 22
waren aanwezig bij de grondvesting. Als zij toen, bij die schepping, uitbarstten in jubelen en juichen, hoe wonderlijk mooi moet die eerste aarde dan geweest zijn. Had deze soms een centrale betekenis in die toenmalige schepping? Zij is toch ook nu, terwijl zij zucht en weeën lijdt en tot nu toe in slavernij van het verderf is Rom.8:20-23, het centrum van Gods openbaring, die vanuit de aarde weer de hemelen ingebracht wordt? Efe.3:10 Hoe oneindig veel omvat deze korte schets in de heilige Schrift! Wij moeten oppassen dit met ons verstand nóg uitgebreider te willen beschrijven. We zouden niet uitgaan boven wat geschreven staat.1Kor.4:6 Wat geschreven ís, dat willen we zonder voorbehoud geloven. Wat een grote wijsheid wordt ons in deze geweldige woorden onthuld! Heel de Schrift is Godgeademd, ze is door mensen opgeschreven, die door de heilige geest daartoe in staat gesteld waren.2Petr.1:21 Zij gebruikten woorden die door de geest onderwezen worden 1Kor.2:13, en geest en leven zijn.Joh.6:63 Laten wij deze woorden boven alles liefhebben, want zij zijn Gods onthullingen aan ons! 22 Satan zondigt vanaf het begin Die eerste aarde was bewoond.Jes.45:18 Omdat er echter nog geen mensen geschapen waren, was deze aarde waarschijnlijk het volmachtsgebied van genoemde hemelse machten, net zoals later de mens tot regering over haar bestemd werd. Gen.1:26-28 Hoewel die eerste aarde op zich prachtig, volmaakt geschapen was, was zij nog niet compleet wat betreft Gods doel, bedoeling. Ze zou niet blijven zoals ze was. Toen heeft God, in Zijn wijsheid, een weg voor Zijn schepping gekozen, die haar zou leiden tot kennis van Zijn liefde en tot volkomen heerlijkheid. Daartoe schiep Hij de tegenstander, van wie de Schrift zegt, dat hij zondigt vanaf het begin. Dat Satan van het begin af aan zondigt, lezen wij bij Johannes.Joh.8:44; 1Joh.3:8 Via de profeet Jesaja zegt Jahweh (de Heer): Ik ben ... Schepper van kwaad Jes.45:7. Satan is geen gevallen engel, zoals de traditie ons wijs wil maken. Jezus zegt uitdrukkelijk over hem: die … staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid Joh.8:44. Voor alles heeft God Zijn tijd bepaald.Pred.3:1 Satan is volkomen afhankelijk van God voor zijn handelen. Hij moet een 23
Page 24
belangrijke functie in de loop van de eonen vervullen. De Schrift zegt ons, dat hij werktuig van God is. 1Cor.5:5; 1Tim.1:20 Laat de geschiedenis van Job ons ook niet zien, dat Satan een rechtschapen en godvrezend man, die gedurende een door God beperkte tijd in zijn hand is gegeven, met zware beproevingen mag aantasten? Deze beproevingen dienden echter ook tot onderwijs van zijn vrienden. Het resultaat is, dat Job tot grotere en meer gezegende kennis van God geleid wordt. Job 42:1-5 Satan ontvangt een volmacht van God om in zijn schepping te werken en te opereren binnen het kader van Gods plannen. Gedurende het huidige tijdperk wordt hij zelfs ‘god’ genoemd: de god van deze eon, die de gedachten van de ongelovigen blind gemaakt heeft, zodat de lichtglans van het evangelie van de heerlijkheid van Christus … hen niet bestraalt 2Cor.4:4 En als de vorst van het volmachtsgebied van de lucht werkt hij in de zonen van de weerspannigheid Ef.2:2-3, waar de gelovigen vroeger ook bij hoorden, totdat zij de redding van God mochten ervaren. Gal.1:4; Kol.1:13; Efe.2:3,4 Deze voorbeelden laten ons zien, dat Satan in wezen slechts een werktuig in de hand van God is: 24 want zij allen zijn Zijn dienaren Ps.119:91 Zó leidde zijn werk in Gods schepping tot catastrofe Gen.1:2, de nederwerping van de wereld. Efe.1:4; 1Petr.1:20; 2Petr.3:5,6 De aarde werd chaos, leegte; en duisternis was op het aangezicht van de afgrond. Toen bevond de aarde zich in een verschrikkelijke toestand. 25
Page 26
Door de dood naar het leven Dit is een fundamentele uitspraak van de Schrift. Dat is de weg die God door de eonen heen met Zijn schepping gaat naar de completering van het al. Omdat de Schrift heel de uitvoering van het plan van God aan ons geestelijk oog laat voorbijtrekken, kunnen wij iets van deze geweldige weg erkennen. Zo mogen we nu al Zijn wijsheid roemen en Hem aanbidden. Door zonde, vijandschap, vloek en dood heen leidt Hij alles tot oneindige heerlijkheid. De zonde is de donkere achtergrond voor de stralende onthulling van Zijn liefde, de vloek dient tot onthulling van de zegen en de dood tot openbaring van het leven. Dit is de geweldige en gelukkig makende erkenning, die de geest van God door Zijn woord aan de gelovigen onthult. Alleen in deze zekerheid kunnen wij met Christus triomfantelijk door de donkerte gaan. Ons persoonlijk levenspad, dat door menig duister dal voert, kunnen we zegevierend met Christus, de Redder, in het licht van Gods einddoel wandelen.Rom.8:18; 2Cor.4:1618 Intens vertrouwd raken met Zijn woord is voor ons geestelijk leven het meest waardevol. Onze Heer zei tijdens Zijn dagen op aarde: Ik heb Hem waargenomen, en Zijn woord bewaar Ik Joh.8:55b 26 Het woord verbond Hem met de Vader. Ja, Hijzelf was het Woord, leefde dat op aarde in gehoorzaamheid uit Hebr.5:5-10. Zijn aardse loopbaan was een geloofsweg die gekenmerkt werd door innerlijke strijd en spanningen. Dus kunnen wij raden wat het betekent, als wij over het geloof van Jezus Christus lezen. Rom.3:22; Gal.2:16 In het bewustzijn, dat de Vader Hem alles in Zijn handen gegeven had, verrichtte Hij de laagste slavendienst Joh.13:3-5. Het uitzicht op het doel stelde Hem in staat in de diepste diepte en smaad af te dalen Fil.2:5-8. De gezindheid van Christus Jezus zou ook de onze zijn. 27
Page 28
Leven door de geest Door de geest van God werkt een levendmakende kracht in de schepping, die nu nog in de diepten van de dood ligt. Op de zesde dag werd de mens in de herstelde schepping in Zijn Beeld geschapen. Gen.1:2-31; 2Petr.3:7 Bij de nederwerping Gen.1:2; Joh.17:5 eindigde de eerste eon, die de eerste schepping omvat. Daarna begon de tweede eon, die met de zondvloed eindigde. Gen.6-8 De hof van Eden, die door God voor de mens bereid was, moest het centrum van zegen en heerschappij op de herstelde aarde zijn. Adam werd tot een levende ziel. Gen.2:7; 1Cor.15:45,47 Uit zijn vlees en gebeente werd de vrouw genomen en tot helper en complement aan zijn zijde geplaatst Gen.2:18, en zij werden tot één vlees Gen.2:24; Efe.5:31. Satan, in de gestalte van de slang, kreeg ook toegang tot de hof van Eden, omdat openbaar moest worden, wat in de mens is. De zielse5 mens bewees zijn onvermogen om de verleiding van de slang te weerstaan en het Goddelijk gebod te houden. Begeerte van de ogen, begeerte van het vlees en hoogmoed waren sterker 1Joh.2:16. En Eva werd door de slang volledig misleid, raakte in overtreding en trok Adam hierin mee. Gen.3:6; 1Tim.2:13,14 Zo vonden zonde, vloek en dood hun ingang. Rom.5:12; 1Cor.15:21 Cherubs legerden ten oosten van de hof van Eden en versperden de weg tot de boom van het leven. Gen.3:24 ___________________________________ 5 Grieks: psuchikon. St. Vert. en NBG: natuurlijke mens. 28 Belofte van de Verlosser God liet de mensheid echter niet zonder belofte op deze aarde gaan. Er straalde nieuw licht van God, dat het donkere pad voor de mens verlichtte. Het zaad van de vrouw zou de kop van de slang vermorzelen. Gen.3:15 Deze belofte gold heel het menselijke geslacht, want: God wil dat alle mensen gered worden en tot erkenning van de waarheid komen. want God is één, en Één is ook Middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, die Zichzelf gegeven heeft tot vervangend losgeld voor allen. 1Tim.2:4-6 Deze belofte van God is zonder voorwaarden, met de genade van God in harmonie. Hoe troostend is dit voor allen, die samen met de schepping zuchten en uitzien naar de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God. Rom.8:19-23 Deze belofte van Genesis 3:15 was de eerste mijlpaal op de weg naar completering van het al. Een geweldig schouwspel begon. De aarde werd het toneel van het werk van de satan tegen God. De mensheid is het doel van dit werk. Tegelijkertijd ontsloot deze weg echter ook de mogelijkheid tot openbaring van Gods liefde, die door uitgekozen mensen, weer in de op-hemelen zal worden gebracht. Efe.2:6-7;3:10 Zo wordt de veelvuldige wijsheid 29
Page 30
van God openbaar, die zonder de intrede van de zonde nooit op deze alles omvattende manier had kunnen worden bekendgemaakt. 30 Van Eden naar de (zond)vloed Spoedig na de aankondiging zette deze voorzegde vijandschap in.Gen.3:15 Bij de eerste zonen van Adam bleek het grote verschil tussen geest en vlees duidelijk. Deze verdeelt de mensheid in twee groepen zo lang de huidige aarde bestaat. Dat is in onze dagen ook zo. Allen die godvruchtig willen leven in Christus Jezus, zullen vervolgd worden. 2Tim.3:12 De weg van het lijden wordt tot zegen, waardoor Gods uitgekozenen door Hem voorbereid worden om de toekomstige dragers van zegen te zijn. De religieuze en de geestelijke wereld scheidden bij het offer. Bij Kaïns offer komt het werken uit eigen kracht tevoorschijn. Vruchten van de vervloekte aardbodem, het resultaat van meewerken van menselijke kracht. Gen.4:3a Het is een offer waar het vlees tot op vandaag trots op is, dat overal benadrukt wordt. Daarentegen was Abels offer uit de eerstelingen van zijn kleinvee en van hun vet. Gen.4:4a Hier werd een levende ziel geofferd, waar menselijk werken geen deel in had. Een ziel, het bloed, Lev.17:11,14; Deut.12:23 werd uitgegoten; dat was de verwijzing naar het Lam van God, dat Zijn ziel als schuldoffer overgaf en uitstortte. Jes.53:10-12 Kaïn en Abel waren allebei zondaren. God sloeg echter acht op Abel en zijn offer Gen. 4:4b, dat hij uit geloof aanbood. En daardoor werd van hem getuigd dat hij rechtvaardig was, doordat God getuigenis gaf van Zijn welbehagen in zijn gaven. Hebr.11:4 Hier 31
Page 32
vond Abel bescherming als voorbode van het grote offer van Christus, waarin ook voor Kaïn werd voorzien. Gen.4:7 Mogen wij in dit verband de aan ons gegeven genade zien, en die op de juiste manier waarderen! Rom. 3:24-25 Hoe kon Abel de betekenis van dit offer weten? Het was hem blijkbaar bekend door zijn ouders. Zij waren zich bewust geworden van hun naaktheid; de gevolgen van hun ongehoorzaamheid stond hen voor ogen. En zo maakten ze zelf schorten van vijgenbladeren – een idee om gerechtigheid voor God te krijgen. Gen. 3:7 En dan: En Jahweh Elohim (de Heer God) maakte voor Adam en zijn vrouw kleding van huiden en bekleedde hen daarmee Gen.3:21. Om huiden te bewerken moest een onschuldig dier het leven laten, zijn ziel ‘uitblazen’ om de mens bedekking te geven. Wonderlijke voorafschaduwing van Christus, waarvan Abel toen al in geloof de inhoud begreep: Hem, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde/zondoffer gemaakt, opdat wij worden gerechtigheid van God, in Hem 2Cor.5:21 32 In de lijnen van Kaïn en Seth nam de mensheid toe. In de lijn van Seth kwamen Henoch en Noach, van hen wordt gezegd: Henoch wandelde met God (Elohim) Gen.5:22 Noach vond genade in de ogen van de Heer God (Jahweh Elohim), en hij was een rechtvaardig man Gen.6:8,9 Die wandelde ook met God (Elohim) in geloof. In hen leefde de belofte Gen.3:15 voort. In het verslag over de lijn van Kain zien we de grondslagen van de cultuur en economie van de mens, zoals die zich tot in onze dagen voordoen Gen.4:17-21. Rusteloos, steeds meer ontworteld wordt het bestaan van de mensheid in vervreemding van God.Rom.1:18-32; Efe.4:18 Zo eindigt de tweede eon: geweld, verderf, het gericht van de zondvloed. Gen.6:8; 2Petr. 2:5 33
Page 36
Geestelijk zaad Midden in de nacht en duisternis van deze eon laat God door uitgekozen zaad nieuw licht schijnen. Hij koos Abram uit Ur van de Chaldeeën, zijn vaders dienden andere goden Joz.24:2. Hij gaf hem een belofte, die meer licht wierp op de uitspraak aan Adam en Eva Gen. 3:15. Deze eindigt met ver reikende woorden: In jou en in jouw zaad zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden Gen.12:1-3. Dit zaad nu, is de Christus Gal. 3:16. Dat is de belofte die naar het heerlijke einddoel wijst: de completering van het al. Hoewel hier over de aarde gesproken wordt, zijn in Christus óók de hemelen begrepen Kol.1:19-20; Efe.1:10. Wat de aarde betreft kon Abram het niet anders verstaan dan wat Paulus aan Timotheüs schrijft: God, onze Redder, wil, dat alle mensen gered worden en tot erkenning van de waarheid komen. Want Eén is God, Één is ook Middelaar van God en mensen, de Mens Christus Jezus, Die Zichzelf gegeven heeft, een vervangend losgeld voor allen – het getuigenis in de 36 juiste era’s … omdat wij vertrouwen op de levende God, Die Redder is van alle mensen, allermeest van gelovigen 1Tim.2:4-6; 4:10. Abram als voorbeeld voor ons: In het geloof gehoorzaamde Abraham, toen hij geroepen werd…. Hebr. 11:8 Door alle beproevingen heen werd hij tot lof van God. Rom.4:16-22 De volgende dragers van de belofte werden Izaäk en Jakob. Het realiseren van de belofte lichtte in Israël op en bleef door de mond van profeten levend. In de tijd van vervulling kwam het beloofde Zaad.Gen.3:15; Gal.4:4 37
Page 38
God zond Zijn Zoon Deze Zoon werd uit een vrouw geboren en onder de wet gesteld Gal.4:5, net zoals ook de eerste Adam onder het gebod stond Gen.2:16,17 Heel de mensheid had (z)onder wet gefaald.Rom.2:1–3:20. Christus vervulde heel de door de wet geëiste gerechtigheid. Matt.3:15; Rom.8:3-4 Hij is nu de voleinding van de wet tot gerechtigheid voor eenieder, die gelooft.Rom.10:4 Dit werd mogelijk door Zijn offer.Rom.3:21-26 Daardoor zijn allen, die onder de wet waren, vrijgekocht, in de eerste plaats de gelovigen. Rom.3:22 Zij zijn uit God in Christus Jezus, Die voor hen tot wijsheid van God geworden is, en rechtvaardigheid, heiliging en vrijkoping.1Cor.1:30-31 Zijn offer is voor allen volkomen, voldoende, voor altijd. Hij, in Wie het complement van God lichamelijk woont, heeft een compleet werk voor hen volbracht. 38 Jullie zijn compleet gemaakt in Hem Dit zegt de Schrift helder, ondubbelzinnig Kol.2:10. Wat de apostel Paulus aan de gelovigen te Kolosse Kol.2:9-15 schrijft, is voor hen in Christus en in de geest een voldongen feit. Door verzegeling met de heilige geest zijn zij niet meer in vlees, maar in geest.Rom.8:9 De leden van het lichaam van Christus zijn de eersten, die tot completering gekomen zijn, vooralsnog alleen in de geest. Lichamelijk komt de voltooiing in de vervulling van de belofte van de wegrukking naar de Heer Fil.3:20-21; 1Tes.4:14-17. Dit werk moest aan hen volbracht worden, omdat zij geroepen werden door God, Die Christus boven alles verhoogd heeft. 39
Page 40
