0

Scherp door de bocht Menno Haaijman

Colofon Titel: Scherp door de bocht © 2021 Menno Haaijman Eerste druk: december 2021 Uitgever: geschriften.nl Alle rechten voorbehouden Samenstelling & vormgeving: Evangelie Om Niet, evangelieomniet.nl Technische realisatie: Cora Sanders, Schrijverspunt ISBN 978-94-6266-546-0 NUR 707

INHOUD VOORWOORD 7 1. Weet je wel, wat je leest? 9 2. Prijs God 27 3. Een liefdesbrief 43 4. Waar staat dat? 51 5. Correct snijden 61 6. Waar zijn de Bereeërs? 75 7. De aorist [deel 1] 99 8. De aorist [deel 2] 127 9. Even stilstaan 159 10. Deinende schapen 161 11. Scherp door de bocht 169 12. De Rabbijn 173 13. Eeuwig? 207 14. Het verzoendeksel 235 15. Sola Scriptura 263 16. Loslaten 275 17. Wie weet, weet beter 285 18. Roze olifantjes 299 19. Wat is een gelovige? 307 20. Een juridisch document 327 21. Hoger de berg op 347 22. Concordante overpeinzingen 355 5

6

VOORWOORD Onverwachte dingen komen meestal tegelijk. De laatste maanden werden mijn vrouw en ik geconfronteerd met onze eindigheid. Daar hadden we helemaal niet op gerekend. Op dat ouder worden. We dachten dat we altijd 35 zouden blijven. Sterk, gezond. Dus niet. Tegelijkertijd met dit besef van eindigheid kregen wij – eveneens onverwacht – heel veel gesprekken over het geloof. Met zoekende mensen – jong en oud. Dit bracht mij ertoe mijn toespraken uit het verleden tevoorschijn te halen. Dit boek is een selectie uit mijn toespraken van de afgelopen vijfentwintig jaar. Deze toespraken werden uit een innerlijke noodzaak geboren. Ik had bij iedere toespraak steeds het gevoel dat het mijn laatste toespraak zou zijn. Daarom zijn mijn toespraken nogal intens. Die intensiteit zorgde ervoor dat ik in mijn toespraken regelmatig scherp door de bocht ging. Daar heb ik geen spijt van. Integendeel. Misschien brengen die toespraken u tot nadenken. Dan hebben die toespraken hun doel bereikt. Menno Haaijman Katwijk, november 2021 7

8

1. Weet je wel, wat je leest? Weet je wel, wat je leest? In je bijbel, bedoel ik. Ik zal je maar meteen het antwoord geven. Nee, je weet niet wat je leest. Je denkt dat je weet wat je leest. Is dat zo? Ja, dat is echt zo. Een boodschapper van de Heer zei tot Filippus dat hij naar een eenzame weg moest gaan. De weg die afdaalt van Jeruzalem naar Gaza. En Filippus stond op en hij ging. En kijk, er was een Ethiopiër, een staatsman, de minister van financiën van koningin Kandakee. En deze Ethiopiër was naar Jeruzalem gegaan om te aanbidden. En hij was op de terugweg en hij las, in zijn wagen gezeten, de profeet Jesaja. En de geest zei tot Filippus: ‘Treed toe en voeg je bij deze wagen.’ En Filippus liep er snel heen en hij hoorde de Ethiopiër de profeet Jesaja lezen. En Filippus zei tegen de Ethiopiër: ‘Weet je wel, wat je leest?’ En de Ethiopiër antwoordde: ‘Hoe zou ik dit kunnen, als niet iemand mij de weg wijst?’ En hij verzocht Filippus in te stappen en naast hem te komen zitten … Jij bent naar een christelijke bijeenkomst geweest om God te aanbidden. En nu ben je op de terugweg, in je wagen. En je bent op een eenzame weg. En je leest je bijbel. En dan treed ik op je toe. En ik zeg tegen je: ‘Weet je wel, wat je leest?’ 9

Misschien vind je dat geen prettige vraag. Misschien vind je wel dat ik je stoor tijdens je bijbel lezen. Misschien zeg je wel tegen mij: ‘Waar bemoei je je mee? Ik weet toch wat ik lees …’ Als je dat tegen mij zegt, dan ga ik weer weg. En jij rijdt dan met je wagen in volstrekte onwetendheid naar je huis. Je hebt dan wel je bijbel bij je. Maar je begrijpt er niets van. Maar als je tegen mij zegt: ‘Hoe zou ik dit kunnen, als niet iemand mij de weg wijst?’ En je verzoekt mij om in te stappen en naast je te komen zitten, dan laat ik je zien dat je bijbel een vertaling is van oude handschriften. Het ‘Oude Testament’ is oorspronkelijk in het Hebreeuws en het Aramees geschreven. Het ‘Nieuwe Testament’ in het Grieks. Die Hebreeuwse en Griekse handschriften, dat is het Woord van God. En je bijbel is de vertaling van Gods Woord. Begrijp je dat? Ik zal het nog een keer tegen je zeggen. Jouw bijbel is niet Gods Woord. Jouw bijbel is een vertaling van Gods Woord. Misschien ben je nu verrast. Misschien heb je dit nog nooit gehoord. Misschien moet je dat even verwerken. Maar als je dat verwerkt hebt, dan zit je meteen met een grote vraag. En dat is: Hoe weet ik nou of mijn bijbel, die vertaling, wel overeenkomt met die handschriften? Dat wil ik heel graag nu met je bespreken. Wij bekijken samen een vertaling van het Nieuwe Testament. Wij gebruiken de Nieuwe Vertaling uit 1951 van het Nederlands Bijbelgenootschap, ook wel ‘het NBG’ genoemd. 10

En wij toetsen die vertaling dan aan de hand van de Griekse handschriften. Ik pak mijn bijbel (het NBG dus) en ik begin met de brief aan de Romeinen. Dan lees ik in Romeinen hoofdstuk 1 vers 1: “Paulus, een dienstknecht van Christus Jezus …” En dan zoek ik dit op in de Griekse grondtekst. En dan lees je in het Grieks: “Paulos, doulos Christou Iesou …” Deze Griekse woorden betekenen in het Nederlands: ‘Paulus, slaaf van Christus Jezus’. Kijk, daar heb je een verschil. Het NBG heeft hier ‘dienstknecht’. Het Grieks heeft ‘doulos’, dat ‘slaaf’ betekent. Volgens het Koenen woordenboek van de Nederlandse taal is een dienstknecht ‘een ondergeschikte’. En een slaaf is volgens Koenen: ‘een lijfeigene, die geen persoonlijke rechten heeft.’ En wat is een ‘lijfeigene’? Volgens Koenen: ‘een persoon wiens lichaam het eigendom is van zijn heer.’ Een slaaf is dus wat anders dan een dienstknecht. Een dienstknecht werkt voor loon. En een slaaf is het eigendom van zijn heer. Dat maakt deze passage in Romeinen 1:1 wel even anders. Laten we nu de gedachtegang van de vertalers even volgen. Daarvoor gebruiken we de Studiebijbel. Je weet wat de Studiebijbel is? De Studiebijbel is het standaardwerk in Nederland voor de uitleg van de bijbel. Alle kerken in Nederland bevelen deze Studiebijbel van harte aan. In deel 12 schrijft de Studiebijbel op bladzijde 155: het zelfstandig naamwoord (mnl.) doulos betekent ‘slaaf’. 11

En dan schrijft de Studiebijbel even verderop: een ‘doulos’, een slaaf, is het eigendom van zijn heer, verplicht tot gehoorzaamheid. Begrijp je dit? Het Griekse woord ‘doulos’ betekent dus slaaf. We bekijken nu hoe het woord ‘doulos’ in onze bijbelvertaling gebruikt wordt. Wij zoeken dan in de Studiebijbel, in studiedeel 12, het woord ‘doulos’ op. Je ziet dan dat het NBG het woord ‘doulos’ met ‘slaaf’ vertaalt. Maar ook met ‘dienstknecht’, ‘knecht’ en ‘dienaar’. De vraag rijst dan: waarom gebruikt het NBG in bepaalde plaatsen het woord ‘dienstknecht’ of ‘dienaar’ in plaats van het woord ‘slaaf’? Dat wordt uitgelegd door de Studiebijbel. Zij verwijzen allereerst naar Openbaring 1:1. Hier wordt gesproken over de dienstknechten [slaven] van God. Ook verwijst de Studiebijbel naar Handelingen 2:18. Daarin zegt God: “… ja, zelfs op mijn dienstknechten [slaven] en mijn dienstmaagden [slavinnen] zal Ik in die dagen van mijn Geest uitstorten …” De Studiebijbel zegt dan, in deel 12, bladzijde 155: In deze gevallen wordt het woord ‘doulos’ in plaats van met het woord ‘slaaf’ – vanwege de in onze taal en cultuur negatieve bijklank – meestal vertaald met ‘dienstknecht, dienaar’. Ik wil je even laten zien wat er hier gebeurt. Het Woord van God zegt dat iemand een ‘slaaf’ is. En dan zeggen onze vertalers: Nee, het woord ‘slaaf’ heeft een negatieve bijklank, wij vertalen met ‘dienstknecht’. Hier wordt dus opzettelijk de betekenis van Gods Woord veranderd. 12

Wanneer je in je bijbel in Romeinen 1:1 leest: ‘Paulus, een dienstknecht van Christus Jezus’, dan krijg je foutieve informatie. Je leest iets wat er niet staat. Maar dat weet je niet. Want je vertrouwt op je bijbel. Je vertrouwt erop dat de vertalers de juiste keuzes hebben gemaakt. Maar dat hebben ze niet gedaan. Want zij hebben het woord ‘slaaf’ in Romeinen 1:1 opzettelijk veranderd in ‘dienstknecht’. Let even op. Ik wil heel graag benadrukken dat de bedoelingen van onze vertalers heel nobel zijn. Zij vinden het woord ‘slaaf’ niet goed passen bij de persoon Paulus. Zij vinden dat er een negatieve bijklank in het woord ‘slaaf’ zit. Zij vinden het woord ‘slaaf’ in deze passage eigenlijk aanstootgevend. Uit respect voor de persoon Paulus veranderen zij het woord ‘slaaf’ in Romeinen 1:1 in ‘dienstknecht’. Deze verandering in Romeinen 1:1 lijkt heel onschuldig. Heel veel broeders halen dan ook hun schouders op. Ze zeggen: ‘Waar maak je je zo druk over? Dienstknecht of slaaf, wat maakt het uit?’ Maar zij hebben er geen idee van dat kleine veranderingen grote gevolgen hebben. In de eerste plaats begrijp je deze passage in Romeinen 1:1 niet. Je denkt dat je begrijpt wat er staat. Maar dat is niet zo. Want je leest iets wat er niet staat. Maar dat weet je niet. Want je vertrouwt op je bijbel. Ik vraag het nog een keer aan je: ‘Weet je wel, wat je leest?’ Nee, je weet niet wat je leest. Je denkt dat je weet wat je leest. 13

Weet je, je denkt dat je met je bijbel het zuivere Woord van God in handen hebt. Maar dat heb je niet. Want Gods woorden worden door onze vertalers opzettelijk veranderd. Alleen al met het woord ‘doulos’ 27 keer. Maar er gebeurt nog veel meer. Het woord ‘slaaf’ wordt in 27 passages vervangen door het woord ‘dienstknecht’. De meeste van die passages gaan over onze verhouding tot onze Heer. Weet je, Christus heeft ons gekocht en betaald. Hij is onze Heer. En wij zijn zijn slaven. Wij zijn verplicht Hem te gehoorzamen. Zo zou het moeten zijn. Maar wij hebben de gehoorzaamheid van een slaaf vervangen door de vrijblijvendheid van een dienstknecht. ‘Maar’, zeg je, ‘dat wist ik echt niet, dat ik een slaaf van Christus ben.’ Nee, dat begrijp ik. Dat komt omdat de vertalers het woord ‘slaaf’ in ‘dienstknecht’ hebben veranderd. Weet je wel, wat je leest? In je bijbel, bedoel ik. Nee, je weet niet wat je leest. Je denkt dat je weet wat je leest. Ik wil je nu laten zien hoe een kleine verandering in de vertaling de werkelijke betekenis van een passage wegneemt. Ik lees met je Filippenzen 2:6-7. “Christus Jezus (…), die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is.” 14

Vers 6 zegt ons dat Christus in de gestalte van God is. Vers 7 zegt ons dat Christus de gestalte van een ‘doulos’, van een slaaf, heeft aangenomen [Griekse grondtekst: ‘in ontvangst neemt’]. Niet de gestalte van een dienstknecht, zoals de vertaling zegt. Nee, de gestalte van een slaaf. Christus was eerst in de gestalte Gods. En Hij neemt vervolgens de gestalte van een slaaf in ontvangst. Een groter contrast is niet denkbaar. Nu wordt het woord ‘slaaf’ door onze vertalers in deze passage als ‘aanstootgevend’ geacht. De vertalers proberen dan die aanstootgevendheid te verzachten. Want zij vinden dat het woord ‘slaaf’ niet past bij de persoon van onze Heer. Uit respect voor onze Heer vertalen zij daarom hier ‘doulos’ met het woord ‘dienstknecht’. En daarmee ontgaat ons de werkelijke betekenis van deze passage. Wij gaan naar vers 8. “En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises.” Christus vernedert zich en wordt gehoorzaam tot de dood. Ja, natuurlijk. Want onze Heer is in de gestalte van een slaaf. En van een ‘doulos’, een slaaf, wordt onvoorwaardelijke gehoorzaamheid geëist. Zelfs tot de dood. Begrijp je? Een dienstknecht hoeft niet te gehoorzamen. Een dienstknecht kan zeggen: ‘Ik doe het niet. Ik zoek wel een andere baas.’ 15

Maar een slaaf niet. Een slaaf is volkomen afhankelijk van zijn heer. Van een slaaf wordt absolute gehoorzaamheid verwacht. Christus is in de gestalte van een slaaf. Daarom wordt Hij ook gehoorzaam tot de dood. Dat onze Heer in de gestalte van een slaaf is, zien wij terug in de hof van Gethsemane. Onze Heer zondert zich af van zijn leerlingen. Onze Heer wordt dodelijk beangst. En zijn zweet wordt als bloeddruppels, die op de aarde vallen. Want onze Heer weet dat Hij de zonde van de wereld op zich gaat nemen. En onze Heer werpt zich ter aarde. En Hij bidt, dat, indien het mogelijk ware, die ure aan Hem voorbij zal gaan. En Hij zegt: ‘Abba, Vader, alles is U mogelijk, neem deze beker van Mij weg.’ En dan voegt Hij eraan toe: ‘Echter niet wat Ik wil, maar wat U wilt.’ Dan gaat onze Heer terug naar zijn leerlingen. En Hij vindt hen slapende. En dan zondert onze Heer zich weer af. En Hij werpt zich voor de tweede keer ter aarde. En Hij bidt weer of die beker aan Hem voorbij mag gaan. En Hij voegt er opnieuw aan toe: ‘Echter niet wat Ik wil, maar wat U wilt.’ Dan gaat onze Heer weer terug naar zijn leerlingen. En Hij vindt hen opnieuw slapende. En dan zondert onze Heer zich voor de derde keer af. Hij werpt zich voor de derde keer ter aarde. En Hij bidt voor de derde keer dat de beker weggenomen zal worden. En voor de derde keer zegt Hij: ‘Echter niet wat Ik wil, maar wat U wilt.’ 16

In Getsemane laat onze Heer zien dat Hij de gehoorzame slaaf is. Niet zijn wil, maar de wil van God, zijn Heer, geschiedt. Waarom is onze Heer zo beangst? Omdat Hij weet dat zijn lot onontkoombaar is. Onze Heer heeft geen keus. Hij moet de zonde van de wereld op zich nemen. Waarom? Omdat God, zijn Heer, dat wil. Daarom staat er hier in Filippenzen 2:8 dat Christus gehoorzaam wordt tot de dood. Begrijp je? Het gaat in Filippenzen 2:6-8 over de vernedering en de gehoorzaamheid van Christus. Tot nu toe hebben we alleen gesproken over de gehoorzaamheid van Christus. Wat is dan zijn vernedering? Kijk, dat Christus mens geworden is, is op zich geen vernedering. Mens zijn is geen vernedering. Een mens is gemaakt naar Gods beeld, als zijn gelijkenis. Dat is geen vernedering. Dat Christus de zonde van de wereld op zich neemt is ook geen vernedering. Het is iets verschrikkelijks. Zo verschrikkelijk, dat God drie uur duisternis over de aarde bracht. Zodat geen mensenoog zou aanschouwen wat toen plaatsvond. Maar dat was niet zijn vernedering. Want onze Heer was ook in zijn sterven volmaakt gehoorzaam aan zijn God en Vader. Als wij praten over de vernedering van onze Heer, dan past ons uiterste behoedzaamheid en voorzichtigheid. Want wij hebben het over onze Heer. Weet je, in je bijbel ontgaat je die vernedering. Je ziet het niet. 17

Omdat er één woord verkeerd vertaald is. Want in je bijbel lees je dat onze Heer in de gestalte van een dienstknecht is. Maar in het Woord van God staat dat onze Heer in de gestalte van een slaaf is. En dan gebeurt er iets dramatisch – in de toevoeging. In de toevoeging: ‘ja, tot de dood van het kruis’. In het Grieks staat er niet: ‘ja’. In het Grieks staat er: ‘echter’. ‘Echter’ is de vertaling van het Griekse woordje ‘de’. Volgens de Studiebijbel betekent het woordje ‘de’: een gedachtesprong naar iets anders. Een wisseling in aandacht. Iets als: ‘en toch …’ Dat betekent dus dat we extra goed moeten opletten. Ik wijs je erop dat er letterlijk in het Grieks staat: “echter, dood van kruis”. Er staat niet: dood van het kruis. Maar er staat: dood van kruis. Een kruisdood, dus. Weet je waar een kruis oorspronkelijk voor bedoeld was? Een kruis was voor weggelopen slaven. Weggelopen slaven werden gekruisigd als afschrikwekkend voorbeeld voor andere slaven. Onze Heer sterft dus de dood van een weggelopen slaaf. Ik wil graag dat je één ding begrijpt. Er is niemand, die rechtvaardig is, ook niet één. Jawel, één, onze Heer. Er is niemand die doet wat goed is, zelfs niet één. Jawel, één, onze Heer. Allen zijn afgeweken van God. Ja, maar één niet, onze Heer. Onze Heer was gehoorzaam aan God, tot de dood. Hij liep niet weg. Dat zagen wij in Getsemane. 18

En dan bewerkt God dat onze Heer openlijk terechtgesteld wordt omdat ‘Hij weggelopen zou zijn’. Snap je dat? Onze Heer is als slaaf gehoorzaam tot de dood. En dan wordt Hij openlijk terechtgesteld alsof Hij niet gehoorzaam is. Terwijl de Heer onze zonden draagt, wordt Hij openlijk te schande gemaakt, alsof Hij onze zonden niet draagt. Dat is de schande van het kruis. Dat is de bittere vernedering voor onze Heer. Weet je, wij moeten eigenlijk aan een kruis hangen. Want wij zijn de weggelopen slaven. Gods Woord zegt in Jesaja 53: “Wij allen dwaalden als schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen weg, maar de HERE [Hebreeuws: ‘Jahwe’ = God] heeft ons aller ongerechtigheid op hem doen neerkomen. Hij werd mishandeld, maar hij liet zich verdrukken en deed zijn mond niet open; als een lam dat ter slachting geleid wordt, en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open.” Onze Heer werd ten onrechte gekruisigd. Want Hij was als slaaf niet weggelopen. Maar zelfs in die vernedering deed onze Heer zijn mond niet open. Hij was in zijn diepste vernedering gehoorzaam aan God, zijn Heer. Als je ogen hiervoor geopend worden, dan kniel je in aanbidding neer. En dan zeg je: ‘Ja, Heer, U bent Heer.’ In Filippenzen 2:9-11 zien we het vervolg. 19

“Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken …” En dan belooft God iets: “… opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader!” God belooft dat er een moment in de geschiedenis van het universum komt, dat alle ogen van alle schepselen in het gehele universum geopend zullen worden voor deze vernedering van onze Heer en voor deze gehoorzaamheid van onze Heer. En dan, als hun ogen geopend worden, zullen alle schepselen zich in aanbidding voor onze Heer neerbuigen. En zeggen: ‘Ja, Heer, U bent Heer.’ Wat een glorieus moment zal dat zijn! Goed. We gaan naar het volgende voorbeeld. Ik lees met je Hebreeën 1:1-2. “Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon, die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door wie Hij ook de wereld geschapen heeft.” Mooi, hè? Ja, maar dat staat er niet. O, nee? Nee. Het gaat mij om de woorden: ‘door wie Hij ook de wereld geschapen heeft’. In het Grieks is ‘de wereld’ – ‘tous aiōnas’. 20

En ‘tous aiōnas’ is, grammaticaal gezien, vierde naamval meervoud. Het NBG had hier in de vertaling ook het meervoud moeten gebruiken, dus: ‘de werelden’. “… door wie Hij ook de werelden geschapen heeft.” Toch? Ik wil even met je naar het Nederlandse woord ‘wereld’ kijken. We zoeken dan in de Studiebijbel, in deel 16, op de NBGvertaling ‘wereld’. En dan zien we verschillende Griekse woorden voor het Nederlandse woord ‘wereld’. We vinden de volgende Griekse woorden: ‘kosmos’, ‘aiōn’, ‘oikoumene’ en ‘anthrōpos’. ‘Oikoumene’ is de Griekse naam voor ‘de bewoonde wereld’. En ‘anthrōpos’ is het Griekse woord voor ‘mens’. ‘Oikoumene’ en ‘anthrōpos’ betekenen dus niet ‘wereld’, maar hebben hun eigen betekenis. Ja? Goed. Houden we dus over voor het woord ‘wereld’: ‘aiōn’ en ‘kosmos’. Kijken we nu dan naar het woord ‘kosmos’. En dan zien we in deel 13 van de Studiebijbel dat ‘kosmos’ het Griekse woord is voor ‘wereld’. Zonder twijfel. Dus ‘aiōn’ weergeven met ‘wereld’ is onjuist. Want ‘kosmos’ is ‘wereld’. Deze twee Griekse woorden moet je niet met elkaar verwarren. Dat noem je eenduidigheid in het vertalen. Ook wel ‘concordant’ vertalen genoemd. Maar wat is dan ‘aiōn’? Wat zegt de Studiebijbel eigenlijk over het woord ‘aiōn’? De Studiebijbel geeft in deel 11, bladzijde 94 voor het woord ‘aiōn’ de volgende uitleg: In de eerste plaats is ‘aiōn’: ‘eeuwigheid’. 21

In deze zin kan het woord zowel betrekking hebben op het verleden als op de toekomst. Zowel daar waar het verleden geen duidelijk zichtbaar begin heeft als daar waar de toekomst zich zover uitstrekt buiten het menselijk gezichtsveld, dat er geen einde aan lijkt te komen, spreekt men van ‘eeuwigheid’. Let in de definitie van de Studiebijbel op het woordje: ‘lijkt’. Dat er geen einde aan lijkt te komen. Hiermee wordt feitelijk gezegd dat er wel degelijk een einde aan de eeuwigheid komt. Er is wel degelijk een einde aan een ‘aiōn’. Dat kun je ook zien aan passages als bijvoorbeeld : Matteüs 24:3 – de voleinding van de aiōn (NBG-‘wereld’). Marcus 10:30 – de toekomende aiōn (NBG-‘eeuw’). Let nu op. De Studiebijbel zegt dat er aan ‘eeuwigheid’ geen einde lijkt te komen. De Studiebijbel zegt dus feitelijk dat ‘eeuwigheid’ een einde heeft. Maar dat is niet de Nederlandse definitie van ‘eeuwigheid’. Volgens het woordenboek Koenen is ‘eeuwigheid’: duur zonder aanvang of einde. We kunnen nu dus een aantal dingen vaststellen. De definitie van Koenen voor ‘eeuwigheid’ past niet op de definitie van de Studiebijbel. De definitie van het woordenboek Koenen voor ‘eeuwigheid’ past niet op het woord ‘aiōn’ in bovengenoemde passages in Matteüs en Marcus, omdat er van een ‘voleinding van de eeuwigheid’ gesproken wordt en van een ‘toekomende eeuwigheid’. Conclusie: ‘aiōn’ is dus niet ‘eeuwigheid’, volgens de gebruikelijke Nederlandse definitie van ‘eeuwigheid’. 22

In alle plaatsen waar in de bijbelvertaling gesproken wordt van ‘eeuwigheid’, staat er eigenlijk: ‘een periode, waar geen einde aan lijkt te komen’. Wat nu ? Wij raadplegen weer het Nederlandse woordenboek van Koenen. En volgens het woordenboek Koenen betekent het Nederlandse woord ‘aeon’: ‘onafzienbare tijdsruimte’. Deze omschrijving past heel goed bij de uitleg van de Studiebijbel. Het Griekse woord ‘aiōn’ moet je dan ook weergeven met het Nederlandse woord ‘aeon’. De tekst uit Hebreeën 1:2 in de NBG: “Door wie Hij ook de wereld geschapen heeft.” Maar in de Griekse grondtekst staat letterlijk: “Door wie Hij ook de aeonen maakt.” Zie je dat? In je bijbel staat ‘wereld’. Maar er staat eigenlijk wat anders. Er staat eigenlijk: ‘aeonen’. Maar dat weet je niet. Want je vertrouwt op je bijbel. Ik vraag het je nog een keer: ‘Weet je wel, wat je leest?’ Nee, je weet niet wat je leest. Je denkt dat je weet wat je leest. Met het woord ‘aiōn’ overkomt je dit niet 1 keer. Nee, 122 keer. Wat zijn dan ‘aeonen’? Aeonen zijn onafzienbare tijdsruimten die te maken hebben met het proces van Gods raadsbesluit. Alles gebeurt in geregelde volgorde. Efeziërs 3:11 – “volgens het voornemen van de aeonen”. 1 Timoteüs 1:17 zegt dan ook dat God de Koning van de aeonen is. 23

Ik wil nu even met je evalueren. ‘Aiōn’ is dus niet ‘eeuwigheid’. ‘Eeuwigheid’ bestaat niet in Gods Woord. Gods Woord spreekt over ‘aeonen’, onafzienbare tijdsruimten. Begrijp me goed. Ik wil hier opnieuw benadrukken dat de bedoelingen van onze vertalers heel nobel zijn. De vertalers vinden dat het woord ‘eeuwigheid’ bij God hoort. Misschien vind jij dat ook. Maar God zelf denkt daar heel anders over. God vindt dat ‘aeonen’ bij Hem passen. God zegt van zichzelf dat Hij “de Koning van de aeonen” is. Dat betekent dat Hij alles onder controle heeft. Dat alles precies zo gaat zoals Hij zich dat voorgenomen heeft. Volgens “het voornemen van de aeonen”. Heel veel mensen voelen hun geloofsopvattingen wankelen, als hen verteld wordt dat er geen ‘eeuwigheid’ is. Dan roepen ze: ‘En ons eeuwige leven dan?’ Tja. Er is inderdaad geen ‘eeuwig’ leven. Er is een ‘aeonisch’ leven. Het leven van de komende aeonen. Ja, maar er komt toch een einde aan de aeonen? Inderdaad. Maar dan komt er ook een einde aan ons aeonische leven. Inderdaad. Wat dan? Leven we dan niet meer? Natuurlijk wel. ‘Aeonisch’ is een aanduiding. Een karakterisering van een periode. Kijk, wij zijn allemaal tieners geweest. Dat is een aanduiding. Dat is een karakterisering van een periode. Toen wij 10 jaar werden, begonnen onze tienerjaren. 24

En toen we 20 jaar werden, hielden onze tienerjaren op. Leefden we daarna niet meer? Nou, de hele zaal zit hier vol met mensen die eens tiener geweest zijn. Zo is het ook met het aeonische leven. Wanneer de aeonen voorbij zijn, leven we gewoon verder. Want met de opstanding krijgen wij onsterfelijkheid. Snap je? Dit is niet de plaats of de tijd om uitvoerig over de aeonen te praten. Maar je begrijpt wel, dat dit een buitengewoon belangrijk onderwerp is. Eigenlijk is het woord ‘aeon’ de sleutel tot Gods Woord. Als je het woord ‘aeon’ begrijpt, dan begrijp je Gods Woord. Dan begrijp je dat alles in Gods Woord betrekking heeft op het voornemen van de aeonen. Ik heb je nu twee woorden laten zien: ‘doulos’ en ‘aiōn’. Daaruit bleek dat, waar deze twee woorden in onze bijbelvertaling voorkomen, zeker 149 bijbelteksten verkeerd vertaald zijn. Er zijn in het Nieuwe Testament 4.932 verschillende Griekse woorden. Je begrijpt hoe voorzichtig wij met onze bijbelvertaling om moeten gaan. Eigenlijk moeten we helemaal opnieuw beginnen met het bestuderen van Gods Woord. Voor dat doel hebben we een eenduidige, Nederlandse woordvoor-woord vertaling gemaakt. Een Grieks-Nederlandse interlineair. Deze interlineair staat op de website Scripture4all.org. Wij hebben deze woord-voor-woord vertaling met heel veel schroom gemaakt. En met de grootst mogelijke zorgvuldigheid. Maar misschien heb je toch nog suggesties. Die horen we dan graag. 25

Weet je wel, wat je leest? In je bijbel, bedoel ik. Je weet nu het antwoord. Nee, je weet niet wat je leest. Je denkt dat je weet wat je leest. Jouw bijbel is niet Gods Woord. Jouw bijbel is een vertaling van Gods Woord. Wees niet tevreden met je bijbel. Maar bestudeer Gods Woord. Met behulp van de eenduidige, Grieks-Nederlandse interlineair. Misschien ontdek je wel dat sommige van je geloofsopvattingen niet waar zijn. Misschien zeg je dan wel: ‘Wat houd ik dan nog over?’ Ja, jouw geloofsopvattingen kunnen verdwijnen. Maar je krijgt er Gods Woord voor terug. Een stem zegt: roep! En ik zeg: wát zal ik roepen? Alle vlees is als gras en al zijn heerlijkheid is als een bloem in het gras. Het gras verdort en de bloem valt af. Maar het Woord van onze God blijft tot in de aeon. 26

2. Prijs God God is GOD. Zijn koningschap heerst over alles. De volken zijn geacht als een druppel aan een emmer. En als een stofje aan een weegschaal. En Hij zegt: ‘Wie bent u dan, dat u zich met Mij wilt vergelijken? Ik- Ik ben de HERE, en er is geen ander. Er is geen God buiten Mij. Ik formeer het licht en Ik schep de duisternis. Ik bewerk het heil en Ik schep het onheil. Ik, de HERE, doe dit alles.’ God is GOD. Hij regeert. Vanaf zijn troon. Ik wil met u meegaan naar die troon. Die troon wordt vermeld in Openbaring 4. En ik wil met u luisteren naar de vierentwintig oudsten. Die zich voor Gods troon bevinden. De vierentwintig oudsten werpen hun kronen voor de troon. En zij vallen in aanbidding voor God neer. En zij verheerlijken God. Zij zeggen: “Gij, onze Here en God, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, de eer en de macht …” Waarom? “… want Gij hebt alles geschapen, en om Uw wil was het en werd het geschapen.” Hoe vaak verheerlijkt ú God? Ik ken een broeder, die in Psalm 119 gelezen had: “Zevenmaal daags loof ik U om Uw rechtvaardige verordeningen.” Daarna maakte die broeder er een gewoonte van om minstens zeven maal per dag God te verheerlijken. 27

En als die broeder dan wel eens ’s nachts wakker werd, dan ging hij bij zichzelf na, of hij die dag God wel zeven maal verheerlijkt had. En als hij dan tot de conclusie kwam, dat het zes keer was geweest, dan ging hij zijn bed uit om het tekort aan te vullen. Misschien glimlacht u hierom, maar die broeder wist, waar hij mee bezig was. Ik vraag het u nog een keer: ‘Hoe vaak verheerlijkt u God?’ Laten we die vraag eens van een andere kant bekijken. Wat is dat: God danken? Nu zegt u: ‘Dat is toch niet zo moeilijk, broeder, gewoon God dankbaar zijn voor iets en dan “dank U wel” tegen Hem zeggen.’ Toch? Hoe vaak dankt u God? Kent u 1 Tessalonicenzen 5:18? Daar staat: “Dankt God onder alles.” Onder alles? Ja, onder alles. En alles is alles. Bent u gezond? ‘Dank U, Heer, dat ik gezond ben.’ Hebt u een goede baan? ‘Dank U, Heer, dat ik een goede baan heb.’ God danken voor de goede dingen in uw leven. Dat spreekt voor zich. Toch? Wel doen, natuurlijk … Schijnt de zon? ‘Dank U, Heer, dat de zon schijnt.’ Regent het? Niet: wat een rotweer! Maar: ‘Dank U, Heer, dat het regent.’ 28

U komt ’s morgens vroeg naar buiten, omdat u naar uw werk moet. En het heeft die nacht gevroren. En de ruiten van uw auto zijn bevroren. En u moet gaan krabben. Gaat u dan inwendig lopen schelden? Of zegt u: ‘Dank U, Heer, dat het vannacht gevroren heeft.’ En: ‘Dank U, Heer, dat ik mijn ramen moet krabben’. En als u dan, dankzeggend, uw ramen heeft gekrabd, dan realiseert u zich dat u bijna te laat komt voor uw werk. Dus u stapt in uw auto, u geeft nog eens extra gas, en bij het kruispunt moet u, op het allerlaatste moment, voor het rode stoplicht wachten. Dan niet: ‘Shit!’ Maar: ‘Dank U, Heer, dat het stoplicht op rood staat.’ Heeft uw vrouw de auto? Dan gaat u, uiteraard, op uw fiets naar uw werk. En, tegen alle weersverwachting in, begint het plotseling te sneeuwen. En, zoals je altijd zult zien, hebt u uw regenpak niet bij u. U wordt werkelijk tot op uw hemd toe nat. Dan zegt u: ‘Dank U, Heer, dat het sneeuwt.’ Want God, die u uw goede gezondheid geeft, die u een goede baan geeft, die zorgt voor zonneschijn, die zorgt ook voor de regen. En voor de nachtvorst, en voor het rode stoplicht en voor de sneeuw. Ook als het u niet uit komt. Dan bedenkt u, terwijl u zo op de fiets de sneeuwvlokken in uw kraag voelt binnenglijden, en u bibbert van de kou, dan schiet het u te binnen, dat u ergens gelezen heeft, dat van al die miljoenen sneeuwvlokken, die om u heen dwarrelen, er geen één hetzelfde is. Iedere sneeuwvlok heeft weer een andere kristalstructuur. De sneeuw kruipt in uw neus. En dan roept u: ‘Heer, hoe groot bent U, want U hebt alles met wijsheid gemaakt.’ 29

Wij Nederlanders staan erom bekend, dat wij een mopperig volkje zijn. Ik weet niet, of er ooit onderzoek naar gedaan is, hoe het komt, dat wij Nederlanders zo zijn. Er is altijd wel iets of iemand, waar wij ons hartgrondig aan ergeren. Maar ik zeg u, wij Nederlanders zijn buitengewoon bevoorrecht. Wist u dat? Wij hebben namelijk ongekende mogelijkheden om God onder alles te danken. Staat u weer eens in de file? ‘Dank U, Heer, dat ik in de file sta.’ Gaat de bus net voor uw neus weg? ‘Dank U, Heer, dat de bus net voor mijn neus weg gaat.’ Staat u weer, in het openbaar vervoer, als haringen in een ton? ‘Dank U, Heer, dat ik weer als een haring in een ton sta.’ Is uw parkeerplaatsje weer eens bezet en moet u drie straten ver rijden om uw auto kwijt te raken? ‘Dank U, Heer, dat mijn parkeerplaatsje bezet is.’ Ligt er weer eens hondenpoep bij u op de stoep? ‘Dank U, Heer, dat er hondenpoep op mijn stoep ligt.’ Staat u weer eens in het verkeerde rijtje bij de kassa in de supermarkt, terwijl de andere klanten links en rechts van u vrolijk doorgaan? ‘Dank U, Heer, dat ik in het verkeerde rijtje sta …’ God onder alles danken. Als u dit geleerd hebt, dag in dag uit, samen met de Heer, al die dagelijkse ergernissen om te zetten in dankzegging, dan komt de tijd voor het èchte werk. Zakt u voor een belangrijk examen? ‘Dank U, Heer, dat ik voor mijn examen gezakt ben.’ Uw baan, waar u zo trots op bent, waaraan u uw zelfrespect ontleent, wordt door een reorganisatie weggepoetst. En u staat op straat. U bent ontslagen. ‘Dank U, Heer, dat ik ontslagen ben.’ 30

U raakt in de schulden. ‘Dank U, Heer, dat ik in de schulden zit.’ Nu zegt u misschien: ‘Broeder, dat meen je niet, hè?’ Dan zeg ik: ‘Ja, dat meen ik wél.’ En dan zegt u: ‘Maar je denkt toch niet, dat ik God voor al die moeilijke dingen ga danken?’ O, nee? Waarom niet? Er staat toch in 1 Tessalonicenzen 5:18 “dankt God onder alles”? ‘Ja’, zegt u, ‘maar je kunt het natuurlijk ook overdrijven.’ Dacht u dat? U weet toch, dat er geen musje op de aarde zal vallen, zonder de wil van uw hemelse Vader? Dat al de haren van uw hoofd geteld zijn? Kent u psalm 139? Psalm 139 is het lied, dat tijdens de tempeldienst door de tempelzangers gezongen werd. HERE, U doorgrondt en kent mij; U kent mijn zitten en mijn opstaan, U verstaat van verre mijn gedachten; U onderzoekt mijn gaan en mijn liggen, met al mijn wegen bent U vertrouwd. Want er is geen woord op mijn tong, of, zie, HERE, U kent het volkomen; U omgeeft mij van achteren en van voren en U legt uw rechterhand op mij. Het begrijpen is mij te wonderbaar, te verheven, ik kan er niet bij … Het woord ‘God’ in het Nieuwe Testament is het vertaalwoord voor het Griekse ‘theos’. Het woord ‘theos’ is afgeleid van het werkwoord ‘tithemi’, dat ‘plaatsen’ betekent. ‘Theos’, ‘God’, is dus de ‘Plaatser’. Gods Woord verzekert ons dat God ‘liefde’ is. 31

God plaatst heel liefdevol alles in uw leven. Niet alleen uw omstandigheden. Maar ook wie u bent. En wat u bent. Bent u een man? Prijs God. Bent u een vrouw? Prijs God. Hebt u een goed huwelijk? Prijs God. Hebt u een slecht huwelijk? Prijs God. Hebt u helemaal geen relatie? Prijs God. Wandelen uw kinderen in de Heer? Dank U, Heer. Wandelen uw kinderen niet in de Heer? Dank U, Heer. Hebt u helemaal geen kinderen? Dank U, Heer. Bent u, maatschappelijk gezien, uitstekend geslaagd in dit leven? Prijs God. Bent u, maatschappelijk gezien, volstrekt mislukt in dit leven? Prijs God. Of hebt u het gevoel, dat u helemaal geen leven hebt gehad? Prijs God. Woont u in een groot huis? Dank U, Heer. Woont u in een klein huis? Dank U, Heer. Hebt u helemaal geen huis? Dank U, Heer. Dát is God onder alles danken. 32

Moet je daar nou de hele tijd mee bezig zijn? Nou, dat zou verstandig van u zijn. Want Psalm 44 zegt: “In God roemen wij de ganse dag …” Of, als u liever een woord van de afgevaardigde Paulus heeft, Filippenzen 4 vers 4: “Verblijdt u in de Here te allen tijde!” ‘Te allen tijde’ is een oud-Nederlands uitdrukking voor ‘de hele tijd’. Nu zegt u misschien tegen mij: ‘Broeder, het spijt me, maar wat je me nu vertelt, is het meest belachelijke wat ik ooit gehoord heb.’ Prijs God. Een ander zegt: ‘Broeder, het spijt me, maar wat je daar zegt, dat weet ik al jaren.’ Prijs God. Weer een ander zegt: ‘Broeder, je hebt me overtuigd. Ik ga er vandaag nog mee beginnen.’ Prijs God. En dat doet u dan ook. U gaat, dag in dag uit, God verheerlijken. U doet het morgen. En overmorgen. En volgende week. En volgende maand. En volgend jaar. Maar dan komt plotseling, totaal onverwacht, de dag dat u echt in de benauwdheid bent. Uw relatie gaat stuk. Uw kind is ernstig ziek. Een dierbare overlijdt. De situatie is zo verschrikkelijk, dat je hele innerlijke wezen verlamd raakt. Je weet niet meer, wat je moet doen. 33

Je kunt het niet meer bedenken. De duisternis is zo dik om je heen, dat er geen glimpje licht is. Je kunt alleen nog maar huilen ... Maar ik dacht dat je God onder alles zou danken? Mm, mm, zeker … Nou, waarom doe je het nú dan niet? Nee, ik kan het niet … Waarom niet? De situatie is zo erg, ik kán het niet! Maar, is God veranderd dan? Nee, dat niet … Is God nog steeds GOD? Absoluut … Nou dan, waarom verheerlijk je Hem dan niet? Ik wil het wel, maar ik kan het niet opbrengen … Heb je Hem dan al die tijd verheerlijkt voor jezelf, of, uitsluitend en alleen omdat Hij God is? Ja, dat laatste … Heel goed, maar waarom doe je het dan nú niet? En dan hef je je hart op tot God. Je situatie is nog even verschrikkelijk. De duisternis is nog even dik. Maar je heft je hart op tot God. En je doet je mond open. En je zegt tot God: ‘U bent mijn God. U zal ik loven. Verhogen Uwe majesteit. Mijn God, niets gaat Uw roem te boven. U prijs ik tot in eeuwigheid.’ En de tranen stromen over je wangen. Maar je verheerlijkt God. Waarom? Nou, gewoon, omdat God GOD is. En dat Hij het waard is om de eer en de heerlijkheid van zijn schepselen te ontvangen. Daarom. 34

Ik weet van drie broeders, die een geweldige bediening hebben in Turkije. Zij houden daar evangelisatie-campagnes. En overal waar ze komen, in welke stad ook, komen mensen tot bekering. Op het hoogtepunt van hun tournee, krijgt een van die broeders een visioen in de nacht. In dat visioen staat iemand aan de overkant van de zee, in Griekenland dus, en die roept: ‘Kom hierheen en help ons.’ De volgende dag beraadslagen die broeders en ze komen tot de conclusie dat God hen roept om in Griekenland het evangelie te verkondigen. Die broeders houden niet van halve maatregelen, dus ze gaan de volgende dag met de eerste de beste boot naar de overkant. En daar aangekomen, gaan ze meteen door naar een strategisch punt voor hun nieuwe evangelisatie-campagne. En al spoedig komt er iemand tot bekering. En – na veel aandringen van de nieuwe gelovige – nemen de broeders hun intrek in het huis van de nieuwe gelovige. Nu is het buitengewoon vervelend dat, als die broeders op straat lopen, een vrouw hen achterna roept. Buitengewoon irritant. Niet gewoon roepen, nee, luid roepen. Ze doen navraag en het blijkt dat die vrouw een waarzeggende geest heeft. En een van die broeders heeft daar zo genoeg van, dat hij zich omkeert en tot de vrouw zegt: ‘Ik beveel jou, onreine geest, om van die vrouw uit te gaan.’ En al spoedig bemerken de exploitanten van het medium, dat het hele gevalletje niet meer werkt. Daar gaan hun centjes. Ze schakelen onmiddellijk de plaatselijke politie in en twee van de broeders worden aangehouden. De omstanders bemoeien zich ermee, er ontstaat een opstootje en de twee broeders worden meegenomen wegens verstoring van de openbare orde. De politieagenten geven de broeders meteen maar een flink pak slaag. En niet zo zuinig, hoor, want in Griekenland zijn ze niet zo kinderachtig. 35

Dan worden de twee broeders een cel in gesleept en aan de grond vastgeketend. Nou, daar zit je dan. Doe je je best voor het evangelie. Loopt het zo met je af. Dat visioen, in Turkije, zal ook wel niet van de Heer geweest zijn. En jij moest zo nodig weer eens een geest uitdrijven … Praten die broeders zo? Nee. Zij zingen Gods lof. Waarom? Nou, die broeders kennen God. Zij weten dat God GOD is. En dat God het waard is om verheerlijkt en gedankt te worden. Daarom. Ja, en die pijn dan? Prijs God. En al dat bloed? Prijs God. En die ketenen dan? Prijs God. En die smerige, stinkende cel dan? Prijs God. Nu gaat het er mij vanmiddag niet om hoe deze geschiedenis afloopt. Ik zie al een broeder glimlachen. Handelingen 16, natuurlijk … Het gaat mij om de actie van de beide broeders. In uiterst benarde omstandigheden zongen zij Gods lof. Broeder, hebt u ook het gevoel dat u in uw situatie gevangen zit? Zing Gods lof. Dat u geen kant op kan? 36

Zing Gods lof. Zuster, bent u gewond door het gedrag van uw familieleden? Zing Gods lof. Of bent u gekwetst door uw broeders en zusters in de Heer? Zing Gods lof. Broeder, bent u geketend aan een verslaving? Zing Gods lof. Zuster, zit u vast aan een geheime zonde? Zing Gods lof. Waarom? Nou, gewoon, omdat God GOD is. En God is het waard om verheerlijkt en gedankt te worden. Daarom. Ik weet van een koning, die omringd is door zijn vijanden. Hij is niet zomaar een koning, hoor. Hij is een heel bijzondere koning. In zijn regeringsperiode maakt zijn volk een geestelijke omwenteling door. Een echte reformatie. Daar heeft die koning een belangrijk aandeel in. En die koning wordt door een immense troepenmacht omsingeld. Hij heeft geen enkele hoop meer. Want zijn situatie is volstrekt hopeloos. Elk moment kan hij door zijn vijanden verpletterd worden. En wat doet die koning? Pleegt hij zelfmoord? Begint hij een wanhoopsoffensief? Nee, hij laat een zangkoor komen. Kijk, daar komen ze aan. In hun heilige feestdos. En ze gaan voor de koning en zijn leger staan. En ze gaan zingen. Wat zingen ze? ‘Looft de HERE, want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.’ Ik ga u niet vertellen hoe deze geschiedenis afloopt. 37

Daar gaat het mij vanmiddag niet om. U kunt dit trouwens nalezen in 2 Kronieken 20. Het gaat mij om de actie van die koning. Op het randje van de dood, in een volkomen hopeloze situatie, zingt hij Gods lof. Broeder, bent u ook in een hopeloze situatie? Zuster, bent u op het randje van de dood? Stel u op, in uw heilige feestdos … Heilige feestdos? Heb ik dan een heilige feestdos? Ja, wat dacht u dan? Galaten 3:27 zegt: ‘U, die in Christus gedoopt bent, hebt u met Christus bekleed’. Als u dat geen heilige feestdos durft te noemen, dan weet ik het ook niet meer. Stel u op, in uw heilige feestdos, en zing Gods lof. Ga uw vijanden tegemoet en zeg: ‘Looft de HERE, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.’ Waarom? Nou, gewoon, omdat God GOD is. En dat God het waard is om verheerlijkt en gedankt te worden. Daarom. In de nacht dat de Heer Jezus overgeleverd zou worden, vierde Hij het Pascha met zijn leerlingen. De Evangeliën geven heel gedetailleerd de gesprekken tijdens de maaltijd weer. De Heer wist precies wat Hem te wachten stond. Wie Hem zou verraden, dat Hij gespot en gesmaad zou worden. Dat ze Hem allemaal in de steek zouden laten. En welke dood Hij zou sterven. En wat doet Hij? Hij troost zijn leerlingen. Omgekeerde wereld. Ze moesten Hem troosten. Hij ging lijden. 38

Maar Hij troost hen. Heel typerend voor onze Heer. Eerst aan anderen denken. Niet aan zichzelf. En dan gaat de Heer, met zijn leerlingen, naar de Olijfberg, naar een omheinde tuin, de hof van Getsemane. En daar zijn wij getuige van het feit dat onze Heer bang is. Dat zijn ziel zeer bedroefd is. Maar tussen de gesprekken tijdens de maaltijd en de hof van Getsemane, gebeurt er nog iets. Zowel Matteüs als Marcus vermelden het. Eigenlijk heel onopvallend. In een halve zin. In Matteüs 26:30. “En na de lofzang gezongen te hebben …” Wat betekent die halve zin? ‘Na de lofzang gezongen te hebben …’ Welke lofzang? Volgens de Joodse traditie is de lofzang op dit tijdstip (de Pesach-maaltijd) de tweede helft van het groot-halleluja. Psalm 115, 116, 117 en 118. Psalm 115: “Onze God is in de hemel, Hij doet al wat Hem behaagt.” Psalm 116: “Ik heb de HERE lief, want Hij hoort mijn stem, mijn smekingen.” Psalm 117: “… des HEREN trouw is tot in eeuwigheid.” En als machtig slotakkoord Psalm 118: “Gij zijt mijn God, U zal ik loven, o mijn God, U zal ik verhogen. Looft de HERE, want Hij is goed, ja, zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.” Dit heeft de Heer Jezus gezongen op weg naar Getsemane, op weg naar Zijn dood. Waarom? Nou, gewoon, omdat God GOD is. En dat God het waard is om verheerlijkt en gedankt te worden. Daarom. 39

In Filippenzen 2:9-11 staat dat de Heer Jezus gehoorzaam is geworden. Tot de dood, ja, tot de kruisdood. Daarom verhoogt God Hem ook uitermate en geeft Hem de naam boven alle namen, opdat in de naam van Jezus alle knie zich zou buigen van die in de hemel zijn, van die op de aarde zijn en van die onder de aarde zijn, en elke tong zal belijden dat Jezus Christus Heer is. Misschien kent u het lied: ‘Oh, when the saints go marchin’ in.’ Dat is een negro-spiritual. Geschreven in de tijd van de slavernij. In dit lied wordt bezongen hoe heerlijk het in de hemel zal zijn. De slaven van die tijd wilden daar graag bij zijn. Wij ook, natuurlijk. En dan gaat het lied verder: ‘En wanneer ze Hem als Heer der heren zullen kronen (dat gaat over Christus), daar willen wij bij zijn.’ Nou, reken maar, dat ik daar ook heel graag bij wil zijn. Want weet je, dat ik verheerlijkt zal worden, prima. Maar dat mijn Héér verheerlijkt wordt, dat zal iets gewéldigs zijn. Hij, die bespot en geslagen is, ook voor mij. Hij, die doorstoken is, ook voor mij. Dat Hij verheerlijkt wordt, is voor mij van een overwéldigende heerlijkheid. En als dan de hele schepping erkent en belijdt dat Hij Heer is, dan doet onze Heer Jezus een stapje terug. Hij gaat midden tussen zijn verlosten staan. En dan wijst Hij naar God, de Vader. En dan zegt Hij: ‘Alles is uit Hem, en door Hem.’ En dan zal onze Heer de Vader aanspreken. En de hele schepping zal zwijgen. En dan zal onze Heer zeggen: ‘Zie, hier Ik en de kinderen, die U Mij gegeven heeft.’ En dan zal onze Heer God verheerlijken. 40

Dat sta ik hier niet te verzinnen. Dat is een profetie. Uit Psalm 22. U kent allemaal de beginwoorden van Psalm 22. “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten …?” Maar verderop in die psalm staat: ‘Alle einden der aarde zullen het gedenken en zich tot de HERE bekeren. Alle geslachten van de volken zullen zich neerbuigen voor Zijn aangezicht. In een grote gemeente zal Ik u lofzingen’. Straks gaat de Heer dus in die grote gemeente God lofzingen. God verheerlijken. Dat zal de heerlijkheid der heerlijkheden zijn. Waarom? Omdat de Heer daar staat, met zijn doorboorde handen, en Hij verheerlijkt God. En waarom verheerlijkt Hij God? Omdat alles gegaan is naar de raad van Gods wil. En dan zal de hele schepping God als GOD verheerlijken. Wat zal dat een glorieus moment zijn! 41

42

3. Een liefdesbrief Over het ontstaan van het heelal is niets met zekerheid bekend. Men neemt aan dat tienduizend miljoen, dat is tien miljard, jaar geleden, een klomp materie, die men het oer-atoom noemt, uiteen zou zijn gespat. De delen hiervan zijn de verschillende sterrenstelsels, die zich met een steeds grotere snelheid van het centrum van de explosie verwijderen. Ons heelal, of universum, breidt zich nog steeds uit. Ons Melkwegstelsel bevat 100 miljard sterren. Naast ons Melkwegstelsel zijn er nog 1 miljard andere sterrenstelsels. Dat wil zeggen: er bestaan naar schatting 1 miljard maal 100 miljard sterren. De kracht en de wijsheid, die nodig zijn om deze macro-kosmos in stand te houden, gaan ons begrip ver te boven. En wat te zeggen van de micro-kosmos? Eén enkele lichaamscel van een mens kan men niet zonder een microscoop waarnemen. Maar zelfs de kleinste cel in je lichaam is ongeveer 1 miljard keer zo groot als zijn kleinste gedeelte. Dus: als je een klein stukje van een cel te pakken hebt, dan is die cel zelf 1 miljard keer zo groot. Er bevinden zich duizenden componenten in een cel: chromosomen, DNA, organellen, mitochondria, enzymen, hormonen, aminozuren, enzovoorts, enzovoorts. Te talrijk om op te noemen. Er is niemand op aarde die kan verklaren wat een individuele cel doet functioneren. En dan te bedenken, dat wij in ons lichaam meer dan 75 biljard cellen hebben. En al deze cellen functioneren nauwkeurig en perfect gedurende een mensenleeftijd. 43

Wij kunnen geen twee dingen tegelijk doen. Wij mannen, dan. Vrouwen kunnen multi-tasken. Maar ook niet meer dan drie of vier dingen tegelijk. Het lichaam voert per dag quadriljoenen processen uit. Niet een miljoen, niet miljarden, niet biljarden, maar quadriljoenen processen per dag. En niet in het wilde weg. Nee, met uiterste precisie worden alle levensonderhoudende processen in ons lichaam uitgevoerd. En al deze cellen functioneren nauwkeurig en perfect gedurende een mensenleeftijd. Vol ontzag kunnen we ons afvragen, wie of wat deze microkosmos in stand houdt. Zowel bij de macro-kosmos (grote ordening) als bij de microkosmos (kleine ordening) kunnen we ons dus afvragen: ‘door wie of wat wordt dit alles in stand gehouden?’ Er zijn mensen die geloven dat dit universum, met zijn ontzagwekkende orde en precisie, het resultaat is van blind toeval. Laten we het maar ronduit zeggen: alleen een dwaas gelooft dat. Daarom staat er in Psalm 14: “De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God.” En omdat de mens, van nature, hardleers is, zegt God het twee keer. Hij zegt het nog een keer in Psalm 53. Hij zegt opnieuw: “De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God.” Bestaat God? De vraag alleen al is absurd. In de gedachtegang van Gods Woord is het zo duidelijk dat God bestaat, dat het niet nodig is er ook nog eens een geloofsuitspraak over te doen. Dat zou een zelfde zinloze discussie zijn of de zon wel bestaat, of dat het ’s avonds wel donker wordt, of dat de golven de kust wel zullen bereiken. 44

God bestaat. Punt. Maar waarom heeft God, de Schepper, die schepping nodig? Er is maar één antwoord mogelijk. Uit liefde. Want alleen de liefde heeft een ‘tegenover’ nodig. En omdat God het heelal, het universum, uit liefde heeft geschapen, is Hij ook niet die eenzame, norse heerser, die hoog boven zijn onderdanen troont, zoals veel mensen zich Hem voorstellen. God is liefde, en zó wil Hij zich openbaren. Hij wil dat zijn schepselen Hem leren kennen, en op grond daarvan Hem liefhebben. Daarom heeft Hij aan ons zijn Woord gegeven. Eigenlijk kun je zeggen dat het Boek der boeken de liefdesbrief is van God aan de mensen. Nou heb je mensen, die de bijbel lezen als een roman. Om te kijken hoe het afloopt. Je hebt ook mensen die de bijbel lezen als een krant, of als een tijdschrift. Weet je wel, even doorbladeren, om te kijken of er iets interessants in staat. Nou, zo is de bijbel dus niet bedoeld. Gods Woord is een liefdesbrief. Heb je wel eens een liefdesbrief van iemand gekregen? Van iemand, waar je heimelijk verliefd op was? En waar je niet zeker van was, of die persoon romantische gevoelens voor jou had? Hoe lees je dan zo’n brief van zo iemand, die aan jou gericht is? Nou? Lees je die brief dan als een roman? Om te kijken hoe die brief afloopt? Of als een krant, om te kijken of er iets interessants in staat? Nee, als je zo’n liefdesbrief krijgt, dan durf je die brief bijna niet open te maken. Je handen trillen, je hart slaat een slag over … Je bent in spanning. 45

Wat zou er in staan? En als je de brief dan gelezen hebt, en die eerste spanning is weg, dan lees je die brief nog een keer. En nog een keer. En nog een keer … En je probeert elke nuance en zinswending te begrijpen. Met je hele wezen onderzoek je iedere zin. Ieder woord, iedere letter … Waarom schrijft hij …? Wat bedoelt hij met …? Waarom zegt hij niet …? En waarom zegt hij …? Ja, zo lees je toch zo’n brief? Heb jij zo’n hartstocht voor Gods Woord? Voor zijn liefdesbrief? De Heer Jezus kwam in de wereld. Waarom? Hij zegt: “Zie, hier ben Ik – in de boekrol staat van Mij geschreven – om Uw wil, o God, te doen.” Onze Heer was het Woord. Die erenaam heeft Hij meer dan waargemaakt. Gods Woord was in zijn mond en in zijn hart. En toen Hij, naar Gods wil, aan het kruis hing, en duisternis over het hele land kwam, riep Hij met luide stem: “Eli, Eli, lama sabachtani …” Dat is: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten …?’ Er waren mensen aanwezig, die met Hem spotten. Zij zeiden: ‘Hoor, Hij roept Elia.’ Ook nu heb je spotters, die zeggen: ‘Die rabbi van Nazareth was misleid. Hij dacht dat Hij de Messias was. Hoor Hem nou eens tevergeefs roepen.’ En ik moet u eerlijk zeggen, dat ik pas sinds kort weet, waarom de Heer Jezus dát geroepen heeft. Want, weet u waarom de Heer Jezus dit riep? 46

Gods Woord was in zijn mond en in zijn hart. Ja? Nou, toen Hij aan het kruis hing, kwam er drie uur duisternis over het land. En terecht. Maar voor de Heer was dat niet het donkerste uur. Dat denken wij wel. Maar dat is niet waar. Zijn donkerste uur was in Getsemane. Daar werden zijn zweetdruppels bloed. Daar werd Hij dodelijk beangst. En daar heeft Hij met zijn Vader geworsteld. En toen zei Hij, tot drie maal toe: ‘Vader, niet mijn wil, maar Uw wil geschiede.’ En als Hij dan aan het kruis hangt, zegt Hij: “Eli, Eli, lama sabachtani …” Weet u wat dat is? Eigenlijk zegt de Heer: ‘Hoor, hemelen en aarde, neig uw oor: “Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen. Want voorwaar, Ik zeg u: Eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet één jota of één tittel vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied.” Horen jullie dat, hemelen? Hoor je dat, aarde? Ik vervul de Wet en de Profeten. Ik vervul op dít moment Psalm 22.’ En daarom roept Hij: “Eli, Eli, lama sabachtani …” Want geen tittel of jota van Gods Woord zal ledig terugkomen. Gods Woord is het machtigste wat er in het universum is. Daar hebben wij geen voorstelling van. Wat Gods Woord is. Ik zeg vaak: ‘Weet je wat de heerlijkheid van de hemel is?’ De mensen, die mij kennen, weten het antwoord natuurlijk al. Wat is de heerlijkheid van de hemel? Nou, dat iedereen daar Gods Woord spreekt. Dat is de heerlijkheid van de hemel. Niet dat we daar op een harpje spelen. Nee, dat iedereen Gods Woord spreekt. 47

Dat is de heerlijkheid van de hemel. ‘Ja’, zegt David, ‘looft de HERE, gij zijn engelen.’ ‘Engelen’ zijn letterlijk, vanuit de grondtekst, ‘boodschappers’. Wat voor boodschappers? Wat boodschappen zij? Gods Woord, natuurlijk. Wat anders? ‘Looft de HERE, gij boodschappers, gij krachtige helden, die zijn Woord volvoert, luistert naar de klank van zijn Woord.’ ‘Ja’, zegt Joël, ‘de HERE verheft zijn stem voor zijn strijdkrachten, want zijn leger is zeer talrijk, want machtig is het leger dat zijn Woord volbrengt.’ Als een boodschapper van God zijn Woord volbrengt, hoe zou dan niet de Zoon van God zijn Woord volbrengen? Die uitspraak aan het kruis: ‘Eli, Eli, lama sabachtani’ was een triomfkreet. Het was één grote triomf. Die uitspraak aan het kruis, een triomf? Heel veel mensen vinden, als ik dat zó zeg, dat ik godslasterlijk spreek. O, ja? Vindt u dat? Eén ding mag u nooit vergeten. Volgens Lucas 21:33 zullen de hemel en de aarde voorbijgaan, maar Gods Woord zal geenszins (Grieks: ou mē), absoluut niet, voorbijgaan. De Heer Jezus had één grote hartstocht: Gods Woord. Kent u die hartstocht voor Gods Woord? Hebt u wel eens gehoord van Tregelles? Tregelles was een schriftgeleerde, in de goede zin des woords. Hij leefde in de 19e eeuw. Honderden manuscripten heeft hij bestudeerd, om de grondtekst van de Schriften zo nauwkeurig mogelijk vast te stellen. 48

Iedere letter van het ‘Nieuwe Testament’ heeft hij nagekeken. Zonder geld, zonder verwarming op zijn kamer, heeft hij eindeloos de letters in Gods Woord bestudeerd. Tot hij er blind van werd. Blind? Ja, blind. Waarom? De hartstocht voor Gods Woord had hem verteerd. Kent u Cruden? Cruden was de eerste geleerde, die een Hebreeuwse en Griekse concordantie van Gods Woord gemaakt heeft. Járen heeft hij aan dit gigantische werk gezwoegd. Tot hij letterlijk gek werd. Gek? Ja, gek. Hij werd in een psychiatrische kliniek opgenomen. Zes jaar is hij volledig in de war geweest. Hij was zich niet van zijn bestaan bewust. Toen hij ten slotte volledig hersteld was, heeft hij de concordantie af kunnen maken. Na Cruden kwam Strong’s concordantie, Young’s concordantie, en Wigram’s concordantie. Maar al die beroemde concordanties zijn gebaseerd op het werk van Cruden. Cruden had hartstocht voor Gods Woord. Hebt u wel eens van de Joodse rabbi Maimonides gehoord? Moshe Maimonides leefde in de 12e eeuw. Hij vertelde eens een parabel. Er waren, zo zei hij, twee onderdanen, die bij hun koning in het paleis kwamen. Ze moesten een tijdje wachten voor ze op audiëntie konden komen. Onderhand mochten ze een kijkje in het paleis nemen. Onder begeleiding, dat wel. De ene onderdaan keek alle kamers rond. Hij nam er de tijd voor. 49

Hij keek waarderend, met het oog van een expert, naar de uitgestalde schatten. Maar de andere onderdaan dacht bij iedere kamer: ‘Dit is de slaapkamer van de koning, en dit is zijn studeerkamer, en dit zijn zijn sloffen, en dat is zijn jas …’ En hij zei tegen zichzelf: ‘Nog maar heel even, en dan zal ik hem zélf zien, mijn heer en mijn koning.’ Weet u, het Woord wil u tot God brengen, met Hem in contact brengen. Gods Woord is niet een boek waar allemaal interessante dingen in staan. Nee, het Woord wil u tot Gód brengen. 50

4. Waar staat dat? Een paar jaar geleden had ik een verzoek aan een broeder. Deze broeder is een ervaren spreker. Voor hem is spreken over de bijbel hetzelfde als ademhalen. Iedere week spreekt hij tweemaal voor een groep mensen. Steeds weer andere dingen. Dat is topsport, hoor. Dat kan ik je verzekeren. Maar goed, aan hem vroeg ik dus: ‘Kan jij voor mij een spreekbeurt regelen?’ Hij keek bedenkelijk. Hij zei: ‘Je gaat toch niet te moeilijk spreken?’ ‘Ik houd het makkelijk’, zei ik. Hij was nog niet helemaal gerust. ‘Voor een breed publiek?’ wilde hij weten. ‘Heel breed’, zei ik. ‘Hm’, zei mijn broeder. ‘Ik zal zien wat ik doen kan.’ Hij zweeg even. Toen vroeg hij: ‘Waar gaat het over …?’ Ik begon te lachen. Ik zei: ‘Dat weet je toch … Ik heb maar één boodschap.’ Mijn broeder lachte met mij mee. Hij zei: ‘Dat is waar. Jij hebt maar één boodschap … Handelingen 17, de Bereeërs.’ De Bereeërs, Handelingen 17. Laten we dat even lezen. Handelingen 17:10-11. “Maar de broeders zonden terstond in de nacht Paulus en Silas naar Berea, die, daar aangekomen, naar de synagoge der Joden gingen; en dezen onderscheidden zich gunstig van die te Tessalonica, daar zij het woord met alle bereidwilligheid aannamen en dagelijks de Schriften nagingen, of deze dingen zo waren.” 51

We weten nu wat Bereeërs zijn. Bereeërs zijn (in mijn definitie) broeders, die dagelijks de Schriften nagaan, of de dingen, die in de christelijke wereld verkondigd worden, wel zo zijn. Eens had ik een gesprek met een broeder. Deze broeder kan van één euro twee euro maken. Daar is hij erg goed in. Hij heeft zijn schaapjes dan ook op het droge. Hij is maatschappelijk heel goed geslaagd. Dat vindt hij zelf ook. Toen de Nieuwe Bijbelvertaling uitkwam, sprak hij mij aan. ‘Heb je al gehoord dat de Nieuwe Bijbelvertaling uit is?’ vroeg hij. Ik zei: ‘Ja.’ Hij zei: ‘Nou, ik vind het maar niks.’ Ik zei: ‘O.’ Hij zei: ‘Nee, kun je het geloven ... Ze hebben het woord “kribbe” vervangen door “voerbak” … Nou ja, zeg!’ Ik zei: ‘Dat geeft toch niet. Dan kun je het beter begrijpen.’ Mijn broeder haalde zijn schouders op. Hij zei: ‘Als ik iets niet begrijp, dan vraag ik het wel aan mijn dominee.’ Deze broeder draait de zaak om. Hij begrijpt niet wat de bedoeling is. Deze broeder luistert naar zijn predikant. Heel goed. Niets mis mee. Maar hij moet de boodschap van zijn voorganger natuurlijk wel checken. Vanuit de bijbel. Of de dingen, die zijn predikant verkondigt, wel zo zijn. Maar dat doet die broeder niet. Hij weet dus niet, of zijn dominee hem knollen voor citroenen verkoopt. In het dagelijks leven zal mijn broeder dit niet overkomen. Met het zaken doen is hij zo scherp als een mes. Zelfs de kleinste dingen kijkt hij na. 52

Maar met geestelijke zaken? Ach … Ik kom wel eens broeders tegen, die verantwoordelijke functies hebben in hun kerken. Ze zijn jeugdwerker, of oudste, ze leiden aanbiddingsdiensten, of ze evangeliseren. En als je dan even met die broeders praat, dan merk je dat ze geen idee hebben waar de bijbel over gaat. Deze broeders worden geacht anderen op weg te helpen. Maar zelfs op de meest eenvoudige bijbelvraag kunnen zij geen antwoord geven. Ik word daar altijd erg verdrietig van. Die broeders vertellen mij wel eens wat zij zeggen in hun gemeenten. En dan stel ik die broeders een eenvoudige vraag. Ik vraag dan: ‘Wat jij daar zegt, waar staat dat in de bijbel?’ En dan kijken ze mij aan of ze water zien branden. Waar dat staat in de bijbel?! Moeten we dat dan nagaan? Ja, lieve broeders … Voor heel veel broeders is de bijbel een gesloten boek. Ze weten dat ze eigenlijk in de bijbel zouden moeten lezen, maar ze vinden het te moeilijk ... Ik ken een broeder, die buitengewoon veel weet van de bijbel. Deze broeder vertelde mij eens dat hij de bijbel nog nooit van voren naar achteren uitgelezen heeft. Hij gebruikt de bijbel om christelijke meningen te onderzoeken. Er wordt in de christelijke wereld iets beweerd. En dan zoekt mijn broeder dat op in de bijbel. En dan concludeert hij: ‘Ja, dat staat er.’ Of: ‘Nee, dat staat er niet.’ Zoals mijn broeder, de Bereeër, dat altijd zegt: ‘De bijbel is geen leesboek, de bijbel is een studieboek.’ Meningen en opvattingen in de christelijke wereld moet je dus nachecken in de bijbel. Maar dan moet je natuurlijk wel weten wáár je moet zoeken. 53

Hoe doe je dat dan? Laat ik een vergelijking maken. Je kunt de bijbel vergelijken met een legpuzzel van, laten we zeggen, duizend stukjes. Zonder voorbeeld, zonder plaatje. Je haalt de stukjes uit een plastic zak. En daar liggen ze dan. Op een hoop. Waar moet je dan beginnen? Je kan natuurlijk wel lukraak wat stukjes aan elkaar gaan passen. Maar dat is onbegonnen werk. De kans is groot dat je na een paar uur tevergeefs passen de stukjes weer in de zak gooit. Weg ermee … Zo gaan veel broeders met de bijbel om. Ze lezen af en toe een paar kleine gedeelten uit de grote hoeveelheid bijbelverzen. Ze proberen te begrijpen wat er staat. Om dan, na een paar mislukte pogingen, de bijbel weer aan de kant te leggen. Dat is dus niet de manier. Hoe begin je met een legpuzzel? ??? Precies, met de kantstukjes ... Hier heb ik een bijbel. Laten we even aannemen, dat ik er nog nooit in gelezen heb. Hoe begin ik daar dan mee? Wat zijn de kantstukjes? Ik blader door de bijbel en dan zie ik twee grote delen: het Oude en het Nieuwe Testament. Straks komen we op deze merkwaardige namen, oude en nieuwe testament, terug. Laten we eerst maar even de rest van de kantstukjes zoeken. Het Oude Testament begint met het boek Genesis. 54

En eindigt met het boek Maleachi. Het Nieuwe Testament begint met het boek Matteüs. En eindigt met het boek Openbaring. In de inhoudsopgave van je bijbel kun je zien welke bijbelboeken er zijn. Het zou buitengewoon verstandig van je zijn als je de boeken van het Oude en Nieuwe Testament zou kunnen benoemen, het liefst op volgorde. Misschien zeg je: ‘Dat is wel een heel erg eenvoudige benadering.’ Inderdaad. Maar ik verzeker je, met het Woord van God moet je heel eenvoudig omgaan. Spreekt je predikant bijvoorbeeld over het boek Samuël, dan moet je meteen denken: ‘Hij spreekt over het Oude Testament.’ Spreekt je voorganger over het boek Handelingen, dan moet je meteen tegen jezelf zeggen: ‘Hij spreekt over het Nieuwe Testament.’ Je kunt dan alles wat de spreker zegt ‘plaatsen’. Dit is uitermate belangrijk. Net zoals bij een legpuzzel, waar je, aan de hand van de kantstukjes, de puzzelstukjes op kleur gaat sorteren. Je gaat dan steeds verder. Wanneer ik met mijn broeder, de Bereeër, spreek, hebben we het bijvoorbeeld over Gods verbond met Abraham. Dan zegt mijn broeder direct: ‘Genesis 17’. Dan spreken we dus over het Oude Testament. Of we hebben het over de uitdrukking: ‘De dag van God’. Dan zegt mijn broeder: ‘2 Petrus 3.’ Dan hebben we het dus over het Nieuwe Testament. Mijn broeder heeft zich aangewend belangrijke passages te benoemen. Hij kan ze dan direct terugvinden. Ik kan deze methode van harte bij je aanbevelen. Probeer dus niet alles in de bijbel meteen te begrijpen. 55

Probeer eerst alles te plaatsen. Het begrijpen komt later wel. Als alle puzzelstukjes op Oude en Nieuwe Testament gesorteerd zijn, dan ga je verder sorteren. Hoe kun je nauwkeuriger de bijbelboeken plaatsen? Blader maar eens door het Oude Testament. Je zult dan zien dat de boeken Genesis tot en met Ester gaan over de geschiedenis van het volk Israël. De boeken Job tot en met Hooglied zijn de overgang naar de profeten. De boeken Jesaja tot en met Maleachi zijn profetische boeken, waarin het herstel van Israël centraal staat. Als dus je predikant spreekt over het boek Jozua, bijvoorbeeld over de tekst: “Ik en mijn huis, wij zullen de Here dienen”, dan moet je direct denken: ‘Juist, hij spreekt over de geschiedenis van Israël.’ Als je voorganger spreekt over het boek Ezechiël, bijvoorbeeld over hoofdstuk 37, “het dal van de dorre doodsbeenderen”, dan zeg je meteen tegen jezelf: ‘Dat is een profetie. Hij spreekt over het herstel van Israël.’ Op die manier kun je de boodschap van je predikant of je voorganger in perspectief plaatsen. Voor wie zijn de geschriften van het Oude Testament geschreven? Dat zou eigenlijk een overbodige vraag moeten zijn. Maar ik stel hem toch. Want er zijn maar weinig broeders, die beseffen hoe exclusief die geschriften bestemd zijn voor Israël. Paulus spreekt daarover in zijn brief aan de Romeinen. Hij zegt daar in hoofdstuk 3:2, dat aan de Joden de heilige geschriften zijn toevertrouwd. Hij zegt tevens in hoofdstuk 2:14, dat de niet-Joden, wij dus, zonder wet zijn. En in hoofdstuk 9:4, dat de verbonden (meervoud!) en de beloften (profetieën) de specifieke erfenis van Israël zijn. 56