Complement van Hem Die alles in allen compleet maakt Deze compleet making is Gods werk Efe.1:20-23;2:10, dat Hij tijdens dit beheer van de genade Gods en van het geheimenis Efe.3:2,6,9 uitvoert en ook voltooit tot in de dag van Jezus Christus.Fil.1:6 De gelovigen zijn voor het verhoogde, verheerlijkte Hoofd door God geroepen werktuigen, die samen met Christus de completering van het al tot voltooiing gaan brengen. Laten wij deze heerlijke, door ons nauwelijks in al hun diepte te vatten beloften overdenken, laten we stil worden en met dank en lofprijzing onze knieën voor Hem buigen! Hij heeft de minsten van deze aarde 1Cor.1:26-29 tot grote heerlijkheid geroepen. Wat een grote betekenis zal het voor het (heel)al hebben, wanneer dit compleet gemaakte lichaam door wegrukking van deze aarde, verheerlijkt en met het Hoofd verenigd, openbaar gemaakt wordt.Kol.3:4 Groot gejuich zal dan tot lof van Zijn heerlijkheid, wijsheid en almacht overal klinken! 40 De completering van Israël Dan volgt na de gerichten van Openbaring, de wederaanneming van Israël.Rom.11:12,16 De periode van verharding is dan voorbij Rom.11:25 en alle voorzeggingen van de profeten zullen vervuld worden. In Openbaring 7 zien we het uit alle natiën verzamelde Israël, zoals dat door Jesaja Jes.11:11-12, Jeremia Jer.16:14-16, Ezechiël Ez.39:21-29 en in andere Schriftplaatsen geprofeteerd is. Jezus zei tegen Zijn discipelen, dat Israëls herstel met Zijn wederkomst samen zal vallen. Matt.10:23 Zo komt de tegenwoordige derde eon tot afsluiting. Matt.24:3-31 41
Page 44
De vijfde eon De Schrift noemt deze eon ook de eon van de eonen Ef. 3:21; deze vijfde en de vierde eon zijn samen de eonen van de eonen: de periode van de regering van Christus Op.11:15. Deze vijfde eon overtreft alle vorige eonen in zegen en daarom is dit de eon van de eonen. De uitdrukking is heel treffend; want als wij over de heilige Schrift spreken, spreken wij van het Boek der boeken omdat zij alle andere ver overtreft. Deze vijfde, laatste eon is ook de dag van God van de nieuwe schepping begint, zie Petrus. 2Petr.3:12-13 De Schrift spreekt van drie verschillende ‘dagen’. In de dag van de mens 1Cor.4:3 legt God de regering in handen van de mens. Deze eindigt bij het begin van de dag van de Heer, die weer bij het vergaan van de oude schepping wordt afgesloten en de dag van God inleidt. De heerlijkheid van die dag wordt ons in Openbaring 21:1-22:5 geschilderd. Gods tent zal bij de mensen zijn, en Hij zal onder hen wonen, en zij zullen Zijn volkeren zijn.Op.21:3-5 We kunnen ons nauwelijks voorstellen over welke zegen de mensen zich dan zullen verheugen. Er staat: Zie, Ik maak alles nieuw! Op.21:5 Wat een woorden, zo veelbelovend! De regering van de laatste eon zal zich kenmerken door de troon van God en van het Lammetje. Op de aarde regeren diegenen mee, die Zijn naam op hun voorhoofd dragen Op.22:3-5, dat zijn de in Openbaring eerder vermelde 144.000 verzegelden uit de twaalf stammen van 44 Israël. Zo brengt Hij op de aarde, samen met hen, alles tot voltooiing. Christus doet dat in de ophemelen samen met Zijn uitgeroepenen Efe.1:22-23; 2:6-7. Dat de bladeren van de bomen van het leven tot genezing van de volkeren dienen, laat ons zien, dat de volmaaktheid nog niet gekomen is. Nog is de zonde niet compleet uit de weg geruimd. Maar de genoemde gezegende regering leidt ertoe, dat, bij de voleinding van de eonen, de zonde op grond van het offer van Christus buiten werking gesteld zal worden. Hebr. 9:26 Het doel is bereikt. De tijd van de weerspannigheid Rom.11:32 is voorbij en het werk van Christus is bijna voltooid. Wij hebben nu kort gekeken naar het verloop van de eonen. Daarin brengt de Zoon heel het raadsbesluit van de Vader tot heerlijke voleinding, waarin alles in de hemelen en op de aarde aan de Vader onderschikkend zal zijn. Hij geeft als laatste het koninkrijk over aan God, de Vader. Alle regering wordt opgeheven, alle vijandschap is weggedaan. Heel de schepping zal aan leven en onverderfelijkheid deel hebben, die Christus door Zijn daad op Golgotha aan het licht gebracht heeft.2Tim.1:10 Met die wonderlijke heerlijkheid wordt het werk van de Zoon afgesloten. De Zoon zal Zichzelf onderschikken aan Hem, Die Hem alles onderschikte.1Cor.15:20-28 45
Page 46
Opdat God zij alles in allen We kunnen ons nu nog niet voorstellen, wat dit voor een alles vervullend geluk in de hele schepping teweeg zal brengen. Veel mensen hadden deel aan de heerlijkheid van de twee laatste eonen, de eonen van de eonen onder de gezegende regering van Christus.Op.11:15 Gedurende deze eonen hadden zij het eonisch leven. Dat werd gekenmerkt door dienen en regeren. Met de afsluiting van de eonen komt ook een eind aan het eonisch leven. Dat vindt voortzetting in onvergankelijke heerlijkheid en geluk in God Zelf. Hier zou dan het woord eeuwigheid gebruikt mogen worden, zoals velen van ons dat vroeger opgevat hebben, toen we van de eonen en hun beperkte tijd nog niets wisten. Zouden er dan nog openbaringen van heerlijkheid zijn, die wij nog niet kunnen verdragen of begrijpen? Vooralsnog mogen we ons echter met Gods werken tijdens de eonen bezighouden, omdat de einden van de eonen (hun bedoeling en einddoel) in het compleet gemaakte Woord van God tot ons gekomen zijn. God ons laat deelnemen aan Zijn liefdesplan, dat Hij Zich in Christus Jezus, onze Heer, voorgenomen heeft. 1Cor.10:11; Kol.1:25 Wát een genade, dat Efe.3:11 En dat vanaf het moment dat wordt gezegd: vóór de eonen 1Cor.2:7 tot aan de voltooiing daarvan. Waarom doet Hij dat? Omdat Hij ons, Zijn uitgekozen gelovigen, voor onze heerlijke toekomst wil onderrichten, opvoeden en toebereiden. Zouden wij dan niet met alle liefde en overgave Zijn woord, dat Hij ons geschonken 46 heeft, onderzoeken? Moge Hij ons daartoe in toenemende mate geestelijke wijsheid en geestelijke onthulling schenken in erkenning van Hem Efe.1:17, opdat ook de diepten van God aan ons onthuld worden! Wij zouden in onze jachtige tijd, tijd en rust voor Zijn Woord vinden. Onze aardse plichten mogen wij als gelovigen niet verwaarlozen, maar laten we hierin niet de door God gegeven grenzen passeren. Onze hemelse roeping zou niet op de tweede plaats staan. De mensheid probeert de aardse levensstandaard te verhogen. Wij echter zouden erop bedacht zijn onze geestelijke standaard steeds meer aan de Zijne aan te passen. Daarom willen we het woord van Christus rijk in ons laten wonen. Kol.3:16 47
Page 50
Christus is de Schepper van het al6 [zie pag.51] Wat een verheven woorden zijn dit: het al is door Hem en tot Hem geschapen Kol. 1:16 Hij grondvestte de aarde, en de hemelen zijn het werk van Zijn handen Hebr.1:10. Wat een wonderlijk werk, als wij de woorden uit Job lezen: Waar was jij toen Ik de aarde grondvestte? Maak het bekend, als jij echt inzicht hebt. Wie heeft haar afmetingen bepaald? Jij weet het immers wel. Of wie heeft het meetlint over haar uitgespannen? Waarop zijn haar pijlers neergezonken? Of wie heeft haar hoeksteen gelegd, toen de morgensterren samen vrolijk zongen en al de zonen van God juichten? Job 38:4-7 Unieke heerlijkheid straalde van Hem, de Zoon, af in de vormgeving van de ontelbare werelden in het al. Hoe groot moet Zijn heerlijkheid geweest zijn, die Hij bij de Vader had, eer de wereld was.Joh.17:5 Zo is de schepping in Hem, haar Oorsprong, in buitengewoon grote heerlijkheid tot stand gebracht. Voordat zij in God teruggebracht wordt, zal zij eerst weer tot Christus komen Kol.1:16 en door Hem tot de Vader.1Cor.15:24 Om aan deze 50 heerlijke Zoon van God nauw verbonden te zijn, zijn de leden van Zijn lichaam geroepen als lotdeelbezitters van God en lotdeelbezitters tezamen met Christus.Rom.8:17 Wanneer wij ons in geloof bewust zijn van deze heerlijkheid, die op het punt staat in ons onthuld te worden, dan rekenen wij ermee, dat het lijden van de tegenwoordige tijd daar niet tegen opweegt. Rom.8:17b-18 In Hem horen wij bij deze nieuwe schepping en in Hem zijn wij een nieuwe schepping.2Cor.5:17 ___________________________________ 6 Waar de auteur (A.S.) op wijst, is de functie van Christus in Gods plan als Uitvoerder van wat God wil. God is de Schepper en Hij gaf het aan Christus om de schepping verder tot stand te brengen nadat alles in Hem geschapen was. Dat betekent het: door Hem in Kolossenzen 1:16. Hij is de oorsprong van de schepping van God (Openbaring 3:14). In Genesis 1:1 is God, Elohim (Hebreeuws, meervoud), aan het werk; dat geldt heel Genesis 1. De geest van EL (God) en Eloah (Christus) werkt en dat lees je terug in Elohim. En zo wordt duidelijk, dat zowel God (EL) als Christus (Eloah) werkzaam zijn in schepping van de hemelen en de aarde, en in het herstel ná de nederwerping (van Genesis 1:2). Dit principe geldt ook de andere activiteiten waarin Christus betrokken is, zoals in stand houden, verzoenen. 51
Page 52
Christus is de Instandhouder van het al Het al heeft zijn samenhang in Hem Kol.1:17. Op alle donkere wegen, door alle gerichten en catastrofen heen wordt de schepping door Hem, haar Schepper, in stand gehouden. Hij draagt ook alles door het woord van Zijn kracht.Hebr.1:3 Door alle eonen heen waakt Zijn trouw over de wereld, die onlosmakelijk met Hem verbonden is. Alles geeft de Vader Hem in handen Joh.3:35, en van dit alles zal Hij niets verloren laten gaan.Joh.6:39 En verhoogd van de aarde, zal Hij allen tot Zich trekken. Joh.12:32,33 Zoals Israël door alle nood en gerichten heen met eonische armen gedragen wordt Deut.33:27, zo draagt Christus met oneindige liefde en niet ophoudende ontferming het al door al het lijden heen. Dat mogen de Zijnen, die als Zijn leden nu al dicht bij Hem zijn, in rijke mate ondervinden. Hijzelf gaat mee door de donkere nacht van lijden. En wat zij zelf door Hem ervaren mochten, dat is: wederzijds verzoend te zijn met de Vader, geeft hen de vaste basis voor vreugdevol vertrouwen voor de vervulling van alle beloften. 52 Christus is de Verzoener van het al Want het hele complement heeft er welbehagen in om in Hem te wonen en door Hem het al wederzijds met Zichzelf te verzoenen, vrede makend door het bloed van Zijn kruis, door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is Kol.1:19-20 Dit door God aangenomen offer is van een nooit aflatende kracht. Het is volkomen, voldoende en alles omvattend; én werkzaam, tot ook het laatste lid van Zijn schepping daarin opgenomen is. Hoe onmetelijk groot is de liefde van God tegenover alle vijandschap en weerspannigheid. Zonder deze tegenstand had die liefde nooit geopenbaard kunnen worden. Het kruis is de openbaring van heel Gods liefde. Door deze erkenning krijgen wij echter ook begrip voor alle andere waardigheden van de Zoon. 53
Page 54
Christus is het Hoofd van het al Hij is het Hoofd van alle overheid en gevolmachtigde. Efe1:21; Kol.2:10 Zijn offer, dat voor eens en altijd geldig was, leidde Hem naar de rechterhand van God, en alles onderschikt God aan Hem, onder Zijn voeten. Efe.1:22 Zijn leden zijn als Zijn complement verbonden met Hem. Efe.1:23 Mogen wij ons toch goed bewust zijn van de heerlijkheid van deze genade! Wij zijn in de geest nu al gezet te midden van de hemelsen, in Hem.Efe.2:6 Voor ons zou dit steeds meer vaste geestelijke werkelijkheid zijn: Christus is ons Hoofd. Maar dat is nog niet alles. 54 Christus – het al zal in Hem culmineren Paulus vertelt ons, dat Christus het al naar het hoogste toppunt zal leiden, omhoog naar God, naar het hart van de Vader, want het al zal in Hem culmineren (letterlijk: opwaarts gehoofd worden). Daar waar de uitgeroepen gemeente, het lichaam van Christus, een vooraanstaande plaats mag innemen Efe.2:6 en in het bloed van Christus toegang tot de Vader heeft Efe.2:13,18, zal de hele schepping, die tot in Hem is Rom.11:36, tot heerlijkheid komen. Wat een schittering van licht straalt hier en doordringt alle huidige donkerheid. Maar alleen door de geest verlichte ogen van het hart zijn in staat dit te zien. En in dit licht zouden wij nu al alles zien, zodat we voor ontmoediging bewaard blijven. In het licht van God wordt alles licht. Uit de duisternis, waarin wij waren, scheen het licht voor ons. En Hij, Die dit licht in ons hart laat schijnen, bewerkt, dat het de lichtglans van de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus is. 2Cor.4:6 55
Page 56
Christus is de Voleinder van het al Wat dit betekent kan niet beter of korter gezegd worden dan in 1 Corinthiërs 15:24-28. Opvallend is dat dit geweldige feit aan gelovigen meegedeeld werd, die nog vleselijk en onmondig waren, niet geestelijk gezind. 1Cor.3:1-4 Moesten zij soms op basis van deze Goddelijke beoordeling een prikkel krijgen, zodat zij zich naar geestelijke erkenning uitstrekken om zo van het aardse afgeleid te worden? Wij zouden niet beschroomd moeten zijn om deze heerlijke Goddelijke overwinning aan alle gelovigen bekend te maken. Het is nogal verbazingwekkend, dat deze heerlijkheid van onze God en Vader en onze Heer Jezus Christus zo matig vreugdevol geaccepteerd wordt. Wie echter door Zijn genade deze belofte van voltooiing mag geloven, zou daar ook duidelijk van getuigen. Maar God alleen kan harten openen en geestelijke inzicht daarvoor schenken. In de voleinding wordt het voornemen van de eonen, dat God gemaakt heeft in Christus Jezus, onze Heer bekroond. God verhoogde Christus na Zijn in bereidwillige gehoorzaamheid volbrachte offer en Hij onderschikt alles onder Zijn voeten Efe.1:20-22. Zijn gezegende regering maakt nu ieder andere overbodig. Zijn vijanden zijn -nu verzoend- overwonnen. De laatste vijand, de dood, wordt tenietgedaan. Allen worden levend gemaakt, dat betekent, dat zij deelhebben aan leven in onverderfelijkheid 2Tim.1:10. Wanneer Christus zegt, dat alles ondergeschikt is, is het duidelijk, dat het uitgezonderd God is, 56 Die alles aan Hem (Christus) onderschikt heeft. Als echter alles aan Hem ondergeschikt is, dan zal ook de Zoon Zelf ondergeschikt zijn aan Hem, Die aan Hem alles onderschikt, en zal daarmee het uiteindelijke doel bereikt zijn. 57
Page 58
God alles in allen God alles in allen is compleetmaking en voltooiing in de hoogste dimensie en afmeting. Mogen deze kostbare woorden van God onze harten zo vullen, dat God steeds meer -ja nu al- alles in ons wordt. Moge Hij ons doen groeien in de erkenning van Hem, bekrachtigd met alle kracht overeenkomstig de macht van Zijn heerlijkheid, tot alle volharding en geduld met vreugde Kol.1:9-11. Laten wij dit met Paulus doen: Ten behoeve hiervan buig ik mijn knieën voor de Vader van onze Heer Jezus Christus, naar Wie iedere vaderlijke verwantschap in de hemelen en op de aarde genoemd wordt, opdat Hij ons geeft - in overeenstemming met de rijkdom van Zijn heerlijkheid - in kracht standvastig te worden door Zijn geest in de innerlijke mens, opdat Christus door het geloof volledig in onze harten woont en wij in liefde geworteld en gefundeerd, uitermate sterk mogen worden om met alle heiligen te beseffen, wat de breedte en lengte en diepte en hoogte is, (om ook de alle kennis overstijgende liefde van Christus te kennen), opdat wij compleet gemaakt worden tot het volledige 58 complement van God. Hem nu, Die oneindig veel meer kan doen – boven alles wat wij verzoeken of bevatten – in overeenstemming met de kracht die in ons werkzaam is, Hem zij de heerlijkheid in de uitgeroepen gemeente en in Christus Jezus, in alle generaties van de eon van de eonen. Amen Efe.3:14-21 Laten wij trouw zijn aan deze kostbare woorden van God. Alleen deze zijn, voor zover wij die recht snijden 2Tim.2:15, rein en zuiver Ps.12:6. Ze kunnen opbouwen tot ieder goed werk en woord. Moge onze hartenwens de verheerlijking van God zijn! 59
Page 62
Er zijn veel tegenstrijdige meningen over wat de Bijbel zegt over het huwelijk. Schrijven hierover kan nogal wat stof doen opwaaien, want het is een precair onderwerp. Zeker omdat het ook andere vragen oproept, zoals over scheiden en hertrouwen. ‘Mag dat?’ is dan vaak de vraag.

Het huwelijk


Page 0
Page 16
2 en als zij dan uit zijn huis vertrekt, weggaat en de vrouw van een andere man wordt, 3 en die laatste man ook een afkeer van haar krijgt, haar een echtscheidingsbrief schrijft, die in haar hand geeft en haar uit zijn huis wegstuurt, of als die laatste man, die haar voor zichzelf tot vrouw genomen heeft, sterft, 4 dan mag haar eerste man, die haar heeft weggestuurd, haar niet terugnemen om hem tot vrouw te zijn … [HSV] Oude verbond De voorgaande tekst werd aan Israël als wet gegeven, Paulus laat een ander geluid horen, maar daarover later meer. Wat we in Deuteronomium beschreven vinden, is een illustratie van iets groters. God is de man, die van Israël is gescheiden. Het oude (huwelijks)verbond is verbroken. Dit oude verbond was een voorwaardelijk verbond en daarom kon ook onder dit verbond een huwelijk onder voorwaarden ontbonden worden. Wanneer Israël, de vrouw, weer terugkomt tot haar man, dan kan en mag dat niet onder datzelfde oude verbond van de wet. Het zal dan tot haar God terugkeren onder een nieuw verbond (Jer.31:31). Ook Paulus spreekt van dit huwelijksverbond: Romeinen 7 1 Of, broeders, weet u niet – ik spreek immers tot mensen die de wet kennen – dat de wet over de mens heerst zolang hij leeft? 2 Want de gehuwde vrouw is door de wet gebonden aan de man zolang hij leeft. Als de man echter gestorven is, is zij ontslagen van 16 de wet die haar aan de man bond. 3 Daarom dan, als zij de vrouw van een andere man wordt terwijl haar man leeft, zal zij een overspelige genoemd worden. Als haar man echter gestorven is, is zij vrij van de wet, zodat zij geen overspelige is als zij de vrouw van een andere man wordt. 4 Zo, mijn broeders, bent u ook door het lichaam van Christus gedood met betrekking tot de wet, opdat u aan een Ander zou toebehoren, namelijk aan Hem, Die uit de doden opgewekt is, opdat wij vrucht zouden dragen voor God. [HSV] Nieuw verbond Ook in Romeinen 7 vinden we het beeld van het einde van het huwelijksverbond. Het wordt beëindigd door de dood van de man. God kwam in Zijn Zoon Jezus Christus tot de zijnen (Israël), maar zij accepteerden Hem niet (Joh.1:11). Zij doodden Hem en daarmee kwam er een einde aan de wet, het oude verbond (Ef.2:15-16). Daardoor werd Israël (de vrouw) ontbonden van de wet (het oude huwelijksverbond) met de man (God), zodat zij onder een nieuw (huwelijks)verbond kan worden van een Ander, namelijk van Hem, die uit de doden is opgewekt: Christus. Top-down Hoewel de geestelijke of profetische betekenis de hoogste is, mogen we de meer oppervlakkige betekenis hiervan niet wegwuiven. Het één is een beeld van het ander. Aardse, menselijke verhoudingen zijn uitbeeldingen van Goddelijke en geestelijke verhoudingen. 17
Page 18
Het mooiste voorbeeld hiervan, omdat het iedereen aangaat, vind ik het voorbeeld uit (meer letterlijk vertaald): Efeze 3 14 … de Vader van onze Heer Jezus Christus, 15 naar Wie ieder vaderschap in de hemelen en op de aarde genoemd wordt. God is Vader en naar Hem wordt elk vaderschap vernoemd. Ons vaderschap is een uitbeelding van het Vaderschap van God. Top-down, het hogere wordt uitgebeeld in het lagere. Maar dit maakt dat ook die meer oppervlakkige toepassingen waar zijn en niet terzijde mogen worden geschoven. Toegepast op Romeinen 7 zien we dan dat er slechts één reden wordt genoemd voor de ontbinding van een huwelijk: het overlijden van de huwelijkspartner. Sterker nog, hertrouwen met een ander terwijl de huwelijkspartner nog leeft, wordt beschouwd als overspel (:3). Verkeerde conclusies Waar een wettische houding regeert, gebruikt men dit soort teksten om ‘zondige broeders en zusters’ buiten de geloofsgemeenschap te plaatsen. Blijkbaar wegen de zonden van anderen zwaarder dan de eigen missers. Het is natuurlijk lastig om scherp te zien met een balk in het eigen oog (Matth.7:1-5). Veroordelen komt ons niet toe en we leven ook niet onder de wet. Integendeel, wij zouden genade schenken aan elkaar (Kol.3:13). 18 Onwetend Er zijn natuurlijk gelovigen die met de beste bedoelingen keuzes hebben gemaakt, met de kennis die ze toen hadden. Of men heeft keuzes gemaakt in onwetendheid. Achteraf blijken die keuzes wel eens verkeerde keuzes te zijn. Maak je daar geen zorgen om. Hij doet alles meewerken ten goede (Rom.8:28). Zelfs van het doden van Jezus Christus wordt gezegd dat het Joodse volk dat in onwetendheid deed (Hand.3:18) en het wordt hen niet aangerekend. Gods genade is altijd uitermate overvloedig (Rom.5:20). 19
Page 22
Van den beginne Bovenstaande principes gelden al vanaf het begin, vér voor er ook maar een wet was gegeven. Als de farizeeën aan Jezus vragen waarom Mozes (in de wet) dan instructies voor echtscheiding heeft gegeven, zegt Jezus dat het vanwege de hardheid van hun harten is, maar dat het van den beginne niet zo is geweest (Matth.19:4). De wet kwam ertussen Als de wet iets anders zegt, komt dat omdat de wet er later bij kwam. De wet werd ertussen geplaatst (Rom.5:20, Gal.3:19) en had een duidelijk begin en einde. De wet doet dus niets af aan bijvoorbeeld de beloften aan Abraham (Gal.3:18-19), maar ook niet aan beginselen zoals we die vinden met betrekking tot het huwelijk in Genesis 2. De woorden uit Genesis 2 gelden vanaf den beginne en zijn voor alle volgende generaties. Ze worden ook aangehaald door de apostel Paulus. Deze keer in de Efeze brief, waar hij spreekt over de verhouding tussen man en vrouw: Efeze 5 31 Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten, en die twee zullen tot één vlees zijn. 32 Dit geheimenis is groot; maar ik spreek met het oog op Christus en de gemeente. [HSV] 22 Eenheid Paulus wijst ons ook hier op de diepere betekenis van de dingen. De vleselijke eenheid van man en vrouw is een uitbeelding van de geestelijke eenheid van Christus en de ecclesia. Zoals Christus en de ecclesia één lichaam zijn, zo zijn man en vrouw één. Natuurlijk wordt dit ook in de praktijk uitgebeeld door de seksuele gemeenschap en wat daaruit voort kan komen: een kind. Het kind is voortgekomen uit man en vrouw; het ’product’ van het één vlees zijn. De terminologie die we uit de Schrift kennen met betrekking tot de ecclesia, gebruikt Paulus in Efeze 5 één op één voor de relatie tussen man en vrouw. Bijvoorbeeld als hij zegt: “de man is het hoofd van zijn vrouw, zoals Christus het Hoofd is van de ecclesia” (:23) of: “zó zijn ook de mannen verschuldigd hun vrouw lief te hebben als hun eigen lichaam” (:28). Onverbrekelijk Het principe van de eenheid van man en vrouw, als uitbeelding van de geestelijke eenheid van Christus en de ecclesia, is dat deze eenheid niet te verbreken is. In de brieven van Paulus vinden we deze eenheid tussen Hoofd en lichaam telkens benoemd en toegelicht. De ecclesia, die Zijn lichaam is, deelt in alle zegeningen van Christus (o.a. Ef.1:3). Deze eenheid is onverbrekelijk en dáár is de relatie man en vrouw binnen het huwelijk een uitbeelding van! 23
Page 26
vrouwelijk geslacht maakt? 5 En Hij zei: Wegens dit zal een mens zijn vader en moeder verlaten, en aan zijn vrouw samengevoegd worden, en de twee zullen tot één vlees zijn, 6 zodat zij niet meer twee, maar één vlees zijn. Wat, dan, God samenvoegt, laat de mens het niet scheiden! 7 Zij zeggen tegen Hem: Waarom, dan, geeft Mozes instructie om een boekrol van scheiding te geven, en haar daarmee weg te zenden? 8 Jezus zegt tegen hen: Mozes staat het jullie toe, met het oog op de hardheid van jullie harten, jullie vrouwen weg te zenden; maar vanaf het begin was het niet zó. 9 En Ik zeg tegen jullie: Wie zijn vrouw wegzendt om een andere reden dan ontucht, en een andere trouwt, pleegt overspel, en wie een weggezondene trouwt, pleegt overspel. Ontucht Ook Jezus verwijst dus naar de fundamentele uitspraak uit het begin van Genesis over man en vrouw. We vinden soortgelijke schriftgedeelten in Mattheüs 5:32, Marcus 10:2-12 en Lucas 16:18. Opvallend is dat in Marcus en Lucas geen enkele rechtvaardige grond voor echtscheiding wordt genoemd. Alleen in Mattheüs wordt ‘ontucht’ genoemd als rechtvaardige grond voor een scheiding. Het Griekse woord dat daar in de grondtekst wordt gebruikt, is porneia en wordt in de Statenvertaling en NBG51 meestal vertaald met ‘hoererij’. De betekenis van porneia is: seksuele omgang met iemand die niet je eigen man of vrouw is. 26 Andere goden Ook hier is de betekenis ten diepste typologisch. God (de man) had het volk waarmee Hij getrouwd was, weggestuurd met een scheidbrief, vanwege haar ontucht. Het volk (de vrouw) liep andere goden achterna en dat wordt in de Schrift aangeduid met hoererij/ontucht (o.a. Rich.8:27, Jer.3:6 en 8). Het nieuwe (huwelijks)verbond zal worden gesloten met de Messias en het volk Israël. Dat is dan ook ‘wettig’, omdat het volk van JAHWEH is gescheiden onder het oude verbond, vanwege haar ontucht. Juist het Mattheüs-evangelie presenteert de Messias als de komende Koning, die een Koninkrijk zal vestigen en daarbij een bruiloft aanricht – een uitbeelding van het nieuwe verbond. Er zijn bijvoorbeeld een aantal gelijkenissen die van een bruiloft spreken (Matth.22 en 25). Israël Wat we beschreven vinden in Mattheüs is dan ook met name een nationale aangelegenheid en van toepassing op Israël. Vandaar dat hier over de scheiding wordt gesproken tussen God en Israël onder het oude verbond. Wanneer we dit in Mattheüs beschreven vinden, is dit een vervulling van oudtestamentische beloften. Jezus kwam immers om de wet te vervullen. Hij stierf om het oude verbond te beëindigen en door Zijn opstanding een nieuw verbond tot stand te brengen: 27
Page 28
Jeremia 31 31 Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten, 32 niet zoals het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb op de dag dat Ik hun hand vastgreep om hen uit het land Egypte te leiden – Mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ík hen getrouwd had, spreekt de HEERE. 33 Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn. [HSV] Jesaja 62 4 Tegen u zal niet meer gezegd worden: verlatene, en tegen uw land zal niet meer gezegd worden: woestenij, maar u zult genoemd worden: Mijn welgevallen is in haar, en uw land: getrouwde; want de HEERE verlangt naar u, en uw land zal getrouwd worden. 5 Want zoals een jongeman trouwt met een maagd, zo zullen uw zonen trouwen met u; zoals een bruidegom zich verblijdt over zijn bruid, zo zal uw God Zich over u verblijden. [HSV] 28 4. Scheiding tussen gelovigen Wanneer we het over het huwelijk hebben, is er één hoofdstuk dat niet onbesproken mag blijven en dat is 1 Korinthe 7. Belangrijk is om ons te realiseren dat Paulus in dit hoofdstuk ingaat op vragen van de Korinthiërs (:1) en dat het geen algemene verhandeling is over het huwelijk. Eigenlijk gaat het hoofdstuk over wel of niet trouwen en minder direct over het huwelijk(sleven). Ongetrouwd Paulus stelt zichzelf meerdere keren tot voorbeeld. Als je God wilt dienen, dan kun je beter ongetrouwd zijn/blijven, is zijn boodschap. In zijn geval kunnen we ons natuurlijk goed voorstellen dat met zijn bediening als apostel, een huwelijk een enorme belemmering zou zijn geweest. Dit hoofdstuk is dan ook bepaald geen aanbeveling om te trouwen. Contrast Dat lijkt nogal een contrast met Efeze 5, waar Paulus de relatie tussen man en vrouw schildert als uitbeelding van de eenheid van Christus en de ecclesia. Maar 1 Korinthe 7 is geschreven uit een bepaald perspectief, naar aanleiding van vragen van de Korinthiërs. Vragen die wij overigens niet kennen, we hebben alleen de antwoorden op de vragen. Maar het motto is: ‘bezint eer gij begint’. 29
Page 30
Scheiding In dit hoofdstuk wil ik het in het bijzonder hebben over wat Paulus in 1 Korinthe zegt over scheiding tussen gelovigen. In andere gedeelten, zoals Genesis 2:24 en Efeze 5, zagen we al dat het huwelijk in principe een onverbrekelijke zaak is. Dit zegt Paulus eveneens in: 1 Korinthe 7 10 En aan degenen, die getrouwd zijn, geef ik opdracht – niet ik, maar de Heer: Een vrouw zou niet van haar man gescheiden worden. 11 Maar in het geval dat zij gescheiden zal worden, laat haar ongehuwd blijven, of laat haar verzoend worden met de man. En de man zou de vrouw niet verlaten. Passief Bijzonder is dat de woorden die ik cursief heb weergegeven in het Grieks in een passieve vorm staan. Deze verzen zeggen iets anders dan wat de Statenvertaling, NBG en Telos hebben weergegeven. In die vertalingen lijkt het te gaan over degene die de huwelijkspartner actief verlaat, maar zo staat het er niet letterlijk. Het gaat om een scheiding tussen gelovigen. Daarbij maakt het niet uit wie daartoe het initiatief heeft genomen. Verzoening Paulus predikt genade. Er zou tussen gelovigen onderling dan ook geen reden zijn om te scheiden. 30 Wij zouden genadig met elkaar omgaan, zoals God in Christus genadig met ons omgaat (Kol.3:13). Wanneer het dan toch gebeurt dat gelovigen scheiden, dan zouden ze ongehuwd blijven, of zich met elkaar verzoenen. In de context van 1 Korinthe 7 is verzoening het herstel van het huwelijk. Opnieuw trouwen is geen optie. Typisch Paulus wanneer hij zegt: “of laat haar met de man verzoend worden”. Juist de boodschap van verzoening vinden we bij hem. Hij is degene die mocht bekendmaken dat God in Christus de wereld met zich verzoent (2 Kor.5:19) en dat zelfs het heelal met God verzoend zal worden (Kol.1:20). Als we dat weten en geloven, hoe zou onze houding naar elkaar er dan anders één kunnen zijn dan van verzoening? En zeker daar waar het gelovigen onderling betreft (Gal.6:10). Maar wat als een gelovige getrouwd is met een ongelovige en de ongelovige neemt het initiatief tot scheiden? Daarover in het volgende hoofdstuk meer. 31
Page 34
hem te wonen, laat hij haar niet verlaten. 13 En een vrouw, die een ongelovige man heeft, en hij keurt goed om met haar te wonen, laat zij haar man niet verlaten. 14 Want de ongelovige man is geheiligd in zijn vrouw, en de ongelovige vrouw is geheiligd in de broeder. Anders dus, zijn jullie kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig. Wanneer de verhoudingen zó liggen, reageert Paulus erg nuchter. Alles wat hij in dit hoofdstuk naar voren brengt, is ook lógisch. Als de ongelovige er geen probleem mee heeft met een gelovige samen te wonen (binnen een huwelijk), is dat prima en zou de gelovige dat zo houden. Wie Hem kent is gericht op eenheid en verzoening en niet op scheiding. Geheiligd Paulus zegt het zelfs zo sterk, dat hij aangeeft dat de ongelovige geheiligd is in de gelovige. De gelovige is gewijd aan God en hierdoor is iedereen die zich bij hem of haar in het huis bevindt, geheiligd; dat is ‘apart gezet’. Doordat het woord van God daar gesproken en geleefd wordt, bevindt heel het huis zich in een bevoorrechte positie. Maar wat te doen als de ongelovige het initiatief tot scheiding neemt? 1 Korinthe 7 15 En indien de ongelovige scheidt, laat hem gescheiden worden. De broeder of zuster is in dit geval niet gebonden (lett: ge-slaafd). God heeft ons in vrede geroepen. 34 In vrede geroepen Wanneer een ongelovige partner van ons scheidt, hoeven we niet koste wat kost te proberen het huwelijk in stand te houden, laat staan een scheiding tegen te werken. God heeft ons in vrede geroepen. Wat in dit vers vaak gelezen wordt is dat, als een ongelovige de gelovige verlaat, de gelovige ongebonden is én vrij om een ander te trouwen. Dat eerste staat er wel, het tweede niet. Hertrouwen Opvallend is dat nergens in dit hoofdstuk, of in enige andere brief van Paulus, de optie van hertrouwen na scheiding wordt benoemd. Ook niet in het vervolg van 1 Korinthe 7, hoewel sommigen het daarin lezen. Daar kom ik later op terug. Wél wordt de optie van hertrouwen na het overlijden van de huwelijkspartner genoemd: 39 Een vrouw is gebonden door de wet, zolang haar man leeft; maar in het geval dat haar man is ontslapen, is zij vrij om getrouwd te worden, met wie zij wil, mits in de Heer. Iets dergelijks wordt nergens gezegd over hertrouwen na een scheiding. Een huwelijk brengt een eenheid tot stand (Gen.2:24, Ef.5:31), die slechts door de dood verbroken kan worden (vlg. Rom.7:2). 35