Wij moeten het Oude Testament dan ook lezen als, allereerst, voor de Jood. En het is van ons, alleen in die zin, dat wij door die geschriften hun God mogen leren kennen, die nu ook onze God geworden is. Je hebt broeders die het Oude Testament selectief op zichzelf toepassen. Lezen ze iets prettigs: ‘O, dat is voor mij.’ Lezen ze iets onprettigs: ‘O, dat is voor Israël.’ Alle zegeningen voor jezelf, alle vervloekingen voor de ander. Zo werkt het natuurlijk niet. De wet èn de beloften zijn voor Israël. Wij moeten niet zo hebberig zijn, dat we die ons ook willen toeëigenen. Wij hebben genoeg. Echt waar. Wij hebben Paulus. Ik zal daar later op terugkomen. Deze misplaatste toepassing van het Oude Testament geeft aanleiding tot veel narigheid. Ik had eens een ontmoeting met een broeder. Deze broeder had een probleem. Hij was lid van een evangelische gemeente. De broederraad van die gemeente legde het geven van tienden dwingend op aan de gemeenteleden. ‘Ja’, zei die broeder, ‘ze hebben het steeds maar over: “brengt de gehele tiende naar de voorraadkamer, opdat er spijze zij in mijn huis”, en ze zeggen dat je de Heer daarmee moet beproeven, zodat Hij je kan zegenen.’ Ik zei tegen hem: ‘Waar staat dat in de bijbel?’ Hij zei aarzelend: ‘Ergens in het Nieuwe Testament.’ Ik zei: ‘Vergeet het maar … Het staat in Maleachi 3.’ Lieve broeders en zusters, waar moeten wij dit plaatsen? In het Oude Testament. Waar? Bij de profeten. 57

Dus bij het herstel van Israël. Over welk huis spreekt Maleachi? Hij spreekt over de tempel in Jeruzalem. Israël moet tienden geven om de priesters, die dienst doen in de tempel, te onderhouden. Maleachi herinnert zijn toehoorders aan dit voorschrift uit de wet. In de wet staat, dat zij, die dienst doen in het heiligdom, tienden mogen heffen van het volk. Hé, de wet, waar staat die? Onder andere in Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium. Juist, dat gaat over de geschiedenis van Israël. Het geven van tienden moet je dus plaatsen bij de geschiedenis en het herstel van Israël. Dit heeft niets te maken met een broederraad van een charismatisch-evangelische gemeente in de 21e eeuw. Je moet de dingen niet door elkaar heen gaan halen. Je moet alles plaatsen. Ja, maar je mag toch wel geld vragen aan je gemeenteleden? Natuurlijk mag je geld vragen. Als je dat wilt. Prima. Maar je mag daarvoor niet Maleachi 3 gebruiken. Dat is – met recht – heel misplaatst. We gaan nu eens het Nieuwe Testament bekijken. Al bladerend door dit bijbelgedeelte, zie je eerst vijf geschiedenisboeken: Matteüs tot en met Handelingen. Matteüs tot en met Johannes gaan over het werk op aarde van onze Heer. Handelingen gaat over het werk van zijn volgelingen. Dan krijg je een groot aantal brieven, die je in twee gedeelten kunt splitsen: die van Paulus en die van de overige afgevaardigden. Als laatste heb je het boek Openbaring, dat zowel een brief is als een profetie. 58

Spreekt je predikant dus bijvoorbeeld over “de schat in de akker”, Matteüs 13, dan denk je meteen: ‘Juist, dit is geschiedenis, dit gaat over het werk op aarde van onze Heer.’ Spreekt je voorganger over “het wandelen in de geest”, Romeinen 8, dan denk je: ‘Juist, de brieven van Paulus.’ Lees je in een artikel over de brief aan Jakobus, bijvoorbeeld dat “geloof zonder werken dood is”, dan zeg je tegen jezelf: ‘De brief aan Jakobus, dat is een brief van de overige afgevaardigden.’ Ik kan je niet genoeg op het hart drukken hoe belangrijk dit ‘plaatsen’ is. Wat iemand je ook wil vertellen over ‘hoe je moet geloven’, het eerste wat je moet vragen is: ‘Waar staat dat?’ Als je de puzzelstukjes op deze manier gaat sorteren, ga je op een natuurlijke manier, als vanzelf, de losse stukjes aan elkaar passen. Voordat je gaat begrijpen, moet je dus eerst plaatsen. Dus, les één: Wanneer je predikant of voorganger je iets vertelt, dan kijk je dat thuis in je bijbel na. Je kunt dan zien of deze dingen zo zijn. Zo ja, dan zeg je: ‘Amen’. Zo niet, dan zeg je: ‘Nee, dank u’. Les twee: Wanneer iemand je iets probeert te vertellen over bijbelse zaken, dan vraag je: ‘Waar staat dat?’ Dan kun je die informatie plaatsen. Als die informatie voor jou bestemd is, dan zeg je: ‘Amen’. Als die informatie niet voor jou bestemd is, dan zeg je: ‘Nee, dank u’. Houd daar aan vast, hè? Dat zal je heel wat hoofdpijn besparen. 59

60

5. Correct snijden Vind jij dat ook van die vreemde namen? Ik bedoel: het Oude en het Nieuwe Testament. Alsof God overleden is. En Hij zijn wil nagelaten heeft. Alsof God tijdens zijn leven een testament heeft laten maken. Het oude testament. En daarna heeft Hij het veranderd. Een nieuwe gemaakt. Het nieuwe testament. Vreemd … Waar komen die namen eigenlijk vandaan? Zo rond AD 400 gaf de paus van Rome opdracht de heilige geschriften vanuit de oorspronkelijk talen in de omgangstaal, het Latijn, te vertalen. Hij gaf die opdracht aan Hiëronymus, een van de grootste geleerden van die tijd. Genesis tot en met Maleachi zijn oorspronkelijk in het Hebreeuws geschreven. En Matteüs tot en met Openbaring in het Grieks. Om die geschriften van elkaar te onderscheiden, noemde Hiëronymus de Hebreeuwse geschriften Vetus Testamentum (Oude Testament) en de Griekse geschriften Novum Testamentum (Nieuwe Testament). Via de bijbelvertaling van Hiëronymus in het Latijn, de zogeheten Vulgata, zijn deze benamingen in onze bijbelvertalingen terecht gekomen. Hiëronymus gebruikte het Latijnse woord ‘testamentum’ voor het Griekse woord ‘diatheke’, dat ‘verbond’ betekent. We zouden dus eigenlijk moeten spreken over ‘het oude verbond’ en ‘het nieuwe verbond’. Hoe komt Hiëronymus aan die benamingen? In de bijbel wordt de term ‘nieuw verbond’ voor het eerst gebruikt in Jeremia 31. 61

‘Hé’, zeg je, ‘Jeremia, de profeten, dat gaat over het herstel van Israël.’ Inderdaad. Laten we deze passage eens met elkaar lezen. Jeremia 31:31-34. “Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal. Niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden: mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ik heer over hen ben, luidt het woord des HEREN. Maar dít is het verbond, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord des HEREN: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. Dan zullen zij niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren: Kent de HERE: want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, luidt het woord des HEREN, want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken.” Over wie gaan deze verzen? Over Israël. In het Nieuwe Testament wordt ook over het nieuwe verbond gesproken. Bijvoorbeeld, in de brief aan de Hebreeën. Daar wordt Jeremia 31 uitvoerig geciteerd. Terecht, want Hebreeën is een andere naam voor Israëlieten. Dan rijst de vraag: gaat de Hebreeën-brief dan niet over ons? Nee, de Hebreeën-brief gaat niet over ons. Die gaat over Israël. Zo’n vijfentwintig jaar geleden ging ik met mijn vrouw en kinderen in Italië kamperen. We waren daar veertien dagen op een camping aan de 62

Adriatische Zee. Onze oudste twee jongens hadden volop last van hun hormonen en maakten op de camping buitenlandse vriendinnetjes, waar ze wat kusjes mee wisselden. Eén van die meisjes schreef na die vakantie een brief aan mijn tweede zoon, waarin ze hem uitnodigde voor een bezoek bij haar thuis, bij haar familie in Innsbruck, in Oostenrijk. Stel nou, dat mijn oudste zoon niet goed naar de adressering gekeken had en de brief had opengemaakt en had gedacht: ‘Hé, dat komt goed uit … Ik vond dat meisje ook al zo leuk …’ Dan was hij afgereisd naar Oostenrijk, had op de stoep gestaan met de woorden: ‘Hallo, daar ben ik dan …’ Dan had dat meisje tegen mijn oudste zoon gezegd: ‘Heel aardig dat je gekomen bent, maar ik heb aan je broer geschreven. Het lijkt me het beste, dat je maar teruggaat.’ Begrijp je? Sommige broeders denken dat alles wat er in de bijbel geschreven is, voor hen bedoeld is. Ze komen er dan op een hardhandige manier achter dat dit niet zo is. Stel, dat je voorganger een vlammend betoog houdt over het geloof. Dat het geloof zonder werken dood is. Dan denk je: ‘Hé, wat vreemd … Bij Paulus, in de brief aan de Romeinen, heb ik gelezen, dat wij gerechtvaardigd worden door het geloof, uit genade, zonder werken. En nu zegt mijn voorganger dat het geloof zonder werken dood is.’ En dan vraag je aan je voorganger: ‘Wat jij zegt over dat het geloof zonder werken dood is, waar staat dat, broeder?’ En dan zal hij zeggen: ‘In de brief van Jakobus.’ En dan kijk je dat, als een echte Bereeër, thuis na … en inderdaad, in Jakobus 2:26 tref je die woorden aan. Je weet al, waar je die brief aan Jakobus moet plaatsen. Bij de brieven van de overige afgevaardigden. Je gaat dan de hele brief maar eens lezen. 63

En bij de aanhef, zeg maar, de adressering, hoofdstuk 1:1, staat in de (Herziene) Statenvertaling: “… aan de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn …” Welke twaalf stammen? Van de Indianen van Noord-Amerika? De Sioux en de Apaches? Of de stammen van Afrika? De Hutsi’s en de Tutsi’s? Nee, natuurlijk niet, de twaalf stammen van Israël. Deze brief van Jakobus is geschreven aan en gaat over Israël. Wanneer je de brief van Jakobus naast de brieven van Paulus plaatst, dan zie je dat die met elkaar botsen. De puzzelstukjes passen niet aan elkaar. Hoe je het ook probeert. Het past niet. Die hardnekkige gedachte in onze kerken, dat je alles in de bijbel je zomaar kunt toeëigenen, gaat zover, dat de vertalers van de Statenvertaling en de NBG een probleem hadden met de brief van Jakobus. Die adressering aan de twaalf stammen, daar konden ze weinig aan veranderen. Maar verderop hebben ze geprobeerd die adressering weg te moffelen. Weg te moffelen? Ja, weg te moffelen. Waarom? Nou, om krampachtig te proberen de brief van Jakobus zich toe te eigenen. In Jakobus 2:2 lees je in de NBG-vertaling: “Want stel, er kwam in uw vergadering een man binnen …” Dat staat er niet. In de grondtekst staat: “Want in het geval, dat er in jullie synagoge een man binnenkomt …” Het Griekse woord in de grondtekst is ‘sunagoge’ en wordt op alle 56 plaatsen, waar dit woord voorkomt, vertaald met ‘synagoge’ en alleen hier, in Jakobus 2:2 met ‘vergadering’. 64

Waarom hebben de vertalers dat gedaan? Om voor de leek te verbergen dat dit een brief is die aan Joden gericht is. Waarom hebben ze dat gedaan? Nou, als je met ‘synagoge’ vertaalt, dan zou een oplettende lezer in verwarring raken. Dat zou betekenen dat die brief niet voor hem bestemd is. Maar voor de Joden. Toch? Wanneer je de Telos-vertaling gebruikt, dan zie je dat de Telosvertalers in Jakobus 2:2 wel het woord ‘synagoge’ gebruiken. Uitstekend werk, broeders. Ja, maar die broeders weten dan ook, dat alleen de brieven van Paulus speciaal voor ons, niet-Joden, bestemd zijn. Dat noem je, om dit woord maar eens te gebruiken: je hebt verschillende ‘bedélingen’. In het woordenboek vind je de definitie van bedéling: bedélen is – ieder zijn deel geven. Ieder zijn deel geven? Wat bedoelen we daarmee? Laten we even naar Galaten 2 gaan. In de NBG-vertaling. De verzen 6 tot 10. Het gaat mij speciaal om vers 7. Daar zegt Paulus: “Maar integendeel: toen zij zagen, dat mij de prediking van het evangelie aan de onbesnedenen toevertrouwd was, gelijk aan Petrus die aan de besnedenen …” Dit lijkt in de NBG-vertaling alsof hier van een taakverdeling sprake is. De een predikt het evangelie aan de onbesnedenen – aan de nietJoden. De ander predikt het evangelie aan de besnedenen – aan Israël. Maar als je naar de grondtekst gaat, lees je heel iets anders. 65

Daar staat: “… dat aan mij [Paulus] de prediking van het evangelie van de onbesnedenen toevertrouwd was, gelijk aan Petrus die [het evangelie] van de besnedenen …” Er zijn dus twee evangelies. Een evangelie van de besnedenen. En een evangelie van de onbesnedenen. In de Statenvertaling van Galaten 2:7 kan je dat ook heel goed zien. De Statenvertaling zegt: “… dat aan mij [Paulus] het Evangelie der [van de] voorhuid toebetrouwd was, gelijk aan Petrus dat der [van de] besnijdenis …” Twee evangelies, dus. Of, met andere woorden, twee bedélingen. Het onderscheiden van de verschillende bedélingen is van groot belang. In de tweede brief aan Timoteüs, hoofdstuk 2:15, schrijft Paulus dat je het woord van de waarheid [dat is: het Woord van God] op een juiste manier moet benaderen. Hij zegt tegen Timoteüs dat hij, als een arbeider, die zich niet hoeft te schamen, rechte voren moet trekken bij het brengen van het woord van de waarheid. In de grondtekst staat het nog duidelijker: Timoteüs moet het woord van de waarheid correct snijden, correct verdelen. Kijk, als je een legpuzzel maakt, dan heb je stukjes die erg op elkaar lijken. Bijvoorbeeld, je hebt een hele stapel met blauwe stukjes. In eerste instantie heb je die als één groep gesorteerd. Maar als je ze aan elkaar wilt passen, dan gaat dit niet. Dan bekijk je die blauwe stukjes eens nauwkeuriger. Dan blijken het twee verschillende categorieën te zijn. De ene helft zijn lucht-stukjes. De andere helft zijn water-stukjes. Ze lijken wel heel erg op elkaar. Maar de verschillen zijn er wel degelijk. Je moet alleen goed kijken. 66

Ga je die stukjes op de juiste plaats leggen, dan wordt alles duidelijk. Paulus zegt ook tegen Timoteüs dat, als je het woord der waarheid niet correct snijdt, dat je dan uit het spoor van de waarheid raakt [2 Timoteüs 2:18]. Ik heb in het verleden nogal wat broeders ontmoet, die tegen mij zeiden: ‘Wat jij zegt over die bedélingen, daar geloof ik niets van.’ Dan zei ik: ‘O.’ ‘Nee,’ zeiden die broeders, ‘dat het Oude Testament niet over mij gaat, maar over Israël, oké … Maar het Nieuwe Testament gaat wél over mij, hoor.’ Ga even met me mee naar Matteüs 15:21-28. “En Jezus ging vandaar en trok Zich terug naar de omgeving van Tyrus en Sidon. En zie, een Kananese vrouw uit dat gebied kwam en riep: Heb medelijden met mij, Here, Zoon van David, mijn dochter is deerlijk bezeten. Hij echter antwoordde haar geen woord, en zijn discipelen kwamen bij Hem en vroegen Hem, zeggende: Zend haar weg, want zij roept ons na. Hij echter antwoordde en zeide: Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls. Maar zij kwam en viel voor Hem neer en zeide: Here, help mij! Hij echter antwoordde en zeide: Het is niet goed het brood der kinderen te nemen en het de honden voor te werpen. Maar zij zeide: Zeker, Here, ook de honden eten immers van de kruimels, die van de tafel van hun meesters vallen. Toen antwoordde Jezus en zeide tot haar: O, vrouw, groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wenst! En haar dochter was genezen van dat ogenblik af.” Let even op dat de Heer in eerste instantie de vrouw geen antwoord geeft. Waarom niet? 67

Zij roept Hem aan als ‘Zoon van David’. Dat wil zeggen: de Koning van Israël. Dit is de aanspreektitel die een Israëliet het recht geeft om een beroep op Hem te doen. Zie bijvoorbeeld de genezing van Bar-Timeüs in Lucas 18:35-43. Maar de vrouw in Matteüs 15 is een Kananeese vrouw, die uit het gebied van Tyrus en Sidon kwam. Een niet-Israëliet dus. Zij heeft geen recht om een beroep op Hem te doen. Waarom niet? De Heer zegt tegen zijn leerlingen in Matteüs 15:24, dat Hij slechts gezonden is tot de verloren schapen van het huis Israëls. Hallo, ben je daar nog? Lees het nog eens een keer. De Heer is slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls. Paulus legt dat uit in Romeinen 15:8. Hij zegt daar: “Ik bedoel namelijk, dat Christus ter wille van de waarachtigheid Gods een dienaar van besnedenen geweest is, om de beloften, aan de vaderen gedaan, te bevestigen …” Dat is het evangelie van de besnijdenis. Dan komt de Kananeese vrouw opnieuw naar de Heer toe. En ze spreekt hem aan met alleen: ‘Heer’. En nu geeft de Heer wel antwoord. Waarom? Omdat onze Heer, volgens Handelingen 10:6 en Romeinen 14:9, de Heer is van alle mensen – van de Jood en van de niet-Jood. De vrouw doet een beroep op Hem, als Heer. En dan zegt de Heer tegen haar: ‘Het is niet goed het brood van de kinderen (dat is: van Israël) te nemen en het de honden (dat zijn wij, niet-Joden) voor te werpen.’ In de Griekse grondtekst staat het wat vriendelijker. Wij worden geen ‘honden’ genoemd. Maar ‘kunariōn’, ‘hondjes’, ‘puppies’. 68

De Evangeliën (Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes) zijn een verslag van het werk van de Heer op aarde. Onze Heer was slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls. Deze Evangeliën zijn het brood van de kinderen. En het is niet goed dit aan de hondjes voor te werpen. Worden we wakker? Ik geef je een voorbeeld van het ten onrechte eten van het brood van de kinderen. In Matteüs 6 staat het ‘Onze Vader’. Het gebed dat bij veel christelijke bijeenkomsten gezamenlijk hardop uitgesproken wordt. Ten onrechte, want dit gebed is voor Israël. Ik laat het je even zien. In vers 12 staat: “… en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren …” In vers 14 en 15 wordt dat nog verder uitgelegd. Hier worden de voorwaarden vastgelegd. “Want indien gij de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar indien gij de mensen niet vergeeft, zal ook uw Vader uw overtredingen niet vergeven.” Als wij onze schuldenaren niet vergeven, zal God ons ook niet vergeven. Dit is het evangelie van de besnijdenis. Nu het evangelie van de onbesnedenen, anders gezegd, ‘het evangelie van de voorhuid’, zoals de Statenvertaling in Galaten 2:7 zegt. In Kolossenzen 3:13 staat: “Verdraagt elkander en vergeeft elkander, indien de een tegen de ander een grief heeft; gelijk de Here u vergeven heeft, doet ook gij evenzo.” De Heer heeft je al vergeven, en vanuit die vergeving vergeef je ook de ander. Het gaat in het evangelie van de onbesnedenen dus niet over voorwaarden, maar over wat genade met je kan doen. Wat een verschil! Vind je ook niet? 69

In het Oude Testament vind je de geschiedenis en het herstel van Israël. In het Nieuwe Testament is het precies hetzelfde. Aan de ene kant de vijf boeken van de geschiedenis van de verwerping van de Messias door Israël. En aan de andere kant de brieven aan de besnijdenis en het boek Openbaring, die gaan over het herstel van Israël. De brieven aan de besnijdenis geven het vooruitzicht van het herstel aan. En Openbaring beschrijft het tot stand komen van het herstel van Israël. De brieven van Paulus staan op zichzelf. Die zijn speciaal voor ons, niet-Joden, ‘de natiën’, bedoeld. Wanneer je een prediker hoort spreken, let dan goed op waarover hij spreekt. Je weet nu dat er een scheiding is van wat wél voor je bestemd is en wat niet. We vatten het geheel nog eens samen. Wanneer je een prediking hoort, of een artikel in een christelijk tijdschrift leest, of op een internetsite een boodschap uit de christelijke wereld aantreft, dan is je eerste vraag: ‘Waar staat dat?’ Je kunt dit dan plaatsen in het Oude of in het Nieuwe Testament. Wanneer het betreffende vers of hoofdstuk in het Oude Testament voorkomt, dan kun je die boodschap je niet toeëigenen. Het gaat over Israël. Wel kun je je natuurlijk door dit bijbelgedeelte laten troosten of bemoedigen. Wat een geweldige God hebben wij! Maar je kunt er geen aanspraak op maken. Want dan snijd je het woord van de waarheid niet correct. Een voorbeeld hiervan zag ik een aantal jaren geleden op het Journaal. 70

Voorafgaande aan de vertoning van een pornografische film op een publieke zender, hield een groep gelovigen in het openbaar bidstonden, om God te vragen de vertoning te verhinderen. De voorganger benadrukte tegenover de verslaggever van het Journaal dat het geloof wonderen kan verrichten. Als voorbeeld gaf hij aan dat de muren van Jericho door het geloof gevallen waren en de Rode Zee doormidden gespleten werd. Op zich volkomen juist. Maar hij refereerde aan de geschiedenis van Israël. En hij paste dit toe op de verhindering van een film in de 21e eeuw. Dat kan dus niet. Hoe goed bedoeld ook. Begin je het te begrijpen? Ditzelfde principe geldt ook voor het Nieuwe Testament. Wordt er gesproken over de Evangeliën, of over Handelingen, dan gaat dit over de geschiedenis van Israël. Dat kan je niet op jezelf toepassen, hoe boeiend die toespraak of dat artikel ook moge zijn. Wordt er gesproken over Openbaring, of over de brieven, anders dan die van Paulus, dan weet je dat het over het herstel van Israël gaat. Ik zei zojuist, dat als je denkt dat alles in de bijbel voor jou bedoeld is, je er dan hardhandig achter komt, dat dit niet zo is. Ik wil mijn persoonlijke ervaring hiervan aan je vertellen. Zodat je hopelijk je voordeel hiermee kunt doen. Zoals je weet: een gestrand schip is een baken in zee. Toen ik de Heer nog niet zo lang kende, las ik in zijn Woord dat, als je volmaakt wilt zijn, je dan alles moet verkopen wat je bezit en Hem daarna dan moet volgen. Dat staat in Matteüs, Marcus en Lucas. Lees voor jezelf maar eens Marcus 10:17-22. Daar staat het wel heel duidelijk. Ik wist in die tijd niets over bedélingen. 71

Dus nam ik aan – als een oprechte gelovige – dat alles in Gods Woord – ook dit – voor mij bestemd was. Mijn vrouw en ik verkochten alles wat we hadden. En als ik alles zeg, dan bedoel ik ook àlles. En we gaven de opbrengst aan de armen. Alleen onze twee kinderen en de kat verkochten wij niet. We hielden één weekendtas over met kleren voor onszelf en de kinderen. Het onbegrip bij de broeders was groot. Zij vonden mij een beetje vreemd. Ze namen het mij zelfs kwalijk. Ik zei dan: ‘Maar het staat toch in Gods Woord?’ En dan zeiden zij: ‘Ja, maar dat moet je niet zo letterlijk nemen.’ En dan zei ik: ‘Maar wat moet je dan wel letterlijk nemen?’ Tja, dat wisten die broeders ook niet... Na een moeilijk, maar bijzonder half jaar kwam een lieve broeder heel schuchter naar mij toe. Hij gaf mij een briefje. Hij zei: ‘Tijdens mijn stille tijd gaf de Heer deze tekst aan mij, voor jou. Maak het briefje open als ik weg ben.’ Hij ging weg en ik maakte het briefje open. Er stond in: Romeinen 10:2. Ik zocht de tekst op. De tekst luidde: “Want ik getuig van hen, dat zij ijver voor God bezitten, maar zonder verstand.” Ik weet nog dat ik innerlijk helemaal van de kaart was. Die boodschap kon toch niet van God afkomstig zijn? Wij hadden toch naar Gods Woord geluisterd? Wij hadden toch alles opgegeven? Wij waren Hem toch gevolgd? En wij waren ‘zonder verstand’? Drie maanden later liet God aan mij zien, in zijn Woord, dat er bedélingen zijn. En dat ik niet alles had hoeven te verkopen. Want dat was voor de bedéling van Israël. Het stond immers in de Evangeliën. 72

En dat gaat over de geschiedenis van de verwerping van de Messias door Israël. Niet voor mij van toepassing, dus. Ik had inderdaad ijver voor God gehad. Maar zonder verstand. Wij hebben na die periode de draad in ons leven weer opgepakt. Maar ik wist voor altijd wat bedélingen zijn. Ik had een aantal jaren geleden eens een gesprek met een zeer vooraanstaande broeder. Hij zei tegen mij: ‘Ik geloof niet zo in bedélingen.’ Ik begon te lachen. Want zoiets moet je tegen mij niet zeggen. Ik zei: ‘Helemaal goed, broeder, maar dan moet je alles verkopen wat je hebt en aan de armen geven.’ Ik liet het hem zien in Gods Woord. Ik zei er ook nog bij: ‘Volgens het boek Marcus zegt de Heer: verkoop alles wat je bezit en kom dan bij Mij en volg Mij … Als je niet alles verkoopt wat je bezit, broeder, dan ben je nog niet eens begonnen met de Heer te volgen.’ Na ons gesprek heeft die broeder altijd met een grote boog om mij heen gelopen. Hij was blijkbaar bang dat ik aan hem zou vragen: ‘En, heb je alles al verkocht?’ Met Gods Woord moet je niet lichtvaardig omgaan. Gods Woord is scherper dan een tweesnijdend zwaard. Daar kun je je flink aan bezeren. Ik denk dat je het nu wel door hebt. Je doet er verstandig aan dagelijks in Gods Woord na te gaan of de dingen, die in de christelijke wereld verkondigd worden, wel zo zijn. En daarbij gaat het er niet alleen om of een boodschap waarheid bevat, maar ook of de waarheid correct gesneden wordt. Anders raak je uit het spoor van de waarheid. 73

74

6. Waar zijn de Bereeërs? We lezen met elkaar Handelingen 17:10-11. Uit de vertaling van het NBG. “Maar de broeders zonden terstond in de nacht Paulus en Silas naar Berea, die, daar aangekomen, naar de synagoge der Joden gingen; en dezen onderscheidden zich gunstig van die te Tessalonica, daar zij het woord met alle bereidwilligheid aannamen en dagelijks de Schriften nagingen, of deze dingen zo waren.” Jaren geleden heeft een broeder mij er eens op gewezen dat alle broeders in Christus gelijk zijn. In Christus is er geen onderscheid tussen de broeders wat betreft ras, maatschappelijke positie of culturele kenmerken. Die broeder wees mij er op dat ik niet mocht zeggen: ‘mijn Amerikaanse broeder’, maar dat ik moest zeggen: ‘mijn broeder in Amerika’. Want ik heb broeders in Amerika, broeders in Frankrijk en ik heb broeders in Ethiopië. Ik heb miljoenen broeders, daar waar God hen geplaatst heeft. Het maakt dus niet uit waar zij wonen, of hoe zij eruit zien, want het zijn mijn broeders. Ik moet dus ook niet zeggen: ‘mijn Gereformeerde broeder’, want ik heb broeders in de Gereformeerde kerk, ik heb broeders in de Hervormde kerk en ik heb broeders in de RoomsKatholieke kerk. Ja, ik heb zelfs broeders in de Evangelische gemeenten. [gelach in de zaal] Ik heb dus miljoenen broeders. En het maakt niet uit van welke geloofsgemeenschap zij zijn, want het zijn mijn broeders. Ja, er is in Christus zelfs geen verschil tussen man en vrouw. Dus als ik u vanavond, in het vuur van mijn rede, met ‘broeders’ aanspreek, dan bedoel ik dus uitdrukkelijk zowel de broeders 75

van het mannelijk geslacht, als de broeders van het vrouwelijk geslacht. Ik wil dit van tevoren even vaststellen, anders krijg ik daar later misschien moeilijkheden mee. Bij dezen, zusters. Gewoonlijk spreekt mijn broeder de Bereeër op deze avond, maar hij heeft mij de gelegenheid gegeven om u iets te vertellen, wat al heel lang op mijn hart ligt. Dank daarvoor, broeder. U en ik, wij hebben miljoenen broeders in de Heer. Ik ken al die broeders natuurlijk niet persoonlijk, maar ik heb in de loop van mijn leven wel heel wat broeders ontmoet. Meestal in hun diverse samenkomsten. En in al die bijeenkomsten voel ik mij thuis. Of ik nu in de Hervormde Kerk ben, waarin ik met mijn broeders psalmen op hele noten zing. Of dat ik bij een charismatische groepering ben, waar ik uitbundig lofliederen met hen zing. Het is voor mij hetzelfde. Want ik ben bij familie, broeders onder elkaar, één in de Heer. Maar de laatste tien, vijftien jaar is mij één ding opgevallen. Eén ding wat in al die geloofsgemeenschappen hetzelfde is. Waar je ook komt, het is overal en altijd hetzelfde. Wat is dat dan? Je wordt er bedolven onder de evangelieprediking, maar er zijn geen Bereeërs in de zaal. We hebben net Handelingen 17 gelezen, vers 10 en 11. Wat dacht u van die mannen in Beréa? Paulus predikt het evangelie in die dagen met woord en daad, met betoning van tekenen en wonderen. En nou komt hij met broeder Silas in Beréa. Reken maar dat zijn reputatie hem vooruitgesneld was. Want waar hij ook kwam, overal gebeurde er wel wat. Volksopstootjes, een aardbeving, genezingen. En nu predikt hij het evangelie aan de broeders in Beréa. 76

En zeggen die broeders dan tegen hem: ‘Halleluja, prijs de Heer, dank u broeder, voor die gewéldige boodschap’ …? Nee, ze zeggen tegen hem: ‘Allemaal heel leuk en aardig wat je ons te vertellen hebt, broeder Paulus, maar wij gaan eerst even de Schriften na, als je het niet erg vindt, of deze dingen wel zo zijn.’ Waar zijn zulke broeders in onze dagen? Wij, in onze dagen, zijn onmondige kinderen. Wij worden heen en weer geslingerd door allerlei wind van leer. Hoe komt dat? Omdat wij niet in staat zijn om zelfs de meest eenvoudige evangelieverkondiging in de Schriften na te gaan, of deze dingen wel zo zijn. Wij hebben geen Bereeërs. Ik heb een broeder die Gods Woord hartstochtelijk liefheeft. Die broeder is een Bereeër. Hij overpeinst de Schriften bij dag en bij nacht. Als hij ’s avonds naar bed gaat, denkt hij aan de Schriften. Als hij ’s morgens opstaat, denkt hij aan de Schriften. Als hij zich aankleedt, denkt hij aan de Schriften. Als hij in zijn auto zit, op weg naar zijn werk, denkt hij aan de Schriften. Als hij op zijn werk is, denkt hij aan de Schriften. In de pauze natuurlijk … En als hij thuiskomt. En als hij aan tafel zit te eten. Kortom, mijn broeder de Bereeër denkt altijd aan de Schriften. Het hart van mijn broeder is dan ook vol van de Schriften. Hij kan zijn mond niet houden. Hij móet wel spreken. Dat doet hij ook. Hij geeft bijbelstudies. En op die bijbelstudies vertelt die broeder, die Bereeër dus, dat de vertalers de Schriften niet goed vertaald hebben. En elke keer moet hij zeggen: ‘Er staat in uw vertaling wel zus en zo, maar eigenlijk staat er in de Schriften dit en dat.’ 77

En de toehoorders van mijn broeder komen uit verschillende geloofsgemeenschappen, waar blijkbaar geen Bereeërs aanwezig zijn. Want ik kan u verzekeren: Bereeërs zijn niet dik gezaaid in onze kerken. En dan komen ze bij hem met hun vragen. Logisch. En dan vragen ze bijvoorbeeld aan hem: ‘Broeder, er wordt in onze kerk gesproken over “de hel”, wat moeten we daar nu mee?’ En dan zegt mijn broeder, aan de hand van de Schriften: ‘Er staat helemaal geen “hel”, er staat “gehenna”.’ En dan vragen die broeders: ‘En wat betekent dat dan, “gehenna”?’ En, omdat mijn broeder een zeer beminnelijk mens is, gaat hij dat uitvoerig uitleggen. Maar dat hoeft hij helemaal niet te doen. Want een Bereeër hoeft helemaal niets uit te leggen. Een Bereeër gaat alleen maar de Schriften na, om te kijken, of de dingen die gezegd worden, wel zo zijn. En als een evangelieprediker iets zegt, wat níet volgens Gods Woord is, dan klopt het dus niet. En als de evangelieprediker iets zegt wat wél volgens Gods Woord is, dan klopt het dus wel. Je hoeft dus helemaal niets uit te leggen. Kijk, een Bereeër gaat naar een woordverkondiging. En die luistert naar wat er gezegd wordt. En dan spreekt een evangelieprediker over de ‘hel’. En na afloop gaat de Bereeër dan naar de evangelieprediker toe. En dan zegt de Bereeër tegen die voorganger: ‘Broeder, wat je daar zei, over de “hel”, waar staat dat?’ ‘Nou’, zegt dan die evangelieprediker, ‘dat kun je overal in de bijbel vinden, maar vooral in Matteüs 5.’ En dan gaat zo’n Bereeër naar huis. En dan zegt hij tegen zichzelf: ‘Dat moet ik toch wel even nakijken.’ En dan kijkt het na in zijn bijbelvertaling. 78

En dan ziet hij in Matteüs 5 vers 22: “… en wie zegt: Dwaas, zal vervallen aan het hellevuur.” En dan denkt hij: ‘Nou moet ik het zéker nakijken in de Schriften.’ En dan ziet hij in zijn Griekse Bijbel staan: “het geenna van het vuur”. En dan gaat hij nog een vers bekijken in de NBG-vertaling: vers 29. En daar staat: “… en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.” En dan denkt hij: ‘Die tekst moet ik ook zéker in de Schriften nakijken.’ En ook hier ziet hij in de Griekse grondtekst het woord ‘geenna’. En dan doet die Bereeër iets verstandigs. Hij gaat zijn Griekse concordantie na. Hij komt 12 keer ‘geenna’ tegen. En alle twaalf keren wordt het in het NBG vertaald met ‘hel’. En dan gaat die Bereeër naar die broeder, de evangelieprediker, terug. En hij zegt: ‘Broeder, ik heb het in de Schriften nagekeken, maar God spreekt niet over “hel” hoor, maar hij spreekt over “gehenna”.’ En dan zegt zo’n evangelieprediker natuurlijk: ‘Oké, broeder, maar wat betekent dat dan, “gehenna”?’ En de Bereeër zegt dan: ‘Ja, broeder, dat weet ik niet, maar dat is voor mij niet zo belangrijk. God zegt niet dat er een “hel” is, maar wel een “gehenna”, en dat is voor mij voldoende. Wilt u de volgende keer Gods woorden spreken, alstublieft. Goedemiddag, broeder.’ Mijn beminnelijke broeder vertelt dus aan zijn toehoorders dat ‘gehenna’ het Griekse woord is voor het Hebreeuwse woord ‘GeiHinnom’, dat ‘dal van Hinnom’ betekent. Het dal van Hinnom is, sinds oudsher, een dal bij Jeruzalem, waar het afval verbrandt wordt. Dit dal zal in het komende Messiaanse Koninkrijk de plaats zijn waar terechtgestelde misdadigers verbrand zullen worden. 79

Meestal heeft mijn broeder voor deze uitleg veel tijd nodig, want wij zijn zover van de Schriften afgedwaald, dat wij zelfs de meest eenvoudige dingen niet meer weten. En dan gaan die broeders opgetogen naar huis. En ze zeggen: ‘Ik luister toch zo graag naar die broeder, hè, want hij heeft altijd nieuwe dingen.’ Pardon, nieuwe dingen? Mijn broeder vertelt helemaal geen nieuwe dingen. Mijn broeder gaat de Schriften na, of deze dingen zo zijn. Weet u wie nieuwe dingen vertellen? Dat zijn de evangeliepredikers, die over de ‘hel’ spreken. Die vertellen nieuwe dingen. Ja, daar lacht u wel om, maar zó is het. Weet u wel, als u tegen mijn broeder de Bereeër zegt, dat hij nieuwe dingen vertelt, dat dit eigenlijk een belediging voor hem is? Waarom is dat een belediging? Omdat het pertinent niet waar is. Hij vertelt helemaal geen nieuwe dingen. U gebruikt een omgekeerde redenering. Wist u dat? Als je een Bereeër bent, dan heb je voortdurend met omgekeerde redeneringen te maken. Ze zeggen bijvoorbeeld tegen je: ‘Broeder, jij verkondigt een dwaalleer.’ Nou, dank je de koekoek. Wie vertelt er nou een dwaalleer? Het Woord van God zegt: “gehenna”. Dus als jij ‘hel’ zegt, dan verkondig jij een dwaalleer. Snap je? Mijn broeder de Bereeër zegt soms wel eens heel voorzichtig tegen een evangelieprediker, dat hij, als voorganger, sommige dingen echt niet kan zeggen. Mijn broeder zegt dan: ‘Broeder, dat kan echt niet: “hel”. Het is “gehenna”.’ En dan lachen ze hem uit. 80

Dat is het lot van een Bereeër: uitgelachen te worden. Maar weet u wat die evangeliepredikers dan zijn, als zij consequent over de ‘hel’ blijven praten? Dan zijn zij valse getuigen van God. Omdat zij namelijk tégen God in getuigen, dat er een ‘hel’ is. Misschien denkt u nu, dat ik leuke verhaaltjes loop te verkopen. Maar we hebben het over uiterst serieuze zaken. Wat is die serieuze zaak dan? Het gaat erom dat Gods Woord nagesproken wordt. Als je ergens in een dienst bent en er is een woordverkondiger bezig, dan weet een beetje Bereeër al na vijf minuten wat voor vlees hij in de kuip heeft. Want het is gewoon een test. Spreekt een woordverkondiger Gods woorden na, of spreekt hij Gods woorden niet na? Als iemand Gods woorden naspreekt, oké. Als iemand Gods woorden niet naspreekt, dan is het natuurlijk niet oké. Nou, broeders, ik kan u verzekeren, dat het hoogst zelden voorkomt dat een evangelieprediker het Woord van God naspreekt. U denkt misschien dat ik overdrijf, maar ik overdrijf echt niet. Want na vijf minuten weet je al of iemand menselijke wijsheid staat te spreken. En menselijke wijsheid is dwaasheid voor God. Dan had je beter thuis kunnen blijven. Studio Sport kijken of zo. Wat doet dus een Bereeër? Een Bereeër doet niets anders dan nagaan of iemand wel Gods Woord naspreekt. Pauze 81

Laten we nog een keer Handelingen 17 lezen. “Maar de broeders zonden terstond in de nacht Paulus en Silas naar Berea, die, daar aangekomen, naar de synagoge der Joden gingen; en dezen onderscheidden zich gunstig van die te Tessalonica, daar zij het woord met alle bereidwilligheid aannamen en dagelijks de Schriften nagingen, of deze dingen zo waren. Velen dan van hen kwamen tot het geloof …” U ziet, deze lezing wijkt iets af van de lezing van vóór de pauze. Ik heb de volgende regel uit Handelingen 17 erbij gehaald. “Velen dan van hen kwamen tot het geloof.” Vóór de pauze heb ik gesproken over wat een Bereeër is. Een Bereeër is iemand die dagelijks de Schriften nagaat, of de dingen die hij in de evangelieprediking hoort, wel zo zijn. Ik las natuurlijk niet voor niets de geschiedenis van de broeders van Beréa iets verder. Want de bedoeling van de Schriften nagaan is niet alleen het onderzoek op zich, maar dat je aan de hand daarvan tot geloof komt. Ik hoop dat u dat subtiele verschil begrijpt. Want de Schriften nagaan is op zichzelf natuurlijk een hele goede bezigheid, maar de bedoeling is dat je tot geloof komt. En als ik zeg ‘de Schriften’, dan bedoel ik dus niet ‘de bijbel’. Want de bijbel is een vertaling van de Schriften. En de vertalers hebben de grondtekst op honderden plaatsen verkeerd weergegeven. Nu ziet u de bui natuurlijk al hangen. U denkt: ‘die broeder roept mij op om de grondtekst te gaan bestuderen.’ Of: ‘die broeder gaat zeggen: het wordt hoog tijd dat u Grieks en Hebreeuws gaat studeren.’ Daar wil ik het niet met u over hebben. Ik wil het met u hebben over een andere, bijzondere, broeder. Die broeder ziet namelijk iets. En ik wil dat, als u vanavond weggaat, u ook ziet, wat hij ziet. Wat ziet die broeder dan? 82

Die broeder ziet, dat die broeder de Bereeër de kastanjes uit het vuur haalt. En dat de mensen daar vervolgens niets mee doen. Dat ze dan wel braaf in hun bijbeltje bijschrijven ‘gehenna’, of: ‘hel is gehenna’, maar verder gebeurt er gewoon niets. Want thuis aan tafel lezen ze nog gewoon: ‘hel’. En als ze naar hun gemeente gaan, wordt er nog steeds over ‘hel’ gesproken. En niemand staat er dan op. Niemand zegt: ‘Maar broeders, er staat helemaal geen “hel”, maar “gehenna”.’ Dus bedenkt deze broeder een briljant en gewaagd plan. Wat doet hij? Deze broeder neemt een besluit. Mijn broeder hoort dat ‘hel’ ‘gehenna’ is. En wat doet hij? Hij scheurt alle bladzijden uit zijn bijbel, waar het woord ‘hel’ staat. En dan gaat hij plakken en knippen. En hij verandert het woord ‘hel’ in ‘gehenna’. En als hij thuis aan tafel zit, leest hij voor met ‘gehenna’ en niet meer met ‘hel’. En als zijn kinderen hem vragen: ‘Papa, ze spreken op school over de “hel”’, dan kijkt hij samen met zijn kinderen in zijn bijbel, en dan staat er nergens het woord ‘hel’, alleen maar ‘gehenna’. En als hij in een christelijke bijeenkomst zit en ze hebben het over de ‘hel’, dan zegt hij: ‘Waar staat dat dan?’ En dan zeggen ze: ‘Nou, in de bijbel.’ Nou, en dan pakt die broeder zijn bijbel en dan zegt hij: ‘Dat staat er helemaal niet. Ik kan het woord “hel” niet vinden.’ U lacht erom, maar deze broeder heeft een enorme stap voorwaarts gemaakt. Weet u dat? Hij heeft een enorme stap voorwaarts gemaakt. Want mijn broeder begrijpt 1 Korintiërs 13:11. 83

“Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, voelde ik als een kind, overlegde ik als een kind.” Hier ziet u de definitie van een kind. Een kind is: hij spreekt als een kind, hij voelt als een kind en hij overlegt als een kind. Eens? U ziet hier, in 1 Korintiërs 13:11, vier keer het woord ‘kind’ als vertaalwoord van het Griekse woord ‘nēpios’. Nu komt dit woord ‘nēpios’ nog een keer in deze brief voor. En wel in 1 Korintiërs 3:1. “En ik, broeders, kon niet tot u spreken als tot geestelijke mensen, maar slechts als tot vleselijke, nog onmondigen in Christus.” ‘Onmondigen’ is hier het vertaalwoord voor het Griekse woord ‘nēpios’. Een ‘nēpios’ is dus een onmondig kind. En wat is het kenmerk van een onmondig kind? Een onmondig kind denkt niet zelf na, maar er wordt voor hem gedacht. ‘Kleed je aan!’ ‘Snuit je neus!’ ‘Geef die meneer een handje!’ ‘Zeg eens dank u wel tegen die mevrouw!’ En nou zegt u: ‘Ja, dus …’ Nou, kijk, toen ik deze presentatie aan het voorbereiden was, heb ik verschillende mogelijkheden overwogen om mijn boodschap aan u over te brengen. Ik heb er over nagedacht om het heel elegant te doen. Met een strikje erom heen. Om het heel voorzichtig te doen. De ruwe kantjes eraf te slijpen. Een omweg te maken. Een anekdote te vertellen. En eergisteren stond ik onder de douche. En toen liet de Heer mij de heerlijkheid van Zijn Woord zien. En toen moest ik onbedaarlijk huilen. 84

En toen dacht ik: ‘Nee, ik moet mijn toehoorders niet voor de gek houden, maar rechtuit zeggen waar het op staat.’ En nu ga ik u dus rechtuit zeggen waar het op staat. Uw broeder de Bereeër haalt voor u de kastanjes uit het vuur. En als u daarna dan niet uw vocabulaire aanpast aan Gods Woord, dan blijft u altijd een onmondige in Christus. Ik zal het nog een keer zeggen (misschien heeft u het niet zo goed verstaan): als u uw vocabulaire niet aanpast aan Gods Woord (ik bedoel dan de Schriften), als u bijvoorbeeld niet het woord ‘hel’ vervangt door ‘gehenna’, dan blijft u altijd een onmondige in Christus. U protesteert. U zegt: ‘Ja, hoor eens, broeder, wij zijn helemaal niet onmondig.’ O, nee? Weet u dat heel erg zeker? Ik ga u aantonen dat u een onmondige bent aan de hand van twee voorbeelden. Want u wordt namelijk als een onmondige behandeld. En omdat u als een onmondige behandeld wordt, gaat u denken als een onmondige. Dan gaat u overleggen als een onmondige. En dan bent u een onmondige. Begrijpt u? Ik laat het u zien aan de hand van het woord ‘apostolos’. Het woord ‘apostolos’ wordt in onze bijbelvertaling 79 keer vertaald met ‘apostel’, 1 keer met ‘gezant’ en 2 keer met ‘afgevaardigde’. ‘Gezant’ is een enorme miskleun, want ‘gezant’ komt van het woord ‘zenden’, wat het vertaalwoord is van het Griekse woord ‘pempō’, dat onderdeel is van een heel andere woordgroep. Het Nederlandse woord ‘apostel’ is geen vertaling, maar een klanknabootsing. Het woord ‘apostel’ zegt op zich helemaal niets. Het woord ‘apostolos’ komt van ‘apo’(= vanaf) en ‘stello’ (= stellen). 85

‘Apo-stello’ is dus ‘vanaf-stellen’, ‘afvaardigen’. Een ‘apostolos’ is dus een ‘afgevaardigde’. Iemand die door zijn opdrachtgever met een bepaalde opdracht weggezonden wordt, en die alle bevoegdheden heeft om namens die opdrachtgever te handelen. Nu moet u opletten hoe u als een onmondige behandeld wordt. We gaan naar Matteüs 10. U ziet daar de geschiedenis dat de Heer Jezus zijn twaalf discipelen roept en hen macht geeft (dat is typisch voor een opdracht aan een apostel, aan een afgevaardigde) en zij krijgen bepaalde bevoegdheden: onreine geesten uitdrijven, zieken genezen, enzovoorts. En dan noemt Hij zijn discipelen: ‘apostoloi’, ‘apostelen’. Dit zijn dan de twaalf apostelen. Want er staat in vers 2 in onze NBG-vertaling: ‘en dit zijn dan de twaalf apostelen’. Prima. De Heer had hen zelf uitgezocht. Hij noemt ze ‘apostelen’. Prima. Niks mis mee. En dan zegt Paulus in 1 Korintiërs 9 vers 1: ‘Ben ik niet vrij? Ben ik geen apostel?’ Natuurlijk, Paulus. Natuurlijk ben jij een apostel. Want je hebt de Heer toch ontmoet op de weg? Natuurlijk ben jij een apostel. Hoe kun jij nou geen apostel wezen? Ja, jij bent een apostel. Nu komen we bij Filippenzen 2:25. Daar lezen we in de NBG-vertaling: “Maar ik achtte het noodzakelijk, Epafroditus tot u te zenden, mijn broeder en medearbeider en medestrijder, die uw afgevaardigde was om mij te helpen …” Hé, afgevaardigde … Even kijken in de grondtekst. Daar staat het woord ‘apostolos’. 86

Oké, dus Epafroditus is ook een apostel. Nee, Epafroditus is een afgevaardigde. Maar er staat toch dat hij een ‘apostolos’ is. Ja, maar Epafroditus is geen apostel. Waarom niet? Nou, want hij heeft de Heer niet persoonlijk ontmoet. Hij is geen echte apostel. Ja, de twaalven wel. Paulus ook. Maar Epafroditus is geen apostel. Weet u wat dit is? Dit is kinderpraat. Want er bestaan helemaal geen apostelen. Er zijn alleen maar afgevaardigden. Weet u wat het woord ‘apostel’ is? Dat is een relikwie. Uit de Rooms-Katholieke tijd. Toen wij, als onmondige kinderen, nog in de schoot van de moederkerk waren. Weet u, onze broeders in de Rooms-Katholieke kerk worden nog steeds als onmondigen behandeld. In de hele wereld, en in Nederland tot enkele decennia geleden, wordt de mis in het Latijn opgedragen. Er is geen broeder die er een woord van verstaat. Maar dat geeft niet, want ze hoeven niet te denken. Er wordt voor hen gedacht. Onmondig. Bent u wel eens bij een eucharistieviering geweest? Na afloop gaan de kerkgangers één voor één naar de priester. Of de priester gaat de rijen langs met de hostie, de ouwel. Dat is een stukje brood, dat het lichaam van Christus representeert. Daar staan dan alle kerkgangers. En als de priester dan bij hen is, dan doet de kerkganger zijn mond open. 87

En dan legt de priester daar een stukje brood in. Dit is een handeling die volledig bij een onmondig kind past. En de kerkganger moet de priester natuurlijk met ‘pater’, ‘vader’ aanspreken. En de priester zegt dan tegen hem: ‘mijn kind’. Onze broeders in de Rooms-Katholieke kerk zijn dus onmondige kinderen. Volstrekt onmondigen. Onze broeders in de Rooms-Katholieke kerk komen bijeen in een gebouw, dat vol met heiligenbeelden staat. Heiligenbeelden van Maria en Jozef. O, ja, en ook van de twaalf apostelen. Twaalf? Ja, die twaalf apostelen die de Heer in Matteüs 10 uitgekozen heeft. Maar Judas heeft onze Heer toch verraden? Ja, die apostel is er niet bij. En Mattias dan? Nee, jòh, die is door loting een apostel geworden. Door een loting? Nou ja … Gelukkig, gelukkig, hè, heeft de Heer de apostel Paulus op de weg ontmoet. Gelukkig maar. Want er ontbrak een twaalfde man, zullen we maar zeggen. En op een echt geestelijke manier heeft God de apostel Paulus in dit rijtje toegevoegd. Ja, toch? Zo’n geestelijke man als Paulus hoort natuurlijk wel thuis in dit rijtje van de apostelen. Weet u wat dit is? Dit is een sprookje. Dit is kinderpraat. Er zijn helemaal geen apostelen. Er zijn alleen maar afgevaardigden. 88

Ja, zegt u, dat zijn onze broeders in de Rooms-Katholieke kerk. Maar wij, wij zijn geen onmondigen. Dacht u dat? In onze Reformatorische en Evangelische kerken spreken de woordverkondigers vanaf de kansel. En dan spreken zij over de ‘apostel’ Paulus. En alle kerkgangers slapen rustig verder. Maar als er een woordverkondiger op zou staan, die zou zeggen ‘de afgevaardigde’ Paulus, dan schrikt iedereen wakker. De alarmbellen gaan rinkelen … De afgevaardigde Paulus? En waar ga jij dan naartoe, Paulus? Naar de broeders in de verstrooiing? Eh, nee, ik ben afgevaardigd naar de heidenen. Naar de heidenen? Belachelijk. God is toch de God van Israël, of niet? Nee, zegt Paulus, God is niet alleen de God van de Joden, maar Hij is ook de God van de heidenen. Nou, dan hoop ik maar dat broeder Petrus hem het evangelie van het Koninkrijk laat verkondigen. Umm, nou, Paulus spreekt in Romeinen 2:16, 16:25 en 2 Timoteüs 2:8 over mijn evangelie. Mijn evangelie? Het evangelie van Paulus? Wat is dat dan voor een evangelie? Heeft hij dat soms van broeder Petrus gehoord? Nou, nee, zegt Paulus, dat evangelie heb ik van de Heer Jezus zelf ontvangen. Nou, oké, oké, goed, goed … maar ik hoop wel dat als er mensen door Paulus tot bekering komen, dat ze zich dan wel laten besnijden. Umm, tja … dat ligt even iets anders … Paulus zegt in Galaten 5:2, dat als je je laat besnijden, dat Christus je dan geen nut zal doen. Nou ja, dan hoop ik maar, dat die heidenen in ieder geval wel de tien geboden houden. 89

Dat is wel het minste wat je kan vragen van die heidenen, vind je niet? Nou, zegt Paulus in Romeinen 3:20, ik dacht het niet, want uit werken der wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden. Het gemor wordt zo groot, dat Paulus door de heiden-broeders naar Jeruzalem wordt gestuurd. En hij heeft besprekingen met de afgevaardigden daar. En vooral met de ‘pilaren’, die in Jeruzalem als belangrijk beschouwd worden. Niet dat Paulus daar erg van onder de indruk is. En hij houdt met enkelen van hen afzonderlijk besprekingen, omdat hij bang is dat hij anders alles voor niets gedaan heeft. Nu wil ik u graag de uitkomst van die besprekingen laten zien. Dat staat in Galaten 2:7-9. “Maar integendeel: toen zij zagen, dat mij de prediking van het evangelie aan de onbesnedenen toevertrouwd was …” Even als een Bereeër de Schriften nakijken … Hé, in het Grieks staat er: “euangelion tou akrobustias”. Dat is: het evangelie (goede bericht) van de voorhuid (onbesnedenen). Niet: het evangelie aan de onbesnedenen. Maar: het evangelie van de onbesnedenen. “… gelijk aan Petrus die aan de besnedenen …” Even kijken in de Schriften. Daar staat: “kathōs petros tēs peritomēs” Dus: “zoals Petrus (dat) van de besnijdenis” Het evangelie dus van de besnijdenis. Dan gaat vers 8 verder met: “… immers Hij, die Petrus kracht gaf om apostel te zijn voor de besnedenen …” In het Grieks: “apostolēn tēs peritomēs” Vertaald: “afvaardiging van de besnijdenis” “… gaf die kracht ook aan mij voor de heidenen.” 90

In vers 9 vertelt Paulus dan over de afspraak: “wij zouden naar de heidenen (de gojiem), zij naar de besnedenen (de Joden) gaan.” U ziet dus dat er twee afvaardigingen zijn. Geen ‘apostelschap’. Nee, afvaardigingen: één naar de besnijdenis en één naar de natiën (niet-Joden). En er zijn dus twee evangelies, twee goede boodschappen: de goede boodschap van de besnijdenis en de goede boodschap van de voorhuid (onbesnedenen). U bent uit de voorhuid. Dat betekent dat de goede boodschap van de voorhuid voor u bestemd is. Dat betekent niet dat de goede boodschap van de besnijdenis niet interessant zou zijn. Integendeel. Het is zelfs buitengewoon interessant. Maar het is niet voor u bestemd. Uitsluitend de brieven van Paulus, de goede boodschap van de voorhuid, zijn voor u bestemd. En dan zegt u nu: ‘Broeder, wat kínderachtig … we gaan het toch niet hebben over bedélingen … daar geloof ik niet in, hoor. Ik geloof echt niet in bedélingen.’ Weet u wat kinderachtig is? Dat u denkt dat u zich de hele Schrift kunt toeëigenen. En dan komt u bij Lucas 12. En u leest daar in vers 32: “Wees niet bevreesd, gij klein kuddeke! Want het heeft uw Vader behaagd u het Koninkrijk te geven.” En dan roept u: ‘Halleluja, dank u Heer, voor het Koninkrijk.’ En u eigent zich dit toe. Maar u vergeet gemakshalve dat deze zin, in het origineel, in de Griekse grondtekst, zonder een punt, zonder een komma, ja, zonder zelfs een spatie tussen de woorden, overgaat in de 91

volgende zin: “… verkoopt uw bezittingen om aalmoezen te geven.” Dat is dezelfde zin. Dat is dezelfde gedachte. Want als u het Koninkrijk wilt hebben, zult u ook uw bezittingen moeten verkopen, om aalmoezen te geven. Weet u wat dat betekent? Dat betekent dat u uw huis, dat de laatste jaren zo prettig in waarde gestegen is, moet verkopen. En de opbrengst moet schenken aan de weeskinderen in India. Dat betekent dat u uw nieuwe stationcar met die mooie getinte ramen en dubbele airbags moet verkopen en de opbrengst aan Wycliffe medewerkers in Nieuw-Guinea moet geven. En dan zegt u: ‘Ho, ho, broeder, dat vraagt God niet van mij.’ Dacht u dat? Dan lijkt u op een kleuter, die bij de Heer Jezus aan tafel zit. En de Heer heeft voor u twee boterhammen klaargemaakt. Een met jam en een met kaas. En u eet eerst de boterham met jam op. En u zegt: ‘Heerlijk, dank u wel, Heer.’ En dan ligt de boterham met kaas nog op uw bordje. En de Heer zegt vriendelijk tegen u: ‘Dóór eten.’ En u zegt tegen Hem: ‘Nee, Heer.’ En dan vraagt Hij: ‘Waarom niet?’ En u zegt: ‘Heer, ik zit vol.’ En dan zegt Hij, vriendelijk als altijd: ‘Je moet wel je bord leeg eten.’ En dan begin je te jammeren. Je zegt: ‘Maar Heer, dat is een boterham met kaas.’ En dan zegt Hij: ‘Nou, en?’ En dan zeg je, bijna huilend: ‘Maar Heer, ik lust geen kaas.’ Weet u wat kinderachtig is? Als de Heer u, volgens Efeziërs 1:3, met alle zegeningen in de hemelse gewesten in Christus zegent, en dat je dan een bordje boven je bed hangt met de tekst: “Ik heb u in mijn handpalmen gegrift.” 92

Dat is kinderachtig. Waarom? Nou, want God zegt het niet tegen u. God zegt het tegen zijn volk Israël. En dat volk moet boeten voor zijn ongerechtigheid. Het ontvangt dubbel uit de hand van God vanuit hun zonden. En als alle hoop verloren is, en als alle tranen geschreid zijn, zodat er geen tranen meer over zijn, omdat ze door het water moeten gaan en door het vuur, zodat, volgens Jesaja 41, God tegen hen zegt: “gij wormpje Jakob”, “gij volkje Israël”, zó diep zijn zij vernederd … en dán zegt God in Jesaja 49 tot hen: “Ik heb u in mijn handpalmen gegrift”. Weet u, wij christenen lijken op eksters. Wij vliegen over de bijbel heen. En dan zien wij, in Psalm 23, iets blinken: “De Heer is mijn herder.” En hup, wij duiken naar beneden. Wij pakken het zilveren lepeltje mee. Maar dat lepeltje is helemaal niet van ons ... En dan komen we in Johannes 10 bij een volgende tekst: “… Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed.” En hup, wij duiken weer naar beneden. En we nemen het mee. Dan vliegen we weer verder … En dan zien we, in Johannes 15: “Indien gij in Mij blijft en mijn woorden in u blijven, vraagt wat gij maar wilt, en het zal u geworden.” En we duiken weer naar beneden en we nemen het in beslag … Wij zijn volstrekt onmondige kinderen. Wij weten niet eens het verschil tussen ‘mijn’ en ‘dijn’ … Ik wil u het tweede voorbeeld noemen. Het Griekse woord ‘aggelos’ [uitspraak: ‘angelos’]. Dit woord komt 187 keer voor in het Nieuwe Testament. Het woord wordt 180 keer vertaald met ‘engel’. En 7 keer met ‘boodschapper’. 93

Het woord ‘engel’ zegt op zich helemaal niets. Want het is een klanknabootsing van ‘angelos’. Maar een ‘aggelos’ is een ‘boodschapper’. Nu gaan de bijbelvertalers vertalen. En laten we zo’n ‘aggelos’ dan eens bekijken. In Matteüs 1:20 zien we dan: “Toen die overweging bij hem (dat is Jozef) opkwam, zie, een engel des Heren verscheen hem in de droom …” Kijk, daar heb je zo’n ‘aggelos’. Een ‘aggelos kuriou’, een ‘engel des Heren’. Nu gaan we naar Lucas 7:24 en daar lezen we: “Toen de boden van Johannes vertrokken waren …” En dan lezen we in de Griekse tekst ook het woord ‘aggelos’ . Hé, dat is vreemd. ‘Aggelos’, dat zijn toch ‘engelen’? Ja, zeggen de vertalers, maar om die boden van Johannes nou ‘engelen’ te noemen, dat gaat ons een beetje te ver. Dat kunnen geen ‘engelen’ zijn, dat moeten wel ‘boden’ zijn. Wordt er hier voor u gedacht, of eh … hoe zit het? Weet u wat hier het probleem is? Heel veel broeders weten, dat een ‘aggelos’, een ‘engel’, eigenlijk een ‘boodschapper’ is. Want u zegt tegen mij: ‘Broeder, dat weet ik al lang, dat een engel een “boodschapper” is.’ Nou, als u dat weet, waarom past u dan uw vocabulaire niet aan? Nou, ik weet wel waarom u dat niet wil. Want dat vindt u jammer. Want dan bent u uw engelen kwijt … Maar weet u wat het probleem is? Als je ‘engel’ blijft zeggen, dan praat je als een kind. Dan denk je dat een engel vleugels heeft. Broeders, boodschappers hebben geen vleugels. Ja, zegt u, maar die engelen in de tabernakel, dan, en in Ezechiël, die hadden toch vleugels? 94

Nee, broeder, dat zijn cherubs. Maar cherubs zijn toch engelen? Nee, broeder, cherubs zijn cherubs en boodschappers zijn boodschappers. En Jesaja 6 dan, met die engelen met zes vleugels? Broeder, dat zijn serafs. Maar serafs zijn toch engelen? Nee, broeder, serafs zijn serafs en boodschappers zijn boodschappers. Je hebt cherubs, serafs, boodschappers en je hebt ook nog tronen, heerschappijen, overheden en machten. Kijk, als je aan ‘engel’ vasthoudt, dan krijg je kinderpraat. Dan lees je van een zeer vooraanstaande broeder, die door miljoenen broeders gelezen en zeer gerespecteerd wordt, dat hij schrijft: “… dat na de zondeval van Adam God noodgedwongen van engelen cherubs moest maken.” Broeders, kom nou. God, die miljarden melkwegstelsels geschapen heeft en in die melkwegstelsels triljarden sterren en die al die triljarden sterren bij name roept, die de hele kosmos in zijn hand heeft en draagt door het woord van zijn kracht, die de aeonen overziet, voor wie duizend jaar is als één dag, en één dag als duizend jaar, die de mens geformeerd heeft uit het stof der aarde, die de mens doorgrondt en kent, en van verre zijn gedachten weet, die weet welk maaksel wij zijn, die alles doet naar de raad van zijn wil, uit wie alle dingen zijn, door wie alle dingen zijn, tot wie alle dingen zijn … díe God is verrast door de overtreding van Adam? Kom nou toch. God zegt zeker tegen de engelen: ‘Ja, sorry jongens, sorry, die overtreding van Adam, daar had Ik niet op gerekend. Het spijt me, het spijt me … Ik moet nou van een paar van jullie cherubs maken.’ Schei toch uit. Weet u wat dit is? Dit is geen kinderpraat meer. Dit is peuterpraat. 95

‘Ja,’ zegt u, ‘maar de satan is toch een gevallen engel?’ Waar staat dat in de Schriften, broeders? Dat satan een gevallen engel is? Nou, zegt u, Ezechiël … Ja, u bedoelt zeker Ezechiël 28. Daar kunnen we heel kort even naar kijken. Dat is beslist geen gemakkelijke stof. Misschien kan onze broeder, de Bereeër, daar nog eens een bijbelstudie over geven. Maar goed, ik laat u een paar zinnetjes zien, waar ik toch zo mijn twijfels over heb, of hier over de satan gesproken wordt. Dit tekstgedeelte in Ezechiël wordt, om te beginnen, in twee stukken verdeeld. Vers 1-10 over de vorst van Tyrus. En vers 11-19 over de koning van Tyrus. Nou, zegt u, dat is toch hetzelfde: vorst of koning. Dat staat nog te bezien. Tegen de vorst van Tyrus wordt gezegd in vers 2: “… terwijl gij een mens zijt en geen god …” Tegen de koning van Tyrus wordt gezegd: “Gij waart een beschuttende cherub …” Uiteraard met vleugels, want een cherub heeft vleugels. Boodschappers niet … Wat je ook over deze teksten kunt zeggen, je moet er heel voorzichtig mee zijn en het heel grondig bestuderen. We kunnen er in ieder geval één ding over zeggen: dat, als je zegt dat Ezechiël 28 over de satan spreekt, dan de satan òf een gevallen mens is, òf een gevallen cherub. Maar geen gevallen ‘engel’. Ja, broeder, zegt u, maar de satan komt toch als ‘een engel des lichts’. Nee, broeder, de satan komt als een boodschapper van ‘het licht’. En dáárom hebben wij Bereeërs nodig. Die in de Schriften nagaan of deze dingen wel zo zijn. 96

Want dan staat er zo’n boodschapper van ‘het licht’ op de kansel. En die zegt: ‘Laten wij God de Zoon eren.’ Wat zal het een grote dag zijn, wanneer de Bereeërs dan als één man op zullen staan. En dat zij zullen zeggen: ‘Pardon, broeder, wat zei u?’ En dan zegt die boodschapper: ‘Ja, dat wij God de Zoon eren.’ En wat zal het een grote dag zijn wanneer die Bereeërs dan zeggen: ‘Ja, broeder, de Zoon van God, die vinden wij in de Schriften, maar “God de Zoon” zijn wij in de Schriften niet tegengekomen. We weten echt niet, over wie u het heeft.’ En dan zegt die boodschapper van ‘het licht’: ‘Ja, beste mensen … jullie weten heel goed over wie ik het heb, ik heb het over Jezus, de tweede persoon van de Godheid.’ En het zal een grote dag zijn wanneer de Bereeërs dan als één man op zullen staan en dat zij zullen zeggen: ‘Jezus kennen wij, Hij is onze Heer en Heiland, maar “de tweede persoon van de Godheid”, daar heeft God in zijn Woord niets over gezegd. En wat God zelf niet zegt, dat kunnen wij niet geloven.’ En dan zal die boodschapper van ‘het licht’ zeggen: ‘Maar broeders, jullie geloven toch zeker wel in de Drieëenheid?’ En het zal een grote dag zijn wanneer de Bereeërs dan als één man op zullen staan en dat zij zullen zeggen: ‘Broeder, in de Schriften staat niets over de Drieëenheid. Wij verzoeken u dat u de woorden Gods spreekt.’ En weet u wat er dan gebeurt in de gemeente van onze Heer Jezus Christus? In al die geloofsgemeenschappen in de hele wereld? Dan komt er grote beroering. Dan komen de kerkenraden bijeen. En dan komen de broederraden bijeen. Dan komen de oudsten-raden bijeen. En zij zullen zeggen: ‘Wat moeten wij met deze mensen? Want dat zij uit de Schriften spreken, ja, dat is wel duidelijk. Maar zij tasten ons leergezag aan en onze positie. Wij zullen hen geselen en zeggen: wij verbieden jullie om uit de Schriften te spreken.’ 97

En als u dan een Bereeër bent op die grote dag, dan wordt u voor ‘het Sanhedrin’ gesleept. En zij zullen u geselen met hun woorden. En zij zullen tegen u zeggen: ‘Je bent een ketter. Je bent een dwaalleraar. Je brengt verdeeldheid in de gemeente. We verbieden je om uit de Schriften te spreken.’ En dan staat u op. En dan zegt u: ‘Hier sta ik. Ik kan niet anders. God helpe mij.’ Amen. 98

7. De aorist [deel 1] Veel mensen hebben een heel verkeerd beeld van God. Zij denken dat Hij een wat afstandelijke figuur is, die vooral wrekend bezig is. Ik hoop daar zo meteen iets van te zeggen. Want de meeste mensen hebben geen idéé wie God eigenlijk is. Ook denken veel mensen dat, wanneer je, zoals ik, veel met de Griekse grondtekst bezig bent, dat je dan een weinig bruisend geloofsleven hebt. Dat je dan een wat stoffige figuur bent, die weinig praktijkervaring heeft. Zij hebben zo het idee, dat ik weinig weet van de ‘vertrouwelijke omgang’ met God, zoals zij dat dan noemen. Die uitdrukking komt uit Psalm 25:14. “Des HEREN vertrouwelijke omgang is met wie Hem vrezen …” Vertrouwelijke omgang, daar wil ik graag iets over zeggen. En u denkt nu misschien: ‘Wat heeft dat nou met de aoristus te maken?’ Dat heeft er alles mee te maken. Dat zult u straks merken. Ik ga wat persoonlijke dingen vertellen. Met Paulus vraag ik u dan ook: ‘Verdraagt een weinig onverstand van mij.’ Onverstand is in het Grieks: ‘aphrōn’. Dat betekent: ‘onvoorzichtigheid’. Dus ik vraag aan u of u van mij een beetje ‘onvoorzichtigheid’ wilt verdragen. God zegt in Psalm 32: “Mijn oog is op u.” Vertrouwelijke omgang. Psalm 2 zegt: “Die in de hemel zetelt, lacht …” Hebt u dat wel eens gelezen? Dat God lacht? 99

God heeft namelijk heel veel gevoel voor humor. Misschien kent u Hem niet zo. Maar ik kan u verzekeren dat God heel veel gevoel voor humor heeft. Dus Hij lacht ook veel. Zeker weten. Psalm 32:8 zegt dus: “Mijn oog is op u.” En daar moest ik aan denken, toen ik jaren geleden een voetbalwedstrijd gezien had. Mensen, die mij kennen, weten dat ik heel veel van voetballen houd. Ik heb het zelf vroeger nogal intensief gedaan. Vanaf mijn vroegste jeugd. Ik was midvoor, als u dat nog wat zegt. Ik heb ook heel veel gescoord, in mijn jonge jaren. Om kort te gaan, ik houd dus veel van voetbal. Ik kijk dan ook regelmatig naar wedstrijden op de televisie. Eén van die wedstrijden was Ajax tegen AC Milan. Ajax won toen de Europacup. Misschien hebt u niet zoveel interesse in voetbal. Maar er gebeurde iets na afloop, wat ik u graag wil vertellen. Na afloop van die wedstrijd was er een interview met Frank Rijkaard. Naast hem zat Clarence Seedorf. En wat gebeurde er nu? Tijdens dat interview legde Clarence Seedorf zijn hand op het dijbeen van Frank Rijkaard. Nou moet u niet denken dat voetballers watjes zijn. Integendeel, het is de meest macho-cultuur die je je kunt voorstellen. Zeker in het topvoetbal. Die hand op het dijbeen, dat vonden de meeste mensen een beetje eng. Dat komt omdat men in Nederland een geheel verkeerd beeld heeft van wat een man is. 100

Ik weet niet of u het weet, maar de meest macho-achtige mannen vind je in de landen rond de Middellandse Zee, ZuidAmerika, dat soort gebieden. En die kennen de ‘embrazo’, de omhelzing tussen mannen. Zij kussen elkaar. Op de wangen, natuurlijk. Heel gewoon. En Paulus zegt in 1 Korintiërs 16 tegen de gelovigen: ‘Weest mannelijk!’ Maar hij zegt daar ook: ‘Groet elkaar met een heilige kus.’ Die twee dingen gaan dus kennelijk heel goed samen. Maar om op dat interview terug te komen, iedereen zag dat ‘intieme’ moment. En natuurlijk kwam daar commentaar op in talkshows, en in krantenartikelen. Daar kon je natuurlijk donder op zeggen. En nou komt het. Een aantal jaren later kwam er een voetbalreporter op de televisie voor een ‘diepte’-interview met Clarence Seedorf. Clarence was op dat moment op het hoogtepunt van zijn roem. Het ging in het interview ook even over die ‘hand op het dijbeen’. En toen vroeg die reporter aan Clarence: ‘Wat betekent Frank Rijkaard voor jou?’ En toen zei Clarence: ‘Ik zal je een verhaal vertellen. De eerste keer dat ik tegen AC Milan moest spelen, barstte ik van de zenuwen. Ik was 17 jaar, en dan speel je tegen de beste club van de wereld. Allemaal grote jongens. We stonden in de gang te wachten, tot we het veld op moesten. En Frank stond naast me. Hij stond ontspannen tegen de muur. En toen keken we elkaar aan. En toen gaf Frank me een knipoog.’ De reporter zei: ‘Een knipoog, wat bedoel je?’ Clarence Seedorf lachte. Hij zei: ‘Met die knipoog bedoelde Frank: Maak je niet druk, jongen, het stelt allemaal niks voor. Wij maken het sámen. Jij gaat een wereldwedstrijd spelen. Snap je?’ De reporter zei: ‘Ik snap het.’ Clarence lachte weer. 101

Hij zei: ‘En op dat moment vielen alle zenuwen van mij af. En toen speelde ik een wereldwedstrijd.’ Dat kon ik, als neutrale toeschouwer, beamen. Clarence maakte, geloof ik, nog een goal, ook. Waar gaat het mij nou om? Kent u, met alle eerbied gesproken, Gods knipoog? Ik ga u vertellen over Gods knipoog. Ik ga u iets persoonlijks vertellen. Anders heeft het geen enkele zin. Ik kan wel een of ander mooi verhaal vertellen over ervaringen van geloofshelden. Maar dat is mij te gemakkelijk. Daarom vertel ik u iets over mijzelf. Dat wil zeggen: het verhaal zegt niets over mij. Het verhaal zegt iets over God. Dat God een knipoog aan mij geeft. Zodat bij mij de zenuwen eraf kunnen vallen. En bij jou. Snap je? Heel lang geleden heeft de Heer mijn vrouw en mij geleid, om alles te verkopen wat we hadden en dit aan behoeftigen te geven. Want er staat in Matteüs, Marcus en Lucas: “Verkoop al wat gij bezit, geef het aan de armen, en volg Mij.” Ik had die teksten gelezen. En overwogen. Er over gebeden. En toen een beslissing genomen. Ik nam ontslag van mijn werk. En daarna verkochten mijn vrouw en ik alles, wat wij hadden. En als ik zeg ‘alles’, dan bedoel ik ook ‘alles’. Ons bed, ons beddengoed, onze tafels en stoelen en het overige meubilair, de piano, de sieraden, onze boeken (ook de christelijke), onze kleding, de potten en de pannen. Weet u wat mijn vrouw en ik nog hadden? 102

Onze twee kinderen (één van twee jaar oud, en één van zeven maanden oud), de kat (genaamd Strepie) en één weekendtas, met verschoning voor mijn vrouw, mijn twee kinderen en mij. Pas geleden keek mijn vrouw nog eens naar die weekendtas. Ze zei verbaasd: ‘Wat is die kléín …’ Maar goed, al ons geld hadden we vanzelfsprekend ook weggegeven. We hadden ook geen stiekem spaarpotje. Voor ‘noodgevallen’. We hadden helemaal niks. Want als de Heer zegt ‘alles’, dan is dat ook ‘alles’. En we zijn gegaan. En we zeiden: ‘Heer, U zegt: “Kom hier en volg Mij.” U zult ons wel wijzen, waar we naar toe moeten.’ We hebben die zaterdag, toen we op weg gingen, onderdak gekregen, gegeten, enzovoorts. Daar gaat het nu niet om. Het gaat om de volgende dag. Op die zondag zei mijn zwager tegen mij: ‘Wil je naar de kerk?’ Ik zei: ‘Ach, waarom niet?’ Ik had verder toch niets te doen. Hij zei: ‘Naar welke kerk ga je altijd?’ Ik zei: ‘De laatste tijd niet zo.’ Mijn zwager zei: ‘Prima, maar ik ga meestal naar de Baptistenkerk, in Leiden. Wil je mee?’ Ik zei: ’Helemaal goed.’ Dus wij naar die Baptistenkerk in Leiden. Die ochtend sprak de voorganger aldaar, een zekere ‘Van Mameren’, een bekende broeder in die tijd. En nu gaan we het over Gods knipoog hebben. En ik wil, dat u heel goed beseft, dat mijn stap, om alles te verkopen, helemaal niet nodig was geweest. Maar dat wist ik toen niet. Ik had in alle oprechtheid gehandeld. Maar ik stond stijf van de zenuwen, hoe het verder moest. 103

We kregen in die kerk eerst de gezangen en het andere ritueel. En toen maakte de voorganger zich gereed om zijn preek af te steken. En wat behandelde hij? Hij zei: ‘Ik heb mij de afgelopen week met een moeilijk onderwerp bezig gehouden, namelijk: dat je alles moet verkopen wat je bezit, en aan de armen moet geven, en dat je dan pas de Heer kunt gaan volgen.’ Ik kon mijn oren niet geloven. Deze voorganger wist niets van mijn situatie af. En toen kwam Gods knipoog. De voorganger zei: ‘Iedereen weet dat hij dit moet doen. Maar niemand doet het.’ Ik ben niet opgestaan. Ik heb niet hard door de kerk geroepen: ‘Maar ik wel.’ Weet je wat er gebeurde? Mijn zenuwen vielen zo maar van mij af. De Heer zei tegen mij: ‘Maak je niet druk, jongen. Het komt helemaal goed. We doen het toch sámen …’ Begrijp je? Dat is vertrouwelijke omgang. Let even op. Achteraf gezien, hóefde ik niet alles te verkopen. Dat is een heel ander verhaal. Maar, toen, in die tijd, was ik er volledig van overtuigd dat ik dat moest doen. En iedereen zei: ‘Je bent hartstikke gek, man. Je hebt een gaatje in je kop.’ Weet u wat God zei? ‘Goed gedaan, jochie.’ En toen ben ik met mijn levende have verder getrokken. Ik zal u daar verder niet mee vermoeien. Maar een paar maanden later kwamen we in een gehucht in Drenthe terecht. We mochten – bij afwezigheid van de eigenaar – daar gratis verblijven. 104

Maar we hadden geen cent, hoor. Nou ja, geen cent, mijn vrouw had nog 1 gulden en 80 cent. We kwamen ’s avonds aan. Dus, ’s morgens, trring … de bakker. ‘Goedemorgen, niks nodig, bakker.’ Ja, dank je de koekoek. Met twee volwassen en twee kinderen, niks nodig hebben … We hadden honger als ik weet niet wat. Maar ja, we moesten natuurlijk zuinig zijn op ons laatste geld. We konden toch niet zeggen: ‘Ja, bakker, geef maar brood …’ De bakker keek ons vrolijk aan. Hij zei: ‘Weet u het zeker? Ik heb witbrood, bruin brood, krentenbollen, beschuit.’ En toen begon hij te lachen. Hij zag onze kinderen. Onze kleine kinderen waren nieuwsgierig naar de open deur gelopen. Hij zei: ‘Niets nodig ... Lijkt me niet, met uw kleine kinderen …’ Toen zei ik: ‘Ja, sorry bakker, ik zal het maar eerlijk zeggen, ik heb geen cent.’ Hij lachte nu breeduit. Hij zei: ‘Is dat het probleem? Geld? Nou, er is helemaal geen probleem. Het kost u niks. Bestelt u maar, wat u wilt, er is voor de héle maand voor u betaald. U kunt zoveel bestellen als u wilt.’ We hebben die hele maand gratis brood gegeten. Knipoog van God. En toen ging mijn vrouw ’s middags op de fiets naar de stad, tien kilometer verderop. Ze ging een verjaardagskaart voor haar zusje halen. Een goedkope natuurlijk, en een postzegel. Ze kwam in een evangelische boekwinkel terecht. Want het bloed kruipt, waar het niet gaan kan, toch? Ze raakte in gesprek met de eigenaar. Want mijn vrouw legt heel gemakkelijk contacten. Ze vertelde niets over onze situatie. Maar de eigenaar zag toch iets bijzonders aan mijn vrouw, wat hij niet goed kon benoemen. 105

Langs zijn neus weg informeerde hij waar zij verbleef. Wij woonden in het huis van een bekende inwoner van die streek, dus dat kon hij wellicht plaatsen. Want ’s avonds, toen de kinderen op bed lagen, werd er gebeld. We deden open. We werden opzij geduwd door het echtpaar van de evangelische boekwinkel. Tot onze verbazing werden er allerlei tassen met etenswaren binnengedragen. Van biefstuk tot roomboter, van kaas tot melk en groenten. De lege koelkast werd tot de nok toe gevuld. Het echtpaar ging meteen daarna weer weg. ‘Nou, de groeten, hè. We zien jullie wel weer.’ We hadden niets gevraagd. Gewoon gekregen. Knipoog van God. En zo kan ik wel tientallen dingen vertellen, maar ik wil mij beperken. Ik wil het hebben over Wycliffe. We zaten nog steeds in de zwerfperiode. We wisten niet of we nou vooruit of achteruit moesten gaan. Tot de Heer mij bepaalde bij de Wycliffe bijbelvertalers. Want ik las in het evangelie van Lucas, in het vervolg op ‘het verkopen van alles’, dat ik aan Gods dienstknechten hun voedsel op hun tijd moest geven. Dat was simpel voor mij. Voedsel, brood – dat is het Woord van God. Kan niet missen. Goed, ik meldde mij aan bij Wycliffe. Ik moest een test in het Engels doen. En ook een bandje inspreken. Geslaagd. Uitnodiging van Wycliffe om deel te nemen aan de Summercourse of Linguistics. Ja, zei de secretaresse van Wycliffe, maar je hebt wel minstens 3000 gulden nodig, om alle onkosten te dekken, het onderwijs, de huisvesting en de kinderopvang. 106

En mijn vrouw en ik hadden nog steeds helemaal niks. Nauwelijks een dak boven ons hoofd. Toen zeiden mijn vrouw en ik tegen God: ‘Heer, wij willen best gaan, hoor, naar de jungle met gebakken sprinkhanen, maar er moet wel 3000 gulden op tafel komen. Wilt U dat alstublieft geven?’ Misschien zeg je: ‘Maar dat kun je op die manier toch niet vragen?’ O, nee, waarom niet? Wij wel. Gideon deed het ook. Kijk maar in Richteren 6. Hij legde een vliesje op de grond. Deden wij ook. Wij zeiden: ‘Heer, wij vertellen aan niemand dat wij naar Wycliffe gaan. Als u ons 3000 gulden geeft, dan gaan wij naar Wycliffe. En als u ons 2999, 99 gulden geeft, dan gaan we niet naar Wycliffe. 3000 gulden is 3000 gulden.’ Net zoals bij Gideon. Niet half op het vlies en half op het veld. Nee, òf op het vlies, òf op het veld. Wij een paar weken wachten. Er gebeurde niets. Toen, één dag vóórdat de boot naar Engeland vertrok, kreeg ik een telefoontje van een broeder. Een heel lieve broeder. Die ik heel hoog heb staan. Of ik bij hem wat geld wilde ophalen. Ik zei: ‘Natuurlijk, broeder’. Ik dacht: daar zul je het hebben, die 3000 gulden. Van mijn laatste geld kocht ik een treinkaartje. Ik zat, al lofliederen zingend, in het openbaar vervoer. Ik kom bij die broeder. En hij zegt tegen mij: ‘Broeder, de Heer heeft mij in mijn hart gegeven om jou geld te geven.’ 107

Ik dacht: ‘Daar kun je wel eens gelijk in hebben, broeder. Kom op met die 3000 gulden.’ En toen gaf hij mij 1500 gulden. Geen 3000. Nee, 1500 gulden. Kijk, op zich was dat natuurlijk prima. We konden het geld heel goed gebruiken. Ik zei: ‘Dank u, Heer, voor die 1500 gulden. Maar we gaan niet naar Wycliffe.’ Toen zeiden de broeders tegen mij: ‘Je moet niet zo moeilijk doen. 1500 gulden, dat is toch mooi. Je gaat gewoon naar Wycliffe. En daar rommel je de rest wel bij elkaar. Toch?’ Nou, echt niet. We hadden een afspraak gemaakt met de Heer. 3000 gulden is 3000 gulden. Geen onzin. We dachten meteen: dan wil de Heer vast niet dat wij naar Wycliffe gaan. Dus zijn wij niet naar Wycliffe gegaan. Dat was moeilijk, hoor. Want we hadden gedacht: we krijgen een opdracht van de Heer en dan gaan we de komende vijftien jaar de jungle in. En dan zijn we meteen onder de pannen. Daar hadden we ons helemaal op ingesteld. We wisten zeker dat we naar de een of andere onbekende stam zouden gaan. Dus niet. En we hebben daarna toch een moeilijke tijd gehad. Zo erg, dat we af en toe dachten: dat heb je ervan als je zo rechtlijnig doet, misschien hadden we toch gewoon naar Wycliffe moeten gaan. Om kort te gaan, we zijn na een heftige periode weer in het gewone leven beland. En hebben we ons best gedaan om de draad weer op te pakken. En nou komt het. Zeven, acht jaar later belt die bewuste broeder van het geld op. 108

Of hij even langs mag komen. Ja, natuurlijk, graag zelfs. Het is een heel fijne broeder. Wij stellen zijn gezelschap altijd heel erg op prijs. Want hij is heel erg aan de Heer toegewijd. Nou, die broeder komt. En wij meteen bij de piano lofliederen zingen. Uit volle borst. Dat kon. Want wij woonden in die tijd in een vrijstaande bungalow. En na een half uurtje zingen zegt die broeder plotseling: ‘Broeder, ik moet je wat belijden.’ Ik schrik. Ik denk: er zou toch niet iets ernstigs aan de hand zijn? Ik weet nooit zo goed raad met die dingen. Ik ben niet zo pastoraal aangelegd. Zegt die broeder: ‘Ja, weet je nog van dat geld?’ En ik zeg uit de grond van mijn hart: ‘Of ik het nog weet, broeder.’ Hij zegt: ‘Ik heb er jaren mee rondgelopen.’ Ik zeg: ‘Waarmee?’ Hij zegt: ‘Weet je, ik ben ongehoorzaam aan de Heer geweest.’ Ik zeg: ‘Ongehoorzaam?’ Hij knikt. Hij zegt: ‘De Heer had tegen mij gezegd: Geef Menno 3000 gulden.’ Ik kijk hem stomverbaasd aan. Hij zegt: ‘Ja, maar ik dacht: Menno 3000 gulden, dat is een beetje overdreven ... Menno is een lieve broeder, hoor, maar 3000 gulden … zo bijzonder is Menno nou ook weer niet … Nee, dat doe ik niet. Weet je wat: ik geef 1500 gulden aan het Leger des Heils en 1500 gulden aan Menno.’ Ik heb die broeder uiteraard getroost en uitvoerig geknuffeld. En daarna heb ik nog wat lofliederen met hem gezongen. Maar ik was van binnen helemaal ontdaan. De Heer had de moeite genomen om mij een knipoog te geven. 109

De moeite genomen om tegen mij te zeggen: ‘Ik wist toch dat je 3000 gulden nodig had. Maar Ik wilde niet dat je naar Wycliffe zou gaan. En toen heb Ik je 1500 gulden gegeven, omdat je dat toen hard nodig had.’ Ik had tranen in mijn ogen. De Heer zei: ‘Je hebt je best gedaan. En daarom heb Ik nu die broeder naar je toe gestuurd. Om je even te laten weten hoe Ik het destijds geregeld heb.’ Nou, is dat een knipoog, of niet? Of anders gezegd, vertrouwelijke omgang met God. Want God bewaart je voor dingen, waar je niet naartoe moet gaan. Mijn vrouw en ik hebben wel honderden keren tegen elkaar gezegd, dat we zielsdankbaar zijn dat we niet bij Wycliffe terecht gekomen zijn. Want mijn vrouw en ik zijn absoluut niet bestand tegen zaken als binnenkomende slangen, schorpioenen en grote, giftige spinnen. En al helemaal niet tegen dreigende, speer-zwaaiende medicijnmannen met peniskokers. Daarom zeggen mijn vrouw en ik regelmatig: ‘Dank u, Heer, dat U ons daarvoor bewaard heeft.’ Ik vertel u nu nog iets. Maar ik moet eerst even een inleiding maken. Anders begrijpt u het punt niet. Het is weer een voetbal-gelijkenis. Tussen twee haakjes, het leven, en vooral voetbal, is vol met gelijkenissen. Maar goed, het gaat over een jonge topvoetballer. Hij begint bloednerveus aan zijn eerste wedstrijd met allemaal ervaren medespelers. Deze jonge speler heeft talent. Zeker weten. Maar hij moet nog heel veel leren. En zijn zenuwen in bedwang leren houden. En hard werken. 110

En na een half uur krijgt deze jonge speler een goede kans om een doelpunt te maken. Hij schiet ... Rakelings naast … Hij kan zich wel voor zijn hoofd slaan. Zo’n kans missen. Het was wel een beetje een moeilijke kans, maar hij had – zeker op dat niveau – eigenlijk moeten scoren. Die jonge speler schaamt zich. Met gebogen hoofd loopt hij verder. Maar wat hij verwacht, gebeurt niet. Zijn ervaren medespelers roepen niet: ‘Hé, jòh, hoe kun je nou zo’n kans missen? Sufferd!’ Nee, ze lopen dicht langs hem. En ze geven hem een tikje op zijn schouder. Of een tikje op zijn billen. En ze zeggen: ‘Goed gedaan, jochie! Goed geprobeerd! Volgende keer beter.’ Zo is het met God ook. Hij ziet dat je probeert het goed te doen. En als het dan mislukt, of je doet het onopzettelijk niet goed, dan geeft Hij je een tikje op je schouder. Of een tikje op je billen. En dan zegt Hij: ‘Goed gedaan, jochie! Goed geprobeerd! Volgende keer beter.’ Begrijp je dat? Denk niet dat ik oneerbiedig praat. Ik ben juist héél eerbiedig. Want ik weet wie Hij is. Omdat Hij groot en heilig is, buig ik mij voor Hem neer. En Hij zegt: ‘Ik wil vertrouwelijke omgang met jou.’ Dank U, Heer! Op een gegeven moment had ik concordante literatuur uit Amerika gevonden. Daar ben ik jarenlang mee bezig geweest. 111

En toen ontdekte ik dat er vroeger een complete concordante bijbel was. Met alles erop en eraan. Alles in één. Zo’n vertaling met een concordant commentaar in een aparte kolom. En de Griekse tekst op de andere bladzijde. Maar die bijbel was uit 1930. Ik had zo’n exemplaar via de Koninklijke Bibliotheek uit Texas laten komen. Ik dacht: als je toch zoiets in je bezit zou kunnen hebben ... En toen heb ik er zelf maar één gemaakt. Zo is het toch? Als iets er niet is, dan ga je het toch máken ... Met fotokopieën en dan maar plakken en knippen. Vreselijk werk. Soms hele nachten door. Ik ben er heel lang aan bezig geweest. En toen was het klaar. Het zag er geweldig uit. Op één bladzijde: èn de Griekse tekst èn de concordante vertaling èn het concordante commentaar. Uniek. Nog mooier dan het origineel. Na een paar weken ademloos naar mijn werk kijken, dacht ik: ik wil dit uitgeven. Want zo’n bijbel is er niet meer. Maar dan moest ik natuurlijk wel vragen aan de vroegere uitgever van die bijbel of dat mag. Copyright en dat soort dingen. Maar dan moest ik wel naar Amerika toe. Naar een of ander Concordant Concern. Op een wat raadselachtig adres. In een afgelegen canyon met coyotes en ratelslangen. En toen heb ik gezegd: ‘Heer, ik heb echt weer geld nodig. Want ik wil naar Amerika. En ik heb uitgerekend dat ik 4000 gulden nodig heb. Vliegtuig en een auto huren, want die afstanden daar 112

zijn abnormaal groot. En ik moet in een of ander motel slapen. Heer, ik heb echt 4000 gulden nodig.’ En toen werd ik een beetje overmoedig, misschien. Ik dacht: ik doe het gewoon en de Heer zal het wel zegenen. Toch? En toen deed ik iets heel gewaagds. Ik ging een vliegtuigticket kopen. En ik was toch zenuwachtig … Ik ben niet zo gauw zenuwachtig. Zelfs een beetje laconiek. Je krijgt mij niet zo gauw gek. Ik moet overal om lachen. Ik ben een beetje een ijskonijn. Maar toen was ik echt zenuwachtig. Ik ging een kaartje kopen in Leiden. Bij de ANWB. Om met het vliegtuig naar Amerika te gaan. En het was hoogseizoen. Hoofdprijs, dus. En in die tijd had je nog geen Easy-jet en andere prijsvechters. Nee, gewoon de volle mep bij de KLM betalen. En ik had geen geld. Wat zeg ik, ik stond zelfs rood. Maar ik had wel bankcheques, die je als betaalmiddel kon gebruiken. Dus ik met die charmante dames van de ANWB het vliegtuigticket geregeld. En ik was zenuwachtig. Niet normaal. Ik stond te trillen op mijn benen. Die dames van de balie hadden niks in de gaten. Er stond gewoon een keurige man voor hun balie. Met zijn blauwe sportcolbert. Speciaal voor die gelegenheid aangetrokken. Ze vroegen beleefd: ‘Hoe wilt u betalen?’ En ik als een grote meneer die cheques uitschrijven. En zwierig mijn handtekening zetten. 113

En ik gaf die cheques aan die mevrouw achter de balie. En zij zei: ‘Prima, meneer, hier is uw kaartje.’ Mijn cheques in de kassa. Klaar. En toen kwam er een overweldigende blijdschap over mij. Ik werd verschrikkelijk blij. Waarom? Ik had gedacht dat het helemaal niet kon. Die cheques waren helemaal niet gedekt … Dus ik loop naar mijn auto. En ik stond haast te huppelen van vreugde. Als een kind, weet je wel. En ik ga naar huis. En onderweg ging mijn blijdschap een beetje weg. Want ik dacht: hoe vertel ik het aan mijn vrouw en kinderen? Nou, ik heb het meteen maar aan mijn vrouw verteld. Ik zei: ‘Hoor eens even, ik heb een kaartje gekocht. Het kan helemaal niet, maar ik moest het gewoon doen. Ik ben zo verschrikkelijk blij. Ik kan het niet verklaren, maar ik ben zo blij.’ ‘Nou’, zei mijn vrouw, ‘dan moet je het maar aan de kinderen vertellen. Aan tafel.’ We gingen eten. En ik dacht: ik vertel het niet, hoor. Hoe moet ik de kinderen vertellen, dat ik weg ga, zonder dat er geld voor is … en zij hebben niet te eten. Hoe kan ik dat nou vertellen? Dat kan ik ze niet vertellen … Toen dacht ik: weet je wat, ik wacht tot na het eten, na het bijbellezen en het zingen, dan komt het helemaal goed … En toen het eten klaar was, dacht ik: ik kan het gewoon niet aan ze vertellen, ik kan het niet … Toen moest de afwas natuurlijk nog gedaan worden, de pyjamaatjes aantrekken. En toen móest ik het natuurlijk wel vertellen. De kinderen zouden over een paar minuten naar bed gaan. Ik kon niet zo maar met de noorderzon vertrekken … 114

Toen dacht ik: weet je wat, we gaan gewoon met de kinderen bidden. We riepen de kinderen bij elkaar, rond de lage, ronde tafel. En ik zei: ‘Papa moet jullie wat vertellen.’ De kinderen (het waren er inmiddels vier) natuurlijk nieuwsgierig: ‘Wat dan, papa?’ Ik zei: ‘Papa gaat naar Amerika, met het vliegtuig.’ De kinderen zeiden: ‘Leuk, papa, vakantie.’ En toen zei ik: ‘Ja, maar papa heeft geen geld.’ O. Foute boel. Dat kan natuurlijk niet. Gaan, leuk. Maar, geld moet er wel zijn. Ik zeg: ‘Weet je wat we doen, jongens? Zo hebben papa en mama het vroeger ook altijd gedaan. We gaan met elkaar bidden. We gaan gewoon aan de Heer vragen, of Hij het geld aan papa wil geven.’ We gaven elkaar een hand, rond de lage tafel. En ik bad hardop: ‘Heer, ik ga naar Amerika. U weet dat ik al een kaartje gekocht heb. Hartstikke stom, maar ik ben hartstikke blij. Ik heb 4000 gulden nodig, maar ik heb het niet. Wilt U het geven? Amen.’ Misschien vindt u dit een vreemd gebed. Maar zo bidden wij altijd. Ja? Ja, vertrouwelijke omgang. Heer, zo zit het. Klaar. Amen. Op het moment dat ik ‘amen’ zei, en wij oprezen, ging de voordeurbel. Een broeder aan de deur. Een heel lieve broeder. Hij zei: ‘Ik moet van de Heer dit aan je geven.’ Hij gaf mij een dichte envelop. 115

En hij maakte dat hij wegkwam. Ik wist al wat ik in mijn handen had. Ik wist het zeker. 4000 gulden. Kan niet anders. Ik ken de Heer al zo lang. 4000 gulden. Dus ik kom de kamer weer in. De envelop was nog dicht. Mijn vrouw en kinderen keken naar mij op. ‘Wie was daar aan de deur?’ Ik liet de dichte envelop aan mijn vrouw en kinderen zien. En ik zeg: ‘Dit is 4000 gulden.’ ’Nou,’ zei mijn vrouw, ‘maak dan maar open.’ En ik maak hem open. En ja, hoor: één, twee, drie, vier … 4000 gulden. Toen heb ik de oversteek gemaakt naar Amerika. Er is verder niets uitgekomen. Ik bedoel: er is niets uitgekomen wat die in elkaar geknutselde bijbel betreft. Toch zijn er uit die missie wel degelijk belangrijke zaken voortgekomen. Maar het gaat er bij mij nu niet om, of het nou goed geweest is, of niet. Het gaat erom, dat God zegt: ‘Goed geprobeerd.’ Want ook, als je in een kansrijke positie niet scoort, dan maakt dat niets uit. God speelt sámen met jou die wedstrijd … En dát gaan we vanavond in de aoristus behandelen. Want u vraagt misschien: ‘Wanneer gaan we nou beginnen met die aoristus?’ Dat gaan wij zo dadelijk doen. Maar de aorist is niet alleen maar theorie. Zo van: ‘er staat een e-tje en een s-je, en dat is dus een aorist.’ 116

Nee, de aorist is werkelijkheid. Werkelijkheid in je leven. Daar kun je rotsvast je geloof op bouwen. We gaan dus de aoristus behandelen. En dan wil ik u iets laten zien. En dat u dan weet, wie de Heer werkelijk is. En ik hoop dat u dat dan nooit meer zult vergeten. Voor de meeste mensen is Gods Woord trouwens een abstract iets. Als je hen iets vraagt, dan zeggen ze: ‘Ja, dat staat in de bijbel.’ Ja, natuurlijk, het staat ook in de bijbel. Maar leeft het ook? We lezen bijvoorbeeld in de eerste brief van Johannes, in hoofdstuk 3: “Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, omdat wij de broeders liefhebben.” ‘Want’, zegt Johannes, in hoofdstuk 5, ‘wie gelooft in de Zoon van God, is overgegaan van de dood in het leven’. Ja? Iemand vraagt aan jou: ‘Weet jij zeker, dat je gered bent?’ ‘Ja’, zeg je, want de bijbel zegt: ‘Wie in de Zoon van God gelooft, is overgegaan van de dood in het leven, die is gered.’ Maar zo werkt het niet. Weet je wat er in de Johannes-brief staat? Hoe weet je dat we overgegaan zijn van de dood in het leven? Als wij de broeders liefhebben. Ik herinner me nog heel goed, toen ik pas tot geloof kwam, in februari 1974 … Sorry mensen, nog even een uitstapje. We gaan bijna naar de aoristus … Toen ik pas tot geloof gekomen was, toen mijn hart nog heel erg zacht was, ging ik de eerste de beste zondag naar de kerk. Ik was helemaal verrukt. Ik keek rond in het kerkgebouw. Naar al die mensen om mij heen. 117

En mijn hart sprong op: dit zijn allemaal mijn broeders! En toen ging ik ’s middags naar een andere kerk. En weer keek ik verrukt rond. Naar weer andere mensen. En mijn hart sprong weer overeind. Weer allemaal nieuwe broeders! En toen ’s avonds weer ergens anders heen. Weer nieuwe broeders … Ik was helemaal overdonderd door het feit dat er zoveel broeders in de wereld waren. Ik wilde ze allemaal omhelzen. En roepen: ‘Heerlijk hè, om een kind van God te zijn. En dat vind jij toch ook …’ Snap je? Hoe wist ik dat ik een kind van God was geworden? Dat was geen abstracte theorie. Zo van: dat staat in de bijbel … Nee, ik had een volkomen nieuw gevoel gekregen. Ik had de broeders lief. Veel wist ik nog niet van God. Maar dát wist ik wel: dat ik onderdeel van een grote familie geworden was. Die tekst uit de brief van Johannes kende ik helemaal niet. Ik was nog zo groen als gras. Een pas geboren baby. Kijk, natuurlijk staat het in de bijbel. Maar het moet wel een realiteit in je leven zijn. Dus als iemand aan je vraagt: ‘Hoe weet je nou, dat God van je houdt?’ Wat zeg je dan? Laat ik het zo stellen. Hoe weet ik nou of mijn kinderen van mij houden? Dat is toch een absurde vraag. Ik leef met hen. En ze laten dag in, dag uit, hun genegenheid aan mij zien. En zo laat God het ook aan jóu zien in je leven. En dat gaan we nu zien aan de aorist … 118

Het is belangrijk dat we de gedachten van God zo consequent mogelijk weergeven. Als je een bepaald woord tegenkomt, dan moet je alle contexten nagaan waar dat woord voorkomt. En dan die gegevens met elkaar vergelijken. En als je dat doet, dan kom je op een gegeven ogenblik bij de juiste betekenis van een woord. Datzelfde geldt natuurlijk ook voor de grammatica. Want je moet niet alleen de woorden goed weergeven. Maar ook de tijden waarin die staan. Ja? Nou, en volgens de geleerden is het Grieks een van de allermoeilijkste talen om te leren. Het werkwoord is het meest complexe en moeilijke van de Griekse grammatica. En van het werkwoord is de aoristus het enige, onoplosbare raadsel. Je zou dus kunnen zeggen dat de aoristus het allermoeilijkste van het moeilijkste is. Maar toch probeer ik vanavond het zo gemakkelijk en eenvoudig voor u te maken, dat iedereen met een normaal verstand, u en ik dus, in staat is om de essentiële feiten te begrijpen. En op die manier een nieuwe, onbekende kant van God te ontdekken. Namelijk, het wézen van God. We gaan het vanavond hebben over wie God wérkelijk is. Deze uitleg, die ik nu aan u ga geven, is niet zozeer bedoeld voor geleerden. Maar voor eenvoudige mensen, zoals u en ik. Ik ga alles dus heel helder en comfortabel houden. Laten we eerst maar eens zien waar die geleerden steeds over struikelen. Ik heb hier het werkwoord ‘kaleō’. Dat betekent ‘roepen’. En als je dan de aorist bekijkt, dan zie je de vervoeging: ekalesa, ekalesas, ekalesen, etc. 119

En als je dan de voltooid tegenwoordige tijd bekijkt, dan zie je de vervoeging: keklēka, keklēkas, keklēken, etc. Dat is een duidelijke zaak. Twee verschillende groepen van vervoeging. Niks aan de hand. Nu gaan we kijken hoe de bijbelvertalers dit weergegeven hebben. Eerste tekst: Romeinen 8:30. toutous kai ekalesen – dezen heeft Hij ook geroepen. Tweede tekst: Romeinen 9:24. ous kai ekalesen hēmas – en dat zijn wij, die Hij geroepen heeft Derde tekst: 1 Korintiërs 7:15 en de eirēnē keklēken hēmas o theos – tot vrede heeft God u geroepen Vierde tekst: 1 Korintiërs 7:17 ōs keklēken o theos – zo, als God hem geroepen heeft Valt u iets op? U ziet dat de aorist ‘ekalesen’ vertaald wordt met: ‘heeft geroepen’. En de voltooid tegenwoordige tijd ‘keklēken’ wordt ook vertaald met ‘heeft geroepen’. Wat is dan het verschil tussen die twee Griekse woorden? Dat mag u mij vertellen. Als ‘ekalesen’ ‘heeft geroepen’ is en ‘keklēken’ is ook ‘heeft geroepen’, wat is dan het verschil? Als je een vertaler bent, dan is het toch het belangrijkste, dat je het onderscheid tussen verschillende woorden heel zuiver weergeeft. Stel, dat je een kunstschilder bent en je krijgt een opdracht om een bekend schilderij natuurgetrouw na te schilderen. En stel, op dat schilderij lopen allemaal schapen en geiten rond. En dan ga je schilderen en je maakt alleen maar schapen. Of je maakt alleen maar geiten. Dan kan het wel een leuk schilderij zijn, maar je hebt het niet natuurgetrouw nageschilderd. 120

Want daar stonden èn schapen èn geiten op. En als je dus alleen schapen schildert, of alleen geiten, dan is het dus een waardeloze nabootsing. Misschien wel mooi. Maar waardeloos. Want er moeten èn schapen èn geiten op staan. Er moet dus een duidelijk verschil gemaakt worden tussen een ‘aorist’ en een ‘voltooide tijd’. Maar dat doen de geleerden niet. Het wordt een waardeloze nabootsing. En dan maar roepen: het is zo complex! Nee, zij máken het complex. Nou moet ik erbij zeggen, dat het voor de geleerden niet gemakkelijk is. Want de geleerden zijn opgegroeid met de traditie. Zij hebben niet geleerd zelfstandig na te denken. Zij volgen hun leermeesters. Helemaal goed voor hun boterham. Maar ze hebben wel zand in hun ogen. En ze nemen ons mee. De blinden leiden de blinden. Want de traditionele opvatting van het Nederlands helpt de geleerden ook niet echt. En daar beginnen de problemen. Het woord ‘kaleō’ betekent volgens de traditie: ‘ik roep’. Onvoltooid tegenwoordige tijd. Dank je de koekoek. ‘Ik roep’ is helemaal geen onvoltooid tegenwoordige tijd. O, nee? Nee, ‘ik roep’ is een aorist. Weet u wat onvoltooid tegenwoordige tijd is? ‘Ik ben aan het roepen.’ Dat is onvoltooid. Als iemand in de zaal aan mij vraagt: ‘Waar ben je nu in ’s hemelsnaam mee bezig?’ Dan zeg ik: ‘Ik ben aan het uitleggen.’ 121

Dat wil zeggen: Ik ben nog niet klaar. Ik ben bezig met uitleggen. Nou, dat is de onvoltooid tegenwoordige tijd. Dat kun je nergens in de grammatica-boeken vinden, hoor. Dus zeggen de geleerden: ‘Nee, de ‘tegenwoordige tijd’ moet door de eenvoudige vorm van het werkwoord weergegeven worden.’ Ze bedoelen eigenlijk: ‘We doen even de ogen dicht voor het normale spraakgebruik.’ ‘Kaleō’ vertalen met ‘ik roep’ is dus verkeerd. Wat is het probleem als ik zeg: ‘Ik roep’? Dat is een heel groot probleem, hoor, als ik de woorden ‘ik roep’ gebruik. Dat zal ik u vertellen. Als ik zeg: ‘Ik roep’, dan noemen de geleerden dat ‘de onvoltooid tegenwoordige tijd’. Maar als ik zeg: ‘Wij beginnen morgen’, wat doe ik dan? Ik gebruik die ‘onvoltooid tegenwoordige tijd’ – wij beginnen – als een ‘toekomende tijd’. Want als ik over de toekomende tijd wil spreken, dan moet ik eigenlijk zeggen: ‘Wij zullen morgen beginnen’. Of niet? Maar wij zeggen: ‘Wij beginnen morgen’. Maar dat kan niet. Want ‘wij beginnen’ is in de klassieke grammatica: onvoltooid tegenwoordige tijd. Dus, in het Nederlands – volgens de klassieke grammatica – kan de onvoltooid tegenwoordige tijd de functie hebben van de onvoltooid tegenwoordig toekomende tijd. Ja? Het wordt nog gekker. Je kunt ook zeggen: ‘De bus komt hier langs, sinds het treintraject opgeheven is.’ Dat is verleden tijd. Die bus komt niet alleen nú langs. Maar de hele week al. Of het hele afgelopen jaar al. Sinds het treintraject opgeheven is. 122

Dus de onvoltooid tegenwoordige tijd kan ook de functie hebben van de verleden tijd. Deze kromme situatie wordt in de grammatica-boeken wel gesignaleerd, maar er wordt dan gezegd: zo werkt het nou eenmaal. Nee, zo werkt het nou eenmaal niet. Kijk, iedereen snapt wat je bedoelt. Tuurlijk. Maar het is geen zuiver Nederlands. Volgens de grammatici wel. Maar voor een verstandig denkend mens niet. Alle problemen verdwijnen, als je inziet, dat het Nederlandse: ‘ik roep’ geen onvoltooid tegenwoordige tijd is, maar een aorist. Nu zeg je misschien: ‘Is dat nou zo belangrijk?’ Ja, dat is verschrikkelijk belangrijk. Ik ga nog vijf minuten door. Dan mag u koffie gaan drinken. Ik ben een strenge leermeester … U kan natuurlijk ook gewoon weggaan … Kijken we nog een keer naar de Griekse aorist. Erg belangrijk. Bijvoorbeeld: ekalesen. De stam van het werkwoord is – kale-. Voor die stam is een ‘e’ geplaatst. Dat is de aanduiding van de verleden tijd. Ziet u de ‘s’ in het midden? Dat is de aanduiding van de toekomende tijd. Ziet u dat? De aorist draagt dus de kenmerken in zich van de verleden tijd en de toekomende tijd. Begint het te dagen? In het Nederlands kunnen dus, in de zogenaamde onvoltooid tegenwoordige tijd, de functies van de verleden tijd en de toekomende tijd uitgedrukt worden. 123

De Griekse aorist heeft die kenmerken ook. En wat is nou het wezenlijke van die verleden-heden-toekomst tijd? Het is een onbepaalde tijd. De tijd speelt helemaal geen rol. Er wordt van een feit gesproken. In Efeziërs 1:6 komen we heel dicht bij Gods hart. Omdat er een aorist gebruikt wordt. Eerst maar even naar het Nederlands van het NBG: “… tot lof van de heerlijkheid zijner genade, waarmede Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde.” Deze zin is het vervolg van het vorige vers, waar staat dat “wij als zonen van God worden aangenomen”. Weet je die vraag nog? Hoe weet je nou, dat je gered bent? Het antwoord staat in dit vers. Niet in het NBG, hoor. Maar in het Grieks. In het Grieks staat niet: ‘waarmede Hij ons begenadigd heeft’. ‘Begenadigd heeft’, dat is een voltooid tegenwoordige tijd. Als je het zo zegt, dan is er de vraag: ‘Wanneer dan?’ Toen Christus voor onze zonden gestorven is? Of, toen wij tot geloof kwamen? Of, zoals de theologen zeggen: ‘Van eeuwigheid af’? Nee, er staat in het Grieks: “en hē echaristōsen hēmas” “… waarmee Hij ons begenadigt …” ‘echaristōsen’ is een aorist. Een feit. Hij begenadigt ons. Punt. Wat is een feit? 124

Volgens het woordenboek is een feit: iets, waarvan de werkelijkheid vaststaat. En als iets vaststaat, dan hoef je dat verder ook niet te bewijzen. Je hoeft er alleen maar ‘amen’ op te zeggen. Als jij ergens ‘amen’ op zegt, dan zeg jij, dat jij ook vindt dat het vaststaat. Dat noem je: een belijdenis. ‘Belijden’ is de vertaling voor ‘homolegeō’. Dat betekent: ‘hetzelfde zeggen’. Dus God zegt tegen jou: ‘Ik begenadig jou in de Geliefde.’ Dat is een feit. Iets, waarvan de werkelijkheid absoluut vaststaat. En je weet gewoon in je hart, dat het waar is, wat er staat. Het kan niet anders. En dan zeg je: ‘Dank U, Vader, dat U mij begenadigt in de Geliefde’. Dat noem je ‘belijden’. En dan zegt Gods Woord in Romeinen 10:10 – “… want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot behoudenis.” Nou, is dat mooi, of niet? En nu wil ik heel erg graag dat je één ding heel goed begrijpt. God ziet jou staan. Waar sta je dan? Je staat in de arena van het geloof. En jij moet strijden tegen hemelse machten, tegen je omgeving, tegen jezelf, tegen wat dan ook. En je barst van de zenuwen. Je denkt, nee, je weet zéker, dat je verschrikkelijk zult falen. Het zweet breekt je uit. Hoe moet dit ooit goed komen? En dan zie je uit je ooghoeken God staan. Hij heeft zo’n zelfde geloofstenue aan. Hij staat wat nonchalant tegen een muur. En dan kijken jullie elkaar aan. En dan geeft God jou een knipoog. 125

Dat betekent dat Hij je wil zeggen: ‘Maak je niet, druk, jòh, Ik begenadig jou toch in de Geliefde … We doen het gewoon sámen, jij en Ik, en we spelen een wereldwedstrijd.’ Kijk, zó is God. En daarom houd ik van Hem. En nu gaan we koffie drinken. 126

8. De aorist [deel 2] Voor de pauze heb ik een inleiding gehouden over de aoristus. Misschien zegt u wel: ‘Dat was wel een erg lange inleiding.’ Dat is waar. Maar ik denk dat het goed is, dat u begrijpt, dat wat ik u vanavond vertel, niet alleen theorie is, maar dat het ook praktijk is. Dat de aoristus het leven zelf is. Dat de aoristus bij uitstek geschikt is om uw geloof op te bouwen. Want de aorist is de tijdsvorm, die God gebruikt om de tijdloosheid van Zijn handelen aan te geven. We gaan dat nu in alle rust bespreken. Wat voor bewijs hebben we dan, dat de aorist vertaald moet worden met de onbepaalde tijd? Dat de aorist tijdloos is? We hebben daarvoor drie bewijzen. Als eerste de betekenis van het woord ‘aorist’. Het is het woord dat de Grieken zelf gebruikten voor deze tijdsvorm: ‘aoristos’. En wie wisten het nu beter dan de mensen die deze taal destijds spraken? Wat betekent het woord ‘aorist’ dan? Dit woord bestaat uit het element –a-, dat ‘niet’ of ‘zonder’ betekent. Dan heb je het element –or-, dat ‘zien’ betekent. In de woordvorm ‘orizō’ is dat: ‘doen zien’, of ‘bepalen’. In het Nederlands kennen wij het woord ‘horizon’, dat van dit Griekse woord ‘orizō’ is afgeleid. De horizon geeft de begrenzing aan van wat wij kunnen zien. Dus kunnen we zeggen dat ‘a-orizō’ ‘zonder horizon’ betekent. Of anders gezegd ‘zonder bepaaldheid’, ‘onbepaald’. Het woord ‘aoristus’ betekent dus ‘onbepaalde tijd’. Een tijd zonder grenzen. 127

Een aorist is dus geen tegenwoordige tijd. Of verleden tijd. Of toekomende tijd. Maar de aorist is ‘zonder tijd’. Een onbepaalde tijd. Dat is de betekenis van het woord ‘aorist’. Dat is het eerste bewijs. Het tweede bewijs is de vorm van het woord. We kijken eerst naar het woord ‘kaleō’, ‘ik ben aan het roepen’. Of: ‘ik ben roepende’ (weet je wel, in de woestijn …). Dat is de eigenlijke ‘onvoltooid tegenwoordige tijd’. De onvoltooid tegenwoordige tijd is: ‘ik ben aan het spreken’. En ik ben nu, op dit moment, nog niet opgehouden met spreken. Dat is dus onvoltooid. Dan kijken we naar het woord ‘ekalon’. ‘Ekalon’, dat is het werkwoord ‘kaleō’ met het voorvoegsel ‘e’. De ‘e’ is het kenmerk van de verleden tijd. Dus: ‘ik riep’. Dan kijken we naar het woord: ‘kalesō’. Hier zie je in het midden van het werkwoord ‘kaleō’ een verbindingsletter ‘s’ staan. Dat is het kenmerk van de toekomende tijd. Dus: ‘ik zal roepen’. Dat wil dus zeggen: van het werkwoord ‘kaleō’, en natuurlijk ook van de andere werkwoorden in de Griekse taal, krijg je een voorvoegsel ‘e’ voor de verleden tijd, en de verbindingsletter (‘s’), in het midden van een werkwoordsvorm, voor de toekomende tijd. Samengevat: ‘ekalon’, de verleden tijd; ‘kaleō’, de tegenwoordige tijd; en ‘kalesō’, de toekomende tijd. Dus de aorist ‘ekalesa’, heeft zowel de kenmerken van de verleden tijd (de ‘e’), de tegenwoordige tijd (kale-) en de toekomende tijd (de ‘s’). Ziet u dat? De aorist is dus eigenlijk een ‘verleden-heden-toekomstige’ tijd. 128

Oftewel: een onbepaalde tijd. Een tijd zonder grenzen. Tijdloos. Dit lijkt moeilijk in het Nederlands over te brengen. Maar dat is niet zo. Als je je maar realiseert dat onze zogenaamde onvoltooid tegenwoordige tijd eigenlijk een ‘aorist’ is. Ik zal u een voorbeeld geven. Stel, u zit met uw vrouw bij de haard. Uw vrouw maakt een kruiswoordpuzzel. En u leest de Schriften. [gelach in de zaal] Nee, ik bedoel hier niets mee, zusters. Het kan ook andersom. Ik geef alleen maar even een voorbeeld … En plotseling blaft de hond. En dan zegt u: ‘Hé, de hond blaft.’ Nou, die waarneming, die uitspraak: ‘de hond blaft’, dat is in de klassieke Nederlandse grammatica de opvatting van de onvoltooid tegenwoordige tijd. Zo net blafte de hond nog niet, maar nu is hij aan het blaffen. Let op. Dat: ‘de hond is aan het blaffen’, dát is eigenlijk de onvoltooid tegenwoordige tijd. Wij zeggen dat zo in ons dagelijks taalgebruik. En dan zegt uw vrouw tegen u: ‘Ga even naar de achterdeur, ik denk dat de kinderen er zijn.’ En u gaat naar de achterdeur, en inderdaad (uw vrouw heeft zoals altijd gelijk), de kinderen zijn er. U laat de kinderen binnen, u gaat terug naar de haard en u ziet dat uw vrouw enigszins ontstemd is, want de hond blafte zo hard. U zegt dan vergoelijkend: ‘Een hond blaft nu eenmaal.’ Die uitspraak: ‘een hond blaft nu eenmaal’, dát is een aorist. Want honden blaften honderd jaar geleden, duizend jaar geleden. 129

Ze blaffen nu. En over honderd jaar blaffen honden nog. Dat is nu eenmaal een eigenschap van het dier. De scheppingsorde, zullen we maar zeggen. In feite zou u raar opkijken als uw hond plotseling zou beginnen te miauwen. Want dan zou uw hond een kat zijn. Toch? Die constatering dus, ‘de hond blaft’, dat is een aorist. En als ik zeg: ‘2 keer 2 is 4’, dan is dat ook een aorist. Waarom? Gisteren was 2 keer 2 geen 5. En morgen is 2 keer 2 geen 6. Want 2 keer 2 is 4. Dat is een feit. Als ik zeg: ‘Ik roep God aan’. Dan negeer ik de tijd. Want ik bedoel, dat ik Hem al jaren aanroep. Dat ik Hem nog steeds aanroep. En dat ik van plan ben om Hem ook in de toekomst aan te roepen. Dat wil zeggen: ik roep God aan en niet mijn voorouders. Zoals sommige stammen in Afrika of Nieuw Guinea dat doen. Snapt u? Ik benoem een feit. Ik laat het begrip ‘tijd’ helemaal buiten beschouwing. Dat is een ‘aorist’. Zullen we een aantal aoristen gaan bekijken? U heeft die waarschijnlijk nog nooit gezien. Daar gaat u vanavond dan kennis mee maken. We gaan eerst naar Johannes 3:16. Een van de bekendste verzen uit de bijbel. En ook een van de minst begrepen, als ik zo vrij mag zijn … Eerst de vertaling (van het NBG): 130

“Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft …” Zoals u ziet, staan er in onze vertaling twee voltooide tijden. ‘Heeft gehad’ en ‘heeft gegeven’. Voltooide tijden hebben een dubbele bodem. Het spreekt van het verleden. Maar met de vraag: ‘Wanneer?’ De vraag zou dan moeten zijn: ‘Wanneer heeft God de wereld dan liefgehad?’ En dan is het antwoord natuurlijk: ‘Toen Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft.’ Dat is dan opnieuw een voltooid tegenwoordige tijd. Dan rijst de vraag weer: ‘Wanneer heeft Hij zijn eniggeboren Zoon dan gegeven?’ Toen zijn Zoon in Bethlehem geboren werd? Of toen Hij aan het kruis stierf? Of, zoals sommige theologen zeggen: ‘van eeuwigheid af’? Allemaal heel knappe redeneringen. Maar als er een Bereeër langs komt, dan zegt deze: ‘Mag ik eerst even de Schriften nagaan, of deze dingen wel zo zijn?’ En wat zie je dan? Dat er in de grondtekst, in het Grieks, staat: ‘ēgapēsen’ (Hijheeft-lief) en ‘edōken’ (Hij-geeft), twee aoristen. Niet: ‘Hij heeft liefgehad’: ‘ēgapēken’. Maar een aorist: ‘ēgapēsen’: ‘Hij heeft lief’. Het woord ‘edōken’ is volgens de grammatici een irregulaire aorist (vanwege de k), maar nog steeds een aorist, dus: ‘Hij geeft’. Weet u, uw geloof is niet gebaseerd op gebeurtenissen uit het verleden. Uw geloof is gebaseerd op feiten. God zegt: ‘Ik heb de wereld lief’. Punt. En daarom geef ik mijn eniggeboren Zoon. Punt. Twee feiten. 131

En, omdat u een onderdeel van die wereld bent, heeft God ook ú lief. Hij geeft zijn eniggeboren Zoon aan u. Dat is een feit. Net zo zeker als 2 keer 2 vier is. Mijn vrouw zegt wel eens tegen mij: ‘Ik gelóóf niet dat God bestaat, God bestáát gewoon. Net zo zeker als de zon opgaat.’ Voor haar is het gegeven, dat God bestaat, een aorist. Een feit. En een feit hoef je niet te bewijzen. Het is gewoon zo. Je hoeft niet te bewijzen dat God van je houdt. Want God houdt van je. Dat is een feit. En als je dat hoort, dan hoef je alleen maar te zeggen: ‘Ja, dat is zo.’ En dan ben je een kind van God. Sommige mensen doen heel moeilijk over hun geloof. Dan zeggen ze tegen mij: ‘Ik weet niet of ik dat wel geloven kan, hoor, dat God van mij houdt.’ Kijk, als ik tegen u zeg: ‘2 keer 2 is 4’, dan zegt u ook niet tegen mij: ‘Ja, ik weet niet, of ik dat wel geloven kan, hoor, dat 2 keer 2 vier is.’ Nee, u zegt: ‘Natuurlijk, 2 keer 2 is gewoon 4.’ Dus, als ik tegen u zeg: ‘God zegt in Johannes 3:16 – Ik heb je lief, en Ik geef je mijn Zoon.’ Dan noem ik u twee feiten. Dan is dat gewoon zo. Dan zegt u opgelucht: ‘Inderdaad.’ En als u: ‘inderdaad’ zegt, dan is dat hetzelfde als ‘amen’. Nou, dan bent u een kind van God. Zo simpel is het. Nog een tekst. Romeinen 8:30. 132

Ik geef eerst de tekst in het Grieks. We doen het rustig aan. Ik citeer, en kijk goed naar de Griekse woordvormen. “hous de proōrisen toutous kai ekalesen kai hous ekalesen toutous kai edikaiōsen hous de edikaiōsen toutous kai edoxasen” Daar staat, volgens het NBG: ‘… en die Hij tevoren bestemd heeft (proōrisen) dezen heeft Hij ook geroepen (ekalesen) en die Hij geroepen heeft (ekalesen) dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd (edikaiōsen) en die Hij gerechtvaardigd heeft (edikaiōsen) dezen heeft Hij ook verheerlijkt (edoxasen).’ Maar dat staat er dus niet. Dat wil ik even nadrukkelijk zeggen. Want stel, dat dit er zou staan, dan is het onzin. Vrome onzin. Maar: onzin. Waarom? Alleen al dat laatste woord: ‘edoxasen’. Volgens het NBG: ‘dezen heeft Hij ook verheerlijkt.’ Zijn wij al verheerlijkt? Nee, wij zijn nog niet verheerlijkt. Kan niet. Ik zal u vertellen, waarom dit niet kan. Alsof God ons al verheerlijkt zou hebben. Paulus zegt in 1 Korintiërs 15: “… hoe komen sommigen onder u ertoe te zeggen, dat er geen opstanding der doden is?” En in 2 Timoteüs 2:18: “… die uit het spoor der waarheid geraakt zijn met hun bewering, dat de opstanding reeds heeft plaatsgehad, waardoor zij het geloof van sommigen afbreken.” 133

Ja? Daar gaat Paulus enorm op door. Hij maakt zich daar erg kwaad over. Als je dus zegt dat de verheerlijking al heeft plaatsgehad, dan dwaal je. Want de opstanding brengt, volgens 1 Tessalonicenzen 4:15-17 en Filippenzen 3:20-21, de verheerlijking. Heeft de opstanding al plaatsgevonden? Nee. Nou, dan heeft de verheerlijking ook nog niet plaatsgevonden. ‘Heeft verheerlijkt’ kan gewoon niet. Dat ‘heeft verheerlijkt’ is voltooide tijd. In onze vertaling van het NBG. En in de Statenvertaling. En in alle andere vertalingen in de wereld. Ze hebben allemaal: ‘heeft verheerlijkt.’ Waarom hebben die vertalers dat gedaan? Daar kan ik een heel lang verhaal over houden, maar ik ga u zeggen wat er wèl moet staan. Dat is veel interessanter. Weet u wat er staat? “… die Hij voorbestemt (aorist), dezen roept Hij (aorist) en die Hij roept (aorist), dezen rechtvaardigt Hij (aorist) en die Hij rechtvaardigt (aorist), die verheerlijkt Hij (aorist).” Ik zal u zeggen, hier hoef je niets aan uit te leggen. Als je gewoon zegt, wat er staat, dan vallen alle problemen weg. Want die Hij voorbestemt, ja, die roept Hij ook. En die Hij roept, die rechtvaardigt Hij ook. En die Hij rechtvaardigt, die verheerlijkt Hij ook. Dus: God bestemt tevoren: een aorist, een feit. En die God voorbestemt, die roept Hij: een aorist, een feit. 134

En die God roept, die rechtvaardigt Hij: een aorist, een feit. En die God rechtvaardigt, die verheerlijkt Hij: een aorist, een feit. God spreekt niet over handelingen in het verleden. God spreekt over feiten. Ik ken broeders die er tegenop zien om later voor God te verschijnen. Waarom? Ze schamen zich. Ze zeggen: ‘Ja, mijn leven is zo’n puinhoop geweest, ik durf niet voor God te komen.’ Die broeders begrijpen Romeinen 8:30 niet. Het is hun nooit goed uitgelegd. Want, als u straks, zoals Romeinen 8:29-34 aangeeft, gelijkvormig aan het beeld van Zijn Zoon voor Hem verschijnt, dan roept God tegen de hemelingen: ‘Kijk, daar heb je een rechtvaardige.’ En waarom zegt Hij dat? God rechtvaardigt u. En weet u wat dat betekent als Hij u rechtvaardigt? Dan verklaart Hij u rechtvaardig. Ten overstaan van iedereen verklaart Hij u rechtvaardig. En dan kunt u misschien wel van uzelf vinden dat u niet rechtvaardig bent, maar wie durft Gods uitverkorenen te beschuldigen? Als God zegt dat u rechtvaardig bent, wie zal u veroordelen? En weet u wat er nog meer gebeurt? Broeder Paulus spreekt daarover. Dan komt de Heer Jezus en die geeft u, volgens 2 Timoteüs 4:8, de lauwerkrans van de rechtvaardigheid. En dan kijken de hemelingen ademloos toe. En dan zegt God tegen de hemelingen: ‘Kijk, dat is nou écht een rechtvaardige.’ God verheerlijkt u. Hij geeft u eer. 135

Ik zal u nog wat zeggen. Ik heb dit al heel vaak tegen broeders gezegd. Een van de redenen waarom wij een opstandingslichaam krijgen, is dat God u gaat verheerlijken. En die heerlijkheid is zó groot, dat ons gewone lichaam het niet zou kunnen verdragen. En daarom hebt u een opstandingslichaam nodig. Want God verheerlijkt u. En als u dat weet, waarom bent u dan bang? Mijn dochter Annelies heeft op de laboratoriumschool gezeten. Het vak scheikunde had haar altijd mateloos gefascineerd. Al vanaf de middelbare school. Want wat is het fascinerende van scheikunde? De essentie van scheikunde is dat je een stof toevoegt aan een andere stof. En dan krijg je een kettingreactie. De moleculen van de ene stof binden zich aan de moleculen van de andere stof. En dan krijg je een onherroepelijk proces. Als je natrium (Na) bij chloor (Cl) voegt, krijg je onherroepelijk NaCl. Dat was duizend jaar geleden al zo. En dat is nu nog zo. Dat is de scheppingsorde. Als je die twee stoffen bij elkaar voegt, dan krijg je een onzichtbare (en een zichtbare) kettingreactie. En weet u wat u hier in Romeinen 8:30 ziet? Dit is een kettingreactie. Een Goddelijke kettingreactie. Want God zegt: ‘Ik roep jou. En als ik je roep, dan rechtvaardig ik jou en dan verheerlijk ik jou.’ Een onherroepelijke kettingreactie. En dan zegt u: ‘Ja, daar ben ik niet zo zeker van, broeder, wat je daar zegt.’ Nou, God zegt het. En als God het zegt, dan kun je er zeker van zijn, hoor. 136

Dat kan ik u wel vertellen. En dan zegt u: ‘Ja, maar het begint eigenlijk met het voorbestemmen. Als God je voorbestemt... Hoe weet ik nou, of ik voorbestemd ben?’ Dat is de grote vraag van onze broeders in de orthodoxe kerken: ‘Ben ik uitverkoren? Ben ik voorbestemd?’ Het antwoord op die vraag is kinderlijk eenvoudig. Dat staat in Romeinen 8:30. Hoe weet je dat je tevoren bestemd bent? Hoe weet je dat je uitverkoren bent? Nou, als Hij je roept. Want er staat: ‘Wie Hij tevoren bestemt, die roept Hij.’ Dus, als Hij je roept, ben je tevoren bestemd. Dat kan niet anders. Dat staat er. En dan zegt u: ‘Ja, maar hoe weet je nou of je geroepen bent?’ Het antwoord is zo eenvoudig, dat het bijna komisch is. Want hoe weet je of God je roept? Kijk, toen je vroeger klein was, speelde je met je broertjes en zusjes op straat. En dan riep je moeder om half zes: ‘Binnen komen!’ En bleef je dan, als enige, op straat zitten, terwijl je broertjes en zusjes naar binnen gingen, omdat je niet zeker wist of je moeder je wel geroepen had? Dat je niet zeker wist of het wel de stem van je moeder was? Natuurlijk niet. Je kent toch de stem van je moeder. Of niet? Nou, en die roept jou. Zelfs een zebra-veulen weet uit duizenden zebra’s het strepenpatroon van zijn moeder te onderscheiden. En jij weet niet of je moeder je roept?! Belachelijk, natuurlijk. Natuurlijk riep je moeder je. Samen met je broertjes en zusjes. Zo is het met God ook. 137

God zegt tegen u in Johannes 3:16 ‘Ik heb jou lief en Ik geef je Mijn eniggeboren Zoon.’ En u hebt natuurlijk ‘Amen’ gezegd. Want u wist dat het God was, die dat tegen u zei. Nou, en als u weet dat het God is, dan heeft Hij u toch geroepen? Of niet? Hoe kunt u Hem dan niet horen als Hij u roept? Snapt u dat? Ik hoop dat u het snapt. Als u Hem hoort, nou, dan roept Hij u. Het is kinderlijk eenvoudig. Want als Hij u roept, dan hoort u Hem. En als u Hem hoort, dan roept Hij u. Begrijpt u? Mensen doen heel moeilijk over ‘geroepen worden’. Maar als Hij u roept, dan hoor je Hem. En als je Hem hoort, dan roept Hij jou. En als Hij je roept, dan begint onherroepelijk de kettingreactie. Onherroepelijk. Want u doet het niet, hoor. Want Hij roept u. En Hij rechtvaardigt u. En Hij verheerlijkt u. Wat doet u er aan? Helemaal niks. Dat noem je nou genade. Wij spreken altijd over genade. Maar dàt is nou genade. Want je hoeft niets te doen. Je hoeft alleen maar te zeggen: ‘Hé, Hij roept mij.’ Ja, Hij roept u. En als Hij u roept, dan rechtvaardigt Hij u en verheerlijkt Hij u. Zo simpel. De werkwoorden in Romeinen 8:30 zijn aoristen. En in Johannes 3:16 ook. 138

Onze vertalers hebben op honderden plaatsen de aorist vervangen door de onvoltooid verleden tijd of door de voltooid tegenwoordige tijd. En ik kan u zeggen, wanneer u ooit in de Schriften de aorist ontdekt, dat u dan een heel andere bijbel krijgt. Voor de pauze heb ik u verteld dat ik naar Amerika ging. Ik zocht een broeder op in Amerika, wegens een copyrightkwestie. Ik had die broeder nog nooit ontmoet. Ik had hem nog nooit gesproken. Ik had hem nog nooit geschreven. Ik had alleen zijn vermoedelijke adres. En toen ging ik naar Amerika. En ik logeerde daar bij een andere broeder, zo’n duizend kilometer verderop. En die broeder belde op naar die broeder van het copyright, om te zeggen dat ik eraan kwam. Ik huurde een auto en ik reed duizend kilometer naar hem toe. En daar hadden we ons eerste contact, op het erf van zijn huis, ergens in een verlaten landstreek. Ik hoorde in de verte de coyotes huilen. En het geratel van ratelslangen in het lange gras. Hoe dan ook, we stonden op het grind. Ik stelde mij voor en hij stelde zich voor. Ik vertelde waarvoor ik kwam. En hij bekeek mij argwanend. Wat ik in zijn plaats ook gedaan zou hebben. Want mijn broeder wordt voortdurend lastig gevallen door lieden, die iets van hem of van zijn organisatie willen hebben. En toen wij elkaar zo’n tien minuten besnuffeld hadden, begon hij opeens te stralen. En hij zei tegen mij: ‘Broeder, ken jij Johannes 3:36?’ Ik zei: ‘Natuurlijk … natuurlijk …’ “Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven; doch wie aan de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.” 139

Die broeder stond bijna te dansen van vreugde. Hij zei: ‘Broeder, weet je, dat “blijft op hem”, dat staat niet in de aorist, nee, dat staat in de onvoltooid tegenwoordige tijd.’ En toen zei hij: ‘Geweldig, hè?’ Op het grind liet hij mij zien vanuit mijn eigen geknipte en geplakte bijbel, dat er niet stond in Johannes 3:36 emeinen (een aorist), maar menei (een onvoltooid tegenwoordige tijd). En dat ‘menei’ is een momentopname. Dat wil zeggen: die toorn rustte niet op hem in het verleden en zal ook niet in de toekomst op hem rusten, maar het is een voortdurende handeling in het heden. Nu zegt u misschien: ‘Nou, dat kan je wel zeggen, broeder, maar …’ Broeders, als u een beetje de Schriften kent, dan weet u dat Gods toorn nooit heel lang duurt. Om maar één vers te noemen: Psalm 30:6. Daar staat: “… een ogenblik duurt zijn toorn, een leven lang zijn welbehagen …” Weet u wat een ogenblik is? Een vingerknip. En weet u hoeveel vingerknippen ‘een leven lang’ is? Dat ga ik niet voor u uitrekenen. Miljarden vingerknippen, minstens … Dus Gods welbehagen is miljarden keer langduriger dan zijn toorn. Kijk, die broeder in Amerika heeft Gods Woord hartstochtelijk lief. Hij verblijdde zich over Gods Woord als iemand die een rijke buit vindt. Hij had mij nog maar nauwelijks ontmoet. We kenden elkaar helemaal niet. Maar hij kon zijn mond niet houden over Johannes 3:36. Hij zat zo vol van de Schriften, dat zijn lippen het wel móesten zeggen. Gods Woord stroomde als levend water uit zijn binnenste. Ik kom nog even terug op Johannes 3:16. 140

Onze bijbelvertalingen zeggen: “Want alzo lief heeft God de wereld gehad.” Daar kun je hele discussies over voeren. Vooral theologische discussies. Ik heb pas een paar voorbeelden gehoord. Eén van mijn broeders liet mij een internet-forum zien waar christenen breeduit hun filosofieën spuien. Er werd een grote hoeveelheid vrome onzin over God gezegd. Ik moest mijn heilige verontwaardiging flink in toom houden. Anders had ik een zweep gemaakt. En een flinke schoonmaak gehouden in dat rovershol. Kijk, want als je zegt: ‘heeft liefgehad’, dan is dat voltooide tijd. Dat zou betekenen dat God de wereld dus nú niet meer lief heeft. Ja, vroeger wel. Maar nu niet meer. Het is voltooid. Verleden. Nou, dan krijg je rare dingen, hoor. Dan gaan mensen zeggen: ‘Ja, de wereld ligt in de boze en daarom kan God de wereld niet liefhebben.’ Nou, dank je de koekoek. In zo’n wereld zou ik niet willen leven. En dan hoor je andere mensen instemmen en zeggen: ‘Ja, God heeft de wereld helemaal niet lief. Kijk maar eens naar de puinhoop in deze wereld.’ En binnen no-time krijg je een groot kippenhok met onverstandig kakelende mensen. Kijk, God heeft de wereld wèl lief. Want er staat in het Grieks ‘ēgapēsen’. En dat betekent: ‘God heeft de wereld lief ’. Want: “alzo lief hééft God de wereld ...” Er is ook een kinderversje. En dat luidt: “Want alzo lief heeft God de wereld …” Keurig aoristisch vertaald. 141

De volwassenen hebben van Johannes 3:16 een puinhoop gemaakt. Maar dat kinderversje spreekt de waarheid. Kijk, en daarom staat er in Matteüs 21: “Uit de mond van kleine kinderen en zuigelingen hebt Gij lof bereid …” We gaan verder … Johannes 15:9 is een heel interessante tekst: ‘Gelijk de Vader Mij heeft liefgehad, heb ook Ik u liefgehad …’ In de Griekse grondtekst staat hier: “kathōs ēgapēsen me ho patēr kagō ēgapēsa humas” “kathōs ēgapēsen me ho patēr” betekent letterlijk: “zoals heeft lief Mij de Vader”. God heeft op een aoristische manier lief (‘ēgapēsen’). God heeft lief. Onbepaald. Zonder grenzen. Die aorist is een garantie. Een absolute garantie. En daarom vertelde ik u voor de pauze enkele gebeurtenissen uit mijn leven. Want die gebeurtenissen zijn een illustratie van dat het zo is. Dit is buitengewoon belangrijk. Want het is niet zo dat ‘God je heeft liefgehad’. Voltooide tijd. Verleden tijd. Maar nu niet meer … Nee, Hij hééft je lief. Een feit. Er staat dus niet: ‘Gelijk de Vader Mij heeft liefgehad …’ Zoals de NBG hier zegt. En ook op vele, vele andere plaatsen. Maar de Vader ‘heeft lief’. Natuurlijk. 142

Hij kan niet anders. God heeft alleen maar lief op die manier. Zo is Hij. Nu kijken we naar het tweede deel van Johannes 15:9. Daar staat: “Zoals de Vader Mij liefheeft (aorist), zo heb Ik ook júllie lief (aorist) …” Er staat dus niet: ‘Gelijk de Vader Mij heeft liefgehad, heb ook Ik u liefgehad ’. En dan zegt onze Heer Jezus in de tweede helft van deze zin: “zo heb ook Ik júllie lief ”. En wat zie je dan? Dat de Heer Jezus op dezelfde manier liefheeft als de Vader. Ziet u dat? Zoals God de wereld onbepaald liefheeft. Zoals de Vader de Zoon onbepaald liefheeft. Zo heeft de Heer Jezus ons onbepaald lief. Hetzelfde karakter als zijn Vader, hè? 1 Johannes 4:19. Hier staat in onze NBG-vertaling (en Statenvertaling): ‘Wij hebben lief, omdat Hij (dat is: God) ons eerst heeft liefgehad.’ Dit is een vers, die veel mensen thuis op een wandtegeltje hebben hangen. Toch? Mooi, hè? Absoluut niet. Het is een vreselijke uitspraak, die ik niet voor mijn rekening zou willen nemen. Want het is gewoon niet waar. Wij hebben God helemaal niet lief. Maar dat staat er ook niet. Er staat: “hēmeis agapōmen auton hoti autos prōtos ēgapēsen hēmas” 143

Dat ‘agapōmen’, ‘wij hebben lief’(NBG), is helemaal geen onbepaalde tijd. Het is een onvoltooid tegenwoordige tijd. Maar God, natúúrlijk, God heeft ons onbepaald lief. Daarom staat er ook: “hoti autos prōtos ēgapēsen hēmas”. Dat Hij eerst óns liefheeft. Aorist. Natuurlijk. Herken je nu Gods karakter? Wie Hij is? Denk nu even rustig na. Als u, met het NBG, zegt, dat u God liefhebt, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad, dan is dat niet waar. Want wij hebben Hem niet lief. Wij zijn bézig met Hem lief te hebben. Ik zeg wel eens, gekscherend: ‘Als ik mijn teen stoot, dan ben ik al weer vergeten dat ik God liefheb. Of als ik met een hamer op mijn duim sla …’ Maar God heeft onbepaald lief. ‘agapōmen’, ‘wij zijn aan het liefhebben’, is onvoltooid tegenwoordige tijd. Dat betekent gewoon: een punt des tijds. Ingeklemd tussen het verleden (mijn vorige zin) en de toekomende tijd (mijn volgende zin). Ik ben bezig om God lief te hebben. Zo lang het duurt … Wij kunnen alleen bezig zijn met God lief te hebben, als God het in ons hart legt. Maar God heeft onbepaald lief. De vertaling van het NBG geeft de betekenis van de zin dus precies andersom. Het moet luiden: “Wij zijn bezig met Hem lief te hebben (of dat ons lukt, weten we niet), omdat Hij ons eerst liefheeft.” En dat klinkt ons natuurlijk vreemd in de oren. “… omdat Hij ons eerst liefheeft.” Maar of dit vreemd klinkt, dat kan mij niet schelen. 144

Het gaat er niet om, of ik iets vreemd vind klinken. Het gaat er om, wat er staat. Daar staat dat God ons onbepaald liefheeft. En dat wij daarom in staat zijn, om Hem een klein beetje lief te hebben. Misschien bent u het niet eens met die laatste opmerking van mij. Misschien vindt u wel dat u God heel erg lief hebt. Maar let op dat u zich niet op de borst gaat lopen slaan. Want Gods Woord is heel scherp. Want Johannes 3:19 zegt in de Herziene Statenvertaling: ‘… en de mensen hebben de duisternis liefgehad, meer dan het licht …’ Maar dan kijken we in de Griekse grondtekst en dan zien we het woord: ‘ēgapēsan’. “kai ēgapēsan hoi anthropoi mallon to skotos ē to phōs” Hé, ‘ēgapēsan’ is toch een aorist? Ja. Dat vertaal je toch met: ‘hebben lief’? Ja. Houd dit even vast. Dus de vertaling van de HSV is fout. Want er staat niet: ‘en de mensen hebben de duisternis liefgehad, meer dan het licht’. Voltooide tijd. Ja, vroeger hadden de mensen de duisternis meer lief dan het licht. Dus gelukkig nu niet meer. Had je gedacht. Er staat: “… de mensen hebben de duisternis meer lief dan het licht …” Onbepaalde tijd. Net zoals Gods liefde onbepaald is. Gods liefde is een feit. Zo heeft de mens de duisternis meer lief dan het licht. Dat is ook een feit. 145

Want ‘ēgapēsan’ is een aorist. Misschien vindt u dit geen prettige tekst. En de conclusie nog minder. Maar het is Gods waardeoordeel over ons. God is messcherp. Hij zegt: ‘Het is een feit dat de mensen de duisternis meer liefhebben dan het licht.’ Scherp, hè, Gods Woord. En nou moet u verschrikkelijk goed oppassen. Ik waarschuw u. Dat moet ik doen. Anders gaat u later tegen mij zeggen: ‘Je had me moeten waarschuwen.’ Wat is mijn waarschuwing? Je moet altijd heel voorzichtig zijn met Gods Woord. En je moet God niet tegenspreken. Ga nou niet zeggen: ‘Het staat er wel zo, maar zo erg is het nou ook weer niet. De duisternis meer liefhebben dan het licht, als een feit. Absurd.’ Dat zou ik niet zeggen, als ik u was. Want God waakt over zijn Woord. En als u God tegenspreekt, dan laat Hij u zien, dat Hij gelijk heeft en u niet. Dat kan heel erg pijnlijk voor u zijn. Ik spreek uit ervaring. Hoe is dus de situatie? Alles wat God doet, doet Hij in de aorist. Hij heeft ons lief, Hij roept ons, Hij rechtvaardigt ons … Onbepaald. Verleden, heden en toekomst. Maar de mens? De mens doet ook sommige dingen in de onbepaalde tijd. Maar alleen de verkeerde dingen. Geen goede dingen. Goede dingen kan de mens niet. 146

Wij kunnen God niet eens liefhebben. Wel in de onvoltooid tegenwoordige tijd, natuurlijk. Maar de duisternis liefhebben, in de aorist, dat betekent dat het hart van de mens zó is. Zijn karakter, zijn dispositie, zal ik maar zeggen. Nu zijn er mensen, die hier niet blij van worden. Ze zeggen dan tegen mij: ‘Ik vind het niet zo leuk, wat jij vertelt. Het is ook gewoon niet waar.’ Mag je zeggen van mij, hoor. Daar lig ik geen seconde wakker van. Maar dan zeg ik u nogmaals: ‘Dan begeeft u zich op gevaarlijk terrein.’ Wanneer u God tegenspreekt. In Romeinen 9 staat: “Maar gij, o mens! wie zijt gij, dat gij God zoudt tegenspreken?” Als God zegt: ‘Jij bent niet bekwaam tot enig goed.’ Dan moet u niet zeggen: ‘Ja, hoor, ik kan het best.’ Dan ga je onherroepelijk op je snufferd. Echt waar. God accepteert niet dat u tegenspreekt. Hij zegt dan tegen u: ‘Ik zeg, dat de mens alleen maar onbepaald kwaad doet. En geen goed.’ En dan zegt u: ‘Nee, hoor, dat is niet waar.’ Nou, gegarandeerd, dat Hij u op uw snufferd laat gaan. Want God laat niet met zich spotten. God zegt in Romeinen 3: “er is niemand die doet wat goed is, zelfs niet één.” Heel veel mensen hebben een totaal verkeerd beeld van zichzelf. Zij kunnen zich niet voorstellen dat het zó slecht met hen gesteld is. De Heer zei een keer tegen een aantal godsdienstige leiders: ‘Jullie dwalen, omdat jullie de Schriften niet kennen.’ En Hij zei keer op keer: ‘Hebben jullie niet gelezen …?’ Nou, lees maar eens Romeinen 7:18. “Want ik weet, dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees, geen goed woont.” 147