Page 36
Vrij Wanneer onze ongelovige partner ons verlaat, zijn we vrij en zouden we die vrijheid gebruiken. Niet om ons weer te binden door een nieuw huwelijk, maar door te blijven in de positie die ons gegeven is. Daar spreken ook de volgende verzen over: 1 Korinthe 7 17 Laat een ieder zó wandelen, zoals God hem geroepen heeft. (…) 20 Laat een ieder blijven in de roeping, waarin hij werd geroepen. (…) 24 Broeders, laat een ieder, waarin hij werd geroepen, daarin blijven, bij God. Verzoening Paulus is de apostel die het beheer van de genade van God gegeven was (Ef.3:2). Hij mocht ten volle Gods genade onthullen en die boodschap is leidend in onze tegenwoordige tijd. Paulus is de apostel die mocht bekendmaken dat God heel Zijn schepping terugbrengt tot Zichzelf (Rom.11:36, Ef.1:10, Kol.1:20). Hij doet dat door Zijn Zoon, Christus Jezus. Maar degenen die bij Christus Jezus horen en Zijn lichaam zijn, delen in de zegeningen en positie van Christus. Als God dus door Christus deze schepping tot Zichzelf terugbrengt en verzoent, doet Hij dit door Christus én Zijn lichaam: Efeze 1 10 om in het beheer van de volheid van de tijden, het al, zowel wat in de hemelen als wat op de aarde is, in Christus onder één Hoofd samen te brengen, 36 11 in Hem, in wie ook wij, tevoren bestemd worden (…) Geheim Het grote geheim (Ef.1:9) dat Paulus bekendmaakt in de Efeze brief is dat Christus niet slechts één Persoon is, maar een gezelschap. De groep van gelovigen die Zijn lichaam vormen, delen in alle zegeningen (Ef.1:3) van Hem. Wanneer wij delen in die positie en weten dat God ons zal gebruiken om deze hele schepping met Zich te verzoenen, wat zou dan anders onze houding kunnen zijn dan een verzoenende houding, ook naar ongelovigen? En dus ook naar onze ongelovige huwelijkspartner die ons verlaten heeft? Hij verzoent de wereld met Zichzelf en plaatst dat woord van verzoening in ons: 2 Korinthe 5 19 wat hierin bestaat, dat God in Christus was de wereld met Zichzelf verzoenende en hen hun misstappen niet toerekent en het woord van de verzoening in ons plaatst. 37
Page 40
25 En wat betreft de maagden heb ik geen uitdrukkelijk bevel van de Heer. Maar ik geef een mening, als iemand, die ontferming van de Heer verkregen heeft om betrouwbaar te zijn. 26 Ik veronderstel dan, vanwege de nu bestaande nood, dat het goed is voor een mens, zó te zijn. 27 Ben jij gebonden aan een vrouw? Zoek geen losmaking. Ben jij losgemaakt van een vrouw? Zoek geen vrouw. 28 En ook als jij zou trouwen, dan zondigde jij niet, en als een maagd zou trouwen, dan zondigde zij niet. Verkering Paulus vangt in vers 25 een nieuw onderwerp aan, met: wat betreft de maagden. Een maagd is in dit verband iemand die nog niet getrouwd is en geen één vlees is geweest met iemand anders. Hij of zij is echter wel ‘gebonden’. Wij zouden dit ‘verkering’ noemen, of wellicht het latere stadium van een relatie: ‘verloofd’. Ongetrouwd blijven Het is goed om ons bij het lezen van deze verzen telkens voor ogen te houden dat Paulus hier een pleidooi houdt voor het ongetrouwd zijn en blijven, zoals hij zelf was (:7). Hij vangt hiermee direct aan in vers 1 en hij eindigt het hoofdstuk ermee, door dit zelfs te zeggen van iemand die niet meer getrouwd is, omdat de partner is overleden (:39-40). Ook met betrekking tot de maagden geeft hij dus in deze verzen aan dat het goed is, zó te zijn (:26), namelijk vrijgezel en daardoor ongebonden en vrij om Hem te dienen. 40 Vrijheid Paulus verkondigt vrijheid. Maar als je gebonden bent door een relatie, zoek dan geen losmaking. Als je dat niet bent, zoek dan geen vrouw. Je zondigt niet als je trouwt, maar er staat je wel ‘verdrukking in het vlees’ te wachten (:28) en een gewaarschuwd mens … In vers 36-38 komt Paulus nogmaals terug op deze kwestie en dan vat hij het zo samen: 1 Korinthe 7 38 Wie dus zijn maagd ten huwelijk neemt, zal goed doen; maar wie haar niet ten huwelijk neemt, zal beter doen. 41
Page 44
niet alles nuttig is. Voor een gelovige, die leeft uit genade, zou het issue niet zijn of iets mag, maar of iets nuttig is; zinvol dus. Een andere reactie die ik kreeg, was: “Maar we zijn toch ook gewoon mensen, hier op aarde, met allerlei tekortkomingen?” En: “Er is toch ook gevoel en liefde nodig in een relatie?” De basis van een huwelijk is geen gevoel. Gevoelens komen en gaan. De basis van een huwelijk is trouw. Daarom noemen we het ook trouwen en een trouwerij. De trouwbelofte is dan ook: tot de dood ons scheidt en dat is precies wat de apostel Paulus naar voren brengt over het huwelijk (1 Kor.7:32, Rom.7:2). Ik besef me dat dit een standpunt is dat in de huidige maatschappij zal worden gezien als ouderwets, maar diezelfde maatschappij laat zien wat het ‘succes’ van de ‘moderne’ visie op liefde en het huwelijk is: het aantal scheidingen is enorm en nog steeds stijgende. Daar waar de ander tekortkomt in onze ogen, zouden we elkaar genade bewijzen: Kolossenzen 3 13 Verdraag elkaar en wees genadig onder elkaar, in het geval dat de een tegen de ander een klacht heeft; en zoals de Heer genadig met jullie is, doe ook zó. Voorbeeld Ook hier is weer het voorbeeld, Christus zelf. Hij bewijst ons genade, uitermate overvloedig zelfs (Rom.5:20). 44 Dan past ons toch ook maar één houding en dat is de ander behandelen, zoals Hij met ons omgaat? Of wat te doen als wij denken dat we zelf tekort komen om een huwelijk in stand te houden, we zijn toch ook maar gewoon mensen van vlees en bloed? Paulus is erg laconiek als het gaat om het vlees, de oude mens. Hij vergelijkt het meerdere keren met het uittrekken van een jas. We zouden het oude uitdoen en het nieuwe aantrekken: Efeze 4 22 dat jullie, wat jullie vroegere gedrag betreft, de oude mens wegdoen, die verdorven is (…) (…) 24 en de nieuwe mens aantrekken, die in overeenstemming met God geschapen wordt (…) Kolossenzen 3 9 … omdat jullie de oude mens uitdoen, samen met zijn praktijken, en jullie de nieuwe aantrekken, die vernieuwd is tot besef, overeenkomstig het beeld van Degene, Die hem schept. Nuttig Wanneer we deze verzen lezen, weten we ook wat Paulus bedoelt als hij in 1 Korinthe 10:23 aangeeft: “alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig”. Nuttig is dat wat onvergankelijk is en werkelijk waarde heeft. Onnuttig is dat wat verdorven is en vergaat. De nieuwe mens versus de oude mens. 45
Page 46
Waardig De oproep in Paulus’ brieven is dan ook om ‘waardig te wandelen’, namelijk in overeenstemming met de waarde van de boodschap die we kennen en geloven. Er is een God, die ons leven in Zijn hand heeft en bestuurt. Hij heeft onze ogen en hart geopend voor het evangelie. Hij betoont ons genade, dus mogen we anderen genade (be)tonen. Hij heeft ons geroepen om in Christus deze hele schepping aan Zich te onderwerpen en met Zich te verzoenen. Onze wandel zou in overeenstemming zijn met die boodschap: Efeze 4 1 Als gevangene in de Heer, roep ik jullie dan op te wandelen waardig de roeping, waarmee jullie geroepen werden, 2 met alle nederigheid en zachtmoedigheid, met geduld, en elkaar in liefde te verdragen. Filippenzen 1 27 Alleen, wees burgers op een wijze waardig van het goede bericht van Christus (…) Hij voorziet In Christus zijn we gezegend met alle geestelijke zegen (Ef.1:3). Die positie mogen we innemen en daar kunnen we van Hem verwachten dat Hij in al onze behoeften voorziet: Filippenzen 4 19 Mijn God zal in al jullie behoeften naar zijn rijkdom, in heerlijkheid, compleet voorzien, in Christus Jezus. 46 8. De hoofdzaken Het leek me goed om een samenvatting te maken van de belangrijkste punten voor ons in de praktijk. Een overzicht daarvan vind je in dit hoofdstuk. Eén vlees Man en vrouw zijn één. Dit is een Goddelijke inzetting ‘vanaf den beginne’. Deze eenheid zou niet verbroken worden (Gen.2:24, Matth.19:5-6, Marc.10:9). Het enige wat een huwelijk beëindigt, is de dood van één van de huwelijkspartners (Rom.7:2, 1 Kor.7:39). Oud en nieuw Onder het oude verbond was een huwelijk, net als het oude verbond zelf, een voorwaardelijke zaak. Met andere woorden: een man kon zijn vrouw wegsturen met een scheidbrief (Deut.24:1). Wanneer hij dat gedaan had, mocht hij haar daarna zelfs niet meer terugnemen (Deut.24:4). In het evangelie dat Paulus bekend maakt staat genade en verzoening centraal. Hij stelt het huwelijk voor als de eenheid tussen Hoofd en lichaam, Christus en de ecclesia (Ef.5:31-32). Man en vrouw zijn één en kunnen niet gescheiden worden, zoals Christus en Zijn lichaam één zijn. Als je leeft uit genade en verzoening, wat zou dan een reden kunnen zijn om uit een huwelijk te stappen? 47
Page 48
Trouw De basis van een huwelijk is trouw, vandaar dat het een trouw-erij heet. Niet onze gevoelens, of de positieve (of negatieve) eigenschappen van de ander, bepalen de basis van een huwelijk. De houding van God naar Zijn schepping is de basis van ons leven en ons huwelijk. God is een God van trouw. Het evangelie van Paulus is dat er niets is dat God ervan weerhoudt om heel Zijn schepping met zich te verzoenen (2 Kor.5:19, Kol.1:20). Dat voorbeeld zouden wij volgen, zeker in ons huwelijk. In 1 Korinthe 7 gaat Paulus het meest uitgebreid in op huwelijkse zaken: 1 Korinthe 7 10 En aan degenen, die getrouwd zijn, geef ik opdracht – niet ik, maar de Heer: Een vrouw zou niet van haar man gescheiden worden. Initiatief Let op hoe het hier staat. In de meeste vertalingen lijkt de boodschap gericht tot de vrouw, de vrouw zou niet van haar man scheiden. Maar in de grondtekst staat het anders. Een vrouw zou ‘niet gescheiden worden’ van haar man, ongeacht wie daarin het initiatief neemt. Wanneer er toch scheiding ontstaat, is Paulus duidelijk: 1 Korinthe 7 11 Maar in het geval dat zij gescheiden wordt, laat haar ongehuwd blijven, of laat haar met haar man verzoend worden. En een man zou zijn vrouw niet verlaten. 48 Verzoening Uit een huwelijk stappen is voor de gelovige geen optie. Gebeurt dit toch, dan zouden de huwelijkspartners gericht zijn op verzoening. Dat is waar het in het evangelie van Paulus om draait. God verzoent de wereld met Zich, hoe zouden wij dan als gelovigen onverzoenlijk kunnen zijn? Hieruit volgt ook logischerwijze dat het zoeken naar een andere partner, of zelfs hertrouwen met een ander, voor de gelovige geen optie is. Wanneer een gelovige een ongelovige huwelijkspartner heeft en deze verlaat hem of haar, dan geeft Paulus aan daarin te berusten: 1 Korinthe 7 15 En indien de ongelovige scheidt, laat hem gescheiden worden. De broeder of zuster is in dit geval niet gebonden (lett: ge-slaafd). God heeft ons in vrede geroepen. Vrede Degene die scheidt, gelooft in ieder geval niet de dingen met betrekking tot het huwelijk die Paulus hier naar voren brengt. Paulus zegt hierover: laat maar gaan. Je hoeft dan niet alles op alles te zetten om de scheiding tegen te werken. Zo’n scheiding ontaardt al snel in een gevecht, maar God heeft ons in vrede geroepen. Hertrouwen? Nergens wordt in de brieven van Paulus hertrouwen na een scheiding zelfs maar genoemd. Dat is gewoon geen optie. De enige reden waardoor een huwelijk beëindigd wordt, is als één van de huwelijkspartners overlijdt: 49
Page 52
Maar wat als je gescheiden partner de deur naar verzoening (= herstel van het huwelijk) helemaal dicht gooit door met een ander te trouwen? De mogelijkheid bestaat ook dat uit dat huwelijk kinderen voortkomen. Wat dan? Opent dat de deur voor de verlaten partner om zelf ook te hertrouwen? Vrijheid Als je het mij vraagt, geeft de Schrift daar geen direct antwoord op. De strekking van het hoofdstuk is dat Paulus een pleidooi houdt voor het ongehuwd zijn, zoals hij zelf was (:7), maar hij voegt daar meteen aan toe dat dit een genadegave is en niet zomaar weggelegd is voor een ieder. Vrij zijn is echter een hoog goed voor Paulus. Zo kan men zijn of haar onverdeelde aandacht geven aan het dienen van de Heer. Wij zouden ons zo weinig mogelijk laten binden in ons leven. Of dit nu binding aan mensen, een organisatie, of andere gebondenheid is. Ook wordt genoemd: “wees geen slaaf van mensen” (:23). In een ander verband zegt Paulus: Romeinen 14 5 (…) Laat een ieder in zijn eigen denken ten volle verzekerd zijn. 52 Gezonde Woorden Woorden van mensen, hoe vroom ze ook klinken, zijn woorden van menselijke wijsheid en krachteloos. 1Kor.2:4 Het Woord van God daarentegen is levend en krachtig en daarom roept de Schrift ons ook op om gezonde woorden te gebruiken. Heb.4:12; 2Tim.1:13 Zijn woorden vormen de gezonde leer die ons gezond maakt in het geloof. Tit.2:1-2 gezondewoorden.nl Bron: Oudijn, G. (2018-2019). Het huwelijk. GezondeWoorden, http://gezondewoorden.nl/category/huwelijk/ In samenwerking met: Stichting Evangelie Om Niet Het Evangelie spreekt van de ene GOD, Die OM NIET alle mensen redt, verzoent, levend maakt en rechtvaardigt! Gratis online boeken lezen, delen en downloaden (publicaties ook als uitgave op papier verkrijgbaar) evangelieomniet.nl 53
Page 54
Gedichten:

mijn groeisels,
op hoop
in ellendigheid

Met o.a. : Ziekentroost; Levensloop; Klaproos; Een musje; Hartezaken; ’t Is Liefde; Troost; UitZicht.

UitZicht


Page 0
Page 6
INHOUD Romeinen 5:1-5 ...................................................... 9 Psalm 42:9 ............................................................ 11 Ziekentroost .......................................................... 13 Levensloop ............................................................ 15 Klaproos ............................................................... 17 Hebreeën 13:6 ...................................................... 19 Psalm 118 .............................................................. 21 De drie broertjes ..................................................23 Een musje ............................................................. 25 Hartezaken ........................................................... 27 Liefde .................................................................... 31 ’t Is Liefde ............................................................. 33 Eonisch leven ........................................................ 35 Romeinen 13:8-10 ................................................ 37 Romeinen 7:25 .....................................................39 Aan mijn kleindochter Naëma ............................ 41 Aan mijn kleindochter Joëlle...............................43 Bruidspaar ........................................................... 45 Design ................................................................... 47 Copla .................................................................... 49 U vertrouw ik, Here!............................................ 51 Troost .................................................................... 53 UitZicht ................................................................. 55 7
Page 58
De verdeeldheid bij de Corinthiërs was een ontkenning van de geestelijke eenheid die er is. Daarover spreekt de apostel in 1 Corinthiërs 12. Hij benadrukt dat het één lichaam is met één geest en dat is natuurlijk niet voor niets. Zijn houding – een voorbeeld voor ons – was verzoenend, altijd, ook al werden zijn woorden en daden verkeerd begrepen!