Dat is duidelijke taal, toch? En dan heb je toch nog mensen die zeggen: ‘Nou, dat valt wel mee. ik kan toch wel iets goeds doen?’ Reken maar, dat God je laat zien dat Hij gelijk heeft. Want er zit echt geen goed in mij. Als je verstandig bent, dan zeg je tegen God: ‘Heer, U hebt gelijk, er is in mij geen goed.’ Dan luister je naar Hem. Dan spreek je Hem niet tegen. Weet je, dát laat ook zien dat Hij in jou aan het werk is. Ik wil dit punt eigenlijk niet zo benadrukken. Maar omdat mensen de neiging hebben om eigenwijs te zijn, nog eentje. 1 Johannes 4:10 – ‘Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad …’ “en toutō estin hē agapē ouch hoti hēmeis ēgapēsamen ton theon all hoti autos ēgapēsen hēmas” Ik zal meteen maar de juiste vertaling geven. Er staat: “… en hierin is de liefde niet (ouch = de absolute ontkenning) dat wij God liefhebben (aorist) maar dat Hij ons liefheeft (aorist) …” Zou u nu nog durven zeggen, dat wij God liefhebben in de aorist? God zegt: ‘Jullie hebben Mij absoluut niet lief (in de aorist!).’ Nou, probeer dan nog maar te zeggen: ‘Ik ben het er niet mee eens.’ Wees toch verstandig. Zeg gewoon tegen God: ‘Heer, U hebt volkómen gelijk.’ 148

Weet u, God laat u er niet mee wegkomen, hoor. Dat is óók liefde. Want als u op uzelf vertrouwt, dan komt u bedrogen uit. Daarom. Wij gaan naar Paulus. In Efeziërs 5:25 schrijft hij: “hoi andres agapate tas gunaikas heautōn kathōs kai ho christos ēgapēsen tēn ekklēsian” Gelijk maar weer naar de juiste vertaling, de NBG-vertaling zet je toch alleen maar op het verkeerde been. U voelt hem misschien al aankomen. ‘oi andres’ is ‘de mannen’ ‘tas gunaikas heautōn’ is ‘de eigen vrouwen’ En wat is dan ‘agapate’? ‘Bezig zijn met lief te hebben.’ Onvoltooid tegenwoordige tijd. En dan Christus. Moet je horen. “… zoals ook Christus de ekklesia (de gemeente) LIEFHEEFT (aorist) …” Moet je kijken wat er in de NBG staat. Daar staat: ‘Mannen, hebt uw vrouw lief, evenals Christus zijn gemeente heeft liefgehad …’ Van die vertaling ga je bijna huilen. Het NBG zegt: ‘evenals Christus zijn gemeente heeft liefgehad …’ Dat is gewoon pure onzin. ‘Heeft liefgehad’: voltooide tijd. Dan zou Christus de gemeente nú niet meer liefhebben. Vroeger wel. Maar nu niet meer … Maar Christus heeft het karakter van God. Christus hééft de gemeente lief. Onbepaald. 149

Toen. Nu. En in de toekomst ook. Maar wij niet. Wij moeten reuze ons best doen om onze vrouwen lief te hebben. In de tegenwoordige tijd ... Nou, nou, dat is weinig complimenteus voor ons, hoor. Ja, maar dat zeg ik niet. God zegt het. Dat liefhebben van onze vrouwen valt nog helemaal niet mee, blijkbaar … En daar komt nog iets bij. Er wordt een balans gemaakt. Moet u goed luisteren, hè. Wij maken een balans op. Wij zeggen (met de NBG-vertaling): ‘Wij moeten onze vrouwen liefhebben, zoals Christus de gemeente heeft liefgehad.’ Maar er is helemaal geen balans. Want Christus heeft op een veel hoger niveau lief, dan de man de vrouw. Snapt u dat? De liefde van Christus is onbepaalde liefde. En onze liefde is daar maar een flauw aftrekseltje van. Onbepaalde liefde kunnen wij helemaal niet opbrengen. Je ziet heel vaak dat mensen redeneren vanuit een bijbelvertaling. En dat ze dan hier – in het liefhebben – een balans zien. En dan gaan ze zichzelf een onmogelijke opgave opleggen. Daarom is het zo belangrijk om naar Paulus te luisteren. Paulus maakt een groot verschil tussen Christus en ons. En terecht. Zullen we het voorgaande nog even nalopen? 150

Ik heb gezegd dat de aorist de kenmerken heeft van de verleden tijd, het heden en de toekomende tijd. De aorist verandert dus de handeling in een feit. Omdat het onbepaald is. Efeziërs 1 – de begenadiging in de Geliefde. Dat is geen voltooide tijd. Maar, gelukkig, in het Grieks, is het onbepaalde tijd. Er is helemaal geen tijd. Het is tijdloos. En als je het zo gaat lezen, dan klinkt het veel logischer. “Waarmee Hij ons begenadigt in de Geliefde”. Heerlijk. In de pauze hoorde ik een broeder zeggen: ‘Die aorist is echt een volledige verborgenheid.’ Ja, zelfs een continue verborgenheid. Geen verkeerde opmerking van die broeder. Is de aorist niet heerlijk? Dat God ons onbepaald liefheeft. Er is een gezegde in Amerika: ‘Right or wrong, it is my country.’ God zegt tegen u: ‘Right or wrong, you are my child.’ Snapt u? Of u nou verkeerd doet, of goed doet, u bent Zijn kind. En die garantie heeft u, omdat God u begenadigt in de Geliefde. Niet ‘heeft begenadigd’. Want als je dan iets verkeerd hebt gedaan, vindt God jou niet leuk meer. Dan zal Hij zeker tegen je zeggen: ‘Nou ben je niet meer begenadigd, hoor.’ Angstig is dat, angstig. Als je zegt: ‘Hij heeft mij begenadigd’, dan moet ik heel erg mijn best doen, anders begenadigt Hij mij niet meer. Nee, hoor. God zegt: ‘Ik begenadig je in de Geliefde.’ Gisteren, vandaag en morgen! Kijken we nog even in Efeziërs 1:7-8. 151

Daar staat een bijzondere uitdrukking. “kata ton plouton tēs charitos autou hēs eperisseusen eis hēmas” In de NBG-vertaling staat: ‘… naar de rijkdom zijner genade, welke Hij ons overvloedig heeft bewezen …’ U begrijpt natuurlijk al meteen dat ‘overvloedig bewezen heeft’ een aorist moet zijn: ‘eperisseusen’ ‘overvloedig bewijst’. ‘Overvloedig bewijzen’ heeft in het Grieks eigenlijk de kracht van verkwisten. Letterlijk: “… naar de rijkdom van zijn genade, die Hij verkwist tot in ons …” Hoort u dat? God verkwist de rijkdom van zijn genade tot in ons. Wat is verkwisten? Als je zegt: ‘Ik heb toch genoeg. Het kan niet op. Verkwisten maar. Hop …’ God geeft genade als een verkwisting. Hebt u daar wel eens over nagedacht? Niet zo pietepeuterig. Niet zo van: ‘Vooruit, hier heb je een beetje genade. En dan geef ik die andere broeder ook een klein beetje genade.’ Nee, God verkwist het. Het gaat met scheppen de deur uit. Wat zeg ik, wagonladingen …! Dus elke dag ben ik weer benieuwd wat voor genade Hij nu weer aan mij gaat verkwisten. Ja? Ja, want je kan rustig opstaan en tegen God zeggen: ‘Nou, Heer, verkwisten maar die genade van U. Want dat is uw belofte.’ En dat doet Hij ook. Hé, ik ben op schema, heerlijk … Als ik dan toch wat tijd over heb, wil ik u graag nog een geschiedenis vertellen. Dat hebt u wel verdiend na al die theorie. En ik vertel die geschiedenis aan u om Gods hart te laten zien. 152

Hoe warm Gods hart klopt. En hoe Hij aoristisch met de mens bezig is. Die geschiedenis begint met de zonen van Noach. Sem, Cham en Jafeth. Wie er het slechtste van afkomt, dat is Cham. En wie daar weer het slechtste van afkomt, is Kanaän. Nou ja, het slechtste … Want eigenlijk gaat het ook helemaal niet goed met Kush. De nakomelingen van Kush zijn het Afrikaanse continent opgegaan. Nou, daar hoef je niet blij van te worden, hoor. Want het is er wel mooi. Maar arm. En veel geestelijke duisternis. En dan moet je je voorstellen: ongeveer 4500 jaar later, circa 150 generaties later, ligt er een vrouw in één van die Afrikaanse landen daar. In Nigeria, geloof ik, of Zambia, dat weet ik niet meer. En die vrouw heeft aids. En iedereen heeft die vrouw opgegeven. Eerst is ze door de schande heen gegaan, dat ze is uitgespuugd door de gemeenschap, waar ze voorheen in verbleef. En nu ligt ze daar op een bed, bijna dood. En ik wil u in gedachten brengen, dat ieder mens een plaats heeft in Gods bedoeling. Dat wil zeggen: u kunt misschien van uzelf denken, dat u helemaal niet belangrijk bent in Gods plan. Maar dat maakt ú niet uit, Gód maakt dat uit. Nou, en wat u minimaal in uw leven doet, tenminste, de meesten van ons, is uw genen doorgeven. Ja? Dus je moet je voorstellen: Cham, één van de zonen van Noach, die in Genesis 9:25 door zijn vader wordt vervloekt, heeft een zoon, Kush, die naar het weidse Afrikaanse continent gaat. 153

En 150 generaties van Kush hebben ’s nachts buiten op hun rug gelegen en naar het immense sterren-firmament gekeken. Want die kun je heel goed in Afrika zien, die sterrenhemel. Eén van de voordelen van een ongeciviliseerd gebied. En zij kwamen tot de conclusie, dat het aantal sterren zo groot was, dat zij de tel kwijt raakten. En ze vroegen zich af: ‘Waarom leef ik eigenlijk?’ Nou, dat wisten ze natuurlijk niet. En dan draaiden ze zich om. Ze gingen hun hut binnen. En ze gaven hun genen weer door. Je moet je dus voorstellen: 150 generaties later, ligt daar een vrouw in Afrika, met al die genen van al die generaties. Ze heeft aids, ze is opgegeven, ze ligt op sterven. En niemand wil haar hebben, behalve een kleine, christelijke missionarispost. Die mensen daar zeiden: ‘We hebben nog een bed voor je. Daar mag je liggen.’ Nou zit ik bij de televisie, een beetje te zappen. Zo vaak zit ik niet voor de beeldbuis. Meestal om een beetje voetbal te kijken. En het Journaal. Dat soort dingen. En dit keer kom ik per ongeluk op de Evangelische Omroep terecht. Meestal zap ik dan door. Maar dit keer niet. Iets trok mijn aandacht. Want ik zie, terwijl ik aan het zappen ben, een vrouw uit Amerika komen. En die vrouw kan helemaal niks. Nou, ja, niks … ze kan in een rolstoel zitten. Ze is, vanaf haar hals, helemaal verlamd. Ze heeft wel een knap gezicht. Dat doet het altijd goed in Amerika, een knap gezicht. 154

Ik herken haar. Het is Joni Eareckson Tada. Een bekende persoonlijkheid in evangelisch-christelijke kringen. Dat knappe gezicht is het enige wat Joni heeft. Nee, dat is niet helemaal waar – ze kan heel mooi met haar mond schilderen. En ze heeft een man, die haar verzorgt. Joni is door haar vertrouwen op God een geliefde verschijning. Ze heeft ook een mooi boek geschreven. En een LP met geestelijke liederen opgenomen. Kortom, zij is een ambassadeur van Christus. Nou, díe Joni komt naar Afrika. Vanwege een KLM-prijs. Voor het oplossen van een prijsvraag. En in dat kader gaat ze een bezoekje brengen aan Afrika. Ze heeft ook een extra rolstoel meegenomen. Die gaat ze cadeau geven aan iemand, die dat dringend nodig heeft. En op een gegeven moment komt Joni in die missionaris-post terecht. Gepland of niet gepland, wie zal het zeggen. Dat werd in die reportage niet vermeld. En ze brengen Joni bij die stervende vrouw. Een nakomelinge van Cham. Van Kush. 150 generaties later. En die vrouw ligt daar op het bed. En Joni gaat – in haar rolstoel – bij het bed zitten. En ik weet niet, of u zich deze situatie voor kunt stellen. Daarom ga ik proberen het u te schetsen. Deze vrouw met aids is een van de miljoenen, nee, miljarden van deze planeet. En wat is zij helemaal? Ongeletterd. 155

Onwetend. Aids. Stervend. Waarschijnlijk te jong. Van iedereen verlaten. Ze is van Kush. Met genen van demonen-verering. En chromosomen van kippen-ingewanden-zieners. Maar God ziet niet aan wat voor ogen is. Want in 1 Samuël 16:7 staat dat God het hart aanziet. En ik stel me zo voor, dat die vrouw iets begrepen heeft van die missionaris-post. En dat ze in haar wanhoop tot God geroepen heeft. Dat ze heeft gezegd: ‘God, bestaat u eigenlijk wel?’ En ook: ‘Wie ben ik nou helemaal? Houdt u wel van mij?’ Of God van ons houdt … Ja, natuurlijk weten wij dat. Wij hebben Gods Woord. En sinds vanavond de aorist. God houdt van ons. Daar is geen twijfel over mogelijk. Echt niet. We weten het zeker, jòh. Maar die vrouw is de eenzaamste vrouw op de wereld. Nou moet je die absurde situatie even goed in ogenschouw nemen. Een beroemde persoonlijkheid, die heel Amerika, wat zeg ik: de hele wereld, afreist, om over haar geloof te spreken, krijgt een prijs, vanwege het winnen van een prijsvraag. Een KLM-prijs, van alle prijzen, die je in de wereld kunt winnen. En die beroemde persoonlijkheid gaat, uiteraard met de KLM, vanwege de prijsvraag en natuurlijk ook vanwege de freepublicity voor de luchtvaartmaatschappij, naar Afrika. En ze komt, of all places, in een of ander land in een obscuur plaatsje terecht. 156

En deze Amerikaanse vrouw wordt, verlamd, maar in al haar stralende, onberispelijke schoonheid, bij een stervende vrouw gebracht. En wat gebeurt er nou? Weet je, Joni kan helemaal niks. Ze kan niet eens tandenpoetsen. Alleen maar met de mond schilderen. Joni moet met alles geholpen worden. En dan pakt een van de begeleiders van Joni haar verlamde rechterarm. En ze legt Joni’s verlamde rechterhand op het hoofd van de vrouw op het bed. En dan zegent Joni de stervende vrouw. Als je dat ziet, dat God de moeite neemt, om Joni eerst verlamd te laten raken, door een ondoordachte duik in ondiep water. Allemaal toestanden. Zelfmoordneigingen. Jezelf accepteren. Beroemd worden. Prijzen winnen. Allemaal krankzinnige dingen. En dat God dan de moeite neemt om die Joni naar die vrouw te sturen. Want die vrouw heeft God nodig. En niemand weet dat. Maar God weet dat wel. Dus God stuurt Joni, die al twintig jaar, of zoiets, volstrekt hulpeloos is, die niet eens zelf haar armen op kan tillen. En die Amerikaanse vrouw zegent die Afrikaanse vrouw. Weet u wanneer die aids-patiënte doodging? Eén uur nadat Joni haar gezegend had. Als Joni vertraging had gehad, of even naar de wc had gemoeten, was die vrouw al dood geweest. 157

Nou zeg ik u, als God zo’n timing hanteert, zo’n gigantische timing, dat het werkelijk mind-blowing is, dan laat Hij zijn hart zien aan die stervende vrouw. Want God ziet niet aan wat voor ogen is. God ziet het hart aan. Het hart van die vrouw had geschreeuwd: ‘God, bestaat u eigenlijk wel?’ Ja, zegt u, natuurlijk, God bestaat. Sterren, en dat soort dingen, kan niet anders, God bestaat. Bestaat God? Ja, natuurlijk, want er gebeuren allemaal gezegende dingen in mijn leven. Maar die vrouw, die heeft alleen maar narigheid gehad. 150 generaties afstand van Cham en Kush. En dan komt er een vrouw van de andere kant van de wereld. Omdat ze een absurde prijs gewonnen heeft. En die zegent haar. Vlak voor ze dood gaat. Wat een timing ... God heeft dat tot in de kleinste details geregeld. En dan zeg ik: ‘Zo’n God, heerlijk.’ Heerlijk, heerlijk. Wij hebben werkelijk een gewéldige, fantástische God! Amen! 158

9. Even stilstaan Ik had twintig jaar geleden eens een gesprek met een heel lieve broeder. Hij wist dat ik met het ISA-interlineair programma bezig was. Hij zei tegen mij, dat de Statenvertaling best wel een goede vertaling was. Ik zei tegen hem: ‘Helaas niet, broeder, er is geen één regel helemaal goed vertaald.’ Het gezicht van mijn lieve broeder betrok. Hij zei: ‘O.’ En toen klaarde zijn gezicht op. Hij zei: ‘Ik weet zeker dat één vers helemaal goed vertaald is.’ Ik zei: ‘O, ja?’ Hij zei: ‘Ja, het kortste vers in de bijbel: “Jezus weende.”’ Ik zei tegen hem: ‘Het spijt me broeder. Deze vertaling is niet juist. Er staat: “Jezus weent.”’ We gingen samen naar de betreffende passage. In Johannes 11:35. edakrusen ho iēsous hij-weent de Jezus Weet je wat ‘wenen’ is? Volgens Koenen’s Woordenboek van de Nederlandse Taal is ‘wenen’ iets wat kinderen niet doen. ‘Wenen’ is iets van volwassenen. ‘Wenen’ betekent: zo geëmotioneerd zijn, dat je je tranen niet kunt bedwingen. In het NBG en in de Statenvertaling wordt gezegd dat Jezus ‘weende’. Deze weergave wordt door deze vertalingen dus als verleden tijd beschouwd. 159

Een levendige beschrijving van een situatie in het verleden. Geschiedenis. Maar dat staat er niet. Er staat: “Jezus weent.” Een zogeheten ‘aoristus’. Een feit. Een ontzagwekkend feit. De Koning der koningen, de Heer der heren, het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene van elke schepping, in wie alle dingen geschapen zijn die in de hemelen en die op de aarde zijn, de zichtbare en de onzichtbare dingen hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij autoriteiten, alles is door Hem en tot Hem geschapen … Die Jezus weent … En God zegt tegen ons: let op! Zien jullie dat? Mijn Zoon, Mijn Enige, Mijn Geliefde … weent … Hoe ontzagwekkend is dit feit. 160

10. Deinende schapen Ik zal een jaar of veertien geweest zijn, toen mijn moeder tijdens een tafelgesprek ons een gebeurtenis vertelde uit haar middelbare schooltijd. In 1938 zat zij op de Christelijke HBS in Apeldoorn. Die school werd geleid door een rector, die tevens Nederlands gaf aan de hoogste klassen. Deze rector had buitengewone retorische kwaliteiten. Hij bracht zijn leerlingen een grote liefde voor de Nederlandse taal bij. Mijn moeder adoreerde hem. Zo gebeurde het eens op een warme zomermiddag, dat deze rector een gedicht van een bekende Nederlandse dichter behandelde. En hij las op een gegeven moment, vanuit het leerboek, de volgende strofe voor: “en zij bewogen zich voort als deinende schapen …” Op dat moment raakte de rector in vervoering, rukte zijn bril van zijn hoofd en riep uit: ‘Kinderen, wat één taalgebruik van onze dichter … deinende schapen … Sluit jullie ogen en denkt aan de diep-paarse heide, onder de trillend-hete zon … en ziet voor jullie geestesoog de witwollen schapen, die van de heuvel afdalen …’ De leerlingen, en vooral mijn moeder, hingen aan de lippen van de rector. Bij het raam stak een jongen bedeesd zijn vinger op: ‘Meneer …’ De rector, helemaal in de roes van zijn eigen woorden, deed net of hij die vinger niet zag. ‘En, kinderen … op die purperen heide … in den zonnegloed … golft het wit van de deinende schapen, als schuimkoppen der diepdonkere zee …, waarmee onze Dichter …’ De jongen bij het raam bleef hardnekking zijn aandacht vragen: ‘Meneer …’ De klas werd nu afgeleid door deze verstoring van de les. Geïrriteerd gromde de rector: ‘En, jongeman, wat is er …’ 161

De jongen had zijn vinger bij het leerboek. Hij zei: ‘Meneer, er staat niet ‘deinende schápen’, maar ‘deinende schépen …’ In de christelijke wereld worden talloze meningen verkondigd. Orthodoxe en liberale geloofsopvattingen. Rooms-Katholieke en protestantse opvattingen. Charismatische en evangelische geloofsopvattingen. Moderne en ouderwetse geloofsopvattingen. Oppervlakkige en diepzinnige geloofsopvattingen. Geloofsopvattingen, waar sommigen moeite mee hebben. En geloofsopvattingen, die iemand heel dierbaar kunnen zijn. Al die geloofsopvattingen worden door de verschillende kerkgenootschappen en hun leden hartstochtelijk verdedigd. Andersdenkenden worden te vuur en te zwaard bestreden. Wat moet je daar nu mee? Daarvoor bestaat eigenlijk een heel eenvoudige oplossing. Die vind je in Handelingen 17:10-11. “Maar de broeders zonden terstond in de nacht Paulus en Silas naar Berea, die, daar aangekomen, naar de synagoge der Joden gingen; en dezen onderscheidden zich gunstig van die te Tessalonica, daar zij het woord met alle bereidwilligheid aannamen en dagelijks de Schriften nagingen, of deze dingen zo waren.” Ik heb een broeder, die mij wel eens plaagt. Hij zegt dan tegen mij: ‘Jij hebt eigenlijk maar één boodschap … Handelingen 17 … de Bereeërs …’ En dan lachen we samen. Want het is waar. Ik heb maar één boodschap. Handelingen 17. De Bereeërs. Wat zijn dat: Bereeërs? Een Bereeër is (in mijn definitie) iemand die dagelijks de Schriften nagaat, of de dingen die in de christelijke wereld verkondigd worden, wel zo zijn … 162

Nou, dan hoor je dus op een gegeven moment een spreker een bepaalde geloofsopvatting verkondigen. Wat doe je dan? Gewoon, als een Bereeër, nagaan in de Schriften of deze dingen zo zijn. En als zo’n geloofsopvatting niet in de Schriften staat, als deze dingen dus niet zo zijn, dan leg je zo’n mening terzijde. Ook als zo’n mening al 2000 jaar oud is. Ook als zo’n geloofsopvatting algemeen door de christelijke kerk beleden wordt. Dat is dan jammer. Dan zeg je beleefd: ‘Nee, dank u.’ Want iemands mening is in geloofszaken absoluut niet ter zake doende. Het gaat uitsluitend om wat er geschreven staat. In de Schriften. Dat is het einde van alle tegenspraak. Het is mogelijk dat kerkgangers in vervoering raken over deinende schapen. Maar er staat: deinende schépen. Heel veel broeders denken dat Bereeër zijn een vrijblijvende zaak is. Nou, vergeet het maar. Ik zal je zeggen waarom. Het woord ‘engel’ is de Nederlandse vertaling voor het Griekse woord ‘aggelos’ [uitspraak: ‘angelos’]. ‘Engel’ is eigenlijk geen vertaling, maar een klanknabootsing. ‘Aggelos’ betekent eigenlijk ‘boodschapper’. Let nu op. Wanneer de bijbelvertalers denken dat het om een aardse boodschapper gaat, dan vertalen zij met ‘bode’ of ‘boodschapper’. En wanneer de vertalers denken dat het om een hemelse boodschapper gaat, dan vertalen zij met ‘engel’. De vertalers maken dus voor ons die keuzes. En daarom ontgaan ons een aantal zaken. 163

Zo waarschuwt de bijbel ons voor de ‘satan’, letterlijke betekenis: de ‘tegenstander’. De satan doet zich voor als ‘een engel van het licht’. Of, met hetzelfde recht vertaald, als ‘een boodschapper van het licht’. De satan doet zich dus voor als een boodschapper van het licht. Maar hij is eigenlijk een boodschapper van de duisternis. Want hij vertelt onwaarheden over God. In de christelijke wereld heerst algemeen de gedachte, dat de satan vooral in de zelfkant van de samenleving te vinden is. Nou, vergeet het maar, volgens de Schriften manifesteert de satan zich vooral als een ‘boodschapper van het licht’. Waar kun je die boodschappers van het licht vinden? Wat denk je zelf? In de kerken, natuurlijk. Daar krioelt het van de boodschappers van het licht. Ik had eens een ontmoeting met een bekende voorganger. Deze voorganger vroeg aan mij: ‘Naar welke gemeente ga jij?’ Ik antwoordde hem dat ik op dat moment niet bij een bepaalde gemeente aangesloten was. Hij zei toen: ‘Dan moet je bij ons komen. Bij ons is het licht.’ Wanneer iemand zoiets tegen je zegt, dan moet er meteen een rood lampje bij je gaan branden. In de kerken worden over het algemeen grote onwaarheden verteld. Eén van die onwaarheden is het begrip ‘hel’. Met het woord ‘hel’ zijn miljoenen mensen door de eeuwen heen bang gemaakt. Vooral de Statenvertaling heeft in Nederland daar een grote rol in gespeeld. De Statenvertaling gebruikte, net als de King James Version in de Engelstalige wereld, het woord ‘hel’ voor de Griekse woorden ‘gehenna’, ‘hades’ en ‘tartaroo’. 164

Als je daar iets meer over wilt weten kun je bijvoorbeeld de Studiebijbel gebruiken. In iedere fatsoenlijke christelijke boekwinkel kun je die Studiebijbel aantreffen. Het Nieuwe Testament van de Studiebijbel is uitgegeven in 16 delen. In die Studiebijbel kun je vinden dat ‘gehenna’ de Griekse vertaling is van het Hebreeuwse woord: ‘dal van Hinnom’ (deel 11, bladzijde 533). Het dal van Hinnom is een geografische locatie, een dal ten zuiden van Jeruzalem. ‘Hades’ is volgens de Studiebijbel ‘de verblijfplaats van alle doden, niet alleen van de onrechtvaardigen’ (deel 4, bladzijde 459). ‘Tartaroo’ is ‘Tartarus’, volgens de Studiebijbel ‘in het Griekstalige Jodendom de plaats, waar gevallen engelen hun straf krijgen’ (deel 9, bladzijde 619). Je ziet het, je moet het een beetje bij elkaar sprokkelen, maar je kunt het antwoord op het begrip ‘hel’ vinden. De ‘hel’ bestaat niet in de Schriften. Alleen in de commentaren. En meestal staat er grote onzin in de commentaren. Ik heb een broeder, een Bereeër, die altijd zegt: ‘Het is verbazend hoeveel licht de Schrift werpt op de commentaren.’ Elke theoloog weet dat het woord ‘hel’ een achterhaalde zaak is. Het is eigenlijk te gek voor woorden, dat men desondanks krampachtig probeert deze kennis voor de gemiddelde kerkganger verborgen te houden. De bijbelvertalers hebben tenslotte openheid van zaken gegeven. In de Nieuwe Bijbelvertaling is het woord ‘Gehenna’ daarom in de plaats gekomen voor het woord ‘hel’. In de NBG-vertaling van 1952 was het woord ‘hel’ al verdwenen bij ‘hades’ en ‘tartaroo’. 165

In de Nieuwe Bijbelvertaling komt het woord ‘hel’ niet meer voor. De ‘hel’ is er niet meer. En dan zie je het merkwaardige verschijnsel, dat het woord ‘hel’ weg is, maar het begrip, het concept ‘hel’ er nog steeds is. In 99 van de 100 kerken wordt er nog steeds gesproken over de hel. Maar nergens in de Schriften is er sprake van een ‘hel’. Dus wanneer er in een samenkomst iemand een boodschap brengt, waarin hij spreekt over de gevaren van de hel, dan kun je deze boodschap rustig naast je neerleggen. Want het is gewoon niet waar. Er is geen hel. Zo’n boodschapper spreekt over ‘deinende schapen’. Terwijl er staat: ‘deinende schépen’. Begrijp je nu, hoe belangrijk het is om een Bereeër te zijn? Wanneer ik ergens in een gemeente kom, en de voorganger begint te praten, dan weet ik binnen vijf minuten of ik wel of niet naar zijn boodschap moet luisteren. Zo’n voorganger spreekt bijvoorbeeld niet de woorden van de Schriften. Maar hij predikt theologische veronderstellingen. Woorden van menselijke wijsheid. Die in Gods ogen dwaasheid zijn. Die voorganger dénkt dat hij een boodschapper van het licht is. Maar dat is hij niet. Hij is een boodschapper van de duisternis. Want hij verkondigt onwaarheden over God. Die voorganger praat over ‘deinende schapen’. Maar ik weet dat het ‘deinende schépen’ zijn. De afgelopen twintig jaar heb ik maar één boodschap voor mijn broeders gehad: Handelingen 17, de Bereeërs. Ik roep al jaren: ‘Waar zijn de Bereeërs?’ Ik ken een zeer vooraanstaande broeder, die eens tegen mij gezegd heeft: ‘Wat de kerk nodig heeft, is een opwekking.’ 166

En toen zei ik tegen hem: ‘Nee, broeder, wat de kerk nodig heeft, zijn Bereeërs.’ Bereeërs zijn broeders, die hun vinger opsteken wanneer hun voorganger weer eens spreekt over ‘deinende schapen’. Broeders, die hun vinger bij de Schrift houden en tegen hun voorganger zeggen: ‘Broeder, er staat deinende schépen.’ 167

168

11. Scherp door de bocht In de afgelopen week heb ik nagedacht over waarom u eigenlijk Grieks zou moeten leren. De motivatie, dus. Eerst bedacht ik om u enkele frappante voorbeelden te geven hoe verkeerd de NBG-bijbel-vertaling soms de Griekse grondtekst weergeeft. Deze vertaling is niet goed, die passage is fout … Maar dan zou de insteek voor de cursus nogal negatief zijn. Na twee dagen bedacht ik dat dit een te rationele benadering zou zijn. Toen bedacht ik dat ik u zou willen vertellen hoe blij je van de Griekse grondtekst wordt. De emotionele benadering, dus. Mijn vrouw kan u vertellen dat ik opeens mijn studeerkamer uit kan stormen en dan loop te roepen: ‘Het is niet de twééde naamval, maar de dérde …’ Of dat ik een week lang lyrisch ben over het feit dat er in een gegeven passage in het Grieks ‘en’ staat in plaats van ‘eis’. Ook over die benadering heb ik twee dagen nagedacht. En toen kreeg ik een bandje met een toespraak van mijn broeder de Bereeër. Het ging over Hebreeën 2:16. In onze NBG-vertaling staat daar: ‘Want over de engelen ontfermt Hij Zich niet, maar Hij ontfermt Zich over het nageslacht van Abraham.’ In de Griekse grondtekst staat er: “ou gar dēpou aggelōn epilambanetai alla spermatos abraam epilambanetai” Concordant (consistent) vertaald staat er: “Want toch zeker niet het pakt de boodschappers vast, maar het pakt het zaad van Abraham vast.” 169

Het onderscheid tussen de NBG-vertaling en een concordante weergave is dus: ‘Hij ontfermt Zich’ – NBG-vertaling “het pakt vast” – concordante vertaling ‘(zich) ontfermen’ is in het Grieks ‘eleeō’. En niet ‘epilambanō’. ‘epilambanō’ is ‘vastpakken’. Dat weten de vertalers van het NBG ook. Het NBG had minimaal moeten vertalen: ‘Want de engelen pakt Hij niet vast, maar Hij pakt het nageslacht van Abraham vast.’ Maar ja, wat is dan dat ‘vastpakken’? Dat zien we in het tweede aandachtspunt. De derde persoon enkelvoud is in het Grieks ‘hij’, ‘zij’, of ‘het’, afhankelijk van de context. De context is ‘de dood’. De ‘dood’ wordt gepersonifieerd. In het Nederlands: ‘het’. De dood pakt het nageslacht van Abraham vast. Volstrekt helder … Ik hoorde die boodschap op dat bandje en ik dacht: ‘Mooi, heel mooi …’ Toen ik ging onder de douche. Daarna ging ik Studio Sport kijken. En ik dacht, eerlijk gezegd, geen moment meer aan die ‘engelen’. Over wie God, volgens onze bijbelvertaling, zich niet ontfermt. Wat is een mens toch hard … Wat kan jou het schelen, die engelen. Zolang God zich maar over óns ontfermt … Toch? Ik stapte onbekommerd in bed. Midden in de nacht werd ik wakker. Ik wist dat er iets mis was. Toen drong het plotseling tot mij door. Die vertaling van het NBG is niet alleen onjuist, maar ook godslasterlijk. 170

Kijk, die vertaling van het NBG in Hebreeën 2 spreekt de rest van Gods openbaring tegen. God ontfermt zich wel degelijk over de ‘engelen’. In Kolossenzen 1:20 staat dat God het al verzoent. In het Grieks: “katallaxai ta panta” – “te verzoenen het al(les)”. Alles wat in de hemelen en op de aarde is. En ‘alles’ is álles. Duidelijke zaak … Weet u, in mijn Nederlandse bijbelvertaling, de NBG, heb ik 258 bladzijden Nieuwe Testament. Ik wil een wedje met u maken. Er staan minstens 258 grote fouten in onze vertaling. Ik wil nog een wedje met u maken. Er staan minstens 25 godslasterlijke uitspraken in de NBG. Niet-christenen hebben nogal wat moeite met veel uitspraken in onze vertaling. Maar wij? Wij merken het niet eens meer. Jaar in jaar uit horen en lezen wij onze bijbelvertaling. Wij zijn zo gewend aan onze bijbelvertaling dat het ons niet eens meer opvalt dat er vele godslasterlijke uitspraken in staan. We lezen erover heen. En we horen het niet meer. Want wij hebben eelt op onze christelijke ziel. Wij kijken er niet meer van op als er in onze kerken voorgelezen wordt dat er een ‘eeuwige straf’ is. Als u daar even over nadenkt, dan begrijpt u hoe het karakter van God door die vertaling onteerd wordt. Alsof Hij een psychopaat zou zijn. ‘Eeuwig’ straffen. En wij maar blij zijn in de hemel, als wij de ten hemel schreiende kreten van de ‘eeuwig gestraften’ horen. Tjonge, jonge … Ik weet nog goed dat God mij in 1974 riep. En toen durfde ik 2 Tessalonicenzen 1:9 niet te lezen. 171

Daar staat dat mensen die het evangelie van onze Heer Jezus niet gehoorzamen ‘zullen boeten met een eeuwig verderf’. Dat vond ik echt moeilijk … In het begin hing die tekst als een donkere wolk boven mijn christelijke leven. Ik dacht er vaak aan. Het liefst wilde ik die passage overslaan. Maar zoals het met mensen gaat, het slijt. Op een gegeven moment verdwijnt het uit je gedachten. Dan krijg je, met recht, eelt op je ziel. Nu weet ik, via de Griekse grondtekst, dat het verderf in 2 Tessalonicenzen 1:9 ‘aeonisch’ is. Nog steeds heel ernstig. Maar niet hopeloos … Als iemand aan mij vraagt: ‘Geloof jij de bijbel van kaft tot kaft?’ Dan zeg ik: ‘Ja, komma …’ Wat is die komma? Ja, zolang die vertaling overeenstemt met de Griekse grondtekst. Als een broeder, of een zuster, of een voorganger, of een predikant, of een priester, of de paus, of Billy Graham, of een engel uit de hemel, tegen mij zegt: ‘Er staat in de bijbel …’ Dan zeg ik: ‘Eén moment, alstublieft …’ En dan ren ik heel hard naar mijn Griekse grondtekst. En als het er niet staat, als mijn bijbelvertaling niet overeenstemt met de Griekse grondtekst, dan zeg ik: ‘Ga achter mij, satan, want er staat geschreven …’ Wat zou dan uw motivatie moeten zijn om Grieks te willen leren? Zal ik het zeggen? Omdat je het niet kunt verdragen dat er onwaarheden over God verteld worden. Het gaat om Zijn eer … 172

12. De Rabbijn Lieve broeders en zusters, geachte aanwezigen, “Een zeker mens daalde af van Jeruzalem naar Jericho en viel in de handen van rovers, die hem niet alleen uitschudden, maar ook slagen gaven en weggingen, terwijl zij hem halfdood lieten liggen. Bij geval daalde een priester af langs die weg; en deze zag hem, doch ging aan de overzijde voorbij. Evenzo ging ook een Leviet langs die plaats, en hij zag hem en ging aan de overzijde voorbij. Doch een Samaritaan, die op reis was, kwam in zijn nabijheid, en toen hij hem zag, werd hij met ontferming bewogen. En hij ging naar hem toe, verbond zijn wonden, goot er olie en wijn op; en hij zette hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en verzorgde hem. En de volgende dag stelde hij de waard twee schellingen ter hand en zeide: Verzorg hem en mocht gij meer kosten hebben, dan zal ik ze u vergoeden, op mijn terugreis.” [Lucas 10:30b-35] Twee maanden geleden verscheen er in de EO-Visie een verslag van een reis die Henk Binnendijk naar Israël gemaakt had. In dat verslag schreef Henk Binnendijk onder andere: “Je merkt ook dat er bij de Joden, in deze moeilijke periode, een groeiend zoeken is naar hun God. We ontmoetten een Nederlandse rabbijn, een prachtige man, vol van God …” Veertien dagen na de publicatie van dit reisverslag las ik in de EO-Visie een ingezonden brief. Ik wil een gedeelte van deze brief aan u voorlezen. “In het verslag van zijn reis naar Israël spreekt Henk Binnendijk over het groeiend zoeken bij de Joden naar hun God. In zijn ontmoeting met een ongetwijfeld sympathieke rabbijn, noemt hij deze geestelijk leider in de Joodse religie ‘een prachtige man, vol van God’. 173

Dat een door mij zeer gewaardeerde en hooggeachte broeder tot zulke uitspraken kan komen, roept vragen op. Niet wat betreft zijn liefde voor de Heer. Echter, de Bijbel leert ons dat er maar één ware God is, namelijk de Vader van onze Heer Jezus Christus, Die op Golgotha de scheidsmuur tussen Joden en heidenen omver haalde [Efeziërs 2 vers 14-16]. Buiten Christus om is er geen God, ook niet voor de Joden. De Joodse religie loochent en verwerpt nog onveranderd onze Heiland als de Christus, de Zoon van God. Deze Jezus laat ons nog steeds weten: Wie Mij verwerpt, verwerpt Hem die Mij gezonden heeft en wie de Zoon niet eert, eert ook de Vader niet. Een hedendaagse rabbijn vol van God, is in tegenspraak met Jezus’ woorden en onderdeel van een misleidende leer …” Wel, dit is de kwestie die ik vanavond met u wil bespreken. Henk Binnendijk beschrijft in zijn reisverslag een rabbijn als een man ‘vol van God’. Een andere broeder schrijft een ingezonden brief met een scherpe conclusie. Die rabbijn van Henk Binnendijk kán helemaal geen man ‘vol van God’ zijn, want, zo zegt hij en ik citeer, dit “is in tegenspraak met Jezus’ woorden en onderdeel van een misleidende leer”. Dit is dan het onderwerp van vanavond. Kan een orthodoxe Jood, die zich met heel zijn wezen aan God en zijn Woord vastklampt, maar de Heer Jezus niet als zijn Messias erkent, wel een man ‘vol van God’ zijn? Misschien hebt u ze wel eens gezien. Of van ze gehoord. Van de chassidim, de orthodoxe Joden. De mannen in hun zwarte pakken. En hun pijpenkrullen. Deze mannen leven heel inténs met God. Zij hebben het Woord van God hartstóchtelijk lief. De chassidim zijn altijd met de Schriften bezig. Dat is hun léven. Zij zijn reuzen als het gaat om bijbelkennis. 174

Daar zijn wij helemaal niks bij. En als een broeder dan zegt: ‘Luister eens hier, die Joden verwerpen Christus, en wie Jezus verwerpt, verwerpt God, zulke mensen kunnen niet vol van God zijn’, dan snerpt dat door mijn ziel. Zo’n opmerking doet mij pijn. Heel veel pijn. Daar kan ik dan dágen mee rond lopen. Misschien vindt u mijn reactie een beetje overdreven. Maar ik ken een broeder, die met deze kwestie ook grote moeite heeft. Hij zegt het zo: ‘Ik heb er een gróte smart over en een voortdúrend hartzeer.’ Ik heb het over onze broeder, de afgevaardigde Paulus. In de brief aan de Romeinen schrijft hij uitvoerig over deze kwestie. Hij wijdt er drie hoofdstukken aan. De hoofdstukken 9 t/m 11. Een tijdje terug heb ik hier gesproken over de Bereeërs. Misschien weet u dat nog. Ik sprak toen over de mannen, die dagelijks de Schriften nagaan of de dingen, die in onze kerken gezegd worden, wel zo zijn. Ik vroeg toen: ‘Waar zijn die mannen, die dat doen? Zijn die er eigenlijk wel?’ En ik heb toen zelf maar het antwoord gegeven. Ik heb toen gezegd dat er in onze kerken maar een enkeling is, die zich ècht met de Schriften bezig houdt. Ik heb toen ook mijn verontrusting daarover uitgesproken. Misschien hebt u toen – tijdens mijn toespraak – wel gedacht: ‘Hij overdrijft.’ Zó erg is het niet … Dacht u dat? Weet u wat Juan Carlos Ortiz, een bekende Pinksterbroeder, daarover zegt? Hij zegt: ‘Onze kerken zijn eigenlijk één grote babycrèche.’ Alleen maar melkdrinkers. Je moet ze nog de fles geven ook. 175

En luiers verschonen, natuurlijk … Voor echte Schriftkennis moet je in onze christelijke kerken niet wezen. De werkelijke reuzen in de kennis van het Woord vind je bij de chassidim, de orthodoxe Joden. Al eeuwen lang wordt deze kennis van vader op zoon doorgegeven. De volwassen mannen hebben meestal eenvoudige maatschappelijke functies. Schoenmaker, uitbener in een slachterij, dat soort ambachtelijk werk. Dan kunnen ze tijdens hun werkzaamheden de Schriften overdenken, begrijpt u? Als je de chassidim op straat tegenkomt, lopen ze altijd op een holletje. Om de verloren tijd in te halen, die ze niet aan de Schriften kunnen besteden. Een maatschappelijke carrière is voor hen volstrekt niet relevant. Geld of goederen ook niet. Alleen het Woord van God is voor hen belangrijk. Geweldig! De chassidim overdenken het Woord als ze opstaan. En als ze naar bed gaan. Als ze onderweg zijn. En als ze op hun werk zijn. En in hun vrije tijd. Ze denken er altijd aan. Deze mannen zijn doordrenkt met het Woord van God. Zij overpeinzen Gods wet bij dag en bij nacht. Nou, zegt u, dat is mooi … Mooi? Denkt u soms dat die voortdurende Schriftstudie van die mannen een hobby van hen is? Een beetje uit de hand gelopen hobby? Die voortdurende Schriftstudie is een opdracht van God, hoor! 176

Met een belofte. “Welzalig de man die niet wandelt in de raad der goddelozen, die niet staat op de weg der zondaars, noch zit in de kring der spotters; maar aan des HEREN wet zijn welgevallen heeft, en diens wet overpeinst bij dag en bij nacht. Want hij is als een boom, geplant aan waterstromen, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, welks loof niet verwelkt; – al wat hij onderneemt, gelukt.” Ja, Psalm 1. Het overpeinzen van Gods Woord bij dag en bij nacht. In onze kerken spréken wij er over. En in onze samenkomsten zíngen wij er van. Maar de chassidim dóen het. En dan komt Henk Binnendijk in Israël. Onze broeder Henk is niet zomaar iemand. Hij heeft in zijn leven heel wat bijbelstudie gedaan. Onze broeder weet ook het een en ander over de verborgen omgang met God. En dan ontmoet hij zo’n chassied. Een rabbijn. En onze broeder voelt de liefde van die rabbijn voor God en zijn Woord. Henk is daar zo door getroffen dat hij over die rabbijn in zijn verslag schrijft: “Een man, vol van God.” Een andere broeder leest dat en schrijft een brief. Waarin hij zegt, dat die rabbijn Christus verwerpt. En wie Jezus verwerpt, verwerpt God, die Hem gezonden heeft. Die rabbijn kan dus niet vol van God zijn … En dan beginnen bij mij alle alarmbellen te rinkelen. O, ja? Ja, omdat als die broeder van die ingezonden brief gelijk heeft, Psalm 1 dus niet meer geldt. En heel veel andere Schriftgedeelten ook niet. 177

Gods Woord is achterhaald. De beloften gelden niet meer. De zegeningen ook niet. God waakt niet meer over zijn Woord om dat te doen. Gods Woord is vervallen. En dat is precies wat broeder Paulus aan het begin van hoofdstuk 9 van de Romeinen-brief ook dwars zit. Meteen nadat hij gezegd heeft hoeveel pijn en hartzeer hij over de Israëlieten heeft, roept hij uit in vers 6: “Maar het is niet mogelijk, dat het woord Gods zou vervallen zijn.” Nee, gelukkig niet. Maar de afgevaardigde Paulus heeft wel drie hoofdstukken nodig om dát uit te leggen. Zo simpel is het dus niet. Wat u straks zal opvallen, als we die hoofdstukken lezen, is dat Paulus steeds weer nieuwe vragen stelt. Dat is niet omdat dit literair verantwoord is. Retorische vragen. Een elegante formulering. Zoals sommige uitleggers ons willen wijsmaken. Nee, dat is omdat elk antwoord weer nieuwe vragen oproept. Het is dus nodig, dat ik al die drie hoofdstukken met u lees. Anders begrijpt u de logica van Paulus’ betoog niet. Ik ga dus drie hoofdstukken aan u voorlezen. Oef … Dat zijn we niet gewend. Ik bedoel, zo’n lang stuk. Drie hoofdstukken. Tjonge, jonge … Dat valt niet mee. De zwakheid van ons vlees wordt wel heel erg op de proef gesteld. Toch? Ik wil het daarom voor u èn voor mij wat makkelijker maken. Ik ga u voorlezen uit een eigen vertaling. 178

Ik heb de NBG-vertaling wat aangescherpt. Op plaatsen waarvan ik vind, dat de grondtekst ons meer inzicht geeft. Ik hoop dat op die manier die drie hoofdstukken heel boeiend voor u zullen zijn. Maar vooral dat u het Woord van God héél duidelijk hoort. Want daar gaat het om. Als u tijdens het voorlezen het even niet kunt volgen, haak dan niet af. Haal even diep adem. En blijf meevaren. Oké. Daar gaan we dan. We lezen Romeinen 9:1 tot en met Romeinen 11:36. 9 1 Ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet, want mijn geweten betuigt mij dit mede door de heilige geest, 2 dat ik een grote smart heb en een voortdurend hartzeer. 3 Want ik wenste zelf van Christus verbannen te zijn ten behoeve van mijn broeders, mijn verwanten naar het vlees, de Israëlieten. 4 Van hén is de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften. 5 Van hén zijn de vaderen en uit hen is, wat het vlees betreft, de Christus, die boven alles is. God zij geprezen tot in de aeonen! Amen. 6 Nou is het niet zo, dat het woord van God vervallen is. Want niet allen, die uit Israël zijn, zijn Israël. 7 Ook het zaad van Abraham zijn niet allen kinderen. Maar: “Jouw zaad zal in Isaäk geroepen worden.” 8 Dat wil zeggen: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen van God, maar de kinderen van de belofte rekent Hij tot zaad. 9 Want het woord van de belofte is dit: “Om deze tijd zal Ik komen en Sara zal een zoon hebben.” 10 Maar dit niet alleen – daar is ook Rebekka, die haar bed deelt met één man, onze vader Isaäk. 179

11 Want toen de kinderen nog niet geboren waren en goed noch kwaad hadden gedaan (opdat het voornemen van God naar verkiezing zou blijven, niet op grond van werken, maar op grond daarvan dat Hij roept), 12 werd tot haar gezegd: “De meerdere zal de mindere dienstbaar zijn.” 13 zoals er geschreven is: “Jakob heb Ik lief, maar Esau haat Ik.” 14 Wat zullen wij dan zeggen? Is er onrechtvaardigheid bij God? Volstrekt niet! 15 Want hij zegt tot Mozes: “Ik zal Mij ontfermen over wie Ik Mij ontferm, en Ik zal barmhartig zijn jegens wie Ik barmhartig ben.” 16 Het hangt er dus niet van af of iemand wil, of dat iemand rent, maar of God zich ontfermt. 17 Want het Schriftwoord zegt tot Farao: “Hiertoe doe Ik jou opstaan, opdat Ik in jou mijn macht toon en mijn naam over de hele aarde verbreid wordt.” 18 Hij ontfermt zich dus over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil. 19 Je zult dan tot mij zeggen: Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Want wie weerstaat zijn raadsbesluit? 20 O mens! wie ben jij dan, dat je God tegenspreekt? Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen: Waarom maak je mij zo? 21 Of heeft de pottebakker niet de vrije beschikking over het leem om uit dezelfde klomp enerzijds een eervol en anderzijds een oneervol voorwerp te maken? 22 Als God nu zijn toorn wil tonen en zijn kracht bekend wil maken, door met veel geduld de voorwerpen van de toorn te verdragen, die tot verderf toebereid zijn; 23 juist om de rijkdom van zijn heerlijkheid bekend te maken over de voorwerpen van ontferming, die Hij tot zijn heerlijkheid voorbereidt? 24 En dat zijn wij, die Hij ook roept, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de niet-Joden, 25 zoals Hij ook in Hosea zegt: “Ik zal het ‘niet-mijn-volk’ noemen ‘mijn-volk’, en de ‘niet-geliefde’ ‘geliefde’”. 180

26 “En het zal zijn in de plaats, waar tot hen gezegd werd: jullie zijn ‘niet-mijn-volk’, daar zullen zij ‘zonen van de levende God’ genoemd worden.” 27 En Jesaja roept over Israël uit: “Al zou het getal van de zonen van Israël als het zand van de zee zijn, het overblijfsel zal gered worden.” 28 “Want de Heer zal afsluitend en afdoende rekenschap vragen op de aarde.” 29 Zoals ook Jesaja tevoren heeft verklaard: “Als de Heer Zebaoth ons geen zaad overgelaten had, dan waren wij als Sodom geworden en waren we aan Gomorra gelijk gemaakt.” 30 Wat zullen wij dan zeggen? Dit: niet-Joden, die geen gerechtigheid najagen, haalden de gerechtigheid in, een gerechtigheid, echter, die uit geloof is. 31 Israël, echter, die een wet van gerechtigheid najaagt, laat de wet niet achter zich. 32 Waarom? Omdat het niet uit geloof is, maar als uit werken. Zij stoten zich aan de steen des aanstoots, 33 zoals er geschreven is: “Zie, ik leg in Sion een steen des aanstoots en een rots van ergernis, en wie op hem vertrouwt, zal niet beschaamd uitkomen.” 10 1 Inderdaad, broeders, de begeerte van mijn hart en mijn verzoek om hun redding gaan tot God uit. 2 Want ik getuig van hen, dat zij ijver voor God hebben, maar zonder inzicht. 3 Want onbekend met Gods gerechtigheid en proberend hun eigen gerechtigheid te doen gelden, hebben zij zich niet aan de gerechtigheid van God onderworpen. 4 Want Christus is het éinde van de wet, tot gerechtigheid voor een ieder, die gelooft. 5 Want Mozes schrijft over de gerechtigheid op grond van de wet: “De mens, die deze dingen doet, zal daarin leven.” 6 Maar de gerechtigheid op grond van het geloof spreekt zó: “Zeg niet in je hart: Wie zal tot in de hemel opklimmen?” dat wil zeggen: om Christus naar beneden te leiden. 7 of: “Wie zal in de afgrond afdalen?” dat wil zeggen: om Christus vanuit de doden naar boven te leiden. 181

8 Maar wat zegt zij? “Het woord is dichtbij je, in je mond en in je hart,” dat wil zeggen: het woord van het geloof, dat wij verkondigen. 9 Want als je met je mond belijdt: “Jezus is Heer”, en in je hart gelooft dat God hem vanuit doden opwekt, zul je gered worden. 10 Want met het hart gelooft men tot gerechtigheid. Maar met de mond belijdt men tot redding. 11 Want het Schriftwoord zegt: “Ieder die op hem vertrouwt, zal niet beschaamd uitkomen.” 12 Want er is geen onderscheid tussen Jood en Griek, omdat één en dezelfde Heer is van allen, rijk voor allen, die hem aanroepen. 13 want: “Ieder die de naam van de Heer aanroept, zal gered worden.” 14 Hoe zullen zij hem dan aanroepen, in wie zij niet geloven? En, hoe zullen zij in hem geloven, van wie zij niet horen? En hoe zullen zij horen zonder verkondiger? 15 En hoe zullen zij verkondigen zonder afgevaardigd te zijn? Zoals er geschreven is: “Hoe liefelijk zijn de voeten van hen, die een goede boodschap brengen.” 16 Maar niet allen geven aan het evangelie gehoor. Want Jesaja zegt: “Heer, wie gelooft wat hij van ons hoort?” 17 Het geloof komt dus vanuit het horen, en het horen door het woord van Christus. 18 Maar ik zeg: Horen zij het dan niet? Zeker wel! Hun geluid is over de hele aarde uitgegaan en hun woorden tot de einden van de wereld. 19 Maar ik zeg: Wist Israël het dan niet? Als eerste zegt Mozes: “Ik zal jullie jaloers maken op wat geen volk is. Ik zal jullie kwellen met een volk zonder verstand.” 20 En Jesaja waagt het te zeggen: “Ik werd gevonden door hen, die Mij niet zoeken, Ik werd openbaar aan hen, die naar Mij niet vragen.” 21 Maar tot Israël zegt hij: “De hele dag strek Ik mijn handen uit naar een ongehoorzaam en tegensprekend volk.” 11 1 Ik zeg dan: Verstoot God zijn volk dan? Volstrekt niet! Want ik ben zelf een Israëliet, uit het zaad van Abraham, van de stam Benjamin. 182

2 God verstoot zijn volk niet, dat Hij tevoren kende. Of weten jullie niet wat het Schriftwoord zegt in Elia, wanneer hij Israël bij God aanklaagt: 3 “Heer! Ze doden Uw profeten, ze halen Uw altaren omver; en alleen ik ben overgebleven en ze zoeken mijn ziel.” 4 Maar wat zegt de godsspraak tot hem? “Ik heb voor mijzelf zevenduizend man overgehouden, die hun knie voor de Baäl niet buigen.” 5 Zo is er dan ook in de tegenwoordige tijd een overblijfsel, naar de verkiezing van de genade. 6 Nou, als het in genade is, dan is het niet meer uit werken, anders is de genade geen genade meer. 7 Wat dan? Wat Israël najaagt, heeft het niet ontmoet, maar het uitverkoren deel heeft het ontmoet. De overigen, echter, werden verhard, 8 zoals er geschreven is: “God geeft hun een geest van diepe slaap, ogen om niet te zien en oren om niet te horen”, tot op de dag van vandaag. 9 En David zegt: “Laat hun tafel tot een strik worden en tot een net, en tot een aanstoot en tot een vergelding voor hen.” 10 “Laten hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien, en krom voortdurend hun rug.” 11 Ik zeg dan: struikelen zij dan, om te vallen? Volstrekt niet! Maar in hun overtreding is de redding voor de niet-Joden, om hen jaloers te maken. 12 Nou, als hun overtreding rijkdom voor de wereld is en hun tekort rijkdom voor de niet-Joden, hoeveel te meer hun volheid! 13 Ik spreek tegen júllie, tegen de niet-Joden, juist omdat ik, inderdaad, een afgevaardigde van de niet-Joden ben: ik verheerlijk mijn dienstverlening, 14 om zo mogelijk de jaloersheid van mijn vlees [en bloed] op te wekken, en enigen uit hen te redden. 15 want, als hun verwerping de verzoening van de wereld is, wat zal hun aanneming anders zijn dan leven uit de doden? 16 Is de eersteling heilig, dan ook het deeg, en is de wortel heilig, dan ook de takken. 17 Als enkele van de takken weggebroken worden en jij, als de wilde olijf, tussen hen geënt wordt en jij deel kreeg aan de saprijke wortel van de olijf, 183

18 beroem je dan niet tegen de takken! Als jij je beroemt – jij draagt de wortel niet, maar de wortel jóu. 19 Je zult dan zeggen: er worden takken weggebroken, opdat ik geënt zou worden. 20 Oké! Zij worden in hun ongeloof weggebroken en jij staat in het geloof. Wees niet hoogmoedig, maar vrees! 21 Want als God de natuurlijke takken niet spaart, zal Hij jou ook niet sparen. 22 Let dan op de vriendelijkheid van God en zijn strengheid: over hen die vallen: strengheid, maar over jou: vriendelijkheid van God, als je tenminste in de vriendelijkheid blijft, anders zal jij ook weggekapt worden. 23 Want wanneer zij niet in hun ongeloof blijven, zullen ook zij weer geënt worden; want God is bij machte hen opnieuw te enten. 24 Want als jij uit de wilde olijf, waartoe jij naar jouw natuur behoort, weggekapt en tegen jouw natuur op de edele olijf geënt wordt, hoeveel te meer zullen dezen, naar hun natuur, op hun eigen olijf geënt worden. 25 Want, broeders, ik wil dat jullie dit geheim weten, opdat jullie niet eigenwijs zouden zijn, dat er een gedeeltelijke verharding over Israël is gekomen, totdat de volheid van de nietJoden binnen zal gaan, 26 en zó heel Israël gered zal worden, zoals er geschreven is: “De Verlosser zal vanuit Sion aankomen. Hij zal de oneerbiedigheid van Jakob afwenden.” 27 “En dit is mijn verbond met hen, wanneer Ik hun zonden wegneem.” 28 Zij zijn – inderdaad – wat betreft het evangelie, vijanden, vanwege jullie, echter, wat de verkiezing betreft, zijn zij geliefden, vanwege de vaderen. 29 Want de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk. 30 Want evenals jullie eens ongehoorzaam aan God waren, maar nu door hun ongehoorzaamheid ontferming hebben gevonden, 31 zo zijn ook dezen nu ongehoorzaam in de aan júllie betoonde ontferming, opdat ook zij ontferming mogen vinden. 32 want God sluit állen tezamen op tot ongehoorzaamheid, om zich over állen te ontfermen. 184

33 O! de diepte van de rijkdom en van de wijsheid en van de kennis van God. Hoe ondoorgrondelijk zijn zijn oordelen en hoe onnaspeurlijk zijn zijn wegen! 34 Want: wie kende het denken van de Heer? Of wie werd zijn raadsman? 35 Of wie geeft hem het eerst, waarvoor hij terugbetaald moet worden? 36 want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn álle dingen. Hem zij de heerlijkheid tot in de aeonen! Amen. Ik zou wel dágen over deze hoofdstukken kunnen spreken. Maar voor vanavond is het belangrijk dat we de grote lijn volgen. Hoe kunnen we dan het betoog van onze broeder Paulus eenvoudig samenvatten? A.] 9:1-5 Paulus’ smart over Israëls falen B.] 9:6-13 Gods voornemen gericht op een uitverkiezing (Israël) C.] 9:14-29 Gods voornemen gericht op een overblijfsel (van Israël) D-1.] 9:30-33 Israëls falen ondanks de Profeten D-2.] 10:1-13 Israëls falen onder de Wet D-3.] 10:14-21 Israëls falen in het Evangelie C.] 11:1-10 Gods voornemen gericht op het overblijfsel gerealiseerd B.] 11:11-32 Gods voornemen omvat allen A.] 11:33-36 Paulus’ vreugde over Gods handelen Waar zitten we nu, in de 21e eeuw? Israël heeft gefaald. We treffen het verslag van dat falen aan in de Evangeliën en in het boek Handelingen. Dat is geschiedenis. Gods voornemen gericht op het overblijfsel van Israël is ook gerealiseerd. 185

Je leest dat in Handelingen 21:20, waar de oudsten te Jeruzalem tegen Paulus zeggen: “Gij ziet, broeder, hoevele duizenden er onder de Joden gelovig zijn geworden …” In de grondtekst staat: ‘muriades’. Dat betekent: ‘tienduizenden’. Hoeveel tienduizenden onder de Joden gelovig zijn geworden. Je vindt dat ook terug in de brieven aan de besnijdenis. In de brieven van Jakobus, Petrus en Johannes en Judas. En in de brief aan de Hebreeën. Waar die gelovigen uit de Joden, het overblijfsel uit Israël, worden aangesproken. Waar zitten we nu dan? In het gedeelte B: ‘Gods voornemen omvat allen’. We kunnen dit gedeelte als volgt analyseren. B.] 11:11-32 Gods voornemen omvat allen 11-16 Israëls overtreding (de verzoening van de wereld) b. 17-24 De wilde olijf geënt 25-32 De gedeeltelijke verharding van Israël opgeheven (de redding van allen) De overtreding van Israël is de verzoening van de wereld. Vervolgens werden wij als wilde olijf geënt. Maar de gedeeltelijke verharding van Israël is nog niet opgeheven. De volheid van de niet-Joden (de natiën) is nog niet binnengegaan. Dat moment ligt in de toekomst. Laten we het geheel nu even samenvatten. De situatie waarin we ons vandaag de dag bevinden is als volgt: na bijna 2000 jaar ligt de gedeeltelijke verharding nog steeds over Israël. Israël steunt nog steeds op de wet en niet op Christus. 186

De rabbijn van Henk Binnendijk wordt daarom niet gerechtvaardigd. Want in Romeinen 3:20; 3:28 en Galaten 2:16 zegt het Schriftwoord: “… daarom, dat uit werken der wet geen vlees voor Hem gerechtvaardigd zal worden …” Onze eerste, voorlopige, conclusie is dus: ‘deze orthodoxe rabbijn wordt niet behouden’. Ook al wordt hij door broeder Henk Binnendijk een man ‘vol van God’ genoemd. Kan dat dan? Laten we eens kijken naar een andere man, die ‘vol van God’ was. Ik ga met u naar Deuteronomium 34. Ik lees eerst het naschrift. De verzen 10 tot 12. “Zoals Mozes, dien de HERE gekend heeft van aangezicht tot aangezicht, is er in Israël geen profeet meer opgestaan – getuige al de tekenen en wonderen, die de HERE hem heeft opgedragen te doen in het land Egypte aan Farao, aan al zijn hovelingen en aan zijn gehele land, en getuige al het machtsbetoon en al de schrikwekkende, grote daden, die Mozes ten aanschouwen van geheel Israël gewrocht heeft.” Nu lezen we de eerste verzen van dit hoofdstuk. “Toen beklom Mozes uit de velden van Moab de berg Nebo, de top van de Pisga, die tegenover Jericho ligt, en de HERE liet hem het gehele land zien: Gilead tot Dan toe, het gehele Naftali, het land van Efraïm en Manasse, het gehele land van Juda tot aan de achterste zee, het Zuiderland en de Streek, het dal van Jericho, de Palmstad, tot Soar toe. En de HERE zeide tot hem: Dit is het land, dat Ik Abraham, Isaak en Jakob onder ede beloofd heb met deze woorden: aan uw nageslacht zal Ik het geven. Ik heb het u met uw ogen laten zien, maar gij zult daarheen niet overtrekken. Toen stierf Mozes, de knecht des HEREN, aldaar in het land Moab, volgens des HEREN woord.” 187

Mozes wordt in Psalm 90 een “man van God” genoemd. Maar Mozes gaat niet het beloofde land binnen. Laat dit even tot u doordringen … Mozes, een man ‘vol van God’, die onvoorstelbare dingen voor God gedaan heeft, trekt niet het beloofde land binnen. Maar de meest eenvoudige Israëliet, diens kleine kinderen en de vreemdelingen, zij gaan wel het beloofde land binnen. Wat hebben die eenvoudige Israëliet, die kleine kinderen of die vreemdelingen voor God gedaan? Vermoedelijk niets. In ieder geval niet iets wat ook maar in de verste verte vergelijkbaar zou zijn met wat Mozes voor God gedaan heeft. Maar toch gaat Mozes het beloofde land niet binnen. Al is hij een “man van God”. Romeinen 9:14-16. “Wat zullen wij dan zeggen? Er is toch geen onrechtvaardigheid bij God? Moge het toch niet worden! [NBG: Volstrekt niet!] Want Hij zegt tot Mozes: ‘Ik zal Mij ontfermen, over wie Ik Mij ook maar zal ontfermen, en Ik zal medelijden hebben, met wie Ik ook maar medelijden zal hebben.’ Het hangt er dus niet vanaf of iemand wil, of dat iemand rent, maar van God, die zich ontfermt.” Mozes begreep dat. En hij accepteerde dat. Hij stierf op de berg Nebo. Zonder het beloofde verkregen te hebben. Laten we teruggaan naar onze rabbijn. Daar staat hij – bij de Klaagmuur in Jeruzalem. Met zijn lange zwarte pandjesjas, zijn zwarte broek, zijn lompe, zwarte schoenen en zijn zwarte hoed. Met zijn lange baard, waarmee hij de scheppingsorde van God voor de man erkent. En een bril op, met sterke glazen, vanwege het lezen van al die kleine lettertjes van de Schriften. Hij heeft de Tenach, de Hebreeuwse Bijbel, in zijn handen. 188

Als een offerande aan God. En hij heeft het Woord van God in zijn mond en in zijn hart. Om hem heen roepen zijn broeders de Eeuwige aan. Zij leggen de Eeuwige zijn eigen woorden voor. Zij herinneren de Eeuwige eerbiedig aan zijn beloften. De rabbijn buigt ritmisch met kleine bewegingen naar voren. Hij staat onder een sterke emotie. Hij roept hardop tot de Eeuwige, met de woorden van Psalm 42: ‘Waarom ga ik in het zwart vanwege de onderdrukking van de vijand? Mijn tegenstanders honen mij. Zij zeggen de hele dag tegen mij: “Waar is jouw God?”’ De rabbijn huilt nu openlijk. De tranen lopen over zijn wangen. En hij roept: ‘O, HaShem, waarom vergéét U mij?’ En ik – ik krijg kippenvel als ik hem zó tot God hoor roepen. Mijn hart begint te bonzen. En ik voel mijn tranen. Want ik weet waarom HaShem hem vergeet. God vergeet deze rabbijn omdat Hij hem onder ongehoorzaamheid besloten heeft. Waarom doet God dat? Omdat God zich dan over míj kan ontfermen. Deze rabbijn is vol van God. Maar de hemel antwoordt niet. Waarom niet? Ik weet de reden. En ik kan het haast niet geloven. De reden is dat de verwérping van deze rabbijn míjn rijkdom is. Ik vraag u: hoe is het mogelijk dat ik – iemand uit de niet-Joden, uit de natiën, met de woorden van Romeinen 8:38-39 kan zeggen: “Want ik ben ervan overtuigd, dat noch dood, noch leven, noch boodschappers, noch overheden, noch de nu bestaande dingen, noch de op het punt staande dingen, noch machten, noch verhevenheid, noch diepte, noch enige andere schepping, ons zal 189

kunnen scheiden van de liefde van God, welke is in Christus Jezus, onze Heer.” Hoe kan ik dat zeggen? Dat kan ik zeggen omdat God zich aan mij geopenbaard heeft. Waarom deed Hij dat? Had ik naar Hem gevraagd? Ab-so-luut niet. Ik heb helemaal niet naar Hem gevraagd. Want het Schriftwoord zegt in Romeinen 10: ‘Jesaja waagt het te zeggen: “Ik ben openbaar geworden aan wie naar Mij niet vroegen.”’ Ik vroeg niet naar God. Maar toch maakte Hij zich aan mij openbaar. Hoe kan dat nou? Dat noem je nou: ‘genade’. Sommige mensen denken dat je God moet zoeken. Je kan het proberen, natuurlijk. Maar ik heb God helemaal niet gezocht. Is dat zo? Ja, dat is echt zo. Ik heb Hem absoluut niet gezocht. Integendeel, ik ben voor Hem weggelopen. Maar hoe heb ik Hem dan gevonden? Het Schriftwoord zegt: “Ik werd gevonden door hen, die Mij niet zoeken.” Het komt regelmatig voor dat ik God niet zoek. Ik heb het vaak veel te druk met mezelf. En dan vergeet ik Hem. Maar dan zegt Hij tegen mij: ‘Ik ben er ook nog, weet je wel?’ En dan zeg ik beschaamd: ‘Ja, Heer, het spijt me.’ Ik zoek Hem niet. Hij laat zich vinden. Hij zegt: ‘Hier ben Ik.’ Dank U, Heer! Dat is nou genade. 190

Zeg nooit: ‘Ik heb voor Jezus gekozen.’ Dat is gewoon niet waar. U hebt helemaal niet voor Hem gekozen. U zocht Hem niet eens. Want als u Hem gezocht had, dan had u Hem niet gevonden. Want Hij wordt alleen gevonden door wie Hem niet zoeken. Zodat het genáde is. Kijk, áls u Hem gezocht had, dan is uw gerechtigheid uit werken. Heer, ik heb U toch gezocht? Ik heb toch voor U gekozen? Schei toch uit. Weet u wat de Schrift zegt? God kende u tevoren. Daarom bestemt Hij u tevoren tot gelijkvormigheid aan het beeld van zijn Zoon. En daarom roept Hij u. En daarom rechtvaardigt Hij u. En daarom verheerlijkt Hij u. Zo zit het. En niet anders. Waar blijft het roemen dan? Het is uitgesloten. Onverdiende zaligheid geniet ik van mijn God … Ik vraag het nog eens: waarom wordt onze rabbijn, wiens leven volledig gewijd is aan het woord van God, niet behouden? Het antwoord is: omdat God het brood van de kinderen aan de hónden geeft. Pardon? Ach ja, de Schrift zegt het iets aardiger, of misschien wel neerbuigender: God geeft het brood van de kinderen aan de ‘kunariōn’, aan de ‘hondjes’. Het woord ‘hondjes’ wordt door onze Heer Jezus gebruikt voor de niet-Joden. Voor ons, de natiën, dus. Het is maar dat u het weet. En dan moet u niet denken aan onze weldoorvoede huisdieren, die vertroeteld worden. 191

Nee, de hond in het Midden-Oosten is een mager, schurftig scharminkel, die zijn kostje bij elkaar scharrelt uit het afval, dat op straat ligt. Het is een beest die je af en toe een flinke trap moet geven. In het Midden-Oosten is er geen erger scheldwoord dan: ‘hond’. Een hond is een verachtelijk wezen. De Heer Jezus zegt: ‘Het is niet goed om het brood van de kinderen aan de hondjes te geven.’ Nee, natuurlijk niet. Het is ónnatuurlijk. Het brood van de kinderen aan de hondjes geven. Dat moet je niet doen. Dat is ab-so-luut ónnatuurlijk … Dat zegt de afgevaardigde Paulus ook. Hij zegt: ‘Jij bent uit de wilde olijf, waartoe jij naar jouw natuur behoort, weggekapt en tégen jouw natuur op de edele olijf geënt.’ Het is niet alleen on-natuurlijk. Het is tégennatuurlijk. Abnormaal dus. Soms ga ik wel eens naar de troonzaal van God. Ik sta dan een beetje achteraf verlegen te schuifelen. En dan komt de Heer naar mij toe. En dan zegt Hij: ‘Wat sta je daar toch achteraan. Kom mee naar voren.’ En dan neemt Hij mij mee, dwars door de troonzaal, naar een plaats – dicht bij Hem. De plaats van een zoon. En dan stamel ik: ‘Maar, Heer, dat is toch de plaats van een Israëliet. Van hén is toch de aanneming tot zonen?’ En dan glimlacht de Heer. Hij zegt: ‘Dat was vroeger, zoon. Vroeger stond je veraf. Maar door het bloed van Christus ben je dichtbij gekomen.’ En dan applaudisseren de hemelingen. Niet voor mij, hoor. Maar voor mijn gewéldige God. 192

Die rijk is aan erbarming. Want ik was dood door mijn overtredingen. Maar God heeft – in zijn grote liefde – mij levendgemaakt met Christus. En Hij geeft mij – in Christus – een plaats in de hemelse gewesten. Heel dicht bij Zijn hart. Dát is on-be-grij-pe-lijke genade. Wij zijn er zo aan gewend dat wij bij God een voorkeursbehandeling krijgen, dat we ons niet meer realiseren hoe uitzónderlijk die genade is. Wij vinden die genade heel gewoon. En omdat we dat heel gewoon vinden, worden we eigenwijs. We denken dat wij alleen de waarheid hebben. We gaan ons beroemen tegen de takken. We zeggen: ‘Die Joden verwerpen Christus. Zij kunnen niet vol van God zijn.’ Weet u wat Paulus zegt? Wees toch niet hoogmoedig, maar blijf bij de vriendelijkheid … Ik wil het graag nog één keer herhalen. Onze rabbijn dient God met zijn hele hart. Hij is – om het met de woorden van Henk Binnendijk te zeggen – ‘vol van God’. Maar God heeft hem onder ongehoorzaamheid besloten. Hij kán niet tot geloof in Christus komen. Want God heeft hem ogen gegeven om niet te zien. En oren om niet te horen. Hoe hard deze rabbijn ook tot God roept, hij zal niet gerechtvaardigd worden. Waarom niet? Opdat wij ontferming zouden vinden. Daarom krijg ik kippenvel, als ik de chassidim bij de Klaagmuur zie staan. Hún tekort is ónze rijkdom. De ogen van Israël zijn verduisterd, zodat zij niet zien. Dat is gebeurd, opdat hún verwerping ónze verzoening zou zijn. 193

Aan het eind van het boek Handelingen gaat de deur voor Israël dicht. Kort daarna, in het jaar 70, werd de tempel in Jeruzalem verwoest. Ik neem aan dat u van dat onderwerp op de hoogte bent. Misschien ook wel van Hosea 6:1-2. “… Hij heeft geslagen, en zal ons verbinden. Hij zal ons na twee dagen doen herleven …” Dat doet ons denken aan de tweede brief van Petrus. “Doch dit ene mag u niet ontgaan, geliefden, dat één dag bij de Here is als duizend jaar en duizend jaar als één dag.” Israël wordt nu al twee dagen door God geslagen. Om het maar even simpel te zeggen: na de verwoesting van de tempel in het jaar 70 wordt Israël nu al bijna tweeduizend jaar door God geslagen. Daar gebruikt God natuurlijk mensen voor. En nu wil ik verschrikkelijk graag dat u het volgende begrijpt. Israël daalde in die tweeduizend jaar af van Jeruzalem naar Jericho. En viel in de handen van rovers. Na de pauze laat ik u zien, wie die rovers zijn. Die rovers schudden hem niet alleen uit. Maar gaven hem ook slagen en lieten hem halfdood liggen. Nu komen wij voorbij en wij zien de rabbijn liggen. Paulus heeft ons verteld dat hij daar ligt vanwege ons. Die rabbijn is een vijand van het evangelie. God sluit hem op onder ongehoorzaamheid, opdat wij ontferming zouden vinden. O, nu krijgen wij een groot mededogen met de man die daar ligt … Hij wordt toch maar geslagen vanwege ons. Ons hele hart gaat naar hem uit … Dacht u dat? Weet u wat wij doen? Wij gaan aan de overkant voorbij. 194