Het woord van de verzoening


Page 0
Page 2
Page 12
Dit is in feite religie. Dat is niet het evangelie zoals Paulus het bracht. Of zoals Paulus het ‘brengt’, want het geldt vandaag nog steeds. God strekt Zijn verzoenende handen uit naar deze wereld, dat is de proclamatie die klinkt vanuit het evangelie dat de apostel Paulus brengt. De verzoening staat centraal. Als je deze brief goed leest merk je, dat de houding van de apostel verzoening ademt, hij ádemt vrede. Paulus was ambassadeur of gezant van Christus Ef.6:20 en hij was verzoenend in zijn optreden, ook naar de Corinthiërs. Maar zij legden zijn optreden verkeerd uit. Dat was niet ‘het gebrek’ bij Paulus, maar dat waren ‘de makken’2 van de Corinthiërs. Ze legden zijn houding anders uit dan Paulus bedoelde en dat maakte het moeilijk. Als je 2 Corinthiërs 10 leest, dan zie je hoe hij zelfs twee keer over zichzelf nogal geringschattend spreekt. En hij stelt zich in heel wat verzen, als het ware, verdedigend op. Defensief tegen wat in die gemeente over hem gezegd werd, wat rondging, want hij hoorde via via allerlei dingen over zichzelf. Paulus voert een aantal dingen op als verdediging. Dat doet hij ook, bijvoorbeeld, in de brief aan de Galaten. Daar zegt hij – en in de Filippenzen staat dat ook – dat hij gesteld is tot verdediging van het evangelie. Hier verdedigde Paulus het evangelie tegen judaïsten3 die zeiden: Het is mooi wat jullie zeggen: dat het allemaal genade is – dan hoor je al een komma komen – maar … Dat is eigenlijk ‘nee’. Daarna komt meestal een redenering met argumenten, waarin men wil ontkennen dat het alleen genade is. 12 1. Paulus’ komst uitgesteld Paulus schrijft in 2 Corinthiërs 10:1: Ík zelf echter, Paulus, spreek jullie aan door de zachtmoedigheid en inschikkelijkheid van Christus, ik die in aanwezigheid weliswaar ootmoedig ben onder jullie, maar afwezig, moed heb naar jullie NCV Het is mooi, dat hij laat zien hoe hij zich opstelt: zachtmoedig en inschikkelijk (of: welwillend). Maar wat gebeurde daarna bij de Corinthiërs? Zij legden dat anders uit. Paulus sprak de Corinthiërs zachtmoedig aan. Het woord ‘aanspreken’ komt regelmatig voor, dat is letterlijk iemand langsbij roepen in Gods liefde. Hij sprak de Corinthiërs aan in liefde, dat was niet streng, zo van: nu moet je ‘dit’ en nu moet je ‘dat’. Paulus sprak met zachtmoedigheid, welwillendheid. Dat is wat je ook bij de Heer ziet, toen Hij op aarde was. Hij zei op zeker moment: leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en ootmoedig van hart Mat.11:29. Hoewel Hij zeer scherp kon reageren naar de Farizeeën en de schriftgeleerden, want hij prikte door ze heen. Paulus prikte ook door de Corinthiërs heen. Dat was misschien wel de reden waarom ze hem (en dus ook de woorden die hij sprak), op een afstand hielden, want hij ‘prikte’ in hun hart. Vermoedelijk was dat ook waarom ze allerlei argumenten bedachten tegen wat hij zei; omdat hij ze doorhad en precies over die punten sprak, waar zij het moeilijk mee hadden. 13
Page 14
Paulus sprak over eenheid, de Corinthiërs waren verdeeld. En de Corinthiërs zeiden nota bene – blijkt uit dit gedeelte – dat Paulus ‘vleselijk’4 was. Als je 1 Corinthiërs leest zie je dat Paulus zich daar verdedigt. Hij zei: Ja, ik heb geaarzeld, maar ik kom nog niet naar jullie toe. De plannen van Paulus waren gewijzigd. De Corinthiërs legden dat als zwakheid van Paulus uit. Zo: Hij durft niet, hij is zeker bang voor ons. Hij heeft geen antwoord op onze argumenten. Daarom moest Paulus vele verzen lang uitleggen waarom hij niet direct naar de Corinthiërs toekwam. De ware reden was niet, dat hij zichzelf wilde sparen of dat hij bang was. Hij wilde de Corinthiërs sparen, omdat zijn aanwezigheid onder hen misschien te zwaar was. Natuurlijk was het God, Die de plannen van Paulus stuurde. Hij leefde niet zo: ‘nu ga ik dit doen en straks ga ik eens die kant op en dan weer daarheen’. Nee, Paulus was biddend bezig en legde zijn plannen voor aan God. God wijzigde de plannen van Paulus, zijn reizen, regelmatig. Het was uit God dat Paulus’ komst naar hen werd uitgesteld. Datgene waarvan zij Paulus beschuldigden deden zij juist zelf. Zij waren zélf vleselijk bezig en dachten ook zo: O, hij zal wel niet durven; hij zal wel “dit” of “dat”. Ze trokken conclusies uit Paulus’ gedrag; dat waren de verkeerde. Het was niet geestelijk gedacht van de Corinthiërs en bij sommigen van hen kon Paulus geen goed doen. 14 Vandaag de dag kan dat ook zo zijn. Je merkt het wel bij gelovigen, zodra het over Paulus gaat: nee, niet thuis … Of een afwerende reactie, zo van: ‘veel te moeilijk’ of ‘daar begrijp ik echt niets van, die Paulus’. Het gaat om zijn gezindheid. In welke houding ging hij? In de gezindheid van Christus. Niet: ‘Ik weet het en ik kan geweldig spreken en ik zal jullie eens even vertellen hoe het zit.’ Nee, hij stelde zich diep afhankelijk van God op. Maar hij sprak het woord en als hij dat deed, dan zat daar kracht in. Dan ging dat met betoon van geest en kracht, die kracht was niet van Paulus zelf. Hij was geen man met ‘charisma’ die zalen vol kon bewegen, ze hadden immers betere sprekers in die tijd. En ik ben naar jullie toe gekomen, broeders, en kwam niet met superioriteit van woord of wijsheid, jullie het getuigenis van God aankondigend, want ik besloot niet iets te weten onder jullie dan Jezus Christus, en Die gekruisigd. En ík ging in zwakheid en in vrees en in veel siddering naar jullie toe, en mijn woord en mijn herautsboodschap kwamen niet in overtuigende woorden van menselijke wijsheid, maar met betoon van geest en kracht, opdat jullie geloof niet in wijsheid van mensen is, maar in kracht van God 1Cor.2:1-5 In de tijd van de Grieken waren er grote redenaars. Maar als je nú kijkt is niet veel meer van die redenaars over. Van Paulus wel, terwijl hij niet van zichzelf ‘charismatisch’ was. 15
Page 16
Het ging om het woord dat hij sprak en dat woord kwam met betoon van geest en kracht, hij ging zelf in zachtmoedigheid, welwillendheid. Je kunt een zachtmoedig mens zijn, maar als het aankomt op het woord van God, dan is daar kracht. Daarachter zit de kracht van God Zelf, Die Zijn woord bevestigt. Hij bevestigt Zijn woord altijd. Niet wat mensen in mooi redeneren kunnen opbouwen, dat bevestigt God niet. 16 2. Door de dood van Zijn Zoon De zachtmoedigheid en welwillendheid van Christus is te zien in Zijn gehoorzaamheid tot en met de dood van het kruis. Hij gehoorzaamde welwillend … in ootmoedige gezindheid, dat is: niet van jezelf hoog willen zijn, maar juist laag. Dat is ootmoed. Om dat werk te doen wat Jezus deed was moed nodig. En Hij zag er tegenop als mens, maar Hij ging. Vader, niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede. Hij kon door lijden en de dood heen kijken naar de belofte die de Vader Hem gegeven had. God zou Hem opwekken op de derde dag, dat zo vaak in de Schrift betuigd is. Dit is de boodschap, de kostbare woorden uit de Romeinen-brief: Want indien wij, toen wij vijanden waren, verzoend werden met God door de dood van Zijn zoon, veel meer zullen wij, verzoend geworden, gered worden in Zijn leven Rom.5:10 NCV Wat een geweldige boodschap is dat! Je zou zelfs kunnen lezen: doorheen. Door de dood van Zijn Zoon heen zijn wij met God verzoend. Daarachter klinkt het leven. Het was niet alleen Zijn dood, maar Hij werd opgewekt en daarom is het een geweldige blijde boodschap, daarom is het goed nieuws. Wij zijn met God verzoend door de dood van Zijn Zoon. Als je gaat beseffen dat God vrede maakte, dan werkt dat gehoorzaamheid uit. 17
Page 18
Dat is niet: het wordt opgelegd: ‘nu moet je gehoorzamen’. Want dan gehoorzaam je wellicht uit angst voor Degene Die het jou oplegt. Nee, het wérkt in je en dan krijg je innerlijke welwillendheid om gehoorzaam te zijn – om dat wat je hoort uit het evangelie ook uit te leven. Die gehoorzaamheid is anders dan wanneer het wordt opgelegd. Zo was Paulus nooit bezig en ook dat werd verkeerd uitgelegd door de Corinthiërs. 18 3. Effectieve genade van God Gods houding naar de wereld is vrede en verzoening en dat werkte uit in de houding van Paulus naar de Corinthiërs. Ondanks dat Paulus zoveel te stellen had met hen, wist hij ze zelfs te complimenteren, zó ver ging hij. Hij zei: … zoals jullie ook ons ten dele erkend hebben, dat wij jullie roem zijn, net zoals jullie ook de onze in de dag van onze Heer Jezus 2Cor.1:14 NCV In de dag dat het lichaam van Christus5 bij de bêma6 zal staan, zullen zij zijn roem zijn. Wát een verzoenende houding. Paulus was verzoenend, en de Corinthiërs? Zij concludeerden onjuist: Wat? Paulus …? Die heeft geen gezag. Hij is niet eens onze aandacht waard, want zijn spreken is zwak. Maar wij kennen wel anderen … Er waren andere predikers die hen dingen oplegden: jullie moeten ‘dit’ en ‘dat’ want anders?! Met dreiging erachter. De verontwaardiging van God, dat wilden de Corinthiërs misschien wel vaker horen – dat Paulus daar meer mee zou dreigen. Paulus kwam echter met verzoening. Hij kwam met werkzame genade; effectief tegen de zonde, want daar is geen betere kracht tegen de zonde dan de genade van God. Dat lijkt misschien vreemd, maar zo ís het. Dat je mag beseffen: Vader, U schenkt mij genade. Ik leef in genade. Wat een geweldige liefde van U! 19
Page 20
Als je dat ontdekt met je hart zal dat je gedachten veranderen. Je wilt dan niet de zonde, maar Hem gehoorzamen, dat is van binnenuit. Dan is het niet, zoals onder de Mozaïsche Thora7, opgelegd werd: je mag ‘dit’ niet en ‘dat’ niet, anders word je gestenigd. Dat is de Thora van Mozes. Ik kan een aantal voorbeelden noemen, maar ik denk dat u ze zelf wel weet. Bij Paulus werkt het evangelie van binnenuit. Dan wil je niet de zonde, maar God eren in je leven. Dat is de andere benadering en Corinthiërs legden dat verkeerd uit. Paulus sprak natuurlijk vaak over genade, verzoening. Dat werd hem niet in dank afgenomen. Dat is niet onze aandacht waard. Nee, we hebben liever dat iemand anders spreekt. Maar Gods houding naar de wereld is verzoening, vrede. 20 4. De liefde in je hart gewekt Het is merkwaardig dat, vanaf het moment dat Paulus de boodschap van genade en verzoening begon te spreken, iets veranderde in de houding van ongelovigen. Zij leggen dat uit als: God grijpt nu niet rechtstreeks, op bovennatuurlijke manier, in. Dat leidde tot de conclusie dat ‘God blijkbaar Zijn rug naar de wereld toekeert’. Mensen zijn verdergegaan in hun conclusies, Paulus spreekt hier over bolwerken: “God bestaat zeker niet, we horen niets meer van Hem. Alles is onderhevig aan en verloopt via natuurlijke wetten”. Daarachter klinkt evolutie - denken. Deze gang van zaken heeft te maken met wetteloosheid en leidt ook tot ander gedrag. De Prediker zegt: Omdat het vonnis over een kwade daad niet snel geveld wordt, daarom blijft het hart van de mensenzonen in hen vervuld van kwaad te doen Pred.8:11 Omdat de mensen merken dat God niet onmiddellijk ingrijpt, is dat voor hen aanleiding om kwaad te doen. Dat is waar het menselijke hart, het vlees van de mens [zie ook: noot 4], toe leidt: wetteloosheid. Zonde is wetteloosheid 1Joh.3:4. Sinds Paulus verzoening is gaan prediken, noteert hij tegelijk dat het geheimenis van de wetteloosheid al werkzaam is 2Tes.2:7. Het geheim van de wetteloosheid is tijdens de afgelopen tweeduizend jaar al werkzaam geweest. Dat is niet direct zichtbaar, maar als je geestelijk kijkt, zie je het. 21
Page 22
De weerhouder, die de doorbraak van de afval (lett: afstand-neming) van het geloof (en dus wetteloosheid) tegenhoudt, is het lichaam van Christus 2Tes.2:6,7. Het feit dat wij hier nog zijn houdt in, dat het nog niet de tijd is van ‘de grote afval’ 2Tes.2:3-4. Het grote van-het-geloof-afgaan-staan gaat nog komen. De grote doorbraak van wetteloosheid, en straks de wetteloze op het wereldpodium, is nu nog niet, omdat het lichaam van Christus weerhouder is. De Corinthiërs zeiden van Paulus, dat hij naar het vlees wandelde. Hoe kwam dat? Omdat de Corinthiërs naar de buitenkant keken. Zij zagen aan wat voor ogen was en keken er tegenaan. Maar als je geestelijk leert zien, dan kijk je er doorheen naar wat er áchter zit. Zij zeiden: Hij is te zwak. Er moest meer van Gods oordelen gesproken worden, Zijn verontwaardiging. Dat zou angsten opleveren, maar uit angst gehoorzaam zijn is niet goed. Door Paulus’ evangelie wordt de liefde tot God in je hart uitgegoten, en door díe liefde wil je Hem gehoorzamen. Zie je dat het anders werkt? 22 5. Geen ‘oorlog naar het vlees’ … ja, ik smeek dat als ik aanwezig ben ik niet moedig hoef te zijn met het vertrouwen dat ik reken te moeten durven tegen wie ons aanrekenen dat we naar het vlees zouden wandelen. Want, wandelend in het vlees, voeren wij geen oorlog naar het vlees 2Cor.10:2-3 NCV Paulus smeekte de Corinthiërs niet vrijmoedig te moeten optreden, dat zou misschien te zwaar zijn. Want, wandelend in het vlees … Dat geldt ieder mens, ook ons als gelovigen. Wij wandelen wel in het vlees, maar het is te hopen dat wij niet wandelen naar het vlees. Wij voeren geen strijd, geen oorlog, zegt Paulus, naar het vlees. Het woord dat hier staat voor ‘strijd’ is letterlijk ‘oorlog’. Oorlog voeren … ‘Maar, wacht even’, zou je denken, ‘je zegt: “Vanuit God is het vrede” en nu heb je het over oorlog. Hoe kan dat nou?’ Dat is omdat er een onzichtbare tegenwerker is. Het is geen ‘oorlog voeren’ zoals de kruistochten duizend jaar geleden. Zo niet. We voeren die oorlog niet. Paulus voerde een andere oorlog, met geestelijke wapens, met een geestelijke wapenrusting. Hij voerde oorlog in verband met de tegenstander, die volgens de Efeze de vorst van het volmachtsgebied van de lucht is. In de lucht zit heel wat tegenstand, om het zo maar te zeggen, maar die kunnen wij niet zien. De tegenstander is letterlijk: de god van deze eon (dit tijdperk). Dat is, als je het zo bekijkt, een formidabele tegenstander. Slechts één manier om je te wapenen: de wapenrusting uit Efeziërs 6. 23
Page 24
Doet de hele wapenrusting van God aan, opdat jullie stand kunnen houden tegen de strategieën van de Tegenwerker, want het is voor ons geen worsteling met bloed en vlees, maar standhouden tegen de overheden, tegen de gevolmachtigden, tegen de wereldmachten van deze duisternis, tegen de geestelijke machten van de boosheid te midden van de hemelsen. Neemt daarom de hele wapenrusting van God op, opdat jullie in staat gesteld worden te weerstaan in de boze dag, en dit álles verricht hebbend, te staan. Staat dan: jullie lenden omgord met waarheid en aangedaan hebbend het pantser van de gerechtigheid en de voeten onderbonden met de bereidheid van het evangelie van de vrede, in alles openemend het langschild van het geloof, waarmee jullie alle vlammende pijlen van de boze zullen kunnen blussen. En ontvangt de helm van de redding en het zwaard van de geest, dat is Gods uitspraak Ef.6:11-17 Denk maar aan een Romeinse soldaat met een lang schild. Dat is een letterlijk lang schild, maar voor ons is het geestelijk: het lange schild van geloof. Geloof in de uitspraken van God en in het bijzonder de uitspraken van God via Paulus. Dat is nodig tegen de aanvallen van de tegenwerker, de ‘vlammende pijlen’ van de boze. 24 6. Afbreking van bolwerken Want de wapens van onze oorlog zijn niet vleselijk, maar krachtig door God tot afbreking van bolwerken NCV Dat is de strijd, in feite de oorlog: het neerhalen van onzichtbare bolwerken. Het heeft te maken met de geestelijke vijanden die in Efeziërs genoemd worden: overheden, gevolmachtigden, wereldmachten van deze duisternis, geestelijke machten van de boosheid te midden van de hemelsen. En hoe werken ze? Niet van buitenaf, ze willen graag werken van binnenuit: in de gedachten van de gelovigen, zodat gelovigen tegenover elkaar komen te staan, zoals in Corinthe. Het is een blauwdruk voor de tweeduizend jaar daarna. Voortdurend verdeeldheid door allerlei meningen van mensen. Gedachten, die afwijken van het woord van God, afwijken van het evangelie dat Paulus bracht, van binnenuit. Als je letterlijk een bolwerk wilt veroveren, dan zul je moeten slopen, bressen in muren moeten slaan. Maar nu geestelijk. Dan hebben bolwerken te maken met redeneringen en elke hoogte die zich verheft tegen de kennis van God. ...overwegingen neerhalend en iedere hoogte die zich verheft tegen de kennis van God, en iedere gedachte gevangen wegvoerend tot de gehoorzaamheid van Christus 2Cor.10:5 NCV 25
Page 26
De kennis van God wordt in het evangelie dat Paulus brengt, enorm verdiept. Wanneer je de brieven van Paulus leest, bestudeert, gaat je erkenning van Wie God is, toenemen. Het is belangrijk ideeën te doorzien die in ons denken voet aan de grond krijgen. Ideeën, die onafhankelijk van, tegenstrijdig zijn aan, het woord van God, want mensen kunnen o zo snel redeneren. Ze zetten eerst een aantal losse teksten op rij en bouwen een redenering op om te concluderen. Dat is dan ‘de waarheid’. Maar dat is dan niet de waarheid, het is hun waarheid. Want zij zullen hun conclusie eerst moeten toetsen aan het woord van God Zelf, aan de brieven van de apostel Paulus. Dát is het evangelie voor ons én heeft te maken met het gezag waar hij het over heeft. Paulus gevolmachtigd, hij was niet zomaar iemand. Paulus, apostel – niet vanwege mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus en God, de Vader, Die Hem heeft opgewekt uit de doden Gal.1:1 NCV We onderstrepen het evangelie van de genade, zoals Paulus dat brengt. En bolwerken verzetten zich tegen dat evangelie, daar had Paulus mee te maken bij de Corinthiërs. De één zei: Ja, genade. Dus ik mag alles. Wacht even, zei Paulus, alle dingen zijn wel geoorloofd, maar is het ook tot opbouw? Is wat je doet of van plan bent, tot opbouw van de gemeente? 26 Paulus zegt iets over bolwerken in Kolossenzen 2. Daar spreekt hij ernstig: Zie toe dat er niet iemand zal zijn die jullie beroofd wegvoert door filosofie en lege verleiding, in overeenstemming met de overlevering van mensen, in overeenstemming met de grondbeginselen van de wereld en niet in overeenstemming met Christus Kol.2:8 NCV Grondregels van de wereld, religie. Dingen moeten doen om dichter bij God te komen, eigen werken. Dat kan zich ontwikkelen tot een eigen filosofie, maar zal blijken dat die filosofie leeg, ijdel is. Iets dat leeg is, kan heel groot lijken, en dat zie je ook in christendom. Iets dat groots wordt opgezet, maar als je dichterbij gaat kijken, is het een ballon waar je in kunt prikken. Één voorbeeld: wij bouwen mee aan een betere wereld of aan een betere aarde. Het wordt echter niet beter, Paulus zei dat het eerder slechter wordt. Je kunt heel hard gaan werken aan een betere wereld, maar die komt niet. Ja, de wetteloze komt, dan zal het ‘vrede’ worden en ‘een betere wereld’ … dat wordt het niet, want dan gaat het licht uit. Met de komst van de wetteloze gaat het geestelijke Licht uit in de wereld. Het wordt niet beter. Dat is één van die trucs waar de tegenstander ons graag in wil lokken, dat wij ‘met z’n allen gaan werken aan een betere wereld’. Dat is typisch een bolwerk. Terwijl, als je Gods woord leest, dan is het voor jou: Een betere wereld?! Ik luister liever naar het evangelie dat mij zegt wat er gaat komen. Dat Hij ons bergt vóór de komende verontwaardiging 1Tes.1:10. 27
Page 30
… en alles in gereedheid hebbend om iedere ongehoorzaamheid te wreken, wanneer jullie gehoorzaamheid ook vervuld zal zijn NCV Iedere ongehoorzaamheid moet weg. Het ‘wreken’ is in de zin van: terecht weghalen. In het Grieks staat daar het woord ekdikēo, letterlijk betekent dat: uit-te-rechtvaardigen. Een stuk ongehoorzaamheid aan het woord op juiste gronden weghalen. Want onze eigen bolwerken – onze eigen gedachten, die wij ontwikkelen en die niet kloppen – dat is óók ongehoorzaamheid. 30 8. Tot opbouw En blijven we niet bij wat we horen, want Paulus schrijft: Bekijken jullie de dingen overeenkomstig het uiterlijk? Indien iemand meent (in zichzelf overtuigd) van Christus te zijn, laat hij weer met dit rekenen voor zichzelf, dat zoals hij van Christus is, zo ook wij 2Cor.10:7 NCV De Corinthiërs keken naar het aangezicht, de buitenkant. Ze waren geestelijk niet volwassen genoeg in hun geloof om erdoor te kijken. Paulus sprak in 1 Corinthiërs 2 en 3 over ‘zielse mensen’. Hij sprak: Jullie zijn nog vleselijk, want jullie zijn verdeeld. Jullie hebben groepjes. Het ene groepje is zus en het andere zo. Dan ben je vleselijk bezig. Zo waren die Corinthiërs bezig en vanuit die vleselijke houding, gezindheid, keken ze alleen naar de buitenkant. Dan zegt Paulus: Indien iemand meent in zichzelf overtuigd van Christus te zijn … Mogelijk waren dit woordvoerders van dit groepje: Ja, maar wij zijn van Christus. Nou, zegt Paulus, laat diegene voor zichzelf hiermee rekenen: dat zoals die van Christus is, zo ook wij. De Corinthiërs waren alleen uit op uiterlijke ‘eenheid’: wij horen bij dát groepje en wij zijn ‘de beste’. Paulus wees hen op de ware eenheid. De werkelijke eenheid is, dat alle leden van het lichaam van Christus aan elkaar gegeven zijn en dat is één. Die geestelijke eenheid zouden wij bewaren (niet maken, Efeziërs 4:3). We zijn allemaal aan elkaar gegeven als leden van het lichaam van Christus en dat is een geestelijke eenheid, want wij hebben allemaal 31
Page 32
dezelfde geest ontvangen. De ware eenheid is verbondenheid in de geest met alle leden van het lichaam van Christus wereldwijd. 2 Corinthiërs 10:8 kwam al eerder aan de orde. Het geeft aan, dat Paulus autoriteit van de Heer gekregen heeft tot opbouw van de gemeente. Hij spreekt hier over zijn volmacht, over zijn apostelschap. Hij was aangesteld als leraar van de natiën 1Tim.2:7. Als zodanig is hij aangesteld, geïnstalleerd, en we zouden er goed aan doen om naar die leraar die gezaghebbend is, te luisteren. Als het goed is hebben de woorden van Paulus in ons leven gezag. Dat geloven wij en daar richten wij ons (gemeentelijk) leven naar in. En de gemeente, het lichaam van Christus, is niet een organisatie die ‘wij kunnen maken’, want dan ben je weer bezig met die uiterlijke eenheid. Het lichaam van Christus is een organisme. Christus regelt de zaken van bovenaf, Hij is het Hoofd. Dáárom zouden we naar Zijn richtlijnen via Paulus luisteren. Het ging er Paulus niet om mensen neer te halen, maar hij sloopt afwijkende gedachten, bolwerken bij de Corinthiërs. Lees scherp hier, want het was zijn bedoeling om ze op te bouwen, daar was elk woord op gericht. Dat het is tot opbouw en niet tot afbraak. Zo is hij bezig, ook in de eerste Corinthe-brief. 32 9. Met God verzoend Paulus ondervond veel moeite door de Corinthiërs, vandaar dat hij twee lange brieven schreef. Veel woorden … Dat getuigt ervan, dat hij er emotioneel bij betrokken was; God werkte dat door hem heen uit. Hij wilde hun gedachten ‘slopen’, zodat hun gedachten opnieuw opgebouwd konden worden en een keurig nieuw bouwwerk tot stand zou komen. En dan zegt Paulus in 2 Corinthiërs 10:9: Opdat het niet schijnt alsof ik jullie alleen grote vrees aanjaag door mijn brieven …NCV De Corinthiërs zeiden: … want hij verklaart: ‘Zijn brieven inderdaad zijn zwaar en sterk, maar zijn lichamelijke aanwezigheid zwak en zijn woord wordt gekleineerd’ 2Cor.10:10 NCV Moet je eens kijken hoe ze over hem spraken! Paulus kon niet goed spreken, letterlijk: zijn woord werd gekleineerd. Het was geen charismatisch spreker op het podium, maar hij bracht wél de woorden die hij moest spreken en zo keken de Corinthiërs naar de buitenkant. Zij wilden liever iemand hebben die van zichzelf sterk was; vandaag zouden we zeggen: Iemand die allerlei cursussen achter de rug heeft. Bijvoorbeeld – dat is tegenwoordig ‘in’: een cursus leiderschap. Paulus was door de Heer Zelf aangesteld, zijn woord is maatgevend. 33
Page 34
De Corinthiërs keken liever naar de buitenkant en hun uitspraken over Paulus waren vurige pijlen. En zeer waarschijnlijk deed het Paulus wel wat als mens, maar hij had het schild van het geloof en hij wist waarvoor hij stond. Hij wist dat hij aangesteld was als apostel en als leraar. We zouden dan ook naar zijn woorden luisteren. En het is een geweldige boodschap: God heeft vrede gemaakt! Want indien wij, toen we vijanden waren, verzoend werden met God door de dood van Zijn Zoon, veel meer zullen wij, verzoend geworden, gered worden in Zijn leven. Rom.5:10 NCV … en door Hem het al weder (of: wederzijds tot) Zichzelf te verzoenen, vrede gemaakt hebbend (lett: vrede doende) door het bloed van Zijn kruis, door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is Kol.1:20 NCV Tot God verzoend betekent eveneens: je bent aan elkaar gegeven, allemaal, als met God verzoende mensen. Dan is het logisch dat je ook met elkaar vanuit verzoening, vanuit vrede, omgaat. Dat zegt Paulus niet voor niets in 1 Thessalonicenzen: houdt vrede onder elkaar. Bij de Thessalonicenzen had hij ook het woord gebracht en zij hadden het aangenomen. Niet als een woord van mensen, zegt Paulus, maar wat het werkelijk ís: als het woord van God. Dat was anders dan bij de Corinthiërs, voor hen was het zó nodig, dat de verzoening ook onderling zou doorwerken. 34 10. Het woord van de verzoening Paulus bracht het woord van de verzoening. De grote God, Die alle mensen liefheeft, verzoent allen wederzijds tot Zich. En Hij laat Zijn boodschap van verzoening uitgaan naar deze wereld. Daarom kenen wíj vanaf nu níemand bekend naar het vlees. En ook indien wij Christus gekend hebben naar het vlees, nochtans kennen wij Hem zo nu niet meer. Zo is het dat, indien iemand in Christus is, die een nieuwe schepping is: het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen! Het al is echter uit God, Die ons met Zichzelf verzoend heeft door Christus en ons de dienst van de verzoening gegeven heeft dat is, dat God in Christus de wereld verzoende met Zichzelf, hen niet hun krenkingen aanrekenend, en in ons het woord van de verzoening geplaatst. Voor Christus dan zijn wij gezanten, alsof God aanspreekt door ons. Wij smeken ter wille van Christus: word verzoend met God! Want Die geen zonde kende heeft Hij voor ons tot zondoffer gemaakt, opdat wij zouden worden: rechtvaardigheid van God in Hem. 35
Page 36
Samenwerkend nu spreken wij ook jullie aan niet tevergeefs de genade van God te ontvangen, want Hij zegt: ‘In een aangename periode hoor Ik jou, en in een dag van redding help Ik jou.’ Zie, nu is een wel aangename periode! Zie, nu is een dag van redding! 2Cor.5:16-21, 6:1-2 NCV Het is nu nog steeds een wel aangename tijd. Het is nog steeds een dag van redding; redding door genade. Er wordt geen prestatie verwacht van de mens, maar je kunt Hem eenvoudig danken voor de genade die Hij geeft. Niet alleen de eerste keer dat het evangelie tot je doordrong en dankbaarheid in je hart gaf, maar dagelijks. Elke dag leven uit dankbaarheid, dat God ons ook nu genade schenkt. Ja, dat is fantastisch! Als dat doorwerkt onder elkaar, gaan we misschien meer en meer die eenheid, zichtbaar naar buiten zien. Dat is waar Paulus op uit was, zeker bij de Corinthiërs. Laten we lering trekken uit wat hij schreef aan de Corinthiërs. 36 NOTEN 1 Kefas is Petrus, Johannes 1:43. 2 ‘Makke’ gaat terug op het Hebreeuwse ‘makka’, dat ‘klap, slag’ en ‘gebrek, kwaal, plaag’ betekende. Later werd ’n cent ’n makke verbasterd tot “geen cent te makken”. Je kunt ook “niks te makken” hebben. Dat kan eveneens ‘geen geld hebben’ betekenen, maar ook ‘geen invloed hebben, niets in te brengen hebben’. Bron: https://onzetaal.nl/taaladvies/geen-cent-te-makken 3 Judaïsten zijn leraren, zowel joods als niet-joods, die zeggen dat het voor christenen noodzakelijk is om joodse wetten en gebruiken over te nemen. Vooral joodse wetten en gebruiken die voorgeschreven zijn in de wet van Mozes. Bron: https://stringfixer.com/nl/Judaizer 4 Geest en vlees verwijzen onder meer naar Gods belofte en vrucht versus eigen werken. Gal.3:3; 4:29; 5:19-23 Elders in de Schrift komen we de tegenstelling geest – vlees ook tegen. Waarbij vlees onder andere symbool staat voor wat zichtbaar is (van de mens) en geest voor wat onzichtbaar is. Kol.2:5 5 Want net zoals het lichaam één is en veel leden heeft, maar alle leden van het éne lichaam, hoewel velen, één lichaam zijn, zo ook de Christus, want in één geest ook zijn wij allen tot in één lichaam gedoopt; hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen; en allen zijn met één geest gedrenkt 1Cor.12:12-13 NCV En alles onderschikt Hij onder Zijn voeten, en Hij geeft Hem als Hoofd boven alles aan de uitgeroepen gemeente, die Zijn 37
Page 38
lichaam is, het complement van Hem, Die het al in allen compleet maakt Ef.1:22-23 NCV 6 In Nederlandse vertalingen staat de rechterstoel van God of de rechterstoel van Christus (Romeinen 14:10; 2 Corinthiërs 5:10). In de Engelstalige concordante vertaling lees je dais of God, of Christ. Dais is de vertaling van het Griekse bêma, dat verhoging betekent. Het is het gevolg van een (gezette) stap. In de Duitse concordante vertaling lees je: Preisrichterbühne; in het Nederlands erepodium. De bêma is niet ‘ter veroordeling’, het zegt iets over de toekomst, heerlijkheid. Romeinen 8:1 is duidelijk: Er is geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn. ‘Bêma’ gaat niet over een strenge rechter, maar over Hem, Die de prijs uitreikt. 7 De Thora, ook gespeld als ‘Tora’ of ‘Torah’ (Hebreeuws: ה רֹוּת), zijn de eerste vijf boeken van Tenach (Hebreeuwse Bijbel), die de grondslag van het Jodendom vormen en daarmee als de voornaamste heilige boeken van deze monotheïstische religie gelden. Bron: Wikipedia, https://nl.wikipedia.org/wiki/Thora 38 Meer uitgaven van Stichting Da-ath: De uitgeroepen gemeente: Lichaam én bruid? - Date Gorter Efeziërs 5:22-33 vergelijkt de gemeente in een aantal aspecten met de gehuwde vrouw. De vraag is: horen wij als gelovigen bij de bruid? Het beeld van lichaam roept gelijkheid van bedoelen op met het Hoofd (Christus), maar het beeld van bruid doet dat beslist niet. Wie gaan mee bij de opname? - Date Gorter Wanneer de Heer neerdaalt en de Zijnen roept: wie zullen Hem dan ontmoeten in de lucht? - 1 Thessalonicenzen 4: 13-18. De bazuin is een groot genademoment. Misschien onbewust en onbedoeld, willen wij daar toch op één of andere manier een voorwaarde aan vastkoppelen. Heel de wapenrusting van God - Date Gorter Heel de wapenrusting van God aandoen is noodzakelijk voor elk lid van het lichaam van Christus. Deze uitgave geeft antwoord op: waarom aandoen? Tevens een nadere toelichting op de zeven onderdelen, zoals die te vinden zijn in Efeziërs 6:10-20. 39
Page 42
Page 44
“Kun je me iets meer vertellen over de rechterstoel Gods?” 