O, broeders, was dát maar waar. Gingen we maar aan de overkant aan hem voorbij. Nee, we gaan bij hem staan. We zeggen tegen hem: ‘Eigen schuld, dat je daar ligt … Moet je Christus ook maar aannemen.’ En dan geven we hem een trap na. We zeggen tegen hem: ‘Wie Jezus verwerpt, verwerpt God die Hem gezonden heeft. Jij kunt nooit “vol van God” zijn …’ Weet u, ik vind dit werkelijk hártverscheurend. Het is wel een geliefde van God, die daar ligt, hoor … God móest hem wel wegbreken. Anders kon hij óns niet enten. Waarom zijn we zo onbarmhartig tegen Gods geliefde? Waarom zijn we niet met ontferming over hem bewogen? Waarom verbinden wij zijn wonden niet met Psalm 130: ‘Broeder, hoop op HaShem, want bij HaShem is goedertierenheid, bij Hem is veel verlossing. Hijzelf zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden.’ Waarom gieten we niet verzachtende olie op de wonden met Psalm 129: ‘Broeder, wij zegenen jou in de naam van HaShem.’ Waarom geven we hem geen wijn met Psalm 143: ‘Broeder, HaShem zal het voor jou voleindigen.’ Laten we de rabbijn bij de Heer van de herberg brengen. En zeggen: ‘Verzorg hem alstublieft. En als u meer kosten moet maken, dan zal ik ze vergoeden.’ De kosten vergoeden? Hoe bedoel je? De laatste tijd lees ik in de EO-Visie weer veel oproepen tot gebed. Voor een opwekking in onze kerken. Ach, broeders, laten we toch ophouden met al dat navelstaren. Laten we tot God gaan. En tegen Hem zeggen: ‘Heer, verzorg Israël alstublieft. En als U meer kosten moet maken, laat ons dat dan vergoeden. Als U hem groter moet maken, maak ons dan kleiner ...’ 195

Pauze Voor de pauze heb ik gesproken over dat de afgevaardigde Paulus ons uit de Schriften laat zien dat God aan Israël een geest van diepe slaap heeft gegeven, ogen om niet te zien en oren om niet te horen. En dat door Israëls ongehoorzaamheid aan ons, de heidenen, de natiën, de goyim, de niet-Joden dus, ontferming is bewezen. En dan komt als vanzelf de vraag: ‘Wat is dan nog het voorrecht van de Jood, of het nut van de besnijdenis?’ De afgevaardigde Paulus zegt dan in Romeinen 3: “Velerlei in elk opzicht. In de eerste plaats [toch] dit, dat hun de woorden Gods zijn toevertrouwd.” Dit is een buitengewoon belangrijke uitspraak. Aan hen – de Joden – werden de woorden van God toevertrouwd. Wat betekent dat: toevertrouwen? Het Woordenboek der Nederlandse Taal verklaart: 1. aan iemand in vertrouwen iets in bewaring geven of opdragen; 2. iemand in vertrouwen iets mededelen. Je zou samenvattend kunnen zeggen: de woorden van God werden aan Israël in vertrouwen medegedeeld en in vertrouwen aan hen in bewaring gegeven. Dus niet alleen werden de woorden van God aan de Joden medegedeeld. Nee, ze moesten er ook goed op passen. De bijbel is een Joods boek. Veel mensen realiseren zich dat niet. Maar in Romeinen 3:2 staat het: ‘aan hén werden de woorden van God toevertrouwd.’ Bovendien moesten ze er goed op passen. Je kunt alleen goed op de woorden van God passen als je ze op een boekrol schrijft. En dat je daarna die verschillende boekrollen gaat bundelen. 196

Als het goed is, hebt u een bijbel bij u. Dat zijn de woorden van God. Dat wil zeggen: de vertaling van de woorden van God. Het gedeelte van de bijbel dat wij ‘het Oude Testament’ noemen, is oorspronkelijk in het oud-Hebreeuws en voor een klein gedeelte in het Rijks-Aramees geschreven. Nou, aan wie zijn die Hebreeuwse geschriften eigenlijk gericht? Het antwoord lijkt eenvoudig, maar daar zijn nogal wat misverstanden over. Voor de pauze hebben we in Romeinen 9 gelezen dat de wetgeving, de verbonden en de beloften het erfdeel van Israël zijn. Laten we daar eens even bij stilstaan. De wetgeving is dus van Israël. Alleen zij, die echt weten wat de wet is, begrijpen de consequenties daarvan. Luister maar naar wat de afgevaardigde Paulus in Galaten 3 zegt: “Want allen, die het van werken der wet verwachten, liggen onder de vloek; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die zich niet houdt aan alles, wat geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.” Even verderop zegt Paulus: “Zegt mij, gij, die onder de wet wilt staan, luistert gij niet naar de wet?” Laten we dat eens gaan doen. Luisteren naar de wet. Ik lees met u een gedeelte uit het boek van de wet. Deuteronomium 28:15-34. “Maar indien gij niet luistert naar de stem van de HERE, uw God, en niet al zijn geboden en inzettingen, die ik u heden opleg, naarstig onderhoudt, dan zullen de volgende vervloekingen alle over u komen en u treffen: Vervloekt zult gij zijn in de stad en vervloekt op het veld. Vervloekt zullen zijn uw mand en uw baktrog. Vervloekt zal zijn de vrucht van uw schoot, de vrucht van uw bodem, de worp van uw runderen en de dracht van uw kleinvee. Vervloekt zult gij zijn bij uw ingang en vervloekt bij uw uitgang. 197

De HERE zal over u de vloek, de verwarring en de bedreiging doen komen in alles wat gij onderneemt en wat gij doet, totdat gij verdelgd wordt en snel te gronde gaat vanwege de slechtheid uwer daden, omdat gij Mij verlaten hebt. De HERE zal de pest aan u doen kleven, totdat zij u heeft weggevaagd uit het land, dat gij in bezit gaat nemen. De HERE zal u slaan met tering, koorts, brand, ontstekingen, droogte, brandkoren en honigdauw: zij zullen u vervolgen, totdat gij te gronde gaat. Ook zal de hemel boven uw hoofd van koper zijn en de aarde onder u van ijzer. De HERE zal poeder en stof over uw land laten regenen; van de hemel zullen die op u neerdalen, totdat gij verdelgd zijt. De HERE zal u verslagen aan uw vijanden overleveren. Langs één enkele weg zult gij tegen hen optrekken, maar langs zeven wegen voor hen vluchten, zodat gij tot een schrikbeeld zult wezen voor alle koninkrijken der aarde. Uw lijken zullen tot voedsel dienen voor al het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde, zonder dat iemand die opschrikt. De HERE zal u slaan met Egyptische zweren, met builen, uitslag en schurft, waarvan gij niet kunt genezen. De HERE zal u slaan met waanzin, verblinding en verstandsverbijstering, zodat gij op de middag rondtast, als een blinde in de duisternis; gij zult op uw wegen niet voorspoedig zijn, maar bij voortduring slechts verdrukt en beroofd worden, zonder dat iemand u redt. Gij zult een vrouw ondertrouwen, maar een andere man zal haar beslapen. Gij zult een huis bouwen, maar het niet bewonen. Gij zult een wijngaard planten, maar de vrucht daarvan niet genieten. Uw rund zal voor uw ogen geslacht worden, maar gij zult daarvan niet eten. Uw ezel zal in uw bijzijn geroofd worden, en niet tot u terugkeren. Uw kleinvee zal aan uw vijanden worden gegeven, zonder dat iemand u te hulp komt. Uw zonen en dochters zullen aan een ander volk worden overgeleverd, terwijl gij het met eigen ogen ziet, en de gehele dag naar hen smacht, zonder iets te kunnen doen. Een volk, dat gij niet kent, zal de vrucht van uw bodem eten en alles waarvoor gij gezwoegd hebt; bij voortduring zult gij slechts verdrukt en vertrapt worden. Gij zult waanzinnig worden vanwege het schouwspel, dat uw ogen zullen zien.” 198

Deuteronomium 28:66-67. “Zonder ophouden zal uw leven in gevaar verkeren; des nachts en des daags zult gij opschrikken en van uw leven niet zeker zijn. Des morgens zult gij zeggen: Was het maar avond; en des avonds: Was het maar morgen – vanwege de vrees, die uw hart vervult …” En zo staan er nog een aantal vervloekingen in. Is er iemand in de zaal, die nog steeds graag de wet wil houden? Niet? Mooi. Dat hoeft ook niet. Want de wet is aan Israël gegeven. Van hén is de wetgeving. Dus niet van ons. Afblijven, dus. De wetgeving is van Israël, zegt de afgevaardigde Paulus, maar ook de belóften. Alle eeuwen door hebben de Joden in omstandigheden verkeerd, zoals we die net gelezen hebben. Onder de wet. Vervloekt. Verstrooid onder de volken. Met een bevend hart, ogen vol heimwee en een kwijnende ziel. En dan lezen de Joden in hun synagogen de beloften: ‘Troost, troost mijn volk … Spreekt tot het hart van Jeruzalem … Zo zegt de HERE, jouw Schepper, o Jakob, en jouw Formeerder, o Israël: Vrees niet, want Ik heb je verlost, Ik heb je bij de naam geroepen, je bent van Mij …’ Geweldig. Toch nog hoop … Nu kom ik wel eens bij broeders thuis. En dan hangt er zo´n Delftsblauw tegeltje in de gang met de tekst erop: “Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn.” Die broeder ziet mijn blik. Hij zegt: ‘Mooi, hè? Daar heb ik toch zo’n steun aan.’ 199

En dan vraag ik aan die broeder: ‘Hoe kom je aan zo’n tegeltje?’ En dan zegt ie: ‘O …, bij de Evangelische boekwinkel. 10 euro. Wil je er ook één?’ En dan zeg ik: ‘Nee, dank u, broeder … waar heb je trouwens die tekst vandaan?’ En dan zegt die broeder: ‘Dat staat er toch bij … Jesaja 43:1.’ En dan zeg ik: ‘Broeder, die tekst is helemaal niet voor jou. Die tekst is het eigendom van de Jood. Die kun jij je niet zomaar toeëigenen.’ En dan kijkt die broeder mij aan alsof hij water ziet branden … Weet u, de Jood staat onder de wet. Daar kan hij niks aan doen. Gód heeft hem eronder geplaatst. En weet u, als je eenmaal weet wat de wet is, dan loop je daar zo hard mogelijk vandaan. Dan ga je als een haas naar de genade toe … Kijk, ook die belóften van God in de Hebreeuwse geschriften zijn het exclusieve eigendom van de Jood. Die beloften heeft de Jood hard nodig. Waarom? Nou, als tegenwicht voor de wet. Anders zou hij vergaan in zijn ellende. Begrijpt u? En dan ben ik bij een goedbedoelende zuster. Die heeft in haar huiskamer een eigen gemaakt borduurwerkje hangen. Met de tekst: “Ik heb u in mijn handpalmen gegrift.” En dan zeg ik tegen die zuster: ‘Waar heb je die tekst vandaan, zuster?’ En dan zegt zij verbaasd: ‘Dat weet je toch, Jesaja 49.’ En dan wordt mijn hart heel zwaar. Want de rabbijn bij de Klaagmuur schreeuwt tot zijn God – die ook ónze God is: ‘O, HaShem, waarom vergeet U mij?’ En dan antwoordt God in zijn Woord: ‘Sion zegt: HaShem heeft mij verlaten en Hij vergeet mij. Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontfermen zou over het kind 200

van haar schoot? Al zouden zij die vergeten, toch vergeet Ik jóu niet. Zie, Ik heb je in mijn handpalmen gegrift, jouw muren zijn voortdurend voor Mij.’ Tot wie spreekt God dan? Nou, niet tot u en mij, broeders. Maar tot die rabbijn bij de Klaagmuur. En die zuster van dat borduurwerkje kijkt mij meewarig aan. Dat ik zo dom ben dat ik niet weet dat die tekst uit Jesaja 49 komt. En dan voel ik mij zo moe worden. Moe van het tegen de stroom in zwemmen. Moe van de hutspot van de christelijke godsdienst. En dan zeg ik tegen die zuster: ‘Mmm …’ Maar eigenlijk zou ik moeten roepen: ‘Zuster, die tekst is niet van jou … afblijven!’ Broeders, iedere keer dat wij de Hebreeuwse geschriften op onszelf toepassen, weet u wat wij dan doen? Wij stelen het erfgoed van de Joden. Van hén zijn de beloften. Ik ben vlak na de Tweede Wereldoorlog geboren. In 1946. De generatie voor mij heeft mij over die oorlog verteld. Hoe de Joden weggevoerd werden naar de concentratiekampen van nazi-Duitsland. In totaal zijn er zo’n zes miljoen Europese Joden vermoord. Een onvoorstelbaar aantal. Maar een kleine groep van hen zijn levend teruggekeerd. Ook naar Nederland. Ze gingen naar huis … Dáchten ze … Toen zij bij hun huis aankwamen, ontdekten zij dat ánderen in hun huis woonden. Niet-Joden. 201

Die Nederlanders zaten op hún stoelen, aten van hún borden en sliepen in hún bedden. Die Nederlanders waren trouwens ook helemaal niet van plan om uit die Joodse huizen weg te gaan. Ja, kom zeg, wie ben jij eigenlijk? Eliyahu Cohen? Kom nou, die is al lang dood, man … Jouw huis? Bewijs het maar eens … Drama’s hebben zich toen afgespeeld. En veel Joden hebben toen Nederland – en daarmee hun bezittingen – voorgoed de rug toegekeerd. Veel christenen klagen erover dat de chassidim, de strengorthodoxe Joden, zo fel anti-christelijk zijn. Die chassidim spugen op de naam van onze Heer Jezus. Ze gooien met stenen naar ons, als wij de naam van onze Heer noemen. Vind je het gek? Wij hebben hun bezittingen afgepakt. We doen net alsof hún geschriften van óns zijn. Ook zijn veel christenen verbaasd dat er zoveel liberale, ongelovige Joden zijn. Vind je het gek? Ze hebben hun bezittingen, hun erfdeel, voorgoed de rug toegekeerd. Waarom? Nou, ze vinden het niet prettig dat wij met hun veren lopen te pronken. Begrijp je? Broeders, het wordt hoog tijd dat we uit het woonhuis van Israël gaan. En dat we aan Israël diens eigendommen teruggeven. En excuus aanbieden. Tegen hem zeggen: ‘Het spijt ons, dat we je spullen gebruikt hebben. Maar we dachten dat je dood was.’ En als Israël even geen behoefte aan zijn huis heeft, laten we dan over zijn spullen waken. 202

En als er dan weer iemand het huis van Israël binnensluipt, om wat eigendommen van Israël zich toe te eigenen, dat we dan zeggen: ‘Uh … uh …! Niet aankomen … van Israël!’ Aan de Joden werd ook het grootste deel van de Griekse Geschriften van het ‘Nieuwe Testament’ toevertrouwd. Er zijn maar heel weinig christenen, die dát weten. Je kunt de Griekse Geschriften als volgt indelen: A. Matteüs – Handelingen: de verwachting van het Koninkrijk voor Israël (geschiedenis) B.] Romeinen – Filemon: de brieven voor de ‘voorhuid’ (niet-Jood) B.] Hebreeën – Judas: de brieven voor de ‘besnijdenis’ (Israël) A. Openbaring: het Koninkrijk voor Israël gekomen Zoals je ziet, zijn de Griekse Geschriften voornamelijk bestemd voor Israël, met uitzondering van de brieven van Paulus, de brieven voor de ‘voorhuid’. Ik wil daar verder niet op ingaan. Wel gaan we nog een laatste keer terug naar onze rabbijn. De man ‘vol van God’ zoals Henk Binnendijk hem met veel genegenheid noemt. Onze briefschrijver zegt: ‘Jezus laat ons nog steeds weten: Wie Mij verwerpt, verwerpt Hem die Mij gezonden heeft en wie de Zoon niet eert, eert ook de Vader niet.’ Onze eerste vraag zou dan moeten zijn: ‘Waar staat dat?’ Het eerste citaat, over ‘verwerpen’, is onjuist. Maar vooruit, laten we niet kinderachtig doen, laten we zeggen dat onze briefschrijver een combinatie van Johannes 12:48 en 49 bedoelt. Het tweede citaat, over ‘eren’ is eveneens uit het Evangelie naar Johannes, hoofdstuk 5:23. Als u naar de indeling van de Griekse Geschriften kijkt, dan ziet u dat het Evangelie naar Johannes in de rubriek: ‘verwachting van het Koninkrijk’ staat. 203

In de categorie: geschiedenis. De Heer Jezus heeft tijdens zijn verblijf op aarde deze woorden over ‘verwerpen’ en ‘eren’ uitgesproken. Hij sprak die woorden tegen zijn tijdgenoten. In het bijzonder tegen de leidslieden van het volk. Hij wist dat zijn tijdgenoten Hem zouden verwerpen. Want de Schriften moesten vervuld worden. Daarom kondigt Hij aan dat zij Hem zullen verwerpen. En Hij legt uit dat zij daarmee ook Degene verwerpen, die Hem gezonden heeft. Korte tijd na deze aankondiging en uitleg verwerpen zijn tijdgenoten Hem. Daarna werden de takken uit de edele olijf weggebroken. Nu staat er in Deuteronomium 24:16 dat de kinderen niet om de zonden van hun vaders ter dood gebracht mogen worden. Ieder zal om zijn eigen zonde ter dood gebracht worden. Hoe kan een hedendaagse Jood nou schuldig verklaard worden om wat zijn voorvaderen 2000 jaar geleden gedaan hebben? De tijdgenoten van onze Heer Jezus hebben Hem 2000 jaar geleden verworpen, niet geëerd. Onze briefschrijver heeft de klok wel horen luiden, maar hij weet niet waar de klepel hangt. Zeker, de orthodoxe rabbijn wordt niet behouden. Maar de reden waaróm ontgaat onze briefschrijver. Het is een grote misvatting te denken dat een orthodoxe Jood vandaag de dag verloren gaat, omdat hij de Heer Jezus als zijn Messias verwerpt. Dat is helemaal niet aan de orde. De orthodoxe Jood gaat verloren, omdat God de orthodoxe Jood onder ongehoorzaamheid heeft besloten. Waarom doet God dat? Om zich daarna over hem te ontfermen. Dat zeg ik niet. Dat zegt onze leermeester, de afgevaardigde Paulus. 204

‘Want’, zegt Paulus, ‘God heeft allen onder ongehoorzaamheid opgesloten, om Zich over allen te ontfermen.’ Allen is allen. Ook onze briefschrijver was eens ongehoorzaam. Maar God heeft zich over hem ontfermd. Ook wij waren eens ongehoorzaam. Maar God heeft zich ook over ons ontfermd. Goddank. Misschien is uw kind of een dierbaar familielid ongehoorzaam aan het evangelie. Wil hij of zij niets van de Heer Jezus weten. U heeft daar veel verdriet van … Wees maar niet bang. God zal zich ook over hem of over haar ontfermen. Want God heeft allen onder ongehoorzaamheid besloten, om zich over allen te ontfermen. Kijk, stel, dat God niet een Redder is van alle mensen. Dan zou die orthodoxe rabbijn de meest beklagenswaardige van alle mensen zijn. Maar gelukkig, er is hoop voor onze rabbijn. Want God is een Redder van alle mensen. Ook die rabbijn zal ontferming bij God vinden. Daarom roept Paulus uit: ‘O, diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods … Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen … Hem zij de heerlijkheid tot in de aeonen! Amen! 205

206

13. Eeuwig? Lieve broeders en zusters, Van diverse kanten heeft men mij benaderd over het nieuwe boekje van broeder Ouweneel, waarin hij over ‘alverzoening’ schrijft. Men vroeg: ‘Zou je daar iets over willen zeggen?’ Voordat ik hier inderdaad iets over wil gaan zeggen, eerst het volgende. Broeder W.J. Ouweneel heeft in de loop der tijd binnen de christelijke gemeenschap een vooraanstaande plaats gekregen. En terecht. Hij is een geliefd spreker en een bekwaam uitlegger van het Woord. Hij heeft een groot gezag binnen de diverse geloofsgemeenschappen. Kortom, hij is ‘een leraar in Israël’. En hij verdient die titel, want hij heeft veel arbeid verricht in de gemeente van Christus. Onze broeder Ouweneel is bezorgd. Hij heeft een grote bezorgdheid over wat hij noemt: ‘een van de ernstigste, meest subtiele, en moeilijkste te ontrafelen, onbijbelse leringen, namelijk: de alverzoeningsleer’. Dit heeft hem ertoe gebracht enkele artikelen hierover te schrijven in het maandelijks bijbelstudieblad ‘De bode van het heil in Christus.’ Deze artikelen zijn onlangs in een brochure gebundeld, getiteld: ‘Alverzoening, besproken en weerlegd, door Willem J. Ouweneel.’ Nu is het zo, lieve broeders en zusters, dat ik in mijn leven vele honderden boeken over het christelijk geloof gelezen heb. En dat ik dan ook ‘amen’ zeg op het boek Prediker, dat in hoofdstuk 12 zegt: ‘dat er geen einde is aan het maken van veel boeken’, en: ‘dat veel doorvorsen van boeken een afmatting is van het lichaam.’ 207

Ik moet u dan ook bekennen, dat ik de laatste tijd weinig christelijke literatuur gelezen heb. En dat ik, toen ik de brochure van broeder Ouweneel onder ogen kreeg, eigenlijk niet eens de energie had om het zelfs maar vluchtig door te bladeren. Hoewel de titel provocerend genoeg was, heb ik, twee weken geleden, in een evangelische boekwinkel, na een korte blik op de titel, de brochure terzijde gelegd. Tot enkele broeders mij erop attent maakten, dat broeder Ouweneel de argumenten in deze brochure ondersteunde met Griekse teksten. Degenen die mij hierop wezen, wisten heel goed, dat ik hierop zou reageren. Een boek schrijven, oké, oké … Zoals 1 Korintiërs 3:13 dat zegt: “hoedanig ieders werk is, dat zal het vuur uitmaken …” Is een boek dan goud, zilver, kostbaar gesteente, of zal een boek hout, hooi, stro zijn, we zullen het dán weten. Ik ben, eerlijk gezegd, geneigd te stellen, dat de meeste boeken, die door overigens oprechte christenen geschreven zijn, het vuur niet zullen doorstaan. Maar goed, terug naar broeder Ouweneel. Hij gebruikt dus, zeiden mijn broeders, in die brochure Griekse teksten, dat wil zeggen: Gods Woord dus. En als ik dit zó zeg, dan beginnen de mensen, die mij een beetje kennen, te lachen. Want zij weten, dat als iemand aan mij vraagt: ‘Geloof jij wat er in de bijbel staat?’ Dat ik dan zeg: ‘Alleen als het overeenkomt met Gods Woord.’ Nu vraagt u misschien: ‘Maar de bijbel is toch Gods Woord?’ Nee, mijn lieve broeder, mijn lieve zuster, de bijbel is een vertaling van Gods Woord. De echte Schriften, het echte Woord van God, is wat betreft het Oude Testament in het Hebreeuws, en wat betreft het Nieuwe Testament in het Grieks geschreven. 208

Ik reserveer dus bijvoorbeeld het woord ‘bijbel’ voor de vertaling van het Nieuwe Testament, en ‘Gods Woord’ voor het Griekse origineel. Had broeder Ouweneel niet de Griekse Schriftverwijzingen gegeven, dan had ik stilzwijgend het zoveelste christelijke boekje terzijde gelegd. Maar nu hij Gods Woord gebruikt, nu móet ik wel reageren. En waarom? Ik moet denken aan mijn lieve dochter Annelies, die op dit moment ook in de zaal zit. Eén van haar lievelingsfilms is: ‘The Bodyguard’. En omdat Annelies mijn énige dochter is, heb ik deze film dan ook diverse malen gezien. In deze film komt een indrukwekkende scène voor. De hoofdpersoon, een zangeres, gespeeld door Whitney Houston, komt op bezoek bij haar bodyguard, die zeer overtuigend gespeeld wordt door Kevin Costner. De zangeres kijkt de kamer van haar bodyguard rond en ziet aan de muur een samoerai zwaard hangen. Ze haalt het voorwerp van de muur, trekt het schitterende, tweesnijdende zwaard uit de schede en maakt vervolgens enkele hakkende bewegingen. De bodyguard zegt rustig: ‘Wees er voorzichtig mee.’ De zangeres lacht, ze loopt op haar bodyguard af en zet het zwaard eerst op zijn keel en daarna op zijn borst. De bodyguard blijft haar onbeweeglijk aankijken. En dan trekt hij het ragfijne sjaaltje van haar hals. Hij gooit het sjaaltje in de lucht, bóven het samoerai zwaard. In de film zie je dan het sjaaltje heel, heel langzaam naar beneden dalen. Zo licht als een veertje komt het ragfijne sjaaltje helemaal vlak op het lemmet van het samoerai zwaard terecht. En dan wordt het sjaaltje in één beweging gespleten – je ziet het niet eens - en zweeft het sjaaltje in twéé gedeelten verder. Alsof er geen zwaard geweest is. Maar wel in twee stukken … 209

De impressie, die je in deze kippenvel-achtige scène krijgt, is dit: wat moet dat zwaard ongelooflijk scherp zijn. Onmenselijk scherp. En wat had die zangeres dodelijke schade kunnen aanrichten. Onwetend, ja, dat wel, maar dodelijke schade … In de film neemt de bodyguard rustig het zwaard uit de handen van de zangeres en doet het wapen weer in de schede. Einde scène. En wat zegt Hebreeën 4:12? “… het woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard.” Dus ook scherper dan het samoerai zwaard. En dit zwaard, Gods Woord, heeft onze broeder Ouweneel getrokken en op de keel van besmette (zo noemt hij dat: ‘besmette’) medechristenen gezet. Christenen, zo zegt broeder Ouweneel eerlijk, die overigens wel als bijbelgetrouw bekend staan. We zien de grote bedreiging, die van de alverzoeningsleer voor gelovigen uitgaat, zegt hij. En daarom voelt hij zich geroepen om zich met deze dwaalleer bezig te houden. En dat vindt hij bepaald geen pretje. Wij prijzen dan ook de bezorgdheid en de moed van deze broeder, dat hij deze materie energiek te lijf gaat. In zijn ijver trekt hij het zwaard, het Woord van God. En dat is niet niks. Ik zeg het nóg een keer: Dat is niet niks … Want hoe scherp is Gods Woord? Hoe diep gaat het? “… en het dringt door, zó diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten …” Wij willen onze broeder Ouweneel daarom laten zien hoe gemakkelijk hij met dat scherpe zwaard zijn medechristenen, en zichzelf, kan verwonden. Wij zullen daartoe de bedekking – de bijbelvertaling – die op het Woord van God ligt, als een ragfijn sjaaltje afnemen, en die over 210

het getrokken zwaard (het Woord van God in het Grieks) laten vallen. Laten we eerst de betreffende brochure eens bekijken. Het werkje is verdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 laat zien wat de ‘alverzoeningsleer’ inhoudt. Hoofdstuk 2 geeft de tegenargumenten van broeder Ouweneel. Hoofdstuk 3 behandelt andere argumenten van ‘alverzoeners’, zoals hij dat schrijft (een grapje dat broeder Ouweneel zich permitteert: ‘alverzoeners’). En hoofdstuk 4 geeft de indirecte argumenten van ‘alverzoeners’. Laten we beginnen met hoofdstuk 1. Hierin zegt broeder Ouweneel terecht: “Hoe moeilijk we het ook mogen hebben met de ‘eeuwige verlorenheid’ van Gods eigen schepselen, wij moeten ons slechts ootmoedig onderwerpen aan Gods Woord.” Amen, broeder. Twee kleine opmerkingen mijnerzijds in de eerste paragraaf. Allereerst steunt de alverzoening niet op de apokatastasis (apokatastasis – de wederoprichting) aller dingen, uit Handelingen 3:21, zoals broeder Ouweneel zegt, maar op het apokatallaxai ta panta (apokatallaxai ta panta – het wederverzoenen van alle dingen) uit Kolossenzen 1:20. Het woord ‘Alverzoening’ komt rechtstreeks uit Kolossenzen 1:20. En niet uit Handelingen 3:21. Vervolgens zegt broeder Ouweneel: “De christelijke kerk, in de meerderheid, heeft de alverzoeningsleer steeds afgewezen”. Dit is op zich geen bewijs dat de ‘alverzoeningsleer’ een dwaalleer is. We zouden dan ook kunnen zeggen, dat Luther, die in het begin van de Reformatie vrijwel alleen stond in de ‘sola gratia’-leer, een dwaalleer aanhing. Want hij was alleen en de meerderheid was tégen. 211

Bovendien is de ‘meerderheid’ in Gods Woord niet altijd even positief. Denkt u alleen maar aan de woorden van Paulus in 2 Timoteüs 1:15, waarin hij zegt: “Dit weet gij, dat allen in Asia zich van mij hebben afgekeerd …” De tweede paragraaf is een uitstekende omschrijving wat ‘alverzoening’ is. Broeder Ouweneel zegt daarin, dat de ‘alverzoeningsleer’ stelt dat de ‘eeuwige hellestraf’ in strijd is met de liefde van God, de rechtvaardigheid van God en de heiligheid van God. Dan noemt broeder Ouweneel ook nog andere argumenten ter verdediging van alverzoening: a. dat het woord ‘eeuwig’ een beperkte tijdsperiode aanduidt; b. dat God de behoudenis van alle mensen wil (en wie of wat zou zijn wil kunnen weerstaan); c. dat Christus voor allen gestorven is en hoe zou iemand daar geen deel aan kunnen krijgen; d. dat eenmaal allen daadwerkelijk verzoend worden en zich voor Christus zullen neerbuigen. Een ieder met een beetje bijbelkennis kan bij die vier argumenten ter verdediging van de alverzoening de betreffende bijbelteksten hiervoor geven. Tot slot vermeldt broeder Ouweneel, dat er verschillende varianten in de ‘dwaalleer van alverzoening’ voorkomen. Daar wil ik het volgende over opmerken. Ik denk, dat voor een zuiver denkend mens de naam ‘alverzoening’ betekent: alles verzoenen. Dus, zoals broeder Ouweneel het zegt: een absoluut universalisme. Alle overige varianten lijken mij, strikt genomen, geen alverzoening. Het tweede hoofdstuk gaat over de Schriftuurlijke onderbouwing van de alverzoening, of beter gezegd, broeder 212

Ouweneel laat zien, dat aan de hand van de woorden ‘aiōn’ (aeon) en ‘aiōnios’ (aeonisch), er een ‘eeuwige straf’ bestaat, namelijk een eindeloze, ononderbroken hellestraf. Dit hoofdstuk, hoofdstuk 2 dus, is het hart van deze brochure. De weergave van de ‘Schriftuurlijke leer’, zoals hij dat noemt. Het derde en het vierde hoofdstuk behandelen ‘andere moeilijke leerstellige vragen’, zoals broeder Ouweneel het noemt, maar deze leerstellige vragen komen voort uit niet rechtstreeks aan de Schrift ontleende argumenten. Deze niet rechtstreeks aan de Schrift ontleende argumenten zijn voor mij niet zo interessant, omdat de wijsheid van deze wereld dwaasheid is in de ogen van God. We zullen ons dan ook concentreren op, wat onze broeder noemt, ‘de meest klare en duidelijke getuigenis van Gods Woord met betrekking tot de eindeloosheid van de hellestraf voor alle verlorenen.’ In hoofdstuk 2 ziet broeder Ouweneel dan een groot aantal Schriftplaatsen, die duidelijk maken, dat die straf ‘eeuwig’ is. En terecht merkt onze broeder dan op, dat dit woord ‘eeuwig’ onder de loep genomen moet worden, omdat de alverzoeningsleer dit woord ‘eeuwig’ in beperkte zin neemt, een beperkte tijdsduur, dus. Broeder Ouweneel vindt dat dit tot een nogal ‘technische’ uiteenzetting leidt, maar gezien het enorme belang van het onderwerp, gaat hij dit niet uit de weg. Wij zeggen hier hartgrondig ‘amen’ op, broeder. Om voor u de zaak helder uiteen te zetten, lieve aanwezigen, heb ik de Schriftverwijzingen, die broeder Ouweneel aan ons geeft, volledig voor u uitgewerkt. Waarom heb ik dat gedaan? Als iemand het boekje van broeder Ouweneel over ‘alverzoening’ aan u geeft, dan wordt het duidelijk – als u dat dan leest, of, als iemand het er over heeft – , dat het gaat om hoofdstuk 2. Het gaat vooral om wat de woorden ‘aiōn’ en ‘aiōnios’ betekenen. 213

Ik heb dan ook voor u alle Schriftplaatsen, die broeder Ouweneel noemt, uitgewerkt. U kunt dus precies de gedachte van broeder Ouweneel volgen, en zien of het waar is, wat hij zegt. Dat noemen wij: concordante studie. Ik geef u dus de Griekse tekst. En de vertaling van het NBG ernaast. Nu gaan wij het artikel van broeder Ouweneel lezen. Wij gaan kijken wat hij ons te zeggen heeft. ‘Want het is van een enorm belang’, zegt hij. En dat ben ik hartgrondig met hem eens. Daar gaan we dan. Broeder Ouweneel begint met te stellen, dat: ‘eeuwig ’ in het Grieks ‘aiōnios’ is, een bijvoeglijk naamwoord dat is afgeleid van het zelfstandig naamwoord ‘aiōn’, dat zowel ‘eeuw’ als ‘eeuwigheid’ kan betekenen (soms ook ‘wereld’).’ [Waarbij ik even op wil merken, dat die weergaven: ‘eeuw’, ‘eeuwigheid’ en ‘wereld’ niet ‘concordant’, dat wil zeggen: niet ‘consistent’ zijn, maar dat geeft nu even niet.] ‘Aiōn’, zegt broeder Ouweneel, dus, is ‘eeuw’ of ‘eeuwigheid’. Het is volkomen juist, zegt broeder Ouweneel vervolgens, dat ‘aiōn’ soms duidt op een beperkte tijdsperiode. Hoort u wat hij zegt? ‘Aiōn’ duidt soms op een beperkte tijdsperiode. Waarbij broeder Ouweneel opmerkt, dat het in dat geval niet zozeer gaat om de lengte als wel om de geestelijke kenmerken van die tijdsperiode. Denken we aan een uitdrukking als: ‘de tegenwoordige eeuw’… Nu zoeken we in Gods Woord wat er staat over deze ‘tegenwoordige eeuw’. We kijken naar alle verwijzingen van broeder Ouweneel. De Nederlandse vertaling is vanuit het NBG. 214

Matteüs 12:32 “oute en toutō tō aiōni” ‘noch in deze eeuw’ Matteüs 13:22 “hē merimna tou aiōnos toutou” Matteüs 13:39 “sunteleia tou aiōnos” Matteüs 13:40 “sunteleia tou aiōnos” Matteüs 13:49 “en tē sunteleia tou aiōnos” Matteüs 24:3 “tēs sunteleias tou aiōnos” Matteüs 28:20 “tēs sunteleias tou aiōnos” Lucas 16:8 “hoi huioi tou aiōnos toutou” Lucas 20:34 “hoi huioi tou aiōnos toutou” Romeinen 12:2 “suschēmatizesthe tō aiōni toutō” 1 Korintiërs 1:20 “suzētēs tou aiōnos toutou” 1 Korintiërs 2:6a “sophian de ou tou aiōnos toutou” 1 Korintiërs 2:6b “tōn archontōn tou aiōnos toutou” 1 Korintiërs 2:8 “tōn archontōn tou aiōnos toutou” 1 Korintiërs 3:18 “sophos einai en tō aiōni toutō” 2 Korintiërs 4:4 “ho theos tou aiōnos toutou” 1 Timoteüs 6:17 “en tō nun aiōni” 2 Timoteüs 4:10 “agapēsas ton nun aiōna” Titus 2:12 “zēsōmen en tō nun aiōni” Hebreeën 9:26 “epi sunteleia tōn aiōnōn” 215 ‘de zorg van de wereld’ ‘de voleinding der wereld’ ‘de voleinding der wereld’ ‘bij de voleinding der wereld’ ‘de voleinding der wereld’ ‘de voleinding der wereld’ ‘de kinderen dezer wereld’ ‘de kinderen dezer eeuw’ ‘gelijkvormig aan deze wereld’ ‘de redetwister van deze tijd’ ‘wijsheid niet van deze eeuw’ ‘de beheersers dezer eeuw’ ‘de beheersers dezer eeuw’ ‘wijs te zijn in deze tijd’ ‘de god dezer eeuw’ ‘in de tegenwoordige wereld’ ‘liefde voor de tegenwoordige wereld’ ‘in deze wereld leven’ ‘bij de voleinding der eeuwen’

[Even twee opmerkingen: a. u ziet dat in de NBG-vertaling ‘aiōn’ zowel vertaald wordt met ‘eeuw’, met ‘wereld’ en met ‘tijd’ … b. broeder Ouweneel geeft als laatste Schriftverwijzing Hebreeën 9:26, maar dit is geen enkelvoudige vorm, maar een meervoudsvorm: geen goed voorbeeld van de ‘tegenwoordige eeuw’ …] Broeder Ouweneel benoemt al deze gevallen van ‘de tegenwoordige eeuw’ als een beperkte tijdsperiode. Wat zegt hij dan verder? Hij zegt: ‘De toekomstige eeuw is de Messiaanse eeuw.’ Hij noemt hiervoor een aantal Schriftplaatsen. Die gaan speciaal over de ‘toekomende eeuw’. Die Schriftplaatsen heb ik ook uitgewerkt. De vertaling is ook hier de NBG-vertaling. Matteüs 12:32 “oute en tō mellonti (aiōni)” Marcus 10:30 “en tō aiōni tō erchomenō” Lucas 18:30 “en tō aiōni tō erchomenō” Lucas 20:35 “tou aiōnos ekeinou” Efeziërs 1:21 “kai en tō mellonti (aiōni)” Efeze 2:7 “en tois aiōsin tois eperchomenois” Hebreeën 6:5 “dunameis mellontos aiōnos” ‘krachten der toekomende eeuw’ ‘noch in de toekomende (eeuw)’ ‘en in de toekomende eeuw’ ‘en in de toekomende eeuw’ ‘aan die eeuw’ ‘en in de toekomende (eeuw)’ ‘in de komende eeuwen’ Allemaal uitdrukkingen betreffende de ‘toekomende eeuw’. Nota bene: ook nu geeft broeder Ouweneel bij een van de Schriftverwijzingen in plaats van een enkelvoudige vorm een meervoudsvorm: Efeziërs 2:7, ‘de toekomende eeuwen’. 216

De bovenstaande Schriftplaatsen zijn dus de verwijzingen, die broeder Ouweneel geeft, waarvan hij zegt: ‘er is een toekomende eeuw’, die hij dan ‘de Messiaanse eeuw’ noemt: een eveneens beperkte tijdsperiode. Dan zegt broeder Ouweneel verder, dat het woord ‘eeuw’ ook in de zin van ‘bedéling’ gebruikt kan worden. Hij geeft hiervoor de volgende verwijzingen: 1 Korintiërs 10:11 “ta telē tōn aiōnōn” Efeziërs 3:9 “apo tōn aiōnōn” Kolossenzen 1:26 “apo tōn aiōnōn” 1 Timoteüs 1:17 “tō de basilei tōn aiōnōn” ‘het einde der eeuwen’ ‘het geheimenis van eeuwen her verborgen gebleven’ ‘het geheimenis, dat eeuwen lang verborgen is geweest’ ‘de Koning der eeuwen …’ Van deze Schriftverwijzingen zegt broeder Ouweneel: hier is ‘eeuw’ bedoeld in meer algemene zin van bedéling. Dat kan best. Dat weet ik niet. Opmerkelijk is wel dat in deze Schriftplaatsen niet de enkelvoudige vorm ‘eeuw’ gebruikt wordt, zoals broeder Ouweneel dat bedoelt, maar wel de meervoudsvormen: ‘eeuwen’. Broeder Ouweneel legt dat verder ook niet uit. Nu zegt broeder Ouweneel vervolgens: ‘eeuw’ kan ook duiden op een lange tijd in het verleden, en wel in de uitdrukking: ‘van oudsher’. Dat zien we hieronder ook uitgewerkt. Lucas 1:70 “elalēsen ap aiōnos” Handelingen 3:21 “elalēsen ap aiōnos” ‘Hij heeft gesproken … van oudsher’ ‘Hij heeft gesproken … van oudsher’ 217

(wellicht ook, zegt broeder Ouweneel): Handelingen 15:18 “gnōsta ap aiōnos” Johannes 9:32 “ek tou aiōnos ouk ēkousthē” ‘welke bekend zijn van eeuwigheid’ ‘van eeuwigheid is het niet gehoord’ Ik wijs u even op een merkwaardige verschil in de vertaling. U ziet de uitdrukking: “ap aiōnos”, in Lukas 1:70 en Handelingen 3:21 vertaald met: ‘van oudsher’. In Handelingen 15:18 wordt dezelfde Griekse uitdrukking “ap aiōnos” gebruikt, maar hier wordt het vertaald met ‘van eeuwigheid’. En in Johannes 9:32 wordt “ek tou aiōnos” ook vertaald met: ‘van eeuwigheid’. U ziet het, de bijbelvertalers vonden de uitdrukking “ap aiōnos” lastig te vertalen. Vandaar dat broeder Ouweneel de opmerking maakt: ‘wellicht ook’. Dan zegt broeder Ouweneel: ‘Maar even duidelijk is het, dat het woord “aiōn” zeer dikwijls doelt op de eindeloze eeuwigheid, zowel het beginloze verleden, als ook de eindeloze toekomst.’ Kijken we eerst naar het beginloze verleden. 1 Korintiërs 2:7 “pro tōn aiōnōn” Efeziërs 3:11 “prothesin tōn aiōnōn” Judas 25 “pro pantos tou aiōnos” ‘van eeuwigheid’, [letterlijk: “vóór de eeuwen”] ‘het eeuwige voornemen’ [letterlijk: “voornemen van de eeuwen”] ‘vóór alle eeuwigheid [letterlijk: “vóór gehele de eeuw”] Kijkt u even hoe de NBG-vertaling worstelt met het Grieks. 218

Zo is er bijvoorbeeld geen verschil gemaakt enkelvoud ‘aiōnos’ en het meervoud ‘aiōnōn’, maar is er beide keren met ‘eeuwigheid’ vertaald. Vervolgens verwijst broeder Ouweneel naar de ‘eindeloze toekomst’. En dan zegt hij: ‘Letten we op de volgende uitdrukkingen …’ Als eerste vermeldt hij de uitdrukking: “eis ton aiōna” (tot in eeuwigheid). ‘Letterlijk’, zegt broeder Ouweneel: ‘tot de eeuw(igheid)’. Een beetje vreemd. ‘Eis’ wordt door broeder Ouweneel met ‘tot’ vertaald. Maar dat zou betekenen, wanneer je het over de ‘eeuw(igheid)’ hebt, dat je dan nooit in die eeuw(igheid) komt. Want hij zegt: ‘tot’ de eeuw(igheid). Maar het zou eigenlijk ‘tot in’ de eeuw(igheid) moeten zijn. Het is misschien een wat ‘technische’ opmerking. Maar het lijkt mij dat het niet ‘tot’ moet zijn, maar ‘tot in’. Laten we dus kijken naar “eis ton aiōna”, waarvan broeder Ouweneel zegt: ‘Soms is de uitdrukking afgesleten tot “nooit”, zonder letterlijk naar de “eeuwigheid” te verwijzen (bijvoorbeeld Johannes 13:8); maar ook dan wordt nooit aan een einde in de tijd gedacht.’ Matteüs 21:19 “genētai eis ton aiōna” Marcus 11:14 “phagoi eis ton aiōna” Marcus 11:14 “phagoi eis ton aiōna” Marcus 11:14 “phagoi eis ton aiōna” Lucas 1:55 “mnēsthēnai … eis ton aiōna” Johannes 4:14 “mē dipsēs eis ton aiōna” Johannes 6:51 “zēsetai eis ton aiōna” 219 ‘groeien … in eeuwigheid’ ‘eten … in eeuwigheid’ ‘eten … in eeuwigheid’ ‘eten … in eeuwigheid’ ‘om te gedenken … in eeuwigheid’ ‘geen dorst krijgen in eeuwigheid’ ‘hij zal in eeuwigheid leven’

Johannes 6:58 “zēsetai eis ton aiōna” ‘hij zal in eeuwigheid leven’ Johannes.8:35a “menei eis ton aiōna” Johannes.8:35b “menei eis ton aiōna” Johannes.8:51 “mē theōrēsē eis ton aiōna” Johannes.10:28 “mē apolōntai eis ton aiōna” Johannes.11:26 “mē apothanē eis ton aiōna” Johannes.12:34 “menei eis ton aiōna” Johannes.13:8 “mē nipsēs eis ton aiōna” Johannes.14:16 “menē meth humōn eis ton aiōna” 1 Korintiërs 8:13 “mē fagō krea eis ton aiōna” 1 Petrus 1:25 “menei eis ton aiōna” 1 Johannes 2:17 “menei eis ton aiōna” 2 Johannes 2 “meth humōn estai eis ton aiōna” ‘hij blijft eeuwig’ ‘hij blijft eeuwig’ ‘in eeuwigheid niet aanschouwen’ ‘niet verloren gaan in eeuwigheid’ ‘zal in eeuwigheid niet sterven’ ‘dat hij tot in eeuwigheid blijft’ ‘niet wassen in eeuwigheid’ ‘om tot in eeuwigheid bij u te zijn’ ‘in eeuwigheid geen vlees meer eten’ ‘blijft in der eeuwigheid’ ‘blijft tot in eeuwigheid’ ‘met ons zijn zal tot in eeuwigheid’ Dan noemt broeder Ouweneel: “eis tous aiōnas”, (NBG:) ‘tot in eeuwigheid’, waarbij hij opmerkt dat het eigenlijk letterlijk ‘tot de eeuw(ighed)en’, meervoud, is. Hij geeft als Schriftverwijzingen: Lucas 1:33 “basileusei eis tous aiōnas” Romeinen 1:25 “eulogētos eis tous aiōnas” Romeinen 9:5 “eulogētos eis tous aiōnas” Romeinen 11:36 “hē doxa eis tous aiōnas” ‘heersen tot in eeuwigheid’ ‘die te prijzen is tot in eeuwigheid’ ‘te prijzen tot in eeuwigheid’ ‘de heerlijkheid in alle eeuwigheid’ 220

2 Korintiërs 11:31 “eulogētos eis tous aiōnas” ‘geprezen zij Hij in eeuwigheid’ Hebreeën 13:8 “kai eis tous aiōnas” ‘en tot in eeuwigheid’ U ziet dat de Griekse meervoudsvorm ‘aiōnas’ ‘eeuwigheden’ in deze Schriftplaatsen door de NBG-vertalers weergegeven is met het enkelvoud ‘eeuwigheid’. Ik wil u tevens wijzen op het woord ‘aiōnas’, wat in broeder Ouweneels’ uitleg ‘eeuw(ighed)en’ is. In Hebreeën 1:2 wordt namelijk ook het woord ‘aiōnas’ gebruikt, dat ‘eeuw(ighed)en’ zou betekenen. Maar in de NBG vertaling wordt dit woord ‘aiōnas’ weergegeven met ‘wereld’: ‘door wie Hij ook de wereld (‘aiōnas’) geschapen heeft.’ En in Hebreeën 11:3 komt eveneens het woord ‘aiōnas’ voor, en ook daar wordt het woord ‘wereld’ gebruikt: ‘dat de wereld (‘aiōnas’) door het woord Gods tot stand is gebracht.’ Ik wil dat u dit even ziet. Wij komen er straks op terug. Dan vermeldt broeder Ouweneel: “eis pantas tous aiōnas” (NBG: ‘tot in alle eeuwigheid’), letterlijk, zegt hij: ‘tot de eeuw(igheid) van de eeuw(igheid).’ Deze laatste opmerking lijkt mij een drukfout in de brochure. Judas 25 “eis pantas tous aiōnas” ‘in alle eeuwigheden’ Ook nog: “eis ton aiōna tou aiōnos”: ‘tot in alle eeuwigheid’, letterlijk: ‘tot de eeuw(igheid) van de eeuw(igheid)’. Hebreeën 1:8 “eis ton aiōna tou aiōnos” ‘in alle eeuwigheid’. En dan vermeldt broeder Ouweneel: “eis tous aiōnas tōn aiōnōn”: ‘tot in alle eeuwigheid’, letterlijk, zegt hij: ‘tot de eeuw(ighed)en van de eeuw(ighed)en’. Hij geeft als Schriftplaatsen: 221

Romeinen 16:27 “eis tous aiōnas tōn aiōnōn” ‘in alle eeuwigheid’ Galaten 1:5 “eis tous aiōnas tōn aiōnōn” Filippenzen 4:20 “eis tous aiōnas tōn aiōnōn” 1 Timoteüs 1:17 “eis tous aiōnas tōn aiōnōn” 2 Timoteüs 4:18 “eis tous aiōnas tōn aiōnōn” Hebreeën 13:21 “eis tous aiōnas tōn aiōnōn” 1 Petrus 4:11 “eis tous aiōnas tōn aiōnōn” 1 Petrus 5:11 “eis tous aiōnas tōn aiōnōn” Openbaring 1:6 “eis tous aiōnas tōn aiōnōn” Openbaring 1:18 “eis tous aiōnas tōn aiōnōn” Openbaring 4:9 “eis tous aiōnas tōn aiōnōn” Openbaring 5:13 “eis tous aiōnas tōn aiōnōn” Openbaring 7:12 “eis tous aiōnas tōn aiōnōn” Openbaring 10:6 “eis tous aiōnas tōn aiōnōn” Openbaring 11:15 “eis tous aiōnas tōn aiōnōn” Openbaring 14:11 “eis aiōnas tōn aiōnōn” Openbaring 15:7 “eis tous aiōnas tōn aiōnōn” Openbaring 19:3 “eis tous aiōnas tōn aiōnōn” Openbaring 20:10 “eis tous aiōnas tōn aiōnōn” Openbaring 22:5 “eis tous aiōnas tōn aiōnōn” ‘in alle eeuwigheid’ ‘in alle eeuwigheid’ ‘in alle eeuwigheid’ ‘in alle eeuwigheid’ ‘in alle eeuwigheid’ ‘in alle eeuwigheid’ ‘in alle eeuwigheid’ ‘tot in alle eeuwigheden’ ‘tot in alle eeuwigheden’ ‘tot in alle eeuwigheden’ ‘tot in alle eeuwigheden’ ‘tot in alle eeuwigheden’ ‘tot in alle eeuwigheden’ ‘tot in alle eeuwigheden’ ‘in alle eeuwigheden’ ‘tot in alle eeuwigheden’ ‘tot in alle eeuwigheden’ ‘in alle eeuwigheden’ ‘tot in alle eeuwigheden’ U ziet ongetwijfeld een merkwaardigheid. In Romeinen 16:27 tot 1 Petrus 5:11 wordt er vertaald met ‘in alle eeuwigheid.’ 222

En als je in het boek Openbaring terecht komt, dan zie je opeens, voor dezelfde Griekse uitdrukking, de vertaling: ‘tot in alle eeuwigheden’. Misschien zijn er verschillende vertalers aan het werk geweest, ik weet het niet. Hoe dan ook: het lijkt een mysterie, hoe dezelfde uitdrukking in het Grieks in Romeinen 16 tot 1 Petrus 5 in het enkelvoud weergegeven wordt en in Openbaring in het meervoud. Tot slot geeft broeder Ouweneel: “eis pasas tas geneas tou aiōnos tōn aiōnōn”: (NBG:) ‘tot in alle geslachten, van eeuwigheid tot eeuwigheid’, ‘letterlijk’, zegt hij: ‘tot al de geslachten van de eeuw(igheid) van de eeuwig(hed)en.’ (Efeziërs 3:21) En dan zegt broeder Ouweneel: Uit deze opsomming blijkt duidelijk, dat, als we even afzien van de teksten die over het eeuwig oordeel spreken, niemand er aan kan twijfelen dat ‘aiōn’ in de geciteerde plaatsen ‘eindeloze eeuwigheid’ betekent. In geen enkele Schriftplaats (zegt hij), waar we de constructie met ‘eis’ vinden, zijn aanwijzingen te vinden, dat er van een beperkte tijdsperiode sprake zou zijn, integendeel, in verreweg de meeste plaatsen is het onmiddellijk volkomen duidelijk, dat het over eindeloze eeuwigheid gaat. Dit is zo mogelijk nog duidelijker (zegt hij), in de uitdrukking “eis tous aōnas tōn aiōnōn”, dat je een overtreffende trap krijgt: ‘in de eeuwigheden van de eeuwigheden’, waarin we maar liefst tweemaal het meervoud (‘eeuwigheden’) vinden. Onze broeder noemt nu Openbaring 14:11: ‘en de rook van hun pijniging stijgt op in alle eeuwigheden.’ “eis aiōnas tōn aiōnōn”. Hij noemt ook: Openbaring 20:10 ‘… en de duivel werd geworpen in de poel van vuur en zwavel, waar ook het beest en de valse profeet zijn, en zij zullen dag en nacht gepijnigd worden tot in alle eeuwigheden’ (“eis tous aiōnas tōn aiōnōn”). En dan zegt broeder Ouweneel: Er kan geen enkele twijfel over bestaan dat er in deze twee passages over een eeuwige, dat is nimmer eindigende, hellestraf voor het beest en de valse profeet en hun aanbidders gesproken wordt. 223

Op z’n minst deze (zeer grote) categorie mensen (zegt hij) zal dus eindeloze hellestraf ondergaan. Daarmee (zegt hij) is het absolute universalisme in feite al weerlegd. Dit staat nog te bezien. Ik wil op dit punt even een korte opmerking maken. Het is op zijn minst merkwaardig te noemen dat de bijbelvertaling, en ook broeder Ouweneel, het woord ‘eeuwigheden’ gebruikt, aangezien dan een ‘eeuwigheid’ een einde moet hebben, om aan de volgende ‘eeuwigheid’ te kunnen beginnen. In dit verband kan dan moeilijk de betekenis ‘eindeloos’ voor een ‘eeuwigheid’ gebruikt worden. De betekenis van het woord ‘eeuwigheid’ is dus niet zo waterdicht als broeder Ouweneel ons wil doen geloven. Nu kijken we naar het bijvoeglijk naamwoord ‘aiōnios’, ‘eeuwig’, dus. Broeder Ouweneel zegt: Hier is de balans nog veel verder doorgeslagen van ‘eeuw’ naar ‘eeuwigheid’. Slechts in drie plaatsen (zegt hij) hangt ‘aiōnios’ samen met de betekenis ‘aiōn’ als ‘eeuw’, dat is: een beperkte tijdsperiode. De verwijzingen, die hij geeft, heb ik eveneens uitgewerkt. Als eerste noemt hij Romeinen 16:25 “kata apokalupsin mustēriou chronois aiōniois sesigēmenou”. In onze NBG-vertaling: ‘naar de openbaring van het geheimenis, eeuwenlang verzwegen.’ Er staat niet: ‘eeuwenlang’, maar: “chronois aiōniois”: ‘eeuwige tijden’. Dit is natuurlijk lastig, want hoe rijm je nou ‘tijd’ met ‘eeuwigheid’. Daarom rangschikt broeder Ouweneel deze ‘aiōnios’-vorm bij de beperkte tijdsduur. 224

Dan geeft broeder Ouweneel: 2 Timoteüs 1:9 “pro chronōn aiōniōn”. In onze NBG: ‘vóór eeuwige tijden’. En Titus 1:2, eveneens “pro chronōn aiōniōn”. In onze NBG eveneens: ‘vóór eeuwige tijden’. Nu zegt broeder Ouweneel: Het woord voor ‘eeuwig’ duidt hier op ‘eeuw’, niet op ‘eeuwigheid’. Maar hier (zegt hij) zijn niet alle uitleggers het eens. Maar (gaat hij verder) in ieder geval is er in de overige (tientallen) plaatsen geen enkele innerlijke aanwijzing dat het woord in deze beperkte zin zou moeten worden opgevat. Helaas geeft onze broeder die tientallen verwijzingen niet. Dat is ook niet nodig, want het ragfijne sjaaltje komt nu heel dicht bij het vlijmscherpe lemmet van het samoerai zwaard. ‘Want’, zegt onze broeder, ‘het woord “eeuwig” dient in het Nieuwe Testament er juist toe om het onvergankelijke, onverderfelijke, boven de tijd verhevene aan te duiden, dat ons door het werk van Christus ontsloten is.’ Dat is heel mooi gezegd, maar is het ook waar? ‘Denken we alleen al aan de uitdrukking “het eeuwige leven”’, zegt broeder Ouweneel. En dan zegt hij iets heel merkwaardigs. Let op. Hij zegt eerst: ‘Denk alleen al aan de uitdrukking “het eeuwige leven”’ En dan zegt hij: ‘… dat kan, Oudtestamentisch gezien, eventueel nog met het Messiaanse rijk op aarde verbonden worden, Daniël 12:2.’ Een heel belangrijke zin van broeder Ouweneel. Daarom kijken we even naar deze tekst. Daniël 12:2 “Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen.” 225

Ziet u dat? ‘Dat eeuwige leven in Daniël 12:2,’ zegt broeder Ouweneel, ‘kan eventueel nog, Oudtestamentisch gezien, met het Messiaanse rijk op aarde verbonden worden.’ ‘Dus, in die zin’, zegt hij, ‘moet dit beperkt in de tijd worden opgevat.’ Nu wil ik even een vraagje stellen. Broeder, zou dan het ‘eeuwige leven’ als beperkt in de tijd opgevat mogen worden, en ‘eeuwig afgrijzen’ niet? Zo maar even een vraagje. Nu gaat onze broeder verder. Hij zegt: ‘Zelfs in dit geval echter hebben we geen enkele aanwijzing in de Schrift dat een gelovige ná de “toekomende eeuw” dat leven zou kunnen verliezen, integendeel, in feite bezitten zij het eeuwige leven dus wel degelijk tot in alle eeuwigheid.’ ‘Amen, broeder,’ zeg ik, ‘heel juist!’ ‘Maar’, zegt hij, ‘waar de Here Jezus deze uitdrukking met name in het Johannes-evangelie verbindt met de hemelse dingen, is in ieder geval elke beperking in de tijd volstrekt onmogelijk.’ Heel mooi gezegd. Maar is het ook waar? Laten we de verwijzingen, die hij ons geeft, eens nader bestuderen. Als eerste geeft hij Johannes 10:28 “… en Ik geef hun eeuwig leven en zij zullen voorzeker niet verloren gaan in eeuwigheid …” Johannes 10:28 “… kagō didōmi autois zōēn aiōnion kai ou mē apolōntai eis ton aiōna …” De tweede verwijzing die hij geeft is Johannes 11:26 “… en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven …” 226

Johannes 11:26 “… kai pas ho zōē kai pisteuōn eis eme ou mē apothanē eis ton aiōna …” Dan zeg ik dus: ‘Het is jammer dat broeder Ouweneel Johannes 6:40 niet als verwijsplaats noemt. Want daar staat: “… dat een ieder, die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, eeuwig leven hebbe, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage.” Johannes 6:40 “… pas ho theōrōn ton huion kai pisteuōn eis auton echē zōēn aiōnion kai anastēsō auton egō en tē eschatē hēmera …” Deze verwijzing gebruikt broeder Ouweneel niet. Dat is jammer. Want Johannes 6:40 verklaart heel veel. Heeft een gelovige wel het eeuwige leven? Antwoord: Nee, want Christus zegt: ‘(op)dat hij eeuwig leven hebbe, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage’. Let even op de volgorde. Een besnijdenis-gelovige gaat dood. Hij heeft dan helemaal geen eeuwig leven. Maar hij wordt, exact volgens de woorden in het boek Daniël, hoofdstuk 12:13, “opgewekt ten jongsten dage”. En dán krijgt hij het eeuwige leven. Begrijpt u? Nu komt het ragfijne sjaaltje heel dicht bij het lemmet van het zwaard. Nog eventjes … De gelovige, zegt broeder Ouweneel, die weet voor de hemel bestemd te zijn, bezit dan ook: ‘een eeuwige behoudenis’ “sōtērias aiōniou” (Hebreeën 5:9); ‘een eeuwige verlossing’ “aiōnian lutrōsin” (Hebreeën 9:12); ‘een eeuwige erfenis’ “aiōniou klēronomias” (Hebreeën 9:15); verwacht ‘een eeuwig huis’ “oikian aiōnion” (2 Korintiërs 5:1); krijgt ‘eeuwige heerlijkheid’ “doxēs aiōniou” (2 Korintiërs 2:10); 227

en een rijkelijke ingang in het ‘eeuwige koninkrijk’ “tēn aiōnion basileian” (2 Petrus 1:11). Nu raakt het ragfijne sjaaltje van ‘de bedekking over Gods Woord’ (de bijbelvertaling) het vlijmscherpe lemmet. Want broeder Ouweneel zegt nu: De gelovige is dan ook in betrekking gebracht tot de ‘eeuwige God’ (Romeinen 16:26). Stop, stop, stop … De ‘eeuwige’ God … Wat wil dat zeggen? De ‘eeuwige’ God … Nu moeten we het woordenboek pakken. Laten we eens zien wat het woord ‘eeuwig’ in het Nederlands betekent. Ah, daar hebben we het … Eeuwig: ‘een begin noch einde hebbend’. Hoort u dat goed? Een begin noch einde hebbend. Dit is, inderdaad, op God, als Enige in het universum, van toepassing. Want alleen God is ‘eeuwig’. Bent u dat met mij eens? Want God kent geen begin èn geen einde. Als God dus ‘eeuwig’ is, dan wil dat zeggen dat de rest dus niet ‘eeuwig’ is. Begrijpt u dat? Want alleen God is ‘eeuwig’. In de afgelopen week werd ik daar midden in de nacht van wakker. Als u begrijpt wat er staat, namelijk: de ‘eeuwige’ God, dan is de rest dus niet eeuwig. Want ‘eeuwig’ wil zeggen: geen begin, geen einde. En wie heeft dat? Alleen God. Alles is UIT God. (Romeinen 11:36, 1 Korintiërs 8:6). 228

Dus alles heeft een begin. God niet. God heeft geen begin. Dus alleen God is eeuwig. Snapt u? Wat is dan een ‘eeuwig’ koninkrijk? Dat zou een koninkrijk moeten zijn, dat geen begin en geen einde heeft. Als je dan 2 Petrus 1:11 neemt, dan is het wellicht mogelijk dat het geen einde heeft, maar het heeft wel degelijk een begin. Wat is het begin van dat ‘eeuwige’ koninkrijk? Volgens sommige uitleggers, wanneer volgens Openbaring 11:15 onze God en zijn Gezalfde over de wereld gaan heersen. Dat is het begin van het ‘eeuwige’ koninkrijk. Het heeft misschien wel geen einde. Maar het heeft wel een begin. Dus is het niet ‘eeuwig’. ‘Eeuwig’ is het alleen, als het geen begin en geen einde heeft. Andere uitleggers verwijzen naar Lucas 1:33. Daar staat dat God aan Christus de troon van zijn vader David gaat geven. Die troon is dan het begin van het ‘eeuwige’ koninkrijk. Die troon van David werd gevestigd in 960 voor Christus. Die troon heeft een begin gehad. Dus is het geen ‘eeuwig’ koninkrijk. Want een ‘eeuwig’ koninkrijk heeft èn geen begin èn geen einde. Dus in 2 Petrus 1:11 is het geen ‘eeuwig’ koninkrijk. Het verwijst naar het Messiaanse Koninkrijk. En dat heeft een begin. Het is dus niet ‘eeuwig’. In Johannes 10:28 zegt onze Heer dat Hij de gelovige ‘eeuwig’ leven schenkt. Wanneer begint dat eeuwige leven voor die gelovige? Op het moment dat Christus hem dat geeft. Het heeft misschien wel geen einde. Maar het heeft zéker een begin. 229

Dan is dat leven dus niet ‘eeuwig’. Want ‘eeuwig’ heeft geen begin en geen einde. Nu het woord ‘eeuwigheid’. Volgens het woordenboek Koenen betekent ‘eeuwigheid’: duur zonder aanvang of einde. In Openbaring 22:5 staat: “… zij zullen als koningen heersen tot in alle eeuwigheden.” Maar wanneer begint dat heersen? Dat begint met de ‘eerste opstanding’. U kunt dat lezen in Openbaring 20:4, 6. Daar begint het. Dat heersen is dus niet tot in ‘eeuwigheid’. Want een eeuwigheid heeft geen aanvang en geen einde. In Openbaring 20:7-10 wordt beschreven wanneer de pijniging begint. Na het duizendjarige rijk. Er is dus geen pijniging in ‘alle eeuwigheden’. Want een ‘eeuwigheid’ heeft geen aanvang en geen einde. Dan hebben we nog Openbaring 1:18, waar Christus zegt: “… en Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheden …” Maar bij zijn opstanding begon zijn nieuwe leven. Christus heeft dus geen ‘eeuwig’ leven. Want een ‘eeuwig’ leven heeft geen begin en geen einde. Het is dus duidelijk dat een uitdrukking als: ‘tot in eeuwigheid’ helemaal niet mogelijk is. Een ‘eeuwigheid’ heeft namelijk geen aanvang en geen einde. ‘Tot in eeuwigheid’ is een holle frase. Maar nu komen we er. Eindelijk, zeg ik, eindelijk. Het sjaaltje, de bijbelvertaling, gaat nu in twee delen naar de grond. Onbruikbaar, verder. 230

Kijken we naar de verschillende vormen van het woord ‘eeuwigheid’. Wat zijn ‘eeuwigheden’? Dat is een volstrekt belachelijke uitdrukking. God heeft dit nooit zo gezegd. Wat heeft Hij dan wel gezegd? Laten we dan helemaal teruggaan naar ons eerste begin. Wat heeft broeder Ouweneel gezegd? ‘Aiōn’ duidt soms op een beperkte tijdsperiode. Weet u nog dat hij dat gezegd heeft? En laten we zo’n beperkte tijdsperiode nou eens niet ‘eeuw’ noemen. Want ‘eeuw’ heeft in onze Nederlandse taal de betekenis gekregen van honderd jaar. Bijvoorbeeld: de tachtigjarige oorlog begon in de 16e eeuw. Of, een iets langere periode dan honderd jaar: de ‘Gouden Eeuw’. Laten we die tijdsperiode nou eens geen ‘eeuw’ noemen. Laten we gewoon Gods Woord gebruiken. Laten we zo’n periode gewoon ‘aeon’ noemen. Dat doen we met andere woorden uit het Grieks ook. ‘Evangelie’ is ‘euangelion’. ‘Apostel’ is ‘apostolos’, enzovoorts … Allemaal klanknabootsingen van het Grieks. Dus laten we nou gewoon zeggen: ‘aeon’. En een ‘aeon’ is dus een beperkte tijdsperiode. We gaan terug naar het begin van de toespraak. De teksten die daar genoemd zijn geven met het woord ‘aeon’ een perfecte betekenis weer. “noch in deze aeon, noch in de toekomende (aeon)” En “de zorg voor deze aeon”. En: “de voleinding van de aeon”. En: “de kinderen van deze aeon”. En: “wordt niet gelijkvormig aan deze aeon”. En: “waar is de redetwister van deze aeon”. En: “een wijsheid echter, niet van deze aeon”. 231

En: “geen van de beheersers van deze aeon heeft van haar geweten”. En: “de god van deze aeon”. En: “om ons te trekken uit de tegenwoordige, boze aeon”. En: “uit liefde voor de tegenwoordige aeon”. Enzovoorts … Gaan we naar de volgende verwijzingen: Marcus 10:29-30. “Jezus zeide: Voorwaar, Ik zeg u, er is niemand, die huis of broeders of zusters of moeder of vader of kinderen of akkers heeft prijsgegeven om Mij en om het evangelie, of hij ontvangt honderdvoudig terug: nu, in deze tijd, huizen en broeders en zusters en moeders en kinderen en akkers, met vervolgingen, en in de toekomende eeuw [aeon] het eeuwige leven.” Wacht even … Er staat geen ‘het eeuwige leven’, maar er staat: “het aeonische leven”. En in Lucas 20:35 “maar die waardig gekeurd zijn van die aeon”. En in Efeziërs 2:4,6-7 “om in de toekomende aeonen”. En in Hebreeën 6:4-6 “de krachten der toekomende aeon gesmaakt hebben”. En dan staat er in Efeziërs 3:11 “kata prothesin tōn aiōnōn” – “naar het voornemen van de aeonen”. We lezen ook in Hebreeën 1:2 dat God door Christus ‘de aeonen’ geschapen heeft. Niet de ‘wereld’. Ja, natuurlijk heeft Hij ook de wereld geschapen. Maar er staat in Hebreeën 1:2 niet dat Hij de ‘kosmos’ (de wereld) geschapen heeft. Hij heeft de ‘aiōnas’- de ‘aeonen’ geschapen. Daarom wordt God ook in 1 Timoteüs 1:17 ‘de Koning van de aeonen’ genoemd. 232

En dan lees je ook in Hebreeën 11:3 dat de aeonen door het woord Gods zijn voortgebracht. Ziet u hoe de bedekking over het Woord van God wordt weggenomen? Bij al die teksten, die we nu gezien hebben, krijg je, als je het woord ‘aeon’ invult, een heel andere bijbel. Alle moeilijkheden verdwijnen. God wordt in de Schriften genoemd: ‘theos aiōnios’: ‘de aeonische God’ (Romeinen 16:26). Waarom is onze God een ‘aeonische’ God? God openbaart zich niet als de ‘eeuwige’ God. Want dat kunnen wij niet begrijpen. Wij kunnen niet begrijpen dat iets of iemand zonder begin en zonder einde is. Wij kunnen het met de mond wel zeggen. Maar begrijpen zullen we het nooit. Waarom niet? Wij zijn schepselen. En God wil zich openbaren aan zijn schepselen op een manier dat wij Hem kunnen begrijpen. Hij zegt van zichzelf: ‘Ik ben de aeonische God. Want Ik heb de aeonen geschapen. Ik was er al vóór de aeonen. Ik openbaar mijzelf aan jullie als de aeonische God, de God van de aeonen.’ Lieve broeders en zusters, wanneer u deze Schriftplaatsen nog eens rustig overdenkt, dan zult u met mij tot de conclusie komen dat er helemaal geen ‘eeuwigheid’ bestaat, maar dat God alleen spreekt over ‘aeonen’. Tot slot wil ik nog een laatste opmerking over deze brochure maken. Zoals u heeft gezien staan er in de brochure van broeder Ouweneel veel zware woorden. Die bij nadere bestudering te licht bevonden worden. Want wat broeder Ouweneel in deze brochure zegt, is gewoon niet waar. 233

Maar daar kun je alleen maar achter komen, als je het in het Grieks nakijkt. Concordant, natuurlijk. Zoals eerder gezegd, broeder Ouweneel heeft een vooraanstaande positie binnen de christelijke gemeenschap verworven. En hij is oprecht bezorgd. Dat prijzen wij in hem. Maar in zijn bezorgdheid gaat hij een stapje te ver. En komt hij op glad ijs. En zegt onze broeder onvoorzichtige dingen. Het woord ‘alverzoening’ komt rechtstreeks uit Kolossenzen 1:20. Daar staat glashelder dat God alles verzoent. “apokatallaxai ta panta”. Ta panta: het alles. Dus als broeder Ouweneel zegt: ‘Alverzoening, besproken en weerlegd’, dan zegt hij eigenlijk dat hij Gods Woord weerlegt. Dat zou ik niet voor mijn rekening durven nemen. Begrijpt u? God zegt: ‘Ik verzoen het al.’ En mijn broeder zegt: ‘Ik zie argumenten, waarom het niet zo is.’ Dan spreekt mijn broeder God tegen. En dat is niet zo verstandig. Maar wij zeggen allemaal wel eens onverstandige dingen. Dingen die tegen het Woord ingaan. En dan zegt de Heer later tegen ons: ‘Ik zei het je toch?’ En dan moeten we tegen onze Heer zeggen: ‘Ja, Heer, U had gelijk.’ 234

14. Het verzoendeksel Vorige week donderdagavond reed ik met André Piet mee naar Rotterdam. Hij zou daar een toespraak houden over Matteüs 24. Wij bespraken onderweg de bijbelstudiedag die in Garderen zou gaan plaatsvinden. Deze dag dus. En ik vroeg aan André hóe wij zouden gaan spreken. Zittend of staand. Hij zei: ‘Menno, dat weet je toch. Dat hangt ervan af … Leraren zitten en profeten staan.’ Ik zei tegen hem: ‘Nou, dat wordt dus staan voor mij.’ Ik begon te lachen om mijn eigen grapje. Dat doe ik altijd. Lachen om mijn eigen grapjes. Waarom? Nou, dan weten de mensen dat ik een grapje maak … Ja … Je kan tegenwoordig niet voorzichtig genoeg zijn … Voordat je het weet, krijg je allerlei misverstanden … En toen zei ik: ‘Maar het wordt toch wel zitten, denk ik.’ André werd nieuwsgierig. Hij zei: ‘Vertel.’ Ik zei: ‘Nou, het probleem is, dat ik eigenlijk twee boodschappen heb. Een harde en een zachte. En tot nu toe kan ik nog geen keuze maken. De ene dag denk ik: ik doe de harde. En de volgende dag denk ik: nee, ik doe toch de zachte.’ André zei: ‘Nou, de Heer zal je wel wijsheid geven wat te doen.’ En toen kregen we het over heel andere onderwerpen. Over onze kinderen. En over de parallellen tussen Matteüs 24 en Openbaring 6. Voor we het wisten waren we in Rotterdam … 235