Bij het woord ‘rechter’ schiet een aantal mensen mogelijk meteen al in de stress. Want als je voor de rechter moet verschijnen, is er sprake van een overtreding en op een overtreding volgt straf. Maar als je kijkt naar de grondtekst, dan zie je dat die notie ‘rechterstoel’ er helemaal niet is. Het Griekse woord in Romeinen 14:10 heeft niets te maken met straf, het heeft niets te maken met veroordeling.

De bêma, het erepodium


Page 0
Page 2
Page 4
Page 6
Page 8
Page 10
Page 12
Page 14
Page 16
Page 18
Page 20
Page 22
Page 24
Page 26
Page 28
Page 30
Page 32
Page 34
Page 36
Page 38
Page 40
Page 42
Page 44
Page 46
Page 48
Page 50
Page 52
Page 54
Page 56
Page 58
Page 60
Page 62
Page 64
Page 66
Page 68
Tot onze heerlijkheid behoort, dat wij in Christus Jezus met iedere geestelijke zegen te midden van de (op)hemelse schepselen gezegend zijn.

Leven in verwachting van Zijn komst


Page 0
Page 10
Volgens Titus 1:2 zijn wij in verwachting van eonisch leven3. Niet alleen wij, maar ook God zelf is gelukkig, dat Hij aan ons de genadegave van eonisch leven in Christus Jezus toebedeelt. Wij verwachten de dag van Christus. Wij verwachten het verschijnen van onze Heer Jezus Christus voor ons, de uitgeroepen gemeente die Zijn lichaam is, Ef.1:23; 1Kor.12:11-12 in de lucht, om weggerukt te worden tot de ontmoeting van de Heer en altijd met Hem samen te zijn. 1Thes.4:17 In onverderfelijkheid en heerlijkheid ja, om aan Hem gelijkvormig te zijn. Rom.8:29; Fil.3:21 Christus Jezus is onze heerlijkheid. Wij roemen in de verwachting van de heerlijkheid van God. Rom.5:2 Waaruit bestaat die? Uit Christus Jezus zelf, Die de afstraling van de heerlijkheid van God is. Hebr.1:3 Onze heerlijke verwachting is een extra kracht om tot Gods eer te leven. Want wie de verschijning van onze Heer Jezus Christus liefheeft, leeft naar Hem toe, wil Hem dienen, heeft Christus’ belang in de zin, ja, heeft Hemzelf lief. Hij zelf is diens verwachting, 1Tim.1:1 en zo’n gelovige wil Hem beslist niet krenken. Zo iemand krijgt overigens voor de bêma4 van Christus de krans van de gerechtigheid. 2Tim.4:8 Want de gerechtigheid van God heeft deze vrucht voortgebracht. Die wordt aan die gelovige in genade geschonken, door het geloof in Gods rechtvaardig handelen van het kruis. 10 2. Thuis bij de Heer Dikwijls krijgt men te horen dat de gelovig gestorvene nu ‘thuis bij de Heer’ is. Deze formulering, die in tegenspraak is met heel het getuigenis van de Schrift, is gebaseerd op vluchtig lezen van 2 Corinthiërs 5:1-9. Want wij weten, dat, ingeval onze aardse tentwoning afgebroken wordt, wij een gebouw uit God hebben, een woonhuis, niet met de hand gemaakt, eonisch, in de hemelen. 2Cor.5:1 Ons huidige lichaam wordt met een snel af te breken tent vergeleken. Er staat echter een onvergankelijk gebouw in de hemelen voor ons klaar, ons geestelijk lichaam, 1Cor.15:44 voor de komende eonen5. Ook de twee volgende verzen laten geen ruimte voor de opvatting, dat zij die in Christus ontslapen zijn, nu al thuis zijn: 11
Page 12
Want hierin zuchten wij ook, verlangend met onze behuizing, die uit de hemel is overkleed te worden, opdat wij, wanneer wij dat ook aandoen, niet naakt gevonden zullen worden. Want ook wij, die in de tent zijn, zuchten bezwaard, waardoor wij niet ontkleed, maar overkleed willen worden, opdat het stervende opgeslokt wordt door het leven. 2Cor.5:2-4 [NCV] Twee mogelijkheden: 1. Het overkleed worden, de omvorming van ons lichaam, zonder dat wij tevoren de dood hebben ondergaan; hier verlangen wij intens naar. 2. Het ontkleed worden en onbekleed zijn, dat is: sterven en dood zijn; daarnaar verlangen wij niet. Deze twee mogelijkheden stemmen overeen met het woord van God, dat niet alle gelovigen ontslapen. Maar dat allen die gestorven zijn en degenen, die achterbleven, gelijktijdig door de Heer naar Hem toe geroepen worden. 1Cor.15:51-53; 1Thes.4:13-18 Dan zijn wij thuis bij de Heer. 2Cor.5:8 Thuis bij Hem zullen wij onze volledige vervulling vinden, en wel in ons toekomstige huis, het lichaam, onverderfelijk en heerlijk. 1Cor.15:53; Fil.3:21 Daarom stellen wij er een eer in Hem welgevallig te zijn, zowel in den vreemde, dat is, in dit lichaam, als thuis, dus bij de Heer. 2Cor.5:9 Wanneer wij bij Hem zijn, dán zullen wij Zijn liefde uit het diepst van ons hart kunnen beantwoorden. 12 3. Hebben wij de verschijning van onze Heer lief? Ik heb de uitstekende strijd gestreden. Ik heb mijn loop ten einde gebracht. Ik heb het geloof bewaard. Verder is voor mij de krans van gerechtigheid gereserveerd, die de Heer, de rechtvaardige Richter, mij zal uitreiken in die dag. en niet alleen aan mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefhebben. 2Tim.4:7,8 [NCV] Wat een heerlijke dag voor de apostel Paulus, aan wie de gerechtigheid uit God op grond van het geloof van Christus geschonken werd. Want deze genade zette hem aan om, gericht op de dag van Christus, oprecht en niet aanstootgevend te wandelen en te dienen. Hij zal dus, vervuld met de vrucht van de gerechtigheid die door Jezus Christus is, tot verheerlijking en tot lof van God voor de bêma (het erepodium) van Christus gesteld worden. En wat een dag voor onze Heer Jezus Christus! Vanaf die dag zal Hij met alle leden van Zijn lichaam te midden van de ophemelsen verenigd zijn! 13
Page 14
Verheugen wij ons ook op deze dag van onze Heer Jezus Christus? Verlangen wij er ook naar, met onze Heer en Redder altijd samen te zijn? Hebben wij Zijn verschijning lief? Of zouden onze eigen toekomstplannen ons hinderen om verlangend naar Hem uit te zien? Wij kunnen hier op aarde niet zonder plannen. Maar wij mogen weten, dat alles wat ons hier nog na aan het hart ligt, ver overtroffen zal worden door de heerlijkheid, die God voor ons bereid heeft. Of koesteren wij vanwege de zonde, die in onze leden woont, bezwaren om onze Heer in het gezicht te zien? Laten wij ons toch herinneren, dat onze oude mens haar rechtvaardige gericht ontving en stierf, toen Hij stierf. Wij zijn in Christus’ bloed gerechtvaardigden, wederzijds verzoenden en geliefden; en zó ontmoeten wij Hem! Of vinden wij onszelf niet geschikt voor de komende opgaven te midden van de ophemelse schepselen? Hoe kunnen wij zoiets denken! Ons is gegarandeerd, dat God, de Vader, ons geschikt maakt voor het lotdeel van de heiligen in het licht. Kol.1:12 Wij zullen de verschijning van onze Heer toenemend liefhebben, als wij ons er meer van bewust worden, hoeveel Hij van ons houdt. 14 Want Hij heeft Zichzelf voor ons als naderingsgeschenk en offer voor God overgegeven. Dat wij toch de alle kennis te boven gaande liefde van Christus ten volle en ten diepste met ons hele hart mogen leren kennen! Wanneer wij gaan zien welke grote geestelijke zegeningen te midden van de ophemelsen aan ons gegeven zijn, kan dat bijna niet anders. Groots is de rijkdom van Zijn genade en hoe heerlijk is niet de voltooiing van het grote plan van God in Christus. Als we dat inzien, zullen wij Hem en Zijn verschijning liefhebben. Om welke reden krijgen echter allen, die Christus’ verschijning hebben liefgehad, de krans van de gerechtigheid bij de bêma toegekend? Omdat de liefde voor onze Heer en Redder en het intense verlangen naar Zijn verschijning, vrucht van de gerechtigheid is, die ons uit geloof geschonken werd. Net als de dienst, zo vol toewijding, van de apostel Paulus. 2Tim.4:7 We zijn overweldigd door de liefde van God, Die ons om niet rechtvaardigde in Zijn genade door de vrijkoping die in Christus Jezus is. Daardoor zijn onze harten gericht op de liefde van God en het volharden in het lijden van Zijn Zoon. De uitwerking is, dat wij Hem liefhebben. Maar liefde is niet alleen een emotie van het hart, zij vindt haar uitdrukking in onze onderschikking. Juist speciaal doordat wij de apostel Paulus navolgen in zijn uitstekende strijd voor het evangelie, in zijn bijzonder voorbeeldige wandel en dienst. En in 15
Page 16
het bewaren van het aan hem onthulde geloof. Hieruit blijkt wie van de gelovigen de Heer altijd voor ogen heeft en werkelijk op Hem gericht is. Omdat zulk gedrag (inclusief een rechtvaardige wandel) een vrucht van de gerechtigheid is, komt hem de krans van de gerechtigheid toe. Niet dat het uit ons is, het is de vrucht, door Jezus Christus, Fil.1:11 alleen in Hem wij zullen wij roemen. De grootste vrucht van de gerechtigheid is de liefde tot onze Heer en de verwachting van Zijn dag. En deze verwachting ontplooit dan haar kracht weer in een God welgevallige wandel en toegewijde dienst. De aangehaalde verzen 7 en 8 zijn dus synoniem. Moge de vreugde van de verwachting ons in alles tot verheerlijking van onze God en Vader aansporen! 16 4. Ons ophemels6 lotdeel In Paulus’ eerste brief aan de Corinthiërs lezen wij iets verbazingwekkends: … maar wij spreken Gods wijsheid in een geheimenis – een wijsheid die weggehouden is, die God tevoren bestemd heeft, voor de eonen, tot onze heerlijkheid, die niemand van de vorsten van deze eon heeft gekend, want indien zij haar kenden, zouden zij niet de Heer van de heerlijkheid gekruisigd hebben. Maar, zoals staat geschreven: Wat geen oog waargenomen en geen oor gehoord heeft, en tot waar geen hart van een mens omhooggekomen is, dat is al wat God gereed gemaakt heeft voor wie Hem liefhebben. 1Cor.2:7-9 Deze wijsheid heeft God al vóór de eonen, voordat de tijd en de tijdperken daarvan begonnen te lopen, tot onze heerlijkheid beschikt. Wij zijn in Hem, in de Gekruisigde en Opgestane, verheerlijkt. 17
Page 18
Over dit feit verheugen wij ons in de geest, door het geloof; op een dag zal dit zichtbaar en tastbaar ook zo zijn. Rom.8:30 Tot onze heerlijkheid behoort, dat wij in Christus Jezus met iedere geestelijke zegen te midden van de ophemelse schepselen gezegend zijn. Efe.1:3 En dat wij in de geest te midden van de ophemelsen gezet zijn Efe.2:6. Wij verwachten - intens verlangend - ook lichamelijk daarheen verplaatst te worden. Daar, te midden van de ophemelsen, zal onze God en Vader, in de komende eonen, via ons de alles overstijgende rijkdom van Zijn genade in Zijn heerlijke mildheid voor ons in Christus Jezus tentoonspreiden. Efe.2:7 Aangezien de heerlijkheid, die al vóór de eonen voor ons werd bestemd, in de ophemelse gebieden vervuld zal worden, willen wij daarmee bezig zijn. Wat is het ophemelse? Het ophemelse is dat deel van het (heel)al, dat boven de ‘luchthemel’ van de aarde is. De Griekse tekst maakt onderscheid tussen ouranios, hemels en epouranios, op-hemels. Een bijzonderheid is, dat hemel in het Grieks aangeeft: al wat je ziet als je naar boven kijkt. Dus zowel de luchtlagen op de aarde als, vooral de in het meervoud genoemde, de daarop liggende hemelen. Het ophemelse is altijd het gebied bóven de hemelen, die de aarde omhullen. Onze Heer Jezus Christus is de hemelen doorgegaan, Heb.4:14 is opgevaren tot boven alle hemelen, Efe.4:10 werd hoger dan 18 de hemelen verhoogd. Heb.7:26 Hij zit nu aan de rechter(hand) van God te midden van de ophemelse schepselen. Efe.1:20 Onze Heer zei tegen Nicodemus: Indien Ik jou van het aardse gesproken heb, zonder dat jij gelooft, hoe zul jij geloven, wanneer Ik jou van het ophemelse spreek? Joh.3:12 Het ophemelse was toen voor Gods aardse volk onbegrijpelijk, want hun beloften waren voor hun toekomst op de aarde gegeven. Pas toen Paulus en de Hebreeënbrief daarvan gingen spreken, werden de ogen van de Joden geopend voor het ophemels koninkrijk van de Heer. Daar, in dat ophemels koninkrijk, bevindt zich het ‘terrein’ (lotdeel) dat voor ons, het lichaam van Christus, door God is toegeëigend. Efe.1:14 Een lotdeel in het oude Israël, was dat deel van gemeenschappelijk akkerland, dat een dorpsbewoner jaarlijks door loting toeviel. Hij was dan ‘bezitter’ van een lotdeel, kort gezegd: ‘lotdeelbezitter’. Het deel van het heelal, dat ons door loting is toegewezen (en de ermee verbonden zegeningen en taken) is ons lotdeel. Ons lotdeel hebben wij in Christus, want Hij alleen is de Lotdeelbezitter van alles. Heb.1:2 19
Page 20
Israël zal lotdeelbezitter op aarde zijn, wij in het ophemelse ‘gebied’. In de beide komende eonen (tijdperken: de 1000 jaar en de nieuwe hemel en aarde) zullen wij ons te midden van de ophemelse schepselen bevinden. Wat zal onze heerlijkheid in het ophemelse zijn? Met intens verlangen verwachten wij onze verandering en opname (wegrukking), tezamen met de eerder gestorven én opgewekte gelovigen. En wij zijn dan samen met onze Heer, voor altijd. 1Thes.4:16,17 Ons burgerschap is in de hemelen, waaruit wij ook de Redder verwachten, de Heer Jezus Christus, Die ons vernederd lichaam veranderen zal en aan het lichaam van Zijn heerlijkheid gelijkvormig maken. Dat is in overeenstemming met de grote kracht, die Hem in staat stelt, alles aan Zich te onderschikken. Fil.3:20,21 Met deze verlossing (vrijkoping) van ons lichaam ontvangen wij definitief de plaats van zoon. Rom.8:23 Wij roepen Abba, Vader! In de geest van dat zoonschap. Rom.8:15 Wij mogen ook weten: Er wordt een ziels lichaam gezaaid, en een geestelijk lichaam opgewekt! 1Cor.15:44 20 Net als wij het beeld van Adam, de aardse, dragen, zullen wij ook het beeld van Christus Jezus, de Ophemelse, dragen. 1Cor.15:49 Wat een heerlijkheid heeft God ons toch toegedacht: wij worden gelijkvormig aan het beeld van Zijn Zoon en zullen zonen van God zijn, naast die Eerstgeborene, de Enige! Rom.8:29 Allen die van Christus zijn, zullen levend gemaakt worden als Hij aanwezig is. En dat geldt ook voor hen die dan leven, want levendgemaakt worden houdt in: onverderfelijk leven ontvangen. 1Cor.15:22,23 God maakt ons in Christus levend. Efe.2:5 Zo’n heerlijke inhoud heeft onze redding in de genade. En wij zullen in de toekomstige eonen al zo’n leven hebben (terwijl de niet-uitgekozenen nog dood zijn, van niets weten). Want de genadegave van God is eonisch leven in Christus Jezus, onze Heer. Rom.6:23 Bovendien zet God ons in Christus Jezus te midden van de ophemelse menigten. Efe.2:6 Zitten; dat drukt eervolle waardering uit. De Enige, Die dit toekomt is Christus. Hij is nu al gezeten aan de rechter(hand) van God te midden van de ophemelsen. Efe.1:20 21
Page 22
Omdat wij nauw met Hem verbonden zijn, worden ook wij zo geëerd – uitsluitend en alleen in Zijn genade. Al deze heerlijkheid is Gods lotdeel in Christus Jezus voor ons, die geloven. Efe.1:18,19 Als kinderen van God worden wij lotdeelbezitters van God, Rom.8:17 dat wil zeggen: bezitters van wat God voor ons bereid heeft. Boven de rijkdom van Zijn genade, Efe.1:7 valt ons de rijkdom van Zijn heerlijkheid Efe.1:18,3:16 ten deel. Dat is de maat van God, de Vader van de heerlijkheid, Efe.1:17 Die ons alles schenkt in de Heer van de heerlijkheid, ons gekruisigd werd. 1Cor.2:8 Die voor Daarbij zijn wij lotdeelbezitters gezamenlijk met Christus, wanneer wij gezamenlijk met Hem lijden Rom.8:17 zullen wij ook gezamenlijk met Hem verheerlijkt worden. Dat is: deelhebben aan Zijn koningsheerschappij in de toekomstige eonen, dus met Hem regeren. 2Tim.2:12 Wat een extra heerlijkheid voor hen, die omwille van het woord van Christus lijden, omdat zij blijven bij het evangelie dat aan Paulus onthuld werd. Gal.1:12 En bij de aan hen toebedeelde heerlijkheid! 22 Welke taken hebben wij in het ophemelse? Waartoe zijn wij in de ophemelse regionen geroepen? Wij hebben daar dienstwerk te doen. Onze ophemelse roeping is een roeping tot dienstwerk. Wij tonen daar de genade van God in Christus Jezus. Wij, die in de genade geredden zijn, zijn daarmee voor de genade gered, Efe.2:8 dat is: met het doel de genade te tonen. Want ieder van ons is bewijs van de genade van God. Klopt onze wandel hier op aarde daarmee? Het begin van onze ophemelse dienst Ons grote dienstwerk te midden van de ophemelse schepselen is al begonnen, want wij zijn nu al in de geest in hun midden neergezet, in Christus. Daar zijn ook onze werkelijke vijanden. Dat zijn: de wereldbeheersers van deze duisternis, de geestelijke machten van de boosheid te midden van ophemelse menigten. Daarom zouden wij heel de wapenrusting van God opnemen, om stand te kunnen houden. Opdat wij (hoewel niet daadwerkelijk), in ons bewuste zijn, ons niet van het ons gegeven ophemelse lotdeel laten verdringen. Efe.6:1020 23
Page 24
Ons dienstwerk aan de hemelingen bestaat daaruit, dat wij zó wandelen, dat zij gaan erkennen wat de genade van God van zwakke mensen gemaakt heeft. De uitgekozen boodschappers kijken naar ons. 1Tim.5:21 Uit 1 Corinthiërs 4:9 blijkt, dat Paulus voor de hemelse boodschappers een schouwspel was. Wij zijn dat ook, als zijn navolgers. Door ons, de uitgeroepen gemeente, maakt God aan de overheden en machten te midden van de ophemelsen nu Zijn veelvuldige wijsheid bekend. Efe.3:10 De wereld wees de al duizenden jaren eerder beloofde Redder af. Israël heeft zijn Koning én daarmee het koninkrijk van God verworpen. Maar de veelvuldige wijsheid van God drukt zich daarin uit, dat Hij nu, op basis van het kruis, de uitgekozen gelovigen met overstromende genade overlaadt. Wat een verwondering en wat een aanbidding moet dit feit onder de ophemelsen teweegbrengen! Ons algemene dienstwerk Gezet te midden van de ophemelsen zijn wij geroepen om in de komende eonen de overstromende genade van God te tonen: Hij ... zet ons gezamenlijk te midden van de ophemelsen in Christus Jezus, opdat Hij in de komende eonen tentoon zal 24 spreiden de alles overstijgende rijkdom van Zijn genade in Zijn mildheid voor ons in Christus Jezus. Efe.2:5-7 God zal de daar aanwezige schepselen Zijn Zoon tonen, die door Zijn uitgeroepen gemeente compleet gemaakt is. Nu kennen zij Hem nog als: … hoog verheven boven iedere soevereiniteit en volmacht en kracht en heerschappij, ook boven iedere naam die genoemd wordt, niet alleen in deze eon, maar ook in de toekomende … Efe.1:21 maar dan zullen zij Hem echter met Zijn uitgeroepen gemeente, die Zijn lichaam is, zien. Wij, als uitgeroepenen, door Zijn bloed gekocht, zijn aan Hem toegevoegd, en zij zien Hem dan in een nieuwe waardigheid. Wij zijn het complement van Hem, Efe.1:23 Die het al in allen compleet maakt. Hij is dat niet zonder ons. Wij maken Hem compleet! Zijn wij ons wel van onze roeping bewust? Wij zijn het bewijs van Gods genade, Gods liefde, Gods gerechtigheid, Gods heerlijkheid in Hem, Zijn Zoon, onze Heer en Hoofd. 25
Page 26
Hij is niet alleen ons Hoofd, dus van de uitgeroepen gemeente, Kol.1:18 maar ook Hoofd boven alles. Efe.1:22 God zal in de laatste eon (tijdperk van nieuwe hemelen en aarde), het beheer van het complement van de era’s (tijden), het al in de Christus samenvatten (onder Hem als Hoofd brengen). Efe.1:10 Elk schepsel zal in Hem zijn Hoofd vinden en aan Hem onderschikken. 1Cor.15:27 Dit alles is verbonden met de wederzijdse verzoening van het al (alles). De essentie van de wederzijdse verzoening is vrede. Deze vrede mogen wij nu al om ons heen verspreiden en wij zullen deze in de komende eonen doorgeven. De vrede met God door onze Heer Jezus Christus. De vrede, die God door het bloed van het kruis van Zijn Zoon maakt, zal heel het universum omvatten. Kol.1:20 In de naam van onze Heer Jezus Christus zij onze God en Vader: de lof en de verheerlijking tijdens die kronende eonen van de eonen, waarin wij de genade van God in Christus Jezus mogen laten zien! Bijzondere taken voor hen, die met Christus lijden Er is op gewezen, dat zij, die om Christus’ wil lijden, Rom.8:17 met Hem zullen regeren. 2Tim.2:12 Christus regeert (als Koning) in de beide komende eonen, totdat God al Zijn vijanden onder Zijn voeten gelegd heeft. 26 In de voleinding, bij de afsluiting van de eonen, zal Christus Zijn koningsheerschappij aan Zijn God en Vader overdragen. God zal alles dan aan Hem onderschikt hebben, zal alles in allen zijn. 1Cor.15:24-28 Deel aan Christus’ koningsheerschappij hebben de heiligen, die omwille van het geloof volhardden. Daarbij gaat het om een genadegave van onze trouwe God en Vader. Hij schenkt het ons, voor Christus (tot Zijn eer), in genade, niet alleen nbin Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden. Fil.1:29 Dat is zo, omdat wij dezelfde worsteling hebben, als die wij bij Paulus zien. Hij heeft, ondanks alle tegenstand, het geloof bewaard. 2Tim.4:7 Dat wil zeggen: hij heeft het hem toevertrouwde geloof niet laten verwateren. En zijn evangelie niet vermengd met dat van Petrus. Gal.2:7 Hoe heftig werd hij daarom aangevallen! Hoe onverzoenlijker men echter tegen hem optrad, hoe meer hij het evangelie van de vrede kon laten zien. Zo werd hij in verdrukkingen veelvuldig bewaard. Lijden en verdrukkingen om Christus’ wil zal onze God en Vader ook ons naar Zijn wijsheid toedelen, als Hij ons deze genade wil verlenen. 27
Page 28
Het regeren omvat ook het richten van de wereld en de boodschappers7. 1Cor.6:2,3 Het richten van de wereld gebeurt bij het gericht van de grote witte troon, door Christus, met medewerking van degenen, die volhardden. Daar zullen de niet verloste en niet gerechtvaardigde mensen (dus de niet uitgekozenen) tot erkenning van zichzelf en hun boze daden komen. Zo worden zij voorbereid op het aan God onderschikken. Want Gods gerichten zetten zaken recht en brengen mensen terecht. De gerichten van God brengen ware gerechtigheid. De ophemelse wereld zal daarom door diegenen onder ons, die volhard hebben, mede geregeerd worden. Dit is vergelijkbaar met de overwinnaars uit Israël, die zullen regeren over de natiën op aarde. Op.2:26,27; 20:4 De opgave van het richten en het regeren over de ophemelse menigten, overtreft werkelijk die van alle andere schepselen. Wie maakt ons echter daarvoor geschikt? Hij, onze God en Vader, Die alles bewerkt, Die ons groei schenkt nbin Christus Jezus, ons Hoofd. Alleen aan die gelovigen, die niet in ongerechtigheid wandelden, wordt de functie van richten toevertrouwd; zij zijn bestemd om te regeren. Dit laat het verband in 1 Corinthiërs 6 zien. Allen die onrecht doen zullen zullen geen lotdeelbezitters samen met Christus in Zijn regeren zijn. Dat betreft ook hen, die aan hun 28 recht tegenover de broeders en zusters vasthouden en zich door hen geen onrecht laten aandoen, zich niet laten benadelen. Waarom laten jullie je juist niet liever onrecht aandoen? Waarom laten jullie je juist niet liever benadelen? Maar jullie doen onrecht en benadelen - en dit aan broeders! Of weten jullie niet dat onrechtvaardigen Gods koningsheerschappij niet als lotdeel zullen bezitten? Dwaalt niet. Noch hoereerders, noch afgodendienaren, noch echtbrekers, noch verwijfden, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch hebzuchtigen, noch dronkaards, noch schimpers, noch roofzuchtigen zullen de koningsheerschappij van God als lotdeel bezitten. 1Cor.6:7-10 Aan het leven in het ophemelse koninkrijk zullen wij allen deelhebben. Echter, wij zullen niet allemaal aan de koningsheerschappij deelnemen. Wandelt waardig de roeping! Laten wij ons ernaar uitstrekken, waardig aan onze ophemelse roeping te wandelen. Wij hebben het voorbeeld van de apostel Paulus tot navolging. 1Cor.11:1 Hij is hét voorbeeld van godsvrucht (goed vereren van God) in dit beheer (van genade), waarin wij leven. 29
Page 30
Iets om in dit verband te lezen: Zozeer aan jullie gehecht, achten wij het goed met jullie niet alleen het evangelie van God te delen, maar ook onze eigen ziel, omdat jullie ons geliefd geworden waren. Want jullie herinneren je, broeders, onze moeite en inspanning: nacht en dag werkend om niet iemand van jullie te belasten, hebben wij aan jullie het evangelie van God verkondigd. Jullie zijn getuigen, en God, hoe welgezind en rechtvaardig en onberispelijk wij geworden waren voor jullie, die geloven, net zoals jullie weten, hoe wij eenieder van jullie, als een vader zijn kinderen, jullie aanspreken en troosten en aan jullie getuigen om God waardig te wandelen, die jullie roept tot Zijn koninkrijk en heerlijkheid. 1Thes.2:8-12 Wanneer wij waardig aan deze roeping wandelen, mogen wij aan Zijn koningsheerschappij, die Hij door Christus uitoefent, deelnemen. Zie: Efeziërs 4:1-4. Wees bedacht op wat boven is! Of onze wandel en dienst aan de ophemelse roeping waardig is of niet, wordt door de instelling van ons denken (denkzin) bepaald. Zo is het praktisch gevolg: bedenkt dat wat boven is, of weest gezind op wat boven is 30 De Heer zal ons redden voor Zijn ophemels koninkrijk. 2Tim.4:18 Wat een genade, heerlijkheid en hoog dienstwerk is ons toegedacht! Omdat wij nu weten wat God ons in genade geschonken heeft – wat in geen mensenhart is opgekomen, wat God bereid heeft voor ons, die Hem liefhebben – laten wij daarom tot Zijn eer wandelen! Zijn liefde en genade zijn overweldigend. Hoe verandert Zijn opvoedende genade ons. Tit.2:11,12 Daarom: Indien jullie dan gezamenlijk opgewekt werden met Christus, zoekt wat boven is, waar Christus is, aan Gods rechterhand zittend. Weest bedacht op wat boven is, niet op wat op de aarde is, want jullie stierven en jullie leven is verborgen met de Christus in God. Wanneer Christus, ons leven, openbaar gemaakt wordt, dan zullen ook júllie met Hem openbaar gemaakt worden in heerlijkheid. Kol.3:1-4 Praktisch bedacht zijn op wat boven is, hoe? Tijd vrijmaken om de Schriften te onderzoeken. Vooral die spreken van onze heerlijke, geestelijke, ophemelse zegeningen – de brieven van Paulus. Gebed, dat onze Heer ons hart op de liefde van God en op de volharding van Christus richt. 2Thes.3:5 31
Page 32
Dank Hem voor eonisch leven in Christus Jezus, onze Heer, en voor eonische heerlijkheid. Rom.6:23 Gebed om geestelijke wijsheid en inzicht. Efe.1:17-19 Wandelen in geloof, verwachting en liefde. 1Cor.13:13 De verschijning van onze Heer Jezus Christus liefhebben. 2Tim.4:8 Denkend aan ons geplaatst zijn in het ophemelse: heel de wapenrusting van God aandoen, om stand te kunnen houden tegen de geestelijke machten van de boosheid te midden van de ophemelsen. Efe.6:10-20. Wanneer wij die wapenrusting van God niet aandoen, zullen wij door allerlei wijsheid van mensen, vooral religieuze wijsheid, meegesleept worden, weg van al onze geestelijke en ophemelse zegeningen, die wij in Christus Jezus ontvingen. Kol.2:8-10 Wij verliezen deze zegeningen niet; maar als wij ons die niet meer bewust zijn, zal onze wandel moeilijk waardig kunnen zijn aan onze hoge roeping. Met het oog op onze heerlijke verwachting rest ons alleen, net als de apostel Paulus: Onze knieën te buigen voor de Vader van onze Heer Jezus Christus, opdat Hij ons zal geven - naar de rijkdom van Zijn 32 heerlijkheid - door Zijn geest in kracht standvastig te worden in de innerlijke mens, en dat Christus door het geloof volkomen in ons hart zal wonen en wij, in liefde geworteld en gefundeerd, sterk zullen worden, om met alle heiligen te beseffen, wat de breedte en lengte en diepte en hoogte is (en daarnaast te kennen de alle kennis overstijgende liefde van Christus), opdat wij compleet gemaakt worden tot het volledige complement van God. Hem nu, Die oneindig veel meer kan doen - boven alles wat wij verzoeken of bevatten - in overeenstemming met de kracht die in ons werkzaam is, Hem zij de heerlijkheid in de uitgeroepen gemeente en in Christus Jezus tot in alle generaties van de eon van de eonen! Amen! Efe.3:14-21 33
Page 38
toekomst, heerlijkheid. Romeinen 8:1 is duidelijk: Er is geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn. ‘Bêma’ gaat niet over een strenge rechter, maar over Hem, Die de prijs uitreikt. 5 Eon, Grieks: aiōn = een (wereld)tijdperk. Net zoals een uur of een dag een bepaalde periode van tijd is, zo is in de Bijbel ook een ‘eon’ een periode van tijd. Bij ‘eonen’ gaat het dan om de langste tijdsperiodes die bekend zijn. 6 Grieks: epouranios, d.i. letterlijk op-hemels (of: over-hemels). 7 Het woord ‘engel’ is de Nederlandse vertaling voor het Griekse woord ‘aggelos’ [uitspraak: ‘angelos’]. Dit woord komt 187 keer voor in het Nieuwe Testament en het wordt 180 keer vertaald met ‘engel’ en 7 keer met ‘boodschapper’. ‘Engel’ is feitelijk geen vertaling, maar een klanknabootsing want ‘aggelos’ betekent ‘boodschapper’. 38 Dieter Landersheim biblischelehre.de Dit is een uitgave van Stichting Da-ath Opdat wij weten, wat God ons in genade schenkt! Gods Woord is leven. Getuigen van God en Zijn Woord. Da-ath is het Hebreeuwse woord voor ‘kennis’. Wat de Schrift in Kolossenzen 1:20 zegt, is dat God het al met Zich verzoent doordat Hij vrede maakte in het bloed van het kruis van Christus. da-ath.nl In samenwerking met: Evangelie Om Niet Het Evangelie spreekt van de ene God, Die OM NIET alle mensen redt, verzoent, levend maakt en rechtvaardigt! Gratis online boeken lezen, delen en downloaden (de publicaties zijn ook als uitgave op papier verkrijgbaar) Evangelieomniet.nl 39
Page 42
42
Page 44
Er zijn er nogal wat details in deze geschiedenis die worden misverstaan, maar belangrijker nog is dat deze gebeurtenissen een profetische strekking hebben. Het is een illustratie van Israël dat haar broeder, de Messias, doodde. Net als Kaïn werd het volk verstrooid over de aarde. En God zorgde voor een plaatsvervanger van Abel: een nieuwe zoon van Adam ...

Kaïn en Abel


Page 0