De volgende avond, vrijdagavond dus, sprak ik met een broeder, met wie ik veel samenwerk. Zijn opinie is voor mij heel belangrijk. We hadden het over mijn dilemma. En ik zei dat ik waarschijnlijk de harde boodschap zou gaan brengen. En toen zei die broeder: ‘Je moet de broeders natuurlijk geen aanstoot geven.’ Ik dacht: ‘Dat is waar.’ Dus tóch de zachte variant … De avond daarna, zaterdagavond dus, was ik op een familieverjaardag. Ook de beste vriend van mijn oudste neef was daar aanwezig. Ik ken hem al heel lang. Maar eigenlijk ken ik hem niet ècht. Hij is een wat stille en gereserveerde figuur. Op een gegeven moment, die avond, had ik een gesprek met mijn neef. En die vond van iets dat ik dat absoluut moest doen. Ik zei dat ik er op dit moment geen tijd voor had, maar ik zou erover nadenken. Die vriend van mijn neef had het laatste gedeelte van ons gesprek opgevangen. Hij nam mij apart. Hij ging tegenover mij zitten. Zijn gezicht stond heel ernstig. Hij zei: ‘Ik moet u iets zeggen. Ik hoop dat u er geen aanstoot aan neemt.’ Ik dacht: ‘Hé, hetzelfde woord aanstoot … nou zal je het krijgen, Menno, hou je vast.’ Ik zei: ‘Zeg het maar.’ Hij zei: ‘Ik wil niet onbeleefd zijn, maar hoe oud bent u eigenlijk?’ Ik zei: ‘Zeventig.’ Hij zei: ‘Juist ja, ik dacht al zoiets. Weet u, mijn vader is overleden toen hij net 70 was.’ Ik zei: ‘O.’ 236

De vriend van mijn neef legde, onverwacht, zijn beide armen op mijn armen. Een intiem en indringend gebaar. Hij zei: ‘Misschien heeft u niet veel tijd meer, zoals mijn vader. Doe wat u doen moet. Stel het niet uit.’ Na deze woorden stond hij op en liep hij weg. Misschien heeft die vriend van mijn neef wel gelijk. En heb ik niet veel tijd meer. En moet ik doen wat ik moet doen. En daarom krijgt u vanmiddag twee boodschappen van mij. De harde èn de zachte. Mijn onderwerp vanmiddag is: ‘het verzoendeksel’. Of, zoals André vanmorgen in zijn presentatie al aangaf, juister gezegd: ‘de beschutplaats’. Om het vanmiddag eenvoudig te houden en om aan te sluiten bij uw bijbelvertaling, zal ik steeds het woord ‘verzoendeksel’ gebruiken. Maar u weet dan dat ik eigenlijk ‘beschutplaats’ bedoel. Goed. Laten we eerst even naar de feiten kijken. Wanneer wij in onze bijbelvertalingen in het Nieuwe Testament het woord ‘verzoendeksel’ opzoeken, dan vinden we dat in Hebreeën 9:5. Eerst het Grieks: “huperanō de aute cheroubein doxes kataskiazonta to hilastērion” Dan de Statenvertaling. “En boven over deze ark waren de cherubijnen der heerlijkheid, die het verzoendeksel beschaduwden …” Hier wordt in de Statenvertaling het woord ‘verzoendeksel’ gebruikt voor het Griekse woord ‘hilastērion’. 237

Nu de bijbelvertaling van het NBG. “… daarboven waren de cherubs der heerlijkheid, die het verzoendeksel overschaduwden …” In de vertaling van het NBG wordt dus eveneens het woord ‘verzoendeksel’ gebruikt voor het Griekse woord ‘hilastērion’. U ziet dat in beide Nederlandse bijbelvertalingen het woord ‘verzoendeksel’ gebruikt wordt voor het Griekse woord ‘hilastērion’. Nu wordt ditzelfde Griekse woord ‘hilastērion’ nog een keer in het Nieuwe Testament gebruikt, en wel in Romeinen 3:25. “hon proetheto ho theos hilastērion” In de Statenvertaling: ‘… Die God voorgesteld heeft tot een verzoening …’ De Statenvertaling vertaalt het Griekse woord ‘hilastērion’ hier, in Romeinen 3:25, met ‘verzoening’. De Statenvertaling gebruikt het woord ‘verzoening’ ook in 1 Johannes 2:2. Eerst het Grieks: “kai autos hilasmos estin” De Statenvertaling heeft hier: “… en Hij is een verzoening …” U ziet dat de Statenvertaling hier het woord ‘verzoening’ gebruikt voor het Griekse woord ‘hilasmos’. Even voor de duidelijkheid: De Statenvertaling gebruikt het woord ‘verzoening’ dus voor twee verschillende Griekse woorden, voor ‘hilasmos’ èn voor ‘hilastērion’. 238

Dat kan natuurlijk niet: òf ‘hilasmos’ is verzoening, òf ‘hilastērion’. In het Grieks is dit onderscheid heel gemakkelijk. Het achtervoegsel -mos geeft een handeling aan. Achtervoegsel -mos: seismos basanismos hagiasmos hilasmos – – BEVing, aardbeving KWELLing – HEILIGing – VERZOENing Het achtervoegsel -tērion geeft de plaats aan waar de handeling plaats vindt. Achtervoegsel -tērion: desmōtērion kritērion akroatērion hilastērion – – – – BINDEN-plaats, gevangenis OORDELEN-plaats, rechtbank LUISTEREN-plaats, audiëntiezaal VERZOENEN-plaats, verzoendeksel Dit is dus duidelijk: ‘hilasmos’ is de verzoening als handeling, ‘hilastērion’ is de plaats waar de verzoening plaatsvindt. Nu gaan we terug naar Romeinen 3:25, nu in de vertaling van het NBG. Eerst weer het Grieks: “hon proetheto ho theos hilastērion” Nu het NBG: ‘… Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel …’ U ziet dat het NBG ‘hilastērion’ vertaalt met ‘zoenmiddel’. Dat is niet juist. ‘Hilastērion’ is niet het middel, maar de plaats. 239

‘Hilastērion’ is, net zoals in Hebreeën 9:5, de verzoenplaats, dat wil zeggen: het ‘verzoendeksel’. Tot zover de feiten. Nu zitten we wel met een vraag. Wat voor vraag? Nou, waarom de bijbelvertalers het woord ‘hilastērion’ met ‘verzoening’ en ‘zoenmiddel’ vertaald hebben, terwijl er eigenlijk ‘verzoendeksel’ staat. Laten wij ons even verplaatsen in het proces van de bijbelvertaling. Er is een vertaler van het Nieuwe Testament. En deze deskundige vertaalt in Hebreeën 9:5 het woord ‘hilastērion’ met ‘verzoendeksel’. Terecht, want deze vertaler weet dat het woord ‘hilastērion’ uit de LXX komt. De LXX is de oud-Griekse vertaling van het Hebreeuwse Oude Testament. In de LXX wordt het woord ‘hilastērion’ uitsluitend gebruikt voor het Hebreeuwse woord ‘kapporet’, dat ‘verzoendeksel’ betekent. Bovendien geeft de woordopbouw in het Grieks aan dat ‘hilastērion’ de verzoen-plaats is. ‘Hilastērion’ betekent dus: ‘verzoendeksel’. Zonder enige twijfel. Deze vertaler, een wetenschapper, heeft dus al het wetenschappelijk bewijs vóór zich. ‘Hilastērion’ komt 27 keer voor in het Oude Testament. Alle 27 keer wordt het woord ‘hilastērion’ met ‘verzoendeksel’ vertaald. En de vertaler is in Hebreeën 9:5 óók het woord ‘hilastērion’ tegengekomen. De vertaler móest daar ‘hilastērion’ wel met ‘verzoendeksel’ vertalen. Hij kón niet anders. Waarom? 240

Nou, in dit vers is het verzoendeksel een onderdeel van de ark. En nu komt deze vertaler bij Romeinen 3:25. Daar staat weer het woord ‘hilastērion’. En deze vertaler wéét dat het woord ‘hilastērion’ ‘verzoendeksel’ betekent. Maar hij vertaalt ‘hilastērion’ hier, in Romeinen 3:25, met ‘verzoening’ of ‘zoenmiddel’. Waarom doet hij dat? Nou, omdat deze vertaler geen idee heeft waarom hier, in Romeinen 3:25, het woord ‘verzoendeksel’ gebruikt wordt. Nu staat deze vertaler niet alleen. Hij is lid van een vertaal-team. Een team van deskundigen. Deze teamleden lezen de vertaling van Romeinen 3:25. En daar lezen ze dat hun collega ‘hilastērion’ met ‘verzoening’ of ‘zoenmiddel’ vertaald heeft. En dan zeggen die teamleden niet: ‘Zeg, collega, “hilastērion” is toch “verzoendeksel”?’ Nee, ze zeggen: ‘Goede oplossing, collega, om hier, in Romeinen 3:25, “hilastērion” met “verzoening” of “zoenmiddel” te vertalen.’ Waarom zeggen zij dat? Nou, omdat ook het vertaal-team geen idee heeft waarom hier, in Romeinen 3:25, het woord ‘verzoendeksel’ gebruikt wordt. Dit is nog niet alles. Er is ook nog een overkoepelende vertalingscommissie. Deze deskundigen controleren alle vertalingen op hun juistheid. En de leden van die overkoepelende vertalingscommissie lezen de vertaling van Romeinen 3:25. En zij zien dat de genoemde vertaler hier ‘hilastērion’ met ‘verzoening’ of ‘zoenmiddel’ vertaald heeft. En dan zegt die overkoepelende vertalingscommissie niet: ‘Zeg, collega, “hilastērion” is toch “verzoendeksel”?’ Nee, ze zeggen: ‘Uitstekende oplossing, collega, om hier, in Romeinen 3:25, “hilastērion” met “verzoening” of “zoenmiddel” te vertalen.’ 241

Waarom zeggen zij dat? Nou, omdat ook die overkoepelende vertalingscommissie geen idee heeft waarom hier, in Romeinen 3:25, het woord ‘verzoendeksel’ gebruikt wordt. Dit is dus de eerste grote vraag van vanmiddag: Waarom wordt er hier, in Romeinen 3:25, het woord ‘verzoendeksel’ gebruikt? Het antwoord is: Anders klopt de vergelijking in deze verzen niet. Er moet ‘verzoendeksel’ staan. Laten we eerst even naar Romeinen 3:23-24 kijken. Daar staat in de NBG-vertaling: “Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus.” Omdat het voegwoord ‘en’ twee keer voorkomt in deze zin, is het woord ‘allen’ twee keer weggelaten. Maar je moet het erbij lezen. Eigenlijk staat er dus: “Want allen hebben gezondigd en allen derven de heerlijkheid Gods, en allen worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus. Hem heeft God voorgesteld (letterlijk:) [het] verzoendeksel [te zijn] …” God heeft Christus Jezus dus voorgesteld het verzoendeksel te zijn. Wat is dat: Hij is het verzoendeksel? Eenmaal per jaar moest de hogepriester bloed sprenkelen op het verzoendeksel. Ten behoeve van zichzelf en van het gehele volk. En dan zegt Leviticus 16:30: “Want op deze dag zal over u verzoening (letterlijk: ‘beschutting’) gedaan worden, om u te reinigen; van al uw zonden zult gij gereinigd worden voor het aangezicht des HEREN.” 242

Het verzoendeksel (de beschutplaats) was dus de plaats waar de complete reiniging van de zonden van het gehele volk plaats vond, zodat het gehele volk rein voor het aangezicht van de HERE was. Het verzoendeksel was dus voor heel het volk. Voor iedereen. Wie iemand ook was, en wat hij ook gedaan had, iedereen werd gereinigd van al zijn zonden. Waarom is Christus Jezus dus het verzoendeksel? Nou, omdat allen gezondigd hebben en allen derven de heerlijkheid Gods en allen worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus. Reiniging en verzoening voor allen, dus. Daarom stelt God Christus Jezus voor ‘het verzoendeksel’ te zijn. Verzoening voor allen, wie iemand ook is. En wat hij ook gedaan heeft. God heeft Christus Jezus dus voorgesteld het ‘hilastērion’, het ‘verzoendeksel’ te zijn, zodat allen gerechtvaardigd worden. Als je dit woord ‘hilastērion’ hier, in Romeinen 3:25, dan vertaalt met ‘verzoening’ of ‘zoenmiddel’, dan begrijp je deze verzen niet. En als je deze verzen niet begrijpt, dan begrijp je het evangelie, het goede bericht, dus ook niet. O? Nee, want je weet dan niet wat het goede bericht eigenlijk is. O, nee? Nee. Nou, wat is dat goede bericht dan? Het goede bericht is dat God allen rechtvaardigt omdat Christus Jezus het verzoendeksel is. God rechtvaardigt dus allen. Nu zou je denken dat iedereen heel erg blij wordt van deze mededeling. En vooral de broeders. Nou, dat had je gedacht. 243

Heel veel broeders worden juist erg zenuwachtig als je ze vertelt dat God allen rechtvaardigt. Waarom? Nou, hun kerkgenootschap verkondigt dat God niet allen rechtvaardigt. En hun voorgangers spreken zware sancties uit tegen degenen die er anders over durven te denken. De rechtvaardiging van allen is in de ogen van deze voorgangers ‘een verderfelijke ketterij’. Weet u, toen ik gisteren nog steeds aarzelde of ik deze middag een harde of een zachte boodschap zou gaan uitspreken, toen werd ik bepaald bij juist dit punt. Dat de druk vanuit het kerkgenootschap zo groot is, dat mijn broeders eronder bezwijken. Dat hun emotie het wint van hun verstand. Mijn broeders zeggen: ‘Ja, Romeinen 3:25 zegt wel dat God allen rechtvaardigt, maar dat kán niet waar zijn. Zouden onze leiders zich zó erg vergist hebben? Dat kan ik niet geloven.’ En dan beroepen mijn broeders zich op de woorden van hun voorgangers. En daarmee stellen mijn broeders het woord van mensen hoger dan het Woord van God. Of, om het met de woorden van onze Heer te zeggen: Marcus 7:13 Eerst het Grieks: “akurountes ton logon tou theou tē pardosei humōn” “Jullie maken het Woord van God ongeldig in jullie overlevering.” In het NBG: ‘gij maakt het woord Gods krachteloos door uw overlevering.’ Let even op het verschil tussen de grondtekst en de bijbelvertaling. 244

In de bijbelvertaling staat: ‘En zo maakt gij het woord Gods krachteloos door uw overlevering …’ In het Grieks staat er ‘ongeldig’ in plaats van ‘krachteloos’. ‘Krachteloos’ is, in combinatie met ‘het Woord van God’, natuurlijk geen juiste vertaling. Gods Woord is nooit krachteloos. Door het Woord van God zijn de hemelen en de aarde gemaakt. Gods Woord is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard. Hoezo, krachteloos? Alsof wij mensen Gods Woord krachteloos zouden kunnen maken … Nee, jullie maken in jullie overleveringen Gods Woord ongeldig. En dan niet ‘door’ jullie overlevering, maar ‘in’ jullie overlevering. De derde naamval in het Grieks geeft het domein aan, de plaats. Onze Heer laat in Marcus 7:13 zien dat de geestelijke leidslieden van zijn tijd het woord van mensen belangrijker vonden dan de woorden van God. De geestelijke leidslieden van ónze tijd spreken met de woorden van onze bijbelvertalingen. En deze woorden van de bijbelvertalingen zijn dan de basis van allerlei conclusies. Deze conclusies heten ‘theologie’, ook wel ‘geloofsopvattingen’ genoemd. En deze geloofsopvattingen worden aan de broeders, die in de kerkgenootschappen verblijven, dwingend opgelegd. Als je deze geloofsopvattingen niet beaamt, dan heb je een probleem. Je wordt dan uit de christelijke gemeenschap gezet. Zo is de situatie in de christelijke kerken. Een buitengewoon ongewenste situatie. Het is de hoogste tijd dat we dit eens in een ander licht gaan bezien. Hoe doen we dat dan? 245

Nou, we gaan bezien waar deze geloofsopvattingen van de kerkgenootschappen nu eigenlijk op gebaseerd zijn. Laten we teruggaan naar het proces van de bijbelvertaling. Daar hebben de deskundigen ‘hilastērion’ met ‘verzoening’ en ‘zoenmiddel’ weergegeven. Terwijl er eigenlijk ‘verzoendeksel’ staat. Dat heet in gewoon Nederlands: de bijbelvertalers hebben ons onjuiste informatie gegeven. Maar dat heb je niet in de gaten, als je alleen een bijbelvertaling hebt. Dan denk je dat je weet wat je leest. Maar je weet niet wat je leest. Want er staat eigenlijk iets anders. Maar dat weet je niet. En vervolgens handel je naar wat je leest. Dus? Nou, laten we ons dat even praktisch voorstellen. Stel, dat u verdwaald bent. U weet wel uw eindbestemming. Maar uw navigatiesysteem werkt niet. En dan komt u bij een T-splitsing. U kunt linksaf, of u kunt rechtsaf. Wat moet u doen? U weet het niet … Maar u boft. Want er komt een voorbijganger aan. U stapt snel uit uw auto. U zegt: ‘Goedenavond.’ De voorbijganger kijkt op. Hij zegt ook: ‘Goedenavond.’ U vraagt aan hem of hij hier bekend is. De voorbijganger zegt dat hij zijn hele leven hier gewoond heeft. U zegt: ‘Prachtig.’ En dan vertelt u aan die voorbijganger wat uw eindbestemming is. Maar dat uw navigatiesysteem niet werkt. 246

En dan zegt die voorbijganger dat dit absoluut geen probleem is. Want hij weet hoe u op uw eindbestemming moet komen. U zegt: ‘Prachtig. Vertel me, moet ik dan nu naar links of naar rechts?’ En die voorbijganger wéét dat u eigenlijk naar rechts moet. Maar hij zegt: ‘U moet naar links.’ Hij geeft u dus onjuiste informatie. Maar dat weet u uiteraard niet. U bedankt de voorbijganger. U gaat weer in uw auto zitten. En dan rijdt u, op aanwijzing van die voorbijganger, naar links. Waar komt u dan terecht? Ja, ergens. Maar niet op uw eindbestemming. Want dat was de andere kant op. Begrijpt u? Wanneer ik met broeders erover spreek dat er in onze bijbelvertaling eigenlijk iets anders staat dan in het origineel, dan halen zij hun schouders op. Dan zeggen ze tegen mij: ‘Jòh, maak je niet zo druk, wat maakt het uit …’ Wat maakt het uit? Nou, dat zal je gedacht wezen! Twintig jaar geleden was ik eens op een bijbelstudiedag. André Piet hield daar ’s middags een voortreffelijk betoog over ‘eeuwigheid’. Dat er in je bijbel wel staat ‘eeuwigheid’, maar dat er in het origineel, in het Grieks, ‘aeon’ en ‘aeonen’ staat. Dat Gods Woord niet spreekt over ‘eindeloosheid’, maar over onafzienbare tijdperken, die alle een begin en een einde hebben. Dat is nogal een verschil. Of niet? Nou, na afloop mochten de toehoorders vragen stellen. Er stond een oudere dame op. Ze had een bijbel in haar hand. 247

Ze zei: ‘Hoe komt het toch, dat sprekers altijd zeggen: in uw bijbel staat er wel dit-en-dat, maar eigenlijk, in het origineel, staat er zus-en-zo. Kunnen we onze bijbel eigenlijk nog wel vertrouwen?’ Goede vraag, hè, van die zuster? Nee, het is helemaal geen goede vraag. O, nee? Nee, die zuster had een conclusie moeten trekken. Die zuster had moeten zeggen: ‘Luister eens, als er in onze bijbel dit-en-dat staat, maar eigenlijk, in het origineel staat er zus-en-zo, dan kunnen we onze bijbel dus niet meer vertrouwen.’ Toch? Die vraag: ‘Kunnen we onze bijbel eigenlijk nog wel vertrouwen?’ is hetzelfde als ‘een beetje zwanger zijn’. ‘Een beetje zwanger zijn’ is wartaal. Dat kan iedere vrouw je vertellen. Je bent niet ‘een beetje zwanger’. Je bent òf zwanger, of je bent níet zwanger. Zo is het met de bijbel ook. De bijbel is niet ‘een beetje’ waar. De bijbel is òf waar, of de bijbel is níet waar. Begrijpt u? In de afgelopen 22 jaar hebben André de Mol en ik samen het ISA-programma ontwikkeld. Met ons programma vergelijken wij de grondtekst van de bijbel met de bijbelvertalingen. Dit computerprogramma is vrij beschikbaar op het internet. Wanneer u ons programma aandachtig bestudeert, dan zult u tot de conclusie komen dat niet één regel in de bijbelvertalingen een juiste weergave is van het origineel. Misschien denkt u nu dat ik overdrijf. Was het maar waar … Zelfs deze toespraak zit vol onjuiste weergaven van het origineel. 248

Want ‘verzoendeksel’ is eigenlijk ‘beschut-plaats’. En ‘verzoenen’ in Leviticus 16 en 1 Johannes 2: 2 is eigenlijk ‘beschutten’. Maar hoe kan ik tot u spreken zonder de termen die van uw bijbelvertaling afkomstig zijn? U zou mij niet begrijpen. In uw bijbelvertaling staat er iets anders dan in het origineel. Honderden woorden worden verkeerd weergegeven. ‘Bekeren’ is eigenlijk ‘bezinnen’. ‘Hel’ is eigenlijk ‘dal van Hinnom’. ‘Engelen’ zijn eigenlijk ‘boodschappers’. Een ‘dienstknecht’ is eigenlijk een ‘slaaf’. Een ‘apostel’ is eigenlijk een ‘afgevaardigde’. ‘Rechterstoel’ is eigenlijk ‘podium’. ‘Kroon’ is eigenlijk ‘lauwerkrans’. ‘Kind’ is op heel veel plaatsen eigenlijk ‘zoon’. ‘Kind’ is op heel veel andere plaatsen eigenlijk ‘onmondige’. ‘Meester’ is eigenlijk ‘leraar’. ‘Ongerechtigheid’ is eigenlijk ‘wetteloosheid’. ‘Testament’ is eigenlijk ‘verbond’. ‘Heidenen’ zijn eigenlijk ‘natiën’. ‘Val’ is eigenlijk ‘misstap’. ‘Leven’ is op heel veel plaatsen eigenlijk ‘ziel’. ‘Eeuwigheid’ (in de kerkelijke betekenis van ‘eindeloosheid’) is eigenlijk ‘aeon’ (een onafzienbaar tijdperk met een begin en een einde). ‘Wereld’ is op heel veel plaatsen eigenlijk ‘aeon’ … Ook de grammaticale vormen worden in de bijbelvertalingen door elkaar gehusseld. Tijdloze feiten worden weergegeven als handelingen, ja zelfs als voltooide handelingen. Voorwaardelijkheid wordt weergegeven als werkelijkheid. Verleden, heden en toekomst lopen in de bijbelvertalingen door elkaar heen. U leest in uw bijbelvertaling iets. Ach, wat zal ik ervan zeggen? 249

Weet u wel wat u leest? Nee, u denkt dat u weet wat u leest. Anderhalf jaar geleden stond ik hier ook. Op dezelfde plek. Ik sprak toen over: ‘Weet je wel wat je leest?’ En toen zei ik: ‘Nee, je denkt dat je weet wat je leest.’ Weet u wat zo vreemd was? De toehoorders namen mijn toespraak voor kennisgeving aan. Ze zeiden: ‘Interessant.’ Interessant?? Er waren ook een aantal broeders die mijn woorden in twijfel trokken. En een enkeling nam er aanstoot aan. Dat werd mij na afloop ook kenbaar gemaakt. Weet u wat ik miste? Verontrusting. Ik zal u dit vertellen: als het echt tot je doordringt dat onze hele bijbelvertaling bestaat uit iets wat er eigenlijk niet staat, dan breekt het zweet je uit. Dan word je heel erg verontrust. Maar ik zie hier geen verontruste mensen. Weet u waarom u niet verontrust bent? Omdat u de consequenties ervan niet beseft. Wat zijn die consequenties dan? Nou, de geloofsopvattingen van alle kerkgenootschappen in de wereld zijn gebaseerd op hun bijbel. Maar in hun bijbel staat er iets anders dan in het origineel. De geloofsopvattingen van alle kerkgenootschappen in de wereld zijn dus gebaseerd op iets wat er eigenlijk niet staat. Begint het bij u te dagen? Ik zeg het nog een keer: de geloofsopvattingen van alle kerkgenootschappen in de wereld zijn gebaseerd op iets wat er eigenlijk niet staat. 250

Dat is het slechte nieuws. Wat is dan het goede nieuws? Dat het allemaal niets uitmaakt. Pardon? Nee, het maakt absoluut niet uit welke geloofsopvattingen de kerkgenootschappen hebben. De geloofsopvattingen van de kerkgenootschappen zijn volstrekt niet ter zake doende. Niet? Nee, want wij worden door God uitsluitend gerechtvaardigd uit zijn genade door de verlossing in Christus Jezus. Hij is het verzoendeksel. En dan ben ik op bezoek in Londen. In deze grote wereldstad staat er om de paar honderd meter een ander kerkgebouw. Ik zie een Anglicaanse kerk, een Baptist Church, een Free Baptist Church, een Methodist Church, een United Reform Church, New Life Ministries, the World Wide Triumphant Church … Teveel om op te noemen. Ik kan er bijna niet naar kijken. Het is gewoon te pijnlijk. Waarom? Nou, in die kerkgebouwen verkondigen de kerkgenootschappen hun geloofsopvattingen. Mijn broeders spreken over de eeuwigheid, over de hèl, over de eeuwige straf, over de onsterfelijke ziel, over dat hun overleden geliefden nu in de hemel zijn, ze spreken over de volwassendoop, over de kinderdoop, over de wedergeboorte, over de veronderstelde wedergeboorte, zij spreken over dat zij verbondskinderen zijn, dat zij het geestelijk Israël zijn, en dat je dus de tien geboden moet onderhouden, en dat je je tienden aan het kerkgenootschap moet geven, mijn broeders hebben sacramenten, rituelen, charismatisch-profetische bedieningen … Al die kerkgenootschappen hebben hun eigen, exclusieve waarheid. 251

Allemaal gebaseerd op hun bijbelvertalingen. Allemaal gebaseerd op iets wat er eigenlijk niet staat. Mijn broeders zijn door de deskundigen de verkeerde kant op gestuurd. In plaats van rechtsaf zijn mijn broeders linksaf gegaan. Begrijpt u? Alle kerkgenootschappen, wereldwijd, zijn verdwaald. En als u daar graag bij wilt horen, dan zal ik u niet tegenhouden. Maar u moet zich wel realiseren, dat àls u daar bent, dat u dan de taal van verdwaalde mensen hoort. Nu vinden de kerkgenootschappen zèlf dat zij helemaal niet verdwaald zijn. Integendeel, zij waarschuwen ons ernstig. O ja? Ja, zij zeggen tegen ons dat wij ons bij hen moeten aansluiten. Waarom? Anders gaan wij voor eeuwig verloren … Nou, ècht niet. Waarom niet? Nou, omdat wij door God uitsluitend gerechtvaardigd worden uit zijn genade door de verlossing in Christus Jezus. Hij is het verzoendeksel. Omdat de kerkgenootschappen verdwaald zijn, luisteren zij niet meer naar Gods Woord. Niet? Nee, want zij horen alleen nog maar hun eigen woorden. Zoals onze Heer al zei: in jullie overlevering maken jullie het Woord van God ongeldig … Doen mijn broeders dat? In hun overlevering Gods Woord ongeldig maken? Ja, luister maar naar de volgende dialoog. Zeg broeder … jij zegt dus dat allen gerechtvaardigd worden. Nou, dat zeg ík niet, Gods Woord zegt het. 252

Ja, maar broeder … je weet toch dat de kerk, wereldwijd, zegt dat niet allen gerechtvaardigd worden? Dat weet ik, maar Gods Woord zegt dat allen gerechtvaardigd worden. Maar, broeder … de kerk heeft toch tweeduizend jaar lang gezegd dat niet allen gerechtvaardigd worden? Zeker, maar Gods Woord zegt dat allen gerechtvaardigd worden. Maar, broeder … Luther en Calvijn hebben toch ook gezegd dat niet allen gerechtvaardigd worden? Zeker, maar Gods Woord zegt dat allen gerechtvaardigd worden. Maar broeder … mijn predikant, mijn voorganger, mijn pastoor zegt dat niet allen gerechtvaardigd worden. Dat kan wel zijn, maar Gods Woord zegt dat allen gerechtvaardigd worden. Laten we het nou gewoon eens omdraaien. Hoe bedoel je? Nou, er staat in Romeinen 3:25, dat allen gerechtvaardigd worden. Eens? Staat dat er? Ja, dat staat er. God zegt het dus. Ja. Nou, wie zijn wij dan, dat wij God zouden tegenspreken? Weet u, wat één van onze grootste problemen is? Dat wij God voortdurend tegenspreken. Is dat zo? Ja, dat is echt zo. Maar hoe komt het dan dat wij God voortdurend tegenspreken? Dat komt omdat wij nog niet tot besef van de waarheid gekomen zijn. In 1 Timoteüs 2:4 staat dat God, onze Redder, wil dat alle mensen worden gered en tot besef van de waarheid komen. Wat is dat: besef van de waarheid? In Johannes 17 zegt onze Heer in zijn gebed tot God: ‘Uw Woord is de waarheid.’ Wat betekent dat? 253

Dat betekent dat God in Zijn Woord de waarheid heeft vastgelegd. Zijn statuten, zijn beschikkingen. Die waarheid staat onwrikbaar vast. Daar kan geen schepsel in het universum iets aan veranderen. In Gods Woord kunnen wij dus de waarheid leren kennen. Maar het is niet genoeg dat wij de waarheid wéten. Wij moeten ook tot besèf van de waarheid komen. Dat wij van harte zeggen: ‘Heer, Uw Woord is waar, U hebt helemaal gelijk.’ O ja, hoe gaat zoiets dan, dat wij tot besef van de waarheid komen? Nou, God zegt tegen ons dat allen gerechtvaardigd worden. En dan vragen wij ons af: waaróm worden allen gerechtvaardigd? En dan zegt God tegen ons: ‘Nou, omdat allen gezondigd hebben.’ En dan vragen we ons af: is dat zo? ‘Ja’, zegt God tegen ons, ‘er is niemand die doet wat goed is, zelfs niet één.’ Natuurlijk, zeggen we, dat weten we, dat staat in Romeinen 3:12. “… er is niemand, die doet wat goed is, zelfs niet één.” Inderdaad. Dat wéten we. Maar besèffen we dat ook? Eén van de redenen waarom heel veel van mijn broeders de rechtvaardiging van allen verwerpen, is, omdat zij het niet kúnnen accepteren. Zij vinden het heel erg moeilijk dat bepaalde personen in het verleden of in het heden, die verschrikkelijke dingen gedaan hebben, óók gerechtvaardigd zullen worden. Laten we even heel eerlijk zijn. Dat vinden wij allemaal heel erg moeilijk. 254

Of er kunnen bepaalde personen in ons leven zijn die we eigenlijk niet kunnen vergeven. Zij hebben ons leven ernstig beschadigd … En als die mensen óók gerechtvaardigd worden … We moeten er niet aan dénken … Dat zou absoluut niet eerlijk zijn … Weet u, eigenlijk vinden we dat die personen de genade van God niet verdienen. Dat is op zich een vreemde gedachte, natuurlijk, want als je genade verdient, dan is het, volgens Romeinen 11:6, geen genade meer. Maar goed, laten we zeggen, dat we toch, gevoelsmatig, aan die gedachte vasthouden. Wij vinden dat die personen, waar wij zo’n moeite mee hebben, de genade niet verdienen. Daarmee zeggen wij eigenlijk, dat wij die genade wel verdienen. Want wij vinden eigenlijk van onszelf dat wij best wel goed bezig zijn. Wat zeg ik: wij zijn zelfs héél goed bezig … Maar Gods Woord waarschuwt ons ernstig dat wij nooit van onszelf moeten denken dat wij goed bezig zijn. Is dat zo? Ja, dat is echt zo. Als u in uw bijbel kijkt, dan zult u zien dat de tekst uit Romeinen 3:12 – “er is niemand, die doet wat goed is, zelfs niet één” – een citaat is uit Psalm 14. Onze Heer kende die tekst ook. En Hij besèfte de waarheid daarvan. In Marcus 10:17 lezen we dat iemand voor de Heer op zijn knieën valt en aan Hem vraagt: ‘Goede Meester, wat moet ik doen …?’ En dan reageert de Heer meteen: ‘Wat noem je Mij goed? Niemand is goed dan God alleen.’ Wij moeten er dus op letten dat wij onszelf niet ‘goed’ noemen, of dat wij onszelf heel ‘goed’ vinden. Niemand is goed dan God alleen. 255

En omdat niemand doet wat goed is, hebben allen het ‘verzoendeksel’ nodig. Begrijpt u? Er zijn ook heel veel broeders die om een heel andere reden de rechtvaardiging van allen verwerpen. Zij zeggen dan: ‘Ik heb voor God gekozen, en de ongelovigen niet.’ Misschien denkt u ook wel zo. Mag ik wat zeggen? Wij hebben helemaal niet voor God gekozen. O, nee? Nee, wij hebben Hem zelfs niet eens gezócht. O, nee? Nee. Want in Romeinen 10:20 zegt God: “Ik ben gevonden door wie Mij niet zochten …” Laten we dus niet zeggen dat wij God gezocht hebben, want dan spreken wij God tegen. De genade van God is juist dat Hij ons gezocht heeft. Nu zijn er misschien mensen in de zaal, die vandaag voor het eerst op een bijeenkomst als deze aanwezig zijn. En die het allemaal wel mooi, maar ook allemaal een beetje vréémd vinden. Tot hen wil ik zeggen: Ik begrijp dat u het allemaal een beetje vreemd vindt, maar eigenlijk is het allemaal heel eenvoudig. O, ja? Ja. Kijk, u hebt God nooit gezocht. U zou ook niet weten hoe … Maar God zoekt ú. Hij komt naar u toe. En dan spreekt Hij tot u. In een kerk. Of op straat. Of op uw werk. Of op het internet. 256

Of misschien hier wel, in deze bijeenkomst. En dan zegt Hij tot u: ‘Ik rechtvaardig jou, want mijn Zoon is het verzoendeksel.’ En vreemd genoeg weet u in uw hart dat het waar is. U weet dat het God is die tot u spreekt. En dan hoeft u alleen maar te zeggen: ‘Heer, het is waar wat U zegt. Dank U, Heer, U rechtvaardigt mij, want Uw Zoon is het verzoendeksel.’ En dan bent u een kind van God. Zo simpel is het. Dat meen je niet. Ja, dat meen ik wel. Weet u waarom? Nou, u bent tot besef van de waarheid gekomen. Of niet? En daar gaat het om. God wil dat u tot besef van de waarheid komt. Nu zijn er ook broeders die al jaren geleden door God zijn geroepen. Zij gaan hun hele leven al naar de kerk. En dan gaan ze plotseling twijfelen. Zij vragen zich af: ben ik wel een kind van God? Tegen die broeders wil ik zeggen: Christus Jezus is het verzoendeksel. Ja, dus? Nou, toen in het verleden de hogepriester één keer per jaar het bloed op het verzoendeksel sprenkelde, werd iedereen in het volk gereinigd. Niemand kon zeggen: wat daar achter het voorhangsel gebeurde, was niet voor mij. Had iemand in het volk deel aan het sprenkelen op het verzoendeksel? Nee, ze waren gewoon op de plaats waar zij waren. De verzoening werd voor hen gedaan. 257

En God zei tegen een ieder: ‘Je bent gereinigd.’ Ja, zegt u, maar jij weet niet wat voor slechte dingen ik allemaal gedaan heb. En nog steeds doe … Maakt niet uit. Dat verandert niets aan het feit dat Christus Jezus het verzoendeksel is. Ja, zegt u, maar jij weet niet hoe ik twijfel aan alles. Maakt niet uit. Dat verandert niets aan het feit dat Christus Jezus het verzoendeksel is. Ja, zegt u, maar ik voel niets. Maakt niet uit. Dat verandert niets aan het feit dat Christus Jezus het verzoendeksel is. God heeft ons geroepen. Niet omdat wij zo goed zijn. Want we weten inmiddels dat wij niet-goed zijn. Waarom heeft God ons dan geroepen? Nou, om aan de hemelse gewesten te laten zien wat genade is. Dat Hij ons, die niet-goed zijn, geroepen heeft. En dat Hij ons – zonder tegenprestatie – rechtvaardigt uit zijn genade door de verlossing in Christus Jezus. Hij is het verzoendeksel. Waar blijft het roemen dan? Het is uitgesloten. En als wij tot besef van de waarheid gekomen zijn, dat God ons in volstrekte genade geroepen heeft, dan kunnen wij onze broeders ook aanvaarden. Waarom? Nou, omdat onze broeders ook in volstrekte genade geroepen zijn. Ook zij zijn niet-goed. 258

En ook zij worden gerechtvaardigd uit zijn genade door de verlossing in Christus Jezus. Hij is het verzoendeksel. Romeinen 15:7 “Daarom, aanvaardt elkander, zoals ook Christus ons aanvaard heeft tot heerlijkheid Gods.” Wij kunnen dan onze broeders aanvaarden zoals ook Christus ons aanvaard heeft, tot heerlijkheid van God. Is een broeder Rooms Katholiek? Prijs God. Is een broeder Nederlands Hervormd? Dank U, Heer. Is een broeder Gereformeerd? Prijs God. Is een broeder Chrístelijk Gereformeerd? Dank U, Heer. Is een broeder artikel 31 Binnen Verband? Prijs God. Is een broeder artikel 31 Buiten Verband? Dank U, Heer. Is een broeder Luthers? Prijs God. Is een broeder Baptist? Dank U, Heer. Is een broeder evangelisch? Prijs God. Is een broeder charismatisch? Dank U, Heer. Is een broeder van Stromen van Krácht? Prijs God. Is een broeder van Stromen van Lévend Water? Dank U, Heer. Gedraagt een broeder zich naar onze waarden en normen? Prijs God. Gedraagt een broeder zich niet naar onze waarden en normen? 259

Dank U, Heer. Paulus gebruikt een heel hoofdstuk om deze kwestie te bespreken. Hij zegt in Romeinen 14: ‘Wie ben jij dat jij de knecht van iemand anders oordeelt ? Of hij staat of valt, gaat zijn eigen heer aan. Maar hij zal staande blijven, want de Heer is bij machte hem vast te doen staan.’ En dan zegt Paulus: ‘Laten wij dan niet langer elkander oordelen.’ Waarom niet? Dan zegt Paulus: ‘Omdat een ieder van ons rekenschap voor zichzelf zal geven aan God.’ En bij dat ‘rekenschap geven aan God’ hebben wij het verzoendeksel nodig, Christus Jezus. En dan gaat het er niet om of wij iets wèl begrijpen. Of dat wij iets niet begrijpen. Christus Jezus is het verzoendeksel. Dat is het enige belangrijke. Dat is wat telt voor God. Begrijpt u? En als wij eenmaal onze broeders kunnen aanvaarden, dan zegt God bij monde van de afgevaardigde Paulus in 1 Timoteüs 4:10 tegen ons: “Hiervoor zwoegen en strijden wij, omdat wij onze hoop gevestigd hebben op de levende God, die de redder is van alle mensen, bovenal van de gelovigen.” [NBV] En God zegt bij monde van de afgevaardigde Johannes in 1 Johannes 4:14 “En we hebben zelf gezien waarvan we nu getuigen: dat de Vader zijn Zoon gezonden heeft als redder van de wereld.” [NBV] Dat ‘van alle mensen’ en ‘van de wereld’ is een nadere omschrijving van het woord ‘Redder’. Kijk, op zich zegt het woord ‘Redder’ niks. Er zijn honderdduizenden redders in de wereld. Een man redt een kind uit het water. 260

Dan is hij de redder van een kind. Een vrouw redt in Pieterburen zieke zeehondjes. Dan is zij de redder van zieke zeehondjes in Pieterburen. Als u op uw computer een bestand ‘save-t’, dan redt u een bestand, zodat het niet verloren gaat. Dan bent u, bij wijze van spreken, de ‘redder van het bestand’. Maar God is de Redder van alle mensen. En zijn Zoon is de Redder van de wereld. Want God heeft Christus Jezus voorgesteld het verzoendeksel, de beschutplaats, te zijn. Voor heel het volk. Wie zijn wíj dan dat wij God tegenspreken? O, wat een heerlijke dag, wanneer wij tot besef van de waarheid komen! Dat wij zeggen: ‘Heer, Uw Woord is waar. U hebt helemaal gelijk. Dank U, Heer, dat allen gerechtvaardigd worden.’ Op dat moment heeft God zijn pleit met ons beslecht. En dan is God natuurlijk nog niet klaar. Wel met ons, natuurlijk. Maar de hele schepping moet tot besef van de waarheid komen. Dat gebeurt ook. Dat staat in Filippenzen 2. Kijk, God zegt in zijn Woord: ‘Jezus Christus is Heer.’ Jezus Christus is Heer van allen, van levenden en van doden, ja, van de hele schepping. Dat is Gods statuut, dat is Gods beschikking. En dan zeggen sommigen van zijn schepselen: ‘Ik geloof niet dat Jezus Christus mijn Heer is.’ Dat maakt geen verschil. Jezus Christus is hun Heer, of zij dat nu wel of niet geloven. En dan zeggen sommigen van zijn schepselen: ‘Ja, maar, ik accepteer Jezus Christus niet als Heer.’ Dat maakt geen verschil. Jezus Christus is hun Heer, of zij Hem wel als Heer accepteren of niet. 261

Waarom? Nou, Gód zegt dat Jezus Christus hun Heer is. Dat is de waarheid. En God zal net zolang in zijn schepselen werken totdat zij tot besef van de waarheid komen. Dat zijn schepselen zeggen: ‘Heer, Uw Woord is waar, U hebt helemaal gelijk. Jezus Christus is Heer.’ Hoe weet ik dat? Nou, dat staat in Filippenzen 2. Daar staat dat alle knie zich zal buigen van hen die in de hemel zijn en van hen die op de aarde zijn en van hen die onder de aarde zijn, en alle tong zal belijden dat Jezus Christus Heer is. In Filippenzen 2 is de hele schepping dus tot erkentenis van de waarheid gekomen. Dan heeft God zijn pleit met de hele schepping beslecht. Wat een glorieus moment zal dat zijn! 262

15. Sola Scriptura Drie maanden geleden kwamen André, Gerard en ik bij elkaar. We zouden deze studiedag voorbereiden. Een verdeling maken van de onderwerpen waar we graag over wilden spreken. Die verdeling zou dan ook gebaseerd moeten zijn op onze persoonlijke voorkeuren. Het werd al snel duidelijk. André zou de inleiding verzorgen. Hij zou een algemene beschouwing houden over 500 jaar Reformatie. Wat de betekenis daarvan is voor het heden en voor de toekomst. Gerard zou daarna de grote thema’s van de Reformatie behandelen. Wat is dat: sola fide, sola gratia en sola scriptura? En ik moest natuurlijk ook nog wat doen. Ik vertelde aan André en Gerard wat ik bedacht had. Ik noemde mijn verschillende ideeën. Al mijn ideeën werden onmiddellijk, resoluut, van de tafel geveegd. Daar waren André en Gerard heel stellig in. Wat ik bedacht had, was niet zo geschikt voor de studiedag. Mijn broeders hadden nog goede argumenten ook. Ik moest ze gelijk geven. Maar nu had ik dus wel een probleem. Want ik had mijn presentatie al maanden geleden voorbereid. En nu vonden mijn broeders mijn ideeën toch niet zo passend. Ik was een beetje uit het veld geslagen. Ik zei: ‘Jullie hebben nu je onderwerp, maar ik dan?’ De mannen zeiden: ‘Tja …’ En toen gingen zij opgewekt naar huis. 263

Daar zat ik. Wat nu? Ik heb in het verleden een aantal toespraken gehouden. Niet zoveel, hoor. Maar een paar. André plaagt mij er altijd mee. Hij zegt dan: ‘Jij hebt eigenlijk maar één boodschap … de Bereeërs.’ En dan lachen we samen. Want het is waar. Ik hèb maar één boodschap: de Bereeërs. Ook vandaag. De naam ‘Bereeërs’ is afgeleid van de mannen uit Berea. In Handelingen 17 worden deze mannen beschreven. Deze mannen gingen dagelijks de Schriften na. Waarom? Nou, om te zien of de boodschap die Paulus en Barnabas brachten, wel zo was. Waarom heeft de kerk in onze tijd Bereeërs nodig? Of, beter gezegd: waarom moeten wij eigenlijk allemaal Bereeërs zijn? Het antwoord is heel eenvoudig. Dat heeft met ons geloof te maken. Wat is dat: ‘ons geloof’? Wat is eigenlijk ‘geloven’? Volgens het woordenboek betekent ‘geloven’: ‘vertrouwen hebben in de betrouwbaarheid van iemands woorden’. Oké. Als je vertrouwen hebt in de betrouwbaarheid van de woorden van God, dan ben je dus een gelovige. Heb je geen vertrouwen in de betrouwbaarheid van de woorden van God, dan ben je dus een ongelovige. Tot zover is het helder. Niets aan de hand, zou je zo zeggen. 264

Toch wel. Heel veel gelovigen, namelijk, geloven, zoals hun geloofsgemeenschap hen dat voorschrijft. Deze gelovigen denken er ook niet al te veel over na. Zij voelen zich veilig in de schoot van hun geloofsgemeenschap. Maar is dat wel ‘geloof’? Weet je, wij hebben in onze taal het woord ‘lichtgelovigheid’. Wat is dat, lichtgelovigheid? Volgens het woordenboek: ‘dat je geneigd bent iets te geloven, zonder het gecontroleerd te hebben’. Soms dènken we dat we iets geloven. Maar we hebben het niet gecontroleerd. Dan zijn wij dus ‘lichtgelovig’. Soms horen we een boodschap in een kerk. Of in de christelijke media. Als we dan verstandig zijn, dan kijken we dat na in onze bijbel. Of het wel zo is. Anders zijn we lichtgelovig. ‘Ja, maar’, zeg je, ‘wacht even, wacht even … Jij zegt toch steeds dat de bijbel niet goed vertaald is?’ Ja. Nou, dan heeft het weinig zin om het in de bijbel na te kijken. Dat is waar. Twee jaar geleden sprak ik hier ook. Ik sprak over de bijbelvertaling. Dat die op veel plaatsen niet juist vertaald is. Dat er eigenlijk iets anders staat. Ik vroeg toen: ‘Weet je wel, wat je leest?’ En ik zei toen: ‘Nee, je weet niet wat je leest … Je dènkt dat je weet wat je leest.’ Vorig jaar in Garderen sprak ik ook. Eigenlijk weer over hetzelfde thema. Weet je wel, wat je leest? 265

Vorig jaar in Garderen was ik ook een beetje verontrust. Omdat ik het gevoel had dat de toehoorders niet verontrust waren. Dat de toehoorders mijn toespraak wel interessant vonden. Dat wel. Maar dat zij niet verontrust waren. Toch? Dat dacht ik. Ik had het mis. Een paar maanden geleden was ik bij een presentatie van André. De locatie waar hij sprak, was niet om de hoek. Het was in Urk. ‘Op’ Urk, zoals de mensen in Urk dat zelf zeggen. Mijn vrouw en ik reden er heen. We namen plaats achter in het zaaltje. We zaten er nog maar net, toen er een broeder naar ons toe kwam. Hij gaf ons een hand. En hij zei meteen wat hij op zijn hart had. Hij zei tegen mij: ‘Toen ik gisteren in bad lag, heb ik jouw toespraak van Garderen nog eens beluisterd.’ Ik zei: ‘Oké.’ Hij zei: ‘Ja, voor de zesde keer.’ Ik zei: ‘O.’ Mijn broeder werd geëmotioneerd. Ik zag beginnende tranen. Hij zei: ‘Toen mijn vrouw voor de eerste keer jouw toespraak hoorde, heeft ze heel erg gehuild.’ Ik knikte. Ik kon niets zeggen. Ik voelde dat ik ook geëmotioneerd werd. Hij zei: ‘Weet je wel, vooral toen je de lijst opnoemde van woorden, die niet kloppen. Echt verschrikkelijk. Het enige in dit 266

leven waar we rotsvast op vertrouwden, onze bijbel, bleek niet waar te zijn.’ Ik wist precies wat hij bedoelde. Ik moest denken aan mijn eigen ervaring, nu bijna veertig jaar geleden. Dat ik er achter kwam dat de NBG-vertaling op veel plaatsen onjuist vertaald was. Het was een grote schok. Weet je wel, wat je leest? Nee, je weet niet wat je leest. Je dènkt dat je weet wat je leest. Toen ik daar veertig jaar geleden achter kwam, was dat een keerpunt in mijn leven. Ik had er nooit bij stil gestaan dat mijn bijbel een vertaling was. Jij wel? Nou ik niet. Theoretisch wist ik dat wel. Maar ik stond er niet bij stil. Ik dacht dat mijn bijbelvertaling onfeilbaar was. Dat er geen fouten in stonden. Ik vertrouwde er blindelings op. Maar ik had het nooit gecontroleerd. Ik was niet gelovig geweest. Maar lichtgelovig. Ik herinner mij een bijeenkomst waar ik eens was. André had daar een magistrale toespraak gehouden over de aeonen. Na afloop van zijn toespraak konden de aanwezigen vragen stellen. Een oudere dame vroeg zich af: ‘of ze haar bijbel dan eigenlijk nog wel kon vertrouwen?’ Er ontstond een groot geroezemoes in de zaal. De vraag van die zuster viel helemaal weg. De meeste aanwezigen waren al bezig hun spullen in te pakken. Ik had innig medelijden met mijn oudere zuster. 267

Ik begreep haar ontreddering heel goed. Ook haar wanhoop. Zij was machteloos. Zij wilde haar bijbel vertrouwen. Maar ze had de kennis niet, om het te controleren. Ik wilde haar eigenlijk aanspreken. Ik wilde tegen haar zeggen: ‘Zuster, we hebben toch de Studiebijbel. Gebruik die.’ De Studiebijbel. Ken je die? Daar staat heel veel goede informatie in. De kennis van 500 jaar Reformatie in Nederland. 500 jaar Reformatie is het thema van deze dag. Als je aan mij vraagt: wat vind jij het belangrijkste van de Reformatie? Dan zeg ik: sola scriptura, alleen de Schrift. De Duitse bijbelvertaling van Luther. In 1521. De leek kreeg eindelijk Gods Woord in handen. Nederland kreeg in 1635 zijn Statenvertaling. Sindsdien zijn er in de loop van de tijd ook andere vertalingen in het Nederlands verschenen. Bij dit vertaalwerk in de afgelopen 400 jaar zijn er heel veel feiten boven tafel gekomen. Naast dat vertaalwerk zijn er ook talloze commentaren op die vertalingen geschreven. En die feiten en dat commentaar vind je in de Studiebijbel. De Studiebijbel bestaat uit zeventien delen. Forse boeken. Vol met feiten. Soms moet je goed zoeken voor die feiten. Soms moet je het struikgewas van de theologie opzij schuiven. Maar de feiten staan er. Feiten zijn feiten. 268

Deze Studiebijbel wordt door alle kerkgenootschappen in Nederland van harte ondersteund. En aanbevolen. Eigenlijk zou je die Studiebijbel moeten bestuderen. Ja, zeg je, maar daar heb ik geen zin in, hoor. Die Studiebijbel bestuderen. Zeventien delen. Kom op, zeg. Je hebt gelijk. Je laat je liever in een kerkdienst knollen voor citroenen verkopen. Toch? Je voorganger spreekt over ‘eeuwigheid’. Maar, lieve broeder, eeuwigheid bestaat niet. Kun je in de Studiebijbel vinden. Deel 11, bladzijde 94. Of je predikant spreekt over de ‘hel’. Maar, lieve zuster, de hel bestaat niet. Kun je in de Studiebijbel vinden. Deel 11, bladzijde 533. Of je hoort dat er eigenlijk niet staat dat ‘God een Redder is voor alle mensen’. Maar dat Hij een Redder is van alle mensen. Kun je in de Studiebijbel vinden. Deel 8, bladzijde 704. Of je hoort dat er eigenlijk niet staat dat ‘aan Petrus de prediking van het evangelie aan de besnijdenis is toevertrouwd’. Maar de prediking van het evangelie van de besnijdenis. De prediking dus van het besnijdenis-evangelie. Kun je in de Studiebijbel vinden. Deel 8, bladzijde 40 - 41. 269

Vraagje: waarom is deze informatie uit de Studiebijbel eigenlijk niet algemeen bekend? Tja... En dan lees je in de Studiebijbel dat een ‘diaken’ eigenlijk een bediende is. En een ‘discipel’ eigenlijk een leerling. En een ‘gevangene’ eigenlijk een krijgsgevangene. En het ‘Lam’ in het boek Openbaring is eigenlijk een lammetje. En het boek ‘Openbaring’ zelf zou eigenijk onthulling moeten heten. En dat een ‘adelaar’ eigenlijk een gier is. En dat de ‘duivel’ eigenlijk een verdachtmaker is. En een ‘dienstknecht’ een slaaf is. En een ‘apostel’ een afgevaardigde. En het ‘evangelie’ een goed bericht. En als er in onze bijbel het woord ‘tempel’ staat, dat dat in het meeste gevallen de tempel zelf niet is, maar de gewijde plaats, waar ook de tempel staat. En dat de ‘wijzen uit het Oosten’ eigenlijk magiërs zijn. En dat ‘berouw hebben’ (iets met je gevoel) eigenlijk betekent je bezinnen (iets met je verstand). Dat de ‘ballingschap naar Babel’ eigenlijk de verhuizing naar Babel was. En dat de ‘tabernakel’ eigenlijk gewoon tent betekent. En dat de ‘rechterstoel’ van Christus eigenlijk het podium is. Kun je ook in de Studiebijbel vinden. Deel 11, bladzijde 496. En als je dan een klein beetje verder zoekt, dan vind je dat het podium in de Grieks-Romeinse tijd de plaats is waar ook de prijzen uitgereikt worden. En dat de Heer op die dag je bij zijn podium roept. En dat Hij je dan geen ‘kroon’ geeft, zoals onze vertaling zegt, maar een lauwerkrans. Een lauwerkrans is het teken dat je een overwinnaar bent. Kun je ook in de Studiebijbel vinden. Deel 15, bladzijde 103. 270

Eigenlijk zouden we, met behulp van de Studiebijbel, een goede vertaling moeten maken. Waarbij we al die feiten erin verwerken. De bijbelvertaling aanpassen. Zodat je ook je denken aanpast. Dat zouden we eigenlijk moeten doen. Ja, eigenlijk wel … Maar goed, ik ga nog even met u terug naar die vierde augustus. Toen André, Gerard en ik bij elkaar zaten om deze dag voor te bereiden. Ik vond het een gedenkwaardige middag. Vooral omdat al mijn ideeën als niet ter zake doende werden beschouwd. Ongewenst, zelfs. Daar had ik al die weken aan lopen zwoegen … Na die buitengewoon inspirerende middag gingen de broeders weer naar huis. En ik ging naar mijn computer. Ik keek naar mijn voorbereide toespraken. Ongewenst. Niet meer nodig. Weg ermee. Het werd half zes. Tijd voor een glaasje wijn. Ook een glaasje voor mijn zoon, die in de keuken bezig was. Ter inspiratie voor zijn kookkunsten, zullen we maar zeggen. Ik vond eigenlijk wel, gezien de afgelopen uren, dat het een bijzonder glaasje wijn moest zijn. Dat was tegelijkertijd ook een verrassing voor mijn zoon, die op een huiswijntje rekende. Ik kwam met twee gevulde glazen de keuken binnen. Mijn zoon was druk bezig met in de pannen te roeren. Hij had de afgelopen middag even een paar keer zijn hoofd om de deur gestoken. 271

En hij had de concordante mannen aan de huiskamertafel bezig gezien. Mijn zoon zei: ‘Ha, pap … zijn ze weg?’ Ik zei: ‘Ja.’ Mijn zoon was nieuwsgierig. Hij vroeg: ‘En, hoe was het?’ Ik zei: ‘Goed, jongen, maar al mijn ideeën werden terzijde geschoven.’ Er kwam een scheef lachje op zijn gezicht. Hij zei: ‘Heel goed, pap.’ Ik zei: ‘Hoezo?’ Hij zei: ‘Nou, ik vond al dat jouw ideeën voor die presentatie niet echt positief waren.’ Ik moest er wel om lachen. Mijn zoon is altijd recht voor zijn raap. Net als mijn vrouw. Daar ben ik dus wel aan gewend. Het houdt je ook nederig. Ik gaf mijn zoon het gevulde wijnglas. Hij proefde waarderend. Hij zei: ‘Lekker wijntje.’ Hij zette het glas neer en deed wat verse peper op het hoofdgerecht. De aankomende maaltijd stond heerlijk te pruttelen. Toen vroeg mijn zoon: ‘En, wat ga je nu doen?’ Ik zei: ‘Een goeie vraag.’ En toen ontstond er een gesprek over de brieven van Paulus. Dat die brieven een unieke boodschap hebben. En dat je die boodschap niet in de andere gedeelten van het Nieuwe Testament kunt vinden. Ik keek onderhand naar het gerecht wat mijn zoon aan het klaar maken was. Het rook verrukkelijk. Iets Aziatisch. 272

Mijn zoon zei bedachtzaam: ‘Hmm …’ Hij roerde nog eens in de pan. En deed er een beetje gember bij. En een snuifje van iets wat ik niet zo snel kon thuisbrengen. Mijn zoon draaide het gas laag. Hij zei: ‘Bijna klaar.’ We namen nog een slokje wijn. Toen zei mijn zoon: ‘Wat je daarnet zei, hè, over Paulus, dat moeten de mensen dus wel kunnen controleren.’ Ik zei: ‘Inderdaad.’ Hij zei: ‘En, hoe moeten ze dat dan doen?’ Ik zei: ‘Ze hebben toch mijn Grieks-Nederlandse interlineair op het internet.’ Hij zei: ‘Ja, maar daar kijkt geen hond naar.’ Ik zei: ‘O, waarom niet?’ Hij zei: ‘Nou, dat is veel te ingewikkeld.’ Ik zei: ‘O.’ We namen nog een slokje wijn. En mijn zoon deed iets onduidelijks met het eten. En toen zei hij: ‘Pap, je moet die mensen in Garderen wel wat geven, hoor, niet alleen maar zeggen, dat het allemaal niet klopt.’ Ik zei: ‘Wat bedoel je?’ Hij zei: ‘Nou, je moet een Nederlandse vertaling maken, die past bij je interlineair. Dan kunnen de mensen het zelf controleren.’ Ik protesteerde. Ik zei, dat anderen dat maar moesten doen. Trouwens, er waren al mensen mee bezig. Daar zou je alleen maar gezeur mee krijgen. Nee, daar begon ik niet aan … Hé, weet je wel hoe moeilijk dat is, om zo’n vertaling maken? Ik zag op het gezicht van mijn zoon weer die scheve lach komen. Hij zei: ‘Als jij zo’n vertaling maakt, dan maak ik er een website voor.’ Nou, die website laat ik nu aan u zien. 273

Het heet: geschriften.nl U ziet hier een nieuwe Nederlandse vertaling. Een letterlijke vertaling. Of, laten we het maar een feitelijke vertaling noemen. Omdat al het feitenmateriaal van de Studiebijbel erin is verwerkt. Ik wil voor u de kennis van 500 jaar Reformatie in Nederland toegankelijk maken. Het is een makkelijk leesbare vertaling Natuurlijk is dit ook een heel nauwkeurige vertaling. Maar wel één, die u in de trein kunt lezen, of ’s avonds in bed, of aan tafel. Als u wilt weten of die vertaling wel goed gemaakt is, dan kunt dat controleren. Met behulp van de Grieks-Nederlandse interlineair, die ook op de website staat. Mijn zoon heeft de website zo gemaakt, dat u dit programma op alle manieren kunt gebruiken. Op uw smartphone, op uw computer, op uw e-reader, noem maar op. U kunt het gratis downloaden en printen. Nou, wat let u nu, om de waarheid die u in de christelijke wereld hoort, te controleren? Wees een Bereeër. Sola scriptura. God helpe ons. Amen. 274

16. Loslaten Op 16 februari 1974 riep de Heer mij. Dat was een heftige ervaring. Mijn leven werd met kracht op de rails gezet. Ik begon onmiddellijk de bijbel te lezen. En ik kocht alle christelijke literatuur, die ik maar krijgen kon. Zo kwam ik in contact met het werk van Watchman Nee. En deze broeder schreef over de eerste beginselen van het christelijk geloof. Volgens Watchman Nee zijn de eerste stappen na je bekering: (1) je laten dopen (2) alles verkopen wat je hebt en de opbrengst daarvan aan de armen geven. Alles verkopen? ‘Ja’, zei Watchman Nee, ‘want in Matteüs 19, Marcus 10 en Lucas 18 – drie getuigen dus – zegt de Heer tegen de rijke jongeling: “Verkoop alles wat je bezit, en verdeel het onder de armen, en je zult een schat in de hemelen hebben, en kom hier, volg Mij.”’ Volgens Watchman Nee is dat een duidelijke zaak. Als je niet alles verkoopt wat je hebt, dan ben je nog niet eens begónnen met de Heer te volgen. Want de Heer zegt: ‘Verkoop alles wat je hebt, en kom hier, volg Mij.’ Begrijpt u? Mijn vrouw en ik hadden voor ons trouwen ons al laten dopen. Dat was dus oké. Nu nog alles verkopen. In januari 1978 namen mijn vrouw en ik een drastische beslissing. Wij verkochten alles wat wij bezaten en verdeelden het onder de armen. De volgende maanden wachtten mijn vrouw en ik op aanwijzingen van de Heer. 275

Wat wij moesten doen. De aanwijzingen kwamen niet. Er gebeurde wel van alles. Daar kan ik u uren over vertellen. Maar geen aanwijzingen … Na bijna vijf maanden kwamen we in het huis van mijn zwager terecht. Mijn schoonzusje was net bevallen van haar tweede kind. Mijn vrouw deed daar het huishouden. En ik werkte in een ziekenhuis om in de kosten bij te dragen. Na twee weken kwam ik op een dag thuis van mijn werk. Mijn zwager nam mij apart. Hij zei: ‘Ik moet je wat zeggen. Tijdens mijn stille tijd heeft de Heer mij een boodschap voor jou gegeven.’ Ik dacht: ‘Eindelijk, daar komt de aanwijzing.’ Het gezicht van mijn zwager werd zorgelijk. Hij zei: ‘Het spijt me voor je, maar de boodschap van de Heer is niet zo positief voor jou.’ Ik zei: ‘O.’ En ik dacht: ‘Niet zo positief, oké, oké, als er maar een aanwijzing is, wat we moeten doen.’ Mijn zwager zei: ‘Je begrijpt, dat ik er uren over gebeden heb, want ik wilde er zeker van zijn dat die boodschap echt van de Heer afkomstig is.’ Ik wist dat het waar was, dat van het uren bidden. Ik kende mijn zwager. Hij was een toegewijd christen. Ik achtte hem heel hoog in de Heer. Ik zei dus: ‘Oké, vertel het maar.’ Ik merkte dat mijn zwager zenuwachtig werd. Hij haalde een briefje tevoorschijn. Hij zei: ‘Je mag het pas openmaken als ik weg ben, oké?’ Ik zei: ‘Oké.’ Mijn zwager gaf mij het briefje en hij maakte dat hij wegkwam. Ik deed het briefje open. Er stond één klein zinnetje op: ‘Romeinen 10:2’. 276

Ik zocht het direct op in mijn bijbel. Ik las: “Want ik getuig van hen, dat zij ijver voor God bezitten, bezitten, maar zonder verstand.” Het was alsof ik een klap in mijn gezicht kreeg. Ik wist onmiddellijk waar het over ging. Het ging over dat wij alles verkocht hadden … IJver voor God, maar zonder verstand? Maar dat kon helemaal niet. Wij hadden Gods Woord geloofd. En wij hadden naar Gods Woord gehandeld. Hoezo, ijver zonder verstand? Nee, deze boodschap kon niet van God afkomstig zijn. Absoluut niet. Pas veel later durfde ik het briefje aan mijn vrouw te laten zien. Ook zij was geschokt. Hoe moesten wij nu verder? Gelukkig laat de Heer, als het moeilijk wordt, zijn kinderen niet al te lang wachten. Drie maanden na dit briefje kreeg ik de Companion Bible in handen. En in de Companion Bible wordt, naar aanleiding van Galaten 2:7, uitvoerig uitgelegd, dat er twee evangeliën zijn. Het evangelie van de besnijdenis – voor Israël. En het evangelie van Paulus – voor de natiën. Toen werd alles duidelijk. Mijn vrouw en ik hadden de bijbel volledig verkeerd begrepen. Wij hadden inderdaad ijver voor God gehad. Maar zonder verstand … O, ja? Wat hadden wij dan gedaan? Nou, wij hadden alles verkocht op basis van Matteüs 19, Marcus 10 en Lucas 18. Maar Matteüs, Marcus en Lucas is het evangelie van de besnijdenis. 277

Zoals de Heer dat zelf zegt in Matteüs 15: ‘Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls.’ Alles wat de Heer in Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes zegt, zegt Hij tegen de verloren schapen van het huis Israëls. Het mosterdzaadje, de zaligsprekingen op de berg, het ingaan door de enge poort, het wederom geboren worden, het dopen in geest en in vuur, het nieuwe verbond, de dwaze maagden die geen olie in hun lamp hebben, de rijke man en de arme Lazarus, het vuur van Gehenna en het verkopen van alles wat je bezit en de opbrengst daarvan onder de armen verdelen, het is allemaal van en voor Israël. Het boek Handelingen beschrijft de lotgevallen van het evangelie van de besnijdenis. De brief aan de Hebreeën – de naam zegt het al – is aan de besnijdenis geschreven. Ook de geschriften van Jakobus, Petrus, Johannes en Judas zijn nadrukkelijk en officieel aan de besnijdenis gericht. Als je het eenmaal weet, is het heel eenvoudig. Er zijn twee evangeliën, één van de besnijdenis, en één van Paulus. Deze twee evangeliën zijn heel verschillend. En deze twee evangeliën hebben twee verschillende doelgroepen. Het besnijdenis-evangelie is aan Israël gericht. En het evangelie van Paulus is aan de natiën gericht. Als je dat eenmaal doorhebt, dan begint de grote bevrijding. Want alles wat niet op jou van toepassing is, kun je gewoon loslaten. Gewoon naast je neerleggen. Dat is heel bevrijdend, hoor. Heerlijk … En dan kom ik in een grote, reformatorische kerk. En daar wordt gezamenlijk het Onze Vader gebeden. 278

En dan legt de predikant in zijn predicatie uit, wat er bedoeld wordt met: ‘Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.’ Want onze Heer voegt er enkele verzen later aan toe: ‘Want indien gij de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar indien gij de mensen niet vergeeft, zal ook uw Vader uw overtredingen niet vergeven.’ En dan valt er een grote vrees over de kerkgangers. Want iedereen weet voor zichzelf wel mensen te bedenken, die zij niet kunnen vergeven. Maar dan kan de Heer jou ook niet vergeven … Lieve broeders en zusters, waar staat dit? Dat staat in Matteüs 6. Maar lieve broeders en zusters, dat is het besnijdenis-evangelie. Deze boodschap is aan Israël gericht. Niet aan mij, dus. Ik kan daarom die boodschap uit Matteüs 6 gewoon loslaten. Gewoon naast mij neerleggen. Bevrijdend, hoor. Heerlijk … En dan kom ik in een andere, streng-christelijke, gemeenschap. En daar wordt er tegen de kerkgangers gezegd, dat zij moeten strijden tegen de zonde … Lieve broeders en zusters, waar staat dit? Dat staat in Hebreeën 12. Maar lieve broeders en zusters, dat is het besnijdenis-evangelie. Die boodschap is aan Israël gericht. Niet aan mij, dus. Ik kan daarom die boodschap uit Hebreeën 12 gewoon loslaten. Gewoon naast mij neerleggen. Bevrijdend, hoor. Heerlijk … En dan ben ik in een rouwdienst. En daar wordt er tegen de aanwezigen gezegd dat zij moeten volharden tot het einde. 279

Want dan zullen zij behouden worden … Lieve broeders en zusters, waar staat dit? Dat staat in Marcus 13. Maar lieve broeders en zusters, dat is het besnijdenis-evangelie. Die boodschap is aan Israël gericht. Niet aan mij, dus. Ik kan daarom die boodschap uit Marcus gewoon loslaten. Gewoon naast mij neerleggen. Bevrijdend, hoor. Heerlijk … En dan kom ik in een evangelische gemeenschap. En daar wordt er tegen de aanwezigen gezegd, dat als je lauw bent in je geloof, dat de Heer je dan uit zijn mond zal spuwen. Lieve broeders en zusters, waar staat dit? Dat staat in Openbaring 3. Maar lieve broeders en zusters, Openbaring 3 is het besnijdenisevangelie. Die boodschap is aan Israël gericht. Niet aan mij, dus. Ik kan daarom die boodschap uit Openbaring 3 gewoon loslaten. Gewoon naast mij neerleggen. Bevrijdend, hoor. Heerlijk … En dan kom ik een broeder tegen. En die zegt tegen mij: ‘Naar welke kerk ga jij?’ En dan zeg ik, naar waarheid: ‘Ik ga nooit naar een kerk.’ En dan zegt hij: ‘Maar je mag de onderlinge bijeenkomst niet verzuimen.’ En dan zeg ik: ‘Dat weet ik, broeder, dat staat in de brief aan de Hebreeën.’ En dan zegt hij: ‘Ja, dus …?’ En dan zeg ik: ‘De brief aan de Hebreeën is een onderdeel van het besnijdenis-evangelie. Dat evangelie is niet voor mij. Dat evangelie is voor Israël.’ En dan kijkt die broeder mij aan alsof hij water ziet branden … 280

Deze broeder heeft geen idee waar hij over praat. Hij gelooft in iets wat niet voor hem bestemd is. Ik kan daarom zijn opmerking gewoon loslaten. Gewoon naast mij neerleggen. Bevrijdend, hoor. Heerlijk … En dan kom ik een andere broeder tegen. En die zegt tegen mij: ‘Zou je niet eens gaan evangeliseren?’ En dan zeg ik: ‘Pardon?’ En dan zegt hij: ‘Ja, je weet wel, toon mij uw werken.’ En dan zeg ik: ‘Wat bedoel je, broeder?’ En dan zegt hij: ‘Dat weet je toch, geloof zonder werken is dood.’ En dan zeg ik: ‘Dat weet ik, broeder, dat staat in de brief van Jacobus.’ En dan zegt hij: ‘Ja, dus …?’ En dan zeg ik: ‘De brief van Jacobus is een onderdeel van het besnijdenis-evangelie. Dat is niet voor mij. Dat is voor Israël.’ En dan kijkt ook díe broeder mij aan alsof hij water ziet branden … Ook deze broeder heeft geen idee waar hij over praat. Ook deze broeder gelooft in iets wat niet voor hem bestemd is. Ik kan daarom zijn opmerking gewoon loslaten. Gewoon naast mij neerleggen. Bevrijdend, hoor. Heerlijk … Ik had eens – op bezoek in Amerika – een gesprek met een zeer vooraanstaande broeder. Voorgangers uit heel Amerika kwamen naar deze broeder toe voor advies. Deze broeder riep mij ter verantwoording over een theologische kwestie. Ik kon zijn opmerkingen eenvoudig pareren met de Schriften. Deze zeer vooraanstaande broeder was omringd door zijn trouwe broederraad. Ik stond voor een soort Sanhedrin, zal ik maar zeggen. 281

Je hoorde, bij wijze van spreken, de ingehouden adem van deze broederraad, vanwege de ‘heiligheidschennis’, dat ik deze autoriteit durfde tegen te spreken. De betreffende pastor werd steeds bozer. Dat zo’n blaaskaak uit Nederland hem niet serieus nam. Op het laatst zei hij tegen mij dat ik zijn bediening smaadde. En die bediening, zo zei hij, had hij van de Heilige Geest gekregen. Ik zondigde dus tegen de Heilige Geest. Wat ik, trouwens, helemaal niet deed. Ik haalde alleen de Schriften aan. Maar deze pastor was gewoon woedend omdat ik zijn leergezag niet accepteerde. En toen sprak deze zeer vooraanstaande broeder een vervloeking uit. Hij zei: ‘Als jij je niet bekeert, is er geen vergeving voor jou in eeuwigheid.’ Die slag onder de gordel zag ik niet aankomen. Ik ging dan ook knock-out. Toen ik weer bijkwam, keek ik in mijn Griekse Bijbel. En daarin stond dat ik “geen vergeving had tot in de aeon”. Ik haalde opgelucht adem. Gelukkig maar. Niet eeuwig. Maar tot in de aeon. Dus tijdelijk. Er kwam een einde aan … Nu kan ik er om lachen. Waarom? Nou, omdat deze vervloeking in Marcus 3:29 staat. En Marcus is het evangelie van de besnijdenis. En het evangelie van de besnijdenis is voor Israël. Niet voor mij bestemd, dus. Deze broeder had geen idee wat hij tegen mij zei. Deze broeder geloofde in iets wat niet voor hem bestemd was. 282

Ik heb oprecht medelijden met deze broeder. Wat hij gelooft, heb ik zelf ook geloofd. Maar ik ben ervan bevrijd. En daarom kan ik die uitspraak uit het besnijdenis-evangelie gewoon loslaten. Gewoon naast me neerleggen. Bevrijdend, hoor. Heerlijk … ‘Ja’, zegt u, ‘dat wil ik ook wel, dat loslaten.’ En dan zeg ik: ‘Heel goed.’ ‘Ja’, zegt u, ‘maar ik weet niet hoe dat moet.’ Tuurlijk wel. Hoe dan? Nou, heel eenvoudig … als een broeder iets tegen u zegt, dan vraagt u eerst aan hem: ‘Waar staat dat, broeder?’ En als die broeder dat niet weet, dan hoeft u ook niet naar hem te luisteren. Waarom zou u naar een onwetende luisteren? Maar als hij bijvoorbeeld tegen u zegt: ‘Dat staat in de brief van Johannes’ … Of: ‘Dat staat in Ezechiël.’ Dan zegt u: ‘Dank u, broeder, maar dat is het besnijdenisevangelie. Dat is niet voor mij bestemd.’ En dan laat u het los … Is het zó eenvoudig? Ja, zo eenvoudig is het. Alles, wat niet van het evangelie van Paulus is, gewoon loslaten? Ja, gewoon loslaten. O, dat is bevrijdend … Ja, dat is zeker bevrijdend. O, dat is heerlijk … Ja, dat is ècht heerlijk. 283

284

17. Wie weet, weet beter Mijn dochter ging naar een exit-gesprek van haar werk. Ergens in een bedrijfspand op een afgelegen industrieterrein. In een uithoek van Rotterdam. Vlak bij dat industrieterrein stond een cafeetje. Mijn dochter zei: ‘Pap, wil jij op mij wachten in dat cafeetje?’ Ik zei: ‘Oké.’ Uiteraard. Ik was meegegaan voor morele ondersteuning. Voor het ventileren van emoties na het exit-gesprek. In dat cafeetje wachtte ik dus op mijn dochter. En ik nam onderhand een bescheiden biertje. Het was warm die middag. En ik hoefde niet te rijden. Vandaar. Op een van de tafels in dat cafeetje lag een Rotterdams magazine. Ik bladerde erin. En daarin stond een interview met Jules Deelder. De bekende Nederlandse dichter, voordrachtskunstenaar en schrijver. De verslaggeefster was duidelijk gecharmeerd van Deelder. Hij werd levendig door haar beschreven. En bij het afscheid nemen zei Jules Deelder op een achteloze manier: ‘Je weet het, meisje, wie weet, weet beter, wie niet, niet.’ Een magistrale uitspraak. Van Jules Deelder, de woordkunstenaar … Een week na dat exit-gesprek van mijn dochter, hield ik een toespraak in Garderen. Over de onjuiste bijbelvertalingen. Die toespraak zal voor altijd in mijn gedachten verbonden blijven met die uitspraak van Jules Deelder in dat magazine op 285

die warme middag in het cafeetje bij het industrieterrein in Rotterdam. Die uitspraak van Jules Deelder geeft namelijk de situatie in kerkelijk Nederland treffend weer. In die toespraak in Garderen sprak ik dus over de onjuiste bijbelvertalingen. Dat was trouwens niet de eerste keer dat ik over dit onderwerp sprak. Ik roep al jaren: ‘Weet je wel, wat je leest?’ Heel veel broeders nemen daar aanstoot aan. Dat ik dát durf te zeggen. Dat de gangbare bijbelvertalingen ‘onjuist’ zijn. Deze broeders hebben geen idee hoe ernstig deze situatie is. Waarom is deze situatie zo ernstig? Omdat er iedere week duizenden toespraken (‘preken’) en bijbelstudies gehouden worden in de diverse kerken. Deze toespraken en bijbelstudies zijn gebaseerd op de gangbare bijbelvertalingen. En dat is een hachelijke onderneming. Want die gangbare bijbelvertalingen zijn onjuist. En aangezien die toespraken en bijbelstudies op die onjuiste bijbelvertalingen zijn gebaseerd, krijg je dan ook onjuiste toespraken en bijbelstudies. Eigenlijk zijn die toespraken en bijbelstudies dan ook allemaal ‘blowing in the wind’. Het gaat helemaal nergens over … Dat vinden broeders niet zo prettig als ik dit zo zeg. Maar het is natuurlijk wel waar. Natuurlijk is het allemaal ‘blowing in the wind’. En denk niet, dat ik het leuk vind om dit tegen u te zeggen. Integendeel, ik heb er heel veel hartzeer over. O, ja? Ja, omdat honderdduizenden kerkgangers in de kerken volstrekt onjuiste informatie krijgen. Zij zitten in hun kerken argeloos te luisteren. 286

Zonder te beseffen dat zij christelijke prietpraat te horen krijgen. Nou, nou, broeder, overdrijven is ook een kunst. O, dacht u dat? Ja, zo erg is het nou ook weer niet … Oké, als u denkt dat ik overdrijf, dan neem ik u mee naar een willekeurig voorbeeld. We gaan naar Jesaja 40:7 (in de NBG-vertaling). “Het gras verdort, de bloem valt af, als de adem des HEREN daarover waait.” Mooi hè? Ja, maar dat staat er niet. Er staat iets anders. O, ja? Ja. Het gaat mij vooral om de woorden: ‘als de adem des HEREN daarover waait.’ In het Hebreeuws: “ki ruch ieue nshbe bu”. Letterlijk vertaald: “dat geest-van Jahwe zij-keert-terug inhem”. Het moge duidelijk zijn dat het hier om twee volstrekt van elkaar afwijkende vertalingen gaat. De NBG heeft: ‘als de adem des HEREN daarover waait.’ De concordante vertaling heeft: ‘want de geest van Jahwe keert terug in hem.’ Voor de betekenis van dit vers is de weergave door de NBG van ‘Jahwe’ met ‘Heer’ niet zo belangrijk. Dat is een kwestie van cultuurgeschiedenis. Laten we naar de èchte verschillen gaan. Eerst het verschil tussen ‘adem’ en ‘geest’. 287

In Genesis 7:22 treffen we in het NBG de uitdrukking aan: ‘de adem van de levensgeest’. In het Hebreeuws: “nshmth ruch chiim”. Letterlijk: “adem-van geest (van)-leven(s)”. De beide woorden ‘adem’ en ‘geest’ staan naast elkaar. “nshme” is ‘adem’ en “ruch” is ‘geest’. We gaan nu weer terug naar Jesaja 40:7. Daar wordt gesproken over “ruch ieue”. De “geest” van Jahwe. In Jesaja 40:7 staat dus niet ‘adem’, maar “geest”. Vervolgens staat er niet ‘waait’, maar “keert terug”. Het woord ‘nshbe’ is een vervoeging van het werkwoord ‘shb’, ‘terugkeren’. Waarom hebben de vertalers van het NBG dan gekozen voor ‘waaien’? Laten we ons even verplaatsen in de vergadering van de broeders-vertalers. We luisteren naar hun dialogen. Voorzitter, wij hebben hier het woord ‘ruch’. Ja, geachte collega, dat kun je vertalen met ‘wind’ of met ‘geest’. Zeker, voorzitter, we moeten dus naar de context kijken, welk woord hier van toepassing is. Nou, collega, er wordt hier gesproken over een bloem, die afvalt, dan moet het hier wel ‘wind’ zijn … En dan kijken de vertalers-afgevaardigden elkaar aan. En dan zeggen ze: ‘Tja … de wind van de Heer, die terugkeert … Een beetje vreemd … Nou, dan vertalen we met ‘de wind van de Heer waait’. Oké … En dan is het even stil. En dan zeggen ze: ‘Ja, maar eigenlijk vinden we “de adem van de Heer waait” mooier, poëtischer …’ Doen we dat … 288

Ja, geachte vertalers, dat kun je wel doen. Maar dat staat er natuurlijk niet. Er staat wat anders. Maar wie controleert dat? Nou, wij vandaag, dus. De Statenvertaling is wat minder poëtisch. Die heeft: ‘de Geest blaast’. ‘Geest’ is goed, maar ‘blaast’ is interpretatie. De Nieuwe Bijbelvertaling heeft een middenweg gekozen: ‘de adem van de HEER blaast’. ‘Adem’ komt van de NBG-vertaling, en ‘blaast’ van de Statenvertaling. Maar zowel ‘adem’ als ‘blazen’ zijn een onjuiste weergave van de Hebreeuwse woorden. Dat de Statenvertaling en de Nieuwe Bijbelvertaling niet voor ‘waaien’ (NBG) kiezen, is duidelijk. Het werkwoord ‘waaien’ is de vertaling van een ander Hebreeuws woord. Van het Hebreeuwse woord ‘phuch’. Hooglied 2:17 ‘tot de avondwind waait’ (NBG) In het Hebreeuws: “od shiphuch eium” Het NBG vertaalt dus zowel het werkwoord ‘shb’ als het werkwoord ‘phuch’ met ‘waaien’. ‘shb en ‘phuch’ zijn twee totaal verschillende Hebreeuwse woorden. Die in de verste verte niet op elkaar lijken. Als je dan die twee woorden met een zelfde woord vertaalt, dan krijg je verwarring. Dan heeft taal geen betekenis meer. Dit werkwoord ‘phuch’, ‘waaien’, wordt door het NBG ook vertaald met ‘blazen’. In Ezechiël 21:31 ‘Ik zal tegen jou blazen’. In het Hebreeuws: “aphich olik”. 289

De ‘i’ in ‘aphich’ is de causale vorm. Dus eigenlijk: ‘ik zal doen blazen’. Maar goed. Laat ik niet op alle slakken zout leggen. Daar is geen beginnen aan in onze bijbelvertalingen. Uit dit voorbeeld blijkt dat de vertaling van de Statenvertaling en de NBV ‘blazen’ van Jesaja 40:7 onjuist is. Want ‘blazen’ is ‘phuch’. En niet ‘nshbe’. ‘nshbe’ is: ‘zij keert terug’. We gaan weer terug naar Jesaja 40:7. Daar staat: “dat geest-van Jahwe zij-keert-terug in-hem”. Dus niet: ‘als de adem des Heren daarover waait’. Maar: “want de geest van Jahwe keert terug in hem”. Of: “want de geest van Jahwe in hem keert terug”. Beide laatste vertalingen geven dezelfde gedachte weer. De geest van Jahwe in iemand, of in iets, geeft die iemand, of dat iets, leven. Als de geest van Jahwe in iemand, of in iets, terugkeert, dan sterft die iemand of dat iets. ‘In hem’ is in het Hebreeuws: ‘bu’. Het woord ‘in’ in het Hebreeuws, de letter ‘b’, heeft de derde naamval. Het geeft geen beweging aan, maar het is in rust. Dit grammaticale gegeven stelt ons in staat deze tekst juist weer te geven. Het is niet dat de geest van Jahwe in Hem (dat is: in Jahwe) terugkeert (beweging, richting naartoe: vierde naamval). Maar de geest van Jahwe in hem (dat is: in de bloem) (derde naamval, geen beweging, in rust) keert terug. De geest van Jahwe in de bloem verlaat de bloem. Daarom gaat het leven uit de bloem. En daarom verwelkt de bloem … 290

En valt af … Dat is de betekenis van Jesaja 40:7. God openbaart in dit vers aan ons het mysterie van leven en sterven. Het is Zijn geest in zijn schepselen, die doet leven. En als Zijn geest zijn schepselen verlaat, dan sterven die schepselen. Waarom moeten we het Grieks en het Hebreeuws vanuit de grondtekst concordant vertalen? Waarom moeten we zo’n drukte maken over grammatica? Nou, omdat we anders Gods Woord niet begrijpen. En als we Gods Woord niet begrijpen, dan begrijpen we niet wie God is. Want God openbaart zich in zijn Woord. Heel veel christenen beseffen niet dat zij in hun kerken volstrekt onvolledige en onjuiste informatie voorgeschoteld krijgen. In de vertaling van het NBG, of van de Statenvertaling, of van de NBV, van Jesaja 40:7, hebt u echt geen idee waar het over gaat. U dénkt dat u weet waar het over gaat. Maar ik kan u verzekeren dat u vanuit die vertalingen absoluut geen idee heeft waar het over gaat. Ja, zegt u, dat is het Oude Testament. Maar het Nieuwe Testament is toch wel goed vertaald. O, dacht u dat? In Judas 6, in het NBG, staat: “… en dat Hij engelen, die aan hun oorsprong ontrouw werden en hun eigen woning verlieten, voor het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder donkerheid heeft bewaard gehouden …” Dan rijst de vraag: wat zijn die ‘eeuwige banden’ in het NBG? De Griekse grondtekst heeft: “desmois aidiois”. De concordante, Nederlandse, vertaling vertaalt met: ‘onwaarneembare banden’. 291

Het moge duidelijk zijn, dat dit twee totaal verschillende vertalingen zijn. ‘Eeuwige banden’ is wat anders dan ‘onwaarneembare banden’. Het gaat dus om het woord ‘aidios’ Je kijkt naar de elementen van het woord ‘aidios’ in de woordopbouw. Er is het kernelement –id- , met de betekenis: ‘waarnemen’. Nu wordt het woord ‘aidios’ verder opgebouwd uit –a-, dat betekent: ‘niet’, ‘zonder’, of ‘on’. En – ios- is het kenmerk van een bijvoeglijk naamwoord. Dus, om het even te herhalen: het voorvoegsel –a- betekent: ‘on’, bijvoorbeeld: ‘pistos’- ‘gelovig’ - ‘apistos’, ‘ongelovig’. De stam –id- is ‘waarnemen’. En het achtervoegsel -ios– is het beschrijvende kenmerk van een bijvoeglijk naamwoord. ‘Aidios’ betekent dus: ‘on-waarneem-baar’. “desmois aidiois” zijn dus banden, die je niet kunt waarnemen. Dus: banden die je niet met je zintuigen kunt waarnemen. Wat wil dat zeggen? Dat die engelen (boodschappers) met onwaarneembare banden bewaard worden. Dat staat er in het Grieks. Niet met ‘eeuwige’ banden. Maar met ‘onwaarneembare banden’. Dat is ook logisch. Want er staat natuurlijke grote onzin in de NBG-vertaling. ‘Eeuwige banden’, kan niet. Want ‘eeuwig’ heeft, volgens Koenens’ woordenboek, geen begin en geen einde. Nou, op een gegeven moment worden die boodschappers gebonden. Toch? Dat is het begin van hun banden. Maar ‘eeuwig’ heeft geen begin. ‘Eeuwige’ banden bestaan dus niet. ‘Eeuwige banden’ is onzin. 292

Dan heb je theologen, die zeggen: ‘Ja, die engelen hebben eeuwige banden, want als het oordeel is geweest, gaan ze gewoon weer naar die banden terug, voor eeuwig …’ Dat is geen uitleg, dat is inlegkunde. Sterker nog: dat is oudewijven-praat. Ja, maar, zegt iemand, wat zijn dat dan: ‘onwaarneembare banden’? Daar heb ik wel zo mijn gedachten over. Maar die ga ik u niet vertellen. Want dan ga ik redeneren. En dat is volgens de Schriften een negatieve bezigheid. Ik moet de Schriften naspreken. En als de Schriften zeggen ‘onwaarneembaar’, dan is het ‘onwaarneembaar’. Punt. Dat is genoeg informatie voor mij. Ja, zeg je, heel mooi, van dat ‘onwaarneembare’, maar kan je dat ook bewijzen? Jazeker. Volgens de concordante methode zoek je dan op, waar dit woord ‘aidios’ nog meer voorkomt. En dat is in Romeinen 1:20. In de NBG-vertaling lezen we daar: “Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien …” Er staat in het Grieks: “ē te aidios autou dunamis kai theiotēs” – ‘zijn onwaarneembare kracht en goddelijkheid’. Gods kracht en goddelijkheid zijn niet ‘eeuwig’, maar ‘onwaarneembaar’. Daar gaat de hele zin ook over. Want de inleidende zin luidt: “Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden …” Wat kan van Hem niet gezien worden? Nou, dat is wel duidelijk: zijn ‘onwaarneembare’ kracht en ‘onwaarneembare’ goddelijkheid. 293

Maar het wordt wel uit de werken van de schepping doorzien. Je ziet de kracht van God zèlf niet. Maar zijn kracht in de schepping wel. En als je dat ziet, dan moet je erkennen, zelfs als je de grootste onbenul bent: ‘O, ja, er moet wel een God wezen.’ Of zoals de dwazen dat zeggen: ‘Er is wel iets meer tussen hemel en aarde, hoor’. Nou, dommer kun je het niet zeggen. Als je verstandig bent, dan buig je je hoofd en erken je: ‘U, Heer, hebt alles gemaakt.’ Maar goed, Paulus zegt: ‘en zijn goddelijkheid zie je ook niet’. En dan zegt hij: ‘Maar je ziet wel het resultaat van die goddelijkheid’. En dat is bedoeling van dit vers. Het woord ‘aidios’ van Judas 6, dat door theologen gebruikt wordt om een ‘eeuwige’ verlorenheid te bewijzen, wordt uit de andere context, van Romeinen 1:20, naar zijn werkelijke betekenis gebracht, namelijk: ‘onwaarneembaar’. Nog even over dat ‘eeuwige’ voor het woord ‘aidios’. De NBV heeft voor ‘aidios’ in Judas 6 het woord ‘onverbreekbare’, ‘onverbreekbare boeien’. En in Romeinen 1:20 ‘eeuwige kracht en goddelijkheid’. Even een vraagje voor de vertalers van de NBV. Moet het in Romeinen 1:20 niet ‘onverbreekbare kracht en goddelijkheid’ zijn? Zoals de ‘onverbreekbare’ boeien in Judas 6 … Deze twee voorbeelden, één uit het Oude Testament, en één uit het Nieuwe Testament, zijn illustratief hoe de vertalers in volstrekte onwetendheid vertalen. En als je dan woordverkondiging en bijbelstudies in de kerken hebt, over Jesaja 40 en Judas 6, op basis van de gangbare bijbelvertalingen, dan is dat natuurlijk allemaal ‘blowing in the wind’. Het gaat helemaal nergens over. 294

Het is kerkelijke prietpraat. Waar je misschien wel warme religieuze gevoelens over kunt hebben. Maar het blijft ‘blowing in the wind’. Stel, dat een predikant, een pastoor, of een voorganger, wil spreken over Romeinen 3:19-26. Hij wil over deze verzen iets zinnigs zeggen. En hij gebruikt zijn NBG-vertaling. Dan is het goed om te weten dat er in die acht verzen in de NBGvertaling ten opzichte van de Griekse grondtekst zevenenvijftig (!) onjuistheden staan. Wanneer een predikant, een pastoor, of een voorganger, deze passage in Romeinen 3 vanuit de NBG-vertaling gaat uitleggen, dan praat hij natuurlijk als een onwetende. Zeker weten. Nu kan een predikant, een pastoor, of een voorganger, als hij Romeinen 3:19-26 wil begrijpen, natuurlijk hulpmiddelen gebruiken. Door naar andere predikers te luisteren. Of door commentaren te lezen. Maar als die hulpmiddelen gebaseerd zijn op de NBG-bijbelvertaling, dan komt hij geen stap verder. Dan is het nog steeds ‘blowing in the wind’. Die predikant, pastoor, of voorganger, spreekt dan nog steeds de taal van een onwetende. Als je echt wil weten wat er in Romeinen 3:19-26 staat, dan consulteer je de Griekse grondtekst. En als ik zeg: ‘de Griekse grondtekst’ dan vinden heel veel broeders dat niet zo prettig. Ze zijn bang dat het dan te ingewikkeld wordt. Dat Grieks … moet dat nou? Ja, broeders, dat moet. Omdat er in de gangbare bijbelvertalingen iets anders staat dan in het origineel. Weet u, eigenlijk is dit té beschamend voor woorden. 295

Dat er geen regel in de gangbare bijbelvertalingen een nauwkeurige weergave is van de grondtekst. Heel veel broeders halen daar hun schouders over op. Dan zeggen ze tegen mij: ‘Jòh, maak je niet zo druk, wat maakt het uit …’’ Wat maakt het uit? Dat zal je gedacht wezen! Als we niet goed opletten, dan verdwalen we. En dan gaan we de verkeerde kant op. Ja, we komen wel aan. Maar niet waar we wezen moeten. En dat is pijnlijk, kan ik u verzekeren. Echt héél pijnlijk ... Vorig jaar, eind augustus, belde André Piet mij op. Hij vroeg: ‘Zou jij in oktober in Garderen willen spreken?’ Ik zei: ‘Waar denk jij dan aan? Waarover moet ik spreken?’ Hij zei: ‘Ik wil graag, dat jij een taalkundige analyse presenteert over een bepaald bijbelgedeelte.’ Ik zei langzaam: ‘Oké …’ André zei: ‘Ja, je weet wel, zoals in ‘The happy man’. Dat ken je toch?’ Ik zei: ‘Ja.’ Hij zei: ‘Nou, zoiets …’ Ik zei: ‘Mag ik er een nachtje over slapen? Ik geef je morgen antwoord.’ We zeiden nog wat vriendelijke dingen tegen elkaar en toen hingen we op. Ik dacht over het voorstel na. Natuurlijk wist ik wat ‘The happy man’ is. ‘The happy man’ is een brochure waarin de Concordant Version vergeleken wordt met de King James Version. Aan de hand van een taalkundige analyse van de tekst van Romeinen 3:19-26. Waarom nou juist dat bijbelgedeelte? Omdat Romeinen 3:19-26, volgens de schrijver van de brochure, het fundament van ons geloof is. 296

Nu zou het dus zomaar kunnen, dat als je Romeinen 3:19-26 verkeerd begrijpt, dat je dan het fundament van je geloof verkeerd begrijpt. Snap je? Heel veel broeders willen niet over deze dingen nadenken. Ze zeggen: ‘Ik houd mij vast aan mijn bijbelvertaling.’ Ja, broeders, maar in uw bijbelvertaling staan niet Gods gedachten. Maar menselijke gedachten. U krijgt niet alleen halve informatie. Maar ook onjuiste informatie. Kijk, al die christelijke toespraken en bijbelstudies op basis van de gangbare bijbelvertalingen is niet alleen ‘blowing in the wind’. Het is de taal van verdwaalde mensen. En als je daar naar luistert, dan verdwaal je ook. Pijnlijk. Echt héél pijnlijk … Hoe treffend is die uitspraak van Jules Deelder. Voor de situatie in kerkelijk Nederland. Wie weet, weet beter, wie niet, niet … 297

298

18. Roze olifantjes Ik was een presentatie aan het voorbereiden. En toen had ik een gesprek met mijn vrouw over hoe ik het onderwerp zou gaan behandelen. Ze zei: ‘Je gaat toch niet al die fouten in de bijbelvertalingen benoemen?’ Ik zei: ‘Natuurlijk wel, waarom niet?’ Ze zei: ‘Moet je niet doen.’ Ik zei: ‘O, waarom niet?’ ‘Nou,’ zei ze, ‘daar raak ik erg van in de war.’ Ik zei: ‘O.’ Ze zei: ‘Ja. Eerst zeg je wat er in de vertaling staat, en daarna zeg je dat er eigenlijk heel iets anders staat. Dat vind ik erg vervelend. Want ik onthoud alleen maar wat er eigenlijk níet staat.’ Ik zei: ‘O.’ Ze zei: ‘Ja, weet je, ik wil eigenlijk alleen maar Gods woorden horen. Niet wat de mensen er van gemaakt hebben.’ Ik zei: ‘Oké.’ Want ik heb in meer dan vijfenveertig jaar huwelijk wel geleerd, dat het heel erg verstandig is om goed naar je vrouw te luisteren. Dit was een heel juiste en buitengewoon verstandige opmerking van mijn vrouw. Ze zei iets, waar ik al die jaren nog niet bij stil had gestaan. Want als ik tegen u zeg: ‘U mag niet aan roze olifantjes denken’, waar denkt u dan aan? Juist, aan roze olifantjes. Terwijl als ik de term ‘roze olifantjes’ niet gebruikt had, zou u nooit op die gedachte gekomen zijn. Waarom niet? Nou, roze olifantjes bestaan niet. Alleen in de sprookjeswereld van Disney. En die sprookjeswereld is voor kleine kinderen. 299

Daarom moet ik zelfs niet tegen u zeggen: ‘De hel bestaat niet.’ Waarom niet? Nou, door het woord ‘hel’ te gebruiken, breng ik u op de gedachte van een hel. Maar u moet niet eens op de gedáchte komen van een hel. Want de term ‘hel’ is hetzelfde als ‘roze olifantjes’. Want de hel bestaat niet. Alleen in de boosaardige sprookjeswereld van de demonen. En die sprookjeswereld is voor kleine kinderen in het geloof. Laten we dit even praktisch toepassen. U bent met iemand in gesprek. En dan begint hij over de hel. Dan moet u uw gesprekspartner niet-begrijpend aankijken. Dan moet u tegen hem zeggen: ‘Broeder, ik weet niet waar je het over hebt. Ik weet niet wat je bedoelt met het woord hel.’ En dan zegt hij tegen u: ‘Maar de hel staat toch in de bijbel.’ En dan zegt u: ‘O, ja?’ En dan zegt hij: ‘Ja, bijvoorbeeld in Matteüs 5, het vuur van de hel.’ Dan gaat u hartelijk lachen. En dan zegt u: ‘O, je bedoelt het vuur in het dal van Hinnom.’ Als dan blijkt dat uw gesprekspartner hardnekkig vast wil houden aan zijn middeleeuwse opvatting, dan laat u het onderwerp rusten. U gaat toch ook niet debatteren met een klein kind. Een klein kind moet je afleiden. Je zegt tegen zo'n klein kind: ‘Zeg, jij wil vast wel een ijsje.’ Deze handelswijze pas je dan toe bij je gesprekspartner. Als hij maar over de hel blijft praten. Dan zeg je gewoon tegen je gesprekspartner: ‘Zeg, wat ik zeggen wou, wat heb jij een mooie auto. Pas gekocht?’ Misschien gaat u nu steigeren. Vanwege deze – in uw ogen – ongepaste benadering. Want misschien gelooft u ook in de hel. En dan zegt u tegen mij: ‘Je beledigt mij, je behandelt mij als een klein kind …’ 300

Ik heb een kleindochter. Een engeltje met lang, blond haar. En grote, ernstige ogen. En als mijn kleindochter aarzelend lacht, dan breekt de zon door … Af en toe komt zij met haar ouders op bezoek. En bij een van die gelegenheden moesten alle aanwezigen plotseling dringend weg. De ouders riepen naar mij: ‘Jij let wel op haar, hè?’ Wat kon ik doen? Mijn kleindochter was een Lego-toren aan het bouwen. Van grote Duplo-stenen. Het leek nergens op … Ik strekte mij uit op de grond. En ik nam deel aan het Lego-bouwen. Dat wil zeggen: als mijn kleindochter even niet keek, dan maakte ik de stenen goed vast. En als de toren instortte, dan maakte ik ongemerkt voor haar weer een beginnetje. Zo begon een schijnbaar eindeloze middag. Mijn kleindochter praatte ondertussen honderduit. Allemaal losse woorden, onsamenhangende zinnen. Ik liet het als de golven van de zee over mij heenkomen. En toen kwamen de ouders weer terug. En met een zucht van verlichting droeg ik mijn kleindochter weer aan hen over … En dan word ik wel eens uitgenodigd voor een kerkdienst. Een rouwdienst, een doopdienst, een huwelijk … En dan strek ik mij in die bijeenkomst uit op de grond. In gedachten, natuurlijk … En dan neem ik deel aan die bijeenkomst. 301

Dat wil zeggen: tijdens het uitspreken van de geloofsbelijdenis zet ik in gedachten de verkeerd geplaatste uitspraken weer juist op elkaar. En als tijdens het zingen de onjuiste teksten van de liederen instorten, maak ik in gedachten weer een nieuw beginnetje. En als de voorganger, de pastoor, of de dominee, begint te praten, dan laat ik zijn onsamenhangende zinnen als de golven van de zee over mij heen komen. En als de dienst afgelopen is, dan slaak ik een zucht van verlichting. En draag ik die christelijke gemeenschap weer aan God over … Misschien vindt u mijn beschrijving van een kerkdienst stuitend. Weet u wat stuitend is? Dat de kerkgenootschappen een vorm van godsvrucht hebben, maar de kracht ervan verloochend hebben. Dat de kerkgenootschappen dwaalgeesten volgen. Die dwaalgeesten spreken over ‘de eeuwige straf’, ‘de onsterfelijke ziel’, ‘de vrije wil’ … Dat de kerkgenootschappen leringen van demonen volgen. Die demonen spreken over de ‘hel’ en de ‘Drie-eenheid’ … Dat is pas ècht stuitend. Ik heb jarenlang in de kerken gezeten met een toegeeflijk gevoel voor de taal van kleine kinderen. Maar de laatste tijd voel ik een innerlijke verontwaardiging in mij opkomen. Die taal van kleine kinderen is namelijk godslasterlijk. God wordt in de kerken volstrekt verkeerd voorgesteld. Eigenlijk wordt God in de kerken voortdurend gesmaad. Het wordt hoog tijd dat daar een einde aan komt. Maar als je wilt dat daar een einde aan komt, dan moet je het wel in het openbaar uitspreken. Je toehoorders vertellen dat in de kerken God gesmaad wordt. En dan bestaat de kans dat de aanwezigen zich ‘gekwetst’ voelen. 302

Broeder, we leven wel in het genade-tijdperk, hè? Absoluut. Nou, dan moet je genadig met je broeders omgaan, toch? Absoluut, ik zal mijn uiterste best doen om het zo genadig mogelijk te zeggen … Maar broeder, wees voorzichtig, hè? Natuurlijk zal ik voorzichtig zijn. Denk eraan dat die boodschap pijnlijk is, hè? Ja, natuurlijk is die boodschap pijnlijk. Maar weet u wat nog pijnlijker is dan die boodschap? Denken dat je gelooft. En dan verdwalen. Dat is pas écht pijnlijk. Heel pijnlijk … Ik was eens op een conferentie, waar André Piet toespraken hield. Een klein kinderkoortje had een lied ingestudeerd. Zij zongen dit na één van die toespraken. Tussen de kleine kinderen stond een stralende oudere zuster. Ze zongen: ‘Er is één Middelaar …’ En bij de woorden ‘de Zoon van God’ spreidden ze allen hun armen uit. Het symbool van het kruis. Ik kon mijn tranen niet meer bedwingen … Later hoorde ik dat mijn tranen opgemerkt waren. De aanwezigen vonden die tranen van mij merkwaardig. Zo niet passend bij mij. Ik was toch die broeder van die concordante interlineairs. Van dat Grieks … Ik was toch een wat gereserveerde man van de theorie en van de studeerkamer … En dan tranen? Twee weken later sprak ik met een jonge, intelligente broeder. Hij zei tegen mij dat geloof niets met je gevoel te maken heeft. Ik begreep hem wel. 303

Maar het is niet waar. Geloof heeft àlles met je gevoel te maken. Onze Heer heeft geloof. Wat zeg ik, niemand heeft meer geloof dan Hij. In de geschiedenis van de opwekking van Lazarus spreekt onze Heer voortdurend over geloof. En dan demonstreert Hij zijn geloof. En juist in die geschiedenis van dat geloof kan onze Heer zijn tranen niet bedwingen. Hoezo, geloof zonder gevoel? Ik sprak eens over Filippenzen 2. Er zat een oudere zuster achter in de zaal. Toen ik sprak over de heerlijkheid van onze Heer, straalde zij. En toen ik sprak over de vernedering van onze Heer, kon ze haar tranen niet meer bedwingen. Na afloop van de toespraak kwam ze naar mij toe. Ze zei: ‘Het spijt me dat ik zo moest huilen.’ Ik omarmde haar. Ik zei: ‘Juist helemaal goed, zuster.’ Hoezo, geloof zonder gevoel? Ik was eens op een bijbelconferentie. Op uitnodiging van één van mijn broeders. Deze conferentie werd met krachtige hand geleid door een wat harde, onbuigzame man. Tussen de toespraken door verzorgde deze broeder de huishoudelijke mededingen. En gaf hij de liederen op, die gezongen zouden worden. Op een gegeven moment sprak deze broeder over het volk Israël. Ik weet niet meer wat de aanleiding was. Hoe dan ook, hij vertelde hoe dit volk in de toekomst nog moet lijden. En toen hij dat zei, kon hij zijn tranen niet meer bedwingen. Hij kon niet meer spreken. Een andere broeder nam zijn taak over. En die harde, onbuigzame broeder heeft minutenlang stil in een hoekje staan huilen. 304

Hoezo, geloof zonder gevoel? Ik had eens een gesprek met een lieve broeder. Deze broeder veroordeelde de levenswijze van een andere broeder. Hij was hierover heilig verontwaardigd. Maar ik miste iets. Ik miste de bewogenheid voor die andere broeder. Ik miste de tranen … Hoe kun je iemand terechtwijzen, als je er geen tranen over hebt? In mijn toespraken spreek ik over kerkgangers. Ik heb sterke gevoelens voor die kerkgangers. Hartzeer ook. En dan moet ik aan die kerkgangers vertellen, dat zij God smaden. En dan kan ik mijn tranen niet meer bedwingen. Begrijpt u? 305

306

19. Wat is een gelovige? Ik lees met u 1 Timoteüs 4:10. Ik lees u voor vanuit de NBV, de Nieuwe Bijbelvertaling. Dat is de vertaling, die op dit moment in de Nederlandse kerken algemeen gebruikt wordt. Waarom lees ik juist vanuit deze vertaling? Nou, omdat mijn toespraak van vanmiddag niet alleen aan u gericht is. Maar ook aan alle christenen in de Nederlandse kerken. Ik lees dus met u: 1 Timoteüs 4:10. “Hiervoor zwoegen en strijden wij, omdat wij onze hoop gevestigd hebben op de levende God, die de Redder is van alle mensen, bovenal van de gelovigen.” In de voorbereiding op deze studiedag verdeelden de sprekers van vandaag de taken. Twee broeders zouden spreken over dat God de Redder is van alle mensen. Ook zouden zij uitleggen wat “bovenal van de gelovigen” is. Nu zegt u misschien: ‘Maar wat ga jij dan doen?’ Nou, ik ga u vertellen wat een ‘gelovige’ is … ‘Nou, dan heb jij het vanmiddag gemakkelijk …’ ‘Hoe bedoelt u?’ ‘Nou, jouw onderwerp is een makkie …’ ‘O, dacht u dat?’ ‘Ja.’ ‘Oké … en waarom denkt u dat, dat mijn onderwerp een makkie is?’ ‘Nou, jouw onderwerp is toch het ABC …?’ ‘O, oké … Maar wat is dan dat ABC, wat is dan volgens u een gelovige?’ ‘Nou, eh … laat me even denken … mmm, ja … een gelovige is iemand, die gelooft in wat God zegt.’ 307

‘Oké … ja, dat vind ik wel een mooie definitie, eigenlijk … ja, oké … Een gelovige is dus iemand, die gelooft in wat God zegt … Heel mooi … dank u … En wat is dan, volgens u, een ongelovige?’ ‘Nou, eh … mmm … ja … een ongelovige is iemand die niet gelooft in wat God zegt.’ ‘Mmm … mmm … oké … oké …’ God is de Redder van alle mensen. Dat is een geweldig evangelie. Je zou denken, dat mensen daar blij van worden. Dat had je gedacht. Zeg maar eens tegen een kerkganger, dat God de Redder is van alle mensen. Dan reageert hij alsof hij door een wesp gestoken wordt. Hij wordt boos. Hij wil er niets van horen … Dat is vreemd. Je zou verwachten, dat deze kerkganger blij zou worden en zou zeggen: Zie je wel, dat heb ik altijd diep van binnen geweten, dat God de Redder is van alle mensen. Nee, deze kerkganger wordt boos. Hij wil er niets van horen. Hij gelooft niet in wat God zegt. Hé … En dan bezoek ik een lieve broeder. Hij is aangesloten bij een orthodox-reformatorische kerk. We omarmen elkaar. Hij zegt tegen mij: ‘Ik ben zo blij dat ik je zie.’ Ik zeg: ‘Mooi.’ ‘Ja,’ zegt hij. ‘Want ik voel mij heel erg eenzaam.’ Ik zeg: ‘O.’ ‘Ja,’ zegt hij. ‘Want ik kan met niemand praten over dat God de Redder is van alle mensen. Als ik daarover praat, dan verlies ik mijn baan, en mijn familie, en word ik uit de kerk gezet.’ Ik knik begrijpend. Ik zeg: ‘Ik weet het.’ 308

Natuurlijk is mijn broeder eenzaam. Hij wordt omringd door mensen die hem niet begrijpen. Zijn kerk en zijn familie geloven niet dat God de Redder is van alle mensen. Zij willen er niets van horen. Zijn kerk en zijn familie geloven niet in wat God zegt. Hé … En dan kom ik een andere broeder tegen. Ook hij is lid van een orthodox-reformatorische kerk. Hij zegt tegen mij: ‘Ik heb een probleem.’ Ik zeg: ‘O.’ ‘Ja,’ zegt hij, ‘ik ben niet meer welkom in mijn kerk.’ Ik zeg: ‘O.’ ‘Ja,’ zegt hij, ‘want ik had iemand in mijn kerk verteld, dat God de Redder is van alle mensen.’ Ik knik begrijpend. Ik zeg: ‘Ik weet het.’ En dan vertelt hij mij dat die kerk, waar hij niet meer welkom is, nogal groot is. 1500 man bij elke kerkdienst. Die 1500 man geloven niet dat God de Redder is van alle mensen. Zij willen er niets van horen. Die 1500 man geloven niet in wat God zegt. Hé … En dan ben ik bij een goede vriend. Hij is een trouw kerklid van een evangelische gemeente. Al meer dan veertig jaar. En dan krijg ik de kans hem te vertellen dat God de Redder is van alle mensen. Onmiddellijk klapt mijn vriend dicht. Hij wordt boos. Hij is beledigd. Hij vindt God onrechtvaardig. Hij kan deze boodschap niet accepteren. Hij wil er niets van horen. Mijn goede vriend gelooft niet in wat God zegt. 309

Hé … ‘Mmm … tja … dat is lastig hoor … dat is lastig …’ ‘Wat bedoelt u?’ ‘Nou, ik vind dat èrg lastig …’ ‘Wat vindt u lastig?’ ‘Nou, eh … die christenen, waar jij van vertelt, hè, die geloven niet dat God de Redder is van alle mensen.’ ‘Nee … ze geloven dat niet …’ ‘Zij willen er niets van horen.’ ‘Nee … ze willen er niets van horen …’ ‘Zij geloven dus niet in wat God zegt.’ ‘Nee … ze geloven niet in wat God zegt …’ ‘Lastig hoor … èrg lastig …’ ‘Wat vindt u dan lastig?’ ‘Nou, onze definitie van een gelovige is dat hij gelooft in wat God zegt.’ ‘Ja …’ ‘Maar die christenen geloven niet in wat God zegt.’ ‘Nee …’ ‘Dus dan zijn die christenen eigenlijk ongelovigen?’ ‘Weet u, dat zou zo maar kunnen …’ ‘Ja, maar ik zou die christenen geen “ongelovigen” willen noemen.’ ‘Mmm … oké …’ ‘Ja, die christenen zijn gewoon onwetend. Daar moet je niet te zwaar aan tillen.’ ‘Mmm … oké …’ ‘Die christenen geloven toch in God?’ ‘Absoluut …’ ‘Zij gaan toch trouw naar de kerk?’ ‘Absoluut …’ ‘Nou, hoe kun je dan zeggen, dat het zo maar zou kunnen, dat zij ongelovigen zijn? En al die grote Godsmannen dan, al die grote evangelisten, al die grote bijbelleraren? Die geloven ook niet dat God de Redder is van alle mensen. Zou het dan ook zo maar kunnen, dat zij dan ook ongelovigen zouden zijn?’ 310

‘Wacht even … wacht even … u gaat veel te snel … veel te snel …’ ‘O, ja?’ ‘Ja, u stelt de verkeerde vragen …’ ‘O, ja?’ ‘Ja, laten we even een andere vraag stellen …’ ‘Oké, welke vraag dan?’ ‘Nou, waarom worden heel veel kerkgangers zo boos, als je hen vertelt dat God de Redder is van alle mensen? Waarom willen zij er niets over horen? Het antwoord is heel eenvoudig: Heel veel kerkgangers willen er niets over horen, omdat het botst met hun kerkelijke traditie.’ ‘Wat is dan hun kerkelijke traditie?’ ‘Nou, hun kerkelijke traditie is: Als je een christen bent, dan ga je naar de hemel. En als je geen christen bent, dan ga je naar de hel …’ ‘Ja, dat is mij bekend. Maar ga door … ga door …’ ‘Oké … laten we voor de duidelijkheid de essentie van de kerkleer van de hel even weergeven. Laten we dan even alle vrome praatjes vergeten en laten we de dingen eerlijk benoemen. Oké?’ ‘Ja, oké …’ ‘Nou, in de kerkleer van de hel wordt allereerst God voorgesteld als een wreed en onbarmhartig iemand, die miljarden mensen tot in de eindeloze eeuwigheid kwelt met een brandend vuur. Vervolgens wordt Christus voorgesteld als iemand, die gefaald heeft. Christus moest met zijn kruisdood de hele mensheid redden, maar dat is jammerlijk mislukt. Miljarden mensen, de overgrote meerderheid van de mensheid, gaan voor eeuwig naar de brandende hel.’ ‘Nou, broeder, je zegt het wel héél plastisch …’ ‘Ja, dat is nodig. Want deze boodschap van ‘de eeuwig brandende hel’ wordt in alle kerken verkondigd. Soms openlijk, soms minder openlijk. Maar het is altijd aanwezig. Bijna alle christenen, wereldwijd, geloven dan ook dat er een hel is. Waar de niet-christenen voor eeuwig zullen branden. Dat is één van 311

de fundamenten van hun geloof … Nou, en als er een “eeuwige hel” is, dan is God dus niet de Redder van alle mensen. Begrijpt u?’ ‘Mmm … mmm … dat klinkt logisch … maar ga door …’ ‘Nou, weet u, heel veel kerkgangers kunnen niet geloven dat God de Redder is van alle mensen.’ ‘O, nee, waarom niet?’ ‘Nou, omdat zij in “de eeuwige hel” geloven. Je kunt niet èn in de eeuwige hel geloven èn geloven dat God de Redder is van alle mensen. Dat is onmogelijk. Het een sluit het ander uit. Het is óf het een, óf het ander. Of je gelooft dat er een “eeuwige hel” is. Of je gelooft dat God de Redder is van alle mensen.’ ‘Ja, dat begrijp ik, dus …’ ‘Nou, dus heeft de kerkleer van de “hel” vooral in de kerken zèlf onnoemelijk veel schade aangericht.’ Allereerst in de moederkerk – de Rooms-Katholieke kerk. Het volgende dialoogje ontstaat dan: “Hé, hallo, jij bent een christen, hè?” “Ja, ik ben katholiek.” “Oké, waarom ben je eigenlijk katholiek?” “Nou, ik voel mij veilig in de moederkerk.” “Hoe bedoel je, veilig?” “Nou, je wilt toch niet naar de hel gaan?” “Nee, natuurlijk niet.” “Nou, dan moet je je aansluiten bij de moederkerk.” “Oké, maar dan moet ik mij ook aan jullie gebruiken houden, toch? Ik bedoel, naar de mis gaan, biechten, je weet wel …” “Ja, natuurlijk, want anders ga je alsnog naar de hel, begrijp je?” De moederkerk leert dat je God tevreden moet stellen met kerkgang, bidden en het onderhouden van de geboden en de gebruiken. Daar moet je serieus mee bezig zijn. Want God kiest er namelijk voor om de meerderheid van de mensheid voor eeuwig te laten branden in de hel. En God wil jou wel naar de hemel laten gaan. 312

Als je tenminste trouw naar de moederkerk gaat … Maar God kan natuurlijk van gedachten veranderen. En je alsnog naar de hel sturen. Eigenlijk kun je God niet helemaal vertrouwen of het allemaal wel goed afloopt. Daarom heb je de moederkerk. De moederkerk zal je beschermen met haar sacramenten. Daarom is het verstandig om je bij de moederkerk aan te sluiten. De moederkerk is je levensverzekering. Tegen een wrede, onbarmhartige, onbetrouwbare en wispelturige God. ‘Pardon, broeder, daar stoor ik mij aan …’ ‘Waaraan?’ ‘Nou, aan wat je daarnet zei.’ ‘Wat zei ik dan?’ ‘Nou, je zei dat christenen in de Rooms-Katholieke kerk geloven in een wrede, onbarmhartige, onbetrouwbare en wispelturige God.’ ‘Weet u, als je goed naar de Rooms-Katholieke kerk luistert, dan lijkt dat er wel op. Je zou haast gaan denken, dat God zo is …’ ‘Maar zo is God toch helemaal niet?’ ‘Nee, natuurlijk niet.’ ‘God is toch de Redder van alle mensen?’ ‘Absoluut …’ ‘Maar de Rooms-Katholieke kerk leert de hel.’ ‘Ja …’ ‘De Rooms-Katholieke kerk gelooft dus niet dat God de Redder is van alle mensen.’ ‘Nee …’ ‘De Rooms-Katholieke kerk gelooft dus niet in wat God zegt.’ ‘Nee …’ ‘Dus dan bestaat de Rooms-Katholieke kerk eigenlijk uit ongelovigen?’ ‘Weet u, dat zou zo maar kunnen …’ 313

De kerkleer van de “hel” heeft ook heel veel schade aangericht in de orthodox-protestante kerken. Het volgende dialoogje ontstaat dan: “Hé, hallo, jij bent een christen, hè?” “Ja.” “Jij gelooft in de hel, hè?” “Ja.” “Is jouw buurman ook christen?” “Nee.” “Dus jouw buurman gaat naar de hel?” “Ja.” “Wat vind je daarvan?” “Nou, weet je, God heeft dat zo voorbestemd. Hij heeft mij voorbestemd om naar de hemel te gaan en Hij heeft mijn buurman voorbestemd om naar de hel te gaan.” “Maar dat is toch verschrikkelijk voor jouw buurman?” “Ja, maar daar kan ik ook niets aan doen. Het is voorbestemd, hè?” De orthodox-protestante kerken volgen de visie van Calvijn. De visie van Calvijn leert dat God almachtig is. God zou iedereen kunnen redden. Maar dat wil Hij niet. Hij kiest ervoor om de meerderheid van de mensheid voor eeuwig in de hel te laten branden. Kortweg gezegd: God kan wel redden, maar Hij wil het niet. De ongelovigen wacht een eeuwige hel. Maar ja, dat heeft God zo voorbeschikt. Daar kun je verder niets aan doen. Orthodox-protestante christenen halen dan ook hun schouders op. En zij zeggen: “Tja …” Orthodox-protestante christenen geloven in een wrede, onbarmhartige en onverschillige God. ‘Pardon, broeder, daar stoor ik mij aan …’ ‘Waaraan?’ ‘Nou, wat je daarnet zei.’ ‘Wat zei ik dan?’ 314

‘Nou, je zei dat christenen in de orthodox-protestante kerken geloven in een wrede, onbarmhartige en onverschillige God.’ ‘Weet u, als je goed naar de orthodox-protestante kerken luistert, dan lijkt dat er wel op. Je zou haast gaan denken, dat God zo is …’ ‘Maar zo is God toch helemaal niet?’ ‘Nee, natuurlijk niet …’ ‘God is toch de Redder van alle mensen?’ ‘Absoluut …’ ‘Maar de orthodox-protestante kerken leren de hel.’ ‘Ja …’ ‘De orthodox-protestante kerken geloven dus niet dat God de Redder is van alle mensen.’ ‘Nee …’ ‘De orthodox-protestante kerk gelooft dus niet in wat God zegt.’ ‘Nee …’ ‘Dus dan bestaan de orthodox-protestante kerken eigenlijk uit ongelovigen?’ ‘Weet u, dat zou zo maar kunnen …’ De kerkleer van de ‘hel’ heeft ook heel veel schade aangericht in de evangelische gemeenten. Met evangelisch bedoel ik natuurlijk ook de baptisten en de Pinksterbroeders. Het volgende dialoogje ontstaat dan: “Hé, hallo, jij bent een christen, hè?” “Ja, prijs God.” “Jij gelooft in de hel, hè?” “Ja, maar prijs God, ik ben gered.” “Is jouw buurman ook een christen?” “Nee.” “Dus jouw buurman gaat naar de hel?” “Ja.” “Maar dat is toch verschrikkelijk voor jouw buurman?” “Ja, echt …” “Maar, vertel eens, waarom gaat jouw buurman naar de hel en jij niet?” “Nou, ik heb voor Jezus gekozen en hij niet.” 315

“Oké, je moet dus voor Jezus kiezen?” “Ja, en dat heeft mijn buurman niet gedaan.” “O …” “Nee, stom, hè? Eigen schuld, hè?” De evangelische gemeenten volgen de visie van Arminius. De visie van Arminius leert dat God niet wil dat de mens naar de hel gaat. Maar God is aan handen en voeten gebonden. Want de mens moet zelf kiezen voor de hemel of voor de hel. God kan niets doen. Want ja, de mens heeft een vrije wil, hè? God is afhankelijk van de keuze van de mens. Kortweg gezegd: God wil wel redden, maar Hij kan het niet. Christenen in de evangelische gemeenten geloven in een wrede, onbarmhartige en machteloze God. ‘Pardon, broeder, daar stoor ik mij aan …’ ‘Waaraan?’ ‘Nou, aan wat je daarnet zei.’ ‘Wat zei ik dan?’ ‘Nou, je zei dat christenen in de evangelische gemeenten geloven in een wrede, onbarmhartige en machteloze God.’ ‘Weet u, als je goed naar de evangelische gemeenten luistert, dan lijkt dat er wel op. Je zou haast gaan denken, dat God zo is …’ ‘Maar zo is God toch helemaal niet?’ ‘Nee, natuurlijk niet …’ ‘God is toch de Redder van alle mensen?’ ‘Absoluut …’ ‘Maar de evangelische gemeenten leren de hel.’ ‘Ja …’ ‘De evangelische gemeenten geloven dus niet dat God de Redder is van alle mensen.’ ‘Nee …’ ‘De evangelische gemeenten geloven dus niet in wat God zegt.’ ‘Nee …’ ‘Dus dan bestaan de evangelische gemeenten eigenlijk uit ongelovigen?’ 316

‘Weet u, dat zou zo maar kunnen …’ Niet alleen heeft de kerkleer van de hel onnoemelijk veel schade aangebracht in de kerken zelf. Maar ook de wereld is vergiftigd met deze leer. Daarom keert de wereld zich ook van God af. Vanwege de christenen wordt Gods naam gesmaad. Luister maar … “Hé, jij bent een christen, hè?” “Ja …” “Dan geloof je zeker in de hel, hè?” “Ja …” “Ha, ha, ha … God is liefde, hè … ha, ha, ha …” De kerkleer van de hel is niet alleen smaad, het is ook gewoon niet waar. De hel bestaat niet. ‘O, nee … bestaat de hel niet?’ Nee, de hel bestaat niet. ‘Jawel … jawel … wacht even … de “hel” staat toch in de bijbel?’ En dan kijken we samen in de bijbel. En ja, hoor, daar staat het. De hel … In de Statenvertaling. En in de NBG-vertaling. En in de Willebrord-vertaling. En in de Telos-vertaling. En in de Groot Nieuws Bijbel. Al die vertalingen spreken over de ‘hel’. Oké, er is dus toch een ‘hel’ … Hallo … God heeft zijn Woord niet in het Nederlands gegeven. Maar in het Hebreeuws en in het Grieks. In bijbelcommentaren, en zelfs op Wikipedia, kunt u vinden, dat in het Nieuwe Testament het woord ‘hel’ de vertaling is van het Griekse woord ‘gehenna’. 317

Gehenna is een plaatsnaam. Zoals Jeruzalem, of Nazareth. Dat weten de theologen al eeuwen, maar zij hebben dat voor de leken verborgen gehouden. Maar in de twintigste eeuw dreigde de emancipatie van de leken zich tegen de kerken te keren. Daarom hebben de vertalers van de Nieuwe Bijbelvertaling op de plaatsen waar eerst het woord ‘hel’ stond, het vervangen door het woord ‘gehenna’. Zij konden het woord ‘hel’ niet langer vasthouden. Dat lijkt heel goed. Maar het venijn zit in de staart. Want als je achterin de NBV de woordenlijst bekijkt, dan staat er als verklaring bij ‘gehenna’: “Plaats in het dodenrijk waar zondaars hun straf ondergaan.” Met die verklaring zijn we weer terug bij de hel. Het woord ‘hel’ is verdwenen. Maar het begrip ‘hel’ is er nog steeds. Weet u, dit is volstrekt onjuiste informatie. Gehenna is het ‘Dal van Hinnom’ bij Jeruzalem. Het is een geografische locatie. Deze verklaring kun je ook in bijbelcommentaren en op Wikipedia vinden. Als je in Israël je TomTom instelt op ‘dal van Hinnom’ dan rijd je zo naar het Gehenna. En als je dan om je heen kijkt, dan ben je bepaald niet in het dodenrijk. Het is een liefelijk dal, met veel groen. Ik heb een broeder, die regelmatig in Israël komt. Ik sprak hem eens, toen hij er net geweest was. Hij zei: ‘Moet je ook doen, man … naar Israël gaan … mooi land, lekker weer, goed eten.’ Ik zei: ‘Mmm … mmm …’ Hij zei: ‘Ja, en als ik in Israël ben, dan ga ik altijd even naar de hel. Dat vind ik wel geinig.’ Ik zei: ‘O.’ 318

Hij zei: ‘Ja … maar de laatste keer dat ik in de hel was, regende het. Niet normaal, man, het was koud in de hel …’ Kijk, deze broeder weet waar hij het over heeft. Gelukkig kunnen we er even om lachen … Toen ik deze toespraak geschreven had, twijfelde ik of ik de kerken niet te hard beoordeeld had. Ik heb een broeder, die dat vaak tegen mij zegt. Hij zegt dan: ‘Jij vindt dat kerkmensen, die in de hel geloven, eigenlijk ongelovigen zijn.’ En dan zeg ik: ‘Ja …’ En dan zegt hij: ‘Jòh, die mensen in de kerk zijn daar helemaal niet mee bezig, met de hel …’ Ik zeg dan altijd: ‘Oké …’ Want ik wil niet eigenwijs zijn. Een maand geleden had ik deze toespraak al klaar. Ik had dus tijd over. Daarom zat ik op een dag in de bibliotheek de krant te lezen. Ik las het dagblad Trouw. Een vaste columnist had een artikel geschreven naar aanleiding van het overlijden van Billy Graham. Deze vaste columnist is een kerkverlater. En hij keek met enige weemoed terug op de tijd dat hij het allemaal nog zo goed wist. En toen schreef hij dat twee van zijn puberkinderen op schoolstage waren geweest. Op een highschool, in Amerika. Zijn kinderen werden ondergebracht bij een familie uit de evangelische hoek. Trouwe kerkgangers. Daar had onze columnist wel wat bedenkingen bij, maar oké … het moest maar … Later hoorde hij van zijn kinderen hoe dat geweest was. Zij waren tijdens hun verblijf bij die familie met hen naar een christelijk pretpark geweest. Een van de attracties daar was een virtueel ritje in een snelle auto. 319

Zijn kinderen namen plaats in die virtuele auto. Deze auto reed virtueel heel hard. Veel te hard. Zij kregen virtueel een enorme crash. En virtueel zagen zij hoe zij stierven. En hoe zij in de hel terecht kwamen. Zij zagen zichzelf en anderen virtueel pijn lijden in de eeuwige vlammen. En zij hoorden een stem, die zei: ‘Dit kun je allemaal ontgaan, als je een beslissing voor Jezus neemt.’ Bij het uitstappen uit die attractie werd de uitgangs-deur extra langzaam opengedaan, zodat de bezoekers, als zij dat wilden, opgevangen konden worden door klaarstaande vrijwilligers, die met hen het zondaarsgebed wilden bidden … Nee, joh, die mensen in de kerken zijn helemaal niet bezig met de hel … Schei toch uit … Tuurlijk wel … Nee, jòh, dat is Amerika. Daar doen ze van die rare dingen … Dat weet je toch … Maar in Nederland is dat allemaal niet aan de orde … Toch? Nou, ik sprak afgelopen maandag met een zuster. En die vertelde mij dat haar oudste dochter nu op de middelbare school zit. In het brugjaar - havo/vwo. Op een reformatorische scholengemeenschap. En in dit eerste jaar werd de ‘hel’ uitvoerig in de klas besproken. Misschien waren de docenten bang dat de ‘hel’ op de zondagschool of op de basisschool overgeslagen was. Of dat de kinderen dit in de kerk niet goed begrepen hadden. Zij vonden in ieder geval dat deze eventueel ontbrekende kennis over de ‘hel’ op de middelbare school even grondig gerepareerd moest worden. 320

Zodat de kinderen het nooit meer zullen vergeten … Nee, jòh, die mensen in de kerken zijn helemaal niet bezig met de hel … Schei toch uit … Tuurlijk wel … Weet u, wat zo verdrietig is? Nou … Als u in de hel gelooft, dan kent u God niet. O, nee? Nee, u zegt wel met uw mond dat God liefde is. Maar diep in uw hart denkt u dat God wreed, onbarmhartig, onbetrouwbaar, wispelturig, onverschillig en machteloos is, die miljarden mensen in de eindeloze eeuwigheid met vuur zal kwellen … Maar zo is God helemaal niet. U hebt een volstrekt verkeerde voorstelling van God. U gelooft niet in de levende God. U gelooft in een denkbeeldige God … Daarom hebt u ook geen vertrouwen in God. Diep in uw hart wantrouwt u Hem. U bent bang voor God. Dat Hij ook u naar de hel zal sturen … Want u kent uzelf. U weet dat u geen haar beter bent dan andere mensen. Christus is voor onze zonden gestorven. Dat hebt u in uw kerk gehoord. Maar met God kun je het natuurlijk nooit helemaal zeker weten. Want Hij stuurt miljarden mensen naar de hel … Daarom doet u ook wanhopige pogingen om God te behagen. U probeert zo goed mogelijk te leven … Maar diep in uw hart bent u bang dat het allemaal niet goed genoeg is. En dat u alsnog naar de hel gaat … U probeert die angstige gedachten te overstemmen. Door naar de kerk te gaan. 321

Door belijdenissen uit te spreken. Door naar preken te luisteren. Door te bidden. Door liederen te zingen. Door naar aanbiddingsdiensten te gaan. Door geld aan de kerk te geven … En als iemand u dan vertelt dat God de Redder is van alle mensen, dan wilt u er niets van horen. Waarom niet? Nou, de bodem van uw geloof wordt onder uw voeten weggeslagen. Het hele motief van uw geloof wordt weggenomen. Welk motief? Nou, u gelooft wanhopig in God om aan de hel te ontkomen … Maar als er geen hel is, waarom zou u dan nog in God geloven? Waarom zou u dan nog proberen goed te leven? Trouwens, dat kan toch niet … Wat niet? Nou, dat u zo lang in iets geloofd hebt, wat niet waar is. Dat kan toch gewoon niet … U bent toch niet gek … U wordt ook boos. Waarom? Nou, omdat u eigenlijk vindt dat ú terecht ontkomt aan de hel. Want u was zo verstandig om voor God te kiezen. En daarna hebt u een voorbeeldig leven geleid. Dat was niet altijd even makkelijk, maar oké … Mensen die niet voor God kiezen, zijn eigenlijk domoren. Zij hadden een kans. Maar zij hebben die kans niet gegrepen. En kijk maar eens naar het leven van die mensen zonder God. Zij gaan niet naar de kerk. Zij leven maar raak. Zij trekken zich nergens wat van aan. Ja, het is wel duidelijk, dat zij naar de hel gaan. 322

Volkomen terecht, ook … En nu hoort u dat God de Redder is van alle mensen. Nou ja, zeg. Dat zou buitengewoon onrechtvaardig zijn van God, als dát zo zou zijn. Alle mensen redden. Ook Hitler. En al die verschrikkelijke terroristen. En uw vervelende buurman. Nee, dat kan gewoon niet waar zijn … U verzet zich tegen de boodschap dat God de Redder is van alle mensen. U wilt er niet naar luisteren. U luistert liever naar uw pastoor, uw predikant, of uw voorganger. Die zeggen tenminste waar het op staat. Dat als je niet naar de kerk gaat en geen goed leven leidt, dat je dan naar de hel gaat … Je zal dan in de hel voor eeuwig in vuur gekweld worden. Volkomen terecht, toch? Ja, maar er staat toch in 1 Timoteüs 4:10 … God is de Redder van alle mensen … Ja, dat staat er … Nou, dan? Nee, jòh, laat mij nou maar met rust … laat mij nou maar lekker in de hel geloven, oké? De kerkleer van de hel is een grove leugen. En als u in de hel gelooft, dan gelooft u in de leugen. U gelooft in de on-waarheid. Maar bent u dan een gelovige? Want een gelovige gelooft in de waarheid. Een gelovige gelooft in wat God zegt. Geloven in wat God zegt is een gave van God. Dat geloof heb je niet uit jezelf. 323

God opent je ogen. En dan zie je de waarheid in Gods Woord. Dan zie je dat God de Redder is van alle mensen. En dan kun je niets anders zeggen dan: ‘Amen, ja, Heer, zo is het.’ Je komt dan tot de erkentenis van de waarheid. Dan geloof je dus God. En dat is de definitie van een gelovige. Want een gelovige gelooft in wat God zegt. God is de Redder van alle mensen. Dat is niet zomaar een boodschap. Paulus zegt: ‘Hiervoor strijden en zwoegen wij.’ En hij zegt ook: ‘Beveel en leer dit.’ Dat hebben André, Gerard en ik vandaag dus gedaan. In de kerken hoort u niet het evangelie. U hoort daar de leugen. Dat is geen veroordeling. Dat is gewoon het constateren van een feit. En hoe vaker u in de kerken de leugen hoort, hoe meer u er in verstrikt raakt. Eigenlijk zou u met een grote boog om die leugen heen moeten lopen. Oké … oké … maar hoe doe ik dat dan? Laten we proberen het heel eenvoudig te houden. Stel, u gaat naar een christelijke bijeenkomst. En u luistert naar wat er daar gezegd wordt. Is die boodschap daar dat God de Redder is van alle mensen, dan zegt u: ‘Dank u, Heer.’ Is die boodschap daar dat God niet de Redder is van alle mensen, dan verlaat u stilletjes die bijeenkomst. U heeft daar niets te zoeken. Voortaan gaat u met een grote boog om die bijeenkomsten heen. Ja, broeder, misschien heb je wel gelijk. Oké … Ja, maar dan heb ik nu wel een probleem. 324

O, ja? Ja, want in mijn geloofsgemeenschap wordt verkondigd dat God niet de Redder is van alle mensen. Hm, dat is niet zo best … Nee, en bedoel je dan dat ik mijn geloofsgemeenschap moet mijden, dat ik er met een grote boog omheen moet lopen? Ja, dat bedoel ik, dat zou heel verstandig van u zijn … Maar dat kan toch niet? O, nee … waarom niet? Nou, daar zit mijn hele familie en mijn kennissenkring. Tja, dat is erg vervelend, heel erg vervelend … Ik leef met u mee … Maar u blijft liever in uw geloofsgemeenschap. En u krijgt in die geloofsgemeenschap voortdurend onjuiste informatie. En dan zit u in die geloofsgemeenschap op hete kolen. U denkt dan de hele tijd: ‘Niet aan de hel denken … niet aan de hel denken …’ Waar denkt u dan aan? Juist, aan de hel … In uw geloofsgemeenschap wordt het evangelie niet verteld. U hoort daar de taal van ongelovigen. Nou, daar wordt u blij van … Ik zou er toch nog maar eens goed over nadenken. Misschien is het toch verstandiger om mensen op te zoeken, die ook geloven dat God de Redder is van alle mensen. Ja, zegt u, maar dat vind ik moeilijk hoor, wat je daar zegt. Je roept mij eigenlijk op om mijn kerk te verlaten. Ja, eigenlijk wel … Gewoon weggaan. Echt waar. Gewoon weggaan … Ja, maar als ik dan ‘s zondags de kerkklokken hoor luiden, dan voel ik mij zo schuldig. Want die klokken roepen mij: ‘Kom hier … kom hier …’ 325

Nou, dan luistert u niet goed. Want die klokken roepen: ‘Kom niet hier … kom niet hier …’ Dit was even een grapje. Maar ook weer niet. Want mijn vrouw en ik hebben daar jaren last van gehad. Van dat schuldgevoel. Wij moesten op zondag toch naar de kerk … Daar hoorden wij toch thuis … Nou, ècht niet … Want de boodschap, die daar verkondigd werd, was niet het evangelie. Wij roepen u vandaag op: wees niet ongelovig, maar gelovig. Geloof niet in de leer van de kerk. Geloof in wat God zegt … De boodschap dat God de Redder is van alle mensen is balsem voor ons hart. Het is balsem voor ons hartzeer over onze geliefden, die misschien geen gelovigen zijn. Want wij weten dat God ook hun Redder is. God heeft een perfect plan met ieder mens. Want God houdt van ieder mens. Wie die mens ook is. En wat die mens ook gedaan heeft. God houdt van die mens. Omdat ieder mens zijn schepsel is. Ieder mens is kostbaar in zijn ogen. Daarom is God ook de Redder van alle mensen. God is de Redder van alle mensen. Dat is een heerlijke boodschap. Daarom wil ik graag, tot slot, een nieuw antwoord formuleren op de vraag van zondag 1 van de Heidelbergse catechismus. Vraag: Wat is uw enige troost in leven en in sterven? Antwoord: Dat God de Redder is van alle mensen. 326

20. Een juridisch document In de aankondiging staat dat ik ‘The happy man’ ga bespreken. ‘The happy man’ is een concordante brochure uit de dertiger jaren van de vorige eeuw. Een taalkundige analyse van Romeinen 3:19-26. Die taalkundige analyse ga ik vanmiddag niet maken. Wat ga ik vanmiddag dan wel doen? Ik bespreek met u het belang van Romeinen 3:19-26. Hoezo, het belang van Romeinen 3:19-26 ? Wat is er zo belangrijk aan Romeinen 3:19-26 ? Antwoord: Romeinen 3:19-26 is een juridisch document. Romeinen 3:19-26 is een onderdeel van de processtukken van een strafzaak. Alle processtukken zijn in ordelijke volgorde weergegeven. De akte van beschuldiging staat in Romeinen hoofdstuk 1:18-32, 2, en 3:1-18. Het is een uiteenzetting van de strafbare feiten die aan de beschuldigden ten laste zijn gelegd. In vers 19 van Romeinen 3 staat de dagvaarding. In vers 20 volgt het requisitoir, de strafeis van de aanklager. In vers 21-25 komt de verdediging aan het woord, met nieuw feitenmateriaal. En in vers 26 komt de bindende uitspraak van de rechter. Iedereen, de hele wereld, krijgt met de inhoud van Romeinen 3:19-26 te maken. Daarom moet je goed weten wat er in dit juridische document staat. Daarom gaan we vanmiddag dit document bespreken. Goed, laten we beginnen. Met Romeinen 3:19 en 20 . Ik ga u voorlezen uit een eigen vertaling. Ik heb de NBG-vertaling wat aangescherpt. 327

“Nu weten wij, dat de wet, bij al wat zij zegt, tot hén spreekt, die onder de wet zijn, opdat alle mond gestopt en de gehele wereld onder de rechtspraak voor God wordt, daarom, dat uit werken van een wet niemand voor Hem gerechtvaardigd zal worden, want een wet doet zonde kennen …” Zoals u uit de schuingedrukte woorden kunt zien, gaan deze verzen over juridische zaken. Er wordt gesproken over ‘een wet’, ‘de wet’, ‘werken van een wet’, ‘rechtspraak’, etc. Laten we beginnen met de juridische termen in deze zinnen te definiëren. Eerst het woord ‘wet’. Wat is een ‘wet’? Een ‘wet’ is volgens het woordenboek: een erkende bindende regel, of een geheel van regels waarnaar men zich richt, of te richten heeft, in zijn gedragingen. U ziet in de tekst een verschil tussen ‘de wet’ en ‘een wet’. ‘De wet’ is een bepaalde wet, namelijk de wet van Mozes. ‘Een wet’ is een wet in het algemeen. Bijvoorbeeld de wet van je geweten. Of de wetten van een land. Of de wetten van religieuze voorschriften. Wat zijn dan ‘werken van een wet’? ‘Werken van een wet’ zijn gedragingen op basis van een wet. Dan het woord ‘zonde’. ‘Zonde’ is het Nederlandse vertaalwoord voor het Griekse woord ‘hamartia’. ‘Hamartia’ betekent: ‘het doel niet raken’, ‘een misslag maken’, kortom: ‘falen’. Dan de woorden: ‘onder de rechtspraak’. ‘Onder de rechtspraak’ is de Nederlandse vertaling voor het Griekse woord ‘hupodikos’. ‘hupodikos’ is de juridische term voor hen, die onderworpen worden aan een gerechtelijke uitspraak. 328

Het heeft betrekking op mensen die beschuldigd worden dat zij de wet overtreden hebben, maar die daarvoor nog niet door een rechter geoordeeld zijn. Dan de woorden: ‘alle mond gestopt’, dat aangeeft dat er geen tegenspraak meer mogelijk is. Dan de woorden: ‘gerechtvaardigd worden’. ‘Rechtvaardigen’ is volgens het woordenboek: de rechtvaardigheid of juistheid aantonen van wat iemand gedaan heeft, iemand van schuld vrijspreken, iemand zuiveren van een blaam, iemand in het gelijk stellen. Nu we deze woorden gedefinieerd hebben, gaan we naar de inhoud van de tekst kijken. Wat wordt er hier gezegd? Wel, de gehele wereld is onder de rechtspraak voor God. Waarom? Er worden tegen de hele wereld beschuldigingen ingebracht van wetsovertredingen. De aangeklaagden krijgen de gelegenheid zichzelf te verdedigen. Zij proberen zichzelf te rechtvaardigen. Zij zeggen dat zij hun hele leven hun uiterste best hebben gedaan om zich aan een wet te houden. Maar de aangeklaagden worden in hun zelfverdediging tot zwijgen gebracht, omdat zij tot het inzicht komen, dat een wet zonde doet kennen. In gewoon Nederlands betekent dat: een wet laat je zien, dat je faalt om je aan die wet te houden. Dus wat is de situatie? De gehele wereld is onder de rechtspraak voor God. God gaat een oordeel uitspreken over de gehele wereld. Met de woorden van dit juridische document: God bepaalt of Hij de aangeklaagden gaat rechtvaardigen, of niet. Met andere woorden: God bepaalt of die aangeklaagden vrijuit gaan, of niet. Er zijn heel veel misvattingen over Romeinen 3:19-26. 329

Ook over deze verzen 19 en 20. Men begrijpt niet dat deze zinnen een juridische aangelegenheid zijn. En dat de zaken dus uiterst scherp geformuleerd worden. Mensen lezen of horen Romeinen 3:19-20. En dan is hun conclusie: ’de hele wereld is schuldig voor God’. Absoluut niet. De schuld van de aangeklaagden is door God nog niet vastgesteld. De beschuldigingen zijn ingebracht. Zeker. Maar God moet zijn oordeel nog uitspreken. De hele wereld is onder de rechtspraak voor God. Absoluut. Maar niet schuldig voor God. Want als iemand schuldig verklaard is, dan kan hij niet gerechtvaardigd worden. Rechtvaardiging is niet de schuldige vrijspreken. Rechtvaardiging is iemand van schuld vrijspreken. Iemand die gerechtvaardigd wordt, heeft dus geen schuld. Want als hij schuld zou hebben, dan zou hij niet gerechtvaardigd kunnen worden. Begrijpt u? Met het begrip ‘schuld’ loop je op de procesgang in de rechtszaal vooruit. Ziet u, dat deze tekst een juridisch document is? Een andere misvatting, die je vaak hoort, is: ‘Dit staat er nou wel in Romeinen 3, maar het loopt zo’n vaart niet met die veroordeling door God.’ O, niet? ‘Nee, want God is liefde.’ Ja, dus? ‘Nou, God wordt even boos en dan schenkt Hij de schuldigen vergeving.’ Absoluut niet. God is de rechter van de wereld. En een rechter kan niet vergeven. 330

Anders wordt hij medeschuldig aan de wetsovertredingen van de aangeklaagden. Een rechter moet recht spreken. Als iemand onschuldig is, dan wordt hij door de rechter vrijgesproken. En als iemand schuldig is, dan wordt hij door de rechter veroordeeld tot een gerechtvaardigde straf. In de setting van de rechtbank in Romeinen 3:19-26 is er geen ruimte voor vergeving. Er is alleen ruimte voor rechtvaardiging of veroordeling. Ik vat deze verzen nog even samen. In vers 19 is de hele wereld gedagvaard. Zij zijn onder de rechtspraak voor God. De akte van beschuldiging is voorgelezen. De aangeklaagden krijgen de gelegenheid zichzelf te verdedigen. Tijdens hun verdediging zagen zij in dat de aanklachten gegrond waren. En dan spreekt de aanklager zijn requisitoir. Hij zegt dat de strafbare feiten in de akte van beschuldiging tot de volgende strafeis komen. God kan op basis van de beschuldigingen de aangeklaagden niet rechtvaardigen, niet vrijspreken. Want vanuit werken van een wet zal niemand voor God gerechtvaardigd worden … En dan komt de advocaat van de verdediging naar voren, om nieuw feitenmateriaal te presenteren. We gaan nu dat feitenmateriaal nauwkeurig bestuderen. Romeinen 3:21 (aangescherpte vertaling): “echter, nú, is, los van een wet, rechtvaardigheid van God openbaar geworden, waarvan de wet en de profeten getuigen …” U ziet het eerste woord in deze zin, het woordje ‘echter’. Volgens het woordenboek is het woordje ‘echter’ een voegwoord ter verbinding van twee zinnen, waarbij de tweede zin opkomt 331

tegen een gevolgtrekking die men uit de eerste zin zou kunnen afleiden. Wat is die gevolgtrekking, die we uit de vorige zin zouden kunnen afleiden? De vorige zin zei, dat er vanuit werken van een wet niemand voor God gerechtvaardigd zal worden, omdat een wet zonde doet kennen. De gevolgtrekking die je uit die zin zou kunnen afleiden is dus, dat er dan niemand voor God gerechtvaardigd zal worden. Toch? Maar met het woordje ‘echter’ komt dit nieuwe vers op tegen die gevolgtrekking die men uit het vorige vers zou kunnen afleiden. Want nú, echter, is los van een wet, rechtvaardigheid van God openbaar geworden. Er wordt nu een nieuwe stelling in dit juridische document naar voren gebracht. Laten we die nieuwe stelling eens analyseren. Als er, nú, rechtvaardigheid van God, los van een wet, openbaar is geworden, dan is er dus ook een rechtvaardigheid van God, die niet-los van een wet is. De rechtvaardigheid van God, die niet-los van een wet is, was het onderwerp van de vorige zin. Dit werpt een heel nieuw licht op de zaak. Het probleem van de rechtvaardiging van de gehele wereld voor God heeft dus te maken met de rechtvaardigheid van God, die niet-los van een wet is. Dat was het uitgangspunt van de vorige zin. Maar nú is er een rechtvaardigheid van God openbaar geworden, die wèl-los van een wet is. Deze nieuwe stelling roept ook vragen op. Vanwege de eerste stelling in de vorige zin, dat Gods rechtvaardigheid niet-los van een wet is, is de gehele wereld onder de rechtspraak voor God om beoordeeld te worden. Maar nu krijgen we de nieuwe stelling in deze zin, waar Gods rechtvaardigheid wèl-los van een wet openbaar is geworden. Is er nu een tegenstrijdigheid in dit juridische document? 332

Nee, want die rechtvaardigheid van God, los van een wet, was er altijd al. Want, zegt dit juridische document, deze rechtvaardigheid van God, los van een wet, stond al opgetekend in de wet en de profeten. De wet en de profeten is de technische term voor de Hebreeuwse geschriften. Die geschriften staan bekend onder de naam ‘het Oude Testament’. Dat die rechtvaardigheid van God, los van een wet, in de wet en de profeten opgetekend staat, is het bewijsmateriaal, dat die rechtvaardigheid van God, los van een wet, gelegitimeerd is. De advocaat van de verdediging doet een beroep op dit bewijsmateriaal, om aan te geven, dat God rechtvaardig handelt, wanneer Hij zijn rechtvaardigheid, los van een wet, gaat gebruiken in zijn oordeel over de gehele wereld. Ziet u dat Romeinen 3:19-26 een juridisch document is? Alles wordt gedocumenteerd. Alles wordt haarscherp geformuleerd … Die rechtvaardigheid van God, los van een wet, waarvan de wet en de profeten getuigen, was verborgen. Dat wel. Maar het is nú openbaar geworden. Romeinen 3:22 (aangescherpte vertaling): “echter, rechtvaardigheid van God, door het geloof van Jezus Christus, voor allen, die geloven, want er is geen onderscheid …” Ook in deze zin is er het woordje ‘echter’. Het woordje ‘echter’ is, zoals u weet, een voegwoord ter verbinding van twee zinnen, waarbij de tweede zin opkomt tegen een gevolgtrekking die men uit de eerste zin zou kunnen afleiden. Welke gevolgtrekking zou men uit de vorige zin kunnen afleiden? De vorige zin zei, dat er nú rechtvaardigheid van God is, los van een wet. 333

Daar zou je uit kunnen afleiden, dat de gehele wereld nu onder de rechtspraak van God vandaan gaat en vrijgesproken wordt. Tegen die gevolgtrekking, die je uit de vorige zin zou kunnen afleiden, komt deze zin op. Deze zin zegt: ‘echter, rechtvaardigheid van God, door het geloof van Jezus Christus, voor allen, die gelóven.’ Deze rechtvaardigheid van God, los van een wet, is dus niet voor de gehele wereld. Deze rechtvaardigheid van God door het geloof van Jezus Christus is voor allen, die gelóven. De eerste vraag die we moeten beantwoorden is: ‘Wat is dan het geloof van Jezus Christus?’ Het antwoord op deze vraag is in dit vers niet duidelijk. Veel mensen gaan het antwoord op deze vraag op grond van hun bijbelkennis alvast invullen. Ik wijs er nogmaals op, dat wat wij hier bespreken, een juridisch document is. En in een juridisch document moet je geen dingen in een zin lezen, die er niet in staan. Het antwoord op die vraag moeten we ergens anders in de tekst zèlf kunnen vinden. Hier in Romeinen 3:19-26. Nog even wachten, dus. Er is nog een vraag. En dat is: ‘Wat geloven die allen, die geloven?’ Ook het antwoord op die vraag is in dit vers niet duidelijk. Ook hier gaan mensen, op grond van hun bijbelkennis, het antwoord op die vraag invullen. Zij lezen dan dingen in de zin, die er niet in staan. Dat is niet verstandig. Want in een juridisch document moet je niet je eigen mening invoegen. Dan zou je tot voorbarige conclusies kunnen komen. Ook het antwoord op de vraag wat die allen geloven, moet uit een andere zin in deze tekst komen. En niet buiten deze tekst. Het antwoord moet uit Romeinen 3:19-26 zèlf komen. 334

Ook hier nog even wachten, dus. De rechtvaardigheid van God, los van een wet, is dus niet voor de gehele wereld. Het is een rechtvaardigheid van God, door het geloof van Jezus Christus, voor allen die gelóven. De woorden: ‘want er is geen onderscheid’ bevestigen deze conclusie, want deze woorden hebben betrekking op allen, die gelóven. We zien nog iets bijzonders. En dat is dat de woorden ‘rechtvaardigheid van God’ vooraan in de zin staan. De nadruk in deze zin valt dus op ‘rechtvaardigheid van God’. Er wordt algemeen gedacht, dat Romeinen 3:19-26 over ónze rechtvaardigheid gaat. Dat is niet het geval. Romeinen 3:19-26 beschrijft in de eerste plaats Gods rechtvaardigheid. God moet, voor het oog van het universum, als rechter absoluut rechtvaardig handelen. Daarom wordt Gods rechtvaardigheid in dit juridische document met nadruk vastgesteld. Gods rechtvaardigheid in de verzen 19 en 20 is verankerd in een wet. Gods rechtvaardigheid in de verzen 19 en 20 is niet-los van een wet. Dat is noodzakelijk. Anders kan God de wereld niet oordelen. Maar er is nú een andere rechtvaardigheid van God, wel-los van een wet, openbaar gemaakt. Ook die rechtvaardigheid van God moet verankerd worden. Die rechtvaardigheid van God is verankerd door het geloof van Jezus Christus. Die rechtvaardigheid van God is mede verankerd dat het voor allen is, die gelóven. Romeinen 3:23 (aangescherpte vertaling): “want allen zondigden en derven de heerlijkheid van God.” 335

Deze stelling heeft niet zoveel toelichting nodig. Want het is duidelijk, dat die ‘allen’, die zondigden en de heerlijkheid van God derven, verwijst naar de allen, die gelóven. Romeinen 3:24 (aangescherpte vertaling): “en worden gerechtvaardigd, om niet, in zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is.” ‘En worden gerechtvaardigd’ heeft betrekking op ‘allen, die geloven’. Allen, die geloven, worden dus gerechtvaardigd door de verlossing, die in Christus Jezus is. Let even op: rechtvaardiging vindt plaats door verlossing. Verlossing is niet iets wat men zèlf doet, maar wat door een ander gedaan wordt. Ook is de waardigheid van de verloste niet aan de orde. Want het is ‘om niet’ – als een geschenk. En ‘in zijn genade’ – volstrekt onverdiend. ‘Verlossing’ is de Nederlandse vertaling van het Griekse woord ‘apolutrōsis’. ‘apolutrōsis’ is afkomstig van ‘lutron’, dat ‘losgeld’ betekent. ‘lutrōsis’ zonder het voorvoegsel ‘apo-’ is ‘loskoping’, de transactie van het loskopen. Wat is dan ‘apolutrōsis’? Het voorvoegsel ‘apo’ betekent ‘vanaf’. ‘apolutrōsis’, letterlijk: ‘vanaf-loskoping’, is ‘loskoping plus vrijlating’. Dit woord ‘apolutrōsis’ is een term met een juridische betekenis. Dit loskopen en vrijlaten is op basis van losgeld. Het is een wettige transactie, die gedocumenteerd wordt. Er wordt wettig vastgesteld wie er betaald heeft en hoeveel het losgeld bedraagt. En er wordt wettig vastgesteld wie er op die basis losgekocht en vrijgelaten worden. Dit alles heeft betekenis voor de context van Romeinen 3. De gehele wereld is onder de rechtspraak van God. 336

Allen zijn gebonden aan een wet. De aangeklaagden hebben de wet overtreden. Het oordeel van de rechter zal uitgesproken worden. Dat is de rechtvaardigheid van God, niet-los van een wet. Maar dan wordt rechtvaardigheid van God, los van een wet openbaar gemaakt. Rechtvaardigheid van God door het geloof van Jezus Christus. Die rechtvaardigheid van God, door het geloof van Jezus Christus, is voor allen die geloven. Allen, die geloven, worden om niet, in zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is, gerechtvaardigd. Dat wil zeggen: zij worden wettig vrijgesproken van de beschuldigingen, waarvoor zij onder de rechtspraak voor God waren. Die allen, die geloven, bevinden zich, na die wettige vrijspraak en vrijlating, niet langer onder de rechtspraak voor God. Deze verlossing is een juridische aangelegenheid. Wettelijk hier vastgelegd. Dan krijgen we de vraag: wat is dan die verlossing, die in Christus Jezus is? Let op: die verlossing is niet door Christus Jezus. Maar die verlossing is in Christus Jezus. Waarom in Christus Jezus? Die verlossing is in de persoon Christus Jezus. In wie Hij is en wat Hij is. Wat die verlossing in Christus Jezus is, wordt in dit vers nog niet uitgelegd. Ook hier bestaat het gevaar, dat we op grond van onze bijbelkennis alvast gaan invullen wat die verlossing in Christus Jezus is. Maar we moeten niet iets in dit juridische document lezen, wat er niet in staat. Het moet uit de tekst zèlf komen. Daarom gaan we naar de volgende zin. Romeinen 3:25a (aangescherpte vertaling): “Die God zich voornam een beschutplaats (te zijn), door het geloof, in zijn bloed …” 337

‘Die’ is het betrekkelijk voornaamwoord, dat betrekking heeft op Christus Jezus in de vorige zin. Waarom wordt in dit vers 24 de naam ‘Christus Jezus’ gebruikt? In vers 22 wordt er gesproken over het geloof van ‘Jezus Christus’. Waarom dit verschil tussen Jezus Christus en Christus Jezus? Het woord ‘Jezus’ is een eigennaam en het woord ‘Christus’ is een titel. ‘Christus’ betekent letterlijk: ‘gezalfde’. ‘Gezalfde’ is een aanduiding voor iemand, die voor een bepaalde officiële taak en functie gezalfd is, en daarmee voor die taak gewijd en aangesteld is. Als er in dit juridische document gesproken wordt over ‘Jezus Christus’, dan ligt de nadruk op de persoon, die een bepaalde taak en functie heeft. Het geloof van ‘Jezus Christus’ is dus het geloof wat de persoon Jezus Christus heeft. Zijn persoonlijke geloof. Bij ‘Christus Jezus’ ligt de nadruk op zijn taak en functie. Jezus is de ‘Christus’, de ‘gezalfde’, die in zijn officiële functie, waarvoor Hij officieel is aangesteld, een specifieke taak moet uitvoeren. Wat is die specifieke taak, die Hem opgedragen is? Hij moet een beschutplaats zijn. Waarom? Nou, God nam zich dat voor. Wat is dan ‘een beschutplaats’? ‘Beschutplaats’ is de letterlijke vertaling voor het Griekse woord ‘hilastērion’. Ik heb hier in Garderen al eerder een toespraak over de ‘beschutplaats’ gehouden. Voor degenen, die dit zich niet meer goed voor de geest kunnen halen, nog even een kleine toelichting. Het achtervoegsel ‘-tērion’ geeft de plaats aan, waar de handeling plaats vindt. 338

Voorbeelden: desmotērion kritērion akroatērion hilastērion – – – – BINDEN-plaats, gevangenis OORDELEN-plaats, rechtbank LUISTEREN-plaats, audiëntiezaal BESCHUTTEN-plaats, beschutplaats Wat is die ‘hilastērion’, die ‘beschutplaats’? Die ‘beschutplaats’ die bekend staat als het ‘verzoendeksel’, was een onderdeel van de ark. De ark, een gouden kist, stond in de tabernakel, en later in de tempel in Jeruzalem. Deze ark stond in de allerheiligste plaats, het ‘heilige der heiligen’. Eenmaal per jaar, op ‘Jom Kippoer’, de ‘Grote Verzoendag’, beter gezegd: ‘de Grote Beschutdag’, mocht de hogepriester het heilige der heiligen binnentreden. Met in zijn handen een schaal met het bloed van offerdieren. En dan moest de hogepriester dat bloed sprenkelen op de ‘hilastērion’, het ‘verzoendeksel’, de ‘beschutplaats’. De hogepriester sprenkelde dat bloed ten behoeve van zichzelf en van het gehele volk. En dan werden de zonden ‘verzoend’, beter gezegd: ‘beschut’. Dat wil zeggen: het volk Israël werd op die dag beschut tegen de zonden, die het afgelopen jaar gepleegd waren. Nog een keer Romeinen 3:25a (aangescherpte vertaling): “Die God zich voornam een beschutplaats (te zijn), door het geloof, in zijn bloed …” De vraag was: ‘Wat is de verlossing, die in Christus Jezus is’? Ik wil ten overvloede nog een keer zeggen, dat wij hier te maken hebben met een juridisch document. In dit vers wordt haarscherp een juridische transactie vastgesteld. De wettige verlossing wordt tot stand gebracht in een persoon, Christus Jezus. God nam zich voor dat Christus Jezus een beschutplaats zou zijn. De vraag is nu: Hoe kan Christus Jezus een beschutplaats worden? 339

Het antwoord is: door het geloof, in zijn bloed. Hier hebben we een moeilijkheid, als we het Grieks niet begrijpen. We kunnen namelijk niet vertalen met: ‘door het geloof in zijn bloed’. De Nederlandse constructie ‘geloof in’ kan niet een vertaling zijn met het Griekse voorzetsel ‘en’. ‘Geloof in’ kan alleen met het Griekse voorzetsel ‘eis’. Dus ‘geloof in zijn bloed’ kan in deze zin grammaticaal niet. Dat laat de vertaling ook zien. Er is een komma gezet tussen ‘geloof’ en ‘in’. ‘In zijn bloed‘ is het antwoord op de vraag: ‘waar is Christus Jezus een beschutplaats?’ Antwoord: ‘in zijn bloed’. In het Grieks staat ‘van hem’ voor ‘bloed’. Door die plaatsing krijgt ‘van hem’ de nadruk. Dit betekent: ‘zijn bloed’. Niet het bloed van offerdieren, zoals bij de beschutplaats in de tempel. Het is zijn bloed. Het bloed van Christus Jezus zelf. Christus Jezus is een beschutplaats. En zijn bloed is de plaats waar die beschutplaats zich bevindt. ‘door het geloof’ is het middel, het kanaal, waardoor deze beschutplaats tot stand komt. Laten we Romeinen 3:25a even schematisch weergeven. God nam zich voor (1) Christus Jezus (4) in zijn bloed (3) door het geloof (2) beschutplaats (te zijn) (4) 340

De getallen zijn de naamvallen in het Grieks, waarmee de betekenis van de zin aangegeven wordt. De naamvallen in het Grieks geven de richting aan in de zin. De 1nv (de eerste naamval) is het beginpunt. De 2nv (de tweede naamval) gaat van het beginpunt uit en is in beweging. De 3nv (de derde naamval) is in rust en geeft de plaats, het domein, aan. De 4nv (de vierde naamval) gaat naar het eindpunt toe en is in beweging. God nam zich voor (1 nv – onderwerp, het beginpunt). Christus Jezus een beschutplaats te zijn (4 nv – lijdend voorwerp, het te bereiken eindpunt) Door het geloof (2 nv – kanaal, door middel waarvan) In zijn bloed (3nv – plaats, het domein) Door het geloof (2) [van Jezus Christus], dat Hij in zijn bloed (3) een beschutplaats zou zijn (4), werd Hij als Christus Jezus (4) in zijn bloed (3) een beschutplaats (4). Dit alles is volgens Gods plan: God nam zich dat voor (1). Met dit schema wordt het antwoord gegeven op de vraag wat het geloof van Jezus Christus is. Het is het geloof dat Jezus Christus had, dat Hij, als Christus Jezus, in zijn bloed een beschutplaats zou zijn. 341

Het is het geloof dat Jezus Christus had in dát voornemen van God. Dat voornemen van God was in de wet en de profeten (het Oude Testament) vastgelegd. Wat betekent dat, dat Christus Jezus in zijn bloed een ‘beschutplaats’ is? Daarvoor gaan we naar het tweede deel van dit vers. Romeinen 3:25b (aangescherpte vertaling): “tot aantoning van zijn rechtvaardigheid vanwege het – onder de verdraagzaamheid Gods – terzijde laten van de consequenties van de zonden, die tevoren geworden waren …” Laten we eerst naar de woorden ‘consequenties van de zonden’ kijken. Het is de vertaling van het Griekse woord ‘hamartēmatōn’. ‘hamartēmatōn’ is de 2e naamval meervoud van het woord ‘hamartēma’. ‘hamartēma’ is een speciaal woord, dat afgeleid is van ‘hamartia’, ‘zonde’. Het achtervoegsel ‘-ma’ betekent: ‘gevolg, effect’. Het woord ‘hamartēma’ betekent dus: ‘het gevolg, het effect, de consequentie’ van de zonde. ‘hamartēmatōn’ zijn dus de gevolgen, de consequenties van de zonden. De vraag was: ‘Wat is de verlossing in Christus Jezus?’ Het antwoord is: dat Christus Jezus, in zijn bloed, een beschutplaats is. Omdat Christus Jezus, in zijn bloed, een beschutplaats is, worden de zonden beschut. De zonden worden daarmee onschadelijk gemaakt. En daarmee worden ook de consequenties van die zonden onschadelijk gemaakt. Dat is de verlossing in Christus Jezus. Allen, die geloven dat Christus Jezus in zijn bloed een beschutplaats is, worden gerechtvaardigd. 342

Want de zonden, waarvoor zij onder de rechtspraak voor God waren, worden door Christus Jezus, de beschutplaats, onschadelijk gemaakt en kunnen niet meer voor de consequenties zorgen. God bewijst zijn rechtvaardigheid, wanneer Hij rechtvaardigt, los van een wet. Want Hij rechtvaardigt zijn rechtvaardigheid door het geloof van Jezus Christus. Dat is het onderwerp van Romeinen 3:19-26. Deze rechtvaardigheid van God is zojuist juridisch vastgelegd. God laat ook zien, dat Hij, door het geloof van Jezus Christus, altijd rechtvaardig is. God toont eerst aan dat Hij in het verleden rechtvaardig was, toen Hij de consequenties van de zonden, in zijn verdraagzaamheid, terzijde heeft gelaten. Was dat rechtvaardig? Jazeker, want het bloed van de offerdieren werd op de beschutplaats gesprenkeld, vooruitlopend op de ware beschutplaats, Christus Jezus. Hierdoor werden de consequenties van de zonden in het verleden in Gods verdraagzaamheid terzijde gelaten. Romeinen 3:26 (aangescherpte vertaling): “tot aantoning van zijn rechtvaardigheid, in de huidige periode, zodat Hij zelf rechtvaardig is, ook wanneer Hij hem rechtvaardigt, die uit het geloof van Jezus is.” Dit vers is de gerechtelijke uitspraak van God. Dit is het slot-communiqué van de processtukken in de strafzaak tegen de wereld. Dit slot-communiqué spreekt over wie er gerechtvaardigd worden, wie er vrijgesproken worden. Deze zin gaat over de ‘huidige periode’, nú dus. In de huidige periode, nú dus, is God zèlf rechtvaardig, ook wanneer Hij degene rechtvaardigt, die vanuit het geloof van Jezus is. Wat betekent dat: ‘vanuit het geloof van Jezus’? 343

Waarom ‘van Jezus’, en niet ‘van Jezus Christus’ of ‘van Christus Jezus’ ? Hier wordt Jezus als persoon beschreven. Nog voordat Hij officieel tot ‘Christus’ benoemd werd. Jezus had de wet en de profeten intens bestudeerd. Daar las Hij dat er rechtvaardigheid van God is, los van een wet. Rechtvaardigheid van God, door het geloof. Die rechtvaardigheid van God zou zijn door het geloof van Hem, Jezus, dat Hij als ‘Christus Jezus’ in zijn bloed een beschutplaats zou zijn. Allen, die dit geloven, zijn, zonder onderscheid, vanuit dat geloof van Jezus … Wat is dan: ‘geloven’? Geloven is, dat, wanneer je hoort wat Jezus geloofde, namelijk dat Hij in zijn bloed een Beschutplaats is, dat je dan in je hart weet dat het waar is. En dat je dan zegt: ‘Ja, Heer, zo is het.’ En God ziet jouw geloof. En dan rechtvaardigt Hij jou. En jouw rechtvaardiging is volkomen rechtvaardig. Want het is een wettelijke overeenkomst. Die hier in dit juridische document vastgelegd is. Samenvattend: Romeinen 3:19-26 is een juridisch document. Dit document laat zien dat God rechtvaardig is in alles wat Hij doet. Dit document laat ook zien wie Christus Jezus is en wat Hij gedaan heeft. Dit document laat tenslotte zien dat onze rechtvaardiging een wettelijke transactie is. Degenen die deze wettelijke transactie tot stand brengen zijn God en Christus Jezus. Daarom gaat Romeinen 3:19-26 in feite over God en over Christus Jezus. Wij zijn de begunstigden, die ademloos toekijken, hoe God en Christus Jezus werkzaam zijn. 344

Het gaat in de rechtvaardiging dus om God en Christus Jezus. Zodat God en Christus Jezus alle eer krijgen. Wanneer het tot je doordringt, dat het in Romeinen 3:19-26 eigenlijk niet om jou gaat, maar om God en om Christus Jezus, dan word je een happy man. Of een happy woman, natuurlijk. NB Een broeder meende, na afloop van deze toespraak, een tegenstelling te zien tussen mijn toespraak ‘het verzoendeksel’ en deze toespraak ‘een juridisch document’ (‘The happy man’). Deze schijnbare tegenstelling is een kwestie van benadrukking van twee verschillende aspecten van de rechtvaardiging. In ‘het verzoendeksel’ spreek ik over de rechtvaardiging van ‘allen’. Hier, in het ‘juridisch document’, spreek ik over de rechtvaardiging van ‘allen, die geloven’. Dit verschillende aspect komt, omdat in vers 26 God zegt, dat Hij in ‘de huidige periode’ (= het tijdperk van het evangelie van Paulus) hem rechtvaardigt, die uit het geloof van Jezus is. In de volgende perioden zal God de niet-gelovigen rechtvaardigen. Zoals het in 1 Timoteüs 4:10 staat: “de levende God, die een Redder is van alle mensen, vooral van gelovigen.” Het woord ‘vooral’ heeft als basis-betekenis: ‘EERDER-meest’. Gelovigen worden ‘eerder’ gerechtvaardigd, het meest-eerder. Alle mensen worden in hun eigen rangorde gerechtvaardigd, zoals God dat bepaalt. Uiteindelijk (aan het einde van de aeonen) worden alle mensen gerechtvaardigd. Omdat Christus Jezus in zijn bloed de beschutplaats is voor allen. 345

Deze opmerking van die broeder, dat hij een tegenstelling meende te zien, ondersteunde hij met de Concordant Greek Text, die in vers 22 heeft: “dikaiosunē de theou dia pisteōs iēsou christou eis pantas kai epi pantas tous pisteuontas”. De toevoeging ‘kai epi pantas’ [‘en op allen’] heeft een groot aantal getuigen in de oud-Griekse manuscripten. Nestle Aland heeft als hoofdlezing zonder ‘kai epi pantas’, maar geeft deze zinsnede een B-lezing. Een B-lezing wordt omschreven als: ‘de gekozen tekst heeft een zekere graad van twijfel’. Je zou dus kunnen zeggen dat de toevoeging ’kai epi pantas’ mogelijk in het ‘origineel’ aanwezig was. Dat zou de vermeende tegenstelling tussen de twee toespraken meteen wegnemen. De rechtvaardigheid van God door het geloof van Jezus Christus is ‘eis pantas’, ‘voor allen’ (de toespraak: ‘het verzoendeksel’). En die rechtvaardigheid van God door het geloof van Jezus Christus is ‘kai epi pantas tous pisteuontas’, ‘en op allen, die geloven’ , waarin de ‘eerdere’ rechtvaardiging beschreven wordt (toespraak: ‘het juridische document’). Nogmaals dank voor de kritische opmerking, destijds, broeder. Het heeft geleid tot dit voortschrijdend inzicht, na bestudering van alle feiten, drie jaar na dato. 346

21. Hoger de berg op In Gods Woord is er geen ‘eeuwigheid’, maar ‘aeonen’. Nu zegt u misschien tegen mij: ‘Prima, broeder, maar wat is dan een ‘aeon’?’ ‘Aeon’ is het concordante Nederlandse vertaalwoord voor het Griekse woord ‘aiōn’. Het Griekse woord ‘aiōn’ komt 122 keer voor in het Nieuwe Testament. En als u al die 122 contexten van het woord ‘aiōn’ met behulp van een concordantie opzoekt en bestudeert, dan begrijpt u wat een ‘aiōn’ is. ‘Ja’, zegt u, ‘helemaal goed, wat je daar zegt, broeder, maar hoe doe ik dat dan? Hoe zoek ik dat woord “aiōn” op?’ Ik wil u een eenvoudige weg wijzen. Door de Studiebijbel van het Nieuwe Testament te gebruiken. U gebruikt dan deel 11 – een woordstudiedeel. U kunt zo'n studiedeel bij uw plaatselijke christelijke boekhandel kopen. Of via het internet. U gaat dan in deel 11 naar bladzijde 94 en bladzijde 95. U kunt het commentaar overslaan. Want u gebruikt dit woordstudiedeel als concordantie. U kijkt alleen naar de contexten. En u vult dan bij het vetgedrukte woord het woord ‘aeon’ in. U ziet bij de nummers achter de contexten of het Griekse woord ‘aiōn’ in de context enkelvoud of meervoud is. Bij het enkelvoud vult u ‘aeon’ in. En bij het meervoud ‘aeonen’. Als u de moeite neemt om dit onderzoek te doen, dan zult u versteld staan. U zult merken dat concordant zoeken helemaal niet zo moeilijk is. Gewoon doen … 347

En dan zult u ontdekken wat het woord ‘aeon’ betekent. En ik zal u dit zeggen: als u begrijpt wat een ‘aeon’ is, dan gaat Gods Woord pas ècht voor u open. Ik zeg in mijn enthousiasme deze onschuldige opmerking. ‘Als u begrijpt wat een “aeon” is, dan gaat Gods Woord pas ècht voor u open’. Dat is natuurlijk gewoon waar. Daar kan iedere concordante broeder over meepraten. Maar het omgekeerde is dan ook waar. Namelijk: ‘Als u niet begrijpt wat een “aeon” is, dan is Gods Woord nog niet ècht voor u opengegaan.’ Dat klinkt opeens heel anders. Dat klinkt alsof u dan onwetend zou zijn, als u niet weet wat een ‘aeon’ is. Dat u dan Gods Woord niet echt begrepen heeft. En als u mij daarover aanspreekt, als u tegen mij zegt: ‘Meen je dat nou?’ Dan moet ik toegeven: ‘Ja, dat meen ik, als u niet weet wat een “aeon” is, dan heeft u geen idee waar Gods Woord over gaat.’ Nou, dan heb je de poppen aan het dansen, hoor. Want dan ga ik weer veel te scherp door de bocht. Drie weken geleden schreef André Piet op zijn website goedbericht.nl dat hij door een groep mensen midden in het land uitgenodigd was om iets te vertellen over dat God de Redder is van alle mensen. Die mensen daar in het midden van het land waren verbaasd. Zij konden niet begrijpen hoe het mogelijk was dat deze waarheid zo onbekend is in de christelijke wereld. Dat zij er tot voor kort ook nog nooit van gehoord hadden. André legde uit dat, door één Grieks woord niet goed in de bijbelvertaling weer te geven – namelijk door het woord ‘aiōn’ met ‘eeuwigheid’ te vertalen – , het evangelie op die manier door de bijbelvertalers verduisterd is. André vertelde ook aan deze mensen dat de bijbellezer door deze verkeerde vertaling verblind wordt. 348

Het wordt de bijbellezer onmogelijk gemaakt het evangelie nog te kunnen zien. Begrijpen we dat goed? Wanneer we een verkeerde vertaling van het woord ‘aiōn’ horen of lezen, dan worden we hierdoor verblind en het wordt voor ons dan onmogelijk om het evangelie te kunnen zien. Het evangelie is voor ons dan verduisterd. Hoe kunnen we die verblinding wegnemen? Hoe kunnen we het evangelie zien? Antwoord: Door het Griekse woord ‘aiōn’ concordant met het Nederlandse woord ‘aeon’ te vertalen. Dan zien we dat God een “voornemen van de aeonen” heeft. En dat Hij, als “de Koning van de aeonen”, dit voornemen ordelijk uitvoert. In deze, boosaardige, aeon. En in de komende aeonen. Dat ieder mens gered wordt, levendgemaakt wordt. Ieder in zijn eigen rangorde. En dat God, aan het einde van de aeonen, alles in allen wordt. Deze dingen bedenk ik niet. Dit evangelie staat in de brieven van Paulus. Als je de grondtekst concordant vertaalt, dan vervult het woord ‘aeon’ een sleutelrol in het begrijpen van het evangelie. Dat is het belang van een concordante vertaling. Bij een concordante vertaling krijgen wij informatie. Bij een niet-concordante vertaling missen wij die informatie. Bij een niet-concordante vertaling zijn wij volstrekt onwetend. Waarom moeten we concordant vertalen? Nou, omdat we anders Gods Woord niet begrijpen. En als we Gods Woord niet begrijpen, dan begrijpen we niet wie God is. Want God openbaart zich in zijn Woord. 349

Concordant vertalen is geen luxe. Concordant vertalen is een absolute noodzaak. Concordant vertalen is geen ‘uit de hand gelopen hobby’. Concordant vertalen is op zoek gaan naar de waarheid. Hoe gaan we dan op zoek naar de waarheid? Wel, wij horen een boodschap vanuit de christelijke wereld. In onze christelijke gemeenschap, op de televisie, in een krant, in een tijdschrift, of op het internet. Dan kijken we dit na in onze bijbelvertaling. En voor de zekerheid controleren wij die bijbelvertaling. Aan de hand van een concordante Grieks-Nederlandse interlineair. We kunnen zo’n interlineair vinden op de website van NCVBijbelstudie, of op de website van geschriften.nl. We bestuderen de woordkeus. Ook bestuderen wij de Griekse grammatica aan de hand van de Studiebijbel en de websites NCV-Bijbelstudie en geschriften.nl. We krijgen hiermee onmiddellijk vaste grond onder onze voeten. Dit stelt ons in staat om iedere boodschap vanuit de christelijke wereld op diens waarheid te onderzoeken. Het is belangrijk om te weten dat deze concordante studie ook tegenstand oproept. We kunnen in conflict komen met de kerkelijke traditie en de gevestigde orde van de kerkgenootschappen. We zijn ons dan ook voortdurend bewust van onze volledige afhankelijkheid van God. We kunnen ook eenzaam worden. Dat moet ook gezegd worden. Want de mensen om ons heen begrijpen niet waar wij ons zo druk over maken. Soms willen we er mee ophouden. Met die concordante studie … 350

Maar dan roept de Heer ons tot de orde. En dan weten we dat we verder moeten op de concordante weg … Hoger de berg op … In 1975 kreeg ik een bandje opgestuurd met een toespraak van een broeder in Amerika. In die toespraak beschreef deze broeder een droom die hij had gehad. Ik weet alle details van die droom niet meer. Het is te lang geleden. Ik geef u daarom mijn eigen versie. In zijn droom bevond deze broeder uit Amerika zich aan de voet van een berg. Hij zat ontspannen op het terras een kopje koffie te drinken. Het verkeer raasde om hem heen. Mijn broeder zag allemaal mensen die druk aan het winkelen waren. En toen hoorde hij een stem, die zei: ‘Ga de berg op.’ Deze broeder wandelde al heel lang met God. En hij begreep dat het de stem van de Heer was. In zijn droom stond hij op. En hij begon de berg te beklimmen. Het was moeilijk en zwaar. De weg was steil. En hij ging rakelings langs diepe ravijnen … Halverwege nam die broeder een rustpauze op een prachtige plek. Het uitzicht was overweldigend mooi. Mijn broeder besloot in zijn droom om op die plek te blijven. Die plek was buitengewoon aangenaam. Er was ook voldoende voedsel en drank aanwezig. Het was echt een paradijs … Mijn broeder was blij dat hij die bergtocht ondernomen had. Het was de moeite waard geweest. 351

Zonder die tocht zou hij nooit op zo'n heerlijke plek terechtgekomen zijn. Mijn broeder besloot gewoon op die plek te blijven. De Heer had hem er zelf naar toe gestuurd. Of niet, soms … Nou, hij bleef op die plek. Tot de Heer terug zou komen. Zeker weten … Na een tijdje hoorde hij weer die stem, die hij aan de voet van de berg had gehoord. De stem zei: ‘Ga hoger de berg op.’ En in zijn droom protesteerde mijn broeder: ‘Maar, Heer, ik zit hier prima. Ik hoef niet hoger.’ Maar de stem zei: ‘Ga hoger de berg op.’ Mijn broeder zei: ‘Maar, Heer, zo mooi als het hier is, zal ik het nooit meer krijgen.’ Maar de stem zei kalm: ‘Ga hoger de berg op.’ Zoals ik al zei, mijn broeder kende de Heer lang genoeg om te weten dat hij niet verder moest tegenstribbelen. Zuchtend stond hij op en hij begon de moeilijke weg omhoog. Hoger de berg op. Hij moest door woest stromende bergbeken waden. En over grote rotsblokken klauteren. Hij beleefde angstige momenten. Hij gleed een paar keer uit. Het scheelde maar weinig of hij was in een ravijn gevallen … Ook de inspanning viel hem zwaar. Hij dacht aan opgeven. Teruggaan naar het dal. Want hij kon niet meer … Het pad was te steil … Maar hij moest door. Gehoorzaam zijn … En zo strompelde hij verder … En toen viel hij. 352

Hij bleef liggen … Hij had overal pijn. Hij proefde ook bloed. Toen zei de Heer tegen hem: ‘Sta op, ga door, hou vol, je bent er bijna.’ In zijn droom stond mijn broeder moeizaam op. Hij was doodop. Maar hij wankelde verder. Langs steile afgronden … En toen kwam mijn broeder in zijn droom plotseling op een schitterende rustplaats. Het uitzicht was nog mooier dan op zijn eerste rustplaats. Het was werkelijk buitengewoon. Mijn broeder keek zijn ogen uit. Ja, dat was al die moeite wel waard geweest. Mijn broeder besloot in zijn droom om op die plek te blijven. Mooier dan dit kon het niet worden. Het eten en de drank was nog beter dan op de vorige plek. Dit was geen paradijs. Dit was een super-paradijs … Mijn broeder zei in zijn droom: ‘Dank u, Heer, voor deze plaats.’ Mijn broeder was er zeker van dat deze plaats de bedoeling van de Heer was geweest. Een knappe jongen, die hem hier wegkreeg … Na een tijdje hoorde mijn broeder in zijn droom weer dezelfde stem. De stem zei: ‘Ga hoger de berg op.’ Mijn broeder protesteerde. Hij zei: ‘Heer, u hebt mij hier zelf heengebracht. Het is hier fantastisch. Ik wil hier niet weg.’ Maar de stem zei kalm: ‘Ga hoger de berg op.’ Mijn broeder begreep dat protesteren geen zin had. Hij kwam diep zuchtend overeind. Hij ging het steile pad weer op … Na een paar honderd meter werd hij omhuld door wolken. Hij zag niets meer. 353

Mijn broeder werd wanhopig. Waarom was hij niet in die rustplaats gebleven … Het was daar fantastisch … Mijn broeder begon te twijfelen. Had hij die stem wel goed gehoord? Hij voelde dat hij begon te huilen … Toen hoorde hij weer die stem. De stem zei: ‘Ga door, wees niet bang …’ Mijn broeder ging weer verder. Het was moeilijk. Maar hij hield vol … Gelukkig gingen na een poosje de wolken weg. Maar er kwam nu sneeuw en ijs. En het pad werd steeds smaller. En steiler. Mijn broeder werd steeds angstiger. Hij had geen idee hoe ver het nog was. De stem zei: ‘Hou vol, je bent er bijna.’ En toen kwam er nog een heel steil stuk. Met een bevend hart ging mijn broeder erover heen. En toen was daar de top. En daar stond de Heer … En de Heer kwam naar hem toe en de Heer omhelsde hem. En de Heer zei: ‘Dit was de bedoeling … dat je bij Mij zou zijn.’ Mijn broeder kon alleen maar huilen. Van geluk èn van opluchting. Hij klemde zich aan de Heer vast. En toen zei de Heer tegen hem: ‘Goed gedaan, jochie.’ 354

22. Concordante overpeinzingen Wat is concordant vertalen? Concordant vertalen is proberen het Woord van God, tot in de kleinste details, zo juist mogelijk weer te geven. Bij concordant vertalen kom je steeds weer onvoorziene dingen tegen. Daar moet je dan heel goed over nadenken. Lange wandelingen maken. Om te overpeinzen wat God in zijn Woord zegt. Waarom God in zijn Woord nu juist op díe manier iets formuleert. En niet anders … Ik ga vanmiddag met u concordant vertalen. Ik geef u vanmiddag iets om te overpeinzen. Gelukkig is de mens, die in Gods Woord zijn vreugde vindt. En diens Woord overpeinst bij dag en bij nacht … Ons onderwerp van vanmiddag is: het verschil tussen de aorist en de onvoltooid tegenwoordige tijd. Wat is dat: een aorist? Een aorist is allereerst een feit. Een feit is iets waarvan de werkelijkheid vaststaat. Iets wat je niet kunt ontkennen. De wereld, waarin wij leven, bestaat uit feiten. De zon gaat elke dag op. Dat is een feit. En hij gaat elke avond onder. Dat is ook een feit. Een rechte lijn is de kortste afstand tussen twee punten. Eén plus één is twee. Water is nat. En ijs is koud. Allemaal feiten. 355

Daarom handelen wij ook op basis van die feiten. En onze handelingen zèlf zijn ook feiten. Daarom spreken wij ook over onze handelingen als feiten. Luister maar: Ik ga naar mijn werk. Ik neem de auto. Ik sta in de file. Ik kom thuis. Ik zet de computer aan. Ik bid. Ik vertaal Gods Woord. Allemaal feiten. Allemaal aoristen. Een aorist is niet alleen een feit. Het is ook een feit in de onbepaalde tijd. Wat is dat: een feit in de onbepaalde tijd? Dat is, wanneer ik een feit noem, dat ik dan geen bepaalde tijd in mijn gedachten heb. Onze handelingen zijn niet alleen feiten. Maar onze handelingen vinden ook plaats binnen een bepaald tijdskader. Die bepaalde tijdskaders zijn: de verleden tijd, de tegenwoordige tijd en de toekomende tijd. Als wij de aorist gebruiken, dan zien wij onze handeling als een feit. Zonder dat wij die handeling in een bepaald tijdskader plaatsen. Een aorist presenteert dus een handeling als een feit in de onbepaalde tijd. Wat is dan een onvoltooid tegenwoordige tijd? In mijn woning heb ik een studeerkamer. Mijn vrouw zegt altijd: ‘Menno zit in zijn hok’. 356

Er hangt sinds kort een bordje met ‘kantoor’ op de studeerkamerdeur. Daarom moet je ook kloppen, voordat je binnen mag komen. Maar het blijft mijn hok. En in mijn hok vertaal ik Gods Woord. En dan is mijn vrouw even naar het dorp. En dan komt ze thuis. Ze ziet mij niet. En dan roept ze: ‘Waar ben je?’ En dan roep ik terug: ‘Ik ben in mijn hok.’ En dan roept ze: ‘Wat ben je aan het doen?’ En dan roep ik: ‘Ik ben Gods Woord aan het vertalen.’ Deze uitspraak: ‘Ik ben Gods Woord aan het vertalen’, dat is een onvoltooid tegenwoordige tijd. Ik plaats met het gebruik van de onvoltooid tegenwoordige tijd mijn handeling in een tijdskader. Mijn handeling is niet in de verleden tijd. Mijn handeling is ook niet in de toekomende tijd. Maar mijn handeling is nú, op het moment dat ik spreek. De onvoltooid tegenwoordige tijd benadrukt dus dat de handeling nú, op het spreekmoment, plaatsvindt en dat de handeling op het spreekmoment nog niet voltooid is. Ik ben dus nu, op mijn spreekmoment, in mijn hok Gods Woord aan het vertalen. En dan komt mijn vrouw in mijn hok. Ze heeft een mobiele telefoon in haar hand. Ze zegt: ‘Telefoon voor je.’ En dan stop ik met vertalen. Ik ga telefoneren. Er is nu een nieuwe situatie ontstaan. De onvoltooid tegenwoordige tijd van de handeling van het vertalen van Gods Woord is voltooid. Ik ben nu, op dit moment, niet meer Gods Woord aan het vertalen. 357

Ik ben nu, op dit moment, aan het telefoneren. Ik heb de ene handeling vervangen door een andere handeling. Het is zelfs de vraag of ik de oorspronkelijke handeling, het vertalen van Gods Woord, weer op zal pakken. Want wij weten niet hoe de toekomst zal zijn. En dan roept mijn vrouw vanuit de huiskamer: ‘Kom je? We gaan eten.’ En dan roep ik terug: ‘Ik kom zo, ik ben nog even aan het telefoneren.’ Met die woorden geef ik aan mijn vrouw aan, dat op dit spreekmoment, telefoneren mijn handeling is, en niet het vertalen van Gods Woord. Even later zitten mijn vrouw en ik aan tafel. Ik ben nu niet meer aan het telefoneren. Ik ben nu aan het eten. Ik heb, op dit moment, de handeling van het telefoneren vervangen door de handeling van het eten. Dit geeft aan hoe vluchtig de handeling in de onvoltooid tegenwoordige tijd kan zijn. Een handeling kan, zomaar, plotseling, afgebroken worden. En vervangen worden door een andere handeling. Die andere handeling kan ook zo maar afgebroken worden. En vervangen worden door weer een àndere handeling. Misschien wordt een bepaalde handeling nooit meer opgepakt. Want wij weten niet hoe de toekomst zal zijn. Wij verrichten handelingen dus niet alleen als feiten. Wij verrichten die handelingen ook in momenten van de tijd. Wij gaan van moment tot moment. Het heden is ingeklemd tussen het verleden en de toekomst. Het verleden is net geweest. En de toekomst komt er zo aan. Het heden is iets vluchtigs. Daarom zijn ook onze handelingen in het heden iets vluchtigs. 358

Dit benadrukken wij door in de onvoltooid tegenwoordige tijd onze handeling op het spreekmoment te benoemen. Wij benoemen in de onvoltooid tegenwoordige tijd onze handeling niet als een feit. Maar als een handeling, die op dit moment gaande is, een momentopname. Eigenlijk zou je bij een werkwoordsvorm in de onvoltooid tegenwoordige tijd in gedachten een toevoeging moeten maken: ‘nu, op dit moment’. Dit onderscheid tussen de aorist en de onvoltooid tegenwoordige tijd, wordt in het Nieuwe Testament, in het oudGrieks, heel scherp aangegeven. Bijvoorbeeld: als God liefheeft, dan is dat bijna altijd in de aorist. Zijn liefde is niet aan tijd gebonden. Zijn liefde is een feit. Zijn liefde is geen momentopname. Zijn liefde is niet van voorbijgaande aard. Ik geef u even een bekend voorbeeld. Johannes 3:16. “houtōs gar ēgapēsen ho theos ton kosmon” Dus niet: ‘Want alzo lief heeft God de wereld gehad’, zoals de NBG zegt (voltooide tijd). Maar: “want zó lief heeft God de wereld, dat …” (aorist – een feit) of: “want God heeft de wereld zó lief, dat …” (aorist – een feit) In Johannes 3:16 wordt een feit genoemd. Gods liefde voor de wereld is een feit. De mens, daarentegen, kan niet zo goed liefhebben. In het Nieuwe Testament, in het oud-Grieks, wordt bij de mens, als hij liefheeft, bijna altijd de onvoltooid tegenwoordige tijd gebruikt. Een handeling, die op dit spreekmoment plaats vindt, een momentopname, die van voorbijgaande aard is. 359

Efeziërs 5:28. “ho agapōn tēn heautou gunaika heauton agapa” Letterlijke vertaling: “Degene die zijn eigen vrouw aan het liefhebben is, is zichzelf aan het liefhebben.” De liefde van een man voor zijn vrouw is geen feit onbepaalde tijd (aorist). Daarom wordt er hier, in Efeze 5:28, een onvoltooid tegenwoordige tijd gebruikt, om aan te geven, dat die liefde van de man van tijdelijke aard is. Hij is op dit spreekmoment bézig met lief te hebben. Maar er kunnen honderden redenen zijn, zowel van fysieke als van psychische aard, die de liefde van een man voor zijn vrouw kan doen verdampen. Het is iets vluchtigs. Die liefde van een man voor zijn vrouw, in de tegenwoordige tijd, kan zomaar voorbij zijn. 1 Johannes 4:19 “hēmeis agapōmen auton hoti autos prōtos ēgapēsen hēmas” “wij zijn Hem (God) aan het liefhebben (onvoltooid tegenwoordige tijd), omdat Hij ons eerst liefheeft (aorist)” In 1 Johannes 4:19 ziet u het verschil in de liefde van God en van de mens. De liefde van de mens (‘wij’) is een onvoltooid tegenwoordige tijd. De liefde van God is een aorist, een feit. Het verschil tussen Gods liefde en onze liefde wordt dus weergegeven door verschillende werkwoordsvormen. Wij hebben God lief in de onvoltooid tegenwoordige tijd. Onze liefde voor God is vluchtig. Onze liefde voor God kan op elk moment afgebroken worden. En vervangen worden door iets anders. Om wat voor reden dan ook. Dit is Gods oordeel over onze liefde voor Hem. Deze gedachte vinden wij niet zo prettig. 360

Het is slecht voor ons ego. Wij vinden dat wij best wel goed bezig zijn. Maar het zou verstandig van ons zijn, wanneer wij tegen God zouden zeggen: ‘Heer, U heeft helemaal gelijk, mijn liefde voor U is iets vluchtigs.’ Maar dat doen wij niet. Wij draaien het om. Wij doen net of Gods liefde vluchtig is. Maar Gods liefde is niet vluchtig. Onze liefde is vluchtig. Daarom zijn veel mensen ook bang voor God. Zij denken dat God net zo is, zoals wij mensen zijn. Dat Gods liefde voor ons iets vluchtigs is. Nou, echt niet. Gods liefde voor ons is een aorist, hoor … Als de liefde van God bijna altijd in de aorist staat, dan moet je dus goed opletten als die liefde van God in de onvoltooid tegenwoordige tijd staat. Dan is er iets bijzonders aan de hand. Laten we die bijzondere passage eens bekijken. We gaan naar 2 Korintiërs 9:7. “hilaron gar dotēn agapa ho theos” Hier zou je ‘ēgapēsen’, de aorist, verwachten, omdat het over het liefhebben van God gaat, maar er staat hier ‘agapa’, de onvoltooid tegenwoordige tijd. De vertaling is dus: “… want God is een blijmoedige gever aan het liefhebben”. Waarom wordt in deze passage de onvoltooid tegenwoordige tijd voor Gods liefde gebruikt? Omdat in dit hoofdstuk de nadruk ligt op het tijdelijke aspect van een inzameling. Deze inzameling is een bijzondere inzameling voor de verarmde heiligen in Jeruzalem. 361

Paulus had uitdrukkelijk aan de andere afgevaardigden, Jacobus, Petrus en Johannes, beloofd om zich voor zo’n inzameling in te zetten. Daar is Paulus in dit hoofdstuk dus mee bezig. Wie in déze inzameling blijmoedig geeft, zegt Paulus, krijgt Gods goedkeuring. God is, op dat moment van spreken, zo iemand aan het liefhebben. Deze tegenwoordige tijdsvorm past in de context van deze tijdelijke, specifieke, inzameling. Dit geldt dus niet, bijvoorbeeld, als iemand in déze tijd blijmoedig zijn tienden aan zijn geloofsgemeenschap geeft. Dan kàn God hem daarom liefhebben. Maar dat hoeft niet. Want dat God een blijmoedige gever zou liefhebben, gebaseerd op 2 Korintiërs 9:7, is een onjuiste interpretatie. Als in 2 Korintiërs 9:7 het woord ‘liefhebben’ in de aorist had gestaan, dan kan die blijmoedige gelovige daar aanspraak op maken. Maar nu niet. Ziet u, hoe gemakkelijk je iets verkeerd kunt begrijpen? Als er in een tekst een onvoltooid tegenwoordige tijd staat, dan moet je dus altijd goed opletten. Er is dan geen sprake van een feit. Maar er wordt dan benadrukt dat een handeling in de onvoltooid tegenwoordige tijd plaatsvindt. Dat die handeling een momentopname is. En dat die handeling van voorbijgaande aard is. In het verleden heb ik in mijn toespraken uitgebreid over de aorist gesproken. Ook in mijn lessen Grieks, die ik in Rotterdam heb gegeven, is de aorist uitvoerig besproken. Omdat het onderscheid tussen de aorist enerzijds en de onvoltooid tegenwoordige tijd anderzijds van essentieel belang is voor het begrijpen van de tekst van het Nieuwe Testament, wil ik hier nog één keer het belang daarvan onderstrepen. 362

De Nederlandse weergave van de Griekse aorist en de onvoltooid tegenwoordige tijd is in de wetenschappelijke handboeken en in de bijbelvertalingen onvolledig en onjuist. Dit komt omdat de klassieke Nederlandse grammatica inconsistent is. Er is een duidelijke verklaring voor dit merkwaardige fenomeen. Want wij, Nederlanders, zijn het besef van de onvoltooid tegenwoordige tijd kwijt. Alleen in onze spreektaal komt het nog naar voren. ‘Hé, wat ben je aan het doen?’ ‘Ik ben de wc aan het schoonmaken.’ Dát zijn onvoltooide handelingen in de tegenwoordige tijd. Wij gebruiken deze manier van spreken intuïtief, maar omdat het een nogal omslachtige manier is om iets te zeggen en de onvoltooid tegenwoordige tijd-vorm: ‘ik ben aan het …’ in heel veel gevallen krom Nederlands oplevert, gebruiken grammatici en bijbelvertalers deze uitdrukkingsvorm liever niet in hun beschouwingen en vertalingen. Dit vermijden van de onvoltooid tegenwoordige tijd-vormen in de bijbelvertalingen leidt er toe dat veel bijbelteksten onjuist weergegeven worden. Er wordt de lezer belangrijke informatie onthouden. De onvoltooid tegenwoordige tijd wordt gebruikt als de spreker of schrijver aan wil geven op welk moment de inhoud van zijn mededeling zich in zijn voorstelling afspeelt. De onvoltooid tegenwoordige tijd geeft aan dat de inhoud van de mededeling tijdens het moment van het spreken of schrijven plaatsvindt. Alleen is de vraag: tot wanneer duurt die handeling? Wanneer houdt die handeling op? Volgens de definitie van de onvoltooid tegenwoordige tijd is dit binnen de begrenzing van de tijd van het spreken of het schrijven van degene die deze mededeling doet. Heel veel uitspraken in de nieuwtestamentische Griekse tekst zijn onvoltooid tegenwoordige tijd, dat wil zeggen, geldig op het moment van het schrijven van de schrijver. 363

Het zou dus zo maar kunnen dat honderden teksten in het Nieuwe Testament geen geldigheid meer hebben vanwege hun onvoltooid tegenwoordige tijd-vorm. Maar dat zie je niet terug in de bijbelvertalingen. Daar worden vrijwel alle onvoltooid tegenwoordige tijd-vormen met een aorist vertaald. Een door de tijd begrensde handeling wordt als een feit gepresenteerd. Een groot aantal leerstellingen (geloofsopvattingen) zouden, op basis van een foutieve vertaling van het Grieks, hierdoor in een heel ander daglicht kunnen komen te staan. Als je in het Griekse Nieuwe Testament de werkwoordsvormen naar tijdsvormen rangschikt, dan zie je: verleden tijd 9%, tegenwoordige tijd 36%, toekomende tijd 8%, de voltooide tijd 4% en de onbepaalde tijd (aorist) 43%. Omdat de aorist de meest gangbare werkwoordsvorm is in het Nieuwe Testament, zullen we in de Griekse tekst dan ook veel ‘feiten’ aantreffen. In de bestaande bijbelvertalingen ontgaat dit de lezer volkomen. Want ‘aoristen’ worden in de gangbare bijbelvertalingen met een onvoltooid verleden tijd-vorm weergegeven, of met een voltooid tegenwoordige tijd-vorm. Wanneer de aorist (de onbepaalde tijd) gebruikt wordt, is dat een indicatie dat de handeling van het werkwoord niet aan tijd gerelateerd is en dat de tijd van de handeling dus niet belangrijk is. De andere tijden geven aan dat de tijd juist wèl belangrijk is, en dat de handelingen aan deze tijden gerelateerd zijn en daarom speciale aandacht vragen. Het lijkt dus precies andersom te zijn als wij altijd gedacht hebben: niet de aorist is speciaal, maar de andere tijden zijn speciaal. Een verleden tijd wordt dan gebruikt om aan te geven dat de verleden tijd op de een of andere manier belangrijk is, bijvoorbeeld dat het inhoudt dat de handeling niet langer plaatsvindt, dat de handeling beperkt is tot het verleden. 364

Op dezelfde manier houdt het gebruik en de betekenis van de tegenwoordige tijd in dat de handeling beperkt is tot het heden. De betekenis van de toekomende en de voltooide tijd wordt op dezelfde manier ook belangrijk. Omdat met name het onderscheid tussen de aorist en de onvoltooid tegenwoordige tijd zo prominent in de Griekse tekst aanwezig is, zijn in de concordante vertaling op mijn website geschriften.nl de onvoltooid tegenwoordige tijd-vormen uitgeschreven, zodat ze duidelijk in de tekst te zien zijn. Laten we ook even kijken naar de medialis. De medialis heeft te maken met de onderwerpsrelatie in de zin. De actieve onderwerpsrelatie houdt in dat het onderwerp de handeling van het werkwoord uitvoert. De passieve onderwerpsrelatie houdt in dat het onderwerp de handeling van het werkwoord ondergaat. Naast de actieve vorm en de passieve vorm is er nog een derde onderwerpsrelatie in het oud-Grieks: de medialis. De mediale onderwerpsrelatie kennen we in het Nederlands niet als aparte werkwoordsvorm. De vraag wat er met een medialis bedoelt wordt, is een kwestie die door wetenschappers niet goed beantwoord kan worden. Meestal wordt door Nederlandse wetenschappers de medialis omschreven als: ‘Het medium geeft – meer dan het activum – aan dat een persoon op zeer bijzondere wijze bij de handeling is betrokken.’ Ook voor internationale wetenschappers is deze mediale onderwerpsrelatie in de Griekse tekst een raadsel, waarvan gezegd wordt, dat het ‘een van de moeilijkste problemen voor een vertaler is’. Alle bestaande bijbelvertalingen in de wereld negeren deze werkwoordsvorm dan ook. Er zijn in het Koiné-Grieks 45 verschillende verbuigingen van het werkwoord. 365

Van die 45 verschillende verbuigingen van het werkwoord is de medialis met circa 40% van die specifieke werkwoordsvormen de grootste groep. Dit betekent, wanneer men in de bijbelvertaling de medialis negeert, dat men dan 40% van de specifieke verbuiging van de werkwoordsvormen niet goed weergeeft. En dat daarmee de betekenis van die werkwoordsvormen ons ontgaat. Hoe kunnen we dan proberen in de bijbelvertaling dichter bij de betekenis van de medialis te komen? Wanneer men alle aanwijzingen van de bestaande literatuur samenvat, dan kunnen we zeggen, dat de mediale verhouding wijst op de verbinding, die het onderwerp aangaat met de handeling. De sterke verbinding, die het onderwerp in de mediale verhouding met de handeling aangaat, laat zien, dat in de mediale verhouding het onderwerp niet alleen handelt, of een handeling ondergaat, maar dat het onderwerp, bovendien, als betrokkene, intensief aan de handeling deelneemt. De medialis kan, afhankelijk van de context, zowel actief als passief weergegeven worden. De ‘intense betrokkenheid’ van de medialis wordt in de consistente (concordante) vertaling op mijn website geschriften.nl aangegeven met de toevoeging [met-heel-dienswezen]. Deze bevindingen over de medialis en over de aorist versus de onvoltooid tegenwoordige tijd gaan wij nu concreet toepassen. Wij gaan kijken naar het verschil tussen de aorist en de onvoltooid tegenwoordige tijd in de medialis. 1 Korintiërs 6:11 “apelousasthe” (een aorist medialis) NBG: ‘jullie worden schoongebaad’ 1 Korintiërs 15:2 “sōzesthe” (een onvoltooid tegenwoordige tijd medialis) NBG: ‘jullie worden gered’ 366

Allereerst zien we dat de NBG de medialis buiten beschouwing laat. Eigenlijk zou er moeten staan: “Jullie worden [met heel jullie wezen] schoongebaad” (1 Korintiërs 6:11) “Jullie worden [met heel jullie wezen] gered” (1 Korintiërs 15:2) Voorts zien we dat in de NBG-vertaling de aorist medialis hetzelfde weergegeven wordt als de onvoltooid tegenwoordige tijd medialis. Namelijk: ‘jullie worden schoongebaad’ en ‘jullie worden gered’. Nu is ‘jullie worden [met heel jullie wezen] schoongebaad’ inderdaad een aorist medialis. Dit ‘[met heel jullie wezen] schoongebaad worden’ is een feit. Maar de NBG vertaling ‘jullie worden gered’ voor het Griekse ‘sōzesthe’ is onjuist. Want ‘sōzesthe’ is een onvoltooid tegenwoordige tijd medialis, een onvoltooide handeling in de tegenwoordige tijd medialis. Het is dus een vorm met: ‘aan-het’. De correcte (concordante) Nederlandse vertaling is dus: “jullie zijn [met heel jullie wezen] gered aan het worden”. We concentreren ons nu even op het verschil tussen de aorist en de onvoltooid tegenwoordige tijd. ‘sōzesthe’, is een onvoltooid tegenwoordige tijd. Dat wil zeggen, dat de redding van de Korintiërs, door het evangelie, dat Paulus in Korintiërs gebracht heeft, in dit vers een onvoltooide handeling is, een handeling die nú plaats vindt, tijdens het schrijfmoment van de schrijver, een momentopname, een handeling die van voorbijgaande aard is. Waarom die onvoltooid tegenwoordige tijd bij ‘gered worden’? Omdat de voorwaarde van het ‘gered worden’ ook in de onvoltooid tegenwoordige tijd staat. 1 Korintiërs 15:2 “ei katechete”. In de NBG vertaling: ‘als gij het vasthoudt’. Deze NBG-vertaling maakt van dat ‘vasthouden’ een aorist. 367

Maar ‘katechete’ is een onvoltooid tegenwoordige tijd. Dus: “indien jullie aan het vasthouden zijn”. Dus ook dat ‘vasthouden’ is een handeling op het spreekmoment. Een momentopname. Paulus zegt dus, dat “indien jullie, nu, op dit moment, bezig zijn met het evangelie aan het vasthouden zijn, dat jullie dan nu, op dit moment, gered aan het worden zijn”. Het omgekeerde geldt dus ook. Als jullie dus niet nu, op dit moment, bezig zijn met het evangelie aan het vasthouden zijn, dan zijn jullie nu, op dit moment, dus ook niet gered aan het worden zijn. Nu zegt iemand misschien: ‘En 2 Timoteüs 1:9 dan?’ 2 Timoteüs 1:9. “(theou) tou sōsantos hēmas” “(van-God) de(gene) reddende ons” Dit ‘reddende’ is een aorist: een feit. Hier staat dat God ons redt. In de aorist. Een feit. Zonder tijdsbeperking. Dat God ons redt, staat vast. Want het staat in de aorist. Een feit, dus. Maar 1 Korintiërs 15:2 spreekt over onze redding als iets wat nog niet voltooid is, iets wat nu, op dit moment, bezig is, een momentopname. En zoals wij gezien hebben, kan een momentopname vervangen worden door een andere momentopname. Onze redding is, vanuit dat standpunt gezien, relatief. Als wij het evangelie, volgens Paulus’ woorden, niet aan het vasthouden zijn, dan is onze redding ook niet door aan het gaan. Misschien bent u het oneens met deze conclusie. 368

Dat kan, maar dat is wat de tekst hier zegt. Deze tekst is een goed voorbeeld van concordant vertalen. Dat je telkens weer onvoorziene dingen tegenkomt. Wat is het nou? Is onze redding nou een feit? Of is onze redding een momentopname, wat weer voorbij kan gaan? Nu begint de overpeinzing. Ik geef u iets ter overweging. De oplossing van dit probleem is de middenvorm van het woord ‘jullie zijn [met heel jullie wezen] gered aan het worden’ in 1 Korintiërs 15:2. Laten we proberen dit gegeven zo goed mogelijk te benaderen. De middenvorm geeft aan dat het onderwerp intens betrokken is bij de handeling. In 2 Timoteüs 1:9 wordt onze redding vanuit Gods standpunt bekeken. Het absolute standpunt. Daar is onze redding een aorist, een feit. De onvoltooide handeling tegenwoordige tijd en de middenvorm sámen in 1 Korintiërs 15:2 geeft de redding aan vanuit het menselijk standpunt. Het relatieve standpunt. De middenvorm geeft een intense betrokkenheid aan, oftewel de beleving van het onderwerp bij de handeling. Hoewel dus onze redding een feit is, volgens 2 Timoteüs 1:9, beleven we dat niet zo, volgens 1 Korintiërs 15:2. Wij beleven onze redding niet als een feit, maar als een proces van momenten, waarin wij gered aan het worden zijn. Als in een wedloop. Waarin je op het ene moment een gevoel van gelukzaligheid hebt. Omdat het lopen probleemloos gaat. 369

En waarin je op het andere moment wilt afhaken. Omdat het lichtje uitgaat. Wanneer je benen of je longen niet meer willen. De onvoltooide handeling tegenwoordige tijd in 1 Korintiërs 15:2 geeft dus aan dat onze redding een momentopname is. En dat die redding ook afgebroken kan worden. Zoals bij alle handelingen in de onvoltooid tegenwoordige tijd. Maar de middenvorm geeft aan, dat wij dit als zodanig beleven. En dat het daarom verstandig is om dicht bij de Heer te blijven. Begrijpt u? NB Toen ik de bovenstaande conclusie uit mijn toespraak van 2019 nog eens herlas, werd ik bepaald bij het feit dat ‘sōzesthe’ in 1 Korintiërs 15:2 juist niet een aorist is. Dit is buitengewoon belangrijk. Want als ‘sōzesthe’ in 1 Korintiërs 15:2 een aorist zou zijn, een feit, dan zou deze tekst het woord ‘sōsantos’ in 2 Timoteüs 1:9, dat ook een feit is, tegenspreken. ‘sōzesthe’ in 1 Korintiërs 15:2 moet een onvoltooid tegenwoordige tijd in de medialis zijn. Dan spreken 2 Timoteüs 1:9 en 1 Korintiërs 15:2 elkaar niet tegen. Met de juiste weergave van de werkwoordsvormen zijn beide teksten waar. Natuurlijk redt God ons. Een aorist activum – God handelt in de aorist. Zijn redding van ons is een feit. En natuurlijk beleven wij onze redding als een ‘ongoing proces’. Een onvoltooid tegenwoordige tijd in de medialis. Beide gegevens geven rust aan je hart. Dat God ons redt – een feit. En dat je in je beleving je redding als een wedloop ervaart. 370

Dus hoef je je niet schuldig te voelen als je wel eens wilt opgeven. Dat je het soms moeilijk vindt om vol te houden. En dan zegt Paulus: ‘wees bezig met je vast te houden aan mijn evangelie.’ Ook dit ‘vasthouden’ is volgens 1 Korintiërs 15:2 een ongoing proces. Hoe belangrijk zijn de werkwoordsvormen! Hoe nauw luistert Gods Woord! Het was na een toespraak. Tijdens het forum. Ik weet niet meer precies wat er tegen mij gezegd werd. Maar sommige aanwezigen vonden dat ik een beetje overdreef. Want het luistert allemaal niet zo nauw met Gods Woord. Toch? En toen vertelde ik aan de aanwezigen een gebeurtenis. Zeven jaar geleden had mijn buurjongen een probleem. Hij studeerde op de hogeschool, maar hij wilde overstappen naar de universiteit. Hij kon niet goed overweg met het systeem op de hogeschool. Hij liep er op stuk. Op al die groepsprocessen. En in dat jaar kon hij probleemloos overstappen naar de universiteit. Mijn buurjongen had al diverse pogingen gedaan om dit te regelen met het administratiekantoor van de universiteit. Maar hij liep steeds vast op de bureaucratie. Mijn buurjongen werd er wanhopig van. In zijn wanhoop overwoog hij om maar helemaal te stoppen met zijn schoolopleiding … Ten einde raad riep mijn buurjongen mijn hulp in. En zo stonden wij op de laatste dag van de inschrijving, vlak voor sluitingstijd, samen voor de balie. 371

Ik gebruikte al mijn overredingskracht om de onwillige dame achter de balie ervan te overtuigen, dat mijn buurjongen op de universiteit ingeschreven moest worden. Want hij voldeed aan alle voorwaarden. Het meisje zag er overwerkt uit. Ze zei vermoeid: ‘Meneer, het spijt me, maar deze hogeschoolstudent heeft zich niet van tevoren aangemeld. Die aanmelding is verplicht, anders kan ik hem niet helpen.’ Mijn buurjongen, normaliter een heel rustige jongen, werd nu boos. Hij zei: ‘Ik heb mij wèl van tevoren aangemeld. Al drie weken geleden. Er moet door jullie een fout zijn gemaakt.’ Het meisje zuchtte. Ze vroeg mijn buurjongen nogmaals naar zijn naam. Hij zei: ‘Aissaoui.’ Hij spelde het voor haar. Het meisje typte zijn naam nogmaals in. Ze wachtte even, keek naar het scherm en zei toen tegen mijn buurjongen: ‘De computer herkent jouw naam niet. Het spijt me. Ik kan je niet inschrijven. Kom volgend jaar maar terug.’ Mijn buurjongen was wanhopig. Hij wist dat het volgend jaar anders kon zijn. Hij kon de universiteit wel vergeten … Ik kreeg een ingeving. Ik zei tegen mijn buurjongen: ‘Geef me je paspoort.’ Hij deed het. En daar stond het. Het was inderdaad Aissaoui. Maar het was geschreven met een trema. Niet met één puntje, maar met twee puntjes op de i. Mijn buurjongen heette niet ‘Aissaoui’. Maar ‘Aïssaoui’. Ik zei tegen het meisje: ‘Het is Aïssaoui, met een trema op de i.’ Het meisje typte de naam, nu correct, in. 372

Even later glimlachte ze naar mij. Ze zei: ‘Meneer, hij heeft zich inderdaad 3 weken geleden aangemeld. We kunnen hem nu op de universiteit inschrijven.’ Drie jaar geleden heeft mijn buurjongen zijn Masters in Economie aan de universiteit behaald. Hij werkt nu bij een van de grote, internationale accountantskantoren. Zijn toekomst werd bepaald doordat er niet één, maar twee puntjes op de i stonden. Wat wil ik hiermee zeggen? Het computertijdperk geeft aan hoe uiterst nauwkeurig informatie moet zijn. Anders ontstaat er grote verwarring. En gaat er van alles mis. Gods Woord is niet zomaar een boek. Gods Woord is uiterst zorgvuldig geformuleerd. Het zou zo maar kunnen, als je Gods Woord niet diepgaand onderzoekt, dat dan de werkelijke betekenis van het Nieuwe Testament volledig aan je voorbij gaat. Eigenlijk kun je alleen maar ‘met heel je wezen’ omgaan met Gods Woord. En in het – met heel je wezen – omgaan met Gods Woord ga je vaak scherp door de bocht. Gelukkig verzorgt God zèlf voor jou de veiligheidsriemen. Want wanneer je dan, met heel je wezen, scherp door de bocht gaat, weet je één ding zeker. Dat je volkomen in Zijn hand bent. 373

1 Online Touch

Index

  1. 1
  2. 2
  3. 3
  4. 4
  5. 5
  6. 6
  7. 7
  8. 8
  9. 9
  10. 10
  11. 11
  12. 12
  13. 13
  14. 14
  15. 15
  16. 16
  17. 17
  18. 18
  19. 19
  20. 20
  21. 21
  22. 22
  23. 23
  24. 24
  25. 25
  26. 26
  27. 27
  28. 28
  29. 29
  30. 30
  31. 31
  32. 32
  33. 33
  34. 34
  35. 35
  36. 36
  37. 37
  38. 38
  39. 39
  40. 40
  41. 41
  42. 42
  43. 43
  44. 44
  45. 45
  46. 46
  47. 47
  48. 48
  49. 49
  50. 50
  51. 51
  52. 52
  53. 53
  54. 54
  55. 55
  56. 56
  57. 57
  58. 58
  59. 59
  60. 60
  61. 61
  62. 62
  63. 63
  64. 64
  65. 65
  66. 66
  67. 67
  68. 68
  69. 69
  70. 70
  71. 71
  72. 72
  73. 73
  74. 74
  75. 75
  76. 76
  77. 77
  78. 78
  79. 79
  80. 80
  81. 81
  82. 82
  83. 83
  84. 84
  85. 85
  86. 86
  87. 87
  88. 88
  89. 89
  90. 90
  91. 91
  92. 92
  93. 93
  94. 94
  95. 95
  96. 96
  97. 97
  98. 98
  99. 99
  100. 100
  101. 101
  102. 102
  103. 103
  104. 104
  105. 105
  106. 106
  107. 107
  108. 108
  109. 109
  110. 110
  111. 111
  112. 112
  113. 113
  114. 114
  115. 115
  116. 116
  117. 117
  118. 118
  119. 119
  120. 120
  121. 121
  122. 122
  123. 123
  124. 124
  125. 125
  126. 126
  127. 127
  128. 128
  129. 129
  130. 130
  131. 131
  132. 132
  133. 133
  134. 134
  135. 135
  136. 136
  137. 137
  138. 138
  139. 139
  140. 140
  141. 141
  142. 142
  143. 143
  144. 144
  145. 145
  146. 146
  147. 147
  148. 148
  149. 149
  150. 150
  151. 151
  152. 152
  153. 153
  154. 154
  155. 155
  156. 156
  157. 157
  158. 158
  159. 159
  160. 160
  161. 161
  162. 162
  163. 163
  164. 164
  165. 165
  166. 166
  167. 167
  168. 168
  169. 169
  170. 170
  171. 171
  172. 172
  173. 173
  174. 174
  175. 175
  176. 176
  177. 177
  178. 178
  179. 179
  180. 180
  181. 181
  182. 182
  183. 183
  184. 184
  185. 185
  186. 186
  187. 187
  188. 188
  189. 189
  190. 190
  191. 191
  192. 192
  193. 193
  194. 194
  195. 195
  196. 196
  197. 197
  198. 198
  199. 199
  200. 200
  201. 201
  202. 202
  203. 203
  204. 204
  205. 205
  206. 206
  207. 207
  208. 208
  209. 209
  210. 210
  211. 211
  212. 212
  213. 213
  214. 214
  215. 215
  216. 216
  217. 217
  218. 218
  219. 219
  220. 220
  221. 221
  222. 222
  223. 223
  224. 224
  225. 225
  226. 226
  227. 227
  228. 228
  229. 229
  230. 230
  231. 231
  232. 232
  233. 233
  234. 234
  235. 235
  236. 236
  237. 237
  238. 238
  239. 239
  240. 240
  241. 241
  242. 242
  243. 243
  244. 244
  245. 245
  246. 246
  247. 247
  248. 248
  249. 249
  250. 250
  251. 251
  252. 252
  253. 253
  254. 254
  255. 255
  256. 256
  257. 257
  258. 258
  259. 259
  260. 260
  261. 261
  262. 262
  263. 263
  264. 264
  265. 265
  266. 266
  267. 267
  268. 268
  269. 269
  270. 270
  271. 271
  272. 272
  273. 273
  274. 274
  275. 275
  276. 276
  277. 277
  278. 278
  279. 279
  280. 280
  281. 281
  282. 282
  283. 283
  284. 284
  285. 285
  286. 286
  287. 287
  288. 288
  289. 289
  290. 290
  291. 291
  292. 292
  293. 293
  294. 294
  295. 295
  296. 296
  297. 297
  298. 298
  299. 299
  300. 300
  301. 301
  302. 302
  303. 303
  304. 304
  305. 305
  306. 306
  307. 307
  308. 308
  309. 309
  310. 310
  311. 311
  312. 312
  313. 313
  314. 314
  315. 315
  316. 316
  317. 317
  318. 318
  319. 319
  320. 320
  321. 321
  322. 322
  323. 323
  324. 324
  325. 325
  326. 326
  327. 327
  328. 328
  329. 329
  330. 330
  331. 331
  332. 332
  333. 333
  334. 334
  335. 335
  336. 336
  337. 337
  338. 338
  339. 339
  340. 340
  341. 341
  342. 342
  343. 343
  344. 344
  345. 345
  346. 346
  347. 347
  348. 348
  349. 349
  350. 350
  351. 351
  352. 352
  353. 353
  354. 354
  355. 355
  356. 356
  357. 357
  358. 358
  359. 359
  360. 360
  361. 361
  362. 362
  363. 363
  364. 364
  365. 365
  366. 366
  367. 367
  368. 368
  369. 369
  370. 370
  371. 371
  372. 372
  373. 373
  374. 374
Home


You need flash player to view this online publication